Tijdschrift voor Nederlandse Taal

Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en
Letterkunde. Jaargang 34
bron
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34. E.J. Brill, Leiden 1915/1916
Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_tij003191501_01/colofon.htm
© 2009 dbnl
1
Etymologische aanteekeningen.
BOK in een - schieten. Wil men ingaan op Van Wijks gissing, dat de uitdr. oorspr.
den diernaam bok + een ander ww. bevatte en beteekende ‘een bokkesprong
maken’, dan kan men haar afleiden uit eenen bok slachten, d.i. ‘gelijken’; sl. zou
men dan bij wijs van aardigheid, alsof men met het homoniem te doen had, door
schieten hebben vervangen. Echter heeft de hd. uitdrukking naast zich eine Ente
schiessen, einen Pudel s., einen P. machen; de beide eerste zou men dan voor
opzettelijke varianten kunnen houden, de laatste voor ontstaan nadat men Pudel
als syn. van Fehler, Versehen was gaan voelen. Doch diernamen komen ook naast
3
o
andere ww. in syn. uitdr. voor - z. thans Stoett n . 269 -, en schieten kan bedoeld
zijn als aanduidend ‘bemachtigen’, alsof er geluk en vaardigheid toe behoorde om
zulk een slag te slaan.
BOL (rond voorwerp). Hierbij met enkele cons. on. bolr, bulr m. ‘boomstam, lichaam,
romp’. Os. bollo ‘nap’ leeft voort in dre. bòl(le) ‘houten nap’.
BOM (schuit). Mnl. *bomme in bommekijn ‘vaatje’. De bet. ‘trommel’, vooral ook
als ‘t. waarin men iets bergt’, ligt niet te ver af, en kon te lichter opkomen wegens
het syn. *tromme, waaraan men ook laatstgenoemde bet. mag toekennen, in
overeenstemming met mnd. trumme en gron. trom(me). ‘Vat’ schijnt voor een vaartuig
aannemelijker grondbet. dan ‘tympanum’.
BREIEN, BREIDEL. Tiefstufe in Wangeroogsch brûd ‘breien’, prt. brut, ptc. far-brut,
tô-brut, in het oofri. ptc. brûden (V. Helten, Aofri. Gr. § 209), en in ags. brygd m. i-st.
‘vibratio’ = ofri. -breud < *brugđi (V. Helten, Zur lex. d. aofri. 68). - Breidel zal wel
berusten op *bregdil, onder invloed van
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
2
bregdan voor *brigdil of voor reeds geassimileerd briddil in de plaats gekomen.
BREM. Verwantschap met braam is aan te nemen: dre. braom ‘brem’.
BUL, BOL, BALKEN. Naast bole ‘stier’ heeft het on. baula ‘koe’, belia ‘loeien’ (van
een rund), bylia ‘loeien’ (van den storm); over e naast y vgl. balken. Drentsch beulen
‘loeien, vooral angstig, van koeien, schreien van kinderen’. Wat het onregelmatig
vocalisme betreft vgl. men, behalve het in Frank-Van Wijk onder balken vermelde,
nwfri. bylje ‘blaffen, huilen’ (van een hond, den wind, enz.), bylkje (in 't ZW.) ‘blinken,
schitteren’, o.a. bylkjende klean ‘opzichtige kleeren’, - nwfri. bâlte, bôlte (in de
Wouden vooral) ‘bulken, loeien als een rund, luid blaten van een schaap,
schreeuwen, razen van menschen, luid en aanhoudend schreien van kinderen’;
ook: bâltsje, bjalte, stadfri. balke. Hoe oud zulke afwijkingen zijn, is bij woorden van
dgl. bet. zeer problematisch. - Voor de bet. van bole enz. vgl. Zevenbergen,
Terheiden (z. Onze Volkstaal I) looi m. ‘stier’ bij lojen ‘loeien’.
BULDERBAST. Bast vat ik op in de bekende platte toepassing ‘huid’, gezegd voor
den geheelen persoon zooals hd. Haut met met voorafgaand adj., en zooals men
ten onzent wel hoort 't oud vel (ook fri.) en vel als scheldwoord (hoewel beide van
een vrouw). Bulderbas zal ontstaan zijn doordien de voorstelling van het gemaakte
geluid leidde tot associatie met bas. Wat fri. bolderb(l)ast aangaat, de l is ingedrongen
uit blast, dat niet slechts ‘bluffer, windmaker’, maar ook ‘opvliegend, driftig persoon’
beteekent, evenals het Fri. Wb. blastich opgeeft in beide overeenkomstige bet. en
blastigens zelfs alleen als ‘drift, oploopendheid’.
DAUWELEN. De afl. bij Frank-Van Wijk wordt bevestigd door de bet. ‘stoeien’ van
dawəlṇ bij Gunnink, en van dauweln in Zweeloo (Dre. Wb.).
DEGER. Het Nl. Wb. i.v. noemt mnl. deger (adv. ‘geheel, volkomen’; degherlec ‘in
hooge mate, zeer, erg’) ontleend aan
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
3
mnd. deger(e), mhd. dëger. Voor degherlec is een der beide bewijsplaatsen: suvert
harde - ‘met buitengewone zorg’ dus = ‘terdege’. Dit sluit zich aan bij gron. deeg
‘terdege’, waarbij ook deeg ankieken ‘onderzoekend aankijken’, bij fri. diger
‘bijeenhoudend, spaarzaam’ en ‘oplettend, nauwkeurig, zorgvuldig’, digerje ‘staren,
turen’, digerkyk ‘(het) turen, staren’, digerkykje ‘turen, staren’, bij Helmondsch (Van
de Schelde tot de Weichsel I 374) di-eeger ‘terdege’. Dit alles maakt reeds ontleening
onwaarschijnlijk. Daarenboven is deger nog in gebruik in N.-Brabant (Zeeland, Uden;
z. Onze Volkstaal I 199) als ‘schoon, zuiver’, b.v. de sneeuw is - weg.
DEINEN (DIJNEN). Dit woord zou ik willen verbinden met ags. ðindan ‘zwellen’,
Teuth. dynden (d.i. dinden) ‘zwellen, dik worden, verhoovaardigen’. Ten Doornkaat
Koolman heeft weliswaar dinen in plaats van te verwachten dinden, dinnen, maar
prt. dun (ook zw.), ptc. dunnen; naast ‘ik heb so'n dinen in de läder (Gliedern), dat
...’ staat: ‘d'r sit fan dage so'n dinen in 't water, dat wî wol hâst 'n hogen flôd
ferwachten wäsen können’. Molema dienen ‘opzwellen, uitzetten, van eenig vleezig
gedeelte van het lichaam’, Oldambt Westerwolde diende, diend, Ommelanden don,
donnen. Noordhorn dienen ‘opzetten’, van lichaamsdeelen en van de lucht, zw.
evenals uutd. ‘zich uitzetten’ en opd. ‘opzetten’ v. lichaamsdeelen, maar adj.
opgedonnen ‘opgezet in 't gezicht’. Nwfri. dynje ‘deinen’. Wangeroog þîn (Ehr. Arch.
II 78: dait watter thint, thînt, dînt bezeichnet die hohen Wogen, die sich aber noch
nicht stark schäumend brechen), èn geconj. als schîn ‘scheinen’ èn zw., wel niet <
*þînan (vgl. ohd. swînan naast swindan), maar van conj. veranderd door în < ind;
desnoods kan het echter uit het nd. zijn overgenomen (tijdens th-uitspraak, en weer
met d; doch ook thînîng m. ‘golf’, in de vrb. vóór en na storm). Hetzelfde geldt van
het fri. en ndl. woord. Evenwel kan dijnen ook een holl. phonetisch ontwikkelde vorm
zijn, te vgl. met vijnen ‘vinden’ e.a., welbekend uit onze oudere schrijvers. (Of
misschien ook (sa.) ofri., evenals gron., een woord als binden ten deele met ì, ten
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
4
deele met volk. i wordt uitgesproken, en tevens met assim., zoodat dinen regelmatig
9
is?) - In den zin van gron. diezig (z. Molema) bij Potgieter Proza 3, 161 r. 3 dijnzige
lucht; n uit het ww.?
Dat ðindan oorspr. e heeft, zou men kunnen opmaken uit Molema dontje, dond,
d.i. (vgl. ook Naschrift) ‘kleine massa, klomp, bosje vlas, wol enz.’, dond ‘hoop,
menigte’, Ten Doornkaat Koolman dunte, dunt ‘Haufen, Klumpen’, ‘Büschel, Zotte
etc., bz. eine wirre Masse von Dingen’, ‘Thonkugel, gebrannter, runder Thonklumpen,
bez. Kloss’. In bet. is het (sa.) ofri. woord samengevallen met dot(te) (waaraan dunte
de t kan ontleenen); men kan het trouwens ook voor genas. bijvorm daarvan houden.
[Bij dot enz. dd naast tt; vgl. Molema's dōddel (d.i. dódḷ) 1, 2 en 3 en Oldambtsch 't
is n hijle dotte ‘'t is me ook wat!’, alsmede Franck-Van Wijk en Ts. 32, 172.]
DEN. Den Uml. zal men aan het adj. moeten toeschrijven. Teuth. heeft
dennenboem = dan(ne); adj. danne(n) met uit het grondw. ingedrongen a naast
dennen. Nwfri. din(nebeam), dinappel. Dezelfde verklaring geldt voor esch, esp, hd.
Esche, Espe: mhd. subst. asch, aspe, adj. eschîn (eschen), espîn. De overneming
der e werd bevorderd doordat de volkstaal veelal comp. heeft als gron. eskenboom
(uit Cats herinnert men zich meer dan één eycken boom), maar ook door zulke als
gron. eskenholt (mnd. eschenholt). Reeds het mnd. gloss. der 13 E dat Zfdw. 3 is
uitgegeven heeft (354, '5) voor ‘tremulus’ espenbom, voor ‘fraxin[us]’ eschenbom
(doch voor ‘fagus’ boke). Hooft bezigt eicken ‘eik’ G.v. Velsen 895, 906; hij schijnt
er dus een gesubst. adj. in te voelen. Of hiermee samenhangt, dat ook van eik en
beuk de bijvormen zonder Uml. het in de algemeene taal hebben afgelegd? Nwfri.
spier, spjir(re) ‘spar’ (als boom en als hout) schijnt ook op Uml. te berusten; voor ie
< e vgl. ierde ‘aarde’; met ier wisselt jir.
Dial. DOEN. Met mnl. ouder nnl. bedoven vgl. Molema bedoven (en vervormd
bedogen) ‘met water bedekt’, b.v. van de wasch, en uit Fri. Wb. dûn ‘gedompeld’
(waarbij dûnje ‘onder-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
5
gaan, verzinken, te gronde gaan, ondergedompeld worden’), oerdoun, oerdune
‘overgoten, bedolven, geheel onder water’, onderdoun, -dûn ‘even onder water’,
verouderd bidûn ‘overdekt met water, ondergedompeld’. Op de grens van Gron.
dûn ‘dronken’. Drentsch, gron. en (sa.) oostfri. doen schijnt anders in Gron. juist aan
de fri. grens niet gebruikelijk (evenmin doenen ‘dronken maken’, met den drank als
subj.); de bet. beveelt echter aan, het voor bewaard, resp. ingedrongen, fri. dûn te
houden; vgl. ook Wangeroogsch dûn ‘dronken’, dat evenwel zeer goed uit het sa.
oostfr. kan zijn. Doen meen ik dus te moeten scheiden van gelijkbet. geld. donne,
mij bekend uit Nl. Wb. doen. Voor de bet. kan men vergelijken onder water en weer
boven water wezen.
DOF, DUF. De verhouding tusschen doof en dóf is alleen dan te vergelijken met
die tusschen loof en lòf, als men in beide gevallen Abl. aanneemt; bij zw. vocaaltrap
toch wisselen ŭ en ŏ. Dezen heeft inderdaad ozwe. dovin, duvin ‘slap’ (naast d ver
= oijsl. daufr). Maar ook zoo is duf opvallend; ù is niet te motiveeren door het
overgenomen kust, noch door kus, dat de voc. van kussen heeft aangenomen. Dof
is veel verder verbreid dan lof. Waar men duf zegt, is te denken aan invloed van
muf, misschien ook van suf, te meer daar deze woorden dial. ook móf en sóf luiden.
Zoo zegt men in Noordhorn móf en mùf, in Sebaldeburen alleen móf; in N. sóf en
sùf voor ‘slaperig’ en ‘verstompt van geest’, ook van een lichamelijk gevoel zooals
men b.v. in 't voorjaar kan hebben; naast dóf is echter dùf verouderd of niet ontstaan;
dit is denkelijk, evenals de (naast de gewone voorkomende) bet. ‘wat vochtig’, te
stellen op rekening van het syn. slóf, maar men kan zich ook vergenoegen met te
constateeren dat hier geen analogie-ù is aan te wijzen. - Verkorting van ô < au aan
te nemen, is reeds bij lòf ongemotiveerd, maar wordt daar ten minste niet door de
voc. weersproken, want genoemde verkorting levert ò blijkens o.a. kocht, gekocht,
bruiloft; bij dóf, met ó, is zoo iets geheel onaannemelijk. Maar in bet. ontmoeten
doof en dof elkander
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
6
a
in ‘klankloos, niet levendig’ (z. nader Nl. Wb.); daarom kan Metslawiersch dō əf
a
(Kloosterman § 133 B) ontstaan zijn uit dŏf, zooals hō əf uit hŏf (§ 115 Opm.); vgl.
ook dôf (Zuid- en Westhoek doof) in Fri. Wb. met hôf ‘boomgaard, tuin’.
DOL adj. Dat ll in mnl. dul(le) secundair zou zijn, schijnt mij onjuist; wel is die van
dol(le) dat, waarop juist dul(le) grooten invloed zal gehad hebben. Immers met dul
komt overeen me. dil, dille, dylle, dat, zooals NED zegt, schijnt te wijzen op ags.
*dyl, *dylle, parallelvorm van ags. dol, en dus op zijn beurt wijzend op *duljo- naast
*dulo-. Z. ook de door Frank-Van Wijk bij bedillen vermelde vormen. Verder
Wangeroogsch fardwîlî ‘verdwalen’: mnl. dwelen (vgl. voor de voc. Van Helten, Zur
Lex. des aofri. 319 en z. ook Mnl. Wb. dwellen); nog dre. dwelen ‘dwalen’, dwellucht
‘dwaallicht’, dwîl ‘duizeling’. Bij het laatste kan men ook denken aan inwerking van
‘ijlen’, evenals bij Fri. Wb. dwile, dwylje ‘ijlen (in den slaap, in koorts)’, waarbij citaat
uit de Halbertsma's: ‘dwalen, ijlend rondzien’; het is de vraag, hoe ver dwîl verbreid
is. In elk geval is fri. i phonetisch gerechtvaardigd; z.t.a.p. Voor fri. residuum houd
ik dan ook Westgron. dwilerg ‘ijlend’, van een zieke, al kan dwilen ontstaan zijn uit
dwelmen (vgl. voor de bet. Molema dwelmerg als syn. van dwielerg), of ook dwelen,
dwalen, en *ilen. - Helgolandsch del ‘böse, toll’ wijst niet op Uml. en daarmee op
een u-st.; vgl. enər ‘onder’, enrecht ‘onrecht’.
DOOIER. Ander suffix in nnd. (Berghaus) eidöl, ei'rdööl, oostfri. döl(e); reeds mnd.
dodel naast doder; naast gron. door (n. naar 't witte, ook in 't ndl.?) bij Molema dool,
dole; noordfri. döddel, döll (Helgoland echter dedər); Wangeroog deidel m.
DOOS. Met afl. uit dŏsis klopt ook gron. deus, deuze; vgl. den facultatieven Uml.
in ohd. chorb en churb (Kluge, Vorgesch. § 18 c). Nl. Wb. doos II is in de bet. 2, nl.
in zuidndl. oude doos ‘oude vrouw, oud wijf’, vermoedelijk hetzelfde woord; vgl. hd.
Schachtel.
DRAS besprak ik Ts. 28, 225. Waar ts voorkomt zal de t wel op associatie berusten
met bij drijten behoorende woorden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
7
Ozwe. þrask (met Abl. þraesk) ‘moeras’ wijst op *drasch; het adj. is verklaarbaar uit
praed. gebruik.
DREUTELEN. Als grondwoord mag men aannemen mnl. wvl. droten; vgl. Mnl. Wb.
DROOM: bedriegen. Vgl. voor de bet. fri. drôch ‘droom, waan’, drôchje ‘droomer,
traag, onachtzaam meisje’, drôge (weinig gebruikelijk) ‘droom’ [drôger ‘droomer,
talmer, draler’], drôgje ‘droomen, slapen, sluimeren, wanen, talmen, dralen’ - vormen
wier gutt. aan de etymologie geen twijfel laat.
DRUK, DROK. De adjectievisch-adv. ontwikkeling van het subst. druk vindt een
parallel in noordbra. haacht (Van de Schelde tot de Weichsel I 363 Goorle: 'k heb
zoo geweldig haacht (vertaald: ‘haastig, druk’), ib. 364 Hilvarenbeek en omstreken:
't Is ummers zoo haacht nie (vertaald: ‘haastig, presseerend’), vergeleken met mnl.
hachte, haechte, hacht, achte ‘gevangenschap’, ook ‘macht die men iemand doet
gevoelen’, en dus syn. met druk. De nbra. vormen met aa, niet ao, onderstellen
rekking uit à.
Mnl. DUUNSTER. De Mnl. Spr. p. 211 d geeft bewijsplaatsen voor ‘het zonderlinge
duynster’. Men herinnere zich ns < ms in ranspoet < rams. < ramps. Òf uit deemster
is de m ingedrongen in *duumster > duunster, òf uit deemster werd *deenster en
daaruit drong de n in duunster.
DUITSCH. De tegenwoordige bet. onderstelt geen overneming uit het hd., maar
toen de Nederlanden buiten Duitschland geraakten, moest men meer en meer aan
Duitsch een engere bet. gaan hechten.
DUTTEN, enz. De vraag is of de d-vormen (z. ook Ts. 32, 171, '2 en voeg daarbij
nwfri. dod(de) ‘dut’, dodsje ‘dutten, dommelen, knikkebollen’, dre. dodden (Dalen,
Gieten) ‘soezen, suffen, bij 't vuur zitten te slapen’) niet bij den wortel van dood
behooren; vgl. nijsl. doðni ‘verslapping’, doðna ‘verslappen’, waarin de bet. van
‘dood worden’ (on. doþna) tot ‘slap worden’ is overgegaan.
EIGEN. Contractie van êgin tot ên neemt men aan in os. ênstrîdig en ênstrîdii
‘hardnekkig(heid)’, en is door mij in andere
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
8
gevallen vermoed Ts. 32, 297 vlg. Als eenigszins er tegen pleitend voerde ik aan
ags. ánmód ‘unanimous; resolute, brave, fierce; obstinate’; dit wordt nl. nog door
Sweet als één woord opgegeven, maar prof. J.H. Kern schreef mij, dat anmód in
den zin van ‘resolute, proud enz.’ ă heeft, blijkens onmód ‘contumax OETexts 48,202
en Gúđlác 717, en dus een ander woord is dan ánmód ‘unanimous’ (vgl. ook
onmédla, anmédla ‘pride enz.’). Intusschen, ook zonder door dit woord gesteund te
worden is de opvatting van os. ên- als num. niet onmogelijk, al schijnt compositie
daarmee primair beperkt tot adj. op -ig, -i. En tegen mijn opvatting voerde Kern als
eerste bezwaar aan, dat ên- en êgin- niet naast elkander schijnen voor te komen.
Daarop bleek mij dat toch één vrb. te vinden is; dat is niet minder dan wij bij het
gering aantal dgl. woorden mochten verwachten. Het Mnd. Wb. Nachtrag vermeldt
eigenpessich ‘proprii tenax iudicii’ naast ênpassich in gelijke bet., dus juist een in
bet. tot ênstrîdig naderend woord. Mnl. eenpassich (op één plaats) beduidt hetzelfde;
waar Verdam vraagt: ‘Vanwaar?’ zal ik mij niet aan een bepaald antwoord wagen,
maar daar pas ‘stap, weg’ en passen ‘schikken, voegen, inrichten’ in 't mnl. en mnd.
gangbaar waren, laat zich toch vermoeden dat men het woord oorspr. gevoeld zal
hebben als ‘zijn eigen weg gaand, op eigen wijs de zaken inrichtend’. Gelijk Verdam
zegt dat mnl. eenwille ‘eigenzinnigheid, koppigheid’ wel uit eenwillich zal zijn afgeleid,
zooals o.a. baldaad uit baldadig, zoo mag gelijke verklaring gelden voor Teuth.
eynpas ‘hardnekkigheid’ naast Teuth. eynpassich, eynpessich. Doch naast het syn.
eynmoit ald. vinden wij nergens een adj.; het subst. is als ‘eigen neiging’ dan ook
begrijpelijk, en ook gron. ijnmoud (Ts. t.a. pl.) heeft geen adj. naast zich. Aan dit
woord is des te meer te hechten nu aan de opvatting van het eerste lid als num. de
steun van ánmód ontvalt. (Nwfri. ynmoed zal eer ontleend dan vanouds
gemeenschappelijk ontwikkeld zijn; 't adj. -ich in 't Fri. Wb. (citaat: hij bad zoo -ich)
is, naar Friezen mij verzekeren, een fabrikaat, en ynmoed hoort in gelijke uitdr. thuis
als ijn-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
9
moud, westgron. ienmoed. Het parallelisme van eigenpessich en ênpassich,
eynpassich, einpessich verdient te meer de aandacht omdat een ander in dezelfde
richting wijst, nl. dat van mnd. eensleghelink en sulfslegelink, sulfslegel. Het eerste
wordt vermeld na twee groote ketels; een e. van middelmatige grootte houdt een
emmer water in. De s. wordt in één adem genoemd met twee caldaria auricalcea;
volgens Ducange is caldaria, -ium (eens caldare) ‘aenum vas maius ex aere caldario
seu fusili confectum, in quo aqua igni admovetur’; zonder twijfel zijn dus èn e. èn s.
een soort van ketel, aker of dgl.; aan het parallelisme van een- en sulf- is derhalve
moeilijk te tornen; z. over genoemde comp. verder Ts. 32, 299. Wie contractie van
êgin- tot ên- niet wil toegeven, zou echter kunnen aannemen dat een- voor eigenn
was gesubstitueerd; z. t.a. p. 298. - Wat het ald. 296 genoemde ijnlieks, ij ḷk betreft,
zoo stemt dit overeen met eindeleke ‘eigenlijk, nauwkeurig genomen’ in de omstreken
van Deventer (Van de Schelde tot de Weichsel I 533), Nederbetuwsch eindelek
(Onze Volkstaal II 84), en met eindelijk ‘eigenlijk’ in Limmen, Heiloo, Egmond (ib.
292). Verwarring met eindelijk zou èn vreemd zijn èn in 't sa., waar dit woord geen
diphthong heeft, den feitelijken vorm niet opleveren; ik meen dus dat, waar de syllabe
de voorkomt, deze te beoordeelen is zooals in het oude rendelijck ‘zindelijk’ < mnl.
renlijc = reenlijc, reinlijc, in zindelijk e.a., dus als epenthetisch; in Drente e(i)nlik en
e(i)ndelik. Tenzij ook in genoemde dialecten contracties voorkomen als het t.a.p.
genoemde wezḷk (waarvan mij uit Draaijer niets blijkt), maakt dit genesis uit ênaannemelijk.
ERF. Het schijnt ten onzent de aandacht weinig te hebben getrokken, dat hierbij
Abl. voorkomt in ozwe. orf ‘bewegliches Erbe’. Terwijl het nwfri., evenals het gron.
in arf, in erf het n. als ‘erfdeel’ heeft bewaard, heeft dit ook de bet. ‘nerf van leder’
(en ‘glans van welgedaanheid, van vruchtbaarheid, bij dieren en planten’). Daar ook
het fri. van leer de nerf gebruikt, is gelijkbet. n. erf een vrb. van ontleening van het
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
10
genus aan een homoniem. Procope der n ook in N.-Brab.: Zeeland, Uden (Onze
Volkstaal I) erf(t) m. ‘opperhuid, nerf, ook het bovenste, de zode, van weiland’. (Bij
deze bet. zou de fri. ‘glans ...’ zich kunnen aansluiten door een ontwikkeling in bonam
partem.)
ESCH en ESP, z. den.
FEEKS. Het verband tot nwfri. fekke, fikke (fikkert blijkbaar onoorspr.) en de
gelijkluidende woorden bij Molema kan men zich zóó denken. Gelijk ags. wicce
‘tooveres’ < *wiknî kk heeft uit gutt. + n, zoo is gron. fekke, fikke < *faiknî (ai vóór
meer dan één cons. verkort tot è en ì b.v. in gron. brette ‘breedte’, switt ‘(hij) zweet’);
daar het fri. è of ì uit ê slechts voor mm, nn, ll kent, zijn de fri. woorden aan de sa.
ontleend. Dit *faiknî behoort bij got. bifaihôn ‘bedriegen’: on. feikn ‘verderf’ en zijn
wgm. verwanten. Een abstr. hierbij zou b.v. een m. faihiso of een f. faihisô kunnen
zijn, of een (als os. blîdsea gevormd) faihsiô. Niet alleen uit het laatste, doch wegens
klankwettige syncope ook uit de eerste ware feesse te verwachten; maar door
woorden als os. fêkn ‘list’, fêkni ‘arglistig’ kon hieruit gemakkelijk feeks(e) worden.
Voor de bet. vgl. de toepassing van lat. fraus en scelus op personen.
FLEEMEN. Wegens Teeuwes enz. is epenth. van w tusschen ê < ai en ə aan te
nemen; men mag evenzoo fleeuwen, v. stellen naast vleien als schreeuwen naast
schreien. Wat f in den anl. betreft, in 't Mnl. Wb. staat achtmaal v, viermaal f, waarvan
eens fletsen ende fleeuwen; de f is misschien van dit syn. uitgegaan (en dan op
fleemen overgedragen; vgl. Franck-Van Wijk). Wat het suffix aangaat, staat fleemen
naast vleeuwen, vleien zooals mnl. schreemen (en verwanten) tot schreeuwen,
schreien. Met abl. (vgl. ohd. os. scrîan) of met fri. î < ê Molema fliemstrieken (dat ik
echter met v hoor) ‘vleien, pluimstrijken, flikflooien’, oostfri. flîmstrîken ‘id.’ (saterl.
flîmstrôkje denkelijk naar ndd. vrb.), flîmen ‘liefkoozen, streelen, vleien’; Ten
Doornkaat Koolman verbindt dit met flêm, flîm ‘vliesje over melk, enz.’; dit zou m.i.
slechts aanbeveling verdienen zoo een grondbet. ‘vel’ aantoonbaar ware.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
11
FLESCH. Hier is de e niet, zooals in esch en esp, tevens hd. Wellicht e en a beide =
rom. a, waarbij de e te beoordeelen is als in ketsen naast (kaatsen en) mnd. md.
katzen; vgl. ook ons bende; het van het ndl. afwijkend timbre der a zal wel reeds in
de vóórfransche periode hebben bestaan. Met os. gles, dat zooveel beperkter
verbreiding heeft, is flesch niet op één lijn te stellen; z. ben. glas. Gres is evenmin
te vergelijken; z. gras ben.
FLIKFLOOIEN wordt verklaard uit dial. ô < â, met uit het fri. ontleende â < ai. Maar
terwijl Noordhorn enz. floaien ‘liefkoozen, vleiend spreken’ ongetwijfeld fri. is, evenals
moat ‘moot’, zou een zoo ontstaan gron. flooien, dat Franck-Van Wijk opgeeft,
a
onbegrijpelijk zijn: er is geen grond voor den overgang van o of (wegens de nas.)
o
a in ô (evenals gron. toon, Steenwijk id., niet verklaarbaar is uit fri. tân). Molema
heeft dan ook geen flooien, maar flaaien, floien; met oi schrijft hij verder (an)boien
‘(aankleeden’, roien ‘roeien’, m.a.w. in oi is o onvolk.; ik vraag mij echter af of hij
niet ons westelijk floaien verkeerd verstaan heeft, de diphthong nu eens als oi
opvattend (waaraan zij, als men de meerdere lengte niet opmerkt, bijna gelijk is),
o
dan weer als aai (b.v. als iemand uit de buurt van Visvliet haar als ā uitsprak, als
hoedanig men vroeger ook ndl. aa oplas). - Flikflooien in het Stad-gron. is wellicht
uit het ndl., evenals het nwfri. ww. (Ts. 29, 87 noot), doch beide is onzeker; z. ben.
Het eerste lid kan de stam zijn van het ben. onder flikkeren genoemde flikken ‘een
klap geven’; men denke aan op den schouder kloppen en aan tikjes geven aan een
dier dat men streelt; het comp. is van denzelfden aard als in dre. (Eext; z. Bergsma)
flikfleemen en in vliemstrieken (z. bov. fleemen). Het tweede lid komt afzonderlijk
voor in het ndl. (reeds mnl.) en in het ndd.: Bremisch-ns. Idiot. floien naast flikf.;
daarnaast gelijke koppeling in het syn. floistraken (straken, strakeln, striken, zelden
strikeln ‘vleien’). Daar deze koppelingen zich toch van één streek uit moeten hebben
verspreid en slechts in één streek beide zijn aan te wijzen, daar verder het Br.-ns.
Id. daarnaast heeft floi,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
12
flei ‘vleierij’, en daar verder oostfri.-gron. flîmstrîken (z. bov. fleemen) ook zulk een
koppeling is, zoo dringt zich de gedachte op dat flikflôien in NW. Duitschl. is ontstaan
en door zijn eigenaardigen klank ook ten onzent opgang heeft gemaakt. Wvla.
flikkeflooien zal wel vervormd zijn naar hossebossen, harrewarren enz. Dat het
Holst. Id. flikfloien voorziet van de toevoeging holl. bewijst niets: de afwijkende
formatie deed zeker aan vreemden oorsprong denken, en (flik)flooien ìs o.a. ndl.
Uit Ten Doornkaat Koolman zie ik, dat èn floien èn flikf. tot in Pommeren voorkomt.
Br.-ns. floi zal wel uit floien, flei uit *fleien geabstraheerd zijn, het laatste = mnd.
flêhen, flêgen. Op zich zelf zou het voor de hand liggen, oi naast ei te beoordeelen
als in mnd. moyen, meyen ‘spijten’ of stroyen, streyen ‘strooien’, en dan aan
vergelijking met het laatste de voorkeur te geven wegens ndl. ooi, niet oei. Maar
noch het Br.-ns., noch het Holst. Idiot. kent, zoover ik zie, een dgl. ei. Men zal *fleien
en floien dus moeten scheiden, wat trouwens met ndl. vleien en flooien ook het
geval is. (Te minder reden is er, ei te houden voor ingedrongen uit Dithmarschen,
waar dubbele vormen bestaan; z. Lasch Mnd. Gr. § 128 of Onze Volkstaal III.) Den
vermoedelijken grondvorm *flaujan zou men verwant kunnen achten met nu slechts
dial. eng. flue, flew (± 1440 flew) ‘shallow’, ‘open, wide, expanded’; voor de te
vermoeden oorspr. bet. ‘vlak’ vgl. het feit dat hd. flach ook ‘ondiep’ beteekent, en
dat mnl. fletsen ‘vleien’ reeds Mnl. Wb. wordt afgeleid van flat ‘vlak’ (gelijke afl. van
fra. flatter ‘leuchtet nicht ein’, zegt Meyer-Lübke). Hierbij ook (z. Onze Volkstaal III
9) wvla. fletten ‘graszoden uitsteken en effenleggen langs de waterdijken in polders
en bij andere waterwerken’. Vgl. ook voor de bet. wvla. fleisteren ‘vleiende fletsen,
zachtjes met de opene hand slaan’, ‘vleiende smeeken, de mouw vagen, lamoezen,
fra. cajoler, faire des caresses’. Over igm. *plăq- z. Boisacq πλάξ, terwijl Walde
reeds placere daarvan afleidt. Nwfri. flikflooije geldt, evenals moat ‘moot’, voor aan
het ndl. ontleend; z. laatstelijk Ts. 29, 87 noot; ik weet er ook niets aannemelijks
tegenover
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
13
te stellen, maar een bezwaar is, niet alleen dat het heen en weer kaatsen der
woorden een vreemden indruk maakt, maar ook dat fri. woorden ontleend aan ndl.
met ooi een andere diphthong hebben; terwijl t.a.p. ndl. ō >
a
à wordt aangenomen,
u
geeft Kloosterman § 159 Opm. ō i.
FLIKKEREN, FLINK. Het onder flink geciteerde mnl. vlinken, mhd. kupfervlinke, en
verder ags flicorian ‘fladderen’ wijzen op een wgm. i-wortel naast den a-wortel van
ags. flacor ‘fladderend’ enz. En zooals de laatste een g-variant heeft in ohd. flagarôn
enz., zoo ook, schijnt het, de eerste; vgl. Kil. fliggheren. Tot dien -ik- wortel mag
men ook brengen flikken ‘een klap geven’ (z. Molema; echter niet alleen in de
handen, waarmee M. zijn opvatting als klanknabootsing motiveert; zelfs van een
koe die achteruitschopt zegt het Gron.: hij flikt), waarbij flik ‘klap’. Met nas. wvla.
flink ‘kaakslag met de hand’, flinken ‘slaan, werpen’. Nu kan men zeggen: zooals
de -ik- wortel genas. is in flink enz., zoo de -ig-wortel in eng. to fling (dit ww. komt
sedert ± 1300 voor en wel als ‘zich snel bewegen’ (to - together ‘handgemeen
worden’), ‘slaan naar’ (iets later); het wordt ook gezegd van het slaan van een paard
of ander dier (sedert 1375), en heeft nog verwante bet.); NED: waarschijnlijk verwant
met on. flengja ‘to flog’, dat afgeleid kan zijn van *flinga; verder mag men hierbij
brengen mnl. onbevlinget ‘ongerept’. - Helgl. flu k m. ‘vonk’ kan wel jong zijn, maar
vgl. ouder nnl. flonken ‘stralen, schitteren’.
GAPEN. Gron. gappen, z. Molema, zou evenals mnl. capen ‘kijken, turen’, mnd.
kapen ‘gaffen’ vermenging van gapen en *kappen (= ohd. kaphên, mhd. kapfen)
kunnen zijn. Echter ƀ in on. ga i ‘gaapte’; over de cons. z. ben. raaf.
GAT. Nwfri. gat n., met voc. uit gates enz.; evenzoo Wa. gat n., pl. gôeter. - Mnl.
gate komt niet voor in de uitgegeven stukken. Mnl. Wb. II 935 bov.: ‘De bet. van
mnl. *gate is op gat overgegaan’. Ook dit is niet aangewezen als ‘straat’, wel vermeldt
het Mnl. Hwb. het als ‘weg’. Menige straat in een stad heet nog altijd weg; daarom
is de eerste bet. niet zeker, hoewel waarschijnlijk, voor
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
14
de volgende in Groningen voorkomende vormen, waarover nader handelt J.A. Feith
in Gron. Volksalmanak voor 1892 p. 43, 46, 55: Gad (1329) = Gate (1342) = de Jate
e
e
(1362) = de rechte Jate (1393) = het rechte Jat (16 en 17 E (huisnaam kijck in 't
e
e
jadt 1553) = het Olde Jat of de Jatstrate (2 helft 17 E) = Kijk-in-'t-jat-straat (1739
tot heden) [doch volkstaal Kiekendiesstroade, Westerkw. Kiekentjestroat]; het Jat
e
e
e
e
(althans 16 E); de Kromme Yate of de Kromme Jat (14 , 15 , 16 E); De Kolde
e
e
Gathe 1457 = het Koldegat 17 E. Het blijkt dus, dat in Gron. althans sinds de 14
E het gat en de gate naast elkander voorkwamen, waaruit *de gat door vermenging.
Daar j-ast voor gast en dgl. in 't gron. ongehoord is, zullen jat en jate wel te wijten
zijn aan de fri. omgeving, die jet voor gat zei.
GEESEL. Met î on. gísle zw. m. ‘stok’; Q.u.F. 75, 90 langob. gîsil st. m. ‘pijlschacht,
pijl’ abl. met ohd. gêr enz. (oorspr. ‘speerschacht’; gîsil door 't suffix aangeduid als
‘kleinere schacht’, d.i. ‘pijl’). Hierbij Kampen en omstr. giesəl (niet īe) < î, gron. giezeln
‘geeselen’, N-Ov. gieselen (Gallée).
Mnl. intr. GEHERMEN enz.: nwfri. hiermje ‘verdragen, uitstaan’, ‘tegenhouden (den
groei)’, on-, ûnhiermlik, -hjirmlik ‘onverdraagbaar, onduldbaar’. Krijgt een causat.
*herma ‘doen rusten, tot stilstand brengen’ een obj. als de vijanden, dan leidt dit tot
de bet. ‘tegenhouden’ en ‘uithouden’.
GEEUWEN. Hierbij mnl. guwe ‘kaak, kinnebak’; z. Mnl. Wb.
GENE en synoniemen. Bij den stam i-, eje- behooren, behalve wat Fr.-V.W.i.v. en
bij hij noemt (en de overeenk. ndd.), ags. sē ilca (of í?) <-lîk- ‘dezelfde’, í-doeges
‘denzelfden dag’, í-síþes ‘terzelfder tijd’; ook bestaat mnd. î-dages ‘denz. dag’,
2
alsmede (Grundr. I 1358) owfri. all-î-diges ‘id.’ (V. Helten, Zur Lex. des aofri.,
verklaart iding thing (z. Gru. t.a.p.) en ideng anders). Grundr. t.a.p. statueert
jôna-wegens saterl. júntî ‘jener’ < *jôn-thî en k unṛ < *k(i)-jôn-der ‘da hinten hin’;
evenzoo Kluge Vorgesch. § 242 voor ags. geón demonstr. [op één plaats] en geónd
‘throughout; thither’ (al noemt hij eerst gm. ê ook mogelijk).
GEUL. On. gil m. ja-st. ‘kloof, vooral met rotsen aan weers-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
15
kanten’, vw. nijsl. ‘door een diepte stroomend water’: geil f. ‘klove of heg met hoogten
aan weerskanten’ zou bij de bet. passen; mnd. gole, göle f. goel m. (denkelijk alle
met ö) ‘Sumpf, feuchte Niederung, mit Weiden oder schlechtem Holze bewachsen’
past formaal beter. Wellicht hebben zich een i- en een u-wortel vermengd; de
riviernaam Geul heeft oorspr. u; z. vooral Kluge Gülle en Noreen, Svenska
Etymologier 35-37.
GIETEN. Met s < ss on. giósa ‘zich met geweld uitstorten’, geysa ‘in heftige
beweging brengen’ (vgl. nijsl. Geysir). Gron. goezen (z. Molema, doch ook van
neerstroomenden regen) kan er mee ablauten; vgl. Genemuiden (Van de Schelde
tot de Weichsel I 573, '4) de wiend zw pt g zend (huilend) 'et waeter ... op tut an
de ... kuste; rôkwienden en vlaegen, die deur de skörst n g zen (huilen); Fri. Wb.
gûzje ‘huilen, schreien, schreeuwen’; z. ben. gooien.
GIST(EN). Gist heeft i naar gisten = mhd. gisten. Gron. gest, gesten (gerekte è);
fri. gêst, gêste met opvallende g: uit het sa.? Naast ohd. jësan saterl. jäze (prt. -de,
ptc. -n).
GISTEREN. Gaat men uit van een gen. als in got. gistradagis, of ook van een dat.
als in got. himma daga, dan komt men (vgl. ohd. g.d. henin bij hano) tot *gistrin >
gistren.
GLAS. Vgl. behalve wat Fr.-V.W. geeft nog mnd. glar, volgens Kluge met â, ‘hars’.
Ozwe. glar ‘glas’ (en glas uit het du.). Wangeroog gläs kàn Uml. hebben. Os. gles
heeft dien, naar *glesîn (IF 5,183), mnl. g(he)lesewerkre, glesveinsteren (ib.); het
adj. kon te eerder inwerken daar het omgekeerd *glasîn > mnl. glasijn naast zich
had gekregen.
Dial. GLEI. Zaansch glei ‘glanzend’ (van zon of lucht, als de zon bij bewolkte lucht
sterk schijnt), gron. glai (bij Molema van het ijs, van een zweer; ik ken het als ‘opgezet
tot doorbrekens toe’, b.v. van winterhanden, terwijl men het ook wel eens hoort van
een ‘dikke janneverkop’; hierbij Mo. glaaien ‘gloeien, glimmen’ - N.B. ook in glai is
de a lang), oostfri. glei (en gleu, gloi) ‘gloeiend, glansend, glad, glimmend’ (hierbij
gleien (enz.) ‘gloeien’), N. Overijsel (Driem. Bl. 14, 84) gleijen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
16
‘glimmen’, Garderen, Kootwijk (Onze Volkstaal I) glei ‘glad’, nwfri. glei ‘geil, vettig,
glimmend’ zijn te verklaren uit *glawi-, daar een u-st. (os. glau enz.) dikwijls een
ja-st. wordt; de w syncopeert dan vóór i. Glei staat tot Zaansch glooi als ei (< os.
ewi) tot ooi. Vooral de gelijke bet. der oostfri. woorden met ei en met oi en den Uml.
daarvan, eu, laat aan dezen oorsprong weinig twijfel.
Mnl. (gron.) GOYTEN. Voor goyten heeft het Mnl. Wb. slechts uit het Stadb. v. Gron.
(van 1425; ed. Telting): ‘Van ghoyten na der stad vyande. Oock verbedet de raed,
dat engheen mensche sal ghoyten of kreyeren na der stad viande, daer de stad in
vrede mede staet’ [, noch en sal hem onere bewisen.]. Het opschrift van III X der
codificatie van 1446 (ed. Pro Exc.) luidt: Vā goyten; de tekst is praktisch gelijk aan
den ouderen; dat de opschriften g. wel en kreyeren niet noemen, wijst op het min
of meer synoniem zijn van beide. In de nieuwe redactie gaan beleedigingen met
woorden vooraf en volgen feitelijkheden, in de oude handelt ook wat volgt over
woorden. De opvatting ‘scheld- of smaadwoorden toeroepen’ - of liever ‘beschimpen’,
vgl. ben. - is dus gewettigd. Maar terwijl ‘naar iemand schreeuwen’ zich laat begrijpen
(al zou dit de eenige plaats zijn met na bij craeyeren), is die bet. der praep. vreemd
bij ghoyten indien dit, zooals het Mnl. Wb. aanneemt, gelijkstaat met guten; dit toch
beteekent ‘den gek hebben (met)’, en heeft dan ook met na zich. Doch ook de zin
eischt een andere opvatting; immers wat beteekent: de vijanden der stad waarmee
de stad in vrede leeft? Zeker is het geen aanduiding die een wetboek voegt. [Een
conjectuur veede, reeds te vermetel daar het woord in beide redacties staat, zou
een dwaas toevoegsel en een al te Christelijk wetsartikel leveren, en het eerste
bezwaar niet wegnemen.] Na moet hier beteekenen: ‘op de wijs van, als’, Kil. ‘ut’,
en daer de stad in vrede mede staet is obj. Voor den pers. als obj. waar men eer
een praep. verwachten zou bij kreyeren vgl. roepen ‘aanroepen’, ‘roepen tot’ (met
de H. Maagd als obj.), met welk woord k. dikwijls syn. is. Het voorschrift mag noodig
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
17
geweest zijn wegens de vaak zoo gespannen verhouding tusschen stedelingen en
Ommelanders. - Noopt de bet. van goyten dus niet tot gelijkstelling met guten, de
vorm doet het zeker niet; het gron. heeft slechts guut ‘guit’ en guteg ‘guitig’; op zijn
hoogst zou men verwijderde verwantschap kunnen aannemen indien men b.v.
*gu-ja-tian phantaseerde.
GOOIEN. Er is reden om dit te blijven verbinden met gauw. Vóór de combinatie
met gieten zou men lat. fundere en funditor kunnen aanvoeren; doch daar staat
tegenover het in 't Mnl. Wb. reeds opgemerkte praecipitans bij praeceps, en verder
hd. schnellen in de oorspr. trans. bet. Het intr. gebruik van mnl. goyen vindt zijn
parallel in dat van mnl. gieten, maar ook in het stellig met gauw verwante ohd.
(gi)gâhen, (gi)gâhôn ‘eilen, festinare’. De vocaalverhouding is (vgl. wat Zfvs. 45,281
door Psilander wordt opgemerkt naar aanleiding van *klêwa: klaujan) als bij got.
têwa en gataujan; vgl. ook gevallen als mnl. cloyen en schoyen. - Van den stam
van gieten leidt het Mnl. Wb. af goysen ‘gutsen, stroomen’. Met het daar vergeleken
on. gjósa kan ablauten gron. enz. goezen (z. bov. gieten); het kunnen ook
onafhankelijke verklankingen zijn. Maar oy is vreemd; misschien is *gusen vermengd
met goyen, dat immers evenzeer als nnl. guizen, goezen van bloed wordt gezegd.
[Het Mnl. Wb. plaatst goyen onder joyen, behalve in: 't bloed goyde. Maar 't subst.
heeft constant j, en 't verbum alleen daar g, waar men het kan opvatten als ‘zaad
werpen’; g < fra. j is dan ook vreemd.]
GOOR. Gallée heeft, met de uit au ontstane voc., goor ‘vuil’ (adj.) en goor n. ‘lage,
drassige grond’, en in de Aanvulling: g rig ‘zwak, een kwaal hebbende’,
overeenkomend met görg ‘ziek’ in Garderen en Kootwijk (Onze Volkstaal I). De bet.
van het laatste is zeker geen beletsel om verwantschap aan te nemen met ohd.
gôrag ‘erbärmlich, gering, elend’; op een bet. ongeveer = ‘miserabel’ wijst ook gorg
‘gevaarlijk ziek, zwak’ in Borkeloo (Van de Schelde tot de Weichsel I 460). Vgl. nog
voor de bet. nwfri. naast goar ‘goor, bedorven, zuur door gisting’, ‘onfrisch, verlept,
vuil’, ‘guur’: goarje (spr. oá) ‘sukkelen,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
18
ziekelijk zijn’, ‘kommerlijk leven’, goarre ‘heerschende ongesteldheid, koorts’. On.
gjǫr is dus niet verwant.
GORT. Bij het Ts. 28, 230, '1 opgemerkte is nog te voegen Wangeroogsch grot n.
zonder metath. en zonder Uml.
GRAS. Mnd. mnl. me. gres, ozwe. graes, alsmede oijsl. illgrese ‘onkruid’ en in de
omstreken van Elburg (Onze Volkstaal I) greze vr. ‘deel in de gemeenteweide
voldoende voor een rund’, met Abl., evenals (Tiefstufe) grös bij Gunnink (vgl. ald.
lös ‘los’); gors, gos òf hieraan gelijk òf o < a tusschen gutt. en r; min waars. or naast
ro < ṛ.
GRAVEN. Ofri. greva zal wel niet terecht door inwerking van gref worden verklaard
- graven heeft slechts bij uitzondering voor een graf plaats -, maar zal te vgl. zijn
met onrw. (zeldz.) grefa, ozwe. (dikwijls) graeva naast grava, ptc. graevin naast
gravin (vgl. oblg. grebą enz.). Hierbij De Grift voor ‘gegraven, resp. vergraven,
waterloop’, met suffix als gracht en als ozwe. grift f. ‘graf’. Verder on grǽfr ‘die
begraven mag worden’ naast grǿfr ‘id.’ (met oorspr. ô als groeve); vgl. kuǽfa: kǿfa,
kefia ‘verstikken’ e.a.
HAZELAAR. Volgens Noreen, Aschw. Gr. 492, u-suffix in runenzweedsch dat. s.
ntr. hosli, d.i. naar Berichtigung 504 høsli < *hasuli-, als in lat. corulus. Mnl., dial.
nnl., (sa.) ofri. hasenote en dgl. naar de kleur van den haas.
HEBBEN. ENZ. Abl. volgens Noreen ozw. munhaf, -hōf ‘redeweise’.
HEETEN. Wangeroogsch hait enz. regelmatig; het Nl. Wb. geconstateerd verschil
tusschen nwfri. hite en hjitte wordt door Fri. Wb. weersproken.
HEFFEN. On. uphaf, ozw. abl. uphōf ‘begin’. Wangeroogsch hîv (conj. als schîn
‘schijnen’) ‘rijzen’ van meel.
HEFTIG. De meening van Paul, dat hd. heftig behoort bij Haft, stemt overeen met
de chronologie der bet., die natuurlijk ook wordt aanvaard door Kluge en Weigand,
hoewel deze oorspr. ei aannemen; vgl. ook de bij W. aangevoerde bet. ‘mit Beschlag
belegt’. Maar de nhd. bet. past opmerkelijk bij de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
19
ohd. ‘onstuimig’, waarbij W. een vrb. aanhaalt van mhd. haifdichen adv., terwijl mhd.
en laat ohd. heifte ‘onstuimigheid’ is. Daarom is aan te nemen, dat een afl. van dit
woord en een van haft zich vermengd hebben. Het laat optreden van ndl. heftig kan
men verklaren door overneming uit het hd., maar het woord kan ook uitsl. of
e
hoofdzakelijk noordelijk geweest zijn, zoodat het in het begin der 17 E, als
Amsterdam op den voorgrond treedt, gewoon is. è < ê vóór dubbele cons. is dan
als in echt enz.; daarenboven kan vermenging met een afl. van haft, daar het
bewaren der f vóór t juist vooral holl. is, ook in ons land plaats hebben, en dat is
zelfs aan te nemen (z. ben.). Vóór den ouderdom van het woord kan ook het
eigenaardige fri. syn. forheftich worden aangevoerd. Veel sterker bewijs zou geleverd
worden door het Nl. Wb. VI 433 uit de Bat. Arc. geciteerde onheftig ‘zeer heftig’, wat
een oude vorming zou zijn; ik vermeld het echter slechts om wie op het woord stoot
tijdverlies te besparen: het Wb. citeert naar den druk van 1756, maar bij naslaan
vond ik in die van 1678, 1662 en 1647 overheftig, waarom ik voor den zeldzamen
en
1 druk het ex. der Kon. Bibl. (vroeger van A. Bogaers) raadpleegde; deze heeft
p. 11: ‘een gemeen gebreck van een overheftige genegenheit’. - Een andere
vermenging dan boven besproken is toont Westerkw. h fteg ‘opvliegend; brutaal
in 't zeggen’; in Sebaldeburen hoorde ik de koeien h ftegen, wat mij werd uitgelegd
als ‘de bongels [blokken aan 't been] andoen en zoo’. Naast mnl. heften ‘vastmaken’
is dus *heftigen aan te nemen, maar moet op inwerking van een ander woord
berusten. Bedenkt men nu dat hoogte in het Stad-Gron. heeft (Westerkwartier o
naar hoog), dan wordt aannemelijk dat koppeg vroeger door *h fdeg uitgedrukt
werd; dit kon zich vermengen met hefteg in de bet. die Weigand uitdrukt door
‘festbleibend, beharrlich’, welke dus ook in ons land is aan te nemen. (Ook lat. tenax
is tegelijk ‘volhardend’ en ‘koppig’). Werd eenmaal *hefteg verdrongen door h fteg,
dan kon men licht ook in *heftegen voor è substitueeren.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
20
HEIDEN. Het schijnt niet algemeen te zijn opgemerkt dat de parallel met paganus
niet te handhaven is; zie de aan NED VIIII voorafg. add. and emend.
HERKEN ‘dralen’ (Nl. Wb. IV) laat zich ongedwongen verbinden met hd. harren,
mhd. id. ‘wachten, zich ophouden’. Hierbij zal ook wel herken Nl. Wb. III behooren:
op iets wachten > naar iets haken.
HIJ. Vermelding verdienen de dat.-acc. mnl. hem, zeldzamer him, heme, home,
hom (Mnl. Spr. § 337), oostmnl. om (Mnl. Wb.). Evenzoo dial.: gron. hom, hoewel
in 't westelijk Westerkw. hem; oostfri. hum, vgl. hund ‘hond’. M.i. is de voc. o
overgedragen uit den uitgang van het st. adj., inz. uit de verbinding met zelf, die
natuurlijk zeer gebruikelijk was, te meer daar in vele tongvallen geen refl. bestond;
vooral een verbinding met toonloos pers. (h)imo, -u, (h)im selƀomo, -u, resp. selƀom
kon licht overgaan in *(h)omo, -u selƀomo, -u, *(h)om selƀom. Ook mnl. d.a. pl. hon
kan zijn ontleend aan onfr. d. seluon (hom enz. moeten ontwikkeld zijn uit oudere
vormen dan ons onfr. vertoont; z. bov.). - Dgl. verschijnselen in 't mnd., met eenige
vormoverdraging.
HIJGEN. Een wortel zonder gutt. is niet aannemelijk te maken door zwe. dial. hipa
‘gapen’. Fri. hymje, ook hjimje ‘hijgen’, efter (achter) de hime ‘buiten adem’, Molema
hiemen ‘het hijgend en piepend geluid, doordien de ademhaling bemoeilijkt wordt’
(het is echter ww., doch verder natuurlijk gesubstantiveerde inf.), oostfri. en verder
ndd. id., waarbij men verder zie hijmen Nl. Wb., zullen wel berusten op ogm. sync.
van g vóór m; vgl. droom, toom. - Bij hijgen heeft het wvl. (z. Onze Volkstaal III)
hichelen ‘piepend ademen bij asthma’, hichelaar ‘het asthma dat met h. samengaat’.
HIKKEN. Teuth. uythicken ‘uitbroeden (van eieren’) mag gelijkgesteld worden met
hd. aushecken. Daar men voor bil e.a. sporadische ì uit è aanneemt, kan men dat
ook hier doen; ik zou eer aan Abl. gelooven. - Het bij hakken in Franck-Van Wijk
besproken mnl. hicken beteekent ook ‘kappen, houwen’,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
21
gezegd van arduinsteen; z. Stallaert, die ook hick ‘wrok, bittere haat’ heeft; vgl. fra.
pique. Ook later komt hikken als ‘hakken’ voor; z. Mnl. Wb. Hierbij Teuth. onthycken
‘beginnen’; vgl. het feit dat ontginnen, fra. entamer e.a. de bet. ‘beginnen’ en
‘aansnijden’ vereenigen; bij onthycken kan men uitgaan van ‘aankappen’. - Ndl.
hikken ‘mikken’ kan ontstaan zijn door vermenging van hitten en mikken; vgl. ben.
hippe.
HINDER. Neemt men, zooals ook Franck-Van Wijk doet, verwantschap aan tusschen
hij en on. hánn, hann, dan bestaat er alle reden om met Noreen bij de volgende
woorden, en dus ook bij ons hinder, Ablaut-verhouding aan te nemen: on. handan
‘van gene zijde’ adv., hindre ‘later’ adj., hindar(r) ‘later’ adv., hinztr ‘laatst’ adj., hinzt
adv., ogutn. handar mair ‘verder weg’.
Nwfri. HIPPE ‘treffen’ zal wel berusten op een dgl. vermenging als bov. hikken slot
is besproken. Het zou kunnen ablauten met ode. hap, volgens Kalkar < *happen
‘gelukkig’, oijsl. hap n. ‘wat tot eer en voordeel strekt’, heppinn, ‘hap bezittend’;
aannemelijker schijnt een geheel overeenkomstig ofri. ww. *heppa, welks e door
invloed van (in de Nalezing op het Fri. Wb. vermeld) hitte ‘treffen’ door i werd
vervangen; vgl. bov. hikken slot. Z. verder Falk og Torp heppen.
HOMMEL. Het verband met to hum enz. vindt steun in gron. huller < *huler bij
hoelen (mnd. hûlen), b.v. ook van den wind, en bromster; z. Molema, die verder
bremster heeft als ‘paardenvlieg’; ik ken het als naam van een insect dat zich
evengoed op koeien zet.
3
HOOFD. On. hǫfoþ < hauƀuð (Noreen An. Gr. I § 94, 1). - Bij ags. hafola nwfri.
holle.
HUI. Voor de ui neemt Franck-Van Wijk denzelfden oorsprong aan als in lui ‘piger’.
Maar terwijl het laatste in 't mnd. is loi(e) [leu in een tekst die blijkbaar naar 't mnl.
overhelt], geeft het Mnd. Wb. uit Neocoris, Chronik des Landes Dithmarschen 1,
138 èn heie èn hoie n. Dit wijst op een klank als ndl. ui (vgl. dezelfde wisseling in
‘sluier’ en ‘moeien’), en
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
22
daarmee op een met wei abl. vorm, met h- < hw- vóór ô als hoest e.a. Holl. ui (z.
Breeroo) kan fri. zijn; Kil. hoy, hoey holl. sicamb.; Teuth. hoey. Het ndl. wijst op een
m., het ndd. op een n. ja- st. *hôi. Vgl. het door Boekenoogen geconstateerd dubbel
genus van wei.
HUID. Bij schôte brengt Zfda. 40,389 skauda ‘broek’ in got. a.s. skaudaraip. Abl.
gron. sgoet ‘schort’, mv. sgoeden, opgevat als wat de kleeren, om ze schoon te
houden, bedekt. On. skióþa ‘tasche’, skauþer ‘scheide’. - Het ontbreken van Uml.
in ofri. hûda ‘hoeden’ is, zooals V. Helten Zldaofri. opmerkt, op rekening te stellen
van den ô-st. hûde ‘verwahr, obhut’.
HUIF. Molema vermeldt Westerwoldsch huve (i.v. hude) ‘bewaarplaats, verborgen
bergplaats’ en Ww. iemhuve, dre. iemehuve ‘de plaats, waar de korven met bijen
des winters geplaatst worden, meestal onder eene soort van afdak in den tuin’. On.
húfr m. ‘boeg van het schip’. Ook hoofd brengt men er wel toe, alsmede de familie
van huppen.
HUNKEREN. Vgl. nwfri. omhunkerje ‘onrustig loopen en zich met elkander bemoeien
van vee, veelal uit natuurdrift’ en ‘omhunkeren’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
23
Geusevesper.
Waarom heeft Vondel boven dezen aangrijpenden zielekreet over den gerechtelijken
moord op zijn vereerden held, den ‘Vader des Vaderlands’, eigenlijk dien
zonderlingen, onverklaarbaren, althans nog onverklaarden titel geschreven, door
niets overeenkomstigs in het gedicht zelf gerechtvaardigd? Een verwijzing naar den
titel van Marnix' Bijencorf zou alleen bewijzen dat er meer voorbeelden zijn van
1)
oneigenlijke titels zonder rechtstreeksch verband met den inhoud , maar nog niet
verklaren hoe Vondel aan dit oogenschijnlijk weinig passend opschrift gekomen is.
Op 't eerste gezicht ontmoeten wij trouwens in 't voorportaal van dit gedicht meer
vreemds. Vooreerst dat er boven staat aangegeven: ‘Op de wijse: Brande Partinice’.
Maar onze bevreemding over deze danswijze, als ‘stemme’ boven een, voor ons
gevoel, zeker al heel weinig met zang en dans overeenstemmende, sombere
rouwklacht, wijkt goeddeels, zoodra wij bedenken dat de zeventiendeeuwsche
‘brandes’ of ‘branles’ en hunne danswijzen hemelsbreed verschilden van
2)
hedendaagsche walsen en tango's! Anderdeels zullen wij echter, met het oog op
de o.i. weinig gepaste ‘wijsen’ of ‘stemmen’ boven menigen blijgeestigen ‘sang’ van
Hooft en menig ‘aendachtigh liedt’ van Bredero, wel moeten erkennen dat onze
voorouders aan het innig verband tusschen de stemming van een gedicht en de
oudere, reeds bekende ‘stemme’, waarop 't door den dichter geschreven en voor
den zang bestemd werd, andere, minder hooge eischen gesteld schijnen te hebben
dan wij nu plegen te doen.
1)
Welke titel Marnix trouwens niet onwaarschijnlijk eerst achterna aan het werk gegeven heeft.
2)
Zie Oosterhof, La vie litt. de Marnix de St Ald. et son ‘Tableau etc.’ (Kampen 1909), 77; verg.
ook Van Toorenenbergen vóór Marnix' Godsd. en Kerk. Geschriften, Aanh. XXVIII-LI.
Zie b.v. Tijdschr. XVI 105-120.
e
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
24
De - evenmin aanstonds duidelijke - ondertitel: ‘Sieckentroost, voor de
Vier-en-Twintigh’ is zonder twijfel, met Van Lennep, te verklaren als een bitter
sarcasme: een troost voor de door wroeging gekwelde, in hun geweten ‘zieke’ vier
en twintig rechters van Oldenbarnevelt. Ook van dezen ondertitel zou men echter
met eenigen grond kunnen zeggen dat het daarin uitgesproken sarcasme kwalijk
strookt met den droeven klaagtoon der drie eerste strophen (eer nog met den
toornigen uitval van het vierde couplet en de ernstige vermaning van het ‘Besluyt’).
Waarschijnlijk heeft Vondel daarbij echter niet alleen in 't algemeen aan de woorden
van een of anderen ziekentrooster gedacht, maar zeer bepaaldelijk aan d e n zoo
al niet officieel-kerkelijk geijkten, dan toch sedert 1578 gemeenlijk achter in de bijbels
1)
- ook in den door Vondel toen nog meestal gebezigden Deux-Aes-Bijbel - na de
2)
liturgische boeken afgedrukten ‘Sieckentroost: welcke is een Onderwijsinge in den
Geloove, ende den Wegh der Saligheyt, om williglick te sterven.’ Mogelijk zelfs ligt
in dien ondertitel bovendien een bijzondere, tot dusverre, zooveel ik weet, door
uitgevers en verklaarders niet opgemerkte toespeling verscholen, die dien titel
verklaart en verlevendigt. In de bekende ‘Historie van het leven en sterven van
Johan van Oldenbarnevelt’ (ed. 1648), blz. 246 wordt verhaald dat O. zich op den
avond vóór zijn dood door den Haagschen predikant Beyerus uit den Ziekentroost
3)
heeft laten voorlezen . Wel wordt dit meer terloops vermeld, als een ondergeschikt
détail, niet zoo nadrukkelijk en uitvoerig als de voorafgaande theologische
gesprekken met de predikanten Walaeus en Lamotius. Maar toch schijnt het mij
niet onmogelijk dat Vondel in zijn onder-
1)
2)
3)
Zie Moller, Inl. t. de Heerlijckheit der Kercke XXIV-XXIX.
Zie Le Long, Kort Verhaal v.d. eersten oorsprong der Nederl. Geref. Kerken 128. Ik vond hem
althans in eene ed. bij Jan Paedts Jacobszoon (Leiden 1599).
In H.H. Barger, Ons Kerkboek 286, waarin ik deze bijzonderheid 't eerst vond, staat dit
eenigszins anders; ik houd mij hier aan het bekende authentieke verhaal (waarover zie Fruin,
Verspr. Geschr. VII 470-517).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
25
titel een grimmige toespeling op deze hem bekende bijzonderheid maakt. In plaats
van den gebruikelijken Ziekentroost hunner eigene Kerk, die ook hun onschuldig
slachtoffer getroost had, zal hij den ‘Vier-en-twintigh’, nu zij zelf, in hun geweten
ziek, den dood voor oogen zien en vreezen, een anderen Ziekentroost lezen en hun
op zijne wijze ‘den Wegh der Saligheyt, om williglick te sterven’ aanwijzen! In dit
licht beschouwd, zouden althans de twee laatste strophen uitstekend bij dezen
ondertitel passen: titel en besluit krijgen een verhoogde, schrikkelijke beteekenis,
te vergelijken met die van het te recht beroemde ‘Klinckdicht’ vóór den Palamedes.
Maar nu die eerste en meest bekende titel: ‘Geusevesper’? Hij wordt gewoonlijk
òf niet òf op weinig afdoende wijze verklaard. De befaamde Amersfoortsche uitgaven,
hoe zeer er op uit alle politieke, vooral persoonlijke toespelingen bloot te leggen,
ontdekken hier toch niets. Noch Bakhuizen van den Brink in zijn ‘Vondel met Roskam
1)
en Rommelpot,’ noch Penon in zijn proefschrift vindt in dezen titel stof of aanleiding
2)
tot eenige opheldering of opmerking .
Dat geuse(n) althans ook slaat op de strenge, steile Calvinisten, Oldenbarnevelt's
en eveneens Vondel's bitterste vijanden, staat natuurlijk vast. Deze naam, allereerst
als spotnaam gegeven en bedoeld, was wel door de ‘geuzen’ zelf aanvaard en door
het volk in eerenaam verkeerd; maar hij was toch in den mond van Katholieken gelijk nog heden ten dage in de Katholieke Nederlanden bezuiden den Moerdijk een schimpnaam gebleven - en dit, in den mond van andersdenkende, niet
Gereformeerde Protestanten (dissenters: Remonstranten, Doopsgezinden,
Lutheranen) alras ook g e w o r d e n - voor: Calvinist, Contra-Remonstrant. Vandaar
dus het gebruik eenerzijds van Roomsche geus, in den oudsten, historischen zin
(in Tesselschade's beroemd antwoord op Vondel's Academievraag
1)
2)
Stud. en Schetsen I 61.
Hist. en bibliogr. Beschouw. v. Vondel's Hekeldichten 8-9.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
26
in 1630), en van oude geuzen als eeretitel (zie b.v. C.Pz. Hooft, Memor. en adv.
162, 193, 194, 205, 262); doch anderzijds ook, met minder vleiende bedoelingen,
het gewag van wilde geuzen (Bredero's Sp. Brab. 1984, in den mond van den
Roomsch-Spaanschgezinden schout), van grauwe geuzen (Vondel's Rommelpot,
coupl. 12), en daarnaast de aanduiding van Reinier Pauw en Ds. Trigland als geus
(Vondel's Reintje de Vos 45; Id., Haen Kalkoen 3, 12), voorts samenstellingen als
1)
plondergeus (Haen Kalkoen 17, Haec Libert. ergo 53) en geuzentafel (in Vondel's
bekenden brief aan Hooft, bij Brandt, Leven v.V., ed. Hoeksma 77).
Wat echter beteekent vesper hier? Van Lennep zegt in zijn verklaring van den
titel (II 318): ‘Vondel neemt nu de rol van zieketrooster op zich; doch in de daad,
om hen hun vergrijp nog dieper te doen inzien, en hy luidt als 't ware de vesperklok,
om hun geweten, voor zooverre het nog slapen mocht, wakker te maken.’ Niet alleen
Unger, maar ook b.v. Weustink, in zijn Bloemlezing uit Vondel (Pantheon-ed.) I 28,
2)
neemt deze verklaring van Van Lennep letterlijk over - doch zonder vermelding
van dezen als zegsman: een m.i. ongewenschte, en ook onlangs herhaaldelijk
gewraakte gewoonte - ze, vreemd genoeg, verkiezende boven de onderstaande
van Alberdingk Thijm, die toch zeker ook in zijne oogen voor de bepaling van wat
een vesper eigenlijk is meer gezag heeft dan Van Lennep!
Eerstgenoemde, Alberdingk Thijm, erkent nl. in zijn (door Unger voltooide) uitgave
(I 341) ronduit: ‘De uitdrukking “Geuzen-vesper of Zieke-troost voor de
Vier-en-twintig” weet ik niet redelijk te verklaren. De vespers zijn de avondpsalmen:
de zieke-troost is de stof der bediening van den ziekentrooster: maar dit brengt ons
weinig verder. Misschien wil Vondel zeg-
1)
2)
Nagenoeg = plonderfiel (Amsterd. Kakastorie 5, Otter in 't Bolwerk 15); verg. nog plondergraeu
(Jaarget. v. Oldenb. XI), plonderpaep (Decr. Horr. 86).
Van Vloten, Doorenbos, Van Moerkerken en andere uitgevers of ‘bloemlezers’ geven, zooveel
mij bekend is, òf geen verklaring òf een aftreksel (of ook mengsel) der hierboven en beneden
genoemde uitleggingen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
27
gen: “Dit is de uitluiding van het Calvinisme, van de Geuzen”, en voegt er ironisch
bij: “tot troost der consciëntie-zieken.”’ Deze verklaring is in hoofdzaak overgenomen
door Bergsma in zijn (Pantheon-)uitgave der Hekeldichten (blz. 178): ‘Avondpsalm
voor de Calvinisten’, met aanhaling van Alberdingk Thijm's laatste zinsnede.
Koopmans eindelijk (Bloemlezing uit V.'s Gelegenheidsdichten, Bibl. v. Nederl.
Letterk.) zegt in zijn inleiding tot het gedicht (blz. 3): ‘hij (V.) roept ze (de 24) tot
boetedoening op naar de plaats der vergelding[?]; hij luidt de vesperklok; maar
alweer, 't is geen echte vesperdienst, maar een uitluien van het Calvinistiese schik[l.:
schrik]bewind en het grafluien van de gevonnisten’; doch daaronder, in de
aanteekeningen (blz. 4), kwalijk in overeenstemming met het bovenstaande: ‘Vesper,
einde van den dienst bij de Roomsen .... Geuse Vesper samen genomen: lied op
het einde van 't Geuzen-bewind .... Te Amsterdam hadden de begrafenissen 's
namiddags, onder klokgelui, plaats.’ Ik kan hierin niet veel anders zien dan een niet
geslaagde, immers zich zelve ten deele weersprekende, verwarde en verwarrende
poging om de beide verklaringen van V.L. (het wakker luiden der gewetens) en
A.Th. (het uitluiden van het Calvinisme) en nog een derde (‘einde van den dienst’)
‘onder één hoedje te vangen.’
Geen dezer verklaringen schijnt mij juist, natuurlijk en afdoende. De vesper is
noch was - voor zoover ik heb kunnen nagaan - ooit of ergens: ‘het ‘einde van den
dienst’ (Koopmans), noch een dienst, hetzij 's avonds of 's namiddags, ter uitvaart
of ter ‘uitluiding’ van een overledene (Alb. Thijm, Bergsma, Koopmans), noch ook
heeft de vesperklok ooit dienst gedaan om slapenden wakker te maken uit hun
1)
middagslaap (V. Lennep e.a.). De vesper is thans en vanouds niets anders en
meer
1)
Had Vondel dit bedoeld, dan had hij allicht een dergelijken titel gekozen als: ‘Morgenwecker,
Aen de Oude ende Ghetrouwe Batavieren, Met een Remedie teghen haere Slaep-sieckte’
(1620) (Knuttel, Pamfl. 3087).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
28
o
dan: ‘1 een der daggetijden van 't brevier, als het in 't openbaar gezongen wordt;
o
2 de namiddag-godsdienstoefening, [thans] gewoonlijk om 3 uur 's middags tot 4
1)
uur’ (Stellwagen, Roomsche Woorden 217).
Desnoods, naar de o o r s p r o n k e l i j k e beteekenis, kan V. dus inderdaad een
‘avondpsalm’ (Alb. Th.) bedoeld hebben. Mits men dan niet aan ‘avond’ in den
eigenlijken zin denke, maar aan den ‘avond des levens’: eerst hierdoor krijgt men
den onmisbaren schakel om te komen tot het ‘uitluiden’ of ‘grafluiden’. Die figuurlijke
- maar gansch natuurlijke - toepassing nu vinden wij inderdaad bij twee
middeleeuwsche Hollanders (en allicht ook elders). In zijn gedichtje ‘Vander
Bedevaert’ werkt Hildegaersberch de oude welbekende vergelijking van het
2)
menschelijk leven met een pelgrimage nader uit , waarbij hij aandringt op het goed
besteden van den ons door God nog geschonken tijd (onzen ‘levensdag’, waarop
straks de ‘nacht’ zal volgen), ten einde door berouw onze zonden te boeten (CXIII
60 vlgg., blz. 240):
Die dach is over middach leden
Mit menighen mensche meer dan yen,
Die luttic nader sonnen sien,
Hoe seer si daelt ende niet en rijst,
Ende hoe natuer an hem bewijst
3)
Dat vespertijt beghint te naken.
En wanneer Dirc Potter in de inleiding tot Der Minnen Loop heeft verklaard waarom
hij deze stof gekozen heeft, en dan voortgaat (I 66):
Want mine ghenoechten moet ic stichten
In allen ghenoechliken dinghen,
Die goede wiven vroechden aen bringhen,
Op dat die minnentlike schone,
Die aller vrouwen is ene croene
1)
2)
3)
Dat de vesper oorspronkelijk om 6 uur gezongen werd doet hier niets ter zake.
Zie Duyfkens ende Willemynkens Pelgrimagie enz., ed. Ruys, 9-16.
Verg. ook Hildeg. CIX 119 (blz. 251).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
29
Tijtkortinghe daer bij ghecrighe:
Daer ic huden meer aff zwighe,
Want vesper is over langhe gheluut.
God gheve haer dusentwerff saluut,
Die my den moet te hoghen plach
Doet was misse tijt aenden dach,
dan doelt hij toch zeker wel op zijn eigen nu ver gevorderden leeftijd, in tegenstelling
1)
met de vroegere middaghoogte zijns levens .
Zóó, langs dezen weg, zou dus vesper later gebruikt kunnen zijn om aan te duiden,
dat de aan een persoon of aan een groep personen toegemeten spanne tijds ten
einde spoedt, dat men zich dus vaardig moet maken om rekening en verantwoording
2)
voor zijn daden af te leggen (verg. Elckerlijc ). Van een eigenlijk ‘uit-’ of ‘grafl u i d e n ’
door een vesperk l o k is dan echter geen sprake, evenmin van een wakker l u i d e n
der consciëntiën, en allerminst van een einde van den dienst! Mij dunkt, de
voorstelling zou door deze opvatting aan helderheid winnen.
Evenwel, men kan, erken ik, de vraag stellen: was deze beeldspraak, deze
vergelijking van het leven bij een dag, van het levenseinde bij den avond, toen ter
tijd wel zóó algemeen bekend, dat Vondel kon meenen de gedachte daaraan reeds
door 't enkele woord vesper te wekken? En men kan ook bij deze opvatting de
samenstelling Geusevesper toch gezocht, onnatuurlijk en onduidelijk achten. Immers
de titel zou dan moeten beteekenen: ‘lied, waarin de Geuzen, d.i. de
Contra-Remonstranten, er aan herinnerd worden, dat voor hen, d.i. de heerschappij
hunner partij, de dag ten einde neigt, dat hun tijd welhaast voorbij is’; hetgeen
inderdaad wel iets vergt van het begrip onzer voorouders! En ten slotte kan men
het bovengenoemde bezwaar herhalen: dat er in 't geheele gedicht verder eigenlijk
weinig of
1)
2)
Waaruit men dus zou opmaken dat Potter niet, naar de gewone voorstelling (zie nog Kalff,
Letterk. I 566), Der Minnen Loop op jongeren leeftijd geschreven heeft; hetgeen dan ook door
Mej. A.L.A. Roessingh, in de eerste stelling achter haar proefschrift: De Vrouw bij de Dietsche
moralisten, geloochend wordt.
Waar wel niet van vesper, maar toch (vs. 172) van nae noene gesproken wordt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
30
1)
niets is, dat aan dezen titel herinnert of hem rechtvaardigt .
Liefst zou ik, ter opheffing dezer bezwaren, kunnen wijzen op een aan V.'s vers
voorafgaand gedicht of pamflet (van de tegenpartij) met een soortgelijken titel (als
Vesper ....), waarop dan V.'s Geusenvesper de terugslag zou geweest zijn. Dergelijke
dubbele toespeling, èn op een bekende beeldspraak èn op een voorafgaand gedicht,
zou niet alleen stellig wèl in den geest der zeventiendeeuwsche pamfletschrijvers
zijn, maar ook verklaren hoe V. tot de keuze van den titel gekomen is, en hoe hij evenals Marnix vroeger - zich verder in zijn gedicht om dien titel eigenlijk zoo weinig
2)
bekreunt . Doch een doorbladeren der pamflettencatalogi van Tiele, Van der Wulp,
Knuttel en Petit, op zoek naar een dergelijk prototype, waarop V.'s vers de echo,
3)
het antwoord ware geweest , heeft mij wel allerlei titels onder de oogen gebracht,
waaruit de - a priori trouwens te onderstellen en ook bekende - algemeene
verwantschap van V.'s hekeldichten met deze literatuur ten duidelijkste blijkt, maar
niets dat hier een rechtstreeksch verband aannemelijk maakt, zelfs zelden of nooit
meer het gewag van geuzen.
Dit gewag vinden wij natuurlijk zeer vaak in een vroeger tijdperk, wanneer geus
ook nog in zijn oorspronkelijke beteekenis geldt. Zoo in Van Vloten's Nederl.
Geschiedzangen (I 320), een stuk: ‘Der Geusen Uitvaert’, mij door een mijner
studenten, naar aanleiding van V.'s titel, aangewezen. Maar het aanvankelijk gegiste
verband met V.'s stuk bleek alras nietig; het is een soort van ‘glossenlied’ op
gedeelten der liturgie, kwalijk dienstig ter opheldering van V.'s ‘Geuse v e s p e r ’.
Dergelijke
1)
2)
3)
Of ‘voor de Vier-en-twintigh’ alleen bij ‘Siecken-Troost’ dan wel o o k bij ‘Geusevesper’ hoort,
is bij de bovenstaande verklaringen vrij onverschillig.
Verg. b.v. den titel van een pamflet als J. David's (antwoord op een pamflet, get.: Fackel enz.):
‘Domp-hooren der Hollanscher Fackel, Tot blusschinghe des Brandt-briefs .... onlancks ....
vut S' Grauenhaghe gheschoten enz.’ (1602) (Knuttel, Pamfl. 1197).
Verg. de vernuftige onderstellingen van brieven of gedichten, waarop sommige moeilijk te
verklaren gedichten van Horatius antwoorden zouden geweest zijn, bij Burger, Horatius ‘voor
iedereen’ (in Gids 1914, III (Sept.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
31
stukken, zoo tegen als voor de Geuzen, zijn in Van Vloten's bundel meer te vinden;
zoo een ‘Geuzen-echo’ (I 273-4), die inderdaad aan Vondel's ‘Gesprek’ zou kunnen
doen denken, indien wij niet wisten dat deze ‘echo's’ langen tijd een literaire mode
geweest zijn en dat V. dit vers rechtstreeks naar een Latijnsch voorbeeld gedicht
1)
heeft ; verder b.v. Alva's Boetpsalmen (I 394-5, II 17, 19), Alva's Pater noster (I
395-7), (Der) Geuzen Hellevaart (II 228), Der Geuzen Afkomst (II 230), Geuzen
Fury (II 241), Boeren-Litany (II 395). Dat Vondel deze of dergelijke stukken nog
gekend zou hebben schijnt mij onaannemelijk: het zijn zestiendeeuwsche, meest
Vlaamsche en Brabantsche liederen die, toen hij zijn ‘Geusevesper’ schreef, in het
Protestantsche Amsterdam wel niet meer bekend geweest zullen zijn. Zijn vers heeft
trouwens geenerlei gemeenschap of gelijkenis met deze macaronische parodieën.
Het Geuzenliedboek daarentegen kan en zal hij wel gekend hebben; maar ook een
doorbladeren van Van Lummel's uitgave daarvan heeft mij niets opgeleverd, dat
Vondel's titel nader verklaart.
Een gissing ten slotte, dat geuzenvesper zou beteekenen: een vesper zooals zij
onder Geuzen gezongen wordt, d.i. een onechte vesper, een parodie of caricatuur
2)
er van - in den trant b.v. der zgn. ‘wilde vespers’ - is aanstonds te verwerpen; zij
zou niets verklaren en ons even wijs laten.
Ik eindig derhalve met een: non liquet. Mag ik mij vleien in 't bovenstaande eenig
licht op de twee titels van V.'s beroemd gedicht geworpen te hebben, het volle licht
3)
moge hierover nog eens, door eens anders gelukkigen vond ofinval, schijnen .
U t r e c h t , Mei 1914.
J.W. MULLER.
1)
2)
3)
Zie Penon, a.w. 7.
Zie Kalff, Letterk. III 158; voorts Tijdschr. XVIII 202-209 en het daar aangehaalde, inzonderheid
Gittee's artikel in Volkskunde I 241-257.
Noch de in Van Lennep's Vondel II, Nalezing 24 afgedrukte verzen tegen en vóór V.'s vers,
noch het in Unger's ed. 1618-1620, blz. 355 als bijlage afgedrukte ‘Antwoord op het laster'lijck
Geuse vesper etc.’ (een terugslag op V.'s vers) baat iets ter opheldering.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
32
Sinterklaas.
Ik heb het hier niet over Sinterklaaslegenden of gebruiken, maar over de etymologie
van die naamvorm.
De gewone, reeds oude uitlegging is, dat Sinterklaas zou ontstaan zijn uit Sint
Heer Klaas.
Zij is natuurlijk ingegeven door het Middelfrans Monsieur Saint Nicolas, Monsieur
Saint Pierre, enz. Maar, onafgezien van het feit dat de volle uitdrukking Sint Heer
Klaas nergens te ontdekken is, bemerkte men niet dat Heer hier op zijn plaats niet
staat. Want Sint vormt, al of niet verbogen, met de heiligennaam een ondeelbare
eenheid, en het is al zo min mogelik Sint Heer Klaas te zeggen als Dokter Mijnheer
Beverwijk of Advocaat Mijnheer Huigens, i.p.v. Heer Dokter B. of Heer Advocaat
H., evenmin als in het Frans Saint Monsieur Nicolas i.p.v. Monsieur Saint Nicolas.
Ook heb ik nooit aan die uitlegging geloofd, en ik schreef in mijn Etym. Wdbk. 1898,
e
2 uitgave: ‘Sinter-, als in Sinterklaas, ware Sint heer.’ Doch de juiste uitlegging wist
ik niet; de daartoe nodige oude teksten ontbraken mij of waren mij ontsnapt, en
overeenkomstige nog bestaande, mij bekende moderne vormen (waarover later)
hadden mij in dit opzicht nooit getroffen.
Ik kwam op de oplossing door de wijze waarop Franck-Van Wijk, Etym. Wdbk.,
de oude uitlegging voordraagt. Daar leest men, i.v. Sint: ‘Sinter-(Niklaas), mnl.
senter-, sinter. Uit sent, sint + her “heer”, maar al mnl. ook van vrouwelijke heiligen
gebruikt.’
Zodra sinter in de twee geslachten gebruikt wordt, is het stellig dat er een
buigingsuitgang in steekt. De opmerking aangaande het Mnl. vr. gebruik moest
zeker in verband staan met een dergelijke opmerking in Verdam's Mnl. Wdbk., waar
dan ook teksten zouden te vinden zijn.
Bij inzage bleek dat dan ook zo. Verdam schrijft, i.v. Sent: ‘ook, met her versmolten,
Senter, Sinter,’ geeft een lange reeks
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
33
voorbeelden, en besluit: ‘Eene enkele maal wordt senter ook, door misverstand,
gebruikt vóór een vrouwennaam.’ Zijn voorbeeld is: voir senter Margrietendach.
Wanneer we nu Verdam's voorbeelden beschouwen, dan zullen we die, in opzicht
van den vorm, in verschillende groepen kunnen rangschikken.
In een eerste groep plaatsen we Tsenter Victors misse, Tsenter Odulphs misse,
Tsenter Gillis misse, en in die uitdrukkingen hebben we tevens de oplossing. In
modern Nederlands zouden we volgens de Woordenlijst moeten schrijven te
de
Sinter-Victorsmisse, want (7 uitg., blz. xxxv, § 50, 4) we bevinden ons hier voor
‘samenstellingen, waarin het eerste lid - hetzij een bijv. nw., hetzij een
voornaamwoord, lidwoord of telwoord - alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte
der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel.’
Wat de Woordenlijst niet zegt, omdat het haar alleen om spelling te doen is, is
dat dit eerste lid, ofschoon alleen betrekking hebbende op het eerste gedeelte der
volgende samenstelling, toch overeenkomt met geheel de volgende samenstelling
of, wat op hetzelfde neerkomt, met haar laatste lid.
Dat kan iedereen in zijn eigen taal nagaan.
Men zegt immers Jan woont in de Heilige-Geeststraat of in het Heilig-Geeststraatje.
Het bijv. nw. heilig, ofschoon betrekking hebbende op geest, staat in het eerste
geval in de accus. vr. enk., wegens straat en in het tweede geval in de accus. onz.
enk., wegens straatje.
Dus staat in Tsenter Victors misse en dgl. senter in de datief vr. enk. wegens
misse.
Zo is dan ook de vorm sinter te verwachten in uitdrukkingen als in senter Victors
kerke of naer senter Victors parochie, doch daarvan heeft het Mnl. Wdbk. geen
voorbeelden.
Het is nu natuurlik, enerzijds dat sinter als versteende vorm behouden blijft als
misse of kerke of parochie in een ander naamval dan datief of genitief staat; en
anderzijds dat sinter door analogie voort gebezigd wordt als men i.p.v. misse het
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
34
synon. dag (beide = feestdag) of i.p.v. parochie het synon. dorp aanwendt.
Daarvan vindt men in het Mnl. Wdbk. deze twee voorbeelden: Sinter Claeus dach
en voir senter Margrietendach.
Voorts is het natuurlik dat de vorm sinter behouden wordt als misse of dag, kerk,
parochie of dorp onuitgedrukt blijven, als (Mnl. Wdbk.) in tot sinter Vijts (d.i. misse)
of tsinter Gillis (d.i. parochie) in Provencen.
Eindelik is het ook natuurlik dat zodra de heiligennaam alleen met het versteende
sinter kan gebruikt worden om de feestdag of de kerk van die heilige aan te duiden,
hij verder op dezelfde wijze gebruikt wordt om de persoon van de heilige aan te
duiden, b.v. (Mnl. Wdbk.): Sinterclaes, die de clerken verwecte; Senter Nyclaus
doot.
In Sinterklaas is sinter dus een versteende datief vr. enk., ontstaan uit te
Sinter-Klaasmisse en dgl.
Uit deze uitlegging blijkt dat nog ander heiligennamen deze vorm kunnen vertonen.
Dat zal het geval zijn met populaire heiligen.
In elke parochie is de patroon een populaire heilige, vooral als hij wegens een
roemruchtig leven of een beevaart ook daarbuiten bekend staat. Het zou dan van
belang zijn daarover een enkwest te openen. Daarvoor komen reeds in aanmerking,
nevens Sinterklaas, in de Zaanstreek Sintermaarten, te Brussel Sintergoelen (de
H. Gudula), te Anderlecht Sintergwijden (de H. Guido) en te Sinte-Renelde Sinternelle
(de H. Reneldis, tenzij r hier de r van Renildis is).
Het sinter-gebied blijkt echter zeer beperkt te zijn, misschien Noord-Holland en
Zuid-Brabant.
Algemeen gebruikt men een onveranderd sint of sinte (Sint-Pieter of Sinte-Pieter),
zodanig met de eigennaam tot een eenheid vergroeid dat het nooit voor een
vormverandering vatbaar was.
Gent.
J. VERCOULLIE.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
35
Over woordschikking en vers-rhythme in den
Middelnederlandschen Ferguut.
Ferg. 3545
6
7
8
9
1)
Ferguut wachter hem jeghen
Ende brochte den scacht gedregen
Die boem hem bi den hoefde leet
Ors ende ghereide hi smeet
In tween sticken.
Ferg. 2394 Ferguut liet lopen enen slach
Op den helm hi den ridder sloech
Met sinen swerde hi afdroech
Half den helm ende tbeckineel.
De woordschikking van bovenstaande verzen is in verschillende opzichten
merkwaardig. In vs. 3547 door de scheiding van subject en praedicaat; in vs. 3548
door het vermijden der ‘inversie’; in vs. 2395 zoowel door het een als door het ander.
Dergelijke zinsvormen gebruikt de dichter van den Ferguut met zoo groote
voorkeur, dat ze niet, gelijk in vele andere mnl. gedichten, als uitzonderingsvormen,
maar als een belangrijk hulpmiddel van zijn syntactisch systeem moet worden
beschouwd. Dit is des te opmerkelijker, omdat de ontwikkelingsgang der
woordschikking van subject en praedicaat in de oudere germaansche poëzie er op
wijst, dat scheiding van subject en praedicaat en vermijding der inversie in zinnen
als de bovenstaande in den tijd van het ontstaan van den Ferguut een syntactische
2)
afwijking van antieken vorm was geworden . Het is daarom van belang,
1)
2)
Leesteekens zijn bij het aanhalen van mnl. verzen (althans aan het einde der versregels) een
belemmering voor de onbevangen beoordeeling van zinsrhythme en zinsscheiding.
Men vgl. de uitkomsten der studie van John Ries in zijn twee boeken:
1. Die Stellung von Subject und Prädicatsverbum im Heliand, Q.F. 41.
2. Die Wortstellung im Beowulf (Halle 1907).
en de recensie van het tweede boek door Delbrück, A. fd. A. 31, blz. 65.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
36
vast te stellen zoowel de syntactische grenzen der gebruiksmogelijkheid als den
invloed van den rhythmischen en metrischen vorm op de keuze van deze afwijkende
woordschikking.
We beperken ons onderzoek tot de zinnen, welke niet worden ingeleid door een
conjunctie. Ook de zinnen met ‘die’ (of ‘daer’) als inleiding laten we rusten, omdat,
juist tengevolge van de afwisselende woordschikking in den Ferguut, de vraag, of
‘die’ demonstratieve dan wel relatieve waarde heeft, in vele gevallen pas kan worden
1)
beantwoord na vaststelling van de algemeene regels der woordorde in dit gedicht .
Verder beperken we ons tot de zinnen buiten de Oratio Recta. Ieder ziet in, dat
er een hemelsbreed verschil moet zijn tusschen de syntactische grondslagen van
de verhalende gedeelten van een episch gedicht en de gesprekken en redevoeringen
anderzijds. Dit in den breede aan te toonen, past niet in het bestek van dit
2)
onderzoek .
Het getal der bedoelde niet door een conjunctie of ‘die’ ingeleide zinnen is in den
3)
Ferguut zeer groot. In de 3358 verhalende verzen komen er 1653 voor . Overwegen
we verder,
1)
Twijfelgevallen zijn bijv.:
2490
1
2
3
2)
3)
Die strate hi so lange reet
Enen casteel hi voor hem sach
Daer over ene brucge lach
Die ginc tote over die riviere.
Om te beslissen of 2492 en 2493 relatieve zinnen zijn, moet men eerst weten, in hoeverre in
den Ferguut bij gecoördineerde zinnen inversie en bij gesubordineerde zinnen scheiding van
Subject en Verbum regel is; vgl. verder bijv. vs. 999, 1580, 3766.
Vgl. noot blz. 39.
Uitgezonderd zijn, gelijk bij een onderzoek naar de schikking van subject en praedicaat van
zelf spreekt:
a. Zinnen zonder grammaticaal subjectswoord:
5318 Die coninc Artur voer te hove.
Ontbeet een lettel. Voer te velde.
Het bewijs dat de interpunctie tusschen deze eigenaardige zinnen gerechtvaardigd is, moet
natuurlijk nog geleverd worden.
b. Zinnen zonder grammaticaal praedicaatsverbum:
1186 Haer ansichte lanc ende recht
Wit alse een snee te poente roet.
Verder zijn, om het materiaal gelijkmatig te houden, de volgende bijzondere zinsgroepen niet
er in verwerkt:
a. Zinnen die in de oratio obliqua staan.
b. Zinnen met een ‘onpersoonlijk subject’.
c. Zinnen die met andere zijn vervlochten, bijv.
2149 Sijn bliscap die hi hadde gistermorgen
Sal hem gewisselt sijn al in sorgen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
37
dat het grootste deel dezer zinnen den omvang van een vers heeft, dan is het
duidelijk, dat de syntactische vorm van dergelijke zinnen moet berusten op een
rhythmischen grondslag. Van den anderen kant zal bij een zoo groot getal van deze
zinnen het vers-rhythme in hooge mate worden beïnvloed door syntactische
bijzonderheden van deze zinssoort. Nu is de syntactische vorm van deze eenvoudige
zinnen alleen veranderlijk door de woordschikking van subject en praedicaat. Hieruit
volgt, dat de woordorde van grooten invloed is op het versrhythme en dat rhythmische
neigingen en metrische dwang den dichter leiden bij de keuze van de woordschikking.
Het is nu de vraag, volgens welke beginselen de 1653 zinnen moeten worden
ingedeeld. Het feit, dat in onze taal de inversie van het werkwoord in mededeelende
zinnen onvermijdelijk is na een zinsinleidende bepaling (of object), wijst op den
1)
grooten invloed van den ‘zinsaanloop’ op den geheelen zinsvorm. In zinnen, die
niet met het grammaticale subject of praedicaat beginnen, valt vanzelf een bijzondere
nadruk op het naar voren geschoven zinsdeel. Het is daarom begrijpelijk, dat in
zinnen met ‘aanloop’ de syntactische vorm en schikking van het grammaticale
onderwerp en gezegde zich heel anders ontwikkelen dan in zinnen, die door het
subject worden ingeleid. Hoe gewichtig dit is voor de verschijnselen der
woordschikking in den Ferguut, blijkt uit het feit, dat van de 1653 zinnen ruim
1)
‘Zinsaanloop’ noemen we synt. woordgroep vóor subj. of praedicaat, die in de duitsche vaktaal
den naam van ‘Spitze’ of ‘Spitzenbestimmung’ draagt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
38
⅓ deel (560) met een aanloop beginnen. Wanneer we nu bij de zinnen zonder en
met aanloop willen nagaan:
o
1 . het verschijnsel der inversie,
o
2 . de scheiding van subject (S.) en praedicaatsverbum (V.), dan komen we tot
de volgende zinsschema's:
I.
II.
1. ... V.S.
2. ... V....S.
3. ... V....S....
4. ... S.V.
5. ... S.... V.
6. ... S.... V....
1. S.V....
2. S.... V.
3. S.... V....
De schema's I. 5, 6 en II. 2, 3 kunnen we samen vatten als zinnen met oude
woordschikking. De schema's met inversie zijn in het mnl. beperkt tot de zinnen met
1)
aanloop, in tegenstelling met het ags. en oudsaks. etc. .
De invloed nu van den zinsaanloop op het behoud der oude woordschikking
(scheiding van S. en V.) blijkt duidelijk uit het volgende algemeene overzicht:
1. Van de 1093 zinnen zonder aanloop zijn er 143 met gescheiden S. en V. Hiervan
87 met het schema S.... V.... en 56 met den zinsvorm S.... V. Bij deze 1093 zinnen
zijn er 152, die alleen uit S. en V. bestaan, die dus ten opzichte van de
woordschikkingskeuze neutraal zijn. We komen dus tot deze slotsom: van 941
(1093-152) zinnen zonder aanloop, waar oude woordschikking mogelijk is, hebben
slechts 143 haar bewaard (= 15%).
2. Bij de 560 zinnen met aanloop zijn er 426 met inversie. Er blijven dus 134
gevallen over, waar het werkwoord volgt op het subject. Van deze 134 zijn er 85
met gescheiden S. en V. (73 ...S.... V., 12 ...S.... V....).
In het geheel treedt de oude woordorde dus op in 63% der zinnen. Dit verschil
met de verhouding bij de zinnen zonder
1)
Daar is de inversie zonder aanloop nog niet beperkt tot de vragende en bevelende zinnen.
(Bijv. Eode scealc monig to sele þam hean).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
39
aanloop is nog grooter, wanneer men ook hier overweegt, dat 40 van de 134 zinnen
alleen bestaan uit aanloop, S. en V. Er zijn dus 94 zinnen waar antieke
woordschikking mogelijk is en hiervan hebben 85 haar toegepast. Daardoor stijgt
het percentage van 63% tot 90%, tegenover 15% der zinnen zonder aanloop.
Dezen opmerkelijken invloed van den zinsaanloop op het behoud der oude
woordschikking heeft de Ferguut met den Beowulf en den Heliand gemeen. Ook
1)
om de zeer opmerkelijke hoeveelheid der woordschikkingsafwijkingen in dit mnl.
gedicht in vergelijking met de oude germaansche poëzie aan te duiden, plaatsen
we het volgende overzicht:
‘Selbst. Aussagesätze’: Beow. 1174 Hel. 1023 Ferg. 1653
1. zinnen met aanloop: Beow. 37% Hel. 50% Ferg. 34%
2. zinnen met aanloop
zonder inversie: Beow. 54,3% Hel. 11,5% Ferg. 24%
3. oude schikking van het
werkwoord in:
zinnen met aanloop: Beow. 79,1% Hel. 77,5% Ferg. 63%
zinnen zonder aanloop: Beow. 62,2% Hel. 23,5% Ferg. 15%
Zoowel in Beow. en Hel. als in den Ferguut gaat vermijding van inversie na den
aanloop meestal gepaard met oude woordschikking. De onderscheiding tusschen
zinnen met en zonder aanloop is dus bij de vaststelling van de
woorschikkingsverschijnselen van het grootste gewicht. Zinnen met aanloop hebben
in dubbel opzicht een antieken vorm.
1)
Wel te verstaan gelden de gegevens van Beow. en Hel. voor verhaal en Oratio Recta te
zamen. De Ferguut in zijn geheel zou een veel minder archaïstisch karakter vertoonen: dit
alles eischt echter een uitvoerige statistische vergelijking in verband met andere synt.
verschijnselen. Aan den anderen kant zou men voor het eindoordeel moeten weten, hoe in
Beow. en Hel. de verhouding is tusschen Oratio Recta en verhalende gedeelten. Hiermede
heeft Ries geen rekening gehouden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
40
De verklaring der redenen, die den dichter tot het gebruik der oude woordschikking
brengen, is alleen mogelijk met overweging der rhythmische invloeden. Voordat we
daartoe overgaan, zullen we de afwisseling der syntactische vormen van subject
1)
en verbum nagaan .
De keuze van de woordschikking blijkt nl. in nauw verband te staan met het verschil
in vorm van nominaal en pronominaal subject en verder van het verschil in vorm
van enkelvoudig en samengesteld praedicaat.
A. Zinnen met aanloop.
Algemeene statistiek: 560 gevallen.
Met inversie:
Samengest. V. 157
Enkelv. V. 269
Zonder inversie:
Samengest. V. 14
Enkelv. V. 120
Hier blijkt reeds dadelijk een belangrijk verschil:
bij samengest. praedicaat is inversie nagenoeg regel: in 157 van 171 gevallen
(92%);
bij enkelv. praedicaat is inversie nog lang niet overheerschend: in 269 van 389
gevallen (69%).
I. Zinnen met aanloop met inversie.
Hier onderscheiden we de zinsvormen, waar het subject den zin sluit, van dezulke,
waar op S. nog een zinsdeel volgt:
o
1 . Zinnen zonder achterstuk:
a. ... V.S. 63
omvang
1 vs. 37
Pron. S. -
Nom. S. 37
omvang
2 vz. 4
Pron. S. 1
Nom. S. 3
omvang
½ vs. 22
Pron. S. 15
Nom. S. 7
b. ... V...S. 25
omvang
1 vs. 22
Pron. S. -
Nom. S. 22
omvang
2 vz. 3
Pron. S. -
Nom. S. 3
2)
Het schema ... V.Vf.S. of ... V.Vf.... S. komt niet voor .
1)
2)
Hier worden alleen de statistische verhoudingen vergeleken. De bewijsplaatsen der zinnen
met afwijkende woordschikking volgen in het tweede gedeelte: blz. 46 en vg.
Bij samengest. praed. is Vf. het verbum finitum en V. het nominale deel (partic. of infin.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
41
o
2 . Zinnen met achterstuk:
a. enkelvoudig praedicaat 181
1. .. V.S... 176
omvang
1 vs. 141
Pron. S. 117
Nom. S. 24
omvang
2 vz. 27
Pron. S. 17
Nom. S. 10
omvang
½ vs. 8
Pron. S. 8
Nom. S. -
2. .. V... S... 5
omvang
1 vs. 3
Pron. S. -
Nom. S. 3
omvang
2 vz. 2
Pron. S. -
Nom. S. 2
b. samengesteld V. 157
1. ..Vf.S.V. 58
omvang
1 vs. 51
Pron. S. 43
Nom. S. 8
omvang
2 vz. 5
Pron. S. 5
Nom. S. 3
omvang
½ vs. 2
Pron. S. 2
Nom. S. -
2. .. Vf.S... V. 50
omvang
1 vs. 45
Pron. S. 44
Nom. S. 1
omvang
2 vz. 4
Pron. S. 3
Nom. S. 1
omvang
½ vs. 1
Pron. S. 1
Nom. S. -
3. .. Vf.S.V... 21
omvang
1 vs. 6
Pron. S. 6
Nom. S. -
omvang
2 vz. 15
Pron. S. 15
Nom. S. -
4. ..Vf.S...V...10
omvang
1 vs. 1
Pron. S. 1
Nom. S.-
omvang
2 vz. 9
Pron. S. 7
Nom. S. 2
5. andere zinnen
omvang
1 vs. 14
Pron. S. 3
Nom. S. 11
omvang
2 vz. 4
Pron. S. 1
Nom. S. 3
Slotsom:
In zinnen met aanloop zonder achterstuk (.. V.S., .. V... S.) is nominaal S. verreweg
in de meerderheid. In de zinnen van den vorm .. V.S..., .. V...S..., waar het S. niet
het zinseinde vormt, heeft het pronominale de overhand (270 van 338 gevallen).
Pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde. Maar klaarblijkelijk komt dit neer op
vermijding van het verseinde. Immers in de 59 zinnen (37 + 22) met den omvang
van eén vers komt Pron. S. nooit voor. Het pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde
om redenen, die het vers-rhythme raken. Dit wordt bevestigd door het feit, dat 15
van de 22 zinnen van dezen vorm, die de eerste helft van een versregel beslaan,
wèl een pron. subject verdragen.
In den Ferguut is dus een zinsvorm als:
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
42
/Van sinen orsse scoet hi/
/In die camere ghinc si/
/Sinen groten scilt nam hi/
ten eenenmale uitgesloten, zoodra de zin eén versregel beslaat.
We komen nu tot de zinnen met aanloop zonder inversie, dus tot de gevallen met
afwijkende woordschikking.
II. Zinnen met aanloop zonder inversie.
o
1 . Zinnen met nieuwe schikking van het werkwoord:
a. ...S.V. 40 samengest. V. 1 enkelv. V. 39
enkelv. V. 39
samengest. V. 1
omvang 1 vs. 32
Nom. S. 5
Pron. S. 27
omvang ½ vs. 7
Nom. S. -
Pron. S. 7
omvang 1 vs. 1
Nom. S. -
Pron. S. 1
b. ...S.V.... 9 samengest. V. 2 enkelv. V. 7
enkelv. V. 7
samengest. V. 2
omvang 1 vs. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
omvang 2 vz. 6
Nom. S. -
Pron. S. 6
omvang 1 vs. 1
Nom. S. -
Pron. S. 1
omvang 2 vz. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
o
2 . Zinnen met oude schikking van het werkwoord:
a. ...S.... V. 73 samengest. V. 8 enkelv. V. 65
enkelv. V. 65
samengest. V. 8
omvang 1 vs. 62
Nom. S. 2
Pron. S. 60
omvang ½ vs. 3
Nom. S. -
Pron. S. 3
omvang 1 vs. 8
Nom. S. -
Pron. S. 8
b. ...S.... V.... 12 samengest. V. 3 enkelv. V. 9
enkelv. V. 9
omvang 2 vz. 9
Pron. S. 9
Nom. S. -
samengest. V. 3
omvang 2 vz. 3
Pron. S. 2
Nom. S. 1
Slotsom:
o
1 . van de 134 gevallen zijn er 124 met pronominaal subject en 10 met nominaal.
Van de 85 zinnen met oude woordschikking zijn er slechts 3 met nominaal
subject.
o de samengest. praedicaten komen voor:
2 .
bij het zinsschema ...S.V. 1 van 40 gevallen } 9 van 113
..S... V. 8 van 73 gevallen } 9 van 113
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
43
bij het zinsschema ..S.V... 2 van 9 gevallen } 5 van 21
..S... V... 3 van 12 gevallen } 5 van 21
Klaarblijkelijk vermijden de samengestelde verba het zinseinde.
Vatten we de gegevens van alle zinnen met aanloop samen:
1. In zinnen met aanloop is Pron. S. overwegend (410 van 560, dus 73%). In
zinnen zonder inversie is die voorkeur echter sterker dan in zinnen met inversie
(zonder inversie 124 van 134, dus 92%, met inversie 286 van 426, dus 67%). In
zinnen zonder inversie met oude woordschikking is pronom. S. bijna regel: 82 van
85, dus 96%.
2. Het pronominale S. staat nooit aan het verseinde.
3. Het samengestelde praedicaat heeft bijna zonder uitzondering inversie ten
gevolge, verbindt zich gaarne met een pronominaal subject, en het verbum finitum
vermijdt het zinseinde.
4. In 338 van de zinnen (426) met inversie (dus in 79%) volgt op V.S. nog een
zinsdeel.
In 21 van de 134 zinnen zonder inversie (dus in 16%) volgt op S.V. nog een
zinsdeel.
Terwijl dus het subject de laatste plaats in den zin vermijdt, kan men van het
werkwoord het tegendeel zeggen. Dat dit neerkomt op een groote voorkeur van het
werkwoord voor het verseinde, zal blijken uit de rhythmische verschijnselen dezer
1)
zinnen .
Van de zinnen zonder aanloop onderzoeken we alleen die met oude woordschikking.
B. Zinnen zonder aanloop met oude woordschikking.
1. S.... V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4
Bij deze zinnen moeten we onderscheiden de vele gevallen, waar het
tusschenstuk, dat S. en V. scheidt, enkel bestaat uit ‘ne’.
1)
Vgl. blz. 52, 55, 63.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
44
o
1 . enkelvoudig V. 52 ‘ne’ 13 ander tusschenstuk 39
a. ander tusschenstuk 39
omvang 1 vs. 37
Nom. S. 37
Pron. S. -
omvang 2 vz. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
omvang ½ vs. 1
Nom. S. -
Pron. S. 1
Nom. S. 1
Pron. S. 12
b. tusschenstuk ‘ne’ 13
omvang ½ vs. 13
o
2 . samengesteld V. 4 ‘ne’ - ander tusschenstuk 4
omvang 1 vs. 2
Nom. S. 2
Pron. S. -
omvang 2 vz. 2
Nom. S. 2
Pron. S. -
II. S.... V.... 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37
o
1 . enkelv. V. 50 ‘ne’ 37 ander tusschenstuk 14
a. ‘ne’ 37
omvang 1 vs. 26
Nom. S. 6
omvang 2 vz. 5
Nom. S. 3
Pron. S. 2
omvang ½ vs. 6
Nom. S. -
Pron. S. 6
Pron. S. 20
b. ander tusschenstuk 13
omvang 1 vs. -
Nom. S. -
Pron. S. -
omvang 2 vz. 13
Nom. S. 13
Pron. S. -
o
2 . samengest. V. 37 ‘ne’ 31 ander tusschenstuk 6
a. ‘ne’ 31
omvang 1 vs. 24
Nom. S. 6
Pron. S. 18
omvang 2 vz. 4
Nom. S. -
Pron. S. 4
omvang ½ vs. 3
Nom. S. -
Pron. S. 3
b. ander tusschenstuk 6
Slotsom:
1. In de zinnen met een ander tusschenstuk dan ‘ne’ komt slechts eénmaal een
pronominaal subject voor. Deze uitzondering betreft een zin van een halve verslengte:
986b ..... si hem die cleder gaf.
Klaarblijkelijk komt bovengenoemde regelmaat dus hierop neer, dat het pronominaal
S. in een zin van het schema S...V. met een grootere scheiding van S. en V. dan
‘ne’, het vers niet opent.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
omvang Nom. Pron.
2 vz. 6 S. 6 S. -
45
2. In de zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk staat bijna altijd een pronominaal subject
(van de 81 in 65 gevallen).
3. Bij het schema S...V. komen 4 zinnen met samengesteld praedicaat voor op
56 gevallen (= 7%).
Bij het schema S... V... 37 van de 87 (= 40%).
Hieruit volgt dus evenals bij de zinnen met aanloop, dat het hulpwerkwoord het
zinseinde vermijdt en bij voorkeur staat in een zin, waar op het verbum finitum nog
een zinsdeel volgt, in tegenstelling met de strekking van het enkelvoudige werkwoord.
Samenvatting der regels voor de zinnen met oude woordorde:
1. Zinnen met aanloop zonder inversie en oude woordschikking hebben bijna zonder
uitzondering pronominaal subject.
In zinnen zonder aanloop met oude woordschikking is pronom. S. alleen mogelijk
wanneer S. en V. gescheiden zijn door ‘ne’.
2. In de zinnen met oude woordorde streeft het enkelvoudige verbum naar de
laatste plaats. Het samengest. praedicaat vermijdt het zinseinde en streeft naar het
zinsmidden, gelijk oók blijkt uit een veel sterkere neiging tot inversie.
Tevens zijn er aanwijzingen, dat deze syntactische strekking berust op een
rhythmische, nl. het enkelvoudige verbum wèl en het samengest. verbum niet aan
het verseinde te plaatsen.
3. Behalve de reeds genoemde zinsvorm:
/Sinen groten scilt nam hi/
heeft de dichter van den Ferguut dus bezwaar tegen zinnen als:
/Hi sinen scilt doe nam/
(wèl: /Ferguut sinen scilt (doe) nam/).
1)
Behoudens zeldzame uitzondering , komt ook niet voor een zin als:
/Sinen scilt Ferguut nam/
(wèl: Sinen scilt hi doe nam
of: Sinen groten scilt hi nam).
1)
Vgl. blz. 52.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
46
Rhythmische kenmerken.
Uit de vergelijkende beschouwing der zinsvormen blijkt duidelijk, dat de syntactische
bijzonderheid van de oude woordorde sterk wordt bevorderd door den zinsaanloop
en tevens, dat de gebruiksmogelijkheid afhankelijk is van den vorm van subject en
verbum, die weer in nauw verband staat met de eischen van het vers-evenwicht.
We mogen daarom verwachten, dat een nauwkeurig onderzoek naar de rhythmische
verschijnselen van deze syntactisch afwijkende zinsconstructies ons opheldering
zal geven omtrent enkele der nog altijd zeer duistere rhythmische kenmerken van
het mnl. vers. Een bevredigende vaststelling der mnl. verstypen kan men zeer wel
bereiken door stelselmatige waarneming van den wederzijdschen invloed, dien
zinsbouw, stijl en vers-rhythme op elkaar uitoefenen, onderzoekingen dus, waardoor
men tracht vast te stellen, hoe de zinsvormen ter wille van het rhythmisch evenwicht
der verzen verschuiven tusschen de uiterste grenzen der syntactische mogelijkheden.
Daarbij dient men zich steeds rekenschap te geven, zoowel van de stilistische
veranderlijkheid (al naar gelang van oratio recta en verhaal bijv.) als van de neiging
der epische dichters voor typische steeds terugkeerende zinsvormen, de stilistische
eenvormigheid.
Eenvormige zinsgroepen zullen we bij de rangschikking van het materiaal der
afwijkende woordschikking meer dan ergens anders aantreffen. Het zal blijken, dat
deze eenvormige zinnen zijn gekenmerkt door een typische rhythmische golflijn.
Zoolang geen zekerheid bestaat omtrent het getal en den omvang der versvoeten
in de mnl. verzen, kunnen we alleen de hoogtepunten van de rhythmische golflijn
in onze schema's aangeven. ‘Zware heffingen’ in het hier volgende overzicht zijn
dus die heffingen, welke zwaarder zijn dan alle andere versvoetheffingen, hoeveel
men er in een later vast te stellen metrisch systeem ook moge aannemen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
47
I. Zinnen met aanloop, zonder inversie met oude woordschikking.
A. ...S.... V. 73 65 enkelv. 8 samengest. V.
enkelv. V. 65
1 vs. 62
Pron. S. 60
Nom. S. 2
½ vs. 3
Pron. S. 3
Nom. S. -
We beginnen met de bijna alles omvattende groep, zinnen met enkelv. V. van éen
verslengte en met pronominaal S. (60 gevallen) en deelen de zinnen in naar gelang
van den syntactischen omvang van den aanloop.
1103
1109
1112
1973
3473
3581
4418
4741
Bi den bréidele hijt gegrèep
Ane den háls dat hine hìnc
In sijn hánt dat hine scòet
Onder die pórte hine vànt
Bi den tógle hijt gegrèep
Onder sinen árm hine slòech
In sinen árme hine nàm
Ute sinen gereíde hine stàc.
De aanloop, die klaarblijkelijk het psychol. subject van den zin bevat, bereikt zijn
hoogtepunt in het opmerkelijke zware accent, dat, naar het verseinde afloopend,
gevolgd wordt door een daling van 2-4 toonlooze lettergrepen voór het verbum
finitum (bij voorkeur heeft de daling 3 lettergr., gelijk blijkt uit de toevoeging van het
syntactisch ontbeerlijke ‘dat’ en ‘ge-’). Het verbum finitum aan het verseinde draagt
een bijtoon, althans een accent veel lichter dan de eerste zware heffing. Voor ons
onderzoek is het noodig aan te duiden, wat de relatieve rhythm. waarde is van het
werkwoord, daar dit zoowel het vers als den zin afsluit.
Volkomen gelijken rhythmischen vorm als de voorgaande groep hebben twee
verzen, waar weliswaar de heffingslettergreep door een adverbium of een substantief
wordt gevolgd, maar waar overigens het syntactische schema geheel gelijk is aan
dat der vorige groep.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
48
101 Ten bóssche waert hi hem ontstàl
1117 In sinen stégereep hi hem hìef.
Anders staat het met de verzen die van hetzelfde schema zijn, wat den aanloop
betreft, waar echter tusschen S. en V. een substantief voorkomt:
2395
2473
4638
4932
Op den hélm hi den rídder sloèch
Ten tógle hi nie wáre en nàm
Ane hare líede si ráet sòchte
Te Lónnen hi den cóninc vànt.
In vs. 2395 zou men ‘ridder’ nog in de rhythmische daling kunnen lezen; in de andere
drie verzen is dit uitgesloten met het tweede substantief. Blijkbaar is in deze zinnen
in den aanloop niet meer het psychol. subject geconcentreerd.
Onzeker is de plaats der zware heffingen in verzen, waar tusschen S. en V. een
adverbium staat:
144
731
1705
1707
2313
2331
In een dal hi sere vliet
Van watre hi algader seep
Ten liebaerde hi sere ran
Uter capellen hi vollec ginc
Uter tenten si sere liep
Ane den hals hine vollike warp.
Hier kan men twijfelen tusschen:
In een dál hi sere vlìet
In een dál hi sére vliet
In een dál hi sére vliét.
De slotsom is dus, dat in zinnen, wier aanloop bestaat uit praepos. + subst., het
rhythmische schema
vaststaat, wanneer tusschen S. en V. alleen
pronomina of ‘dat’ (of ‘ge-’) voorkomen. Een schema met twee heffingen:
moet men aannemen, wanneer tusschen S. en V. een substantief is geplaatst.
Wanneer S. en V. door een adverbium worden gescheiden, is het rhythme neutraal.
We gaan over tot de gevallen, waar de aanloop bestaat uit
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
49
1)
een substantief zonder praepositie; een lidw. of pron. vormt den rhythm. voorslag .
Ook hier ontstaat een type met twee zware heffingen, wanneer het gedeelte tusschen
S. en V. een substantief bevat:
2696 Dat swért hi vaste in die hánt hìlt
3926 Den scácht hi vaste in sine hánt hìlt
4118 Dat swért hi vaste in sine hánt hìlt.
Het rhythme is hier weer van den vorm:
(zinnen):
1804
1956
2280
2490
2491
2555
, evenals dat der volgende verzen
Sinen scílt hi hem ontwée bràc
Enen éet hijs Fergúut dòet.
Sine scérden hi te hémwaert gàet
Die stráte hi so lánge rèet
Enen casteél hi vóer hem sàch
Den casteél hi vóer hem sìet
Slechts in éen vers heeft het rhythme éen zware heffiing:
373 Sinen váder hi daer vìnt.
Twijfelachtig is:
3530 Den bóem hi vóllike nàm
Den bóem hi vollike nám.
Een aanloop, bestaande uit een substantief zonder rhythmischen voorslag, komt
maar eenmaal voor:
713 Órlof hi den cóninc bàt.
(type:
)
Verzen zonder rhythm. voorslag worden anders steeds ingeleid door een adverbium:
818 Vóllec si jegen hem ópscòet
971 Vóllec si buter cámeren gìnc
1354 Vóllec hi hem te bédde màect
1)
‘Voorslag’ is de rhythm. daling vóor de eerste heffing, ‘aanloop’ is de synt. woordgroep vóor
S. en V.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
50
1514
2322
2379
2762
732
1136
1830
Hástelike si dánen scìet
Hástelike si wéderkèert
Hástelike si doe ópscòet
Hástelijc hijt biden bréidel nàm
Táchterst hi sinen scácht gegrèep
Wélna hi van tórne splèet
Sére si te gáder quàmen.
Twijfelgeval:
1432 Ménechfout si hare opt bédde kèert
Menechfóut si hare opt bédde kèert.
Al deze verzen missen den rhythmischen voorslag, maar alle hebben een
omvangrijke syntactische en rhythmisch zware scheiding tusschen S. en V. Het is
wel eigenaardig, dat het in epische poëzie zoo geliefde den zin inleidende ‘doe’ (of
1)
‘dus’) in deze constructies met achteraan geplaatst V. niet voorkomt als aanloop .
Dat ook de verzen met adverbialen aanloop streven naar een rhythm. voorslag,
die tevens den syntactischen aanloop vergroot, blijkt uit:
462
993
2566
4672
Wel dápperlike hine áne scòet
Wel vóllec hine áfdède
Mettíen hi sijn schéren hìlt
Wel sáen hi den cóninc sách
Het rhythme is weer van den vorm
. De voorslag bestaat, althans in 462,
2566 en 4672, uit een syntactisch ontbeerlijk woord.
De slotsom der verschijnselen van al deze groepen is:
o
1 . Bij de zinnen van het synt. schema ...S.... V. streeft de dichter naar een
syntactisch omvangrijken aanloop, met blijkbare voorliefde voor een rhythmischen
voorslag. De aanloop bereikt zijn rhythmisch hoogtepunt in een zeer zware heffing,
1)
‘Doe si jegen hem op scoet’ komt alleen voor wanneer ‘doe’ conjunctie is.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
51
die steeds wordt gevolgd door een omvangrijke daling. Hoe geringer de omvang
van den aanloop is, des te grooter is de syntactische scheiding van S. en V. en des
te meer kans is er op een tweede heffing in dat tusschenstuk. Verzen met aanloop
zonder rhythm. voorslag hebben zonder uitzondering een tweede heffing. De vorm
van den aanloop en de omvang der scheiding van S. en V. beheerschen dus het
versrhythme.
o
2 . In het algemeen richten de zinnen van het schema ...S.... V. zich naar de twee
verstypen:
,
, nu en dan
.
Slechts bij uitzondering is het rhythme neutraal, en zelden voelt men
onoverkomelijke neiging om het verbum finitum tot heffing te maken.
We hebben tot nu toe de zinnen ter zijde gelaten, waarin het onmiskenbare streven
naar een omvangrijken aanloop leidt tot de opeenvolging van twee zware heffingen
in dit zinsdeel:
1.
171
292
1689
1706
2525
Int wóut van Gladóne hi hem dède
Dor sgóets wílle sine gewàn
Met béiden hánden hine slàet
Hóren ende hóeftcleet hi hem nàm
Met só gróter crácht hine stàc
2.
2264
2309
3226
3437
3442
3544
3601
4670
Hémde ende bróec hi ánetièt
Ál hanchárich si ópscòet
Gróte sláge si Fergúte gàven
Gróet viér het uter kélen scòet
Sóe lánge hi jegen tserpént vàcht
Met gróte scérden si te hém scrìcte (vg. 2280)
Die lúchterhánt hi hem áfsnèet
Vore Ríkensténe hi sníemen wàs.
In de eerste groep ontstaat dus het rhythm. type:
; in de tweede:
. De twee eerste heffingen zijn syntactisch nauw verbonden.
De zinnen met samengesteld V. van het schema ... S.... V. hebben natuurlijk een
rhythme met twee heffingen, omdat het
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
52
nominale deel van het praedicaat niet in een daling past. Er ontstaan dus verzen
van het type:
241
269
370
765
826
1153
1444
1968
Achter étene si slápen gìngen
In een dál si geréden quàmen
Wélna hi tebórsten wàs (geen voorslag)
Enen mántel si hálen gìnc
Den cnápe hi vrágen begàn
Een wáter dat hi líden soùde
Fergúut si slápende vernàm
Te sinen wért hi váren soùde
De drie gevallen van den zinsvorm ...S.... V. in een half vers zijn zeer merkwaardig:
264/5
1)
Die coninc hi hadt wel geheten
Enen cnape/ Op enen zómere hine leide
1549/50 Sijn wert wijsdem dien pat
Ter roken wert/ Sére hi hem bàt
3781/2 Hi sach daer hangen een dier ghereide
Van finen yvore/ Op dórs hijt leìde.
Deze zinnen beslaan de tweede vershelft, zoodat het verbum het vers afsluit. Het
enjambement is zeer stijlvol: de beide syntactische eenheden vormen ieder een
rhythmische eenheid, geen metrische.
De twee gevallen van een zin met den vorm ...S.... V. met nominaal S. bieden
niets opmerkelijks aan:
1247 Dit scicht die scone binnen heeft
1875 Noit smet bet slach hilt.
B. ...S.... V.....
Deze synt. vorm kan in den Ferguut niet in éen vers worden ondergebracht. Door
de verdeeling van den zin over twee verzen ontstaat in het eerste vers een zin van
het schema ...S.... V., omdat steeds het verbum finitum het eerste vers afsluit:
1)
Volgens de verbetering van Prof. Verdam.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
53
80/1
302/4
977/8
1159/60
2396/7
3084/5
3582/3
3399/00
4538/9
Mettien si den hért vernàmen/ Buten bossche
Van cálfvellen hi ánedròech/ Enen roc cort toten cnien.
Negeen ánder hi en ròchte/ Dan dórs...
Ene lánge brúcge hi vóer hem vànt/ Ende enen ridder
Met sinen swérde hi áfdròech/ Half den helm
Ene capélle hi vóor hem sàch/ Al ghewrocht van marbelstene
Dápperlike hine wéchdròech/ Ten watere wert
In die scóuderen sine bèet/ Dore sine wapine
Tote Ríkensténe hise bròchte/ Een léttel voer den dágerake.
De eenige zin van dit syntactisch schema, die in éen vers wordt omvat, is dan ook
blijkbaar door latere tekstverandering (ter vermijding van assonance) tégen de
bedoeling van den dichter in, ontstaan.
372 Mettíen hi ten castéle quam (an).
1)
Het vermoeden van Prof. Verdam , dat ‘an’ is toegevoegd, wordt bevestigd door
de vergelijking van al het materiaal. Het verbum sluit in zinnen als deze zonder
uitzondering het vers af.
Ook in de weinige gevallen van zinnen met een samengest. V. blijkt deze strekking
te bestaan:
322/3 Van vérren dat hi cómen sàch/ Enen somere
2221/2 Vore die ténte hi stáende vànt/ Enen eyseliken seriant.
Niet in de eenige zin met nominaal subject:
2690/1 Noit man en sach bi miere trouwen/ Enen ridder [so vele gedogen.
II. Zinnen met aanloop, zonder inversie, met neutrale of nieuwe
woordschikking.
o
1 . ...S.V. 40 enkelv. V. 39 samengest. V. 1
enkelv. V. 39
2)
samengest. V. 1
1)
2)
1 vs. 32
Nom. S. 5
Pron. S. 27
½ vs. 7
Nom. S. -
Pron. S. 7
1 vs. Pron. S.
Vg. Uitg. Ferguut blz. 15.
140 Den hért jágende hi vernàm.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
54
Ook hier beginnen we met de belangrijkste groep: zinnen met enkelv. V. van éen
verslengte met pronominaal subject (27 gevallen). Het blijkt dat hier dezelfde
rhythmische typen overheerschend zijn, als bij de zinnen van het schema ..S...V.
Daar echter het syntact. tusschenstuk tusschen S. en V. ontbreekt, wordt de
rhythmische daling na de eerste heffing van den aanloop gevormd met behulp van
praefixen, het syntactisch ontbeerlijke ‘dat’, de flexie-e van verbogen substantiva
etc. Juist deze hulpmiddelen bewijzen dat in dit rhythmische type de daling na de
eerste heffing onontbeerlijk is:
1.
212
1432
1443
1794
2501
4406
4657
Van sinen órsse dat hi scoèt
In haren ráde dat si vànt
Toten bédde dat si quàm
Ten rídder waert hi verlaisièrt
Uten castéle hi verlaisièrt
Tote haren múle dat si lièp
In hare cámere dat si lièp
2.
270
365
375
554
1793
1829
3246
3521
3793
4765
Enen castéel si vernàmen
Sine pérde hi ontspièn
Sijn plóechyser hi bròchte
Sinen díescinkel hi bràc
Sinen scílt hi embrachièrt
Hare scáchte si vernàmen
Sinen scílt hi embrachièrt
Ene wóuteyke hi droèch
Dat aertsóen hi begreèp
Sinen scílt hi embrachièrt.
Al deze verzen richten zich naar het rhythme
. Ook naar den inhoud zijn
zij eenvormig.
Zoodra het subject onmiddellijk wordt voorafgegaan door een substantief, ontstaat
weer het bekende type met twee heffingen:
:
333 Sijn hánt in sknapen tógel hi sleèt
1966 Geene ánder avontúre hi vànt
5105 Enen scílt ane sinen háls hi droèch
Ook het vers met verzwaarden aanloop komt hier voor (
)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
55
332
2330
2501
2630
Sine gróte cólve dat hi bròchte
Enen vásten scílt hi grèep
Met lúder stémmen hi craihièrt
Haer éerste geréchte dat si àten.
Verzen zonder rhythmischen voorslag zijn ook hier zeldzaam:
1786 Hárde tórnech dat hi wàrt.
Twijfelachtig is het rhythme van:
371 Útermaten sére hi ràn
Utermáten sére hi ràn
Útermáten sére hi rán.
Zware heffing van het verbum finitum schijnt onvermijdelijk te zijn in éen geval:
3686 Blídelike dat si áten.
De zinnen, die een half vers beslaan, leveren weer het bewijs, dat de dichter er bij
dit syntactische schema naar streeft, het werkwoord aan het verseinde te plaatsen:
314b
378b
2528b
2982b
2314b
3766b
475b
(Die knape versachse) niet sére hi loèch }
(Sijn vader sagene) sére hi loèch }
(Die dief versaecht) niet sére hi loèch }
(Keye horde toe) niet sére hi loèch }
(Die ridder sachse) lúde hi rièp }
(die hi begreep) wel lúde hi seide }
(Hi greepene) Int geréide hi sprànc.
De groepeering wijst op de eenvormigheid van den inhoud.
De zinnen met nominaal subject leveren door onzekerheid van de plaats der zware
heffingen het bewijs, dat het pronominale subject een onmisbare omstandigheid is
bij de vorming van het typische rhythme:
321 {Achter die plóech die cnápe làch
{Achter die plóech die cnape làch
2629 {Ter táflen výftien rídders sàten
{Ter táflen vijftien rídders sàten.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
56
Beter voegen zich naar het gewone rhythme:
4210 Stáphants dat parlemént scìet
5343 Léttel hem sine wápine verwàgen.
o
2 . ...S.V.... 9 samengest. V. 2 enkelv. V. 7
enkelv. V. 7
samengst. V. 2
1 vs. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
2 vz. 6
Nom. S. -
Pron. S. 6
1 vs. 1
Nom. S. -
Pron. S. 1
2 vz. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
1 enkelv. V. 2 vz. Pron. S.:
122/3
550/1
812/3
3364/5
3548/9
4766/7
Enen gróten cóp hi nàm/ In sine hant van roden goude
Met béiden hánden dat hi nàm/ Sinen scacht
Sine dóchter hi vernàm/ Étende metten jónchere
Met béden hánden dat si nàm/ Verbolghenlike dat seisenkijn
Órs ende gheréide hi smeèt/ In tween sticken
Ten cóninc wert hi verlachièrt/ Die witte ridder.
Al deze zinnen zijn zoo gescheiden, dat het verbum aan het verseinde staat. De
rhythmische typen zijn geheel regelmatig. Hetzelfde geldt van den eenen zin met
samengest. praedicaat:
3280/1 Up ene héide dat hi sièt/ Van verren hoeden scapelkine.
Ook hier gaan de beide gevallen met nominaal subject tegen de regels in:
72 Noit man sach so rikelijc dinc
4193/4 Int here die coninc Galarant/ dede houden sijn parlament.
In geen van beide zinnen staat het verbum aan het verseinde. De plaats der zware
heffingen is onzeker.
Algemeene slotsom ten opzichte van de zinnen met aanloop zonder
inversie.
A. Verband van syntaxis en rhythme:
I. Syntactische vormregelmaat gaat samen met rhythmische overeenkomst. Bewijzen:
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
57
1. de groepeering der zinsgroepen naar rhythm. typen.
2. zoodra het regelmatige pronominale subject wordt vervangen door een
nominaal, ontstaat een afwijkend rhythmisch type.
II. De syntactische bijzonderheid van de achteraanplaatsing van het werkwoord
berust op een rhythmischen grond; bewijs: zoowel de zinnen van twee verzen als
van een half vers worden zoo gesplitst of geplaatst, dat er verzen ontstaan van het
schema ...S.... V. (...S.V.).
III. Het syntactische verschil tusschen de zinsvormen ...S.V. en ...S.... V. wordt
rhythmisch genivelleerd door de rekbaarheid der daling na de eerste heffing.
IV. De syntactisch en rhythmisch bijeenbehoorende zinsgroepen vertoonen nu en
dan een groote eenvormigheid van inhoud.
B. Rhythmische verschijnselen:
I. Het verbum finitum draagt slechts bij hooge uitzondering een rhythmische zware
heffing.
II. Het pronominale subject is door zijn rhythmische toonloosheid uitermate geschikt
voor de plaatsing in het zinsmidden, in de rhythmische daling na de zware heffing
van den aanloop.
III. In de besproken verzen staat een substantief slechts bij hooge uitzondering in
een rhythm. daling.
IV. De syntactisch omvangrijke en rhythmisch zware aanloop is het alles
beheerschende zins- en versdeel.
V. Het getal zinnen zonder voorslag is zeer gering.
VI. We komen tot de volgende rhythm. typen:
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
58
II. Zinnen zonder aanloop met oude woordschikking.
Het is nu de vraag, of ook de zinnen met afwijkende woordorde, die niet door den
syntactisch en rhythmisch zoo belangrijken aanloop worden gekenmerkt, scherp
omlijnde rhythmische typen vertoonen.
o
1 . S.... V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4.
enkelv. V. 52 tusschen S. en V. ‘ne’ 13 anders 39 ander tusschenstuk dan ‘ne’
39
1 vs. 37
Nom. S. 37
Pron. S. -
2 vz. 1
Nom. S. 1
Pron. S. -
½ vs. 1
Nom. S. -
Pron. S. 1
Evenals in de vorige zinsgroepen de aanloop, draagt hier het nominale subject de
eerste heffing. Maar zijn rhythmisch overwicht is te gering, om het vers te
beheerschen. Verzen met éen zware heffing komen niet voor.
Van de 37 zinnen van éen vers met Nom. S. richten zich er 15 zonder moeite
naar het rhythm. type
:
764
992
1801
2353
2462
2593
3337
3412
3547
3550
3611
3685
4542
4838
Die jóncfrouwe in die cámere scoèt
Een mántel hem ane den háls hìnc
Dat ijser hem bider síden leèt
Die hélm hem saen op dérde làch
Fergúut vollike dánen rèet
Fergúut vollec dánen vòer
Een wáter omme den casteél scòet
Fergúut toten scílde lìep
Die bóem hem bi den hóefde leèt
Fergúut sere vervaért wàs
Twee jóncfrouwen daer ín sàten
Die jóncfrouwen bí hem sàten
Lunétte tote háre quàm
Die rídder doe ván hem scìet
Vier verzen zonder voorslag:
60 Sélve hi enen hóren nàm
104 Élc doe enen hónt nàm
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
59
1828 Élc doe van hem besíden scoèt
3607 Lókefeer aldus dóet bleèf
De grootste helft der 37 gevallen echter kan men niet volgens een bepaald type
lezen. Men neigt tot eenvoudige scansie volgens versvoeten. En wat van groot
gewicht is: bij een aantal heeft het verbum finitum een heffing:
423
423
459
459
776
1003
1003
1213
1213
1271
1271
1156
1156
1249
1305
1305
1653
1653
1803
1803
2380
2380
2390
2390
2559
2559
2563
2393
3608
3608
5520
5520
{ Die dórpre sijn wýf wél verstoét
{ Die dórpre sijn wýf wel verstoét
{ Een wítte brónie daer méde wàs
{ Een witte brónie daer méde wàs
Fergúut hem álgader séide
}{ Die knápe wél sinen wért verstoèt
{ Die knápe wél sinen wért verstoét
{ Galiéne vóllijc gegréep
{ Galiéne vollijc gegréep
{ Die ríddere haer noit wórt en seíde
{ Die ríddere haer noit wórt en seide
{ Een gróet wáter daer ómme scoèt
{ Een groet wáter daer omme scoèt
Galiéne sére versúcht
{ Die goede man wél verstoét
{ Die góede mán wél verstoét
{ Fergúut een stíc stílle staèt
{ Fergúut een stic stílle staèt
{ Die swérte Fergúut wéder stàc
{ Die swerte Fergúut wéder stàc
{ Fergúut een twínt hem niet verbóet
{ Ferguut een twínt hem niet verbóet
{ Die éen wel ánders sláge kènt
{ Die éen wél ánders sláge kènt
{ Fergúut so sére ná hem rỳt
{ Ferguut so sére ná hem rỳt
Fergúut hástelike versách
Élc den ándren oec ontsách
{ Fergúut léttel róuwe dreèf
{ Ferguut léttel róuwe dreèf
{ Ártur die cóninc sijn vólc nàm
{ Artur die cóninc sijn vólc nàm
De 13 zinnen van het schema S...V. met ‘ne’ als tusschen-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
60
stuk beslaan, gelijk te verwachten is, slechts een half vers en bieden dus niets
1)
opmerkelijks ten opzichte van het rhythme .
o
2 . S.... V.... 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37 enkelv. V. 50 tusschenstuk ‘ne’ 37
anders 13
tusschenstuk ‘ne’
37
1 vs. 26
Pron. S. 20
Nom. S. 6
2 vz. 5
Pron. S. 2
Nom. S. 3
½ vs. 6
Pron. S. 6
Nom. S. -
De belangrijkste groep is die der zinnen van 1 vs., met ‘ne’ als scheiding van S. en
V., en pronominaal subject. Het kan niet uitblijven, dat deze zinnen een typischen
rhythmischen vorm vertoonen. Immers alleen in dezen zinsvorm is scheiding van
S. en V. bij pronominaal S. mogelijk gebleven. Dit pronominale subject, verbonden
met ‘ne’ en het verbum finitum, vormt een lange rhythmische daling als versopening.
Het rhythmische zwaartepunt verschuift naar het verseinde, zoodat er een type
2)
ontstaat :
278
526
720
1702
1752
1790
2464
2609
2617
3026
3279
4297
5184
Hine ontsiet assaút no meswénde
Hine duchtese álle niet een riét
Hine hadde gene dóde chiére
Dit en was Fergúut niet léet
Hine hadde niet wíts dan den tánt
Hine prijst hem niet wért ene pére
Hine vergat niét sinen scácht
Hine vant avontúre engéne
Het ne was niet wél te sinen wílle
Hine at él niet dan rachíne
Hine horde vanden scílde níet (= niets)
Hine hadde niet twée en dertich jáer
Hine hilt heme níet over bedrógen
Enkele verzen zijn er, waar men nog een derde zware heffing
1)
2)
Vs. 513a, 1275a, 1359a, 1583a, 2065a, 2070a, 2155a, 2156a, 2471a, 2787a, 3194a, 4637a,
5294a.
Vg. blz. 64.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
61
zou kunnen aannemen; maar ook in die gevallen blijft het verbum finitum onbetoond
en heeft het rijmwoord een heffing:
1116 { Hine was nóit te gemáke bát
{ Hine was noit te gemáke bát
1426 Sine werdes quíte in ál haer léven
1703 { Hine was noít eér so blíde
{ Hine was noit eér so blíde
2816 { Hine maecte geén groét gedálsch
{ Hine maecte geen groét gedálsch.
Neiging om het verbum finitum te lezen met rhythm. zware heffing, heeft men alleen
in:
374 Hine groéten niet een twínt.
Het is van gewicht, aan te toonen, dat ook andere zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk
en pronominaal subject een voorkeur voor dit eigenaardige rhythme hebben:
1. zinnen van het schema S. ne V.... met den omvang van een half vers vormen
met de andere vershelft den zelfden versvorm:
311
1612
2184
2632
3022
Hine voer níet sére (waer den télt)/ Quam hi gereden
Hine hadde een lét niet (en swoer hem sére)/
Sine es níet (daer si was te vóren)/
Hine sprac wórd (no en hiesch dwáen)/
Hine waent níet (dat men mocht scóuwen)/
2. de zinnen van den omvang van twee verzen:
3456 Hine gecreech nóit ére/ Op gene wile so grote noot
4927 Die rike coninc Galarant/ Hine wilde rídder no seriánt.
3. ook de zinnen met samengesteld praedicaat:
S.... V.... 37 gev. ‘ne’ 31 grooter tusschenstuk 6
‘ne’ 31
1 vs. 24
Pron. S. 18
Nom. S. 6
2 vz. 4
Pron. S. 4
Nom. S. -
½ vs. 3
Pron. S. 3
Nom. S. -
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
62
We beginnen met de belangrijkste groep, zinnen met ‘ne’ van éen vers, met
pronominaal subject:
276
1095
1181
1269
1584
2216
2530
2613
3044
3461
4112
4763
Hine wilde daer hebben niémens cómen
Hine mochte niéuwer sijn verwónnen
Sine mochte niet sijn bét dan in háre
Sine dorste hem gewágen níet
Hine canne gebínden ane die sténe
Hine conste noit vínden sijn genóet
Hine hadde niet sulke stéke geléert
Hine hadde géten in drién dágen
Hine hadde gedrónken in twáelf dágen
Hine conste sijn huút niet ontgínnen
Hine conste die swérde niet dorsíén
Hine lieten rústen, léttel no véle.
Al deze verzen hebben het type:
of
.
Er zijn een aantal verzen, vooral met een infinitief aan het zinseinde en ‘niet’ als
heffing, waar de derde heffing minder zwaar lijkt:
327
2052
3480
3597
3740
3764
Hine consten níet vórt gedrìven
Hine salse níet verdríven cònnen
Hine conster niét wel uút geràken
Hine liet den róse hem niet ná còmen
Hine wilt níet in vérsten lèggen
Hine dorste heme niét náerre gaèn.
Maar vlotter klinkt het vers met ‘niet’ in de daling; het rhythmische type blijft dan in
beginsel gehandhaafd.
Zoodra het subject nominaal is, vervalt de eigenaardige inleidende daling:
455
557
3230
3802
4856
5475
Die dórpre en wilde némmer béiden
Die knápe en conste hem níet wáchten
Die díeve en consten hem niét ontwínken
Ferguút en dorst niet nópen.
Die cóninc en wilde hem níet ontcléiden
{Niéman en dorste jégen hem cómen
{(Niéman en dorste jégen hem còmen)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
63
Ook in de zinnen met omvangrijker scheiding van S. en V. dan ‘ne’ alleen, is het
rhythme heel anders:
1110/1 Een rídder hem doe hálen ginc/ Enen scacht...
4037/8 Pénnevare in córter wílen/ Hadde gescreden die 7 milen.
Ook bij de zinnen met enkelvoudig verbum blijkt duidelijk, dat het bijzondere
rhythmische type beperkt is tot de gevallen met pronominaal subject en ‘ne’ als
scheiding van S. en V. We citeeren enkele zinnen met nominaal subject, omdat ook
hier weer de eigenaardige splitsing van den zin door de verscheiding valt op te
merken; ook hier ontstaat weer het bekende type van het syntactische schema S....
V., nl.
:
1141 Ferguút ten cóninc órlof nàm
Ende ane alle sine man.
2202 Ferguút vollec dánen rèet
Scilt ane hals speer in die hant.
3431/2 Dat serpént vollijc ópscòet
Verbolghelike.
5110/1 Die rídder biden tógel nàm
Dat ors.
5227/8 Mijn her Kéye den rídder stàc
Up sinen scilt.
Wanneer het verbum niet het eerste vers afsluit, is het getal der heffingen onbepaald,
het rhythme neutraal:
25/6 Twée gheséllen noyt éer/ Ne minden mallijc andren meer
1836/7 Scílt no hálsberch méer dan een vél/ Sone halp den ridder niet.
We komen dus ten opzichte van de zinnen zonder aanloop met oude woordschikking
tot de volgende slotsom:
1. De zinnen met ‘ne’ tusschen S. en V., met pronominaal subject vertoonen een
sterk sprekend rhythmisch type. Dit type onderscheidt zich door:
a. onbetoond verbum finitum.
b. zwaar betoonde substantiva.
c. Stijgend rhythme.
d. zware heffing aan het vers-(zins)einde.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
64
Zoodra òf S. en V. door een omvangrijker zinsdeel worden gescheiden òf het S.
nominaal wordt, verdwijnt dit rhythm. type.
2. Bij de zinnen met nominaal subject en omvangrijke scheiding van S. en V. is
neiging om het in rijm staande verbum finitum een rhythm. heffing te laten dragen,
niet te miskennen. Vele verzen hebben een neutraal rhythme. Andere groepen
richten zich naar het verstype
, het belangrijkste type van de zinnen
met aanloop.
3. De zinnen zonder aanloop met oude woordschikking zijn dus rhythmisch veel
minder eenvormig dan de zinsgroepen met aanloop.
Er is tusschen de verzen van het rhythm. type
en een der meest geliefde
verstypen van den Heliand-dichter een zoo opvallende overeenkomst, dat we niet
kunnen nalaten enkele voorbeelden naast elkaar te plaatsen.
Men vergelijke:
Ferg. 1752 Hine hadde niet wíts dan den tánt
2617 Het ne was niet wél te sinen wílle
1702 Dit en was Ferguút niet leét.
met:
Hel. 652b Si ni habdun thanan gis đeas m r
785b he ni was ōđrun mánnun gil k
1829b ne wārun an themu lánde gewúno.
5302b ni was im húgi tw fli.
Men vergelijke:
Ferg. 276 Hine wilde daer hebben níemens cómen
1269 Sine dorste hem gewágen níet
3461 Hine consten syn húut niet ontgínnen.
met:
Hel. 1671b
4977b
5541b
5965b
Si ni kunnun ēnig fého wínnan
He ni welda thes thō géhan éowiht
Hie ni welda thōh thia d d wrékan
Hie ni welda ina thuo noh k đian te ím
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
65
Samenvatting der rhythmische kenmerken van de zinsgroepen met
afwijkende woordorde.
1. Voor zoover de zinnen een versregel beslaan, wordt de afwisseling van heffing
en daling gekenmerkt door enkele zeer bijzondere rhythmische typen, die verschillen
al naar gelang van de syntactische vormen der zinsgroepen.
2. Kenmerken van alle typen zijn:
a. rhythme zonder voorslag is uitzondering.
b. éen, twee of drie zware heffingen gescheiden door rekbare rhythmische
dalingen. In verzen met drie heffingen worden er twee meestal gedragen door
een syntactisch nauw verbonden woordgroep. Verzen met éen heffing zijn
alleen mogelijk bij stijgend rhythme in zinnen met aanloop.
c. het verbum finitum staat niet in zware heffing. De heffingen worden gedragen,
bij voorkeur, door substantiva, den zin openende adverbia (niet door ‘doe’ ‘nu’,
‘daer’, ‘dus’), gepraefigeerde adverbia en verbaalnomina.
Hoe verleidelijk het moge zijn, vergelijking van deze uitkomsten met de algemeene
beginselen van het oud-germaansche zins- en vers-rhythme moet worden
opgeschort, totdat bovenstaande regels van afwijkende zinscontructies met de
algemeene kenmerken van het mnl. epische vers zijn vergeleken.
Vragen we ten slotte, welke zinsvormen het meest voor de hand lagen, wanneer
een dichter het oude rhythme wilde behouden, maar de verouderde woordschikking
vermijden. We komen dan tot een vooral in verband met de omschrijving van het
1)
aoristisch praeteritum eigenaardige oplossing:
1)
Bij dit onderzoek naar den vorm van zins- en versbouw kunnen we vraagstukken in verband
met de zinsbeteekenis, als de omschrijving van aor. praeterita, alleen aanstippen. Dat echter
de woordschikking van belang is bij de kenmerking van aoristische verleden handelingen,
blijkt uit de volgende verzen:
1109
1110
1111
1112
1113
1114
1115
1116
1117
Ane sinen hals dat hine hinc (aor.)
Een ridder heme doe halen ginc (aor.)
Enen scacht starc ende groet
In sijn hant dat hine scoet (aor.)
Ferguut was utermaten blide (imperf.)
Wel behagedem sijn gesmide (imperf.)
Ende dat ors daer hi op sat (imperf.)
Hine was noit te gemake bat (imperf.)
In sinen stegereep hi hem hief (aor.)
1828
1829
1830
1831
1832
Elc doe van hem besiden scoet (aor.)
Hare scachte si vernamen (aor.)
Sere si weder te gader quamen (aor.)
Si saten vaste in haer gereide (imperf.)
Si waren goede ridders beide (imperf.)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
66
Stel dat de dichter de oude woordorde wil vermijden in een zin (vers) als:
In hare cámere dat si lièp.
Door het gebruik van inversie komt dan het verbum finitum in de daling. De bijtoon
in het rijm kan worden gedragen door een aor. adverbium:
In haer cámere liep si doè.
Een andere oplossing is het gebruik van het omschreven perfectum:
In haer cámere es si gelòpen.
Hoe gering is bijv. het verschil tusschen:
Mettién si den hért vernàmen
en:
Mettién hebben si den hért vernòmen.
Ook andere samengestelde praeterita, die in het latere epos veelvuldig worden
gebruikt zonder belangrijk syntactisch verschil met het enkelvoudige verbum finitum,
kunnen beschouwd worden als een middel ter vermijding van de oude
woordschikking:
1834 Haer órsse moesten op dérde knièlen
luidt in antieken zinsvorm:
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
67
Haer órsse op dérde knièlen.
Rhythmisch verschil is er alleen in de lengte der daling.
Ook in zinnen zonder aanloop kan, behalve door bovenstaande omschrijving met
‘moeten’, aan den eisch der nieuwe woordschikking worden voldaan door een
zinsvorm met rijmend adverbium:
Die jóncfrouwe in die cámere lièp
is, wat rhythm. heffingen betreft, geheel gelijk aan:
Die jóncfrouwe liep in die cámere doè.
Zonder ons in uitvoerige vergelijking te begeven, schijnt het toch aannemelijk, dat
het verdwijnen der oude woordschikking samen moet gaan met groeiende voorkeur
voor rijmende adverbia.
Het verdient de aandacht, dat de Ferguut een der weinige gedichten is met meer
1)
aoristische adverbia buiten dan in het rijm . Ten gevolge van zijn groote vrijheid in
het gebruik der oude woordschikking heeft de dichter aan de rijmende adverbia met
rhythmischen bijtoon weinig behoefte.
Ook het getal der aoristische perfecta is in den Ferguut grooter dan dat der
1)
rijmende adverbia . Gelijk we zagen, wordt door het gebruik van samengesteld
praedicaat de inversie in de hand gewerkt, terwijl tòch de eigenlijke werkwoordskern
aan het verseinde behouden blijft.
De volgende aanhalingen toonen, hoe door de syntactische afwisseling van zinnen
met oude woordorde en andere met samengesteld praedicaat de rhythmische
welluidendheid van het geheel wordt bevorderd:
3579
3580
3581
3582
Toten rídder es hi còmen
Ende heften bi den hálse genòmen
Onder sinen áerm hine sloèch
Dápperlike hine wéch dròech.
1)
1)
Vgl. De vormen van het Aor. Praet. in de Mnl. Epische Poëzie, blz. 68/9.
Vgl. De vormen van het Aor. Praet. in de Mnl. Epische Poëzie, blz. 68/9.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
68
Hoeveel stijver zou hier klinken:
3579
3580
3581
3582
Toten rídder hi doe quàm
Biden hálse hine nàm
Onder sinen árme hine sloèch
Dápperlike hine wéchdroèch.
Een geheel gelijke schikking in:
1971
1972
1973
1974
Ten castéle es hi savons còmen
Ende heft den goéden mán vernòmen
Onder die pórte hine vànt
Enen válke haddi op sine hánt.
Samengesteld praedicaat, oude woordschikking en rijmend adverbium wisselen
elkaar af in de volgende drie rhythmisch gelijkwaardige zinnen:
364 Te sire plóech quam hi gegàen
365 Sine pérde hi ontspièn
366 Ten castéle liep hi mettièn.
L e y s i n (Zwitserland).
G.S. OVERDIEP.
Kleine mededeelingen.
41. Sjappitouwer, orenbaar, bakkeleien.
Deze drie woorden van Maleischen oorsprong komen tezamen voor in een politiek
paskwil van Romeyn de Hooghe, getiteld Het Cremoneesche Vreugdevuur, dat als
het eenendertigste van zijn pamflettenreeks Esopus in Europa in 1702 verschenen
is. Drie mannen uit het volk, de Sappetausvaarder, de Orenbaar, en Hannekenuyt,
treffen elkaar op Liefkenshoek, en wat ze over hun kriekebier elkaar te vertellen
hebben vormt den inhoud van het pamflet. Ziehier het begin van hun bierpraat:
DE ORENBAAR. Wel Kees, in wat gat hebt ge gesteeken, dat
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
69
ik u in zoo veele jaaren niet gezien heb? ik meende, dat ge al lang in de Spaansche
1)
Zee dobberde .
DE SAPPETAUSVAARDER. Onkruyd vergaat niet. Maar gy, van waar komt gy hier
verzeild? Wie drommel zou u op Liefkenshoek zoeken? trouwens, 't is net de plaats
van ouds, daar gy 't huys hoort: gy waart van uw jonkheid af een wilde Kappelaan,
en eeuwig onder de Lichtekooyen verward.
DE ORENBAAR. Ja, die kalfsklaauwen zijn afgestooten. Immers is 't waar, dat bergen,
en daalen malkander niet ontmoeten, maar menschen al.
2)
DE SAPPETAU . Uylskuyken! bergen en dalen ontmoeten malkander altyd, en zyn
wisse buuren, de eene ziet men nooit zonder den andere; maar zyt gy altyd aan
land gebleeven?
DE ORENBAAR. Dat moest waar blyven; ik heb geen stryd op 't raazende water: ik
zie niet gaerne zout water, als in myn moêrs visketel.
DE SAPPETAU. Daarom zyt ge noch te wyzer, noch te beter, maar uw vaâr, en
bestevaâr waaren ook al zulke jangatten. Neen byget, de mynen dorsten 'er op uyt
snuyven. Myn overgrootvaâr deed de eerste tocht, voor de Oostindische Compagnie,
in 't jaar 1602, toen die eerst opgeregt wierd; dat is nu net honderd jaaren geleden.
't Was een plaizier, den ouwe Bol te hooren vertellen van zyn jonkheid, hy voer voor
3)
Hooplooper uyt: wat heeft hy op de eerste vloot al gehardebold met de Stormen,
de Wilden, de Spekken, en de Indiaanen? Maar daar is geen volk in de waereld,
die dat lusten zou zoo veel honger, en kommer, zoo veel gevaar, en over al 't spits
afbyten; hy bleef over op de eerste reduyt, op Jaccatra, daar nu dat hemelsche
Batavia is. De Javaanen stormden by duyzenden daar op; de Mataram was 'er zelfs
voor; kruyt, en alles was verschooten, zy moesten met pannen, ja met hunne eige
drek
1)
2)
3)
De cursiveeringen zijn van Romeyn de Hooghe.
Voortaan door Romeyn de Hooghe steeds met dezen korteren naam aangeduid.
Zie Wdb. d. Ndl. T., VI, kol. 1076.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
70
zich beschermen, ze hielden 't evenwel uit, zoo dat ze de Javaanen deeden
1)
schreeuwen, Orang Ollanda, backeley sammatey , die Hollandse honden vechten
met drek.
DE ORENBAAR. Tot zulk een prys staat my de nieusgierigheid niet aan: ik hou 't
vaste land onder de voeten; den een drijft zyn lust ter zee, en den andere te land;
maar is 't niet meer als honderd jaaren, dat die Compagnie begonnen heeft? hoe
kan dat weezen? ik heb van de Fransen wel gehoord, dat zy daar meer magt hebben,
als hier de Koning van Vrankryk. Ho, Fielebard.
2)
HANNEKENUYT. Ho, Losin'thol : hoe komt het volk by de luy? vind ik u hier? wel
3)
wat kleurtge karmozyn: en evenwel een uperken op de hand? wel, zoo lang u zulke
roozen op de hand wasschen, zoo zal u 't geld in de beurs niet schimmelen.
DE ORENBAAR. Ja wel, ik hou veel van een praatjen; en zie, daar is een man der
mannen; die 't niet scheelen zou, of hy voor de ring van de hel voer, als 'er maar
wat te beschaaren was. Hy heeft Oost- en Westindien op zyn duim’.
Hannekenuyt brengt het gesprek op de Franschen, en de verdere dialoog loopt
over de vraag wat die als vechtersbazen waard zijn. Hannekenuyt, een Antwerpenaar
(zie Wdb. d. Ndl. T. s.v.), is met de Sappetausvaarder van oordeel dat het lafaards
en pochhanzen zijn, de Orenbaar neemt het voor ze op. Maar de Orenbaar weet
niet beter, omdat hij maar een Vlaming is, een van die ‘Stroppedraagers en
Kaasvissers van Gent en Brugge,’ om met Hannekenuyt te spreken.
De samenspraak is in meer dan een opzicht belangrijk. Eerstens omdat ze een
kleine twintig jaar ouder is dan Alewijns Jan Los of den bedroogen Oostindiesvaar
(Amsterdam, 1721), waarin volgens Beets (Ts. XVII 194) ‘de oudste plaatsen (tot
nog toe) te vinden zijn’ van het woord Sappetouwer. Tevens
1)
2)
3)
Mal. sama tahi (tahi, drek).
‘Schijtebroek’, ‘schijterd’ (hol, anus).
Halve pint (Mnl. Wdb.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
71
mag uit de nergens elders gevonden samenstelling Sappetausvaarder de
gevolgtrekking worden gemaakt dat het woord Sappetau (-ou) aanmerkelijk ouder
is dan ± 1700, daar voor Romeyn de Hooghe de beteekenis ‘een Jan Goddome’
niet meer gold. Het lijkt wel of hij in Sappetau den naam van een Indisch land gezien
heeft, want voor hem beteekent Sappetaus-vaarder Oostindies-vaarder. Evenmin
als Alewijn gebruikt de Hooghe het woord als een schimpnaam. De sappetau is de
held van het drietal. Een spoor van de oorspronkelijke beteekenis ‘Jantje Goddome’
is evenwel te vinden in de woorden waarmee de Orenbaar hem aan Hannekenuyt
voorstelt: ‘een man der maanen; die 't niet scheelen zou, of hij voor de ring van de
hel voer, als 'er maar wat te beschaaren was’.
Wat Orenbaar betreft, merkwaardig is hier de beteekenis door de Hooghe er aan
toegekend. Zij komt met geen der beteekenissen overeen die het Wdb. d. Ndl. T. II
I, kol. 817 van baar opgeeft: (1) Spotnaam voor een zeeman die voor het eerst van
zijn leven de linie passeert en in Indië komt. (2) Spotnaam voor ieder die pas in
Indië komt, en bij uitbreiding: iemand zonder menschenkennis. (3) Ook gezegd van
een nieuweling in een kunst of wetenschap.
Van de Hooghe's Orenbaar wordt uitdrukkelijk gezegd dat hij zich nooit op zee
gewaagd heeft, laat staan de linie gepasseerd of in Indië geweest is. Hij is een
Jangat, een bange landrot. Blijkt niet uit deze vroege beteekeniswijziging dat het
woord omstreeks 1700 reeds een lange geschiedenis in den volksmond had?
Indien de algemeen aangenomen etymologie van bakkeleien nog bewijs behoefde,
zou de Hooghe's Maleische aanhaling de twijfelaars kunnen overtuigen.
A.J. BARNOUW.
42. Blankofficier.
Het Wb. d. Ndl. T. II II kol. 2784 verklaart niet waarom zoo'n opzichter over de slaven
een ‘officier’ heette. In het lezens-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
72
waardige boek van Mevrouw W. Wijnaendts Francken - Dyserinck ‘Drie Maanden
in de West’ lees ik op blz. 199:
‘Het half Hollandsch half Engelsche “blanke overseer” is later tot blankofficier
verbasterd, welke term mij vroeger altijd aan iets vreeselijk wreeds: 'n officier met
blanke sabel heeft doen denken, die hij tegen de slaven zwaaide’.
Hier hebben we ongetwijfeld den oorsprong van den naam. De Oxf. Engl. Dict.
s.v. ‘overseer’ geeft als eerste beteekenis op: ‘one whose business it is to superintend
a piece of work, or a body of workmen; a superintendent (of workmen, slaves,
convicts, etc.’), en onder de bewijsplaatsen staat o.a. dit citaat uit W. Stork (Acc.
East Florida 1766): ‘The overseer, and other white servants, will .... be hired much
cheaper in a plentiful and good climate, than in a scarce and sickly one’.
A.J. BARNOUW.
43. De Aran en Titus en de Oene van Jan Vos.
Uit Het Amsterdamsche Tooneel van 1617-1772 (blz. 257) van Wybrands blijkt, dat
sten
sten
de Aran en Titus den 30
Sept. 1641 en de Oene den 8
Mei 1642 voor het
eerst werd opgevoerd. Maar beide drama's waren reeds lang te voren geschreven.
Want volgens de ‘Schouburghs Rekeningen’, een Hs. aanwezig in het Archief van
het Burgerweeshuis te Amsterdam, werd op 14 Febr. 1638 aan Adam van Germez,
den later beroemden tooneelspeler, die in dien tijd wel eens meespeelde, maar
vooral als barbier optrad en ook wel rollen uitschreef, ƒ 9 betaald ‘voor rolleren van
het spel van Jan Vos en sijn klucht van Oenen’. Daardoor is het te verklaren, dat
Tengnagel, die van schouwburgzaken zoo goed op de hoogte was, Jan Vos reeds
onder de Amsterdamsche dichters noemt in zijne Amsterdamsche Lindebladen
(1640). Met ‘het spel van Jan Vos’ is ongetwijfeld de Aran en Titus bedoeld, die dus
al meer dan drie jaren vóór de vertooning was geschreven.
J.A. WORP.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
73
44. Formine?
(Die werelt) slacht den losen coman
die vingherline van formine
vercoept voer guldine.
Beatrijs, vs. 304-306.
Het staat er, zonder eenigen twijfel. Maar buiten deze plaats in het HS. van de
Beatrijs is formine nergens gevonden, want het woord in Strattmann's Middle-Engl.
Dict. waarnaar het Mnl. Wdb. verwijst, heeft hierop geen betrekking. Aan Vercoullie's
2
verwarde mededeeling in Ned. Mus., 2 II, p. 25: ‘oostersch woord, dat eigenlijk
roode menie beteekent (Ar. ôfir = rood), deed ter oorzake van de levendig vuurroode
kleur, die in 't goud zoozeer geprezen werd, ook als valsch goud dienst’, hieraan
hebben we niets, zoolang hij ons den vorm van dat woord niet mededeelt, en het
ons niet aannemelijk maakt, dat men zich menie voor goud in de hand liet stoppen.
De poging om een ander woord in de plaats te stellen, dat aan de eischen van
den zin en van het rijm voldoet, zonder in den vorm ver af te wijken, zal men dus
geen jagen op conjecturen noemen. Het is duidelijk, dat dit dan een goedkoop
metaal moet beteekenen. Zou kalmijn niet aan deze eischen beantwoorden?
1)
Kalamijn is een zinkerts, dat, volgens het Mnl. Wdb. , o.a. te Bleiberg op drie uren
afstands van het Limburgsche Valkenburg gedolven wordt. ‘Daar men de kalmijn
gebruikte om het koper op goud te doen gelijken, werd de invoer van kalmijn in den
tijd der Republiek verboden’. Van hoeveel belang de handel erin toen evenwel was,
blijkt uit tal van plaatsen in de Resolutiën der Staten-Generaal gezonden aan de
commissarissen-
1)
Het Mnl. Wdb. geeft ook: kelmine en klemijn(-steen), elders vindt men ook: klemmer(-steen).
Graphisch is de verwisseling met for- niet gemakkelijk te verklaren. Maar men zou een verkeerd
hooren of een verkeerd dicteeren onder invloed van het volgende voer en de vele met v
aanvangende woorden kunnen vermoeden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
74
instructeurs te Maastricht (uitg. door Flament in Publ. Soc. Limb. 1913). Daar lees
ik van Luiksche en Munstersche kalmijn, maar ook van kalmijn uit Altenberg (= La
Calamine, Moresnet). Zoo b.v. op het jaar 1633 in een request van Dirck Heuft c.s.,
kooplieden, ‘latende werken in koper op de Akener manier.’
Doch reeds veel vroeger moet er ruime handel in gedreven zijn. Pirenne (Hist. d.
Belgique I, 178) acht het uiterst waarschijnlijk, dat de kalmijn-lagen langs de oevers
der Boven-Maas reeds in den Romeinschen tijd geëxploiteerd werden, en dat zij
ook in de vroege Middeleeuwen den omgelegen smidsen voorraad bleven
verstrekken. Voor later tijd verwijs ik naar een bij Alwin Schulz (Höf. Leben I, 312)
aangehaalde plaats uit ‘Rumeland’, waar sprake is van koper ‘wie daz gemischet
ist mit kalemine’.
Slaan we Diefenbach op, dan vinden we op cadmia, waarvan het woord kalmijn
een der talrijke vervormingen is, onder meer de volgende verklaringen: goltfel
(residentia ex auro), goldes folli (in anulis sub margaritis), goltschume. - Het is
hetzelfde als de bij alchimisten onder den naam: nil album, weisznichts, bekende
1)
stof , en vermoedelijk ook als het bij Kiliaen opgegeven: niet, niete .... ‘aeris et
cadmiae favilla.’
Zulk goudschuim of -foelie voor goud laten doorgaan, dat doet de looze koopman
waarmede de dichter de wereld vergelijkt.
Is mijn gissing juist, dan zou er wellicht ook een aanwijzing voor de plaats van
2)
ontstaan van de ‘Beatrijs’ in te vinden zijn .
E. HASLINGHUIS.
1)
2)
Zie Grimm. D. Wtb. op galmey, waar o.a. verwezen wordt naar Henisch 1340: galmey flug,
weisz nichts .... pulvis nihili, nil album .... wird aus Westphalen gebracht.
Onder het corrigeeren maakt Dr. A. Beets mij opmerkzaam op den familienaam Formijne en
den naam van een Rijnschip ‘Formine’ (z. Scheepstijd. 4 Mrt. j.l. in N.R. Ct.), welke zouden
pleiten voor het bestaan van een woord formine, doch in welke beteekenis?
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
75
45. Aanteekening op de onuitgegeven brieven aan J.P. Klein en A. Klein
- Ockerse.
Zie XXXII, 248.
Het aldaar aangehaald Duitsch couplet, dat ik niet wist thuis te brengen, blijkt mij
nu ontleend aan een gedicht van Johann Peter Uz, getiteld Magister Duns. Vgl.
Sämtliche Poetische Werke von J.P. Uz in: Deutsche Literaturdenkmale des 18. u.
o
19. Jahrh. n . 33, S. 34 (met de varianten).
G.K.
46. De drie ringen in Mariken van Nieumeghen.
Zooals bekend is, wordt aan de zondares Mariken van Nieumeghen in het mirakelspel
van dien naam door den paus als penitentie opgelegd: drie ijzeren ringen aan hals
en armen te dragen, totdat die vanzelf afvallen. Dr. Leendertz heeft in de Inleiding
tot zijne Middelnederlandsche Dramatische Poëzie p. CLXXI gewezen op het
Oudfransche Dit des Anelés, waar men denzelfden vorm van penitentie vindt. Ook
elders echter is sprake van ijzeren ringen die breken of afspringen, zij het ook onder
niet geheel gelijke omstandigheden. In het Deensche lied Dalby-björnen, dat door
zijn inhoud herinnert aan den ridderroman Van Valentijn en Ourson, draagt de, in
een beer veranderde, ridder een ijzeren band om den hals; deze band breekt eerst
nadat de ‘hovmand’ die door den beer overwonnen is, er driemaal het kruis over
geslagen heeft en een gebed tot Jezus opgezonden:
Ja, bede jeg vil for dig en bön:
dig hjaelpe af nød Marias søn!
Han løse af dig det hårde bånd,
som vel det maegter hans höjre hånd!
Så slog han kors på kors i hast,
tre gange kors, så båndet brast
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
76
Og björnen blev en ridder bold,
1)
sin faders land fik han i vold.
Een overeenkomstig geval vinden wij in een ander Deensch lied, getiteld
Haevnersvaerdet (Het wrekerszwaard). Ridder Peder, die den koning van
Denemarken met zijn gezinde heeft vermoord, doet boete door zich ijzeren banden
te laten smeden om lendenen, hand en voet. Daarna neemt hij den pelgrimsstaf ter
hand en trekt naar het Heilige Graf. Daar vindt hij geen verlossing; doch, als hij over
des konings graf gaat, springen de ijzeren banden af:
36 Hr. Peder gik sig til Smedje,
lod slaa sig Jaern om Midje.
37 Han lod slaa sig Jaern om Haand og Fod,
for han vilde gange af Landet ud.
38 Saa tog han sig Pilgrimsstav i Hand.
Saa for han sig saa vide om Land.
39 Han för sig over Ørsels Hav,
og han gik til den hellige Grav.
40 Ikke da kunde han fange Bod,
og end sad ham Jaern om Haand og Fod.
41 Saa vel hej!
Hr. Peder han ganger over Kongens Grav:
alle da sprang ham Jaernen af.
2)
Velan! vel over at ride!
Vermoedelijk zal men de hier besproken ijzeren banden moeten beschouwen als
een verzinnelijking van de macht, door een of ander bovennatuurlijk wezen over
een mensch uitgeoefend. Is die beschouwing juist, dan heeft de dichter van Mariken
van Nieumeghen zich van een heidensch motief bediend en dat verchristelijkt.
Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat er verband be-
1)
2)
Danske kaempeviser ..... af N.F.S. Grundtvig. Andet Oplag. København 1875 p. 176-'7.
Danmarks Folkeviser i udvalg ved Svend Grundtvig (1882) p. 39.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
77
staat tusschen deze ijzeren ringen en de ijzeren banden die het hart behoeden voor
breken, waarvan men gewag gemaakt vindt o.a. in het bekende sprookje Der
1)
Froschkönig oder der eiserne Heinrich .
G.K.
47. J.J. Bodmer over Antonides' Y-stroom.
De bekende Züricher geleerde, criticus en dichter Johann Jakob Bodmer was in
1734 bezig met een leerdicht, getiteld Character der Teutschen Gedichte, dat door
Jakob Baechtold met recht is gekenschetst als: ‘einer der ältesten Versuche
zusammenhängender historisch-kritischer Betrachtung en ‘in grossen Zügen ein
1)
Bild unserer Litteratur von ihren Anfängen bis auf des jungen Bodmers Zeit’ .
In de tweede vermeerderde uitgaaf van dat gedicht (c. 1738) lezen wij:
Wohlan, erwähl ein Werk im weiterm Inbegriffe,
Von höherm Schall und Pomp.
Lasz uns des Ystroms Lob in Schilderrahmen sehn,
Die auf dem Vördergrund in lichten Flammen stehn,
Und in die Ferne dann mit abgesetzten Stralen
Die Aussicht und Verschiesz in der Vertiefung malen.
Erhöh den reichen Flusz nach Schilderer Gebrauch;
1)
Vgl. Anmerkungen zu den Kinder- u. Hausmärchen der Brüder Grimm neu bearbeitet von
Johannes Bolte und Georg Polívka (1913) S. 1 flgg.
Te vergelijken is misschien ook deze plaats uit de ‘clute’ van Nu Noch vs. 5-6:
Maer als ic thuus ben, leijt mijn herte ghebonden,
Zo minnelic ben ic ghelevert den honden.
Een voorbeeld uit lateren tijd in Goethe's Iphigenie auf Tauris I, 2:
Und wie mit Eisenbanden bleibt die Seele
Ins Innerste des Busens dir geschmiedet.
1)
Zie: Deutsche Litteraturdenkmale des 18. Jahrhunderts in Herdrucken herausgeg. von B.
o
Seuffert (Stuttgart, Göschensche Verlagshandlung, 1883) n . 12, p. III, 35.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
78
Und bringe Licht und Glanz aus Dunkelheit und Rauch
Gleichwie der Morgenstern, wenn andre sterne sinken,
Und itzt mit welkem Haupt am blauen Himmel blinken,
Als aller Oberhaupt, mit gröszerm Schimmer glänzt,
Und alle übertrifft, und all ihr Heer umkränzt;
Also verbinde die in deinem Stromgedichte
Ein künstlich Bilderwerk der Fabel und Geschichte,
Worauf der Ystrom stets im hellsten Feuer glüht,
Und einen langen Pomp von Strömen nach sich zieht.
enz.
In de Aanteekeningen op zijn leerdicht heeft Bodmer een dertigtal verzen uit den
Y-stroom aangehaald, die door hem in de boven medegedeelde verzen en andere
volgende zijn nagevolgd.
Opmerkelijk mag heeten, dat in dit dertigtal Nederlandsche verzen, door een
Duitscher (Duitschen Zwitser) geciteerd, slechts twee fouten zijn (driemal voor
driemael en gotteloos).
G.K.
48. Geen drukfout bij Vondel.
Ey! Goddelick Poëet, mocht ick myn daghen langh
Onaenghenaemste krael, navolghen u ghesangh,
Daer int ghewyde Choor, ghy Priesterlick' den Heere
T'soet reuckwerck zyt ghewoon t'ontsteken van zyne eere.
Aldus Vondel in ‘de Vaderen’ (reg. 9-12) tot den ‘onsterflycken Gascon’ Du Bartas.
Bij Van Lennep - Unger vind ik aangeteekend: ‘Onaenghenaemste krael:
waarschijnlijk moet men hier aan een drukfout denken, en lezen “O aangenaamste
kraal!” d.i. zanger’.
Hendrik C. Diferee, in Vondel's Leven en Kunstontwikkeling, Amsterdam 1912,
blz. 88, dezelfde regels aanhalende, schrijft: ‘O'raenghenaemste krael’ en teekent
er bij aan: ‘De oorspronkelijke uitgave heeft onaenghenaemste, wat vermoedelijk
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
79
o'raenghenaemste, eene verkorting van over-aenghenaemste .... zal moeten zijn’,
enz.
Wij hebben hier echter niet met een drukfout te doen.
Dat Vondel BARTAS zou hebben toegesproken met ‘onaenghenaemste krael’ is
natuurlijk niet waarschijnlijk. Maar hij bedoelt er ook BARTAS niet mede. De woorden
vormen een bijstelling van ‘ick’, en Vondel, in bescheidenheid, bedoelt er - juist om
de grootheid van den Gasconjer te meer te doen uitkomen, door er zijn eigen
nietigheid naast te plaatsen, - zich zelven mede. Wat hij zegt is dus dit: ‘Goddelijke
dichter, mocht ik mijn leven lang als de minst geziene der koorzangers, uw gezang
begeleiden’, enz.
C. BAKE.
49. Ledanzemaker.
Bovenstaand woord geeft de Bo op als benaming voor den man, die de rijtuigen
bekleedt; hij werpt daarbij de vraag op, of dit niet door metathesis kan ontstaan zijn
uit diligencemaker. Daartegen pleit: 1. dat enkele metathesis nog niet dezen vorm
geeft, terwijl ook bij een zoo gewoon en veel gebruikt woord niet zoo licht een
zoodanige verminking of verhaspeling zou voorkomen, al is het niet onmogelijk; 2.
dat het niet in den aard van de zaak ligt juist een bekleeder van rijtuigen
diligencemaker te noemen. Zou niet eerder ledanze een volksuitspraak zijn van lit
d'ange? Het bekleeden van rijtuigen was in den vroegeren tijd, toen de rijtuigen in
1)
vorm veel hadden van een staatsie-ledikant op wielen , zeker meer het werk van
een behanger dan van een zadelmaker, en dat behangers zich op het maken van
ledikanten toelegden, en tevens meer dingen
1)
1
Zie B e r k h e y , Nat. Hist. IV , 239: ‘De Koetsen ... wierden toen gemaakt op de wyze van
een Paviljoen, of eene rybaare tent; welker verhemelte, bij manier van een Ledikant, aan de
zyden met pragtige falballaas en gordynen, mitsgaders van boven met pluimen, vercierd was’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
80
deden, die het gebied van den zadelmaker raken, zag ik bewezen door een
advertentie in de 's Gravenhaegse Woensdaegse Courant van het jaar 1742, waarin
een behanger zich aanbeveelt voor het maken van ‘alle soorten van Nieuwmodische
Ledikanten en Lit d'Anges’ en tevens van veldtenten.
De overgang van lit d'ange in ledanze is, dunkt me, zeer natuurlijk.
C.H.PH. MEIJER.
50. Bredero's Moortje, vs. 2931.
In de aardige beschrijving van het ijsvermaak op den Amstel, in Bredero's Moortje,
wordt door vader Lambert onder de schaatsenrijders die hem voorbijkomen ook
genoemd:
droncke Keesje vande Slochter:
Mit zyn moye Tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter.
Moltzer verklaart in de bekende Bredero-uitgave van Binger (2,115) slochter door
‘slager’ en Nauta neemt in zijne Taalk. Aant. op de Werken v. Bredero, § 6, deze
verklaring over.
Toch is het niet aannemelijk dat slochter een bijvorm van slachter zou zijn.
Ik vermoed dat we te doen hebben met een eigennaam. In verschillende deelen
van Noord-Holland vindt men wateren die de Slochter heeten, en naar een daarvan
zou ‘droncke Keesje vande Slochter’ genoemd kunnen zijn; er is er b.v. een tusschen
de Haarlemmer trekvaart en de Slotermeer bij Sloterdijk, en een ander onder
Landsmeer. Zie verder over dit woord mijn Zaansch Idioticon, kol. 939.
G.J. BOEKENOOGEN.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
81
Tesselschade hervormd of doopsgezind?
o
Op deze vraag van Mr. C. Bake, onder N . 39 van ‘Kleine Mededeelingen’, valt het
antwoord niet moeilijk. Tesselschade was zonder twijfel niet doopsgezind, maar
hervormd. Tot de meening, dat haar vader Roemer Visscher, en dus ook zij,
doopsgezind was, werd ik aanvankelijk gebracht (Verslag v.h. Vondel-Museum, 13
Mei 1910, bl. 25-26) door (op gezag van Dr. P. Leendertz Jr., Leven v. Vondel, bl.
15, noot), als bewijs van doopsgezindheid aan te nemen de verklaring, o.a. ook
door R. Visscher afgelegd: ‘bij ware christelijke woorden, oprechte geloove, eere
ende vromicheyt in plaetse van eede.’ Later is mij overtuigend gebleken, dat een
dergelijke verklaring in de notarieele akten een algemeen aangenomen formulier
was, waaraan lieden van allerlei richting zich hielden. Ik heb deze uitdrukking
gevonden zoowel waar het betreft de akten van Katholieken en Doopsgezinden,
als Hervormden, en zelfs van Israëlieten. Voor het geloof van R. Visscher en zijn
dochters is dit dus volstrekt geen bewijs, en bij een latere behandeling van dit
onderwerp heb ik mij dan ook niet meer op het argument van de notarisformule
1)
beroepen . Het bewijs, dat ook de kinderen van Roemer Visscher niet katholiek
(zooals steeds is beweerd), maar hervormd waren, evenals hun moeder Aefgen
Jansdr. van Campen, is gemakkelijk te leveren. Behalve het door Mr. Bake
aangehaalde vers van Huygens (al zijn verzen met omzichtigheid als historische
bewijzen te gebruiken!),
1)
Zie Over Vondel, Tesselschade en andere vrouwen uit zijn kring, in ‘Annalen van de
Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in
Nederland.’ Jg. 1912, bl. 72.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
82
blijkt, dat Tesselschade hervormd was, uit het feit, dat zij 6 Juni 1614 in de Oude
Kerk te Amsterdam als doopgetuige stond over het oudste kind van haar zuster
Truitje. (Zie Unger, Oud-Holland, III, bl. 168). Vreemd is 't, dat dit Unger ontgaan is.
Een roomsche vrouw kón en mócht dit niet doen in een Hervormde kerk. Roemer
Visscher liet zijn kinderen Geertruy en Grietje opnemen in de Hervormde Kerk. (Zie
De Roever, Oud-Holland, I, bl. 243, noot 4). Voor Geertruy blijkt het ook uit haar
huwelijk in de Hervormde Kerk, bij Unger, Oud-Holland III, bl. 167. En bovendien
nog uit het feit, dat zij alle vier hare kinderen in de Oude Kerk liet doopen. (Unger,
t.a.p., bl. 168). Toen De Roever (Oud-Holland, I, bl. 241, v.o.) klaagde, dat de
doopboeken der Roomsch-Katholieken na 1578 te Amsterdam niet meer aanwezig
zijn, en dit betreurde in verband met de onzekerheid omtrent de geboortejaren der
kinderen van R. Visscher, verkeerde hij nog in de meening, dat zij katholiek waren.
Zouden die data, nu men beter is ingelicht, niet te vinden zijn in de doopboeken der
Hervormde Gemeente? Ik weet niet, of die nog voorhanden zijn. Tesselschades
huwelijk met den Protestant Crombalch, 29 October 1623, is ook een nader bewijs
voor haar Hervormd geloof. Taddea, haar oudste dochtertje, wordt 19 Februari 1625
1)
hervormd gedoopt . Bij de aanteekening van het overlijden van Tesselschades
tweede dochter Maria, op 4 September 1647 te Alkmaar, staat geen vermelding
omtrent den doop. Het ligt voor de hand, dat zij, vóor of na haar moeder, in 1642,
evenals deze katholiek is geworden.
De bewijzen voor Tesselschades overgang tot de Katholieke Kerk in 1642 heb ik
afdoende geleverd in bovenvermeld ‘Verslag van het Vondel-Museum’ en in het
reeds genoemde artikel in de Annalen, 1912.
Heemstede.
J.F.M. STERCK.
1)
Mededeeling van den heer C. Bruinvis te Alkmaar.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
83
D'onbekende voerman van 't Schou-burgh.
Achter het gedicht De geest van Mattheus Gansneb Tengnagel, In d'andere werelt
by de verstorvene Poëten (1652), waarvan de schrijver blijkt voortreffelijk t'huis te
zijn in de letterkundige geschiedenis van zijn tijd, komt een vers voor met den
bovengenoemden titel. Wanneer de geest van Tengnagel vol angst de geesten ziet
der dichters, die hij opnoemde, terwijl hij over hunne werken een kras oordeel velde,
verzoekt hij ten slotte onder hen te mogen plaats nemen. Zij verwelkomen hem en
staan hem zijn verzoek toe, maar eerst moet hij, volgens de onder hen bestaande
wet, een eigen vers voordragen. En nu volgt D'onbekende voerman van 't
Schou-burgh, waarop reeds in het begin van De geest wordt gezinspeeld met de
woorden:
‘Voerman die de Schouburghs waghen
Aefrechts mende, weet ghy 't niet,
Hoe dat ick voor dou en daghen
Pleegh te singen aen u liedt?’
D'onbekende voerman is een vers van 326 regels, vol toespelingen op tooneelzaken.
Toen Unger in 1883 zijne studie over Tengnagel in Oud-Holland, I, publiceerde, liet
hij het in zijn geheel afdrukken (blz. 217-219), ‘in de hoop, dat het onzen literatoren
moge gelukken, het volkomen te verklaren’. Daartoe beweer ik niet in staat te zijn,
maar ik geloof toch de enkele ophelderingen van Unger met vele te kunnen
vermeerderen.
Unger giste, dat het vers in 1638 is geschreven, omdat aan het slot melding wordt
gemaakt van Vondel's verloren treurspel Messalina. De gissing is juist, zooals uit
het volgende zal blijken.
1)
En nu het gedicht zelf. Het begint aldus :
1)
Ik volg den tekst, zooals Unger hem geeft, maar heb hier en daar drukfouten verbeterd en
de interpunctie veranderd.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
84
‘Wonder, wonder, noch eens wonder!
't Gat leyt boven, 't hooft leyt onder,
En het gaetter wel verkeert,
Daer de knecht sijn meester leert.
Onse wagen die sou hollen,
Stond zy maer op rat, of rollen,
Want mijn Ezels gaender voor,
Sonder wetenschap van spoor.
D'eerste draeft vry wat hoveerdigh,
En de tweede gantsch oneerdigh,
Doch de derde valt soo goet,
Dat ick d'Ezel prijsen moet.
'k Ben met 't vierde heel bedroogen,
't Arme beest heeft glaesen-oogen,
En het kijckter niet meer uyt.
Maer het vijfde moest ick hebben,
Want de haver inde krebben
Wou aen 't wassen met gewelt,
Ofse stond op 't open velt,
Daerse swelt van dauw en regen;
1)
Had ick Slock-op niet gekregen ,
'k Was nou al aen 't dorsen vast,
Daer ick nu van ben ontlast.
Maer wat dunckje van de leste?
't Is al vry wat veer van 't beste;
Daerom loopt hy oock voor speck
Sonder bitjen in sijn beck’.
De Ezels, waarvan gesproken wordt, zijn de zes regenten van den Schouwburg
o
(Unger). Letten wij eerst op N . 5 en bedenken wij, dat als vijfde regent in het jaar
2)
1637-1638 wordt opgegeven Hereman Dircksz. Coorenkind , die verder niet meer
als zoodanig voorkomt - hij was in 1635 en volgende jaren bestuurslid der Oude
3)
Kamer geweest - dan kunnen wij gemakkelijk de anderen identificeeren. De eerste,
die ‘draeft vry
1)
2)
3)
De beteekenis van den versregel is niet duidelijk.
Zie C.N. Wybrands, Het Amsterdamsche Tooneel van 1617-1772, blz. 227, waar eene lijst
der regenten is afgedrukt.
Zie Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde, II, Haarlem, De
Erven F. Bohn, 1908, blz. 122.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
85
wat hoveerdigh’, is Willem Dircksz. Hooft (1594-1658). Glazenmaker en glasgraveur
van beroep, was hij in 1622 met de Jan Saly als kluchtspelschrijver opgetreden en
had zich later met Door-trapte Melis (1623), Andre de Piere (1628), Stijve Piet (1628)
en de Heden-daegsche Verloren Soon (1630) op letterkundig gebied onderscheiden.
Zijne stukken werden zoowel op de Brabantsche kamer, als op de kamer In Liefd'
Bloeyende en op Coster's Academie gespeeld en hadden succes. In 1635 was hij
1)
hoofd der kamer In Liefd' Bloeyende , die zich in 1632 met de Academie had
vereenigd, en het was dus niet vreemd, dat de Amsterdamsche magistraat, op
voordracht van de regenten der beide Godshuizen, hem in 1637 koos tot een der
hoofden van den pas opgerichten Schouwburg. Dat ambt heeft hij bekleed van 1637
de
tot 1642, 1644 tot 1647 en 1651 tot 1653. - Als 6 wordt in het lijstje bij Wybrands
Simon Engelbrecht genoemd (1606-1671). Hij was te Aken geboren, maar werd
koopman te Amsterdam. Engelbrecht stelde veel belang in het tooneel, was een
vriend van den dichter Krul en in 1637, van 1642 tot 1644 en van 1667 tot 1671
regent van den Schouwburg. Hij heeft in 1646 Krul's Tirannige liefde, vertaald naar
L'Amour tyrannique (1638) van George de Scudéry, uitgegeven en schijnt ook zelf
2)
tooneelstukken uit het Fransch te hebben vertaald . In het laatst van zijn leven kreeg
hij het te kwaad met de leden van ‘Nil Volentibus Arduum’, die hem beschuldigden
van intrigeeren en dat wel tegen hen, onnoozele lammeren. Hevige aanvallen had
Engelbrecht van hen te verduren en nu wordt in één pamflet o.a. van hem gezegd,
dat de vroedvrouw bij zijne geboorte zag, dat door ‘zijn tantvlees alreê slaghtanden
doorquamen’, en in een ander: ‘De man met sijn slagtanden bedeckt sijn bijters soo
1)
2)
Zie Dr. J.F. Haverman, W.D. Hooft en zijne kluchten, 's Gravenhage, H.P. de Swart en Zoon,
1895, blz. 11, 12.
Zie Dr. J. te Winkel, Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, blz. 121,
122.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
86
met sijn lippen, dat hij nu wel een zuyg-hontjen lijckt, daer hij eerst wel voor het qua
1)
beest in Piramus en Thisbe sou hebben konnen speelen’ . Wij hebben hier dus
denzelfden persoon, die, volgens Tengnagel, loopt ‘Sonder bitjen in sijn beck’.
o
o
Nu N . 1, 5 en 6 van Tengnagel's opsomming geheel overeenkomen met N . 1,
5 en 6 van Wybrands' lijstje, mogen wij het er voor houden, dat dit ook met de drie
anderen het geval zal zijn. De tweede Ezel dan, die ‘gantsch oneerdigh’ draaft, is
waarschijnlijk David Cens, Ces, Sens of Zens; hij wordt ook aan het slot nog eens
genoemd, want hij was een der twee hoofden van den Schouwburg, die het volgende
jaar werden herkozen. Cens komt in de Amsterdamsche Lindebladen (1640) van
Tengnagel een enkelen keer voor onder een groot aantal namen van dichters; waren
de
de Amsterdamsche liederboekjes van het eerste gedeelte der 17 eeuw nauwkeurig
onderzocht, dan zouden wij misschien iets meer van hen weten. - De derde man hij wordt door den dichter geprezen om zijne goedheid - is Steven Jacobsz.
2)
Vennekool, die in 1625 een der ‘overluyden’ van het chirurgijnsgilde was . In 1619
had Dirk Rodenburg aan hem het eerste deel van zijn drama Hertoginne van Savoyen
en Don Juan de Mendossa opgedragen, het tweede en derde deel aan Elisabet
Dieryckx van den Hoef, Vennekool's vrouw, en Steven had die beleefdheid
3)
beantwoord met een Sonnet In tloof van ..... Theodor Rodenburgh . Ook Rodenburg's
Sigismund en Manuella (1635, 1636) is aan Vennekool opgedragen, die toen
4)
bestuurslid was der Oude Kamer . - De man met de glazen oogen, dus met een
bril, moet Mr. Jacob Dielefsz. Block zijn. Hij was in 1638, 1639 en 1644 overman
1)
2)
3)
4)
T.a.p., blz. 132.
Zie Jhr. Dr. J. Six in Oud-Holland, IV, blz. 86.
Zie Dr. J. Alblas, Bibliographie der werken van Theodoor Rodenburgh, Utrecht, Firma J.L.
Beijers, 1894, blz. 24.
Zie Te Winkel, De ontwikkelingsgang, t.a.p.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
87
1)
van het chirurgijnsgilde . Ook Block wordt in Tengnagel's Lindebladen als dichter
genoemd; hij heeft o.a. een lofdicht geschreven op B. Fonteyn's Fortunatus Beurs
en wensch-Hoedt (1643) en ook zijn vriend Krul bezongen, zooals wij dadelijk zullen
zien. Behalve in het jaar 1637 tot 1638, was hij van 1641 tot 1644 en van 1648 tot
1651 hoofd van den Schouwburg.
Wij gaan nu verder met Tengnagel's gedicht:
‘Yemant sou hier konnen vragen:
Kan een Ezel so hart jagen,
Dat hy met syn snelle gangh
Kar en Voerman valt te bangh?
Daer de luyaert niet wil roeren,
Of men moet hem eerst soo voeren
Met een hout, dat wacker kleeft,
Dat hy bult of strepen heeft.
Hierop segh ick met de waerheyt:
Ondervindingh, die maeckt klaerheyt;
Nodeloos word het bediet,
Datmen voor sijn oogen siet.
Heughtje noch wel, Kameristen,
Hoe Sint Jacob plagh te twisten?
En hy had niet eene Schulp,
Die sijn vrome Meester hulp.
Juyst quam Jantje met sijn Krullen
Om Sint Jacobs kap te vullen,
En hy gaf hem sulcken hert,
Dat de stumpert lachend wert.
“t Is geen nood, bedwinght jou klagen;
Moetje van de oude wagen”,
Seyden Jantje, “ick weet raet,
Dat het jou wat beter gaet.
Siet, wy sullen 't samen lopen
En een eygen wagen kopen.
1)
Misschien ook nog in andere jaren; een Jacob Block komt meermalen voor als dat ambt
bekleedende - nooit tegelijk met Jacob Dielefsz. Block - en nog in 1664 als deken van het
gild, volgens vriendelijke mededeeling van Mr. W.R. Veder, Archivaris van Amsterdam.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
88
Peerden heb ick al besteet;
Was de wagen maer gereet.
Yser-werrick heb ick mede,
Benje slechjes wel te vreden,
En wy sullen, soo ick meyn,
Dichjes by de Lombert zijn;
Dat kan oock voor al niet schaden.
Vind jy 't oock soo niet geraden,
Jacob Oom? Wat dunckjer van?
Wel dat gaetter dan op an.”
Daermee gingh het op een bouwen,
Op een hacken, op een houwen,
Datmen in een korten tijt
Al het yser raeckten quijt,
En het gelt was mee te soecken.
Arme Jacob weer aen 't vloecken
En de peerden op ter loop;
Daer lagh 't alles overhoop’.
‘Jantje met sijn Krullen’, die genoeg ‘yser-werrick’ heeft, is natuurlijk Jan Hermansz.
1)
2)
Krul (1601?-1646), smid van zijn ambacht, maar ook lyrisch en dramatisch dichter .
De hier aangehaalde versregels doelen op de oprichting van Krul's ‘Musyk-kamer’
in 1634. - Na de vereeniging van Oude Kamer en Academie (1632) liet de eenheid
onder de kamerbroeders evenveel te wenschen over als vroeger dikwijls het geval
was. Waarschijnlijk voelden Krul en zijne vrienden zich minder goed t'huis in een
kring, waarin het eenigszins ruw toeging, waar men zich weinig om de kunst
bekommerde en niet elke richting tot haar recht kon komen. Ook waren de vertoonde
3)
drama's niet altijd van zedelijken aard . Daarom scheidden Krul en eenige anderen
zich af en stichtten eene
1)
2)
3)
Reeds opgemerkt door Unger.
Zie over hem, Dr. G. Morre, Jan Hermansz. Krul, Delft, J. Waltman Jr., 1894.
Vgl. de aanhalingen uit een in 1634, anoniem, verschenen gedicht, getiteld: Treur-klacht van
Liefd' Bloeynde, door Te Winkel aan Krul toegeschreven, in De ontwikkelingsgang, blz. 116,
en Krul's Inleydinge, Gedaen op de Amsterdamsche Musyck-kamer, Ie blijft in Eelen doen.
In Mayo 1634.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
89
nieuwe vereeniging; tot hen behoorden o.a. Engelbrecht en J.D. Block. De
laatstgenoemde heeft een Lauwer-krans voor Krul geschreven. Het vers van
Tengnagel geeft ons verder nog eenige opheldering over de oprichting der
Musyk-kamer. Sint Jacob en Oom Jacob zijn blijkbaar namen voor Jacob Block, die
het oneens was met de leden der Oude Kamer - de toespeling in ‘eene Schulp’
1)
ontgaat mij - en geld stak in de nieuwe onderneming , waarvan het gebouw in de
buurt was van den Lomberd, gelegen aan de Oudezijds-Voorburgwal, Lomberdsteeg
en Nes. De inrichting heeft maar korten tijd bestaan en Block heeft er blijkbaar zijn
geld in laten zitten.
De ‘Voerman’ vervolgt:
‘Hadden die luy sulcken sotheyt
En haer peerden sulcken botheyt,
Hoe sal 't met mijn wagen gaen,
Daer maer Ezels trecken aen?
Maer dat wil ick wel bekennen,
Dat mijn Wagen niet sal rennen,
Want hy is van Camper-hout
Al te groot en swaer gebout,
En met kalck en steen geladen,
Sonder rollen, sonder raden;
Soo men ergens rollen vont,
2)
Die staen opwaerts in de gront .
Dus en hoef ick niet te duchten
Om het hollen, maer ick suchte,
Dat mijn Ezels g'lijckerhandt
Sullen met haer onverstandt,
Daer geen reden is te scherpen,
Al mijn Wagen ommewerpen,
En als 't onderst boven leyt,
1)
2)
Hij komt niet voor in het Kohier van den tweehonderdsten penning voor Amsterdam en
onderhoorige plaatsen over 1631, uitgegeven vanwege het Koninklijk Oudheidkundig
Genootschap te Amsterdam, door J.G. Frederiks en P.J. Frederiks, Amsterdam, Ten Brink
en De Vries, 1890, maar is misschien dezelfde als de daar (blz. 26) genoemde Blocken, die
op den Zeedijk woonde en wiens vermogen op ƒ 12.000 werd geschat.
De heipalen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
90
Dan is al mijn werck bekaeyt,
En ick kan hem niet oprechten,
Want ick heb geen hulp van knechten.
Of ick schoon na Joosje loop,
Die en krijgh ick niet goed koop,
Want doe hy sijn dienst my gonde,
Hebben s'hem naer huys gesonden;
D'eerste Ezel van de ses
Wou niet luyst'ren na sijn les,
En de andere balckten Amen,
Want sy hoorden al te samen
Meer na d'Ezels bot gebrem,
Als na Joosjes sweep of stem,
Die doe meed' de Wagen mende,
Doe hy noch stond over-ende;
Doch hy leyt noch niet heel neer,
Maer ick sie hem al omveer.’
Bij ‘Camper-hout’ teekent Unger aan, dat het eene toespeling is op Nicolaes van
Campen, den bouwmeester van den Schouwburg, die later nog eens genoemd
wordt, en hij gist, dat met Joosje Vondel bedoeld is. Die gissing houd ik voor juist.
Maar wij mogen in deze versregels geene toespeling zoeken op de tegenwerking
bij de eerste opvoering van de Gysbreght, zooals ik eerst meende.
Als datum, waarop de nieuwe Schouwburg zou worden ingewijd en de Gysbreght
zou worden gespeeld, was 26 Dec. 1637, dus de tweede Kerstdag, vastgesteld.
Maar de kerkeraad der Gereformeerde Gemeente zond eene commissie naar de
regenten van het Weeshuis, om hen aan te sporen ‘de verthooninge vande
superstitien vande paperye, als misse en andere ceremonien’, niet toe te laten.
Toen die commissie niet slaagde, vaardigde de kerkeraad twee zijner leden af naar
de burgemeesters, maar ook deze stap bleef in zooverre zonder resultaat, dat de
1)
vertooning van het treurspel niet werd verboden ; zij werd echter uitgesteld tot den
den
3
Januari 1638, den eersten Zondag
1)
Vgl. J.H. Rössing in De Tijdspiegel, III, blz. 287, 288.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
91
na nieuwjaar. Ook onder de hoofden van den Schouwburg was er tegenwerking,
nl. van de zijde van Simon Engelbrecht. Die tegenwerking gaf Vondel het versje in
de pen: Als Gysbreght van Aemstel belet wierd gespeelt te werden, door N.N. een
Akenaer.
Wie wroet des Amstels Schouwburg om?
1)
Een Akervarken, bot en dom .
Maar D'onbekende voerman zegt, dat ‘D'eerste Ezel van de ses’ niet naar Joosjes
stem wou luisteren, en de eerste was, zooals wij boven zagen, W.D. Hooft. Aan
eene vergissing van Tengnagel mogen wij niet denken; daarvoor was hij veel te
goed op de hoogte van de tooneelgeschiedenis van zijn tijd. Het komt mij
waarschijnlijk voor, dat Vondel aan de hoofden van den nieuwen Schouwburg zijne
hulp en zijn raad had toegezegd - dat mag men m.i. opmaken uit de woorden: Die
doe meed' de Wagen mende - maar dat al heel spoedig de ‘hoveerdighe’ Hooft daar
niet van gediend is geweest en Vondel zich heeft teruggetrokken.
De Voerman heeft nu weer het woord:
‘Och! ick mach 'er niet op dencken,
Want ick sou mijn sinnen krencken,
En ick ben mijn niet gelijck,
Als ick op mijn Ezels kijck,
Die, in schijn van menschen, trecken,
En mijn oogen souden decken,
Seyde niet haer buyten-schijn,
Datse binnen Ezels zijn,
Op een nieuw fatsoen gebooren.
Sonder lange steyle ooren;
En 't is seker, want haer daet
1)
Vgl. Dr. G. Penon, Historische en bibliographische beschouwing van Vondels hekeldichten,
Groningen, P. Noordhoff, 1873, blz. 190, vlgg.; mijn Jan Vos, Groningen, bij J.B. Wolters,
1879, blz. 100, 101; Te Winkel, Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde,
blz. 120, 121, en Unger's Vondel, 1637-1639, blz. 129.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
92
En haer woorden houden maet,
En men kan in Ezels wercken
Sulcken plompheyt niet vermercken,
Als in dese ses haer doen,
Diemen menschen sou vermoen.
Want het beest, recht beest geschapen,
Is gemaeckt, nu om te slapen,
Dan te wercken na den eysch,
Anders krijght hy harde spijs.
1)
Maer mijn Plompaerts moet ick voeren ,
Maer mijn luyaerts wercken niet,
Als aen 't geen mijn schade biet,
En sy willen echter hebben
Suyver stroy en volle krebben,
Ja in sulcken overvloet,
2)
Dat mijn blaes weer roocken moet ,
Die ick uyt de Schoorsteen haelde,
Want ick dacht niet, dat ick dwaelde,
Maer ick meende, heel verblijt,
Hem te proppen metter tijt
En met duyten vol te garen,
Die ick nou begost te sparen
En mijn jonckheyt vaeck ontnam,
Of de oude dagh eens quam,
Die so menigh na laet jancken,
Alsser niet en is te bancken.
Luye Ezels, waer je 't vroe
Hoe een out man is te moe,
Die wat leckers heeft te smullen,
'k Meen niet, dat je soo sout pullen
En de Pachters loopen aen,
Die Zach'rias heten gaen,
Sonder eenich cijns te langen,
Want je maeckten t'haer soo bange,
Alsje lickte met malkaer
Vaetjen voor, en vaetjen naer,
1)
2)
Hier zijn vijf onkiesche versregels, die niets tot de zaak afdoen, weggelaten.
De blaas, waar ik mijn spaarduiten in bewaar.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
93
Doe Vrou Mari met haer Papen
Alleman joegh in de Wapen.
Dan je klaerden 't doe so moy,
Dat je haver kreeght voor hoy.’
Welke pachters hier bedoeld worden, is niet duidelijk. Aan den Schouwburg was
geene koffiekamer verbonden, dus aan pachters van het buffet is niet te denken.
Maar de tooneelspelers werden op kosten van den Schouwburg nog al eens op bier
1)
onthaald, en somtijds ook door de dichters getracteerd . En de hoofden vergaderden
al evenmin op een droogje, als eenig ander college in dien tijd. Waarschijnlijk was
dus de leverantie van de vele drinkwaren gepacht door eigenaars van dicht bij den
2)
Schouwburg gelegen herbergen . Zacharias Jans was de knecht die de hoofden
3)
gewoonlijk bediende en ook wel een enkelen keer als tooneelspeler optrad ; als
zoodanig komt hij dan ook in De Geest voor. De meeste acteurs toch beoefenden
tevens een ander vak of ambacht. - Met ‘Vrou Mari met haer Papen’ is zonder twijfel
de
de Gysbreght bedoeld; men vergelijke het verhaal, dat de Bode in het 5 bedrijf
doet van de moorden in het klooster der Klaerissen, en met name den uitroep van
Klaeris van Velsen (vs. 1478): ‘O zuivre maeghd Marije!’ Aan de Maria Stuart (1646)
kan hier niet gedacht worden.
De Voerman vervolgt:
4)
‘Maer je gingh se haest misbruycken
Door de veelheyt van de kruycken,
1)
2)
3)
4)
Vgl. Wybrands, t.a.p., blz. 83.
In de ‘Rekeningh van de nieuwe Schouburgh. Begonnen in April 1637, gesloten 18 January
1639’ (Hs. van het Stedelijk Archief van Amsterdam), komt b.v. op 15 Oct. 1638 de post voor:
‘een reeckening van bier aen Aefgen Victorinus ƒ 144:18’. Haar naam komt dikwijls in de
‘Rekeningh’ voor.
Zijn naam komt in beide hoedanigheden meermalen voor in de ‘Rekeningh’ van 1638 en die
van de volgende jaren.
Nl. den haver; zie den vorigen versregel.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
94
Dat ick menighmalen dacht,
Dat het nutter was gebracht
In mijn blaes, en die te hopen,
Om hier na te mogen koopen,
In een eygen stille kluys,
Warme kost in 't Mannen-huys
En het overschot te senden
1)
Na jou meesters bonte bende ,
Daer jy, Ezels, selfs wel weet,
Dattet beter is besteet,
Als jou holle Jaepse basten
Met haer brockjes t'overlasten,
Die je dickwils overgaf,
Als een Vercken geeft sijn draf.
Wijse Floris, sonder weten,
Of die wijs wil sijn geheten,
Jy behoorde sulcken doen
Met oogh-luyckingh niet te voen,
Maer veel eerder uyt te royen;
Dan ick denck, het klockend' poyen
Had met jou oock sulcken val,
Als met yemand van haer al,
En het is oock vaeck gebleken
Door je droncken Hoofsche streken,
Als de swarte Leeu sijn vat
Seyde: “Hopmans Seun is nat,
Maer hy is weer wel gewapend,
Want hy heeft mijn kracht, al gapend',
En mijn vochtigh ingewant
Door sijn toogjens over-mant.”
Wel, wat nood was 't, dat jou sinnen,
Buyten bierigh, en van binnen,
Maelden als een Water-wiel,
Als je 't soopje binnen hiel.
Maer je moetje kracht stracks uyten
En je hoovaerdy ontsluyten,
Die met sulcken botticheyt
Al je malle doen beschyt,
Dat je knechten t'samen rotten
1)
De weeskinderen in hunne kleurige kleedij.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
95
En je Heerschappy bespotten,
En een yeder, die het hoord,
Barst van lachen en schreewt: moord,
En men acht het voor een wonder,
Somer-Vorst en Winter-donder,
Maer dit wonder is noch meer,
Want de knecht gebiedt sijn Heer,
En de Meester, die moet letten
Op het kind zijn arme wetten’;
Nadat de Voerman dus geklaagd heeft over de vele onkosten, ten gevolge van het
drinken der hoofden, waardoor het Oude-Mannenhuis wordt benadeeld en hij zelf
genoodzaakt te sparen, daar hij nu minder kans heeft, eene plaats in dat gesticht
te veroveren, gaat hij over tot de regenten, die van 1638 tot 1639 aan het hoofd van
den Schouwburg stonden. In de ‘holle Jaepse basten’ ligt eene toespeling op Jacob
Bas Cornelisz, van wien mij niets bekend is; zeker behoorde hij niet tot het bekende
geslacht, dat in Amsterdam vele ambten heeft bekleed. - ‘Wijse Floris’ is, zooals
Unger reeds heeft meegedeeld, Floris Soop; op hem doelt ook, 19 regels verder,
de uitdrukking ‘'t soopje’. Ook in het volgende jaar was hij hoofd van den Schouwburg.
In de Amsterdamsche Lindebladen noemt Tengnagel hem onder de dichters. ‘De
swarte Leeu’, wiens vat sprekend wordt ingevoerd, was het huis De Leupart. Op
den Oude-zijds-achterburgwal was tusschen den Korten-niezel en het
Vredenburgssteegje een groot pakhuis, dat dien naam droeg. Daarin lag een
reusachtig vat, dat, naar men zeide, 112 okshoofden kon bevatten; het was ingericht
1)
als eene gelagkamer, met eene tafel in het midden en banken aan den kant . Die
eigenaardige herberg werd veel bezocht door deftige menschen; o.a. kwam Daniel
Mostart, die secretaris van Amsterdam was,
1)
Vgl. J. ter Gouw, Eene wandeling in Amsterdam, in het midden der zeventiende eeuw,
Amsterdam, C.L. Brinkman, 1865, blz. 63, en zijne Nalezing op de Amstelodamiana, 1866,
blz. 107, 108.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
96
1)
er wel, zooals Vondel in een brief aan Hooft meedeelt . - Jan Hendricksz Soop, de
2)
vader van ‘wijsen Floris’, had in 1612 eene glasblazerij op den Kloveniersburgwal ,
maar was tevens schutter en werd in die hoedanigheid afgebeeld op een
3)
schuttersmaaltijd, in 1604 door Gerrit Pietersz geschilderd . En de broer van Floris,
4)
Jan Soop, was in 1653 kapitein van de ‘lantsmilitie’ te Amsterdam ; toen hij in 1656
5)
stierf, deed Floris de wapens zijner compagnie voor ƒ 760 aan de stad over . De
uitdrukking ‘Hopmans seun’ laat zich dus wel verklaren, als is zij niet juist. Wij weten
verder alleen nog van hem, dat hij in 1657 schilderijen van Hercules Seghers en
6)
Van Goyen en teekeningen van Pieter Jansz Quast bezat . Dat hij door zijne
manieren al zijne ondergeschikten van zich vervreemdde - in de ‘Hoofsche streken’
schuilt natuurlijk eene toespeling op zijn ambtgenoot W.D. Hooft - en hen toch niet
naar zijne hand kon zetten, blijkt uit de laatst aangehaalde versregels.
‘Kloecke Schipper sonder schuyt,
7)
Heer, je munt te bijster uyt ,
Wou de steen van 't graf eens wijcken,
8)
9)
Dat zijn Maecker op mocht kijcken,
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
8)
9)
In Juli 1646 schrijft Vondel aan Hooft over ‘onze(n) vrolijcke(n) Mostert’: ‘Weinige maenden
voor zijn overlijden noodighde hy den Joodschen Docter noch, om met hem te gaen by ‘den
patiënt met den grooten buick’. Zy gingen hene en vonden geenen waterzuchtigen, maer het
Rijnsche wijnvat, en oordeelden stracks het laten geraden, om dien kranken van overtollige
vochticheit t'ontlasten’. (Vgl. P.C. Hoofts Brieven .... Te Leiden, bij E.J. Brill, IV, 1857, blz.
205).
Zie De Roever, in Oud-Holland, I, blz. 183, Noot.
Vgl. Jhr. Dr. J. Six in Oud-Holland, XV, blz. 135, en denzelfden en W. del Court, t.a. p., XXI,
blz. 69.
Vgl. Bontemantel, De regeering van Amsterdam .... uitgegeven door Dr. G.W. Kernkamp (in
Werken v.h. Hist. Gen., 3de serie, VII, 1897), I, blz. 216.
Zie De Roever in Oud-Holland, V, blz. 52, Noot.
Vgl. Bredius, t.a. p., XX, blz. 80.
De 4 volgende onkiesche versregels laat ik weg.
= zoodat
nl. van den schouwburg.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
97
Die belaen was met de surgh
Van zijn opgeboude Burg,
'k Meen, hy zou zijn borst verscheuren
En het arm gewelf betreuren,
Dat zijn maexsel ongescherpt
Schandelijck te gronde werpt.
Lieve Claes, het is verkeecken,
Soo 't geoorloft is te spreecken
Met je schim, die altijdt maeld
En ontrent het Wees-huys dwaelt,
Daer je eertijts in je leven
Goede ordre plagh te geven,
Met een muer, wel hoogh en sterck,
1)
Tusschen 't doeck en 't binnewerck ,
Dat malcander soo genaeckte,
2)
Dat het kleyne kapjens maeckte,
Kapjens, die men met de kost
Wt de Pap-pot voeden most.
Hadje doe jou eygen kater
Oock een hoekjen over 't water
Achter jouwent opgebout’,
dan was alles goed gegaan en waren er in den Schouwburg geene ongelukken
gebeurd. Zoo zullen wij de zes volgende versregels maar vertalen.
Bij het woord Schipper denkt men in de eerste plaats aan Jan Jacobsz Schipper,
den bekenden uitgever der werken van Cats. Geboren in 1618, dreef hij van 1643
tot 1681 zijne zaak eerst op de Prinsen-, later op de Keizersgracht ‘In de Historie
3)
van Titus Livius’ . Hij heeft gedichten geschreven, een roman uit het Fransch vertaald
en ook eenige treurspelen uitgegeven, o.a. in 1640 Verovering van Rhodes, met
d'Onnozele Bloedschande. Tengnagel noemt in zijne Amsterdamsche Lindebladen
‘Schipper
1)
2)
3)
De bouwkundige termen in deze twee regels luiden, in het Latijn vertaald: mentula arrigens
inter indusiam et pudendum muliebre.
Woordspel met het woord kap = dakkoepel van een gebouw, en kap = hoofdbekleedsel van
vrouwen en kinderen.
Vgl. A.M. Ledeboer, De boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland,
Deventer, A. ter Gunne, 1872, blz. 81.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
98
Ian’ onder de dichters. Hij was met hem bevriend, want hij schreef in 1641 een versje
1)
op zijn portret , en de ander versierde de Lindebladen met een lofdicht. Daar nu
Tengnagel in zijn Sinte Nicolaas milde gaven verzekert van ‘onse Schipper Ian’, dat
er ‘vreemde quinten Woelen in zyn harsenpan’, kan dat beteekenen, dat hij een
groote vrouwenliefhebber was, zooals de Voerman ook van zijn Schipper vertelt.
Maar hoe komt Jan Jacobsz Schipper hier verzeild? Hoofd van den Schouwburg
was hij niet; in 1638 was hij trouwens 20 jaar oud. En had hij het avontuur met een
weesmeisje gehad, waarop in de volgende versregels wordt gedoeld, dan zou toch
vriend Tengnagel dat niet op deze plaats en op deze wijze aan de klok hangen.
Wij moeten dus naar eene andere verklaring zoeken. En dan geloof ik, dat wij schipper schrijvende zonder hoofdletter en acht slaande op het er aan voorafgaande
2)
leesteeken - dezen en de volgende versregels in verband moeten brengen met
Floris Soop. Verder kan ‘schipper sonder schuyt’ best stilo Tengnagelico eene
omschrijving zijn voor: ongetrouwd man. En Floris was ongehuwd; in 1631 althans
3)
woonde hij met broeders en zusters samen in de Voorste Verwerstraat .
4)
De nu volgende regels doelen op Niclaes of Claes van Campen (1586-1638),
‘excijsmeester’, van 1634 tot zijn dood raad van Amsterdam en sedert 1631 ook
5)
regent van het Burgerweeshuis . Hij heeft het opzicht gehad op het bouwen van
6)
den Schouwburg - meestal wordt hij de bouwmeester er van genoemd - maar de
7)
ordonnantie van het gebouw was van Jacob van Campen . Waarschijnlijk heeft
Claes van Campen
1)
Het is opgenomen in Schipper's Onvergelyckelijke Ariane, of Verloste Kuysheyt uyt Romen,
1656.
2)
Nl. dubbel punt, wat in de 17 eeuw heel dikwijls staat voor ons punt komma.
Zie Kohier van den tweehonderdsten penning voor Amsterdam, blz. 51.
Reeds opgemerkt door Unger.
Vgl. J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, Haarlem, Vincent Loosjes, I, 1903, blz. 402.
Vgl. Wagenaar, Amsterdam, VIII, blz. 742.
Vgl. A.W. Weissmann in Oud-Holland, XX, blz. 165.
3)
4)
5)
6)
7)
de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
99
1)
ook de hand gehad in den bouw van het nieuwe Meisjes-Weeshuis in 1634 . Hij
2)
den
woonde in de St. Luciesteeg , dus dicht bij het Weeshuis. Den 6 April 1638 was
3)
hij begraven en nu roept de Voerman zijne schim op. ‘Zijn opgeboude Burgh’ is
natuurlijk de Schouwburg. De beteekenis van ‘het arm gewelf, Dat zijn maexel,
ongescherpt, Schandelijck te gronde werpt’ is waarschijnlijk: De boogvormige houding
der armen (armgewelf) bij eene omhelzing, die den Schouwburg zonder scherpe
werktuigen, als houweelen en breekijzers, maar door de schande, die men er van
spreekt, afbreekt. Ook hier hebben wij dus een woordenspel met bouwkundige
termen, evenals in de volgende regels. De constructie van den volgenden zin is m.i.
aldus: Het is verkeken met de goede orde, door u in het weeshuis ingesteld met
(lees: door) eene muur, enz. ‘Jou eigen kater’, nl. het krolsche hoofd van je eigen
Schouwburg. Men kan uit de versregels lezen, dat het avontuur met de weesmeid
aan Claes van Campen in de schoenen wordt geschoven. Maar dan hebben de
vorige regels weinig zin en blijft de ‘kloecke schipper sonder schuyt’ in de lucht
hangen. De geheele passage heeft dus dezen zin: Wat zou Claes van Campen, de
bouwmeester van den Schouwburg en regent van het Weeshuis, als hij nog in leven
was, wel zeggen van uw gedrag, o wijze Floris, die in zijn Schouwburg een aan hem
toevertrouwd weesmeisje hebt verleid en daardoor de inrichting in discrediet hebt
gebracht?
De Voerman vervolgt:
‘Maer wat sel ons hier opkomen?
Sacht wat! 't is de best van al,
Die de uytspraeck geven sal.
Siet, sy soecken al te malen
't Haerlems kind wat moy t'onthalen,
Want dat is haer ooghmerck wis,
1)
2)
3)
Zie Wagenaar, t.a.p., blz. 324.
Vgl. het Kohier, blz. 62.
Zie Unger in Oud-Holland, III, blz. 170.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
100
1)
Dat hy Vaer van 't broot-huys is,
En hy kan haer schier of margen,
Als s'hem om een lootjen vargen,
Wel een vrientschap doen, soo 'k meen,
Datse dobbeld zijn te vreen.
Nou aen 't loopen sonder schromen,
Of het blinde beest sal komen;
Jongens, segh ick, maeckt ruym stee,
Of hy neemt je daetlijck mee;
Voort na school toe, of de pocken
Selje halen, sonder jocken;
Gut, hy heeft soo grooten mont,
En daerby niet ongesont.
Wel, je meughter dan op letten;
'k Sweer, hy sel je heel opvretten,
Want hy komt wel op het spul,
En hy maeckt het daer so dul
Met syn suypen en sijn swelgen,
Daer de Wesen haer aen belgen
En 't Ouw-mannen-huys om knort;
Seker, 't kompter by te kort.
Maer, die daer komt, moet ick loven,
Want hy gaetse al te boven;
'k Bidje, siet hem doch eens aen,
Lyckt het niet de volle Maen,
2)
Die de heele zee kan dwingen ?
Want hy treckt te sonderlinge
Wt het Rotterdamsche vat
3)
Heele stroomen in sijn gat ,
Letter op, jy holle vraet,
Dattet nu met jou niet gaet
4)
Als je broer, die lest verdroncken
In 's Stads-Herbergh sat te proncken,
En in plaets van daer te zijn,
Was hy eerst op Loevesteyn.’
1)
2)
3)
4)
= omdat
Toespeling op den invloed van de maan op ebbe en vloed?
Hier zijn twee vieze regels weggelaten.
dronken
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
101
Van de zes regenten uit het jaar 1638-1639 zijn er twee besproken, Jacob Bas en
Floris Soop; zoo dadelijk zal David Sens door zijn voornaam worden aangewezen.
De drie andere hoofden waren, volgens Wybrands, Willem van Campen, Willem
Dirckx Hooft en Tobias van Domselaer; deze zijn het dus, die in de aangehaalde
versregels worden bedoeld. Wij zullen trachten hen te identificeeren.
‘'t Haerlems kind’ is naar alle waarschijnlijkheid Willem van Campen. De oudste
zoon van Claes van Campen, over wien in de voorafgaande regels gesproken is,
1)
heette Willem . Het laat zich hooren, dat de burgemeesters den zoon van den pas
overleden man, die zich zoo verdienstelijk had gemaakt bij het bouwen van den
Schouwburg, tot regent van die inrichting benoemden. Maar waarom heet hij ‘'t
Haerlems kind’? Claes van Campen was 22 April 1610 te Amsterdam ondertrouwd
2)
met Anna Cornelisdr. Ruyl van Alkmaar en van dit paar zijn in de jaren 1610-1615
3)
geene kinderen in de protestantsche doopboeken te Haarlem ingeschreven . Aan
een vroeger huwelijk van den 23-jarigen jongen man mag men niet denken, nu er
geene enkele aanwijzing voor is. ‘'t Haerlems kind’ blijft dus raadselachtig, tenzij
men wil aannemen, dat Willem toevallig te Haarlem, waar de Van Campen's
4)
familiebetrekkingen hadden , geboren, maar te Amsterdam in de doopboeken is
ingeschreven. Hij heet verder ‘Vaer van 't broot-huys’ en deelde de ‘lootjens’ uit.
Blijkbaar had hij dus iets te maken met de Diaconie, maar zeker was hij geen diaken;
dat ambt was toch wel onvereenigbaar met dat van hoofd van den Schouwburg.
Zeer waarschijnlijk bekleedde
1)
2)
3)
4)
Zie Unger in Oud-Holland, III, blz. 164.
Vgl. Elias, t.a.p. - In eene acte van 1633, uitgegeven door den Heer J.F.M. Sterck (vgl.
Vereeniging het Vondelmuseum. Vierde verslag, 1908-1909, Amsterdam, 1910, blz. 42),
wordt zij Buyl genoemd, maar dat is eene drukfout. Juffr. C.E.C. Bruining, adjunct-archivaris
te Alkmaar, is zoo vriendelijk geweest, een onderzoek naar dien naam in te stellen.
De Heer C.J. Gonnet, Archivaris te Haarlem, is zoo vriendelijk geweest, die doopboeken na
te zien.
Vgl. A.W. Weissmann in Oud-Holland, XX, blz. 118.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
102
hij dus eene der vele bedieningen, die aan de Diaconie annex waren, als boekhouder,
1)
scriba, enz. . Het brood, dat de Diaconie in haar eigen bakkerij op het Blauw Erf
2)
achter de Nieuwe Kerk liet bakken, werd afgehaald tegen inruiling van broodloodjes .
Het ‘blinde beest’ met den grooten mond, die de kinderen bang maakt, is
waarschijnlijk Willem Dircksz. Hooft, waarover boven werd gesproken. En dan moet
3)
de man, die nu volgt en die allen ‘te boven gaet’, Tobias van Domselaer zijn . Hij
werd ongeveer in 1612 geboren en was de oudste zoon van Evert (of Eduard) van
Domselaer († 1624), die eene bloeiende zaak in manufacturen dreef in de
4)
Warmoesstraat, en van Clara Michielsdr. van Varlaer . Of Tobias den bijnaam ‘de
volle Maen’ verdiende, kunnen wij niet nagaan; op het Prentenkabinet is geen portret
5)
van hem bekend . Maar wij mogen veronderstellen, dat, als Tengnagel in De
Lindebladen onder vele dichters ‘de Domselaren’ noemt, o.a. Tobias zich dien titel
had aan te trekken, al kennen wij ook geene verzen van hem. In 1660 heeft hij de
bloemlezing Hollantsche Parnas, of verscheide Gedichten uitgegeven, in 1665 eene
Beschrijving van Amsterdam en later nog een paar compilatiewerken. In 1670 gaf
hij eene Beschrijving der sieraden van 't tooneel voor het geliefde drama van Bontius,
Belegering ende Ontsetting der stadt Leyden. Als schrijver stond hij bekend als
6)
purist . Van Dom-
1)
2)
3)
4)
5)
6)
Zie Wagenaar, Amsterdam, VII, blz. 517. - De inrichting van het Archief der Nederl. Hervormde
Gemeente te Amsterdam is niet van dien aard, dat een onderzoek eenig succes beloofde.
T a.p., blz. 535, 536.
Voor het volgende kon ik gebruik maken van aanteekeningen van De Roever in het
Amsterdamsch Archief, mij welwillend ter inzage verstrekt door Mr. W.R. Veder.
In 1629 is zij hertrouwd met Hendrik van Domselaer; in 1631 woonden zij in de Warmoesstraat
en werden geschat op een vermogen van ƒ 50.000 (vgl. Kohier, blz. 33).
Volgens mededeeling van Jhr. H. Teding van Berkhout, Directeur van 's Rijks Prentenkabinet.
Zie Te Winkel, Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, blz. 132.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
103
selaer was van 1638 tot 1641, 1654 tot 1672, in 1678 en 1680 hoofd van den
Schouwburg; hij was bevriend met zijn collega Jan Vos en werd dikwijls vereerd
door de opdracht van een of ander tooneelstuk. Hij is in 1685 gestorven - de laatste
jaren van zijn leven woonde hij op de Oude Heerengracht, ‘daer de Bruinvis in den
gevel staet’ - en was ongehuwd. Hij liet een rijken inboedel na, o.a. eene kleine
2000 boeken, vele prentwerken en platen, vele muziekinstrumenten, kostbaarheden,
rariteiten en eenige schilderijen, o.a. een groot stuk van Rembrandt, waarop twee
1)
pauwen .
Tobias van Domselaer had twee jongere broeders, van welke de oudste, Eduard,
2)
in 1638 22 jaar was ; deze was dus zeker wel de andere dichter, waarop Tengnagel
doelde. Eduard schijnt een losbol te zijn geweest, die in dronkenschap zat te zwetsen
3)
in de Stadsherberg en gevangen heeft gezeten. Werkelijk op Loevestein, zooals
Tengnagel verzekert? Dat is niet zeer waarschijnlijk. Niet alleen is er op het
4)
Amsterdamsche archief niets te vinden over dat verblijf , maar Loevestein was de
staatsgevangenis en dus zeker wel niet de plaats, waar een 22-jarige losbol werd
opgeborgen. Zou Loevestein niet de benaming zijn, door jeugdige pierewaaiers
gegeven aan die afdeeling van het Rasphuis, die de ‘Secreete Plaats’ werd genoemd,
‘alwaar kinderen van eerlyke en gegoedde ingezetenen, die tot een ongeregeld
gedrag vervallen waren, met kennis van 't Geregt, en na dat men, alvoorens over
5)
hun onderhoud, met de Regenten’ overeengekomen was, geplaatst werden ? Kan
hij niet behoord hebben tot deze ‘Wittebroodskinderen’? Ook uit een ander gedicht
van Tengnagel blijkt, dat ‘'t Broertje van de Volle
1)
2)
3)
4)
5)
Aanteekening van De Roever uit den inventaris, opgemaakt 1 en 2 Oct. 1685 door den notaris
D. Doornik.
Aanteekening van De Roever.
Het houten gebouw, later de Oude Stadsherberg genoemd, in 1613 gesticht op de hoogte
der Buiten-Wieringerstraat. (Zie Wagenaar, Amsterdam, VII, blz. 256.)
Volgens vriendelijke mededeeling van Mr. W.R. Veder.
T.a. p., VIII, blz. 246.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
104
1)
Maen’ een tijd lang in de doos heeft gezeten, maar in 1639 weer vrij was .
‘Kom jy binnen, sonder blyven;
Ick en wil op jou niet kyven,
David buyr, jy bent een man,
Die geen zonden doen en kan;
Maer ick wil je eer verschoonen,
Want je ginght jou goetheyt toonen,
Doe je lest na Wtrecht voer
Op de Hof-stee by jou moer,
Om het staegh verwijt te mijen,
Dat je 't Bataviersche vrijen
Liever op 't Toneel liet sien
Als het spel van Messalien.’
‘David buyr’ is David Sens (Unger), dien wij reeds besproken hebben; hij maakt het
zestal Schouwburghoofden van 1638-1639 voltallig. Volgens de aangehaalde verzen
heeft hij de voorkeur gegeven aan het vertoonen van Rodenburg's Bataviersse
2)
Vrijagie-spel boven Vondel's Messalina , en is, om de praatjes daarover te ontloopen,
een poos buiten bij zijne moeder gaan logeeren. Het zoo even genoemde drama
den
van Rodenburg was in 1616 uitgekomen en in 1622 en 1634 herdrukt; den 16
3)
Sept. 1638 werd het voor het eerst in den Schouwburg vertoond . De geschiedenis
4)
van Vondel's treurspel Messalina wordt uitvoerig meegedeeld door Brandt . Het
stuk had het
1)
In de Amsterdamsche Maneschijn (1639) zegt Tengnagel van een meisje:
‘Want sy is als Bloemers Bloemen,
Die met niemand willen gaen,
Of hy moet syn Mantel mengen
Om en om met zyde pluys,
Anders mach haer niemand brengen
Van de Schouburgh na haer huys,
En dat weet de stoute stryer,
't Broertje van de Volle Maen,
Daerom komt de grage Vryer
Met syn Fulpe mantel aen,
Doch hy mach nou wel wat proncken,
Want hy sit niet in de muyt,
En hy drinckt hem niet meer droncken,
Daerom gaet hy oock weer uyt.’
Muyt = afgesloten ruimte, (vogel)kooi.
2)
Den 17
3)
4)
van Rodenburg's spel betaald, den 1
Nov. dat van de Messalina
Vgl. Wybrands, t.a.p., blz. 256.
In zijn Leven van Vondel, uitgegeven door E. Verwijs, 1866, blz. 55-57.
den
Sept. 1638 werd, volgens de ‘Rekeningh van de nieuwe Schonburgh’, het ‘rolleeren’
sten
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
105
dolle huwelijk van Messalina, de vrouw van Keizer Claudius, met haren gunsteling
Silius tot onderwerp; de rollen waren al uitgedeeld, maar bij de eerste lezing, die in
tegenwoordigheid van den dichter plaats had, begrepen de tooneelspelers den
inhoud niet goed. Om hun de verhouding tusschen de drie hoofdpersonen duidelijk
te maken, zei Vondel: stel eens, dat zeker prins een gek was en de prinses, terwijl
haar echtgenoot op reis was, met zeker raadsheer wilde trouwen. Hij noemde daarbij
namen en de tooneelspelers gisten onder elkaar, of dat wel de juiste waren en of
niet soms op anderen - blijkbaar op Frederik Hendrik en Amalia van Solms - werd
gedoeld. Dat praatje verbreidde zich en kwam ook de regenten van het Weeshuis
ter ooren, die terstond zwarigheid maakten, om een treurspel, waarin het publiek
toespelingen kon zoeken - men had de Palamedes nog niet vergeten - op te voeren.
Vondel, die van den Prins geen kwaad wist, schrikte er voor terug, om geheel
onschuldig aanstoot te geven; hij verzocht de drie voornaamste tooneelspelers,
hem hunne rollen weer ter hand te stellen, omdat hij er iets in wilde veranderen,
heeft daardoor het drukken van het treurspel belet en later het handschrift, nadat
hij er voor andere treurspelen een en ander aan ontleend had, verbrand. Brandt
deelt mede, dat de Messalina ‘ontrent het jaar’ 1638 geschreven en in studie
genomen is.
De Voerman eindigt aldus:
‘Holla! 'k zou my hier verpraten,
Maer ick magh het hierby laten
En bevelen 't voort de tijt,
Dat het harde yser slijt.
'k Zie de Son is vast aen 't dalen,
En hy schiet zyn goude stralen
In het peeckel van de zee,
En zijn zuster komt in stee
Met haer staet van Hof-gesinden;
'k Magh mijn kooy in 't hoy gaen vinden;
't Is koud weer en ick ben moe;
Goeden nacht, tot morgen toe!
Nou aen 't lachen!
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
106
Natuurlijk wordt de geest van Tengnagel door de andere geesten in hun midden
toegelaten.
Nieuws op letterkundig gebied brengt D'onbekende voerman van 't Schou-burgh
ons niet - hij zelf blijft in duisternis gehuld - maar voor de geschiedenis der twee
eerste jaren van de nieuwe stichting is het gedicht niet onbelangrijk.
J.A. WORP.
[Kleine mededeelingen]
51. Huyghens' Cluyswerk vs. 400 en 402.
En even alm' eertijds te Roomen heeft geseght:
De wereld is mij recht een twijffelick gerecht.
Het Latijnsche gezegde, waar H. hier op doelt is tot dusver niet bekend en ik
vermoed, dat het wel onbekend zal blijven, tenzij men als het gevraagde neemt de
uitdrukking ‘een twijffelick gerecht’ d.i. een maal, waaraan ‘men niet weet waer
beginnen’, zooals 't in den volgenden regel heet, omdat het van alles zoo volop
geeft, dan is de oplossing gemakkelijk te geven.
In Terentius' Phormio vs. 342, in het gesprek tusschen Phormio, den parasiet en
Geta, den slaaf, lezen we:
Dum tibi fit quod placeat, ille ringitur: tu ridens,
Prior bibas, prior decumbas, cena dubia adponitur.
Deze cena dubia (in den volgenden regel (net als bij Huyghens) nader verklaard
door ‘ubi tu dubites quod sumas potissimum’) is, dunkt mij, de tot dusver onbekende
1)
Latijnsche uitdrukking . Dat wij die juist bij Terentius vinden, behoeft ons niet te
verwonderen; Huyghens heeft voor zijn Trijntje Cornelis bijzondere studie van Plautus
en Terentius gemaakt; getuige het gedicht bij Worp V 110 en de in dit versje bedoelde
paragraphae, die Dr. Worp onder den tekst van T. Cornelis alle heeft opgenomen.
Verg. voor cena dubia ook Horatius, Sat. II, 2, 77 en Erasmus, Adag., Chil. 2, cent.
o
4, n 23.
G.A. NAUTA.
1)
Dr. S.G. de Vries heeft reeds voor eenige jaren in eene bijeenkomst van de Maatsch. der
Nederl. Letterk. dezelfde Latijnsche woorden aangewezen: zie Hand. Letterk. 1902-1903,
blz. 58. Red.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
107
Uit middeleeuwse kronieken.
Dat in de oude Nederlandse kronieken, zij mogen in 't Latijn of in de landstaal
geschreven zijn, allerlei volksverhalen en literaire herinneringen bewaard zijn, is
1)
2)
bekend; reeds lang geleden hebben Van den Bergh en Wolf verschillende
overleveringen verzameld uit de Divisiekroniek, de kroniek van Occo Scarlensis
3)
e.a. en nog onlangs heeft prof. J.W. Muller in dit tijdschrift belangwekkende resten
4)
gepubliceerd; zijn voetspoor volgend , hoop ik de juistheid van Stoke's woorden
5)
aan te tonen, ‘dat de lieden van den lande//Ander giesten vele weten’ .
Voor ons doel hebben die kronieken de meeste waarde, welke voor de historici
het minst belangrijk zijn; wat deze als onbetrouwbare, leugenachtige verzinsels ter
zijde leggen, kan uit literaire of mondelinge overleveringen geput zijn en zodoende,
vooral indien niet buitenlandse bronnen ten grondslag liggen, voor ons van grote
waarde zijn. Voorts, als de middeleeuwer z'n dor verhaal met hem fraai toelijkende
beeldspraak tracht te verlevendigen of graag z'n belezenheid uitstalt, dan zijn het
die voor de geschiedkundigen waardeloze versierselen, welke
1)
2)
3)
4)
5)
Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer (Utrecht 1836).
Niederländische Sagen (Leipzig 1843).
Tijdschr. 30, 57 vlg.
Dankbaar vermeld ik daarbij de hulp, mij zo welwillend verleend door hem en door Dr. A.
Hulshof, konservator der Utrechtse Universiteits-bibliotheek, terwijl prof. Oppermann zo
vriendelik was mij tot zijn ‘Instituut voor middeleeuwsche Geschiedenis’ toegang te verlenen.
Verruiming van inzicht dank ik ook aan menig gesprek, met prof. Symons over deze kwesties
gehouden.
1, 16-17. - Latere resten op uithangtekens en dgl. zijn, niet altijd met de nodige voorzichtigheid,
door Van Lennep en Ter Gouw verzameld.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
108
ònze aandacht zullen trekken. En ten derde gebeurt het, dat historiese personen
de dragers van aan de heldensage ontleende namen zijn of dat plaatsnamen er uit
gevormd zijn; dan leveren dergelike gevallen kostbare bewijzen voor de verspreiding
dier sage. Al zijn dit de drie punten, waartoe ik me in hoofdzaak hier beperk, toch
wil ik op enkele andere terloops de aandacht vestigen. In de eerste plaats op de
spreekwoorden en spreekwijzen, die tussen de teksten verstrooid liggen; vooral
1)
Willelmus Procurator is in dit opzicht belangrijk . In de twede plaats op de verhalen,
die bij onze romantici, Beets, Van Lennep e.a., ook al bij Bilderdijk en Staring, tot
romancen, legenden, novellen zullen worden; het loont de moeite na te gaan, hoe
een eenvoudig geschiedkundig feit, door een oud kroniekschrijver in sobere
bewoordingen verteld, in de loop der tijden een romanties of wonderbaarlik karakter
krijgt, hoe zich trekje bij trekje voegt, tot ten slotte het verhaal de negentiende-eeuwer
in handen valt en door hem ‘bewerkt’ wordt. Ter illustratie wijs ik op Van Lennep's
novelle ‘De Friesche bouwmeester’. In de oude annalen van het kapittel van St.
2)
Marie te Utrecht vindt men op het jaar 1099: ‘Cůnradus episcopus interfectus est’,
waaraan een gelijktijdige hand toevoegt: ‘a quodam plebeio cultello miserabiliter,
eodem momento postquam missam cantaverat et ad domum vix venerat’. In de
3)
Catalogus episcoporum Ultrajectinorum wordt reeds verteld, dat de moordenaar
een Fries is, die men na het plegen van de misdaad nooit heeft terug-
1)
2)
3)
Vgl. de verzameling van Werner, Lateinsche Sprichwörter (Heidelberg 1912), waarop Slijper
in dit tijdschrift (32,261 vlg.) reeds gewezen heeft. Zo is b.v. ‘Dum caput egrotat, turbari
membra necesse est’ (Procurator blz. 12) een variant van ‘Dum caput egrotat, dolor omnia
membra molestat (Werner d 152). In de Narracio de Groninghe (c. 31) vindt men de Latijnse
parallel van ‘De mens wikt, God beschikt’: ‘Quod homo proponit, Deus disponit’.
Annales sanctae Mariae, uitgeg. door S. Muller, Bijdragen en Mededeelingen van het Hist.
Gen. XI (1888) blz. 465 vlg.; zie ald. blz. 475.
Uitgeg. door S. Muller, Bijdragen en Mededeelingen van het Hist. Gen. XI (1888) blz. 482
vlg.; zie ald. blz. 492. Zo ook Stoke 2, 94-100 (‘ende ontran wech sonder strijt’).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
109
1)
gezien. Maar bij Beka is verband gelegd tussen het bouwen van de kerk en de
moord: de slijkige bodem liet niet het leggen van stevige fondamenten toe; een Fries
bood aan door een geheim middel de zaak in orde te brengen, mits hij daarvoor
zwaar betaald werd; maar de bisschop wist de zoon het geheim te ontlokken en uit
wraak daarover doodde de vader de Utrechtse kerkvorst. Uit de plebeius der Annales
2)
is als naam van de bouwmeester Pleberus ontstaan en zo komt Van Lennep later
3)
indirekt aan zijn ‘meester Plebo van Dokkum’; het middel om de zoon tot spreken
te krijgen: zijn liefde voor Maaike, is, voorzover ik heb kunnen nagaan, Van Lennep's
eigen vinding.
Vele tussen de tekst verstrooide verzen, zowel Latijnse als Nederlandse, zijn
indertijd reeds door Van Vloten in de eerste bundel van zijn ‘Nederlandsche
4)
Geschiedzangen’ bijeengebracht, andere zijn aangewezen door Fredericq , maar
5)
hun verzamelingen zijn voor uitbreiding vatbaar .
1)
2)
3)
4)
5)
blz. 43-44 = Holl. Beka blz. 84-85; korter Chronicon Tielense blz. 117; in de Annales Tielenses
blz. 24 wordt in enkele woorden het motief genoemd: ‘ob invidie zelum’. Voorts tal van andere
kronieken, waarvan ik hier nog vermeld Heda (blz. 138), die een wat andere lezing kent
(aufugit impune, postea .... capite plectitur’), maar er niet aan gelooft.
Pleberus ook in 't Chronicon Tielense blz. 117. Beka putte vermoedelik niet zelf uit de Annales
sanctae Mariae, zie Muller t.a. pl. bl. 471.
In de beide door Van Lennep genoemde werken Batavia sacra, waar naar de bronnen zelf
verwezen wordt, en de Fundationes et Fata Ecclesiarum (uitg. Matthaeus), waar de ‘versiculi,
qui ad chorum ecclesiae columnae adhuc incisi’ aangehaald worden, vind ik de naam van
de bouwmeester niet vermeld. In de versiculi is te lezen, dat ‘patrem/ filius auxilio genitricis
inebriat, artem /elicit’.
de
Onze historische volksliederen van vóór de godsdienstige beroerten der 16 eeuw (1894).
Zo vindt men in de kroniek van Zweder van Kuilenburg, waaraan Van Vloten o.a. dat
merkwaardige, in oostelik gekleurde taal geschreven lied op de gevangenneming van Arnout
van Gelre ontleent (blz. 87-88), nog:
(blz. 621): ‘Ann. CIƆ.CCC.XCII. gaf Maes Mulaert der Horst op, dat int Sticht licht, dat hij
onder had van des Heeren wegen van Vianen.
Maes was Maes, die hem kende, deden als een dwaes,
Dat hy der horst beval mal Maes’.
Minder duidelik dan dit spotversje is het volgende (blz. 595): ‘Hubrecht Heer van Bosinchem
nam te wyve des Heeren dochter van Voorn. Souden eens te samen sitten den Heer van
Voorn ende den Heer van Hoorn, doe seyde den Heraut van wapenen, dat hem syn leven
costen.
Hoorn, Voorn, Arkel ende Putten,
Ghy Heeren gaet sitten’.
Welk [Duits] vers bedoeld wordt met ‘tliet van Vermof Merdas’ (Rekeningen der graven van
Bloys: Jonckbloet Mnl. Dichtkunst 3, 646; op het jaar 1370-1371), is mij onbekend. - Is de
Latijnse tekst alléén overgeleverd, dan is voorzichtigheid nodig. Waar men b.v. in Beka's
verhaal van de gebeurtenissen te Utrecht tijdens de oorlog van bisschop Hendrik met de
heren van Amstel en Woerden en de graaf van Gelre (blz. 84 v.) de sporen van een volkslied
heeft menen terug te vinden: ‘prata virentia = grüne Haide’, daar is dit onjuist; ‘prata virentia’
is een staande uitdrukking bij Beka, vgl. Coster, De kroniek van Johannes de Beka blz. 264
n. 3 en 274.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
110
1)
Wat hier volgt, berust in hoofdzaak op twee m i n d e r b e l a n g r i j k e groepen
van bronnen, n.l. de oudere Egmondse en Utrechtse geschiedschrijvers, die nog te
veel historiese zin hebben dan dat men een ruime oogst kan verwachten. Van de
2)
Egmondse kronieken komt eigelik alleen die van Willelmus Procurator in
3)
aanmerking; de Annales Egmundani hebben wel tal van - meest door een latere
hand bijgeschreven - wonderverhalen, maar zijn, evenals het grotendeels hieraan
4)
ontleende Chronicon Egmundanum , voor ons doel zonder belang. Van de Utrechtse
5)
geschiedwerken zijn hier te noemen de Narracio de Groninghe , tussen 1227 en
1233 geschreven; dan de
1)
2)
In een volgend artikel hoop ik de zo gewichtige Divisiekroniek en wat er mee samenhangt,
later wellicht de Friese bronnen en de heiligenlevens te behandelen.
Willelmi Capellani in Brederode postea Monachi et Procuratoris Egmondensis Chronicon,
o
uitgeg. door C. Pijnacker Hordijk (= Werken v.h. Hist. Gen. Derde Serie n . 20); het sluit aan
bij de Annales Egmundani.
3)
4)
5)
o
Uitgeg. door B.J.L. de Geer van Jutfaas (= Werken v.h. Hist. Gen. Nieuwe Reeks n . 1).
Uitgeg. door A. Kluit, Historia critica comitatus Hollandiae et Zeelandiae I 1; het is een
tendentieuse omwerking der Annales. Bekend is het gebruik, dat Stoke van deze kroniek
maakte.
Quedam Narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordia et de diversis aliis sub diversis
episcopis Trajectensibus, uitgeg. door C. Pijnacker Hordijk (= Werken v.h. Hist. Gen. Nieuwe
o
Serie n . 49).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
111
1)
2)
3)
kroniek van Beka , de Annales Tielenses en het Chronicon Tielense , die nauw
4)
met elkaar samenhangen . Op Beka, maar vooral op een nog onuitgegeven
5)
6)
bewerking van diens kroniek , steunt de Clerc uten laghen landen . Uit later tijd is
7)
het op zelfstandig onderzoek berustende werk van Heda .
I. Nibelungen.
ste
8)
Müllenhoff heeft aangetoond, dat Nibulunc in de 8
de
en 9
eeuw meermalen in
de
Duitsland als persoonsnaam voorkomt, zelden echter in de 10
de
en 11 , vaker weer
de
sedert de 12 eeuw, en zijn betoog, dat de naam uit de sage moet stammen, daar
geen vader anders zijn kind een naam van dergelike betekenis zou geven, mag m.i.
nog altijd als juist gelden. Daar ten onzent niet vaststaat, of men hier
Nibelungen-liederen gekend heeft, vóór de gehele of gedeeltelike vertaling in de
de
13
9)
eeuw tot stand kwam , is het van belang te konstateren, dat reeds in de eerste
de
helft der 10 eeuw een vóór 943 overleden graaf Nevelongus, Nevelungus wordt
vermeld.
In de krypt der - verdwenen - St. Salvatorskerk (Oud-
1)
2)
3)
4)
5)
6)
Uitgeg. door A. Buchelius, Ultraiecti 1643. Hierbij de hier en daar uitgebreide vertaling, de
zgn. Hollandse Beka, uitgeg. door Matthaeus, Veteris aevi Analecta (Editio secunda, 1738)
III 1 vlg.
Uitgeg. door Waitz M.G. SS. 24, 21-27.
Uitgeg. door J.D.v. Leeuwen, Trajecti ad Rhenum 1789.
Gewoonlik worden de Annales en het Chronicon, wat de hoofdzaken betreft, als excerpten
uit Beka beschouwd. Anders Coster, De kroniek van Johannes de Beka (Proefschrift, Utrecht
1914), die omgekeerd aanneemt, dat de oudere delen van Ann. en Chron. door Beka zelf
geschreven zijn. - Gaarne zeg ik hier Dr. Coster dank voor enkele, mij schriftelik verstrekte
inlichtingen over Beka.
Zie Coster t.a. p. 293.
o
8)
Uitgeg. door B.J.L. de Geer van Jutphaas (= Werken v.h. Hist. Gen. Nieuwe Reeks n . 6).
Historia episcoporum Ultraiectensium, auctore Wilhelmo Heda; in één band met Beka (zie
boven) uitgegeven.
Zeugnisse und Excurse zur deutschen Heldensage 10, 2 (HZ. 12, 289 vlg.). Verdere literatuur
9)
bij Symons Grundriss III 656.
Zie Kalff, Geschiedenis der Ned. Letterkunde I, 45 vlg.
7)
2
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
112
munster) te Utrecht was n.l. eertijds een grafschrift op zekere graaf Ricfridus en zijn
vrouw Hernisinda, ouders van Balderik (bisschop van Utrecht van 917-977)
1)
aanwezig , en hieruit blijkt, dat de comes Nevelongus een broeder was van de
genoemde bisschop. Immers als de vervaardiger van het epitaphium over het
roemrijke geslacht van ‘Ricfridus, hoc nomine Dodo vocatus’ spreekt, zegt hij:
‘Is fuerat stirpis radix preclara decoris:
Presul Baldricus unde fuit genitus;
Monstrat et ista domus qualis fuit ille patronus!
Preses Rodolphus duxit et unde genus,
Victor Yrmifridus, pariterque comes Nevelongus.
Hic modo qui pausat hiis pater extiterat.
Corpus Hernisinde, quorum matris generose,
Confovet hoc antrum, huic simul appositum’.
En na een aantal hier niet ter zake doende regels eindigt hij met de woorden:
‘Hic pariter fratrum clauduntur membra duorum’.
o
2)
Een bevestiging hiervan geeft het Cartularium van Radbod n . 25 , waarin vermeld
3)
4)
wordt, dat bisschop Baldricus in 943 aan de weduwe van zijn broeder Nevelungus
en aan haar zonen Baldricus en Rodulfus tegen betaling van cijns in levenslang
gebruik enige goederen van het St. Pietersklooster te Berg
1)
Ons door het kalendarium van Oudmunster overgeleverd en afgedrukt bij S. Muller, Het oudste
o
2)
3)
cartularium van het Sticht Utrecht (= Werken v.h. Hist. Gen. Derde Serie n . 3) blz. 47 noot
1.
Bij S. Muller t.a. p. 47 vlg.
De naam van de weduwe is uitgevallen (vgl. ook Heda blz. 78-79); dat zij echter bedoeld
wordt, blijkt uit het gehele stuk. De verwantschap is dus deze: Ricfridus Dodo en Hernisinda
zijn de ouders van ‘presul Baldricus’, ‘preses Rodolphus’, ‘victor Yrmifridus’ en ‘comes
Nevelongus’. Deze laatste had twee zoons Baldricus en Rodulphus. Vgl. S. Muller, Bijdragen
de
4)
de
voor Vad. Gesch. 4 reeks 10 deel blz. 51 vlg. en Tenhaeff Diplomatische studiën over
Utrechtsche oorkonden (Proefschrift Utrecht 1913) blz. 13 vlg., wiens interpunctie van het
grafschrift door mij is overgenomen.
Nevelungi (g. Sg.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
113
geeft. Mede met het oog op de begraafplaats zou men willen aannemen, dat het
een Nederlands edelman geldt; toch is dan de vorm opvallend: men zou eerder
*Nevelingus verwachten; als men de lange lijst van Nederlandse geslachtsnamen
1)
2)
op -ing bij Winkler nagaat, vindt men slechts één, uitgaande op -ong (Hartong) .
Stamde de familie wellicht uit het Gelders-Kleefse en was die ‘Ricfridus, hoc nomine
3)
Dodo vocatus’, dezelfde graaf Dodo, die in 897 in de Betuwe vermeld wordt?
Daarop wijst ook, dat in allerlei kronieken bisschop Balderik gezegd wordt uit Kleef
de
4)
te stammen . Dan zou men mogen aannemen, dat al in 't laatst der 9 eeuw
Nibelungen-liederen in het Gelders-Kleefse in omloop waren, in dezelfde streek,
de
waar veel later (15 eeuw) de uitdrukking Ver Broenelden strait in een woordenboek
5)
opgetekend wordt .
6)
7)
Een veel verspreide , hoewel onhistoriese overlevering meldt, dat Karel de Kale,
koning van Frankrijk, op verzoek van zekere Hagen in 863 aan Dirk, broeder van
de edele Walge(e)r, Egmond en andere stukken land in leen gaf. Wie was die Hagen
en waarom werd hij de voorspraak van Dirk? Latere kronieken weten hierop het
antwoord te geven: Hagen was een familielid van Dirk en tegelijk niemand anders
8)
dan de beroemde Nibelungenheld! Het laatste vertellen de Annales Tielenses :
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
8)
De Nederlandsche geslachtsnamen blz. 26 vlg.
t.a.p. blz. 36. De aldaar vermelde namen op -ung zijn natuurlik van Duitse oorsprong.
‘comitatus Dodonis’ (Nomina geogr. Neerl. 3, 77); vgl. het tegenwoordige Dode-waard.
Zo o.a. Catalogus episcoporum Ultrajectinorum (uitgeg. door S. Muller: Bijdragen en
Mededeelingen v.h. Hist. Gen. XI 488): ‘Hic Baldricus, filius Rixfridi, comitis Clivensis’.
Zie Kalff t.a. p. 46.
B.v. bij Stoke 1, 333 vlg.; Bella campestria blz. 501; Beka blz. 28 = Holl. Beka blz. 41 vlg.;
Clerc blz. 21.
e
Zie het laatst hierover Gosses Bijdragen voor Vad. Gesch. en Oudheidk. Vijfde Reeks 2 deel
(1914) blz. 133 vlg.
blz. 22.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
114
‘ad instanciam comitis Haganonis, qui in Zanctis traxit moram’. Uitvoeriger echter
1)
het Chronicon Tielense :
‘Theodericus primus comes Hollandie habuit fratrem nomine Waltgerum,
qui erat comes Teysterbant, et traxit moram apud Tyelam in villa Avezaet
2)
dicta. Hij duo fratres habuerunt avunculum quendam nomine Hagonem
Trojanum, qui in Troja minori scilicet Xanctis moram traxit’.
de
3)
Men kende dus sedert het midden van de 14 eeuw hier te lande - altans in de
Betuwe, waar ook deze twede rest op wijst - die latere overlevering, volgens welke
4)
Hagen de stichter van Xanten zou zijn; vgl. de door Symons aangehaalde plaats
uit het ‘Xantener Bischofsrecht’ van 1463: ‘Hector van Troien, den wij noemen
5)
Haegen van Troien’ .
II. De Britse romans.
1. De berch van aventueren.
Van 1227-1233 was de geleerde Wilbrand, verwant aan het Hollandse gravenhuis,
bisschop van Utrecht. Vóór die tijd had hij o.a. twee reizen naar het Heilige Land
6)
ondernomen en zelf heeft hij zijn ‘peregrinatio’ te boek gesteld . Hierin komt het
7)
volgende verhaal voor :
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
blz. 56.
De langere vorm Hagano wordt genoemd bij het verhaal van de schenking (blz. 45),
waar alleen te lezen staat: ‘ad instanciam comitis Haganonis’.
Dat is immers de tijd, waarin de Annales Tielenses vervaardigd zijn, zie Coster, De kroniek
van Beka blz. 148 vlg.
2
Grundriss III 670.
Daarentegen valt niets te beginnen met de naam Amalricus (Beka e.a., vgl. Coster t.a. p. 250
en 285 vlg.), die natuurlik niet in betrekking kan staan tot Amelrich, broeder van de veerman
in het Nibelungenlied. Namen met Amal- zijn aan 't West-Germaans niet vreemd; misschien
is het oudste voorbeeld in de op een inskriptie (Corpus Inscr. Lat. III 3577) overgeleverde
Batavennaam .maloger. te vinden. - In hoeverre de overleveringen betreffende ‘Sicco sive
Sifridus’, zoon van Arnulf en broeder van graaf Dirk III - welbekend uit Van Lennep's ‘De
gestoorde bruiloft’ - resten van de Nibelungen-sage bevatten, hoop ik later uiteen te zetten.
Uitgeg. door Laurent, Peregrinatores medii aevi quatuor (Lipsiae 1864), blz. 159 vlg.
1, 25 (blz. 179-180).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
115
1)
‘... venimus ad Thilam, quod est castrum valde bonum cuiusdam nobilis.
Iuxta illud situs est quidam mons satis amenus, quem montem de aventuris
appellant. Sicut enim ex veridica relatione audivimus, quicunque sex
septimanis ieiunaverit, et penitencialibus illis diebus peractis
communicaverit, et sic ieiunus montem intraverit, procul dubio boni eventus
et fortunati sibi occurrunt. Quod multorum compertum experimento. Inter
que illud pro magno reputo, quod quidam miles, quem et nos vidimus in
Antiochia, illic huiusmodi casu invenit quoddam manutergium, quod sue
familie et hospitibus, quotquot vocare consuevit, omnia necessaria in
2)
3)
victualibus ministravit, ita ut in mensa et super se parata invenirentur .
Utinam eciam huiusmodi minister hodie vite succurreret indigencie!’
Hieruit put Beka blz. 74 (‘Willibrandus episcopus in verbo veritatis asseruit’), die
echter van een mons fatorum en een mensale (in plaats van mons de aventuris en
4)
manutergium) spreekt, in de Nederlandse vertaling weergegeven met de woorden
‘een groot berch van avonturen’ en ‘een tafellaken al vol mit menigerhande spisen,
dat hem en sinen gesinde daghelix spise genoech leverde by te leven’. Aan Beka
5)
ontleent de Clerc uten laghen landen zijn verhaal :
‘men seyde hem (n.l. Wilbrant), dat al vaste bi Tharsen een groot berch
leit, diemen daer inden lande noemt den berch van aventuren; ende so
wye in penitencie waer mit vasten ses weken lanc, siin biechte claerliken
dede, ende ons Heren lichaem dan ontfinge, ende also nuchteren clomme
upten berch, die soude sonder twifel goede aventuer vinden. Dese bisscop
seide mit waren woerden, dat hi enen ridder gesien hadde tot Anthiochien,
die up desen berch geweest hadde, om geluckige gracie te vinden, die
daer vant upt alre hoochste vanden berghe een tafelkiin, al vol mit
menigerhande spisen, dat hem ende die mit hem daer waren dagelix
spise genoech leverde bi te leven den tijt die si daer waren’.
6)
Buchelius merkt in zijn Beka-uitgave op, dat deze ‘nugae’
1)
2)
3)
4)
5)
6)
De ligging wordt door Beka blz. 74 verduidelikt: ‘A civitate namque Tharsensi ad duas
dietas prope Thilam’ enz.
= super eam (mensam).
inveniantur codd.
Holl. Beka blz. 144 vlg.
blz. 83 vlg.
blz. 75 noot h.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
116
ook in een ‘liber Gallicus’ gevonden worden, ‘cui tit. la Salade, de monte Sibyllae in
Apulia’, maar, voegt hij er minachtend aan toe, ‘relationem non merentur’. Hij doelt
hier op het boek ‘Salade’ van Antoine de la Sale, ± 1440 geschreven, waarvan het
‘livre’ handelend ‘Du mont de la Sibylle et de son lac et des choses que j'y ai vues
1)
et ouï dire aux gens du pays’, aan G. Paris stof tot een schitterende essai gegeven
2)
heeft. Het is waar, ook daar is sprake van een overvloed van spijzen en in de
hiermee nauw verwante Tannhäuser-geschiedenis wordt in een jonge redaksie de
3)
Venusberg van Italië naar Cyprus verplaatst, maar hiermee houdt de overeenkomst
op. Terwijl toch aan alle verhalen van de ‘Monte della Sibilla’ en de Venusberg de
zonde van de bezoeker, die zich aan zinnelike genietingen overgeeft en daardoor
de goddelike liefde vergeet, ten grondslag ligt, is in scherpe tegenstelling daarmee
alleen hij, die zich van zonden gereinigd heeft, in staat om op ‘den berch van
aventuren’ ‘geluckige gracie te vinden’. Daarom schijnt het tafeltje-dek-u, dat te
vinden is op de ‘mons fatorum’, in wezen hetzelfde als het graal, dat in de burcht
van Monsalvaet, op de berg des heils, bewaard wordt. En wel merkwaardig is het,
dat deze epigone voorstelling zo dicht staat bij de grondvorm van de graalsage,
4)
indien men tenminste met b.v. Wechssler mag aannemen, dat oorspronkelik een
‘Wunschgefäss - das kostbare kleinod erscheint als Schüssel oder Becher, als Korb
5)
oder Topf, als Tuch oder als Tischlein - in die altchristliche Legende (von Joseph
von Arimathia) aufgenommen [wurde] und so den Charakter der Heiligkeit [erhielt].
Das Märchending verwandelte sich, ohne seinen ursprüng-
1)
2)
3)
4)
5)
3
Le Paradis de la Reine Sibylle (Légendes du Moyen Age , 1908).
‘Chacun est servi de nourriture a l'appétit de son coeur’ (Paris Légendes blz. 81).
de
In het Evagatorium van de Franciskaner Faber (laatste kwart der 15
légende du Tannhäuser (Légendes blz. 131 n. 1).
Die Sage vom heiligen Gral (1898).
Ald. blz. 8.
eeuw), zie Paris, La
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
117
1)
lichen Charakter aufzugeben, zu einem Symbol des christlichen Glaubens’ .
2. Waelwiin en Lantsloet.
de
Zoals prof. Muller (Tijdschr. 30,75 n. 1) aantoonde, komen in de 16 eeuw de namen
Lancelot, Artur en Reinout van Brederode voor. Dat echter reeds ± 1200 Walewein
2)
als persoonsnaam in gebruik was, blijkt uit Beka , die verhaalt van twee ridders,
tijdgenoten van graaf Willem I van Holland, geheten ‘Walterus ortus ex Brabantia’
en ‘Waluinus ex Hollandia’ (Holl. Beka blz. 133 vlg.: ‘Wouter geboren uit Brabant,
ende Waelwyn uit Hollant’). Het is een legende, waarin Maria aan de vrome Wouter
op wonderbare wijze in een tournooi de overwinning schenkt; beide ridders, door
die gebeurtenis getroffen, gaan in het klooster Heymenrode, waar Wouter later niet
minder wonderbaarlik een gouden kruis verkrijgt, dat dan door gravin Adelheid naar
het klooster van Rijnsburg wordt overgebracht. Bij de Procurator ontbreekt de
3)
legende, maar een oude hand tekende op : ‘Hic fiat mensio de cruce Walteri de
Bierbeec militis, quam comparavit Aleydis comitissa pro butyro a fratribus in
Heymenrode’. Hier wordt de Brabantse afstamming van Wouter bevestigd, want
Bierbeke is een dorp niet ver van Leuven; zijn heren zijn welbekend uit de
4)
‘Grimbergsche oorlog’. Anders de Clerc , die de kloosterlegende omvormt tot een
wapenlegende der Persijns, die ter herinnering voortaen ‘negen rode slimme cruce’
in hun wapen droegen. Hij noemt ze ‘her Wouter Persiin, ende her Waelwiin van
Leefdael: her Wouter was gheboren uut Hollant, ende was her Jan Persiins soen;
ende her Waelwiin was gheboren uut Brabant, ende was heren Rogierszoon van
5)
Leefdael’ .
1)
2)
3)
4)
5)
Ald. blz. 9.
blz. 68 vlg.
Zie blz. 5 noot 5.
blz. 81 vlg.
In de ‘Grimbergsche oorlog’ spelen ook de heren van Leefdale, dat dicht bij Bierbeke lag, een
groote rol. Vermoedelik kwam de naam Walewein niet voor bij de Persijns en is zodoende
de Clerc er toe gekomen om Wouter tot de Hollander te maken. - Ook latere kronieken
(Divisiekroniek e.a.) kennen het verhaal.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
118
Het feit, dat in een verhaal van ± 1200 Waluinus reeds een hoofdpersoon was, is
1)
niet zonder belang; het wijst er op, dat reeds in de twede helft der twaalfde eeuw
vertalingen der Britse romans in omloop waren.
Later (a. 1397-1398) komt dezelfde naam voor als Wailwin in de Rekeningen der
2)
graven van Holland .
3)
In een oorkonde van het jaar 1257 doen graaf Guy van Vlaanderen en graaf
Otto van Gelder uitspraak over verschillende twisten en daarbij wordt de naam
Lantsloet genoemd:
4)
‘De domino Philippo de Enunge taliter est ordinatum, quod Splenter de Lantsloet
5)
et Scincke inquirere debent, utrum enz.’ .
III. De dierfabel.
6)
In de Narracio de Groninghe wordt verteld, hoe de Drenten, na bisschop Otto van
Utrecht met de zijnen (onder wie tal van Groningers) verslagen en de kerkvorst zelf
met vele anderen gedood te hebben, tegen Groningen oprukken; zij hebben zich
voorzien van de nog bloedige wapenen der gedode vijanden. En dan vervolgt de
schrijver:
‘Sed unum erat, quod animos nostrorum comfortabat, quia istos sub
clipeis, sicut asinum sub pelle leonina cognoscebant, qui quandoque, ut
dicit fabula:
Turbabat pavidos per sua rura boves’.
1)
2)
3)
Dus nog wel wat vroeger dan gewoonlik (zie Kalff t.a. p. 1, 87) aangenomen wordt.
Bij Jonckbloet Mnl. Dichtkunst 3, 611.
o
In het Cartularium van Bondam n . 7, bij S. Muller, Het oudste Cartularium van het Sticht
o
4)
5)
6)
Utrecht blz. 200 (= Werken v.h. Hist. Gen. Derde Serie n . 3).
Zie voor de naam Splenter, Splinter Beelaerts van Blokland, Bijdragen voor Vad. Gesch. en
Oudheidk. Vierde Reeks 2e deel blz. 250.
Daarentegen vond ik namen als Roeland niet anders gebruikt dan bij wijze van vergelijking;
zo b.v. bij de Procurator, die, als hij de slachting der Franse ridders door de Vlamingen bij
Kortrijk beschrijft, uitroept (blz. 65): ‘Et heu! similis materia tantaque miseria a Rolandi tempore
in nobilibus ignoratur’.
c. 27 (blz. 51).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
119
1)
Bedoeld is de vijfde fabel van Avianus ‘De asino pelle leonis induta’, waaruit de
door de kroniekschrijver vermelde versregel letterlik is aangehaald. - Aan het levendig
vertelde verhaal van de moord op Wolfert van Borselen, de eerst zo machtige
2)
gunsteling van graaf Jan I, voegt de Procurator de versregels toe:
3)
‘Dives Wulfardo studeat mentis tibi cardo ,
Qui similis pardo prius hic jacet ordine tardo’.
De schrijver zal hier wel aan de rol gedacht hebben, die de ‘pardus’ in de fabel (b.v.
o
bij Avianus n . 40: ‘De pardo et vulpe’) speelt: die van de hoogmoedige ijdeltuit, die
zich zelfs boven de leeuw verheven acht.
IV. Van den neghen besten.
In de woorden van de Procurator over de jonge Willem IV ‘probitas paucis
congaudeat, ut Hectori comparetur’ zag prof. Muller (Tijdschr. 28, 278 vlg.) een
zinspeling op het gedicht ‘Van den neghen besten’. Nog duideliker blijkt Willem's
bekendheid met dit werk op een andere plaats (blz. 174), waar verhaald wordt, dat
Jan van Henegouwen, broeder van de Hollandse graaf, in 1326 een expeditie naar
Engeland onderneemt.
‘Quid autem superius per audaciam summamque similiter intendimus, si
audiri convenit, explicamus. Ad quorum, ut lucidius procedatur, subsidium
4)
novem precipuos mundi quasi principes reputatos duximus assumere
5)
paucaque de singulis, prout nostris convenit, excitare .
Hectora commendo, per plura sibi sociando
Cesare; qui fatur Macedo Josue sociatur.
Dignis, ut sydus, sequitur magnis Godefridus.
1)
2)
3)
4)
5)
Vgl. reeds Pijnacker Hordijk Narracio blz. 134 (s.v. turbabat).
blz. 55.
= ‘Mogen de rijke scharnieren van uw geest op Wulfardus achtgeven’, zoals m'n kollega Dr.
W.E.J. Kuiper alhier de vriendelikheid had voor mij te vertalen.
principia ms.
i.p.v. recitare (Matthaeus).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
120
Quorum audacie, virtuti seu prudentie quia dictus Johannes comparari
sufficit, supra tangens audaciam non defecit. Quis enim istorum, ut per
singulos procedatur, patria fugiens, mare maximum transiens, mille
armatos solus invasisse scribitur, sicut in superficie fatus Johannes facere
comprobatur? Regnum etenim Anglorum, quod infinitis armatorum milibus
protegi cernitur, ad mulieris instantiam pauco per ipsum milite provocatur.
Unde fatus Johannes dictis non solum quasi denus jungitur, verum, si
dici liceat, ejus audacia pre ceteris reputatur’.
Eigenaardig is het, dat, terwijl Willem Johannes als de tiende aan de novem principes
toevoegt, hij in zijn gedicht slechts vijf vermeldt: de drie ‘ex gentilibus’ (Hector, Cesar
en Alexander) volledig, maar slechts één ‘ex Judeis’ (Josua) en één ‘ex christianis’
(Godefridus).
Echter behoeft, gegeven de wonderlike stijl van de Procurator, het vers niet
onvolledig te zijn; wellicht was het hem slechts om enkele voorbeelden van de
‘audacia, virtus seu prudentia’ te doen.
V. Augustijnken van Dordt.
1)
Deze wordt het laatst in 1368 vermeld . Dat hij echter in dat jaar nog niet gestorven
is, blijkt uit het Chronicon Tielense, waarin te lezen is, dat hij in 1370 een beroemd
zegger was; immers het is niet twijfelachtig, dat de hier genoemde Augustynke met
2)
de bekende sprookspreker identies is. De plaats luidt :
Quod Augustynke rhetor et dictator floruit.
Anno domini millesimo tricentesimo septuagesimo fuit in theutonica lingua
quidam rhetor eloquentissimus nomine Augustinus, qui vulgaliter (sic!)
Augustynke dictus est’.
Wel een bewijs voor zijn roem: hij is de enige Diets schrijvende leek, in het ganse
Chronicon genoemd!
1)
2)
Zie Te Winkel, Gesch. der Ned. Lett. I, 481.
blz. 381-382.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
121
VI. Een nuwe cluyt van een ridder.
De kroniek van de Clerc is bewaard in twee handschriften, waarvan A het oudste
de
de
e
de
(2 helft 15 eeuw) en beste, B het jongste (1 helft 16 eeuw) is. In beide mss.
wordt verteld, dat Floris V na de vele oorlogen, die hij te voeren heeft gehad, te
weinig ridders heeft overgehouden en daarom als een echte keerlen god ‘XL die
1)
rijcste ende eerbaerste huyslude’ de ridderslag geeft. En dan schrijft B aan de kant:
Een nuwe cluyt van een ridder’, terwijl beide codices het volgende verhaal ten beste
geven:
‘Int lesen van deser historie so zal ic u hier scriven van enen van desen
nuwen ridderen, gheheten her Anssem van Vuer, ende woende tot
Vuercapelle. Als hi ten hove aldus gheweest hadde ende hi des anderen
dages ridder thuys quam, so sach hi, daer hi voir siin molkenhuys gine
wanderen, dat siin suege geraect was tot eenre mouwe mit rome ende
drancker of. Doe docht him dat hire te goet toe was die zuege wech te
yagen ende sprac: ‘ver zuege, ver zuege, waer ic als ic ghister was, ghi
en soudt die room nyet drincken’.
Aardig is getekend, hoe de nieuwbakken ridder, die zich te voornaam voelt het
varken van de trog weg te jagen, de hoofse taal reeds machtig is, zodat hij zelfs de
zeug met ver toespreekt.
Hilversum.
M. SCHÖNFELD.
1)
Zie de uitgave blz. 132.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
122
[Kleine mededeelingen]
52. To bliktri.
De raadselachtige term bliktri uit Sara Burgerhart, door de Heeren Prick van Wely
en Bergé tegelijk met de vormen blitri en blityri besproken in dit Tijdschrift (XXXI,
313; XXXII, 80), is te vinden in het bekende geschrift van den Engelschen deïst
Toland, getiteld Christianity not mysterious (1696). In Leslie Stephen's History of
th
English Thought in the 18 century I, 108 wordt uit dat geschrift de volgende passage
aangehaald:
Could that person justly value himself upon his knowledge who, having
infallible assurance that something called a Blictri had a being in nature,
in the meantime knew not what this Blictri was?
Dat is, vertaald, ongeveer: ‘Zou iemand zich terecht kunnen laten voorstaan op
zijn kennis, indien hij, vast overtuigd dat iets, een Blictri geheeten, in de natuur
bestond, tegelijkertijd niet wist wat dat Blictri was?’
Er is dus wel geen twijfel meer of in het zinnetje: ‘Doch dit is to bliktri voor u’, in Sara
Burgerhart, moeten de gecursiveerde woorden worden opgevat in de beteekenis
van: iets onbegrijpelijks. De schrijfsters hebben dezen term vermoedelijk in de
Engelsche literatuur aangetroffen, misschien in het aangehaalde werk, en dien
daaruit overgenomen.
G. KALFF.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
123
Fragmenten uit Jan van Leeuwen's werken.
‘Die goede coc’ van Groenendale heeft een voorlopige plaats gekregen in de
geschiedenis van onze letterkunde. Kalff bespreekt hem als bijfiguur in Ruusbroec's
1)
2)
kring ; Te Winkel herroept het vroegere veroordelende vonnis. Intussen is er nog
zeer weinig van zijn werk gemeen eigendom geworden: alleen de lofredenen op
3)
zijn prior en de bestrijding van Eckart's leer werden gedrukt . De fragmenten die ik
in 1899 te Brussel afschreef, en waarop mijn schets van Jan van Leeuwen's
4)
eigenaardig optreden berustte, bleven sedert in portefeuille. Tot openbaarmaking
zou ik eer gekomen zijn, als die fragmenten gekozen waren met het doel om een
volledig beeld te geven van Jan van Leeuwen als auteur. Doordat ik allereerst zijn
houding tegenover kerkelike en maatschappelike toestanden in het oog hield, kwam
hij als mysticus in mijn afschriften niet voldoende tot zijn recht. Later vulde ik de
leemte gedeeltelik aan door de Rolie der woedegher minnen uit een ander Brussels
handschrift af te schrijven, en het traktaat Een boec van vijf manieren broederliker
minnen in het Deventer handschrift volledig te bestuderen. Maar de resultaten bleven
ongepubliceerd, toen ik vernam dat in Zuid-Nederland plannen ontworpen waren
voor een volledige uitgave. De overweging dat deze plannen, mede door de treurige
tijdsomstandigheden, vooreerst niet verwerkelikt zullen worden, bracht er mij toe,
het verzamelde
1)
2)
3)
4)
Geschiedenis der Ned. Lett. I, 377.
De Ontwikkelingsgang der Ned. Lett. I, 112.
De eerste in De Vreese's uitgave; de tweede in het artikel Meister Eckart en de Nederlandse
mystiek (Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis III (1904-1905), afl. 1-3).
Twee Christen-demokraten in de veertiende eeuw, herdrukt in Letterkundige Studieën.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
124
in druk te doen verschijnen, om daardoor een speciaal onderzoek van de beide
lijvige handschriften uit te lokken. Het komt mij namelik voor, dat een dergelijk krities
onderzoek zelfs aan het plan van een volledige uitgave vooraf zou moeten gaan.
Mijns inziens is het zeer goed mogelik dat men op grond van dit onderzoek aan een
gedeeltelike uitgave de voorkeur zou geven. Jan van Leeuwen, gelijk men hem uit
de achterstaande fragmenten zal leren kennen, is een praatgraag auteur: dat uit
zich in breedsprakigheid en in herhaling van dezelfde motieven, indelingen en
redeneringen. Men behoeft slechts de volledige index door te zien van alle opschriften
1)
boven de capita om zich te overtuigen dat de lektuur van de ‘opera omnia’
allesbehalve onverdeeld genot zou geven. Een oordeelkundige keuze zou
waarschijnlik in staat zijn om de betekenis van deze auteur aan alle zijden te
belichten.
Of de volledige uitgave uit taalkundig oogpunt te rechtvaardigen zou zijn, durf ik
nog niet beoordelen. Wel ben ik overtuigd, en hoop ik door de volgende fragmenten
anderen te overtuigen, dat deze teksten, naast de grote waarde voor onze
beschavingsgeschiedenis, ook voor taalkundigen in menig opzicht belangrijk zijn,
gelijk in het artikel De handschriften van Jan van Leeuwen's werken (Tijdschr. XXII,
blz. 142) in het kort werd aangeduid.
Aan de naar hun inhoud gegroepeerde fragmenten laat ik één kleine volledige tekst
voorafgaan, nl. Die rolie der woedegher minnen, een dialoog in rijmproza, die ons
de ‘goede coc’ als een bewonderaar en volgeling van Hadewijch doet kennen. In
het bovengenoemde artikel betoogde ik, dat de beide zestiende-eeuwse codices
die Jan van Leeuwen's werken bevatten, in hoofdzaak betrouwbaar zijn, maar dat
de toekomstige uitgever, die deze geschriften naar inhoud en taal krities wil
beschouwen, goed zal doen eerst die gedeelten te bewerken,
1)
Mijn afschrift daarvan is ter beschikking van belangstellenden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
125
waarvan een kritiese tekst op grond van twee of meer handschriften groter waarborg
van betrouwbaarheid geeft. Voor deze ‘rolie’ kunnen we beschikken over twee
o
handschriften, nl. de Brusselse handschriften N 667 (het grote handschrift) en het
o
oudere, maar slordiger handschrift N 2559, terwijl voor het eerste gedeelte de
Confabulacio amorosa uit het Deventer handschrift Van vijf manieren broederliker
1)
minnen parallel loopt . Ondanks de slordigheden - die met behulp van het grote
handschrift te verwijderen zijn - koos ik het oudere handschrift, waarnaast ik de
belangrijkste varianten van de beide andere handschriften plaatste. Voor Hs. 667,
dat ik slechts gedeeltelik afschreef, kon ik mijn voordeel doen met een afschrift dat
Dr. J. van Mierlo S.J. welwillend tot mijn beschikking stelde.
Bij de kritiese uitgave van dit kleine werk dient zich nu m.i. aan te sluiten een
uitgave van het bovengenoemde uitvoerige traktaat uit het Deventer handschrift,
vergeleken met het Brusselse. Dan eerst krijgt een uitgever van de grote
handschriften vaste grond onder de voeten. Een dergelijke uitgave, die een boekdeel
2)
vereist, zou ongetwijfeld de moeite lonen .
De afgeschreven fragmenten heb ik in de volgende groepen samengebracht:
I. De ‘goede coc’ over zich zelf en over zijn werk.
b
o
1 Cap. XIX van Dat boeck van der bedinghen (Hs. 667, fol. 65 ), getiteld: ‘Hoe
vermaledijt dat es, alles dincs ledich te staen, ende van des Cocs arbeyde’.
1)
2)
Vgl. het genoemde artikel, Tijdschr. XXII, blz. 148. Ten onrechte wordt daar gezegd dat ‘dit
hele stuk vrij duister is’. Bij een nauwkeuriger lezing en vergelijking, waarbij uit beide
handschriften menige fout kon verbeterd worden, bleef er van de duisterheid niet veel over.
Het uitvoerige uittreksel, met brede aanhalingen, dat ik uit het Deventer handschrift maakte,
en dat ons Jan van Leeuwen als navolger van Ruusbroec leert kennen, zou meer in een
kerkhistories, dan in een taal- en letterkundig tijdschrift op zijn plaats zijn. Vandaar dat ik het
nu achterhoud, al is het ter beschikking van belangstellenden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
126
o
2 Cap. XVII van het traktaat Van den ondersceyt tusschen natuerleke ende
d
overnatuerleke gheboerte (Hs. 667, fol. 160 ), getiteld: ‘Van brueder Jans des Cocs
wtwendeghen arbeyt ende van sijnre inwendegher oefeninghe. Ende hoe dat hem
wtwendeghen arbeyt gheen hinder en was tot sijnre inwendegher oefeninghe’.
o
3 Cap. XXIX-XXX van het traktaat Van vyfterhande bruederscap (Hs. 667, fol.
c
251 ), getiteld: ‘Hoe de cock oetmoedelijc verghiffenisse bidt, eest dat hi yet
messchreven heeft in sijn leeringhen, ende hoe hi begrepen was’, en ‘Van vier
ponten daer hi af begrepen was, ende sijn onscout daer af’. Uit het laatste hoofdstuk
is het gedeelte weggelaten dat betrekking heeft op zijn strijd tegen Eckart, omdat
dit reeds afgedrukt is in het bovengenoemde artikel in het Ned. Archief voor
Kerkgeschiedenis. Bij deze fragmenten konden de voornaamste varianten uit het
d
Deventer handschrift (fol. 105 vlg.) meegedeeld worden.
II. Over de gebreken van wereldlike en geestelike overheid.
b
o
1 Cap. VIII van het traktaat Van den tien gheboden Gods (Hs. 667, fol. 13 ), getiteld:
‘Van den anderen ghebode, ende hoemen sweren mach sonder sonde, ende vander
ghiericheit der bisscopen, landekenen ende andere richteren’.
o
2 Cap. XVII van het traktaat Vanden seven teekenen der sonnen (Hs. 888, fol.
b
48 ), getiteld: Van menegherande state der religiosen menschen, ende hoe qualijc
dat prelate ende ondersaten haer ordene ende regele houden’.
o
3 Slot van Cap. IX van hetzelfde traktaat, getiteld: ‘Hoe dat priesterscap ende
die clergie onsen here meest persequeren oft cruysen overmits hare sonden’.
III. Over misbruiken in de kloosters en onder de geestelike orden.
o
a
1 Cap. XVI van het traktaat ‘De articulis’ (Hs. 667, fol. 131 ), getiteld: ‘Van den
staat der religiosen, ende waer af al
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
127
de faute comt daer principellijc alle eendrachticheit der caritaten met vergheet ende
vergaen es in religiën, ende waer af dat bina alle dordene te niete sijn van haren
yersten fondamenten’.
d
o
2 Cap. XVIII van hetzelfde traktaat (fol. 135 ), getiteld: ‘Van symoniën ende den
staet der quader clergiën’.
a
o
3 Cap. IX van het traktaat Vander tien gheboden Gods (Hs. 667, fol. 16 ),
ghetiteld: ‘Van symoniën diemen begheet inden cloesteren ende gods huysen’.
o
4 Cap. XII van hetzelfde traktaat, getiteld: ‘Van proper te hebben in doesteren
ende vander onghelijcheit die daer in es’.
o
5 Cap. XXV van het traktaat Van den seven tekenen der sonnen (Hs. 888, fol.
c
59 ), getiteld: ‘Dit es die prophecie des goeden cocs van der persecuciën der clergie
ende hermakinghen der heiligher kerken’.
c
o
6 Cap. XIX van hetzelfde traktaat (fol 49 ), getiteld: ‘Vander condiciën der goeder
moneken ende nonnen.
IV. Over beghinen, clusenaren, swesteren, lolarden, broetbagarden, vrie
gheesten, en ‘alsulkerande volke’.
b
o
1 Cap. XII van het traktaat ‘De articulis’ (Hs. 667, fol. 121 ), getiteld: ‘Van ses
dinghen die toe behoeren eenre ghewaregher beghinen ende eenen afghescedenen
gheestelijc mensche. Ende also salse ses dinghen in contrarie vercrighen, daer
mede Gode te dienen te haerre hulpen wert’.
o
2 Cap. XVII van hetzelfde traktaat getiteld: ‘Vanden staet der cluseneren, ende
wat hen sonderlinghe toe hoert’ (gedeeltelik).
b
o
3 Cap. XIII van hetzelfde traktaat (fol. 124 ), getiteld: ‘Vanden swesteren ende
lolarden ende broetbagaerden ende van alsulkerandelike volke staet. Ende vander
inwendeghe gheestelike mesquamen haerre letsamheit. Ende oec wat si iaghen,
daerse luttel met beiaghen, al eest dat si den armen schijn van buten draghen’.
o
4 Cap. XVII van het traktaat Van den ghenen die God gheroepen ende ewelijc
c
wtvercoren heeft (Hs. 667, fol. 196 ), ge-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
128
titeld: ‘Ondersceet tusschen kinnesse ende minne, die hebben de groote clerke
sonder leven ende goede menschen sonder hoghe verstaen, ende van dolinghen
der vriër gheeste’.
c
o
5 Cap. XII van het traktaat Van vijfterhande bruederscap (Hs. 667, fol. 219 ),
getiteld: ‘Hoe verdienlike dat es ghewareghe ghehoorsamheit inder ordenen. Ende
hoe die lollaerde ende susteren dolen, die haren staet achten boven den staet der
ordenen’.
V. Over de gebreken van het lekenvolk: over zondagschennis, hebzucht,
diefstal en schijnvroomheid.
o
1 Cap. XIX van het traktaat Dat boec vanden tien gheboden Gods, getiteld: ‘Welc
c
die quade menschen sijn die die vierte breken’ (Hs. 667, fol. 23 ).
o
2 Cap. XL van hetzelfde traktaat, getiteld: Vanden sesten ghebode, ende hoe
c
dat bij es comen, dat die dinghen sijn eyghen worden ende onghemeyne’ (fol. 42 ).
o
3 Cap. XLI van hetzelfde traktaat, getiteld: ‘Hoe men menigherhande dieve vynt,
a
dies niet heten en souden willen, ende de proeve dat nochtans waer es’ (fol. 43 ).
o
4 Fragment van Cap. II uit Een rolle van richters, getiteld: ‘Wat enen ghewareghen
b
rechter toe hoert, ende van den ghiereghen mensche’ (Hs. 888, fol. 183 ).
o
5 Cap. III uit dezelfde Rolle, getiteld: ‘Van menegherande liede die Gode ende
c
hemelrike weenen coepen met harer wisen’ (fol. 185 ).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
129
Die rolie van der Woedegher minnen.
[Prologus]
*
+
[3]
[4] segge u, wiese te rechte versteet, die sal alle sotheit verwinnen.
1)
[5] Oec biddic u allen , es dat sake dat mine worde hoghe luden,
2)
[6] dat ghi mi daer [omme] niet hoverdich en merct, noch u
[7] selven oec niet en quetst aen mi, mer merct oec waer die
[8] worde oetmoedich sijn daer bi, want het hevet menech man in
[9] sine leringe hoghe ghesproken, die selve niet hoverdich en was
[10] daer bij. Oec moet die mensche dicke hoge ende neder spreken,
[11] na dat die minne Gods sijn herte wilt ontsteken. Maer emmeer
[12] en bekinic mi negheen orberliker dinc dan dat ic gheproeft
[13] werde, op dat ic mi selven lere kennen, aerm sondich mensche
[14] dat ic ben. Al weet ic oec wel dat dien mensche alle die
[15] werelt niet en can ontfoeghen noch ontsaten, die hem vriwil[16] lichlijc te Gode can laten. Ende dit is een seker teeken daer
[17] bij, dat alle sijn leven vanden heilegen gheest sij, ya al woude
[18] men u doeden metten handen, ende verscoren metten tanden,
[19] des en seldy nemmermeer willen wreken noch anden, want in
3)
[20] den gront der oetmoedicheit en mach gheen anschel comen
[21] noch gheraken.
*
1)
2)
3)
fol. 11vDese lere sal
schinen ludende vander
sotter minnen, maer ic
Varianten van Hs. Br. 667: 3 Dese rolie oft rol (de twee laatste woorden zijn uitgeschrapt). 5
u al eest dat 6 daer omme niet hoverdiclijc 6 noch oec u selven 9 herde hoghe 10 moet dicwile
de mensche 11 ommer 12 egheen orborlijker d. 17 al sijn 17 gheest es 19 dat en suldi 19
aendraghen (op de rand veranderd in: anden) 20 anxt (op de rand veranderd in: ansel)
De lezing in de variant: ‘u, al eest (dat) sake’ verdient m.i. de voorkeur.
Ingevoegd naar de variant, die in zijn geheel waarschijnlik de juiste lezing geeft.
Lees: ansel (zie de variant, waar de afschrijver het woord ook niet meer kende).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
130
*
[1] [Hier beghint die rolie van der wallende, woedegher, hertelike
1)
[2] berrende minne te Gode wert] .
[3] Nu hoert, want ic soude u geerne vraghen ende antwerde
[4] gheven, hoe hem die ghene van binnen ghevoelt, die dach ende
[5] nacht in quale van minnen leven in een godlijc crighen in ont[6] bliven, sonder Gode te volhebbene. Siet, dese wallende woedende
[7] hertelike berrende minne te Gode wert, sy maect dach ende
[8] nacht in een mensche daerse es, alsoe groeten stoerm, ende oec
[9] also menegerhande wonder boven wonder van herteliker be[10] gherten te Gode wert, dats u alle de geene die ie met tongen
[11] spraeken of emmermeer met tongen spreken selen, niet en
[12] mochten volseggen. Ende dats oec mi selven, aerm sondich
[13] mensche, alle creatueren seggen of leeren mochten, dats minder
[14] vele dan een cleine sempsadeken groet es yeghen dat icx weet,
[15] ghesmake ende ghevoele. Dese woedeghe minne Gods, seldy
[16] weten, daerse boven redene ende oec sonder waeromme steet
[17] ende geet in ons overmids een vernuftich godlijc crygen in
[18] ontbliven, syet, daer doetse ons te rechte claghen ende weder
[19] claghen over Gode, ende oec over die onbegripelijc minne. Ende
[20] nummermeer en mach dese mensche tonrechte over Gode
[21] chlaghen, om dat sijn bloet ghesichte boven redene steet. Maer
[22] wat dese woedeghe minnare Gods claeghet ende weder claghet
[23] over Gode ende oec over die minne, soe hi meer ende meer
[24] claecht ende weder claecht over Gode, soe hem die minne in
[25] lanc so meer onrecht doot, ende men antwerden geeft. Daer
[26] omme duncket den menschen dicwile al onspoet wat hi doet,
*
1)
4 ghevoelen 5 in quelen oft qualen (de twee laatste woorden zijn doorgeschrapt) 5 crighen
ende ontbliven 6 woedegher 8 in den 10 oeyt 11 ommermeer 12 D Ya dats oec 14 D
senaepsadekijn 14 teghen 14 ics gheweet 15 Want dese 15 suldi 19 onbegripelijke D
(onbegripelijc) ontbr. 21 claghen over gode 21 bloote ghesichte D (om dat ... steet) ontbr. 21
Maer dat 25 soe lanc soe meer onrechts doet 25 min antwoerde 25-26 Ende daer omme 26
D (wat hi doet) ontbr.
Ingevoegd naar Hs. Br. 667. De varianten zonder nadere aanduiding zijn uit dit handschrift;
die met de letter D uit net bovengenoemde Deventer handschrift.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
131
*
1)
[1] want die minne en acht mijns niet een twynt. Sy ghelaet
[2] haer dicwile of sijs niet en verstonde, of dat si ware blint. Sy
[3] laet mi oec dicwile aerm ende allendichlijc quelen ende derven.
[4] Sy en roekes oec niet, al soudic te hans van minnen sterven.
2)
+
[5] Ic moet der minnen dienen op minen cost; het schijnt si en
3)
[6] heeft mijns noch ghere, noch roeke, noch lost . Kenne, lieve
[7] minne, nu vraghic u, ende antwert mi hier in rimen scone:
4)
[8] waeromme en gheeftdy mi u selven [niet] te loene?
[9] Ya seker, dyts sere sottelijc ghevraget, want ic ben u alre
[10] overste vrouwe, ende ghi mijn knecht, ende ghi moet mi dienen
[11] over recht.
[12] Seker, minne, dit wetic ende des liic u wale, dat ic moet
[13] sijn u onderworpen dienstknecht te berghe ende te dale, ende
[14] altoes moot leven na u wetteghe ghebode, die ons allen ghe[15] meinlijc sijn ghegheven van Gode. Kenne, lieve minne, nu
[16] wetty echter wale al sonder waen, dat ic dit cleine ende groet
[17] al hebbe voldaen. Ende waeromme mochty mi namaels ver[18] worpen ende verslaen?
[19] Wildijt weten, ic salt u scriven: op dat ghi altoos cleine
[20] neder ende oetmoedich sout bliven, wel verhoet vander quader
[21] werelt, ende oec van des duvels rade. Des behoefdy vroech
[22] ende spade.
[23] Kenne, lieve minne, nu wetty echter wale, dat ic mi selven
[24] niet en mach verheffen noch verhoverdeghen te male, want ic
*
1)
2)
3)
4)
1 D achtedes niet 1 niet een ziere (veranderd in: niet een twint) 2 oft 3 alendichlijc 3 D quellen
ende verderven 4 ter stont 5 D Ende oec laet si mi arm ende ellendich dienen op minnen cost
5 coste 6 mijns ongheere noch roek noch lost 6 Kyer (op de rand veranderd in: kenne) D Ay
lieve 7 antwoert D antwert mi schone 8 gheefdi 8 u selven niet te loene 9 dit es 12 D (dit wetic
ende) ontbr. 14 moet 15 D (Kenne lieve minne) ontbr. 16 weettic 17 moechdi 17-18 D
verwerpen 20 verhuedt D (wel verhoet ... spade) ontbr. 23 weetti
Hs. en
Hs. schint
Hs. loest
Ingevoegd naar de variant.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 12
132
*
[1] bin mijns selfs orconscape u selven also te gronde ente niete
[2] ghestorven, dat ic u hoechste houlde hebbe verworven.
1)
[3] Ja wattan, het es u noet, want ghi puere creatuere sijt,
[4] daeromme moechdy in u selven bekinnen, dat ghi altoos moecht
[5] toe nemen ende winnen.
[6] Lieve minne, van diere groefheit noch van desen eyghenen
[7] ghewinne en dorfdy my niet leeren. Waendy dat ic mi na loen
[8] of na eyghen ghewin wil keeren?
[9] Nenic niet, des en seldy aen mi niet vinden, want ic en
+
[10] mach mi anders niet dan met minnen in minnen verbinden.
+
fol. 12a
[11] Ende oftic u mi selven gave te loene, waert dan al voldaen?
[12] Jaet, minne, nochtan willic altoes onder staen.
[13] Nu laet doech dan u claeghen varen. Ic sal u namaels wel
[14] ende overvloedichlic betalen, condijt op mi met doechden ver[15] halen.
[16] Minne, u overvloedicheit merret mij dicke te spade, alse ic
[17] alle dinc hebbe voldaen na uwen nausten rade.
[18] Nu merct, beroemech knecht, minen nausten raet willic u
[19] leeren: dats dat ghi mijns cont derven ende oec wus selfs
[20] sterven in allen keeren.
[21] Lieve minne, dat hebbic echter al voldaen, want ic ben om
[22] uwen wille neder tot in die helle ghegaen, ende oec hebbic
[23] ondertiden u hoechste vroude willichlijc gelaeten. En mach mi
[24] dit een twint niet baeten?
[25] Yaet, het sal u baeten, condy mijns willen verbeyden ende
[26] beyden, want ic en mach mi van u niet scheiden.
*
1)
2 hulde 3 Ay wattie (onduidelik geschreven) D Al wattan 3 puer 6 deser grofheit 9 dat en suldi
10 verbenden 11 ochic 12 D Neent minne want ic moet altoes 12 niet minne (bedorven lezing)
13 Kynt nu laet dan 14 overvloedelijc 16 merct my dicke (bedorven lezing) D heeft ook merret
17 naesten rade 18 D (beroemech knecht) ontbr. 18 naesten raet 19 dat es dat 19 uws selvens
23 onder tijde 24 een twint (er stond eerst: een ziere) 25 D (mijns willen) ontbr. 26 D scheiden
te mael
Hs. ees
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
133
*
[1] Minne, dits herde neder ende oec herde oetmoedelijc ge[2] sproeken. Nochtan hebdy dit mi selven na mijn gevoelen dicwile
[3] te broeken.
[4] Seker, quaet ondier knecht, nu mocht ic mi selven noch
[5] overmoedelikere verheffen, heetty mi lieghen. Ende ic en mach
[6] doch niemere bedrieghen.
[7] Minne, ghy segt waer ende ghi hebt recht. Minne bereecht
[8] mi dies: waer omme en sidy altoes niet soete ende goedertieren
1)
[9] uwen getrouwen knecht?
[10] Ghi vraecht mi seer vele. Selen wi emmer moeten paerle[11] menten tusschen ons tween of scheiden? Dies plegen die min[12] naren ende die minnen selden. Want ware die vrienscap also
2)
[13] cleine tusschen ons beiden, alse hier begrijp nauwe es, soe
[14] soude wi herde dicke scheiden.
+
[15] Minne, des plegen twee na gevriende selden. Kenne, lieve
[16] minne Gods, ende waer op verlaetty u, of waer omme sidi soe
[17] stout? Het schijnt dat ghi selve geerne schelden sout. Berecht mi
3)
[18] dies ic u [te] hans vraghede: waeromme dat u alre getrouste
4)
[19] knechte bywilen na uwe suetecheit cume moeghen ghedachte .
[20] Dit soudic u vollijc hebben bescreven, waerdijs te male te
[21] mi wert bleven, ende haddy uwen eygennen wille toeter inde[22] liker doot toe onder mi ghelaten, soe quame u suete ende
5)
[23] suoer , sterven, leven, liden, doeghen even wel te baeten.
*
1)
2)
3)
4)
5)
1 dit es 1 oetmoedichlijc 2 Nochtans 3 ghebroken (evenzo in D) 4 ondiere 6 nyemant
bedrieghen D niement 8 maer bericht my D mer berichtet 9 knecht 10 ommer 12 minneren
ende die minne 13 tbegrijp D begrepen nauwe 14 souden wi 15 maer des ghebruken
(veranderd in: pleghen) D (Minne) ontbr. 15 D (Kenne) ontbr. 18 te hants (er stond eerst: te
stont) D tehandes 19 ghedachten (er stond eerst: ghedincken) D ghedencken 20 D haeste
hebben b. 20 werdijs 21 eyghen 21 totter indekker D (indeliker ontbr.) 23 suuer 23 D sterven
ende leven
Hs. knechten
Hs. nau wee
Ingevoegd naar de var.
Waarschijnlik is hier met D te lezen: ghedencken. Of is de oorspronkelijke lezing: ghedancken?
D.i. suer. Deze ongewone spelling komt in dit hs. meer voor.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 13
134
*
1)
[1] Lieve minne, is dit seker waer , die ghene die in sueten
[2] noch in sueren niet en connen verkiesen, dese en mogen emmer
[3] niet verliesen?
[4] Dat duncket my. Alse lief antwert ic dy, [want si sijn den
2)
[5] sone Godes ghelijc in minnen] Kenne, lieve minne, nu geeft
[6] mi voert in u alre nausten vonnessen raet. Es volcomen liden,
3)
[7] doeghen, die alre sekersten wech die men te Gode wert gaet?
4)
[8] Yaet, dat sweric u by mire godheit, dat in dien mensche
[9] es verborgen die sone Gods, ende oec die scat der ewegher
5)
[10] waerheit .
[11] Kenne, lieve minne, nu gheeft mi dan altoes dit liden, dat
[12] ic omme Cristus doeghen mach dincken nu ende tallen ston[13] den of tiden. Want ic oec en geen dinc meer en beghere, dan
[14] dat ic mi selven te male dore Cristus lidelike doghen tote in
[15] u minne versmelte ende vertere.
[16] Mire minnen en mach oec niement anders ghesmaken, dan
[17] die ghene, die dore Cristus doghen te mi gheraken, ende oec
6)
[18] hen selven ende alle eertsche dinc omme Cristus wille ver[19] smaden. Die wi[l]lic selve roepen te minen nausten rade.
+
[20]
7)
[21] soude u weder dat selve doen, haddicx die macht, maer neenic
*
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
fol. 13vMinne, dit hoer ic
echter gheerne, ende ghy
hebt recht; ic
1 seker waer D is dit echter waer 2 comen verkiesen 4 als lief antwoerdic u 5 Kyer D Ay lieve
m. 6 nauste 6 D liden ende doghen 7 wech dien men 8 Ya 8 (of dy). Ook in D ontbreken deze
woorden 9 D al die scat 10 Kyer (verandert in: kenne) D (kenne) ontbr. 12 ghedincken 12
(stonden of) 16 nyemant 17 Cristus liden 18 hem selven 18 dinghen om 19 naesten rade 21
haddics de macht maer neenic
Hs. seke was. Verbeterd naar de variant.
Ingevoegd naar het Deventer handschrift.
Hs. waech
Hs. u of dy. De laatste woorden zijn, blijkens de varianten, een toevoeging van de afschrijver.
Hier breekt het dialoog-fragment in het Deventer handschrift af. De tekst gaat dan voort: (fol.
98a): Die scat, suldi weten, der ewiger waerheit, dat is dat simpele ghebruken der eenvoldigher,
onbeweggheliker godes drijheit ... enz.
Hs. ville
Hs. minne (waarschijnlik verkeerde oplossing van een verkorting). Verbeterd naar de variant.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
135
*
[1] niet, salic iet vermoghen, dat moet mi to male comen van uwen
1)
[2] ghaven. Ende daer omme maghic voert wel over mi selven
[3] claghen.
2)
[4] Nu antwort selve die minne met ghesteedegen sinne: En
[5] claecht niet soe sere. Ghy en hoept in lanc soe meere. Want
3)
[6] hoe staerc u vrese were of hoe groet, en hoepty in Gode
[7] niet, soe blijfdy aender zielen doet.
[8] Minne, wat hoepe of wat troeste moechdy mi gheven? Want
[9] ic alle mine leefdaege hebbe quaetheit ende sunde ghedreven,
[10] ende daer toe hebbe mesdaen ieghen enen eweghen God, dicke
4)
[11] tebroeken sijn [ghebot] .
[12] Trouwen, al wattan, antwert die minne, en twivelt niet, soe
[13] es u wel ghesciet. Gods ontfermherticheit die es soe overvloe[14] dich ende so groet, al hadde een mensché alle die werelt doet,
[15] sijn rouwe mochte sijn soe groet, het worde hem schiere al
[16] vergheven, wilt hi beteren sijn leeven.
[17] Minne, dits mi een troestelijc ghewach, dat God des sunde[18] ren ontfermt nacht ende dach.
[19] Yaey, antwert die minne met desen, tsmenschen sunden en
[20] moeghen nemmermeer soe groet wesen, eest dat hise Gode met
[21] oetmoedigher herten wilt claghen, God en wilter voert nem[22] mermeer ghewaghen.
+
[23] Trouwen, minne, al wattan! Diere feesten en keeric mi niet
5)
[24] aen . Al wistic wale dat mi God die sonden verlaten ende
[25] vergheven hadde te male, nochtan en willic mi selven nemmer-
*
1)
2)
3)
4)
5)
1 te male 2 voert 4 ghestadeghen 6 sterc 6 ware 8 hopen 8 mochti 9 al mijn 9 sonde 9
bedreven 10 teghen 11 ghebroken 11 sijn ghebot. 12 antwoert 12 dan en twifelt 15 schier 16
sijn levene 17 dit es 17 sondaers 19 antwoert 20 nummermeer 21 nummermeer 23 Trouwe
minne al wat dan 23 Deser feesten 25 nochtans 25 nummermeer
Hs. woert. Verbeterd naar de variant.
Hs. Ende
Hs. scaert. Verbeterd naar de variant.
Ingevoegd naar de variant.
Lees om het rijm: an.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 14
136
*
[1] meer ontsculdichghen noch ontdraghen, maar ic wille Gode
[2] nacht ende dach mine sonden claghen.
[3] Nu antwert de minne te desen kere: En verslaet u selven
[4] niet te sere, maer keert u herte vrilijc tuwen here, ende gheeft
[5] hem met allen crachten lof ende eere.
[6] Minne, des loefs Gods noch diere vriheit en willic niet le[7] dich staen; maer ic ligghe soe vaste in dat neder prisoen der
1)
[8] oetmoedicheit ghevaen, dat ic die wile moet op mi selven slaen .
[9] Nu antwert die minne echter te dese sinne: u oetmoedicheit
[10] doet u meer heilichheiden ghewinnen, dan alle u ander doech[11] den, die ic in u bekinne. Want met negheenre doecht en
2)
[12] mach men Gode bat bestrecken noch verwecken, dan met
[13] oetmoedicheit: dats der minnen trecken. Want vriheit ende
[14] oetmoedicheit dat sijn twee saken, daer wy alle doechden mede
[15] vertaken. Oetmoedicheit werct inden mensche groet wonder,
[16] want si hout haer met allen doechden onder. Vriheit dese
[17] willic oec ghelijc loeven, want sy gheet met allen doechden
[18] over Gode minnen ende loven. Maer verlichte redene die hout
[19] haer altoes even ghereit, rechte in de middelt tusschen beyde,
3)
[20] ende daer omme ane sie[t]se claerlijc alle doechde in donder[21] sceide. Den grontvernietenden oetmoedegen mensche sijns selfs
4)
+
[22] en machmen niet verladen met ghenen laster , noch met ghenen
[23] daden, want die vernietende oetmoedichghe mensche, hij is altoes
[24] even bereet te doechghene ende te lidene dat hem te liden steet.
[25] Want die vernietende oetmoedeghe mensche het es sijn sede,
*
1)
2)
3)
4)
3 antwoert die 3 keere oft te deser stont (de laatste vier woorden doorgehaald) 4 tot uwen
here 6 deser vriheit 8 dicwile 9) antwoert 9 te desen sinne 10 andere doechden 11 egheenre
12 besteecken 15 Oetmoedicheit die werct 19 ghereet recht in die 20 aensietse 20 dondersceet
22 laste 24 te lidene 25 het tes
Als deze lezing niet gesteund werd door het tweede handschrift, zou men geneigd zijn te
lezen: op mi selven staen (vgl. blz. 138, r. 5).
Dit woord, door het rijm gedekt, zal wel de oorspronkelike lezing zijn, en niet de variant
‘besteecken’.
Verbeterd naar de variant.
Zowel deze lezing als de variant ‘laste’ geeft een goede zin.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
I, 14v
137
*
[1] dat hy altoes heeft van binnen vrede. Ende hi ghedoecht, hi
1)
[2] gheswicht van binnen, sonder alle murmuracie, al stille. Ende
[3] daer omme doecht hi sonder wederwille. Want grontoetmoe[4] dicheit die is inder zielen rechts alse een ghescmeitecht dau,
[5] ocht alse een suete honichrate yeghen alle andere do[e]chde.
[6] Oec seggic u noch meer: wie dat hem selven in vernietender
[7] inwendegher grontoetmoedicheit sijns selves besien can, hi
[8] scout ende siet Gode inden gheest van anghesichte tanghe[9] sichte, ende oec al dat hi sien wilt. Ende daer toe al dat hem
[10] behoert te siene, beide in hemelrike ende oec in eertrike. Want
[11] eest lude soe stille, dien grontoetmoedighe mensche heeft van
[12] Gode wat hi wille. Den grontoetmoedeghen mensche en heeft
[13] God engheen dinc, dies hem noet is, verholen noch verborgen.
[14] Ende dat comt daer by: hi is sijns selves te gronde verteghen,
[15] ende op een niets niet sijns selfs ghestorven, ende heeft oec
[16] daer toe sinen eyghenen wille onder Gode ende alle creatueren
2)
[17] ghelaten, dattenne engheen dinc (onoerdeleec) en mach ont[18] voeghen noch ontsaten. Die mensche die te male binnen blijft
[19] met Gode, het es sijn sede, dat hi altoes heeft eenpaerlinghe
[20] raste ende vrede. Vele dincs moechtic u bescrijven, maer
[21] dat alre sekerste dat is binnen bliven, ende oec alle andere
[22] dinc laten varen, dat van Gode groet of cleine iet mochte
3)
[23] ontparen. Want wie te verre wtwert gheet, hi wort herde
[24] dicke ghestuert, eest hem lief, eest hem leet. Ende stuer-
*
1)
2)
3)
2 ende hij swighet 3 lidet hy 3 groet oetmoedicheit (foutieve lezing) 4 recht als een ghesmeytich
5 oft 5 teghen al 8 gheeste van aensichten tot aensichten 9 alle dat 9 alle dat 10 eerterike 11
de gront 12 hi wilt (foutieve lezing, blijkens het rijm) 16 sinnen 16 allen 17 egheen 18
ongheoerdeneerlijc 19 eenpaerlijc 20 Vele dinghen mochtic u scriven 21 dalre 21 al andere
dinghen 22 die van 22 moghen ontparen 23 wt wert 23 hi wert 24 oft eest hem leet
D.i. overeenkomstig de variant: gheswijcht.
Later bijgeschreven.
Hs. uwert. Verbeterd naar de variant.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
138
*
+
[1] moedicheit es hem dicke bi ende bereet. Die mensche es
[2] te verre ut ghegaen, suoect hy des sijns in eneghen saken,
[3] also dat hi niet vrilijc noch onghehendert weder in en can
[4] gheraken. Ende daer omme moeten die liede dicken op hen
1)
[5] selven staen , die niet puerlijc ter eren Gods wt en sijn ghe[6] ghaen. Die moeten dicwile met vremden beelden, ende oec met
[7] hen selven twewoldichlijc in wert sien. Ende daer omme mach
[8] hen luttel goets van Gode gheschien. Want die twewoldelijc
[9] met hem selven inkeren ende thare suoeken aen Gode of aen
2)
[10] creatueren, inwert of wtwert , of oec in eneghen dinghen, dit
[11] sijn de ghene die de note craken, ende oec wel scone seden ende
3)
[12] utwendighe [oetmoedeghe] wise geraken, ende der kernen niet
[13] en gesmaken. Maer die ghene die de note craken, ende oec der
[14] gheesteliker kernen alle beyde gesmaken, dat sijn de ghene die
[15] puerlijc die ere Gods suoeken in alle dinghen. Dese moeghen
[16] Gode altoes een nuwe liedeken singhen. Dat suoete liedeken,
4)
5)
[17] dat men Gode in sinen oren runen ende singhen mach, dat
[18] is grontoetmoedichheit, des doe ic u ghewach. Deus, God here,
[19] hoe seere Mariën, der reinder maghet, oetmoedicheit inden
[20] derden hemel clanc, daer sy de gotheit te male overmids minne
[21] in minnen bedwanc! Te niete werden van minnen in minnen,
[22] dat sijn die ghene die Gode dwinghen, boven allen verstannisse
6)
[23] van synnen. Mariën oetmoedicheit wrochte allene in haer
[24] ghedochte, dat noit creatuere toe bringen en mochte. Die gront-
*
1)
2)
3)
4)
5)
6)
2 hy tsijns 2 enegher saken 3 onghehindert 4 dicwile 5 slaen 5 en sijn wt ghegaen 7
tweevoldelijke 8 lutter 8 tweevoldelike 10 wtwert 12 wtwendeghe oetmoedeghe wisen 13 die
daer de 14 keernen 15 in allen dinghen 16 niewe 16 Tsuetste 17 rueren 18 doen ic 19 hoe
sere dat marien 20-21 minne met minnen 21 Te niete te werden 22 alleverstandenisse 23
wrochte 24 gedachte (foutieve lezing, blijkens het rijm).
Deze lezing is onberispelik. Men lette er evenwel op, dat de variant ‘slaen’ steun vindt in een
vroegere plaats (blz. 136, r. 8).
Hs. uwert. Verbeterd naar de variant.
Ingevoegd naar de variant.
Hs. auen. Verbeterd naar de variant.
De juiste lezing zal wel zijn ‘runen’ en niet ‘rueren’, gelijk de variant heeft.
Hs. worchte.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 16
139
*
[1] oetmoedich is, hi mach hem wel verbliden ende verhoghen,
[2] want oetmoedicheit es coninghinne van allen doechden. Die
[3] oetmoedeghe ende die saech[t]moedeghe goedertieren mensche
[4] heeft oec in hem beseten alle ghewaereghe inblivende doecht.
[5] Den grontoetmoedegen mensche hem en ghebrect negheen
[6] doecht. Die oetmoedeghe mensche can hem selven overmids die
[7] gracie Gods wel vernederen ende te Gode verhogen, ende met
[8] allen doechden vorwert poghen. Die grontoetmoedeghe mensche
[9] es oec also vrij van binnen, dat hi hem selven alle uren te
1)
+
[10] Gode keeren can in gheestelijker minnen. Tuschen vernieten
2)
[11] in oetmoedicheit ende bloete verhavene stille minne soe
[12] worden alle doechden gheoefent die ic kinne. Verlichte redene
[13] die staet ende gaet altoes tusschen beyde. Ende daer omme
3)
[14] oerdennertse van boven tote beneden alle doechde met claren
[15] ghemerke in ondersceyde. Verlichte redene die en mach nem[16] mermeer in enghenen dinghe dolen. Ende dat comt daer by:sy
4)
[17] es meestersse in teologiën , ende can wel der godheit ende
[18] der menscheit ons heren Jhesu Cristi te samen beliën. Ver[19] lichte redene die bedrivet al. Minne laetse hier beneden dicke
[20] becommert int ongheval. Eest quaet, eest goet, redene moet
[21] allene scouwen ende bedriven; minne die willes alles te raste
[22] ende ledich bliven. Minne die wilt allene antwerden der min5)
[23] nen. Redene moet [alle den last] draghen ende versinnen.
[24] Minne die wilt haers liefs allene enichlijc pleghen, ende oec
[25] alle anderheit ende onderscheit begheven. Redene die en wilt
*
1)
2)
3)
4)
5)
3 saechtmoedeghe 5 egheen 6 Doetmoedeghe 7 verhogen oft verheffen (de beide laatste
woorden zijn doorgehaald).
8 derwert poghen oft spoeyen (de beide laatste woorden zijn doorgehaald). 10 in ghestedegher
minnen 11 bloete 14 ordeneerse 16 nummermeer 16 in ghenen 17 theologien 18 tsamen 20
in dongbeval 20-21 moet al aenscouwen 23 alle den last 24 ghebruken en pleghen (de beide
eerste woorden zijn doorgehaald).
Waarschijnlik is hier, met de variant, te lezen: ghestedegher.
Hs. bloeten
Hs. oerdennerste
Hs. toelogien
Ingevoegd naar de variant. Het Hs. heeft onduidelik: allent
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 16v
140
*
[1] des echter niet ghestaden, maer si wilt wandelen in men[2] nechvoldeghen doechsamen paden. Dese menechvoldicheit der
[3] doecht en heeft der minnen niets niet der pinen wert, want
[4] minne die es altoes coene ende stout voer Gode ende onververt.
[5] Dat redene van oetmoedichheide niet en soude dorren noch
[6] moghen aensien, dat mach der bloeter minnen altoes van rechte
[7] gheschien. Maer alst al es ghesecht ende al voldaen, soe en
[8] wetic u wat beters segghen noch betiën, dan dat wy alle onse
[9] leefdaghe beliën, dat wy arme sondeghe menschen sijn. God
[10] moet onser alder ontfermen inden name ons heren Jhesu Cristi,
[11] die sijn bittere cruce om onsen wille droech. Amen. Amen.
[Alle den ghenen die dit rolleken hebben ghelesen oft horen lesen oft selen lesen,
siet, dien menschen biddic vriendelijc, hebbic yet daer in mesdaen oft messeet, dat
1)
sy vercleren ende beweren mijn groote grofheit]
II.
+
Hoe vermaledijt dat es, alles dincs ledich te staen, ende van des Cocs
+
arbeyde.
fol. 65b
Ende hier bij pruevic hen, dat dese menschen met Mariën noch ommer dat beeste
deel niets niet vercoren noch bevonden en hebben, want dat beeste deel en es daer
in niets niet gheleghen, in alles dincs oft alre werken ledich te staen, maar alles
dincs willen ledich staen dat es seker dalre quaetsten deel, dat enich mensche alsoe
heilichlijc oft alsoe afgheschedelijc leven waent, dat hij te male niets niet werken
noch laboreren en wilt metten handen. Want sente Pauwels, die een der hoechster
2)
scouwer was die noyt in eerterike quam, ende oec inden
*
1)
2)
3 ter pinen wert 4 onverveert 5 oetmoedicheiden 7 gheseet 8 al onse
Dit slot komt alleen voor in Hs. 667, fol. 82b.
Hs. der hoecster scouver
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
141
+
derden hemel ghetrocken wert ende verhaven boven hem selven, ya ende oec
+
boven alle hemele ende boven die IX choren der inghelen was sinte Pauwels
fol. 65c
ghevoert ende overgheset, daer hy Gode claerlijc metten gheeste scouwde ende
1)
sach boven beelden, van aensichte tot aensichte, siet nochtan wetti wel dat die
2)
hooghe apostel Gods Paulus dach na dach arbeyde ende sijn lijffelijc broet wan
metten handen, ya ghelikerwijs dat ic oec selve dach ende nacht arbeyde metten
handen. Ende ic moet daer toe alle daghe wel hen XXX dienen ende bereet sijn te
tijde ende te termpte, ende ic hebbe oec wel seven manieren van ambachten alle
daghe te besorghene, maer des willic swighen, want het en es ommer egheenre
vertellinghe wert, alle dat wij ommermeer ghedoen oft werken moghen totter doot
toe des crucen om dere Gods te volbringhen oft omme salicheit ons evenkerstens.
Want alle dinc sijn cleyn ende als niets niet om te rekenen teghen die grootheit der
toecomst der gloriën Gods, soe en sijn alle dinghen anders niet te rekenen noch
niet meer te achtene dan een cleyne droppelken waters teghen die groote zee. Maer
daer omme ende oec hier bij soe hebbic u dese redene voerseet, na dien dat die
hooghe scouwere Gods Paulus ghewracht ende ghearbeit heeft metten handen,
siet hier bij soe pruevic u dat nyemant nyemant soe heylichlijc leven en mach in
+
deser tijt, hij en mach oec onder tiden met sinte Pauwels wel werken, ya ende sal
+
3)
fol. 65d
oec heylegher sijn bij den werke, dan oft hij niets niet en wrachte. Want ic houter
4)
wel vore op mijn beste na dat ic versta, datter vijfhondert in armen scinen gheet
om broot, die sterc, ghesont sijn ende groot. Het ware hen seker beter ende salegher
dat sij te Gode ere haer ambacht deden ende wonnen haer broot, dan dat sij hen
setten op luyerdij ende op ledicheit van werken. Dat moechdij aen mijn here sinte
Pauwels merken. Want ic en gheloeve niet dat enich mensche na lollaertsche wise
op den dach van heden in armen scine wandelt, die sinte Pauwels ghelike es
1)
2)
3)
4)
Hs. dat die ❘ dat dic
Hs. paulijs
Hs. oft hijs oft hij
Lees: scine
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
142
1)
in leeringhen noch oec in gheesteliken orborlijken leven, ya [ende] die daer toe
alsoe sere begheert salicheit der menschen als Paulus dede. Want ic weet wel,
waer noch een mensche in eerterijke die Paulus ghelijc waer in woerden, in werken,
in leeringhen ende oec in heileghen leven, hij soude noch seker die selve werke
werken, die Paulus wrachte ende leerde, doen hij leefde.
+
Van brueder Jans des cocs wtwendeghen arbeyt ende van sijnre
inwendegher oefeninghe. Ende hoe dat hem wtwendeghen arbeyt
gheen hinder en was tot sijnre inwendegher oefeninghe.
+
fol. 160d
Ende hiertoe heeft mij God versien overmids sijn grondelose ontfermherticheit, ya
soe dat ic nacht ende dach al mijn crachte van buten ende van binnen, beyde lijflike
ende gheestelijc, oeffene ende vertere in den heyleghen dienst Gods. Want van
+
buten soe hebbic alle mijn leefdaghe grooten sterken groven arbeit ghedaen, ya
beyde mij ende oec anderen goeden lieden. Ende alsoe wan ic mijn broet ende +fol. 161a
mijn lijflike spise metten handen ende met sweteghen leden. Ende oec van binnen
in gheesteliken heyleghen werken en heeft die gracie Gods in mij een ure niet ledich
noch ijdel gheweest in mij. Want ic ben minen here sinte Pauwels naghevolght van
buten ende van binnen in alle manieren van heylegher leringhe na de wet Gods
inden hoechsten graet der minnen te volbringhen, ya op dat ic onsen eneghen here
Jhesus Cristus inder alre minster oetmoedicheit yet ghelijc mochte werden. Want
eenpaerlinghe soe hebbe ic de passie ende oec die doot ons heren Jhesu Cristi in
mijn alindeghe doechlike herte ghedreghen. Ende die heyleghe opene binnenste
ons heren Jhesu Cristi en hebbic niet versuymt noch verroekeloest in zeeneghen
vriwilleghen afkere, want al volchde ic cranckelijc na, siet nochtans en constic noyt
vergheten sijnre trouwen noch diere bitter doot sijns crucen. Want in die heyleghe
2)
verlossenisse des ghebenidijde
1)
2)
‘ende’ is in het hs. bijgescheven.
Lees: ghebenedijden
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
143
crucen, siet daer in hopic nacht ende dach, ya in dat heyleghe werc der verdienten
ons heren Ihesu Cristi. Mer daermen van allen dinghen gheswighen soude, ya die
in hemelrike ende oec in eertrike sijn ende oec van der substanciën der Godheit
mede, siet daer soudemen altoes spreken vander levender, werkeliker binnensten
+
ons heren Ihesu Cristi. Want alle salicheit die hanct in die binnenste eenvoldegheit
+
1)
fol. 161b
ons heren Ihesu Cristi. Ya, ic segghe [u] noch meer eenen anderen sin : waert
dat sake dat alle menschen consten wandelen in mijns selfs herte ende in mijn
binnenste gheheelheit, ghelikerwijs dat ic wandele in die binnenste ons heren Ihesu
Cristi, seker soe soude mij alle menschen minnen, saghense mijn herte aen, ya al
had ic haerre alre brueder doot, ende oec al dats hen ten tienden lede besteet. Want
ic en const u niet ghesegghen noch bescriven, hoe sere dat ic alle menschen minne
ende beghere te bringhen in die levende binnenste ons heren Ihesu Cristi. Want
daer voer en hebbic oec noch ziele noch lijf ghespaert. Ya om alle menschen te
hemelrike te bringhen, dats nacht ende dach mijn gheestelijke inwendeghe
verborghene iacht. Nochtans hebbic van buten grooten sterken arbeit te doene ende
2)
menich grof wtwendich ambacht. Maer ghelooft ende ghebenedijt sij God , mij en
lette noch en hinderde nye goet wtwindich werc, dat goet in hem selven was, omme
dat ict van binnen wrachte puerlijc ter eeren Gods. Siet, hier omme soe droech God
over al minen laest. Want ic segghe u seker dat voerwaer, dat u die goede werke
van buten niet te meer en letten noch en hinderen, ya ter hoechster heylicheit met
+
te comene, dan oft ghi alle den dach in de kerke saet op u kniën, ende bedet onder
uwen caprune. Ya ende noch meer soe segge ic dit: soe wie oft wat menschen, +fol. 161c
3)
dien dunct, oft hem alsoe van binnen ghevoelt te Gode weert, dat hem dunct
4)
dat hij eghene wtwendeghe goede werke te sinen vreden ghedoen noch ghe-
1)
2)
3)
4)
Bij deze plaats staat op de rand: Nota super optime.
Bij deze plaats staat op de rand: Nota bene.
Hs. ghevolt
Hs. wtwendge
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
144
werken en can, siet, dien mensche en es seker inder waerheit niet recht, ende ic
en gheloeve oec niet dat hi ye enich werc wrachte, ya dat eyghelijc Gode inden
gheeste behaghen mochte. Want werkende leven dat es herde goet, ende oec eest
alle menschen van noede noet, maer vri inwendich scouwende leven dat es noch
vele beter, dat een mensche wt onverbeelder herten op sta ghericht te Gode, ya
sonder vremde letsamheit van binnen. Maar scouwen ende werken beyde te samen
dat es alre best, want dat was Cristus leven, ende oec der gheenre die Cristus nader
hoechster volmaectheit naghevolcht sijn. - - -
+
Hoe de cock oetmoedelijc verghiffenisse bidt, eest dat hi yet
messchreven heeft in sijn leeringhen, ende hoe hi begrepen was.
+
fol. 251c
Nu biddic met innigher herten onsen lieven here God van hemelrike, ende oec
biddics der heylegher drieheit Gods te male, ya es dat sake dat ic in eeneghen
dinghen hebbe messeet in alle mijre leringhen oft messcreven, dat mij God dat
overmids sijn groote grondeloese goedertierenheit wil verlaten ende vergheven.
1)
Ende oic willic voerweert meer overmidts die gracie Gods beteren mijn leven . Ende
+
oec biddic noch meer ghenadichlijc met grooten eernste ende met grooter
+
begheerten, ya allen den ghenen die mijn buekelkine groot oft cleyne hebben
fol. 251d
ghelesen, oft namaels selen lesen oft horen lesen, datse mijn arm leringhe Gods
2)
niet qualijc en ordelen, noch tonrechte en begripen onwerdelijc naden aenschine
haerre scaden. Want mij waer herde leet, ende oec uter maten leet, dat hem yement
in al eertrike te rechte aen mij stiete, oft dat oec eenich mensche mijns oft mijnre
3)
leringhe ghehendert oft ghearghert worde bi mijnre scout oft bi minen ocsune .
Seker, daer na en hebbic niet ghepijnt noch ghearbeyt. Maer ic weet wel seker dit
overmids de ghenade Gods ende oec overmids dat ghe-
1)
2)
3)
Deze zin is met latere hand ingevoegd.
Hs. Dev.: aensien
Hs. Dev. oersaken
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
145
tughe des heylichs gheests, dat ic in al mijnre leringhe anders niet en hebbe ghesocht
noch oec noch en doe, dan puerlijc dere ende den lof Gods, ende oec alre menschen
salicheit, daer bi ghelijc mij selven. Des sal, hopic, God ende oec die eweghe
waerheit Jhesus Cristus, wiens onderworpen knecht dat ic ben, mijn ghetughe ende
oec mijn orconde sijn inden ioncsten daghe des ordels, ya, dat ic egheen dinc en
1)
hebbe gheleert, het en mach, hopic, openbaer wel bestaen metter heylegher kerken
ende oec metter heylegher scriftueren.
Nochtans es mijn leringhe in sommeghe steden ende oec van selken personen,
2)
hopic tonrechte, ghecorengiert ende qualijc verstaen, ya op dat mijn leringhe altoes
overeen dreecht, concorderende metter heylegher scrift, soe en willicker niet
+
loechenen. Ic hebbe liever te stervene met onrechte, dan ic den heyleghen gheest
+
3)
4)
fol. 252a
loghenaer maecte, ya oft dat ic selve een loghenachte onbelidere Gods ware.
Want eenrehande menschen, die mijn leringhe niet en hebben verstaen, noch en
selen verstaen in vele steden, siet, dese hebben mij plompelijc begrepen. Ende oec
selke andere scalkelijc van onwerden, omdat ic een leec, onghelettert mensche
ben. Ende oec selke derde menschen, daer ic mij grooter trouwen toe vermaet ende
noch doe, dese hebben mijn leringhe oec begrepen, ya nochtan datse wel verstaen
dat mijn leringhe ghewarich es, siet nochtans weettic wel datse mijn worde onder
5)
tijden averecht ende verkeerdelijc nemen, ende en volghe niet den sinne, noch
oec der sentenciën mijnre meyninghen.
Siet, ende aldus mochtmen de heyleghe scr[i]eft ende oec onsen here Ihesum
Cristum hem selven in vele steden begripen. Want ic hebbe oec mij selven puer
willens in sommeghe steden wedersproken [anders ende anders dat ic teenre stadt
1)
2)
3)
4)
5)
Hs. Dev.: als ment te rechte verstaen wil
Hs. Dev.: ghecalengiert ende bestraffet
Met andere hand is hierachter geschreven: ich
Hs. Dev. onbeleert godes
Hs. Dev.: tonrechte verkiertlic
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
146
1)
sprack] ende seyde, ende namaels ter andere stat wederseyde. Ende dat dede ic
2)
om selker verkeerder menschen dolinghen wille. Ende hier omme soe seggic u
3)
oec, datmen den luut vanden woerden altoes wel versteet, maar de meyninghe
der screftueren oft oec de godlike dinghe die inder meyninghen verborghen sijn, dit
es dicwile swaer ende podersaem te verstane. Want de text der blooter letteren die
4)
+
wedersprect in vele steden deen dander. Noyt en sprac nyemant soe claerlijc, hi
en mochte in sinen woerden wel begrepen worden, maer de verborghenheit der +fol. 252b
godliker, inwendegher meyninghen, dat en mach nyemant begripen dan God
allene, ende diet van Gode ghegheven wert.
5)
Ic segghe u oec noch meer: het en es oec niets niet ter pinen wert, de dinghen
6)
daer ic af begrepen ben, want het en luudt sempelment teghen die heyleghe
screftuere niet.
Ende hier omme en derfmens oec niet seere ontsculdeghen noch verclaren, maer
7)
daer een ghemeynte yet haer scade in doen mochten, dat es altoes goet verhuedt
ende belet, soe men naest mach.
+
Van vier ponten daer hi af begrepen was ende sijn onscout daer af.
+
Hier na volghen dan die welke dinghe daer ic af begrepen soude sijn. Want in
sommeghe steden hebbic ghesproken, dat ons de gracie Gods wt Gode gheboren
wert. Nu dit hebben sommeghe mensche daer op ghekeert, als oft ic dit meynde,
dat de heyleghe gheeste uten vader gheboren worde. Trouwe neen ic! Ic en legghe
dat eweghe beelde des vaders noch oec dat weselike ghebaren der godheit inden
heyleghen gheest niet.
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
Invoeging met latere hand. Het Dev. Hs. heeft: anders ende anders alse dat ic der eenre stat
spract ende seghede, dat ic dat namaels ter ander stede weder seghede.
Hs. Dev.: dwalinghe
Hs. Dev. dat gheluut
Hs. Dev. Nye en sprac yemant
Hs. Dev. der
Hs. Dev. simpelic
Hs. scape. Het Dev. Hs. heeft de juiste lezing: haer scade inne doen solden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
fol. 252b
147
Want de heyleghe gheest es minne der godheit, maer de vader ghebaert ons sinen
eeneghen sone, dat eweghe woert. Sinte Iohannes ewangeliste sprect: Ende van
sijnre volheit hebben wij alle ontfaen gracie boven gracie, want de wet es ghegheven
1)
overmids Moysesse, ende gracie ende waerheit overmids onsen eneghen here
Ihesus Cristus. Ende in deser wijs machment verstaen vander ewegher gheborte
der graciën ende der gloriën Gods, ons overmids onsen eneghen here Ihesum
Cristum wt Gode gheboren.
2)
Echter hieraf wasic oec begrepen, omme dat ic seyde dat [ic] mijn hoechste
leringhe ontfinc oft ontfaende ben in die levende eenvoldeghe binnenste ons heren
Ihesu Cristi. Trouwen dit was ende es al waer. Dese selve ghelikenisse seggic noch,
3)
ende oec en scame ic mij des een hellewert niet, dat ic onsen here Ihesum oft
Ihesus Cristus glorie ende lof ende ere aendraghe van allen minen wetteghen saken.
Maer ic soude mij dies herde sere scamen, dat ic mij selven aendraghen soude oft
oec eenegher creatueren. Want ic mijn leringhe seker niet ontfaen noch vercreghen
4)
en hebbe van egheenen mensche. Onse here God sprac doer den esel , weetti
wel, ende dit was doch een onredelijcke creatuere, ende ic ben doch een redelike
creatuere. Ende daer omme biddics u noch, dat ghijs u niet verdrieten en laet, al
ben ics onwerdich, dat God sijn ontfermherticheit met eenen armen moordeghen
sondaer ghewracht heeft. Want al sette God alle menschen in hemelrike, ende al
maecte hise alle meesters in theologiën, seker mij en souts niet verdrieten, ende
mij en soude oec niet duncken dat mij God onrecht dede, ya al worpe mij God allene
5)
in die helle, want des hebbic dicwile best ende oec alre beste verdient ..........
+
Echter ten vierden male soe was oec hopic mij[n] leeringhe
+
fol. 153d
1)
2)
3)
4)
5)
Hs. Dev. mer
Ingevoegd naar het Dev. Hs.
Hs. Dev. een hellinc weert
Hs. Dev.: die eselinne
Het middelste deel van dit hoofdstuk is reeds afgedrukt in het Ned. Archief voor Kerkgesch.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
148
van sommeghen personen tonrechte begrepen, oft wel qualijc verstaen, ya in
sommeghen steden, daer ic sprac ghelikerwijs dat ic noch spreken ende verclaren
wille, van religiosen menschen, die daer ordene ende reghele ontfaen hebben te
+
levene na die drie principale poente, daer deen af es ghehoersamheit, dander
reynicheit ende oec dat derde poent, dies luttel yement begheert, na scijn oft na +fol. 254a
sijn van buten, dats vriwillich armoede.
Want dese drey ponten sijn ommer oerspronc ende oec fondament, daer de macht
der ordenen te male op ghefundeert es, ya, ende oec al die heylicheit die dordenen
in hebben, die es in desen drey ponten bevaen ende gheleghen.
Mer nu dunct sommeghen menschen, dat ic moneken ende nonnen oft oec den
1)
2)
mendicante den stecke oft den wech alte nauwe ende al tinghe hebbe gheset,
ya omme dat icse wisen ende leren wil na dyerste fondament der reghele te leven.
Assen.
C.G.N. DE VOOYS.
1)
2)
Hs. Dev. den mendicanten, dat is die van der biddender oerden sijn, den sticke.
Hs. Dev. alte enghe
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
149
Kleine mededeelingen.
53. Naar aanleiding van 't Poolsche woord legart.
Het Poolsch bezit een woord legart, luiaard. In 't Etymol. Wörterb. der slavischen
Sprachen van MIKLOSICH, 163 vindt men 't volgende artikel: ‘Legartŭ: p. legart
faulenzer. - art ist das d. hart in bankhart usw., it. ardo in bugiardo usw.’ Wie
Nederlandsch kent, begrijpt dat legart in zijn geheel een bijvorm is van ons luiaard,
en vermoedelijk ontleend aan een of ander Nederduitsch dialekt. Als bijvorm van
lui geeft Kiliaan op: lei, zonder aanduiding dat het gewestelijk is, zoodat hem de
uitspraak lei waarschijnlijk uit Brabantsch gebied bekend was. Dit feit in verband
1)
met legart wettigt het vermoeden dat in lui, spr. löi , de ö een klankwijziging is van
2)
een e; vgl. veul, speulen op Nederlandsch gebied . Een dergelijke afwisseling
vertoont Mhd. sloier, sloiger, slogier naast sleier, Nhd. schleier. In een soortgelijke
verhouding staat Nhd. löwe tot leu.
De oudere vorm van lei, leg-, lui zou kunnen geweest zijn leujis, legwjis, waarvan
ik echter geen bevredigende etymologie weet te geven. Ook ken ik in de verwante
talen geen woord dat met zekerheid met lei, leg, lui in verband kan gebracht worden.
Uiterlijk lijkt het eenigszins op het algemeen Slavische woord voor ‘lui’, nl. Ob. lênŭ,
lênivŭ enz., doch ik zie geen kans om 't Germaansche woord hiermede in samenhang
te brengen, te minder omdat men het over de etymologie van
1)
2)
De ö kort uitgesproken als bijv. in Köln.
In 't Graafschapsch blijft de klinker kort: dus völe, spölen, in overeenstemming met de korte
uitspraak bijv. in èten met korte è, zoodat een ongeoefend Hollandsch oor een dubbele t
meent te hooren.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
150
lênŭ, enz. oneens is. In hetzelfde geval verkeer ik ten opzichte van Litausch liáuju,
liáunu, ophouden, met iets uitscheiden.
Al draagt het Poolsche woord niet bij tot de verklaring der etymologie van lui, enz.,
meende ik toch dat het de moeite waard was er de aandacht op te vestigen.
H. KERN.
54. Robbe, vischmaag.
Van dit woord wordt gewag gemaakt in Franck's Etymologisch Woordenboek der
de
Nederlandsche taal (2 Druk door Dr. N. van Wijk), 552, waar gezegd wordt: ‘nnl.
II rob ‘vischmaag’ (sedert Winschooten, 1681).’ Maar 't woord komt veel vroeger
voor. De Marees schrijft in 1602: ‘wij vonden altijt veel vliegende visch in hun maeghe
of robbe’ (ed. Naber, 1912, p. 161). In ‘De eerste schipvaart der Nederlanders naar
Oost-Indië onder Cornelis de Houtman 1595-1597’ (uitg. door Rouffaer en IJzerman),
I, blz. 53 zegt de schrijver, W. Lodewijcksz: ‘Zij (nl. de Bonitos) vernielen een groote
menichte vande vlieghende visschen die der somwylen wel 10 oft 12 in haer rop
vonden.’ Rop is natuurlijk een fonetische spelling voor rob, welke verkorte vorm
voldoende bewijst dat het vollere robbe wie weet hoeveel ouder is.
Het woord ontbreekt bij Kiliaan, gelijk menig ander, waarvan men kan bewijzen
dat het in zijn tijd hier te lande in gebruik was. Er is niets tegen, dat men bij de
behandeling van een Nederlandsch woord opmerkt dat het in Kiliaan ontbreekt,
maar men mag daaruit niet de gevolgtrekking maken dat het in zijn tijd nog niet
bestond.
H. KERN.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
151
55. Moortje vs. 2292. (Terentius' Eunuchus vs. 184).
K.
Dat ghy de plaatsen schuwt daer de slaghen vallen.
R.
So deed' Pyrrhus, en so doen de Koningen altijdt,
Sy laten de Soldaten vechten, en blyven selfs uyt de strijdt.
Thraso-Roemer durft heel wat zeggen en één van de eerste dingen is wel, dat hij
Pyrrhus tot een lafaard maakt, die zich achter zijn soldaten verschuilde. Waar heeft
1)
Terentius aanleiding kunnen vinden om den dapperen Epirotischen koning iets
zoo onwaardigs te laten doen? Was het niet dezelfde Pyrrhus, voor wien niemand
minder dan Hannibal groot respect had en die weliswaar bij Beneventum heeft
moeten vluchten, maar pas nadat hij verslagen was en die wel door den steenworp
eener vrouw den dood gevonden heeft, doch in elk geval terwijl hij was op 't veld
van eer?
Dat meerderen de passage bij Terentius vreemd gevonden hebben, blijkt uit zijn
commentatoren, van wie b.v. Westerhovius (1732) en Perlet (1821) de vergelijking
‘ridicula’ en ‘perridicula’ noemen en meenen, dat de dichter ‘irridet’. Andere uitgevers,
o.a. Bruns (1811), werpen de gedachte aan Epirus' koning zoo ver weg, dat zij
vermoeden, dat gedoeld is op Pyrrhus Achilles' zoon. Nu, deze was eenmaal de
moordenaar van grijsaards (Euripides' Troades) en van den jeugdigen Astyanax en
had tot spreuk, dat den overwinnaar alles vrijstaat, dus ook laffe en onedele daden,
maar toch lijkt mij de gissing niet waarschijnlijk, daar deze Pyrrhus der verdichting
niet in de allereerste plaats veldheer is geweest.
Wij moeten wel aannemen, dat Pyrrhus, de koning van Epirus, die den Romeinen
niet sympathiek is geweest, bij zijn tegenstanders de blaam van lafheid niet heeft
kunnen ontgaan en ik meen daarvoor wel een aannemelijke verklaring gevonden
te hebben.
1)
o
Navolging van Menander is hier buitengesloten, 1 kon deze, die ± 300 v. Chr. leefde en
o
schreef, niet op Pyrrhus' daden van 280 zinspelen, 2 is de Thrasofiguur een maaksel van
Terentius.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
152
Dat een generaal zich niet roekeloos vooraan in den strijd waagt, is een zaak van
passend beleid; toch laat 't zich wel denken - vooral in vroeger tijd, toen 't vechten
cominus iets heel gewoons was - dat het zich achterafhouden door tegenstanders
verkeerd werd uitgelegd; maar nog veel geschikter voor averechtschen uitleg lijkt
1)
mij toe, dat een veldheer, gelijk dat in de oudheid, o.a. van Pyrrhus, vermeld wordt ,
zich in 't heetst van het gevecht onkenbaar maakt door van kleeding en van wapenen
te verwisselen met een soldaat. Zelfs uit de manier waarop, en de woorden waarmee,
latere geschiedschrijvers dit vermelden, is wel op te maken, dat deze travestie in
verband werd gebracht, niet met moed en beleid, maar met de begeerte om in
minder groot gevaar te zijn en beter te kunnen vluchten. En aan deze traditie is
Terentius' beschuldiging van Pyrrhus toe te schrijven.
Een paar voorbeelden, waar uitleg in kwaden zin uit te halen is, zijn: PLUTARCHUS
in 't leven van Pyrrhus (cap. 17), als hij zegt dat Pyrrhus ‘zijn mantel en zijn wapenen
met die van één der krijgsmakkers, Megacles, verwisselde en zich op een of andere
wijze daarmee verbergende (ϰαταϰρύψας ἑαυτὸν τρόπον τινά) op de Romeinen los
ging’, en FLORUS (Lib. I, cap. 18): ‘projectis insignibus’.
Het gebeurde in den slag bij de Siris in 280 tegen consul Laevinus.
MONTAIGNE (Essais I, 47) wil de handeling van Pyrrhus recht praten; hij schrijft:
‘car pour s'estre voulu cacher sous les armes de Demogacles (sic) et luy avoir donné
les siennes, il sauva bien sans doute sa vie mais aussi il en cuida encourir l'autre
inconvénient de perdre la bataille.’
Groningen.
G.A. NAUTA.
1)
Plaatsen hiervoor vindt men in de Amsterdamsche uitgave (apud G. Gallet 1702) van FLORUS
op blz. 120 noot.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
153
Fragmenten uit Jan van Leeuwen's werken.
1)
II.
+
+
Vanden anderen ghebode, ende hoemen sweren mach sonder sonde,
+
ende vander ghiericheit der bisscopen, landekenen ende andere
fol. 13b
+
richteren.
fol. 13c
Maer men maect heden des daechs vele rechts, beyde in gheestelijcke rechte ende
oec in werlijcke rechte, op sommen van ghelde te ghevene, dat egheen gherechticheit
+
in hem selven en es. Ende het es te vresen dat dit recht, dat men op sommen van
penninghen set, ende oec om daer met tfolc te dwinghen, dat es alre meest toe +fol. 13d
comen, ende noch comet seere van ghiericheiden, omme datse soe gheerne
winnen, ende soe zeere na tghelt ende naden onghevalleghen penninc staense soe
nauwe, ya beide die ghene die dweerlijc recht ende tgheestelijc recht hanteren
souden, dat den sommeghen niets niet en roect noch en achten, hoe scandelijc, oft
hoe oneerlijc, op dat eneghe verwe oft ghedaente heeft van gherechticheyden inden
scine van buyten, dat dese meyeren ende dese landeken, die de biscoppen ende
die lantsheren setten, die arme liede opt dorpe herwert ende derwert plucken ende
roven. Want hen en roect, als te vresen es, hoe sijt die lieden met hare scalke
behendicheit ghenemen moeghen, ya eest recht oft onrecht, het es hen allelens,
op dat sijt hebben. Sij rovense yamerlijc, want verboert een mensche VI stuver, sij
nemen hem XX scellinghe; ende verboert hij XX scellinghe, sij nemen hem X pont;
ende heeft een arme mensche recht, sij makenre onrecht af. Maer heeft die rike
man onrecht, sij makent al recht ende scone voer der menschen oghen, daerse
noch swaer ordeel ende helsche pine af ontfaen ende hebben selen. Want
1)
Zie hierboven blz. 123-148.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
154
die ghene die nu werlijc heerscap ende gheestelijc heerscapiën besete[n] hebben
+
boven tghemeyne volc, ende daer in niet wettich noch gherechtich en sijn den
armen als den rijke, elken te ghelijcke, wee wee haer zielen ende haer live, datse +fol. 14a
oyt gheboren waren oft oyt heerscapiën vercreghen! Want die gherechticheit
Gods ende dat grouwelijc ordeel Gods sal hen noch soe na sniden in haer ziele
ende doer haer ziele, dat hen grouwelen sal ende g[r]ouwelen mach, dat sij oyt
richters worden oft oyt gheboren waren, want sij heten richters ende sijn crommers.
Sekere, het es scade ende yammer dat men eneghe man over gheestelijc recht
sedt, oft over werlike vonnessen laet sitten, die na ghelt oft na eertsche rijcheit staen
teghen die ere Gods, of die men met eneghen ghiften versmeken oft verblinden
mach teghen rechte; die varen alle ten helschen cauderone wert. Want die bisscop
ende die lants heren, die souden van rechte goede wetteghe liede, diese wisten oft
vernemen consten datse die ghebode Gods hielden, in ambachten ende in meyeren
1)
oft in dekenen sitten , maer des en doense som nietmetal noch niet. Maer alsoe sij
selve sijn ijdel, ghierich, loes, onweten oft onwettich, ende ongherechtich leven ende
qualijc hen selven regeren na den gheboden Gods ende der heilegher kerken, siet,
alsoe settense ende bevelense andere quaetdoenre ende onwetteghe verkeerde
+
2)
menschen voer haer regement ende haer meyeriën , als waer bij dat hen en roeket
+
hoe tfolc gheregeert es, oft hoe datse die zielen berichten, oft in wat manieren
fol. 14b
dat men tfolc corigeert, daer en gheeft men luttel oft niet omme, op datse vele
ghelts te hove bringhen ende vele ponde. Want bringhense vele scilde te hove, soe
hebben sijse in weerdicheit ende in love; alsoe moeghense voert in dander jaer
3)
deken ende meyers bliven. Soe wye haerre zielen ende haren live, die omme
tghelts wille achter lande varen se[e]nden, oft die daer omme corigeren, datse vele
souden be-
1)
2)
3)
Lees: in meyeriën oft in dekeniën setten.
Er stond eerst: meyeren.
d.i. wee.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
155
iaghen. Men seet dat die lants here rechten, ende dat die bisscope ende tgheestelijc
volc die leke liede van harer ongherechticheit ende van haren sonden souden
berespen ende corigeren, maer dat en doet men niet, diet wel besiet. Maer mij dunct
seker, alst waerheit es, datse van boven tot benede deen den anderen roeven ende
corbelgeren oft pylgeren. Want die paus hij beghint aen sijn bisscoppe, ende die
bisscop beghinnen voert aen hare prochiaen. Ende die landekene die beghint aen
dleke volc, ende corbelgerent oft scattense jamerlijc, ende scandelijc na gaense
+
die lieden met dinghen ende met ringhene, eerse hen den onghevalleghen peninc
+
uter borsen ontiaghen connen. Want het schijnt, ware een mensche verbannen
fol. 14c
ende verwaten, die peninc soudene goet [man] maken. Ende al hadde hij oec
der galghen verdient, die peninc maecten tsmeyers vrint. Van jaer te iaer soe halen
1)
dese landekene haren ceys ende haer renten. Vanden armen volken soe trecken
2)
sij grooet goet uten lande des bisscops hove wert. Maer die sonden ende die
quaetheit ende doncuuischeit daer die liede met omme gaen, noch doverspel, noch
donwettecheit, noch die quade sondelijcke ontemelijke ede, daer bij na nu dat volc
al ghemeynelijc met omme gheet, ende daer God onse here hier voer tijts in doude
wet een lantscap omme gheplaecht ende verdorven soude hebben, dit en mendert
niet. Wat sij zeenten ende roven ende ceyseneren oft corbelgeren, die quaetheit
noch die sonden, noch donwetticheit, noch die scandelijke ontemelijc ede, daer bij
na alle die werelt met omme gheet, dit en myndert luttel oft niet. Ende wat dat men
sweert, oft hoe scandelijc oft hoe smadelijc dat men den name Gods ijdelijc inden
3)
mont nemen, oft datmen die ghebode Gods altoes ende alle uren openbaer brect,
+
4)
des en achtmen nietmetal niet, op dat sij thelt hebben al gheheel. Want op den
peninc ende op donghevalleghe ghelt ende op eertsche rijcheit, daar heeft bij na +fol. 14d
al die werelt haer oghe ende haer intencie op ghesedt. Ende
1)
2)
3)
4)
Lees: volke.
Lees: tes.
Lees: neemt.
Lees: tghelt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
156
dats die sake ende die waer omme, dat die meyers ende dese landekene danne
liede alsoe ontfermelijc pluecken ende roeven: dat es al om tghelt. Want ic vrese
dat sij liever hebben dat haer geldt ende haer profijten meerderen danse minderden,
ende dat die liede noch qualijcker ende onwettelijcker leefden, dat hadden sij seker
liever dan dat sij wel le[e]fden, als te vresen es. In dien datse tghelt hadden, hen
en rochte wanent quame oft hoe sijt vercreghen, eest van sonde oft van anderen
feyten, het es hen allelens, oft recht oft onrecht es.
Ende dit es een pruefelijc openbaer teken, datse alle die alsoe doen niet goet en
sijn, die hen alsoe van binnen ghevoelen ende alsulke voeren doen oft hanteren,
datsij meer tghelt sueken dan die eere Gods oft salicheit des volcks. Hoe oft in wat
manieren datse die liede te rechte ende met crachte ende met machte uten sonden
mochten ghebringhe[n] ende ghesetten, dat soude al haer werc ende haer
voernemen sijn, ende al haer meyninghe sijn van boven tot beneden, hoe datmen
+
tfolc uten sunden ende vander onwet daer sij in ligghen, ter wet Gods wert ende
+
ten gheboden Gods wert trecken souden. Maer dat en doense niet. Want wie
fol. 15a
dat ghelt oft eertsche gichten mint, die en can ommer die eere Gods noch salicheit
der menschen, noch oec sijn self salicheit en can hij niet ghesueken te rechte. Ende
dat es een teken, seggic noch, datse alle die alsoe doen, quade mensche sijn, ende
oec alle ten helschen putte ende ter ewegher verdoemenissen wert varen, die groote
provende ende heerscapie ende hoghen staet begheren ende sueken om hen selven
oft om eertsche ghewin. Want ic segge u op mijn ziele ende op mijn deel hemelrijcs,
wie oft wat mensche die heerscapie onbehoerlic, oft deen boven dander begheert
te sijn, hij es allene wert voer Gode dat ment hem name, ende datment den ghenen
gave, dies ommer niets niet en willen noch en begheren, ende alre eertscher dinghe
onachtsaem sijn, ende Gode ende eweghe dinghe ende onse here Ihesum Cristum
allene groote achten ende weghen int herte. Want ic wille u prueven, wildijt mercken,
ya in vele manieren, dat heden des daechs alsmen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
157
screef MCCCLVIII die bisscope ende die landekene, ende die ghene die dwerlijc
1)
heerscap, ende oec gheestelijc heerscap besittende , luttel anders niet en sueken
dan ghelt oft opdraghende hoverdeghe eere der werelt. Want waert dat sake dat
+
die princen ende die lants heeren selve goet ende gherecht waren, soe soudense
minnen die gherechticheit Gods, ende die gheboden Gods, ende alsoe soudense +fol. 15b
hen voert pinen te setten gherechteghe wetteghe liede in haer ambachten ende
in haer meyeriën. Ende ter stont als sij vernamen oft vernemen consten datse
eneghen mensche eenen penninc wert onrechts deden, soe souden sijse af setten
ende doent hen vier vout weder gheven. Want een richter die teghen trecht doet,
hij verdient bat der galghen dan den dief doet. Ende des ghelijc machmen oec wel
segghen vanden bisscopen, die noch hogher ghesedt ende verhaven sijn boven
dwerlijc recht int gheestelijc recht, en daeromme sal haren val oec swa[er]der sijn,
en doense niet noch en sijnse niet datse sculdich sijn te sine. Nu merct: want waert
oec dat sake dat die bisscoppe ende prelaet der heylegher kercken gheen ghelt en
sochten, noc[h] gheen eertsche dinghe en begheerden, ghelijcker wijs datse hier
voermaels en deden, ende sij daer toe sochten ende begheerden boven alle dinc
die ere Gods ende den lof Gods ende oec salicheit alre menschen ende alle haers
volcs, seker soe en soudense haren volke noch in haer bisdom niet setten te regeren
den quaetsten dekene noch den oneersaemsten persoen die die bisscop in sijn
+
2)
dekenie heeft, maer hij soude hen setten eenen goeden bescheyden
gherechteghen wetteghen eersame persoen bij ghetuighenisse sijnre ghebueren. +fol. 15c
Want al settede hij den wettichsten dien hij vonde in alle sijn dekenie, daer hij nu
den quaetsten sedt, nochtans soudt al besech werden. Ende des ghelijc machmen
oec segghen vanden landeken. Want warense datse sijn sonden, dat hen verre
ende onghereet es, ende sij die eere Gods ende der men-
1)
2)
Lees: besitten of: besittende sijn.
De woorden: ‘Maer hij soude hen setten eenen’ staan in 't hs. twee maal.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
158
schen salicheit meinden ende sochten, ende datse eertsscher dinghen noch des
ghelts niet en roecten, ende datse daer na leyden al haer laghen ende alle haer
trecken, hoe oft in wat manieren datse tfolc uten sunden ende vander onwet mochten
ghetrecken, ende datse daer toe den lieden gaven raet ende daet, ghelijcker wijs
datse sculdich sijn te doen, ende ghelijcker wijs datse willen souden datmen lien
dede, haddens sijs noet, siet, alsoe soudense van rechte elken menschen die hen
voer quame, raden ten besten. Dat ware der landeken recht, datse den lieden souden
setten besceeden penitencie voer haer sonden. Ende oec soudense van rechte
liever hebben, dat elc mensche willichlijc openbaer penitencie dede ende doen
+
woude voer haer sonden, dan datse hen gaven ende gheven mosten dusent pont
+
groote teghen haren wille ende teghen haren danc, ende aldus waert al goet
fol. 15d
datse deden. Maer nu en suect men anders niet dicwile dan ghelt ende ghelt,
ende al clare symonie, ende daer omme eest oec dicke van boven tot beneden al
quaet datse doen. Want het schijnt datmen heden des daechs egheen dinc noch
oec gheen provende noch gheestelijc goet der heylegher kerken vrilijc noch puerlijc
alse te vergheefs om Gode en gheeft. Ic hebbe ommer lutter oft niet in minen tijde
vernomen, Gode ontferms, mer ic hoerde selve eenen landeken segghen een
jammerlijc woert - het deert mij noch in mijn herte - datse vele liever hadden ende
1)
hebben, dat men tot des bisscops hove brochte eenen groote oft twee oft eenen
stuveren oft twee, dan dat men eenen mensche twee werf oft drie werf sijn penitencie
om die kerke liet doen. Ya ende eest dat sake dat die liede bereet ende willich sijn
haer penitencie te doene, soe settense den armen lieden alsoe onbescheydelijc oft
onbesceedene penitencie, als tonser vrouwen te Camerike oft soe wel XXIIII milen
van hier, oft alsoe verre om die kerke te gane, dats die arme lieden niet wel en
connen toe
1)
Achter eenen staat in het handschrift een z met een ronde staart onder de regel (of een 3?)
gevolgd door een punt. Is dit een afkorting? De voorafgaande woorden twee oft zijn later
ingevoegd.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
159
ghebringhen, die hen daghelijcs gheneren moeten. Ende aldus en can ic niets niet
ghemerken dat menre van boven tot beneden anders yet dicwile in suect oft iaghet
+
dan ghelt ende ghelt, oft dat een ghedaente heeft van symoniën. Ic en ordeele
+
nyemande; nochtan der ic wel inder waerheit beliën, ende dit pruevic ende
fol. 16a
ghetughe ic met hem selven, want die clergie sprect alst waerheit es, ic lijt met
hen, dat alle dat goet der heilegher kerken ghegheven ende overghedraghen es,
dat dat alte male es vrij offer ende vrij goet. Ende daer omme soe soudemen
provenden ende gheestelijc goet der heylegher kerken puer vrijwillichlijc ter eeren
ende ten love Gods als te vergheefs weder gheven.
+
Van menegherande state der religiosen menschen, ende hoe qualijc
dat prelate ende ondersate haer ordene ende regele houden. Dat
ste
XVII Capittele.
+
fol. 48b
Nu merct haer teekenen, welcse sijn die haer ordene ende oec haer regule qualijc
houden. Seker, sij sijn herde licht te bekinnene, want haer teekennen die sijn bi na
+
alder werelt oppenbaer, want men machse metten vinghere tasten. Ten yersten
+
male vanden prelaten. Daer na vanden ghenen die cloesters ambacht houden
fol. 48c
1)
te cleynder baten. Ten derden male vanden convercieren : daer machmen luttel
doechden aen visieren. Die prelaten horic lyen datse al meest die quaetste sijn van
alder abdiën, want sij houden haer ordene qualijcste, om datse haren convente
cranck exempele gheven, ende niet voergaende en sijn al haren convente met
heileghen levene, dat hen sonlinghe toe behoert. Want sij sijn thooft van alden leden,
ende daer om soudense al haer moneken goet exempel gheven. Seker, diet wel
besiet, des doen die prelate lettel oft niet. Maer sij willen grote heerscapie driven
ende scossen ende brossen, ende eten ende drincken overtullichlijc in haer cameren
allene.
1)
Dit woord ‘convercieren’ rijmt hier op ‘visieren’. Wellicht is het een versmelting van conversen
met conventieren, dat op de volgende blz. voorkomt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
160
1)
Selden comense int ghemeyne, want daer heeft elc sijn eyghen proper allene .
Vanden prelaten maghic u callen, want is duncken mij donghemeynste van allen.
Ten ghetiden, noch te chore, noch ten reeftere, noch oec ter ghemeynre cokenen
en comen die prelaet als niet. Dit sijn alle quade teekenen, diet wel besiet, want ic
weet wel seker dit: mosten die prelaten selve ende oec die grote heren ghedaets
daghelijcs ter ghemeynre coekenen, ende oec teere spisen ende tenen drancke
gaen, sij souden die noetdorft doen beteren saen. Maer die arme broeders ende
die noviciën, ende die conventiere, hebben die grote heren soe ondiere, datse
oppenbaer niet kicken en dorren. Dats gheen wonder: daer es deen arm ende
dander rijcke; dits nader werelt al duvelijke! Selc heeft daer luttel, selc vele. Die
2)
grote heeren iaghent doer haer kele. Die prelaten segghen noch meer ; si en connen
scovents noetdorft niet voldoen in neghenen keere. Wat hulpe dat ict u verhale? Si
en lieghen niet een, maer altemale. Want wouden die prelaet ende die daer machtich
sijn van groten state, alle die cleyne potte, dats haer lijftocht goet, ende oec haer
vele pont grote diese besunder hebben, alle inden ghemeynen pot slaen, soe worde
haer noetdorft te hans voldaen. Maer neense niet; al soudense half bederven, si
lietense eer van hongher sterven. Ic weet wel dat den cloesteren en ghebrake gheen
tijtlijc goet, en waren die prelate niet soe hoverdich ende soe ghelijc der werelt in
behaghelheide, ende soe onvroet. Want stonden die prelaete na scloesters orbaer
ghemeyne, ende sochtense meer haers convents ziele salicheit dan tijtelijc goet,
3)
soe warense suver ende reyn . Mer des en achtense noch een noch ander, want
om des convents lichaemlike noet en ghevense als niet, ende vander zielen noet
es hen noch min gheschiet. Want van gheesteliken stucken soe sijn doverste prelaete
4)
al doef ende blijnt . Hier sijn
1)
2)
3)
4)
De oorspronkelike lezing was waarschijnlik: alleine, rijmende op gemeyne, dat later telkens
ook rijmt op reyne.
Lees: mere, rijmende op: kere.
Om het rijm te lezen: reyne?
blijnt (l. blint) zal wel moeten rijmen op: gheschint.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
161
doerdene alre meest bi gheschint. Nu voerts vanden middelsten heren, die scloesters
ambacht onghetrouwelijc hanteren: prioere, proefste, scriveren, kelnere. Seker,
+
dese moghen hem wel vereysen ende verveeren, want ic hebbe wel vernomen,
ghesien ende ghehoert, dat dese vanden ghemeynen goede maken grote moert. +fol. 49.
Si stelent, si roevent, eest heimelijc soe oppenbaer, waer sij connen ende
moeghen, alle daghe. Dat treckense ende rovense den ghemeynen convente algader
ave. Die daer die sware ghetiden ende den laest vanden choere moeten draghen,
constense, si soudense spisen ende voeden met slike ende met drave. Achae[r]m,
dit dunct mij iammer groet, dat die ghene die gherne vrilijc Gode dienen souden,
niet en hebben haer daghelijcs broot, ende dat die dieven die dambacht draghen,
wel terdendeel iaghen doer haer vette craghen, oft si ghevent haren vrinden soe
maghen ende werliken princen, diese overdraghen, oft si ghevent bandersiden
quaden oneersamen wiven, mer vanden alder quaetsten willic swighen.
1)
Nu hebben dit wel die convente in beiden siden verstaen, die daer oec selden
ghemeynlijc oft ghedaets te chore, te reeftere gaen, ende connen des gheenssins
met vreden ghedraghen noch gheliden, dat haer abdt ende die ambachsliede so
grote perde ende soe groete heerscapie boven hen driven. Ende nochtan soudense
merghen oft overmerghen dat selve doen, oft alsoe quaet, constense comen in
haren staet. Ende hier toe suekense meneghen scalken heimeliken verborghenen
raet, ghelikerwijs dat di werlike liede na haer heerscap poeghen. Siet alsoe soudense
+
hen gherne overmits haer hoverdicheit deen boven dandere hoeghen. Ende hier
omme viel Lucifer van den hoghen, om dat hi liever hadde gheweest heere dan +fol. 49b
knechte. Daer omme dede hem God sijn rechte; hem ende alle sinen ghesellen,
die werp hi overmids haer overmoedicheit inden gront der hellen. Hier omme soe
segghic alle gheesteliken menschen, sijnt moneken, sijnt nonnen, eest in oerdenen,
eest daer buten, wiese sijn, die liever hebben te sijn in gheeste-
1)
Lees: conventiere.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
162
liken state boven dan onder, oft here dan knecht, oft een overste vrouwe dan deerne,
oft dienstbode alle der andere, hen es noch seker onrecht. Ende oec en sijn si niet
werdich voer Gode, datmense prelaet maecte oft daer toe vercose, alsoe langhe
alse hen soe van binnen ghevoelen, datse liever hadden een haer male groot boven
dan onder te sine. Ende si en waren oec niets niet weerdich voer Gode, datse
gheestelike menschen hieten, ya, die ghene die wouden dat dat regement vander
abdiën, oft oec van enegher prelatiën aen hen stonde te berichtene. Want van
hoverdicheit en van overmoede, om dat haer bi na elc wilt hebbe[n], na dat ghi
1)
ghehoert hebt, in enegher manieren een boven sijn den anderen in ordenen , ende
2)
oec om dat den sueken dunct dat hi wijs oft vroet oft machtegher oft bat gheboren
oft beter clerc es, ende om dat hi wilt datmen emmer yet van sinen persone houde
in enegher sonderlincheit boven den anderen, alsoe waer een yeghelijc gherne
+
doverste ende meest. Maer luttel vintmenre, die de minste ende dnederste ende
+
doetmoedichste ende die verworpenste begheren te sine.
fol. 149c
+
+
Hoe dat priesterscap ende die clergie onsen here meest persequeren
+
oft cruysen overmits hare sonden.
fol. 140b
+
fol. 140c
.... Siet, dit armoede en mach heden daechs nyeman vorweert setten, ia in
negheen ordene, noch oec onder die verdonckerde macht der clergiën, want gheloeft
ende ghebenedijt sij mijn here ende mijn God Ihesus Cristus, het es daer toe comen
+
in corten daghen, dat saen niemant volcomens aermoets en sal moghen noch
derren beliën. Ende dat doet van boven tot beneden die grote onmilde ghiericheit, +fol. 140d
die regneert onder die clergie. Ja, ende oec seldi voert weten, soe es cortelinghe
een
1)
2)
De lezing van deze zin is blijkbaar bedorven. Men zou verwachten: ende wilt in enigher
manieren deen boven den anderen sijn in ordenen.
sueken = sulcken; waarschijnlik heeft men den vorm zonder l aan te nemen; (vgl. zuk). Zie
ook blz. 175, r. 8. Of die vorm van de afschrijver of van de auteur afkomstig is, kan niet
uitgemaakt worden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
163
veel meere duvelike valscheit op ghestaen onder die ghiereghe clergie, dat sijn
antkerst voerboden alre eyghelijcste, ende segghen oec den duvel altemale dat ons
here Ihesus Cristus selve yet propers oft eygens doms soude hebben ghehadt.
Ende oec staen al nu op grote meesters - heten inder gotheit, die vele bat mochten
heeten meesters inder sotheit - ende willen dit segghen, om datse selve den gheest
der ghierecheit hebben, dat mee[r]dere ende volcomender es biden dinghen arm
te sine, dan al oft te male alles vergheten ende den armen bloetelijc ewech
ghegheven. Maer dit ende dat ende oec alle die ghene die dit spreken ende houden
dat volcomenre si biden dinghen inden wille arm te sine, dan puer bloetelijc van
minnen al den armen ghegheven van buten ende van binnen. Dit wedersprekic
altemale vanden bloten seghenwoerdeghen Gods monde. Ende ic blijfs biden yersten
armoede der heylegher kerken ons heren Ihesu Cristi ende sinte Peters, ende oec
des ghelijc bider apostelen staet, die welke niet propers noch eyghens en behielden,
ya noch inhebbinghen noch inwendegher besittinghen eertscher dinghen, ende daer
omme warense ghelijc den levene ons heren Ihesu Cristi, die selve niet propers
noch eyghens en hadde, mer ons here Ihesus Cristus ende sinte Peter ende oec
alle die andere apostelen, dese leefden vanden ghemeynen tijteliken dinghen, dat
hen daghelijcs van almoesene toe viel.
III.
+
Vanden staet der religiosen, ende waer af al de faute comt daer
princiepellijc alle eendrechticheit der carit[at]en met vergheet ende
vergaen es in religiën, ende waer af dat bina alle dordene te niete
sij[n] van haren yersten fondamenten.
Ende hier met comic op dat achste boec, dat sonderlinghe religiosen afghesceydene
lieden vander werelt, die in ordenen leven souden ende verteghens willen souden
sijn, eyghelijc toe hoert, die ghefondeert sijn tot inde doot toe op de drie prin-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 131a
164
cipale poente, dats deen op volcomene ghehoersamheit, dander op volcomene
+
reynicheit, terde op volcomen vriwillich armoede des gheests, niet propers te
+
hebbene, noch te begheerne, van buten noch van binnen.
fol. 131b
In desen drien poenten es meer inwendegher heilicheit gheleghen na enen
sinne, dan alle creatueren ommermeer gheloven moghen. Want daer es alle
ghewarighe heylicheit in bevaen, diemen leven mach oft die voer noyt gheleeft was.
Maer wildi cort weten, wat in alle ordenen ghebrect, daer al de faute af coemt?
Dats van twee dinghen, daer principaellijc alle eendrachticheit der caritaten met
vergheet ende vergaen es bi na. Al te niete sijn dordenen van haren vorsten
fondamente vergaen, dat es, al wildijt merken, omme dese twee dinghe: dat doverste
1)
prelaet niet te male, als ic eer seyde, en sijn verwolt metter wijsheit Gods. Want
eenen yeghewelken prelaet behoert toe, dat hi alsoe overvloedichlijc van binnen
begavet sij, ende gheleert overmids de wijsheit des heyleghen gheests, dat hi elken
conventbroeder sonderlinghe raet ende daet, ende tale ende antworde soude
gheven, wyes hem ter zielen noet waer boven alle dinc, want daer toe sijnse
vercoren. In wat manieren dattet gheschiet, si moeten ommer rekeninghe gheven
+
voer elke ziele die hem bevolen es te ioncsten daghe, als voer haer selfs eyghene
+
ziele. Ende aldus soude een yeghewelc overste prelaet allene hebben alle der
fol. 131c
anderen wijsheit in hem, dies hen ter ziele noet mochte sijn. Dadense haren
dinghen recht, ende levedense selve alsoe si sculdich waren te levene in alle
manieren voer die oghen Gods, ongheveynsdelijc van binnen, ende oec met
eersamen exempelen voer al haer convent van buten, God soudse van binnen
verlichten met hem selven, ende soude den prelaten haerre alre wijsheit gheven in
elcs noet, waren sij puerlijc selve vercoren van Gods weghen overmids den
heyleghen gheest. Mar neense niet. Sij kiesen ende driven al hem selven ter
heerscappiën
1)
= vervolt. Ook in 't vervolg staat meermalen w = v, juist in dit woord.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
165
overmids vremde sake, met goude ende met silvere, ende met vrienden ende met
maghen. Met crachte ende met machte sietmen dat sijt toe iaghen, ende aventueren
ziele ende lijf omme eertsche eere te vercrighene. Want dat wilen eer de heyleghen
verworpen ende versmaedden, dat verkiesense nu met crachte ende met machte
in contrariën, waer sij moghen, ende God heeft rechts in dabdie ende inde godshuse
temale sijn electie ende sijn wtverkiesinghe verloren. Want luttel goeds liede vint
men heden daechs, die Gode eenvoldelijke ende enichlijc wtverkiesen willen, ende
+
daer omme ontblijft den prelaet de wijsheit Gods ende de heyleghe gheest, diese
wisen ende leren soude. Want sij bliven selve soe onwijs overmids haer hoverdie, +fol. 131d
datse hen selven niet voer alle dinc en berichten. Soe onwijselijc leven sij voer
haer convent te male overmids haer onghemeynheit van buten ende van binnen,
omme datse soe groote heerscapie driven met des cloesters goede. Maer nu eest
alsoe verblint van boven tot beneden, beyde abde ende abdissen sijn soe
onghemeyne ende soe onghenadich sonder caritate worden, dat sij noch en versien
haers convents wtwendeghe noet, noch haer inwendeghe noet der sielen te rechte,
ghelijc dat sij souden. Ende dit comt allene bi haerre onwijsheit toe, omme dat sij
niet te male verwolt en sijn van boven metter wysheit Gods. Want warense verwolt
metter wijsheit Gods, ende vercoren overmids den heyleghen gheest, ordelijc van
buten boven dandere te sijn, si souden nochtans op dander sijde van binnen de
oetmoedichste ende de nederste sijn van al haren convente, ende en souden hen
selven niet werdich vinden noch duncken tot enegher prelatiën te houdene.
Dese oetmoedicheit leert de heyleghe gheest, dat doverste prelaet begheert te
+
sijn haerre alre knecht ghemeyne, een onderknecht. - Hier merct: dits eens prelaets
+
alre hoechste staet. Es hi vercoren boven alle dandere, soe sal hi van binnen
fol. 132a
overmids oetmoedicheit ligghen onder haer alre voete, een dienstknecht Gods,
ende bewisen dat daghelijcs met goeden exempelen van heyleghen levene overmids
goedertieren berispinghe.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
166
Dats een teyken van ghewaregher caritaten, dat een prelaet oft een abdisse meer
berespen ende corigeren sal met heyleghen levene ende met saechtmoedigher
goedertierenliker wandelinghe eens heylichs levens van effenen seden selense
hem meer wtsetten onder haer convent, dan met stuermoedicheyden. Dat verburst
therte met eenegherande ansele dicwile in beyden siden. - Hier omme, spreke ic,
sal doverste altoes draghen een ghemeyne effene wille metten nedersten, ende
gaen te eenen reeftere ende te eenen dormtere, ende teene spisen. Ende sij souden
oec al ghelijc abijt draghen. Ende dan souden die moncke ende die nonne haer
overste in groter werdicheit hebben, waren doverste eendrachtich ghelijc hen. Ende
souden alle heylich moeten sijn met crachte, oft sij souden uter ghemeynscap
moeten gheworpen sijn. Want sij en souden niet dorren sondeghen voer alselken
+
eersamen prelaet, al en lieten sijt om Gode niet, de zeden van buten soudese
+
dwinghen van groven sonden. Nu hebdi ghehoert de maniere hoe doverste
fol. 132b
oetmoedichlijc van buten ende van binnen overeen draghen selen met haren
broederen ende met haer gheesteliken susteren. Ende hier bi soudense vol ende
overvloedich sijn, de prelate, al vol meldicheit der caritaten, ende boven alle dinc
verwolt metter wijsheit Gods, dat es deweghe woort des vaders, daer Cristus hemel
ende eerde met verwolt heeft overmids sijn ontfermherticheit, als een ander persoen
inder godheit, ghelijc den vader. - Nu willic ons voert leren opt dwoort dat Cristus
tot sinen iongheren sprac, dat sij aen hem leren ende exempel souden nemen, dat
hi saechtmoedich was ende oetmoedich van herten. Want anders en moghen de
prelaet niet verwolt, noch haer verstannisse verlicht werden overmids de wijsheid
Gods van binnen, en si dat sake dat si wandelen voer al haer convent met goeden
exempelen, alsoe de wijsheit Gods Ihesus Cristus selve voer ghewandelt ende
gheleert heeft, soe dat hem sijn convent nyegherincs te rechte aen hem stoten noch
quetsen en mach; dan es hij yerste een gherecht prelaet, wtvercoren vanden
heyleghen gheest ende verwolt oec metter wijsheit Gods. -
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
167
Nu merct, als een prelaet dese twee dinghe in hem ghevoelt. +
Dyerste es, dat hi een goede montvolle spisen nemmermeer, waer hi es, alsoe
+
allene eten noch nemen en sal, hiën sal alle sijn convente dies alsoe wel
fol. 132c
gheonnen, ya begheerliker wijs als hem selven, ende bewisen dat, als hi thuus
es te reftere van buten. Soe machmens seker gheloeven, als ment siet metten
wtwendeghen oghen, ende oec anders niet. Ende oec soude een yeghewillic prelaet
altoes meer sorchsam sijn omme den broederen ghemeyne te ghevene haer
lichamelike noet, dat sij onbecommerlijc Gode dienen mochten, dan datse souden
1)
staen na dabdie rike, oft wele te voren te bringhene van eertschen dinghen. Daer
es altoes eersamheit der werelt in verborghen, in tijtliken dinghen te vergaderen,
hoe luttel se si, ende oec eenderhande ghiericheit der werelt ghelikende. Dander
dat den prelaet boven alle dinc toehoert, es datse haer broederen, ende oec een
abdisse sonderlinghe haer sustere, want wive sijn kintsachtich ende scelden gheerne
onder hen sonder scamenisse, daer omme selen sij se boven alle dinc nauwe
wachten ende hueden van murmuraciën ende van oneendrachticheiden, want daer
af coemt alle discordie ende alle strijt. Dit coemt van ya ende van neen, ende van
+
mine ende van dits dijn, omme dat elc ommer yet eyghens oft propers behouden
+
oft hebben wilt. Van desen eyghendom coemt ende es comen alle twyst, ende
fol. 132d
alle strijt van eerterike die coemt wt eenwillegher crijghelheit. Maer des en moghen
doverste nummermeer bat noch ganseliker verweren, dan dat sij nyemene in al
2)
haer convente een helle wert propers noch eyghens en laten hebben noch en
gheorloven met eenegher dispensaciën, want doverste en hebbens egheen macht
te gheorlovene, noch de nederste te suekene voer doghen Gods twee manieren
ochte drie manieren van noetorften, na dat selke sueken boven mate ende boven
noet ende te male teghen haer reghele doen openbaer, hoe sijt valschelijc ghelosen
ende bedecken moghen, de regele ende de drie principale
1)
2)
wele = vele.
hellewert = hellincwert.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
168
1)
poente daer dordenen op ghefondeert sijn, die moeten ommer ghehouden sijn .
Nu merct hoe selke als nonnen ende moenke, die niet eyghens en souden hebben
anders dan ghemeyne goet, dese hebben bi na al eerterike doer twee manieren
van noetorfte. Want sij hebben vanden ghemeynen goede, datse qualijc ende
scandelijc verdienen te vele staden, wel haer noet, oft meer dan sijs wel bestaden
in cloesters orbare oft dan sijs behoeven. Ende wat soude eenen goeden mensche
meer hebben dan daer hi mede henen comen mochte?
+
Nu dander es, dat bij na elc monic ende elke nonne diet vercrighen mach, die
hebben een pont grote oft twee te live, deen min, dander meer, dat sij dicwile al +fol. 133a
qualijc bestaden, ende meer dan ghenoech daer toe vanden ghemeynen goede.
Ende oec doverste alsoe ghelijc, die maken den moort ende den duvel met allen:
helpt mij, ic helpe di. Want als de blinde den blinden leydet, sprac onse here, soe
vallense beyde inden putte.
Nu voert vanden mendicanten, dat sijn de vier biddende ordenen, die op puer
bloot armoede sijn ghefondeert van buten ende van binnen, ende op anders niet te
hebbene dan sempelment den brootsac opten hals, ende op dat sij daghelijcs bidden
souden; hier op soudense leven als puer arme liede overmids dat versien Gods,
2)
nu besien ende merken hen selven te gronde ane, hoe na sij des sijn. Want eghene
liede die nu in eerterike sijn, en leven verdere van haren yersten state, noch vanden
fondamente haerre reghelen, noch en sijn oec ghelikere openbaer der ghieregher
werelt, waer sijt vercrighen moghen, dan die vier biddende ordenen. Daer omme
heetse properlijc biddende ordenen, want sij op de bede allene ghesticht ende
ghefondeert sijn. Ende sij sijn des allene ten alre verresten. En doen sij dan niet
openbaer teghen de ghemeyne
1)
2)
Het verband van deze zes regels is mij niet duidelik. Men zou geneigd zijn achter ‘Gods’ een
punt te zetten, maar dan schijnt de aanhef van de volgende zin bedorven.
In plaats van ‘nu’ is waarschijnlijk ‘ende’ te lezen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
169
+
reghele? Wantsij hebben drie manieren van nootorften, dit willic hen bewisen, want
+
het sal haer drivout crone sijn inden diepsten afgront der hellen. Sij hebben,
fol. 133b
seggic, bi na alle ghemeynlijc, diet vercrighen moghe[n], drie manieren van
notorften. Want sij hebben den brootsac, ende al daer toe dat sij ghierichlijc verbidden
ende beiaghen moghen, ende daer met lopense van lande te lande, alsoe luedeghe
honde, ende sueken ende meynen seker meer hen selven ende nootorft haers
lichamen, danse doen salicheit der menschen. Maer sij predicken ende clappens
ghenoech metten monde, ende sueken hem selven in elken stonde; daer omme en
mach haer leven eghene vrucht inbringhen noch stichtinghe der menschen. Dander
nootorft es teghen haer regule, ende oec voer Gode onreyne, dit wetic wel, dats dat
sij erffelike renten houden int ghemeyne.
Ende oec de derde nootorft es den duvel ghelijc, ghierich, drievout dobbel quaet.
Men macher niet ghelosen, want si es overmids haren toeval alte quaet; dat es dat
elc bi na eyghendom ende lijftocht na sinen staet bi hem selven heeft. Aldus heeft
deen luttel, ende dander vele. De grote heren eten ende drincken verwendelijc ende
1)
yaghent drievout doer haer kele. Want sij eten haer herste ende haer hoenere als
+
grote barone, ende drincken haren coelen wijn. Ende die haer ghelike broedere
souden sijn, die hebben cume dunne bierken. Ya noch meer: de broeders die int +fol. 133c
2)
siec huys ligghen half overdoot , dese hebben cume dies sij moghen half haer
noet. Maer de grote heren, die sitten met haren specialen dochteren, oft in haer
cameren, ende eten ende drincken als oft si waren hertoghe ende graven ende edel
barone, ende en hebbens niet te doene. Dat sijn die ghene die de leckere morsele
eten, ende en willen vanden brootsacke niet weten. Deen broeder es arm, dander
rike; dat al eendrechtich soude sijn inder waerheit ghesproken ende even ghelijcke.
Selc heeft VI cappen oft VII rocke, dander broeder ofte suster heeft cume een
voetsocke.
1)
2)
Om het rijm is waarschijnlijk te lezen: ‘hoene’ en ‘baroene’.
In het hs. aaneen geschreven = over doot.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
170
Aldus hebbic u bewijst dese twee oft dese drie manieren van nootorften der groter
oneendrachticheit, die alle heylich leven in ordenen heeft doen oft doet vergaen.
Siet, mach dese onghelike eyghenscap ende dese oneendrechticheit, na dat ghi
ghehoert hebbet, met caritate bestaen, dat elc sijn proper bi sonderlinghe in ordenen
heeft, daer willic ewelijc sonder eynde inder hellen gront omme gaen, ende
nummermeer daer na Gods ghenade ontfaen. Want na sinte Bernaerts leringhe soe
+
wat monke oft nonne, die eenen hellinc propers in haer verborghelijc met
eyghenscap ende met eyghenre liefden besit, die en es eens hellincs noch eens +fol. 133d
pennincs niet weert voer doghen Gods. Dit nemic op mijn ziele, ende op mijn
deel hemelrijcs, ende op al dat mij ummermeer van Gode ghescien mach, het es
waer, ende oec en sijnse des namen niet weerdich dat sij monec oft nonne heten,
die ghene die yet eyghens hebben oft begheren in ordenen, daert al even ghemeyne
soude sijn, ende elc even rike ende even arm. Mar Jheronimus sprect dat die
1)
mensche leeft nader ewangeliën, die niet eyghens hebben en wilt. Ay seker, dies
mensche eyghelijc niet en beghee[r]de noch hebben en wilde, daer en conste hi
ommer eghenen eyghenen lost noch liefde toe ghemaken, mar het soude den
mensche dusentich werf meerdere pine sijn, yet eyghens te begheerne, dant soude
niet eyghens te hebbene oft te besittene. Want onse here sprac selve: wie yet besitt,
die en mach sijn ionghere noch sijn navolgere niet sijn. Ende nu sprect doch sinte
Pauwels in sijnre epistelen, dat ons heren woorde contrarie luudt, want hi sprect
dat wij niets niet en selen hebben, ende nochtan alle dinc besitten.
+
Van symoniën ende den staet der quader clergiën.
+
Maer de duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc heden daghes soe groffelijc
onder de clergie, ende sijn al met tite-
1)
Lees: ‘dies die (of: een) mensche’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
fol. 135d
171
liken dinghen verblint, alsmen cleerlijc sien mach, vanden oversten prelaten der
heylegher kerken totten nedersten; daer omme machmen daer af swighen. Maer
nu willic voert vanden quaden onghemeynen mendicanten segghen, ya die te male
niets niet propers noch eyghens, noch oec eghene erffelike renten ya oec int
ghemeyne en souden hebben. Wat salic nu van haerre quaetheit oft oec vander
mijnre moghen segghen? Want de werelt weet wel, alsoe ic noch meer hebbe
+
ghesproken, datse drie manieren van nootorften hebben, daer se langhe mede
+
haer regule oft dat yerste fondament der ordenen met hebben tebroken. Ende
fol. 136a
dit weten de werlike liede wel openbaer, mar sij en merkens niet. [Deerste es]
1)
datse hebben den brootsac. Dander, datse erffelike renten houden, ya al soude de
veleheit haerre ghiericheit de lede duvel wouden. Mar de derde maniere haerre
nootorfte es al te quaet, dats dat bi na elc verkeert mendicant bi hem selven lijftocht
heeft.
Nu merct ende siet, en es dit niet een wonderlike daet, dat dese drie manieren
van noottorften, ende oec die grote onghemeynheit die onder hen es, dits der
mendicante staet, ya nochtans en was haer reeftere van vitaelgiën noch van spisen
ende van wterster cledinghen int ghemeyne noyt soe magher noch soe quaet, ya
wat duvelscher glosen oft exposiciën moghense daer op maken, dat deen es rike,
ende heeft VI cappen oft VII ende oec alrehande heerlicheit die daer toe behoert.
Ende dander broederen die sijn alendich ende arme ende dienen den groten heren,
ende loepen om broet, nochtans hebben dese arme convents broedere ende oec
die ghene die in die fermerie ligghen cume vanden ghemeynen goede ya half haren
2)
noet. Nochtans behoefdens sijs bat, de sieke, datmense laefde, ende oec die
+
convents broedere, die den last van den coore moeten draghen, datmen haers wel
plaghe. Want ten ghemeynen reeftere ende oec ter fermeriën, in dese twee huse +fol. 136b
3)
ter noet en mach de notorft nummermeer sijn te grote . Want
1)
2)
3)
Lees: der, afhangende van wouden.
Lees: behoefden sijs.
Lees in het rijm: groet.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
172
waer dat sake datmen de ghemeyne regule wel hielde, ende men elken gave na
sijn noet, siet soe soude daer bescedenheit ende wise regeringhe altoes voersinghen,
ende dan soudemen elken broeder ghenoch van buten beiaghen ofte bringhen.
Want seker, hielden de broedere ghemeyne onderlinghe trouwe ende caritate, God
noch oec de goede liede en soudense nummermeer verhongheren laten. Want
merct in u selven: wilen eer, doense heylichlijc leefden, ende sij haer vorste
fondament der ordenen wel ende lovelijc openbaer hielden, seker doe gafmen den
godshusen groot goet, borghen, lant, have. Maer nu, als ghemeyne caritate onder
hen es vergaen, soe trect ende rooft hen alle de werelt ave. Ende seker, het es
1)
recht, ochte oec wel Gods plaghe, want men verneemt dat alle daghe, dat moenken,
nonnen ende biddende ordenen voer de leken lieden ya selve sijn mordenaers,
roevers ende dieven, ya in menegherande voer doghen Gods al sonder helen. Want
+
sijt deen den anderen waerse moghen afroven ende stelen, ya ende oec daer toe
+
menich poent nemense vanden ghemeynen goede, datse met quaden sonde
fol. 136c
2)
over doen in onspoede. Ya ende doverste prelaet die doent verre wt de meeste
scade. Wat hulpter vele toe gheseet? Het es rechts ende slechts dat in ordene nu
leeft al in eenen grade. Want het dunct mij seker bi na al sonder caritate ende sonder
hemelsche ghenade. Want al dat heden daghes gheestelijcken scijn draghet, dat
steet bi na al in eenen keer. Want al sueket hem selven oft eertsschen eere, dat
Gode ende der menschen salicheit ende eweghe dinghe sueken ende vercoren
soude hebben, siet dit heeft al sijn herte ende sjjn attent ende sijn intencie op uterste
dinghe ghekeert, ende sueken meer eertsschen troost ende heerscapie der werelt,
hoese der werelt ghelijc moghen sijn, ya in alle manieren dit suekense meer
eernstelijc, dan hoese Gode behaghen moghen.
Ende hier omme soe hevet dat ghemeyn volc rechts een eweghe onwerde op de
gheestelike liede, ya omme dat se sueken
1)
2)
Hs. dan.
Lees: doen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
173
datse gheheellijc versmaden ende verworpen souden, ghelikerwijs dat wilen eer de
bisscope ende heyleghe liede deden, die onsen here Ihesus Cristus gheheellijc
ende volmaectelijc na volchden, ya van buten ende van binnen, want hen en bleef
+
niet eyghens noch propers, want sij gavent al meldelijc ewech metter warmer hant,
ya omme de minne ons heren Ihesu Cristi soe maectense hen selven soe arme +fol. 136d
ende soe bloot, datse cume behielden haer noet. Want onse here Ihesus Cristus
die hadde ende heeft ghesproken: salich sijn die arme des gheests, want hemelrike
es hare. Wacharmen, waer vintmen nu eeneghen bisscop ocht eeneghen prelaet
in al eerterike, die vriwillich arm van gheeste ende van begheerten es! Daer soudic
seker gherne om pinen ende gaen dusent milen weghes, omme al selken bisscop
te siene, oft enen prelaet, die ghewarich arm van gheeste ende ghestorvens wille
waer sijns selfs ende alre verganckeliker dinghen. Ay seker, de bisscopen ende
prelaten die nu in eerterike sijn, die makent ende leven alsoe dat iammer es, ende
dat oec Gods ontfermen moet, datse gheestelike name ontfaen hebben. Want van
boven tot beneden soe rovense tfolc, ya beyde aen ziele ende aen lijf, want tijtelike
dinghe trecken se hen ave, waerse moghen, met hare ghiericheit, ende oec der
zielen noch des volcs salicheit, dies en achtense als niet oft min dan niet.
Ende dat proevic u hier aldus, want sij en achten haers selfs salicheit niet. Want
een mensche die gheheellijc alre menschen salicheit niet en begheert, siet die
mensche en begheert sijns selfs salicheit niets niet, noch oec nyemens salicheit te
+
1)
rechte. Maer zeer haer driven ende haer draven es, hoe se de leeke volke den
+
2)
fol. 137a
penninc oft den cruce uter borsen moghen ontraghen . Maer des en souden hen
de leke liede metten rechte na eenen sinne niet belghen.
Nu merct redene waer bi in u selven. Ic segghe u, want als zeer te vresene es
van boven tot beneden, siet dits rechts
1)
2)
Voor ‘zeer’ is waarschijnlik te lezen: ‘zeker’.
Lees: ontdraghen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
174
1)
onder hen een ghemeyne plaghe, waer hi mach , sij treckent deen den anderen
ave, ya ende oec wie onder hen een hellewert bat mach, hi trecket ende rovet deen
den anderen af, ende doet hem evelen dach. Redene waer bi, het dunct mij van
boven tot beneden ghiericheit oft symonie. Want het es te vreesen datse luttel ocht
selden eenich dinc oft oec eeneghe provande puerlijc om Gode gheven oft ontfaen,
na ghemeynen loep te sprekene, ende het es te vresene ende te ontsiene, dat
verborghelijc rechts es vele comenscap oft puer symonie, ya alsoe ghi horen selt,
2)
dat deen coman aen den anderen wint. Aldus comentscapt de clergie onderlinghe
ende blijft ghesceynt, ya ende tselve datter goet onder scijnt, dats alre quaetste
ende oec alre gheveyste. Want sij ghelaten hen oft sijt om Gode gaven, ende soe
eest al ocht vele symonie onder eenen bedecten scijn, datse driven ende iaghen.
Ende hier omme moghen dit wel die ghene sijn, daer onse here af sprac in
+
dewangelie: Als de blinde den blinden leydt, soe vallense beyde inden putte. Want
+
3)
fol. 137b
de leke liede sijn oec puer blint , ende bleven aldus in beyden siden ghesceynt.
Want al gheefdi den deken u ghelt oft u have, waendi dat daer met u sonden gaen
ave? Neense, maer beyde ziele ende lijf, ende oec wat ghi den deken gheeft, dats
al verloren, ten si dat ghi laet u sonden ende u quade ghenuchte al te voren. Want
God noch egheen creatuere, noch oec den paeus selve, die en mach u u sonden
niet af pleinen, noch u vergheven, noch wtscriven, wildi noch voert in oncuysschen
leven bliven. Nu al sidi soe dore oft soe sot, ghi leke menschen ende ghi liede, die
der scrift niet en weet noch en cont, ya ende onghelettert sijt, als ic oec bin, want
ic en quam noyt in scole, mar God heeft mijns ontfermt, ende sijn grondelose
ontfermherticheit es rechts allene mijn troest ende mijn eyndelike toeverlaet. Want
ic bin hier in eenen eleyndeghen crancken staet. Rechts es hier mijn leven ende
mijn daghe-
1)
2)
3)
Deze drie regels lijken mij verward, en zijn wellicht foutief overgeleverd.
Lees: comenscapt.
Om het rijm zal wel te lezen zijn: blint en ghescint of blent en ghescent.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
175
lijcsche ghevoelen als een armen ghevanghenen te moede es, die droeve ende
serich leghet, ya al vol rouwes in eenen aleyndeghen kerkere des lichamen bevaen
ende besloten. Want de swaerste kerkere die de goede mensche mach hebben in
+
eerterike, dat es sijn eyghen lichame. Ende hier omme soe roepic nacht ende dach
+
morwelijc met groter aendacht van begheerten op Gode, dat hi mij verlossen
fol. 137c
ende verledeghen soude, want ic gheerne ende oec al te gheerne met onsen
here Ihesus Cristus ende oec met alle sinen heyleghen daer boven leven ende sijn
1)
soude daer sij sijn, want mij en luest hier een hellewert niet te blivene, want mijn
gheest ende mijn begheerlic wandelinghe, als Paulus sprac, es daer boven
gheheellijc, al moetic noch hier beneden doechlijc ende bedroefdelijc wandelen in
desen armen sterffeliken lichame, soe moetic ende soe willic altoes in penitenciën
2)
ende in castiïnghen mijns lichamen leven totter doet toe, soe willic mij vriwillichlijc
laten onder die ghemeyne heyleghe kerke, ya ende soe wie dit doet, hem coemt
alle dinc te baten. Ende soe wie hem niet gheheellijc onder de heyleghe kerke en
wilt laten, hets al met hem verloren; wat hi doet, hem coemt alle dinc tonbaten.
+
Van symoniën diemen begheet inden cloesteren ende gods huysen.
+
Het scijnt oft men die provande in die gods huyse ende in cloesters om Gode
gave, mer namals betaeltmen al tghelach, ghelijckerwijs dat men in anderen
3)
taveernen doet. Maer dit en dunct mij in eynde niet goet, dat men die provende
om Gode schijnt ghevende, ende maect den liede waen wijs waer, ende datse den
peper ende die sauce ende die groote pytancie grooffelijk na betalen moeten. Ya
van vrinde te vrinde soe moetmen elken lauweren na den seden des cloesters ende
na haer betamen, oft men soude die kindere weder behendelijc thuys
1)
2)
3)
Hs. souden.
Hs. levene.
Lees: int.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
fol. 16a
176
+
wert wisen, van daer sij quamen, ende souden daer toe segghen openbaer, datse
+
niet abel ter ordenen en waren. Ende dit dunct mij al gader persseme ende
fol. 16b
comenscap ende puer symonie, dat deer ic voer Gode wel beliën; die ghene die
1)
alsu[l]ke voeren doen, het dunct mij al quaet daer sij bij leven . Men dede ende
gave puerlijc ende vrilijc ter eeren ende ten love Gods alsoe lief ende alsoe willichlijc
den armen als den riken, sonder eenich ander opsien van weder ghevene, oft men
liet altemale varen. Maer hier en es gheen segghen noch gheen verbeteren, noch
oec gheen verwandelinghe toe; wat datter enich mensche in alle die werelt toe doen
2)
oft segghen mach, dat en hulpt niet een caf, God en doeghet selve bij groote
plaghen oft overmids sonderlinghe tekene van miraculen. Want tgheestelijc volc es
van boven tot beneden al te verre ende alte wide van sinen yersten oerspronghe
ghegaen, ende daer omme saelt God schiere deen metten anderen moeten verslaen,
3)
oft het sal die duvel met allen werden. Want alle quaetheit die sijn bij na ten
hoechsten ende ten oversten comen datse ommermeer comen moghen, ya beyde
in ordenen ende buten ordenen, want elc trect heden des dachs deen den anderen
+
ter quaetheit ende ten ondoochden wert, ende lutter oft nyemant en trect den
+
anderen tot Gode ende tot doochden oft tot sijnre ewegher salicheit wert. Want
fol. 16c
die tvolc alre meeste souden wisen ende leeren, dat sijn die ghene diet met haren
quaden levene alre meest verkeren. Die lants heren, die dwerlijck recht souden
houden in sinen staet, die sijn verkeert ende quaet. Dovermoedicheit der lieden die
es alte groot. Die vrouwen sijn alte stout ende alte cloeck. Onchuysscheit es al
4)
ghemeyn . Overspel achtmen cleyne. Caritate die es vercoudt. Der heylegher
leeringhe sere veroudt. Ende theyleghe leven dat cesseert. Mer die duvelsche prince
5)
die regeneert . Die clergie doelt ende devieert. Ende symonie die domineert. In
ordenen,
1)
2)
3)
4)
5)
Hs. levene (vgl. de vorige blz.).
= doet het.
Lees: den duvel.
Lees om het rijm: ghemeyne.
= regneert.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
177
dies seker sijt, es luttel anders dan discoert ende haet ende nijt, ende bijna alle
1)
properetarise ende onghemeyne. Ende daer omme es haer leven al onreyn . Ende
hoe soude onse here God der werelt quaet oft onse sonden moghen ghedraghen?
2)
Oft sijn groote ghenadicheit en dade, hij en soude sciere op der stede deen metten
anderen plaghen, ghelijker wijs dat hij wilen eer in doude wet dede.
+
Van proper te hebben in cloesteren ende vander onghelijcheit die daer
+
in es.
fol. 19a
Want het is in cloesteren daer al oneendrachtich, ende elc heeft daer sijn proper
allene, ende dat es al sduvels werc, wie daer liever heeft oft meer mint eyghen goet
dan ghemeyne goet. Hebdi liever hondert pont groote in u borse oft twee touwen
behoef allene dan eenen penninc int ghemeyne tot alder anderen brueders behoef,
so en sijdi noch monnic noch nonne voer Gode. Want sinte Bernaert sprect: Wat
monneke die eenen hellinc heeft, hij en es niet eenen hellinc weert. Maer die in
cloesters van herten ende van gronde begheeren, datse wouden dat daer al ghemeyn
ware, al en connen sijs niet toe ghebringhen, dats hun ghenoch. Sij heten daer alle
ghebrueders, maer die scotelen ende die goede ghelten wijns noch die vette
morseele en sijn daer eghene ghesustere. Oec es in ordenen alre meeste
3)
+
persecuciën, want die verkeerde monike die en willen haer ordene noch haer
reghele niet houden, noch den goeden, al warenter daer twee oft drie in goeden +fol. 19b
willen, dander en lieten hen die reghele noch tfundament der ordenen niet houden,
4)
maer sij souden met foben hen ghecken sceernen ende spotten, ghelijcker wijs
datmen doet met eenen anderen sotten. Ende aldus en can ic nergherens gheraken
noch comen van boven tot beneden in alle die werelt, eest onder heydene soe onder
1)
2)
3)
4)
Lees om het rijm: onreyne.
Het ontkennende en moet hier geschrapt worden.
Hs. ēn.
De woorden ‘met foben’ zijn later ingevoegd.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
178
ioden, in alle eynden van eerterike soe wert onse here Ihesus Cristus en die goede
gherechteghe mensche beyde te gadere overeendraghende in onderlingher minnen
ghecruyst ende ghepersequeert, ya, in ordenen ende van quaden kerstenen volke
1)
soe wert onse here Ihesus Cristus ende goede ghetrouwe knechte ende mensche
ende hemelsche kindere Gods alre meest ghecruyst, ende daghelijcs met quaden
eden ghepersequeert. Maer ghij siet wel ende hoert, wat men sweert, oft hoe quaet
het es, oft hoe vele men sweert, men en achtes niet, noch en lates oft en lachters
als niet.
+
Dit es die prophecie des goeden cocs van der persecuciën der clergie
2)
+
ende hermakinghen der heilegher kerken.
fol. 59c
Ende oec nemmermeer eer, seldi weten, soe en sal dat ongheletterde volc goet
noch heilich werden - dits mijn prophecie, inden name ons heren Ihesu Cristi - voer
3)
+
dies maels dat die clergie cort van boven tot beneden te male wert onder voet
+
gheworpen ende ghedestrueert van eertscher rijcheit, daer si der ghieregher
fol. 59d
4)
werelt bi ghelijc sijn. Maer dan sal deen volc metten anderen ghebetert [sijn],
als dierste venijn te male verdreven wert uter heilegher kerken. Ende dan sal die
heileghe kerke verlicht ende begaeft ende oec ander werf ghesciert werden met
gheesteliker rijcheit, ende heilicheiden van doechden, als die heileghe kerke comt
te haren yerste oerspronghe des armoets ons heren Ihesu Cristi, ende des
aposteliken staets, die gheen eertsche proper noch eyghendom en hadden, noch
en besaten, noch en begheerden, maer alle dinc was met hen ghemeyne, ende
men gaf elken dies hem noet was, als noch inder apostelen boec ghescreven steet.
Want nemmermeer en maecht wel staen inder heilegher kerken, noch in ordenen,
noch onder gheestelike volc, alsoe langhen tijts alse soe onghemeyne sijn, ende
haer sonderlinghe proper behouden allene, want die pre-
1)
2)
3)
4)
Lees: ende die, of als drie regels te voren: en die.
Hs.: haer makinghen. De index heeft de goede lezing.
Veranderd in: cleergie.
Hs. ghebeteert.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
179
late ghestaden ende ghedoghen ende gheven nu dicwile scandeliken orlof den
ghenen die onder hem sijn, ende daer si haer ziele voer gheset hebben, daer si in
beiden siden met ter hellen weert varen. Om dat die prelate selve soe onneerlijc
ende soe scandelijc leven voer haer volc ende onder haer covent, daer omme en
dorrense hem die waerheit noch die heileghe scryft al bloet niet openbaren. Mer
die ghene die nu predicken, bichten, leeren, ende tvolc tsijnre ewegher salicheit
weert berichten souden, die gaen bi na al omme als die catte omme den heeten
1)
brien , soe soekense ende meinense ende besorghense behindelijc hem selven in
2)
allen dinghen. ‘Joffrouwe, God gheve u goeden dach!’ Ay, des hebben die leede
+
duvel deel, als hi oec doet dat gheestelike liede in ordenen soe vele heimeliker
dochteren ende wtwindichs toevals hebben. Maer acharmen, het en besciet niet, +fol. 60a
wat dat men hier toe segghen mach, want caritate die es soe vercout ende
verdorret in alle state, dats God ontfermen moet. Dweerlike volc dat vergrooft; die
cleergie es te male verblint; doordene sijn contrariën sonder eendrachticheit al vol
discoerts. Satroysen hebben een hert leven, mer sere oeffent men daer scijn sonder
3)
sijn, want die wise van buten heves daer vele op die hande. Echter cluseneren,
die rennen van steden te steden achter lande, ende alse weder thuys weert keeren,
bringhense haer herte vol vreemder beelden ende alrehande ghewande. Swesteren,
bagaerde, die hebben den armen schijn van buten seer groet, mer van binnen sijnse
alsoe eyghen haers selfs, dat ic seer vreese haer helsche noet. Derde mantelaren
ende mendicante, dat duncken mij bi na al trauwante, want al meest haer loepen
ende haer draven es hoese eertsche dinghen moghen bringhen. Echter dat
ghereckelijc goet willich schijnt, des en moechdi u oec niet belghen, die sueken aen
Gode te male hen selven. Maer die ghene die hoeghe gheestelijke dinghen met
haer selfheit willen voertbringhen ende verstaen, die heeft God al ijdel laten gaen.
------
1)
2)
3)
Lees: brie = brij.
Lees: hebbe.
Lees: hevet.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
180
+
Maer inneghe gheestelike liede ende godscouwende menschen, daer ic af
ghesproken hebbe, ende oec sunderlinghe moneke ende nonnen die in ordenen +fol. 61a
wonen, die souden van hen selven scheeden, ende oec van rechte breken ende
1)
boeghen haren eyghenen wille om Gode wil , onder haren oversten prelaet
ghehoersam te sijn tot in die doot toe, want het hulpt lutter goeds of niet, ghelikerwijs
dat mijn here Sinte Bernaert sprect, dat moneke oft nonnen inden choer oft in
hoeghen discante haer stemme breken, ende niet haren eyghenen wille. Want die
ghene die haer stemme breken ende nauwe knouwen haren sanc, ende niet en
breken noch en vertijen haers eyghens willen, dats al hoverdie ende overmoedicheit.
Maer die ghene die haren wille ende haren moet breken, daer af comt oetmoedicheit,
vriwilleghe ghehoersamheit, verdrachelijcheit, saechtmoedicheit, verduldicheit,
goedertierenheit; ende oec al danderen doechden, die men oeffenen mach in tijt
2)
oft inder ewicheit, wassen den ghene ane, die sinen wille vriwillichlijc breken , ende
3)
Gode ende sinen prelaet overgheeft. Hier omme segghic u: pijnt u meer te brennen
uwen eyghenen wille, daer ghi van noede toe verbonden sijt, dan u stemme, daer
ghi ghenen eyghen bant noch ghelofte toe ghedaen en hebt. Ten anderen male soe
selen hen alle goetwilleghe gheestelike menschen ende oec sonderlinghe moneke
ende gheordent volc meer pijnen te houdene acoort ende onderlinghe trouwe ende
4)
eendrachticheit der caritaten sonder eyghen proper, dan si selen acoort des coerts
oft ghelijcheit in sanghe. Want het waer beter ende oec Gode CM werf weerdere,
dat ghi huuldet als wolve ende leelijc bruldet als herten, ende ghi anders ghemeyne
waert van cleedinghen te reeftere, tsnachts te chore, ende teenre ghemeynre
cokenen van spisen, van drancke, elke min ende meer na sij[n] behoefte, dan dat
ghi yet onghemeyns hebt, ende ghi in dander side in sanghe ghelijc acordet als
inghele ende hoeghe cheru-
1)
2)
3)
4)
Versmelting uit: ‘om Gode’ en ‘om Gods wille’.
Lees: breket.
Lees: breken.
Lees: coers.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
181
binne ende cheraphinne; daer es luttel oft niet aen belanc, aen den hoeghen sanc,
daer die herten niet ghemeyne en acorderen in bruederliker minnen ende in
susterliker caritaten. Ic vraghe hier selve oft die moneke ende die nonnen caritaten
oft godlike minne hebben in hem, daer deen es rike van renten oft van lijftocht goede,
ende dander arm, ende die rike der armer goeder nonnen niet en deilt te harer noet.
Ic antwoerde hier toe: neense. Maer si wonen buten caritaten in die helsche doot.
Ende dit ghetuycht ons sinte Iohannes ewangeliste, daer hi sprect: Hoe die minne
Gods inden ghenen ghesijn mach, die sinen evenkersten in bersten ende in breken
siet, ende dan sijn daerme, dats sijn herte oft sijn binnenste, sluyt voer hem. Echter
arme moneke ende nonnen ende mendicante, die gheen rinten en hebben, ende
siër dan seer met herten na staen, ende sise gherne namen, die sijn oec Gode
+
onbequame, wantse propritarijs sijn metter herten ende inden wille. Men mach
+
nauwe noetorft begheren ter eeren Gods, ende des selfs sonder commer ende
fol. 61c
onverbeelt van herten sijn; dat hoert godscouende menschen ende gheestelike
lieden van ordenen toe.
+
Vander condiciën der goeder moneken ende nonnen, ende hoe dat alle
+
quaet voertcomt inder religiën uter verheffinghen der hoverdiën.
fol. 49c
+
.... Siet, des ende des ghelike van alselken quaden teekenen soe sijn dordenen
hedendaechs al vol ende alte sere besmet, want dits onder hen haer inwendeghe +fol. 49d
quade verborghen voetsel ende haer duvelike spise. Ende dit comt altemale van
+
inwendegher hoverdicheit ende van overmoede, want het es beide in ordenen ende
oec daer buten onder ander gheestelike volc bi na al discoert ende partye, want +fol. 50a
twee cluseneren, die mer onder hen beiden allene te samen en wonen, si draghen
haers dincs onlanghe over een. Ende dat comt hier bi: deen en wilt den anderen
niet wiken, maer elc hadde liever
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
182
boven dan onder te sine, here ende potestaet te sine dan knecht; dats der
1)
hoverdegher menschen recht. Ende dan behout die hoet here altoes die cluse,
mer die knechte, die na comen sijn, die moeten rafusen ende wt gheworpen werden,
want over den nedersten tuyne gheetmen gherne tierst. Echter clusenaren ende
derde mantelaren int ghemeyne, si en draghens oec niet wel eens. Echter derde
broeders ende broet bogaerde int ghemeyne, die en draghens oec niet wel eens.
Die sellebroeders entie andere broet bagaerde, die buten in herberghen wonen, die
en draghen oec tshaers niet ten besten overeen. Alsoe en doen die broet bagaerde
ende dweerlike paepscap, ende die biddende ordenen, dies seker sijt; hier tusschen
2)
es altoes en verborghen ansel ende nijt. Paepscap ende die vier biddende ordenen,
dese sijn oec contrariën in woerden, want het heeft den prochianen onweert, dat
haer volc daer om raet oft bichten gheet, om dat si mee[r]der clerken heeten boven
3)
hem. Maer des en willense hen niet bedachten , datse haers selfs volc qualijc ende
+
onghenadelijc berichten. Ende dit moeten die mendecante, dats die biddende
ordenen, voldoen, hebbic vernomen, want si hadden liever XX rike baghinen dan +fol. 50b
twee gheestelike sonen. Der mannen wive latic varen; die soudense, oft God
wilt, noede ontparen. Doch aen die sonen comense noede, maer aen die gheestelike
dochteren en sijnse niet bloede. Dies heeft die duvel deel, datse die soe vrindelike
nemen bider hant, ende sittenre soe langhe bi inde pant. Echter die vier biddende
ordenen, die sijn oec onderlinghe nidich ende contrarie groot, want constense, si
souden deen den anderen preken ter doot. En wetti wat dit doet? Haer ghiericheit,
haer hoverdie ende overmoet. Daer omme eest datse in beiden siden preken ende
callen. Elke
1)
2)
3)
= hovethere.
en = een.
In plaats van ‘bedachten’ is misschien te lezen ‘betichten’, dat een goede zin oplevert, en als
rijm op ‘berichten’ hier juist passen zou. Prof. Verdam geeft de voorkeur aan de lezing:
beduchten, die dichter bij het handschrift staat. Mogelik had het origineel twee regels te voren
ook in plaats van ‘onwecrt’ het woord ‘leet’, dat op ‘gheet’ rijmt, een rijm dat ook elders bij
Jan van Leeuwen voorkomt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
183
ordene soude gherne dat volke te haren gherieve wert trecken met allen. Ende hier
omme prekense som wonderlijc dinc wt haren sotten hoefde, ende selsene,
onorbaerlijcke saken, hoese den volke moeghen behaghen. Wat menschen die hen
selven preken om haer eyghen ghewin oft gheestelike ere, ende deer God ende
svolcs salicheit niet en soeken, die sijn vermalendijt, die tfolc aen hen met
smeekinghen ende met heymeliker liefde halen. Mer die sijn salich ende ghebenedijt
vanden monde Gods, die ghene die alle menschen overmids caritate van hen wisen,
ende leeren den wech te Gode weert, want dese menschen hebben altoes deere
ende den lof Gods inder herten, ende Gods vrede inder consciënciën, ende waerheit
inden mont, ende caritate inder hant, ende verduldicheit in tribulaciën ende oec
eersam exempel inden seden - - - - - - - - - - C.G.N. DE VOOYS.
(Wordt vervolgd).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
184
E.M. Post en Hirschfeld.
‘Zoo even las ik in den bevalligen Hirschfeld; hoe verrukkend maalt hij dit Landleven
af! Ik gevoel er al de schoonheid van, maar kan hem niet navolgen. Om zoo te
schilderen, moet men niet slegts Hirschfelds penseel hebben, maar ook in zijn land
wonen. Hier is de natuur schoon, maar daar vereenigt zig het grootste en het
schoone, de order en de woestheid, op eene verrukkende wijs. Doch zal ik nu de
pen nederleggen, omdat ik zoo niet tekenen kan?’ Aldus Elisabeth Maria Post in
haar roman in brieven ‘Het Land’ over den Duitschen schrijver Hirschfeld. Door Dr.
J. Prinsen J.Lzn. werd in de Gids van 1914, bl. 548, het vermoeden uitgesproken,
dat een nader onderzoek naar dezen Hirschfeld een nieuw licht zou kunnen werpen
op het ontstaan van het werk van Post. Toen mij nu onlangs toevalligerwijze een
boekje van dien schrijver in handen kwam, bleek al ras, hoe schitterend het
vermoeden van Dr. Prinsen bewaarheid werd. Inderdaad moet Hirschfeld's prozawerk
‘Das Landleben’ het prototype van ‘Het Land’ geweest zijn. Daardoor krijgt het
Duitsche geschrift ook voor onze letterkunde beteekenis, en het lijkt mij nuttig, er
het een en ander uit mede te deelen, en eene vergelijking te maken tusschen de
Nederlandsche en de Duitsche apotheose van het buitenleven. Wat in Post's werk
zelfstandig is, zal zoo ook nog scherper omlijnd kunnen worden, dan in het door Dr.
Prinsen in De Gids ontworpen beeld mogelijk was.
Vooreerst dan enkele bijzonderheden over Hirschfeld zelf. Eene beschrijving van
zijn leven komt voor in het in 1795 te Leipzig door W.B. Becker uitgegeven eerste
deel van het ‘Taschenbuch für Gartenfreunde’. In dit werkje wordt Hirschfeld herdacht
als de schrijver van een ‘Gartenkalender’ en eene
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
185
kleine ‘Bibliothek für Gartenfreunde’, welke beide na zijn dood in 1792 niet zijn
voortgezet. Tegenover het titelblad van Becker's Zakboekje prijkt eene kopergravure,
waarop een treurberk met eronder een marmeren grafsteen met de inscriptie
‘Hirschfeld gewidmet’. Gelijk uit het bijbehoorend artikel blijkt, is deze voorstelling
bestemd, om door liefhebbers van tuinbouwkunst in hunne perken te worden
nagemaakt, evenals de plaatjes van een Chineesch gebouwtje, eene kluizenaarshut
e.a., die ook in dit boekje voorkomen. Het artikel over den gestorven tuinbouwmeester
begint met deze dichtregelen:
Er liebte die Natur
Und führte Irrende zurück
Auf ihre Spur.
Vervolgens wordt Hirschfeld herdacht als de man, die de tuinbouwkunst onder de
schoone kunsten deed opnemen, en wien het, dank zij zijn zuiver gevoel voor de
natuur, gelukte, den smaak voor eene kunst te veredelen ‘die bisher noch zu sehr
über die strengen Anmaszungen des Architekten und Geometers seufzte’. Hem
komt derhalve eene plaats toe onder de Duitsche aesthetici van de tweede helft der
achttiende eeuw, die eene nieuwe kunstleer schiepen, zooals Lessing dat voor het
drama en het tooneel gedaan heeft, Krause voor de muziek, Moses Mendelssohn
voor de schoone letteren in het algemeen. Zoo revolutionnair als dezen was
Hirschfeld evenwel niet, en zijne aesthetische opvattingen staan dichter bij die van
Bodmer en Breitinger, in wier school hij onderdak zou moeten vinden, dan bij die
der drie genoemde kunstbeoordeelaars. Blijvend succes heeft Hirschfeld buiten een
beperkten kring van natuurvrienden waarschijnlijk ook niet gehad, en Hegel verzet
er zich in zijn stelsel der kunsten nog tegen, de tuinbouwkunst daarin een plaatsje
te gunnen. Zijne persoonlijke beteekenis wordt daardoor echter niet verkleind;
blijkens de zooeven aangehaalde zinsnede over den architect en den geometer
behoort hij mede tot degenen, die het kunstgevoel uit den ban van het Classicisme
hebben verlost.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
186
Christian Cay Lorenz Hirschfeld werd in 1742 te Nüchel in Holstein als Deensch
onderdaan geboren. Hij bracht het tot ‘königlicher Dänischer wirklicher Justizrath
und ordentlicher Professor der Philosophie und der schönen Wissenschaften’ te
Kiel. Zijne studiejaren (1760-'63) bracht hij te Halle door, welke stad hij in 1763
verliet, om de betrekking te aanvaarden van Informator van twee prinsen en eene
prinses van Holstein-Gottorp, die bij een oom te Lübeck woonden. In 1765
onderneemt hij met zijne vorstelijke pleegkinderen eene reis en woont vervolgens
gedurende twee jaren met hen te Bern. Als in 1767 een cabaal zijn ontslag bewerkt,
verhuist hij naar Leipzig, waar hij gedurende twee jaren, in geregelden omgang met
verscheidene geleerden, van de pen leeft. In 1769 volgt dan zijne benoeming door
de Russische keizerin - destijds landvoogdes van Holstein - tot secretaris van het
Curatorium der Kielsche hoogeschool en tevens tot hoogleeraar in de philosophie
aldaar. Van dat oogenblik dateert zijn besluit, de tuinbouwkunst uit haar verval op
te heffen. Daartoe schreef hij in 1773 een werk ‘Über die Landhäuser und über die
Gartenkunst’ en in 1779 de ‘Theorie der Gartenkunst’. Daartoe ondernam hij in 1780
eene reis naar de Deensche lustsloten en in 1783 door een groot deel van
Duitschland en Zwitserland. Daartoe eindelijk stichtte hij in 1784 de
‘Vruchtboomschool’ te Düssernbrock bij Kiel. Zijne liefde voor de natuur was groot,
daarnaast ook zijne neiging om te moraliseeren. Daarvan getuigen zijne meer
algemeene geschriften ‘Das Landleben’ en ‘Der Winter’. De Theorie der
Tuinbouwkunst zette hij voort in den vorm van een jaarlijks te Kiel verschijnend
‘Taschenbuch für Gartenfreunde’, waarvan ik den vijfden jaargang in de
Universiteitsbibliotheek alhier vond. Het bevat eene opgave der in het afgeloopen
jaar verschenen geschriften over tuinbouwkunst, eene opsomming van in
verschillende streken voorkomende plantensoorten (Sumatra, Guiana, Suriname,
Nigritië, Sicilië, Toscane, Beieren, Denemarken) en eene beschrijving van een aantal
buitenplaatsen onder den titel ‘Fortgänge und
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
187
Verirrungen des Gartengeschmacks’. Het is dus een zuiver vaktijdschrift en ik
vermeld het hier alleen, om te toonen, hoe Hirschfeld zijn werk opvatte. Daarnaast
zal hij evenwel ook nog verscheidene niet in de necrologie vermelde werken van
algemeener strekking geschreven hebben. Ik vond althans van zijne hand een
geschrift ‘Von der Gastfreundschaft, eine Apologie für die Menschheit’ (Leipzig
1777), waarin Engelsche schrijvers als Hutcheson, Ferguson en Home worden
aangehaald, en dat in hoofdzaak bestaat uit eene Rousseau-achtige verheerlijking
van de deugden der natuurvolkeren, toegelicht door bewijsplaatsen uit een
onnoemelijk aantal reisbeschrijvingen. Daardoor is het geworden tot een echt
encyclopaedisch werk in den trant van W.A. Ockerse. Over de Hollanders is
Hirschfeld daarbij slecht te spreken: ‘Der schmutzige Geiz und die Härte, welche
die Holländer in ihren Besitzungen ausüben, sind überall bekannt’. Later maakt hij
dit echter eenigermate weer goed, door naar aanleiding van Montesquieu's
opmerking, dat de handelsgeest in een volk de deugden het meest bederft, aangezien
deze leidt tot handeldrijven zelfs in de ideëelste zaken, te verklaren, dat een nog
sterker bewijs voor die stelling te putten is uit de gedragingen der Chineezen dan
uit die der gewoonlijk in dit verband aangehaalde Hollanders. Of dit iets te maken
heeft met het gezegde van de ‘Chineezen van Europa’?
Het geschrift van Hirschfeld, waar het hier op aankomt, is ‘Das Landleben’. De
eerste druk is van 1768, dus één jaar na het eerste verblijf in Zwitserland, de derde,
dien ik gebruikte en die ‘verbeterd’ heet, van 1787. De opdracht is aan Madame
Tscharner, geb. von Bonstetten, te Bern, aan wier landhuis Bellevue de schrijver in
het voorjaar van 1768 terugdenkt, nu hij er niet meer de gelukkige oogenblikken
van vroeger smaken kan. Hier is derhalve nog niet de tuinbouwkundige van den
Kielschen tijd aan het woord, doch veeleer de natuurvriend, die zijne gedachten
met welgevallen over de vreugden van het buitenleven laat gaan. Tegelijkertijd
spreekt
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
188
de moralist, bij wien het genot van de natuur tot een zedelijk genot wordt, en die
zich nergens een beter mensch voelt dan juist in de natuur. Wij herkennen hier dus
den man, die ook, toen hij over de gastvrijheid handelde, deze oude deugd der
menschen nergens beter bewaard vond dan bij de natuurvolkeren. Zulke gedachten
zijn weliswaar door Rousseau wereldberoemd gemaakt, doch zijn met niet minder
warmte gekoesterd door Engelsche essayisten. Daar Hirschfeld nu behalve moralist
ook aestheticus is - evenals Addison en zoovele Engelschen van die eeuw -, en
daar zijne aesthetica zich blijkbaar, gelijk de achttiende-eeuwsche Duitsche
aesthetica in het algemeen, sterk onder Engelsche invloeden ontwikkeld heeft, zal
hij zich ook wel allereerst een Engelsch voorbeeld gesteld hebben. Aangehaald
worden van de Engelschen alleen Young, Churchill en Addison, maar zijne kennis
der Engelsche letteren was stellig uitgebreider. Er werd reeds op gewezen, hoe hij
elders Hutcheson en Home (Lord Kaimes) noemt. De uiterlijke vorm van ‘Das
Landleben’ is ook al Engelsch; het bestaat uit eene reeks essays, die alle op het
buitenleven betrekking hebben, en ieder eene andere zijde ervan op den voorgrond
stellen. Soms zijn zij zuiver schilderend, soms ook bespiegelend, zoowel de uiterlijke
bekoorlijkheden van de natuur worden erin weergegeven, als de bevindingen van
het Ik des schrijvers. We komen daardoor geheel in de sfeer der Engelsche
vertoogen, en wel in het bijzonder van die, welke op het buitenleven betrekking
hebben. Het boekje van Sieveking over ‘Garden-Essays’ staat mij hier niet ter
beschikking; ongetwijfeld echter zou men daarin verwante gedachten uit eene
vroegere periode kunnen vinden. De geest van Hirschfeld's Landleben is bijvoorbeeld
geheel dezelfde als die van Cowley, waar hij in zijne Essay's over het aanleggen
van tuinen en het leven in de natuur spreekt.
Is hiermede de algemeene strekking van Hirschfeld's proeven aangegeven, vooral
voorzoover het den vorm en het moraliseerend gedeelte ervan betreft, er zijn andere
onmiddellijke
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
189
invloeden, die den aard van het geschrift hebben bepaald. De natuurbeschouwing
van Hirschfeld is geheel die van Albrecht von Haller, en staat dientengevolge ook
weer dicht bij die van Thomson en de Engelsche leerdichters. Had Hirschfeld niet
het proza-vertoog als vorm verkozen, doch de poëzie, dan zou er een dichtwerk
ontstaan zijn in den geest van de ‘mahlerische Dichtung’. Vandaar dat Hirschfeld
als aestheticus het dichtst bij Breitinger staat, vandaar dat Post spreken kon van
‘afmalen’ en ‘schilderen’. Zoo komt Hirschfeld in twee opzichten in het zog van Haller
terecht, èn als natuurschilder èn als moralist. De natuur van Hirschfeld is die van
Haller's gedicht ‘Die Alpen’: eene ware schildering van de Zwitsersche natuur met
velerlei trekken van het ‘wonderbare’. Evenzoo is de moraal, door de natuur gewekt,
dezelfde als die van Haller's gedichten ‘Gedanken über Vernunft, Aberglauben und
Unglauben’, ‘Die Falschheit menschlicher Tugenden’, ‘Die verdorbenen Sitten’,
‘Über den Ursprung des Übels’. De natuurbeschouwing zoowel als de zedelijke
bespiegeling zijn pastoraal, doch Zwitsersch-pastoraal, indien ik het zoo noemen
mag tegenover de antiek-pastorale richting. Het pastorale ideaal is hier niet langer
een beeld der fantazie, doch iets werkelijks, dat met een gepast realisme wordt
weergegeven. Zoo ontstond immers juist het pastoraal realisme bij die dichters en
schrijvers, welke het gelukkig Zwitserland der werkelijkheid in de plaats stelden van
het idyllisch Arcadië der Ouden. Het best komt deze karaktertrek van ‘Das Landleben’
uit, als we even dien anderen Zwitser, die zich geheel in dienst van Theocritus en
Vergilius stelt, ter vergelijking erbij halen: Gessner. Bij Gessner wordt de natuur niet
naar het leven geschilderd, doch zij is stereotyp-bucolisch, getuige de Faunen, die
erin optreden. Bovendien dient bij hem de natuur alleen ter omlijsting van bucolische
gedachten en gevoelens; zij is in de Idyllen nergens aanwezig om haars zelfs wil,
en de gevoelens en gedachten gaan dan ook niet over haar wezen en komen
evenmin daaruit voort, doch zijn al even stereotyp-bucolisch. Dientengevolge
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
190
ontbreekt elk realisme en ontbreekt de innige samenhang tusschen natuur en gevoel,
dien men bij Gessner op zijn hoogst bevroeden, nergens betrappen kan.
Na dit alles is ook in groote trekken al duidelijk de plaats, die Elisabeth Maria Post
eenerzijds tegenover Hirschfeld, anderzijds tegenover Gessner inneemt. De liefde
voor de werkelijke natuur en het vermogen om die met trekken van het ‘wonderbare’
te schilderen, heeft zij van Hirschfeld; evenzeer de zucht om naar aanleiding van
de natuur zedelijke bespiegelingen over mensch en godsdienst te houden. Zoo komt
ook zij voor belangrijke elementen van haar talent terecht in de school van
‘schilderende dichters en schrijvers’ onder leiding van Haller en Breitinger. Van
Gessner evenwel heeft zij andere trekken, namelijk die welke Dr. Prinsen in zijn
Gidsartikel heeft aangewezen: den hang tot sentimentaliteit en de zich somtijds van
het schilderend realisme afwendende stereotyp-bucolische natuuropvatting. Bij haar
treft men immers beide vormen van natuurgevoel naast elkaar aan.
Hirschfeld's ‘Landleben’ was niet beter in te leiden dan door het lichten van zijn
litteraire doopceel en het trekken van enkele parallellen. Eene korte inhoudsopgave
moge thans volgen, opdat het beeld voltooid worde. De vergelijking met den
brievenbundel van Post zal daardoor tot in fijner bijzonderheden kunnen plaats
hebben. De verschillende vertoogen hebben weliswaar geene titels en gaan naar
den inhoud dikwerf in elkander over, doch behandelen toch duidelijk ieder een ander
onderwerp, dat hier in 't kort wordt aangegeven met enkele teekenende
bijzonderheden erbij.
1. Het herleven van de gansche natuur in de lente. De naargeestige winter is
voorbij en tracht te vergeefs nog éénmaal zijne rechten te hernemen. Laat alle
menschen naar buiten gaan!
2. Aankomst op het landhuis. Het eerste buitengenot. Beschrijving van het
landhuis: het uitwendig voorkomen, de omgeving, de tuin met zijne vruchtboomen,
bloemen en beelden, waaronder die van Thomson en Kleist, en het inwendige met
zijne vele schilderingen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
191
3. Het is 's menschen plicht, van de natuur te genieten. Een zestal typen van
landbewoners, die daartoe niet in staat zijn: in den stijl der ‘Caractères’.
4. De stad en het land. De zorgen van het landleven zijn zoet. Zoodra men de
stad verlaten heeft, komt de ziel in verrukking.
5. Geschiedenis van het buitenleven van de oudste tijden af: in den trant der
bucolisch-idyllische opvattingen.
6. De vreugde, die de natuur opwekt. Is deze in den beginne slechts zinnelijk,
volgens de waarde van den mensch wordt zij weldra zedelijk. Zij stijgt ten slotte tot
aanbidding van God, dien wij op het land in zijne werken leeren kennen. Zoo wordt
het landleven tot eene bron van deugden.
7. De rust van het buitenleven in tegenstelling tot de beslommeringen en
begeerten. De genietingen der natuur staan voor iedereen open.
8. Een uitzicht. Het oneindige. De afwisseling der natuur. De bloemen. Het
vèrgezicht van een heuveltop.
9. De eenvoud van het buitenleven.
10. Zonsopgang. Zonsondergang. Schoonheid van Zwitserland. Het geluk van
den landman. Avondstilte.
11. Dichters en denkers hooren in de eenzaamheid en de vrijheid van het land
thuis. Daar moet men hunne werken ook lezen: Plinius, Seneca, Horatius,
Quintilianus, Propertius, Vida. In de natuur wordt menigeen zelf dichter en komt tot
het ‘navolgen der natuur’. Hij moet dan echter door het invlechten van zedelijke
trekken zijn hart tevens tot het besef der deugd brengen.
12. De gevoelloozen en slapenden op het land. Landelijke bezigheden.
13. Het beheerschen der hartstochten is in de natuur gemakkelijk. Gemoedsrust
en tevredenheid. Het leven der landlieden. Het geluk van vorsten op het land:
Frederik de Groote op Sans-Souci.
14. Zedelijke verheffing door het buitenleven. De Deugd. Het gebed van den
ouden Eukrates in de vrije natuur.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
192
15. Zwitserland is het schoonste en gelukkigste land met zijne frissche en zuivere
lucht (‘nicht vergiftend wie in den Sümpfen der Niederlande’). De deugd zijner
inwoners. De vrienden van den schrijver. Een huishouden. Petrarca.
16. Het ontstaan der schoone kunsten door de navolging der natuur: toonkunst,
schilderkunst, dichtkunst.
17. De beteekenis van de natuur voor de opvoeding. Hoe gezond zijn de kinderen
van den landman! Hoe de oorspronkelijke menschelijke deugden bij kinderen op te
wekken. Ontvankelijkheid van het kinderlijk gemoed. De ondeugden der stad. Het
opvoeden van vorstenzonen. Het buitenleven hoeft geene slechte manieren te
veroorzaken.
18. De gansche natuur leeft. Het schoone van de dieren, vooral insecten en
vogels.
19. Een onweer. Daarin toont zich God's grootheid. Men moet tijdens een onweer
geene vrees betoonen.
20. De hitte van den zomer. Al is zij onaangenaam, zij is voor het leven der natuur
nuttig. Zomerregens. De natuur na een onweer.
21. Het vee en de herders. De oogst en de maaiers. Het pastoraal geluk van den
landman in Zwitserland; elders is hij veelal een slaaf. De mensch is tot vrijheid
geboren. Landbouw maakt gelukkig. Het verschil tusschen den goeden en den
slechten landheer.
22. De jacht. Volgens de natuur is de jacht geoorloofd, mits op menschelijke wijze
beoefend. Drijfjachten zijn af te keuren.
23. Avondstilte. Gesprek in een priëel. Vrede en vriendschap de hoogste goederen
op aarde. De hemelsche verwachtingen.
24. Vergankelijkheid der landelijke vreugde, de weemoed van den winter. Zoo
snel vervliegt ook ons aardsch geluk. Slechts een goed gebruik kan den korten duur
vergoeden. Laat ons 's winters in de stad van onze herinneringen genieten!
Uit deze summiere en dorre inhoudsopgave van ‘Das Landleben’ zullen reeds
enkele punten van algemeene overeenkomst met en ook afwijking van ‘Het Land’
duidelijk geworden zijn.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
193
Op enkele daarvan moet thans in het bijzonder de aandacht gevestigd worden,
opdat de verhouding der beide werken nog helderder aan het licht kome. Het
grondbeginsel bij Hirschfeld en Post is hetzelfde: de verheerlijking van het leven op
het land tegenover het bestaan in de steden. Hirschfeld betoogt de voortreffelijkheid
o
van het buitenleven uitvoerig in n . 4 en ook later komt hij er telkens op terug, in de
eerste plaats om aan te toonen, dat de oorspronkelijke deugden van den mensch
zich slechts op het land ten volle ontwikkelen kunnen. Bij Post is deze gedachte
zelfs de grondslag van den geheelen opzet: Euphrozyne, het stadsmeisje, dat eerst
nauwelijks aan de bekoring van het buitenleven gelooven kan, laat zich door Emilia
en
tot een verblijf op het land overhalen, en geeft dan in den 29 brief hare eigen
indrukken weer, waaruit blijkt, dat zij hare opvattingen geheel ten gunste van het
land gewijzigd heeft. De bijzondere voordeelen, die Hirschfeld en Post aan het
buitenleven toekennen, zijn ook dezelfde. Zoowel ‘Das Landleben’ als ‘Het Land’
beginnen met eene waardeering van de zinnelijke bekoring van de natuur, die echter
gaandeweg in eene zedelijke vreugde overgaat. Bij Hirschfeld, in wien de schilder
en de moralist nog naast elkaar staan, is deze overgang telkenmale bewust
o
uitgevoerd, hetgeen vooral duidelijk blijkt uit n . 6, waar de verandering van zinnelijk
in zedelijk genot tot in bijzonderheden ontleed wordt. Door dezen trek wordt de
verwantschap van zijn werk met dat van Addison en den Spectator al bijzonder
scherp aangewezen en het is dan ook geen wonder, dat juist deze tot de weinige
niet-klassieke en niet-Duitsche schrijvers behooren, die hij citeert. Bij Post
doordringen de zinnelijke en de zedelijke vreugde over het landleven elkaar nog
meer, ten gevolge van de sentimenteele natuurbeschouwing, die haar punt van
uitgang is, en mede door den romanvorm. Hieruit volgt reeds, dat de overeenkomst
het sterkst is, waar beide zuiver beschrijvend of schilderend te werk gaan, gelijk
o
Post in hare brieven over de lente (br. 15, 17, 22, 23, 26 enz.) en Hirschfeld in n .
2, 8, 10. Maar ook
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
194
waar de zinnelijke vreugde tot een innerlijk genot wordt, staat Post heel dicht bij
Hirschfeld. Immers bij beiden bestaat hier deze gedachtengang: het buitenleven
wekt de deugd op, en de deugd wordt in haar hoogste stadium tot godsdienst. Van
het klassieke deugd-ideaal is niet veel meer te bekennen, het is in hoofdzaak de
achttiende-eeuwsche deugd der burgerklasse, zooals die onder invloed van
deïstische en andere godsdienstige stroomingen ontstaan was. Het is, als ik het
zoo noemen mag, de ‘spectatoriale deugd’. Evenwel komt hier ook een onderscheid
aan het licht. Bij Post is het deugd-begrip al een sport verder in zijne ontwikkeling
gekomen, doordien het vrijwel identiek geworden is met ‘godsdienstigheid’, zooals
we dat bij de Hollanders van die dagen gewoon zijn. Hirschfeld daarentegen scheidt
die twee begrippen nog; immers hij hangt de theorie van de oorspronkelijke
deugdzaamheid van den mensch aan, en beschouwt de deugd nog als een zuiver
praktisch begrip, terwijl de godsdienstigheid eene hoogere eigenschap is, die zich
uit de deugd ontwikkelt. Hij staat hier dus geheel in de spectatoriale schoenen. In
o
n . 17, waar hij over de opvoeding spreekt, noemt hij de kennis en de gevoelens
op, die de opvoeder bij kinderen wekken kan, wanneer hij hen op het land brengt:
kennis der natuur, besef van de gelijkheid aller menschen enz., - daaruit kan dan
o
weer liefde voor den Schepper voortkomen. In het gebed van Eukrates (n . 14) heet
het: ‘Ich habe gefehlt, ewiger Vater deiner Geschöpfe, so sehr ich mich auch
bestrebte, nicht zu fehlen; der Tag eilt wieder zum Ende, ich sehe in ihm bis zu dem
Morgen zurück, und ich finde hier manche That, die ich nur halb verrichtete, da eine
Gelegenheit, die ich nicht ganz zum Guten brauchte, hier eine Kaltsinnigkeit, dort
eine Empfindung, die ich noch mehr hätte beleben sollen, aber überal, Vater, die
Denkmähler deiner Güte von einem Augenblicke zum andern’. Post laat in zulke
gevallen de godsdienstige gedachte niet door middel van de zedelijke uit de natuur
voortkomen, doch regelrecht. Dat is het specifiek Hollandsche van haar werk
tegenover dat van
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
195
den voorganger. Eene vergelijking van Feith met zijne vreemde voorbeelden zou
tot hetzelfde resultaat leiden. Daardoor zijn de Hollandsche romanfiguren van die
dagen - uitgezonderd natuurlijk die van Wolff en Deken - zooveel minder belangrijk.
Ook in andere opzichten sluit Post zich in het algemeen bij Hirschfeld aan. Naast
de vreugde van het buitenleven staat de rust. Hirschfeld wijdt er zijn zevende vertoog
aan: ieder mensch kan op het land verkwikking vinden, wanneer hij van de
vermoeienissen des levens wil uitrusten. ‘Und wenn Neid und Ungerechtigkeit uns
unsre Vergnügungen stören, wer wil uns die rauben, die uns das stille Landleben
schenkt? Hier sind unsre Freuden sicher, und haben keinen Unbestand zu fürchten’.
Zoo komt het, dat het buitenleven den mensch tot studie en kunstzin opwekt; elders
o
heeft hij daartoe niet altijd de gelegenheid. In n . 11 wijst Hirschfeld erop, hoe
Pythagoras bij voorkeur op het land vertoefde, evenals zoovele groote denkers na
hem. Zoo zijn wij, zegt hij, ten slotte allen en ieder mensch geniet van een dichter
het meest, wanneer hij in de landelijke stilte leeft, en Hirschfeld stelt zich zijne lezers
het liefst voor onder de schaduw der boomen, aan den oever van eene koele beek,
onder het groene looverdak van een priëel of in de geuren eener orangerie. Zoo zit
ook Post, blijkens br. 4, in haar vertrek, waar ‘verscheiden potten met oranje- en
lauwrierboomen of met lavendelplantjes hunnen aangenamen geur’ verspreiden.
Zoo zit zij daar met de lectuur van ‘den braven vader Sluiter’, terwijl zij verder het
Woord Gods, de historie, en de natuurkunde bestudeert, of Kleist en Cronegk leest
(br. 23). In onze beste oogenblikken, zegt Hirschfeld, worden wij op het land zelf tot
dichters. Evenzoo verklaart bij Post Emilia van zichzelve, wanneer zij op een
herfstnamiddag in haar geliefd boschhoekje zit: ‘Mijn lang sluimerende dichtgeest
werd vaardig; ik wilde mijne gevoelens uitdrukken en maakte een herfstlied, doch
het is niet half de taal van mijn hart’ (br. 50). Dank zij het genot van rust en lectuur
in de vrije natuur kunnen ook de deugden van den mensch zich edeler ontwik-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
196
kelen. Bij Hirschfeld zijn dit, behalve de oorspronkelijke ingeschapen deugden van
o
o
het menschdom (vgl. n . 17), vooral wijsheid, tevredenheid (n . 14) en
o
zelfbeheersching (n . 13): ‘Die Zufriedenheit hat allein in der Weisheit und Unschuld
der Sele, in einem Herzen, das sich immer der erfüllten Pflicht bewusst ist, das seine
Begierden beherscht, und die grosse Kunst, sich zu vergnügen, versteht, ihre Quelle;
und sie ist unsre beste Begleiterin, wenn wir unsern Landhäusern entgegen eilen
.... In den Besitz eines kleinen Landes, das uns ernährt, einer Gresundheit, welche
die Munterkeit des Geistes unterstützt, einer Anzahl von Freunden, die Weisheit
und Adel der Sele haben, einer Bibliothek, die uns in dem Schönen und Guten
unterrichtet, und eines Gewissens, das über jede Freude neue Anmuth streut,
vergessen wir die Ergötzungen der Höfe, und die Gunst der Könige’. Bij Post
natuurlijk weer dezelfde opvatting, alleen met het zooeven reeds aangegeven
onderscheid: het zijn niet zoozeer de praktische deugden, die Emilia en Euphrozyne
tijdens het buitenleven ontwikkelen, het is naast de sentimenteele vriendschap, die
met de natuur niet in onmiddellijk verband gebracht wordt, in de eerste plaats het
godsdienstig gevoel. Zoo schrijft Euphrozyne aan hare vriendin, die zij na haar
vertrek van Zorgenvrij in de eenzaamheid wil troosten: ‘Zet uw hart weer open voor
den invloed van de natuur en den Godsdienst’ (br. 40). Het tertium comparationis
is klaarblijkelijk meer de liefde voor de natuur dan wel de moreele consequenties
daarvan. Uit dien zin voor het natuurlijk leven wordt bij beide schrijvers geboren
eene warme belangstelling voor bloemen en dieren. Men leze bij Post br. 17, 22,
24, 32, waar het aanschouwen van bloemen en vogels, visschen en insecten haar
o
tot een diep-zedelijk natuurbesef brengt. Evenzoo Hirschfeld in n . 18, 22, vooral
o
over de insecten. In n . 18 verhaalt Hirschfeld van eene wandeling, waarbij weldra
eene schare van muggen, vliegen, vlinders en bijen om hem heen gonst. Hij
verdraagt het onaangename, dat ze hem bezorgen, gaarne, daar ze hem tot allerlei
overpeinzingen brengen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
197
Een enkel insect grijpt hij en bewondert het samenstel van leden en gewrichten:
‘dann sieht der aufmerksame Naturbetrachter auch in diesem Theile eine unendliche
Weisheit, dann empfindet er die Unbilligkeit diese Geschöpfe zu verachten, die nicht
weniger, als der Mensch, von dem erhabensten Wesen ihren Ursprung haben’. Men
vergelijke met dergelijke beschouwingen de aandacht, die Emilia en Euphrozyne
aan een mierenhoop en eene spin wijden (br. 32). Over de jacht oordeelt Hirschfeld
o
in n . 22 iets minder sentimenteel dan Post. Het dooden van dieren tot voeding keurt
hij niet af, al acht hij ieder noodeloos rekken van den doodsstrijd verkeerd, weshalve
hij zich wel tegen drijfjachten verklaart. Het schijnt echter, dat Post ook in de eerste
plaats aan eene drijfjacht denkt, wanneer zij in br. 50 van de dieren zegt: ‘Vergeefs
zoeken zij hunne veiligheid, voor den loerenden jager, in een bedekt leger, of
slingerend hol; de fijnruikende brak, of de doorsnuffelende fret, sporen hen op, en
zij worden een prooi van het roofzugtig vermaak der jagtbeminnaren. - Wreed
vermaak! - een onnozel dier dat kommerloos in de bosschen leeft, uit zijn schuilplaats
te verjagen, in angstige vrees te doen omdolen, het aftematten, en onbewogen voor
zijn geschrei, het eindelijk te moorden!’ Immers tegen het dooden van dieren voor
noodzakelijk levensonderhoud verzet zich ook Post niet, getuige de vischpartij in
br. 32.
Ten slotte nog ééne algemeene gedachte, waarin Post zich bij Hirschfeld aansluit:
na den blijden bloei der natuur komt in herfst en winter het verval, dat godsdienstige
gedachten wekt over de vergankelijkheid van al het aardsche en de kortstondigheid
van 's menschen geluk. Post wijdt er hare laatste brieven aan en versterkt den indruk
dier beschouwingen nog door het symbolisch-dramatisch effect van Euphrozyne's
onverwachten dood. Vooral br. 51 is in dat opzicht teekenend. Emilia ziet planten
en dieren om zich heen sterven in de koude van het najaar; en zoo sterven ook al
onze aardsche schatten af, geene schoonheid blijft - totdat uit dit besef
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
198
weer de verwachting van den Christen geboren wordt: ‘Laat dan de natuur sterven!
- Zij leere mij slechts sterven! Zij verzekere mij dat even, gelijk uit hare asch weder
nieuwe schoonheden verrijzen zullen, het ons ook mede zo gaan zal, om nooit
o
weder te sterven’. Hirschfeld komt in n . 24, zijn laatste vertoog, tot hetzelfde besluit,
ofschoon langs een eenigszins anderen weg. Hij begint namelijk met de epicuristische
aansporing: geniet van het schoone, zoolang het er is, en treurt niet, wanneer het
vergaan moet! Maar dan volgt ook de christelijke overpeinzing: met ons gebeurt
hetzelfde als met de natuur, evenals de winter zoo bergt ook de dood een kiem van
nieuw onsterfelijk leven in zich. Toch sluit Hirschfeld niet met deze gedachte af. Hij
keert in de laatste bladzijden weer tot de werkelijkheid terug en wijst op de vreugden,
die ook het koude jaargetijde ons verschaft: de wijnoogst in den herfst, in den winter
de herinneringen aan den schoonen tijd. Zoodat ook hier nogmaals blijkt, dat ondanks
eene algemeene overeenkomst in de gedachte, de alles overheerschende religieuze
stemming van Post zelve is.
Van zelf moest in het voorgaande reeds hier en daar een enkel punt van verschil
tusschen beide schrijvers ter sprake komen. Thans moge eene meer stelselmatige
opsomming dier punten volgen; daardoor zal duidelijk aan het licht komen, in
hoeverre Post zich van Hirschfeld verwijderd heeft. Het heeft den lezer stellig reeds
getroffen, dat de Duitsche schrijver in den winter slechts het kille en naargeestige
weet te zien, terwijl Post juist in den aanhef van haar werk eene opgetogen
schildering van ‘'s winters buiten’, ontwerpt. ‘Maar zou de Natuur daarom thans alle
schoon missen? De gure, de woeste winter, is wel treurig, maar toch een grootsch
toneel van Gods alvermogen’ (br. 3). Bij Post heeft de romantische
natuurbeschouwing reeds haar intocht gedaan, en zij schrijft gaarne over alles wat
grootsch is: de met sneeuw bedekte velden, een nachtelijk onweer, de zee enz.
o
Hirschfeld geeft weliswaar de beschrijving van een onweder (n . 19), doch laat het
vooreerst
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
199
overdag plaats hebben. Verder geeft hij toe, dat het een verheven schouwspel is
en een waardig onderwerp voor poëzie en schilderkunst, doch, gaat hij voort:
‘Unterdessen ist ein grosser Theil der Menschen nicht fähig, die majestätische Scene
eines Donnerwetters zu empfinden, denn nur selten trift die Natur für ihre
Erscheinungen Sinnen an, die mit ihnen harmoniren’. Dit laatste zouden Post, Feith
en tutti quanti stellig niet met hem eens geweest zijn, en de aangehaalde zinsnede
toont duidelijk aan, dat ‘Das Landleben’ niet gelijk het ‘Het Land’ in de romantische
sfeer thuis hoort, doch in de pastorale, die een vroeger stadium vertegenwoordigt.
Gelijk echter reeds werd opgemerkt, is Hirschfeld realistisch- of Zwitsersch-pastoraal
en het heele werkje is eene verheerlijking van Zwitserland, dat hier in plaats treedt
o
van het aloud Arcadië. Een enkel citaat uit n . 15 zal dat duidelijk maken, het is of
hier Haller in proza aan het woord is: ‘Anmuthiger lacht die von Fruchtbäumen und
Schatten umschleierte Landhütte, oder das Badhaus an dem Rücken der Waldungen
und rauhen Felsstücke, die unabsehbar sich in den Wolken verliehren, und jeden
Blick mit einem neuen Entsetzen füllen; und indessen dass dort die Waldströme
ungestüm in einander stürzend in finster wiederhallende Abgründe hinabdonnern,
so locken hier stille Thäler, von lebendigen Bächen gewässert, und vom hohen Gras
geschwängert, das Auge zum ergötzenden Anschauen hin’. Zoo is de
natuurschildering hier overal. Bij Post is zij romantisch, of, waar ze dat niet is,
stereotyp-bucolisch in den trant van Gessner, zooals in het tooneel van br. 34: ‘Ik
zag in eene sombere diepte, een schoone bron voor mij, waar uit het helder water,
met eenen milden stroom, langs rotsagtige, met mos begroeide keiën, al spattende,
afliep in eene kleinen [sic] kom, wiens schuimend nat, langs grooter en breeder
vallen, in een beekje stortte, dat onder 't loof der overhangende struiken, zagtjes
murmelde in de diepte ...... Ter zijde van de bron, ging de grond met eene trotsche
steilte al hooger en hooger op; eene verzameling van eerwaardige boomen, van
grijze
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
200
eiken, rijzige abeelen, schaduwrijke linden en hooge populieren, rezen agter
elkanderen op, en vormden een schoon amphitheater’. Dit is een idyllisch tafereel.
Men ziet, van welke twee zijden Post hare natuurbeschouwing haalde: stellig niet
van Hirschfeld. Had zij dien ook hier willen volgen, dan zou zij een realistisch
geschilderd Holland hebben moeten geven. Doch daar wilde zij blijkbaar niet aan.
Dat de geheele opzet van Hirschfeld anders is, behoeft eigenlijk niet meer vermeld
te worden. Post maakt een roman in brieven met eene, zij het ook onbeholpen,
intrigue, Hirschfeld schrijft eenvoudig essays. Van meer belang is het, in verband
met de zooeven besproken natuurbeschouwing onzer twee auteurs, op te merken,
dat ook de praktische uitdrukking van het natuurgevoel anders is. Ook daarin is Post
moderner dan Hirschfeld. Laatstgenoemde schildert, zooals Thomson, Haller en
Ewald von Kleist het voor hem hadden gedaan. Hij is de natuurbeschouwer, die
zijne grootste vreugde in het schilderen der natuur vindt; dat toch had Breitinger tot
het wezen der kunst verklaard. Post daarentegen hangt eene nieuwere aesthetica
aan, die van Mendelssohn, Lessing, Riedel en Sulzer, zooals wij die uit Van Alphen
kennen; zij geeft niet meer eene navolging, doch eene voorstelling van de natuur,
zij is erop uit hare indrukken vast te leggen. Zij stelt zich niet meer tegenover de
natuur, doch plaatst zich er midden in. Daar nu hare natuurbeschouwing hetzij
romantisch, hetzij bucolisch is, worden de gegeven voorstellingen dat ook. Hiermede
is de oorzaak van het onnatuurlijke dier voorstellingen gegeven. Maar aan dit euvel
leed Post niet alleen; bij Feith zal men hetzelfde in nog sterker mate aantreffen.
Nu nog een tweetal punten van verschil, waar het de moraliseerende zijde onzer
twee geschriften betreft. Was Post in hare natuurbeschouwing veelal romantisch,
in haar innerlijk leven is zij sentimenteel. Na het Gidsartikel van Dr. Prinsen behoeft
daarover geen woord meer gezegd te worden. Men denke slechts aan de
vriendschap der heldinnen, aan de be-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
201
schrijving der begrafenis in br. 10, aan Emilia's smart over den dooden boom (br.
10), aan den dood van een boerenknaap (br. 14) en van Euphrozyne (br. 53), aan
Emilia's ongelukkige liefde (br. 30), aan het graf onder de treurwilg (br. 31). Gelijk
te verwachten is, zijn bij Hirschfeld nog geene sporen van dergelijke overgevoeligheid
te ontdekken; waar Post zich aan die liefhebberij overgeeft, kan zij zich Hirschfeld
niet tot voorbeeld gesteld hebben. Eénmaal haalt deze Young aan, doch eenvoudig
om eene karakterschildering weer te geven. De sentimentaliteit zou dan ook bij het
pastoraal karakter van ‘Das Landleben’ allerminst passen. Het is Hirschfeld er
uitsluitend om te doen, blijde gevoelens weer te geven, en waar bij hem het landvolk
o
optreedt (n . 21), geschiedt dat alleen opdat zij zich verheugen over de vrijheid der
Zwitsers en het geluk, dat hun de veldarbeid verschaft.
Het tweede verschijnsel, waarop gewezen moet worden, ligt dieper. Als moralist
is Hirschfeld volgeling van den Spectator en dus vóór alles introspectief. Van
Montaigne af is het essay in de eerste plaats zelfbeschouwend geweest, en ook bij
Hirschfeld treedt die eigenschap duidelijk in het licht. Hij trekt uit de natuur zedelessen
en houdt zich zelf de deugd voor. Vandaar dat andere menschen en de verhouding
tusschen de menschen onderling bij hem nauwelijks ter sprake komen. Waar anderen
in ‘Das Landleben’ optreden zijn ze vrijwel litteraire typen, geene met liefde
o
behandelde levende werkelijkheden. In n . 3 worden zes typen beschreven van
lieden, die het landleven niet weten te genieten: Crispil de vadzige, Axel de geldwolf,
Stargon de wellusteling, Anith de hartstochtelijke jager, Oront de dronkaard en Fulvia
de coquette (de twee laatste zijn aan Gessner resp. Young ontleend). Deze
beschrijvingen zijn niet anders dan beknopte ‘caractères’. Van de vrienden des
o
schrijvers (n . 15) wordt alleen een zekere Aspasio nader beschreven. Hij wandelt
als een tweede Montesquieu tusschen de hutten rond, bestudeert er de eenvoudige
zielen, die in hem een vader en leermeester gaan zien, doordat hij hen over allerlei
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
202
wetenswaardige zaken inlicht en ‘sucht unter socratischen Unterredungen ihren
Geist hervorzulocken’. Hoe dat echter in zijn werk gaat, vernemen we niet. Eindelijk
o
het landvolk zelf. Dit wordt ook zuiver stereotyp gegeven. In n . 21 bijvoorbeeld
hooren we van gelukkige herders, die den hemel tot getuige van hun vlijt maken en
haat noch zorgen kennen. Spel, scherts en vriendschap, gezang en hoorngeschal
korten hun tijd. Niet anders gaat het met de landbouwers in den oogsttijd. ‘Jeder
Tag hat seine Arbeit, zu welcher die Morgenröthe wekt, und mässige Früchte des
Feldes, und der Heerde, und ein Trunk, oft aus dem vorüberfliessenden Bache, oft
o
aus dem Weinbecher, stärken’ (n . 15). In dit alles is geen taal of teeken van den
modernen tijd te zien, het is zuiver Zwitserschpastoraal. Bovendien zijn zulke
passages slechts onderbrekingen van de natuurschildering en van de introspectieve
zelfbeschouwing. Hoe anders bij Post! Daar speelt juist de mensch in de natuur en
de verhouding tusschen de menschen onderling eene hoofdrol. Dat blijkt al uit den
vorm van het boek; immers de brieven dienen juist om anderen te laten optreden.
Maar hoevele personen worden bovendien door de heldinnen zelve ons voor oogen
gevoerd: Euphrozyne's moeder met hare zuster, en vooral het landvolk. Dit laatste
neemt bij Post eene geheel andere plaats in dan bij Hirschfeld. De oorzaak is weer
duidelijk: Hirschfeld gaat uit van de spectatoriale litteratuur, Post van de latere
1)
sentimenteele . Vandaar hare Rousseau-achtige opvatting over de
plattelandsbevolking. In br. 13 leidt zij ons binnen bij een boerengezin, welks
eenvoudige deugd niet enkel met algemeene termen beschreven wordt, doch tot
in bijzonderheden ontleed. In br. 37 ontmoeten we ook een welvarend gezin, dat
van Rijkaart, en leeren er allerlei huishoudelijke zaken kennen. Vroomhart is eene
oude vrouw, die in br. 38 optreedt. Zij zingt, met eene schorre stem, wijl zij God
dank-
1)
Met Hirschfeld's algemeene typen zijn te vergelijken de houthakker ‘met een vergenoegd
gelaat’ en de in een dikke pij gekleede herder bij Post (br. 6).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
203
baar is voor het weinige, dat ze bezit, en ook voor de toekomst op Gods hulp
vertrouwt. Dergelijke tafereeltjes, waarover hier niet langer uitgeweid kan worden,
toonen aan, dat wij bij Post in eene nieuwere periode zijn aangeland. De mensch
heeft zijne plaats in de natuur gekregen, de bucolische herder, die als individu niet
te karakteriseeren is, heeft plaats gemaakt voor den deugdzamen landman der
sentimenteele geschriften.
Tot dusverre moest blijken, dat Post eenerzijds de algemeene gedachte voor
haar werk aan Hirschfeld ontleende, anderzijds te modern was, om zich geheel en
al bij hem aan te sluiten. Om te toonen, hoezeer Post ook in de uitwerking van haar
plan onder invloed van Hirschfeld werkte, volgt thans eene reeks parallellen in
bijzonderheden, die, zoo zij niet volledig mocht zijn, dan toch zeker het voornaamste
bevat. Men bedenke daarbij, dat het natuurlijk heel iets anders is voor een
achttiende-eeuwsch geschrift aan te toonen, dat de eene schrijver den anderen
nawerkt, dan voor een middeleeuwsch of zelfs een zeventiende-eeuwsch. Van
onmiddellijk overnemen is geen sprake, het blijft bij ideeën en voorstellingen, en de
uitwerking ervan is zelfstandig. Daardoor blijft de bewijsvoering altijd eenigszins
vaag. Gelukkig is die vaagheid in dit geval niet zoo heel erg. Na hetgeen nog volgt
en het voorafgaande, zal niemand meer betwijfelen, of Post heeft onder invloed van
Hirschfeld geschreven. Het gaat om bepaalde verschijnselen in de beschrijving van
het buitenleven, die beiden gemeen hebben, en die door hunne veelheid op iets
anders dan toeval wijzen. Somtijds zal de invloed van Hirschfeld het duidelijkst
blijken, wanneer enkele passages uit beide werken naast elkander afgedrukt worden.
De schildering van de bloemen.
o
Hirschfeld n . 8: ‘Welcher Reichthum,
welche Pracht hier in den Tulpen, und
welche Feinheit in den Nelcken, die bald
erscheinen werden! Die unnachahmliche
Mischung der Farben, die Harmonie, die
Mah-
Post br. 6: “Hoe stond ik verwonderd, nu
ik hier niet alleen plantjes en blaadjes
vond: maar zelfs nette bloempjes, op
hunne steeltjes zag pronken; deze
vertoonden open kelkjes; geene een
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
204
lerei, die Auszackung der Blätter, der
weiche Sammet, der leichte Duft, der auf
ihnen ruht, der ganze kunstreiche Bau
der Blumen, - wie viele abwechselnde
Belustigungen für das Auge!”
zonnebloem; een ander een krullelie met
roode, uitstekende knopjes; weer een
ander soort hing, met een lossen zwier,
als linten aan de boomen; - O! hoe
bekoorde mij dit eenvoudig schoon!’
Dergelijke parallellen zouden bij tientallen aan te halen zijn.
De eerste lentedag.
o
Hirschfeld n . 1. De lente is gekomen, bergen, wouden en kudden verkondigen
haren lof, de bloemen ontluiken. Nog éénmaal echter valt hagel en sneeuw, de
koude drijft de vogels naar hunne winterverblijven terug. Dan wint het voorjaar
voorgoed. Bij Post evenzoo, vgl. br. 15, 16, 17, 22, 23; nadat Emilia in br. 15 gejuicht
heeft over de eerste voorjaarsteekenen, blijkt in br. 16, dat die nog niet duurzaam
waren, totdat in br. 17 het voorgoed lente is. Hier is alles veel uitvoeriger behandeld.
Men lette op de ziekte en genezing der moeder van Euphrozyne (br. 18, 20, 21),
die hier symbolisch naast de inzinking en herleving der natuur geplaatst worden.
Dit is weer oorspronkelijk bij Post: de mensch in de natuur.
Een vèrgezicht.
o
In n . 8 schrijft Hirschfeld, hoe hij voor de deur zijner woning zit en het ruime
landschap overziet. Hij geniet van de verscheidenheid der dingen: het vriendelijk
dal met den zilveren stroom door beboschte bergen omgeven, de lichte wolkjes,
die een spel van licht en schaduw teweegbrengen, het vee met zijne herders in de
weiden, de zwaluw in de lucht, de bedauwde bloemen en blâren overal. Vgl. Post
br. 26, waar zij van een heuveltop uitziet over weiden en akkers, over een slingerend
dal met breede rivier, waarachter bosschen, over kudden van koeien en schapen
enz. enz.
Zonsopgang en zonsondergang.
o
In n . 10 schildert Hirschfeld achtereenvolgens het verschijnen en het verdwijnen
van de zon. Post beschouwt dienover-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
205
eenkomstig beide als onmisbare elementen van het buitenleven en wijdt er br. 29
en 33 aan. Ter toelichting een enkel citaat.
o
Hirschfeld n . 10. ‘Der ganze Ost
entflammet sich; der Himmel glänzt von
einem zitternden Lichte; die Stirnen der
Berge glühen! über dem gewölbten
Walde zerfliesst eine liebliche Röthe; und
weit umher schwimmen schon die Gefilde
in einer güldenen Heiterkeit. Endlich
erhebt sich dort die Sonne über den
Horizont herauf, ein wallendes Meer von
Feuer. Ihre Stralen umleuchten alles; die
weite Schöpfung fühlt ihre Gegenwart’.
Post br. 33. ‘Toen zagen wij haar in volle
majesteit, hare verblindende stralen
verspreiden. Een vrolijke glans bedekte
de toppen der bergen, en het naast ons
liggend bosch! De dalen lachten op hare
komst, en nauwelijks was zij verrezen,
of een milde daauw ging van het veld op:
- de droppelen schudden op de struiken;
en schenen, toen de Zon ze bestraalde
zo vele gloeijende diamanten! - De
geheele natuur was leven en vreugde,
Emilia was louter gevoel’.
Nachtelijke stilte.
o
Hirschfeld handelt in n . 23 van den vrede, dien we 's nachts bij het schijnsel van
de maan genieten kunnen, en van de stille gepeinzen, die de nachtelijke natuur
wekt; in dit verband herinnert hij zich een gesprek, dat hij bij zulk eene gelegenheid
met zijne gastvrouw had. Ook Post houdt veel van nachtelijke gedachtenwisseling,
vooral in de vrije natuur; br. 31 en 36 geven zoo'n gesprek tusschen de twee
vriendinnen weer.
o
Hirschfeld n . 10. ‘So erhob der Mond
sein Haupt hinter dem dunkeln Wald
hervor, und indem er die Spitzen der
Berge umher, und die eilende Fluth der
Aare versilberte, so stieg er feierlich
langsam am blauen Himmel hinauf, wo
kein Wölkchen die tiefe Heiterkeit trübte.
Die Munterkeit unserer Unterredung ward
durch das Gefühl so vieler Reitzungen
unterhalten, und durch die Einsamkeit
gestärkt’.
Post br. 31. ‘de halfverlichte maan stond,
met eene stille majesteit, in de helder
blaauwe lucht, haar kwijnend licht gaf
eene zagte vrolijkheid aan de geheele
natuur; zij spiegelde zig in 't beekje, waar
langs wij traden; en daarze door de
bevende bladeren henen scheen, vormde
zij verscheidene vreemde en dikwijls
veranderde schijnsels, op de stille
eenzame paadjens. Wij zongen een
liedje aan de Maan, zo ik geloof uit haar
[= Emilia's?] eigen hart geboren’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
206
Het onweer.
o
Hirschfeld (n . 19) en Post (br. 42) wijden beiden een hoofdstuk aan het onweer,
ofschoon de eerste het overdag, de laatste des nachts laat plaats hebben. Beiden
geraken ook tot dezelfde moraal: een onweer mag ons nooit bevreesd maken, want
God is gerecht. De beschrijving, die te lang is om haar geheel aan te halen, stemt
tot in onderdeelen overeen. Een enkele zin ter illustratie.
o
Hirschfeld n . 19. ‘Auf einmal scheint sich
das ganze Gewölbe des Himmels zu
zerreissen; ein schreckliches Krachen
füllet den weiten Luftraum, die Erde bebt,
und alle Echo in den Gebürgen werden
erregt’.
Post br. 42. ‘De eene klaterende
donderslag, die een gantsch einde
voortrolde, en de lucht scheen te
scheuren, werd door eenen brommenden
en stootenden slag, uit de andere vlaag
beantwoord; en de geheele lucht scheen
een echo, die de ontzettende klanken
nagalmde’.
De herfst.
Bij Post speelt de herfst een belangrijker rol dan bij Hirschfeld. Reeds werd dit
verklaard als een gevolg van de Zwitsersch-pastorale opvatting van den laatste
tegenover de romantische sentimentaliteit van Post. Vandaar dat Hirschfeld slechts
o
even over den herfst spreekt (n . 24) en als eenig lichtpunt den wijnoogst vermeldt.
Post behandelt den herfst in br. 41, 45, 47, 49 en laat er zich door verleiden tot de
smelterigste gevoelens; de wijngaard (br. 45) komt daarbij slechts even ter sprake
en dient tot uitgangspunt voor godsdienstige gedachten.
De winter.
Ook hier is Post uitvoeriger. Hirschfeld ziet van den winter slechts het weemoedige
o
en troostelooze (n . 24), alleen de herinneringen aan en de hoop op beter dagen
kunnen daartegen helpen. Nu blijkt uit de op bl. 186 aangehaalde necrologie, dat
hij ook een werkje ‘Der Winter’ geschreven moet hebben, hetwelk daar om zijne
opvoedende waarde aan de Duitsche jeugd aanbevolen wordt. Ik heb dat boekje
niet kunnen opsporen, maar vermoed, dat hij daar toch wel niet het omgekeerde
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
207
zal verkondigen van wat ‘Das Landleben’ over den winter zegt. Vermoedelijk bevat
het wijsgeerige bespiegelingen over de vergankelijkheid van al het aardsche. Br.
51 van Post over den winter is ook wel weemoedig en aan herinneringen gewijd,
maar daartegenover staan de inleidende brieven van Emilia (3, 4, 6, 8, 10), die alle
op het schoone, hoopvolle van den winter wijzen. Die bevatten dus eene zelfstandige
uitbreiding van Post in modernen zin. Vgl. het naar aanleiding van het onweer
opgemerkte.
De vergankelijkheid van het aardsche.
Zoowel bij Post als bij Hirschfeld wekt het afsterven der natuur gedachten over de
o
vergankelijkheid. Zie ‘Das Landleben’ n . 24, ‘Het Land’ br. 44, 51. Bij Post is dat
alles veel uitgebreider, sentimenteeler, religieuzer. Immers de broosheid van het
aardsch geluk is weliswaar bij Post, doch niet bij Hirschfeld de eerste zedelijke
gevolgtrekking, die uit het afsterven der natuur gemaakt wordt. Bij Hirschfeld gaat
de philosophische gedachte voor: geniet zoolang er te genieten is! Bij Post is dus
de uitwerking zelfstandig, al heeft ze den overgang van de natuur op 's menschen
wezen met Hirschfeld gemeen.
Medegevoel voor het lijden der dieren.
Reeds werd op bl. 14 erop gewezen, hoe Hirschfeld en Post hetzelfde standpunt
schijnen in te nemen tegenover het lijden van dieren bij drijfjachten. Dienaangaande
o
zijn te vergelijken Hirschfeld n . 22 en Post br. 50.
Belangstelling voor insecten.
Ook op dit punt werd t.a.p. de aandacht gevestigd. Volgens achttiende-eeuwsche
gewoonte verheugt geene diersoort zich meer in de belangstelling onzer beide
schrijvers dan de gekorven dieren. In bijzonderheden treft hier evenwel geene
overeenkomst.
Huiselijke bezigheden.
Het grootste genot zoowel voor Post als voor Hirschfeld is naast de zorg voor planten
en dieren de lectuur, die tot eigen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
208
overpeinzingen leidt. Wanneer Emilia hare huiselijke plichten vervuld heeft, leest
zij God's Woord, werken over natuurkunde en historie, romans van Richardson en
Hermes (br. 4), gedichten van Sluiter, Betje Wolff, Gellert, Gessner, Cronegk, E.
von Kleist, Klopstock (br. 23, 24, 31) en anderen. Hirschfeld behandelt de lectuur
weliswaar niet zoo uitvoerig, doch leest ook veel; behalve de klassieken citeert hij
bij voorkeur Uz, Hagedorn, Gessner, Haller, Kleist, Wieland en Klopstock. Bovendien
o
wordt in de natuur, volgens Hirschfeld, zoo menig mensch tot dichter (n . 16), en
evenzoo schrijft Euphrozyne van hare vriendin, dat de natuur haar tot dichter maakt.
Getuigen daarvan zijn de gedichten van Emilia, die haar van tijd tot tijd invallen (br.
31 ‘Aan de Maan’, br. 50 ‘De afgaande Herfst’), evenals ook over Euphrozyne de
dichtgeest vaardig wordt, wanneer zij de zee voor zich ziet (br. 48). Een niet minder
groot genoegen dan de poëzie levert 's avonds buiten de muziek. Emilia zet zich
dan bij voorkeur aan het klavier of grijpt de dwarsfluit; soms zingt zij, alleen of met
Euphrozyne, een lied, hetzij van A. van den Berg (br. 29), hetzij van Gellert (br. 13).
o
Evenzoo hoort Hirschfeld (n . 10) ‘Chloens Stimme, die, den Abend zu verschönern,
ein Lied von Gleim und Hagedorn und Weisse zum Clavier singt, und über ihre
süssen Melodien die einschlagende Nachtigal eifersüchtig macht’. De grondslag
van dergelijke genoegens is de bij beiden aanwezige overtuiging: de kunsten zijn
uit de natuur ontstaan, en derhalve ook alleen in de natuur ten volle te genieten.
e
Hirschfeld heeft daaraan het heele 16 vertoog gewijd; Post is in dit opzicht minder
theoretisch.
Het stadsleven.
Er bestaat eene zekere overeenstemming tusschen de voorstelling van het leven,
dat men niet moet leiden, bij Hirschfeld en Post. Eerstgenoemde schildert dat leven
o
weliswaar niet in de stad, doch kiest in n . 3 een zestal typen, die ofschoon ze een
buitenverblijf bezitten, daarvan niet weten te genieten. Tot die typen behooren o.a.
de vadzige Crispil, de gierige Axel,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
209
de coquette Fulvia e.a., die het merk van hun oorsprong uit het karakterschilderend
essay duidelijk op het voorhoofd dragen. Niet anders is het bij Post gesteld met de
eerste brieven van Euphrozyne, die het stadsleven belachelijk moeten maken. In
br. 5 treedt een behaagziek meisje op, dat uren lang aan haar toilet zit en niet
bedenkt, dat dit ijdel gedoe in strijd is met de voorschriften van rede en godsdienst.
Br. 7 beschrijft een rondrijdend bezoeken-brenger met zijne lage vleitaal en
onnatuurlijke gesprekken, en vervolgens een aanzienlijk diner, waar de meest
belachelijke en onbeduidende gasten aanzitten. De typeering van Post is veel
uitvoeriger dan die van Hirschfeld en is ook stellig niet daaraan ontleend, zooals
met de natuurbeschrijving ten deele wèl het geval is. De schets van dit gastmaal
bijv. is veel nader verwant aan die, welke De Lannoy gegeven heeft, dan aan Oront's
slemppartij bij Hirschfeld. Maar voor zoover het 't aanbrengen van zulk eene
tegenstelling betreft, kan ook hier verwantschap tusschen onze twee auteurs bestaan.
Het is natuurlijk niet de bedoeling, dat aan ieder der genoemde punten overtuigende
bewijskracht toegekend zal worden. Enkele ervan spreken zeer sterk voor het
aannemen van litterair verband tusschen beide werken en met elkander leveren zij
het afdoend bewijs, dat Post van Hirschfeld's geschrift een dankbaar gebruik gemaakt
moet hebben. Blijkt uit hare eigen woorden in br. 24 reeds, dat zij Hirschfeld gelezen
heeft, een nadere vergelijking van ‘Het Land’ met ‘Das Landleben’ toont aan, dat
zij hem ook heel goed gelezen moet hebben. En al bevat hare verklaring, dat zij
Hirschfeld niet kon navolgen de waarheid, zij heeft er desniettemin eene poging toe
gedaan. De algemeene gedachten van Hirschfeld en Post zijn dezelfde, en in tal
van ondergeschikte punten heerscht overeenstemming. Wie na dat alles nog niet
gelooven wil, dat er meer dan een psychologische, namelijk een historische,
samenhang tusschen den Duitschen tuinbouwkunstenaar en de Nederlandsche
romanschrijfster bestaan moet, zal het best doen de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
210
beide werken na elkaar door te lezen en zich door die lectuur ongetwijfeld laten
bekeeren. Men zal echter ook zonder dat gaarne toegeven, dat het vermoeden, als
zou Post onder invloed van Hirschfeld gewerkt hebben, gerust in eene zekerheid
mag overgaan. Waarmede dan eene nieuwe verbindende vezel tusschen onze
achttiende-eeuwsche letterkunde en de Duitsche aan het licht is gebracht.
Bonn.
A.G. VAN HAMEL.
[Kleine mededeelingen]
56. Een Engelsch lied ‘Van den hazelaar’.
Op de merkwaardige, ongetwijfeld middeleeuwsche, samenspraak tusschen een
jong meisje en een hazelaar heb ik indertijd de aandacht gevestigd in H e t L i e d
i n d e M i d d e l e e u w e n blz. 350-2. (Vgl. ook Van Duyse's H e t o u d e N e d e r l .
L i e d I, 725). Als bijdrage tot onze geringe kennis der letterkundige betrekkingen
tusschen Engeland en deze landen gedurende de middeleeuwen deel ik mede, dat
Ritson's bundel A n c i e n t S o n g s a n d b a l l a d s (II, 44) A m e r y b a l l e t o f
t h e h a t h o r n e t r e bevat, die veel overeenkomst toont met het Nederlandsch
lied, al is er in de onderdeelen vrij wat verschil. Dat het Nederlandsch van een
‘hazelaar’, het Engelsch van een ‘hathorne tre’ spreekt, heeft beteekenis vooral voor
de kennis van het middeleeuwsch volksgeloof.
G. KALFF.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
211
1)
Rob, rop.
Een bevredigende verklaring van dit woord, dat ‘vischmaag’ beteekent en in beide
bovengenoemde vormen voorkomt, is, voor zoover mij bekend, nog niet gegeven.
‘Alleen in 't Nnl., van onbekende herkomst’ leest men in Franck. Hoe agnostisch
deze uitspraak ook zij, het is zeker beter zich zoo voorzichtig uit te laten dan op
beslisten toon een onaannemelijke etymologie te geven zooals Vercouillie doet, die
het woord laat komen ‘uit Fr. robe = kleed, huid, zelf ontleend aan Hgd. raub’. Van
Wijk in zijn nieuwe bewerking van Franck doet een aantal mogelijke verwanten van
rob aan de hand, maar zegt er ten slotte van: ‘Alles zeer onzeker’.
Wat de zuiver Nederlandsche zijde van het woord betreft, verschilt laatstgenoemd
artikel in twee opzichten van dat in den eersten druk. De daar genoemde vorm rop
wordt hier gemist; daartegenover staat, dat hier een terminus a quo vastgesteld
wordt: ‘sedert Winschooten, 1681’.
In beide vormen komt het woord echter vroeger voor. Het Uitlegk. Wdb. op Hooft
geeft behalve een plaats uit Hooft (Ned. Hist. 337: rob) aanhalingen uit Cats (1, 590:
mv. roppen), Bredero (Lucelle: rop), Pers (Jonas 24: rop). Oudemans ver-
1)
o
Het is naar aanleiding van de Kleine mededeeling n . 54 van de hand van prof. Kern, dat ik
dit artikel aan de redactie van dit tijdschrift aanbied. Reeds eenige jaren had ik het in
de
o
portefeuille als de uitwerking van de 17 stelling van mijn dissertatie (a . 1907): ‘Nederlandsch
rob (vischmaag), waarvan Franck zegt: “alleen in 't Nnl., van onbekende herkomst” is een
Oudgermaansch woord’. Waar door de mededeeling van prof. Kern de aandacht der lezers
van dit tijdschrift op dit woord is gevallen, kwam het mij niet ondienstig voor mijn artikel alsnog
in te zenden. De plaats uit de Houtman (vorm: rop) kende ik niet, die uit de Marees had ik uit
de oorspronkelijke editie opgeteekend, waar de vorm roppe staat en niet robbe (zooals prof.
Kern uit de editie Naber citeert); verg. het mv. roppen in de door mij aangehaalde tweede
plaats uit datzelfde werk. Zooals men zal bemerken, wijk ik van prof. Kern's meening, dat rop
een fonetische spelling is voor rob, af.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
212
meldt Jan Zoet (Olympias 49: rop) en Oudaan (Poëzy 4, 20: rop), terwijl in diens
Wdb. op Bredero staat genoemd een citaat uit Moortje: ‘Schiet inje rop, prop inje
darmen’.
Hier, zooals ook in Lucelle, bij Jan Zoet en Oudaan wordt het woord gebezigd
voor ‘maag’ in het algemeen, bepaaldelijk een ‘gulzige maag’. Het ligt voor de hand
te meenen, dat deze beteekenis zich heeft ontwikkeld uit die van ‘vischmaag, maag
van groote visschen’. Met name wordt de maag van den walvisch, waar Jonas in
zat, meer dan eens zoo genoemd. Behalve op het citaat uit Pers kan ik hier wijzen
op een regel in het gedicht: Jona in den Visch, van Fr. van Dorp (in diens Stichtelijke
o
Gedichten, 305, a . 1679): ‘Zou God mij in den rop, en in de holle darmen Van dit
woest Zeegedrocht wel sien?’ Weiland, die dezen regel aanhaalt, schrijft minder
nauwkeurig rob, waar het oorspronkelijke rop heeft.
de
Zooals men ziet, is het woord zoowel in de eerste als tweede helft der 17 eeuw
zeer gewoon geweest, ja, indien men een onvoorwaardelijk vertrouwen stellen mag
in Hooft, dan zou blijkens de plaats uit de Ned. Hist. het reeds in het jaar 1573 in
den mond genomen zijn door den door de Spanjaarden gevangen burgemeester
van Haarlem Kies, die zich over de gevangenneming van Bossu na den slag op de
Zuiderzee aldus in bedekte termen uitliet: ‘Daar was een kabbeljauw gevangen, en
zyn rob wel hondertduizent gulden waardt’. Vindt men het echter vooralsnog
de
voorzichtiger, waar er geen andere bewijsplaatsen uit de 16 eeuw zijn gevonden,
het woord aan Hooft zelf toe te schrijven, dan komen de beide oudste plaatsen, die
door mij zijn aangetroffen, voor in de Beschrijvinghe ende Historische Verhael vant
o
Gout Koninckrijck van Guinea door de Marees (a . 1602), waar men op blz. 68b
(‘Vanden Bonites’) leest: ‘Wy vonden altijdt veel vlieghende visch in hun maghe of
roppe’ en op blz. 69a: ‘Hy (de haai) is so gulsich, dat so wanneer hy honger heeft,
hy het al sal in slicken dat hem gemoet, ende siet gheen dinghen aen, of sijn Maegh
'tselve can verteeren of niet, want men heefter ghevangen daermen in hun
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
213
roppen heeft gevonden een hou-mes met eenen yseren hoeck, ende een koeyen
hooren’.
de
Dat het woord in de 16 eeuw echter ook bekend moet zijn geweest, blijkt, dunkt
mij, wel nergens overtuigender uit dan uit het feit, dat het reeds in de middeleeuwen
de
is aangewezen. ‘Zonder twijfel verwant’ met het hier behandelde 17 eeuwsche
rop is volgens Verdam ‘het R.v. Nederst. 1, 46, 102 voorkomende rop(pe), d.i.
ingewanden van dieren, misschien ook alleen van visschen, vischgrom: dat elc
ygelic zijn roppen, ingedoemt off vulen visch terstont ... buten der nyen stad brengen
sel ende graven’ (Mnl. Wdb. VI, 1622). Ik geloof niet, dat iemand tegen deze
verwantschap met reden bezwaar kan maken; ik voor mij meen hier nog verder te
mogen gaan en gerust te mogen zeggen, dat hier niet alleen van verwantschap,
maar van volkomen identiteit sprake is.
Behalve den ouderdom is het middeleeuwsche citaat nog in twee andere opzichten
voor ons van belang. Allereerst om den vorm roppe, zooals het enkelvoud
ongetwijfeld geluid zal hebben, daar het blijkens een der bovengenoemde
aanhalingen nog in 1602 aldus voorkomt. Uit roppe is dan rop ontstaan. Dezen vorm
de
rop (mv. roppen) hebben al de vermelde 17 eeuwsche plaatsen met uitzondering
van Hooft en Winschooten. Vermoedelijk is rob (robbe) een uit het Friesch afkomstige
wisselvorm van roppe, rop, die de beide genoemde Amsterdamsche schrijvers
gewoner was dan de Hollandsche vorm. Het Friesch immers kent robbe in den zin
van: ‘maag, lijf, vooral gebruikt van visch’ (Friesch Wdb.), b.v. ‘de robbe fen in
kabeljau’ (ook bij Hooft was sprake van de rob van een kabeljauw). Uit de in het
volgende aangewezen verwantschap buiten het Nederlandsche taalgebied blijkt
voor het overige de oudheid van den vorm rop(pe) duidelijk.
In de tweede plaats wat betreft de beteekenis: ‘ingewanden van dieren of van
visschen.’ Dat de beteekenissen ‘maag’ en ‘ingewanden, darmen’ heel dicht naast
elkaar liggen, behoeft geen betoog; het blijkt ten overvloede uit twee der bovenge-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
214
noemde aanhalingen (Bredero, Moortje en Fr. v. Dorp), waar rop en ‘darmen’ in één
adem genoemd worden; verg. ook Winschooten, Seeman 73: ‘Groom, of grom,
vuiligheid, die in de rob, of liever, darmen van de Vissen sit.’
Roppe, rop, ‘ingewanden, darmen’ treft men ook buiten het Nederlandsche
taalgebied aan. Wright in zijn English Dialect Dictionary vermeldt: ‘Ropp. Bowels,
intestines; gen. of animals and birds’. Dit in verschillende streken van Engeland
gebruikelijke ropp gaat terug op Ags. ropp, ‘colon, intestine’ (Sweet), mv. roppas,
‘the bowels, inwards, entrails, the raps’ (Bosworth, Compendious Dictionary); verg.
ook de samenstelling ropweorc, ‘pain in the bowels, the colic’ (Bosworth).
Hiermede meen ik voldoende te hebben aangetoond, dat ndl. rob, rop ‘vischmaag’
een woord is van Oudgermaanschen oorsprong.
Leiden.
R. VAN DER MEULEN.
Mnl. toelgen, toillien, thoillien.
Tot de koopwaren, die de met rijke lading bevrachte schepen van heinde en ver
naar de wijdvermaarde Hanzestad Brugge brachten, behoorde ook een artikel, dat
in de stukken den naam draagt van toelgen, toillien of thoillien. De bewijsplaatsen,
welke men in het Mnl. Wdb. op T o e l g e of T o i l l i e bijeenverzameld vindt, zijn de
volgende: ‘Centenum piscium qui dicuntur thoillien’, Inventaire des Archives de
Bruges 2, 198. ‘Rochen of toelgen of hayen een d. par.’, Zeeuwsch-Vlaamsche
Bijdr. 5, 48 (Reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin,
van den jare 1252, ontdekt in de archieven van Sluis). ‘Een hondert rochen of toelgen
1 d.’, Als voren, 37 (onder het opschrift: ‘Van alrande vissche’). ‘Van elken vate
oliën, toillien ende sardeynsmoute, van den vate 12 d. sterlinges’, Hanseatisches
Urkundenbuch 1, 158.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
215
Als beteekenis geeft het Mnl. Wdb. op T o e l g e : ‘Naam van een zeevisch ....
Waarschijnlijk bereidde men er traan uit’ en op T o i l l i e leest men: ‘Waarschijnlijk
hetzelfde woord als t o e l g e .... Op de volgende plaats (bedoeld is de aanhaling
uit het Hanseatisches Urkundenbuch) heeft het blijkbaar de bet. traan’. De juistheid
van deze laatste opmerking kan, dunkt mij, op goede gronden betwijfeld worden.
Waarom moet het woord hier een andere beteekenis hebben dan in de andere
aanhalingen? Zou toillien hier niet bij -smoute behooren en de juiste lezing niet
veeleer zijn: toillien- ende sardeynsmoute d.i. dus: vet, smeer of traan van de toillien?
Zie verder aan het slot van dit artikel.
Wat de herkomst van het woord betreft, wordt het in het Mnl. Wdb. met een
vraagteeken afgeleid van ofra. touille en voorts dezelfde gissing geopperd, die door
van Dale in de Zeeuwsch-Vlaamsche Bijdr. 5, 112 ten beste gegeven werd:
1)
‘Misschien hetzelfde als fra. touille-boeuf, eene soort van haai’ .
Het komt mij voor, dat de oplossing in een andere richting gezocht moet worden.
De toelgen, toillien, thoillien werden blijkbaar om hun vet, smeer of traan gevangen
en de veronderstelling is, dunkt mij, niet gewaagd, dat zij uit Noordelijke gewesten
afkomstig waren. Ligt het nu in dit verband niet meer voor de hand hier te denken
aan het Russische woord voor: zeehond of rob t.w. tjoelén'?
Dat de zeehond een visch wordt genoemd, behoeft hier allerminst een bezwaar
te zijn. Meer dan drie eeuwen later schreef de Engelschman Fletcher in het derde
hoofdstuk van zijn werk ‘Of the Rvsse Common Wealth’ (Londen 1591) over ‘The
native commodities of the countrie’. Hij komt daarbij natuurlijk ook te spreken over
2)
de traan en doet dat in de volgende bewoordingen : ‘An other very great and
principall
1)
2)
Littré heeft op T o u i l l e : ‘Un des noms du requin’; en op R e q u i n : ‘Gros poisson de mer
très vorace, du genre des squales ou chiens de mer’. Op T o u i l l e - b o e u f leest men:
‘Espèce de chien de mer’. De definities zijn vrij vaag.
Volgens de uitgave der Hackluyt Society (1856).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
216
commoditie is their trane oyle, drawen out of the s e a l f i s h ’ en bij zijn beschrijving
over de robbenjacht leest men in margine: ‘The manner of hunting the s e a l f i s h ’.
Uit het Russische Noorden, het gebied der beroemde handelsstad Nowgorod,
waar de Hanze een bloeiende factorij had, kwamen meer waren in Brugge; enkele
daarvan brachten soms haar vreemden Russischen naam mede; verg. het art.
sten
L o e s c h in den 32
jaargang van dit tijdschrift.
Indien toelgen, toillien, thoillien ontleend is aan Russ. tjoelén': ‘zeehond, rob’, dan
beteekent thoilliensmout volkomen hetzelfde als het zuiver Middelnederlandsche
saelsmout: ‘zeehondenvet, traan’, dat in dezelfde bronnenpublicaties van den
Brugschen handel voorkomt.
En verder zoude er uit volgen, dat de n van het woord geen meervouds-n is, maar
een onafscheidelijk bestanddeel, dat er dus ook in het enkelvoud toe behoort.
Misschien treft men dit enkelvoud aan in de aanhaling uit den Inventaire des archives
de Bruges 2, 198: ‘Centenum piscium qui dicuntur thoillien’. In de overige citaten
wordt het woord blijkbaar als een meervoud opgevat, hetgeen wegens zijn vreemde
afkomst geenszins onbegrijpelijk is.
Leiden.
R. VAN DER MEULEN.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
217
1)
Etymologische aanteekeningen .
IEDER. De bevreemdende î < ie was in 't mnd., als men mag afgaan op de vrb. in 't
Mnd. Wb., de normale klank. Te vergelijken is ald. imant naast iemant, iummant
e.a. vormen. Ook Hooft, Breero, Cats hebben, hoewel niet uitsluitend, yder; bij den
laatste is de wel eens onderstelde fri. oorsprong weinig aannemelijk. Voor zoover
de spelling een conclusie toelaat, schijnt ij te zijn gezegd in Haarlem, Amsterdam,
Utrecht; z. Nl. Wb. Hiermee stemt gron. ieder (ie als in 't ndl.) en (sa.) oostfri. îder
overeen. Ook in mnl. iegelijc, mnd. iegelik, ielik wisselt ie met î. Misschien is de ie
van iegelijc aan de volgende î geassimileerd; dan kon îgelijc naast ieg. veroorzaken,
dat naast het syn. ieder opkwam îder. Vgl. iegelijk.
IEGELIJK. Z. ieder. Daar de voc. der eerste syllabe onderhevig was aan de wisseling
ie: î, zoodat het taalgevoel minder vast was, bestond er niet veel weerstand tegen
het opkomen van een derden vorm, nl. egelijc. Ook deze kan door assim. ontstaan
zijn: een iegelijk > een eg. Beide verklaringen steunen elkander.
IJVER. Vanouds kan îver inheemsch zijn, indien men meegaat met Noreen Abriss
p. 46 (: nhd. geifern, ags. ʒ-ífre, ‘gierig’, oijsl. g-ífr ‘heks’). Voor die opvatting, althans
tegen ontleening, spreekt ook Wangeroogsch îvêr (sic!) f. en n. ‘Eifer’ - te meer daar
het in genus van het du. verschilt -, refl. îver ‘sich ereifern’, refl. farîver ‘zich
overwerken’; Cad. Müller iversinnig (andere hss. iferig) ‘hastig, zornig’. - Ouder nnl.
1)
Zie Tijdschr. XXXIII, 143-149; XXXIV, 1-22.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
218
aver ‘naar, akelig’ is door 't Nl. Wb., als oorspr. fri., gelijkgesteld met ags. áfor enz.
IJZEN. De gebruikelijke verklaring der ij uit ijs is gezocht; veeleer is te denken aan
invloed van het syn. mnl. grîsen, met verwanten, onder welke grîselijc en afgrîselijc
tevens uit eiselijc deden worden îselijc. Met ei nog zuidwest. fri. eigensk, egensk
‘vreeselijk, schrikkelijk’. N. Brab. (Zeeland, Uden; z. Onze Volkstaal 1) ēizen, èiselik,
blijkens uitspraak der tweeklanken beantw. aan ndl. ei-vormen. In Bommelerwaardsch
ês m. ‘ijselijkheid’, êṡələk, ‘ijselijk’ leven de parallelvormen zoowel van os. egiso m.
als van os. egislîk. Hierbij dial. eisch adj., z. Molema aisk, waarbij nog Uddel (Taalgids
6, 138) aisk ‘walgelijk’ en ndd. vormen (z. Berghaus aisaftig, aisch enz., ook ww.
aisen, esen).
IK. Mnl. nnl. nwfri. bij geïsoleerd gebruik ook ikke (blijkens een plaats in het Mnl.
Wb. ook wel eens vóór het ww.). Dit herinnert aan ohd. ih(c)ha ‘egomet’, dat verklaard
wordt uit ogm. *eka, waaruit ook on. vormen als ozwe. iak, iaek, ode. jak, jag enz.,
ook reeds jeg, runisch encl. -ka (hoewel men in den ohd. vorm ook wel ih + â ziet,
waarvoor ik geen parallel ken). Als voortzetting hiervan zou men eke verwachten,
maar dit kon door invloed van het veel gewoner ik licht zijn voc. wijzigen en moest
dan ikke worden geschreven. - Over îk z. ben. in.
IN. Rekking als in hd. ein < în hebben Westerkwartier enz. ien (waarnaast geen
in), nwfri. yn, Wangeroog (naast in ‘in’) în ‘thuis; in het schip’, Helgoland enz. īn ‘ein,
herein’ en in comp. met verba. Ogm. zal de rekking evenmin wezen als bij ik (dial.
3
hd. eich, îch enz.; z. Behaghel § 144 in Grundr. en Johansson Bezz. Beitr. 16, 169;
2
over fri. îk Siebs Grundr. I, 1351).
INWILLIGEN zal wel van wil komen zooals steenigen van steen; vgl. oostmnl.
(be)willigen ‘inw.’ met ohd. wil(le)on ‘genegen zijn’ (en ‘begeeren, verheugen’); in
de bet. ‘overhalen, ergens toe krijgen’ zal oostmnl. (be)willigen wel van willig zijn af
te leiden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
219
JAAR. Afl. van den wortel jê- ‘gaan’ is aannemelijk: zooals bij de ontwikkeling der
bet. van maal, welke zich van ‘tijd’ tot ‘maaltijd’ over ‘etenstijd’ moet hebben
voltrokken, de natuurlijkheid der tweede beteekeniswijziging hieruit blijkt, dat zelfs
het verduidelijkend maaltijd er niet voor beveiligd bleef weer, = maal, ‘eten’ te worden,
zoo wordt genoemde afl. van jaar sterk gesteund door dezelfde ontwikkeling bij
jaargang.
e
JAARMAAL 2 in Nl. Wb. De juiste bet. blijkt uit Van Halsema (18 -eeuwsch gron.)
jaarmalen ‘huirjaren’. Maal is hier een afmeting in den tijd, zooals in mnl. vingermael
een in de ruimte.
JAS. Oorspr. jesse is ten minste zoo waarschijnlijk als oorspr. jasse. Het Mnd.
Wb. heeft slechts 1 grawen yessen, waarvan de juiste bet. niet blijkt. Voor ‘jas’ zegt
men in den Achterhoek jesse, in Noordhorn, Loppersum enz. jes. Men kan de è
toeschrijven aan de j (z. ben. juk), maar de oudste ndl. plaatsen hebben e zoogoed
als de eene mnd. Wangeroog jäsk m. ‘ein Kinderkleid ohne Aermel’; ä voor è bewijst
slechts dat Ehrentraut aan Uml. dacht; voor de k vgl. dôsk f. ‘Dose’ e.a. De a kan
ontleend zijn aan jak ‘soort van kiel’; Molema heeft dit zelfs als ‘wambuis, jas of rok’.
Verder zou men kunnen aannemen dat jekker(t), Mo. 't jekker(t), de è aan jes dankte;
het Fri. Wb. geeft jakkert naast jekkert, maar het eerste kan men ook uit jak verklaren;
dan blijft echter duister dat men eerst jakker, dat toch bij jak schijnt te behooren, in
jekker heeft veranderd.
JOPENBIER denkelijk bij joop: Stallaert heeft juypenbier (1542 en 1623), jeupenbier
(1567), hupenbier (1546), jopenbier (1716); dit doet dadelijk denken aan de vreemde
vocaalwisseling bij joop (z. Fr.-V.W.; in de stad Groningen heet de vrucht van den
haagdoorn juipien, met de ui die Uml. is van ô) en aan vla. hupedoorn.
JUICHEN behoeft volstrekt niet van hd. oorsprong te zijn, en evenmin juichten; vgl.,
behalve de straks te noemen afl. joechteren, dre. (Dr. Volksalm. 1839, 192) juichten
‘zwieren, los
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
220
leven’, Gallée jüchteren ‘wild stoeien, hard loopen en schreeuwen’, Draaijer juchteren
‘draven, tieren, stoeien’, Molema jüchtern ‘luidruchtig stoeien’, Ten Doornkaat
Koolman juchtern, jüchtern ‘sich schäkernd, spielend u. neckend umhertreiben, sich
necken’, en voor den uitgang: mnl. joyten, ouder nnl. juiten (z. ben.), - eng. to grunt:
hd. grunzen, - naast hd. schwänzen, welks beteekenis Kluge wel terecht uit
‘bummeln’ zal afleiden, Noordhorn omswantjen ‘doelloos heen en weer loopen’ van
*swanten < *swangten of < *swankten? vgl. b.v. Kluge; doch men kan ook denken
aan *swanden naast *swenden in zwendelə ‘straatslijpen’, dat volgens Van de Water
behalve Bommelerwaardsch ook Nederbetuwsch is; verder Antw. zwenderen
‘slenteren; doelloos gaan, traagzaam wandelen’, Farmsum swindeln ‘heen en weer
loopen’. En daar juichen misschien mnl. is, maar juchen zeker mnd., kan de interj.
jûch zeer wel ook in ons land hebben bestaan; ook jouw, vw. jouwen, is uit het mnl.
niet opgeteekend, noch jô, waarvan Fr.-V.W. jolen afleidt, noch joe bij joelen, terwijl
Gallée voor jüchteren in Varseveld joechteren heeft (Driem. Bl. 4, 28), men in
Overijsel joechteren kent als ‘uitgelaten vroolijk zijn, wild stoeien, geen maat in
luidruchtigheid kennen’ (Ov. Alm. 1836), en in Staphorst joegĕn is ‘joelen, van kinders
gezegd’ (Driem. Bl. 6, 81). Evengoed als joe, ju, jo reeds oorspr. vocalisch kunnen
eindigen, evengoed kan, indien men van ogm. *jûχ uitgaat, daaruit *joe in de
oostelijke streken, *j > jui in de westelijke zijn geworden (vgl. juilen en ouder nnl.
juiten, juiteren ‘juichen, enz.’ indien men dit, met Mnl. Wb. i.v. joyten, verbindt met
zwi. jûzen enz.; dan moet men het evenwel scheiden van dit mnl. joyten ‘lawaaien’,
wat niet voor de hand ligt, - vgl. nog ben. jui en vgl. west. du, oost. doe ‘tu’; *jo
desnoods < *ju < *jŭχ (vgl. Ts. 32, 175 over do ‘tu’, jo ‘vos, vobis’); ook kan juchten
komen van jŭχ; vgl. md. ndd. j chen naast mhd. j ch!, evenals mhd. jûwen ‘een
jubelzang zingen’ naast jû! - Ook joeien ‘salaciter ludere’, door mij vermeld Voc. v.
Noordhorn p. 51 al. 1 als misschien ontleend aan mnl. joyen, is veeleer wegens
vorm en bet. evenzoo
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
221
van *joei af te leiden als mnl. joyten vermoedelijk van joy, waarbij ook gron. (Molema
530) an de jui (ndl. ui) wezen ‘aan den zwier zijn’.
JUK; palataliseering door j-. De ù van juk is toe te schrijven aan den
palataliseerenden invloed der voorafgaande j op ó (vgl. os. juk-, ohd. juh; niet op ò,
want jùk wordt ook gezegd in 't noordoosten, waar aanwezig is en dus ongetwijfeld
j k uit jòk zou zijn geworden). Die invloed vertoont zich verder in juffer en juffrouw;
voortgezette werking der j leidt tot jivver (d.i. jìvr) ‘ongehuwde juffrouw; paal’, jiffrouw
‘gehuwde j.’ in het Westerkwartier, het eerste ook in Friesland. Verder zegt men in
't Wkw. juggel(lebom), tegenover jóggel(lebom) in de stad Groningen, ‘slappe koffie’,
bij mnd. juche ‘Jauche, Brühe, Sauce’, waarbij gron. *jógge te verwachten is; ook
reeds ù in mnl. juchche (z. Mnl. Wb. onder 't lemma juche) ‘vleeschnat, soep, bouillon’
[daarnaast mnd. jûche (z. Kluge Jauche) en bij Molema joegel]. Evenzoo wordt jà
soms jè; stad-gron. jè voor Westerkwartier jà ‘immers, enz.’, ook voor ‘morgen
brengen!’ en dgl.; over het zeer twijfelachtige vrb. jes z. bov. jas. Mogelijkerwijs
hierbij jengelen. Nog dient vermeldt mnl. jhesminne ‘jasmijn’: in spelling vervormd
naar jhesus en minne? Ontleening aan ital. gelsomino of een bijvorm is
1)
onwaarschijnlijk .
KAAM. Opmerking verdienen eenige schijnbaar of werkelijk verwante woorden.
Het Fri. Wb. heeft (3, 499) kyn ‘witte brokjes, drijvende op zuur bier; ook op zure
karnemelk’, en sûpkyn n. ‘kaasachtige stof welke zich afzet aan den wand der vaten,
waarin karnemelk bewaard wordt’. NED geeft op: cane (verouderd behalve dial.)
‘to form a scum or “head”, as a liquor in a state of fermentation, ale turning sour or
becoming “mothery”.’ Reeds 1483 caned ‘acidus’. Mid-Yorkshire 1876 kêan ‘to
scum, or throw off as a recrement’, kêan ‘a particle of this nature’. Wright: keean
(ook anders geschreven) ‘scum on ale; a floating particle on the surface of fermented
1)
Corr. noot. Verdam deelt mede, thans aan mnl. jesminne ‘jasmijn’ te twijfelen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
222
liquid’, gewoonlijk in den plur.; cain (ook anders geschreven) ‘to form a scum or
“head” as liquor in a state of fermentation’; met m: calm (ook anders geschreven;
phonethisch kām) ‘the concreted scum of bottled liquors; a fungoid growth on jam,
vinegar, &c.’, ‘matter, corruption’. Wright vergelijkt met calm gelijkbet. kaam bij
Berghaus en in 't hd.; het Mnd. Wb. kent ook dit kâm. Zie verder Franck-Van Wijk
kaam. De î-vormen staan, zonder dat de verhouding te bepalen is, naast de â-vormen
(zijn niet de fri. correspondenten); Ten Doornkaat Koolman geeft op: kîn, kînsel
(auch kâm u. kân); kîm is het in Bremen, Holstein enz.; en vooral zie men D. Wb.
over de onmogelijkheid van één stamvorm.
KADE, KAAI en dgl. Sedert in het jongere mnl. intervoc. d deels syncopeerde, deels
een soort van j werd, stonden naast elkander het door invloed van kwaad, breed
bewaarde of herstelde kwade, breede en het nieuwe kwa < *kwaë en kwaaie, bree
en bree(j)e. Daar het aantal dgl. woorden tamelijk groot is en er zeer gewone toe
behooren, deden ze het gevoel ontstaan dat bij zulk een Auslaut -a, -ade, -aaie,
resp. -ee, -ede, -ee(j)e enz. verwisselbaar waren, en zoo kwamen b.v. naast ka op:
kade en kaaie (wellicht te eer omdat het mv. kaas wegens het homoniem zot klonk).
Kaai òf < kaaie, òf reeds mnl. *cay naast ca, zooals b.v. palays naast palaes. Zoo
ook valleide, buide enz. naast valleie, buie enz., tenzij het eerste rom. d mocht
hebben. Uit gevallen als riën, ik rië naast riden, ik ride (meer naar 't prt. reet dan
naar den minder gebruikten 2 s. rijts en imprt. rijt) zijn zulke als widen naast wiën,
beliden naast beliën te begrijpen; hierbij mnl. ie(de) ‘ooi’ in R.v. Breda. En daar naast
een prt. als gesciede(n) ook gescie(n) voorkwam, drong ook in het praes. het laatste
naast het eerste in; het werd gewoon, doordat men in gescien pl. en inf. (evenals
in scoen ‘schoenen’) het gewone suffix -en mistte; slechts zeer gebruikelijke ww.
(zijn, doen, gaan, staan, slaan) konden den afwijkenden vorm handhaven. Een
gelijksoortig verschijnsel is de behandeling der γ in 't ngr. b.v. λέω naast λέγω ‘ik
zeg’, ϑεγός naast ϑεός ‘God’. -
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
223
Verdere vrb. van ingelaschte d z. Mnl. Spr. § 133. Vondel's Taal § 31 noteert dwaden
uit dwaën; verder staat bij V. Pascha 1125 koren-aders, waarmee men vgl. Mnl.
Wb. adere Aanm.; ook hier is de epenthesis dus een analogieverschijnsel. - Daar
kwa, goe, roo en dgl. een abnormaal flexieloos voorkomen hadden, bleven ze op
den duur slechts bewaard in vaste verbindingen als kwajongen (waarvoor of
waarnaast echter ook de in Franck-Van Wijk te vinden uitlegging kan gelden), de
goê gemeente, bij Molema roobijten ‘beetwortels’. [Kil. moede, naast moeye ‘tante’
is eer een etymologisch fabrikaat.]
KADETJE. De oorsprong uit fra. cadet schijnt, wegens den vorm van een k., weinig
twijfelachtig. Vgl. ook stoet, stuut, stuit (thans in 't NO ‘wittebrood, van welke soort
ook’, elders ‘snede brood’).
KAF. Wangeroog sjef n., nwfri. tsjêf n., Cad. Müller schieff (p. 67 scheff in een
liedje). De voc. kan òf uit a zijn ontstaan òf overeenstemmen met die van ohd. cheba
‘huls, bast’, V. Schothorst kif ‘run, verwerkte eikenschors’, Molema kif en Draaijer
kif n. ‘id.’, nwfri. kif n. ‘id.’, kifje, kjifje ‘in kleine stukjes bijten, zooals muizen doen’
(en ‘keffen’, zooals gron. kiffen, d.i. kìvṃ), kjifje ‘knagen’ (vgl. kjimje ‘kammen’, kjip
‘kip’).
e
KEET. ê b.v. in kī tə bij Van Weel, ‘ook met de bet. van bijkeuken, in 't bijzonder
op een hofstede’. ē in (Molema) keet ‘een van de woning afgezonderd gebouwtje
bij de boerenbehuizingen, waarin gewoonlijk gekookt wordt’. Tenzij men dit voor
een ‘Kulturwanderwort’ houdt.
KEG(GE). Nwfri. kegge, kech ‘stuk, dikke snede’ (vgl. kile ‘wigvormig stuk’, b.v.
van brood, van kaas; verder mnl. wegge enz.); on., naar men wil door Ausgl. van ʒ
naast kk, kǫgoll m. ‘vingertop’, kaggr m., kagge m.: kakke m. ‘vaatje’, kǫkkr m. u-st.
‘klomp’.
KEREL. Met middelvoc. *karulaz > Carolus en Finsch karilas ‘grijsaard. - Wangeroog
sjêl ‘Kerl, Mann’ naast owfri. tserl, tsirl tegenover oofri. hûskerl, Kerl; z. voor de
laatste vormen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
224
Aofri. Gr. § 133; ook nwfri. kearel (vroeger ook tsjirl, G. Japicx tsjerl), Cad. Müller
ziehl ‘Mansbild’, Helgoland kārmən, kárəmən pl.: zoo ‘werden die alten Leute genannt
(aus karl + man zusammengesetzt).’
KERN. Voor de ongerekte voc. vgl. ernst, ernstig, gesternd, gesternte, alsmede
kerne(n) en karne(n) naast keerne(n) en kaerne(n) ‘karn(en)’, en veer naast ver, de plaatsnaam Alteveer is gewoner dan Altever. [Baren ‘kind enz.’ is anders te
beoordeelen.] Bij ons woord het ww. gron. karreln ‘kaasstof afscheiden door warmte’
(de melk karrelt), Wangeroog kêl.
KEUVELEN, KEVER. Vgl. zwe. kafva, nrw. kava ‘spartelen’, oijsl. á-kafr ‘heftig, ijverig,
gewelddadig’. Nwfri. kevel ‘kevel: het gedeelte der kaak, met het tandvleesch, waarin
de tanden en kiezen zitten’. Met ndd. kiffe ‘kinnebak’ vgl. Wangeroogsch kîwîng f.
‘Kinnlade des Fisches’. Nwfri. kevelje (Fri. Wb. III 498) naast keuvelje.
KIEM. Draaijer kînen ‘uitspruitsels van aardappelen’, als ww. ‘de k. afplukken’, V.
Schothorst kē·ən(ən) naast ki·m(ən) ‘kiem(en)’. Eemslandsch (Schönhoff) kīnə f.
‘kiem’. Wangeroog kîn m., kîn zw. ww. ‘kiemen’; voor k (dus niet-assibilatie) vgl.
oofri. kind ‘kind’.
KIER. Wil men ndl. kier van mnl. kerre scheiden en = keer ‘het keeren’ stellen,
dan kan men dat even goed doen met Westerkwartiersch keer (z. ben.). Maar de
overeenstemming der bet. maakt de verbinding met het mnl. woord aannemelijk.
M.i. is hier vocaalrekking vóór rr. Molema's kar ‘nauwelijks en dgl.’, ‘wankelbaar’
doet procope (< akerre of dgl.) onderstellen. In 't Westerkw. staat de deur ien 'e
keer, met substitutie eener gewone praep., zooals in vla. aen kerre enz.; vgl. Mnl.
Wb. akerre. Rekking vóór rr heeft soms wel, soms niet plaats; z.o.a. kar, koar Ts.
26, 131 vlg., en Ts. 28, 243 Maastricht poor ‘prei’, mnl. poorlooc ‘look, prei’ met
rekking).
KIES. Vóóros. *kûsô-, vóórofri. *kûsiô- bij kesen ‘kauwen’ (Mnl. Hwb.; z. ook Mnl.
Wb.) en bij ags. (Sweet) cwíesan (met y overgeleverd) ‘bruise, dash against,
squeeze’, tócwíesan
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
225
‘crush, break to pieces’, ‘be crushed’, volgens Sievers tócwýsan ‘erschüttern’. Blijkens
onder nnl. en stellig reeds mnl. kieze, kies heeft men behalve de kiezen ook de
kaken benoemd als maalsters. Hiermee samengesteld mnl. kiesetant komt dus
geheel met bactand overeen; ook de grondbet. van het eerste lid is vergelijkbaar,
2
z. Kluge Backe . Wangeroog keiz m.; ook thûnnîngkeiz.
KIEUW. Driem. Bl. 13, 119 wordt vermeld, dat ‘kieuw’ in het Oldambt is kaive, in
Westerwolde kijve; het heeft dus ald. niet de diphthong van nieuw, maar die van
leeuw, riem, zeep. In Noordhorn is kieuw ‘kieuw’ en ‘halve onderkaak’.
KIEZEL. Aan ags. ceosol, cisel m. beantwoordt ndl. keuzel, kezel, wier verhouding
is als die van speulen en spelen. Mnd. keselink ‘Kiesel-, Feuerstein’ (waarnaast
keser-, kesser-, kiserlink) m. kan van een grondwoord met of zonder l-suffix komen.
Dat de ie van kiezel, zooals Fr.-V.W. aanneemt, op ontleening aan het hd. of limb,
berust, is ook wegens ki·zəl bij Van Schothorst aannemelijk, althans *kisol had közəl,
*kisil had kē·zəl moeten zijn; weliswaar kan men oorspr. î aannemen, evenals voor
keisel oorspr. ai. Het oude kezeling wordt in De Jagers Arch. 1 nog voor Drente
vermeld, als collectief, terwijl voor Overijsel Nieuw Ndl. Tlm. 3 opgeeft kezeling, -en,
-ies ‘kei, keisteen, enz.’; het tweede zeker pl., het derde pl. van 't vklw. Mnl. keisel
(in keisselkijn, keyselkijn en in een var.), later ndl. keizeling kunnen berusten op
invloed van kei; zoo ook bij Hooft, Baeto 554, '5 in desen kejselsteen van 't overoudt
altaer, L. Smits, Schatkamer der Ndl. Oudheden 327 (kleine) keiselsteenen,
Langendijk Wedz. Huwlb. 94 keizelsteenen. (Heeft mnl. keselesteen (naast
keselsteen) e-epenth. door analogie?) - Bovengenoemd ndl. keuzel, kezel vindt
men in Fr.-V.W. i.v. keuzelen met mnl. cûse ‘knots’ in verband gebracht (nog in
Delden (Driem. Bl. 13, 9) koese vr. ‘knots’; ‘stok (met dik ondereind) om mee te
dorschen’; fig. Draaijer kuze m. en f. ‘lompe, domme, ongemanierde jongen of
meisje’; Westerwolde (Dr. Bl. 13, 126) douterkoeze ‘lischdodde’; voor de bet. vgl.
Oldambtsch doedhaomer ald.). M.i. zijn veeleer beide stammen achterna
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
226
soms vermengd, en past de bet. van keuzel enz. (zie ald. en vgl. ook Wangeroog
k zelêr m. ‘Kreisel’) veel beter bij ‘kiezelsteen’ dan bij ‘knots’. Kuis ‘steenen knikker’
in Zutfen en Deventer zal wel evenzoo een quasi-grondwoord zijn als in Friesland
knikke ‘knikkeren’. Gallée heeft hiervoor küize vr. ‘knikker’ naast kûze vr. ‘knods,
stok’; met deze zonderlinge üi weet ik geen weg. En de ui van kuis bevreemdt temeer
de
wegens het Nl. Wb. kuis III medegedeelde: ‘Voor Deventer wordt (eind 18 eeuw)
“keusseling” in den zin van knikker opgegeven.’ Daarop vermeldt het Wb. cuselen
bij Valcooch; de bet. ‘knikkeren’ staat hier echter niet volkomen vast. Het Mnd. Wb.
heeft kusel ‘Kreisel’, in de vrb. ook geschreven küsel en dus denkelijk steeds met
Uml. (kesel eenmaal, in een niet duidelijk citaat), en kuseln ‘kreisend im Wirbel
drehen’, waarbij Umlaut-aanduidingen voorkomen (ook tr.). Daar mnd. mnl. kusel
(met ; < *kûsil) ‘tol’ en (stellig reeds mnl.) keuzel, kezel ‘knikker’ dicht bij elkander
komen, en evenzoo hun verba denominativa (vgl. ook Kil. cuyselen ‘kolven’), is het
dooreenloopen niet vreemd; ook kan een met kusel ablautend *keusel < *kusil
hebben bestaan.
KIJKEN. [Dial. ndl. koeken z. ben. i.v.; ook ald. ndd. kucken.] Hoewel NED to kick
en to keek (nu alleen in Schotsche en Noordeng. dial.) scheidt, vindt men toch
oudtijds voor deze ww. dezelfde vormen. Beide vertoonen zich sedert ± 1380 of
e
e
e
e
even later. Voor het eerste worden opgegeven: 14 E kike, 14 -16 kyke, 16 keke,
e
e
e
kicke. Bedenkt men, dat b.v. het adv. like in de 14 en 15 E als licke, in de 15 als
e
e
leke voorkomt, en het verb. like in de 14 als licke, in de 15 als leke, dan blijken
e
genoemde vormen van kick ongeveer gelijk aan die van keek: 14 E kike, kyke,
e
e
e
e
keke, 15 keky(y)n, keken, 15 -16 Schotsch keik, 17 keek. [Slechts is het misschien
e
geen toeval, dat kick reeds 16 E ck heeft; hier schijnt de ‘discrimination bij practice’
te beginnen.] De bet. van het eerste is: ‘to strike out with the foot’, ‘to show temper,
annoyance, defiance, dislike etc.; to rebel, be recalcitrant’, en sedert 1590 (Shaksp.)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
227
‘to strike (anything) with the foot’ [veel van paarden]; die van het tweede: ‘to peep;
to look privily, as through a narrow aperture, or round a corner’; obs.: ‘to glance,
gaze’. [Sedert 1470 ook fig. van dingen.] Hierbij keek-bo, peep-bo! bo-peep;
keek-bogle (Schotsch) ‘hide-and-seek’. Wat de conjug. betreft, eens wordt bij kick
het prt. kikide vermeld en eens bij keek het ptc. kiked (varr. kykyd, keked). Dit wijst
op ags. *cicc(e)an, prt. *cicede, ptc. *ciced, en daarnaast *cíc(e)an [, prt. *cícte],
ptc. *cíced, of mogelijk op cícian, cícode, cícad en op *ciccian, *ciccode, *ciccad (z.
ben.); tenzij men voor de í-vormen verloop naar de zw. conj. aanneemt van een st.
cícan. Aan te nemen is dus wgm. *kîk-, *kikk- (het laatste intensief? dan wgm.
*kikkô-). Wat de bet. aangaat: zooals *sehw- beduidt ‘volgen’, dan bepaaldelijk ‘met
de oogen volgen’, en vd. ‘zien’, zoo beteekent *kîk-, *kikk- ‘zich [naar iets] wenden’,
bepaaldelijk ‘met de oogen’ of ook ‘met het been’, en vd. ‘kijken’ en ‘schoppen’. Dat
dan on. keikr ‘met achterovergebogen bovenlichaam’ hierbij behoort, met een
grondbet. ‘[naar iets] gewend’, schijnt niet onaannemelijk. In elk geval vindt men de
ags. ww. terug in mnl. kīken, ook kieken, (ie als in gerief e.a.?), dat het Mnl. Wb.
geeft als st. ww. intr. ‘kijken, zijne oogen gebruiken, zijne blikken richten’; in Mnl.
Hwb. nog k. ende capen, k, ende gapen (en ki[e]kelen ‘aldoor uitkijken’); - kicken,
gapen ende kicken (het laatste bij Brugman, blijkens Mnl. Wb.) Hoezeer beide ww.
syn. waren, blijkt nog uit iets lateren tijd, doordat hetzelfde huis in Groningen in 1553
kijk in 't jadt, in 1624 Kick in 't jat genoemd wordt (Gron. Volksalm. 1892, p. 43). Het
mnd. heeft kîken; het Mnd. Wb. zegt: zw. en st., maar van beslissende vormen staat
in de vrb. slechts één prt. kikede; daarnaast moet blijkens nnd. tongvallen echter
ook mnd. *kicken worden aangenomen; kîken en kicken komen ook hier en daar in
't md. voor. Het mnd. heeft naast kîken het subst. kîke ‘stoof’: deze heeft oogen,
e
want het vuur kijkt door de gaten; vgl. de. ildkikkert ‘stoof’ met als 2 lid het ontleende
kikkert ‘kijker’. In een mnd. tekst is kîkert een van boven open verwarmingstoe-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
228
stel; wellicht oorspr. ‘waar men in kijkt,’ met min of meer pass. opvatting van -er als
in ndl. doorrooker, poter e.a., waaronder kiker(kijn) in Mnl. Hwb. - Evenals leges,
e
leget bij ligghen moest kekes, keket bij kicken ontstaan, en daar de 3 ps. s. veel
voorkomt, kon zich licht mnl. (mnd.) keken ontwikkelen. Mnd. *keken (in 't Mnd. Wb.
opgenomen op grond van Kil. keken en van Brem. Ns. Wb. kekelen) wordt intusschen
met keke, kake in verband gebracht; z. ook in laatstgenoemd Wb. kekel, käkel. Mnl.
kekeren ‘stotteren, hakkelen’ staat tot *keken als *stotteren, mnd. stôteren, tot
stooten; de primitiva hebben gelijke bet., daar ‘plotseling er op afkomen’ gemakkelijk
‘stooten’ wordt (vgl. bov. to kick). In hoever keken bij Kil. dit *keken is, of wel onomtp.
als kakelen, kèkelen (en ten deele kekelen?), is moeilijk te zeggen (gron. kekeln
echter nooit van hoenders). Daar hd. kicken voorkomt in den zin van ons ‘kikken’
(en ‘kijken’; z. bov.), maar ook als ‘stamelen, stotteren’, bestaat er aanleiding om
kikken te verklaren als ‘[een geluid] uitstooten’; en waar het D. Wb. zegt: ‘das westf.
kicken vorhin auch hauchen’, daar is dit op te vatten als ‘[den adem] uitstooten’.
Ook Kil. kekeren ‘cachinnari, immoderate ridere’ b e h o e f t volstrekt geen
klanknabootsing te zijn, daar immers dat geluid in stooteu voor den dag komt; het
k a n echter evengoed een zijn als vermoedelijk hd. kichern e.a. (Ohd. kichazzen
‘lachen’ zou trouwens van *kichen kunnen gevormd zijn onder invloed van het syn.
kachazzen = ags. ceahhettan; vgl. limb. kichele(n) ‘aanhoudend lachen’ Onze
Volkstaal 2, 221). Hetzelfde geldt van mnl. kikelen ‘gichelen’. - Ook Wangeroog kîk.
[Een dgl. verband bestaat tusschen mnl. zw. prigen ‘zich beijveren, zijn best doen’,
ook ‘omhoog streven, de hoogte in willen’; ‘zich schrap zetten of verzetten tegen,
(streven tegen) tegenstreven’, ook met wapenen, zw. priën ‘belust zijn op, streven
naar’, vooral uit afgunst naar hetgeen een ander heeft, prijch m. ‘strijdlust, strijd;
krijgsroem, roem’, eens prië f. (dat wel geen bedorven lezing zal zijn) ‘strijdlust’ - en
eng. to pry, 14-16 E prien ‘to look, esp. to look closely or curiously; to peep or peer,
to look narrowly; to peer inquisitively or imper-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
229
tinently; to spy’ (sedert 1306); to pry into ‘to search inquisitively into (enz.)’ (sedert
1610); terwijl to pry ook (1548-1760) gevonden wordt als tr. ‘to look for, look through,
or look at closely; to observe narrowly’. Als grondbet. is hier aan te nemen ‘zich
ingespannen op iets richten’, en ook dit wordt speciaal toegepast op het zich richten
met de oogen. Dat ‘inspanning’ leidt tot ‘strijd’, daarvoor vgl. men krijg en strijd.]
o
KINKHOEST. Ook eng.: NED kinkhost sinds a 1190: ‘kinkehost vocant Angli’. Met
de voc. van mhd. kîchen in Limburg (Neeritter) kiekhoost [zoo is, ook blijkens de
alphabetische plaatsing, te lezen Onze Volkstaal 3, 147 voor kickhoost], met ie als
in ies ‘ijs’ e.a. Vgl. verder NED kink en chink en Falk-Torp kighoste.
KLAD. Vgl. De Bo kladder ‘kladde, kladboek, looper’, ‘klad, klater, groote vlek van
inkt enz.’, kladderen ‘kladden, bevlekken’, ‘kladden maken’; klatte ‘een fakje werk,
eene kleine hoeveelheid stoppe die in de tanden van de hekel blijft kleven, als men
vlas hekelt’, klatteren = klateren (z. ben.); klater ‘kladde, kladder, vlek’ klateren,
‘bekladden, bevlekken’, ‘kladden of inktvlekken maken’; beklateren, beklatteren =
(Nl. Wb.) beklassen, beklatsen ‘bevuilen’, elders naar 't schijnt bekleteren, verder
bekletsen - alles zuidndl. woorden (van W. Vl. en Zeel. tot Limb.). Doch ook stadgron.
bekletsen. Verder met t Gallée klater f. ‘vuil’ (-s in de ooghoeken, in de manen van
een paard en (Driem. Bl. 4, 29) klāterig ‘vuil (van haren), vies, onrein (van de oogen,
als zij vol vuil en korsten zitten)’, Molema kloaters ‘drekballen die de schapen aan
de wol blijven hangen’, ‘lompen van een bedelaar, verscheurde kleederen, lappen,
vodden, die nog tot kleeding dienen’. Eindelijk leidt Meyer-Lübke itl. chiazza ‘Fleck’,
‘Leberfleck’ af uit langob. klatza ‘Fleck’, voor welks bestaan mij geen verder bewijs
bekend is. Overziet men al deze vormen en de bij Franck-Van Wijk genoemde, dan
blijkt het dentaal element voor te komen als dd, tt, t, ts, ss (hd. en langob. tz < tt);
e is als Uml. te beschouwen. Misschien oorspr. t(t) en þ(þ); het laatste kon dd, tt,
ts, en ss leveren; z. bov. betten. [De verwantschap met on. klasi enz.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
230
schijnt mij al zeer problematisch.] Ook de vormen van klis wijzen op t naast þ(þ)
(hierbij ook ags. aetclíðan ‘adherere’). Dit laat zich moeilijk anders verklaren dan
door vermenging van oorspr. verschillende wortels in beide gevallen. Vgl. ook het
volg. art.
Nwfri. KLâDDERJE, KLATTERJE, KLâDSJE ‘klauteren, klimmen’ (met nas. klanterje
‘klauteren’, door een of andere analogiewerking?) behooren bij hd. klettern, en dus
tot de boven besproken familie. Vgl. nog ndd. klâtrn ‘klauteren’.
2
3
KLAPPEN. Ozwe. klaeppa ‘beiern’. Vgl. ook de i-vormen NED clip en clip , alsmede
Wangeroog klip ‘knippen’ (met een schaar). Helgoland klep ‘snijden, scheren’,
Outzen kleppe (en klappe) ‘id.’ De beide wortels zijn niet overal te scheiden.
KLAUTEREN. Bij de hiermee samenhangende vormen Saterland klauerje ‘klimmen’
(het ptc. klauerd dient tevens bij klîûe ‘klimmen, beklimmen’; hierop bouwe men
geen etymologie, vgl. ben. kleven).
KLAUW. Owfri. clêwe, clâwa leven beide voort in het nwfri.: klei, soms klaei ‘runder
of schapenhoef’ tegenover klau ‘klauw van een roofdier of - vogel’; overdr. (triv.)
‘hand’. Wangeroog kleô m. ‘het uitwendig deel van den voet eener koe’. Klauw
‘gespleten hoef’ in 't Westerkwartier. Gezien het algemeen ndl. mond- en klauwzeer
behoeft het toeschrijven van klauwen aan de koe niet de verbazing op te wekken
die het wel gedaan heeft op de bekende owfri. plaats (z. b.v. Ts. 11, 310).
KLEVEN. Zooals het nwfri. libje ‘leven’ heeft, met de gemin. welke aan een
ja-verbum in vele vormen toekwam, zoo heeft het voor ‘kleven’ klibje en vd. klibberje
naast kleve en kleevje. Met kleve is gelijk te stellen saterl. klîûe ‘klettern, erklimmen’,
vw. klínerje ‘klettern’ (vgl. bîûje ‘beven’), nwfri. kliuwe, kljouwe st. ‘klimmen’ - wat de
verbinding van klimmen met kleven en beklijven semantisch steunt. In Wangeroogsch
klîvî ‘kleven; besmettelijk zijn’ zullen wel kleven en klijven zijn samengevallen; vgl.
stad-gron. beklievelk ‘besmettelijk’. Bij nwfri. klibje kan behooren kliber, klibbe(r)
‘hoop, menigte (menschen)’, ‘blok-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
231
vormig opgestapelde turfhoop’, in 't algemeen ‘kantig blok of stuk’, ook ‘blok hooi in
de schuur dat overblijft wanneer een deel er al uitgestoken is’. In de laatste bet. ook
Sebaldeburen klip en klibbe, Noordhorn klip (mv. phonetisch altijd klìṃ < *klibben).
Dre. (Dr. Volksalm. 1848) klibberen ‘kleven, vastkleven van koude’. - Gallée klîve
f. ‘klis’.
KLIEVEN. Met Abl., behalve het in Frank-Van Wijk i.v. klucht vermelde, oijsl. klyfia,
prt. klufþa, ozwe. (eens) klyfia ‘splijten’.
KLIF. Nwfri. klif n. nog in namen van hoogten aan de Zuiderzee; z. Fri. Wb. 4,
waar ook een Ruad (Rood) Klif op Sylt vermeld wordt. Hierbij misschien Schiermonn.
kliften ‘aardhoopen’. Helgoland kléō, kle , klef ‘Kliff, Fels, der hohe Teil der Insel’
(dus niet slechts eigennaam, ook blijkens samenst.).
KLIM bij Molema ‘steek in 't veen’, klemm bij Ten Doornkaat Koolman ‘turflengte,
als maat voor een veenlaag’ kan men, met de grondbet. ‘zooveel als aaneenhangt’,
met ons klemmen verbinden. Het hiermee misschien verwante mnd. klave enz. (z.
b.v. Franck-Van Wijk) leeft dial. in Gron. en Dre. voort; z. Molema kloave, alsmede
Dr. Volksalm. 1839 kloaf, ‘houten halsband, om de koeijen op stal vast te binden’.
KLITS. Hierbij nog klitse ‘hündin’ bij Holthausen, Soester Mundart § 52 a, en
e
18 -eeuwsch gron. (Van Halsema) klitze ‘teeve’.
KLODDER. Reeds ags. clod-hamer ‘field-fare’, Clodhangra n. propr.; vgl. verder D.
Wb. kloder (misschien pl. v. klod; z. ald.).
KLOMP. Met Abl. (z. Falk-Torp) de. klimp ‘klompje’, ouder de. ook klemp, Jutsch
klepp, zwe. klimp, zwe. dial. kläpp ‘berghoogte’, nrw. volstaal klepp ‘klomp enz.’,
on. kleppr ‘klomp, bergtop’; ndd. (Berghaus) klimp ‘felsige Anhöhe’. Ozwe. klimper
‘klomp’, uit oorspr. dat klimpe, naast klaepper (Noreen, Aschw. Gr. § 235, 1 a). Vgl.
met on. klubba Molema klōbbe ‘stuk, van vleesch’, ‘homp, van brood, maar dan van
ronder vorm’, meer klōbke, b.v. 'n - vet; klōbbertje ‘klosje met garen’. Hierbij vermeldt
Mo. dre. klobbe ‘het onderste, afgezaagde deel van een boomstam’.
KLOS. Niet onaannemelijk schijnt verwantschap met ags.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
232
clyster, zelden cluster (= noorddu. kluster, waars. *kl stro- < *kl t-tro-, zegt NED)
‘tros’, sedert 1387 ook ‘ronde massa of conglomeratie’, dat in betrekking kan staan
tot eng. clot, ags. clot(t): mhd. kloz, klotzes, nhd. klotz, wgm. *klott- < *klutto- m. of
n. ‘klomp’. Molema kloeze ‘dikke gloeiende kool in een stoof’, dre. (Dr. Volksalm.
1840) kloeze ‘hoop geglommen vuur (in eene test, stoof enz.), (sa.) ofr. kluse, klûse
‘Klumpen, Kloss etc., speciell ein Klumpen od. Haufen glühender Kohlen’; s na lange
voc. uit ss.
KLUNGEL. Men kan aan het bij Frank-Van Wijk vermelde toevoegen: Molema
klongel, klungel ‘bijzit’, klongeln, klungeln ‘ongeoorloofde gemeenschap met iemand
hebben’.
KNEDEN. Ook fri.: Wangeroog knide (evenals b.v. tride ‘treden’), nwfri. (hoewel
niet in Fri. Wb.) kneedsje. Verdere verwanten zijn knoeien en dial. knooien; z. ben.
en Ts. 32, 171, en ald. en ben. over knoedel. - Fr.-V.W. zegt: ‘Opvallend is Goer.
i
knê “kneden”. Deze vorm geeft ons echter niet het recht ... knaið-, -þ- aan te nemen.’
e
Inderdaad is daarop, of eigenlijk op knī , geen enkel betoog te bouwen; immers Van
e
e
Weel heeft evenzoo bij oorsprong uit ēdə: mī ‘mee(drank), wī r ‘weer’ (adv.); verder
e
onverklaarde ī in ‘reef’, ‘reven’ en ‘vreten’ (aan ê < ai < aï (fraïtan) is kwalijk te
denken; misschien heeft ‘reef’, ‘reven’ den vocaaltrap van on. reifa enz.).
KNERPEN ‘een geluid geven zooals grind waarop men loopt’ ken ik niet uit oudere
schrijvers; natuurlijk kan het een jonge klanknabootsing zijn, maar evengoed (vgl.
snerpen) een verlenging van den wortel knar; z. Fr.-V.W. knarren en knarsen (waarbij
aan de g-vormen is toe te voegen eng. der 15 E gnare, 16 gnarr(e) = gnar en mnd.
gnarren ‘knorren’, mnl. gnerren naast gnorren van varkens, ook ags. gnyrran ‘to
snarl, growl’). Reden om ons woord voor oud te houden geeft dre. knarpen, knerpen
‘klagen zonder gegronde redenen; morren’ (Dr. Volksalm. 1846); voor de ontwikkeling
der bet. ‘klagen’ vgl. gron. kroaken, bij Molema o.a. ‘het kreunen, klagen van oude
of zwakken menschen’.
KNEVEL(EN). Met mnl. cnēvelen ‘binden’ vgl. dre. knevel
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
233
‘halsband van touw, om de koeien op stal vast te binden’ (Dr. Volksalm. 1839).
KNIEZEN. Met g nog in Hoogeveen (z. Van de Schelde tot de W. 1, 613 gnees) en
in Dwingeloo (ib. 629 gniesen ‘grinniken, grijnslachen’). Swaagman gaf als gron.
op gniezen ‘het gezicht tegen iemand verdraaien, grimassen tegen iemand maken’,
en vergelijkt nedersa. gnezen ‘id., alsmede met opgetrokken neus lachen’. Blijkens
Berghaus is gnäsen, gnesen ‘lachen, höhnisch, unterdrückt lächeln, lachen’.
‘Eigentlich beim Lachen einen Ton durch die Nase hören lassen. (Bremen).’ Naderbij
staat in elk geval bij B. gnisen ‘halb unterdrückt, schadenfroh lachen, die Zähne
1)
bleken’ , ‘offen stehen, klaffen von Wunden (Ostfriesl.)’, ‘knirschen’, ‘beiszen, oder
stark drücken und zusammenpressen’. Vergelijkt men de bet. bij Ten Doornkaat
Koolman, dan ziet men dat ‘offen stehen, klaffen’ b.v. ook van reten gezegd wordt;
dit sluit aan bij gron. - volgens Middendorp; Hs. der Gron. Univ. Bibl. - dat gniest
van mekander van een japon die ergens is gebroken of losgegaan. Verder citeert
e
Mi. uit het hs. van Van Halsema, dus als gron. der 18 eeuw, gnijsen (ij voor volk.
i) ‘binnen monds lagchen’.
Groningen.
W. DE VRIES.
De bron van Breero's Angeniet.
‘Omtrent de bron van de “Angeniet” kan moeilijk eene gissing gewaagd worden,
daar de dichter hoogst waarschijnlijk alleen uit zijne levensgeschiedenis putte. De
geringe verwikkeling en het tooneel op den Olympus wijzen ons niets nader aan.
Starter heeft van het gegevene een oordeelkundig gebruik gemaakt, mocht ook de
inval, om Angeniet door de Olympiërs naar de Maan te doen verbannen, aan zijne
oude zorgelooze grilligheid herinneren.’ Aldus Dr. Jan ten Brink in zijne Inleiding
1)
Drukfout voor ‘blecken’?
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
234
tot Breero's Angeniet (De Werken van G.A. Bredero, II, 341).
Uit mijn Algemeene Inleiding tot de hier genoemde uitgaaf van Breero kan vroeger
reeds gebleken zijn, dat Ten Brink's voorstelling in meer dan een opzicht herziening
behoeft. De ‘inval om Angeniet naar de maan te doen verbannen’ immers is niet
van Starter; men vindt haar reeds bij Breero; uit eenige regels van Lucelle aangenomen dat deze ook in het origineel voorkomen - blijkt dat Breero in dezen
Le Jars heeft gevolgd. (Vgl. De Werken enz. Inleiding blz. 21-22.
Maar hoe kwam Breero ertoe, een achttal Olympische goden in zijn werk te doen
optreden? Was dat eigen vinding? Dat is mogelijk, maar wordt toch minder
waarschijnlijk, indien men in aanmerking neemt, dat twee tooneeldichters vóór hem
evenzoo Olympische goden in eenzelfde stuk met menschen ten tooneele hebben
gevoerd. De een is de Zuidnederlander Kolijn van Rijssele, in wiens Spiegel der
minnen Saturnus, Phoebus en Venus den gang der gebeurtenissen te Middelburg
1)
en Dordt leiden . Aan Kolijn mogen wij te eer denken, omdat hij, mede door
Coornhert's uitgaaf van zijn werk (1561), in Noord-Nederland bekend is gebleven
en omdat hij door Breero genoemd wordt in zijn Spaanschen Brabander (vs. 211).
De tweede is de bekende Engelsche prozaschrijver, Euphuïst en tooneeldichter
John Lilly, die in 1597 zijn tooneelstuk The Woman in the Moone het licht deed zien.
Op dit, te onzent nu weinig bekend, stuk wenschen wij de aandacht der lezers van
dit Tijdschrift te richten. De inhoud komt ongeveer hierop neer: Pandora wordt door
Nature geschapen op verzoek van eenige herders uit Utopia, die ‘as yet bewaile
their want of female sex’; de zeven Planeten (Saturnus, Mars, Jupiter, Sol, Venus,
Mercurius, Luna) komen op, drijven den spot met het nieuwe schepsel en misbruiken
hun invloed door Pandora een
1)
Vgl. mijn Gesch. der Ned. Lett. III, 104; een artikel van Dr. J.A.N. Knuttel in De Gids van Febr.
1910 en de nieuwe uitgaaf van De Spiegel der minnen door Mej. M.W. Immink (1913).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
235
onaangenaam karakter te geven; zij bejegent dan ook Gunophilus, door Nature
gezonden om haar te dienen, en een viertal herders, zuur en snibbig; ook speelt zij
de coquette tegenover hen (evenals Angeniet); Venus maakt haar: ‘false and full of
slights’; Luna oefent ten slotte den sterksten invloed, zeggend:
And as I am, so shall Pandora bee,
1)
2)
New-fangled fyckle, slothfull , foolish, mad.
Ten slotte wordt Pandora door Nature voor de keus gesteld te verhuizen naar een
der zeven planeten; haar beslissing vernemen wij uit de volgende verzen:
Thou, Venus mad'st me love all that I saw,
And Hermes to deceive all that I love;
But Cynthia made me idle, mutable, forgetfull,
Foolish, fickle, franticke, madde;
These be the humors that content me best,
3)
And therefore will I stay with Cynthia .
Indien Lilly's stuk behoord heeft tot het repertoire der Engelsche komedianten, die
de
de
hier te lande in het laatst der 16 en de eerste helft der 17 eeuw voorstellingen
hebben gegeven, en die waarschijnlijk ook te Amsterdam zijn geweest, dan kunnen
Breeroo en Starter daar een vertooning van The Woman in the Moone hebben
4)
bijgewoond, Starter ook verstaan wat er gezegd is .
Ten slotte moge nog het volgende opgemerkt worden.
De inmenging der Olympische goden in de zaken der menschen komt ook reeds
in het, door Breero bewerkte, deel van het stuk voor, al is in Lilly's stuk geen sprake
van een hemelraad, op den Olympus gehouden. De afstand tusschen Breero's
personages, die als gewone menschen worden voorgesteld en de Olympische
goden is veel grooter dan in Lilly's stuk, waar
1)
2)
3)
4)
Nieuwsgierig.
Lui, traag.
The Dramatic Works of John Lilly (ed. Fairholt) II, 149.
Goden en menschen in één stuk ook in het door Marlowe op touw gezet en door Nashe
e
voltooid treurspel Dido (1 dr. van 1594).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
236
wij te doen hebben slechts met een allegorisch personage als Gunophilus en
Utopische herders.
Endimion, de naam van den ouden rijken vrijer in Angeniet, is de titel van een
ander stuk van Lilly: Endimion, The Man in the Moone, dat de bekende
liefdesgeschiedenis van Cinthia (Diana) en Endimion behandelt.
Met de gegevens, die ons nu ten dienste staan, kunnen wij in dezen niet tot geheele
zekerheid komen. Waarschijnlijk komt mij voor, dat Breero de eigenlijke stof voor
zijn Angeniet ontleende aan zijn gemoedsleven of liever aan zijn droevige
liefdeservaringen; in zóóver kan ik met Ten Brink instemmen; dat hij echter bij de
bewerking dier stof zijn voordeel heeft gedaan met het werk van Kolijn van Rijssele
of van Lilly of van beiden.
G. KALFF.
Kleine mededeelingen.
57. Mnl. tentenel.
In den Inventaire des Archives de Bruges 5, 330 komt de volgende plaats uit het
jaar 1410 voor: ‘Doe ghegheuen Willem van Meenne, den scildre, van dat hi gheleuert
heift an de scilderie van scepenen camere: Eerst van olien, VJ s. gro. Jtem van finen
goude, XXVIJ s. gro. Jtem van menien ende van okere, V s. gro. Jtem van zeuen
ponde vermeilgoens, VIIJ s. IJ d. gro. Jtem van onder aluen ponden azuurs, VIJ s.
gro. Jtem van zesse dozinen t e n t e n e l l e n , VJ s. VJ d. gro. Item van zesse zeluere
pappiere, VJ gro. Jtem van goudiner foelge ende van groener foelge, IIJ s. gro.’
Het Mnl. Wdb., dat deze plaats verkort aanhaalt op T e n t e n e l l e , waarachter
het een vraagteeken plaatst, geeft geen verklaring. Aangezien het woord in een
omgeving van verf-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
237
stoffen voorkomt, zoude men er gaarne eveneens de benaming eener verfstof in
willen zien, evenwel het voorafgaande ‘zesse dozinen’ is moeilijk met een stofnaam
te rijmen. Blijkbaar is tentenellen het meervoud van een voorwerpsnaam.
1)
In een klein boekje, getiteld: ‘De volmaakte Verwer’ (Amsterdam 1836) las ik
onlangs op blz. 13 in het tweede hoofdstuk over ‘De wyze om de verfstoffen wel
aan te leggen tot het Verwen en om de vyf eerste kleuren volmaakt te konnen maken,
en bygevolge alle de andere, dewelke hunnen oorspronk hebben, ofte 't
zamengesteld zyn uit deze vyf eerste eenvoudige kleuren’ de volgende paragraaf
(XXVIII): ‘Daar zyn nog de trentanel en malherbe (zynde twee stinkende kruiden in
vrankryk bekend), het fesethout en enige andere ingrediënten, dewelke een kleur
tusschen geel en vaal uitleveren; men mengt 'er roet onder, om de gantsche vale
kleur te hebben; maar dese kleur, en d'andere die 'er van gemaakt werden, werdende
veel fraaier en vaster door de wouw en notenwortels, en de twee eerste zeer qualyk
riekende en schadelyk zynde voor 't gezigt van die ze gebruiken, zo is 't goed daar
van het gebruik niet in 't algemeen toe te laten’.
Littré verwijst op T r e n t a n e l naar T r a n t a n e l : ‘Nom languedocien du passerina
tinctoria, thymélées; cette plante fournit une couleur jaune’. Men vindt daar ook een
aanhaling uit de ‘Instruction générale pour la teinture’ van 18 Maart 1671, art. 315:
‘Nous avons la malherbe et le trantanel, qui sont deux plantes d'une odeur forte
dans leur emploi, qui croissent dans le Languedoc et dans la Provence’.
Het is, dunkt mij, niet onwaarschijnlijk, dat tentenellen in de bovengegeven
aanhaling het mv. is van tentenel uit fr. trentanel.
1)
De volledige titel luidt; ‘De volmaakte Verwer, alles lerende wat er vereischt wordt om alle
Wollen en Zijden, met alle kleuren, en Hoeden schoon zwart te verwen; Benevens de bereiding
en klaarmaking van alle die soorten van Verwen, zoo voor de Groot- als Klein-Verwers.
Mitsgaders de toestelling van alle Olie-verwen. Nieuwe Uitgave. Te Amsterdam, bij H.
Moolenijzer. 1836.’ Uit de Voor-reden blijkt dat het werkje uit het Fransch is vertaald.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
238
Onder ‘zes dozinen tentenellen’ heeft men dan vermoedelijk te verstaan: zes dozijn
planten of kruiden van dien naam; verg. b.v. ‘een duust caerden’ in
Zeeuwsch-Vlaamsche Bijdr. 5, 59.
Leiden.
R. VAN DER MEULEN.
58. Sunter.
De opvatting van Vercoullie, dat alleen populaire heiligennamen voorafgegaan
worden door ‘sinter’, wordt in het Gronings bevestigd, waaruit dan tevens blijkt, dat
het ‘sintergebied’ zich nog verder naar het Noorden uitstrekt dan in zijn artikel
1)
ondersteld werd. (Zie Deel XXXIV van dit tijdschrift, blz. 32-34). In de Groninger volkstaal zijn er maar heel weinig heiligen overgebleven en dat
nog wel alleen door zeer vast ingeworstelde landbouwgebruiken. Zo heette het van
ouds:
Mit Sunt-Jan (24 Juni)
Slagt de eerste maaier an.
Ook Sunt-Grait (29 Juli) is blijven leven in het ketterse land, maar meest onder haar
minder heiligen naam Pis-Grait, omdat haar dag bekend staat als de regendag bij
uitnemendheid.
Verder kennen de boeren nog Sunt-Gories (12 Maart), Sunt-Pait in Sunt-Paul (29
Juni) (= Petrus en Paulus) en Sunt-Jopk, (25 Juli).
Populair zijn ze echter geen van allen. Dit is alleen het geval met Sunter-Meerten
en met Sunter-Nijkloas.
S. Maarten was de schutspatroon van de stad en de meest
1)
Ook in Oost-Friesland zijn Sunderklaas en Sundermarten (Sunnermarten) gewoon. De vorm
Sinterklaas, met allerlei gewestelijke wijzigingen, schijnt in het grootste deel van ons land
bekend te zijn (althans in sommige kinderrijmen), en eveneens hier en daar in Westfalen en
de Rijnprovincie. Sintermaarten (Suntermerten enz.) komt b.v. ook voor te Hattem en Elburg
en in Limburg. - Bij de door Vercoullie reeds genoemde heiligennamen met sinter kan nog
gevoegd worden Sintervaas (voor St. Vaas, St. Servaas) te Maastricht.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
239
gevierde heilige van het gewest. De boer vergeet hem niet, want hij moet op 11
November zijn huur betalen, en de jeugd hield hem in ere door allerlei ook nu nog
niet verdwenen Sint-Maartensgebruiken en liedjes. Men zingt er die liedjes, evenals
aan de Zaan, in allerlei vorm. Zo begint er één;
Sunter, sunter Meerte
Kṑi droag steert ......
Een ander:
Sunter-Mertinus bisschop
Mit zien roege muts op,
Mit zien dikke stòk in haand,
Zo gaat dat naar 't Poepe laand.
Of onder Hollandsche invloed:
Sunter-Mertinus bisschop,
Roem van onze landen,
Dat wie hier mit lichtjes loope
Is veur ons gain schande .
Naast deze populaire vormen hoort men evenwel ook Sunt-Meert of (uit de
koop-akten) Sunt-Martini. Zo staat ook naast Sunter-Nikloas of Sunter-Nijkloas de
naam Sunt-Nikloas, vooral onder Hollandse invloed.
Zaandam.
K. TER LAAN.
59. Seghelijn vs. 1422 vg.
Op bladz. 95-6 van Deel XXXIII neemt N. Otto Heinertz in Segh. 1427 een
praeteritum ‘houw’ van het werkwoord houwen = slaan aan.
1423
4
5
6
7
Hi decte hem so hi best mochte
Als sijn meester hem besochte
Op hem scermen ende wanderen
1)
Dat sie die een den anderen
Stonden te gader ende houwen.
1)
De verandering van ‘dat’ in ‘daer’ is onnoodig. De volzin 1426/7 is een consecutieve bijzin,
afhankelijk van den temporeelen bijzin in 1424/5.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
240
In het Mnl. Wdb. worden alleen voor houwen = in stukken hakken twee gevallen
van een praeteritum ‘houw’ aangehaald, beide uit de taal der rekeningen.
In het gebied der epische taal is klaarblijkelijk een dergelijke verleden-tijdsvorm
van het veel gebruikte houwen = slaan niet te vinden. Nu is er een verklaring dezer
verzen mogelijk, waarbij men niet gedwongen is een nooit gevonden vorm te
construeeren.
Tot de syntactische mogelijkheden van den mnl. epischen stijl behoort nl. het
gebruik van een beschrijvend historisch praesens in onmiddellijk verband met een
of meer imperfecta. Men vergelijke naast Stoett § 244 desgewenscht als voorbeelden:
Alex. IX 228-9, 639-40, 960-1; X 428-9; Limb. IV 731-2; Wal. 3042, 8140.
Als een zoodanig praesens, en dan van recapituleerenden aard, is de vorm
‘houwen’ hier m.i. zonder bezwaar op te vatten.
Leysin.
J.S. OVERDIEP.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
241
Fragmenten uit Jan van Leeuwen's werken.
1)
IV.
+
Van VI dinghen die toe behoeren eener ghewaregher beghinen ende
eenen afghescedenen gheestelyc mensche. Ende alsoe salse VI
dinghen in contrarie vercrighen, daer mede Gode te dienen te haerre
hulpen wert.
+
fol. 121b
Nu vanden vierden boeke voert, omme te wetene cort wat eygelijc ghewareghen
afghesceydenen lieden, ende sonderlinghen beghinen, toe hoert, die haer butenste
natuere ende oec haer binnenste natuere beyde te samen Cristo in suvere reynicheit
willen besitten. Hier op willic dit boeck maken. Ay deus, ende oft ic alselke een
beghine coste gheraken, die de werelt soe gheheellijc wilde verdoren, datse Cristus
+
eneghe woort metten inwendeghen oren mochte ghehoren, soe worde si seker ter
rechter siden wtvercoren. Mar nu vindic lutter goeder beghinen nocht int dleven +fol. 121c
noch oec int schinen van buten noch van binnen. Maer een dinc van drien soudic
gherne raden eenre beghinen oft eene[n] geesteliken mensche, wient waer, dat hi
ommer deen dede van drien, want het moet ommer alsoe sijn.
Deen es: wat menschen die voer de hant qualijc varen wilt, hi sette hem gheheellijc
den duvel ende der werelt te behaghene.
Dander es: wat mensche die hem simpelijc houden wilt na wise der heilegher
kerken, hi sette hem tamelijc daer na, soe dat hij dmiddel houde in alle dinghen een
goede effene ghemeyne wise der heylegher kerken, daer hem nyemant aen stoten
en mach, ende gae tamelijc van cledinghen ende van abite, niet te verworpelijc noch
oec niet te blinckende, in dien
1)
Zie hierboven blz. 123-148 en blz. 153-183.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
242
dat hi der duveliker werelt, die deen dander te sonden trecken willen overmids haer
1)
behaghelheit, nie en ghelike , mar gheeft elken goet exempele, soe dat de doocht
2)
aen u blike, effene seden ende rijp ghelate , dat ionc vrouwen al te male staet. Mar
+
wildi u een ghehele trappe hoeghen, soe nemen wij terde poent voer oghen, omme
te wetene voer alle dinc, wie ende wat eenre ghewaregher beghinen sal toehoren, +fol. 121d
die gheheellijc alle de werelt wilt verdoren, dat es te verstane dat si alle cierheit
der werelt van buten ende oec van binnen te male wt haerre herte sal worpen ende
3)
begheven, wilt si Cristus van buten ende oec van binnen in suvere reynicheit leven.
Hier toe behoren eenre ghewaregher beghinen oft enen afghesceydenen
gheesteliken mensche VI dinghe toe, ende alsoe salse VI dinghe in contrarie
vercrighen, daer mede Gode te dienen tot haerre hulpen weert. Dierste es dat si
van buten alle cierlike treckende behaghelheit sal verworpen, ende gaen daer toe
4)
verworpelijc ontlixent , onghelijc der werelt, op dat men haer niet aen en sueke
noch en bestoete van enegher vremder werliker liefden. Want aende tekene
bekintmen den man, van wat gheslechten dat hi es, als men sijn wapene van buten
aensiet; daer na wert hi bestreden, ende oec meneghe beghine alsoe ghelijc, na
dat si haer van buten ciert ende wtsettet na wise der werelt. Want ghelijc suect sijns
ghelijc, sprect de meester van natuere.
Dander dat eenre ghewaregher beghinen toe hoert, es datse haer ontrecken ende
5)
+
ontiyen sal alre wtwendegher heymeliker nawandelinghe, soe dat si eghenen
+
6)
fol. 122a
sonderlinghen vremden vrient te lief oft lieve en hebbe van buten vercoren, die
haer scade[n] oft letten mach tusschen haer ende Gode; want dat soude
1)
2)
3)
4)
5)
6)
Hs. gheliken.
Lees om het rijm: ghelaet.
Op te vatten als datief = Cristo.
= ontlijcsent. De veel voorkomende n kan ontstaan zijn langs fonetiese weg, en door
versmelting met ontlikenen. (Zie Mnl. Wdb. i.v.). Vgl. blixene (= blixeme).
De y van dit woord is in het Hs. onduidelik: er zou ook x kunnen staan, maar met dit vreemd
gespelde woord zal wel onttiën bedoeld zijn.
De woorden ‘oft lieve’ lijken mij een invoegsel.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
243
haerre zielen ende haerre consciënciën meeste viant sijn, die haren vriën inkeer
bename tusschen haer ende Gode. Dat waer mij een scadeliker viant dan die ghene
ware, die mij al eerterijke beroven mochte.
Dat derde dat eenre beghinen echter toe hoert, es: waert dat sake dat eenich
man haer ghenaken oft teghen haer spelen woude, dien salse toonen een rijpe,
swaer, onweerdich aenscijn.
Maer ten vierden male sal sijre noch meer toe doen, waer dat sake datse eenich
man helsen oft cussen, oft sijn handen in haren boesem steken woude. Dien salse
onwerdichlijc hurten ende van haer stoeten, val daer hi mach, al soude hi oec den
hals breken. Mar besie haer selven herde wel, ocht sijt doen soude den ghenen
1)
dien haer herte beste ghelosten ende ghelieven mochte, of dien sij weet.
Maer ten vijften male sal haer doen drievout meer dobbel wesen, waer dat sake
dat eenich man sijn hande woude ontamelike onder haer cleder steken, met quader
+
onsuvere ghelost heet ontsteken. Dien salse haestelijc slaen voer mont, sonder
+
beraden, ter selver stont, ende dan sal haer aflaet dobbel wesen.
fol. 122b
Maer ten sesten male sal eenre beghinen daer af haer werc viervout
dobbeleren, waer dat sake datse eenich man teghen haren wille oft teghen haren
danc vercrachten woude. Ende en canse hem niet on[t]vlien, si machne doot slaen
sonder ommesien, ende es daer toe gheabsolveert van Gode, want si sterft inde X
ghebode. Mar eer sal de maghet haer selven gheven in de doot, eer si viele inder
hellen noet.
Ende nu willen wij voert onse vorste materie verclaren vander inwendegher
gheesteliker reynicheit des herten, hoe dat lichamelike reynicheit ende gheestelike
inwendeghe suverheit te gadere concorderen ende overeendraghen selen met
eenre gheliker ghevoelsamheit van buten ende van binnen, soe dat dinnerste deel
[dat] butenst deel ghewildechlijc na hem sake tot
1)
De laatste vier woorden zijn niet duidelik. Misschien is, tegenover het veronderstellende
‘mochte’, de bedoeling: of die zij werkelik reeds liefheeft.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
244
enicheyden weert. Daer ontfeetmen de hoechste crone boven redene, ende die
crone es een inwendeghe volcomene cierheit van boven tot beneden alre doochde
en[de] alre goeder werken. Want daer beghint ende eynt van boven nederweert alle
ghewarighe heilicheit. Maer dit van beneden opweert te vervolghen, hier toe behoren
+
ons noch, als ic eer seyde, VI dinghen. Ende dese VI dinghe selen contrarie sijn
na eenen sinne den anderen VI dinghe[n] die ic voer seyde. Want alsoe gheliker +fol. 122c
wijs als ic der maghet voer hebbe gheleert, hoe dat si van buten alle manne ende
alle hinderlijcheit scouwen ende vlien sal, wilt si suverheit behouden, alsoe willic
ons voert leren, hoe dat wij met onsen begheerliken crachten van binnen inweert
teenicheyden wert moeten vlien, op dat onse here Ihesus Cristus, onse eneghe
brudegom, inden oversten deel ons gheests sonder middel gheboren ende
gheopenbaert sal worden in deweghe levene, daer hi met sinen vader een enich
een es. Ende als de maghet dit vercrijcht overmids oeffeninghe, ende inwendeghe
vriheit boven ende buten haer selven met Gode in enicheit beseten heeft, dan sal
haer crone drivout dobbeleren met alle der gheesteliker cierheit diere toe behoren
1)
sal, beyde van buten ende van binnen. De nederste sal sijn een lijfelike oft lijfleke
crone, gheciert met sedelike doochden na wise der heylegher kerken.
Ende dander een redelike inwendeghe crone vol van doochden ende van alre
heylicheit, gheciert metter graciën Gods.
Ende de derde een gheestelike crone, die van boven tot beneden gheciert ende
ghecleedt sal sijn overvloedelijc boven gracie inder gloriën Gods.
+
Vanden staet der cluseneren ende wat hen sonderlinghe toe hoert.
+
fol. 133d
+
Ende dit hoert sonderlinghe clusenaren toe, dat sij met haren verhavenen
opghevoerden crachten haers gheests boven hen
1)
De laatste twee woorden schijnen een invoegsel, tenzij lijfelïke op te vatten is als liefelike, en
dus woordspelend gebruikt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 134d
245
selven vernuftelijc souden wandelen, dedense haren dinghen recht, maer neense
1)
niet. Ghelooft sij God, desere cluseneers es nu opten dach van heden luttel goets
in eerterike, die der enicheit leven, noch van buten noch van binnen. Want sij loepen
van steden te steden, dach na dach, ende van lande te lande ende sijn rechts der
werelt een scop ende een scande voer de oghen der menschen, want sij slechten
den speellieden, die nyegherincs noeder en sijn dan thuys. Alsoe en sijn oec die
ghene, die heden dachs clusenaren heten, die vintmen selden eeneghe wile thuys,
2)
noch dach nocht nacht; het loept al hare ende tare: het slacht den ludicx hare.
Want bi na al dats heden daechs gheestelijc ende afghesceden van der werelt sijn
3)
souden, dat kikelt bi na al wtwert ende heeft meer sijn oghen op tijdelijke dinghe
ende op noet des lichaems, danse doen op notorfte der zielen oft op eweghe dinghe:
+
daer steetmen laeuwelijc of alse niet na. Ende oec selke andere menschen, die
+
yet gheesteliker eerstachticheit in hem ghevoelen, die keren hen terstont ten
fol. 135a
volke wert, omme dat sij yet meer spreken connen van Gode dan andere liede.
Ende alsoe behaghen die liede oec hen selven overmids haer wel spreken in
4)
gheesteliker hoverdicheit, die in voer ende oec in na, boven alle dinc swaer te
verwinnen es. Want hoe heylichlijc de mensche leeft, al tot in sijn eynde heeft hi
ommer yet te stridene teghen gheestelike hoverdicheit. Want als alle andere sonden
onder de voete sijn gheworpen: oncuysheit, gulsicheit, traecheit, ghiericheit, haet,
nijt, toren, dan coemt hoverdie ende behagen ons selfs van niewe te voren ...
1)
2)
3)
4)
‘luttel goets’ is één woord = geen (Mnl. Wdb. IV, 908).
Achter dit vreemde woord is wellicht ludich te zoeken. Vgl. hiervóór (blz. 169); luedighe honde,
maar ook het woord hare is niet duidelik. (l. bare? Vgl. Opm.).
Bij deze passage staat op de rand van het handschrift: Nota super optime.
Deze uitdrukking staat hier met dezelfde betekenis als ‘vore ende na’, nl. bij verschillende
gelegenheden, steeds (Zie Mnl. Wdb. IV, 2060, waar geen voorbeeld met ‘in’ te vinden is).
Het ontstaan zou verklaard kunnen worden door de bijgedachte: in vroeger en in later tijd.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
246
+
Vander swesteren ende lolarden ende broetbagaerden ende van
alsulkerandelike volke staet. Ende vander inwendeghe gheestelike
mesquamen haerre letsaemheit. Ende oec wat si iaghen, daerse lutter
met beiaghen, al eest dat si den armen schijn van buten draghen.
+
fol. 124b
Gheliker wijs dat ghi voert horen selt overmids dat vijfste princepale boec van
swesteren ende lollaerden ende brootbagaerden ende van alselkerande volc, dat
na sijn eyghen hoeft ende na sijnen goetduncken leeft ende hem al meest houdt in
wtwendegher eyghentheit van penitenciën ende oec in voernemenden scijn van
+
buten, daer luttel aen belanc es, dat sij groot ende swaer achten. Mar vanden
vierden boec laet ic hier vele achter ende wil u voert segghen der bagaerde prijs +fol. 124c
ende oec noch meer haren verborghenen lachter: het waer sonde ende oec
scande, lietic de waerheit achter, want mij God overmids sijn ontfermherticheit
daertoe vermaent ende roept ende verbonden heeft ende oec minen gheest voer
sijn aenscijn daer toe besworen heeft, sijn gheestelike vonnesse te openbaeren,
dat es een ghewarich ghetughe oft een orconde te ghevene tusschen quaet ende
goet ende tusschen goet ende noch beter, ende ten dorden male tusschen dat beter
ende oec dalre beste te gherakene sonder dolen, die werden yerste gheleydt vanden
gheeste Gods sonder middel ter hoechster scolen. Want daer de hoechste scole
der godliker minnen overmids bloten verhavenen inganc van gheeste beghint; daer
in oft daer boven int yerste volcomen armoede des gheests daer wij ons selfs ende
alre eenwilligher eyghenheit overmids godlike minne te male ons selfs verloechent
ende in Gode ghestorven sijn. Mar dit simpele eenwoldeghe verteghen gheestelijc
armoede dit en es nyegherincs te sueken; noch binnen ons noch buten ons en eest
+
oec niet te vindene met eneghen werke, noch met al onsen doene, dat wij
ommermeer ghewerken moghen na ghebeelder wijs. Want het houdt hem boven +fol. 124d
alle menichvoldeghe wisen van inwendegher oeffeninghen ende boven alle
creatuerlike
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
247
1)
navolghinghen in die blote eenvoldeghe overweselike ghestillicheit ons gheests,
weselijc rustende in Gode. Boven alle overlidinghe werdet salichlijc in Gode, God
met Gode beseten boven alle beweghinghe, daert in hem selven noch toe noch af
en nemt. Ende van desen volcomen armoede waest dat onse here sprac: ‘Salich
sijn die arme des gheestes, want hemelrijc es haerre’. Dats der gheenre, die aldus
boven hem selven ende oec boven al haer werke in Gode ghestedicht ende weselijc
2)
inwoenachtich een setel oft een troen Gods sijn, daer God op rust, want daer es
Gods inwoninghe. Mar nummermeer en mach de mensche des ghevoelen, hi en si
ten yersten overleden al onghestedicheit deser werelt ende oec alle sijns verstants,
beyde van buten ende oec van binnen. Ende daer werden wij thronen, daer wij
Gode boven alle navolghende beweechlijcheit besitten, dat es in die middelste
iera[r]chie van den IX choren, daer de middelste inghelen in sijn. Ende dit heten
3)
ende oec sijnt die berrenneren , die daer altoes bloot instaren ende weselijc
+
overneyghen, gheeste met gheeste, in salicheyden tot in de heyleghe stat der
+
ghenadicheit Gods, dat es in dat sanctum sanctorum daer den mensche alle
fol. 125a
mesdaet ende alle daghelijcsche sonden, groot ende cleyne, in elke[n] oghenblicke
te male verlaten ende vergheven wert ende oec die pine des vagheviers quite, alsoe
dicwile als de mensche met sijn bloten eenvoldeghen ghesichte overmids minne
ende kinnesse boven redene gheet, dat es alle uren alsoe dicwile, als de mensche
antwoerde ende dat ingheesten Gods sonder middel ontfeet, van boven nederwert
horende es dat inspreken Gods, dat es Cristus stumme, dwoort des vaders inden
gheeste ghehoort. Want het en was, noch en es noyt mensche soe simpel noch
soe grof, noch soe plompen esel van verstane, noch oec egheen soe groten sondaer,
maer hadde hi Cristus stumme eens inden gheeste ghehoort ende
1)
2)
3)
Hs. gheestelicheit, veranderd in ghestilicheid. Bedoeld zal wel zijn: ghestillicheit (vgl. bij
Ruusbroec: ‘ene ghestilde ledicheit’. Vgl. ook: een valsche duistere stille haers selfs (beneden,
blz. 15).
Hs. eensetel.
Hs. berrēnneren. De tweede r is bovenaan bijgeschreven. (Zie Opm.)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
248
vernomen ghevoellikerwijs metten inwendeghen oren, op die selve ure waer hi een
scouwende mensche ende soude ter stont iubelerende werden ende ontspringhen
1)
hem selven overmids hertelike ondrachlike vroeude. Van bliscapen en soude de
mensche dan voertmeer in hem selven niet ghedueren noch ghebliven connen
overmids hemelsche inwendeghen verlanghenisse van begheerten te Gode wert.
Want Cristus stemme ende sijn eweghe woert dat doet ons Gode grootachten ende
+
oec alle andere dinghe cleyne weghen, die hier beneden sijn. Ende oec doet ons
+
Cristus stumme ende sijn eenvoldeghe inspreken, roepende in ons van boven
fol. 125b
nederwert, ons selven overliden in elker uren, als ic eer seyde, ende oec mede
alle vremde onghestedicheit deser werelt. Ende alsoe wert de mensche een quicborre
oft een levende gheestelike fonteyne, ebbende ende vloeyende ende overvloeyende,
2)
orspronghende ende weselijc iubilerende boven al dit rustende in Gode.
Ende overmids dese drie dinghe wert ende es de mensche volcomelijc Gode
ghelikende in alre heylicheit.
Dierste es: wij selen gheheelike wederboecht ende opghericht staen met alheit
ons selfs, overmids dreyheit weselijc inghekeert in enicheit. Ende alsoe selen wij
altoes inwert ebben met eenen eweghen hongherighen dorste na die onbegripelike
overvloedeghe satheit Gods, die wij in doverste ons gheests boven al ondersceet,
God met Gode, beseten hebben boven alle werc ende oeffeninghe, alsoe ic dicwile
ons vermaent hebbe.
Dander wise, daer wij Gode echter in ghelijc sijn, dat es, dat wij wt ende
overvloeyen selen overmids gracie ende glorie; metter selver meldicheit die God
es selen wij verwollen hemel ende eerde. Ende al dat graciën ende ghenaden
behoeft ende hebbelijc es tontfane, dat sal een godtelijc overcomende mensche al
verwollen ende boven mate metter rijcheit Gods.
Maer dat derde houdt hem simpel boven dese twee riken
1)
2)
Lees: vroude. Misschien heeft de zestiende-eeuwse afschrijver met zijn spelling een andere
klank aan willen duiden.
Hs. iublierende.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
249
na onbeweechliker wijs, dat es een ghestedeghe, ghestilde, eenvoldeghe, weselike,
1)
overweselijcke satheit Gods, daer wij boven ons selven mede in Gode rusten ende
weselijc inwoenachtich sijn na ghebrukeliker wijs sonder wederkeer ende daer sij[n]
2
wij Gods ende ons selfs ende alles ledich boven onse selvesscheit. ) Maer met
onse levenden, gheesteliken crachten selen wij opgherecht ende voerstaende bliven
ende altoes werkelijc overwert scouwende ende sien overmids dreyheit in enicheit.
Ende dat es de hoechste vroude ende welde, gracioeste melodie van bliscapen,
die inden gheeste gheleghen es, oft die ic weet. Maer met onsen ghedooden
gheesteliken crachten, daer wij puer arme van gheeste sijn ons selfs te male beroeft
ende overleden, al soe selen wij inde godheit rusten ende sweven. Ende tusschen
dese twee, dat es tusschen onsen vriën inkeer te Gode ende dat weselike besitten
Gods, soe houdt haer altoes caritate in ons, daer wij alle doechde met werken te
Gode, tons selven ende oec tonsen evenkersten voertmeer ewelijc daer boven.
+
Siet, aldus hebbic u de hoechste gheestelike vonnesse Gods gheopenbaert, dat
+
sonderlinghe die arme des gheests ende die wtvercorene ende oec die ghene,
fol. 125d
die in ordenen sijn gheset te levene naden rade Gods, van rechte in hem
ghevoelen souden, warense gheleydt vanden gheeste Gods ende verhaven boven
haer selven, ende waren de ghene, die verworpelijc gaen dat sij van buten scinen.
Want dit souden wij al principalijc vercrighen met vier dinghen.
Dierste dat wij Gode gheheelic minnen souden om hem selven.
Dander dat wij ons selven gheheellijc minnen ende lief souden hebben omme
Gode te dienen ende sijn vri-eyghen knecht te sijn voertmeer ewelijc.
Dat derde es, dat wij elken mensche selen doen, dat wij willen dat hi ons weder
doe, alsoe dewangielie tuucht: dat es een effen gewichte.
1)
Hs. overwelijcke. Opmerkelik is de waarschuwende kanttekening in het manuscript: ‘Cave
verbum sed non sensum’, d.w.z. verwar deze opvatting niet met de leer van de ‘vrije geesten’,
die zich van dergelijke termen bedienen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
250
Maer ten vierden male selen wij onsen viant minnen ende hem lief doen, biddende
voer hem ghelijc onsen vrient.
Dit soude ons al even licht sijn, conste wij te gronde ons selfs van binnen
ghesterven ende ons gheheellijc onder ende overgheven in ghedoechsamheyden
onder die gherechticheit Gods als in sijn ontfermherticheit sonder ansel ende
eeneghe wrake alle dat te lidene ende vriwillichlic te ghedoeghene, dat God op ons
+
ghestaden ende ghehinghen wilt. Ende oec wat ons eenich mensche aen doen
+
mochte, waert rechte of onrechte, wij soudens alles even effene ghelijc sonder
fol. 126a
verkiesen staen, waeren wij gheheellijc metten gheeste inwert horkende overmids
de binnenste ons heren Ihesu Cristi in Gode ghestedicht ende inwoenachtich
verhaven boven ons selven, soe behielde wij altoes volcomelijc wet der minnen in
eenpaerlinghe vrede onser binnenster eenvoldegher gheheelheit, dat die niet
ghequest noch ghescoert noch oec ghedestrueert en worde van vremden wtsinneghe
saken. Mar al dat in ons es ende leeft, beyde herte ende sin, ende ziele ende lijf,
dat selen wij scoren ende breken loveliker wijs, consten wij, overmids inwendeghe
verlanghenisse van begherten te Gode wert, ende alsoe navolghen al crighende in
ontblivene onser binnenster gheheelheit. Ende souden ons daer toe op ons selven
tornen, omme dat wij Gode engheen tijt oft engheen wile ontbliven van sinen claren
gloriosen aenscine te scouwene sonder middel. Want dese inwendeghe stuerheit
te Gode wert in ons behouden; dit es een heilich toren ende een gheestelike quale
inder zielen, die den mensche nummermeer in hem selven ghedueren noch rusten
en laet. Want wie dat hem op sijns selfs persoen torneghet, al hadde hem een
andere yet mesdaen, hi es herde licht versoent, want hi suect altoes ootmoedelijc
ghenade als oft hi selve mesdaen hadde. Want met eghenen dinghen en mach
eenwilleghe eyghene crighelheit bat noch lichtere verdreven noch oec verwonnen
1)
werde[n], dan dat de mensche egheen dinc en ande noch en wreke noch
1)
Hs. onde.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
251
hem en beclaghe, wat datmen sinen persoen allene aendoet oft over den hals
1)
segghen mach. Siet, dit es wel [d]beste dat ic weet, dat de mensche hem selve
drucke ende te gronde late.
Maer nu machmen cort voert vraghen waer omme dat alle goetwilleghe menschen
des niet en ghesmaken noch en ghevoelen ende oec mede sonderlinghe die ghene,
daer dit boec op ghemaect es, als op swesteren ende op lollaerde ende op
alselkerande volc, die ‘darme kindere’ willen gheheten sijn, tfi der scanden! Dit en
doet anders niet dan haer onghelike onhebbelicheit oft haer eyghen eencrigelicheit
van binnen, daer alte vele af te segghene ware van meneghen quaden verborghenen
poenten diese bina al ghemeynlijc in hen draghen, beyde swesteren ende lollaerde,
ghelijkerwijs dat ic met haers selfs inwendeghe ghevoelene openbaer proeven sal,
al doe ict seker noede. Mar hem eest noet; ende meer sal ic aensien de gheestelike
noet mijns evenkerstens dan den luut mijnre scanden, op dat mijn caritate in hem
ende oec in allen menschen van Gode weder te Gode vloeye, soe blivic vri van
alder vremder famen.
+
Nu willic u voert openbaren haer inwendeghe gheestelike mesquamen haerre
+
letsamheid, ende oec wat si iaghen, daerse luttel met beiaghen, al eest dat sij
fol. 126c
den armen schijn van buten draghen. Dit moet ic Gode claghen, dat sij den
gheesteliken inwendeghen armoede, daer al de macht aen leghet, soe onghelijc
ende soe verre ende so vremde sijn ende en wetens nochtans selve niet. Want ic
waen wel op mijn ziele ende op mijn beste ende oec inder waerheit, die God es,
ghesproken, dit es mij dmeeste, dat de dusenste swestere ende oec bagaerde niet
en sijn gheëyscht noch gheleydt sonder middel van Gods gheeste. Maer het doet
haer eenwilleghe aenghenomen crighelheit, dat sij deen den anderen trecken vanden
ambachte, om dat sij van haren dinghen soe vele houden ende haer wtwendich
2)
armoede, al omme broot gaen, soe groot achten boven andere lieden staet. Siet,
dit es de sake ende de waeromme,
1)
2)
Vgl. in Brabantse teksten: over hals comen, over den hals comen = overvallen (Mnl. Wdb.
III, 53).
Lees: als?
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
252
dat menich simpel goetwillich mensche sijn ambacht laet varen eer hijt selve weet,
waer hijt heeft, dat hem cort namaels berout, al scaemt hi hem weder te keeren.
Ende omme dat hij eens of tweewerf heeft horen preken oft prisen armoede des
+
gheests, hoe edele dat es, hier omme loept hi wt sinen eenwilleghen hoefde met
+
eenre crighelheit van lande te lande, hier oft daer omme der lieden broot, oft
fol. 126d
gheet in een celle wonen met anderen broederen, die selve alsoe crighel ende
eenwillich sijn na haer goetduncken. Ende aldus driven de cellebroeders haer
eenwilleghe, aenghenomene crighelheit oft haer eyghen goetduncken vaste voert
ende houden oec luttel goets van yemene yet, hi en si sonderlinghe van haerre
wisen ochte hen ghelijc; dien selense hoechlijc prisen ende loven, ende oec
sonderlinghe die ghene, die hen daghelijcs goedertieren sijn, houdense vele af,
daermen haers lichamen wel pleghet ende wijn over wijn drincken ghevet, daer
waest goet. Want sij sijn al meest cranc van hoefde ende hebben hem selven ‘wt
veroeffent’ - dit es der bagaerde segghen - ende en moghen daer toe niet meer
vasten dan nauwelijc als de heyleghe kerke ghebiedt. Mar de XL daghe die vastense
al wt, want sij moetent doen van noede, maer daer met staen sijs ave. Nauwelijc
vastense voert de vridaghe; nochtan segghen sij, dat sijt al puerlijc van minnen
1)
doen. Het tfi der minnen ende oec alle der gheenre, die niet meer en willen doen
+
dan nauwelijc dat de heyleghe kerke ghebiedt; cume latense te rechte dat sij
+
verbiedt. Ende hier bi willense nochtans arme kindere ghepresen oft arme
fol. 127a
menschen gheheeten sijn, ende loven hen selven bedectelijc int ghemeyne,
omme dat si den armen verworpenen scijn van buten draghen. Dit moetic anderwerf
Gode claghen, dat menich met al sijn armoede de helle sal beiaghen, omme dat sij
den gheesteliken inwendeghen armoede soe onghelijc ende soe verre
1)
Men zou geneigd zijn hier alleen ‘Tfi’ te lezen, maar ook Carel ende Elegast vs. 804 heeft als
variant het fi (Mnl. Wdb. VIII, 291). Het schijnt dat men in de voorafgaande t een woordje et
(het) gevoeld heeft. De dubbele t zou dan alleen een spelling zijn, zoals die in dit hs. meer
voorkomt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
253
ende soe vremde sijn, ende en wetens nochtans selve niet. Want al eest alsoe, als
ic noch meer hebbe ghesproken, dat sij overmids penitencie ende hert leven haer
nature van buten doden ende arme ende aleyndich ende versmaet sijn op eerterike
ende al dit omme Gode liden, dat hen van buten toe vallen mach, dits wel goet, mar
het es een herde cleyn dinc teghen dinwendighe doot des gheests, eer wij ons selfs
ende alre inwendeghe gheesteliker eyghentheit ghesterven, daer sonderlinghe de
broot bagaerde alte sere van binnen met besmet ende verdonckert sijn, omme dat
sij van hen selven ende van haren eyghenen goetdunckene soe vele van binnen
houden. Overmids haer sonderlinghe aenghenomenheit van buten willense hen
+
selven soe hoghe prisen ende achten haer leven ende haren brootganc, dien
+
willense hoechlijc setten in haer herte boven alle ordenen ende oec boven alle
fol. 127b
state van leven die inder heyligher kerke gheset ende ghefondeert sijn, soe
achtense haren staet ende haer wise, daer sij met loepen van lande te lande, soe
groot, ende houden soe vele van mallec anderen, dat hen seker dunct dat nyemen
haers ghelijcs sijn en mach. Van groter heylicheit knielense deen voer den anderen,
niet van oetmoedicheyden. Want ic hebbe dit aen hen vernomen, sij en dadens
enen bisscop niet, die nochtans sijn eyghene ziele heeft gheset voer hen. Maer
trouwen, sij hebben paepscap ende oec sonderlinghe die ghene die de heyleghe
kerke te berichtene hebben ende boven hen sijn moeten, willense oft en willense,
die hebbense in groter onweerdicheit van mesmoghene, dorsten sijt wel openbaren,
omme dat sij den priesterscape wiken ende onderdaen moeten sijn, dat heeft hen
sere onweert. Ende dit coemt den bagaerden van inwendegher, gheesteliker,
opdraghender hoverdicheit, die boven alle dinc swaer te verwinnene es, omme dat
si van hem selven ende van haren dinghen soe vele houden. Boven alle andere
ordenen achtense haren brootganc groot. Ende wildi weten, waer af hem dit meest
+
coemt? Altemale van eenwillegher crighelheit; omme dat sij van buten vri ende
+
eyghen haers selfs willen sijn, daer omme en gaense in egheen
fol. 127c
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
254
andere ordene, die nochtans puerlijc sijn gheset ende ghefondeert overmids de
macht ende de cracht des heylichs gheests, ende segghen dit daer toe, wanneer
soe de mensche hem selven verbonden heeft in een ordene, dat hi dan voert meer
alle sijn werke niet puerlijc wt gherechter minnen doen noch werken en mach omme
des eyghens bants wille der ghelooften, dat hijt doen moet. Ende dits een puer
valsche glose, daer bina oft alle de lollaerts met omme gaen, ende houden dat alsoe
si. Want soe de mensche meer sijns selfs can wtgaen ende hem verbinden in rechter
ghehoorsamheit onder eenen anderen mensche, ya beyde van buten ende van
binnen, soe hi sekerre van binnen ende oec mede vriër wert te Gode noch meer
ende overvloedelikere alle sijn werke wt gherechter minnen te werkene. Want
dordene ende de bant der ghehoersamheit onder den oversten prelaet, hoe inghe
oft hoe nauwe hi es, hi en beneemt ons egheene inwendeghe vrië werke der minnen.
Mar soe wij meer bants ende ordenen ontfaen ende ons selfs vertiën ende wtgaen,
+
soe wij vriër van binnen werden. Want Peter, die apostel Gods, was alsoe vrij, doe
hi op de doot inden kerker lach ghevaen, als oft hi op der straten hadde ghegaen. +fol. 127d
Des en connen swesteren noch bagaerde niet te gronde begripen noch verstaen.
Mar si willen segghen ende oec houdense dit, dat mee[r]der es Gode te dienen
ende hem allene ghehoersam ende ghevolchsam te sijn, dit achtense mee[r]dere
vele, dan datmen eeneghen mensche om Gods wille ghehoersam oft onderworpen
soude sijn oft oec in eeneghe ordene te gaen, daer houdense luttel af oft als niet.
Want sij sijn teenwillich ende te crighel ende al teyghene haers selfs, ende hebben
liever vri te sijn van buten en[de] te lopene van lande te lande omme der lieden
broot; dat ghenuecht ende ghelust der natueren hondertwerf bat. Hoe groot wtwindich
armoede dat een bagaert hebben mach, hem esser nochtans dusentwerf bat toe,
dat hi doen ende laten mach na sinen poente ende na sinen wille, alst hem te
gherieve coemt, dan dat hi doen ende laten soude sijns selfs te verloechene totter
doot wt eens anders wille, wat hem een ander
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
255
wilde doen doen in gherechter ghehoersamheit, dat hem dies bat ghelosten soude
alsoe arm sijns selfs te sine sonder eenich verkiesen dan al dat hi selve nummermeer
+
soude moghen willen doen. Siet, deser bagaerde, die aldus haers selfs te gronde
van buten ende van binnen verteghen ende arm haers selfs ghestorvens wille in +fol. 128a
een ordene te gaen totter doot toe sonder wederkeer omme Gods wille, deser
swesteren oft bagaerde es cume een in al eerterike, die hem aldus van binnen
ghevoelen, dat sij dit souden willen doen, want sij hebben liever vri ende
onghebonden te sijn van buten. Want inwendich armoede daer af en wetense als
niet, noch dies en suekense als niet. Ende oec sijnse soe doerwortelt, deen metten
anderen ghekeert ende gheset op haer eyghen goetduncken, omme dat sij van hem
selven ende van haren dinghen soe vele houden en connense niet gheweten noch
verstaen, in wat manieren datse gheestelijc inwendich armoede souden moghen
beghinnen te suekene. Daer onse here af sprac: ‘Salich sijn die arme des gheests,
want hemelrike es haerre.’ Dese armoede en ghevoelt de dusenste swestere noch
bagaert niet: al draghense dlicht ende den scijn van buten, hem ghebreket dlicht
ende den schijn van binnen. Want dat volcomen armoede des gheests, daer omme
onse here af sprac, dat salicheit ende ewich leven nu eenre sempelheit in hem
selven es, dat armoede en neemt in ons noch af noch toe met egheenre
oeffeninghen. Want het es boven ons selfsheit ende boven alle werc ende
+
navolghende oeffeninghe in doverste ons gheests gheleghen, daert niet en verdient
+
noch oec nummermeer af noch toe en neemt, daer wert dat verborghen bloote
fol. 128b
eenvoldeghe verhavene gheestelike armoede ende oec boven al inwendich
armoede wert daer inder overster enicheit God met Gode beseten na ghebrukeliker
aert Gods boven alle navolghende beweghinghe in ghestedegher innegher enicheit
Gods. Dit armoede en vant noch en sach noyt noch nye creature, hi en hadde hem
selven tyerste overmids minne in die godheit verloren, want daer wert ons Cristus
boven redene alle uren gheboren.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
256
+
Ondersceet tusschen kinnesse ende minne, die hebben de groote clerke
+
sonder leven ende goede menschen sonder hoghe verstaen, ende
fol. 196c
van dolinghen der vriër gheeste.
+
Wat holpet mij dit, dat ic waer paeus oft cardinael oft een eertssch bisscop, ya,
+
ende ic en twint van deser heerscapie en wiste, noch oec nummermeer weten
fol. 197b
en soude, seker? Soe waer ic mij alsoe lief een sweenre als een paeus oft een
stalknecht als een coninc, oft een scepere als een keyser, ya, oft een stroe haddic
dan alsoe lief te sijn, als ic dade here van al eertrike.
+
Siet, ende aldus na dese ghelike soe es oec rechts den ghenen ghesciet, die
daer toe comen wanen, datse Gods alsoe ledich willen staen ende sijn, alse doe +fol. 197c
waren, doen si niets niet en waren, ende selve God oft godheit willen oft wanen
sijn, ende segghen oec, dat haer ghescapen wesen in dat onghescapen wesen
Gods te male te niete vergheet. Deze quade vrië onvrië gheeste, die dit houden
ende in hen ghevoelen alselke valsche, inblivende ledicheit sonder werc ocht sonder
inwendeghe oeffeninghe van minnen, siet, dese quade menschen sijn vermalendijt
vanden eweghen monde Gods. Want sij sijn te hans verordelt ende vermalendijt,
ya, die ghene die selve wanen sijn, dien lieden en mach men niets niet ghehelpen
noch gheraden, ya, alle die ghene, die ye met tonghe ghespraken, die talselker
sotheit gheraken, datse wanen ende hem des van binnen dunct, dat haer wesen in
dat wesen Gods vergaen soude. Ende dese valsche bedroghene menschen en
willen noch van inkeer noch van wtkeer noch oec van werke noch van inwendegher
oeffeninghen niet weten, ya, anders danse hen selven ledichlijc ende natuerlijc
+
besitten in een valsche duustere stille haers selfs. Ende in dier natuerlijcker,
+
verblinder donkerheit, ya, sonder licht oft sonder inwendeghe claerheit Gods te
fol. 197d
bekennen, soe dunct hen datse Gods wesen sijn, in sduvels ere. Ende hier omme
willense alsoe bloot ende alsoe ledich sijn, als sij waren, doense niets niet en waren.
Ende dits puer sotheit, waer dat
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
257
sake dat sijt selve merken wouden. Want een dinc, dat in hem selven niets niet en
es, dat en mach noch ledich noch onledich sijn. Want ghebenedijt sij mijn here ende
mijn God, Ihesus Cristus, wiens onderworpen knecht dat ic bin, ic bekinne te rechts
alle haer valsche bedroghene quaetheit. Ende ic weet al wel, waer mede datmen
hen ghehulpen mach en[de] waer omme datmen hen nummermeer niets niet
ghehulpen en mach. Want alle die ghene, die hen vrilijc willen laten onder die
ghemeynheit der heylegher kerken, ende alsoe werkelijc in ende wt willen keren
+
overmids die passie ende die heyleghe verdiente ons heren Ihesu Cristi, siet, dien
+
lieden es te hans gheholpen, die in hem ende in sijn heyleghe binnenste met
fol. 219c
trouwen hopen ende gheloeven als in haren here ende in haren God......
Hoe verdienlike dat es ghewareghe ghehoorsamheit inder ordenen.
Ende hoe die lollaerde ende susteren dolen, die haren staet achten
boven den staet der ordenen.
Maer dese drey poente moeten dobbeleren in VI manieren, ya, ghelikerwijs dat ghi
hier namals ter stont horen selt van der vriwillegher ghehoorsamheit, hoe dat wij
die houden selen vriwillichlijc, ommer beyde van buten ende van binnen. Want in
+
ghehoorsamheyden soe beghinnen ende eynden alle doechde, ende oec alle
+
heylich leven dat besluyt in volcomenre ghehoorsamheit totter doot toe. Want
fol. 219d
vriwilleghe dobbelerende ghehoorsamheit die es moeder ende wortele ende
oerspronc alre doochde.
Siet, dit settic vriwilleghe ghehoorsamheit in ordenen, dat een monic oft een nonne
altoes heeft lievere te doene ende oec te latene in gherechter besceydenheit, dat
haer overste wilt ende begheert, dan dat sij doen ende laten mochten na haren wille
oft na haer verkiesen, ya, wat dat ic verkiesen mochte mijns willen te doene, siet,
die verkiesingen en can nummermeer soe goet noch soe edele noch soe volmaect
ghesijn noch ghewerden, ya, in minen werken noch oec in minen doene, hoe groote
gherechticheit oft oec hoe groote wijsheit dat ic
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
258
daer in beseghen oft orboren mochte, siet, nochtans soe waer mij dusent werf beter
ende oec salichlekere mijnre zielen, dat ic mijns selfs te gronde van binnen storve
in gherechter vriwillegher ghedoechsamheit ende gave minen wille sempelijc ende
eenvoldelike over sonder eenich weder segghe[n] onder die heylighe ghehoorsamheit
mijns overste prelaets. Want het waer mij dusentwerf beter ende oec profitelikere,
+
dat ic minen prelaet volghede ende ic sinen wille dade in gherechter ghehoersamheit
+
der ordenen, dan dat hi minen wille dede oft oec mijns eyghens goetdunckens
fol. 220a
yet volghede.
Want ic segghe u dit seker voer waer, dat die mensche herde sachte ende oec
herde ghemackelijc rijt, die daer op eens anders hals sit. Ende dit meynic hier bi,
want minen prelaet, dien ic ghehoersamheit ende trouwe ghelooft hebbe totter doot
toe, die prelaet heeft sijn eyghene ziele gheset voer mij, maer ic en hebbe mijn ziele
niet gheset voer hem.
Ende hier omme soe hetic ende radic u, ya, weder dat u prelaet es quaedt soe
goet, nochtans onderwerpt hem uwen wille ende uwen moet. Ende en werct oec
1)
nummermeer wederstrevelijc teghen uwen prelaet, ya, noch oec om sterven noch
om levene, mar sijt hem in allen goede dinghe ghehoersam ende onderworpen, ya,
tot den eynde ende totter doot toe. Alsoe verre als dordene ghedreghet, soe doet
2)
ende laet altoes vriwillichlijc ende gheerne, ya, wat dat u u overste prelaet heet
ende ghebiedt, dat seldy altemale doen ende laten in gherechter oetmoedegher
goedertierenliker ghedoechsamheit, ya, al waert oec totter doot toe te gaen inden
3)
+
kerker sonder scult ende onverdient, siet, nochtans en seldi dat niet groot noch
+
swaer achten te lidene om die eere Gods.
fol. 220b
Want ic segge u seker dit voer waer, nochtans soe sal dit vele bedroghenre
menschen teghen ende contrarie sijn, dat meerder heylicheit es in gheesteliken
staet eenen mensche
1)
2)
3)
Hs. Dev. wederstrubbelic.
Hs. iave; Hs. Dev. u u.
Hs. Dev. onverscult.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
259
ghehorsam ende oec onderworpen te sijn om Gods wille, siet, daer es meerder
salicheit in gheleghen inden bant der heylegher ghehoersamheit, dant waer, dat
men Gode allene ghehoersam ende ghevolchsam sij. Maer nu vint men eenrande
gheestelike menschen als swesteren ende lolaerde ende oec als ghelijc cluysenaren
van abijte, ya, die des niet en lyen noch niets niet en houden, maer sij segghen
ende willen dese valsche opinie houden, opdat mee[r]der es Gode sonder bant
dienen ende dat men Gode allene ghehoorsam es, siet, dit setten selke sotte
1)
dwasachteghe menschen mee[r]der ende rekenent hoghere, danse doen, dat een
mensche in een ordene ghinghe om Gods wille. Ende in desen, die dit houden ende
2)
wederhouden, soe sijnse donckerlijc bedroghen. Maer omme datse vri ende haers
selfs eyghen van buten ende van binnen sijn willen ende datse oec moghen lopen
3)
4)
van lande te lande na haer eyghen gherief ende na haer eyghen goetduncken ,
+
siet, hier omme ende oec om vele andere dinghe soe hebben sonderlinghe
swesteren ende lollaerde ende oec mede die clusenaren, dese drye partijen van +fol. 220c
menschen, sij draghen altoes verborghelijc in hen eenr[e]hande eweghe
onweerdeghe hatye, ya, ghemeenlijc op alle dordenen ende oec alsoe wel op alle
de clergie. Ende in desen soe es den lollaerden onrecht, ya, datse dordenen ende
oec dpriesterscap, die vanden heyleghen gheest gheplant ende ghefondeert sijn,
versmaden ende achte[n] oec haer dinc ende haer sotte eyghene eenwilleghe
aenneminghe soe groot, ya, als om broet gaen ende oec mede haer wtwendich
armoede, siet, dit settense in haer herte boven alle staet van ordenen. Ende dit
coemt der lollaerden altemale van gheesteliker inwendegher verborghenre
hoverdicheit, die in hen leeft ende dies sij oec selve niet en weten noch en bekinnen.
Maer wildi weten ende merken, waer in dat die broetbagaerde, diemen daer heet
lollaerde, alre meest dolen, dats omme datse van hen selven ende van haren broet
1)
2)
3)
4)
Hs. Dev. dwaelachtighe.
Hs. Dev. sekerlic.
Hs. Dev. ghemac.
Hs. Dev. ghedunken.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
260
ganghe ende oec van haerre sonderlingher voernemender wisen, diese voeren
boven andere menschen, soe vele houden; ende soe sunderlinghe groot achtense
+
haer doen ende haren broetganc, ya, boven alle manieren van state, die in eerterike
sijn: nochtans en hebbense te male eghenen state van ordenen. Ende hier omme +fol. 220d
soe sijnse herde verre daer af, datse wanen ende willen sijn. Trouwen, die
lollaerden souden oic herde noede ende alte noede in eeneghe ordene gaen. Maer
sij hebben lievere vri ende haers selfs eyghen van buten te blivene, ya, op datse
vaste voortlopen moghen van lande te lande in haer eyghen goetduncken.
Siet hier omme en begherense ommer in egheen bedwanc van ordenen te sine.
Het soude hen oec herde swaer ende alte swaer sijn, datse haren eyghenen wille
1)
te male souden moeten breken ende overgheven, ya, totten ijnde ende totter doot
toe onder eens anders wille te doene.
Nochtans soe seggic u dat dit es thoechste ende dedelste werc ende dbeste werc
2)
ende dloenlijcste werc ende oec dat alre volcomenste werc, dat de mensche
ommermeer wercken mach, dat es dat hi sijns eyghens willen te gronde verniete
ende vertye, op dat wij moghen sijn ende werden een vriwillich instrument onder
die ghehoersamheit ons prelaets.
Siet dit hoert van rechte alle monken ende nonnen toe, datse beredere selen sijn
altoes te doene ende te latene, dat haer overste wilt, dan yet anders, dat ic wille oft
3)
verkiesen mochte na mijnsheit .
Want merct, ic segge u noch meer, dat God eenen monic ende oec een
ghewareghe nonne liever heeft, die haers eyghens willen te niete es worden, in een
4)
ordene begheven om Gods wille, siet, dat vrië inwendeghe werc es Gode werdere
ende oec eerlikere voer sijn godlike oghen dan al dat wtwendeghe armoede ende
oec al die menichvoldeghe brootganghe die alle de lollaerden oft oec alle die
swesteren ende alle die cluse-
1)
2)
3)
4)
‘totten ijnde ende’ is later bijgeschreven.
Hs. Dev. lovelicste.
Hs. Dev. haersheit.
Hs. ordenen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
261
naren te samen ye ghewrachten. Want wtwindich armoede als armoede bi hem
selven, siet, dat en behaecht eyghelijc Gode niets niet, ya, sonder vriwillich armoede
des gheests van binnen.
+
.. Want die bisscop noch oec die paus van Romen hi en heves selve egheen macht
+
man oft wijf te sceedene, het en waer om wetteghe saken oft om enegherande
fol. 250b
1)
dinghe dat wetteghen oft wetteliken huwelijc beletten mochte .
Ende hier omme soe seggic u seker voer waer dit: Wat manne, die sijn eyghen
wijf oft sijn kijnt oft sijn ambacht oft oec sijn wtwindeghe neringhe laet, ya, ende
neemt eenen schijn aen van wtwendeghen armoede, dat sij swestere oft dat hi
2)
lollaert wert ende loepen alsoe van lande te lande, roepende ‘broet doer God’ , siet,
dit sotte wijf, die aldus haren eyghenen man ontloept oft oec die dwasachteghe man
sinen eyghenen wive, om noch heylichliker te levene, dit sijn sekere die ghene, die
3)
der graciën Gods ontloepen, ende oec vallense voer Gode inden bant der abolghen,
dats in dootsonden.
V.
+
Welc die quade menschen sijn die die vierte breken.
+
fol. 23c
+
.... (Die yerste partije) dat sijn alrehande ghemeyne werck liede oft ambachts
+
liede, wie sij sijn, die daghelijcs ende alle die weke wt haer broot verdienen
fol. 23d
moeten met swaren arbeyde, ende dan in hem selven begripen, peysen ende
dincken, hoe ende in wat manyeren dat elcke des sondaechs, als sij ledich sijn
+
en[de] die weke wt es, haer sotheit ende haer ijdelheit ende oec haer ghenuechten
+
selen moghen ghebruken. - - - - fol. 24a
Dander partije die oec die vierte breken, dat sijn die ghene die dicwile
tsaterdaechs tsavons oft in die weke van ghewoente ordeneren ende aviseren
4)
menegherande cleynlijc dincskens van
1)
2)
3)
4)
Hs. Dev. hinderen mochte ende beletten.
Hs. Dev. omme god.
Hs. Dev.: inden ban
Als hier niets uitgevallen is, zijn de woorden ‘van ende’ overbodig.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
262
ende om ghiericheyden tsondachs ende tsheylichs daechs te werkene, om datse
in die weke haer grof labuer werc niet en willen verletten. - - - - - - - - - - - - - - - +
(Die derde partije) dat sijn die ghene die dicwile van ghewonten op den sondach
+
ende op die ghebode vierten oft op hoghe feestdaghe haer herte becommeren,
fol. 24b
1)
ende oec verseren ende ordeneren , wie ende watse alle die weke werken selen.
+
(Die vierde partije) dat sijn die ghenen die heymelijc haer ambacht des sondachs
+
oft op hoghe feeste daghe binnen huse wercken, als cleermakers ende rijke
fol. 24c
briërs ende beckers, die werken oft werken doen, en[de] sijs ghene noet en
hebben noch ghebreck es van broode.
Die vijfste partije .. dat sijn alle die ghene die ghedaedst oft ghesette comenscaep
hanteren op hoghe feeste daghe, anders dan nauwelijc datmen eten ende drincken
moet sonder overtollijcheit, ende dat selve salmen copen ende vercopen met
vreesen. Want broot ende bier en[de] wijn mede ende alle comenscap die op haren
penninc gheseet es, dit mach men bat copen ende vercopen dan eneghe andere
comenscaep daermen vele om dinghen ende weder dinghen moet. Want tusschen
+
loven ende bieden ende tusschen doen en[de] laten soe gheschiet meneghe sonde
ende quade ede van lieghene, van sweren, van bedrieghene ende menigherande +fol. 24d
loesheit, daer coepmans met omme gaen.
Die seste partije, die oec den riken om iaerlijken loen dienen, ende dan ter kerken
niet en gaen, als sijt doen mochten ende oec mede sculdich sijn te doene,... dese
menschen en can ic ommer niet ontsculdighen vander vierte te brekene noch oec
van dootsunden. Want eest dat sake dat ghij vreest ende ontsiet eenen eertschen
+
sterffelijken meester om een cleyne ghewin oft verlies, vele meer suldi vresen ende
+
oec ontsien uwen hemelschen coninc. - - - - - - - - - - - - fol. 25a
.. Die sevenste partije die oec die vierte breken, dat sijn alle die ghene die
haren lichame ende hem selven cierlijc
1)
Waarschijnlik te lezen: versieren ende ordenieren.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
263
cleeden, ende wtsetten, hoe dat sij der hoverdegher werelt ende den creaturen in
ijdelheit der ijdelheit behaghen moghen. Die achste partije, dat sijn speelmanne ende speelwive, araude ende selke
messelijken volc, dat met boerden ende met sotter trufferiën omme gheet, ende
hem alsoe met sotter ijdelheit gheneren. - - - - - - - - - - - - - - +
Die negenste partije .... dat sijn die ghene die tsondachs ende tsheilichs dach
gaen scieten, caetsen, clossen, buyten, wedden om ghelt, dobbelen ende alsulken +fol. 25b
speel; dat es altoes quaet, dat wetic wel, ya, alle die weke doer eest sunde om
gheelt wedden oft om ghelt spelen.
Die tienste partije, die oec die vierte Gods groffelijc breken, dat sijn die ghene,
dat es wel kinlijc, die omme ghelt spelen ridderkens speel. Oec doense sonde diet
sien ende horen, ende die hen ghelt gheven mede, want daer omme spelense, dat
es haer sede. Want ridderkens speel dat es al duvelijcke const ochte toverie, des
der ic wel voer Gode liën. - - - - Dat elfste die die vierte breken, dat sijn dese penninc prekers; sij moghen hen
oec wel sere ververen, want sij hen selven des sondaechs ende op ghebode[n]
vierten ghierichlijc omme ghelts wille gheneren. Want ic segget u wel al sonder
weenen, dat op ban-vierten en soude van rechte nyemant na den penninc staen,
1)
2)
het en ware alsoe in sijn iaerlijcke comenscap alsoe gheleghen ware, dat hen die
+
sondach den penninc ledichlijc inbrochte. Oec eest in vele manieren qualijc bestaedt
+
3)
fol. 25c
datmen dese questeders gheeft, want sij sijn ghie[r]ich ende verteerent
onsoperlijc, ende gaen al met loghenen ende met duvelijker tuysscherije omme.
4)
Ende daer toe sijnt die quaetst bartuers oft bedrieghers die men vint. Oec h[e]bbens
die papen haer parlot; dat es qualijc bestaedt, alsoe hulpe mij God.
(Die twaelfste partije) dat sijn dese rabawen ende die ledeghe
1)
2)
3)
4)
Dit tweede ‘alsoe’ zal wel geschrapt moeten worden.
Hs. dat hen die hen die.
Lees: questeerders of questerers (geld-inzamelaars).
Lees: barterers, van barteren = ruilhandel drijven (Zie Mnl. Wdb.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
264
wandel gheselle; sij moghen hen oec wel eysen vander hellen!
Die dertienste partije die oec die vierte breken te meneghen tijde, dat sijn dese
ridders en[de] dese groote lantheren, die omme die eere der werelt tornoyen,
boerden, speeren breken - dat sijn alle sduvels treken! - ende vrouwe[n] ende
i[o]ffrouwen, die gaen sien, sij doen alle sonde in dien. Want waert dat die vrouwen
thuys bleven, die ridders souden wel met vrede bliven oft met raste leven.
+
Die veertienste partije ... die sijn te gheliken als taverniers sonder wijn. Ic en can
+
oec niet gheloeven noch verstaen, hoe die taverniers ten sacramente dorren
fol. 25d
1)
gaen. Want men in tavernen alrehande quaetheit doet teghen der heylegher
kerken daet, diet wel besiet.
Die vijftienste die oec haer vierten te male ontleren, dat sijn alle die ghene die
hen ghedachte ter taveernen keeren. - Die zestienste, wildijt weten, die oec wel dicke haer vierte vergheten, dat sijn dese
sterke ionghe ghesellen, die op vasten daghe oft des sondachs vroech loepen
drincken, eten, alsoe dat sij haer messe versuemen. - - - - - - - - - +
Maer die seventienste, wildijt weten, die oec dicke haer vierte breken, dat sijn
+
die ghene die de vighelij daghe oft quater tempere worpen wt haer hant, ende
fol. 26b
kiesen daer voer te vasten eneghe sant.
Vander achtiensten doen ic u ghewach, die oec der vierte af trecken, dat sijn dese
nacht ridders en[de] dese sotte ghesellen, die met oncuysheit der wiven ende met
sommegher grooter sonden omme gaen. Sij vasten wel den saterdach oft onser
2)
vrouwen avont, op dat sij voer hen int ghedinghe soude staen. Maer wat holpet
dat ict u verhale! Het es doorheit altemale. Want dat alle heyleghen ende oec onser
vrouwe ende alle inghele voer u baden, ende u God selve woude visenteren mids
3)
sijnre ghenaden, het en holpe al niet een caf, ende en stadij der sonden niet al af.
1)
2)
3)
Hs. int.
Hs. sonden
‘ende’ ontbrak waarschijnlik in de oorspronkelike tekst.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
265
Die negentienste die dicwile haer vierte breken gheerne, dat sijn die op vasten
daghe smerghens vroech loepen in die mede taveerne. Maer ic segghe u wel, het
en es gheene feeste; die dicke eten ende drincken willen als hem hongert, sij leven
1)
als een beest . Van desen sprect sinte Pauwels al sonder spot, dat haren buyc es
haren God. - - - - - - - - - +
Die twintigste .. dat sijn die ghene, die quade onhuesse vuyle woerde over tafele
+
spreken. - - - - - - - - - fol. 26c
Die eenentwintichste, doe ic u verstaen, die oec haer vierte laten voerbij gaen,
dat sijn die ghene die sheylichs daechs ende tsondachs tsmorghens langhe slapen,
ende alsoe haer messe te horene achter laten - - - - - - - - - - - +
Die tweeentwintichste, ic u leere, die haer vierte zeer breken, dat sijn die
+
tsondachs sachternoenens ten huys clappinghe, ter brulocht loepen dansen,
fol. 26d
reyen, werballen ende tsollen, ende alsoe met selker ijdelheit haer vesperen
vergheten. - - - Die drieentwintichste partije ende die leste, dit en es gheen fabel, die breken oec
dicke haer ghebode op heyleghe daghe, dat sijn die des sondaechs tot desen oft
2)+
3)
tot dien dorpe kerken gaen, ende daer op den kerchof staen couten ende clappen
+
4)
fol. 27a
ende meneghe loghene segghen die syere toe couten oft segghen, ende als
men die clocke tot onsen here clypt soe loepen die grove manne tenen hope in die
kerke ende weder wt. Aldus vele hebbens sijs toch te bat, dat sij roepen: ‘ay here
5)
God ghenaade!’ en dat sij sien tsacrament tusschen spriesters hande. En es dit
voer Gode ende voer die werelt niet groote scande, datse een messe lanc oft een
ure nauelijcs in die kerke en connen ghesijn oft gheduren?
1)
2)
3)
4)
5)
Om het rijm misschien te lezen: die beeste.
Lees: ter kerken? Of is ‘kerke gaen’ als samenstelling op te vatten? (Vgl. Mnl. Wdb. i.v.
kerkgangen).
‘Couten ende clappen’ staat in 't hs. tweemaal.
In 't hs. veranderd in: lappen, dat, wegens het rijm. wel de oorspronkelike lezing zal zijn.
De ongewone spelling aa houd ik hier voor een poging om de rekking aan te duiden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
266
Oec die wijven en die vrouwen en die oude rammelbeenderen en die oude quenen
ralen, die van der rubben ende vanden beenen sijn ghemaect, sij clappen oec in
die kerke ende spreken, die haer herten ten dienste Gods souden gheven met allen.
fol. 27bWant in die kerke en soudemen noch spinnen noch kimmen, noch backen
noch brouwen, noch vollen noch spoelen, noch weven; dit soude al thuys sijn bleven.
In die kerke en soude men oec gheen laken maken noch rekeninghe houden, watse
costen oft wat sij gouden. In die kerke en soude men oec dlant niet ackeren noch
haken, noch roden, noch sayen, noch mayen. Noch in die kerke en soudemen noch
scapen, noch coeye, noch peerde, noch verkene, noch alsulke beesten en souden
wij in die kerke niet spisen, noch voederen, noch oec eghenen commer noch verladen
onleden van herten hebben. Daar met, dat es al sunde ende ghebrec, dat wij daer
met yet becommert oft verbeelt sijn, als wij ons te Gode gheven souden. Want
altemale eest sonde ende ghebrec, ya, waer toe dat wij ons keren, eest dat sake
dat wij dmeeste om dminste verliesen, ende vriheit tusschen ons ende Gode
ghemissen. Ende als dese dorpwive en dese oude quenen in die kerke comen, soe
clappen sij soe vele vanden een ende vanden anderen, dat ic en weet watsij daer
doen. Seker, sij bleven mij in eenre wijs alsoe lieffol. 27c thuys, die ghene die in die
kerke alsoe vele clappen ende couten, ende oec alsoe menichvoldich van binnen
sijn van herten, ende van ghepeyse alsoe onghestadich, recht als oft sij thuys waren.
fol. 42cVanden sesten ghebode, ende hoe dat bij es comen, dat die
dinghen sijn eyghen worden ende onghemeyne.
Hier na comt dat seste ghebot: ghij en selt niet stelen noch egheen diefte doen noch
1)
begheren . Ya seker, ic houter wel vore, dat harde vele dieve sijn, die dief sijn metter
herten ende metter begheerten, ende die nochtans van buten openbaer niet
1)
Veranderd in: begaen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
267
en nemen, noch en stelen. Want waer dat sake, dat alle die ghene stalen die daer
dief sijn oft ander liede goet begheeren metter herten, het sij rechte oft onrechte,
alsoe en soude nyemant niet bliven. Want alsoe wel es ons int tienste ghebot
ste
verboden dat wij nyemants goet begheren en souden, als ons hier in dit VI ghebot
Gods verboden es op die helle ende op die eweghe maledictie, dat wij niet stelen
en souden. Want en begheerdefol. 42d deen mensche des anders goet niet, ende
hem elc metten sinen ghenueghen liete, nummermeer soe en stale hijt hem. Want
alle diefte ende alle dat men steelt, dat comt princi[p]aellijc uter verkeerder
begheerten ende wt eenre diefachtegher herten. Want al en hads God niet verboden,
nochtans es altoes diefte oft ander liede goet tonrechte te begheren oft qualijc
tonthouden groote sonde. Want sonder sonde noch sonder dootsonde soe en
machmen niets niet stelen, dat wat merkelijc groot ware, het es hadde den oft en
1)
dede den mensche alte groote noet, oft daer moesten sonderlinghe noetsaken toe
slaen, dat die mensche sterven oft verderven soude van ghebreken oft van honghere,
ende dat hijs in gheenre voeghen andersens verbidden noch verdienen en conste.
Want inder nauwer noot soe souden van rechte alle dinc ghemeyne sijn, alsoet God
inden yersten beghinne al ghemeyne sciep. Want onse here God hij en heeft gheen
goet ghedeylt noch onghemeyne ghemaect van sinen weghe noch na sijnsheit.
Want dat die dinghe onghemeyn sijn worden, dat es toe comen bij verkeertheit der
menschen ende overmids wandelbaerheit des volcks, die de dinghen alsoe
verwandelbaer ghemaect hebben, ende noch alle daghe in lanc soefol. 43a meer
ende meer onghemeyne maken. Want die [die] dinghe alre onghemeynste maken
ende oec alre meest overvloedegher eertscher rijcheit vergaderen ende aen hen
trecken, die sijn Gode alre verste ende alre onghelijcste, ende dat sijn oec dic-
1)
Lees één van beiden: ‘het en hadde die’ of ‘het en dede den’. De afschrijver schijnt een
kanttekening in zijn tekst gedachteloos opgenomen te hebben. Vgl. zeventien regels verder:
‘van quade oft van quaetheit’, waar de laatste woorden ook te veel zijn.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
268
wile die meeste dieve voer Gode. Want Jheronimus sprect, dat alle rijcheit sijn
comen van quade oft van quaetheit, dat es aldus te verstaen, dat die ghene die alre
rijcste sijn worden oft noch alle daghe worden, die vercrijghent dicwile alre qualijcste
1)
2)
ende alre ongherechtelijcste, ya met vercopen oft met perschemen ende oec met
menigher loeser valscher ongherechter comenscap die sij doen, ende daer die liede
heden des dachs met omme gaen, dat hen en roect hoe sijt winnen oft vercrighen,
3)
4)
iest rapen als sijt hebben, eest met vercopen , eest met dieften oft met rove oft
met wat corbelgeringhen dat sijt hebben oft vercrighen moghen, het dunct vele
menschen alleleens.
fol. 43aHoemen menigherhande dieve vynt, dies niet heten en souden
illen, ende de proeve dat nochtans waer es.
fol. 43d... Die ghene die oec dat eertsche goet qualijc ende onordeneerlijc
overbringhen, ende daer onsoperlijc leven alte male na haer quade lichamelijc lueste
van overvloedegher spisen endefol. 44 van drancke ende van overvloedegher
costelijker cleedinghen, daer sij der werelt ende den duvel ende hen selven in
behaghen ende verhoverdeghen, dit sijn oec dieve voer Gode. Want datse den
noettorfteghen armen inden mont soude[n] gheven, ende dat der armer van rechte
sijn soude, dat stelen sij hen ende onthoudent hen tonrechte. Want sij verterent
5)
scandelijc ende onrechtelijc boven redene ende beschedenheit ende boven mate
6)
haerre noet. Want waer dovervloedeghe goet, ende datmen tondoen verleckert
ende verdoet, wel effene ghedeylt, alle menschen die in eertrijcke sijn, die soudens
ghenoch hebben, wel ende soperlijc af te levene. Want het heeft selc een man
goeds, hij soudere hen XL oft hen L met spisen ende voeden, dat hij allene verdoet.
Ende het heeft selke vrouwe oft ioffrouwe cleedere
1)
2)
3)
4)
5)
6)
Lees: voercope.
Lees: perseme. Hierachter stonden de woorden ‘oft voekere’, die uitgeschrapt zijn.
Lees: eest met
Lees: voercopen
Op de rand veranderd in: onvertoldichlijcke.
Vgl. Mnl. Wdb. V, 479 i.v. ondom.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
269
allene tot haren rugghe ende costelijker iuwelen tot haren hoefde, sij soudenre licht
C arme menschen met scoyen ende cleeden. Scaemt u voer Gode, ende ghedinct
dat onse here Ihesus Cristus naect ende bloot ende arm was om uwen wille, ende
ghedinct oec dat ghij een arm sterffelijc mensche sijt ende ommer sterven moet;
ende duere noch den tijd en weetti niet, noch wies noch waer dat ghij den yersten
nacht wonen oft rusten selt, als ghij van desen eerterike sceyden selt, ende u zielefol.
44e uten lichame moet, ende ghijt al achter u laten moet, dat ghij hier versaemt
ende vergadert hebt. Des en condi oec niet gheweten, te welker stede noch te wat
herberghe dat u ziele yerst toe trecken sal, het en sij dat sake dat u God van binnen
verthoene.
fol. 185aVanden ghiereghen mensche.
.... Mer anxt ende vreese ons selfs, hoe groet die es, si en mach ghiericheit niet
veriaghen noch verdriven een seempsaet groet uten gheeste, sonder overnatuerlike
gracie, die de ziele van boven begaeft overmids die gracie Gods ende mildicheitfol.
185b der caritaten, al waer oec dat sake dat een mensche alle dat hi ligghende
ende ruerende heeft in eertrike niet wtghesceeden te male ewech gave, allene om
dat hem God daer omme weder gheven soude om anxte der doodt oft om vreese
der hellen, om die pine des vagheviers quite te sine ende oec allene alle die goede
werke wrachte, die alle menschen ye ghedaden, allene om sijns selfs wille, ende
te hemelrike daer mede te comenne, die liede sijn hemelrijcs even na. Alsoe met
dier comenscap die si driven ieghen Gode, willense ende weenense simpelment
hemelrike copen ieghen Gode, alsoe men een paert oft een coe coept of een ander
dinc, penninc om penninc, ghef mij dit, ic gheve u dat. Es dat heilicheit: ghef mij, ic
1)
gheve u oft di? Alsoe hebbic selke liede ghehoert, die haer
1)
De woorden ‘u oft’ zullen wel van de afscrijver afkomstig zijn.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
270
comenscap ieghen Gode te voren wilden maken ende verdinghen ieghen Gode, oft
si en dienden Gode niet, en soude hijs hen niet loenen. Trouwen, dat sijn alle sotte
liede. Die en dienen eyghelijc Gode niet, want die mensche eyghelijc meer doet om
datter hem af comen ende ghescien sal, dan hijt doet oft werct ter eeren Gods. Dat
werc en drijft Gode niet, mer het ontsprinct wt puere natueren, oft wt onser eyghender
redenen na enegherande goetdunckelijcheit ons selfs. Aldus drijft ende iaecht ons
natuerlike minne, liefde ende eyghen knechtelike vreese, die wi tot ons selven
+
hebben om ons selven, ende meynen te male ons selven ende en wetens niet,
deen aldus dander alsoe, ende en gaen niet te gronde der dinc. Hier omme blijft +fol. 185c
ende es menich mensche bedroghen ende ongheleert vander waerheit, om dat
wi Gode onse eyghene herte niet vrilijc en toeghen ongheveisdelijc, noch en
ontdecken al bloet met vollen ghetrouwen voer sijn oeghen. Daer af comt ons alle
gheestelike scade, dat wi Gode niet en betrouwen te gronde overmids sijn
grondeloese wtvloyende milde ontfermherticheit. Deser liede es alte vele, die aldus
hemelrike ieghen Gode coepen ende vercoepen willen, om dit oft om dat. Goeden
coep willen sijt hebben, ende goeden coep oft om een cleyn ghewyn laten sijt varen.
Dats die weder kerf van dien lieden. Nu laet deen voer dander slaen, ende voert
cort merken VII manieren van lieden, die alle rennen ende loepen, ende met harer
vroetheit Gode willen coepen oft hemelrike, elc in sijnre wisen; alse menich hoeft,
alse menich wech; deen aldus dander alsoe, laulijc, ende wenen alle wel doen. - --------
+
Van menegherande lieden die Gode ende hemelrike weenen coepen
met harer wisen.
Dierste en weetic hoe ghevriën, die Gods nemmermeer te rechte en beliën, dat sijn
alle die ghene die met ongherechten goede willen loepen, ende alsoe op Gode
hemelrike wenen coepen, dat si maken groete cloesteren, gods huyse, stichten,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
+
fol. 185c
271
kerke, clusen, outare, provenden, groete iaerghetiden, ende oec daer toe cappelriën
selen die zielen uter hellen vriën.
Dander sijn alle die ghene, dien groet goet van moeder, van vader es bleven, oft
met gherechticheiden hebben sijt daer toe vercreghen; ende om dat si en hebben
1)
kint noch raet , soe heeten ende bevelensi dat men dat groete overtulleghe goet
sal deylen ende gheven na haer doot den armen, alsi cout sijn na haer live. Dat sijn
vrecke, arme catijve! Als dese lieden den adem wt gheet, es die duvel wel ghereet.
Mij twivelt ende wondert, al hier gheseit, wat menschen die alsoe tot in sijn inde
leeft, ocht hi caritaten heeft.
Die derde sijn die ghene die vele bedevaert loepen, ende wide rennen van lande
te lande om aflaet, nu hier, nu daer, ende vele popelen met lauwer herten uten
lippen metten monde. Deze liede verhoert God selden tenegher stonde, die op
dander side van ghewonten gheer[n]e sweeren, vloeken, parlamenten, vechten,
+
scelden, lieghen. Dat sijn die ghene die hen selven bedrieghen! Si roepen wel
hoeghe met luider stemmen van buten: Here God, gheloeft ende gedanct moeti +fol. 186a
sijn van alle dies ghi ons verleent.’ Alsoe soudense oec vollec den duvel dancken,
haddense sijns yet te bat, oft eenen quaden mensche, waer dat sake dat hi hen yet
goets gave.
Die vierde sijn alderhande menichfuldeghe ghemeyne lieden, die gherne ten
sermoene ende oec ter kerken loepen rennen ende goede liede lief hebben ende
haers ghebeeds begheeren. Mer op dander side in contrariën van ghewoenten
dicwile in sonden sneven, vallen, ende alsoe opstaen weenen van tiden te tijden,
met selken rouwe. Dese en moghen hen nemmermeer met eeren gheneeren noch
ontdraghen voer doeghen Gods, want si leven altoes in twivelinghen van dootsunden.
Ende alsi eens des iaers den pape te bichten comen, soe segghen si: ‘Here, ic
hebbe gheloghen ende ghesworen; ic en weet niemeer, vraecht mij voert.’ Mer
seker, soude mense ter galghen wert
1)
Vervorming van ‘kind noch craet’. (Zie Aant.).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
272
1)
liden , si souden vinden te segghene, daer men hen hondert dusenteghen om
ontliven, soude! Ende dan seit die pape ter selver stont - ende es alsoe droncken
als een hont - ende seit: ‘Absolvo te’, dats in dietsche: ic ontbinde oft ic absolvere
di. Ende dan seit die pape: ‘ioffrouwe, gaet thuus wert, sijt onverveert; vallen ende
opstaen es menschelijc.’ Mer het es oec duvelijc! Mer vaste volstaen, dats redelijc
+
ende godlijc. Daer omme moeghen dat eyghelijc die ghene sijn, daer Cristus af
+
sprect in dewangelie: als die blinde den blinden leidt, soe vallense beide inden
fol. 186b
putte. - - - - - - - - - -
Opmerkingen over de taal van bovenstaande fragmenten.
Taal en spelling van deze teksten zijn slechts op die plaatsen voorzichtig
‘gerestaureerd’, waar een foutieve lezing het juiste verstaan zou belemmeren. Op
menige plaats komt een ongewone spelvorm of een zonderlinge toepassing van
buigingsvormen hoogstwaarschijnlik voor rekening van de zestiende-eeuwsche
2)
afschrijver , maar men bedenke dat Jan van Leeuwen een ongeleerde schrijver
was, bij wie niet de regelmatige en verzorgde taalbehandeling van Ruusbroec te
wachten is. Een normalisering van deze teksten naar de normen van Ruusbroec's
taal zou evenzeer een onjuiste indruk geven van Jan van Leeuwen's taal.
In dit aanhangsel vindt men geen brede toelichting: ik beperkte mij tot enige
opmerkingen, voornamelik uit lexikografies
1)
2)
In het Hs. is de i in ie veranderd.
Alleen de onderscheiding van ij en y is door mij genormaliseerd, temeer omdat mijn afschrift
op dit punt niet duidelik was. Wat tussen vierkante haakjes staat is door mij ingevoegd.
Sommige veranderingen, b.v. de invoeging van r in mee[r]der of de toevoeging van de in
en[de], waren wellicht overbodig, en geschiedden voornamelik duidelikheidshalve. De
mogelikheid bestaat ook dat mijn afschrift schrijffouten bevat, maar de kollatie met het
handschrift, die ik anders stellig niet nagelaten zou hebben, werd door de oorlogstoestand
onmogelik.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
273
oogpunt. Woorden en uitdrukkingen die men in het Middelnederlandsch
Woordenboek of het Handwoordenboek voldoende toegelicht vindt, ging ik dus
stilzwijgend voorbij.
De taal van de Nederlandse mystieken uit de veertiende en vijftiende eeuw is nog
niet grondig en in samenhang onderzocht. Gemakkelik is die taak niet, omdat
vertrouwdheid met het gedachten- en gevoelsleven van de mystici een eerste
vereiste is. Die taal had begrippen en gevoelens uit te drukken, waarvoor de taal
van het dagelikse leven op verre na niet toereikend was. Aanpassing werd dus
enerzijds gezocht aan het kerkelike Latijn, anderzijds bij oudere of gelijktijdige Duitse
1)
mystici. Op Eckart's invloed heb ik bij een vroegere gelegenheid al eens gewezen .
Tauler, Suso e.a. hebben in oorspronkelike en vertaalde teksten ook hun invloed
doen gelden. Maar daarnaast mag de eigen taalschepping niet onderschat worden.
In de Nederlanden zou men de ontwikkelingslijn moeten volgen van Hadewijch over
Ruusbroec en zijn kring naar de Noord-Nederlandse devoten: Geert Grote, Hendrik
Mande en zoveel minder bekende, waarbij ook rekening te houden is met de invloed
van vijftiende-eeuws-Latijnse geschriften als die van Thomas a Kempis en Gerlach
Petersen, temeer omdat die door gelijktijdige vertalers in de moedertaal overgebracht
werden.
In die ontwikkelingslijn neemt Jan van Leeuwen een plaats in, die wij door de
omvang van zijn werk nauwkeurig kunnen bepalen. Voor een groot deel beschikt
hij over een reeds gevormde taal. In de Rolie der woedegher minnen voelen we zijn
afhankelikheid van Hadewijch's terminologie; in de overige werken behoeven we
slechts enkele bladzijden te lezen, om aan de taal Ruusbroec's discipel te herkennen.
Leggen we het Woordenboek er naast, dan geeft dat ons de bevestiging: allerlei
termen die uitsluitend bij Ruusbroec opgetekend zijn, b.v. ansel, bekeersamheit,
eernstachticheit, iersticheit, invlote, onghescapenheit
1)
Zie het aangehaalde artikel over Meister Eckart en de Nederlandse mystiek, blz. 8.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
274
enz. vinden we bij Jan van Leeuwen terug. Maar ook in de neiging om nieuwe
woorden te vormen sluit hij zich, soms met een zekere onmatigheid, bij de meester
aan. Wanneer Ruusbroec spreekt van onthogen, dan zegt zijn leerling: ‘Want God
is onthogende, ontbreidende, ontdiepende ende oec ontwidende alle ghescapene
b
1)
verstannissen’ (Hs. 667, fol. 85 ). Naast alheit, dat ook Ruusbroec kent , vinden
we bij hem: godesheit, selfheit, sijnsheit, mijnsheit, haersheit en onsheit. Met het
praefix in vormt hij woorden, die tot nu toe niet opgetekend werden: inbitter, inclaer,
ingherecht, inscaerp. Naast grontoetmoedich gaat hij woorden gebruiken als
grontgierich en grontonderworpen, die in het Woordenboek ontbreken. Onder de
suffixen heeft deze schrijver een voorkeur voor -achtig, blijkens de niet in het
Woordenboek vermelde: kintsachtich (= kintschelijc), inwoenachtich, diefachtich,
dwaesachtich, (var. dwaelachtich), ra(e)sachtich. Dit behoeven niet alle individuele
vormingen te zijn: het kan een toeval zijn, dat ze nog niet, of alleen in enigszins
afwijkende vorm werden opgetekend. Dat geldt ook voor afleidingen als nawandelinge
(nawanderen was bekend), inhebbinge, moordech (naast: moordersch),
eencrighelicheit (naast: eencregelheit), plompelijc, eenpaerlinghe (naast:
2)
eenpaerlike .
Neologismen daarentegen zijn waarschijnlik de volgende woorden: beherten
(naast: behertigen), doerwortelt, gevoelsamheit, letsamheit, onbelidere, onderknecht
(naar analogie van woorden als onderclerc, ondercoc, ondermeester), overswonge
(vgl. het bijw. overswenge), stuermoedicheit (naast stuerheit uit Ruusbroec bekend),
vergeesten, verladenisse van herten (vgl. verlatenisse en verladinge),
voersetticheiden, wedersoeken, wissel omme wederwissel, wederstrevelijc.
Met een ongewone betekenis worden gebruikt: binnenbliven (in mystieke zin)
daerme (= hart; vgl. inadere, dat dezelfde
1)
2)
Bij Ruusbroec vinden we ook: brootheit.
Onder de samenstellingen die in het Woordenboek nog niet opgetekend zijn, noteerde ik:
banvierte, brootbagaert, brootganc (znw.), hoensei, huusclappinghe, lijftochtgoet,
penninc-preker, medetaveerne, rammelbeenderen, wandelgheselle.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
275
betekenisontwikkeling heeft), ongemeen (= niet gemeenschappelik, van voorwerpen
gezegd), sijn sinnen overmechtich sijn.
Behalve de genoemde, grotendeels individuele taalvormingen, leveren deze
teksten ook andere lexicografiese aanwinsten, woorden die in engere of ruimere
kring tot de volkstaal behoord hebben. Opmerkelik is, dat daaronder verscheiden
bastaardwoorden voorkomen, als: electie, properetarijs of propitarijs (die tegen recht
op ‘proper’, d.i. partikulier eigendom gesteld is), labuer-werk (een echt volks-eigen
tautologie voor: zwaar werk), pylgeren, corbelgeren, ceyseneren (uitplunderen door
boeten en belastingen), deviëren, die helsche cauderone (ketel, Fr. chaudron), parlot
(zie Mnl. Wdb. i.v. perlot en pellote).
Verder noemen we het ww. foben (= bedriegen), waarvan alleen nog de afleiding
fobaert opgetekend was, conventier (naast conventer, door het rijm gedekt), afpleinen
(naast het bekende afplanen). Er zijn ook bijvormen die wellicht als jongere vormen
voor rekening van de afschrijver komen: seenten naast het bekende seenden, briër
(= briedere) en herhaaldelik gedaetst (éénmaal gedaechst), waar het Wdb. alleen
gedaets (uit gedades) kent. Meermalen vindt men ook het bastaardwoord simpelment
(= simpelike), dat in het Wdb. niet in een afzonderlik artikel behandeld wordt, maar
éénmaal genoemd, uit de Roman van de Roos, in het artikel simpelike. Het woord
nachtridder, tot nu toe alleen gevonden in de betekenis van boze geest, kent Jan
van Leeuwen ook als synoniem van nachtganger en nachtraven.
Afzonderlike vermelding of bespreking verdienen nog de volgende woorden:
(blz. 247: Hs. berrēneren), als naam voor de ‘middelste inghelen.’
Zeer aannemelik lijkt mij Verdam's gissing, dat achter dit waarschijnlik verschreven
woord het woord barnaie verscholen is. De schrijver kan dit ontleend hebben aan
Hadewijch, die spreekt van ‘alle die barnaie des hemels’ (Proza, ed. Vercoullie, blz.
190); vgl. Oud-fr. barnage = ridderschap.
BERRENNEREN
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
276
BREKEN
ende KNOUWEN haren sanc (blz. 180). Vergelijk over dit misbruik,
b
voortkomend uit ijdelheid en zelfbehagen de Proza-Spiegel der Sonden, fol. 87
(ed. Verdam, II, blz. 224), en mijn Mnl. legenden en exempelen, blz. 166.
Het is bekend dat dit niet meer begrepen woord in de verbinding ten
duvelvolen varen vaag begrepen werd als duivel of als hel. In het Deventer
handschrift Van vijf manieren broederliker minnen blijkt de laatste opvatting uit de
toevoeging: ten eweliken duvelvolen varen.
DUVELVOLEN.
(blz. 128). Het Mnl. Wdb. vermeldt gesmidich en gesmiede; Kiliaen
kent ghesmijdigh. Een vorm met t is nergens opgetekend. Moeten we hier denken
aan de invloed van het Duits, waar naast geschmeidig ook gesmeiszig staat?
GESCMEYTICHT
(blz. 162). Naast de in het Mnl. Wbd. IV, 968 vermelde samenstellingen
dumemael, vingermael enz. voor een duim, een vinger lengte, vindt men in deze
tekst: ‘een haer male groot.’
HAERMALE
KYER. In de Rolie der woedigher minnen hebben de afschrijvers, blijkens de varianten,
geen raad geweten met een interjektie, waardoor ze aarzelen tusschen kyer, kenne
en een enkele maal ay. De laatste is het duidelikst, en is te vergelijken met de bij
Eckart veel voorkomende uitroep eia, die ook in de vertaling van Suso's Horologium
telkens voorkomt. Toch schijnt een van de talrijker vormen kyer of kenne de
oorspronkelike te zijn. Kyer zou als bijvorm van de uitroep keren verklaard kunnen
worden, maar de oorsprong van kenne - als het geen verbastering is van het niet
meer begrepen kyer - blijft mij duister.
(blz. 155) = belasting afpersen. In het Oudfrans, waar men dit woord
allereerst zoekt, vond ik het niet
CORBELGEREN
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
277
opgetekend. Bij Ducange vindt men corbellagium verklaard als: tributum quod ex
mercatoribus, qui merces suas in corbellis deferunt, exigitur.
(blz. 154). Dezelfde woordspeling komt, gelijk men in het Mnl. Wdb. na
kan slaan, voor in Doctr. II, vs. 3425 en in de Sassenspiegel.
CROMMER
(blz. 268). Vgl. het proefschrift van Mej. Dr. E. Neurdenberg, Van
Nieuvont, Loosheit ende Praktike, blz. 28 vlg. en het daar aangehaalde proefschrift
van Dr. Eekhof: De questierders van den aflaet in de Noordelijke Nederlanden.
QUESTERER
(blz. 175). Blijkens de samenhang (‘Van vrinde te vrinde soe moet men
elken lauweren na den seden des cloesters’) moet dit woord betekenen: door
geschenken of geld iemands gunst winnen. Het zou kunnen samenhangen met het
M.E. Latijnse laureare, dat volgens Ducange de betekenis heeft van: decorare,
coronare.
LAUWEREN
(blz. 169). Van de mendicanten wordt gezegd: met den brootsac lopense
van lande te lande, alsoe luedeghe honde. Het Mnl. Wdb. (IV, 874) kent van dit ‘in
het Mnl. ongewone en in het Germ. zeldzame woord’ slechts één plaats, bij Velthem,
waar er de betekenis ‘brutaal, onbeschaamd’ aan toegekend wordt. Jonckbloet's
vermoeden dat dit hetzelfde woord zou zijn als het bij Kil. vermelde luegh, d.i.
vraatzuchtig, gulzig, begerig, wordt daar niet waarschijnlik geacht. Mij dunkt dat de
genoemde plaats bij Jan van Leeuwen, waar deze betekenis juist zo goed past, de
waarschijnlikheid vergroot. Vermoedelik schuilt dit woord ook achter het
onverklaarbare ludicx op blz. 245, maar in deze parallele vergelijking zou men dan
ook een diernaam verwachten, b.v. bare, waarbij het rijm op hare ende tare bewaard
blijft. Hare = (scherpe) wind zou als beeld van ongedurigheid desnoods passen,
maar dat kan moeilik met luedich verbonden worden.
LUDICH
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
278
DERDE MANTELARE (blz. 179). Dit woord, in het Mnl. Wdb. nog niet opgenomen, wordt
opgehelderd door Ducange, dat mantellati gelijkstelt met ‘fratres tertii alicujus ordinis.’
OERSPRONGHEN. In het Mnl. Wdb. i.v. orspringen (V, 206) wordt vragenderwijze een
denominatief órsprongen verondersteld, dat een verandering van orspronct in
orsprinct overbodig zou maken. De eerste aanhaling bij het art. orspringen (‘dat alle
wateren ... ierst oorsprongen uter welder zee ende vloeien weder toter zee’) aan
b
Jan van Leeuwen ontleend (vgl. Hs. 667, fol. 192 ) versterkt deze veronderstelling,
omdat oorsprongen daar zeer goed als tegenwoordige tijd opgevat kan worden.
Een bevestiging brengt het deelwoord orspronghende op blz. 248.
(blz. 182). Uit het verband blijkt de betekenis: het onderspit delven
(synoniem: wt gheworpen werden). Verdam vermoedt samenhang met refuus, in
de zin van afval, uitschot (Mnl. Wdb. VI, 1188).
RAFUSEN
(blz. 265). Vgl. Mnl. Wdb. op rallen en rellen. Als ralen niet uit rallen
verschreven is, zou het een nog onbekende bijvorm zijn.
RALEN
RIDDERKENS SPEEL (blz. 263). Dit spel, dat in de boetpredikatie tegen de vierte-brekers
veroordeeld wordt, is in de tekst niet voldoende bepaald om er ons een denkbeeld
van te geven. Alleen blijkt dat er geld bij te pas kwam. Over het breken van de ‘vierte’
kan men raadplegen het Utrechtse proefschrift van Dr. P.W.J. van den Berg: De
viering van den Zondag en de feestdagen in Nederland vóór de Hervorming
(Amersfoort - 1914), waar dit traktaat op blz. 128 vlg. besproken wordt.
(blz. 143). Dit uitheemse woord (‘in zeeneghen vriwilleghen afkeer’), dat
uit andere Nederlandse auteurs niet opgetekend werd, maakt het waarschijnlik dat
Jan van Leeuwen
ZEENICH
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
279
door persoonlike aanraking of door geschriften Duitse invloed onderging. Daaruit
zou ook het voorkomen van een woord als sweenre te verklaren zijn.
(blz. 155). Het Mnl. Wdb. i.v. seenden vermeldt een plaats uit Ruusbroec,
die men ter opheldering kan raadplegen.
SEENTEN
(blz. 155), afleiding van ceysenaer = cijnsenaer. Vgl. assisenere,
waarvan het Mnl. Wdb. één plaats vermeldt, en dat Kiliaan kent als assysener.
CEYSENEREN
SWEENRE (blz. 256). Het Mnl. Wdb. (VII, 2525) vermeldt swene, zonder bewijsplaats
uit het Mnl., als ‘slechts in het Nederrijnsch’ voorkomende. De Teuthonista heeft nl.
swene, verkensherdde; het Mnd. kent ook swêner, waarin de betekenis
‘zwijnenhoeder’ zich door zogenaamde volksetymologie ontwikkeld heeft uit de
oudere ‘jonge man, boerenknecht’ (ags. swān, eng. swain). Eigenaardig is nu, dat
dit Nederrijnse woord bij Jan van Leeuwen voor den dag komt in de vorm sweenre.
(blz. 270): ‘Goeden coep willen sijt hebben, ende goeden coep oft om
een cleyn ghewyn laten sijt varen. Dats die weder kerf van dien lieden.’ Verdam,
die dit woord tot nu toe niet optekende, veronderstelt dat de betekenis is: tegenkerf,
de kerf die met de kerf op de kerfstok van een ander moet overeenkomen.
WEDERKERF
WERBALLEN.
Als naam van een spel komt dit woord voor bij de behandeling van de
vierte-brekers. Het Mnl. Handwoordenboek geeft als betekenis van werreballen
alleen: sollen met iemand.
Uit deze teksten tekenden wij nog de volgende uitdrukkingen aan: iemand iets
waenwijs waer maken (blz. 175) met de betekenis: iemand misleiden. Verdam heeft
indertijd gewezen op de eigenaardige uitdrukking den waenicwaers maken (Tijdschr.
IX, 295), ontstaan uit waers wanen (vgl. Tijdschr. XIV, 36, 68).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
280
Daarnaast staat waendiwaers, waeniwaers en wanewaers. Hier treffen we dus een
nieuwe variant aan, ontstaan uit versmelting met wijs maken.
het gaet aen die bintriemen (Hs. Deventer, fol. 79), in de betekenis van: het is er
a
treurig mee gesteld; den sticke alte nauwe setten (fol. 254 ), in de zin van: de weg
a
te eng afbakenen, het iemand te lastig maken; averecht nemen (fol. 252 ) = opvatten;
d
kint noch raet hebben (fol. 185 ). Dit laatste zou door een afschrijversfout vervormd
kunnen zijn uit kint noch craet, maar waarschijnliker lijkt mij een vervorming in de
volksmond van het onbegrepen ‘craet’, op dergelijke wijze als later uit die uitdrukking
‘kind noch kraai’ ontstond.
Ten slotte vestigen we de aandacht op een viertal spreekwoorden uit Hs. 667:
a
Over den nedersten tuyne gheetmen gherne tierst (fol. 50 ); Aen den tekene bekint
d
c
men den man (fol. 121 ); Alse menich hoeft, alse menich wech (fol. 185 ); Die
mensche rijt herde sachte, die daer op eens anders hals sit (fol. 220).
Utrecht.
C.G.N. DE VOOYS.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
281
Kleine mededeelingen.
60. Walewein 833.
Na den strijd met het serpent komt Walewein aan het kasteel van koning Wonder,
dien hij met zijn zoon aan het schaakspel vindt. Beiden ontvangen hem vriendelijk
en voeren hem het kasteel binnen. Walewein had die vriendelijke ontvangst wel
noodig, want
Hi adde van sanderdaghes noene
Gheweset in herde groter pine,
830 Dats sinen wapinen wel anschine,
Die so ghescuert sijn ende ghetrect.
Hi scaemde hem dat menne sach ondect.
Sijn sone leddene harentare:
Die coninc Wonder werts gheware
835 Ende riep twe cnapen dat si quamen
Ende den here Waleweyne namen
Ende leedden in ere kemenade.
Wij vragen ons af, hoe Walewein daar ineens ontkleed was, en waarom de zoon
des konings hem hier en daar heenbracht. Volgens den tekst heeft ook de koning
het vreemd gevonden en daarom Walewein uit de handen van zijn zoon bevrijd en
aan twee dienaren gegeven. Toch blijft zoowel de naaktheid van Walewein als de
dwaasheid van den koningszoon onverklaard. Men leze dus
Hi scaemde hem dat men sach ondect
Sijn scone lede harentare.
‘Hij schaamde zich, omdat zijn wapenrusting zoo gescheurd was, dat men er hier
en daar het lichaam doorheen zag’. Daarop past zeer goed, dat de koning, dit ziende,
twee dienaren opdroeg Walewein te baden en naar het wonderbed te brengen,
terwijl intusschen zijne wapenrusting hersteld werd.
P. LEENDERTZ Jr.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
282
1)
Etymologische aanteekeningen .
KNEUZEN. Met gramm. Wechsel dre. kneuren (Dre. Volksalm. 1848).
Gron. KNIJLEN (Molema) ‘door wrijven of drukken in stukjes breken, verkruimelen’
< *kniolan, abl. met hd. knüllen, knollen (en met hun grondwoord knolle) ‘slaan’,
maar ook ‘in vouwen drukken’ en ‘in grumos conterere’ en ‘friare’.
KNIJPEN. Vgl. voor de slotcons., behalve mnl. cnijf enz., beknibbelen, gron.
(Molema) knibbel ‘heel klein stukje’, (sa.) ofri. knibbel, gnibbel ‘id’; Molema
kniefeltoond, kniffeltoond (loepen) ‘met de teenen naar binnen gekeerd’, ofri.
knifeltônd, -t nd, -tônig ‘mit zusammengekniffenen u. einwärts gekrümmten Zehen’.
KNOBBEL. Ook nwfri., met de bet. ‘knobbel; stomp van een hand of voet’, Zwhoek
knobbe ‘knobbel’. Gallée (Driem. Bl. 4, 30) knobbe f. ‘dikte, uitwas aan een boom’.
Molema knōbbig (ō is ó) ‘knobbelig’.
KNOEDEL (en KNOEIEN). Ts. 32, 171 is gewezen op knoedel (en knoeien) met oe
< ô; z. dit bij Molema = ‘kort, gedrongen persoon, vooral van vrouwen’, ‘balletje van
meel en siroop, van zeer onregelmatigen vorm’; ald. knoedelen ‘fommelen,
frommelen, onordelijk samenvouwen, samendrukken’. - Voor de N W Veluwe geeft
Van Schothorst naast elkander knō·jən (vgl. bō·j ‘bode’) en knūjən (vgl. ārəmūj
‘armoede’) ‘knoeien, morsen’. Gron. knooien en knoeien, knoien zijn locaal
gescheiden; ze hebben behalve de door Molema opgegeven bet. ook die van ndl.
‘knoeien’.
KNOFFELEN. Hierbij nwfri. knobje ‘knotten, inkorten’ (in de vrb. van Fri. Wb. vleugels
en nagels; vgl. dus hd. stutzen bij stoszen), ‘knuffelen: drukken, pakken’; met g:
gnobje ‘(bij
1)
Vervolg van blz. 217-233.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
283
voortduring) kleinigheden ontvreemden’ [ook ‘knoeien’ is ‘onhandig’ en ‘oneerlijk te
werk gaan’], gnobsk ‘kort afgerond’ (in 't vrb. van aal; als 't ware ‘gestutzt’). Westerkw.
knóbben v. paarden: ‘zich zelf of een ander dier een weinig bijten tegen jeukte of
tot tijdverdrijf’. Hiervoor in Geldl. nòppen; vgl. voor den wisselenden Anl. knagen en
knijpen. In dit geval is de besproken familie vermengd met die van nopen; z.i.v.
KNOOP. Ozwe. kn per. Abl. zwe. knåpa ‘knutselen’, blijkens dalekarl. knupå,
ngutn. knupla (Noreen, Svenska Etymologier 46). Bij ohd. knupfen, nhd. knüfpen,
mnd. knuppen (u zeker geumlautet), stad-gron. knuppen, vw. knuppe ‘knoop in een
touw en dgl.’; geminatie ook in ozwe. knopper ‘knoop’. Znw. knup, ww. knuppe geeft
men mij ook op als Haagsch. Vgl. mnl. (Deventer 1491) knuppeldoecksken naast
knoppeldoekgen ‘dichtgeknoopt doekje om iets in te bergen’. Mnl. cnoppen, cnuppen;
ook het laatste heeft eens de bet. ‘van knoppen voorzien’, misschien door verwarring,
daar de andere bet. er aan had gewend, beide ww. gelijk te stellen.
KNUTSELEN. Is misschien met ohd, chnoto enz. te verbinden; vgl. boven onder
knoop zwe. knåpa. De wortel knu- (z. Fr.-V.W. knok, knop) geeft samenwinding te
kennen; daarbij nog kneuteren (Ts. 32, 317) en Molema knutern ‘knutselen, klein
timmerwerk uit tijdverdrijf vervaardigen’; voor u z. Ts. 32, 10 en 11, waaraan dit vrb.
kan zijn toe te voegen; het kan echter ook berusten op een ww. beantw. aan on.
knýta ‘knoopen’. Hierbij Wangeroog knetteldauk, ‘ein Teil der weiblichen
Kopfbedeckung, eine Kopfbinde’; vgl. mnl. *knuppeldoek in 't vorig art.
e
KNUTTERIG. Hierbij gron. 18 E. (bij Van Halsema) kneuter ‘tamelijk wel’.
KOE. In Fr.-V.W. wordt veronderstellenderwijs gron. kui uit kû afgeleid; phonetisch
onmogelijk. De bet. van kui is in 't gron. zooals elders ‘vrouwelijk kalf’. Ik zou
onderstellen, dat het verklw. *keuke (thans, met de in 't gron. regelmatig tot stand
gekomen aansluiting aan 't grondw., kouke ‘koetje’, maar
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
284
natuurlijk kuike ‘vr. kalfje’) tot *keu (phon. ) heeft geleid en dat dit is
gediphthongeerd; maar daarbij komt meer ter sprake dan hier behandeld kan worden.
- Vgl. nog ozwe. kō.
KOEK. Ozwe. (naast kaka ‘koek’) kōka ‘Scholle’, in bet. aansluitend bij het reeds
door Fr.-V.W. vermelde nrw. dial. kôk ‘aardkluit’.
KOEKELOEREN. Zeer twijfelachtig is oorspr. samenhang met kokerol ‘cochlea’:
denkelijk heeft eerst Kil. of zuidndl. volksetymologie dit met ons woord verbonden.
Koekeloeren toch laat zich verklaren zooals het sinds lang verklaard is: als koppeling
van twee ww. Zoo iets is mogelijk bij ww. die òf syn. zijn òf werkingen noemen welke
dikwijls samengaan, zooals in hoesteproesten (dat opgang maakte door
klankherhaling, en daarom in 't NO, wegens ongelijk vocalisme der ww., ontbreekt),
zooals ruilebuiten (niet in 't NO, om dezelfde reden; daarvoor bij Molema kuutjebuten),
hossebossen, gron. rallemallen (z. Mo.) (ndl. rallen naast rellen ‘babbelen, snappen’,
fri. râlje ‘rellen, babbelen’). Dat ons ww. in alle tongvallen oe in 't eerste lid heeft,
verklaart men het best uit ‘Angleichung’ aan het tweede. Koeken, z. ben.
Dial. KOEKEN ‘kijken’ kan vermenging zijn van kîken en loeken; vgl. ndd. kucken
uit kîken en een representant van hd. gucken?
Mnl. COERHUUS. Deventer nog (Draaijer) kûrh s ‘een wachttoren, later koffiehuis’.
KOF. Bij Molema vindt men kōffen (met ó) en kobben (denkelijk eveneens met ó)
als een soort van handschoenen vermeld; als verdere verwanten heeft hij kubbe
‘voorwerp van gevlochten teenen, waarin de bot voorloopig wordt bewaard’ (vgl.
ndl. kub(be)) en Westerwoldsch kove ‘schaaphok’. Fr.-V.W. neemt met grond ‘holle
ruimte’ als oorspr. bet. aan; hierbij dre. kuve ‘balie, melkton, houten of koperen
melkvat’ (Dr. Volksalm. 1839), ‘tweeoorige kuip of tobbe ter bewaring van melk’ (Dr.
Va. 1846).
KOL. Voor de oorspr. bet. ‘bezemsteel’ pleit vooral op kol rijden; z. Coster, T. de
Boer 5. Kolrijer als m. naast kol (z.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
285
Bat. Arc. ed. 1729, p. 43, 65, 68) zal licht anders dan oorspr. zijn opgevat sedert
kol ‘striga’ beteekende; daarnaast echter nog kolrijster (ib. 74).
KOON. On. kaun ook reeds ‘wang’. Uit het voorkomen in het Zaansch en sa. oostfri.
zou men misschien besluiten dat het holl. woord bepaaldelijk noordh. was; men
hoort het evenwel ook op IJselmonde (zegt mij een Barendrechter). Leiden een
dikke koon ‘een (ziekelijk, pijnlijk) gezwollen wang, een “dikke wang”’ (mededeeling
van Dr. A. Beets).
e
e
e
KRAAG. Reeds meng. 14 E crawe, daarnaast 15 craw, 16 crage; < ags. *craga
of < later on. krage (de. krave). Molema kroagbonk ‘sleutelbeen’.
KRAAN. Het ags. heeft cornoc naast cranoc. On. trane m. ouder dan trana f.
Dial. KRANG (z. Nl. Wb.) schijnt een oorspr. i- of u- st.; Bergsma heeft, naast
krang(e) (Hooghalen, Hoogeveen, Ruinen, Meppel), krenge (Dwingeloo, Havelte,
Smilde).
KRAT. Vgl., behalve Ts. 28, 227, Gallée (Driem. Bl. 4, 31) krat n. ‘het bret achter
op den boerenwagen, ook een vlechtwerk om iets af te sluiten.’
KRIBBEN. Nwfri. kribje ‘kribben’, krib ‘kribbekat, kribbige vrouw of maagd’; kribelje
‘krevelen, jeuken, kittelen’, ‘kriebelen, slecht schrijven’ (vgl. voor deze bet. Nl. Wb.
kribbelen en krabbelen). - Vóór Fr.-V.W.'s opvatting van kreauwe als jonger dan
kreauwelje pleit o.a. knikke ‘knikkeren’.
KRIEKEN. Men mag, zooals o.a. Franck doet, uitgaan van de bet. ‘een krakend
geluid geven’ (klanknabootsend); dan werd vermoedelijk door krieken naast kraken
uitgelokt dat grieken naast graken kwam. Vgl. nog Das Getöse des Sonnenaufgangs,
Anzfda. 35, 298.
1)
KRIJGEN. Met gramm. W. ozwe. krīa ‘sich bemühen, krieg führen’ .
1)
Doordat deze aant. op den wensch der Redactie eenigszins anders zijn ingericht dan
aanvankelijk, is het woord ter inleiding vervallen; daarom wil ik hier aanstippen dat deze en
sommige andere opmerkingen natuurlijk geen aanspraak maken op oorspronkelijkheid, maar
dat ik meermalen op iets wijs alleen opdat het te onzent de aandacht niet misschien zou
ontgaan.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
286
KROP. Ook hier een vorm met enkele cons.: on. krof n. ‘krop’.
KROT. De familie moet, naar haar verbreiding te oordeelen, wel vrij oud zijn; z.o.a.
Nl. Wb. kreute en Molema id.; Westerkwartier kreut ‘klein persoontje, klein ding’.
Beets voegt hierbij Betuwe kroet (collect.) ‘afgevallen fruit, klein fruit’; Kennemerl.
krotje ‘kleine appel, enz.’ Daarom zijn verwant te achten scand. woorden die ‘iets
kleins’ en vd. ook ‘afval’ beteekenen: noorsch dial. krota ‘brok, overblijfsel’, abl. zwe.
dial. krate ‘iets kleins, afval’ e.a.; z. Falk-Torp krat, ook voor tt naast t.
KRUIPEN enz. Met zwe. kryp, de kryb ‘insect, kruipend dier, worm’ is in bet. te vgl.
gron. króp, mv. phonetisch króṃ, dus < *króbbe, naar 't mij voorkomt hetzelfde diertje
als volgens Ten Doornkaat Koolman op Borkum krubbe heet; hij geeft op
‘Mauerassel, Kellerwurm’ (dus èn Oniscus murarius èn O. scaber?). Fri. Wb. krob(be)
‘algemeene naam van verschillende soorten von schild- of halfvleugelige insecten.’
De zoölogische identificeering moet ik aan anderen overlaten.
KRUK. Noreen Aschw. Gr. vergelijkt oijsl. krákr ‘haak’; ozwe. krøkia (en krykkia)
‘kruk’ bij ozwe. krōker ‘iets kroms’; oijsl. zw. krake ‘boom met afgehouwen takken’.
KRUL. ‘Vocalentgleisung’ ook in nwfri. krâl naast krol (met ó), ‘krul, kronkeling’,
krâlje naast krolje ‘krullen, kronkelen als een worm, aal of slang’.
KUIL (vischnet). In aansluiting bij on. kodde wijst op een bet. ‘kussen’ het bij
Molema als Ommelandsch opgeteekend kudels ‘kussentjes van vet of door
opgezetheid op de handen of onder de oogleden’.
KUIM adj. wordt vermeld Mnl. Wb. cume; hierbij dre. kuum ‘teeder, ziekelijk’ (Dr.
Volksalm. 1839).
KWEESTEN (z. Nl. Wb.). Het woord was niet tot zoo eng gebied beperkt: dre. (Dr.
Volksalm. 1840) kweesten ‘vrijen’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
287
KWELDER. Ook Wangeroog: Fri. Arch. ‘Dait quéller nennen die Insulaner die Pflanzen,
welche auszerhalb der Dünen und am festen Lande auszerhalb des Deichs am Ufer
wachsen, pld. [= ndd.]: quénnel, kakile maritima.’ Dat de toepassing van het woord
op de plant - collectief en individueel - de oorspr. zou zijn, daartegen spreekt
eenigszins bij Gallée kwelderland ‘land dat onderloopt door het doorslaan van den
dijk’ - in de Graafschap natuurlijk niet met kweldergras bewassen.
KWINKSLAG zal wel als ‘vlugge slag, vlugge zet’ behooren bij mnl. quinken ‘zich
snel bewegen, flikkeren’, Wangeroogsch quink ‘blinzeln’ en Saterlandsch quinkje,
quinkogje ‘mit den Augen zwinkern’.
Os. *KWINTA of dgl. Daar voor mnl. conte enz. de grondbet. ‘gat’ waarschijnlijk is,
mag men het houden voor door Ablaut verbonden met kwint bij Molema ‘kleine,
bekrompene, ellendige woning, een krot’, en met het in de stad Gron. gebruikelijk
olle kwinde ‘oud, vervallen huis’ (ald. b.v. kande ‘kant’ < kante); voor de bet. vgl.
men gat toegepast op een ellendige woonplaats. [Van eng. queint, bei. quinze zal
ik de semantische bezwaren te minder bespreken omdat ik de woorden niet verder
kan nagaan; bij Wright ontbreekt het eerste, het tweede is geen normaal woord en
2
staat in het register van Schmeller met?]
LAAI. Nwfri. lôge ‘vlam’, ook: yn ljochte lôge; lôgje ‘vlammen, met een groote vlam
branden’; verouderd leach, leage. Abl. Wangeroog dait holt luget, van kienhout, dat
onder 't uitvloeien van hars met een donkere vlam brandt. Verder wa. leiTH of leid
‘bliksemen’, 't leiTHert ‘het bliksemt’, hittîleiTH pl. ‘het weerlichten’, leidslag m.
i
‘bliksem’. Saterland leie ‘bliksemen’ heeft dus waarschijnlijk syncope (vgl. b.v. rê ər
< hrîther ‘rund’). Of het ofri. hier g gesyncopeerd heeft (zooals b.v. in lêist ‘laagst’)
is kwalijk uit te maken. Cad. Müller layde, -n ‘bliksem, -en’. Vgl. nog Kil. lochene
Fris. ‘flamma, flammula’, loechene vet. Sicamb. ‘flamma’; verder (sa.) ofri. löchem
‘Lohe, Flamme, Flämmchen’ en lochem (met ò; ook ww. -en) bij Molema; in het
stad-gron. is (de) lòchem ‘stinkende walm’, b.v. van
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
288
brandend leer, van olie die op de kachel morst, van akelige pleelucht. In Egmond
a/Z de lamp looft ‘walmt, pijlt’ (mededeeling van A. Beets).
LATEN. Hierbij (NED) ouder en dial. eng. lease, leaze ‘weide’ < ags. láes f. <
lâeswâ; oorspr. n. láes, g.d.a. láeswe (vw. eng. leasow: ags. pl. láeswe ‘id.’), láese;
waarsch. etym. identisch met het tweede lid van blód(es)láes f., g. -láes(w)e
‘aderlating’ [n.s. blódláeswu analogie] < gm. *lâeswâ < igm. *lêd-twâ of -swâ; dus
láes oorspr. ‘land “let alone”, not tilled’.
LEBBE. De bet. ‘venenum’ is niet slechts eigen aan den wortel met u (z. Fr.-V.W.
lebbe l. zin), maar ook aan dien met i en a: oijsl. lif, ozwe. lif: laef ‘toovermiddel’; z.
Noreen, Aschw. Gr. § 172.
LEEK IV in Nl. Wb. Bij Ts. 32, 318 is te voegen uit Bergsma's Wb. 85 ben. het
appell. leek ‘stroompje’ (Beilen, Halen).
LENS. Eigenaardig is nog nwfri. lins ‘ledige tijd’, ontlizgje ‘ontlasten, rust krijgen’,
men is hast net ontlizge ‘men heeft haast geen verpoozing, rust, verademing’.
Wangeroog LETS ‘lepel’ zal wel evenzoo bij lekken, likken behooren als lepel bij
leppen.
LEUT(E), is ook sa. en fri. Draaijer zegt: löte en lötig als vla. Het Fri. Wb. legt liette
uit als ‘“leute”, vroolijkheid, vermaak’, en geeft op uit G. Japicx I, 2 O, derten liette!
‘dartele uitgelatenheid’ (slechts bij hem?). Dit wijst op *liota- naast *luti-; voor tt vgl.
b.v.G.J. stiette ‘stooten’; Fri. Wb. stjitte, to mjitte ‘te gemoet’, miette ‘meten’;
i
Kloosterman stje ttə, ontm ette. Bedenkt men dat in de familie van pret de bet. ‘list,
streek’ en ‘pret’ zijn vereenigd, dan kan men de bet. van leute ontstaan achten uit
‘bedriegelijke streek’ (met wijziging in gunstigen zin als guit, schalk e.a.), en dus het
woord verbinden met got. lutôn ‘bedriegen’ enz.
LEVEN. Dat deze bet. ontstaat uit ‘overblijven’ is eenerzijds parallel met den
overgang van blijven van de bet. ‘achterblijven’ tot ‘omkomen’, anderzijds met on.
nara ‘leven’ < ‘weeromkomen’, vgl. genezen.
LIDMAAT. Deze samenst. is minder vreemd, wanneer men
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
289
aanneemt dat ze is ontstaan in uitdr. als lange, korte lidmaten (ledematen) hebben.
LIED. Hierbij ablautend on. lúþr ‘hoorn’ (blaasinstrument).
Mnl. LIEKE ‘bloedzuiger’. NED acht het op grond van ags. lyce, waaraan het ý
toekent, van vroeg me. liche en van mnl. lieke waarschijnlijk, dat eerst
volksetymologie den naam van het dier met dien van den geneesheer in verband
heeft gebracht. Dit is aannemelijk; de mnl. ie aan fri. of mfra. invloed toe te schrijven
is een noodbehulp. Wij komen er nu toe, verband te zoeken met lûkan ‘trekken’.
Hoe goed de bet. past, bewijst dadelijk het eerste vrb. in het Mnl. Wb.: ‘Lieken
trecken vele meer dan ventosen (koppen) ...’. De ie beantw. dan aan io; vgl. ohd.
(Braune § 384 A. 1) liochan ‘vellere, reissen, zupfen’, opperd. arliuhhan ‘evellere’,
ptc. zilohhan. [De vocaaltrap is dus dezelfde als in het bov. behandelde leek; mnl.
leke berust echter hierop, dat het hs. meermalen e voor ie heeft, volgens Ts 2, 199
noot 3.] Daar lieke slechts in 't mv. is aangettoffen, kan men het houden voor zw.
m. of voor zw. of st. f.; ags. láece, Kentsch lýce is st. m. [wvla. lijklake f. - mv.
lijkelaken heeft De Bo in een citaat uit zijn eigen tijd -, lijklaken m. en f., dus ‘medicus’
en ‘-ca’; -en uitgang van den pl., dien men als sing. opvatte? vgl. o.a. mnl. en ouder
nnl. dingen als sing. Sievers § 154 A. ziet in lýce ‘umgekehrte Schreibung’; intusschen
o
geeft - wat toeval kan zijn - NED ý niet bij de bet. ‘dokter’. Sterker spreekt liche (a
1275); vgl. b.v. fliʒen ‘vliegen’ (terwijl ‘dokter’ in dien tijd wel leche, lache, laeche,
liache is, maar niet liche). Dit wijst op een ja -st., hetzij op ouder ws. líece (dat ook
lýce gespeld kon worden), líoce (Uml. v. éo < eu), hetzij op lýce (Uml. v. ú). De mnl.
vorm onderstelt voor 't naast a- of ô-st.; lieke kan echter zijn als liede naast lude, in
welk geval u toevallig ontbreekt. Kil. lijcklaecke, De Bo lijklake f. en lijklaken m. en
f. behooren tot de verduidelijkende samenst. (Beets wijst mij nog op St. Truien
1)
mieremet ‘mier’, geslachtsnaam Mieremet) ; ij zal wel een ontw.
1)
't Daghet i.d.O. XXII. 1906. 132. - Loonsch moemet.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
290
zijn als in vla. kijte ‘kuit’. Kil. geeft als vla. locke (en locken ‘zuigen’; vgl. De Bo lokken
‘al zuigende drinken’ [antw. lokken ‘dooien door de zonnestralen’: het lokt d.i. ‘het
maakt vochtig’ < *‘het zuigt’?]; vocaaltrap als ohd. kluppa ‘tang’ bij klioban (geen
Uml. blijkens mhd. kluppe ‘zange, zwangholz; abgespaltenes stück’).
Mnl. LOEKEN. Daar de k terugkeert in het os., het fri. en het ags., is ze voor oorspr.
te houden; terwijl Kluge zegt: ‘ahd. luogên eigtl. ‘aus dem Versteck spähen’ gehört
wohl zu ahd. mhd. luoc(g) ‘Versteck, Lauerhöhle des Wildes’, komt men op het
vermoeden, dat oorspr. *luokên zich heeft gewijzigd doordat men het met genoemd
subst. in verband bracht. Dat in het nwfri. k verdubbeld en geassibileerd werd vóór
secundaire i der ô- verba, en dat dan door generaliseering ww. met tsj en met k
naast elkander ontstonden, is voor ww. met ă vóór k aangetoond door Van Helten,
PBB 19; hetzelfde heeft plaats gehad in verba op -ŏk- blijkens Fri. Wb. koaits(j)e,
kôkje ‘koken’. In ons ww. is vóór geminata de voc. verkort, vd. loaitsje en lôkje; de
oorspr. vóór de vormen met enkele cons. behoorende lange voc. toont zich nog in
het zwak prt. Loeke (naast lôke; ô ontstond uit gerekte ŏ, terwijl oorspr. ô tot oe
werd). Wangeroogsch lauk; in 't wa. en saterl. is *bilôk-, met syncope der i, met zien
tot één paradigma versmolten (hoofdvormen: wa. sjô, blauket, blauket, -stl. siô, sag,
blôked). Gelijke sync. in blawken ‘sehen’ bij Cad. Müller. [Oudbeierlandsch blōkə
‘den oogst, het gewas opnemen’, vooral in tiend - ‘het koren gaan bezichtigen of
gaan schatten, ten einde bij de tiend-verkoopingen te kunnen bieden’ (ō < ŏ),
Bommelerwaardsch tiendblokkə ‘tienden aanwijzen’ zal intusschen wel, zooals
Beets mij aan de hand geeft, ontstaan zijn uit tiendblok; z. Nl. Wb. II 2910.] Misschien
hierbij (ge)leuk ‘schouw’ (Nl. Wd. leuk II); niet noodzakelijk < *luki, maar misschien
< *loki, met analogische o naar 't ww. - Daar de bet. ‘kijken [naar]’ verklaarbaar is
uit ‘letten op’, ‘zich bekommeren om’, kan men in gm. lôk- denzelfden wortel aanemen
als in de bekende familie gr. αλέγω, lat. neg-lego enz.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
291
LOG. Het bij Franck te vinden vermoeden dat verwantschap bestaat met eng. lag
‘slap, traag’ wordt versterkt doordat dit woord niet geïsoleerd staat. Eng. to lag sinds
1530 (lag(ge) ‘achterblijven’, soms tr. ‘doen a., vermoeien’ (het ald. uit Kalkar
opgegeven mde. lagge vind ik niet als ‘langzaam gaan’, wel als ‘onduidelijk praten
als een klein kind’); eng. log, 14-16 E logge ‘groot blok hout’, enz., 16 E lug
‘something heavy and clumsy; in quot. applied to a massive bow’; dit wordt in NED
reeds vgl. met ndd. lug, ndl. log.
LOKKEN enz. In Noordhorn is loekooren (hoofdtoon op eerste syll.), verder westelijk
luukooren ‘luisteren’ (in bepaalde toepassingen). Molema heeft loekhals (Middag,
d.i. gem. Hoogkerk, Aduard, Ezinge) schimpwoord voor een paard.
LOOF, LOF. Daar verkorting niet te motiveeren is en daar men gm. *luftu-, *lufta- ‘dak
van schors’, vd. ‘lucht’ ‘ansetzt’, is voor lof dezelfde u-trap aan te nemen als in czech.
lupen ‘blad’ enz. Vgl. nog wfri. leaf ‘dun metalen plaatje of blad’, ‘dun blad papier’,
‘luns’, leaven ‘loovers, de lange bladeren van koren, riet, enz.’, leavich ‘met loover,
looverrijk (alleen van grasachtige planten)’, doch lof ‘loof, gebladerte, inz.
aardappelloof’. Naar het fri. en het holl. spraakgebruik te oordeelen schijnt *lufam
niet in de eerste plaats boomloof bedoeld te hebben. Van Schothorst heeft in de
woordenlijst een vrb. van aardappels; § 259: ‘Deze verkorting komt slechts eens
voor en wel in lof loof, groen, dat in elk geval lō·f zou moeten luiden, onverschillig
of het woord op germ. laubo, dan wel op germ. *lubo teruggaat.’ Gm. *lof ligt voor
de hand.
LOOK. Abl. ozwe. lok, luk ‘gras’.
LOOM. [Sloom zal wel niet met dit woord verwant zijn; eer met sluimeren, mnl.
slumen, mnd. slomen, enz.]. Ook nwfri.: bij Gijsb. Jap. loam, nu loom, Ureterp loem.
Daar oa, oo op ŏ wijst, is die voc. ook toe te kennen aan Zaansch lom ‘loom, stram’.
Het eenvoudigst is, een oorspr. paradigma *lom, *lomes aan te nemen, waarbij
vooral de pl. invloed zal hebben gehad; vgl. gron. hool ‘hol’ subst. Mag men aan
Ureterp loem gewicht
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
292
hechten, dan is het vocalisme voorshands raadselachtig (< *lūm?). Helgoland lōam
‘schön weich anzufühlen’ wijst op *laum, ‘slap’, en hieruit kan dus ndl. loom ook
worden afgeleid. In elk geval is een wgm. vorm met ŭ en een met au, mogelijk een
met û aan te nemen.
LOOPEN. Boisacq brengt ϰάλπη ‘draf’ ϰ αλπᾱ < *q ḷpā met loopen, en wat den
vocaaltrap betreft met mhd. ptc. geloffen, in verband. Ook hier weer is moeilijk te
beslissen of een later optredende vorm (immers als ohd. is slechts giloufan
overgeleverd) berust op jongere van den regel afwijkende klankontwikkeling, of
reeds vroeger bestond zonder in onze bronnen voor te komen. Nwfri. ljeappe
‘springen met een pols’, ljeap ‘sprong (met een p.) over een sloot of gracht’, ljeap
(met bijvormen) ‘kievit’. Cad. Müller lepp ‘Kiefieth’. Vgl. nog ozwe. loppa, de. loppe
‘vloo’.
Gron. LÓRT (mv. -tṇ, bnw. en bw. -təχ). Molema heeft de door Wester gegeven
omschrijving ‘een bot en onhandzaam mensch’ vervangen door ‘zooveel als: bengel,
slungel; een bot, o.m.’; de voorvoeging is m.i. slechts bestemd om het aequivalent
in één woord te geven. De bet. doet mij het woord verbinden met Teuth. loyrts, lurts,
luers ‘linker’, waarvan de s te beoordeelen is als in lyncks enz. (liever dan met (sa.)
ofri. lŭrd, -t ‘drek, waardeloos tuig’, ‘kerel, wijf van niks’; dit behoeft niet met het
homoniem ‘oude lappen, enz.’ identisch te zijn, in welke bet. elders geen -d of -t
staat, z. Fr.-V.W. lor). Het Mnl. Wb. i.v. loorts wijst op verdere verwanten, waarvan
de naaste zijn Nederrijnsch lorz, lurz en mhd. lërz.
LOSBANDIG. Dre. (Dr. Volksalm. 1847) behalve in de gewone bet. ook letterl.: van
koeien die losloopen, van paarden die niet ingespannen zijn; verder (D.V. 1848)
‘eenloopend’ (b.v. - gaan ‘zonder gezelschap’ en ‘ongehuwd’).
Mnl. LUCHTEN ‘opheffen’. Hierbij nog wang. left (Fri. Arch. met ä gespeld, maar
vgl. f l ‘füllen’, k sing ‘Kissen’, fäst ‘Faust’ e.a.).
LUI. Helgoland lúi wijst, daar het ndd. woord deze diphthong
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
293
niet schijnt te hebben, in verband met búi ‘bui’ op overneming uit onze taal, al is úi
phonetisch = hd. ui.
LUIM. 't Ww. loenen ook gron.; z. Molema, ook onder loens(k). Wangeroog lûn
‘wenn jemand einem andern grollt und gar nicht mit ihm spricht.’ Nwfri. lunsk ‘op
geheime wijs’. Terwijl dit in bet. aansluit bij on. leyna enz., komt nwfri. lúmsk ‘slinksch,
listig’, daarin overeen met on. lymskr.
Delden LULLE vr. ‘speeksel’ (Driem. Bl. 13, 10), lullen ‘het sp. laten loopen’, vd.
lulzak ‘waterzak eener ouderwetsche pijp’ naast lullen ‘leuteren’ is als Soest (in
Westfalen) lüln ‘kwijlen’.
MAAIEN. Saterl. míôe. - Dial. mat enz. kunnen de t ontleend hebben aan zwad,
phonetisch -t. Ook maakt de verre verbreiding bij zulk een boerenterm ontleening
minder waarschijnlijk.
MADE. Mnd. maddik, meddik, moddik ‘regenworm’. Meng. maðek kan dan ook
inheemsch zijn, als is mawk (nog dial.) adaptatie van 't on. Verder me. ne. maddock.
Ook mnd. a en o wijzen op een suffixvorm met u, e op een met i. Nwfri. naast maeije
de vormen met dim. suff. maeik, ma(e)its. Helgoland mǭduk, mǭdek f. en (Siebs
2
Grundr. I § 84) Wangeroog mãðûk f., Sylt mōrək < ofri. *mathok. Zwitsersch mettel
‘regenworm’. Westerkwartier mv. moaten zeker niet naar het veel zeldzamer enkv.
moat; misschien geabstraheerd uit een als verklw. opgevat *moatken < *moadeken.
- De o van 't mnd. maakt, naast mhd. en Zaansch a in ‘mot’, de verbinding met mot
aannemelijker. Vgl. ben. mot. De cons. verhouding tusschen motte en moddik zou
zijn als tusschen pitte (tt < þþ) en mnd. peddik, -ek m., welk laatste ook wel één d
heeft zooals made.
MAGGELEN. Het Nl.Wb. zegt hiervan alleen: ‘Verg. MOKKELEN.’ Maar onder dat
woord wordt maggelen niet genoemd. Misschien zou het daarmee in een of ander
verband zijn gebracht wegens bet. 4 (van mokkelen) ‘bezoedelen, bevuilen,
verfrommelen’. Daar wij dus opgaven over geographische en temporale verbreiding
missen, wil ik hier het weinige bijeenbrengen wat mij er van bekend is. Molema heeft
maggelen ‘krabbelen met de pen, slecht schrijven, en ook: niets beteekenende
trekken,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
294
lijnen, krullen met inkt of verf op papier maken; zooveel als: kribbelkrabbelen; ook
Oostfri.’ [Ik vind het echter niet bij Ten Doornkaat Koolman, wel margelen ‘klecksen,
2
sudeln, schmieren etc.’; de r kan op volksetym. berusten, vgl. b.v. Nl. Wb. mergel
‘bagger, slijk uit grachten of waterloopen’.] Dre. maggelen ‘morsen’, z. ben. Gallée
maggelen ‘knoeien’. Men mag dus een grondw. *maggen aannemen, welks bet.
‘morsen’ kan zijn, ook wegens Nl. Wb. magge II ‘een vrouwenboezelaar, inz. in
Drente.’ Inderdaad geeft Dr. Volksalm. 1840 het als ‘wollen voorschoot,’ en die van
'44 als ‘voorschoot (vrouwenkleeding) te Hoogeveen,’ het met maggelen ‘morsen’
verbindend; magge dus ‘morser’ = ‘wat tegen het morsen dient’; vgl. gron. smodsgoed
bij Molema i.v. smodden; ook bij boezelaar van boezelen is te denken aan de bet.
‘morser’; vgl. nnd. busseln (z. Nl. Wb.).
MEENEN. Wangeroog mein, nwfri. miene. Meenens zal wel ptc. prs. met adv. -s
zijn, zooals nopens, wetens, willens. Z. Nl. Wb. 9, 380 de al. Het is meenens of
gemeend, inz. Iet lachens zeggen en meinens doen uit Corn.-Vervl.
Dial. MEIN subst. Hoogeveen enz. main ‘meisje’ (ik kan thans slechts het vklw.
mainje staven: Van de Schelde tot de W. I 614), Staphorst (Driem. Bl. 6, 84) mein
‘id.’ bij ags. maeʒden, máeden n. (> eng. maiden) en ohd. magetîn.
MEISJE. De s ook in meiske(n) in tongvallen die overigens geen s vóór den
verkleinuitgang kennen. Ook in de ndl. schrijftaal komt dit -ske anders slechts na
gutt. voor. De s kan bewaard zijn door invloed van (bewaard of verloren) jongske(n);
z. ook bij Van de Water § 46 l. al. durskə ‘meisje’ met uitg. als iungskə; in zijn andere
vrb. staat s steeds na gutt. Zonder s Gallée en Draaijer mèken.
MIK beteekent behalve ‘stuk brood’ ook een bepaalde, niet overal dezelfde, soort
van brood; b.v.N. Holl. ‘(snee) roggebrood’. Daar micke in 't mnl. een gaffelvormig
voorwerp is, maar verder in 't algemeen een paal (mnd. niet ‘paal’ of dgl.), zoo mag
men m. als brood verklaren op de wijs van hd. Stolle, dat b.v. Weigand omschrijft
als ‘Kuchen in Gestalt eines läng-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
295
lichen Brotes’ en dat etymologisch één is met Stollen, zooals het trouwens in een
deel van Duitschland luidt. (Fra. miche kan volgens Meyer-Lübke slechts uit ‘fläm.’
micke ontstaan zijn.)
Dre. MIL. Dr. Volksalm. 1846: mil vr. ‘mijt in hout, meel, vleesch, kaas, zier’ is niet
wel te scheiden van hd. Milbe. Daar ‘schaduw’ in 't NW sa. schad(de) is - of daaruit
ontstaan schar(re) -, schijnt het wel dat w soms aan de voorafg. cons. werd
geassimileerd (nom. skado > *schade, gen. skadwes > *schaddes, enz.; dan
generaliseering van schadd-); dan moest aan ohd. milwa beantw. *mille > mil.
Ontbrak de parallel van ‘schaduw’, dan zou mil eer zijn te houden voor zonder w
afgeleid, iets wat ten slotte toch mogelijk is.
MISSCHIEN. Constructies als misschien wie d' uwe wezen zal, waarin m. = ‘het is
3
niet zeker, het is de vraag enz.’ (Nl. Wb. i.v. ) zijn te verklaren uit vervanging van
misselijc, dat in 't mnl. zoo geconstrueerd wordt, door misschien. Bij zulk
dooreenloopen van beide woorden ligt het voor de hand, dat de eerste voc. van
mascien of wel de reeds toonloos gewordene van məs. (vgl. e naast a en i, en gron.
məsgijn) vervangen is door die van misselijc. - Molema lichtschien (sic) < mag lichte
schien? ien is evenwel vreemd, en bij De Haas-Okken vind ik dan ook lichtschain.
MISSEN. Wangeroogsch mist, saterl. miste, helgol. mes(t); met gron. misten uit
en
den 3 ps. mist afgeleid?
MISTEN. Vgl. behalve wat Fr.-V.W. geeft Nl. Wb. miezelen, miezerig, mijzel, en
Kil. miesten ‘misten’.
Dre. MÓDDE (Dr. Volksalm. 1846 ‘modder, slijk’: Teuth. mod(de); z. verder Fr.-V.W.
modder.
MOEZEN. NW Veluwsch m jzən heeft V. Schothorst als ‘fijn maken van eten op
het bord; eten, schransen’. In de j zie ik een naklank der
zooals in d j ‘dooien’
of ook in dō·menē·j ook -ni·j; niet verwachte rekking hebben verder kn jzən naast
kn ·zən ‘kneuzen’, m ·jəkən ‘murw maken v. appels enz. door ze in 't hooi te
leggen’, wē· l wie (interr.)’, wē·ĕləkən ‘verwelken’, wē· n ‘gezwel, uitwas’ enz. Dan
is m jzən < *môsian,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
296
van môs ‘spijs’ (vw. ‘eten’); ‘moes’ (vw. ‘fijn maken’; in Gron. zegt men van iets wat
heel fijn wordt: 't wort mous; Nl. Wb. moezen I ‘tot moes maken’, ook: ‘t.m. worden’).
Naar 't ww. het znw. m js ‘het eten’ (wij zijn aan de -; hij heeft vandaag nog geen
- gehad), waarbij m jšən ‘kliekje, opgewarmd eten’. - Dit leidt er reeds toe, moezen
I, II (‘smullen’) en III (‘morsen, knoeien’) in Nl. Wb. te houden voor bijeenbehoorend;
hierbij komen voor het verband tusschen II en III nog de parallelen welke men vindt
bij Fr.-V.W.i.v. smullen. Verder behoort hier Nl. Wb. muizen II in bet. 3: ‘smakelijk
eten’ sluit zich aan bij ‘smullen’, terwijl het denom. muizen slechts beteekent: ‘muizen
vangen’, niet: ‘van een muis smullen’. Doch muizen V (‘fijnmaken’) onderstelt een
u-wortel; z. de vormen in Nl. Wb. Moezelen bij Molema is dan ook terecht bij
laatstgenoemd muizen vermeld, doch ten onrechte bij moezen III. Eindelijk zou men
Nl. Wb. moezen IV (‘pruilen’) met zijn homoniemen kunnen verbinden, daar hd.
schmollen aan ons smullen doet denken; dit schijnt echter een bedriegelijke
toevalligheid te wezen.
MOND. Verwantschap met ohd. mindil, enz. ‘gebit aan den teugel’ is aan te nemen
wegens on. minne n. ‘monding’. [Het door Ausgleichung der casus ontstane on.
munnr komt voor.] - Daar benamingen van plaatsen zoo dikwijls in den dat. stonden,
zal op ofri. dat. mûthe berusten Molema moe ‘geul, uitwateringsgeul, buitendijks, in
den Dollert’. Vgl. hiermee Zandvoort Jarremuie ‘Yarmouth’, de mui ‘zijdelingsche
uitmonding, waaruit bij eb het water uit een zwin (vóór zandbankjes achtergebleven
strandplas) naar zee loopt’ (Onze Volkstaal I).
MOOT. Gron., althans in en om Noordhorn, niet oo, maar oa; juist dit wijst op
ontstaan uit *mâte (hoewel ook *mate moat zou geven). Maar hoe te verklaren nwfri.
moat?
MOS. Met Fr.-V.W. vgl. Nl. Wb. moos I. Zevenbergen, Terheiden moos vr.
bepaaldelijk ‘het vertrek waar het vaatwerk gewasschen wordt’ (Onze Volkstaal I).
- Hierbij vermoedelijk Mussel en Mussel A. Dre. Volksalm. 1848: ‘Mussel, znw., vr.
broekgrond, drassig weiland.’
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
297
MOT (insect). Z. bov. made en vgl. met mnd. mutte stadgron. stainmót (stain ‘steen’),
een in muren en onder steenen aan te treffen diertje, naar 't schijnt ‘Oniscus
murarius’.
MOT IV, V, VI in Nl. Wb. zullen wel bijeenbehooren; V. Schothorst m t (d.i. mùt)
‘stof, fijn zand’ (b.v. t rəfmöt (lees t) is het fijne zand, dat uit een zeer droge turf
valt) < *mutti sluit zich bij V en bij VI aan, ook m thō·p ‘mestvaalt, bestekamer’.
MUUR en MIER (plant). Uit Heukels, Wb. der Ndl. Volksnamen van Planten, blijkt,
dat mier gezegd wordt in de fri., sa. en oostelijke fra. streken, maar ook tot op
Beierland en Voorne. De ie berust althans in 't O. op î; anders zou het zijn: gron.,
b.v. in Noordhorn, mijer (als dijer ‘dier’), enz. Bijgevolg is ndl. mier òf in 't O. òf overal
= dial. hd. meier enz., en bewijst niet met muur een gemeenschappelijken grondvorm
met gm. eu.
Kleine mededeelingen.
61. Gorrekens ‘arm, schamel volcxken’.
In het hoofdstuk, getiteld ‘Vant beginsel ende oorsprong der stede van Gorinchem
oft Gorcum’ Divisiekron. f. 166 (XVII 10) = van Gouthoeven f. 308 staat te lezen:
‘ende dese visschers om dattet een arm schamel volcxken was/ wierden sy
gheheeten gorrekens, waer van dat die stede Gorrekom (maer nu Gorichom)
gheheeten wert’. Evenzo in het oudere Latijn van Johannes à Leydis Chron. Com.
XXII 11 blz. 192: ‘miseri piscatores Theutonice Ghorkens’ (Goerkens De Vita et
1
Rebus gestis dominorum de Arkel = Matthaeus Analecta VIII 300) en bij Snoy VII
blz. 87: ‘Gurrigheus hoc est, anxie atque avare piscatione viventes’. Naar ik meen,
was dit bij goor (gore, gorre) behorende woord tot dusverre onbekend.
Hilversum.
M. SCHÖNFELD.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
298
Vondel's Roskam.
Brandt stelt dit gedicht op 1630. In mijn Leven van Vondel (bl. 110) heb ik 1626 als
het jaar genoemd, waarin het geschreven is. Het bestek en het doel van het boek
lieten niet toe elke van de gangbare meening afwijkende voorstelling uitvoerig te
1)
staven . Maar Brandt's mededeelingen mogen niet stilzwijgend verworpen worden.
Daarom heb ik, nadere overwegingen meer aanduidend dan noemend, één krachtig
argument gegeven.
De heer Geyl is daarmede niet tevreden geweest en heeft in Tijdschrift XXX, 308
vlgg. nog een aantal argumenten voor het jaar 1626 gegeven. Gedeeltelijk zijn dat
dezelfde, die ook mij geleid hadden, maar een nieuw en gewichtig argument ontleent
hij aan het proces tegen eenige leden der Admiraliteit van Rotterdam. Dit was mij
ontgaan.
Aan het slot echter van zijn artikel komt de heer Geyl met eene aanwijzing, die
het ‘kortweg onmogelijk maakt, dat de Roskam geschreven is vóór 1628’. Uit de
verzen nl., waarin Vondel over de ‘Haagsche Bie’ schreef, ‘blijkt overtuigend, dat
hij, toen die geschreven werden, niet meer in leven was. Hij “vloogh” om nectar, dat
imperfectum is afdoende’. Bovendien kan de regel
En noch een siel geroemt, wiens deuchden elck verknochten,
‘onmogelijk van een levende gezegd zijn’.
Dit betoog schijnt de zaak te beslissen. Aanvankelijk gaf ik
1)
Natuurlijk ben ik daarbij toch nooit lichtvaardig te werk gegaan. Mijne argumenten liet ik echter
veelal weg, of omdat ik daar later nog eens op terug wilde komen, of omdat een ander die
evengoed kon vinden. Zoo heeft b.v. de heer Sterck ook de plaats in Van Baerle's brieven
gevonden, op grond waarvan ik de vertaling der Medicea Hospes aan Vondel heb
toegeschreven.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
299
mij dan ook gewonnen. Maar weldra kwam de twijfel weer boven en keerde ik tot
mijne vorige meening terug. De argumenten voor 1626 waren toch te krachtig en
in de bedoelde woorden moest dus De Bie niet als overleden worden voorgegesteld.
Om hiervan ook anderen te kunnen overtuigen moest ik echter kunnen aantoonen,
dat kort te voren een ander De Bie geprezen had. Dan toch had het praeteritum
niets vreemds. Ik bleef dus uitzien, of ik zoo iets kon vinden.
TELEPHI CITIPARIUM. Abdita Scelera Musii ab umbra in solem deducens is de titel
van een merkwaardig Hollandsch pamflet (Kn. 3685), zonder jaartal, naam of
woonplaats van den drukker.
De tijd van vervaardiging kan echter zeer nauwkeurig bepaald worden. Er wordt
nl. ook gesproken over Johan Rutgers, den Zweedschen ambassadeur, en wel als
1)
nog fungeerend. Deze nu overleed 26 Oct. 1625 . Het pamflet was dus vóór dien
datum geschreven. Maar lang te voren kan het toch niet geweest zijn, daar er verzen
2)
uit Vondel's Palamedes aangehaald worden .
De titel eischt eerst wel eenige verklaring. Telephus, de zoon van Herakles en de
nymph Auge, was door Achilles gewond. Deze wond genas niet en scheen
ongeneeslijk, tot het orakel verklaarde, dat alleen hij, die de wond geslagen had,
ze ook genezen kon.
Citiparium is de vertaling van ὠϰυτόϰιον, d.i. ‘hetgeen snel, gemakkelijk gebaard
wordt’. De geheele titel beteekent dus ‘het vlugschrift van hem, die bijna ongeneeslijk
gewond is en alleen genezen kan worden door hem, die de wond geslagen heeft’,
waarmede hier dan gedoeld wordt op den ellendigen toestand des lands, die alleen
verbeterd kan worden, wanneer
1)
2)
A.H.H. van der Burgh, Gezantschappen tusschen Nederland en Zweden, bl. 34.
Hieruit blijkt ook, dat de Palamedes niet ‘in het laatst van October, of begin November’ is
verschenen, maar zeker niet later dan half October, waarschijnlijk in het begin dier maand.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
300
de regeering, die door slecht toezicht de knoeierijen mogelijk gemaakt heeft, streng
1)
optreedt .
De inhoud van het pamflet is merkwaardig genoeg om daarvan een uitvoerig
overzicht te geven, waarbij de overeenkomst met den Roskam telkens in het oog
springt.
De schrijver richt zich tot de Staten Generaal en den Stadhouder met den wensch,
dat de misdrijven ‘van dien mancken, nieuwen Ridder Muys’ gestraft mogen worden.
Een groot aantal getrouwe patriotten, overwegende hoe buitengewoon God ons
land gezegend heeft in den oorlog tegen Spanje, begrijpen dat Hij dit gedaan heeft
om ‘zijne Kercke te conserveren’ en ‘om d'oprechte vromicheydt, ende
deghelijckheydt van onse voor-ouders’. Daarentegen zien zij, dat sinds eenige jaren
Gods rechtvaardige toorn over deze landen ontstoken is, dat al onze plannen mislukt
zijn, en verscheidene vestingen verloren gegaan ‘om d'overgroote zonden, die onder
ons domineren, ende met vollen loop in swanghe gaen, waer onder de
ontrouwigheydt, die in Finantien van den Lande ghepleeght werden, niet de minsten
2)
en zijn’. Daarom ‘non dubitarunt serere hoc ὠϰυτόϰιον’ .
Allereerst bedanken zij de Staten en den Prins, dat dezen verstandige en
onbesproken rechters hebben aangesteld, om te ‘inquireren op d'exorbitante, ende
schandeleuse fauten ende malversatien ghepleeght by de Collegie ter Admiraliteydt
de welcke groote oorsaecken hebben ghegeven dat onsen gesworen Viant
genoughsaem meester van de Zee geworden is, ende noch meer worden sal, zoder
gheen prompte ende datelijcke remedien, met couragie ende goet beleydt, en werde
gestelt, t'welck wy uwe H. Mog. ende Doorl. ten alderhooghsten zijn
recommanderende, ende ernstelijck biddende: wel is waer dat hier al
1)
2)
Deze titel is wel een merkwaardig voorbeeld, hoeveel kennis der oudheid men toen bij de
lezers durfde veronderstellen.
Dit woord is met de hand bijgeschreven. De ruimte daarvoor was opengelaten, blijkbaar omdat
de drukkerij geene Grieksche letter had.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
301
over langh, hadde ordre behoordt inghesteldt te werden, maer het is noch beter laet
als nimmermeer’.
Deze gedachte vinden wij grootendeels terug in den Roskam, vss. 51-59, waar
Vondel blijkbaar denkt aan de fraude bij de Admiraliteit. Als het land, zegt hij, maar
vol Hoofden was, zou de fiere moed van den Spanjaard hem wel in de schoenen
zinken:
Geen Duynkerck sou de zee met vlooten overheeren.
Maetroos die roovers ras sou aersling klimmen leeren;
En 't laege Waterland doen kijcken door een' koord,
Dien, die nu blindeling ons slingert over boord,
En visschers vangt en spant, verwt zeeluy doods van vreesen:
Soo datter een geschrey van weduwen en weesen
Ten hoogen hemel rijst, wt dorpen en wt steên.
Wat's d'oorsaeck? Vraeghtmen, wat? De gierigheyd alleen,
Die 't algemeen versuymt, en vordert slechs haer eygen.
Maar dit is nog niet genoeg en de gemelde patriotten verbazen zich, dat men tot
1)
nog toe niet gelet heeft ‘op den Persoon van dien mancken, nieuwen Ridder Muys’ ,
qui genius est malus nostrorum incommodorum, ende uyt het merch ende substantie
van ons Vaderlant zijn selven zo extraordinaris heeft verrijckt, ende zijn personagie
met zo veel corruptien ende vuyligheden heeft ghespeelt, om zijne duyvelsche
gierigheydt, ambitie, ende begheerlijckheydt te voeden, tot coste van den lande
ende ruyne van veele eerlijcke lieden, die moort ende brandt over hem krijten’.
Hoe hij dat gedaan heeft, is den Staten en den Prins zoogoed als aan de geheele
wereld, bekend, daar hij zoo ‘te recht afgeschildert’ is door ‘J.V. Vondelens, in zijn
onlanghs ghedruckte Dalamedes’ (l. Palamedes):
Verdient hy een brandteecken, die
Tot onses staets verkleenen,
1)
Dat is Hugo Muys van Holy, die 28 Aug. 1617 op last van Gustaaf Adolf door diens gezant
geridderd was. Vgl. Baalen, Beschrijvinghe van Dordrecht, bl. 1137.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
302
Ick meest verrijckt met giften sie:
Merck desen niet, maer genen:
Wiens goudsucht boos, en Goddeloos,
Vind sijns gelijck' niet eenen.
Steyl Neritos vol klippen heeft
Noyt woester dier ontfangen
Als hy, die schelms en onbeleeft
Betrout sijn' slimme gangen:
Die liegt, en stout sijn' verw behout,
1)
Schoon hy 'r in word gevangen .
‘Uwe Hoogh. Mog. ende Doorlucht. is niet onbewust hoe de gantsche Gemeynte
des Lants, over dese Man is roepende, ende wat miscontentementen dat het baert
datmen hem in zijne slimme ganghen laet voortgaen, een yghelijck weet wat
Rijckdommen hy tegenwoordigh heeft, wat Heerlijckheden ende Landen hy met
ghereedt geldt coopt’, terwijl hij voor kort, toen hij in landsdienst kwam ‘maer eenen
beroeyden ende kaelen benghel was’. Van zijne ouders had hij niet genoeg geërfd,
om ‘het vierendeel vande cost’ te hebben, en ‘de twee houwelijcken die hy achter
den anderen ghedaen heeft, zijn aen caele beroeyde Joffrouwen gheweest daer hy
2)
grooten staet ende praght mede heeft ghevoert’ .
Men hoore weer Vondel, vss. 107-116:
't Sijn kostelijcke tyen.
Het paerd vreet nacht en dagh. In een' karros te ryen.
Een' Juffer met haer' sleep. De kinders worden groot:
Sy worden op bancket en bruyloften genood.
Een nieuwe snof komt op met elcke nieuwe maene.
De sluyers waeyen weyts, gelijck een ruytervaene.
1)
2)
In de uitgave van 1652 liet Vondel deze regels op Aerssens doelen. Het is dus wel opmerkelijk,
dat men ze in 1625 op Muys betrok.
Zijne eerste vrouw was Philippote Casembroot, dochter van Leonard Casembroot, Raadsheer
in het Hof van Holland. De tweede was Cathalina Rattaller, dochter van George Rattaller,
Voorzitter van het Hof van Utrecht. Zie Baalen, bl. 1137. De tweede vrouw stierf volgens
Baalen 2 Sept. 1678. Dit is eene drukfout voor 1628. Zie Batavia Illustrata, bl. 1015.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
303
En eyschtmen meer bescheyds, men vraegh het Huygens soon,
In 't kostelijcke mal: die weet van top tot toon
De pracht en sotte prael tot op een hayr t'ontleden.
Hier schort het. Overdaed stopt d'ooren voor de reden.
Hoewel het den Staten en den Prins voldoende bekend is, willen de schrijvers toch
‘een cleyn weynigh’ verhalen, hoe hij aan zijne rijkdommen gekomen is.
Ten eersten is hij, hoewel zelf lid van de Staten-Generaal, in het geheim
commissaris van den Koning van Zweden geweest, en heeft bewerkt, dat deze een
groot subsidie kreeg. In Venetië zou men dat zeker als crimen laesae majestatis
beschouwen. Daarom heeft de Koning hem ridder gemaakt. ‘Wat schelmerijen hy
met de Sweetsche coperen heeft aengerecht, is immers al te manifest’. De bewijzen
1)
daarvoor zijn wel te vinden in de papieren van wijlen den Raadsheer Vernus . Den
vromen ambassadeur Van Dijck heeft hij den voet gelicht en doen vervangen door
2)
zijn neef Rutgertius, op wien hij zich kon verlaten . Hoeveel pensioen hij van den
genoemden Koning getrokken heeft, weet hij zelf het best.
Hoeveel hij genoten heeft van de subsidiën van den Koning van Bohemen en van
3)
Mansvelt, waarvoor hij zeer geijverd heeft, kan de commissaris Dolbier wel vertellen.
Hoeveel ‘corruptiën, vuyligheden, giften ende gaven’ hij genoten heeft als lid der
Staten en als Gecommitteerde Raad, kan men begrijpen. Zoo heeft hij ‘mede
ghepractiseert, datmen den Paght vande Wijnen over den Haegh eenighe Jaeren
den Pachter uyt de handt bij continuatie tot seer gheringe prijs heeft ghelaten tot
1)
2)
3)
Dezen naam heb ik nergens kunnen vinden. Misschien is het eene drukfout voor ‘Verius’.
Dan zal bedoeld zijn Aelbert de Veer, eerst pensionaris van Amsterdam, daarna van 1611
tot zijn dood in 1620 lid van den Hoogen Raad. Zie over hem Elias, De Vroedschap van
Amsterdam, I, 50.
Jacob van Dijck was van 10 Juni 1609-14 Mei 1620 Zweedsch ambassadeur te 's Gravenhage
en werd toen opgevolgd door Johan Rutgers Wijnants, die dit bleef tot zijn dood, 26 Oct.
1625.
Dezen heb ik niet kunnen vinden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
304
groote schade van t'Landt ende tot sijn eyghen profijt, t'welck daer naer heeft
ghebleken, alsoo den selven Pacht int openbaer 17000 gulden Jaerlijckx meer heeft
ghegolden. Daer wordt vastelijcken ghelooft dat hy wel 12000 guldens voor
schenckagie om dit schoone stuck wercks heeft ghecreghen’. Men kan het van den
pachter hooren.
Men vergelijke hiermede Roskam, 119:
Luyckt 't oogh voor sluyckerye, en onderkruypt de pachten.
Ook dient gelet ‘op t'ghene hy inden valschen draetwerck heeft ghehandelt’,
bewerkende, dat ‘met seer quaede Practijque een Octroy aen Jan Carpentier, ende
Servaes Hellingh (seer fijne Voghels) is ghegheven om dien draet te maecken ende
al de Wereldt daer mede te bedrieghen’. Dat heeft hij in de vergadering van Hoog
Mog. verdedigd ‘daer voor bulderende ende tierende, ende dreygende, als een dul
ontzinnigh mensch ..... Wat hy voor zijne belooninghe, aen vergulden Coppen,
Schalen, Soutvaeten, ende anders in zijne Schatcamer gecregen heeft, weet hy
seer wel t'welck van het bloet vande arme Luyden gaet, die door die twee schelmen
zo zeer zijn gheinteresseert, gelijck het daer naer by haere banckeroeten is
gebleken’.
Vgl. Roskam 121:
Neemt giften voor octroy,
en vs. 37, waar van Hooft gezegd wordt:
Noyt sooptghe 't bloet en mergh der schamele gemeent.
Veel geld heeft hij ook ontvangen van de bedijkers van Cromstrijen Hulster ambacht,
en meer dergelijken.
Wat schelmerijen hij aangericht heeft op de reis naar Lubeck, Hamburg en de
andere steden, zal Bacckerus kunnen zeggen, die daarbij penningmeester geweest
is, en die te eerlijk is ‘om zijn gemoet met sodanigen guyt te beswaren’. Ook de
heeren
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
305
Raadsheer Staets, Middelgheest en N. Trip ‘gewesen Bouckhouwer van H.
Loffelijcker memorie Prince van Orangie’ kunnen het getuigen, omdat zij het van
Baccherus hebben gehoord.
Op die reis is in het geheel ƒ5000. - uitgegeven, waarvan ƒ1900. - ‘die de
Commissarissen tot haer eyghen behoeften ende plaisier hebben besteet’. Maar
het land heeft ‘volghens de ghefabriceerde declaratie’ bijna ƒ15000. - betaald. Daartoe
heeft Muys de minuut, die Baccherus van de reis had gehouden, hem afgenomen
‘omdat men de waerheyt niet zoude connen vernemen’.
Vgl. Roskam 121:
of maeckt den geldsack t'soeck:
En eyschtmen rekening, men mist den sack en 't boeck.
In 1619 is hem en anderen door de Staten Generaal opgedragen een groot schip
te koopen voor de O.I. Compagnie. Daarvoor hebben zij voor zich van den verkooper
ƒ6000. - bedongen en ook ontvangen. De professoren Walaeus en Poliander zullen
daar het fijne wel van weten te vertellen.
Pieter Gijsbreght, timmerman te Dordrecht, zal kunnen verklaren, hoeveel hout,
voor het Lamsgat aangekocht en door het Land betaald, gebruikt is voor het eigen
werk van Muys te Ridderkerk. Door het optreden van Muys bij dit Lamsgat, waar hij
nog veel meer geknoeid heeft, is Breda verloren gegaan.
1)
In de rekening van de vloot van Lermite en van de Be-
1)
Den 29en April 1623 zeilde Jacques l'Hermite van Rotterdam uit met 11 schepen om de
Spanjaarden in de Zuidzee aan te vallen en Lima te veroveren. De aanslag mislukte en daarop
zijn de schepen naar Indië gevaren. 6 Maart 1626 kwamen zij op Ternate aan. Verder zijn
zij, zoo goed en kwaad als het ging, in Indië gebruikt of teruggekeerd.
Tot de directie van deze vloot waren gecommitteert Muys, Brunings en Joachimi. Vgl. Aitzema
I, 489 vlgg.
In zijn Zegesang ter eere van Fredrik Hendrick komt Vondel hier nog eens op terug, vs. 530:
Heyn veel geluckiger van verre
Keert van Matance, aen onse ree
Als l'Heremijt van Lima deê.
Dit was wel een hard oordeel, want l'Hermite had de onderneming niet ten einde kunnen
brengen, doordien hij reeds 2 Juni 1625 op de reede van Lima gestorven was.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
306
windhebbers der O.I. Compagnie is ook nog veel te vinden. Daarover kan de heer
1)
Avendroot heel wat mededeelen.
De heer Agent Van der Veke en anderen te Dordrecht kunnen verklaren, hoeveel
hij van het Sticht van Luik ontvangen heeft, om te beletten dat dit door de Staten
werd aangetast.
Men onderzoeke ook eens, wat hij ontvangen heeft van den Licentmeester
2)
Hoef-Iser te Amsterdam, om dezen buiten ‘schandael ende cassement’ te houden .
‘De raeden der Admiraliteydt tot Rotterdam sullen connen segghen, wat corruptien
ende vuyligheden hy van haer-luyden heeft ghehadt, zij sullen t'ghevanghen zittende,
3)
wel moeten segghen’ .
‘Elias Trip, den Agent Carel van Gelder, ende Lowijs de Geer sullen uwe H. Mog.
van ghelijcken (soo zij als eerlijcke Lieden handelen) connen verclaeren, hoe
meenigh present hy van haer luyden heeft ghenoten, ick laete staen alle andere die
aen t'Landt hebben ghelevert en door hem zijn gheholpen tot schade van t'Landt’.
Vgl. Roskam vs. 120:
Besteelt het land aen waere, aen scheepstuygh, en aen vrachten:
Neemt giften voor octroy.
Sedert hij Burgemeester is, heeft hij te Dordrecht alles in
1)
2)
3)
Ook van dezen heb ik niets kunnen vinden.
Marten Jansz. Hoeffijser werd in 1585 Ontvanger-Generaal van de Admiraliteit en bleef dit
tot zijn dood in 1613. Zijn zoon, geb. 1581, † Dec. 1647, volgde hem op tot 1641. Deze was
ook bankier. Vgl. Elias, De Vroedschap van Amsterdam, I, 357. Op wien van beiden het
pamflet doelt, blijkt niet.
Twee der gevangenen, daarbij de voornaamste schuldige, de fiscaal Berck, waren Dortenaars.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
307
de war en in onrust gebracht, ‘so dat de memorye van dien rampsaligen Muys aldaer
1)
wel vervloeckt, ende by de posteriteyt in memorije sal gehouden werden’ . Daarom
wil hij daar weg en zoekt in den Raad van State te komen.
Dat zou zeker een ramp worden voor dit college, dat ‘midden in dese verderffelijcke
2)
tijdt, wert ghehouden voor een onbevleckt Collegie vant Landt’ .
‘Sullen uwe ooghen O Vromen Batavier ende Godtvruchtighen Thesaurier de Bie
alle uyren moeten zien een soodanighen persoon, die by antipatij teghens u.E.
Godtsaligh humeur is’, hoe zoudt gij het kunnen verdragen?
Toen Muys schout van Dordrecht was, eischte hij van zekeren Arent Maertensz.
rekening ‘sustineerende dat hy zo veel goets niet en conde hebben sonder grooten
woecker ofte dieverije, ende wilde hem aen een galge doen hangen’. Er is veel meer
reden om aan Muys diezelfde vraag te doen en hem diezelfde straf te geven, waar
hij mede dreigde.
Vgl. Roskam, vs. 140:
En sijnder dan geen' stroppen
Voor geld te krijgen, datmen 't quaed niet af en schaft?
En dat landsdieverij tot noch blijft ongestraft?
Deze regels kunnen niet op de leden der Admiraliteit doelen, die immers gestraft
werden, maar wel op Muys.
‘Sullen dan uwe H. Mog. ende Doorl. in een Lant daer de oprechte ende waere
gereformeerde religie in treyn is ende daer consequentelijc alles behoort gereformeert
te zijn connen lijden ofte verdraghen dat soodanigen persoon, die uwe H. Mog. ende
Doorluchtigheyt zoo claer wort voorghestelt, onghestraft sal gaen, ghelooft vastelijck
ende seeckerlijck, dat wy niet en
1)
2)
Als deze zin alleen stond, zou men er licht uit opmaken, dat Muys toen al dood was.
Te midden van alle klachten over het algemeen bederf, is deze lofspraak van den Raad van
State wel opmerkelijk.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
308
derven openbaeren (om gheen occasie van seditie ende oproer te gheven) wat
discoursen ende propoosten, zoo onder groote middelmatige ende cleyne persoonen,
desen aengaende door het Landt gaen, ende wat vremde suspicie ende nadencken
datter wert ghenomen, datmen zoo openbaeren faute, dieverijen, ende corruptie
laet passeren, sonder dat in desen persoon straffe wort gedaen’.
Laat de Heeren hem straffen. ‘Twelck geschiedende alle vroome Patriotten met
yver, liefde, oprechte gheneghentheydt, ende uytnement contentement sullen blijven
draeghen ende contribueren, alle de ordinarische ende extraordinarische lasten tot
den Oorloogh behoevende, tot den lesten penningh die zij inde Wereldt hebben,
ghelijck zij oock den lesten druppel van haer bloet, sullen opofferen ten dienste
vanden staet, zy sullen oock ghestadich den Almoghenden Godt bidden dat hy uwe
H. Mog. ende Doorluchtigheyt regieringhe wil seghenen, ende langhe hoe meer
compleren met alderley benedictien’.
Vgl. Roskam, vss. 151-155:
Of nu een' snoode Harpy dit averechts wou duyen:
Dat tegens d'Overheên ick 't volleck op wil ruyen,
Om tol en schot en lot te weygren aen den heer;
Soo lochen ick 't plat wt. Neen seker, dat sy veer.
Gehoorsaemheyd die past een' oprecht' ingeseten.
Dit scherpe pamflet, waarin alles zoo ronduit genoemd werd met den vollen naam
van den aangevallene en van de getuigen, heeft niet de uitwerking gehad, die de
schrijver er van hoopte. Muys is 13 Maart 1626 benoemd tot lid van den Raad van
State en is dit gebleven tot zijn dood op 28 Mei 1626.
Maar wel heeft het zeker de aandacht getrokken en zonder twijfel heeft Vondel
het gelezen. Deze kon dan ook gerust zeggen in Roskam vss. 157-165:
Gelijck die Haeghsche Bie vereert is met dien lof,
Dat sy noyt honigh soogh wt ander lieden hof;
Maer na haer' eygen beemd, op onbesproke bloemen,
Om nectar vloogh, wiens geur oprechte tongen roemen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
309
Waer yeder soo van aerd, wat soumen metter tyd
Het arrem eselkijn al lasten maecken quijt?
Hoe sou 't aenwassend juck ontwassen met den jaeren?
Wat wordter nu gespilt? wat soumen dan bespaeren?
Men had, in tijd van nood, een' schatkist sonder tal.
De Bie toch was vereerd met den lof, dat hij zich nooit schuldig gemaakt had aan
de misdrijven der anderen.
Vs. 172 kan nu ook geen bezwaar meer opleveren. Siel kan evengoed van een
levende als van een gestorvene gezegd worden. Maar vooral: verknochten is
e
praesens. Of het praeteritum knocht in de 17 eeuw nog voorkwam, weet ik niet.
Maar dat reeds toen uit het participium verknocht een praesens verknochten was
afgeleid, staat vast. Zie b.v. Hooft in Tacitus, Jaarboeken III, 26 ‘daar naa verknochte
1)
Numa het volk aan den godtsdienst’ .
Het is volgens Vondel te bejammeren, dat er zoo weinigen aan De Bie gelijk zijn,
en hij vervolgt Roskam, vs. 166:
Maer nu is 't Muysevreughd, de kat sit in de val.
Ook zonder de hoofdletter zouden wij hier de persoonsaanduiding wel zien: Muys
en consorten spelen den baas. Misschien ligt in de tweede helft van den regel eene
ons nog verborgen toespeling op de machtsvermindering van een der tegenstanders
van Muys. Maar dit behoeft niet; gewoonlijk toch wordt deze verklaring bij het woord
muizenvreugd gevoegd.
Het is duidelijk, dat deze laatste toespeling op Muys niet na diens dood kan
geschreven zijn.
De Roskam is dus wel zeker voor 28 Mei 1626 geschreven. Wanneer, wat mij
wel waarschijnlijk dunkt, Muysevreughd op de benoeming van Muys in den Raad
van State ziet, kunnen wij zelfs zeer nauwkeurig den tijd van de Roskam bepalen:
tusschen 13 Maart en 28 Mei 1626.
Bij deze laatste veronderstelling kan men de kat sit in de val ook zoo verklaren:
‘er is, nu hij zoo hoog geklommen is, niemand meer, die Muys voor het gerecht zal
durven brengen’.
1)
Vondel, Inwying van den Christen Tempel vs. 47 zou het praeteritum kunnen zijn; maar het
is ook daar m.i. praesens.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
310
Zonder twijfel is het hier behandelde pamflet de voornaamste bron geweest voor
Vondel's hekeldicht. Maar niet de eenige. Er waren genoeg verkeerdheden, ook wel
algemeen bekend, waar hij aan denken kon. Wel echter is gebleken, dat hij hier
zeer bijzonder het oog had op Muys en dat vs. 169,
'k Heb weetens niemand in 't byzonder aengerand
waarschijnlijk door de voorzichtigheid is ingegeven, om zich in geval van vervolging
te kunnen dekken.
Hoezeer Vondel in Muys een der allerslechtste regenten en tevens een der ergste
vijanden van de Remonstranten zag, blijkt ook uit een paar andere hekeldichten. In
een afzonderlijk opstel zal ik waarschijnlijk maken, dat hij aan dezen dacht bij het
dichten van den Geuse-vesper. Maar zelfs in 1630 nog, toen hij een Dortenaar
hekelde, kon hij niet nalaten even Muys te noemen, met de epitheta ‘Groote landsdief,
Hollants kruis’, nl. in de Medaellie voor de Gommariste kettermeester.
Naast Muys hebben zeker ook wel anderen Vondel voor ogen gestaan. Zoo kan
hij bij
Vs. 5 Maar slincx en rechts te staen na allerhande goed,
speelde raep en schraep,
vs. 21
in tegenstelling met hen, die
v. 99
wenschen tijd en sorg en moeyte hier in te schieten,
En niet een' penning voor hun diensten te genieten,
gedacht hebben aan Burgemeester Oetgens en dergelijken.
Vs. 118 En stiert den vijand 't geen op halsstraf is verboôn,
zal wel doelen op Reinier Pauw, van wien juist in 1625 werd verteld, dat hij en zijne
zoons boter en kaas naar den vijand gezonden hadden, en dat dit in Zeeland ontdekt
was. Wel werd op hun verzoek door het Gerecht eene belooning van f. 200. 1)
uitgeloofd voor het aanwijzen van de uitstrooiers of verspreiders van dit gerucht ,
maar men zal het toch wel
1)
Kok, Vaderl. Woordenboek, XXIII. 367.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
311
geloofd hebben. En Vondel had zeker geen reden om Pauw te sparen.
Het is mogelijk, dat er in den Roskam nog meer toespelingen zijn op bepaalde
personen of feiten, maar waarschijnlijk lijkt het mij niet. Al hetgeen hier niet besproken
is, laat zich gemakkelijk verklaren als uitbreiding van deze klachten en van de lofrede
op C.P. Hooft. Intusschen blijft het gedicht in de aandacht van onze
geschiedvorschers aanbevolen.
P. LEENDERTZ Jr.
Op de jonghste Hollantsche transformatie.
Reeds lang heb ik getwijfeld aan de juistheid der dateering van dit gedicht op 1618.
Toen ik het Leven van Vondel schreef, had ik voor mijzelf nog geene zekerheid, en
moest dus de gewone voorstelling houden. Maar om het beeld, dat ik mij van Vondel's
ontwikkeling gevormd had, niet te schenden, heb ik dit gedicht niet op het jaar 1618
besproken, maar bij de hekeldichten na 1625.
Wat is er voor en tegen 1618?
De prent is zonder twijfel in 1618 geteekend en gesneden. Anders zou men door
het open venster de terechtstelling van Oldenbarnevelt verwachten te zien, en niet
de afdanking der waardgelders.
In den regel wordt zeker eene prent in den handel gebracht, zoodra zij klaar is.
Op grond daarvan zal ook wel Brandt in de uitgave van 1682 het gedicht, dat onder
alle bekende exemplaren der prent voorkomt, op 1618 gesteld hebben.
Afdoende zijn deze overwegingen niet. In de eerste plaats is het volstrekt niet
ondenkbaar, dat eene prent, omdat er gevaar aan de uitgave verbonden is,
teruggehouden wordt tot betere tijden. Dit is b.v. waarschijnlijk ook gebeurd met de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
312
prent Templum Christianum Amsterdami. Deze werd opgehaald en de koperen plaat
1)
op het stadhuis gebracht . Eerst jaren later kreeg De Wees die terug, en heeft er
toen misschien afdrukken van laten maken. Het is toch m.i. niet waarschijnlijk, dat
alle thans nog voorhanden exemplaren aan de ophaling ontkomen zouden zijn.
Ook zijn de mededeelingen van Brandt niet altijd juist. Wel heeft hij vele
bijzonderheden van Vondel zelf gehoord, en dus uit de beste bron. Maar wij weten
nooit, wat hij van Vondel zelf gehoord heeft, en wat hij van anderen heeft vernomen
of door redeneering vastgesteld. Bovendien was Vondel's geheugen in den tijd, toen
Brandt bijzonderheden van hem trachtte te vernemen, sterk achteruitgaande, zoodat
2)
hij waarschijnlijk ook wel eens onjuiste mededeelingen heeft gedaan . Wel moeten
dus altijd Brandt's berichten het uitgangspunt zijn van ons onderzoek, maar critiek
is steeds geoorloofd en zelfs gewenscht.
Tegen de dateering op 1618 nu zijn vele en gewichtige bezwaren.
Ten eersten is het moeilijk aan te nemen, dat de prent ook in dat jaar reeds zou
zijn uitgegeven. Wie zou dat gedurfd hebben? Men heeft daarvoor gewezen op het
portret van Hoogerbeets, dat in 1619 uitkwam met een bijschrift van Scriverius.
Maar er is een hemelsbreed verschil tusschen een portret, al was het van een
politieken gevangene, en een zoo scherpe hekelprent, waarin Maurits persoonlijk
werd aan de kaak gesteld. En evenveel verschil is er tusschen het gedicht van
Scriverius en dat van Vondel. De eerste prijst alleen Hoogerbeets en zegt zelfs in
bedekte termen niets ten nadeele van diens vijanden, terwijl Vondel ronduit den
Prins noemt. Men oordeele:
Talis ab Arctoo redit Hogerbeetsius axe,
Cum sacra legati munia clarus obit:
1)
2)
Brandt, Leven van Vondel, bl. 32 (uitg. Hoeksma bl. 51).
Deze koperen plaat is bewaard gebleven en is thans in het archief der Remonstrantsche
Gemeente te Amsterdam.
Zie mijn Leven van Vondel, bl. 386.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
313
Talis Leida, tuus; talis tuus, Horna, Senator;
Talis, pro Patria cum loqueretur, erat:
Praesidium moestis, legum pater omnibusque aequus,
Integrius quo vix Belgica pectus habet.
Pace tua liceat quaesisse, Batavia mater,
Nunc ubi sunt tanto praemia digna Viro?
Toch werd Scriverius daarvoor met ƒ 200. 6- beboet. Welke straf zou men dan wel
niet in dezen tijd den uitgever der Transformatie opgelegd hebben? Maar wij
vernemen zelfs niet van eene vervolging, terwijl te Amsterdam zeker niet minder
scherp op de drukkers gelet werd dan te Leiden. En dat eene prent, die zoo druk
verspreid en verkocht werd, dat wij er zelfs acht uitgaven van hebben, aan het oog
van den schout zou ontsnapt zijn, is ondenkbaar.
Nog moeilijker is het aan te nemen, dat Vondel in 1618 dit gedicht zou geschreven
hebben. Voor den Doopsgezinden diaken was er geene enkele reden om zich met
den strijd in de Hervormde kerk te bemoeien. Ook voor den dichter niet. De
toongevende dichters toch hielden zich buiten den partijstrijd of kozen de zijde der
Regeering van Amsterdam. Zoo zien we in Mei 1618 de Egelantier, de Brabantsche
1)
Kamer en de Academie alle drie Prins Maurits met vertooningen huldigen .
De mogelijkheid kan natuurlijk niet ontkend worden, dat Vondel reeds in 1618
sympathie voor de Remonstranten had. Maar in zijne werken blijkt daarvan niets,
en er is dus geene aanleiding om, tegen de genoemde waarschijnlijkheidsgronden
in, deze gezindheid bij hem te veronderstellen. Zelfs is het moeilijk te begrijpen, dat
hij de opdracht van Hierusalem Vertwoest aan C.P. Hooft, waarin hij de overheden
zonder eenig voorbehoud prijst, zoo zou geschreven hebben, als hij in 1620 reeds
aan de zijde der Remonstranten gestaan had.
Maar zelfs indien hij heimelijk de onderliggende partij was toegedaan, zou het
nog niet wel aan te nemen zijn, dat hij reeds
1)
Wagenaar, Beschrijving van Amsterdam I, 468.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
314
toen de Transformatie zou gedicht hebben. De uitgever toch van eene prent, waarvan
de verspreiding zooveel gevaar met zich bracht, zou zich met het verzoek om een
bijschrift zeker alleen wenden tot iemand, die bekend stond als een voorstander
van den Advocaat of van de Remonstranten. Dat was met Vondel in 1618 nog
geenszins het geval.
1)
Hiertegen is de opmerking gemaakt, dat de Transformatie nog volstrekt geen
bewijs is van sympathie voor de Remonstranten, omdat ‘de dichter eenvoudig weg
vertelt alsof de zaak hem niet aanging,’ en dus alleen den inhoud van de prent
weergeeft. Dit geldt echter niet van de twee laatste regels. Wat daarin gezegd wordt,
ziet men niet op de prent, terwijl de uitdrukking toch scherp genoeg is.
Terwijl nu de argumenten tegen 1618 sterker zijn dan die vóór dat jaar, treffen
ons de twee laatste regels. Deze maken meer den indruk geruimen tijd later
geschreven te zijn dan onmiddellijk na de gebeurtenis. Men zou anders eerder
verwachten ‘Nu aanbidt elck Gommers pop.’
Eer wij tot een besluit komen, is het wenschelijk, het gedicht zelf nog eens
nauwkeurig te lezen, al vinden de uitgevers er niet veel bij op te merken.
De titel geeft nog wel iets te denken. De eerste en tweede uitgave hebben ‘Op
de Jonghste Hollantsche Transformatie’, de derde ‘Hollantsche Transformatie’, de
vierde is zonder titel, de vijfde en zesde hebben ‘Op de Waeg-schael’, de volgende
2)
met veranderde spelling ‘Op de Waag-schaal’.
Het woord Transformatie wordt door de uitgevers niet verklaard, of met reformatie
gelijk gesteld. Dat laatste is op zichzelf al onwaarschijnlijk, maar wordt bovendien
weerlegd door de vergelijking met eene plaats uit de voorrede van den Palamedes:
‘Voorwaer na mijn oordeel heeft Naso dit [nl. de ge-
1)
2)
Te Winkel, Ontwikkelingsgang II, 90.
Unger 743 is dezelfde als 742a, maar met een opplaksel. Dit is dus geen andere druk, wel
eene andere uitgave.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
315
schiedenis van Palamedes] geestigh in zijne transformatie te pas gebracht, overmits
1)
dit aertschelmstuck eygentlijck tot de herscheppinge of verschoppinge behoort’.
Vondel zelf vertaalt dus transformatie met ‘herscheppinge of verschoppinge’. Dit
vestigt dadelijk weer onze aandacht op den laatsten regel van het gedicht, terwijl
wij opmerken, dat verschoppen nog een paar malen in den Palamedes voorkomt.
Ten eersten in ‘Het Inhoud’, nl. ‘voorgevende dat de Eubeër niet anders voor had
als de Argolische heeren te verschoppen, en Achilles tot de eere van 't veldheerschap
2)
te verheffen, en in te dringen’.
Nog treffender is vs. 1595:
Soo sullense den boef en booswight eens verschoppen,
Gelijck de kinders doen hunne afgesleurde poppen.
Hier vinden wij de beide rijmwoorden terug. Vondels neiging kennende om zichzelf
te herhalen, kunnen wij deze overeenkomst niet voor toevallig houden. Hebben wij
nu in Palamedes eene herinnering te zien van de Transformatie of omgekeerd?
Het eerste is niet waarschijnlijk, als wij de aangehaalde plaatsen in hun verband
lezen. Wanneer ook de Palamedes onder herinnering van de Transformatie
geschreven was, dan zouden wij bij de beschrijving, hoe Ulysses en Calchas van
de macht van Agamemnon gebruik maken om hunne plannen te volvoeren, wel
ergens eene toespeling op de weegschaal vinden. Maar zelfs in vss. 502 en 1218,
waar het zwaard van Agamemnon genoemd wordt, is daarvan niets te bespeuren.
Dit alles overwegende moeten wij dus tot het besluit komen, dat de Transformatie
geruimen tijd na 1618, en wel na den Palamedes geschreven is. Wij zullen ons het
verloop der gebeurtenissen als volgt moeten voorstellen.
1 Aug. 1618 dankte Maurits op de Neude te Utrecht de
1)
2)
Van Lennep II, 349; Unger 1621-1625, bl. 223.
Van Lennep II, 357; Unger 1621-1625, bl. 230.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
316
1)
waardgelders af. De onbekende teekenaar maakte hierop voor een onbekenden
uitgever eene teekening. De voorstelling werd misschien gekozen onder invloed
2)
van Taurinus' Weegh-Schael , terwijl ook de geschiedenis van Brennus bekend
genoeg was, om iedereen de bedoeling te doen begrijpen. Waarschijnlijk werd ook
wel heel spoedig de graveur aan het werk gezet.
en
Maar reeds den 29 Augustus werden Oldenbarneveldt en de andere heeren
gevangen genomen. Nu dorst de drukker de prent niet uitgeven. Wanneer toch zoo
hooge heeren niet gespaard werden, dan behoefden een eenvoudige teekenaar en
drukker op geene toegevendheid te rekenen. De prent werd dus opgeborgen tot
betere tijden.
De dood van Maurits in 1625 vervulde de Remonstranten met hoop. Frederik
Hendrik immers gold voor een tegenstander van de politiek zijns broeders en de
Regeering van Amsterdam was sinds de staatsgreep van 1618 veel gematigder
geworden. Daar verscheen de Palamedes en bracht groote ontsteltenis. Zou dit
ongestraft voorbijgaan, en zou hierin geen aanleiding gevonden worden om de
Remonstranten opnieuw te vervolgen? Gelukkig stond Vondels naam op den titel
en was niet gefingeerd, zoodat niemand den Remonstranten iets kon verwijten.
Maar nog grooter dan hun schrik bij de verschijning van het treurspel, was de
verbazing over het zachte vonnis.
1)
2)
Muller, Nederl. Historieprenten, Supplement bl. 147, vermoedt, dat S. Savery de teekenaar
is.
Hoeveel opgang dit pamflet maakte, blijkt wel daaruit, dat bij Knuttel zelfs drie uitgaven van
1617 genoemd worden, terwijl er verscheidene tegenschriften verschenen, ook nog in het
volgende jaar.
Op de aanwijzing van den schrijver werd door de Staten-Generaal eene belooning van ƒ 1000.
- gesteld, op die van den drukker ƒ 600. -. Zie het Placcaet van de Staten-Generaal (Knuttel,
o
n 2369).
Voor den inhoud der prent heeft de teekenaar echter niets van Taurinus overgenomen. Deze
gebruikt zijn titel slechts in zeer algemeenen zin, zie b.v. bl. 65: ‘'t welck een van de meeste
Redenen is, daer door ick my hebben laten bewegen deze Weehg-schale, om alles wel te
overweghen, te bereyden’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
317
Er moest ‘eene andere constellatie aen de lucht’ wezen, of de dichter moest machtige
1)
vrienden hebben.
Wanneer de dichter van den Palamedes er zoo gemakkelijk afkwam, dan kon het
ook gewaagd worden de prent uit te geven, die er nog altijd lag. Maar daar moest
een bijschrift bij. Wien zou de uitgever dit vragen? Niemand beter dan Vondel, die
getoond had niet alleen eene uitstekende hekelpen te bezitten, maar ook den moed
om die te gebruiken. Het verzoek werd niet afgeslagen. Vondel was nog geheel in
de stemming. Hij ging dan ook dadelijk aan het werk en zocht een titel. Het is
volkomen begrijpelijk, dat hierbij herinneringen van den Palamedes werkten en dat
hij nu den staatsgreep van 1618 ‘de Jonghste Hollantsche Transformatie’ noemde.
Maar weldra zag hij in, dat niet alleen die staatsgreep eene verandering in de
regeering was, en dat de bijvoeging jonghste verwarring kon stichten, omdat daarbij
sommigen misschien aan de verandering in de regeering in 1625 konden denken.
In den derden druk lezen wij dus alleen ‘Hollantsche Transformatie’.
Hiermede was echter de titel veel te algemeen, terwijl toch op een bepaald feit
gedoeld werd. In den vierden druk werd dus de titel geheel geschrapt.
Ook dit voldeed niet en zoo verschenen de volgende drukken weer met een titel,
nu ontleend aan de voorstelling: ‘Op de Waeg-schael’.
2)
De vorm waegschael, die Unger een (sic) ontlokte , werd reeds in 1647 verandert
in Weegschael en is sedert zoo gebleven.
De verklaring van het gedicht geeft verder niet veel moeilijkheden. Alleen Gommers
pop wordt door de uitgevers niet of onjuist verklaard. Pop is ‘beeld’. Is nu Gommers
pop eene omschrijving voor Gommer? Ik geloof het niet, vooral om
1)
2)
Vgl. den brief van Niëllius, afgedrukt in Oud-Holland VI, bl. 54.
Bibliografie van Vondels werken, bl. 136.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
318
aenbadt. Maar pop is ook ‘afgodsbeeld, afgod’ en Gommers pop is dus ‘Gommers
1)
afgod’, d.i. Calvijn, die elders de afgodt van Geneven heet.
P. LEENDERTZ Jr.
Van de man, die tot ezel werd.
Het sprookje van de tot ezel omgetoverde man, dat zijn vermaardheid vooral aan
de roman van Apuleius te danken heeft, is bij ons het meest bekend in de vorm, die
Van Limburg Brouwer er aan gaf. De stof, vermoedelik uit Griekenland (Grieks
Klein-Azië?) afkomstig, ging vandaar enerzijds naar Indië, anderzijds over Italië naar
Duitsland, waar ze in oudere en nieuwere tijd bleef voortleven. Ook op het toneel
was het motief, waarbij een mens geheel of gedeeltelik door toverij in een dier
veranderd werd, van ouds zeer geliefd: de wever met ezelskop in Shakespeare's
1)
Midsummernight's dream is het bekendste voorbeeld er van. . Van deze
wijdverbreide, maar in ouder Nederland tot dusver niet aangetroffen novellina
2)
popolare vond ik onlangs een vrijwat afwijkende lezing in de Divisiekroniek :
In desen tijden [d.i. tijdens de regering van de keizers Hendrik II en
Koenraad II] woonden buyten der stadt-mueren van Roomen twee oude
wijven in een cleyn hutte/ ende op een tijt quam daer een man des avonts
laet die van den wech verdwaelt was/ e begheerde herberghe die nacht
daer te hebben/ e siet des nachts deden dese twee oude wijven so veel
met haer tooverije e wichelinghe/ dat sy desen man verwandelden in
eenē Ezel/ maer hy behielt altijt zijn redelick verstant.
1)
1)
2)
Op de doot van Koenraet Vorstius, vs. 2.
Vgl. K. Weinhold, Sitzungsberichte der preussischen Akademie Jg. 1893, zweiter Halbband
475 v.v. en H. Reich, Jahrbuch der deutschen Shakespeare-Gesellschaft 40 (1904), 108 v.v.;
de laatste zoekt de oorsprong van het sprookje in de ezelmimus.
VII, f. 115 (uitg. 1595).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
319
Ongetwijfeld is hier dezelfde stof behandeld; immers men vindt het hoofdkenmerk
terug, dat de tot ezel omgetoverde mens zijn verstand behoudt. Maar daartegenover
staan gewichtige afwijkingen; inplaats van de jonge man, die in te vertrouwelike
betrekking tot een schone treedt, staat hier een reiziger, die bij twee oude vrouwen
onderdak vindt; deze veranderen hem - waarom blijkt niet - in een ezel, welks verdere
lotgevallen niet verhaald worden. Uit welke bron de schrijver hier heeft geput, is mij
onbekend; maar klaarblijkelik berust het verhaal op een van de gewone lezing
afwijkende redaksie, waarvan ik een volledige vorm kan aanwijzen in een Engelse
de
kroniek van de 12
1)
eeuw, die van Willelmus Malmesbiriensis :
Erant in strata publica, qua Romam itur, duae aniculae, quibus nihil
bibacius, nihil putidius, uno commemorantes tugurio, uno imbutae
maleficio. Hae hospitem, si quando solus superveniebat, vel equum, vel
suem, vel quodlibet aliud videri faciebant, et mercatoribus venum
proponebant, nummos inde acceptos ingurgitantes. Et forte quadam nocte
quendam ephebum, qui motis histrionicis victum exigeret, excipientes
hospitio, asinum videri fecerunt; magnum suis commodis emolumentum
habentes asinum qui transeuntium detineret oculos miraculo gestuum,
quocunque enim modo praecepisset anus, movebatur asinus. Nec enim
amiserat intelligentiam, etsi amiserat loquelam.
Ook de verdere lotgevallen worden verteld: Een rijke buurman koopt het
wonderbeest, maar hij krijgt de raad mee het van alle water af te houden. Na enige
tijd, gedurende welke de ezel meermalen de gasten van zijn heer ‘jocis suis
laetificabat’, wordt de bewaking van het dier minder zorgvuldig en daarvan maakt
het gebruik door in een meer te springen, tengevolge van welk bad het de menselike
gestalte herkrijgt. De eigenaar van de ezel brengt de zaak voor paus Leo, die zich
1)
Willelmi Malmesbiriensis monachi De gestis regum Anglorum libri quinque, uitgeg. in de
Rerum britannicarum medii aevi Scriptores. Vol. I blz. 201 v. (Lib. II § 171: De aniculis quae
juvenem asinum videri fecerunt).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
320
door de geleerde Petrus Damianus van de mogelikheid van dergelike
metamorphosen laat overtuigen.
de
1)
In de 14 eeuw neemt Ranulphus Higden in zijn Polychronicon deze
geschiedenis verkort over en hij laat daaraan voorafgaan:
Certe cum nos in Italia constituti essemus' satis audiebamus de
quibusdam illarum partium mulieribus stabulariis, quae dare solebant
caseum veneficum viatoribus; unde et in jumenta illico verterentur, et
onera portarent, manente in eis mente rationali; iterumque perfuncto
officio ad se redire. Sic quoque de se fatetur Apuleius etc.
We hebben hier dus een twede versie van de ezelgeschiedenis: Een reiziger
wordt door twee oude vrouwen, bij wie hij onderdak vindt, in een ezel veranderd,
terwijl hij zijn verstand behoudt; in deze gedaante moet hij werk voor ze verrichten,
waarna hij - met of tegen hun wil, in 't laatste geval door een bad (niet door 't eten
van rozen) - weer tot mens wordt. De histrio bij Willelmus schijnt nog op de oude
mimus, waarin het geval vertoond werd, te wijzen; de lokalisering is overal dezelfde:
de omgeving van Rome. Zo ontwikkelde zich het sprookje naar verschillende
richtingen, naar het schijnt juist in Italië, waar de uit de eerste eeuw daterende scherf,
2)
op welke een man met ezelskop afgebeeld is , de aloude geliefdheid van de stof
bewijst.
Hilversum.
M. SCHÖNFELD.
1)
2)
Polychronicon Ranulphi Higden monachi Cestrensis, uitgeg. in de Rerum britannicarum medii
aevi Scriptores. Vol. II blz. 422 v. (Lib. II c. 25).
Reich t.a. pl. 109 v.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34