Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze
machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
VMX17
2S3-F8199-D1
DIC183
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
DAU26945
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de
machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
DECLARATION of CONFORMITY
CONFORMITEITSVERKLARING
We
Company: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Address: 1450-6, Mori, Mori-Machi, Shuchi-gun, Shizuoka-Ken, 437-0292 Japan
Wij,
Bedrijf: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Adres: 1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
Hereby declare that the product:
Kind of equipment: IMMOBILIZER
Type-designation: 5SL-00
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
is in compliance with following norm(s) or documents:
R&TTE Directive(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Two or Three-Wheel Motor Vehicles Directive(97/24/EC: Chapter 8, EMC)
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Place of issue: Shizuoka, Japan
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Date of issue: 1 Aug. 2002
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Revision record
No.
Contents
To change contact person and integrate type-designation.
1
Version up the norm of EN60950 to EN60950-1
2
To change company name
3
General manager of quality assurance div.
Date
9 Jun. 2005
27 Feb. 2006
1 Mar. 2007
Overzicht van wijzigingen
Nr.
Inhoud
Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren.
1
Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1
2
Om bedrijfsnaam te wijzigen
3
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer
Datum
9 juni 2005
27 februari 2006
1 maart 2007
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
INLEIDING
DAU10102
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de VMX17 profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en
fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw VMX17. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen
kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel
dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente
productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA10031
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op
persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of
overlijden te voorkomen.
WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resulteren in ernstig letsel of overlijden.
LET OP
De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om schade aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.
OPMERKING
De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of
verhelderen.
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
VMX17
HANDLEIDING
©2009 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juli 2009
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ..............1-1
BESCHRIJVING ................................2-1
Aanzicht linkerzijde..........................2-1
Aanzicht rechterzijde .......................2-2
Bedieningen en instrumenten..........2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN .............................3-1
Startblokkeersysteem .....................3-1
Contactslot/stuurslot .......................3-2
Controle- en
waarschuwingslampjes ...............3-3
Snelheidsmeterunit .........................3-6
Multifunctioneel display ..................3-7
Antidiefstal-alarmsysteem
(optie) ........................................3-16
Stuurschakelaars ..........................3-17
Koppelingshendel .........................3-18
Schakelpedaal ..............................3-18
Remhendel ...................................3-19
Rempedaal ...................................3-19
ABS ..............................................3-19
Tankdop ........................................3-20
Brandstof ......................................3-22
Tankbeluchtingsslang/
overloopslang ............................3-23
Uitlaatkatalysatoren ......................3-23
Zadels ...........................................3-24
Voorvork afstellen .........................3-26
Schokdemperunit afstellen ...........3-28
Bagageriembevestiging ................ 3-30
EXUP-systeem ............................. 3-30
Zijstandaard ................................. 3-30
Startspersysteem ......................... 3-31
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE .............................. 5-1
Starten van de motor ...................... 5-1
Schakelen ...................................... 5-2
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik ........................ 5-3
Inrijperiode ..................................... 5-3
Parkeren ......................................... 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN ................................ 6-1
Boordgereedschapsset .................. 6-1
Periodiek onderhoudsschema voor
het uitstootcontrolesysteem ........ 6-2
Algemeen smeer- en
onderhoudsschema .................... 6-3
Verwijderen en aanbrengen van de
stroomlijn- en framepanelen ....... 6-7
Controleren van de bougies ........... 6-9
Motorolie en oliefilterpatroon ........ 6-10
Cardanolie .................................... 6-13
Koelvloeistof ................................. 6-15
Luchtfilterelement ......................... 6-18
Stationair toerental controleren .... 6-18
Controleren van de vrije slag
gaskabel ................................... 6-19
Klepspeling .................................. 6-19
Banden ........................................ 6-19
Gietwielen .................................... 6-22
Koppelingshendel ........................ 6-22
Vrije slag van voorremhendel
controleren ............................... 6-22
Remlichtschakelaars .................... 6-23
Controleren van voor- en
achterremblokken ..................... 6-23
Controleren van
remvloeistofniveau ................... 6-24
Rem- en koppelingsvloeistof
verversen .................................. 6-25
Kabels controleren en smeren ..... 6-25
Controleren en smeren van
gasgreep en gaskabel .............. 6-26
Controleren en smeren van
rem- en schakelpedalen ........... 6-26
Controleren en smeren van
rem- en koppelingshendels ...... 6-27
Zijstandaard controleren en
smeren ..................................... 6-27
Achterbrugscharnierpunten
smeren ..................................... 6-28
Voorvork controleren ................... 6-28
Stuursysteem controleren ............ 6-29
Controleren van wiellagers .......... 6-29
Accu ............................................. 6-29
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
INHOUDSOPGAVE
Zekeringen vervangen ..................6-32
Koplampgloeilamp vervangen ......6-33
Achterlicht/remlichtunit .................6-35
Gloeilamp in richtingaanwijzer
vervangen .................................6-35
Gloeilamp kentekenverlichting
vervangen .................................6-36
Parkeerlichtgloeilamp
vervangen .................................6-37
Ondersteunen van de
motorfiets ..................................6-37
Problemen oplossen .....................6-38
Storingzoekschema’s ...................6-39
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS ..............................7-1
Matkleur, let op ...............................7-1
Verzorging ......................................7-1
Stalling ............................................7-4
SPECIFICATIES ................................8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE..............9-1
Identificatienummers ......................9-1
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10283
1
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing
van de juiste rijtechnieken en de ervaring
van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende
vereisten alvorens met deze motorfiets te
gaan rijden.
Hij of zij moet:
● Door een competente informatiebron
grondig zijn ingelicht over alle aspecten van het motorrijden.
● Zich houden aan de waarschuwingen
en onderhoudseisen zoals vermeld in
deze Gebruikershandleiding.
● Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
● Gebruikmaken
van professionele
technische service, zoals aangegeven
in deze Gebruikershandleiding en/of
wanneer de mechanische condities dit
vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende
inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie
pagina 4-1 voor een lijst met controles voor
het rijden.
● Deze motorfiets is gebouwd voor het
vervoer van de bestuurder plus een
passagier.
● Het niet opmerken en herkennen van
motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak
van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat
een autobestuurder de motor niet
heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat
blijkt het meest effectief om het risico
op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
• Draag een jack in felle kleuren.
• Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van kruisingen,
daar doen ongelukken met motorfietsen zich namelijk het meest
voor.
1-1
• Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een
andere weggebruiker.
● Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval
betrokken waren zelfs niet in het bezit
van een geldig motorrijbewijs.
• Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit
aan ervaren motorrijders.
• Weet wat u wel en niet aankunt.
Door rekening te houden met uw
beperkingen helpt u ongelukken
voorkomen.
• We raden aan om het motorrijden te
oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend
bent met de motor en zijn bediening.
● Ongelukken worden vaak veroorzaakt
door een fout van de motorbestuurder.
Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rij-
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VEILIGHEIDSINFORMATIE
snelheid aan of gaan onvoldoende
schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
• Neem altijd de maximumsnelheid in
acht en rijd nooit sneller dan de
wegcondities en het verkeer toestaan.
• Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg
dat andere weggebruikers u kunnen
zien.
● De zithouding van de bestuurder en de
passagier is belangrijk voor een goede
besturing.
• De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur
houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de
macht over het stuur te behouden.
• De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide
handen vast te houden en beide
voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een
passagier mee die niet in staat is om
beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
● Rijd nooit onder invloed van alcohol of
andere drugs.
● Deze motorfiets is uitsluitend ontwor-
● De hierboven vermelde voorzorgs-
pen voor gebruik op verharde wegen.
De machine is niet bedoeld voor offroadgebruik.
maatregelen gelden ook voor passagiers.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van
een helm is de belangrijkste factor bij het
voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
● Draag altijd een goedgekeurde helm.
● Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan
uw zicht door de rijwind verslechteren,
waardoor u gevaren mogelijk te laat
opmerkt.
● Door een jack, stevige schoenen, een
lange broek, handschoenen e.d. te
dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
● Draag nooit loszittende kleding, deze
kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden
gegrepen en zo een ongeval of letsel
veroorzaken.
● Draag altijd beschermende kleding die
uw benen, enkels en voeten bedekt.
De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet
zijn en brandwonden veroorzaken.
1-2
1
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren
bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas.
Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,
verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,
smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn
als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het
koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In
afgesloten of slecht geventileerde ruimtes
kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u
symptomen van koolmonoxidevergiftiging
ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,
ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHE HULP IN.
● Laat de motor niet binnen draaien.
Zelfs als u ventileert met ventilatoren
of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen
tot gevaarlijke niveaus.
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VEILIGHEIDSINFORMATIE
● Laat de motor niet draaien in slecht ge-
1
ventileerde of deels afgesloten ruimtes
zoals schuren of garages.
● Laat de motor niet buiten draaien op
plaatsen waar de uitlaatgassen in een
gebouw kunnen worden getrokken via
openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect
hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag
als hierdoor de gewichtsverdeling van de
motor verandert. Wees uiterst voorzichtig
bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u
op een motor rijdt die beladen is of waaraan
accessoires zijn gemonteerd. Hieronder
volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van
uw motorfiets:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de
maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
190 kg (419 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
● Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen
en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en
verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of
instabiliteit te minimaliseren.
● Als gewicht gaat schuiven kan zich
een plotselinge onbalans voordoen.
Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de
motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en
bagage regelmatig.
• Pas de vering aan de te vervoeren
bagage aan (alleen voor modellen
met instelbare vering) en controleer
de toestand en spanning van uw
banden.
• Bevestig nooit omvangrijke of zware
goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke
voorwerpen,
inclusief
bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel
weggedrag of een te trage reactie
op het stuur veroorzaken.
1-3
● Deze machine is niet ontworpen
voor het trekken van een aanhanger
of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine
vormt een belangrijke beslissing. Originele
Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door
Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan
Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor
Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle
producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of
wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn
aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen,
accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die
qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel
verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke
U2S3D1D0.book Page 4 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VEILIGHEIDSINFORMATIE
veiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen. Het
monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpassingen
die de ontwerp- of bedieningskenmerken
van uw machine wijzigen kan het risico op
ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor
letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de
machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder
het kopje “Beladen”.
● Monteer nooit accessoires en vervoer
nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw
motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te
waarborgen dat het de grondspeling of
de hellinghoek op geen enkele manier
vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en
geen lampen of reflectors afdekt.
• Accessoires die aan of nabij het
stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve
gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires
aan het stuur of nabij de voorvork
moeten zo licht mogelijk zijn en tot
een minimum worden beperkt.
• Omvangrijke accessoires kunnen
door hun aerodynamisch effect van
invloed zijn op de rijstabiliteit van de
motor. De motor kan door rijwind
worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken
terwijl u grote voertuigen inhaalt of
door deze wordt ingehaald.
• Sommige accessoires dwingen de
bestuurder om een andere dan de
normale zitpositie in te nemen. Zo’n
verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder
en kan een comfortabele bediening
hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
● Wees voorzichtig bij het aanbrengen
van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van
het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen
waardoor de verlichting of de motor
uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en velgen
De banden en velgen die bij uw motorfiets
werden geleverd, zijn ontworpen om de mogelijkheden van de motorfiets te ondersteu1-4
nen en bieden de beste combinatie van
rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties
zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-19
voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
1
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
BESCHRIJVING
DAU10410
Aanzicht linkerzijde
1
2
3
5
4
6 7
8
2
16 15
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
14 13
12
11
10 9
9. Controlebout cardanolie (pagina 6-13)
10.Aftapplug cardanolie (pagina 6-13)
11.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-28)
12.Zijstandaard (pagina 3-30)
13.Schakelpedaal (pagina 3-18)
14.Olieaftapplug (pagina 6-10)
15.Oliefilterpatroon (pagina 6-10)
16.Stelschroef voor inveerdemping voorvork (pagina 3-26)
Koplamp (pagina 6-33)
Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-26)
Stelknop voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-26)
Accu (pagina 6-29)
Boordgereedschapsset (pagina 6-1)
Tankdop (pagina 3-20)
Stelknop voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-28)
Bagageriembevestiging (pagina 3-30)
2-1
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
BESCHRIJVING
DAU10420
Aanzicht rechterzijde
1 2
3
4 5
6
2
11
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9 8
10
7
9. Rempedaal (pagina 3-19)
10.Zekeringenkastje 2 (pagina 6-32)
11.Stelknop voor inveerdemping schokdemperunit (pagina 3-28)
Duozadel (pagina 3-24)
Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-24)
Bagageriembevestiging (pagina 3-30)
Bestuurderszadel (pagina 3-24)
Zekeringenkastje 1 (pagina 6-32)
Radiatorvuldop (pagina 6-15)
Koelvloeistofreservoir (pagina 6-15)
Kijkglas olieniveau (pagina 6-10)
2-2
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
BESCHRIJVING
DAU10430
Bedieningen en instrumenten
1
2
3
4
5
6 7
8
2
11
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
10
9
9. Gasgreep (pagina 6-19)
10.Multifunctioneel display (pagina 3-7)
11.Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
Koppelingshendel (pagina 3-18)
Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-17)
Reservoir koppelingsvloeistof (pagina 6-24)
Snelheidsmeterunit (pagina 3-6)
Controlelampje schakelmoment (pagina 3-6)
Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-24)
Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-17)
Remhendel (pagina 3-19)
2-3
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10976
Startblokkeersysteem
2
1
2
1. Codeersleutel (rood bovendeel)
2. Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden
bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
● een codeersleutel (met een rood bovendeel)
● twee standaardsleutels (met een zwart
bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
● een transponder (die is geïntegreerd in
de codeersleutel)
● een startblokkeereenheid
● een ECU
● een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt
gebruikt om de twee standaardsleutels te
coderen. Het wijzigen van de codes is een
ingewikkelde procedure. Breng het voertuig
daarom met alle drie sleutels naar een
Yamaha dealer om deze opnieuw te laten
coderen. Gebruik de sleutel met het rode
bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van
de standaardsleutels. Gebruik altijd een
standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
●
●
●
●
●
DCA11821
LET OP
●
● ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL
NIET VERLIEST! NEEM DIRECT
CONTACT OP MET UW DEALER
ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als
de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt
het voertuig dan nog steeds starten
met de standaardsleutels, maar als
ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle
sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u
sterk aangeraden een van de stan3-1
●
●
●
●
daardsleutels te gebruiken en de
codeersleutel op een veilige plek te
bewaren.
Dompel de sleutels nooit in water.
Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de
sleutels.
Plaats nooit zware voorwerpen op
de sleutels.
U mag de sleutels nooit slijpen of de
vorm ervan wijzigen.
U mag het plastic gedeelte van de
sleutels nooit demonteren.
Hang nooit twee sleutels van een
startblokkeersysteem aan dezelfde
sleutelring.
Bewaar de standaardsleutels en
ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van
het voertuig.
Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van
het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
3
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10472
Contactslot/stuurslot
OFF
ON
parkeerlicht gaan branden en de motor kan
worden gestart. De sleutel kan niet worden
uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen
1
2
OPMERKING
De koplamp gaat automatisch branden als
de motor wordt gestart en blijft aan totdat de
sleutel naar “OFF” wordt gedraaid, zelfs als
de motor afslaat.
3
LOCK
DAU10661
P
Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur
vergrendeld. De diverse standen worden
hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep)
voor regelmatig gebruik van de machine.
Bewaar de codeersleutel (rode greep) op
een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
DAU38530
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien
van stroom; de instrumentenverlichting, het
achterlicht, de kentekenverlichting en het
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar “OFF” of
“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen
uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden
tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10683
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische
systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan
worden uitgenomen.
3-2
1. Drukken.
2. Draaien.
1. Draai het stuur helemaal naar links.
2. Druk de sleutel in de “OFF”-stand in en
draai deze dan naar “LOCK”. Houd de
sleutel hierbij ingedrukt.
3. Neem de sleutel uit.
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen
DCA11020
LET OP
1
2
Gebruik de parkeerstand niet gedurende
langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11004
Controle- en waarschuwingslampjes
1
11
10
9
8
7
6
1. Drukken.
2. Draaien.
1. Controlelampje schakelmoment
2. Controlelampje brandstofniveau “ ”
3. Controlelampje rechter
richtingaanwijzers “
”
4. Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur “
”
5. Vrijstandcontrolelampje “
”
6. Controlelampje grootlicht “
”
7. Waarschuwingslampje motorstoring “
8. Controlelampje linker
richtingaanwijzers “
”
9. Controlelampje startblokkering
10.ABS-waarschuwingslampje “ ABS ”
11.Waarschuwingslampje olieniveau “
Druk de sleutel in en draai deze dan naar
“OFF”. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU34341
(Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht,
de kentekenverlichting en het parkeerlicht
branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld,
maar alle andere elektrische systemen zijn
uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar “ ” te kunnen draaien.
3-3
2
3
3
4
5
”
”
U2S3D1D0.book Page 4 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11030
Controlelampjes
richtingaanwijzers “ ” en “ ”
Het bijbehorende controlelampje knippert
terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
3
Vrijstandcontrolelampje “ ”
Dit controlelampje brandt terwijl de versnellingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht “
”
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp
is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU46563
Waarschuwingslampje
olieniveau “
”
Dit waarschuwingslampje gaat branden als
het motorolieniveau laag is.
Als u het elektrisch circuit van het waarschuwingslampje wilt testen, plaatst u de
machine op een vlakke ondergrond, zet u
de motoruitzetschakelaar op “ ” en draait
u de sleutel van “OFF” naar “ON”.
Als het waarschuwingslampje niet een paar
seconden lang oplicht en dan dooft, vraag
dan een Yamaha dealer om het elektrisch
circuit te testen.
Indien het waarschuwingslampje blijft branden, gaat u als volgt te werk.
1. Zet de motoruitzetschakelaar op “ ”.
2. Draai de sleutel naar “OFF”, wacht
twee minuten en draai de sleutel daarna naar “ON”.
3. Als het waarschuwingslampje gaat
branden en niet uit gaat, controleer
dan het motorolieniveau. (Zie pagina
6-10.) Blijft het waarschuwingslampje
branden terwijl het olieniveau correct
is, laat de machine dan controleren
door een Yamaha dealer.
OPMERKING
● Dit waarschuwingslampje licht NIET
op:
• wanneer de motor stationair loopt
• tijdens het rijden
• wanneer de motor is afgeslagen en
u de sleutel niet van “ON” naar
“OFF” en daarna weer terug naar
“ON” heeft gedraaid
ECHTER: als het waarschuwinglampje brandt wanneer de motor wordt gestart, zal dit blijven branden tot de
sleutel naar “OFF” wordt gedraaid.
● Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het circuit van
het waarschuwingslampje olieniveau.
Als het waarschuwingscircuit voor het
olieniveau een probleem aangeeft,
3-4
wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje olieniveau knippert
tien keer en dooft dan gedurende 2.5
seconden. Als dit zich voordoet, vraag
dan een Yamaha dealer de machine te
controleren.
DAU48700
Waarschuwingslampje
brandstofniveau “ ”
Dit waarschuwingslampje gaat branden
wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal).
Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof
bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
Dit model is bovendien uitgerust met een
zelfdiagnosesysteem voor het circuit van
het waarschuwingslampje brandstofniveau.
Als het waarschuwingscircuit voor het
U2S3D1D0.book Page 5 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
brandstofniveau een probleem aangeeft,
wordt de volgende cyclus herhaald totdat
de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje brandstofniveau, de brandstofniveaumeter
en
de
waarschuwingsindicator voor brandstofniveau knipperen acht keer en gaan dan gedurende 3.0 seconden uit. Als dit zich
voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de
machine te controleren.
DAU11444
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur “ ”
Dit waarschuwingslampje gaat branden als
de motor oververhit raakt. Zet in zo’n geval
de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd
om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze
oververhit is.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
DAU39502
● Bij machines met een of meer radiator-
koelvinnen schakelt de radiatorkoelvin
automatisch in of uit op basis van de
koelvloeistoftemperatuur in de radiator.
● Als de motor oververhit raakt, staan op
pagina 6-39 nadere instructies vermeld.
DAU42774
Waarschuwingslampje
motorstoring “
”
Dit waarschuwingslampje gaat branden
wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor
controleert. Vraag in dat geval een Yamaha
dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-15 voor uitleg over de
werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
3-5
ABS-waarschuwingslampje “ ”
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is het ABSsysteem mogelijk defect. Vraag in dat geval
zo snel mogelijk een Yamaha dealer het
systeem te controleren. (Zie pagina 3-19.)
ABS
DWA10081
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, wordt alleen het conventionele
remsysteem gebruikt. Wees dan voorzichtig en zorg dat de wielen tijdens plotseling remmen niet blokkeren. Als het
waarschuwingslampje tijdens het rijden
gaat branden of knipperen, vraag dan zo
snel mogelijk een Yamaha dealer het
remsysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
3
U2S3D1D0.book Page 6 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DAU48520
3
Controlelampje schakelmoment
Dit controlelampje kan zo worden ingesteld
dat het bij de gewenste motortoerentallen
aan- of uitgaat en wordt gebruikt om aan te
geven wanneer naar de volgende hogere
versnelling moet worden geschakeld.
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het controlelampje
moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op
wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren. (Zie pagina 3-9 voor een uitgebreide
uitleg over de functie van dit controlelampje
en het instellen daarvan.)
DAU38623
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het controlelampje
moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op
wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid,
begint het controlelampje na 30 seconden
te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen,
maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-15 voor uitleg over de
werking van het zelfdiagnosesysteem.)
DAU46624
Snelheidsmeterunit
2
1
3
4
1.
2.
3.
4.
Toerenteller
Controlelampje schakelmoment
Rode zone toerenteller
Snelheidsmeter
Snelheidsmeter
OPMERKING
Voor Groot-Brittannië
U kunt schakelen tussen de kilometer- en
mijlenweergave van de snelheidsmeter.
Houd om tussen beide weergaven te schakelen de toets “SELECT” minstens twee seconden lang ingedrukt.
Op de stuurhouder bevinden zich de toetsen “SELECT” en “RESET”.
3-6
U2S3D1D0.book Page 7 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
Controlelampje schakelmoment
Zie pagina 3-9 voor uitleg over en instellingen voor dit controlelampje.
2
DAU46587
Multifunctioneel display
3
1
1. “SELECT”-toets
2. “RESET”-toets
1. Multifunctioneel display
Toerenteller
Met de toerenteller kan de bestuurder het
motortoerental controleren en dit binnen het
ideale bereik houden. Als de sleutel naar
“ON” wordt gedraaid, slaat de naald van de
toerenteller eenmaal helemaal uit tot het
hoogste aantal toeren per minuut en keert
daarna weer terug naar nul tpm om het
elektrische circuit te testen.
DWA12312
WAARSCHUWING
Zet de machine stil voordat u wijzigingen
aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen
van wijzigingen tijdens het rijden kan u
afleiden en vergroot het risico op een
ongeval.
DCA10031
Op de stuurhouder bevinden zich de toetsen “SELECT” en “RESET”. Met deze toetsen kunt u de instellingen in het
multifunctionele display beheren of wijzigen.
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 9500 tpm en hoger
3-7
U2S3D1D0.book Page 8 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
● een temperatuurmeter koelvloeistof
● een voorziening voor zelfdiagnose
1
2
1
2
3
3
1. “SELECT”-toets
2. “RESET”-toets
Telkens wanneer de sleutel naar “ON”
wordt gedraaid, wordt het multifunctionele
display ingesteld op de normale modus.
Normale modus
De volgende functies zijn beschikbaar in de
normale modus:
● een kilometerteller
● een klok
● twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het
laatst werden teruggesteld op nul)
● een ritteller voor brandstofreserve (die
de afgelegde afstand aangeeft sinds
het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
● een brandstofniveaumeter
● een indicator voor de ingeschakelde
versnelling
8 7
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
6
5
4
Kilometerteller
Klok
Ritteller/ritteller brandstofreserve
Waarschuwingsindicator
koelvloeistoftemperatuur “
”
Temperatuurmeter koelvloeistof
Indicator ingeschakelde versnelling
Waarschuwingsindicator
brandstofniveau “ ”
Brandstofniveaumeter
OPMERKING
Alleen voor Groot-Brittannië:
U kunt schakelen tussen de kilometer- en
mijlenweergave van de snelheidsmeter en
de kilometerteller/ritteller. Houd “SELECT”
ten minste twee seconden ingedrukt om te
3-8
schakelen tussen de weergaven van de
snelheidsmeter en de kilometerteller/ritteller.
Rittellers
Draai de sleutel naar “ON”. Druk op “SELECT” om de weergave te schakelen tussen de rittellers “TRIP-1” en “TRIP-2”, in de
onderstaande volgorde:
TRIP-1 → TRIP-2 → TRIP-1
Als de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank afneemt tot 3.9 L (1.03 US gal,
0.86 Imp.gal), gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau knipperen en schakelt de ritteller automatisch naar de
brandstofreserve-rittellermodus “TRIP-F”,
waarop de afgelegde afstand vanaf dat punt
wordt aangegeven. Druk in dat geval op
“SELECT” om in de onderstaande volgorde
te schakelen tussen de diverse rittellers:
TRIP-F → TRIP-1 → TRIP-2 → TRIP-F
Als u met het voertuig blijft rijden na verschijning van de brandstofreserve-ritteller
“TRIP-F”, beginnen de brandstofniveaumeter
en
de
waarschuwingsindicator
brandstofniveau “ ” te knipperen.
Als u een ritteller op nul wilt terugstellen, selecteert u deze door op “SELECT” te drukken en vervolgens “RESET” ten minste 1
seconde lang ingedrukt te houden. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf
U2S3D1D0.book Page 9 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
met de hand op nul terugstelt, wordt deze
automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en wordt de vorige ritteller weergegeven.
Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. Het
weergegeven brandstofniveau daalt naar
“E” (Empty) naarmate het brandstofniveau
daalt. Als de hoeveelheid brandstof in de
brandstoftank daalt naar 3.9 L (1.03 US gal,
0.86 Imp.gal), gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau branden. Vul in dat
geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Als u met het voertuig blijft rijden na verschijning van de brandstofreserve-ritteller
“TRIP-F”, beginnen de brandstofniveaumeter
en
de
waarschuwingsindicator
brandstofniveau “ ” te knipperen.
Indicator ingeschakelde versnelling
Deze indicator geeft aan welke versnelling
is ingeschakeld. De vrijstand wordt aangegeven door “ ” en door het vrijstandcontrolelampje.
Temperatuurmeter koelvloeistof
Met de contactsleutel in de stand “ON” geeft
de temperatuurmeter voor koelvloeistof de
temperatuur van de koelvloeistof aan. De
koelvloeistoftemperatuur is afhankelijk van
de weersomstandigheden en de motorbelasting. Als het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur gaat branden en het
bovenste segment en de waarschuwingsindicator voor koelvloeistoftemperatuur knipperen, stop de machine dan en laat de
motor afkoelen. (Zie pagina 6-39.)
● Afhankelijk van het scherm worden
door het indrukken van “RESET” instellingen opgeslagen of verandert de
selectiemodus in de normale modus.
Houd “SELECT” en “RESET” tegelijkertijd
ten minste drie seconden ingedrukt om de
selectiemodus te openen.
DCA10021
3
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze
oververhit is.
Selectiemodus
De verschillende functies van dit multifunctionele display worden aangepast in de selectiemodus.
OPMERKING
● De versnellingsbak moet in de vrij-
stand staan als u instellingen in deze
modus wilt wijzigen.
● Als een versnelling wordt ingeschakeld worden alle gemaakte instellingen opgeslagen. Vervolgens wordt de
selectiemodus geannuleerd en wordt
de normale modus weergegeven op
alle schermen.
3-9
In deze modus kunnen de volgende items
worden ingesteld/aangepast:
● helderheid
● controlelampje schakelmoment
● klok
● stopwatch
● aftelklok
● systeemstatus
● onderhoudstellers
OPMERKING
Als u wilt terugkeren naar de normale modus, drukt u op “SELECT” om te bladeren
naar “ ” en drukt u vervolgens op “RESET”.
U2S3D1D0.book Page 10 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
3
De helderheid instellen
Met deze functie regelt u de helderheid van
het toerentellerpaneel en snelheidsmeter
(“Meter panel”) (tellerpaneel), de naald van
de toerenteller (“Needle”) (naald) en het
multifunctionele display (“Display”) in overeenstemming met het aanwezige daglicht.
1. Druk op “SELECT” om “Brightness”
(Helderheid) te markeren.
6. Druk “SELECT” om te bladeren
naar “ ”, druk vervolgens op “RESET”
om terug te keren naar het vorige menu.
3. Druk op “SELECT” om “Operation selection” (Werkingsselectie) te markeren.
De instellingen van het controlelampje
schakelmoment selecteren
1
4. Druk op “RESET”.
Druk op “SELECT” en markeer “On”
(Aan) om het controlelampje te activeren. Het controlelampje brandt continu
na activering.
2. Druk op “RESET”, druk vervolgens op
“SELECT” om door de functies te bladeren en een item te markeren.
1. Controlelampje schakelmoment
3. Druk op “RESET”. De segmenten van
het helderheidsniveau voor het geselecteerde item gaan knipperen.
4. Druk op “SELECT” om het gewenste
helderheidsniveau te markeren.
5. Druk op “RESET” om het helderheidsniveau in te stellen.
Met deze functie kiest u of het controlelampje schakelmoment wordt geactiveerd en of
het bij activering knippert of continu brandt.
1. Druk op “SELECT” om “Shift light”
(Schakellampje) te markeren.
2. Druk op “RESET”.
3-10
Druk op “SELECT” en markeer “Flash”
(Knipperen) om het controlelampje te
activeren. Het controlelampje gaat
knipperen na activering.
Druk op “SELECT” en markeer “Off”
(Uit) om het controlelampje te deactiveren. Het controlelampje brandt niet
en gaat niet knipperen.
U2S3D1D0.book Page 11 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
OPMERKING
Het controlelampje knippert elke twee seconden eenmaal om aan te geven dat het is
gedeactiveerd. Het controlelampje gaat uit
wanneer dit menu wordt afgesloten.
Het controlelampje schakelmoment kan
worden ingesteld om te worden geactiveerd
tussen 3000 tpm en 10500 tpm en om te
worden gedeactiveerd tussen 3500 tpm en
11000 tpm in stappen van 500 tpm.
5. Druk op “RESET” om de activiteit van
het controlelampje schakelmoment in
te stellen.
6. Druk nogmaals op “RESET” om terug
te keren naar het vorige menu.
Het toerental in relatie tot het controlelampje schakelmoment instellen
Met deze functie kiest u het motortoerental
waarbij het controlelampje wordt geactiveerd en gedeactiveerd. U kunt alle versnellingen op hetzelfde activerings/deactiveringstoerental instellen of u kunt
de versnellingen afzonderlijk instellen.
Druk op “SELECT” om “r/min setting” (Toerentalinstelling) te markeren en druk vervolgens op “RESET”.
Alle versnellingen op hetzelfde toerental instellen:
1. Druk op “SELECT” om “All” (Alle) te
markeren.
2. Druk op “RESET”; “On” (Aan) wordt
weergegeven.
3. Druk op “RESET” zodat de toerentalcijfers gaan knipperen.
3-11
4. Druk op “SELECT” om het motortoerental te markeren waarbij het controlelampje
schakelmoment
wordt
geactiveerd.
5. Druk op “RESET” om het geselecteerde motortoerental in te stellen. “Off”
(Uit) wordt gemarkeerd en de cijfers
van het toerental gaan knipperen.
6. Druk op “SELECT” om het motortoerental te markeren waarbij het controlelampje
schakelmoment
wordt
gedeactiveerd.
7. Druk op “RESET” om het geselecteerde motortoerental in te stellen.
8. Druk nogmaals op “RESET” om terug
te keren naar het vorige menu.
Het toerental voor elke versnelling afzonderlijk instellen:
1. Druk op “SELECT” om versnellingen
van “1st” (1e) tot en met “5th” (5e) te
markeren, en druk vervolgens op “RESET”.
2. Als u drukt op “RESET” gaan de toerentalcijfers voor de gemarkeerde versnelling knipperen. Voer vervolgens
de stappen 4–8 onder “Alle versnellin-
3
U2S3D1D0.book Page 12 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
gen op hetzelfde toerental instellen:”
uit om het toerental voor de afzonderlijke versnellingen in te stellen.
OPMERKING
3
Als u het toerental voor de afzonderlijke versnellingen hebt ingesteld en u kiest “All” (Alle), worden alle eerder ingestelde
toerentallen voor afzonderlijke versnellingen teruggezet naar de standaardinstellingen
9000
(activering)
en
11000
(deactivering).
3. Druk “SELECT” om te bladeren
naar “ ”, druk vervolgens op “RESET”
om terug te keren naar het vorige menu.
De helderheid van het controlelampje schakelmoment instellen
Met deze functie regelt u de helderheid van
het controlelampje schakelmoment.
1. Druk op “SELECT” om “Brightness”
(Helderheid) te markeren.
3. Druk op “SELECT” om het gewenste
helderheidsniveau te markeren.
4. Druk op “RESET” om het gewenste
helderheidsniveau in te stellen.
5. Druk op “RESET” om terug te keren
naar het vorige menu.
6. Druk op “SELECT” om te bladeren
naar “ ” en druk vervolgens op “RESET”. Op deze wijze kunt u een ander
item in het menu selecteren.
De klok instellen
1. Druk op “SELECT” om “Display” te
markeren.
2. Druk op “RESET”. Het volgende
scherm wordt weergegeven.
2. Druk op “RESET” zodat de segmenten
van het helderheidsniveau gaan knipperen.
3-12
3. Druk op “RESET” zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
4. Druk op “SELECT” om de uuraanduiding te verhogen.
5. Druk op “RESET” zodat de minutenaanduiding gaat knipperen.
6. Druk op “SELECT” om de minutenaanduiding te verhogen.
7. Druk op “RESET” om de klok te starten.
8. Druk nogmaals op “RESET” om terug
te keren naar het vorige menu.
Alle functies voor helderheid en controlelampje schakelmoment terugstellen:
Hiermee worden ALLE instellingen van de
functies voor de helderheid en het controlelampje schakelmoment teruggesteld.
1. Druk op “SELECT” om “Display” te
markeren.
2. Druk op “RESET”.
3. Druk op “SELECT” om “All reset” (Alle
terugstellen) te markeren.
U2S3D1D0.book Page 13 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
● Als gedurende een minuut noch op
4. Druk op “RESET” en druk vervolgens
op “SELECT” om “Yes” (Ja) te markeren.
5. Druk op “RESET” om de waarden voor
de helderheid en het controlelampje
schakelmoment terug te stellen op de
fabrieksinstelling. De weergave keert
terug naar de normale modus.
2. Druk op “RESET”.
3. Druk op “SELECT” om “Stopwatch” te
markeren.
4. Druk op “RESET”.
Het multifunctionele display verandert
in de normale modus en in plaats van
de klok wordt nu de stopwatch weergegeven.
OPMERKING
Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren, opent u
de selectiemodus opnieuw door “SELECT”
en “RESET” tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De stopwatch gebruiken
U kunt de stopwatch als volgt activeren.
1. Druk op “SELECT” om “Stopwatch” te
markeren.
5. Druk op “SELECT” om de stopwatch
te starten.
6. Druk op de startknop “ ” of op “SELECT” om de stopwatch te stoppen.
7. Druk op “RESET” om de stopwatch terug te stellen op nul.
3-13
“SELECT” noch op “RESET” wordt gedrukt, verandert het scherm automatisch in de normale modus.
● Houd “RESET” ten minste twee seconden ingedrukt om het scherm te
wijzigen in de normale modus.
● Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren,
opent u de selectiemodus opnieuw
door “SELECT” en “RESET” tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt
te houden.
De aftelklok gebruiken:
U kunt de aftelklok als volgt activeren.
1. Druk op “SELECT” om “Stopwatch” te
markeren.
2. Druk op “RESET”.
3. Druk op “SELECT” om “Countdown”
(Aftelling) te markeren.
4. Druk op “RESET”. Het multifunctionele
display verandert in de normale modus, in plaats van de klok wordt nu de
3
U2S3D1D0.book Page 14 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
stopwatch weergegeven en de indicator voor de ingeschakelde versnelling
verandert in de aftelklok.
3
5. Als u drukt op “SELECT” of in een versnelling schakelt, begint de aftelklok af
te tellen vanaf “5”. Tegelijkertijd knippert het controlelampje schakelmoment afhankelijk van het weergegeven
aantal (als bijvoorbeeld “5” wordt
weergegeven, knippert het controlelampje vijf maal, wanneer “4” wordt
weergegeven, knippert het controlelampje 4 maal, enzovoort). De stopwatch begint te tellen wanneer de
aftelklok het aftellen afrondt.
6. Druk op de startknop “ ” of “SELECT” om de aftelklok te stoppen.
7. Druk op “RESET” om de aftelklok en
stopwatch terug te stellen op nul.
8. Druk op “RESET” om de aftelklok terug te stellen en herhaal vervolgens de
stappen 5–6, OF houd “RESET” nogmaals twee seconden lang ingedrukt
om naar de normale modus te gaan.
OPMERKING
Zorg om verdere instellingen van het multifunctionele display uit te voeren dat de versnellingsbak in de vrijstand staat en keer
terug naar de selectiemodus door “SELECT” en “RESET” ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De systeemstatus controleren en terugstellen op nul
De status/stand van de volgende items
wordt weergegeven en u kunt de rittellers
terugstellen op nul.
● rittellers en kilometerteller
● brandstofverbruik
● luchtaanzuigtemperatuur
● stand van gasklepopening
OPMERKING
● U kunt het menu “System status” (Sys-
teemstatus) niet bekijken als het waarschuwingslampje brandstofniveau of
koelvloeistoftemperatuur brandt.
● Als het waarschuwingslampje brandstofniveau of koelvloeistoftemperatuur
gaat branden terwijl de motor loopt en
het systeemstatusmenu wordt weergegeven, wordt automatisch de normale modus weergegeven.
3-14
1. Druk op “SELECT” om “System status” (Systeemstatus) te markeren en
druk vervolgens op “RESET”.
2. Druk op “SELECT” om “Yes” (Ja) te
markeren en druk vervolgens op “RESET”. (Markeer “No” (Nee) en druk op
“RESET” om terug te keren naar het
vorige menu.)
De weergave verandert in het statusscherm.
U2S3D1D0.book Page 15 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
● Druk op “RESET” om de normale mo-
1
6
2
5
3
4
1. Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve
2. Klok
3. Huidig brandstofverbruik
4. Weergave gasklepopening
5. Indicator ingeschakelde versnelling
6. Weergave luchtaanzuigtemperatuur
Druk op “SELECT” en de diverse rittellers
en kilometerteller worden in de onderstaande volgorde weergegeven:
(TRIP-F) → TRIP-1 → TRIP-2 → ODO →
(TRIP-F)
Druk op “RESET” om een ritteller terug te
stellen op nul.
OPMERKING
dus gedurende vijf seconden weer te
geven. Houd “SELECT” en “RESET”
tegelijkertijd ten minste drie seconden
ingedrukt om de weergave te wijzigen
in de normale modus.
● Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren,
opent u de selectiemodus opnieuw
door “SELECT” en “RESET” tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt
te houden.
De onderhoudstellers terugstellen op nul
Met deze functie kunt u de onderhoudstellers voor de banden, de olie en een item
naar keuze terugstellen op nul.
1. Druk op “SELECT” om “Maintenance”
(Onderhoud) te markeren.
4. Druk op “RESET” om het item terug te
stellen op nul.
OPMERKING
● Het onderste gebied is leeg gelaten
voor een ander item waarvoor de bestuurder de afstand wil controleren nadat dit is gewijzigd, vervangen of
gecontroleerd (zoals het luchtfilterelement, motoronderdelen, enzovoort).
● Er kunnen geen letters en cijfers worden ingevoerd in het lege gebied.
5. Druk op “SELECT” om te bladeren
naar “ ”.
6. Druk op “RESET” om terug te keren
naar het vorige menu.
Zelfdiagnosesysteem
2. Druk op “RESET”.
3. Druk op “SELECT” om het item te markeren dat u wilt terugstellen op nul.
1
● Alleen voor Groot-Brittannië: Houd
“SELECT” ten minste twee seconden
ingedrukt om te schakelen tussen kilometers en mijlen.
1. Weergave foutcode
3-15
3
U2S3D1D0.book Page 16 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12331
3
OPMERKING
OPMERKING
Het display geeft foutcodes alleen weer in
de normale modus.
Als het display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet,
probeer dan het volgende.
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor diverse elektrische circuits.
Als in een van deze circuits een storing
wordt gedetecteerd, gaat het waarschuwingslampje motorstoring branden en geeft
het display een foutcode weer.
DCA11590
LET OP
Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk
worden
gecontroleerd
om
motorschade te voorkomen.
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook
storingen in de circuits van het startblokkeersysteem.
Als in een van de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd,
knippert
het
controlelampje
startblokkering en geeft het display een
foutcode weer.
1. Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de
buurt van het contactslot en bewaar niet
meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleutelring! Startblokkeersleutels
kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
2. Als de motor start, zet deze dan weer
uit en probeer hem opnieuw te starten
met de standaardsleutels.
3. Als de motor niet kan worden gestart
met een of beide standaardsleutels,
breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar
een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het display foutcodes weergeeft, noteer
deze dan en vraag een Yamaha dealer om
het voertuig te controleren.
3-16
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)
Dit model kan door een Yamaha dealer
worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met
een Yamaha dealer voor nadere informatie.
U2S3D1D0.book Page 17 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12348
Stuurschakelaars
Links
DAU12350
DAU12711
Lichtsignaalschakelaar “
”
Druk deze schakelaar in om de koplamp
een lichtsignaal te laten afgeven.
Startknop “ ”
Druk deze knop in om via de startmotor de
motor rond te draaien. Zie pagina 5-1 voor
startinstructies voordat u de motor start.
2
1
DAU12400
3
Dimlichtschakelaar “
/
”
Zet deze schakelaar op “
” voor grootlicht
en op “
” voor dimlicht.
DAU12460
5
1.
2.
3.
4.
5.
4
Lichtsignaalschakelaar “
”
Dimlichtschakelaar “
/
”
Schakelaar alarmverlichting “
Claxonschakelaar “
”
Richtingaanwijzerschakelaar “
”
/
”
Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”
Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan
naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan naar links aan
te geven. Na loslaten keert de schakelaar
terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in
de middenstand.
Rechts
DAU12500
1
Claxonschakelaar “
”
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU42340
Het waarschuwingslampje voor motorstoring en het ABS-waarschuwingslampje
gaan branden als de sleutel naar “ON”
wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting “ ”
Met de sleutel in de stand “ON” of “ ” kan
deze schakelaar worden gebruikt voor het
inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers).
De alarmverlichting wordt gebruikt in een
noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke
verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP
DAU12660
2
1. Noodstopschakelaar “
2. Startknop “ ”
/
”
Noodstopschakelaar “ / ”
Zet deze schakelaar voor u de motor start
op “ ”. Zet deze schakelaar op “ ” om
de motor direct uit te schakelen in een
noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
3-17
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet
draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
3
U2S3D1D0.book Page 18 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12830
Koppelingshendel
2
1
4
houden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het pijlteken
op de koppelingshendel staat.
De koppelingshendel is voorzien van een
sperschakelaar die deel uitmaakt van het
startspersysteem. (Zie pagina 3-31.)
DAU12870
Schakelpedaal
3
3
1
1.
2.
3.
4.
Koppelingshendel
Stelwiel voor afstelpositie koppelingshendel
Pijlteken
Afstand tussen koppelingshendel en stuurgreep
1. Schakelpedaal
Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het
schakelen van de versnellingen van de 5traps constant-mesh versnellingsbak op
deze motorfiets.
De koppelingshendel bevindt zich aan de
linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het
stuur toe om de koppeling te ontkoppelen.
Laat de hendel los om de koppeling te laten
aangrijpen. Voor een soepele werking van
de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een
stelwiel voor het instellen van de stand van
de koppelingshendel. Verstel de afstand
tussen de koppelingshendel en de stuurgreep door het stelwiel te verdraaien terwijl
de hendel van het stuur vandaan wordt ge3-18
U2S3D1D0.book Page 19 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU33851
Remhendel
DAU12941
Rempedaal
1
1
4
3
DAU46391
ABS
2
Het Yamaha ABS (anti-blokkeervoorziening
remsysteem) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de
voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. Het ABS wordt bewaakt door een
ECU, die in geval van een storing zal terugvallen op handmatig remmen.
DWA10090
WAARSCHUWING
● Het ABS-systeem functioneert het
1.
2.
3.
4.
Remhendel
Stelknop voor afstelpositie van remhendel
“
”-merkteken
Afstand tussen remhendel en stuurgreep
1. Rempedaal
Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur
toe om de voorrem te bekrachtigen.
De remhendel is voorzien van een stelknop
voor de positie van de remhendel. Om de
afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt de stelknop gedraaid terwijl de hendel van het stuur
vandaan wordt gehouden. Als de gewenste
positie is bereikt, stel deze dan in door een
groef op de stelknop uit te lijnen met het
merkteken “ ” op de remhendel.
meest effectief over lange remwegen.
● Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer
zijn dan bij remmen zonder ABS.
Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd
op uw rijsnelheid.
OPMERKING
● Wanneer ABS is geactiveerd, worden
de remmen op de gebruikelijke wijze
bediend. In de remhendel of het rempedaal kunnen pulsaties worden gevoeld, maar dat duidt niet op een
storing.
● Dit ABS-systeem is uitgerust met een
testfunctie, waarbij de bestuurder de
pulsaties kan voelen in het rempedaal
3-19
3
U2S3D1D0.book Page 20 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
of in de remhendel terwijl ABS actief is.
Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem voor het uitvoeren van
deze test contact op met uw Yamaha
dealer.
DAU46850
Tankdop
Om de tankdop te verwijderen
1. Trek aan de ontgrendelingshendel van
de rugsteun van het bestuurderszadel
aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift
naar voren.
1
DCA16120
LET OP
3
Houd alle soorten magneten (inclusief
magneetgrijpers, magnetische schroevendraaiers etc.) uit de buurt van de
voorste en achterste wielnaven. Anders
kunnen de magnetische rotors van de
wielnaven beschadigd raken, waardoor
het ABS-systeem niet meer goed werkt.
1. Achterste wielnaaf
1
1. Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel
1
1. Voorste wielnaaf
3-20
U2S3D1D0.book Page 21 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om de tankdop aan te brengen
1. Breng de tankdop aan in de vulopening van de brandstoftank, met de
sleutel in het slot en met het merkteken op de dop in een lijn met het merkteken op de tank.
1
DWA10131
WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de
tankdop correct is aangebracht. Door
brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.
3
1. Rugsteun bestuurderszadel
2. Steek de sleutel in het slot en draai
deze daarna een kwartslag rechtsom.
Het slot wordt ontgrendeld en de
tankdop kan worden verwijderd.
1
1. Lijn merktekens uit
1
2. Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem deze dan
uit.
3. Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
OPMERKING
1. Ontgrendelen.
De tankdop kan alleen worden aangebracht
met de sleutel in het slot. Bovendien kan de
sleutel niet worden uitgenomen als de
tankdop niet correct aangebracht en vergrendeld is.
3-21
U2S3D1D0.book Page 22 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13212
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de
brandstoftank aanwezig is.
1
2
terechtkomt, was deze dan af met water
en zeep. Als u benzine op uw kleding
morst, trek dan andere kleding aan.
DWA10881
WAARSCHUWING
3
Benzine en benzinedampen zijn zeer
brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te
voorkomen en het letselrisico tijdens het
tanken te verlagen.
1. Zet alvorens te tanken de motor af en
zorg dat er niemand op de machine zit.
Rook nooit tijdens het tanken en tank
nooit in de nabijheid van vonken, open
vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en
kledingdrogers.
2. Maak de brandstoftank niet te vol.
Stop met vullen zodra de brandstof de
onderkant van de vulhals heeft bereikt.
Omdat brandstof uitzet als deze warm
wordt, kan de warmte van de motor of
de zon ervoor zorgen dat brandstof uit
de brandstoftank stroomt.
DAU13390
1. Vulpijp brandstoftank
2. Maximaal brandstofniveau
3. Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste
brandstof onmiddellijk af met een
schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan
aantasten. [DCA10071]
4. Draai de tankdop stevig vast.
DWA15151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om
met benzine. Probeer nooit om benzine
via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp
heeft ingeademd of benzine in uw ogen
heeft gekregen. Als benzine op uw huid
3-22
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND LOODVRIJE SUPERBENZINE
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof (als
het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden):
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en
ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het
gebruik van loodvrije superbenzine met een
octaangetal van RON 95 of hoger. Als de
motor gaat detoneren (pingelen), gebruik
dan benzine van een ander merk. Door
U2S3D1D0.book Page 23 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU39451
Tankbeluchtingsslang/overloopslang
DAU13445
Uitlaatkatalysatoren
Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysatoren in het uitlaatsysteem.
DWA10862
WAARSCHUWING
1
2
1. Tankbeluchtingsslang
2. Overloopslang brandstoftank
Alvorens de motorfiets te gebruiken:
● Controleer de aansluiting van de tankbeluchtingsslang/overloopslang.
● Controleer
de
tankbeluchtingsslang/overloopslang op scheuren of
beschadiging en vervang indien nodig.
● Controleer of het uiteinde van de tankbeluchtingsslang/overloopslang niet
verstopt is en reinig indien nodig.
3-23
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende
om brandgevaar of brandwonden te
voorkomen:
● Parkeer de machine nooit nabij
brandgevaarlijke stoffen, zoals op
gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
● Parkeer de machine op een plek
waar voetgangers of kinderen niet
gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
● Controleer of het uitlaatsysteem is
afgekoeld
alvorens
onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
● Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang
stationair draaien kan leiden tot
oververhitting.
3
U2S3D1D0.book Page 24 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10701
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij
gebruik van loodhoudende benzine zal
onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
3
DAU46840
Zadels
1
Bestuurderszadel
Verwijderen van het bestuurderszadel
1. Trek aan de ontgrendelingshendel van
de rugsteun van het bestuurderszadel
aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift
naar voren.
1
1. Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel
1. Rugsteun bestuurderszadel
2. Verwijder de bouten en trek dan het
bestuurderszadel los.
1
1. Bout
Aanbrengen van het bestuurderszadel
1. Steek het uitsteeksel aan de voorzijde
van het bestuurderszadel in de zadelbevestiging, zoals getoond in de afbeelding.
3-24
U2S3D1D0.book Page 25 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
1
1
2
2
1. Uitsteeksel
2. Zadelbevestiging
2. Plaats het bestuurderszadel in de oorspronkelijke positie en draai dan de
bouten vast.
3
1. Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel
2. Verwijder de bouten en trek daarna het
duozadel los.
2
OPMERKING
Controleer of het bestuurderszadel stevig is
vergrendeld alvorens te gaan rijden.
2. Plaats het duozadel in de oorspronkelijke positie en breng daarna de bouten
aan.
3. Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
OPMERKING
Controleer of het duozadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
3. Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
1
Duozadel
Verwijderen van het duozadel
1. Trek aan de ontgrendelingshendel van
de rugsteun van het bestuurderszadel
aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift
naar voren.
1. Uitsteeksel
2. Zadelbevestiging
1. Bout
2. Duozadel
Aanbrengen van het duozadel
1. Steek het uitsteeksel van het duozadel
in de houder, zie de afbeelding.
3-25
U2S3D1D0.book Page 26 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14732
Voorvork afstellen
Veervoorspanning
DWA10180
WAARSCHUWING
(a)
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde
afstelling, anders kan slecht weggedrag
en verminderde rijstabiliteit het gevolg
zijn.
3
Deze voorvork is voorzien van stelbouten
voor veervoorspanning, stelknoppen voor
uitgaande demping en stelschroeven voor
ingaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of
minimuminstellingen te draaien om
schade aan het mechanisme te voorkomen.
1
(b)
1
2
1. Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a).
Draai om de veervoorspanning te verlagen
en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.
3-26
1. Huidige instelling
2. Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
5
Standaard:
4
Maximum (hard):
1
54
32
1
U2S3D1D0.book Page 27 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Uitgaande demping
Ingaande demping
(a)
OPMERKING
(a)
1
(b)
1
(b)
1. Stelknop voor uitveerdemping
1. Stelschroef voor inveerdemping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de
stelknop op beide vorkpoten in de richting
(a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de
stelknop op beide vorkpoten in de richting
(b).
Draai om de ingaande demping te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting
(a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de
stelschroef op beide vorkpoten in de richting
(b).
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
17 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in
de richting (a)
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
20 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid
in de richting (a)
3-27
Door geringe productie-afwijkingen zal het
totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact
met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt
echter wel altijd het complete afstelbereik.
Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en
de specificaties dienovereenkomstig aan te
passen.
3
U2S3D1D0.book Page 28 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Uitgaande demping
DAU46492
Schokdemperunit afstellen
Deze schokdemperunit is uitgerust met een
stelknop voor veervoorspanning en met
stelknoppen voor in- en uitgaande demping.
DCA10101
1
2
34
7
56
89
10 11
(a)
LET OP
3
Probeer nooit voorbij de maximum- of
minimuminstellingen te draaien om
schade aan het mechanisme te voorkomen.
Veervoorspanning
(a)
1
(b)
Draai om de veervoorspanning te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering
zachter te maken de stelknop in de richting
(b).
OPMERKING
Zet het betreffende merkteken op het afstelmechanisme recht tegenover het uiteinde
van de stelknop.
(b)
1. Stelknop veervoorspanning
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
11
Standaard:
6
Maximum (hard):
1
3-28
1
1. Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de
stelknop in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de
richting (b).
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
20 klikken in de richting (b)*
Standaard:
12 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in
de richting (a)
U2S3D1D0.book Page 29 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Ingaande demping
● Werp een beschadigde of versleten
OPMERKING
(b)
1
(a)
Om een nauwkeurige afstelling te bereiken,
is het raadzaam om het aantal klikken of
slagen te tellen waarmee elk afstelmechanisme van de demping wordt verdraaid. Het
kan voorkomen dat dit afstelbereik vanwege kleine productieverschillen niet exact
overeenkomt met de opgegeven specificaties.
DWA10221
1. Stelknop voor inveerdemping
Draai om de ingaande demping te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering
zachter te maken de stelknop in de richting
(b).
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
12 klikken in de richting (b)*
Standaard:
10 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in
de richting (a)
WAARSCHUWING
Deze schokdemperunit is gevuld met
stikstofgas onder hoge druk. Lees de
onderstaande informatie zorgvuldig
door alvorens werkzaamheden uit te
voeren aan de schokdemperunit.
● Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
● Stel de schokdemperunit niet bloot
aan open vuur of een andere hittebron. Hierdoor kan de gasdruk zo
hoog oplopen dat de unit explodeert.
● Voorkom vervorming of beschadiging van de cilinder. Schade aan de
cilinder zal resulteren in slechte
dempingsprestaties.
3-29
schokdemperunit niet zelf weg.
Breng de schokdemperunit voor elk
onderhoud naar een Yamahadealer.
3
U2S3D1D0.book Page 30 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15210
Bagageriembevestiging
3
1
1
1. Bagageriembevestiging
Er zijn vier bevestigingspunten voor de bagageriemen: een aan beide passagiersvoetsteunen
en
twee
onder
het
passagierszadel.
DAU41941
DAU15303
EXUP-systeem
Zijstandaard
Dit model is uitgerust met het Yamaha
EXUP-systeem (regelsysteem voor uitlaatdruk). Dit systeem verhoogt het motorvermogen
door
een
klep
die
de
binnendiameter van de uitlaatpijp reguleert.
De stand van de EXUP-klep wordt door een
computergestuurde servomotor constant
aangepast overeenkomstig het motortoerental.
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag
terwijl u de machine rechtop houdt.
DCA15610
LET OP
Het EXUP-systeem werd afgesteld en
uitgebreid getest op de Yamaha fabriek.
Als deze afstellingen worden gewijzigd
zonder dat voldoende technische kennis
aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
3-30
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de
werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-31 voor een uitleg over
het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gereden terwijl de zijstandaard omlaag staat
of niet behoorlijk kan worden opgetrokken (of niet omhoog blijft), anders kan de
zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine
mogelijk onbestuurbaar wordt. Het
Yamaha startspersysteem is ontworpen
om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te
trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zo-
U2S3D1D0.book Page 31 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
als hierna beschreven en laat het
repareren door een Yamaha dealer als
de werking niet naar behoren is.
DAU44892
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar, de koppelingshendelschakelaar en de vrijstandschakelaar deel
uitmaken) heeft de volgende functies.
● Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de zijstandaard is
opgeklapt, terwijl de koppelingshendel
niet is ingetrokken.
● Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de koppelingshendel is
ingetrokken, terwijl de zijstandaard
nog omlaag staat.
● Het schakelt een draaiende motor uit
wanneer de versnellingsbak in een
versnelling staat en de zijstandaard
omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande
procedure.
3-31
3
U2S3D1D0.book Page 32 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
WAARSCHUWING
Met de motor uit:
1. Beweeg de zijstandaard omlaag.
2. De motorstopknop moet in de stand “ ” staan.
3. Draai de sleutel naar aan.
4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
5. Druk op de startknop.
Start de motor?
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens
te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te
controleren.
De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
3
JA
NEE
Met de motor nog aan:
6. Beweeg de zijstandaard omhoog.
7. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.
8. Schakel de versnellingsbak in een versnellingsstand.
9. Beweeg de zijstandaard omlaag.
Slaat de motor af?
JA
De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
NEE
Als de motor is afgeslagen:
10. Beweeg de zijstandaard omhoog.
11. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.
12. Druk op de startknop.
Start de motor?
JA
De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
NEE
Het systeem is in orde. De motorfiets mag worden gebruikt.
3-32
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema’s en procedures
voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u
een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
ITEM
Brandstof
•
•
•
•
CONTROLES
PAGINA
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Vul indien nodig brandstof bij.
Controleer de brandstofleiding op lekkage.
Controleer de tankbeluchtingsslang/overloopslang op obstakels, scheuren of beschadiging en controleer de slangaansluiting.
3-22, 3-23
Motorolie
• Controleer het olieniveau in de motor.
• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.
• Controleer de machine op olielekkage.
6-10
Cardanolie
• Controleer de machine op olielekkage.
6-13
Koelvloeistof
• Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
• Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.
• Controleer het koelsysteem op lekkage.
6-15
4-1
4
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
ITEM
CONTROLES
PAGINA
Voorrem
• Controleer de werking.
• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.
• Controleer de remblokken op slijtage.
• Vervang indien nodig.
• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven
niveau.
• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
6-23, 6-24
Achterrem
• Controleer de werking.
• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.
• Controleer de remblokken op slijtage.
• Vervang indien nodig.
• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven
niveau.
• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
6-23, 6-24
Koppeling
• Controleer de werking.
• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.
• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
6-22
Gasgreep
• Controleer of de werking soepel is.
• Controleer de vrije slag van de kabel.
• Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen,
en de kabel en het kabelhuis te smeren.
6-19, 6-26
Bedieningskabels
• Controleer of de werking soepel is.
• Smeer indien nodig.
Wielen en banden
•
•
•
•
4
6-25
Controleer op schade.
Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.
Controleer de bandspanning.
Corrigeer indien nodig.
4-2
6-19, 6-22
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
ITEM
CONTROLES
PAGINA
Rem- en schakelpedalen
• Controleer of de werking soepel is.
• Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten.
6-26
Rem- en koppelingshendels
• Controleer of de werking soepel is.
• Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten.
6-27
Zijstandaard
• Controleer of de werking soepel is.
• Smeer indien nodig het scharnierpunt.
6-27
Framebevestigingen
• Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.
• Zet indien nodig vast.
—
Instrumenten, verlichting,
signaleringssysteem en
schakelaars
• Controleer de werking.
• Corrigeer indien nodig.
—
Zijstandaardschakelaar
• Controleer de werking van het startspersysteem.
• Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te
controleren.
4-3
3-30
4
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU48710
DAU46532
Starten van de motor
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig
door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van
een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
5
Een onvoldoende vertrouwdheid met de
bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een
ongeval of letsel tot gevolg.
OPMERKING
Dit model is uitgerust met:
● een hellingshoeksensor, waarbij de
motor afslaat bij kanteling. In dat geval
wordt op het multifunctionele display
foutcode 30 weergegeven, maar dit
betreft geen storing. Draai de sleutel
naar “OFF” en vervolgens naar “ON”
om de foutcode te wissen. Als u dat
niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.
● een automatische motorstop. De motor stopt automatisch als deze 20 minuten stationair draait. Als de motor
stopt, druk dan simpelweg op de startknop om de motor opnieuw te starten.
5-1
Door het startspersysteem is starten alleen
mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
● De versnellingsbak staat in de vrijstand.
● De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de
zijstandaard is opgeklapt.
Zie pagina 3-31 voor meer informatie.
1. Draai de contactsleutel naar “ON” en
controleer of de noodstopschakelaar
op “ ” is gezet.
De volgende waarschuwingslampjes
en controlelampjes moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
● Waarschuwingslampje
olieniveau
● Waarschuwingslampje
brandstofniveau
● Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
● Waarschuwingslampje motorstoring
● ABS-waarschuwingslampje
● Controlelampje schakelmoment
● Controlelampje startblokkering
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA11833
LET OP
Als een waarschuwings- of controlelampje niet gaat branden wanneer de
sleutel naar “ON” wordt gedraaid, of
wanneer een waarschuwings- of controlelampje niet dooft, zie dan pagina 3-3
voor een controle van het circuit van het
betreffende waarschuwings- of controlelampje.
2. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand. (Zie pagina 5-2.) Het vrijstandcontrolelampje moet gaan branden.
Als dit niet gebeurt, vraag dan een
Yamaha dealer het elektrische circuit
na te kijken.
3. Start de motor door de startknop in te
drukken. LET OP: Trek voor een
maximale levensduur van de motor
nooit hard op als de motor koud is!
[DCA11041]
Als de motor niet wil starten, laat dan
de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw.
Iedere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat
de startmotor nooit langer dan 10 seconden achtereen draaien.
DAU16671
Schakelen
2
DCA10260
LET OP
1
5
4
3
2
N
1
1. Schakelpedaal
2. Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u
het beschikbare motorvermogen doseren
bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de
afbeelding.
OPMERKING
Om de versnellingsbak in de vrijstand te
schakelen wordt het schakelpedaal enkele
malen ingetrapt totdat het einde van de slag
bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
5-2
● Rijd niet lange tijd met afgezette
motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden.
De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor
draait. Door onvoldoende smering
kan de versnellingsbak worden beschadigd.
● Gebruik altijd de koppeling om de
versnellingsbak te schakelen om zo
schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn
deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
5
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16810
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
5
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk
van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om
het brandstofverbruik te verlagen:
● Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accelereert.
● Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
● Laat de motor niet langdurig stationair
draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld
in files, bij stoplichten of bij spoorwegovergangen).
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur
van het motorblok is de tijd tussen 0 en
1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit
de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar
worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat
de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd
tijdens deze periode nooit langdurig volgas
en vermijd ook andere manoeuvres die tot
oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17123
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 4800
tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi)
moeten de motorolie en de eindoverbrengingsolie worden ververst en moet
de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen. [DCA10332]
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 5700
tpm draaien.
5-3
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP
● Voer het toerental niet zover op dat
de toerenteller in de rode zone wijst.
● Als tijdens de inrijperiode motor-
schade optreedt, vraag dan direct
een Yamaha dealer de machine te
controleren.
U2S3D1D0.book Page 4 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17213
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem
dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
WAARSCHUWING
● De motor en het uitlaatsysteem
kunnen zeer heet worden, parkeer
dus op een plek waar voetgangers
of kinderen niet gemakkelijk met
deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
● Parkeer nooit op een helling of een
zachte ondergrond, hierdoor kan de
machine kantelen met mogelijk
brandstoflekkage en brand tot gevolg.
● Parkeer niet nabij gras of andere
brandbare materialen die vlam zouden kunnen vatten.
5
5-4
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17241
DWA15121
WAARSCHUWING
6
Door periodiek inspecties, afstellingen en
smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt
mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de
volgende pagina’s wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema moeten
worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter
mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk
van het weer, het terrein, de geografische
locatie en individueel gebruik.
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de
motor af tenzij anders aangegeven.
● Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of
kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of
brand kunnen veroorzaken.
● Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud
kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot
gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico
op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de
machine. Als u niet bekend bent met
voertuigonderhoud, laat het onderhoud
dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
DAU17341
Boordgereedschapsset
1
1. Boordgereedschapsset
De boordgereedschapsset is te vinden achter paneel A. (Zie pagina 6-7.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te
ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor
de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een
momentsleutel vereist zijn.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde
werkzaamheden vereist zijn.
6-1
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46861
OPMERKING
● De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onder-
houdsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
● Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
● Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereed-
schap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
DAU46910
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
KILOMETERSTAND
NR.
ITEM
1 * Brandstofleiding
2 * Bougies
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
JAARLIJKSE CONTROLE
• Controleer de brandstofslangen
op scheurtjes of beschadigingen.
√
√
√
√
√
• Controleer de conditie.
• Reinigen.
√
CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT
1000 km
(600 mi)
√
• Vervangen.
3 * Ventielen
• Controleer de klepspeling.
• Afstellen.
4 *
Brandstofinjectiesysteem
• Stel de synchronisatie af.
5 *
Uitlaatdempers en
uitlaatpijpen
• Controleer of de schroefklemmen
goed vastzitten.
6 * Luchtinlaatsysteem
√
√
Elke 40000 km (24000 mi)
√
• Controleer de luchtafsluitklep, de
membraanklep en de slang op beschadiging.
• Vervang beschadigde onderdelen indien nodig.
6-2
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
6
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU1770C
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
KILOMETERSTAND
NR.
ITEM
CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
JAARLIJKSE CONTROLE
√
1 * Luchtfilterelement
• Vervangen.
2 * Koppeling
• Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
√
√
√
√
√
• Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
3 * Voorrem
• Vervang de remblokken.
6
20000 km
(12000 mi)
4 * Achterrem
• Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
√
√
• Vervang de remblokken.
5 * Remslangen
√
√
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
• Controleer op scheurtjes en beschadigingen.
√
√
• Vervangen.
Elke 4 jaar
6 * Wielen
• Controleer de speling en controleer op beschadigingen.
√
√
√
√
7 * Banden
• Controleer op slijtage en beschadigingen.
• Vervang indien nodig.
• Controleer de bandspanning.
• Corrigeer indien nodig.
√
√
√
√
8 * Wiellagers
• Controleer op speling of beschadigingen.
√
√
√
√
6-3
√
U2S3D1D0.book Page 4 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
ITEM
9 * Achterbrug
CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT
1000 km
(600 mi)
• Controleer op een correcte werking en overmatige speling.
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
• Smeren met lithiumvet.
10 * Balhoofdlagers
• Controleer de lagers op speling
en oppervlakteruwheid.
JAARLIJKSE CONTROLE
Elke 50000 km (30000 mi)
√
√
• Smeren met lithiumvet.
√
√
√
Elke 50000 km (30000 mi)
11 *
Framebevestigingen
• Controleer of alle moeren, bouten
en schroeven stevig zijn vastgezet.
12
Scharnieras van
remhendel
• Smeren met siliconenvet.
√
√
√
√
√
13
Scharnieras van
rempedaal
• Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
14
Scharnieras van
koppelingshendel
• Smeren met siliconenvet.
√
√
√
√
√
15
Scharnieras van
schakelpedaal
• Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
16
Zijstandaard
• Controleer de werking.
• Smeren.
√
√
√
√
√
17 *
Zijstandaardschakelaar
• Controleer de werking.
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
18 * Voorvork
• Controleer op een correcte werking en olielekkage.
√
√
√
√
19 * Schokdemperunit
• Controleer op een correcte werking en olielekkage.
√
√
√
√
6-4
6
U2S3D1D0.book Page 5 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
ITEM
CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT
1000 km
(600 mi)
20 *
Relaisarm achterwielophanging en
scharnierpunten
verbindingsarm
• Controleer de werking.
21
Motorolie
• Verversen.
• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage.
√
22
Oliefilterpatroon
• Vervangen.
√
23 * Koelsysteem
• Controleer het koelvloeistofniveau
en controleer de machine op
vloeistoflekkage.
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
24 * EXUP-systeem
25
Cardanolie
√
• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage.
√
• Verversen.
√
√
Voor- en achterremschakelaar
• Controleer de werking.
27
Bewegende delen
en kabels
Gaskabelhuis en
28 *
gaskabel
√
√
√
Elke 3 jaar
• Controleer de werking, de vrije
slag van de kabel en de positie
van de katrol.
26 *
√
√
√
• Verversen.
6
JAARLIJKSE CONTROLE
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
• Smeren.
√
√
√
√
√
• Controleer de werking en speling.
• Stel indien nodig de speling af.
• Smeer het gaskabelhuis en de
gaskabel.
√
√
√
√
√
6-5
U2S3D1D0.book Page 6 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
ITEM
Lampen, richtin29 * gaanwijzers en
schakelaars
CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT
• Controleer de werking.
• Stel de koplamplichtbundel af.
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
JAARLIJKSE CONTROLE
√
√
√
√
√
√
DAU36771
OPMERKING
● Luchtfilter
• Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht om beschadiging te
voorkomen.
• Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
● Onderhoud aan hydraulisch rem- en koppelingssysteem
• Controleer regelmatig het rem- en koppelingsvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
• Vervang de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en remklauwen en van de koppelingshoofdcilinder en -werkcilinder
na elke twee jaar en ververs dan ook de rem- en de koppelingsvloeistof.
• Vervang de rem- en koppelingsslangen na elke vier jaar of als ze zijn gescheurd of beschadigd.
6-6
6
U2S3D1D0.book Page 7 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18722
Verwijderen en aanbrengen van
de stroomlijn- en framepanelen
Bij het uitvoeren van sommige in dit hoofdstuk beschreven onderhoudswerkzaamheden
moeten
het
afgebeelde
stroomlijnpaneel en de framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door
wanneer een stroomlijn- of framepaneel
moet worden verwijderd of aangebracht.
2
1. Stroomlijnpaneel A
2. Paneel A
1
1
1
1
1. Paneel B
2. Paneel C
1
6
1
2
1. Bout
DAU46430
Stroomlijnpaneel A
Verwijderen van stroomlijnpaneel
1. Verwijder het bestuurderszadel. (Zie
pagina 3-24.)
2. Verwijder het paneel C. (Zie pagina
6-8.)
3. Verwijder de bouten en trek daarna het
stroomlijnpaneel los.
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
1. Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de
schroeven aan.
2. Monteer het paneel.
3. Breng het bestuurderszadel aan.
6-7
U2S3D1D0.book Page 8 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
2. Trek het paneel naar buiten.
DAU46471
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.
Paneel A
Om het paneel te verwijderen
1. Steek de sleutel in het slot en draai
deze daarna een kwartslag rechtsom.
1
2. Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem deze dan
uit.
2
1. Ontgrendelen.
2. Paneel A
Paneel B
Paneel C
Om het paneel te verwijderen
1. Verwijder de bout.
Om het paneel te verwijderen
1. Verwijder de bout.
2. Trek het paneel omhoog.
2. Trek het paneel naar buiten.
Om het paneel aan te brengen
1. Plaats het paneel in de oorspronkelijke
positie.
1
2
1. Bout
2. Paneel B
6-8
6
U2S3D1D0.book Page 9 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46680
Controleren van de bougies
2
1
1. Paneel C
2. Bout
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.
6
Bougies vormen belangrijke onderdelen
van de motor die periodiek moeten worden
gecontroleerd, bij voorkeur door een
Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten,
moeten de bougies worden verwijderd en
gecontroleerd volgens de tijden genoemd in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie
van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale
elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met
het voertuig wordt gereden), en alle bougies
in de motor horen dezelfde verkleuring te
hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk
niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in
plaats daarvan uw machine nakijken door
een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige
koolaanslag of andere neerslag gevonden
wordt.
Voorgeschreven bougie:
NGK/CR9EIA
DENSO/IU27D
6-9
Voordat een bougie wordt aangebracht
moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; herstel de elektrodenafstand indien deze buiten de
specificaties valt.
1
1. Elektrodenafstand
Elektrodenafstand:
0.8–0.9 mm (0.031–0.035 in)
Reinig het oppervlak van de bougiepakking
en het pasvlak en verwijder eventueel vuil
uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
U2S3D1D0.book Page 10 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU19908
OPMERKING
Motorolie en oliefilterpatroon
Als geen momentsleutel beschikbaar is,
wordt de bougie correct vastgezet door
handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
verder te draaien. De bougie moet echter zo
snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau
worden gecontroleerd. Verder moet de olie
worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden
vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DCA10840
Om het motorolieniveau te controleren
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. Wanneer
de machine iets schuin staat, kan het
niveau al foutief worden afgelezen.
2. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
3. Wacht een paar minuten tot de olie tot
rust is gekomen en controleer dan het
olieniveau via het kijkglas rechts onder
in het carter.
LET OP
Gebruik geen gereedschap om de bougiedop te verwijderen of aan te brengen,
om de bobinekabel niet te beschadigen.
De bougiedop is mogelijk lastig te verwijderen omdat de rubber afdichting aan
het uiteinde stevig vastzit. Haal de bougiedop los door hem heen en weer te
draaien en tegelijkertijd los te trekken;
breng de bougiedop aan door heen en
weer te draaien en tegelijkertijd aan te
drukken.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau
staan.
6-10
2
3
1
1. Kijkglas olieniveau
2. Merkstreep maximumniveau
3. Merkstreep minimumniveau
4. Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul
dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of
zonder vervanging van oliefilterpatroon)
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
3. Zet een olieopvangbak onder de motor
om de gebruikte olie op te vangen.
4. Verwijder de olievuldop en de olieaftapplug met de pakking om de olie uit
het carter te laten stromen.
6
U2S3D1D0.book Page 11 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
1
1
2
1. Olievuldop
1. Oliefiltersleutel
2. Oliefilterpatroon
1. O-ring
OPMERKING
OPMERKING
6
2
1
Zorg dat de o-ring correct aanligt.
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel
leveren.
6. Smeer een dun laagje schone motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.
7. Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met
een oliefiltersleutel en zet hem dan
met een momentsleutel vast met het
voorgeschreven aanhaalmoment.
1. Olieaftapplug
2. Pakking
OPMERKING
Sla de stappen 5–7 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
1
5. Verwijder de oliefilterpatroon met een
oliefiltersleutel.
1. Momentsleutel
6-11
U2S3D1D0.book Page 12 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanhaalmoment:
Oliefilterpatroon:
17 Nm (1.7 m·kgf, 12 ft·lbf)
8. Monteer de olieaftapplug met een
nieuwe pakking en zet de plug vast
met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
9. Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie,
breng dan de olievuldop aan en zet
deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
4.30 L (4.55 US qt, 3.78 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.70 L (4.97 US qt, 4.14 Imp.qt)
DCA11620
LET OP
DCA10401
LET OP
● Om het slippen van de koppeling te
voorkomen (de motorolie smeert
immers ook de koppeling) mogen
geen chemische additieven worden
toegevoegd. Gebruik geen oliën
met een “CD” dieselspecificatie of
oliën met een hogere kwaliteit dan
gespecificeerd. Gebruik ook geen
oliën met een “ENERGY CONSERVING II” of hogere aanduiding.
● Zorg dat er geen verontreinigingen
in het carter terecht komen.
10. Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer
daarbij op olielekkage. Als er sprake is
van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan als het
olieniveau correct is.
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor
en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
6-12
Zet de motor direct af als het waarschuwingslampje olieniveau knippert of blijft
branden en laat het voertuig controleren
door een Yamaha dealer, zelfs als het
olieniveau in orde is.
11. Zet de motor af en wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen.
Controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
6
U2S3D1D0.book Page 13 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46575
Cardanolie
Vóór elke rit moet het cardanhuis worden
gecontroleerd op olielekkage. In geval van
lekkage dient u de machine door een
Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Bovendien dient de cardanolie als volgt
te worden gecontroleerd en ververst op de
aangegeven tijdstippen in het periodieke
onderhouds- en smeerschema.
1
2
3
1
4
5
DWA10370
WAARSCHUWING
● Zorg ervoor dat geen verontreini-
6
gingen het cardanhuis kunnen binnendringen.
● Zorg dat er geen olie op de banden
of wielen terechtkomt.
1. Controlebout cardanolie
3. Als er geen olie naar buiten stroomt,
verwijder de ontluchtingsdop van het
cardanhuis door de bout en onderlegring te verwijderen en verwijder dan
de vulplug van de cardanolie met de
pakking.
Controleren van het olieniveau in het
cardanhuis
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
1.
2.
3.
4.
5.
Bout ontluchtingsdop cardanhuis
Ring
Ontluchtingsdop cardanhuis
Vulplug cardanolie
Pakking
4. Vul het aanbevolen type olie bij via de
vulopening voor cardanolie totdat de
olie uit de opening in de controlebout
stroomt.
5. Zet de controlebout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Controlebout cardanolie:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
OPMERKING
Zorg dat de machine rechtop staat bij het
controleren van het olieniveau.
6. Controleer de pakking van de olievulplug op beschadiging en vervang indien nodig.
2. Draai de controlebout voor cardanolie
los totdat olie naar buiten stroomt.
6-13
U2S3D1D0.book Page 14 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
7. Monteer de olievulplug met de pakking
en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
1
2
3
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
2
4
8. Breng de ontluchtingsdop van het cardanhuis aan door de onderlegring en
bout te plaatsen en zet de bout vervolgens vast met het voorgeschreven
aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bout ontluchtingsdop cardanhuis:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
Om de cardanolie te verversen
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2. Plaats een olieopvangbak onder het
cardanhuis om de gebruikte olie op te
vangen.
3. Verwijder de ontluchtingsdop van het
cardanhuis door de bout en onderlegring te verwijderen.
5
1.
2.
3.
4.
5.
1
Bout ontluchtingsdop cardanhuis
Ring
Ontluchtingsdop cardanhuis
Vulplug cardanolie
Pakking
4. Verwijder de vulplug van de cardanolie
en de aftapplug van de cardanolie met
hun pakkingen om de olie uit het cardanhuis af te tappen.
1
1. Aftapplug cardanolie
2. Pakking
5. Monteer de aftapplug met een nieuwe
pakking en zet de plug dan vast met
het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
6. Vul bij met de aanbevolen cardanolie.
Aanbevolen cardanolie:
Cardanolie (Onderdeelnr.: 9079ESH001-00)
Oliehoeveelheid:
0.30 L (0.32 US qt, 0.26 Imp.qt)
7. Controleer de pakking van de olievulplug op beschadiging en vervang indien nodig.
6-14
6
U2S3D1D0.book Page 15 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
8. Monteer de olievulplug met de pakking
en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
9. Breng de ontluchtingsdop van het cardanhuis aan door de onderlegring en
bout te plaatsen en zet de bout vervolgens vast met het voorgeschreven
aanhaalmoment.
6
Aanhaalmoment:
Bout ontluchtingsdop cardanhuis:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
10. Controleer het cardanhuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar
de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
1
2
3
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau
worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
4
5
DAU46690
Controleren van het koelvloeistofniveau
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING
● Het koelvloeistofniveau moet worden
gecontroleerd terwijl de motor koud is,
temperatuurverschillen zijn namelijk
van invloed op het niveau.
● Zorg dat de machine rechtop staat bij
het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets
schuin staat, kan het niveau al foutief
worden afgelezen.
2. Controleer het koelvloeistofniveau in
het reservoir.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de
merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
6-15
1.
2.
3.
4.
5.
Dop koelvloeistofreservoir
Beveiliging dop koelvloeistofreservoir
Bout
Merkstreep maximumniveau
Merkstreep minimumniveau
3. Als de koelvloeistof bij of beneden de
merkstreep voor minimumniveau
staat, verwijder dan de beveiliging van
de dop van het vloeistofreservoir door
eerst de vergrendeling los te halen en
verwijder vervolgens de dop van het
reservoir.
4. Vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng
dan
de
reservoirdop
aan.
WAARSCHUWING! Verwijder alleen
de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor
koud is. [DWA15161] LET OP: Als er geen
koelvloeistof aanwezig is, gebruik
U2S3D1D0.book Page 16 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
dan in plaats daarvan gedistilleerd
water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water,
dit is schadelijk voor de motor. Als
er in plaats van koelvloeistof water
is gebruikt, vervang dit dan zo snel
mogelijk door koelvloeistof, anders
is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water
aan de koelvloeistof is toegevoegd,
laat dan een Yamaha dealer zo snel
mogelijk het antivriesgehalte van
de koelvloeistof controleren om te
voorkomen dat de effectiviteit van
de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]
5. Plaats de beveiliging van de dop van
het reservoir door de vergrendeling
aan te brengen.
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot
aan de merkstreep voor maximumniveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
3. Verwijder het luchtinlaatkanaal door
de bouten te verwijderen.
2
1
1
1
1. Radiatorvuldop
6. Verwijder het deksel van het koelvloeistofreservoir en het koelvloeistofreservoir zelf door de bouten los te halen.
1. Bout
2. Luchtaanzuigkanaal
4. Schuif een opvangbak onder de motor
om de gebruikte koelvloeistof op te
vangen.
5. Verwijder
de
radiatorvuldop.
WAARSCHUWING! Probeer nooit
om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor warm is. [DWA10381]
2
1
3
1
4
5
DAU46423
Om de koelvloeistof te verversen
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
2. Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie
pagina 6-7.)
1.
2.
3.
4.
5.
6-16
Bout
Dop koelvloeistofreservoir
Beveiliging dop koelvloeistofreservoir
Kap koelvloeistofreservoir
Koelvloeistofreservoir
6
U2S3D1D0.book Page 17 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
7. Verwijder de beveiliging van de dop
van het vloeistofreservoir door eerst
de vergrendeling los te halen en verwijder vervolgens de dop van het reservoir.
8. Tap de koelvloeistof uit het reservoir af
door het reservoir om te keren.
9. Monteer het deksel van het koelvloeistofreservoir en het reservoir door
deze in de oorspronkelijke stand te
plaatsen en breng daarna de bouten
aan.
10. Verwijder de aftapschroef voor koelvloeistof en de o-ring om het koelsysteem af te tappen.
1
6
2
1. Aftapschroef koelvloeistof
2. O-ring
11. Spoel het koelsysteem nadat alle koelvloeistof is uitgestroomd grondig door
met schoon leidingwater.
12. Breng de aftapschroef voor koelvloeistof en de nieuwe o-ring aan.
13. Houd de machine rechtop en giet de
voorgeschreven hoeveelheid van de
gespecificeerde koelvloeistof in de radiator en het reservoir. LET OP: Wanneer u de machine niet rechtop
houdt terwijl u de radiator met koelvloeistof vult, dan kan er lucht in het
koelsysteem blijven zitten. [DCA16540]
Mengverhouding antivries/water:
1:1
Aanbevolen antivries:
Hoogwaardige ethyleenglycol antivries met corrosieremmers voor aluminium motoren
Hoeveelheid koelvloeistof:
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
3.75 L (3.96 US qt, 3.30 Imp.qt)
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot
aan de merkstreep voor maximumniveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
14. Breng de dop van het vloeistofreservoir aan, en plaats vervolgens de beveiliging van de dop van het reservoir
door de vergrendeling aan te brengen.
15. Breng de radiatorvuldop weer aan.
6-17
16. Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en zet hem
dan uit.
17. Verwijder de radiatorvuldop om het
koelvloeistofniveau in de radiator te
controleren. Vul indien nodig koelvloeistof bij tot het niveau boven in de radiator staat en breng dan de
radiatorvuldop aan.
18. Controleer het koelvloeistofniveau in
het reservoir. Verwijder indien nodig
de beveiliging van de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij
tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de beveiliging
van de dop weer aan.
19. Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien
is. Vraag in dat geval een Yamaha
dealer het koelsysteem te controleren.
20. Monteer het luchtinlaatkanaal door de
bouten aan te brengen.
U2S3D1D0.book Page 18 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU36764
DAU44734
Luchtfilterelement
Stationair toerental controleren
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vraag een Yamaha dealer het luchtfilterelement te vervangen.
Controleer het stationair toerental en laat
het indien nodig door een Yamaha dealer
bijstellen.
Stationair toerental:
950–1050 tpm
21. Breng het stroomlijnpaneel aan.
6
6-18
U2S3D1D0.book Page 19 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21382
Controleren van de vrije slag
gaskabel
1
DAU21401
DAU21772
Klepspeling
Banden
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het
motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha
dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
Let ten aanzien van de voorgeschreven
banden op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw motorfiets.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden
bijgesteld.
DWA10501
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot
verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
● De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de
banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is
aan de omgevingstemperatuur).
● De bandspanning moet worden
aangepast aan de rijsnelheid en het
totale gewicht van rijder, passagier,
bagage en accessoires dat voor dit
model is vastgesteld.
1. Vrije slag gaskabel
6
De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0
mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien
nodig afstellen door een Yamaha dealer.
6-19
U2S3D1D0.book Page 20 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
90–190 kg (198–419 lb):
Voor:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Maximale belasting*:
190 kg (419 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is
voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
WAARSCHUWING
● Laat sterk versleten banden door
1. Wang van band
2. Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het
midden van de band de vermelde limiet
heeft bereikt, de band spijkers of stukjes
glas bevat of wanneer de wang van de band
scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en
achter):
1.6 mm (0.06 in)
6-20
een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten
banden is niet alleen verboden,
maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u
de macht over het stuur zou kunnen
verliezen.
● De vervanging van onderdelen van
wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten
aan een Yamaha dealer, die over de
nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
6
U2S3D1D0.book Page 21 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bandeninformatie
● Gebruik uitsluitend de hierna ver-
● Gebruik bij vervanging uitsluitend
melde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijsnelheden
een te lage bandspanning te voorkomen.
het voorgeschreven type banden.
Bij andere banden is het risico op
een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
● Gloednieuwe banden bieden op
sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn “ingereden”.
Het is dan ook verstandig de eerste
100 km (60 mi) nadat een nieuwe
band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
● Voordat met hoge snelheid wordt
gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
● Pas de bandspanning steeds aan
volgens de rijomstandigheden.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder
vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
1. Bandventiel
2. Bandventielbuis
3. Bandventieldop met afdichting
6
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen
en tubeless banden met bandventielen.
DWA10481
WAARSCHUWING
● Monteer altijd voor- en achterban-
den van hetzelfde merk en type.
Verschillende banden kunnen het
weggedrag van de machine veranderen, wat kan leiden tot een ongeval.
● Controleer altijd of de ventieldopjes
stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
Voorband:
Maat:
120/70R18M/C 59V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT028F
Achterband:
Maat:
200/50R18M/C 76V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT028R
VOOR en ACHTER:
Bandventiel:
TR412
Luchtventielbuis:
#9100 (origineel)
DWA10600
WAARSCHUWING
Deze motorfiets is uitgerust met speciale
banden die geschikt voor zeer hoge rijsnelheden. Let op het volgende om deze
banden zo effectief mogelijk te kunnen
gebruiken.
6-21
U2S3D1D0.book Page 22 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21960
DAU42850
Gietwielen
Koppelingshendel
Let ten aanzien van de voorgeschreven
wielen op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw voertuig.
● Controleer de velgen voor iedere rit op
scheurtjes, verbuiging of kromtrekken.
Laat ingeval van schade het wiel door
een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren,
hoe klein de reparatie ook is. Vervang
een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
● Na het vervangen van een wiel of band
moet het wiel worden uitgebalanceerd.
Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een
slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg
hebben.
● Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak
dient eerst te zijn ingereden voordat
het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Omdat dit model is uitgerust met een hydraulische koppelingsbediening, hoeft de
vrije slag van de koppelingshendel niet te
worden afgesteld. Het is echter wel nodig
het hydraulisch systeem vóór elke rit op lekkage te controleren. Misschien zit er lucht in
het koppelingssysteem als de koppelingshendel te veel vrije slag heeft en schakelen moeizaam gaat, of als de koppeling
slipt en de machine slecht accelereert. Als
er lucht in het hydraulisch systeem zit, moet
het systeem door een Yamaha dealer worden ontlucht voordat de motorfiets wordt
gebruikt.
DAU37912
Vrije slag van voorremhendel
controleren
1
1. Geen vrije slag remhendel
Aan het uiteinde van de remhendel mag
geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch
een vrije slag is, laat dan een Yamaha
dealer het remsysteem inspecteren.
DWA14211
WAARSCHUWING
Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het
hydraulisch systeem aanwezig is. Als er
lucht in het hydraulisch systeem zit, laat
dan het systeem door een Yamaha
dealer ontluchten voordat de machine
wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch
systeem heeft een negatief effect op de
6-22
6
U2S3D1D0.book Page 23 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
remwerking, waardoor u de macht over
het stuur zou kunnen verliezen met een
ongeluk als gevolg.
DAU36503
Remlichtschakelaars
Het remlicht, dat wordt geactiveerd door het
rempedaal en de remhendel, moet oplichten nét voordat de remmen aangrijpen. Laat
de remlichtschakelaars indien nodig door
een Yamaha dealer afstellen.
DAU22392
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem
moeten worden gecontroleerd op slijtage
volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU43062
Remblokken voorrem
6
1
1
1. Slijtage-indicatorgroef remblok
De remklauwen van de voorrem zijn voorzien van twee rembloksets.
Elk voorremblok heeft één of twee slijtageindicatorgroeven, zodat het remblok op slijtage kan worden gecontroleerd zonder de
rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage
te controleren. Wanneer een remblok zover
6-23
U2S3D1D0.book Page 24 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
is afgesleten dat een slijtage-indicatorgroef
bijna zichtbaar is, vraag dan een Yamahadealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22470
DAU46540
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem
Remblokken achterrem
1
1
1. Merkstreep minimumniveau
1. Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk achterremblok heeft een eigen slijtageindicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef
om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de
slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen,
vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
Achterrem
1
1. Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het
remsysteem binnendringen, waarna de
remwerking mogelijk minder effectief is.
6-24
Controleer alvorens te gaan rijden of de
remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij.
Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk
op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de
remblokken op slijtage en het remsysteem
op lekkage.
OPMERKING
Het remvloeistofreservoir voor de achterrem zit onder het duozadel. (Zie pagina
3-24.)
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht:
● Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het
remvloeistofreservoir
horizontaal
staan.
● Gebruik uitsluitend de voorgeschreven
kwaliteit remvloeistof, anders kunnen
de rubber afdichtingen verslechteren
en zo lekkage en slechte remwerking
teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
6
U2S3D1D0.book Page 25 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
● Vul bij met hetzelfde type remvloeistof.
6
Bij vermengen van verschillende typen
remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de
remwerking verslechteren.
● Pas op en zorg dat tijdens het bijvullen
geen water of stof het remvloeistofreservoir binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming
kan optreden en vuil de hydraulisch
bediende kleppen van de ABS eenheid kan verstoppen.
● Remvloeistof kan gelakte of kunststof
onderdelen aantasten. Veeg gemorste
remvloeistof steeds direct af.
● Naarmate de remblokken afslijten, zal
het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een
Yamaha dealer om een inspectie als
het remvloeistofniveau plotseling sterk
is gedaald.
DAU22751
Rem- en koppelingsvloeistof verversen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof
en de koppelingsvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven
onder OPMERKING bij het periodieke
smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinder en de koppelingshoofdcilinder,
de remklauwen en de rem- en koppelingsslangen vervangen volgens de hierna vermelde intervalperioden of wanneer ze
lekken of zijn beschadigd.
● Vloeistofafdichtingen: Vervang elke
twee jaar.
● Rem- en koppelingsslangen: Vervang
elke vier jaar.
6-25
DAU23101
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de
conditie van alle kabels moet voorafgaand
aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig
worden gesmeerd. Vraag een Yamaha
dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet
soepel beweegt. WAARSCHUWING!
Schade aan de buitenkabel kan de kabelwerking hinderen en leiden tot roestvorming op de binnenkabel. Vervang een
beschadigde kabel zo snel mogelijk om
onveilige omstandigheden te voorkomen. [DWA10721]
Aanbevolen smeermiddel:
Motorolie
U2S3D1D0.book Page 26 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23112
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd.
Daarnaast moet de kabel door een Yamaha
dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
DAU44272
Controleren en smeren van remen schakelpedalen
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
Rempedaal
Schakelpedaal
6
De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden
gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
6-26
U2S3D1D0.book Page 27 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43600
Controleren en smeren van remen koppelingshendels
Aanbevolen smeermiddel:
Siliconenvet
DAU23202
Zijstandaard controleren en smeren
Remhendel
De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd
en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig
worden gesmeerd.
Koppelingshendel
6
DWA10731
WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog
en omlaag beweegt, vraag dan een
Yamaha dealer deze te controleren of te
repareren. Een slecht functionerende zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de
machine kunt verliezen.
De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit
worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
6-27
U2S3D1D0.book Page 28 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUM1651
Achterbrugscharnierpunten
smeren
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork
moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op
krassen, beschadigingen en overmatige
olielekkage.
DCA10590
De achterbrugscharnierpunten moeten
worden gesmeerd door een Yamaha dealer
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
Om de werking te controleren
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
WAARSCHUWING! Ondersteun de
machine zorgvuldig om omvallen
en mogelijk letsel te voorkomen.
[DWA10751]
2. Bekrachtig de voorrem en druk het
stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork
soepel in- en uitveert.
6-28
LET OP
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een
Yamaha dealer te repareren of te controleren.
6
U2S3D1D0.book Page 29 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23283
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen
gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
1. Plaats een standaard onder de motor
zodat het voorwiel los is van de grond.
(Zie pagina 6-37 voor meer informatie.) WAARSCHUWING! Ondersteun
de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.
[DWA10751]
6
2. Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar
voren en achteren te bewegen. Als
speling wordt gevoeld, vraag dan een
Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.
DAU23291
Controleren van wiellagers
DAU46553
Accu
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt
hoeft niet te worden gecontroleerd en er
hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien
nodig, vast te zetten.
DWA10760
WAARSCHUWING
● Elektrolyt is giftig en gevaarlijk om-
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel
draait, vraag dan een Yamaha dealer de
wiellagers te controleren.
6-29
dat het zwavelzuur bevat, een stof
die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid,
ogen of kleding en bescherm uw
ogen altijd bij werkzaamheden nabij
accu’s. Voer als volgt EERSTE
HULP uit als er lichamelijk contact
is geweest met elektrolyt.
• UITWENDIG: Spoel overvloedig
met water.
• INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
• OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct
medische hulp in.
● Accu’s produceren het explosieve
waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit
U2S3D1D0.book Page 30 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
de buurt van de accu en zorg voor
voldoende ventilatie bij acculaden
in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU’S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Verwijderen van de accu
1. Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie
pagina 6-7.)
2. Koppel eerst de massakabel en daarna de pluskabel van de accu los door
de bouten te verwijderen.
1
2
1
1. Bout
2. Accukap
1. Dempingrubber
4. Verwijder de hoofdzekering (samen
met de bevestigingsband) uit de houder.
5. Koppel de kabelstekker A los.
7. Vouw de warmtewering uit, zie de afbeelding.
1
6
1
2
2
1
3
2
1. Negatieve accukabel (zwart)
2. Positieve accukabel (rood)
3. Verwijder de bouten van de accukap
en beweeg de accukap (samen met de
ECU) omhoog en vervolgens opzij.
1. Warmtewering
2. Accu
8. Trek de accu uit de accubak.
1. Hoofdzekering
2. Bevestigingsband
3. Kabelstekker A
6. Verwijder het stootrubber.
6-30
U2S3D1D0.book Page 31 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer
de accu te laden als deze ontladen lijkt te
zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met
optionele elektrische accessoires.
DCA16520
LET OP
6
Voor het opladen van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een
conventionele acculader raakt de accu
beschadigd. Als u niet beschikt over een
acculader met constante spanning, laat
de accu dan opladen door uw Yamaha
dealer.
Om de accu op te bergen
1. Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan
weg op een koele en droge plek. LET
OP: Draai voordat u de accu verwijdert de sleutel naar “OFF” en haal
dan eerst de negatieve kabel en
daarna de positieve kabel los.
2. Als de accu langer dan twee maanden
wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien
nodig steeds volledig bij.
Installeren van de accu
OPMERKING
De accu moet volledig geladen zijn.
5. Breng de hoofdzekering (samen met
de bevestigingsband) op de houder
aan.
6. Plaats de accukap (samen met de
ECU) in de oorspronkelijke positie en
breng dan de bouten aan.
7. Sluit eerst de pluskabel en daarna de
massakabel van de accu aan door de
bouten aan te brengen.
8. Breng het stroomlijnpaneel aan.
DCA16530
1. Plaats de accu in de accubak.
2. Vouw de warmtewering weer in de
oorspronkelijke positie. LET OP: De
warmtewering moet op de oorspronkelijke positie zitten en goed
zijn uitgevouwen. [DCA16550]
1
1. Warmtewering
[DCA16302]
3. Breng het stootrubber aan.
4. Sluit de kabelstekker A aan.
6-31
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen
van een ontladen accu kan leiden tot
permanente accuschade.
U2S3D1D0.book Page 32 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46453
Zekeringen vervangen
De hoofdzekering en de zekering voor de
ABS-motor bevinden zich achter stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-7.) Zekeringenkastje
1
bevindt
zich
onder
het
bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)
Zekeringenkastje 1
Zekeringenkastje 2
1
10
2
1
3
9
3
1. Zekering van de ABS-solenoïdeklep
2. Zekering brandstofinjectiesysteem
3. Reservezekering
2
12
7
Zekeringenkastje 2 bevindt zich achter paneel B. (Zie pagina 6-7.)
1. Hoofdzekering
2. Zekering ABS-pompmotor
3. Reservezekering ABS-pompmotor
34
56
7
8
1.
2.
3.
4.
Zekering ontstekingssysteem
Zekering ABS-regeleenheid
Koplampzekering
Backup-zekering (voor klok en startblokkeersysteem)
5. Zekering elektronische smoorklep
6. Zekering radiatorkoelvin
7. Reservezekering
8. Zekering signaleringssysteem
9. Zekering parkeerlichten
10.Zekering rubradiatorkoelvin
Vervang een zekering als volgt als deze is
doorgebrand.
1. Draai de contactsleutel naar “OFF” en
schakel het betreffende elektrische circuit uit.
2. Verwijder de doorgebrande zekering
en breng een nieuwe zekering met de
voorgeschreven ampèrewaarde aan.
WAARSCHUWING! Gebruik geen
6-32
6
U2S3D1D0.book Page 33 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige
schade aan het elektrische systeem
en mogelijk brand te voorkomen.
[DWA15131]
6
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
7.5 A
Zekering signaleringssysteem:
7.5 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering rubradiatorkoelvin:
7.5 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
7.5 A
Zekering ABS-motor:
30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
15.0 A
Backup-zekering:
7.5 A
Zekering elektronische smoorklep:
7.5 A
3. Draai de contactsleutel naar “ON” en
schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur
werkt.
4. Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer
het elektrisch systeem te controleren.
DAU46461
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderdelen niet worden beschadigd:
● Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft,
anders kan de doorzichtigheid van
het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed.
Wrijf
eventuele
verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met
een doekje gedrenkt in alcohol of
thinner.
● Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op
de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp
met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
6-33
U2S3D1D0.book Page 34 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
1
6. Monteer de koplampunit door de bouten aan te brengen.
7. Vraag indien nodig een Yamaha
dealer de koplamplichtbundel af te
stellen.
2
1. Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
1. Verwijder de koplampunit door de bouten los te halen.
1. Koplampstekker
2. Gloeilampkap
3. Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.
1
1
1
1. Bout
2. Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.
1. Gloeilamphouder
4. Breng een nieuwe koplampgloeilamp
aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
5. Breng de gloeilampkap aan en sluit
dan de koplampstekker aan.
6-34
6
U2S3D1D0.book Page 35 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU24181
Achterlicht/remlichtunit
Dit model is uitgerust met een LED-type
remlicht/achterlicht.
Als het remlicht/achterlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het
elektrisch circuit te testen.
DAU24204
Gloeilamp in richtingaanwijzer
vervangen
1. Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.
1
1. Gloeilamp richtingaanwijzer
2
1
6
1. Schroef
2. Lamplens richtingaanwijzer
2. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze in te drukken en linksom te
draaien.
6-35
3. Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot
hij stuit.
4. Monteer de lamplens door de schroef
aan te brengen. LET OP: Draai de
schroef niet te vast, hierdoor kan de
lens breken. [DCA11191]
U2S3D1D0.book Page 36 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46781
Gloeilamp kentekenverlichting
vervangen
1
1. Verwijder de bevestigingsplaat door
de bouten los te halen.
2
2
1
1. Bout
2. Kentekenverlichtingsunit
1
1. Bevestigingsplaat
2. Bout
1. Gloeilamp kentekenverlichting
3. Verwijder de gloeilampfitting van de
kentekenverlichting (samen met de
gloeilamp) door deze eerst linksom te
draaien en daarna eruit te trekken.
2. Verwijder de kentekenverlichting door
de bouten te verwijderen.
1
1. Gloeilampfitting kentekenverlichting
4. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze uit te trekken.
6-36
5. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
6. Breng de fitting (samen met de gloeilamp) aan door deze eerst in te drukken en daarna rechtsom te draaien
totdat hij stuit.
7. Monteer de kentekenverlichting door
de bouten aan te brengen.
8. Monteer de bevestigingsplaat door de
bouten aan te brengen.
6
U2S3D1D0.book Page 37 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46403
DAU24350
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Ondersteunen van de motorfiets
Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt
als deze is doorgebrand.
1. Verwijder de koplampunit. (Zie pagina
6-33.)
2. Verwijder de lampfitting van het parkeerlicht (samen met de gloeilamp)
door deze linksom te draaien.
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van
het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren
van ander onderhoud waarbij de motorfiets
rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens
onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
1
1
1. Parkeerlichtgloeilamp
4. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
5. Bevestig de lampfitting van het parkeerlicht (samen met de gloeilamp)
door deze rechtsom te draaien.
6. Breng de koplampunit aan.
6
1. Fitting parkeerlichtgloeilamp
3. Verwijder de doorgebrande gloeilamp
door deze uit de fitting te trekken.
Onderhoud aan het voorwiel
1. Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als
geen andere standaard voorhanden
is, door een krik te plaatsen onder het
frame aan de voorzijde van het achterwiel.
2. Breng het voorwiel los van de grond
met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met
een motorfietsstandaard of, als deze niet
voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide
uiteinden van de achterbrug.
6-37
U2S3D1D0.book Page 38 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU25871
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek
op transport gaan, maar tijdens gebruik
kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de
oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema’s is een
snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets
echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige
monteurs aanwezig die beschikken over het
benodigde gereedschap en de ervaring en
vakkennis om het nodige onderhoud aan de
motorfiets correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha
onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure
reparaties nodig zijn.
DWA15141
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het
brandstofsysteem en let erop dat er
geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van
geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan
eigendommen tot gevolg.
6
6-38
U2S3D1D0.book Page 39 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46790
Storingzoekschema’s
Startproblemen of slechte werking van de motor
1. Brandstof
Controleer het
brandstofniveau in de
brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet.
Controleer de compressie.
2. Compressie
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de
machine te controleren.
Bedien de startmotor.
6
3. Ontsteking
Nat
Veeg de bougies schoon met een droge doek of vervang
de bougies.
Bedien de startmotor.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
Verwijder de bougies en
controleer de elektroden.
Droog
4. Accu
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de
accukabels en laad de accu indien nodig.
Bedien de startmotor.
6-39
De motor start niet. Vraag een
Yamaha dealer de machine te
controleren.
U2S3D1D0.book Page 40 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWAT1040
WAARSCHUWING
● Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen
naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
● Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen
de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.
Er is lekkage.
Vraag een Yamaha dealer het
koelsysteem te controleren en te
repareren.
Er is geen
lekkage.
Vul koelvloeistof bij.
(Zie OPMERKING.)
Het koelvloeistofniveau is
laag. Controleer het
koelsysteem op lekkage.
Wacht tot de
motor is afgekoeld.
Controleer het
koelvloeistofniveau in het
reservoir en in de radiator.
Het koelvloeistofniveau is
in orde.
Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem
te controleren en te repareren als de motor opnieuw
oververhit raakt.
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
6-40
6
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU37833
Matkleur, let op
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met
matkleurige onderdelen. Raadpleeg een
Yamaha dealer voor advies over wat
voor producten gebruikt moeten worden
om het voertuig te reinigen. Het gebruik
van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het
oppervlak bekrassen of beschadigen.
Ook was moet niet worden aangebracht
op een van de matkleurige onderdelen.
7
DAU46410
Verzorging
Reinigen
DCA10772
De open constructie van een motorfiets
maakt de fraaie techniek beter zichtbaar,
maar de machine is hierdoor ook kwetsbaarder. Er kan roestvorming en corrosie
optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt
bij een auto niet zo op, maar doet bij een
motorfiets afbreuk aan het algehele uiterlijk.
Regelmatige en correcte verzorging is niet
alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar zorgt ook dat de motorfiets er
langer mooi uit blijft zien, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
1. Dek de uitlaatdemperopeningen af
met een plastic zak nadat de motor is
afgekoeld.
2. Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en
alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
3. Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met
een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen.
Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
7-1
LET OP
● Vermijd het gebruik van sterke en
bijtende
wielreinigingsmiddelen,
vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt
om hardnekkig vuil los te maken,
laat het reinigingsmiddel dan niet
langer inwerken dan is vermeld in
de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat
direct drogen en breng daarna een
corrosiewerende spray aan.
● Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen,
framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting
enz.)
en
de
uitlaatdempers beschadigd raken.
Gebruik alleen een zachte, schone
doek of een spons met water om
kunststof delen te reinigen. Als de
kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd,
kan een mild reinigingsmiddel met
water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af
met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
● Gebruik geen bijtende chemische
reinigingsmiddelen op kunststof
delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn
geweest met bijtende of schurende
reinigingsmiddelen, oplosmiddelen
of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
● Gebruik geen hogedrukreinigers of
stoomreinigers, omdat dan op de
volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan:
afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen),
elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting),
beluchtings- en ontluchtingsslangen.
● Bij motorfietsen met een kuipruit:
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze
veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen
voor
kunststof
laten
eveneens krasjes achter op de
kuipruit. Test het product op een
klein, niet-zichtbaar gedeelte van de
kuipruit om zeker te zijn dat geen
sporen achterblijven op de kuipruit.
Als de kuipruit krasjes vertoont,
breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op
kunststof aan.
1. Reinig de motorfiets met koud water
en een mild reinigingsmiddel nadat de
motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik
geen warm water, dit versnelt de
corrosieve werking van het zout.
[DCA10791]
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons
en spoel dan grondig met schoon water.
Gebruik een tandenborstel of flessenborstel
voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten
gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een
vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in
de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in
een regenbui, nabij de kust of op bepekelde
wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog
tot in de lente aanwezig blijven.
7-2
2. Laat de motorfiets drogen en breng
dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen,
ook op de verchroomde en vernikkelde onderdelen (niet op de titanium uitlaatdempers) om zo roestvorming
tegen te gaan.
Reinigen van de titanium uitlaatdempers
Dit model is uitgerust met titanium uitlaatdempers die de volgende speciale verzorging nodig hebben.
● Gebruik alleen een zachte, schone
doek of een spons met milde zeep en
water om de titanium uitlaatdempers
te reinigen. Als de uitlaatdempers met
gebruik van zachte zeep niet echt
schoon worden, kan een zachte borstel met een basisch product worden
gebruikt.
● Gebruik nooit chemische stoffen of andere speciale reinigingsmiddelen om
de uitlaatdempers schoon te maken,
deze zullen de buitenste deklaag van
de dempers aantasten.
7
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
● Al heel geringe hoeveelheden olie, zo-
als afkomstig van vingerafdrukken of
van met olie besmeurde poetsdoeken,
zullen vlekken achterlaten op de titanium dempers, maar deze vlekken
kunnen met een zachte zeep worden
verwijderd.
● De door hitte veroorzaakte verkleuringen op het gedeelte van de uitlaatpijp
naar de titanium uitlaatdempers zijn
normaal en kunnen niet worden verwijderd.
7
Na reiniging
1. Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende
doek.
2. Laat de aandrijfketting direct drogen
en smeer hem om roestvorming te
voorkomen.
3. Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te laten glanzen.
4. Het is aan te bevelen om met een
spuitbus een corrosiewerend middel
aan te brengen op alle metalen delen,
ook op verchroomde en vernikkelde
componenten, om zo corrosie te voorkomen.
5. Gebruik oliespray als universeel
schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
6. Werk kleine lakbeschadigingen door
steenslag e.d. bij.
7. Zet alle gelakte oppervlakken in de
was.
8. Laat de motorfiets volledig drogen alvorens deze te stallen of af te dekken.
DWA11131
WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
● Controleer of er geen olie of was op
de remmen of banden zit.
● Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en
spoel de banden schoon met lauw
water en een mild reinigingsmiddel.
Test de remwerking en het weggedrag van de machine in bochten
voordat u met hoge snelheden gaat
rijden.
DCA10800
LET OP
● Breng
een geringe hoeveelheid
oliespray en was aan en verwijder
overtollige hoeveelheden.
7-3
● Breng oliespray of was nooit aan op
rubber of kunststof delen, behandel
deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
● Vermijd het gebruik van schurende
poetsmiddelen, deze tasten de lak
aan.
OPMERKING
● Vraag een Yamaha dealer om advies
over de te gebruiken producten.
● Door wassen, regenachtig weer of een
vochtig klimaat kan het koplampglas
beslaan. Inschakelen van de koplamp
gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
U2S3D1D0.book Page 4 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26242
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en
droge plek en bescherm indien nodig tegen
stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP
● Als de motorfiets wordt gestald in
een slecht geventileerde ruimte of
in vochtige toestand wordt afgedekt
met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen
en roestvorming veroorzaken.
● Voorkom corrosie door de machine
niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een
opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
1. Volg alle instructies op in de paragraaf
“Verzorging” in dit hoofdstuk.
2. Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar)
toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
3. Voer de volgende stappen uit om de
cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de
bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk
bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de
bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de
elektroden aan massa liggen. (Dit
voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
WAARSCHUWING! Verbind de
bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de
motor om schade of letsel door
vonkvorming te voorkomen.
[DWA10951]
e. Haal de bougiedoppen los van de
bougies en breng dan de bougies
en de bougiedoppen weer aan.
7-4
4. Smeer alle bedieningskabels en
scharnierpunten van alle hendels en
pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
5. Controleer de bandenspanning, corrigeer deze indien nodig en breng dan
de motorfiets omhoog, zodat beide
wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke
maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
6. Dek de uitlaatdemperopeningen af
met een plastic zak om te voorkomen
dat vocht kan binnendringen.
7. Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en
droge plek op en laad deze eens per
maand bij. Berg de accu niet op een
overmatig koude of warme plek op
[onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90
°F)]. Zie pagina 6-29 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Voer eventueel benodigde reparaties uit
voordat u uw motorfiets stalt.
7
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
SPECIFICATIES
Afmetingen:
Totale lengte:
2395 mm (94.3 in)
Totale breedte:
820 mm (32.3 in)
Totale hoogte:
1190 mm (46.9 in)
Zadelhoogte:
775 mm (30.5 in)
Wielbasis:
1700 mm (66.9 in)
Grondspeling:
140 mm (5.51 in)
Kleinste draaicirkel:
3500 mm (137.8 in)
Motorolie:
Koelsysteem:
Aanbevolen merk:
YAMALUBE
Type:
SAE 10W-30, 10W-40, 10W-50, 15W-40,
20W-40 of 20W-50
0
10 30 50 70 90 110 130 ˚F
SAE 10W-30
SAE 10W-40
SAE 10W-50
SAE 15W-40
SAE 20W-40
SAE 20W-50
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
310.0 kg (683 lb)
Motor:
8
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
4-cilinder, V-blok
Slagvolume:
1679 cm³
Boring × slag:
90.0 × 66.0 mm (3.54 × 2.60 in)
Compressieverhouding:
11.30 :1
Startsysteem:
Elektrische startmotor
Smeersysteem:
Wet sump
–20 –10 0
10 20 30 40 50 ˚C
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Type API service SG of hoger, JASO MA
norm
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
4.30 L (4.55 US qt, 3.78 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.70 L (4.97 US qt, 4.14 Imp.qt)
Cardanolie:
Type:
Cardanolie (Onderdeelnr.: 9079E-SH00100)
Hoeveelheid:
0.30 L (0.32 US qt, 0.26 Imp.qt)
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
3.75 L (3.96 US qt, 3.30 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
2S31 00
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR9EIA
Fabrikant/model:
DENSO/IU27D
Elektrodenafstand:
0.8–0.9 mm (0.031–0.035 in)
Koppeling:
Type koppeling:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
8-1
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
SPECIFICATIES
Primaire reductieverhouding:
86/57 (1.509)
Secundair reductiesysteem:
Asaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
22/23 × 29/09 (3.082)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 5 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
38/16 (2.375)
2e:
38/21 (1.810)
3e:
35/25 (1.400)
4e:
29/26 (1.115)
5e:
29/31 (0.935)
Chassis:
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
31.00 graad
Naspoor:
148.0 mm (5.83 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/70R18M/C 59V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT028F
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
200/50R18M/C 76V
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT028R
Belading:
Maximale belasting:
190 kg (419 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Gewichtsverdeling:
90–190 kg (198–419 lb)
Voor:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
8-2
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
18M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
18M/C x MT6.00
Voorrem:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
120.0 mm (4.72 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
8
U2S3D1D0.book Page 3 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
SPECIFICATIES
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
110.0 mm (4.33 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
YTZ14S
Voltage, capaciteit:
12 V, 11.2 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
8
Koplamp:
12 V, 60 W/55 W × 1
Achterlicht/remlicht unit:
LED
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje vrijstand:
LED
Controlelampje grootlicht:
LED
Waarschuwingslampje olieniveau:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED x 2
Controlelampje brandstofniveau:
LED
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur:
LED
Waarschuwingslampje motorstoring:
LED
ABS-waarschuwingslampje:
LED
Controlelampje startblokkering:
LED
Controlelampje schakelmoment:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering signaleringssysteem:
7.5 A
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
7.5 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering rubradiatorkoelvin:
7.5 A
8-3
Zekering brandstofinjectiesysteem:
15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
7.5 A
Zekering ABS-motor:
30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
15.0 A
Backup-zekering:
7.5 A
Zekering elektronische smoorklep:
7.5 A
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU48610
Identificatienummers
DAU26400
Voertuigidentificatienummer
Noteer het voertuigidentificatienummer en
de gegevens op de modelinformatiesticker
in onderstaande ruimtes. Deze gegevens
heeft u nodig om reserveonderdelen bij een
Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw
voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:
MODELINFORMATIESTICKER:
DAU26470
Modelinformatiesticker
1
1
1. Voertuigidentificatienummer
1. Modelinformatiesticker
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer
in het daartoe bestemde vakje.
De modelinformatiesticker is onder het bestuurderszadel bevestigd aan het frame.
(Zie pagina 3-24.) Noteer de informatie op
deze sticker in het daartoe bestemde vakje.
Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld
voor identificatie van uw motorfiets en kan
worden gebruikt om uw motor in uw land
aan te melden voor kentekenregistratie.
9
9-1
U2S3D1D0.book Page 1 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
INDEX
A
ABS....................................................... 3-19
ABS-waarschuwingslampje .................... 3-5
Accu ...................................................... 6-29
Achterbrugscharnierpunten, smeren..... 6-28
Achterlicht/remlichtunit.......................... 6-35
Antidiefstal-alarmsysteem (optie).......... 3-16
Gloeilamp richtingaanwijzer,
vervangen .......................................... 6-35
I
Identificatienummers .............................. 9-1
Inrijperiode.............................................. 5-3
K
Kabels, controleren en smeren............. 6-25
Klepspeling ........................................... 6-19
Koelvloeistof ......................................... 6-15
Koplampgloeilamp, vervangen ............. 6-33
Koppelingshendel ........................ 3-18, 6-22
B
Bagageriembevestiging ........................ 3-30
Banden.................................................. 6-19
Bougies, controleren ............................... 6-9
Brandstof............................................... 3-22
Brandstofverbruik, tips voor een
zuinig .................................................... 5-3
C
Cardanolie............................................. 6-13
Claxonschakelaar ................................. 3-17
Contactslot/stuurslot ............................... 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ...... 3-3
Controlelampje grootlicht ........................ 3-4
Controlelampje schakelmoment.............. 3-6
Controlelampjes richtingaanwijzers ........ 3-4
Controlelampje startblokkeersysteem..... 3-6
D
Dimlichtschakelaar................................ 3-17
E
EXUP-systeem...................................... 3-30
G
Gasgreep en gaskabel, controleren en
smeren................................................ 6-26
Gereedschapsset.................................... 6-1
Gloeilamp kentekenverlichting,
vervangen........................................... 6-36
Rem- en schakelpedalen, controleren
en smeren........................................... 6-26
Remhendel............................................3-19
Remlichtschakelaars .............................6-23
Rempedaal............................................3-19
Remvloeistofniveau, controleren........... 6-24
Richtingaanwijzerschakelaar................. 3-17
S
Schakelaar alarmverlichting .................. 3-17
Schakelen ............................................... 5-2
Schakelpedaal....................................... 3-18
Schokdemperunit, afstellen................... 3-28
Smering en onderhoud, periodiek ........... 6-3
Snelheidsmeterunit .................................3-6
Specificaties ............................................ 8-1
Stalling ....................................................7-4
Startblokkeersysteem.............................. 3-1
Starten van de motor...............................5-1
Startknop............................................... 3-17
Startspersysteem .................................. 3-31
Stationair toerental, controleren ............6-18
Storingzoekschema’s ............................ 6-39
Stroomlijnpanelen en framepaneel,
verwijderen en aanbrengen .................. 6-7
Stuurschakelaars .................................. 3-17
Stuursysteem, controleren .................... 6-29
L
Lichtsignaalschakelaar ......................... 3-17
Luchtfilterelement ................................. 6-18
M
Matkleur, let op ....................................... 7-1
Modelinformatiesticker............................ 9-1
Motorolie en oliefilterpatroon ................ 6-10
Multifunctioneel display .......................... 3-7
N
Noodstopschakelaar............................. 3-17
O
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem...... 6-2
Ondersteunen van de motorfiets .......... 6-37
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ........ 6-37
Parkeren ................................................. 5-4
Plaats van de onderdelen....................... 2-1
Problemen oplossen............................. 6-38
R
Rem- en koppelingshendels,
controleren en smeren ....................... 6-27
Rem- en koppelingsvloeistof,
verversen ........................................... 6-25
T
Tankbeluchtingsslang/overloopslang ....3-23
Tankdop ................................................3-20
U
Uitlaatkatalysatoren...............................3-23
V
Veiligheidsinformatie ...............................1-1
Verzorging............................................... 7-1
U2S3D1D0.book Page 2 Friday, August 7, 2009 1:53 PM
INDEX
Voertuigidentificatienummer ................... 9-1
Voor- en achterremblokken
controleren ......................................... 6-23
Voorremhendel, controleren van vrije
slag..................................................... 6-22
Voorvork, afstellen................................ 3-26
Voorvork, controleren ........................... 6-28
Vrije slag gaskabel, controleren ........... 6-19
Vrijstandcontrolelampje .......................... 3-4
W
Waarschuwingslampje
brandstofniveau.................................... 3-4
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur ...................... 3-5
Waarschuwingslampje motorstoring....... 3-5
Waarschuwingslampje olieniveau .......... 3-4
Wielen................................................... 6-22
Wiellagers controleren.......................... 6-29
Z
Zadels................................................... 3-24
Zekeringen, vervangen......................... 6-32
Zijstandaard.......................................... 3-30
Zijstandaard, controleren en smeren.... 6-27
A5-yoko_Blank.fm Page 1 Tuesday, April 8, 2003 11:43 AM
A5-yoko_Blank.fm Page 1 Tuesday, April 8, 2003 11:43 AM
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2009.08
DIC183