✱❑❏❄❉✰❆❍ ✤ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze
machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
XP500
XP500A
4B5-F8199-D3
✱❑❏❄❉❄❆❍✥✤ ✤ DAU26945
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de
machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
DECLARATION of CONFORMITY
CONFORMITEITSVERKLARING
We
Company: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Address: 1450-6, Mori, Mori-Machi, Shuchi-gun, Shizuoka-Ken, 437-0292 Japan
Wij,
Bedrijf: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Adres: 1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
Hereby declare that the product:
Kind of equipment: IMMOBILIZER
Type-designation: 5SL-00
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
is in compliance with following norm(s) or documents:
R&TTE Directive(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Two or Three-Wheel Motor Vehicles Directive(97/24/EC: Chapter 8, EMC)
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Place of issue: Shizuoka, Japan
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Date of issue: 1 Aug. 2002
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Revision record
No.
Contents
To change contact person and integrate type-designation.
1
Version up the norm of EN60950 to EN60950-1
2
To change company name
3
General manager of quality assurance div.
Date
9 Jun. 2005
27 Feb. 2006
1 Mar. 2007
Overzicht van wijzigingen
Nr.
Inhoud
Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren.
1
Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1
2
Om bedrijfsnaam te wijzigen
3
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer
Datum
9 juni 2005
27 februari 2006
1 maart 2007
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ INLEIDING
DAU10113
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de XP500/XP500A profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw XP500/XP500A.
De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, en beschrijft hoe u uzelf en
anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn,
aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van
kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA12411
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op
persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of
overlijden te voorkomen.
WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan
resulteren in ernstig letsel of overlijden.
LET OP
De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om
schade aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.
OPMERKING
De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of
verhelderen.
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
XP500/XP500A
HANDLEIDING
©2009 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, Augustus 2009
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd
gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE .............. 1-1
Andere aandachtspunten voor
veilig rijden .................................. 1-4
BESCHRIJVING ................................
Aanzicht linkerzijde..........................
Aanzicht rechterzijde .......................
Bedieningen en instrumenten..........
2-1
2-1
2-2
2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN ............................. 3-1
Startblokkeersysteem ..................... 3-1
Contactslot/stuurslot ....................... 3-2
Controle- en
waarschuwingslampjes ............... 3-3
Snelheidsmeter ............................... 3-4
Brandstofniveaumeter .................... 3-4
Temperatuurmeter koelvloeistof ..... 3-5
Multifunctioneel display .................. 3-6
Antidiefstal-alarmsysteem
(optie) ........................................ 3-10
Stuurschakelaars .......................... 3-10
Voorremhendel ............................. 3-12
Achterremhendel .......................... 3-12
Achterremblokkeerhendel ............. 3-12
ABS (voor modellen met ABS) ..... 3-13
Tankdop ........................................ 3-14
Brandstof ...................................... 3-15
Uitlaatkatalysator .......................... 3-16
Zadel ............................................. 3-17
Verstellen van rugsteun
rijderzadel .................................
Helmbevestiging ...........................
Opbergcompartimenten ...............
Achteruitkijkspiegels .....................
Schokdemperunit .........................
Zijstandaard .................................
Startspersysteem .........................
3-17
3-18
3-19
3-20
3-21
3-21
3-22
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE ..............................
Starten van de motor ......................
Wegrijden .......................................
Sneller en langzamer rijden ...........
Remmen .........................................
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik ........................
Inrijperiode .....................................
Parkeren .........................................
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN ................................
Boordgereedschapsset ..................
Periodiek onderhoudsschema voor
het uitstootcontrolesysteem ........
Algemeen smeer- en
onderhoudsschema ....................
5-1
5-1
5-2
5-2
5-3
5-3
5-4
5-4
6-1
6-1
6-3
6-4
Panelen verwijderen en
aanbrengen ................................ 6-8
Controleren van de bougies ......... 6-11
Motorolie en oliefilterpatroon ........ 6-12
Kettingkastolie .............................. 6-15
Koelvloeistof ................................. 6-16
Het luchtfilterelement
vervangen ................................. 6-18
Afstellen van het stationair
toerental ................................... 6-18
Controleren van de vrije slag
gaskabel ................................... 6-19
Klepspeling .................................. 6-19
Banden ........................................ 6-20
Gietwielen .................................... 6-21
Vrije slag voor- en
achterremhendel ....................... 6-22
Kabel van
achterremblokkeerhendel
afstellen .................................... 6-22
Controleren van voor- en
achterremblokken ..................... 6-23
Controleren van
remvloeistofniveau .................... 6-24
Remvloeistof verversen ............... 6-25
Controleren en smeren van
gasgreep en gaskabel .............. 6-25
Smeren van voor- en
achterremhendels ..................... 6-26
Middenbok en zijstandaard
controleren en smeren .............. 6-26
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ INHOUDSOPGAVE
Voorvork controleren ....................
Stuursysteem controleren ............
Controleren van wiellagers ...........
Accu .............................................
Zekeringen vervangen ..................
Koplampgloeilamp vervangen ......
Achterlicht/remlichtunit .................
Gloeilamp in voorste
richtingaanwijzer vervangen .....
Gloeilamp achterste
richtingaanwijzer ........................
Gloeilamp in kentekenverlichting
vervangen .................................
Parkeerlichtgloeilamp
vervangen .................................
Problemen oplossen .....................
Storingzoekschema’s ...................
6-27
6-28
6-28
6-28
6-30
6-32
6-33
6-33
6-34
6-34
6-35
6-35
6-36
VERZORGING EN STALLING VAN
DE SCOOTER ....................................
Matkleur, let op ...............................
Verzorging ......................................
Stalling ............................................
7-1
7-1
7-1
7-3
SPECIFICATIES ................................ 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE.............. 9-1
Identificatienummers ...................... 9-1
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10264
1
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Scooters zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing
van de juiste rijtechnieken en de ervaring
van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende
vereisten alvorens met deze scooter te
gaan rijden.
Hij of zij moet:
● Door een competente informatiebron
grondig zijn ingelicht over alle aspecten van scooterrijden.
● Zich houden aan de waarschuwingen
en onderhoudseisen zoals vermeld in
deze Gebruikershandleiding.
● Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
● Gebruikmaken
van professionele
technische service, zoals aangegeven
in deze Gebruikershandleiding en/of
wanneer de mechanische condities dit
vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rij-
den uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende
inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie
pagina 4-1 voor een lijst met controles voor
het rijden.
● Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
● Het niet opmerken en herkennen van
scooters door andere weggebruikers
vormt de belangrijkste oorzaak van
auto-/scooterongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat
een autobestuurder de scooter niet
heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat
blijkt het meest effectief om het risico
op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
●
Draag een jack in felle kleuren.
Wees extra voorzichtig bij het nade●
ren en passeren van kruisingen,
daar doen ongelukken met scooters
zich namelijk het meest voor.
●
Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een
andere weggebruiker.
● Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij
1-1
een ongeval betrokken bestuurders
zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
●
Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw scooter alleen uit
aan ervaren scooterrijders.
●
Weet wat u wel en niet aankunt.
Door rekening te houden met uw
beperkingen helpt u ongelukken
voorkomen.
●
We raden aan om het scooterrijden
te oefenen op plekken waar geen
verkeer is, totdat u grondig bekend
bent met de scooter en zijn bediening.
● Ongelukken worden vaak veroorzaakt
door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het
ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvoldoende
schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
Neem altijd de maximumsnelheid in
●
acht en rijd nooit sneller dan de
wegcondities en het verkeer toestaan.
Geef altijd richting aan voordat u af●
slaat of van rijstrook wisselt. Zorg
dat andere weggebruikers u kunnen
zien.
● De zithouding van de bestuurder en de
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ VEILIGHEIDSINFORMATIE
passagier is belangrijk voor een goede
besturing.
●
De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur
houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de
macht over het stuur te behouden.
●
De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide
handen vast te houden en beide
voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een
passagier mee die niet in staat is
om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
● Rijd nooit onder invloed van alcohol of
andere drugs.
● Deze scooter is uitsluitend ontworpen
voor gebruik op verharde wegen. De
machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop
betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen
van een helm is de belangrijkste factor bij
het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
● Draag altijd een goedgekeurde helm.
● Draag ook een vizier of een veilig-
●
●
●
●
heidsbril. Zonder oogbescherming kan
uw zicht door de rijwind verslechteren,
waardoor u gevaren mogelijk te laat
opmerkt.
Door een jack, stevige schoenen, een
lange broek, handschoenen e.d. te
dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
Draag nooit loszittende kleding, deze
kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel
veroorzaken.
Draag altijd beschermende kleding die
uw benen, enkels en voeten bedekt.
De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet
zijn en brandwonden veroorzaken.
De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren
bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas.
Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,
verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,
smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn
1-2
als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het
koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In
afgesloten of slecht geventileerde ruimtes
kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u
symptomen van koolmonoxidevergiftiging
ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,
ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHE HULP IN.
● Laat de motor niet binnen draaien.
Zelfs als u ventileert met ventilatoren
of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen
tot gevaarlijke niveaus.
● Laat de motor niet draaien in slecht geventileerde of deels afgesloten ruimtes
zoals schuren of garages.
● Laat de motor niet buiten draaien op
plaatsen waar de uitlaatgassen in een
gebouw kunnen worden getrokken via
openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect
hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag
als hierdoor de gewichtsverdeling van de
scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig
bij het monteren van accessoires of het be-
1
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ VEILIGHEIDSINFORMATIE
1
laden van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op
wanneer u op een scooter rijdt die beladen
is of waaraan accessoires zijn gemonteerd.
Hieronder volgen naast de informatie over
accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw scooter:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de
maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
XP500 194 kg (428 lb)
XP500A 190 kg (419 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
● Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag en zo dicht
mogelijk bij de scooter liggen. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk
bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of
instabiliteit te minimaliseren.
● Als gewicht gaat schuiven kan zich
een plotselinge onbalans voordoen.
Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de
scooter zijn bevestigd. Controleer de
bevestigingspunten voor accessoires
en bagage regelmatig.
●
Pas de vering aan de te vervoeren
bagage aan (alleen voor modellen
met instelbare vering) en controleer
de toestand en spanning van uw
banden.
●
Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord.
Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
● Deze machine is niet ontworpen
voor het trekken van een aanhanger
of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen
verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn
door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan
Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor
Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle
producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of
1-3
wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn
aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen,
accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die
qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel
verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke
veiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen.
Het monteren van in de handel verkrijgbare
producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico
op ernstig letsel of overlijden van uzelf of
anderen vergroten. U bent verantwoordelijk
voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan
de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder
het kopje “Beladen”.
● Monteer nooit accessoires en vervoer
nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw
scooter. Inspecteer het accessoire
zorgvuldig alvorens het te gebruiken
om te waarborgen dat het de
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ VEILIGHEIDSINFORMATIE
grondspeling of de hellinghoek op
geen enkele manier vermindert, de
veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en geen lampen of
reflectors afdekt.
●
Accessoires die aan of nabij het
stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit
veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan
het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een
minimum worden beperkt.
●
Omvangrijke accessoires kunnen
door hun aerodynamisch effect van
invloed zijn op de rijstabiliteit van de
scooter. De scooter kan door rijwind
worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken
terwijl u grote voertuigen inhaalt of
door deze wordt ingehaald.
●
Sommige accessoires dwingen de
bestuurder om een andere dan de
normale zitpositie in te nemen. Zo’n
verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder
en kan een comfortabele bediening
hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
● Wees voorzichtig bij het aanbrengen
van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van
het elektrisch systeem van de scooter
te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en
velgen
De banden en velgen die bij uw scooter
werden geleverd zijn ontworpen om de mogelijkheden van de machine te ondersteunen en bieden de beste combinatie van
rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties
zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-20
voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
DAU10372
Andere aandachtspunten voor
veilig rijden
● Geef duidelijk richting aan wanneer u
een bocht neemt.
● Op een nat wegdek kan remmen ui-
●
●
●
●
●
1-4
terst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen.
Bedien de remmen rustig wanneer u
op een nat wegdek wilt stoppen.
Minder snelheid bij het naderen van
een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen.
Wees voorzichtig bij het passeren van
geparkeerde auto’s. Een bestuurder
merkt u mogelijk niet op en kan het
portier openslaan in uw rijrichting.
Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw
en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en
passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
De remvoeringen kunnen nat worden
bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de
scooter, voordat u gaat rijden.
Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend
1
✼✧✯✱✦✱✣ VEILIGHEIDSINFORMATIE
1
bij de enkel/omslag, om flapperen te
voorkomen), en een felgekleurd jack.
● Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel. Gebruik degelijke snelbinders
om bagage aan de bagagedrager vast
te binden (indien het voertuig is voorzien van een bagagedrager). Losse
bagage beïnvloedt de stabiliteit van de
scooter en kan uw aandacht afleiden
van het verkeer. (Zie pagina 1-1.)
1-5
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ BESCHRIJVING
DAU10410
Aanzicht linkerzijde
1 2 3
4
5
1
2
11 10 9 8 7
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Tankdop (pagina 3-14)
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (links)
Helmbevestiging (pagina 3-18)
Achterste opbergcompartiment (pagina 3-19)
Handgreep (pagina 5-2)
Olievuldop kettingkast (pagina 6-15)
Olievuldop (pagina 6-12)
8. Zijstandaard (pagina 3-21)
9. Olieaftapplug (pagina 6-12)
10.Kijkglas olieniveau (pagina 6-12)
11.Oliefilterpatroon (pagina 6-12)
2-1
6
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ BESCHRIJVING
DAU10420
Aanzicht rechterzijde
1
2
3
1
2
3
4
5
6
7
7
8
9
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
6
Boordgereedschapsset (pagina 6-1)
Luchtfilterelement (pagina 6-18)
Accu (pagina 6-28)
Zekeringen (pagina 6-30)
Kijkglas koelvloeistofniveau (pagina 6-16)
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (rechts)
Middenbok (pagina 6-26)
2-2
5
4
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ BESCHRIJVING
DAU10430
Bedieningen en instrumenten
1
2
3
4
5 6
7
8
9
2
3
4
5
6
10
11
12
13
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Achterremhendel (pagina 3-12)
Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-10)
Achterremblokkeerhendel (pagina 3-12)
Temperatuurmeter koelvloeistof (pagina 3-5)
Snelheidsmeter (pagina 3-4)
Multifunctioneel display (pagina 3-6)
Brandstofniveaumeter (pagina 3-4)
8. Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-10)
9. Voorremhendel (pagina 3-12)
10.Gasgreep (pagina 6-19)
11.Voorste opbergcompartiment B (pagina 3-19)
12.Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
13.Voorste opbergcompartiment A (pagina 3-19)
2-3
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10976
Startblokkeersysteem
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1. Codeersleutel (rood bovendeel)
2. Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden
bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
● een codeersleutel (met een rood bovendeel)
● twee standaardsleutels (met een zwart
bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
● een transponder (die is geïntegreerd
in de codeersleutel)
● een startblokkeereenheid
● een ECU
● een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt
gebruikt om de twee standaardsleutels te
coderen. Het wijzigen van de codes is een
ingewikkelde procedure. Breng het voertuig
daarom met alle drie sleutels naar een
Yamaha dealer om deze opnieuw te laten
coderen. Gebruik de sleutel met het rode
bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van
de standaardsleutels. Gebruik altijd een
standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
●
●
●
●
●
DCA11821
LET OP
●
● ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL
NIET VERLIEST! NEEM DIRECT
CONTACT OP MET UW DEALER
ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als
de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt
het voertuig dan nog steeds starten
met de standaardsleutels, maar als
ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle
sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u
sterk aangeraden een van de stan3-1
●
●
●
●
daardsleutels te gebruiken en de
codeersleutel op een veilige plek te
bewaren.
Dompel de sleutels nooit in water.
Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de
sleutels.
Plaats nooit zware voorwerpen op
de sleutels.
U mag de sleutels nooit slijpen of
de vorm ervan wijzigen.
U mag het plastic gedeelte van de
sleutels nooit demonteren.
Hang nooit twee sleutels van een
startblokkeersysteem aan dezelfde
sleutelring.
Bewaar de standaardsleutels en
ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van
het voertuig.
Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van
het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10472
Contactslot/stuurslot
parkeerlichten gaan branden en de motor
kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De koplampen gaan automatisch branden
wanneer de motor wordt gestart en blijven
aan totdat de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid of de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur
vergrendeld. De diverse standen worden
hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep)
voor regelmatig gebruik van de machine.
Bewaar de codeersleutel (rode greep) op
een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
DAU34121
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien
van stroom; de instrumentenverlichting, het
achterlicht, de kentekenverlichting en de
Om het stuur te vergrendelen
1. Draai het stuur helemaal naar links.
2. Druk de sleutel in de “OFF”-stand in en
draai deze dan naar “LOCK”. Houd de
sleutel hierbij ingedrukt.
3. Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai deze dan naar
“OFF”. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU10661
DAU10941
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
(Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht,
de kentekenverlichting en het parkeerlicht
branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld,
maar alle andere elektrische systemen zijn
uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar “ ” te kunnen draaien.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar “OFF” of
“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen
uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden
tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10683
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische
systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan
worden uitgenomen.
3-2
2
3
4
5
6
7
DCA11020
LET OP
Gebruik de parkeerstand niet gedurende
langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11004
Controle- en
waarschuwingslampjes
1
2
1
3
4
DAU43023
3
4
6
7
8
9
1. Controlelampjes richtingaanwijzers “ ”
en “ ”
2. Controlelampje grootlicht “
”
3. ABS-waarschuwingslampje “ ABS ” (voor
modellen met ABS)
4. Controlelampje startblokkering
5. Waarschuwingslampje motorstoring “
”
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers
“ ” en “ ”
Het bijbehorende controlelampje knippert
terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU43032
ABS-waarschuwingslampje “
modellen met ABS)
ABS
” (voor
DCA10831
LET OP
15
2
5
DAU11080
Controlelampje grootlicht “
”
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp
is ingeschakeld voor grootlicht.
Waarschuwingslampje motorstoring
“
”
Dit waarschuwingslampje gaat branden
wanneer een elektrisch systeem dat de motorwerking controleert, defect is. Vraag in
dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is het ABS-systeem mogelijk defect.
Vraag in dat geval een Yamaha dealer
het elektrisch circuit te testen.
Zie pagina 3-13 voor uitleg over de werking
van het ABS-systeem.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de noodstopschakelaar op “ ” te zetten en de
sleutel naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
DWA11350
Dit waarschuwingslampje gaat branden als
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid en de
startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter
niet op een storing.
3-3
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden brandt of knippert, wordt
alleen het conventionele remsysteem
gebruikt. Wees dan voorzichtig en zorg
dat de wielen tijdens plotseling remmen
niet blokkeren.
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11601
OPMERKING
Snelheidsmeter
Het ABS-waarschuwingslampje kan gaan
branden wanneer er gas wordt gegeven terwijl de scooter op de middenbok staat. Er is
dan echter geen sprake van een storing.
1
1
2
DAU38623
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het controlelampje
moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op
wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid,
begint het controlelampje na 30 seconden
te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen,
maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-9 voor uitleg over de
werking van het zelfdiagnosesysteem.)
DAU44981
Brandstofniveaumeter
2
3
1. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
Wanneer de sleutel naar “ON” wordt gedraaid, slaat de naald van de snelheidsmeter eenmaal helemaal uit tot aan de hoogste
snelheid en keert daarna weer terug naar
nul om het elektrische circuit te testen.
1. Brandstofniveaumeter
2. Rode zone
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. Als
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid, slaat
de naald van de brandstofniveaumeter eenmaal helemaal uit tot aan het hoogste niveau en keert daarna terug naar “E”
(Empty, leeg) om het elektrische circuit te
testen. De naald beweegt naar “E” naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de
aanwijsnaald bij de rode zone staat, is er
nog ca. 3.0 L (0.79 US gal, 0.66 Imp.gal) in
de tank aanwezig. Vul in dat geval zo snel
mogelijk brandstof bij.
OPMERKING
Voorkom dat de brandstoftank geheel
3-4
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
droog komt te staan.
DAU12182
Temperatuurmeter koelvloeistof
1
2
3
4
5
6
7
8
9
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze
oververhit is.
2
1
DCA10021
1. Temperatuurmeter koelvloeistof
2. Rode zone
Met de contactsleutel in de stand “ON” geeft
de temperatuurmeter voor koelvloeistof de
temperatuur van de koelvloeistof aan. Als
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid, slaat
de naald van de temperatuurmeter voor
koelvloeistof eenmaal helemaal uit tot aan
de hoogste temperatuur en keert daarna
weer terug naar “C” om het elektrische circuit te testen. De koelvloeistoftemperatuur
is afhankelijk van de weersomstandigheden
en de motorbelasting. Als de naald bij of in
de rode zone staat, zet de machine dan stil
en laat de motor afkoelen. (Zie
pagina 6-36.)
3-5
✼✧✯✱✦✱✣ ✩ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
● twee rittellers (die de afgelegde af-
DAU44967
Multifunctioneel display
1
2
DWA12312
WAARSCHUWING
●
Zet de machine stil voordat u wijzigingen
aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen
van wijzigingen tijdens het rijden kan u
afleiden en vergroot het risico op een
ongeval.
1
2
●
●
●
1. Klok
2. Indicator olieverversing “OIL”
●
1
stand aangeven sinds de tellers het
laatst werden teruggesteld op nul)
een brandstofreserve-ritteller (die de
afgelegde afstand aangeeft wanneer
de brandstofvoorraad in de tank nog
ca. 3.0 L (0.79 US gal, 0.66 Imp.gal) is)
een voorziening voor zelfdiagnose
een klok
een olieverversingskilometerteller (die
de afgelegde afstand toont sinds de
motorolie voor het laatst werd ververst)
een V-snaarkilometerteller (die de afgelegde weg aangeeft sinds de
V-snaar voor het laatst is vervangen)
OPMERKING
● Vergeet niet de sleutel naar “ON” te
4
1.
2.
3.
4.
draaien voordat u de “SELECT”- en
“RESET”-toets gebruikt.
● Als de sleutel naar “ON” wordt gedraaid, verschijnen alle segmenten
een voor een op het multifunctionele
display en verdwijnen dan weer om de
elektrische circuits te testen.
3
Toerenteller
Rode zone toerenteller
Indicator V-snaarvervanging “V-BELT”
Kilometerteller/rittellers
2
1. “RESET”-toets
2. “SELECT”-toets
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
● a toerenteller
● een kilometerteller
3-6
Toerenteller
Met de toerenteller kan de bestuurder het
motortoerental controleren en dit binnen het
ideale bereik houden.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✪ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10031
Kilometerteller- en rittellermodus
LET OP
1
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 8250 tpm en hoger
2
Klok
3
4
5
6
7
De klok op tijd zetten:
1. Houd de “SELECT”-toets en de
“RESET”-toets tegelijkertijd minstens
twee seconden lang ingedrukt.
2. Als de uuraanduiding begint te knipperen, drukt u op de “RESET”-toets om
de uren in te stellen.
3. Druk op de “SELECT”-toets en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
4. Druk op de “RESET”-toets om de minuten in te stellen.
5. Druk op de “SELECT”-toets en laat
deze dan los om de klok te starten.
1
1
1. Kilometerteller V-snaarvervanging
1. Kilometerteller/rittellers
1
8
1. Olieverversingskilometerteller
9
3-7
Door indrukken van de toets “SELECT” wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus en de rittellermodi, in de
onderstaande volgorde:
Odo → Trip-A → Trip-B → OIL Trip →
V-BELT Trip → Odo
Als nog ca. 3.0 L (0.79 US gal, 0.66 Imp.gal)
brandstof in de brandstoftank aanwezig is,
wisselt het display automatisch naar “F
Trip”, de brandstofreserve-ritteller, en wordt
de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de “SELECT”-toets in de
onderstaande volgorde gewisseld tussen
de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
Odo → F Trip → Trip-A → Trip-B → OIL Trip
→ V-BELT Trip → Odo
✼✧✯✱✦✱✣ ✫ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Indicator olieverversing “OIL”
1
1
1. Ritteller brandstofreserve
Om een ritteller terug te stellen, selecteert u
deze door de toets “SELECT” in te drukken
totdat “F Trip”, “Trip-A” of “Trip-B” verschijnt.
Terwijl “F Trip”, “Trip-A” of “Trip-B” wordt
weergegeven, houdt u de toets “RESET”
minstens één seconde ingedrukt. Wanneer
u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met
de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5
km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige
weergavemodus weer.
OPMERKING
Het display kan niet worden teruggesteld
naar “F Trip” nadat de “RESET”-toets is ingedrukt.
1. Indicator olieverversing “OIL”
Deze indicator knippert zodra de eerste
1000 km (600 mi) zijn afgelegd en na 5000
km (3000 mi). Vervolgens gaat de indicator
om de 5000 km (3000 mi) knipperen, om zo
aan te geven dat het tijd is om de motorolie
te verversen.
Nadat de motorolie is ververst moet de indicator olieverversing worden teruggesteld.
Om de olieverversingsindicator op nul terug
te stellen, selecteert u deze door op de toets
“SELECT” te drukken totdat “OIL Trip”
wordt weergegeven en moet u vervolgens
de toets “RESET” minstens 1 seconde lang
ingedrukt houden. Wanneer u de toets
“RESET” indrukt, begint “OIL Trip” te knipperen. Terwijl “OIL Trip” knippert, houdt u
de toets “RESET” minstens 3 seconden ingedrukt.
3-8
Als de motorolie wordt ververst voordat de
indicator olieverversing “OIL” knippert (dus
voordat het vervangingsinterval van de olie
is verstreken), moet de indicator “OIL” na de
olieverversing worden teruggesteld, zodat
het eerstvolgende tijdstip voor de olieverversing weer correct wordt aangegeven.
Het elektrisch circuit van de indicator kan
via de volgende procedure worden getest.
1. Zet de noodstopschakelaar op “ ” en
draai de sleutel naar “ON”.
2. Kijk of de indicator olieverversing een
paar seconden oplicht en dan dooft.
3. Als de indicator olieverversing niet
gaat branden, vraag dan een
Yamaha-dealer het elektrisch circuit te
testen.
2
3
4
5
6
Indicator V-snaarvervanging “V-BELT”
1
7
8
9
1. Indicator V-snaarvervanging “V-BELT”
✼✧✯✱✦✱✣ ✬ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Deze indicator knippert om de 20000 km
(12500 mi), wanneer de V-snaar moet worden vervangen.
Stel de indicator voor V-snaarvervanging
terug nadat de V-snaar is vervangen. Om
de indicator voor V-snaarvervanging terug
te stellen, selecteert u deze door op de toets
“SELECT” te drukken totdat “V-BELT Trip”
wordt weergegeven; houd vervolgens de
toets “RESET” minstens 1 seconde ingedrukt. Wanneer u de toets “RESET” indrukt,
begint “V-BELT Trip” te knipperen. Terwijl
“V-BELT Trip” knippert, houdt u de toets
“RESET” minstens 3 seconden ingedrukt.
Als de V-snaar wordt vervangen voordat de
indicator V-snaarvervanging “V-BELT”
knippert (dus voordat het vervangingsinterval van de V-snaar is bereikt), moet de indicator “V-BELT” na de V-snaarvervanging
worden teruggesteld, zodat het eerstvolgende tijdstip voor V-snaarvervanging weer
correct wordt aangegeven.
Het elektrisch circuit van de indicator kan
via de volgende procedure worden getest.
1. Draai de contactsleutel naar “ON” en
controleer of de noodstopschakelaar
op “ ” is gezet.
2. Kijk of de indicator V-snaarvervanging
een paar seconden oplicht en dan
dooft.
3. Als de indicator V-snaarvervanging
niet gaat branden, vraag dan een
Yamaha-dealer het elektrisch circuit te
testen.
Zelfdiagnosesysteem
OPMERKING
Als het display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet,
probeer dan het volgende.
1. Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
1
1. Weergave foutcode
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor diverse elektrische circuits.
Als in een van deze circuits een storing
wordt gedetecteerd, gaat het waarschuwingslampje motorstoring branden en geeft
het display een foutcode weer.
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook
storingen in de circuits van het startblokkeersysteem.
Als in een van de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd,
knippert
het
controlelampje
startblokkering en geeft het display een
foutcode weer.
3-9
Houd andere startblokkeersleutels uit de
buurt van het contactslot en bewaar niet
meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleutelring! Startblokkeersleutels
kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
2. Als de motor start, zet deze dan weer
uit en probeer hem opnieuw te starten
met de standaardsleutels.
3. Als de motor niet kan worden gestart
met een of beide standaardsleutels,
breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar
een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het display foutcodes weergeeft, noteer
deze dan en vraag een Yamaha dealer om
het voertuig te controleren.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✣ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA11590
LET OP
Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk
worden
gecontroleerd
om
motorschade te voorkomen.
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem
(optie)
Dit model kan door een Yamaha dealer
worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met
een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12348
Stuurschakelaars
Links
1
2
2
3
3
4
1.
2.
3.
4.
Lichtsignaalschakelaar “PASS”
Dimlichtschakelaar “
/
”
Richtingaanwijzerschakelaar “
Claxonschakelaar “
”
4
5
/
”
6
7
8
9
3-10
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in
de middenstand.
Rechts
1
1
2
DAU12500
Claxonschakelaar “
”
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
2
3
3
4
DAU12660
1. Noodstopschakelaar “ / ”
2. Schakelaar alarmverlichting “ ”
3. Startknop “ ”
5
DAU12360
6
Lichtsignaalschakelaar “PASS”
Druk deze schakelaar in om de koplamp
een lichtsignaal te laten afgeven.
Dimlichtschakelaar “
/
”
Zet deze schakelaar op “
” voor grootlicht
en op “
” voor dimlicht.
DAU12460
DAU44710
Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”
Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan
naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan naar links aan
te geven. Na loslaten keert de schakelaar
Het waarschuwingslampje voor motorstoring en het ABS-waarschuwingslampje (alleen voor model met ABS) gaan branden
als de sleutel naar “ON” wordt gedraaid en
DAU12400
9
DAU12721
Startknop “ ”
Druk met de zijstandaard omhoog op deze
knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de
startmotor. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
7
8
Noodstopschakelaar “ / ”
Zet deze schakelaar voor u de motor start
op “ ”. Zet deze schakelaar op “ ” om
de motor direct uit te schakelen in een
noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
3-11
de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting “ ”
Met de sleutel in de stand “ON” of “ ” kan
deze schakelaar worden gebruikt voor het
inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers).
De alarmverlichting wordt gebruikt in een
noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke
verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet
draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU44910
Voorremhendel
DAU44921
Achterremhendel
2
1
1
2
DAU12962
Achterremblokkeerhendel
1
4
4
2
1.
2.
3.
4.
Voorremhendel
Stelwiel afstelpositie remhendel
“
”-merkteken
Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De voorremhendel bevindt zich aan de
rechterstuurgreep. Trek deze hendel naar
het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
De voorremhendel is voorzien van een stelwiel voor afstelpositie. Om de afstand tussen de voorremhendel en de stuurgreep af
te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl
de voorremhendel van het stuur vandaan
wordt gehouden. Controleer of het correcte
instelpunt op het stelwiel tegenover het
“ ” merkteken op de voorremhendel
staat.
3
3
3
1.
2.
3.
4.
Achterremhendel
Stelwiel afstelpositie remhendel
“
”-merkteken
Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De achterremhendel bevindt zich aan de
linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het
stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
De achterremhendel is voorzien van een
stelwiel voor afstelpositie. Om de afstand
tussen de achterremhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl de achterremhendel van het
stuur vandaan wordt gehouden. Controleer
of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het “ ” merkteken op de achterremhendel staat.
1. Achterremblokkeerhendel
Dit voertuig is uitgerust met een achterremblokkeerhendel waarmee het achterwiel
kan worden vergrendeld bij het stilstaan
voor verkeerslichten, spoorwegovergangen
etc.
Blokkeren van het achterwiel
Druk de achterremblokkeerhendel naar
links totdat deze vastklikt.
Deblokkeren van het achterwiel
Druk de achterremblokkeerhendel terug in
de oorspronkelijke positie.
OPMERKING
● Zorg ervoor dat het achterwiel niet be-
weegt als de achterremblokkeerhen3-12
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✦ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
del wordt bekrachtigd.
● Bekrachtig voor een veilige blokkering
van het achterwiel eerst de achterremhendel voordat u de achterremblokkeerhendel naar links beweegt.
DWA12361
2
3
4
5
WAARSCHUWING
Beweeg de achterremblokkeerhendel
nooit naar links terwijl het voertuig in beweging is, anders zou u de macht over
het stuur kunnen verliezen of een ongeval kunnen veroorzaken. Zorg ervoor dat
het voertuig tot stilstand is gekomen
voordat u de achterremblokkeerhendel
naar links beweegt.
DAU12995
ABS (voor modellen met ABS)
Het Yamaha ABS (anti-blokkeervoorziening
remsysteem) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de
voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. Het ABS-systeem voorkomt blokkeren van de wielen tijdens plotseling remmen
op uiteenlopende typen wegdek en onder
allerlei weersomstandigheden, waarbij tegelijk de band/wegdekhechting en de functionele werking optimaal blijven terwijl de
remwerking toch soepel verloopt. Het ABS
wordt bewaakt door een ECU, die in geval
van een storing zal terugvallen op handmatig remmen.
DWA10090
6
7
8
9
WAARSCHUWING
● Het ABS-systeem functioneert het
meest effectief over lange remwegen.
● Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer
zijn dan bij remmen zonder ABS.
Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd
op uw rijsnelheid.
OPMERKING
● Het ABS voert gedurende enkele se-
conden een zelftest uit elke keer dat
3-13
de machine wegrijdt nadat de sleutel
naar “ON” is gedraaid. Tijdens deze
test hoort u een “klikkend” geluid aan
de voorkant van de machine en wanneer u een remhendel licht aantrekt,
voelt u eventueel een trilling in de hendel. Dit is normaal.
● Wanneer ABS is geactiveerd, worden
de remmen op de gebruikelijke wijze
bediend. In de remhendels kunnen
pulsaties worden gevoeld, maar dat
duidt niet op een storing.
● Dit ABS-systeem is uitgerust met een
testfunctie, waarbij de bestuurder pulsaties kan voelen in de rembediening
terwijl ABS actief is. Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem
voor het uitvoeren van deze test contact op met uw Yamaha dealer.
DCA16120
LET OP
Houd alle soorten magneten (inclusief
magneetgrijpers, magnetische schroevendraaiers etc.) uit de buurt van de
voorste en achterste wielnaven. Anders
kunnen de magnetische rotors van de
wielnaven beschadigd raken, waardoor
het ABS-systeem niet meer goed werkt.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✧ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13175
Tankdop
1
1
Om de tankdop te verwijderen
1. Open het slotpaneel door de greep
omhoog te trekken.
2
1
3
1. Voorste wielnaaf
1. Tankdop
4
2
1
1. Achterste wielnaaf
Om de tankdop aan te brengen
1. Zet de uitlijnmerktekens tegenover elkaar, steek de tankdop in de tankopening en druk de dop omlaag.
1. Openingshendel
2. Deksel
5
6
2. Steek de sleutel in het slot en draai
hem rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
1
7
8
9
1. Lijn merktekens uit
2. Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem deze
3-14
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
dan uit.
3. Sluit het paneel.
DAU13221
Brandstof
DWA11261
WAARSCHUWING
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Controleer voor u gaat rijden of de
tankdop correct is aangebracht en vergrendeld. Door brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.
Controleer of er voldoende brandstof in de
brandstoftank aanwezig is.
1
DWA10881
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer
brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te
voorkomen en het letselrisico tijdens het
tanken te verlagen.
1. Zet alvorens te tanken de motor af en
zorg dat er niemand op de machine zit.
Rook nooit tijdens het tanken en tank
nooit in de nabijheid van vonken, open
vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en
kledingdrogers.
2. Maak de brandstoftank niet te vol.
Steek bij het tanken het vulpistool
goed in de vulopening van de brandstoftank. Stop met vullen zodra de
brandstof de onderkant van de vulhals
heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet
als deze warm wordt, kan de warmte
van de motor of de zon ervoor zorgen
dat brandstof uit de brandstoftank
stroomt.
3-15
2
1. Vulpijp brandstoftank
2. Maximaal brandstofniveau
3. Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste
brandstof onmiddellijk af met een
schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan
aantasten.[DCA10071]
4. Draai de tankdop stevig vast.
DWA15151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om
met benzine. Probeer nooit om benzine
via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp
heeft ingeademd of benzine in uw ogen
heeft gekregen. Als benzine op uw huid
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✩ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
terechtkomt, was deze dan af met water
en zeep. Als u benzine op uw kleding
morst, trek dan andere kleding aan.
DAU13433
Uitlaatkatalysator
zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
Dit model is uitgerust met een uitlaatkatalysator.
DWA10862
DAU33520
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOODVRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
Loodhoudende benzine veroorzaakt
ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren
en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het
gebruik van normale loodvrije benzine met
een octaangetal van RON 91 of hoger. Als
de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies
langer mee en blijven de onderhoudskosten
beperkt.
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende
om brandgevaar of brandwonden te
voorkomen:
● Parkeer de machine nooit nabij
brandgevaarlijke stoffen, zoals op
gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
● Parkeer de machine op een plek
waar voetgangers of kinderen niet
gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
● Controleer of het uitlaatsysteem is
afgekoeld
alvorens
onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
● Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang
stationair draaien kan leiden tot
oververhitting.
DCA10701
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
Bij gebruik van loodhoudende benzine
3-16
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✪ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13932
1
DAU14270
Zadel
Verstellen van rugsteun
rijderzadel
Openen van het zadel
1. Zet de scooter op de middenbok.
2. Steek de sleutel in het contactslot en
draai deze dan linksom naar “OPEN”.
De rugsteun van het rijderzadel kan worden
versteld naar de drie hier getoonde posities.
1
2
3
1
Sluiten van het zadel
1. Klap het zadel omlaag en druk dan
aan om te vergrendelen.
2. Neem de sleutel uit het contactslot als
de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
4
5
6
7
1. Openen.
OPMERKING
OPMERKING
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
8
3. Klap het zadel omhoog.
9
3-17
1. Rugsteun bestuurder
Verstel de rugsteun als volgt.
1. Open het zadel. (Zie pagina 3-17.)
2. Verwijder de rugsteunbouten.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✫ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU46300
Helmbevestiging
3
2
1
1
2
1. Rugsteun bestuurder
2. Bout
3. Schuif de rugsteun naar voren of achteren naar de gewenste positie.
4. Breng de rugsteunbouten aan en zet
ze stevig vast.
5. Breng het zadel aan.
1. Gearceerd uitsteeksel
2. Helmborgkabel
3. Helmbevestiging
De helmbevestiging bevindt zich onder het
zadel. Naast de boordgereedschapsset is
een helmborgkabel aangebracht waarmee
een helm aan de helmbevestiging kan worden bevestigd.
Om een helm aan de helmbevestiging te
bevestigen
1. Open het zadel. (Zie pagina 3-17.)
2. Haal zoals afgebeeld de helmborgkabel door de gesp aan de helmriem en
haak dan de kabellus over de helmbevestiging.
3. Zorg ervoor dat de helmborgkabel het
gearceerde uitsteeksel niet raakt en
3-18
sluit
het
zadel
stevig.
WAARSCHUWING! Ga nooit rijden
met een helm vastgemaakt aan de
helmbevestiging, aangezien de
helm objecten kan raken met mogelijk verlies van de controle over de
machine en een ongeval tot gevolg.[DWA10161]
Om een helm los te maken van de helmbevestiging
Open het zadel, haal de helmborgkabel los
van de helmbevestiging en de helm en sluit
het zadel weer.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✬ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU44993
Opbergcompartimenten
1
1
2
Voorste opbergcompartimenten A en B
Om een voorste opbergcompartiment te
openen, schuift u de hendel omhoog en
trekt u hieraan. WAARSCHUWING! Berg
geen zware voorwerpen op in deze compartimenten.[DWA14861]
1
2
3
4
5
1
2
1. Openingshendel opbergcompartiment
2. Voorste opbergcompartiment B
Om de voorste opbergcompartimenten te
sluiten, drukt u het paneel terug in de oorspronkelijke stand.
6
7
1. Openingshendel opbergcompartiment
2. Voorste opbergcompartiment A
8
1
9
1. Deksel opbergcompartiment
3-19
1. Deksel opbergcompartiment
Achterste opbergcompartiment
In het achterste opbergcompartiment onder
het zadel kan een helm worden opgeborgen. (Zie pagina 3-17.) Om een helm op te
bergen in het achterste opbergcompartiment, moet de helm ondersteboven geplaatst worden en met de voorkant naar
links gericht. LET OP: Houd de volgende
punten in gedachten bij gebruik van het
opbergcompartiment. Het opbergcompartiment wordt warm als het wordt
blootgesteld aan de zon, dus bewaar er
geen voorwerpen in die slecht tegen
warmte kunnen. Stop natte voorwerpen
in een plastic zak alvorens deze in het
opbergcompartiment mee te nemen om
te voorkomen dat het vocht zich door het
opbergcompartiment verspreidt. Het op-
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✣ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
bergcompartiment kan nat worden als
de scooter wordt gereinigd, dus stop
voorwerpen die u wilt meenemen ter bescherming in een plastic zak. Bewaar
geen waardevolle of breekbare voorwerpen in het opbergcompartiment. Laat het
zadel niet gedurende langere perioden
openstaan, anders kan de accu ontladen
raken door het lampje.[DCA16081] LET OP:
Het gearceerde gebied is geen opbergruimte. Plaats geen voorwerpen in dit
gebied om schade aan de zadelscharnieren te voorkomen.[DCA16091]
geborgen.
● Laat uw scooter niet onbeheerd achter
met het zadel open.
DWA11241
WAARSCHUWING
● Overschrijd het maximumlaadge-
wicht van 5 kg (11 lb) voor het achterste opbergcompatrtiment niet.
● Overschrijd het maximumgewicht
van XP500 194 kg (428 lb) XP500A
190 kg (419 lb) voor het voertuig
niet.
DAU44970
Achteruitkijkspiegels
De achteruitkijkspiegels van dit voertuig
kunnen worden ingeklapt om het parkeren
in smalle ruimten te vergemakkelijken. Klap
de spiegels terug in hun oorspronkelijke
stand voordat u gaat rijden.
2
1
1
2
2
3
4
5
2
1
6
1. Parkeerstand
2. Rijstand
DWA14371
7
WAARSCHUWING
Vergeet niet de achteruitkijkspiegels in
hun oorspronkelijk stand terug te klappen alvorens weg te rijden.
1. Achterste opbergcompartiment
2. Gearceerde gedeelte
OPMERKING
● Sommige helmen kunnen vanwege
hun grootte of vorm niet in het achterste opbergcompartiment worden op3-20
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU46021
Schokdemperunit
DWA10221
WAARSCHUWING
1
2
3
4
5
6
7
8
9
DAU15303
Zijstandaard
Deze schokdemperunit is gevuld met
stikstofgas onder hoge druk. Lees de
onderstaande informatie zorgvuldig
door alvorens werkzaamheden uit te
voeren aan de schokdemperunit.
● Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
● Stel de schokdemperunit niet bloot
aan open vuur of een andere hittebron. Hierdoor kan de gasdruk zo
hoog oplopen dat de unit explodeert.
● Voorkom vervorming of beschadiging van de cilinder. Schade aan de
cilinder zal resulteren in slechte
dempingsprestaties.
● Werp een beschadigde of versleten
schokdemperunit niet zelf weg.
Breng de schokdemperunit voor elk
onderhoud
naar
een
Yamaha-dealer.
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag
terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de
werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-22 voor een uitleg over
het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gereden terwijl de zijstandaard omlaag staat
of niet behoorlijk kan worden opgetrokken (of niet omhoog blijft), anders kan de
zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine
mogelijk onbestuurbaar wordt. Het
Yamaha startspersysteem is ontworpen
om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te
trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zoals hierna beschreven en laat het
repareren door een Yamaha dealer als
3-21
de werking niet naar behoren is.
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU45051
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar en de remlichtschakelaars
deel uitmaken) heeft de volgende functies:
● Het verhindert starten wanneer de zijstandaard is opgetrokken, terwijl geen
der remmen is bekrachtigd.
● Het verhindert starten wanneer een
der remmen is bekrachtigd, terwijl de
zijstandaard nog omlaag staat.
● Het schakelt een draaiende motor af
zodra de zijstandaard omlaag bewogen wordt.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande
procedure.
2
3
4
5
6
7
8
9
3-22
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✦ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
2
3
4
5
6
7
8
WAARSCHUWING
Met de motor uit:
1. Beweeg de zijstandaard omlaag.
2. Controleer of de noodstopschakelaar aan staat.
3. Draai de sleutel naar aan.
4. Knijp de voor- of achterrem in en houd deze vast.
5. Druk op de startknop.
Start de motor?
NEE
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens
te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te
controleren.
De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet
goed.
De scooter mag niet worden gebruikt voordat
deze is nagekeken door een Yamaha dealer.
JA
Met de motor nog uit:
6. Beweeg de zijstandaard omhoog.
7. Knijp de voor- of achterrem in en houd deze vast.
8. Druk op de startknop.
Start de motor?
JA
NEE
De remschakelaar werkt mogelijk niet goed.
De scooter mag niet worden gebruikt
voordat deze is nagekeken door een Yamaha
dealer.
NEE
De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet
goed.
De scooter mag niet worden gebruikt voordat
deze is nagekeken door een Yamaha dealer.
Met de motor nog aan:
9. Beweeg de zijstandaard omlaag.
Slaat de motor af?
JA
9
Het systeem is in orde. De scooter mag worden gebruikt.
3-23
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema’s en procedures
voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u
een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
2
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
3
ITEM
CONTROLES
●
Brandstof
●
●
●
Motorolie
●
●
Kettingkastolie
●
●
Koelvloeistof
●
●
●
●
●
Voorrem
●
●
●
●
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Vul indien nodig brandstof bij.
Controleer de brandstofleiding op lekkage.
Controleer het olieniveau in de motor.
Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.
Controleer de machine op olielekkage.
Controleer de machine op olielekkage.
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven
niveau.
Controleer het koelsysteem op lekkage.
Controleer de werking.
Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het
hydraulisch systeem te ontluchten.
Controleer de remblokken op slijtage.
Vervang indien nodig.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het
voorgeschreven niveau.
Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
4-1
PAGINA
3-15
4
5
6-12
6-15
6
6-16
7
8
6-22, 6-23, 6-24
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
ITEM
CONTROLES
●
●
1
●
Achterrem
●
●
●
2
●
3
●
Gasgreep
4
●
●
Wielen en banden
5
●
●
●
Remhendels
6
Middenbok, zijstandaard
7
●
Framebevestigingen
8
Instrumenten, verlichting,
signaleringssysteem en
schakelaars
9
Zijstandaardschakelaar
●
●
●
●
●
●
●
●
●
●
Controleer de werking.
Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het
hydraulisch systeem te ontluchten.
Controleer de remblokken op slijtage.
Vervang indien nodig.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het
voorgeschreven niveau.
Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
Controleer of de werking soepel is.
Controleer de vrije slag van de kabel.
Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen,
en de kabel en het kabelhuis te smeren.
Controleer op schade.
Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.
Controleer de bandspanning.
Corrigeer indien nodig.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig de scharnierpunten.
Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.
Zet indien nodig vast.
Controleer de werking.
Corrigeer indien nodig.
PAGINA
6-22, 6-23, 6-24
6-19, 6-25
6-20, 6-21
6-26
6-26
—
—
Controleer de werking van het startspersysteem.
Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te
controleren.
4-2
3-21
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU48020
DAU36512
Starten van de motor
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig
door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van
een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de
bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een
ongeval of letsel tot gevolg.
DCA10250
OPMERKING
Dit model is uitgerust met een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. In dat geval wordt op het
multifunctionele display foutcode 30 weergegeven, maar dit betreft geen storing.
Draai de sleutel naar “OFF” en vervolgens
naar “ON” om de foutcode te wissen. Als u
dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld
als u op de startknop drukt.
LET OP
Zie pagina 5-4 voor instructies over het
inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
Het startspersysteem staat starten alleen
toe als de zijstandaard is opgetrokken.
Zie pagina 3-22 voor meer informatie.
1. Draai de contactsleutel naar “ON” en
controleer of de noodstopschakelaar
op “ ” is gezet.
De volgende waarschuwingslampjes,
het volgende controlelampje en de volgende indicatoren moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
● Waarschuwingslampje motorstoring
● ABS-waarschuwingslampje (voor modellen met ABS)
● Controlelampje startblokkering
● Indicator V-snaarvervanging
● Olieverversingsindicator
2
3
4
5
6
7
8
DCA15022
LET OP
Als een waarschuwingslampje, controlelampje of indicator niet dooft, zie dan
pagina 3-3, 3-8, 3-9 of 3-6 voor een controle van het circuit van het desbetreffende
waarschuwingslampje
of
5-1
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
controlelampje of de desbetreffende indicator.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
2. Sluit de gasklep volledig.
3. Start de motor door de startknop in te
drukken terwijl de voor- of achterrem
wordt bekrachtigd. LET OP: Trek
voor een maximale levensduur van
de motor nooit hard op als de motor
koud is![DCA11041]
Als de motor niet wil starten, laat dan
de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw.
Iedere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat
de startmotor nooit langer dan tien seconden achtereen draaien.
DAU45091
Wegrijden
DAU16780
Sneller en langzamer rijden
1. Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw
rechterhand de rechterhandgreep vast
en duw de scooter van de middenbok
af.
1
(b)
(a)
De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de
gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om
langzamer te gaan rijden.
1. Handgreep
2. Ga schrijlings op het zadel zitten en
stel de achteruitkijkspiegels af.
3. Zet de richtingaanwijzers aan.
4. Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
5. Schakel de richtingaanwijzers uit.
5-2
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16793
Remmen
Voor
DAU16820
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik
DWA10300
WAARSCHUWING
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk
van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om
het brandstofverbruik te verlagen:
● Voer het motortoerental tijdens accelereren niet te hoog op.
● Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
● Laat de motor niet langdurig stationair
draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld
in files, bij stoplichten of bij spoorwegovergangen).
● Vermijd hard en abrupt remmen
(met name wanneer u naar één kant
overhelt). De scooter zou namelijk
kunnen slippen of omvallen.
● Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in
natte toestand zeer glad. U dient
deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
● Onthoud dat remmen op een nat
wegdek veel moeilijker is.
● Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms
lastig zijn.
Achter
2
3
4
5
6
7
1. Sluit de gasklep volledig.
2. Bekrachtig de voor- en achterrem gelijktijdig en oefen daarbij geleidelijk
meer druk uit.
8
9
5-3
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16841
Inrijperiode
1
2
3
4
5
6
7
8
9
DCA10310
LET OP
De belangrijkste periode in de levensduur
van het motorblok is de tijd tussen 0 en
1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit
de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar
worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat
de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd
tijdens deze periode nooit langdurig volgas
en vermijd ook andere manoeuvres die tot
oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17213
Parkeren
● Voer het toerental niet zover op dat
de toerenteller in de rode zone
wijst.
● Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct
een Yamaha dealer de machine te
controleren.
DAU36531
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 4000
tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi)
moet de motorolie worden ververst en
moet de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen.[DCA11282]
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 6000
tpm draaien.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
5-4
Zet om te parkeren de motor af en neem
dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
WAARSCHUWING
● De motor en het uitlaatsysteem
kunnen zeer heet worden, parkeer
dus op een plek waar voetgangers
of kinderen niet gemakkelijk met
deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
● Parkeer nooit op een helling of een
zachte ondergrond, hierdoor kan de
machine kantelen met mogelijk
brandstoflekkage en brand tot gevolg.
● Parkeer niet nabij gras of andere
brandbare materialen die vlam zouden kunnen vatten.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17241
Door periodiek inspecties, afstellingen en
smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt
mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de
volgende pagina’s wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema moeten
worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter
mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk
van het weer, het terrein, de geografische
locatie en individueel gebruik.
motor af tenzij anders aangegeven.
● Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of
kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of
brand kunnen veroorzaken.
● Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud
kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot
gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
DAU17391
Boordgereedschapsset
1
2
2
3
1. Helmborgkabel
2. Boordgereedschapsset
De boordgereedschapsset is te vinden onder het zadel. (Zie pagina 3-17.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te
ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor
de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een
momentsleutel vereist zijn.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico
op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de
machine. Als u niet bekend bent met
voertuigonderhoud, laat het onderhoud
dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde
DWA15121
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de
6-1
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
werkzaamheden vereist zijn.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
6-2
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46861
OPMERKING
● De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onder-
houdsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
● Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
● Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereed-
schap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
DAU46910
2
3
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
4
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
●
1 *
Brandstofleiding
●
2 *
Bougies
●
●
3 *
Ventielen
4 *
Brandstofinjectie
●
●
●
Controleer de brandstofslangen
op scheurtjes of
beschadigingen.
Controleer de conditie.
Reinigen en elektrodenafstand
afstellen.
Vervangen.
Controleer de klepspeling.
Afstellen.
Stel het stationair toerental en
de synchronisatie af.
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
√
JAARLIJKSECONTROLE
√
√
√
6-3
√
√
6
7
√
8
Elke 40000 km (24000 mi)
√
5
√
√
√
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU1770C
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
1
1
2
2 *
Luchtfilterelement
Luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing
3
3 *
●
Vervangen.
Reinigen.
●
Vervangen.
●
Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
Vervang de remblokken.
Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
Vervang de remblokken.
Controleer op scheurtjes en
beschadigingen.
Vervangen.
Controleer de werking.
Afstellen.
Controleer de speling en
controleer op beschadigingen.
Controleer op slijtage en
beschadigingen.
Vervang indien nodig.
Controleer de bandspanning.
Corrigeer indien nodig.
Controleer op speling of
beschadigingen.
●
Voorrem
4
●
●
5
4 *
Achterrem
●
6
●
5 *
Remslangen
6
Achterremblokkering
●
7
7 *
Wielen
●
●
●
8
●
9
8 *
Banden
●
●
●
9 *
Wiellagers
●
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
√
√
√
JAARLIJKSECONTROLE
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
√
√
√
√
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
√
√
Elke 4 jaar
√
6-4
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
✼✧✯✱✦✱✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
●
10 *
Balhoofdlagers
●
11 *
12
13
14
15 *
16 *
17 *
Framebevestigingen
Scharnieras van
voorremhendel
Scharnieras van
achterremhendel
Zijstandaard, middenbok
Zijstandaardschakelaar
Voorvork
Schokdemperunit
●
19
Motorolie
Oliefilterpatroon
√
√
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
JAARLIJKSECONTROLE
Elke 20000 km (12000 mi)
√
√
√
√
Smeren met siliconenvet.
√
√
√
√
√
●
Smeren met siliconenvet.
√
√
√
√
√
●
●
Controleer de werking.
Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
●
Controleer de werking.
√
√
√
√
√
●
Controleer op een correcte
werking en olielekkage.
Controleer op een correcte
werking en olielekkage.
Verversen. (Zie pagina’s 3-8 en
6-12.)
Controleer het olieniveau en
controleer de machine op
olielekkage.
Vervangen.
Controleer het
koelvloeistofniveau en
controleer de machine op
vloeistoflekkage.
Verversen.
√
√
√
√
√
√
√
√
●
●
●
●
●
20 *
10000 km
(6000 mi)
√
●
18
Controleer de lagers op speling
en oppervlakteruwheid.
Smeren met lithiumvet.
Controleer of alle moeren,
bouten en schroeven stevig zijn
vastgezet.
1000 km
(600 mi)
Koelsysteem
●
√
√
√
√
√
√
√
Elke 3 jaar
6-5
√
4
5
7
√
√
3
6
Wanneer de indicator olieverversing knippert
Elke 5000 km (3000 mi)
2
8
9
√
✼✧✯✱✦✱✣ ✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
1
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
●
Controleer de machine op
olielekkage.
Verversen.
Vervangen.
●
Controleer de werking.
●
●
●
21
Kettingkastolie
●
2
22 *
V-snaar
Voor- en achterremschakelaar
Bewegende delen
en kabels
23 *
3
4
24
Gaskabelhuis en
gaskabel
25 *
5
Lampen, richtingaanwijzers en
schakelaars
26 *
6
●
●
●
●
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
JAARLIJKSECONTROLE
Wanneer de indicator V-snaarvervanging knippert [elke 20000 km (12000 mi)]
√
√
√
√
√
Smeren.
√
√
√
√
√
Controleer de werking en
speling.
Stel indien nodig de speling af.
Smeer het gaskabelhuis en de
gaskabel.
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
Controleer de werking.
Stel de koplamplichtbundel af.
√
√
DAU38262
7
OPMERKING
8
● Motorluchtfilter en luchtfilters van V-snaarbehuizing
Het motorluchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht om beschadiging
te voorkomen.
Het motorluchtfilterelement moet vaker worden vervangen en de luchtfilterelementen van de V-snaarbehuizing moeten vaker wor●
den gereinigd bij rijden in zeer stoffige of vochtige gebieden.
● Hydraulisch remsysteem
Ververs na het demonteren van de remhoofdcilinders en remklauwen altijd de remvloeistof. Controleer regelmatig de remvloeistof●
niveaus en vul de reservoirs indien nodig bij.
Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloei●
●
9
6-6
✼✧✯✱✦✱✣ ✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
●
stof worden ververst.
De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
2
3
4
5
6
7
8
9
6-7
✼✧✯✱✦✱✣ ✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18771
1
Panelen verwijderen en
aanbrengen
1
2
1
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk
worden beschreven, moeten de afgebeelde
panelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf telkens door om een paneel te verwijderen of aan te brengen.
3
1 2
3 4
2
5
1. Paneel F
1. Paneel A
2. Drukclip
4
DAU45013
5
Paneel A
6
7
8
9
Om het paneel te verwijderen
1. Verwijder de drukclips.
1.
2.
3.
4.
5.
2. Verwijder het paneel door aan de linker- en rechterbovenkant te trekken
om het los te haken en het paneel vervolgens naar beneden te trekken, zoals afgebeeld.
Paneel A
Paneel B
Paneel C
Paneel D
Paneel E
1
1. Paneel A
6-8
✼✧✯✱✦✱✣ ✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de drukclips aan.
Om het paneel aan te brengen
1. Plaats het paneel in de oorspronkelijke
positie en breng dan de schroeven
aan.
2. Breng de achteruitkijkspiegels aan
door de moeren te monteren, breng
vervolgens de rubberen kappen op
beide spiegels weer op hun oude
plaats aan.
3. Breng het paneel A aan.
3
2
1
1. Moer
2. Rubberafdekking
3. Achteruitkijkspiegel
Paneel B
Om het paneel te verwijderen
1. Verwijder het paneel A.
2. Trek de rubberen kappen op beide
achteruitkijkspiegels omhoog en verwijder de spiegels door de moeren te
verwijderen.
2
3
Paneel C
4
3. Verwijder de schroeven en trek dan
het paneel naar buiten.
Om het paneel te verwijderen
Verwijder de schroeven en trek daarna het
paneel omhoog.
5
6
2
2
1
7
8
1
1
1. Schroef
2. Paneel C
1. Schroef
2. Paneel B
6-9
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
1
Paneel D
Paneel E
Om het paneel te verwijderen
Verwijder de schroeven en trek dan het paneel naar buiten.
1
2
3
Om het paneel te verwijderen
1. Verwijder het paneel C.
2. Verwijder de schroeven en trek daarna
het paneel naar achteren en omhoog.
1
1. Schroef
1
4
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
1
5
2
1. Schroef
6
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
7
8
9
1. Schroef
2. Paneel D
Om het paneel aan te brengen
1. Plaats het paneel in de oorspronkelijke
positie en breng dan de schroeven
aan.
2. Breng het paneel C aan.
Paneel F
Om het paneel te verwijderen
Verwijder de schroeven en trek dan het paneel naar buiten.
6-10
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU19642
Controleren van de bougies
Bougies vormen belangrijke onderdelen
van de motor die periodiek moeten worden
gecontroleerd, bij voorkeur door een
Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten,
moeten de bougies worden verwijderd en
gecontroleerd volgens de tijden genoemd in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie
van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale
elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met
de machine wordt gereden), en alle bougies
in de motor horen dezelfde verkleuring te
hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk
niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in
plaats daarvan uw machine nakijken door
een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige
koolaanslag of andere neerslag gevonden
wordt.
Voorgeschreven bougie:
NGK/CR7E
Voordat een bougie wordt aangebracht
moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien
nodig de elektrodenafstand op specificatie.
handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
verder te draaien. De bougie moet echter zo
snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
2
3
4
1. Elektrodenafstand
Elektrodenafstand:
0.7–0.8 mm (0.028–0.031 in)
Reinig het oppervlak van de bougiepakking
en het pasvlak en verwijder eventueel vuil
uit de schroefdraad van de bougie.
5
6
7
8
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9 ft·lbf)
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is,
wordt de bougie correct vastgezet door
6-11
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
het carter te laten stromen.
DAU1985C
Motorolie en oliefilterpatroon
1
2
3
4
5
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau
worden gecontroleerd. Verder moet de olie
worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden
vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
1. Zet de machine op de middenbok.
Wanneer de machine iets schuin
staat, kan het niveau al foutief worden
afgelezen.
2. Start de motor, laat hem twee minuten
warmdraaien en zet hem dan uit.
DCA11290
6
7
8
9
LET OP
Om het olieniveau te controleren moet
de motor koud zijn, anders wordt het niveau verkeerd aangegeven.
3. Wacht een paar minuten tot de olie tot
rust is gekomen en controleer dan het
olieniveau via het kijkglas linksonder in
het carter.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau
staan.
1
1
2
3
1. Kijkglas olieniveau
2. Merkstreep maximumniveau
3. Merkstreep minimumniveau
4. Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul
dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of
zonder vervanging van oliefilterpatroon)
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
3. Zet een olieopvangbak onder de motor
om de gebruikte olie op te vangen.
4. Verwijder de olievuldop en de olieaftapplug met de pakking om de olie uit
6-12
1. Olievuldop
1
2 3
1. Olieaftapplug
2. O-ring
3. Pakking
5. Controleer de o-ring op beschadiging
en vervang hem indien nodig.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
2
2
1
1
1
2
3
1. Olieaftapplug
2. O-ring
1. Oliefiltersleutel
2. Oliefilterpatroon
1. O-ring
4
OPMERKING
OPMERKING
OPMERKING
Sla de stappen 6–8 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel
leveren.
6. Verwijder de oliefilterpatroon met een
oliefiltersleutel.
7. Smeer een dun laagje schone motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.
Zorg dat de o-ring correct aanligt.
8. Plaats de nieuwe oliefilterpatroon en
zet deze dan met een momentsleutel
vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
5
6
7
8
9
1
1. Momentsleutel
6-13
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DCA11620
Aanhaalmoment:
Oliefilterpatroon:
17 Nm (1.7 m·kgf, 12.3 ft·lbf)
1
2
3
4
5
6
7
8
9. Monteer de olieaftapplug met een
nieuwe pakking en zet de plug vast
met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31.1 ft·lbf)
10. Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie,
breng dan de olievuldop aan en zet
deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.80 L (2.96 US qt, 2.46 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
2.90 L (3.07 US qt, 2.55 Imp.qt)
9
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor
en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
LET OP
● Om het slippen van de koppeling te
voorkomen (de motorolie smeert
immers ook de koppeling) mogen
geen chemische additieven worden
toegevoegd. Gebruik geen oliën
met een “CD” dieselspecificatie of
oliën met een hogere kwaliteit dan
gespecificeerd. Gebruik ook geen
oliën met een “ENERGY CONSERVING II” of hogere aanduiding.
● Zorg dat er geen verontreinigingen
in het carter terecht komen.
11. Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer
daarbij op olielekkage. Als er sprake is
van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
12. Zet de motor af, controleer dan het
olieniveau en corrigeer indien nodig.
13. Stel de indicator olieverversing terug.
(Zie pagina 3-8.)
OPMERKING
Als de motorolie werd ververst voordat de
indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing
was verstreken), moet de indicator na de
olieverversing worden teruggesteld zodat
het eerstvolgende tijdstip voor olieverver6-14
sing weer correct wordt aangegeven.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU19997
Kettingkastolie
3
1
2
laten stromen.
5. Monteer de aftapbout van de kettingkastolie met een nieuwe pakking en
zet de bout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapbout kettingkastolie:
20 Nm (2.0 m·kgf, 14.5 ft·lbf)
1
2
2
6. Vul met de aangegeven hoeveelheid
van de aanbevolen kettingkastolie.
1. Olievuldop kettingkast
2. Aftapbout kettingkastolie
3. Pakking
De kettingkastolie moet als volgt worden
ververst op de tijdstippen aangegeven in
het periodieke onderhouds- en smeerschema.
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2. Verwijder het paneel E. (Zie
pagina 6-8.)
3. Zet een olieopvangbak onder de aandrijfkettingkast om de gebruikte olie op
te vangen.
4. Verwijder de vuldop van de kettingkastolie en de aftapbout van de
kettingkastolie met de pakking om
de olie uit de aandrijfkettingkast te
Voorgeschreven kettingkastolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
0.70 L (0.74 US qt, 0.62 Imp.qt)
7. Veeg de peilstok schoon, steek deze
in de vulopening (zonder vast te
draaien) en verwijder hem dan om het
olieniveau te controleren.
OPMERKING
Het olieniveau in de kettingkast moet tussen het uiteinde van de peilstok en de merkstreep voor maximumniveau liggen.
3
1. Merkstreep maximumniveau
2. Uiteinde van de peilstok voor
kettingkastolie
4
8. Als het olieniveau in de kettingkast niet
tussen het uiteinde van de peilstok en
de merkstreep voor maximumniveau
ligt, vul dan voldoende olie, van de
aanbevolen soort, bij tot het correcte
niveau.
9. Steek de peilstok in de vulopening en
draai dan de olievuldop vast.
DCA15010
LET OP
● Zorg dat er geen verontreinigingen
in aandrijfkettingkast terechtkomen.
● Zorg dat er geen olie op de banden
of wielen terechtkomt.
10. Controleer de aandrijfkettingkast op
6-15
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
olielekkage. Zoek in geval van lekkage
naar de oorzaak.
11. Monteer het paneel.
1
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau
worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
1
2
3
2
DAU46331
3
4
5
6
7
8
9
Controleren van het koelvloeistofniveau
1. Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING
● Het koelvloeistofniveau moet worden
gecontroleerd terwijl de motor koud is,
temperatuurverschillen zijn namelijk
van invloed op het niveau.
● Zorg dat de machine rechtop staat bij
het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets
schuin staat, kan het niveau al foutief
worden afgelezen.
1. Merkstreep maximumniveau
2. Merkstreep minimumniveau
3. Kijkglas koelvloeistofniveau
3. Als de koelvloeistof op of beneden de
merkstreep voor minimumniveau
staat, til dan de voetplaatmat aan de
rechterzijde omhoog zoals getoond.
1
2. Controleer het koelvloeistofniveau via
het kijkglas.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de
merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
1. Voetplaatmat rechterzijde
6-16
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
4. Verwijder de afdekkap over het koelvloeistofreservoir door de schroef los
te halen.
1
er in plaats van koelvloeistof water
is gebruikt, vervang dit dan zo snel
mogelijk door koelvloeistof, anders
is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water
aan de koelvloeistof is toegevoegd,
laat dan een Yamaha dealer zo snel
mogelijk het antivriesgehalte van
de koelvloeistof controleren om te
voorkomen dat de effectiviteit van
de koelvloeistof afneemt.[DCA10472]
2
1. Kap koelvloeistofreservoir
2. Schroef
5. Open de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij tot aan de
merkstreep voor maximumniveau, en
sluit dan de dop van het koelvloeistofreservoir
weer.
WAARSCHUWING! Verwijder alleen
de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor
koud is.[DWA15161] LET OP: Als er geen
koelvloeistof aanwezig is, gebruik
dan in plaats daarvan gedistilleerd
water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water,
dit is schadelijk voor de motor. Als
terzijde in de oorspronkelijke positie.
2
3
4
1
5
6
7
1. Dop koelvloeistofreservoir
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot
aan de merkstreep voor maximumniveau):
0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)
6. Monteer het koelvloeistofreservoir
door de schroef aan te brengen.
7. Plaats de voetplaatmat aan de rech6-17
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU45021
DAU33482
Het luchtfilterelement vervangen
1
Afstellen van het stationair
toerental
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vervang het luchtfilterelement vaker als
u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
1
2
3
4
5
Om het luchtfilterelement te vervangen
1. Verwijder de panelen C en D. (Zie
pagina 6-8.)
2. Verwijder het luchtfilterdeksel door de
schroeven te verwijderen.
1
2
6
7
8
9
1
1. Schroef
2. Luchtfilterdeksel
1. Luchtfilterelement
4. Breng een nieuw luchtfilterelement
aan in het luchtfilterhuis. LET OP:
Zorg ervoor dat het filterelement
goed aanligt in het luchtfilterhuis.
Laat de motor nooit draaien met het
luchtfilterelement
uitgenomen,
hierdoor kunnen de zuiger(s) en/of
cilinder(s) overmatig versleten raken.[DCA10481]
5. Monteer het luchtfilterdeksel door de
schroeven aan te brengen.
6. Monteer de panelen.
3. Trek het luchtfilterelement uit.
6-18
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en eventueel afgesteld
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
De motor moet warm zijn om deze afstelling
te verrichten.
1. Verwijder het paneel F. (Zie
pagina 6-8.)
2. Controleer het stationair toerental en
stel dit indien nodig volgens de specificatie af door de stationair stelschroef
te verdraaien. Draai de schroef in de
richting (a) om het stationair toerental
te verhogen. Draai de schroef in de
richting (b) om het stationair toerental
te verlagen.
✼✧✯✱✦✱✣ ✤✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21382
Controleren van de vrije slag
gaskabel
(b)
1 (a)
1
DAU21401
Klepspeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het
motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha
dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
2
3
1. Stationair stelschroef
Stationair toerental:
1100–1300 tpm
OPMERKING
Als het voorgeschreven stationair toerental
niet haalbaar is volgens de hierboven beschreven werkwijze, vraag dan een
Yamaha dealer de afstelling uit te voeren.
4
1. Vrije slag gaskabel
De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0
mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien
nodig afstellen door een Yamaha dealer.
3. Monteer het paneel.
5
6
7
8
9
6-19
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU33601
Banden
1
2
3
Let ten aanzien van de voorgeschreven
banden op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw voertuig.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden
bijgesteld.
DWA10501
4
5
6
7
8
9
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot
verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
● De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de
banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is
aan de omgevingstemperatuur).
● De bandspanning moet worden
aangepast aan de rijsnelheid en het
totale gewicht van rijder, passagier,
bagage en accessoires dat voor dit
model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude
banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
XP500 90–194 kg (198–428 lb)
XP500A 90–190 kg (198–419 lb):
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
280 kPa (2.80 kgf/cm2, 41 psi)
Maximale belasting*:
XP500 194 kg (428 lb)
XP500A 190 kg (419 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden
2
1
1. Wang van band
2. Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het
midden van de band de vermelde limiet
heeft bereikt, de band spijkers of stukjes
glas bevat of wanneer de wang van de band
scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en
achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is
voor diverse landen verschillend. Neem al6-20
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
tijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit model is uitgerust met tubeless banden.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder
vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten
aan een Yamaha dealer, die over de
nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
Voorband:
Maat:
120/70R15 M/C 56H
Fabrikant/model:
DUNLOP/GPR-100F
BRIDGESTONE/BT011F
Achterband:
Maat:
160/60R15 M/C 67H
Fabrikant/model:
DUNLOP/GPR-100L
BRIDGESTONE/BT012R
DWA10470
WAARSCHUWING
● Laat sterk versleten banden door
een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten
banden is niet alleen verboden,
maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u
de macht over het stuur zou kunnen
verliezen.
● De vervanging van onderdelen van
6-21
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven
wielen op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw voertuig.
● Controleer de velgen voor iedere rit op
scheurtjes, verbuiging of kromtrekken.
Laat ingeval van schade het wiel door
een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren,
hoe klein de reparatie ook is. Vervang
een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
● Na het vervangen van een wiel of
band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel
zal mogelijk slecht functioneren, of kan
een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
● Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak
dient eerst te zijn ingereden voordat
het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU33453
Vrije slag voor- en
achterremhendel
geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch
een vrije slag is, laat dan een Yamaha
dealer het remsysteem inspecteren.
DWA14211
1
Voor
WAARSCHUWING
1
2
3
4
5
6
1. Vrije slag voorremhendel
Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het
hydraulisch systeem aanwezig is. Als er
lucht in het hydraulisch systeem zit, laat
dan het systeem door een Yamaha
dealer ontluchten voordat de machine
wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch
systeem heeft een negatief effect op de
remwerking, waardoor u de macht over
het stuur zou kunnen verliezen met een
ongeluk als gevolg.
Achter
DAU33473
Kabel van
achterremblokkeerhendel
afstellen
2
1
(b)
(a)
1. Stelmoer
2. Lengte kabel achterremblokkeerhendel
Als de achterremblokkeerhendel niet goed
functioneert, moet mogelijkerwijs de kabel
van de achterremblokkeerhendel worden
afgesteld. Als de achterremblokkeerhendel
niet wordt gebruikt, moet de lengte van de
kabel van de achterremblokkeerhendel bij
de achterremklauw 45 mm tot 47 mm (1.77
in tot 1.85 in) bedragen. Controleer de lengte van de kabel van de achterremblokkeerhendel regelmatig en stel deze indien nodig
als volgt bij.
Om de kabel van de achterremblokkeerhendel langer te maken draait u de stelmoer
7
1
8
9
1. Vrije slag achterremhendel
Aan de uiteinden van de remhendels mag
6-22
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
bij de achterremklauw in de richting (a). Om
de kabel van de achterremblokkeerhendel
korter te maken draait u de stelmoer in de
richting (b).
DWA10650
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer de afstelling te
doen als de juiste afstelling niet haalbaar
is volgens de beschreven werkwijze.
DAU22392
Controleren van voor- en
achterremblokken
dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22493
De remblokken in de voor- en achterrem
moeten worden gecontroleerd op slijtage
volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Remblokken achterrem
1. Verwijder de achterremklauw door de
bouten los te halen.
1
DAU22410
2
3
Remblokken voorrem
2
4
5
1. Remklauwbout
2. Remvoeringdikte
1
1. Slijtage-indicator
Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicator zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren.
Bekrachtig de rem en let op de stand van de
slijtage-indicator om de remblokslijtage te
controleren. Wanneer een remblok zover is
afgesleten dat de slijtage-indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha
6-23
2. Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als
een remblok beschadigd is of als de
remvoeringsdikte minder is dan 0.8
mm (0.03 in), vraag dan een Yamaha
dealer de remblokken als set te vervangen.
3. Monteer de achterremklauw door de
bouten aan te brengen en deze dan
vast te zetten met het voorgeschreven
aanhaalmoment.
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU40260
Aanhaalmoment:
Remklauwbout:
40 Nm (4.0 m·kgf, 28.9 ft·lbf)
1
2
3
Controleren van
remvloeistofniveau
DCA12822
Voorrem
LET OP
Gebruik de achterrem of de achterremblokkeerhendel niet nadat de remklauw
is verwijderd, anders wordt de remklauwzuiger naar buiten gedrukt.
1
4
5
6
1. Merkstreep minimumniveau
Achterrem
1
7
8
remsysteem binnendringen, waarna de
remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de
remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij.
Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk
op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de
remblokken op slijtage en het remsysteem
op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht:
● Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het
remvloeistofreservoir
horizontaal
staan.
● Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen
de
rubber
afdichtingen
verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
9
● Vul bij met hetzelfde type remvloeistof.
1. Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het
6-24
Bij vermengen van verschillende typen
remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de
remwerking verslechteren.
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
● Pas op en zorg dat tijdens het bijvullen
geen water of stof het remvloeistofreservoir binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming
kan optreden en vuil de hydraulisch
bediende kleppen van de ABS eenheid kan verstoppen.
● Remvloeistof kan gelakte of kunststof
onderdelen aantasten. Veeg gemorste
remvloeistof steeds direct af.
● Naarmate de remblokken afslijten, zal
het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een
Yamaha dealer om een inspectie als
het remvloeistofniveau plotseling sterk
is gedaald.
DAU22731
Remvloeistof verversen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof
te verversen volgens de intervalperioden
voorgeschreven onder OPMERKING in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Laat bovendien de oliekeerringen van de
hoofdremcilinders, de remklauwen en de
remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lek of beschadigd
zijn.
● Vloeistofafdichtingen: Vervang elke
twee jaar.
● Remslangen: Vervang elke vier jaar.
DAU23112
Controleren en smeren van
gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd.
Daarnaast moet de kabel door een Yamaha
dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
2
3
4
5
6
7
8
9
6-25
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23172
Smeren van voor- en
achterremhendels
1
DAU23213
Aanbevolen smeermiddel:
Siliconenvet
Middenbok en zijstandaard
controleren en smeren
Voorremhendel
2
3
4
5
Achterremhendel
6
7
8
De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit
worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken
moeten indien nodig worden gesmeerd.
9
De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven
in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
6-26
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DWA10741
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet
soepel omhoog en omlaag beweegt,
vraag dan een Yamaha dealer deze te
controleren of te repareren. Een slecht
functionerende middenbok of zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de
machine kunt verliezen.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork
moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
2
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op
krassen, beschadigingen en overmatige
olielekkage.
Om de werking te controleren
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
WAARSCHUWING! Ondersteun de
machine zorgvuldig om omvallen
en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
2. Bekrachtig de voorrem en druk het
stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork
soepel in- en uitveert.
3
DCA10590
LET OP
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een
Yamaha dealer te repareren of te controleren.
4
5
6
7
8
9
6-27
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU45511
Stuursysteem controleren
1
2
3
4
5
6
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen
gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
1. Zet de machine op de middenbok.
WAARSCHUWING! Ondersteun de
machine zorgvuldig om omvallen
en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
2. Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar
voren en achteren te bewegen. Als
speling wordt gevoeld, vraag dan een
Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.
DAU23291
Controleren van wiellagers
DAU45033
Accu
De accu bevindt zich achter paneel B. (Zie
pagina 6-8.)
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt
hoeft niet te worden gecontroleerd en er
hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien
nodig, vast te zetten.
DWA10760
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel
draait, vraag dan een Yamaha dealer de
wiellagers te controleren.
7
8
9
6-28
WAARSCHUWING
● Elektrolyt is giftig en gevaarlijk om-
dat het zwavelzuur bevat, een stof
die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid,
ogen of kleding en bescherm uw
ogen altijd bij werkzaamheden nabij
accu’s. Voer als volgt EERSTE
HULP uit als er lichamelijk contact
is geweest met elektrolyt.
●
UITWENDIG: Spoel overvloedig
met water.
●
INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
OGEN: Spoel gedurende 15 mi●
nuten met water en roep direct
medische hulp in.
● Accu’s produceren het explosieve
✼✧✯✱✦✱✣ ✥✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit
de buurt van de accu en zorg voor
voldoende ventilatie bij acculaden
in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU’S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om bij de accu te komen
1. Verwijder het paneel B. (Zie
pagina 6-8.)
2. Demonteer het getoonde rubberen
deksel door de drukclips te verwijderen.
1
1
2
3
1. Accu
2. Positieve accukabel (rood)
3. Negatieve accukabel
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer
de accu te laden als deze ontladen lijkt te
zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met
optionele elektrische accessoires.
1
2
1. Drukclip
2. Rubberafdekking
door uw Yamaha dealer.
DCA16520
LET OP
Om de accu op te bergen
1. Verwijder de accu als het voertuig
langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet
dan weg op een koele en droge plek.
LET OP: Draai voordat u de accu
verwijdert de sleutel naar “OFF” en
haal dan eerst de negatieve kabel
en daarna de positieve kabel
los.[DCA16302]
2. Als de accu langer dan twee maanden
wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien
nodig steeds volledig bij.
3. Laad de accu volledig bij alvorens te
installeren.
4. Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA16530
Voor het opladen van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een
conventionele acculader raakt de
accu beschadigd. Als u niet beschikt
over een acculader met constante
spanning, laat de accu dan opladen
6-29
2
3
4
5
6
7
8
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen
van een ontladen accu kan leiden tot
permanente accuschade.
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46310
Zekeringen vervangen
1
2
3
4
De hoofdzekering en de zekeringenkast,
die de zekeringen van de afzonderlijke circuits bevat, zitten onder het paneel B. (Zie
pagina 6-8.)
1. Verwijder het paneel B. (Zie
pagina 6-8.)
2. Demonteer het getoonde rubberen
deksel door de drukclips te verwijderen.
1
voorgeschreven ampèrewaarde aan.
WAARSCHUWING! Gebruik geen
zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige
schade aan het elektrische systeem
en mogelijk brand te voorkomen.[DWA15131]
1
2
1
1
1. Hoofdzekering
2. Reservehoofdzekering
Bij XP500
1
6
2
1. Hoofdzekering
2. Reservehoofdzekering
7
9
2
Bij XP500
5
8
Bij XP500A
1. Drukclip
2. Rubberafdekking
Vervang een zekering als volgt als deze is
doorgebrand.
1. Draai de contactsleutel naar “OFF” en
schakel het betreffende elektrische circuit uit.
2. Verwijder de doorgebrande zekering
en breng een nieuwe zekering met de
1. Zekeringenkastje
6-30
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bij XP500A
Bij XP500
1
Bij XP500A
1
2
3
4
5
6
7
2
3
8
7
7
7
8
9
7
10
1
2
3
4
5
6
7
1. Zekeringenkastje
2. Zekering van de ABS-solenoïdeklep
3. Zekering ABS-pompmotor
1. Koplampzekering
2. Zekering ontstekingssysteem
3. Backup-zekering (voor klok en verlichting
in achterste opbergcompartiment)
4. Zekering radiatorkoelvin
5. Zekering brandstofinjectiesysteem
6. Zekering signaleringssysteem
7. Reservezekering
8. Zekering parkeerlichten
1. Koplampzekering
2. Zekering ontstekingssysteem
3. Backup-zekering (voor klok en verlichting
in achterste opbergcompartiment)
4. Zekering radiatorkoelvin
5. Zekering brandstofinjectiesysteem
6. Zekering signaleringssysteem
7. Reservezekering
8. Zekering ABS-regeleenheid
9. Zekering parkeerlichten
10.Reservezekering
2
3
4
5
6
7
8
9
6-31
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23763
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
XP500A 5.0 A
Zekering ABS-motor:
XP500A 30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
XP500A 20.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
3. Draai de contactsleutel naar “ON” en
schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur
werkt.
4. Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer
het elektrisch systeem te controleren.
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderdelen niet worden beschadigd:
● Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft,
anders kan de doorzichtigheid van
het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed.
Wrijf
eventuele
verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met
een doekje gedrenkt in alcohol of
thinner.
● Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op
de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp
met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
1. Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
1. Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.
1
2
1. Koplampstekker
2. Gloeilampkap
2. Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.
6-32
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43040
1
2
Achterlicht/remlichtunit
Als de achterlicht/remlichtunit niet gaat
branden, vraag dan een Yamaha dealer het
elektrisch circuit daarvan te controleren of
vervang de gloeilamp.
DAU43051
Gloeilamp in voorste
richtingaanwijzer vervangen
1. Zet de scooter op de middenbok.
2. Verwijder de lampfitting (samen met
de gloeilamp) door deze linksom te
draaien.
2
3
1. Gloeilamphouder
2. Loshalen.
1
3. Breng een nieuwe koplampgloeilamp
aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
4. Breng de gloeilampkap aan en sluit
dan de koplampstekker aan.
5. Vraag indien nodig een Yamaha
dealer de koplamplichtbundel af te
stellen.
4
5
1. Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
3. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze uit te trekken.
4. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
5. Breng de lampfitting aan (samen met
de gloeilamp) door deze rechtsom te
draaien.
6-33
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUT1330
Gloeilamp achterste
richtingaanwijzer
1
Als het lampje van een achterste richtingaanwijzer niet gaat branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer
controleren of vervang de gloeilamp.
DAU24313
Gloeilamp in kentekenverlichting
vervangen
1. Verwijder de lampeenheid voor kentekenverlichting door de schroeven los
te draaien.
2
2
1
3
1. Kentekenverlichtingsunit
2. Gloeilampfitting kentekenverlichting
4
5
6
7
1
1. Schroef
2. Verwijder de gloeilampfitting van de
kentekenverlichting (samen met de
gloeilamp) door deze uit te trekken.
8
9
6-34
3. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze uit te trekken.
4. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
5. Breng de lampfitting aan (samen met
de gloeilamp) door deze vast te drukken.
6. Monteer de lampeenheid voor kentekenverlichting door de schroeven aan
te brengen.
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43233
Parkeerlichtgloeilamp
vervangen
DAU25881
Problemen oplossen
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als
volgt als deze is doorgebrand.
1. Verwijder de parkeerlichtfitting (samen
met de gloeilamp) door deze uit te
trekken.
1
1. Fitting parkeerlichtgloeilamp
2. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze uit te trekken.
3. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
4. Breng de lampfitting aan (samen met
de gloeilamp) door deze vast te drukken.
Yamaha scooters ondergaan een grondige
inspectie voordat ze vanaf de fabriek op
transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in
de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak
zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema’s is een
snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter
wel naar een Yamaha dealer als reparaties
nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs
aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de
scooter correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha
onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure
reparaties nodig zijn.
DWA15141
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het
brandstofsysteem en let erop dat er
6-35
geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van
geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan
eigendommen tot gevolg.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU42501
Storingzoekschema’s
Startproblemen of slechte werking van de motor
1
1. Brandstof
2
Controleer het
brandstofniveau in de
brandstoftank.
3
4
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet.
Controleer de compressie.
2. Compressie
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de
machine te controleren.
Bedien de elektrische
startknop.
5
3. Ontsteking
6
Nat
7
8
9
Schoonvegen met een droge doek. Stel de
elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.
Bedien de elektrische startknop.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
Verwijder de bougies en
controleer de elektroden.
Droog
4. Accu
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de
accukabels en laad de accu indien nodig.
Bedien de elektrische
startknop.
6-36
De motor start niet. Vraag een
Yamaha dealer de machine te
controleren.
✼✧✯✱✦✱✣ ✦✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWAT1040
WAARSCHUWING
● Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen
naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
● Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen
de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.
Er is lekkage.
Vraag een Yamaha dealer het
koelsysteem te controleren en te
repareren.
Er is geen
lekkage.
Vul koelvloeistof bij.
(Zie OPMERKING.)
Het koelvloeistofniveau is
laag. Controleer het
koelsysteem op lekkage.
Wacht tot de
motor is afgekoeld.
Controleer het
koelvloeistofniveau in het
reservoir en in de radiator.
2
3
4
5
Het koelvloeistofniveau is
in orde.
Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem
te controleren en te repareren als de motor opnieuw
oververhit raakt.
6
7
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
8
9
6-37
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26103
Reinigen
De open constructie van een scooter maakt
de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de
machine is hierdoor ook meer kwetsbaar.
Er kan roestvorming en corrosie optreden,
ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een
auto niet zo op, bij een scooter is dit echter
nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen
vereist volgens de garantiebepalingen,
maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de
scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
LET OP
DAU37833
Matkleur, let op
Verzorging
DCA15192
LET OP
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Sommige modellen zijn uitgerust met
matkleurige onderdelen. Raadpleeg een
Yamaha dealer voor advies over wat
voor producten gebruikt moeten worden
om het voertuig te reinigen. Het gebruik
van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het
oppervlak bekrassen of beschadigen.
Ook was moet niet worden aangebracht
op een van de matkleurige onderdelen.
DCA10782
Alvorens te reinigen
1. Dek de uitlaatdemperopening af met
een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
2. Controleer of alle doppen en afdekpluggen en alle elektrische stekkers
en aansluitingen, inclusief de bougiedoppen, stevig zijn bevestigd.
3. Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met
een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen.
Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
7-1
● Vermijd het gebruik van sterke en
bijtende
wielreinigingsmiddelen,
vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt
om hardnekkig vuil los te maken,
laat het reinigingsmiddel dan niet
langer inwerken dan is vermeld in
de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat
direct drogen en breng daarna een
corrosiewerende spray aan.
● Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen,
framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting
enz.)
en
de
uitlaatdempers beschadigd raken.
Gebruik alleen een zachte, schone
doek of een spons met water om
kunststof delen te reinigen. Als de
kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd,
kan een mild reinigingsmiddel met
water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af
met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kun-
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
nen beschadigen.
● Gebruik geen bijtende chemische
reinigingsmiddelen op kunststof
delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn
geweest met bijtende of schurende
reinigingsmiddelen, oplosmiddelen
of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
● Gebruik geen hogedrukreinigers of
stoomreinigers, omdat dan op de
volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan:
afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen),
elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting),
beluchtings- en ontluchtingsslangen.
● Bij scooters met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze
veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen
voor
kunststof
laten
eveneens krasjes achter op de
kuipruit. Test het product op een
klein, niet-zichtbaar gedeelte van de
kuipruit om zeker te zijn dat geen
sporen achterblijven op de kuipruit.
Als de kuipruit krasjes vertoont,
breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op
kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons
en spoel dan grondig met schoon water.
Gebruik een tandenborstel of flessenborstel
voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten
gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een
vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in
de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in
een regenbui, nabij de kust of op bepekelde
wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog
tot in de lente aanwezig blijven.
7-2
1. Reinig de scooter met koud water en
zachte zeep nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm
water, dit versnelt de corrosieve
werking van het zout.[DCA10791]
2. Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en
vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
1. Droog de scooter met een zeemleren
lap of een vochtabsorberende doek.
2. Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het
uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen
worden verwijderd.)
3. Het is aan te bevelen om met een
spuitbus een corrosiewerend middel
aan te brengen op alle metalen delen,
ook op verchroomde en vernikkelde
componenten, om zo corrosie te voorkomen.
4. Gebruik oliespray als universeel
schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
5. Werk kleine lakbeschadigingen door
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
1
steenslag e.d. bij.
6. Zet alle gelakte oppervlakken in de
was.
7. Laat de scooter volledig drogen alvorens te stallen of af te dekken.
DWA10941
WAARSCHUWING
2
3
4
5
6
7
poetsmiddelen, deze tasten de lak
aan.
OPMERKING
● Vraag een Yamaha dealer om advies
over de te gebruiken producten.
● Door wassen, regenachtig weer of een
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
● Controleer of er geen olie of was op
de remmen of banden zit. Reinig de
remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de
banden schoon met lauw water en
een mild reinigingsmiddel.
● Test voor u de scooter in gebruik
neemt eerst de remwerking en het
weggedrag in bochten.
vochtig klimaat kan de koplamplens
beslagen raken. Inschakelen van de
koplamp gedurende een korte periode
zal helpen bij de verwijdering van het
vocht.
DAU36551
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen
stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP
● Als de scooter wordt gestald in een
DCA10800
slecht geventileerde ruimte of in
vochtige toestand wordt afgedekt
met een dekzeil, zal water en vocht
kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
● Voorkom corrosie door de machine
niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een
opslagruimte voor sterke chemicaliën.
een geringe hoeveelheid
oliespray en was aan en verwijder
overtollige hoeveelheden.
● Breng oliespray of was nooit aan op
rubber of kunststof delen, behandel
deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
● Vermijd het gebruik van schurende
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere
maanden aaneen te stallen:
1. Volg alle instructies op in de paragraaf
“Verzorging” in dit hoofdstuk.
2. Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar)
toe om roestvorming in de tank en
LET OP
8
9
● Breng
7-3
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
achteruitgang van de brandstof te
voorkomen.
3. Voer de volgende stappen uit om de
cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de
bougies.
b. Giet een theelepeltje motorolie in
de bougiegaten.
c. Breng de bougiedoppen aan op de
bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de
elektroden aan massa liggen. (Dit
voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
e. Haal de bougiedoppen los van de
bougies en breng dan de bougies
en de bougiedoppen weer aan.
WAARSCHUWING! Verbind de
bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de
motor om schade of letsel door
vonkvorming
te
voorkomen.[DWA10951]
4. Smeer alle bedieningskabels en
scharnierpunten van alle hendels en
pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
5. Controleer de bandspanning en corrigeer deze indien nodig en breng dan
de scooter omhoog zodat beide wielen
los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets
te draaien, zodat de banden niet op
één gedeelte sterker achteruitgaan.
6. Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan
binnendringen.
7. Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en
droge plek op en laad deze eens per
maand bij. Berg de accu niet op een
overmatig koude of warme plek op
[onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90
°F)]. Zie pagina 6-28 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
2
3
4
5
6
OPMERKING
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties
alvorens de scooter te stallen.
7
8
9
7-4
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ SPECIFICATIES
Afmetingen:
1
2
3
4
Totale lengte:
2195 mm (86.4 in)
Totale breedte:
775 mm (30.5 in)
Totale hoogte:
1445 mm (56.9 in)
Zadelhoogte:
800 mm (31.5 in)
Wielbasis:
1580 mm (62.2 in)
Grondspeling:
125 mm (4.92 in)
Kleinste draaicirkel:
2800 mm (110.2 in)
Gewicht:
5
6
7
8
9
Incl. olie en brandstof:
XP500 221 kg (487 lb)
XP500A 225 kg (496 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
2-cilinder, parallel vooroverhellend
Slagvolume:
499 cm3
Boring × slag:
66.0 × 73.0 mm (2.60 × 2.87 in)
Compressieverhouding:
11.00 :1
Startsysteem:
Elektrische startmotor
Smeersysteem:
Dry sump
DAU2633X
Motorolie:
Brandstofinjectie:
Aanbevolen merk:
YAMALUBE
Type:
SAE 10W-30 of 10W-40
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Type API service SG of hoger, JASO MA
norm
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.80 L (2.96 US qt, 2.46 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
2.90 L (3.07 US qt, 2.55 Imp.qt)
Aandrijfkettingolie:
Type:
SAE 80 API GL-4 Hypoïd-olie
Hoeveelheid:
0.70 L (0.74 US qt, 0.62 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.48 L (1.56 US qt, 1.30 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.0 L (0.79 US gal, 0.66 Imp.gal)
8-1
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
4B51 00
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR7E
Elektrodenafstand:
0.7–0.8 mm (0.028–0.031 in)
Koppeling:
Type koppeling:
Nat, automatisch meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel/schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding:
52/32 × 36/22 (2.659)
Secundair reductiesysteem:
Kettingaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
41/25 × 40/29 (2.262)
Type versnellingbak:
Automatisch, V-snaar
Bediening:
Automatisch centrifugaal
Chassis:
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
25.00 graad
Naspoor:
92.0 mm (3.62 in)
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ SPECIFICATIES
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/70R15 M/C 56H
Fabrikant/model:
DUNLOP/GPR-100F
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT011F
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
160/60R15 M/C 67H
Fabrikant/model:
DUNLOP/GPR-100L
Fabrikant/model:
BRIDGESTONE/BT012R
Belading:
Maximale belasting:
XP500 194 kg (428 lb)
XP500A 190 kg (419 lb)
* (Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
Gewichtsverdeling:
XP500 90–194 kg (198–428 lb)
XP500A 90–190 kg (198–419 lb)
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
280 kPa (2.80 kgf/cm2, 41 psi)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
15M/C x MT3.50
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
120.0 mm (4.72 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
116.0 mm (4.57 in)
Elektrische installatie:
Achterwiel:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
15M/C x MT5.00
Voorrem:
2
3
4
5
Accu:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
8-2
Model:
YTZ10S
Voltage, capaciteit:
12 V, 8.6 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 60 W/55 W × 1
Koplamp:
12 V, 55 W × 1
Achterlicht/remlicht unit:
12 V, 5.0 W/21.0 W × 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
6
7
8
9
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ SPECIFICATIES
1
2
3
4
5
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Kentekenverlichting:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje grootlicht:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED x 2
Waarschuwingslampje motorstoring:
LED
ABS-waarschuwingslampje:
XP500A LED
Controlelampje startblokkering:
LED
Zekering ABS-regeleenheid:
XP500A 5.0 A
Zekering ABS-motor:
XP500A 30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
XP500A 20.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
Zekeringen:
6
7
8
9
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 A
8-3
✼✧✯✱✦✱✣ ✤ GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU48610
Identificatienummers
Noteer het voertuigidentificatienummer en
de gegevens op de modelinformatiesticker
in onderstaande ruimtes. Deze gegevens
heeft u nodig om reserveonderdelen bij een
Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw
voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:
DAU26410
Voertuigidentificatienummer
1
DAU26500
Modelinformatiesticker
1
2
3
1. Voertuigidentificatienummer
MODELINFORMATIESTICKER:
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld
voor identificatie van uw machine en kan
worden gebruikt om deze in uw land aan te
melden voor kentekenregistratie.
1. Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is bevestigd aan
de binnenzijde van het achterste opbergcompartiment. (Zie pagina 3-19.) Noteer de
informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om
reserve-onderdelen te bestellen bij een
Yamaha dealer.
4
5
6
7
8
9
9-1
✼✧✯✱✦✱✣ ✥ INDEX
A
Aandachtspunten voor veilig rijden ........... 1-4
ABS (voor modellen met ABS)................ 3-13
ABS-waarschuwingslampje
(voor modellen met ABS) ....................... 3-3
Accu ........................................................ 6-28
Achterlicht/remlichtunit............................ 6-33
Achterremblokkeerhendel ....................... 3-12
Achteruitkijkspiegels ............................... 3-20
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)............ 3-10
H
C
Claxonschakelaar ................................... 3-11
Contactslot/stuurslot ................................. 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ........ 3-3
Controlelampje grootlicht .......................... 3-3
Controlelampjes richtingaanwijzers .......... 3-3
Controlelampje startblokkeersysteem....... 3-4
D
Dimlichtschakelaar.................................. 3-11
G
Gasgreep en gaskabel, controleren en
smeren.................................................. 6-25
Gereedschapsset...................................... 6-1
Gloeilamp kentekenverlichting,
vervangen............................................. 6-34
Gloeilamp richtingaanwijzer (voor),
vervangen............................................. 6-33
Remhendel, achterrem............................ 3-12
Remhendels, smeren .............................. 6-26
Remmen.................................................... 5-3
Remvloeistofniveau, controleren ............. 6-24
Remvloeistof, verversen.......................... 6-25
Richtingaanwijzerschakelaar................... 3-11
Rugsteun rijderzadel, verstellen .............. 3-17
I
Identificatienummers .................................9-1
Inrijperiode.................................................5-4
K
Kabel van achterremblokkeerhendel,
afstellen .................................................6-22
Kettingkastolie .........................................6-15
Klepspeling ..............................................6-19
Koelvloeistof ............................................6-16
Koplampgloeilamp, vervangen ................6-32
B
Banden.................................................... 6-20
Bougies, controleren ............................... 6-11
Brandstof................................................. 3-15
Brandstofniveaumeter............................... 3-4
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig..... 5-3
R
Helmbevestiging ......................................3-18
S
Schakelaar alarmverlichting .................... 3-11
Schokdemperunit .................................... 3-21
Smering en onderhoud, periodiek ............. 6-4
Snelheidsmeter ......................................... 3-4
Sneller en langzamer rijden ...................... 5-2
Specificaties .............................................. 8-1
Stalling ...................................................... 7-3
Startblokkeersysteem................................ 3-1
Starten van de motor................................. 5-1
Startknop ................................................. 3-11
Startspersysteem .................................... 3-22
Stationair toerental .................................. 6-18
Storingzoekschema’s .............................. 6-36
Stuurschakelaars .................................... 3-10
Stuursysteem, controleren ...................... 6-28
L
Lichtsignaalschakelaar ............................3-11
Luchtfilterelement, vervangen .................6-18
M
Matkleur, let op ..........................................7-1
Middenbok en zijstandaard,
controleren en smeren ..........................6-26
Modelinformatiesticker...............................9-1
Motorolie en oliefilterpatroon ...................6-12
Multifunctioneel display .............................3-6
N
Noodstopschakelaar................................3-11
O
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem.........6-3
Opbergcompartimenten...........................3-19
P
Panelen, verwijderen en aanbrengen........6-8
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ...........6-35
Parkeren ....................................................5-4
Plaats van de onderdelen..........................2-1
Problemen oplossen................................6-35
T
Tankdop .................................................. 3-14
Temperatuurmeter koelvloeistof................ 3-5
U
Uitlaatkatalysator..................................... 3-16
V
Veiligheidsinformatie ................................. 1-1
Verzorging ................................................. 7-1
Voertuigidentificatienummer...................... 9-1
✼✧✯✱✦✱✣ ✦ INDEX
Voor- en achterremblokken
controleren ............................................6-23
Voorremhendel ........................................3-12
Voorvork, controleren ..............................6-27
Vrije slag gaskabel, controleren ..............6-19
Vrije slag voor- en achterremhendel........6-22
W
Waarschuwingslampje motorstoring..........3-3
Wegrijden ..................................................5-2
Wielen......................................................6-21
Wiellagers controleren .............................6-28
Z
Zadel........................................................3-17
Zekeringen, vervangen ............................6-30
Zijstandaard .............................................3-21
✼✧✯✱✦✱✣ ✧ ✱❑❏❄❉❄❆❍✥✤ ✥ ✱❑❏❄❉✰❆❍ ✥ YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2009.09