E96 NL Book - Roland Central Europe

Inleiding, Welkom
Inleiding
Welkom
Bedankt voor uw aankoop van het Roland E-96 Intelligent Keyboard. De Roland Intelligent
Synthesizer keyboards hebben na hun introductie al snel de reputatie van best klinkende en
meest muzikale instrumenten in hun soort verworven.
Met de E-96 schrijft Roland nu het vervolg op het succesverhaal van deze keyboard serie. Het
instrument biedt namelijk alles wat u als entertainer of gevorderde amateurmuzikant nodig
hebt op het podium, in de studio of thuis.
Handleidingen
Bij de E-96 worden twee handleidingen geleverd: de Gebruikshandleiding en de Referentiehandboek.
In de Gebruikshandleiding wordt uitgelegd hoe u de E-96 kunt aansluiten, inschakelen, en
gebruiken. We gaan ervan uit dat u deze handleiding eerst leest.
Eens u vertrouwd bent met de basisbediening kunt u uw tanden in de Referentiehandboek zetten, om alles te weten te komen over de parameters en functies van de E-96.
Opmerking: Aan het einde van beide handleidingen vindt u een alfabetische index, waarmee u in een mum van
tijd bepaalde stukjes informatie kunt opzoeken.
Opmerking:
Om verwarring te vermijden gebruiken we het woord “knop” voor alle bedieningstoetsen (uitgezonderd de functietoetsen), en het woord “toets” te reserveren voor de klaviertoetsen van de E-96.
Belangrijkste kenmerken van uw E-96
☛ 64 Music Styles met een hoge resolutie
De E-96 heeft 64 high-definition Music Styles (begeleidingen) aan boord, waarmee u ieder
gewenst muziekgenre aankunt. Iedere Style bevat vier verschillende begeleidingspatronen
(Basic, Advanced, Original, en Variation), twee Intros, twee Endings, en nog een aantal aanvullende patronen. U begrijpt dat de som van dit alles veel meer dan 64 begeleidingsfiguren
oplevert.
☛ 8 User Styles
Het RAM-geheugen van de E-96 biedt een onderkomen aan 8 User Styles. Dit kunnen Styles
zijn die u zelf hebt gemaakt, of Styles die u van bestaande MSA en MSD Style Library diskettes haalt (deze worden zowel door Roland als door andere merken geleverd). Om een
eigen Style te maken kunt u de inhoud van een bestaande Style wijzigen of een volledig nieuwe begeleiding programmeren en op diskette zetten.
☛ 192 Performance geheugens
In de Performance geheugens kunt u alle instellingen die u op het frontpaneel maakt opslaan.
Als 192 geheugens voor u nog niet volstaan, kunt u de inhoud van de Performances op diskette zetten en ze weer laden zodra u ze nodig hebt.
Deze geheugens komen goed van pas als u snel een bestaande Style wilt wijzigen, bijvoorbeeld omdat u geen behoefte of tijd hebt om een volledig nieuwe Style te programmeren. Zo
kunt u gelijk welke begeleidingspartij (bas, drums, akkoordpartijen) door een ander instrument laten spelen en de Style in die vorm in één van de 192 Performance geheugens in RAM
opslaan.
1
E-96 Gebruikshandleiding
☛ Uiterst intelligent
De ‘intelligentie’ van de E-96 zit hem in het feit dat hij zijn begeleiding aanpast aan de
akkoorden die u speelt. Daarmee is hij niet de eerste, maar wel de slimste! In tegenstelling tot
voorgaande modellen volgt hij namelijk probleemloos gesyncopeerd gespeelde akkoorden. U
kunt dus rustig op iedere achtste noot van een maat een ander akkoord spelen, de begeleiding
gaat onverstoorbaar mee.
Bovendien kunt u akkoorden met een vereenvoudigde vingerzetting spelen (Chord Intelligence). Zo hoeft u, om majeur akkoorden te spelen, enkel de grondnoten in te drukken, en hebt
u zelfs voor de meest complexe akkoorden nooit meer dan twee of drie vingers nodig.
☛ Verfijnde akkoordherkenning
De E-96 kan stoelen op één van de meest verfijnde akkoordherkenningssystemen ooit. U
hoeft dan ook niet vies te zijn van 9/13 of ‘+’ akkoorden, de E-96 laat u namelijk niet in de
steek.
☛ Drie stuurmodes
U kunt de Music Styles van uw E-96 op drie manieren aansturen: Standard, Intelligent of Piano Style. In de Standard mode werkt de akkoordherkenning zoals u normaal van een Intelligent Synthesizer zou verwachten.
In de Intelligent mode kunt u akkoorden (zelfs de meest complexe) met een vereenvoudigde
vingerzetting spelen.
De Piano Mode, tenslotte, is vooral bedoeld voor mensen met een “pianistische” achtergrond.
☛ Dynamic Arranger
In de Dynamic Arranger mode stuurt u het volume van een aantal begeleidingspartijen met
de aanslaggevoeligheid van het klavier. Als u deze mogelijkheid aanvult met een paar slimme
programmeertrucs kunt u begeleidingspartijen in- en uitschakelen door gewoonweg de kracht
waarmee u de toetsen aanslaat te variëren (het gaat hierbij om een soort Velocity Switch die
op de begeleidingspartijen in plaats van op de soloklanken werkt).
☛ Music Styles met een hoge resolutie
Alle Music Styles werden geprogrammeerd met een resolutie van 120CPT/q, en bevatten heel
wat modulatie- en Pitch Bend commando’s die de indruk versterken dat er ‘echte’ muzikanten aan het werk zijn.
☛ 241 uitstekende klanken
De E-96 bevat 241 klanken waarvan het merendeel rechtstreeks afstamt van Roland's professionele synthesizers en samplers. Welke Style u ook kiest, u bent nooit gebonden aan één
bepaalde klank.
☛ Klanken editen
Zoals het een Roland instrument betaamt, biedt de E-96 u de mogelijkheid om klanken (of
Tones, zoals we ze noemen) naar uw eigen smaak aan te passen door de beschikbare Part
parameters te editen. Deze wijzigingen kunt u samen met de instellingen van de Arranger enz.
opslaan in één van de 192 Performance geheugens.
☛ Digitale Reverb en Chorus
Zoals elk keyboard biedt de E-96 een digitale Chorus en Reverb (galm). Hierdoor wordt het
geluid nog overtuigender.
☛ Drie split-zones plus een Arranger zone
U kunt het klavier in drie Realtime zones verdelen, en los daarvan nog een zone voor de begeleiding (Arranger) vastleggen. Bovendien kunt u de Upper 1/2 en Lower/M. Bass klanken stapelen (Layer) gebruiken.
☛ Vijf “Realtime” Parts
Zelfs wanneer u de Arranger gebruikt, houdt u nog steeds twee solo Parts (Upper 1 en
Upper2), een Part in de linkerhand (die noemen we Lower), en een Manual Bass (M. Bass)
2
Inleiding, De E-96 uitpakken
Part over. De vijfde Realtime Part (Manual Drums) biedt onder iedere toets van het klavier
een ander slagwerkinstrument.
De Upper 2 Part kunt u gebruiken in Layer, Split of Melody Intelligence mode, waarbij deze
laatste niets meer is dan moeilijke naam voor de tweede stem die de Arranger toevoegt aan
de melodie. Dit gebeurt automatisch en in functie van de akkoorden die u speelt.
☛ Intuïtieve bediening
Het grote 240 x 64 pixel display vertelt u alles over de status van de E-96 in verschillende
situaties. De functie van de vijf knoppen onder het display hangt namelijk af van de pagina
waarop u zich bevindt. Met deze toetsen kunt u soms het Volume, panorama en het Chorus/
Reverb niveau instellen, Tones en Styles kiezen, of parameterwaarden veranderen. Een aantal
van deze functies kunt u ook met knoppen op het frontpaneel van de E-96 bedienen.
☛ Multitasking
De E-96 kan verschillende taken tegelijk afhandelen, zodat u hem bijvoorbeeld een diskette
kunt laten formateren of volschrijven terwijl u speelt of klanken edit.
☛ Akkoordsequencer
Met de akkoordsequencer kunt u de akkoordveranderingen voor een hele song opslaan voordat u de eigenlijke song opneemt. Hierdoor houdt u tijdens het spelen uw linkerhand vrij om
Pitch Bend en modulatie te controleren. Bovendien onthoudt de akkoordsequencer niet enkel
de akkoorden maar ook alle andere handelingen zoals het kiezen van andere Styles of overgangen.
☛ MIDI File Player/Recorder
De akkoordsequencer en de MIDI File Player/Recorder bieden voldoende mogelijkheden om
professioneel klinkende opnames te maken. Alles wat de begeleiding speelt, kunt u met de
Recorder opnemen en als een Standard MIDI File weergeven op gelijk welke SMF compatibele sequencer. Zo kunt u zelfs een gewone GM/GS compatibele klankbron aansturen en toch
nog gebruik kunnen maken van de professionele begeleidingen van de E-96.
☛ Ingebouwde versterker, 2 x 7,5W luidsprekers en 1 x 15W sub-woofer
De E-96 is een op zich staand, compleet, instrument, wat dus betekent dat u hem niet op een
versterker hoeft aan te sluiten. Als dat echter nodig is, kunt u de OUTPUT Left/Right aansluitingen met een externe versterker verbinden. Dankzij deze uitgangen kunt u uw muziek
bovendien op een cassette of een DAT opnemen.
De E-96 uitpakken
Bij uw E-96 worden de volgende items geleverd. Controleer de inhoud van de doos en meldt
eventuele problemen bij de Roland dealer waarvan u de E-96 kocht.
• Deze Gebruikshandleidingen een Referentiehandboek.
• De Music Style en demo diskette.
• Een metalen notenstandaard.
• Stroomkabel
Nuttige opties
☛ FC-7 Foot Controller
Met de FC-7 Foot Controller kunt u verschillende patronen van een Style (Fill In To Original/
To Variation, Start/Stop, enz.) met de voet bedienen. Sluit hem aan op de FC-7 connector op
het achterpaneel van de E-96.
Opmerking: U kunt de FC-7 niet als een MIDI pedalenbord gebruiken. De FC-7 stuurt namelijk pulsen uit in
plaats van MIDI-commando’s. Sluit hem dus nooit aan op de MIDI IN van uw E-96 of van een ander instrument.
3
E-96 Gebruikshandleiding
☛ EV-5 of FV-300H zwelpedaal
Het (los verkrijgbare) EV-5 of FV-300H zwelpedaal kunt u voor verschillende dingen gebruiken, zoals het aansturen van het master volume.
☛ DP-2, DP-6, of FS-5U voetschakelaar
U zult waarschijnlijk twee DP-2 (DP-6 of Boss FS-5U) voetschakelaars willen gebruiken.
Eén daarvan sluit u aan op de SUSTAIN FOOTSWITCH connector, die werkt als Hold pedaal.
De tweede DP-2 (DP-6 of Boss FS-5U) kunt u aan verschillende functies toewijzen. De toewijzing van de FOOT SWITCH kunt u bovendien samen met alle andere instellingen in een
Performance geheugen opslaan.
☛ MSA en MSD serie Style Diskettes
De Music Style diskettes van de MSA en MSD serie bevatten nieuwe Styles die u in de 8 User
Style geheugens van de E-96 kunt laden.
Copyright ® 1995 ROLAND CORPORATION. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag, onder welke vorm dan ook, worden gereproduceerd zonder de schriftelijke toestemming van Roland Corporation.
4
Belangrijke opmerkingen, Nuttige opties
Belangrijke opmerkingen
Voeding
•
•
•
•
•
Schakel de E-96 en de overige instrumenten altijd uit voordat u ze op elkaar aansluit.
Sluit het netsnoerde van de E-96 nooit aan op een stopcontact waar andere apparaten, die brom of
ruis veroorzaken (b.v. dimmers, motoren enz.) of veel vermogen trekken, op zijn aangesloten.
Let, bij het aansluiten van het netsnoer op het lichtnet, op het voltage.
Als u de E-96 lange tijd niet wenst te gebruiken, verbreekt u best de aansluiting op het lichtnet of verwijdert u de batterijen.
Het zou kunnen gebeuren dat de E-96 niet naar behoren werkt wanneer u hem onmiddellijk na uitschakelen weer inschakelt. Wacht dus telkens een paar seconden voordat u hem weer inschakelt.
Plaatsing
•
•
•
Om problemen te vermijden, dient u de E-96 te beschermen tegen direct zonlicht, hitte, vochtigheid
en stof.
Plaats de E-96 niet te dicht in de buurt van een neonlicht, een fluorescerende lamp, een TV-toestel of
ander, gelijkaardig materiaal dat enerzijds ruis door interferentie, en anderzijds allerlei fouten kan veroorzaken.
Stel de E-96 niet bloot aan overmatige trillingen terwijl de disk drive werkt.
Onderhoud
•
•
Gebruik, voor het reinigen van het instrument, enkel een zachte, droge of lichtjes bevochtigde doek.
Om hardnekkig vuil te verwijderen, gebruikt u een neutraal reinigingsmiddel. Wrijf de E-96 daarna
droog met een zachte doek.
Gebruik nooit oplosmiddelen zoals bv. verfverdunners want deze kunnen de behuizing beschadigen.
Geheugenbatterij
•
•
Dit instrument is uitgerust met een batterij die ervoor zorgt dat de opgeslagen data ook na uitschakelen niet gewist worden. De levensduur van deze batterij bedraagt ongeveer 5 jaar. Het zou iets langer
kunnen zijn, maar het verdient aanbeveling de batterij om de 5 jaar te laten vervangen.
Probeer nooit zelf de geheugenbatterij te vervangen. Laat dit werk over aan de Roland hersteldienst.
Denk eraan dat de data in het interne geheugen kunnen worden gewist. Dat is met name het geval
als het geheugen of een daarmee samenhangend onderdeel wordt hersteld of niet meer werkt.
Andere voorzorgsmaatregelen
•
•
•
Behandel de E-96 zachtjes.
Laat geen voorwerpen (muntstukken, metalen draad enz.) of vloeistoffen (water, alcohol, sap enz.) in
het inwendige terechtkomen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde Roland hersteldienst voordat u de E-96 in het buitenland
gebruikt.
5
E-96 Gebruikshandleiding
Inhoud
Inleiding .......................................................................................................................................... 1
Belangrijke opmerkingen ........................................................................................................... 5
Inhoud ............................................................................................................................................. 6
Hoofdstuk 1. Aan de slag ........................................................................................................ 10
1.1 Aansluitingen ................................................................................................................. 10
1.2 Demosongs ..................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 2. Voorzieningen op de panelen ....................................................................... 12
2.1 Frontpaneel .................................................................................................................... 12
2.2 Achterpaneel .................................................................................................................. 15
Hoofdstuk 3. Bediening ........................................................................................................... 17
3.1
3.2
3.3
3.4
[F5] Exit ......................................................................................................................... 17
Master pagina ................................................................................................................. 17
Navigeren doorheen de display-pagina’s ....................................................................... 19
Realtime display ............................................................................................................ 22
Hoofdstuk 4. Realtime Parts .................................................................................................. 23
4.1 Wat zijn Parts? ............................................................................................................... 23
4.2 Realtime Parts kiezen ..................................................................................................... 23
Upper2 kiezen en stapelen ............................................................................................. 24
Lower en M.Bass Parts kiezen ....................................................................................... 24
Split en splitpunt ............................................................................................................ 25
Manual Drums Part kiezen ............................................................................................ 27
4.3 Tones voor de Realtime Parts kiezen ............................................................................. 28
Tones kiezen met de TONE knoppen ............................................................................ 28
Tones kiezen met de draaiknoppen ................................................................................ 30
4.4 Drum Sets voor de M.Drums Part kiezen ...................................................................... 31
4.5 Wie kiest de Tones? – Tone Change ............................................................................. 31
4.6 Algemene opmerkingen ................................................................................................. 32
4.7 Speelhulpen .................................................................................................................... 32
Pitch Bend en modulatie ................................................................................................ 32
Transpose en Octave Up/Down ..................................................................................... 33
Sustain pedaal (Hold) ..................................................................................................... 34
Toewijsbare voetschakelaar (Footswitch) ...................................................................... 35
Zwelpedaal ..................................................................................................................... 35
Master Tune ................................................................................................................... 35
Hoofdstuk 5. Spelen met begeleiding – Arranger ............................................................ 36
5.1 Arranger en Music Styles .............................................................................................. 36
Arranger Parts ................................................................................................................ 37
5.2 Het akkoordherkenningsgebied kiezen .......................................................................... 38
5.3 De Arranger Chord mode kiezen ................................................................................... 39
5.4 Inversion en Hold ........................................................................................................... 40
5.5 Music Style functies ....................................................................................................... 40
Music Style starten ......................................................................................................... 40
Music Style stoppen ....................................................................................................... 41
Andere Style divisie kiezen ........................................................................................... 41
Drumbegeleiding tijdens het spelen veranderen ............................................................ 44
Andere nuttige Style weergavefuncties ......................................................................... 45
5.6 Music Styles kiezen ....................................................................................................... 47
Externe (User) Styles gebruiken .................................................................................... 48
6
Inhoud
5.7 Style Tempo ....................................................................................................................50
Tempo wiel en indicators ...............................................................................................50
Tap Tempo ......................................................................................................................50
Auto Tempo en Tempo Lock .........................................................................................51
Tempo Rit en Tempo Acc ..............................................................................................51
5.8 Music Styles wijzigen .....................................................................................................52
Andere Tones aan de Arranger Parts toewijzen .............................................................52
Tone Change ...................................................................................................................52
5.9 User Style Sets gebruiken ...............................................................................................53
Uw eigen Style Sets samenstellen en bewaren ...............................................................53
User Style Sets laden ......................................................................................................55
Hoofdstuk 6. Instellingen opslaan en laden – Performance Memories .....................56
6.1 Instellingen opslaan in een Performance Memory .........................................................56
Geheugenbeveiliging (Memory Protect) ........................................................................57
Performance naam ..........................................................................................................57
Registraties in een Performance Memory opslaan .........................................................58
6.2 Een Performance Memory kiezen ..................................................................................59
00 FreePanl kiezen .........................................................................................................59
Resume ...........................................................................................................................59
Performance Memory (Group, Bank, Nummer) kiezen .................................................60
Een Performance Memory kiezen met de √ ® knoppen ..............................................61
Selectief laden van Performance data (Performance Memory Hold) .............................61
Hoofdstuk 7. Chord Sequencer ..............................................................................................63
7.1 De begeleiding van een volledige Song opnemen ..........................................................63
7.2 Twee Chord Sequencer modes .......................................................................................63
Style Change ...................................................................................................................64
7.3 Chord Sequence tijdens het spelen opnemen .................................................................65
7.4 Chord Sequence weergeven ...........................................................................................65
Hoofdstuk 8. Recorder (GM/GS mode) ................................................................................66
8.1 Een Song opnemen .........................................................................................................66
Een diskette formateren ..................................................................................................66
8.2 Vóór de opname .............................................................................................................67
8.3 Attentie, opname... ..........................................................................................................67
8.4 Song weergave ................................................................................................................68
8.5 Nuttige weergavefuncties voor de Recorder ..................................................................70
Tekstfunctie (Lyrics) ......................................................................................................70
Aftel (Count-In) en metronoom ......................................................................................70
Voorspoelen, terugspoelen, en Reset ..............................................................................70
Markers en weergavelussen (loops) ...............................................................................71
8.6 Spelen met een Standard MIDI File begeleiding (Minus One) ......................................72
Tempo van de Song veranderen .....................................................................................72
Partijen op diskette soleren en uitschakelen (Solo en Mute) ..........................................73
Song volume-instellingen veranderen ............................................................................74
Verbinding tussen Song en Realtime Parts (Link) .........................................................75
Hoofdstuk 9. Snel editen ..........................................................................................................76
9.1 Part Balans (Volume) .....................................................................................................76
Gegroepeerde en “lijn” Faders .......................................................................................76
Mixer mode: het volume van Parts van een lijn (bus) veranderen .................................78
Parts uitschakelen (Mute) ...............................................................................................78
Panpot (stereopositie) .....................................................................................................79
9.2 Effecten ...........................................................................................................................79
Een Part van Reverb of Chorus voorzien .......................................................................80
Effectinstellingen ............................................................................................................80
7
E-96 Gebruikshandleiding
9.3 Source: uw instellingen of die van de Arranger/Song? ................................................. 81
Hoofdstuk 10. Parts editen ..................................................................................................... 84
10.1 Part parameters editen .................................................................................................... 84
Modulatie (Vibrato) ....................................................................................................... 85
Klankkleur (Filter) ......................................................................................................... 85
Envelope ........................................................................................................................ 86
10.2 Nog een Source schakelaar: Tone Edit .......................................................................... 87
10.3 Upper2 instellingen ........................................................................................................ 88
Upper2 stemmen: Coarse en Fine .................................................................................. 88
Intelligente tweede stem door Upper2 ........................................................................... 89
Hoofdstuk 11. Geavanceerde functies ................................................................................ 90
11.1 Instellingen die verband houden met de Arranger ......................................................... 90
Fill Rit waarde ............................................................................................................... 90
Rit/Acc waarde: Tempo Change .................................................................................... 90
Majeur, mineur of septiem begeleiding? – Chord Family Assign, Alteratn .................. 91
Muzikale Style weergave: Wrap .................................................................................... 92
Dynamic Arranger: aanslaggevoeligheid van de Arranger Parts ................................... 92
Voetschakelaar ............................................................................................................... 93
11.2 Instellingen die verband houden met de Realtime Parts ................................................ 94
Aanslaggevoeligheid en Velocity Switching ................................................................. 94
Roll resolutie voor de M.Drums Part ............................................................................. 95
Monofoon/polyfoon, met of zonder Portamento (Upper1 en Upper2) .......................... 95
Pitch Bend bereik (Range) ............................................................................................. 96
Zwelpedaal: overgangen of volume ............................................................................... 97
Andere stemmingen: Keyboard Scale ............................................................................ 97
11.3 Source schakelaars ......................................................................................................... 98
11.4 Metronoom ..................................................................................................................... 99
11.5 Song Sets ........................................................................................................................ 99
Song Set samenstellen ................................................................................................... 99
Song Set weergeven ..................................................................................................... 100
Hoofdstuk 12. User Styles programmeren ....................................................................... 101
12.1 Concept ........................................................................................................................ 101
Patronen ....................................................................................................................... 101
Sporen .......................................................................................................................... 101
Loop en One-Shot divisies ........................................................................................... 102
12.2 Nieuwe User Styles opnemen ...................................................................................... 104
User Style mode kiezen ............................................................................................... 104
Spoor, Part en divisie kiezen ........................................................................................ 105
Record mode ................................................................................................................ 106
Toonaard (Key) specifiëren ......................................................................................... 106
Quantiseren .................................................................................................................. 107
Tone keuze ................................................................................................................... 108
Maatsoort (Time Signature) ......................................................................................... 108
Length: de lengte van het patroon specifiëren ............................................................. 109
Tempo .......................................................................................................................... 110
Opname ........................................................................................................................ 111
Weergeven en daarna bewaren of overdoen? .............................................................. 111
Uw Style op diskette bewaren ..................................................................................... 112
Andere Parts en divisies programmeren ...................................................................... 113
Parts uitschakelen terwijl u andere opneemt (Status) .................................................. 113
Opmerkingen ............................................................................................................... 113
12.3 Bestaande Styles kopiëren ........................................................................................... 115
Style divisies kopiëren met Load (alle sporen, verschillende divisies) ....................... 115
Individuele User Style sporen kopiëren ....................................................................... 116
8
Inhoud
12.4 User Styles editen .........................................................................................................119
Editen tijdens het opnemen ..........................................................................................119
12.5 User Styles via MIDI programmeren ...........................................................................123
Welke data kunt u opnemen? .......................................................................................123
Aansluiten en synchroniseren .......................................................................................124
Sequence voorbereiden .................................................................................................124
Voorbereiding op de E-96 ............................................................................................124
Opname van MIDI-data ................................................................................................125
Opnemen met externe stuurbronnen .............................................................................125
12.6 User Styles editen (2) ...................................................................................................126
User Style Edit mode ....................................................................................................126
Editen in de Micro mode ..............................................................................................129
12.7 Voorbeeld: in Step time opnemen ................................................................................131
12.8 User Style uit een User Style geheugen wissen ............................................................133
Hoofdstuk 13. MIDI ..................................................................................................................135
13.1 MIDI in het algemeen ...................................................................................................135
Wat er nodig is om MIDI data te zenden en te ontvangen ...........................................135
MIDI op uw E-96 .........................................................................................................136
13.2 MIDI-aansluitingen ......................................................................................................137
MIDI-data ontvangen van externe instrumenten ..........................................................137
MIDI data naar externe instrumenten of computers zenden .........................................138
13.3 MIDI-data ontvangen ...................................................................................................138
Ontvangstkanalen (RX) ................................................................................................138
13.4 Zendkanalen (TX) en zendschakelaars .........................................................................140
13.5 Andere MIDI-instellingen ............................................................................................141
MIDI ontvangst/transmissie uitschakelen ....................................................................141
MIDI ontvangst-/zendfilters .........................................................................................141
Local functie .................................................................................................................144
13.6 Nog meer MIDI-instellingen ........................................................................................145
Rx Velo, TX Velo .........................................................................................................145
Soft Thru (voor digitale piano’s) ..................................................................................145
13.7 MIDI-synchronisatie .....................................................................................................146
13.8 MIDI Sets .....................................................................................................................146
Een MIDI Set opslaan ..................................................................................................146
MIDI Set kiezen ...........................................................................................................147
MIDI Sets naar diskette wegschrijven ..........................................................................147
MIDI Set van diskette laden .........................................................................................148
Hoofdstuk 14. Huiswerk .........................................................................................................149
14.1
14.2
14.3
14.4
14.5
Algemene opmerkingen ................................................................................................149
Disk Copy (veiligheidskopies) .....................................................................................149
Bestanden op diskette een nieuwe naam geven ............................................................151
Bestanden op diskette wissen .......................................................................................152
E-96 initialiseren (fabrieksinstellingen laden) ..............................................................152
Hoofdstuk 15. Overzicht van de Tones ..............................................................................154
Hoofdstuk 16. Index ................................................................................................................155
9
E-96 Gebruikshandleiding
1.
Aan de slag
1.1 Aansluitingen
Sluit uw E-96 als volgt op andere componenten aan:
Links
LINE IN
Rechts
HiFi-keten
Actieve luidsprekers
of mengpaneel
UITGANGEN
INGANGEN
Synthesizer, module, enz.
E-96
1.2 Demosongs
Op de diskette die u bij de E-96 krijgt geleverd staan 4 demonstratiesongs, die u een indruk
geven van de veelzijdigheid van het instrument. Deze demonsongs kunt u op de volgende
manier beluisteren:
(1) Druk tegelijk op [CANCEL] √ ® om het FreePanl Performance geheugen te kiezen.
(Hiermee zorgt u dat de Songs zullen klinken zoals de bedoeling was.)
(2) Steek de demo diskette in de disk drive.
(3) Wacht enkele seconden tot de E-96 de data op de diskette heeft gevonden.
In eerste instantie maakt het display op geen enkele manier melding van het feit dat u de demo
diskette in hebt gestoken.
(4) Zet de [VOLUME] regelaar in de minimumstand.
10
Aan de slag, Demosongs
(5) Wilt u alle demosongs beluisteren, druk dan op de [PLAY ®] knop in het RECORDER
gedeelte.
(6) Stel met de [VOLUME] regelaar een aangenaam luistervolume in.
In de *All Song* mode geeft E-96 alle demosongs na elkaar weer. Let wel: de weergave
stopt niet automatisch. Hiervoor moet u op de [STOP ■] knop drukken. Maar laten we eerst
eens luisteren naar wat de E-96 zoal kan doen.
Alle demosongs © 1995 Roland Europe in samenwerking met Luigi Bruti en Roberto
Lanciotti. Alle rechten voorbehouden.
Als u liever één bepaalde demosong beluistert, zie dan “Een bepaalde Song op diskette weergeven” op blz. 69. De naam van de gekozen Song verschijnt op de onderste regel van het display (“1st Demosong”).
Zodra u de weergave start of met Song Select [NEXT®] een andere Song kiest, activeert u
de E-96 de GM/GS mode en beeldt het display het tempo en de maatsoort van de Song af.
Tempo van de Song
Nummer van de demosong
Maatsoort
Naam van de demosong
(7) Om de weergave van de demosongs te stoppen drukt u op [STOP ■].
Wacht echter nog even met op [STOP ■] te drukken. Laat de weergave van de demo’s nog
even lopen tot we in het volgende hoofdstuk zitten.
Opmerking: De demosongs zijn gebaseerd op de Preset Music Styles en Tones van uw E-96 maar werden in het
Standard MIDI File formaat opgenomen. Hebt u dus nog andere GM/GS compatibele Standard MIDI Files liggen,
dan kunt u deze zonder meer weergeven door gewoon weer bij stap (2) te beginnen.
11
E-96 Gebruikshandleiding
2.
Voorzieningen op de panelen
2.1 Frontpaneel
1
2
3
LEFT
10
STANDARD
INVERSION
PIANO STYLE
HOLD
INTELLIGENT
LEFT
M DRUMS
M BASS
ROLL
RIGHT
RIGHT
LOWER
WHOLE L SPLIT
HOLD
ASSIGN
0
ROCK & POP
EASY LISTEN
50's & 60's
2
3
1
1
2
3
WHOLE R
UPPER 1
UP2 SPLIT
ASSIGN
MUSIC ST YLE
BANK
UPPER 2
SWING
/ MIDI SET
LATIN 1
4
LATIN 2
5
STANDARD
6
7
WORLD
USER
8
4
MIDI SET
4
DRUM VARIATION
(1) VOLUME regelaar
Met deze regelaar bepaalt u het totaalvolume van uw E-96, dit is het volume van de signalen
die door de luidsprekers, de STEREO OUT R, L/MONO jacks en de PHONES jack worden
weergegeven.
(2) ARRANGER CHORD sectie
Met deze knoppen kiest u akkoordherkenningsfuncties en Arranger modes. Zie “De Arranger
Chord mode kiezen” op blz. 39.
(3) KEYBOARD MODE sectie
Met de knoppen in deze sectie kiest u de Realtime Parts die u wilt spelen. Zie “Realtime Parts
kiezen” op blz. 23.
(4) MUSIC STYLE/MIDI sectie
Met de knoppen van de Music Style sectie kiest u Music Styles (automatische begeleidingen
(zie “Music Styles kiezen” op blz. 47). Als de indicator van de [USER] knop oplicht, kunt u
met de acht cijferknoppen User Styles kiezen (zie blz. 48). Als de indicator van de [MIDI
SET] knop oplicht, kunt u met de acht cijferknoppen een MIDI Set kiezen (zie “MIDI Sets”
op blz. 146).
5
F1
F2
PAGE
F3
F4
F5
VOLUME
TONE
SHIFT
DRUMS
PART
M DRUMS
12
ACCOMP
GROUP
BASS
BANK
LOWER
NUMBER
UPPER
VARIATION
M BASS
LOWER
UPPER 2
UPPER 1
WRITE
Voorzieningen op de panelen, Frontpaneel
(5) DISPLAY en navigatiesectie
In het 240 x 64 pixel display krijgt u op ieder moment alle nodige informatie te zien. Met de
functieknoppen rechts van het display kunt u één van de vijf afgebeelde Menu opties kiezen.
De functie van de knoppen verschijnt op de onderste regel van het display.
Met de Part Select knoppen ([M.DRUMS], [M.BASS], [LOWER], [UPPER2]en [UPPER1]
onder het display) kiest u de Realtime Part waaraan u een Tone wilt toewijzen. In bepaalde
gevallen dienen deze knoppen ook om display-functies uit voeren.
6
CHORD
SEQUENCER
MARKER
PLAY
STOP
RECORDER
8
METRONOME
COUNT IN
A
C
B
SONG SELECT
PREVIOUS NEXT
TEMPO
AUTO
LOCK
RIT
ACC
RESET
REC
7
ONE TOUCH
STOP
REC
PLAY
REPE AT B
REW
FF
C
DEMO
TONE
BANK
A
B
PIANO
REED
CHROM PERC
PIPE
ORGAN
GUITAR
SYN LEAD
SYN PAD
2
3
4
1
BASS
SYN SFX
5
ORCHESTRA
ENSEMBLE
BRASS
ETHNIC
PERCUSSIVE
SFX
7
8
6
VARIATION
A
B
9
GROUP
(6) TEMPO sectie
Draai aan het TEMPO wiel om het weergavetempo van de Arranger of Recorder in te stellen.
Met de [AUTO] en [LOCK] knoppen kunt u het voorgeprogrammeerde tempo uitschakelen
(zie “Auto Tempo en Tempo Lock” op blz. 51). De [RIT] knop dient om het weergavetempo
van de Arranger geleidelijk te vertragen, terwijl u met de [ACC] knop dit tempo geleidelijk
kunt versnellen (zie “Tempo Rit en Tempo Acc” op blz. 51).
(7) CHORD SEQUENCER sectie
Met deze knoppen bedient u de ingebouwde Chord Sequencer, waarmee u volledige begeleidingen, inclusief akkoordenschema’s, kunt opnemen. Zie “Chord Sequencer” op blz. 63.
(8) RECORDER sectie
Met de knoppen uit deze sectie bedient u de ingebouwde Recorder/Standard MIDI File
Player. Zie “Recorder (GM/GS mode)” op blz. 66.
(9) TONE sectie
Met de knoppen in deze sectie kiest u Tones (klanken) voor de Realtime Part die u met de
Part Select knoppen onder het display hebt geselecteerd (zie blz. 28). Het handige aan de
knoppen uit de TONE sectie is dat ze steeds actief blijven, zodat u op bijna elke display-pagina Tones kunt kiezen.
0
GM / GS MODE
B
TAP TEMPO
MELODY INTELL
D
C
TRANSPOSE
PERFORMANCE MEMORY HOLD
OCTAVE
DOWN
UP
STYLE
TONES KBD MODE
A
(10) [GM/GS MODE] knop
Met deze knop schakelt u de GM/GS mode van de E-96 in en uit. Als u een Recorder Song
weergeeft, wordt de GM/GS mode automatisch geselecteerd. Zolang u in de GM/GS mode
bent, kunt u de Arranger niet gebruiken.
13
E-96 Gebruikshandleiding
(11) PERFORMANCE MEMORY HOLD sectie
Met deze knoppen bepaalt u welke data er worden geladen als u een Performance Memory
selecteert. Zie “Selectief laden van Performance data (Performance Memory Hold)” op
blz. 61.
(12) [TRANSPOSE], OCTAVE [UP]/[DOWN] knoppen
Gebruik deze knoppen als u met dezelfde vingerzetting in een andere toonaard of in een ander
octaaf wilt spelen (zie blz. 33).
(13) [MELODY INTELLIGENCE] knop
Druk op deze knop (indicator licht op) als u uw solo’s of melodieën automatisch van een
tweede en derde stem wilt laten voorzien.
(14) TAP TEMPO knop
Met de [TAP TEMPO] knop kunt u op muzikale manier het weergavetempo van de Arranger
of Recorder instellen: u drukt gewoon een aantal keer in het gewenste tempo op de knop.
B
E
PERFORMANCE MEMORY
GROUP
A
C
BANK
1
2
3
4
5
6
7
8
CANCEL
BASIC
BREAK MUTE
ADVANCED
ORIGINAL
VARIATION
START/STOP
INTRO
ENDING
RESET
(15) PERFORMANCE MEMORY sectie
Met deze knoppen kiest u één van de 192 Performance Memories. Zie “Instellingen opslaan
en laden – Performance Memories” op blz. 56. Zo’n Performance Memory bevat alle instellingen die u kunt maken met de knoppen op het frontpaneel (Keyboard Mode, Arranger
instelling, Style selectie, tempo enz.) en in de Volume, Mixer en Parameter modes. MIDIinstellingen kunt u opslaan in MIDI Sets.
F
DYNAMIC ARRANGER
FADE
IN
BASIC
SYNCHRO
OUT
ADVANCED
START
ORIGINAL
STOP
VARIATION
FILL IN
TO VARIATION TO ORIGINAL
INTRO
HALF BAR
START/STOP
RIT
ENDING
BREAK MUTE
RESET
(16) Bedieningsknoppen van de Arranger
Met deze knoppen kiest u de individuele patronen van een Music Style (Internisten, Fill-Ins
enz.). Zie “Music Style functies” op blz. 40. Omdat u deze keuzes tijdens het spelen kunt
maken hebben we deze knoppen een makkelijk bereikbare plaats net boven het klavier toebedeeld.
14
Voorzieningen op de panelen, Achterpaneel
(17) BENDER/MODULATION hendel
Met deze hendel kunt u de toonhoogte van
de noten die u speelt ‘buigen’, of deze noten
van vibrato voorzien. Zie “Pitch Bend en
modulatie” op blz. 32.
(18) Disk drive
De disk drive gebruikt u om Recorder
Songs op te nemen er weer te geven en om
User Styles, Performance Memories, MIDI
Sets en Chord Sequences. Gebruik 2DD of
2HD diskettes.
G
H
(19) PHONES jack
Op deze jack kunt u een stereo hoofdtelefoon aansluiten. U krijgt dan hetzelfde signaal te
horen als over de STEREO OUT R, L/MONO jacks. Het signaal van de luidsprekers wordt
uitgeschakeld wanneer u een hoofdtelefoon aansluit.
2.2 Achterpaneel
J
K
L
M
CAUTION
RISK OF ELECTRIC SHOCK
DO NOT OPEN
ATTENTION
POWER
AC
RISQUE DE CHOC ELECTRIQUE NE PAS OUVRIR
R
L (MONO)
STEREO IN
R
L (MONO)
STEREO OUT
(20) POWER schakelaar
Hiermee schakelt u de E-96 in en uit.
Opmerking: Als u de E-96 uitschakelt, valt ook de voeding voor de User Style geheugens weg, zodat ze worden
gewist. Dit is ook het geval voor alle instellingen die u op het frontpaneel hebt gemaakt en nog niet in een Performance geheugen of een MIDI Set hebt weggeschreven.
(21) AC connector
Hierop sluit u de bijgeleverde stroomkabel aan.
(22) STEREO IN R, L/MONO jacks
Verbind deze aansluitingen met externe klankbronnen (bv. een toongenerator, een cassetterecorder enz.). Het signaal van die klankbron wordt dan eveneens via de luidsprekers van de
E-96 versterkt.
(23) STEREO OUT R, L/MONO jacks
Verbind deze jacks met de ingangen van uw stereo-installatie of mixer. Wilt u uw E-96 in
mono gebruiken, sluit dan enkel de L/MONO jack aan.
15
E-96 Gebruikshandleiding
N
O
P
Q
R
LCD
CONTRAST
SUSTAIN
FOOTSWITCH
FOOT
SWITCH
EXPRESSION
PEDAL
FC-7
S
THRU
OUT
IN
MIDI
(24) FC-7 PEDAL connector
Hierop kunt u een (los verkrijgbare) FC-7 voetschakelaar aansluiten, waarmee u tussen verschillende onderdelen (patronen) van een Style heen en weer kunt schakelen.
(25) LCD CONTRAST
Regel met deze knop het contrast bij wanneer het display moeilijk leesbaar is. Door naar
rechts te draaien maakt u de tekens donkerder, door naar links te draaien maakt u ze lichter.
(26) SUSTAIN FOOTSWITCH connector
Op deze connector kunt u een (los verkrijgbare) DP-2, DP-6 of Boss FS-5U voetschakelaar
aansluiten om de noten die u speelt te laten doorklinken.
(27) FOOTSWITCH
Ook op deze connector kunt u een (los verkrijgbare) DP-2, DP-6 of Boss FS-5U voetschakelaar aansluiten, maar de functie daarvan kunt u in dit geval vrij kiezen. Eén mogelijke functie
is het starten en stoppen van de weergave van de Arranger of Recorder. Zie “Toewijsbare
voetschakelaar (Footswitch)” op blz. 35.
(28) EXPRESSION PEDAL
Hierop kunt u een (los verkrijgbaar) EV-5 of FV-300H zwelpedaal aansluiten, zodat u het
volume van één of meerdere Parts met de voet kunt aansturen. Zie “Zwelpedaal” op blz. 35.
(29) MIDI connectors
Via deze connectors kunt u uw E-96 op andere MIDI instrumenten aansluiten. Zie “MIDI”
op blz. 135.
16
Bediening, [F5] Exit
3.
Bediening
De E-96 biedt zowat alles wat u, thuis of op het podium, nodig hebt en is bovendien zo ontworpen dat u razendsnel toegang hebt tot alle functies en parameters. De meeste functies kunt
u dan ook uitvoeren met het display en de bijbehorende knoppen.
3.1 [F5] Exit
De Exit functie is meestal toegewezen aan de [F5] functietoets. Door één of meerdere keren
op [F5] te drukken keert u terug naar de Master pagina.
3.2 Master pagina
De Master display-pagina is de eerste pagina die u te zien krijgt wanneer u de E-96 inschakelt.
We blijven deze pagina vanaf nu Master pagina noemen – in het menu staat tenslotte klaar
en duidelijk MASTER:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
0
(1) Performance Memory adres en naam
Hier wordt het adres (Groep, Banken Nummer) en de naam van het huidig geselecteerde Performance geheugen afgebeeld (zie blz. 56).
(2) Tempovenster
In het tempovenster kunt u het weergavetempo voor de geselecteerde Music Style of Standard
MIDI File aflezen (zie blz. 47). Dit voorgeprogrammeerde tempo kunt u naar uw eigen smaak
aanpassen met het wiel en de knoppen in de TEMPO sectie.
(3) Music Style of Song adres en naam
In dit deel van het display ziet u het adres (Bank en Nummer) en naam, of het nummer en de
naam van de geselecteerde Music Style (zie blz. 47) of Song.
(4) Functiemenu
In het functiemenu leest u de functie van de vijf functietoetsen ([F1]~[F5]) af. Op de Master
pagina kunt u met de functietoetsen kiezen in welke mode (Mixer, Param, MIDI, UsrStl of
Disk) u de E-96 wilt gebruiken. Door op één van deze functietoetsen te drukken verhuist u
naar het menu van de betreffende mode, waarna u met de functietoetsen weer nieuwe opties
binnen deze mode kunt kiezen.
17
E-96 Gebruikshandleiding
De E-96 beschikt over de volgende modes:
Afkorting
Mode
Verklaring
Mixer
Mixer
In de Mixer mode regelt u de balans tussen de verschillende
geluiden, het niveau van de effecten en nog een aantal dingen
die verband houden met de manier waarop de E-96 geluid
voortbrengt.
Param
Parameter
In de Parameter mode kunt u algemene parameters en effectparameters editen en nog een aantal andere functies uitvoeren.
Midi
MIDI
De naam zegt het al, hier vindt u de verschillende MIDI functies (kanaalinstellingen en MIDI-filters) van uw E-96.
UsrStl
User Style
In deze mode kunt u uw eigen begeleidingen maken.
Disk
Disk
De Disk mode dient om data op te slaan en te laden naar en
van diskette. Hier kunt u ook terecht om een diskette te formateren of om er een veiligheidskopie van te maken.
Er blijven nog twee modes over, die u via een eigen knop aanspreekt: de Tone mode (druk
op [TONE] linksonder naast het display) en de Volume mode (druk op [VOLUME] naast de
[TONE] knop).
(5) Schuifbalk
De twee pijlen op de balk zijn een grafische weergave van de [PAGE] ▲/▼ knoppen. Het
display kan slechts drie Parts tegelijk afbeelden, u moet dus de [PAGE] ▲/▼ knoppen
gebruiken om informatie over de andere Parts te voorschijn te halen.
Opmerking: Aan de zwarte cursor (die zich nu op UP1 bevindt) ziet u voor welke Part u nu een Tone kunt kiezen.
U kunt naar een Part scrollen die op dit moment onzichtbaar is zonder die Part te selecteren. Om een Part te kiezen
drukt u op de uiterst linkse knop onder het display ([DRUMS/PART] genoemd) of op de Part Select knoppen.
(6) Part informatievenster
In dit venster ziet u welke Tones op dit moment aan de Parts van de E-96 zijn toegewezen.
De afgebeelde informatie moet u als volgt interpreteren:
Bank (1~8)
Variation
UP2 A 151 Detuned EP1
Part
Groep
(A~B)
Nummer
(1~8)
Naam van de
Tone
Het Variation nummer wordt niet altijd afgebeeld. Zoals u uit de illustratie op blz. 17 kunt
afleiden is aan de Upper1 (UP1) Part een “normale” Tone toegewezen (dit soort normale of
“basis” Tones noemen we Capital Tones). Variaties (Varations) zijn Tones waarvan de
klankleur een variatie is (vandaar de naam) op de Capital Tone. Zo behoort de Detuned EP
Tone die aan Upper2 is toegewezen tot het groepje elektronische pianoklanken en wordt door
de E-96 als dusdanig niet als een Capital Tone behandeld. Deze indeling in Capital Tones met
een reeks variaties heeft ook te maken met het feit dat de E-96 zodanig veel klanken bevat dat
de MIDI-standaard ze niet uit elkaar kan houden.
(7) Grafisch akkoordvenster
In dit display ziet u welke akkoorden u speelt in de klavierzone waarmee de Arranger wordt
aangestuurd (zie “Het akkoordherkenningsgebied kiezen” op blz. 38).
18
Bediening, Navigeren doorheen de display-pagina’s
(8) Akkoordsymbool venster
In dit venster wordt de naam van het laatste akkoord dat u speelde afgebeeld. Deze informatie
kan van nut zijn voor de gitarist van uw groep.
Tip: Dit venster kan in een aantal situaties van onschatbare waarde blijken. Stel bijvoorbeeld dat
u aan het improviseren bent en plots bedenkt dat de akkoorden die u net hebt gespeeld wel een leuk
uitgangspunt voor een Song zouden vormen. Alleen, welke akkoorden waren het ook weer? Had u
in zo’n geval de Chord Sequencer geactiveerd voordat u begon te improviseren, dan kon u nu alle
akkoorden zo in het display aflezen en noteren. Schakel steeds de Chord Sequencer in voordat u
begint te improviseren, u weet maar nooit …
(9) Style/Song informatievenster
Dit venster kan twee dingen afbeelden: ofwel de huidig geselecteerde Style divisie en zijn
maatsoort, ofwel de huidige maat/tel en de maatsoort van de Recorder Song die u aan het
weergeven bent.
(10) MIDI Set venster
In dit venster wordt het nummer afgebeeld van de MIDI Set die op dit moment actief is.
3.3 Navigeren doorheen de display-pagina’s
Functietoetsen en [SHIFT] knop
Iedere functietoets heeft een eigen regel op het functiemenu. Zo kiest u met [F2] steeds de
tweede functie op het menu, welke dat ook mag zijn. Een aantal menu’s passen niet op één
display-pagina. In dergelijke gevallen zit er rechts onderaan het menu een “ezelsoor”:
Het ezelsoor wijst erop dat u de bladzijde moet “omdraaien” om aan de
overige menu items te kunnen.
U ziet een ezelsoor maar geen
onderliggende pagina. Hiermee.weet u dat dit de tweede van
twee pagina’s is.
(1) Om een item te kiezen houdt u [SHIFT] ingedrukt...
(2) ... en drukt u op de functietoets waaraan het item dat u wenst is toegewezen.
Maar laten we eerst even teruggaan naar de Master pagina.
(3) Druk op [F5] (Exit) tot u weer op de Master pagina bent:
19
E-96 Gebruikshandleiding
Draaiknoppen, [TONE] en [VOLUME] knoppen
F1
F2
PAGE
F3
F4
F5
VOLUME
TONE
SHIFT
DRUMS
PART
M DRUMS
ACCOMP
GROUP
BASS
BANK
LOWER
NUMBER
UPPER
VARIATION
M BASS
LOWER
UPPER 2
UPPER 1
WRITE
Zoals we reeds zeiden heeft de E-96 zeven niveaus, waarvan u er vijf kiest met de functietoetsen. De overige twee modes kiest u met hun eigen knop:
Druk op
En u kunt de draaiknoppen gebruiken om...
TONE
...naar de Tone keuzepagina te gaan. Op die pagina kunt u met de draaiknoppen
een Part, Tone groep (A, B), Bank (1~8), Nummer (1~8) en Variatie kiezen. Druk
op [TONE] of op [F5] (EXIT) om deze mode te verlaten.
VOLUME
...naar de Mixer te gaan, waar u alle E-96 Parts (zowel Realtime als Arranger
Parts) in balans kunt brengen. Let wel, u kunt enkel de Realtime Parts via hun
eigen knoppen (zie hieronder) kiezen. Druk op [VOLUME] of [F5] (Exit) om deze
mode weer te verlaten.
Met de draaiknoppen bepaalt u dus steeds waarde van de items die in het display verschijnen.
Ze werken meestal van links naar rechts: met de uiterst linkse knop stelt u het uiterst linkse
item in het display in enz.
Opmerking: Als u aan één van de knoppen draait zonder dat u een speciale mode hebt gekozen of de [TONE]
knop hebt ingedrukt komt u op de Volume pagina terecht:
Draait u nu verder aan de betreffende knop, of aan een andere knop, dan verschuift u de overeenkomstige volumeregelaar in het display.
☛ De knoppen zijn snelheidsgevoelig. Als u er langzaam aan draait, verandert de corresponderende waarde in kleinere stappen. Draait u sneller, dat gaat de waarde
plots met grotere stappen omhoog of omlaag.
20
Bediening, Navigeren doorheen de display-pagina’s
Geïnverteerde/normale waarden
Sommige waarden verschijnen op een blauwe achtergrond, andere op een lichte achtergrond.
Daar is een reden voor en wel de volgende:
Afbeelding
Betekenis
Geïnverteerd (wit op blauw)
De betreffende Part maakt gebruik van uw eigen instellingen
of van de instellingen in het actieve Performance geheugen.
Normaal (blauw op wit)
De betreffende Part maakt gebruik van de instellingen van de
Music Style of de Song.
Deze codering wordt doorheen alle pagina’s van de E-96 consequent doorgevoerd, zodat u
steeds weet of een Part uw eigen instellingen of die van de gekozen Music Style of SMF
gebruikt.
[PAGE] ▲/▼ en Part Select knoppen
Met de [PAGE] ▲/▼ knoppen op de Master pagina stapt u door de Parts van de E-96. Op die
manier kunt u snel zien welke Tones aan welke Realtime Parts zijn toegewezen.
U kunt alle Parts met de [PAGE] ▲/▼ knoppen afgaan zonder daarbij telkens de Part op de
bovenste regel van het Part informatievenster te kiezen. Daarom zult u bij het op- en neer
stappen soms ook de zwarte cursor en het pijltje rechts daarvan uit het oog verliezen.
De Part waarop de zwarte cursor zich bevindt, is de Part waarvoor u op dit moment Tones
kunt kiezen en andere editfuncties kunt uitvoeren. De indicator op de Part Select [UPPER1]
knop brandt op dit moment. Deze indicator bevestigt de keuze van de Upper1 Part.
DRUMS
PART
M DRUMS
ACCOMP
GROUP
BASS
BANK
LOWER
NUMBER
UPPER
VARIATION
M BASS
LOWER
UPPER 2
UPPER 1
Als u op een andere Part Select knop drukt, gebeuren er drie dingen:
• De indicator van de knop waarop u hebt gedrukt gaat branden.
• De cursor en het pijltje worden naar de overeenkomstige Part in het Part informatievenster
verplaatst.
• De gekozen Part komt op de eerste regel van het Part informatievenster terecht.
Tip: U hoeft de [PAGE] ▲/▼ knoppen niet te gebruiken om te kijken welke Tones er zijn toegewezen, u kunt hiervoor ook drukken op de Part Select knop van de Part die u wilt bekijken. Het
voordeel van deze laatste methode is dat u de gekozen Part onmiddellijk kunt editen wat niet het
geval is als u met de [PAGE] ▲/▼ knoppen door de Parts stapt.
21
E-96 Gebruikshandleiding
In de Mixer mode werken de Part Select knoppen onder de draaiknoppen als aan-/uit schakelaars. Zo kunt u op de volgende display-pagina met de Part Select [UPPER1] knop de Upper1
Part in- en uitschakelen.
☛ Als de Part Select knoppen als aan/uit schakelaars werken kunt u ze niet meer
gebruiken om Parts te selecteren. Dit moet u moet u dan met de [PAGE] ▲/▼ knoppen doen. In dit geval gebruikt u de schuifbalk dus niet enkel om Parts te bekijken,
maar ook om ze te selecteren (zoals Upper1 hier).
Opmerking: Als u op de Master pagina tegelijk op Part Select [UPPER1] en Part Select [UPPER2] drukt, activeert u elk van deze Parts (Upper1 en Upper2). De Tones die u dan met de TONE knoppen kiest gelden voor beide
Upper Parts. De instellingen van de parameters (zoals Detune enz.), blijven echter voor beide Parts bewaard. Op deze
manier kunt u dus dezelfde Tone voor Upper1 en Upper2 kiezen zonder de Detune, Pan enz. waarden van deze Parts
te veranderen. Zodra u tegelijk op Part Select [UPPER1] en Part Select [UPPER2] drukt wijst de E-96 automatisch
de Upper1 klank toe aan de Upper2 Part, waardoor beide Parts dezelfde Tone krijgen.
3.4 Realtime display
Het zal u misschien al opgevallen zijn dat de meeste regelaars en knoppen in het display veranderen als de overeenkomstige Part volume-, pan-, effect- enz. commando’s ontvangt van
de Arranger (in de Arranger mode) of de Standard MIDI File (in de GM/GS mode). Met andere woorden, de positie van de regelaars in het display is steeds een getrouwe weergave van
de huidige instellingen.
Opmerking: Als een bepaalde regelaar enz. niet beweegt terwijl hij dat eigenlijk zou moeten doen, kunt u er
gemakkelijk achter komen waarom dat zo is. Zie “Geïnverteerde/normale waarden” op blz. 21.
22
Realtime Parts, Wat zijn Parts?
4.
Realtime Parts
4.1 Wat zijn Parts?
De E-96 is een multitimbraal instrument, wat betekent dat hij meerdere klanken tegelijk kan
weergeven. In het instrument onderscheiden we twee belangrijke secties:
☛ Realtime sectie
De Realtime sectie bevat alle Parts die u zelf kunt spelen. Een Part kunt u beschouwen als een
“partij”, zoals daar zijn: melodie, solo enz. Op de E-96 beschikt u over de volgende Realtime
Parts:
Part
Verklaring
Upper1
Upper1 en Upper2 zijn praktisch identiek aan elkaar, maar Upper 1 is in eerste
instantie bedoeld om de hoofdmelodie of solo te spelen.
Upper2
Upper2 kunt u gebruiken als tweede solo Part of ‘stapelen’ met de Upper1 Part
(voor een voller geluid). Bovendien kunt u de Upper2 Part ook aan de Arranger
toewijzen, die er dan automatisch een tweede stem bij de hoofdmelodie mee
speelt (deze functie noemen we Melody Intelligence).
Lower
De Lower Part gebruikt u om akkoorden in de linkerhand te spelen. Wilt u deze
akkoorden gewoon met dezelfde klank als de Upper Part(s) (melodie) spelen, dan
hoeft u uiteraard de Lower Part niet aan te spreken. Wilt u echter een andere
klank (bijvoorbeeld strijkers) voor uw akkoorden, gebruik dan de Lower Part.
Manual Bass
Dat u met deze Part baslijnen kunt spelen had u waarschijnlijk al geraden. Kies
deze Part als u zelf een baslijn wilt spelen (in plaats van deze klus door de automatische begeleiding te laten klaren).
Manual Drums
De Manual Drums (of M.Drums) Part wijkt enigszins af van de andere Realtime
Parts omdat u voor deze Part enkel Drum Sets kunt kiezen. Selecteer deze Part
wanneer u zin hebt om op het klavier te drummen.
Aan elk van deze Parts kunt u verschillende klanken (of Tones) toewijzen. Let wel: u kunt
aan de M.Drums Part enkel Drum Sets en deze Drum Sets niet aan andere Realtime Parts
(Upper1, Upper2, Lower, M. Bass) toewijzen.
☛ Arranger sectie
De Arranger sectie (zie blz. 36 voor meer details) bevat alle Parts die de E-96 zelf speelt.
4.2 Realtime Parts kiezen
Als u de E-96 inschakelt, wordt automatisch de Upper1 Part gekozen en aan de rechterhelft
van het klavier toegewezen. De Upper1 Part krijgt daarbij de Tone A11 Piano 1 toebedeeld.
(Door op een toets in de linkerhelft van het klavier te drukken start u de weergave van de
Arranger. U kunt de weergave weer stoppen door op de [START/STOP] knop te drukken.)
23
E-96 Gebruikshandleiding
De indicators op de Part Select [UPPER1] knop en op de [SPLIT] knop lichten op.
LEFT
M DRUMS
ROLL
M BASS
HOLD
RIGHT
LOWER
UPPER 2
WHOLE L SPLIT
WHOLE R
UPPER 1
UP2 SPLIT
ASSIGN
U kunt Upper1 uitschakelen door op de [UPPER1] knop te drukken (de indicator dooft). Maar
dan hoort u niets meer, want er is geen enkele andere Realtime Part actief. Schakel Upper1
dus opnieuw in.
Upper2 kiezen en stapelen
Zo kiest u de Upper2 Part:
Druk op [UPPER2] om de Upper2 Part te activeren.
Wanneer u dit doet, blijft de Upper1 Part actief, Upper1 en Upper2 zijn dus nu ‘gestapeld’ (u
hoort ze allebei). Om enkel de Upper2 Part te horen moet u op [UPPER1] drukken om Upper1
uit te schakelen. Speel even op het klavier om de Tone te beluisteren die aan Upper2 is toegewezen. Zoals u uit het display kunt afleiden hoort u nu de klank A151 Detuned EP1.
Lower en M.Bass Parts kiezen
Met de knoppen van de Assign sectie (die deel uitmaakt van de Keyboard Mode sectie)
bepaalt u de klavierzones waarin u de Realtime Parts speelt.
■ Keyboard Mode: Whole Right
Door op de [WHOLE R] knop te drukken verdeelt u de Upper1 en/of Upper2 Parts over het
volledige klavier. Zorg, voordat u dit doet, echter wel dat de SYNCHRO [START] knop is
uitgeschakeld (de indicator mag niet branden). We herinneren u er ook even aan dat u Upper1
en Upper2 probleemloos tegelijk kunt spelen.
■ Whole Left
Whole Left houdt in dat de Lower of M.Bass Part aan het volledige klavier wordt toegewezen. Druk op [WHOLE L] en speel een paar noten. U hoort nu niets en dat is ook normaal
want noch de Lower, noch de M.Bass Part is op dit moment actief.
LEFT
M DRUMS
ROLL
M BASS
HOLD
RIGHT
LOWER
UPPER 2
WHOLE L SPLIT
WHOLE R
Knippert
UPPER 1
UP2 SPLIT
ASSIGN
De indicator(s) van de geactiveerde UPPER Part(s) begint (beginnen) te knipperen, waardoor
u weet dat Upper1 en/of Upper2 werden geactiveerd, maar niet te horen zijn, omdat het klavier wacht op nootinformatie voor de linkerpart (Lower en/of M.Bass).
Om de Lower Part te horen moet u op de Keyboard Mode [LOWER] knop drukken (indicator
licht op). Beslist u nu om toch maar de laatstgekozen Upper klank over het volledige klavier
te spelen, druk dan op de [WHOLE R] knop. De indicator van de Keyboard Mode [LOWER]
24
Realtime Parts, Realtime Parts kiezen
knop begint dan te knipperen, terwijl de indicator van de [UPPER1] en/of [UPPER2] blijft
branden.
Druk nogmaals op [WHOLE L] en vervolgens op Keyboard Mode [M.BASS]. U hebt nu de
Manual Bass Part geactiveerd. Ook dit betekent niet dat u de Lower Part hebt uitgeschakeld.
Overtuig uzelf hiervan door enkele noten op het klavier te spelen: u hoort de strijkersklank
van de Lower Part en de basklank van de M.Bass Part.
Opmerking: Als de Lower en de M.Bass Parts samen actief zijn, is de Manual Bass Part monofoon. De M.Bass
Part geeft de grondnoot weer van het akkoord dat u speelt. U kunt ook zorgen dat de Manual Bass Part steeds de
laagste noten van uw akkoorden speelt. Dit doet u door op de [INVERSION] knop in de Arranger Chord sectie te
drukken. Is enkel de Manual Bass Part actief, dan kunt u ook polyfone partijen (akkoorden enz.) spelen met de Tone
die aan M.Bass is toegewezen.
Split en splitpunt
LEFT
M DRUMS
ROLL
M BASS
HOLD
RIGHT
LOWER
UPPER 2
WHOLE L SPLIT
WHOLE R
UPPER 1
UP2 SPLIT
ASSIGN
De [SPLIT] knop biedt de mogelijkheid het klavier in twee delen te splitsen, waarbij u de
Lower en/of M. Bass Part aan de linkerhelft (het onderste deel) van het klavier toewijst, terwijl u de Upper1/2 Parts aan de rechterhelft (het bovenste deel) van het klavier toewijst. Hoe
dit in de praktijk “aanvoelt” kunt u nu even proberen door op de [SPLIT] knop te drukken en
met beide handen op het klavier te spelen.
Lower en/of M(anual) Bass
Upper 1 en/of Upper 2
Het splitpunt bevindt zich momenteel op de noot C4. Dit is eveneens de laagste noot van de
Right (Upper1 + Upper2) sectie.
(a) Het splitpunt op het klavier instellen
De eenvoudigste manier om een ander splitpunt te kiezen is om op de [SPLIT] knop te drukken, te wachten tot de indicator op de knop begint te knipperen en vervolgens op een klaviertoets te drukken. Laat daarna de [SPLIT] knop los.
De noot die u hebt ingedrukt wordt de laagste noot van de Right sectie. U kunt het splitpunt
binnen het bereik C3~C6 vrij kiezen. U ziet dit misschien als een beperking, maar in feite is
het een slimme truc om te voorkomen dat de Left of Right sectie plots onhoorbaar wordt
omdat het splitpunt te hoog of te laag werd ingesteld.
Rechts of links van het splitpunt kunt u ook probleemloos Layers (Lower + M.Bass en
Upper1 + Upper2) gebruiken.
25
E-96 Gebruikshandleiding
■ Upper2 Split
En er is meer! U kunt nog een tweede split programmeren tussen Upper1 en Upper2. Hiervoor
volstaat het dat u op [UP2SPLIT] drukt. Het standaard splitpunt voor deze split ligt op de noot
G4 (de laagste noot van de Upper1 Part).
Lower en/of M(anual) Bass
Upper 2
Upper 1
Uiteindelijk kunt u op de E-96 dus drie klanken op drie verschillende delen van het klavier
spelen. Daarbij kunt u dan ook nog eens instellen met welk deel van het klavier u de akkoordherkenning van de Arranger wilt aansturen (zie blz. 38).
Het UP2 splitpunt stelt u op dezelfde manier in als het andere splitpunt: houd de [UP2 SPLIT]
knop ingedrukt, wacht tot de indicator begint te knipperen en druk op een toets. Laat vervolgens de [UP2 SPLIT] knop los.
Opmerking: Als u op [UP2 SPLIT] drukt, dooft de [UPPER2] indicator. U blijft de Upper2 Part echter horen.
Opmerking: Upper2 Split werkt enkel wanneer de Upper1 Part actief is. Schakelt u Upper1 uit, dan hoort u noch
de Tone die aan Upper1 is toegewezen, noch degene die aan Upper2 is toegewezen. U kunt met andere woorden geen
Upper split programmeren zonder de Upper1 klank te gebruiken. Om die reden begint de [UP2 SPLIT] indicator te
knipperen wanneer u de Upper1 Part terwijl de UP2 SPLIT mode actief is.
(b) Splitpunten via het display instellen
U kunt de beide splitpunten ook met behulp van het display instellen, als u daar prijs op stelt:
(1) Druk op de Master pagina op [F2] (Param) om het Parameter menu te selecteren.
(2) Op dit moment is het niet echt nodig dat u op [F1] (Glbal) drukt. Toch is het geen slecht
idee om op [F1] te drukken, aangezien de E-96 over een pagina geheugenfunctie
beschikt.
(3) Druk op [PAGE] ▼ om de tweede Global pagina te kiezen:
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het hoofdsplitpunt (het splitpunt tussen de
Left en Right zone). Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het UP2 splitpunt
(tussen Upper2 en Upper1).
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: Bent u tevreden met de ingestelde splitpunten, dan slaat u ze best op in een Performance Memory
(zie blz. 56).
26
Realtime Parts, Realtime Parts kiezen
■ Keyboard Mode Hold
LEFT
M DRUMS
M BASS
ROLL
RIGHT
LOWER
UPPER 2
WHOLE L SPLIT
HOLD
UPPER 1
WHOLE R
UP2 SPLIT
ASSIGN
[WHOLE L] of [SPLIT] moet oplichten
U hebt al wel begrepen dat u op de E-96 heel wat instellingen in kunt veranderen. Hierbij
komt u soms letterlijk handen tekort, zoals in de volgende situatie: u stuurt met de linkerhand
de Arranger aan en u wilt een andere divisie (Intro enz.) van de Music Style kiezen. Hiervoor
moet u uw linkerhand van het klavier nemen, waardoor de begeleiding stopt (dit is het geval
zodra u alle toetsen in de Left zone hebt losgelaten). Schakelt u echter, in de Whole Left of
Split mode, de Keyboard Mode Hold functie in, dan blijven de noten van de Lower Part klinken tot u in het Left (linker) gedeelte nieuwe noten speelt. Dit is zo handig dat we u aanraden
deze Hold functie altijd ingeschakeld te laten. U activeert de Hold functie door op [HOLD]
te drukken (indicator licht op).
Wanneer de Lower en M.Bass Part actief zijn, werkt de Hold functie op de noten van beide
Parts.
Manual Drums Part kiezen
*
High Tom2
Crash Cymbal1
Tambourine
Splash Cymbal
Cowbell
57
55
56
Ride Bell
53
54
Ride Cymbal1
Chinese Cymbal
51
52
50
49
High Tom1
*
*
Mid Tom1
3 48
46
47
[EXC1]
*
[EXC1]
Mid Tom2
Open Hi-hat1
45
43
44
Pedal Hi-hat
[EXC1]
*
Closed Hi-hat1
Low Tom1
Low Tom2
41
42
Hand Clap
Standard 1 Snare 2
Standard 1 Kick 1
Side Stick
Standard 1 Kick 2
Standard 1 Snare 1
39
40
38
2 36
37
Metronome Click
Metronome Bell
35
34
33
31
32
Square Click
*
[EXC7]
Scratch Pull
Sticks
Scratch Push
30
29
Finger Snap
High Q
Slap
28
26
27
25
Snare Roll
[EXC7]
Druk op de Keyboard Mode [M.DRUMS] knop en u beschikt over een reeks drum- en percussieklanken (die we Drum Set noemen) die over het hele klavier zijn verdeeld. De Keyboard Mode instellingen die u eerder hebt gemaakt worden hierbij genegeerd. Als u de
M.Drums Part activeert, kunt u de andere Realtime Parts (Upper1, Upper2, Lower en M.Bass)
niet meer spelen. Daarom beginnen de indicators op de knoppen van de eerder geactiveerde
Parts te knipperen.
Zoals gezegd, wordt bij de M.Drums Part aan iedere toets een andere klank toegewezen. In
die zin wijkt deze Part af van de andere Realtime Parts. Drukt u bijvoorbeeld op C2 (de uiterst
linkse C), dan hoort u een basdrumklank. Drukt u op de D2 toets (de D rechts van de C2), dan
hoort u een Snare enzovoort. U begrijpt dat melodieën spelen er niet bij is in de Manual
Drums mode. De volgende illustratie maakt één en ander nog wat duidelijker:
■ Roll
Met de Roll functie kunt u perfecte drumroffels spelen. Probeer het even uit: druk op de
[ROLL] knop en houdt gelijk welke toets enkele seconden ingedrukt; u begrijpt meteen waar
we het over hebben. U kunt de resolutie van de Roll functie veranderen (zie blz. 95). De roffels worden bovendien steeds in de maat gespeeld met het tempo dat in het Tempovenster is
ingesteld. Verander het tempo eens met het [TEMPO] wiel, u zult merken dat de drumroffel
27
E-96 Gebruikshandleiding
volgt. Door de Modulation hendel naar voren te drukken kunt u het volume van de roffel wijzigen. Probeer ook dit even uit.
4.3 Tones voor de Realtime Parts kiezen
De E-96 wordt geleverd met 241 klanken, of Tones, waaruit u kunt kiezen. Deze Tones zijn
op de volgende manier onderverdeeld:
Naam
Betekenis
Groepen
(A~B) Hoogste niveau in de klankhiërarchie. Elke Groep bevat alle elementen die
hierna volgen.
Banken
(1~8) Banken zijn “instrumentfamilies” (zoals Brass, Chromatic Percussion enz.).
Elke Bank bevat de volgende elementen.
Nummers
(1~8) Nummers zijn instrumenten uit een bepaalde familie (bijvoorbeeld trompet,
trombone enz. uit de Brass bank).
Variaties
(1~...) Variaties zijn klanken waarvan de kleur verwant is met het gekozen instrument (bijvoorbeeld trompet met demper).
Tones kiezen met de TONE knoppen
Als voorbeeld gaan we nu een andere Tone aan de Upper1 Part toewijzen.
TONE
BANK
A
B
PIANO
CHROM PERC
PIPE
ORGAN
GUITAR
REED
SYN LEAD
SYN PAD
1
2
3
4
BASS
SYN SFX
ORCHESTRA
ENSEMBLE
BRASS
ETHNIC
PERCUSSIVE
SFX
7
8
5
6
VARIATION
A
B
GROUP
(1) Druk op Part Select [UPPER1] om de Part te kiezen (Upper1) waaraan u een Tone gaat
toewijzen.
F1
F2
PAGE
F3
F4
F5
VOLUME
TONE
SHIFT
DRUMS
PART
M DRUMS
28
ACCOMP
GROUP
BASS
BANK
LOWER
NUMBER
UPPER
VARIATION
M BASS
LOWER
UPPER 2
UPPER 1
WRITE
Realtime Parts, Tones voor de Realtime Parts kiezen
(2) Druk op de GROUP B knop om die groep te kiezen (indicator licht op).
Naast B1* staat nog steeds de naam van de vorige Tone, namelijk Piano 1. In Bank 1 van
Groep B bevindt zich helemaal geen pianoklank. De Tones in het informatievenster geven
wel de inhoud van Groep B, Bank 1 weer (Soprano Sax, Alt Sax enz.).
(3) Druk op de [BANK] knop in de TONE sectie (de indicator van deze knop licht op).
Als lokatie voor de Tone vermeldt het display nu B**, u moet dus een Bank en een Nummer
specifiëren.
De namen van de Bank kunt u aflezen in het informatievenster, u hoeft dus niet naar knoppen
in de TONE sectie te kijken om te weten welke banken er beschikbaar zijn.
De letter B (Groep) verschijnt in de schuifbalk op een witte achtergrond om aan te duiden dat
deze Groep nog niet actief is. De Groep wordt pas actief zodra u een Nummer selecteert. Dit
systeem biedt de mogelijkheid de Groep en de Bank reeds van tevoren te selecteren en het
Nummer pas te kiezen als u de nieuwe Tone wel degelijk nodig hebt.
(Door op de [PAGE] ▲ knop te drukken haalt u de Bank lijst van Groep A te voorschijn. De
gekozen Tone (Piano 1) bevindt zich in groep A, vandaar verschijnt de letter A wit-op-blauw
op de schuifbalk.)
(4) Druk op de [5] knop om de SYNTH FX bank te selecteren.
Bank 5 van Groep B is nu actief, maar u hoort nog steeds de pianoklank.
(5) Druk op de 2 knop om de Soundtrack Tone te selecteren.
U keert terug naar de Master pagina en de [TONE] indicator links van het display dooft kort
nadat u een Tone nummer hebt gespecifieerd.
Kiest u liever een variatie in plaats van de Capital (wat u bv. voor B57, Echo Drops, zou
kunnen doen), moet u de VARIATION ▲ ▼ knoppen gebruiken.
TONE
BANK
A
B
PIANO
REED
CHROM PERC
PIPE
ORGAN
GUITAR
SYN LEAD
SYN PAD
2
3
4
1
BASS
SYN SFX
5
ORCHESTRA
ENSEMBLE
BRASS
ETHNIC
PERCUSSIVE
SFX
7
8
6
VARIATION
A
B
GROUP
Opmerking:
In sommige gevallen kiest de E-96 een Variation in plaats van de Capital. Wees dus niet verrast als
de E-96 niet altijd de klank oproept die u eigenlijk wilde kiezen. De door de E-96 zélf gekozen klank is in de regel
mooier dan de Tone die u in gedachten had.
29
E-96 Gebruikshandleiding
Nu keert u terug naar de Nummer pagina en ziet u welke Tone u hebt gekozen door op de
VARIATION ▲ ▼ knop te drukken.
Het ❏ symbool betekent dat de Soundtrack Tone de Capital is van deze Tone familie.
Opmerking: Wilt u op dit moment liever niet terugkeren naar de Master pagina, druk dan op [TONE] links van
het display (indicator licht op). Wilt u nu alsnog naar de Master pagina gaan, dan moet u eerst nogmaals op [TONE]
drukken (de indicator dooft).
■ Tones kiezen voor andere Parts
Om Tones voor andere Realtime Parts (Upper2, Lower, M.Bass) te kiezen drukt u eerst op de
overeenkomstige Part Select knop en keert u vervolgens terug naar stap (1). Hoort u nu nog
steeds de Upper1 Part als u op het klavier speelt, zie dan “Realtime Parts kiezen” op blz. 23.
Opmerking: U kunt voor elk van de genoemde Parts (Upper1, Upper2, Lower, M.Bass) gelijk welke Tone kiezen.
Dit is ook zo voor de M.Bass klank, alleen moet u er rekening mee houden dat de M.Bass Part monofoon wordt als
u ze tegelijk met de Lower Part gebruikt.
Opmerking: Om een andere Bank binnen dezelfde groep te selecteren drukt u op [BANK], gevolgd door twee
nummers waarmee u een Tone binnen die bank kiest. De Groep hoeft u uiteraard enkel te kiezen wanneer de gewenste Tone zich in een andere Groep bevindt.
Opmerking:
Opmerking:
Om een andere Tone binnen de huidige Bank te kiezen volstaat het dat u op een nummerknop drukt.
Zie “Effecten” op blz. 79 als u wilt weten hoe u de geselecteerde Tones van effecten voorziet.
■ Display symbolen
Ziehier een overzicht van de symbolen naast de Tone namenen hun betekenis:
Symbool
❏
Voorbeeld
Betekenis
1 ❏ Piano 1
Voor deze Tone beschikt u over een aantal Variaties. Druk op VARIATION ▲ ▼ om er ééntje te kiezen.
In het variatievenster betekent dit symbool dat de betreffende Tone
de Capital is.
Tones kiezen met de draaiknoppen
We gaan nu de draaiknoppen gebruiken om een Tone te kiezen.
(1) Druk op [TONE] links onder het display (indicator licht op).
(2) Selecteer de Part waaraan u een Tone wilt toewijzen.
U kunt hiervoor de Part Select knoppen of de [DRUMS/PART] draaiknop gebruiken. Kijk
wel uit dat u met de draaiknop geen Arranger Part (ADR, ABS, AC1~AC6) kiest. Hier komen
we later nog op terug.
(3) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop een Groep.
Opmerking: Ditmaal wordt de klank onmiddellijk gekozen. Door aan de [ACCOMP/GROUP] draaiknop te
draaien kiest u een Tone met dezelfde Bank en hetzelfde Nummer binnen de nieuw gekozen Groep. Als u Tones met
de TONE sectie knoppen kiest, wacht de E-96 steeds tot u een Tone nummer kiest voordat hij die Tone (of zijn “beste” Variatie) selecteert.
(4) Kies met de [BASS/BANK] draaiknop een andere Bank.
(5) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop een ander nummer.
Opmerking: Als u met deze draaiknop een nummer kiest, wordt steeds de Capital van de gekozen Tone familie
opgeroepen en dus niet de “beste” klank.
30
Realtime Parts, Drum Sets voor de M.Drums Part kiezen
(6) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop een andere Variation.
Opmerking: U kunt de twee beschreven methodes (de TONE sectie en de draaiknoppen) ook combineren om
Tones te selecteren.
(7) Druk nogmaals op [TONE] om terug te keren naar de Master pagina. Dankzij de Performance Memories (zie blz. 56) kunt u de Tone keuze “automatiseren”.
4.4 Drum Sets voor de M.Drums Part kiezen
Op de volgende manier kiest u Drum Sets voor de M.Drums Part:
(1) Druk op de Keyboard Mode [M.DRUMS] knop zodat de M.Drums Part op het klavier
komt te liggen.
(2) Druk op Part Select [M.DRUMS] zodat u de M.Drums Part kunt editen.
Druk niet op GROUP B omdat alle Drum Sets zich in Groep A bevinden.
(3) Druk op [BANK] (indicator licht op).
(4) Druk op een nummer knop om een bank te kiezen (druk bijvoorbeeld op 2).
(5) Zoals u ziet, zit er slechts één Drum Set in deze bank. Druk dus op 1 om deze Drum Set
te kiezen. Met uitzondering van Bank 4 bevat elke bank maar 1 Drum Set.
Opmerking: Bank 4 biedt twee Drum Sets: 1 Electronic en 2 TR-808. Druk op NUMMER 2 om de TR-808 Set
te kiezen.
Opmerking:
U kunt de gekozen Tone en Drum Set (alsook een groot aantal andere instellingen) opslaan in een
Performance Memory (zie blz. 56). Dit doet u best nadat u Tones aan de Realtime Parts hebt toegewezen.
4.5 Wie kiest de Tones? – Tone Change
Tones worden automatisch gekozen door commando’s die zitten verwerkt in de Recorder
Song data (voor Realtime Parts), de Music Style die u gebruikt (voor Arranger Parts), of het
Performance geheugen dat u kiest. Met andere woorden, elke Part of de E-96 kiest zijn eigen
Tone als één van secties in de E-96 of een Standard MIDI File hem opdragen dat te doen.
Maar misschien wilt u dat helemaal niet. In dat geval kunt u de Tone Change schakelaar op
Prf zetten, zodat Tones enkel door Performance Memories of door uzelf kunnen worden
gekozen.
Prf
De Tone blijft actief tot u een andere Tone of Performance Memory kiest.
Sng
Bij deze optie wordt een andere Tone gekozen door programmakeuze-commando’s van
een Standard MIDI File die u van diskette weergeeft. Zolang u dus geen Standard MIDI
File weergeeft, is er in de praktijk weinig verschil tussen Prf en Sng.
Opmerking:
De zonet beschreven Tone Change opties zijn enkel relevant voor “interne” commando’s. Programmakeuze-commando’s die via MIDI IN worden ontvangen zijn altijd van kracht, ongeacht de Tone Change optie die
u kiest.
De Tone Change parameter stelt u op de volgende manier in:
(1) Druk op [TONE] om de Tone mode te kiezen.
31
E-96 Gebruikshandleiding
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F1] (RTime) om de Realtime Part pagina te kiezen.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Part waarvoor u een andere Tone Change optie
wilt kiezen.
De naam van de Part die u kiest verschijnt in de schuifbalk.
(4) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop de Tone Change schakelaar op Prf of Sng in.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
4.6 Algemene opmerkingen
Vóór we een kijkje gaan nemen bij de speelhulpen van uw E-96, willen we nog even drie
opmerkingen maken:
☛ U kunt op ieder gewenst moment Tones kiezen met de knoppen uit de Tone sectie.
Het maakt dus niet uit welke display-functie u kiest of wat u ook aan het doen bent, u kunt
steeds Tones kiezen voor de laatste Part waarvan u de Part Select knop hebt ingedrukt.
☛ U kunt op ieder gewenst moment een Music Style (een voorgeprogrammeerde begeleiding) kiezen, behalve in de User Style mode (zie blz. 101).
4.7 Speelhulpen
De E-96 is voorzien van een aantal speelhulpen en functies waarmee u het instrument expressiever kunt bespelen.
Pitch Bend en modulatie
Modulatie
Lager
Hoger
BENDER
Draai de BENDER/MODULATION hendel naar rechts om de toonhoogte van de noten die
u speelt omhoog te “buigen”. Draai deze hendel naar links om de toonhoogte te verlagen.
Door de hendel los te laten hoort u weer de standaardtoonhoogte. Druk de hendel van u weg
om de noten die u speelt van vibrato te voorzien. Laat de hendel los als u de vibrato wilt doen
ophouden.
32
Realtime Parts, Speelhulpen
Transpose en Octave Up/Down
■ Transpose
Wat als u een Song reeds lang in een bepaalde toonaard speelten u wilt/moet hem nu in een
andere toonaard spelen? Dat gaat u ofwel heel wat studiewerk kosten, ofwel kunt u van de
Transpose functie gebruik maken. Deze functie laat toe muziek in een bepaalde toonaard te
spelen, terwijl het hoorbare resultaat in een andere toonaard klinkt! U kunt dus met een druk
op de knop aan de wensen tegemoetkomen van zangers/zangeressen of muzikanten die een
stuk in een andere toonaard willen zingen of spelen dan degene die u gewend bent.
Opmerking: Transpositie werkt op alle Parts, behalve op de MDR (Manual Drums) en ADR (Accompaniment
Drums) Parts.
(a) Het transpositie-interval op het klavier instellen
Om het transpositie-interval in Realtime te stellen houdt u de [TRANSPOSE] knop ingedrukt
(indicator licht op) en drukt u op OCTAVE [UP] om de toonhoogte te verhogen of OCTAVE
[DOWN] om de toonhoogte te verlagen. Iedere druk op een knop komt overeen met een halve
toon. Om bijvoorbeeld naar de toonaard G te transponeren houdt u [TRANSPOSE] ingedrukt
en drukt u zes maal op OCTAVE [UP] (of vijf maal op OCTAVE [DOWN]). U vraagt zich
misschien af waarom u zes maal op [UP] moet drukken en geen zeven (7 halve tonen vormen
tenslotte een reine kwint). Dat komt omdat de fabriekswaarde van de Transpose functie “+1”
is. De waarde “0” (dus. C, of geen transpositie) bestaat niet voor de Transpose functie. Bij het
omlaag transponeren springt u dus meteen van “1” naar “–1”, waarmee ook duidelijk mag
zijn waarom u voor de toonaard G slechts vijf maal op [DOWN] moet drukken).
Met de [TRANSPOSE] knop kunt u nu heen en weer schakelen tussen de nieuwe ([TRANSPOSE] indicator licht op) en de normal toonaard ([TRANSPOSE] indicator dooft).
(b) Transpositie-interval via het display instellen
Verkiest u een visuele instelling van het transpositie-interval boven de zonet aan bod gekomen ‘”intuïtieve” pendant, ga dan als volgt te werk:
(1) Druk op de Master pagina op [F2] (Param) om de Parameter mode te kiezen.
(2) Druk op [F2] (Tune).
(3) Gebruik, indien nodig, de [PAGE] ▲/▼ knoppen om naar de eerste Param\Tune pagina
te gaan.
(4) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het transpositie-interval (–11~11) in.
Opmerking: Zoals gezegd kunt u de waarde “0” niet kiezen. Dat heeft ook weinig zin, want die waarde betekent
dat u niet transponeert. Om opnieuw de normale toonhoogte te horen drukt u op de [TRANSPOSE] knop zodat de
indicator dooft.
U kunt ook een andere Transpose Mode kiezen met de [BASS/BANK] draaiknop:
Transpose mode
Verklaring
Int
Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden enkel de Realtime en Arranger Parts getransponeerd.
Song
Enkel de Recorder Song Parts worden getransponeerd.
MIDI
Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden enkel de noten die via MIDI
IN worden ontvangen getransponeerd. Dit komt ongeveer op hetzelfde neer
als de Rx Shift parameter in de MIDI mode.
33
E-96 Gebruikshandleiding
Transpose mode
Verklaring
Int+Song
Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden de Realtime en Arranger
Parts alsook de Recorder Song Parts getransponeerd.
Int+MIDI
Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden de Realtime en Arranger
Parts alsook alle noten die via MIDI worden ontvangen getransponeerd.
Song+MIDI
Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden de Recorder Song Parts alsook alle noten die via MIDI worden ontvangen getransponeerd.
All
Alle Parts en ontvangen noten worden getransponeerd.
Zoals u merkt, is de Transpose functie erg flexibel. Doorgaans zult u waarschijnlijk aan de
Int+Song en All opties genoeg hebben. Int is handig wanneer u enkel de Realtime Parts wilt
transponeren zodat u met een Recorder Song kunt meespelen in de toonaard die u het best
ligt, terwijl u toch in de originele toonaard van de Song klinkt.
Opmerking: De MDR en ADR Parts worden nooit getransponeerd omdat dat geen zin heeft. Tenslotte bevindt
zich op iedere toets van de MDR/ADR Part een andere slagwerkklanken zou u na transpositie dus plots allerlei andere toetsen moeten indrukken om uw vertrouwde klanken terug te vinden.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
■ Octave Up/Down
DRUMS
PART
M DRUMS
ACCOMP
GROUP
BASS
BANK
M BASS
LOWER
LOWER
NUMBER
UPPER
VARIATION
UPPER 2
UPPER 1
OCTAVE
TRANSPOSE
DOWN
UP
Met de OCTAVE [UP] en [DOWN] knoppen kunt u de Realtime Parts één octaaf naar
omhoog (Up) of naar omlaag (Down) transponeren. Vergeet niet op de Master pagina eerst
de gewenste Realtime Part kiezen door op zijn Part Select knop te drukken.
Om bijvoorbeeld de Lower Part één octaaf naar omlaag te transponeren drukt u eerst
op Part Select [LOWER] (indicator licht op) en vervolgens op OCTAVE [DOWN] (indicator licht op).
Daarna kunt u op andere Part Select knoppen drukken om evenveel of meer/minder octaven
te verschuiven. Het weze duidelijk: eens u Octave Up of Down voor een Part hebt geactiveerd, blijft het gekozen octaaf behouden, zelfs wanneer u andere Realtime Parts kiest.
Opmerking: Het octaaf van de MDR Part kunt u niet verschuiven.
Tip: Het gekozen octaaf blijft ook van kracht wanneer u een andere Tone kiest voor een Realtime
Part. Wilt u dat niet, dan moet u Octave Up of Down voor de betreffende Part uitschakelen.
Sustain pedaal (Hold)
De Hold functie kunt u voor de volgende Parts gebruiken, apart of in combinatie: Upper1,
Upper2, Lower en M.Bass, op voorwaarde dat u de WHOLE L of WHOLE R keyboard mode
selecteert. In de SPLIT mode, werkt de Hold functie enkel voor de uiterst rechtse Part. Stapelt
u nu Upper1 en 2, dan geldt het Hold effect voor beide Parts. In de UP2 Split mode werkt het
Hold effect echter enkel op de Upper1 Part.
34
Realtime Parts, Speelhulpen
Toewijsbare voetschakelaar (Footswitch)
Met een los verkrijgbare DP-2, DP-6, of Boss FS-5U voetschakelaar die u aansluit op de
FOOTSWITCH jack kunt u verschillende functies aansturen. Als u het bij de fabrieksinstellingen houdt, kunt u met deze schakelaar de weergave van de Arranger starten en stoppen.
Zwelpedaal
Met een los verkrijgbaar EV-5 of FV-300H pedaal dat u op de EXPRESSION PEDAL jack
aansluit kunt u het volume van alle Parts met uw voet controleren. Bovendien kunt u het effect
van het zwelpedaal omkeren en voor bepaalde Parts de invloed van het zwelpedaal uitschakelen (zie blz. 97).
Master Tune
Dit is eigenlijk geen speelhulp. Hiermee kunt u de stemming van uw E-96 aanpassen aan die
van moeilijk te stemmen akoestische instrumenten.
(1) Druk op de Master pagina op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F2] (Tune).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de eerste Param\Tune pagina.
(4) Stem met de [DRUMS/PART] draaiknop uw E-96 op het akoestische instrument.
De afgebeelde waarde (440.0Hz) is de standaardtoonhoogte van de noot A4.
Opmerking: U kunt de Master Tune waarde samen met de overige instellingen opslaan in een Performance
Memory. Op die manier kunt u snel uw “blokfluitstemming” oproepen (blokfluiten staan er namelijk bekend om dat
ze vaak vals staan, maar ook een hobo kun je bijna niet stemmen).
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
35
E-96 Gebruikshandleiding
5.
Spelen met begeleiding – Arranger
Voordat we u tonen hoe u Music Styles kiest, gaan we eerst even kijken hoe ze opgebouwd
zijn.
5.1 Arranger en Music Styles
U kunt de Arranger en zijn Music Styles best beschouwen als uw begeleidingsorkest. Zoals
uit de volgende afbeelding blijkt, is dit niet zo’n boude bewering als u misschien denkt, aangezien uw E-96 voor iedere begeleiding verschillende “variaties” (die we divisies noemen)
kan weergeven. U hoeft enkel te kiezen welke muziekstijl u wilt spelen: salsa, rhumba, poprock, of big band.
U bent de dirigent, en als dusdanig moet u natuurlijk aan de leden van uw orkest vertellen wat
ze moeten spelen. Hiermee bedoelen we dingen als: hoeveel maten telt de Song, hoe moet de
melodie en/of solo worden begeleid.
Fill-In
To Original
Original
Intro
Fill-In
Ending
Variation
Fill-In
To Variation
Fill-In
To Original
Original
Intro
Fill-In
Ending
Variation
Fill-In
To Variation
Grijze lijnen: Gebruik van Intro’s en Endings is optioneel.
Druk op [BASIC] of [ADVANCED] om het gewenste niveau te kiezen.
Elk wit vakje in de bovenstaande illustratie noemen we een divisie. Dat woord is hier niet zo
belangrijk, maar het helpt u begrijpen hoe u uw eigen Styles kunt programmeren. Een divisie
is één versie van de geselecteerde begeleiding (of Music Style). Zoals u merkt, zijn er twee
hoofdmodes: Basic en Advanced, die elk bestaan uit twee divisies die we Original en Variation noemen.
Basic is de “normale” begeleiding, waarin enkel de basisingrediënten van een professionele
begeleiding aanwezig zijn. Op het Advanced niveau krijgt u een andere versie (of een verdere
uitwerking van de basisversie) van de geselecteerde Music Style te horen. Op beide niveaus
(Basic en Advanced) kunt u kiezen tussen de Original begeleiding of een alternatief (dat we
Variation noemen). Deze laatste voegt één of twee partijen aan de begeleiding toe, bijvoorbeeld harde blazers in plaats van gedempte blazers.Als bandleider is het uw taak de muzikanten te vertellen wat ze moeten spelen en wanneer ze dat moeten doen. Wilt u dat de begelei-
36
Spelen met begeleiding – Arranger, Arranger en Music Styles
ding complexer wordt naarmate de song vordert, dan kunt u zich best door het volgende schema laten inspireren:
Typische Song structuur
1ste Koeplet 2e Koeplet
Basic
Original
BASIC
Basic/
Variation
ORIGINAL
BASIC
VARIATION
1ste Refr.
3e Koeplet
2e Refr.
Advanced/
Original
Basic/
Variation
Advanced/
Variation
ADVANCED
ORIGINAL
BASIC
VARIATION
ADVANCED
VARIATION
Indicators must light
Er zijn nog andere mogelijkheden om de begeleiding complexer te maken. In plaats van
abrupt over te gaan naar Advanced/Original kunt u ook een korte overgang inlassen, die een
nieuw deel van de song inluidt. Hiervoor kunt u Fill In [TO VARIATION] en [TO ORIGINAL] gebruiken:
Typische Song structuur
1ste Koeplet
V1
(maten 1~7)
(maat 8)
Basic
Original
To
Variation
BASIC
ORIGINAL
TO VARIATION
2e Koeplet
1ste Refr.
3e Koeplet
2e Refr.
Basic/
Variation
Advanced/
Original
Basic/
Variation
Advanced/
Variation
BASIC
VARIATION
ADVANCED
ORIGINAL
BASIC
VARIATION
ADVANCED
VARIATION
Indicators must light
Zie “Music Style functies” op blz. 40 als u nog andere divisies en functies wilt leren kennen
om uw begeleiding professioneler te laten klinken.
Arranger Parts
Elke begeleiding (of Music Style) kan uit maximaal acht Parts bestaan:
Part
Verklaring
A. Drums
Accompaniment Drums. Deze Part speelt de slagwerkpartijen. Hij stuurt de
drum- en percussieklanken aan van de Drum Set die aan de ADR Part is toegewezen.
A. Bass
Accompaniment Bass. Deze Part speelt de baslijn van de Music Style die u hebt
gekozen.
Ac1~Ac6
Dit zijn de melodische begeleidingspartijen. Afhankelijk van de Music Style zullen
enkele van deze Parts iets spelen. Dit kan een pianopartij, een gitaarpartij, een
orgelpartij of een synthesizerpartij zijn. Niet alle begeleidingspartijen spelen
akkoorden.
De A. Bass en Ac Parts volgen de akkoorden die u in het akkoordherkenningsgebied speelt.
Dit is het deel van het klavier dat u met de Assign [LEFT] en [RIGHT] knoppen aan de Arranger hebt toegewezen.
Als u de Arranger start zonder dat u een akkoord in dit gebied speelt hoort u enkel de drums
van de geselecteerde Music Style. In de praktijk is er echter meestal een akkoord in het geheugen van de E-96 blijven hangen, zodat u onmiddellijk een volledige begeleiding hoort.
37
E-96 Gebruikshandleiding
5.2 Het akkoordherkenningsgebied kiezen
De Arranger van de E-96 is in feite een interactieve processor die korte “patronen” weergeeft
(de geselecteerde Music Style divisie) die tijdens de weergave worden getransponeerd, afhankelijk van de noten die u speelt in het akkoordherkenningsgebied (zie hieronder). Op die
manier klinkt de begeleiding steeds in de toonaard die u speelt.
ÇÇÇö ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ ä Ç ÇÇ ÇÇöÇ
Çj
ÇöÇ Çö
öÇ Çö
============
l
l
ÏÈÈÏÈ
Ï.Ï.ÈÈÈ
ÏÈÈÏÈ î
l
.
ÏÈÈ
ÏÈÈÈ
============
l
ÈÏÈÈ
È
ÇÇÇö ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ
ÇÇÇö ÇÇöÇ
ä ÇÇj
ÇöÇ Çö
Ç
ö
===========
=Ó
l
l .
Ó
È
Ï
ÏÈÏÈÈ
l #ÏÏÏ.ÈÈÈÈÈ. ÏÏÈÈÏÈÈÈ î
Ó
ÈÈÈ
===========
=Ó
l
Grijze noten en zwarte
noten: Standard mode
Zwarte noten: Intelligent
mode
Ç
Ç
Ç ÇÇ
c öÇÇ ÇÇÇöÇ öÇÇÇ ÇöÇ ä ÇÇj
öÇ ÇÇö öÇ l
=============
l&
l
l
ÏÏÈÈÏÈÈ î
ÏÏÈÈÏÈÈ
l c Ï.Ï.ÏÈÈÈÈ .
l
=============
l&
l
ÈÈ
ÈÈ
ÈÈ
Dit is de Music Style (het patroon) die u aanstuurt.
U moet de E-96 vertellen in welke helft van het klavier hij de akkoorden moet gaan zoeken.
Normaal zult u wel voor Assign [LEFT] opteren, maar u kunt natuurlijk ook op [RIGHT]
drukken, zodat de Arranger de rechterhelft van het klavier gaat “lezen”. Het is zelfs mogelijk
tegelijk op [LEFT] en [RIGHT] te drukken, zodat u gelijk waar op het klavier kunt spelen om
de Arranger aan te sturen.
Assign LEFT
Assign RIGHT
Hoever de Left of Right zones zich uitstrekken bepaalt u met de Keyboard Mode Split parameter (zie blz. 25). Met andere woorden, het splitpunt dat u voor de Realtime Parts instelt
38
Spelen met begeleiding – Arranger, De Arranger Chord mode kiezen
wordt ook het splitpunt tussen de Left en Right akkoordherkenningsgebieden (Arranger
Chord).
5.3 De Arranger Chord mode kiezen
Voor u een Music Style moet u een aantal keuzes maken. De belangrijkste daarvan is dat u
vastlegt hoe u de nootinformatie naar de Arranger wilt sturen die ervoor moet zorgen dat de
Music Style in de juiste toonaard wordt weergegeven. U kunt kiezen uit drie modes:
Standard
Dit is de “normale” akkoordherkenning, die u kiest door op de [STANDARD] knop (indicator licht op) te drukken. In de Standard mode neemt de melodische begeleiding exact over
wat u speelt in het akkoordherkenningsgebied. Is dat een akkoord, dan speelt de begeleiding
dat akkoord. Speelt u daarentegen slechts één noot, dan speelt ook de begeleiding slechts die
noot, er van uitgaande dat u bewust de terts en kwint van het “akkoord” wegliet.
Om de Music Style een majeur, mineur of septiemakkoord te laten spelen hoeft u trouwens
slechts drie noten te spelen. Voor andere, meer complexe, akkoorden moet u vier toetsen
indrukken.
Piano Style
In plaats van op [STANDARD] kunt u ook op [PIANO STYLE] drukken (indicator licht op)
om een andere akkoordherkenning te kiezen. Piano Style betekent dat u op uw E-96 kunt spelen zoals op een piano. In deze mode is het geen slecht idee om enkel de Upper 1 Part (Whole
Right mode) te activeren, zodat u één Realtime Part over het volledige klavier kunt spelen.
De Piano Style mode werkt als volgt: de Arranger ontcijfert ieder akkoord dat u speelt, waar
u het ook speelt. Om de Arranger van akkoord te doen veranderen moet u minstens een drieklank spelen (dus de drie noten waaruit een akkoord is opgebouwd). U mag natuurlijk ook
meer dan drie akkoordnoten spelen maar denk eraan dat twee niet volstaan. Wilt u de Arranger als een volleerd pianist aansturen, activeer dan [LEFT] en [RIGHT].
Arranger blijft het vorige akkoord spelen
Arranger speelt een C majeurakkoord
39
E-96 Gebruikshandleiding
Intelligent
Druk op [INTELLIGENT] (indicator licht op) als u wilt dat de Arranger de ontbrekende
noten aanvult bij de akkoorden die u speelt. In het Referentiehandboek vindt u een overzicht
van “intelligente” akkoorden, waarin ook wordt vermeld hoe u ze moet spelen. De E-96 kan
zowat ieder denkbaar akkoord aan, bovendien hebt u slechts drie vingers nodig (twee voor
mineur en septiemakkoorden, één voor majeur akkoorden) om ze te spelen! Deze mode zult
u dan waarschijnlijk ook het meest gebruiken.
5.4 Inversion en Hold
Inversion
Druk op de [INVERSION] knop (indicator licht op) om de manier te kiezen waarop de Arranger de akkoorden die u speelt ontcijfert. Als de indicator niet oplicht speelt de A.Bass Part de
grondnoot van de akkoorden waarmee u de Arranger aanstuurt. De ligging van de akkoorden
van de Accompaniment 1~6 Parts wordt hierbij steeds uit het vaarwater van de baslijn gehouden, zodat er geen intervallen van een halve toon, en de daaruit resulterende kakofonie, ontstaan.
Door Inversion in te schakelen krijgt u meer artistieke vrijheid, aangezien u zelf de noot
bepaalt die de A.Bass Part speelt. Inversion kunt u dan ook best inschakelen voor song waarbij de baslijn belangrijker is dan de akkoorden (bijvoorbeeld C – C/B – C/Bb, enz.).
Hold
Druk op Arranger Chord [HOLD] (indicator licht op) als u de begeleiding wilt laten doorgaan
nadat u de toetsen loslaat. Zolang u geen nieuw akkoord speelt houdt de begeleiding het laatst
gespeelde akkoord aan. Speelt u een nieuw akkoord, dan verandert de begeleiding mee. Als
de Hold functie niet actief is, stopt de melodische begeleiding zodra u de noten waarmee u de
Arranger aanstuurt loslaat.
5.5 Music Style functies
FADE
IN
BASIC
SYNCHRO
OUT
ADVANCED
START
ORIGINAL
STOP
VARIATION
FILL IN
TO VARIATION TO ORIGINAL
INTRO
HALF BAR
START/STOP
RIT
ENDING
BREAK MUTE
RESET
Music Style starten
U kunt een Music Style op verschillende manieren starten:
(1) Druk op de [START/STOP] knop (indicator licht op) om de Arranger meteen te starten.
OF:
(2) Stop de weergave van de huidige Style (zie hieronder) en druk op de [INTRO] knop
(indicator licht op) om de weergave van de Style met een muzikale inleiding te beginnen.
De lengte van de Intro hangt af van de Style die u hebt gekozen. Na de Intro begint de Music
Style divisie die u kiest terwijl de Intro wordt weergegeven. U kunt dus tijdens de Intro vrij
kiezen welke divisie (Basic, Original, enz.) u na de Intro wilt horen.
40
Spelen met begeleiding – Arranger, Music Style functies
OF:
(3) Druk op Synchro [START] (de indicator knippert) en speel een akkoord (of, in de Intelligent mode, slechts één noot, zie blz. 40). De begeleiding start nu zodra u een noot in het
akkoordherkenningsgebied speelt (zie blz. 38).
Opmerking: Het heeft geen zin tijdens de Intro akkoorden te spelen. De Intro patronen bevatten namelijk meestal
reeds een kort akkoordenschema, dit in tegenstelling tot de “normale” begeleidingen (Basic, Advanced, Original,
Variation). Bovendien blijft de akkoordherkenning tijdens de Intro actief, waardoor de inleiding plots van de ene
toonaard naar de andere springt.
Nog een andere manier om de weergave te starten is om de Fade In functie (zie blz. 46)
te gebruiken.
Music Style stoppen
U kunt de weergave van een Style op drie manieren stoppen:
(1) Druk op [START/STOP] om de weergave meteen te stoppen.
(2) Druk op [ENDING] (de indicator knippert) om de Ending functie in te schakelen. Het
Ending (of coda) patroon begint dan op de eerste tel van de volgende maat.
Opmerking: Het heeft geen zin tijdens de Ending akkoorden te spelen. De Ending patronen bevatten namelijk
meestal reeds een kort akkoordenschema, dit in tegenstelling tot de “normale” begeleidingen (Basic, Advanced, Original, Variation). Bovendien blijft de akkoordherkenning tijdens de Ending actief, waardoor de coda plots van de
ene toonaard naar de andere springt.
(3) Druk op [SYNCHRO STOP] en laat alle toetsen in het akkoordherkenningsgebied van
het klavier los, de begeleiding stopt dan onmiddellijk.
Als u Sync Start activeert (indicator licht op), kunt u de begeleiding ook opnieuw starten door
gewoon op een toets te drukken, en hoeft u daar geen extra knop voor in te drukken.
Nog een andere manier om de weergave te starten is om de Fade Out functie (zie blz. 46)
te gebruiken.
Andere Style divisie kiezen
Zoals we hierboven reeds zeiden, kunt u begeleidingen professioneler laten klinken door verschillende patronen af te wisselen. U kunt de volgende niveaus en divisies selecteren:
■ Basic en Advanced
BASIC
ADVANCED
ORIGINAL
VARIATION
Druk op de [BASIC] knop om de Basic versie van de Music Style te selecteren (op blz. 36
vindt u meer informatie over Basic en Advanced). Druk op de [ADVANCED] knop om
de Advanced begeleiding te selecteren.
Opmerking: Slechts één van deze niveaus kan tegelijk actief zijn. Door op [BASIC] te drukken schakelt u
[ADVANCED] uit en vice versa.
Druk op de [ORIGINAL] knop om de “normal” Basic Music Style begeleiding te kiezen. We
maakten u reeds duidelijk dat Basic/Original de eenvoudigste van de vier begeleidingspatronen is. Het tweede begeleidingsniveau kiest u door op [VARIATION] te drukken terwijl de
Basic mode actief is. In de Advanced mode gaat u op dezelfde manier te werk, wat u dus een
totaal van vier begeleidingen per Music Style oplevert (te vermenigvuldigen met drie, zie volgende paragraaf).
41
E-96 Gebruikshandleiding
■ Majeur, mineur, septiem
Het gaat hier om een “onzichtbare” Style divisie van de E-96. Het zal u op een bepaald
moment wel opvallen dat de Intro en Ending patronen van een Music Style anders klinken
naar gelang u een ander akkoord speelt. Wat dat betreft zijn er drie mogelijkheden:
Druk voordat u verdergaat op Music Style [BANK] 8, Nummer 2 om de 82 Schlager
Style te kiezen (meer details over het kiezen van Styles vindt u op blz. 47). Druk op
[INTRO], Synchro [START], en Synchro [STOP]. De overeenkomstige indicators moeten oplichten. (Voordat u elk van de volgende mogelijkheden uitprobeert moet u telkens
op [INTRO] drukken.)
Akkoordtype
Wat er gebeurt
Majeur (M)
Hiermee activeert u een eerste (majeur akkoord) begeleiding.
Mineur (m)
Hiermee activeert u een tweede begeleiding. Probeer dit maar eens uit: speel
een C majeur akkoord, druk opnieuw op [INTRO] en speel een C mineur akkoord.
Septiem (7)
Door en septiemakkoord te spelen activeert u nog een ander soort begeleiding
level. Probeer ook dit eens: speel eerst een majeur en daarna een septiemakkoord.
Zoals u merkt, kunt u voor een aantal divisies (zoals Intros en Endings) het beschikbare aantal
in feite met drie vermenigvuldigen!
Opmerking: De E-96 stelt u ook nog in staat om aan één van deze niveaus een vrij te kiezen akkoordtype (7/5,
dim enz.) toe te wijzen (zie blz. 91).
■ Fills: To Original en To Variation
FILL IN
TO VARIATION TO ORIGINAL
HALF BAR
RIT
BREAK MUTE
Schakel Synchro [STOP] uit en activeer Arranger Chord [HOLD]. Start de weergave
van de huidige Style door op [START/STOP] te drukken.
Fill In [TO ORIGINAL] en [TO VARIATION] zijn twee fills (of overgangen) die u aan het
einde van een muzikale zin (strofe, refrein, brug) kunt plaatsen. Door op één van deze twee
knoppen te drukken slaat u twee vliegen in één klap:
In de Original mode
In de Variation mode
TO ORIGINAL
De Original Fill wordt weergegeven.
De Original fill wordt weergegeven, waarna
de Original begeleiding overneemt.
TO VARIATION
De Variation Fill wordt weergegeven, waarna de Variation begeleiding overneemt.
De Variation Fill wordt weergegeven.
Probeer dit uit. Druk eerst op [TO VARIATION], daarna op [TO ORIGINAL].
Beschouw een Fill gewoon als het moment in een stuk wanneer de drummer even een roffel
kan spelen en de bassist en toetsenist een paar noten aan hun begeleiding toevoegen.
Fill-Ins duren één maat, maar u kunt ze op de volgende manier ook korter maken: druk op
[TO VARIATION] of [TO ORIGINAL] op de eerste tot en met de voorlaatste tel van een
maat (dus de 1ste, 2de of 3de tel van een 4/4 maat, of de 1ste of 2de tel van een 3/4 maat) De
Fill begint dan onmiddellijk en duurt tot het einde van de huidige maat. Drukt u op de laatste
tel van een maat op [TO VARIATION] of [TO ORIGINAL], dan begint de Fill op de eerste
tel van de volgende maat en duurt hij heel die maat.
42
Spelen met begeleiding – Arranger, Music Style functies
Opmerking:
U kunt de [TO ORIGINAL] of [TO VARIATION] knop ook gebruiken om de weergave van de
Style te starten. Na de Fill gaat de Arranger verder met de Original of Variation begeleiding, naar gelang de Fill die
u kiest.
Tip: De Intro en Ending van de huidig geselecteerde Style kunt u ook als “fills” gebruiken. Zie
“Intro en Ending” voor meer informatie.
Laat de weergave van de Style lopen.
■ Nog meer Fill functies: Fill In Half Bar en Fill In Rit
Een aantal popsongs in 4/4 bevatten maten die slechts twee tellen duren, vaak tussen de eerste
en de tweede strofe. Ook aan het einde van het refrein of de brug komt u dit soort “gehalveerde” maten nogal eens tegen. Dit soort “afwijkingen” kunt u met de E-96 getrouw nabootsen.
Druk op Fill In [HALF BAR] (indicator licht op) om de Half Bar (halve maat) functie te activeren. In eerste instantie gaat de begeleiding onveranderd door. Pas wanneer u op [TO ORIGINAL] of [TO VARIATION] drukt, treedt de Half Bar functie in werking door het aantal
tellen van de gekozen Fill te halveren.
Half Bar is actief. De Fill
duurt dus maar twee tellen (2/4)
1ste Koeplet
V1
(maat 1~7)
(maat 8)
Basic
Original
To
Variation
2e Koeplet
1ste Refr.
3rd Koeplet
2e Refr.
Basic/
Variation
Advanced/
Original
Basic/
Variation
Advanced/
Variation
TO VARIATION
BASIC
BASIC
ORIGINAL
VARIATION
ADVANCED
ORIGINAL
BASIC
VARIATION
ADVANCED
VARIATION
HALF BAR
U kunt reeds in de 7e maat
op [HALF BAR] drukken
De [RIT] knop zult u in eerste instantie bij ballads gebruiken. Door erop te drukken (indicator
licht op) zorgt u dat de eerstvolgende Fill (To Original of To Variation) stilaan vertraagt
(“ritardando”). Probeer deze functie eens uit: druk op [RIT] (indicator licht op) en druk op
[TO ORIGINAL] of [TO VARIATION]. Houd het tempovenster in de gaten.
Tijdens de Fill merkt u dat het tempo stilaan vertraagt, aan het einde van de Fill gaat de Style
opnieuw verder in het originele tempo. Wilt u het nog een keer horen? Druk dan nogmaals op
dezelfde Fill knop en houd het display in de gaten.
Schakel Fill In [RIT] (en [HALF BAR]) weer uit, en stop de weergave van de Style.
■ Intro en Ending
Door vanuit een “stilstaande” Style op de [INTRO] knop (indicator licht op) te drukken maakt
u de Style klaar voor weergave voorafgegaan door een Intro. Om de weergave effectief te
starten drukt u op [START/STOP] of activeert u Synchro [START].
De lengte van de Intro hangt af van de Style die u hebt gekozen. Sommige Intro’s duren twee
maten, andere acht maten, enzovoort. U kunt de Intro functie ook met Sync Start combineren
(zie hieronder).
Tijdens de weergave van de Intro knippert de indicator van de [ORIGINAL] of [VARIATION] knop om aan te geven welk van deze twee divisies de Style zal kiezen na de Intro. De
keuze tussen deze twee kunt u nog tijdens de weergave van de Intro veranderen, door op
[ORIGINAL] of [VARIATION] te drukken (de overeenkomstige indicator knippert).
Opmerking: U kunt ook ergens in het midden van een song op [INTRO] drukken. In dat geval blijft de indicator
knipperen tot aan het einde van de huidige maat en licht hij op de eerste tel van de volgende op om aan te geven dat
de Arranger de Intro aan het spelen is.
43
E-96 Gebruikshandleiding
Tip: U kunt een Intro zo vaak laten herhalen als u wilt. U drukt gewoon nog een keer op de
[INTRO] knop terwijl de Intro wordt weergegeven. Doet u dat bijvoorbeeld op de vierde tel van
de eerste maat, wordt de Intro herhaald in de tweede maat. Natuurlijk zal dit slechts bij een aantal
Intro’s muzikale resultaten opleveren (ze mogen bijvoorbeeld niet met een drumroffel beginnen
enz.). In de gevallen waar het wel goed klinkt kunt u deze mogelijkheid combineren met de Fade
Out functie (zie blz. 46) om een origineel einde aan uw songs te breien.
Als u tijdens de weergave van een Style op [ENDING] drukt, begint de indicator te knipperen
tot aan het einde van de huidige maat. Op de eerste tel van de volgende maat blijft de indicator
branden en geeft daarmee aan dat de Arranger nu het Ending patroon weergeeft Een Ending
is een slotfrase die muzikaal aansluit bij de rest van de Style. De lengte van de Ending hangt
weerom af van de Style die u hebt geselecteerd.
Na het Ending patroon stopt de weergave van de Style.
Tip: U kunt de Intro en Ending van de geselecteerde Style ook als “fills” gebruiken. U zou zelfs
een song kunnen beginnen met het Ending patroon en eindigen met de Intro. Denk er wel aan dat
de lengte van de Intro’s en Endings van Style tot Style varieert. U probeert deze mogelijkheid dus
best eerst eens uit (waarbij u het aantal maten telt) voor u ze “live” gebruikt. Gebruikt u de Ending
als intro, dan moet u er ook rekening mee houden dat na de Ending de weergave van de Style stopt.
Drumbegeleiding tijdens het spelen veranderen
MUSIC ST YLE
BANK
ROCK & POP
EASY LISTEN
50's & 60's
2
3
1
1
2
3
SWING
4
4
/ MIDI SET
LATIN 1
5
LATIN 2
6
STANDARD
7
WORLD
USER
8
MIDI SET
DRUM VARIATION
De E-96 biedt de mogelijkheid de drumbegeleiding te variëren. Het gaat hier om het toevoegen (en weglaten) van drum- en percussie-instrumenten, en u kunt dit doen door een andere
Drum Variation te kiezen. Welke instrumenten precies worden toegevoegd of weggelaten,
ligt reeds vast, daar kunt u zelf verder niets meer aan veranderen.
Door op de Drum Variation [4] te drukken knop roept u alle drum en percussie Parts van de
geselecteerde Style op. Als u op Drum Variation [3] drukt, zult u merken dat één van de twee
aanwezige percussie-instrumenten (bijvoorbeeld de conga’s) verdwijnen. Druk op Drum
Variation [1] indien u de eenvoudigste drumbegeleiding van de huidige Style wilt horen, of
op [2] als u een iets drukkere drumpartij verkiest.
44
Spelen met begeleiding – Arranger, Music Style functies
Andere nuttige Style weergavefuncties
■ One Touch
TEMPO
AUTO
LOCK
RIT
ACC
ONE TOUCH
One Touch is een functie die u waarschijnlijk vaker gebruikt, ze automatiseert namelijk een
groot aantal taken:
U kunt deze functie activeren door tegelijk op [RIT] en [ACC] te drukken. In het display verschijnt dan een pijl (√) naast de naam van de Style (bv. 82√ Schlagr). Soms moet u de knoppen even ingedrukt houden om One Touch te activeren of te desactiveren. Kiest u nu een
Music Style terwijl One Touch actief is, dan kiest de E-96 automatisch de volgende instellingen:
• Arranger Chord [STANDARD] (brandt) en [HOLD] (brandt)
• Preset Style tempo
• Synchro [START] (brandt)
• Een Tone voor Upper1 en Upper2 die bij de geselecteerde Style passen
• Keyboard Mode [SPLIT]
• Assign Left (Arranger Chord)
• Geschikte Reverb en Chorus instellingen voor Upper1 en Upper2.
One Touch komt bijzonder goed van pas in die onvermijdelijke gevallen waarbij iemand een
verzoeknummer aanvraagt en u weet dat er tussen uw Performance geheugens niets zit dat
voor dat stuk geschikt is. Voor uw eigen “repertoire” kunt u beter beroep doen op Performance Memories (zie blz. 56), waarin u van tevoren ideale instellingen per Song vastlegt.
Opmerking: Zodra u een Performance Memory kiest, wordt de One Touch functie uitgeschakeld.
■ Break Mute
FILL IN
TO VARIATION TO ORIGINAL
HALF BAR
RIT
BREAK MUTE
Break Mute is een erg leuke functie voor rock’n’roll songs en ballads. Druk op [BREAK
MUTE] en het Arrangement houdt op gedurende de rest van de huidige maat of, als u de knop
op de laatste tel van een maat indrukt, gedurende de volledige volgende maat. Meestal speelt
u over zo’n “lege” (tacet) maat het vervolg van de melodie of solo. Met Break Mute kunt u
bijvoorbeeld perfect de breaks in “Great Balls Of Fire” uitvoeren.
45
E-96 Gebruikshandleiding
Om de breaks op het juiste moment te plaatsen moet u wel op de timing letten:
Eén 4/4 maat
Tweede 4/4 maat
enz.
Style
weergave
begint weer
Als u in dit bereik op [BREAK MUTE] drukt
BREAK MUTE
Eén 4/4 maat
Volgende 4/4 maat
Derde 4/4 maat
enz.
Style
weergave
begint weer
BREAK MUTE
Opmerking: De Break Mute functie werkt ook voor 3/4 en 2/4 maten. Ook hier kunt u op de laatste tel van een
maat op [BREAK MUTE] drukken om de begeleiding gedurende de volgende maat uit te schakelen.
Opmerking: Break Mute kunt u niet combineren met de Half Bar functie; “halve Breaks” zijn dus niet mogelijk.
Hebt u toch zo’n halve break nodig, gebruik dan de Reset functie (zie blz. 47).
■ Melody Intelligence
De Arranger van de E-96 verzorgt niet enkel de akkoorden van een begeleiding, maar kan ook
een tweede stem spelen op basis van de akkoorden die u in het akkoordherkenningsgebied
speelt. Deze tweede stem wordt door de Upper2 Part gespeeld en bij de Upper1 Part gevoegd.
U activeert de tweede stem door op [MELODY INTELL] te drukken (indicator licht op). De
Upper2 Part is dan actief (hoewel de indicator van de Keyboard Mode [UPPER2] knop
dooft). U kunt gelijk welke Tone aan de Upper2 Part toewijzen.
■ Fade In/Fade Out
FADE
IN
SYNCHRO
OUT
START
STOP
FILL IN
TO VARIATION TO ORIGINAL
HALF BAR
RIT
BREAK MUTE
Fade In is een functie die u van tijd tot tijd wel eens zult willen gebruiken. Fade In betekent
dat het volume van de Arranger en Realtime Parts langzaam toeneemt. Het lijkt dan alsof u
al een hele tijd aan het spelen was, maar nu pas hoorbaar wordt. Om een Fade In te maken
drukt u op de [FADE IN] knop (de indicator begin te knipperen). Het volume wordt nu automatisch op nul gezet en geleidelijk aan verhoogd tot de waarde die u met de [VOLUME]
regelaar hebt ingesteld. Zodra de Fade In is voltooid, dooft de [FADE IN] indicator.
Opmerking: U kunt de Fade In ook tijdens een Fade Out (zie hieronder) activeren. In dat geval begint het volume
weer omhoog te gaan vanaf het niveau waar de Fade Out reeds was beland op het moment dat u op [FADE IN] drukte. Omgekeerd gaat ook: u kunt de Fade Out (zie hieronder) ook tijdens een Fade In activeren.
We hoeven u natuurlijk niet te vertellen dat er in popmuziek enorm veel gebruik wordt
gemaakt van Fade Out’s. Het goede nieuws is dat u met de E-96 professionele Fade Out’s
kunt programmeren, die niet hoeven onder te doen voor het origineel dat u probeert na te spelen. Het volstaat dat u op [FADE OUT] drukt (de indicator knippert), het volume wordt dan
geleidelijk aan zachter tot u niets meer hoort (en de indicator blijft branden).
Om na een Fade Out weer het ingestelde volume te kiezen, drukt u nogmaals op [FADE
OUT]. Aan het einde van een Fade Out houdt de weergave van de Style automatisch op.
Tip: Als u wilt vermijden dat het kiezen van het ingestelde volume gepaard gaat met een plotse
volumesprong, moet u eerst op de [START/STOP] knop drukken, even wachten, en vervolgens op
[FADE OUT] drukken.
46
Spelen met begeleiding – Arranger, Music Styles kiezen
■ Reset
Als u al eens optreedt, weet u wel hoe dat gaat: er komt steevast iemand uit het publiek die
kost wat kost zijn favoriete nummer wilt zingen en daarbij op u rekent voor de begeleiding.
Vaak is het een behoorlijke uitdaging om dergelijke mensen te begeleiden omdat de meeste
amateurzangers, alle goede bedoelingen niet te na gesproken, worstelen met één probleem:
timing.
De [RESET] functie is hier uw redder in nood. Druk op deze knop wanneer u de zanger kwijt
bent (of vice versa). Door op [RESET] (links van de [ENDING] knop) te drukken zorgt u
namelijk dat de weergave van de Style onmiddellijk weer vanaf de eerste maat begint.
■ Dynamic Arranger
Druk op de [DYNAMIC ARRANGER] knop als u het volume van de Arranger Parts wilt
aansturen met de kracht (aanslag) waarmee u de toetsen in het akkoordherkenningsgebied
aanslaat. Als het resultaat u niet bevalt kunt u de aanslaggevoeligheid van de Arranger Parts
aanpassen (zie blz. 92).
Tip: Een interessante mogelijkheid is om de aanslaggevoeligheid van de Arranger Parts zo te programmeren dat een aantal Parts niet hoorbaar zijn als andere dat wel zijn, en vice versa. Op die
manier kunt u het karakter van de Music Styles tijdens het spelen veranderen.
5.6 Music Styles kiezen
MUSIC ST YLE
BANK
ROCK & POP
EASY LISTEN
50's & 60's
2
3
1
1
2
3
SWING
/ MIDI SET
LATIN 1
4
4
5
LATIN 2
6
STANDARD
7
WORLD
USER
8
MIDI SET
DRUM VARIATION
De Music Styles van de E-96 zijn onderverdeeld in 8 banken van 8 Styles. Na het inschakelen
kiest de E-96 automatisch de Style 18 Contemp Style.
(1) Druk op de [BANK] knop (indicator licht op).
De controle- (CC) en programmanummers (PC) hebben geven het “MIDI-adres” van de Style
aan. Jawel, u kunt inderdaad Music Styles via MIDI selecteren (op het Style Select kanaal,
zie blz. 140). Met de controlenummers kiest u de Style, terwijl u met het programmanummer
de divisie (Intro, Ending, enz.) kiest. Selecteer maar eens een andere divisie (druk bijvoorbeeld op [BASIC]) – u zult merken dat het programmanummer verandert.
(2) Druk nu op een Nummer knop om een Music Style bank te selecteren.
Druk bijvoorbeeld op knop nummer 8.
47
E-96 Gebruikshandleiding
(3) Druk tenslotte op nog een nummer (een ander of hetzelfde) om een Style nummer uit
deze Bank te selecteren.
Druk bijvoorbeeld op 5 om de Foxtrot Style te selecteren. Het display keert nu terug naar de
Master pagina en het tempo en de naam van de nieuwe Style verschijnen op de bovenste regel.
Om binnen dezelfde bank en andere Style te selecteren drukt u gewoon op een nummerknop.
Het tempo en de naam van die Style verschijnen in de bovenste regel.
Opmerking: U kunt niet enkel een andere Bank kiezen. Eens u een bank opgeroepen hebt, moet u er ook een nummer uit kiezen, anders wordt de gewenste Style namelijk niet geladen. U kunt wel de gekozen Style opslaan als
onderdeel van een Performance Memory, zodat deze Music Style automatisch wordt gekozen zodra u dit Performance geheugen selecteert.
Externe (User) Styles gebruiken
U bent niet beperkt tot de Music Styles in de interne ROM, u kunt ook met Styles van een
Style diskette werken. Bij de E-96 wordt een Demo/ Style Disk met nieuwe Styles geleverd.
Bij uw Roland verdeler kunt u bovendien nog andere MSA of MSD Style diskettes krijgen.
U kunt ook uw eigen Styles programmeren (zie blz. 101) en laden. Alle Styles die niet in het
interne geheugen zitten noemen we vanaf nu User Styles.
De E-96 kan 8 User Styles tegelijk bevatten. Deze Styles moet u van een Style diskette laden.
Dit houdt in dat deze Styles naar het RAM User Style geheugen worden gekopieerd. Houd er
wel rekening mee dat dit geheugen geen voeding heeft en dat de User Styles dus worden
gewist zodra u de E-96 uitschakelt.
■ Autoload
Als u de bijgeleverde Demo/Style diskette in de drive steekt voordat u de E-96 inschakelt,
worden automatisch de acht Styles geladen die zich in de Autoload Style Set op die diskette
bevinden. De Styles in deze set vormen een zinvolle aanvulling op het interne aanbod. U kunt
echter ook uw eigen Style Sets op andere diskettes automatisch laden. U slaat gewoon acht
Styles op onder de naam Autoload, steekt de diskette in de drive, en schakelt uw E-96 in. De
acht Styles worden dan automatisch geladen.
■ User Styles laden
Zo laadt u User Styles:
(1) Steek de bijgeleverde Demo/Style diskette in de disk drive.
(2) Druk op de Master pagina (zie blz. 17) op [F5] (Disk) om de Disk mode te selecteren.
(3) Druk op [F1] (Load) om de 1 Load optie te selecteren (als die nog niet geselecteerd is).
In de schuifbalk (links) zou nu USR STL te zien moeten zijn. Als dat niet het geval is...
(4) ... drukt u op [PAGE] ▲/▼ tot USR STL in de schuifbalk wordt afgebeeld.
(5) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop de Source parameter op Dsk in.
Als u dit verzuimt, wordt er een interne Style naar het geselecteerde User Style geheugen
gekopieerd. Dat is enkel nodig wanneer u de betreffende Style wilt editen, maar daar zijn we
nu niet mee bezig.
In het Music Style infovenster ziet u een lijst van de Styles op de diskette. De laatste waarde
in dit display geeft aan hoeveel User Style geheugen er nog vrij is.
(6) Stap met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop door de lijst van beschikbare Styles. De
aangeduide Style (wit-op-blauw) wordt geladen. Nu moet u kiezen welke onderdelen
48
Spelen met begeleiding – Arranger, Music Styles kiezen
van de Style u wilt laden. (U weet intussen wel dat we deze onderdelen divisies noemen:
Original, Basic, Ending, Intro, enz.)
(7) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de gewenste Style divisie.
Wat we nu willen doen is een Style laden en gebruiken zoals een interne Style, dus kiezen we
ALL (alle divisies).
(8) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het User Style waarnaar u de Style wilt
kopiëren (to User). Laten we voor ons voorbeeld User Style geheugen 1 kiezen.
Opmerking: Het User Style geheugen waarnaar u de Style wilt kopiëren mag nog geen Style bevatten. De E-96
waarschuwt u namelijk niet als u op deze manier een Style aan het overschrijven bent!
(9) Druk op (Execute) om de Style te laden.
(10) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
U hebt nu een User Style in het eerste User Style geheugen geladen. (Zie “User Style Sets
gebruiken” op blz. 53 als u 8 Styles tegelijk wilt laden.) Nu wilt u de geladen Style natuurlijk
gebruiken. Dit gaat als volgt in zijn werk:
■ User Styles kiezen
(1) Druk op [USER] (indicator licht op).
MUSIC ST YLE
BANK
ROCK & POP
EASY LISTEN
50's & 60's
2
3
1
1
2
3
SWING
4
4
/ MIDI SET
LATIN 1
5
LATIN 2
6
STANDARD
7
WORLD
USER
8
MIDI SET
DRUM VARIATION
(2) Druk op een nummer knop om het overeenkomstige User Style geheugen te selecteren.
Opmerking: De gekozen Style is één van die dingen die u kunt opslaan als onderdeel van een Performance
Memory (zie blz. 56).
49
E-96 Gebruikshandleiding
5.7 Style Tempo
Tempo wiel en indicators
TEMPO
AUTO
LOCK
RIT
ACC
ONE TOUCH
Elke Music Style heeft reeds een tempowaarde meegekregen, die u echter met het [TEMPO]
wiel naar wens kunt aanpassen. De tempowaarde die u zelf invoert wordt opgeslagen als
onderdeel van een Performance Memory.
De TEMPO indicators knipperen in de maat van het geselecteerde tempo. De eerste indicator
licht rood op om aan te duiden dat het om de eerste tel van een nieuwe maat gaat. Bij maatsoorten die uit meer dan vier tellen bestaan (zoals 6/8, enz.) knippert de vierde indicator meermaals om de “ontbrekende” tellen aan te vullen.
Er zijn nog een paar dingen die u goed moet onthouden in verband met het Style tempo:
• Het voorgeprogrammeerde tempo waarvan we gewag maakten wordt telkens wanneer u
de Style selecteert opnieuw opgeroepen, tenzij u een ander tempo in een Performance
Memory hebt opgeslagen en de Style via dat Performance geheugen selecteert.
• Met Auto en Lock bepaalt u wat er gebeurt wanneer u een andere Style kiest terwijl de
huidige Style wordt weergegeven. Zie “Auto Tempo en Tempo Lock” op blz. 51.
Tap Tempo
Tap Tempo is de meest muzikale manier waarop u het weergavetempo kunt specifiëren: druk
op de [TAP TEMPO] knop zoals een aftellende drummer zijn stokken tegen elkaar zou slaan.
GM / GS MODE
PERFORMANCE MEMORY HOLD
OCTAVE
TAP TEMPO
MELODY INTELL
TRANSPOSE
DOWN
UP
STYLE
TONES KBD MODE
Zodra u tweemaal hebt gedrukt ziet u in het tempo display reeds een nieuwe tempowaarde
verschijnen. In theorie hoeft u dus slechts tweemaal op deze knop te drukken om een nieuw
tempo te bepalen. In de praktijk zult u echter meestal viermaal drukken voor een 4/4 maat,
driemaal voor een 3/4 maat, enzovoort.
Opmerking: U kunt de Tap Tempo functie ook tijdens de weergave gebruiken. Druk minstens tweemaal op de
[TAP TEMPO] knop om het nieuwe tempo te kiezen.
50
Spelen met begeleiding – Arranger, Style Tempo
Auto Tempo en Tempo Lock
Met de [AUTO] en [LOCK] knoppen onder het [TEMPO] wiel bepaalt u of en hoe het tempo
verandert wanneer u een nieuwe Style kiest:
AUTO
indicator
LOCK
indicator
Als de Arranger niets
weergeeft op het moment dat
u een andere Style kiest
❍
De Arranger laadt het Preset
tempo van de nieuwe Style.
❍
●
Het Preset tempo van de
nieuwe Style wordt niet geladen maar de Style wordt weergegeven aan het tempo dat in
het Tempovenster verschijnt.
❍
❍
Het Preset tempo van de Style
wordt geladen.
●
Als er een Style wordt
weergegeven op het moment dat
u een andere Style kiest
De nieuwe Style wordt weergegeven aan het tempo van de vorige
Style.
Het Preset tempo van de Style
wordt geladen, waardoor het weergavetempo verandert.
Meestal kiest u waarschijnlijk de Auto mode (de AUTO indicator licht op), wat echter niet
wilt zeggen dat de andere opties niet van pas kunnen komen. Zo stelt de AUTO/LOCK Off
optie u bijvoorbeeld in staat om medleys te spelen met het juiste Style tempo.
Tempo Rit en Tempo Acc
De Tempo [RIT] (ritardando) knop werkt op ongeveer dezelfde manier als de Fill In [RIT]
knop, met dit verschil dat hij op de weergave van de volledige Style werkt, terwijl Fill-In
[RIT] enkel op fills werkt. Druk op [RIT] om het weergavetempo geleidelijk te vertragen (de
indicator knippert). Zodra de ritardando is voltooid dooft de [RIT] indicator. Afhankelijk van
wat u deed voordat u op de [RIT] knop drukte gebeuren er verschillende dingen, zoals de
onderstaande tabel laat zien. Om weer de vorige tempowaarde te kiezen drukt u tegelijk op
[RIT] en [ACC] (accelerando).
Wat u deed voor u op [RIT]
drukte
Tempo
U drukte niet op [ACC]
Het tempo vertraagt volgens een van tevoren ingestelde waarde.
Bv.: als het Style tempo nu q = 120 is, vertraagt het tot q = 96.
U drukte op [ACC] en wachtte
tot de indicator doofde.
Het tempo wordt opnieuw op de originele waarde ingesteld (q =
120 in het voorbeeld hierboven).
Opmerking:
U kunt ook de snelheid van de ritardando (of Rit) en accelerando (Acc) instellen.
Tempo [ACC] doet het tegenovergestelde: het Style tempo volgens een in te stellen waarde
versnellen (zie blz. 90). Ook hier weer twee mogelijkheden, afhankelijk van wat u deed voor
u op [ACC] drukte:
Wat u deed voor u op [ACC]
drukte
Tempo
U drukte niet op [RIT]
Het tempo versnelt volgens een van tevoren ingestelde waarde.
Bijvoorbeeld: als het Style tempo nu q = 120 is, versnelt het tot q =
140.
U drukte op [RIT] en wachtte
tot de indicator doofde.
Het tempo wordt opnieuw op de originele waarde ingesteld (q =
120 in het voorbeeld hierboven).
51
E-96 Gebruikshandleiding
5.8 Music Styles wijzigen
Andere Tones aan de Arranger Parts toewijzen
U kunt andere Tones kiezen voor de Arranger Parts van de geselecteerde Music Style. Alleen
al een andere Drum Set kiezen voor de A. Drums Part is soms genoeg om de Music Style
anders te laten klinken. Een akoestische piano vervangen door een elektrische is een ander
voorbeeld van hoe u een ROM Music Style naar uw smaak kunt aanpassen.
Tones voor de Arranger Parts kiest u op dezelfde manier als de Tones voor de Realtime Parts,
met één verschil: de Arranger Parts kunt u niet oproepen met de Part Select knoppen onder
het display. U moet de gewenste Part kiezen met de [DRUMS/PART] draaiknop in de Tone
mode.
Zie “Tones kiezen met de draaiknoppen” op blz. 30.
Tone Change
U beslist of de E-96 onthoudt welke Tones u aan de Arranger Parts hebt toegewezen. Laat u
de Tone Change parameter onveranderd, dan zult u merken dat de Music Style uiteindelijk
weer de originele preset Tones kiest.
Met die Tone Change parameter kunt u echter ook zorgen dat uw eigen keuze van Tones
steeds voorrang krijgt op de voorgeprogrammeerde Tones. Zie “Wie kiest de Tones? – Tone
Change” op blz. 31 voor meer informatie over de Tone Change parameter.
Prf
De gekozen Tone blijft actief tot u een andere Tone of een ander Performance geheugen kiest.
Arr
De Tones die u zelf voor de Arranger Parts had gekozen wordt vervangen door de Tonekeuze die in de Music Styles zit verwerkt.
Opmerking: De Tone Change opties werken enkel op “interne” commando’s. Programmakeuze-commando’s die
via MIDI IN worden ontvangen worden altijd uitgevoerd, welke Tone Change optie u ook kiest.
De Tone Change parameter kunt u op de volgende manier instellen:
(1) Druk op [TONE] om de Tone mode te selecteren.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F2] (Arrng) om de Arranger pagina te selecteren.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Part waarvan u de Tone Change instelling wilt
wijzigen.
De naamvan de gekozen Part verschijnt in de schuifbalk.
(4) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop de Tone Change schakelaar op Prf of Arr in.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: De gekozen Style en Tone (en nog een aantal andere instellingen) kunt u opslaan als onderdeel van
een Performance Memory. Dit doet u best zodra u alle Tones aan de Arranger Parts hebt toegewezen en alle Tone
Change keuzes hebt gemaakt (zie blz. 56).
52
Spelen met begeleiding – Arranger, User Style Sets gebruiken
5.9 User Style Sets gebruiken
Uw eigen Style Sets samenstellen en bewaren
User Style Sets vormen de meest efficiënte manier om in een bepaalde situatie snel een aantal
User Styles beschikbaar te hebben. Zo’n User Style Set samenstellen vraagt weliswaar wat
tijd, maar die loont dan ook de moeite. Een bijkomend voordeel is dat u Styles van verschillende diskettes als een Set op één diskette kunt zetten en in één keer kunt laden.
(1) Laad acht Styles in de User Style geheugens van de E-96 (zie stap (2)~(9) op blz. 48 en
herhaal stap (5)~(9) tot alle acht User Style geheugens Music Styles bevatten).Vergeet
niet telkens de juiste diskette in de drive te schuiven.
Opmerking: Druk niet op [F5] (Exit) als u klaar bent.
Style Sets bevatten in feite geen data, maar enkel verwijzingen naar bestaande Styles op diskette. U begrijpt meteen waarom we de acht Styles die zich nu in het geheugen van de E-96
bevinden op een nieuwe diskette moeten opslaan, willen we die Set later nog kunnen laden:
■ User Styles op diskette opslaan
(2) Steek een nieuwe 2DD of 2HD diskette in de drive. Is deze niet geformateerd, dan krijgt
u alsnog de kans dat te doen. Gaat het om een IBM PC geformateerde diskette, dan kunt
u gelijk verdergaan.
(3) Druk op [F2] (Save) op de Disk pagina.
(4) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de onderstaande display-pagina:
(5) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het User Style geheugen 1.
(6) De naam van de Style wilt u waarschijnlijk onveranderd laten, dus die stap kunnen we
hier overslaan.
Wilt u toch de naam van de Style veranderen, kies dan met de [LOWER/NUMBER] draaiknop het teken dat u wilt veranderen en kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het
nieuwe teken.
(7) Druk op Part Select [M.BASS] (Execute) om de Style op diskette op te slaan.
(8) Herhaal stap (5)~(7) om de Styles 2~8 op diskette op te slaan.
In stap (5) moet u dan achtereenvolgens “2”, “3”, ... “8” kiezen.
■ User Style Set opslaan
Nu u acht Styles op diskette hebt samengebracht kunt u ze combineren tot een Style Set.
Uiteraard kunt u nog meer User Styles op dezelfde diskette opslaan en ze combineren tot
andere Style Sets.
Een Style Set samenstellen en opslaan doet u als volgt:
53
E-96 Gebruikshandleiding
(9) Vooropgesteld dat u zich nog in de Disk mode bevindt, houd [SHIFT] ingedrukt en druk
op [F1] (StlSt).
(10)
(11)
(12)
(13)
Het Style Set venster op deze display-pagina ziet er natuurlijk anders uit dan dat van uw E-96,
want er staan nog geen User Style Sets op de diskette. Maar dat komt nog wel:
Druk op Part Select [M.DRUMS] (New) om een nieuwe Style Set aan te maken.
Kies met de [BASS/BANK] draaiknop een Style Position.
De Position geeft aan naar welk User Style geheugen de betreffende Set-Style bij het laden
wordt gekopieerd. “1” betekent dus dat de User Style die u aan deze Position toewijst naar
het User Style geheugen 1 wordt gekopieerd, enzovoort.
Kies me t de [LOWER/NUMBER] draaiknop de Disk Style die u aan de zonet gekozen
position wilt toewijzen.
In het Disk Style venster worden alle Styles afgebeeld die zich op de diskette in de drive
bevinden.
Herhaal stap (11) en (12) tot uw Style Set compleet is.
Opmerking: In plaats van een Style kunt u voor een bepaalde Position ook *** invullen. Dit betekent dat het
overeenkomstige User Style geheugen niet wordt overschreven wanneer u de Style Set laadt. Deze functie kan handig zijn als u dit User Style geheugen wilt vrijhouden om het vanuit een Performance Memory aan te spreken.
(14) Druk op Part Select [UPPER1] (Save) zodat u op de volgende display-pagina belandt:
In het Style Set venster komt u alles te weten over omvang van de Style (Size, in bytes) en de
resterende capaciteit van de diskette (Free Disk ook in bytes).
De naam van de Style Set die u nu gaat opslaan wordt STLST, gevolgd door een nummer (in
uw geval waarschijnlijk “001”), tenzij u nu een andere naam kiest.
Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop het teken dat u wilt veranderen en met de
[UPPER/VARIATION] draaiknop het teken dat u ervoor in de plaats wilt zetten. Eens de
naam voltooid...
(15) ... drukt u op Part Select [M.BASS] (Execute) om de Style Set op diskette te zetten.
U krijgt nu de volgende pagina te zien:
U wist het misschien nog niet, maar uw E-96 is een instrument met multitasking mogelijkheden, wat betekent dat hij meerdere opdrachten tegelijk kan uitvoeren. Zo kunt u nu op [F5]
(Exit) drukken en iets anders met de E-96 gaan doen, intussen zet hij uw Style Set vlekkeloos
op diskette.
Zodra de User Style Set is opgeslagen, krijgt u de melding “OK Function Complete” te zien.
54
Spelen met begeleiding – Arranger, User Style Sets gebruiken
User Style Sets laden
U bent niet verplicht User Styles één voor één te laden, u kunt namelijk ook User Style Sets
laden, die elk 8 Styles bevatten. Dit gaat niet alleen sneller, maar stelt u ook in staat om Sets
samen te stellen van alle User Styles die u in een bepaalde situatie nodig hebt. Om de werking
van User Style Sets beter te begrijpen gaan we nu de Set laden die u zonet hebt samengesteld:
(1) Steek uw diskette in de disk drive.
(2) Op de Master pagina (zie blz. 17) drukt u op [F5] (Disk) om de Disk mode te selecteren:
(3) Als de 1 Load menu optie nog niet is geselecteerd drukt u op [F1] of [SHIFT]+[F1]
(Load) om dat te doen.
In de schuifbalk (links) zou nu STL SET moeten staan. Als dat niet het geval is...
(4) ... drukt u op [PAGE] ▲/▼.
(5) Stap met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop (Select) door de lijst van beschikbare Style
Sets en kiest er één uit.
Het rechter informatievenster (Destination) toont welke User Style geheugens door de Set
zullen worden overschreven. Een koppelteken (“–”) betekent dat de Style Set geen data bevat
voor de betreffende geheugenplaats. Zo betekent de tweede regel in het bovenstaande Destination venster dat de geselecteerde Style Set geen data bevat voor User Style geheugens 1 en
4. Die geheugens worden bijgevolg niet overschreven.
(6) Druk op Part Select [UPPER1] (Execute) om de Style Set te laden.
(7) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Zolang data worden geladen, verschijnt de melding LOADING in de rechter bovenhoek van
de Master pagina.
55
E-96 Gebruikshandleiding
6.
Instellingen opslaan en laden –
Performance Memories
De E-96 beschikt over 192 Performance Memories waarin u zowat alle instellingen die u op
het frontpaneel maakt kunt opslaan. We hebben het tot nu toe erg eenvoudig gehouden, en
slechts enkele instellingen gewijzigd. U kunt echter nog veel “dieper” in de structuur van de
E-96 afdalen om u met meer complexe en uitdagende parameterwijzigingen bezig te houden.
Ook de dingen die u dan instelt kunt u opslaan in Performance Memories. Voordat we de Performance Memories van de E-96 van dichterbij gaan bekijken, moeten we echter nog één
opmerking kwijt: alle instellingen die verband houden met MIDI moet u opslaan in een MIDI
Set (zie blz. 146).
MIDI instellingen kunt u niet opslaan in een Performance Memory. Hier is een eenvoudige
reden voor: u hebt veel meer registraties dan mogelijke MIDI Setups. Bovendien zouden de
Performance Memories trager laden als ze ook nog MIDI-data aan boord hadden.
We willen u er nog even op attent maken dat de E-96 ook de naam onthoudt van de User Style
die u in een bepaalde situatie gebruikt. Laadt u nu een Performance geheugen dat naar een
naam (Style) vraagt die niet in het interne User Style geheugen zit, dan meldt het display het
volgende:
Onder “Automatisch een User Style kiezen” op blz. 60 vindt u wat u in zo’n geval moet doen.
6.1 Instellingen opslaan in een Performance Memory
U kunt best uw instellingen regelmatig opslaan, zelfs als u ze daarna nog verder denkt te editen. Op die manier kunt u steeds teruggaan naar de versie die u op een bepaald moment had,
als de extra wijzigingen niet het verwachte resultaat opleveren. Eigenlijk zou u de Performance Memories als tijdelijke buffergeheugens kunnen gebruiken die u regelmatig up to date
brengt en waarnaar u steeds kunt teruggaan als de laatst aangebrachte wijzigingen u niet
bevallen.
Sla uw instellingen op nadat u...
• ...Tones hebt gekozen voor de Realtime Parts.
• ... een Style of de eerste divisie hebt gekozen en nadat u het tempo hebt ingesteld.
• ... andere Tones aan de Arranger Parts hebt toegewezen.
• ... de volumebalans en de effectinstellingen hebt gewijzigd.
• ... de Source instellingen hebt gewijzigd.
Kort en goed: u kunt de instellingen best telkens opslaan als u denkt dat ze goed zitten. Vind
u de daarna gemaakte instellingen maar niks, dan hebt u nog steeds de vorige versie om op
terug te vallen.
56
Instellingen opslaan en laden – Performance Memories, Instellingen opslaan in een Performance Memory
Geheugenbeveiliging (Memory Protect)
De E-96 is uitgerust met een geheugenbeveiliging die telkens samen met het instrument
wordt ingeschakeld. Memory Protect doet wat u ervan zou verwachten: de functie zorgt dat
u uw Performance Memories en MIDI Sets niet zomaar kunt wissen.
Vóór het opslaan van een Performance Memory krijgt u de kans om de geheugenbeveiliging
uit te schakelen. Als de geheugens van de E-96 beschermd zijn op het moment dat u op de
[WRITE] knop drukt (zie hieronder), dan meldt het display het volgende:
Druk op Part Select [UPPER1] (Yes) om de Memory Protect functie uit te schakelen.
Als u de geheugenbeveiliging niet wilt uitschakelen, drukt u op Part Select [M.DRUMS]
(No).
U kunt Memory Protect nog op een andere manier uitschakelen, die u misschien wilt gebruiken vlak nadat u uw E-96 hebt ingeschakeld:
(1) Op de Master pagina (zie blz. 17) drukt u op [F2] (Param) om de Parameter mode te
selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal) om de Global mode te selecteren.
(3) Druk op[PAGE] ▲/▼ om de eerste Global pagina te kiezen:
(4) Open met de [DRUMS/PART] draaiknop het “slot” op het geheugen van de E-96.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Als u de Memory Protect functie later weer wilt inschakelen, kunt u deze display-pagina weer
oproepen.
Performance naam
We moeten nog één ding doen voordat we de Performance kunnen opslaan, en dat is er een
naam aan geven. U hoeft dit enkel te doen wanneer u een Performance Memory voor de eerste
keer opslaat en u kunt de naam ook nog geven nadat u de Performance hebt opgeslagen. We
raden u echter aan het nu te doen. Zo vermijdt u verwarring en extra werk achteraf.
Kies een naam die enigszins representatief is voor de inhoud van het geheugen. De meest
expliciete naam die u kunt geven is de naam van de song waarvoor u deze instellingen wilt
gebruiken.
Zo geeft u een naam aan uw Performance instellingen:
57
E-96 Gebruikshandleiding
(1) Kies, indien nodig, de Parameter\Global\Memory Resume pagina (zie stap (1)~(3) hierboven).
(2) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop het teken dat u wilt veranderen en met de
[UPPER/VARIATION] draaiknop het nieuwe teken voor die positie.
(3) Herhaal stap (2) tot de naam compleet is.
(4) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Registraties in een Performance Memory opslaan
U kunt meerdere Performance Memories voor één Song aanmaken. Het kiezen van een Performance Memory gaat namelijk beduidend sneller dan het bladeren u door de menupagina’s
van de E-96 om instellingen te wijzigen, enz. U kunt beter één Performance geheugen voor
het eerste deel van de Song, eentje voor de brug, en eentje voor het einde aanmaken. Op die
manier kunt u bijvoorbeeld wat afwisseling brengen in de effectinstellingen van de Realtime
en/of Arranger Parts.
(1) Druk op de [WRITE] knop en houdt deze ingedrukt.
Het display vraagt u of u uw instellingen wel degelijk naar een Performance Memory wilt
schrijven. Als dat zo is, ga dan verder. Anders moet u de [WRITE] knop loslaten.
(2)
(3)
(4)
(5)
U vraagt zich misschien af waarom u [WRITE] ingedrukt moet houden. Dit is met opzet zo
gedaan, zodat u niet met een druk op het verkeerde knopje een andere belangrijke Performance wist.
Druk op een Performance Memory [GROUP] knop (A, B, of C) om een Groep te selecteren (indicator licht op).
Druk op Performance Memory [BANK] (indicator licht op).
Druk op een nummerknop (1~8) om het banknummer te specifiëren.
De [BANK] indicator dooft.
Druk op een nummerknop om een geheugen uit de geselecteerde Bank te kiezen.
Het display bevestigt nu even dat uw instellingen in het geselecteerde geheugen werden
geschreven:
(6) Laat de [WRITE] knop los.
58
Instellingen opslaan en laden – Performance Memories, Een Performance Memory kiezen
6.2 Een Performance Memory kiezen
00 FreePanl kiezen
Het laden van een Performance Memory kan soms tot verwarrende situaties leiden: zo zult u
bijvoorbeeld tot uw verbazing merken dat een Realtime Part op programmakeuze-commando’s van een Standard MIDI File reageert, hoewel u zeker weet dat u de betreffende Tone
Change schakelaar hebt uitgeschakeld. Dit is natuurlijk omdat het geladen Performance
geheugen andere instellingen in de plaats zet voor degene die u hebt gemaakt. Het verdient
daarom aanbeveling om, vóór de weergave van een Recorder, steeds Performance Memory
00 FreePanl te kiezen. Dit geheugen bevat namelijk de standaardinstellingen van de E-96,
tenzij u deze hebt veranderd. U herinnert zich misschien dat we dit geheugen ook hebben
geladen voordat we de demosongs beluisterden.
Door 00 FreePanl te kiezen kunt u de instellingen van een Performance Memory vervangen
door de instellingen die u zelf had gemaakt (toen u 00 FreePanl had geselecteerd).
Druk tegelijk op de twee Performance Memory √ ® knoppen om de 00 FreePanl
instellingen te kiezen.
Opmerking: Dit Performance Memory kunt u enkel lezen, u kunt er geen data naartoe schrijven.
Resume
Met de Resume functie laadt u opnieuw de 00 FreePanl instellingen en wist u dus alle instellingen die u zelf hebt gemaakt sinds u de E-96 inschakelde. De Resume functie biedt u voorts
nog de mogelijkheid om te kiezen welke instellingen van Performance Memory 00 precies
moeten worden geladen:
Instellingen die u wilt laden
Verklaring
Tone
Enkel de Tone keuze en de Source Tone Change instellingen van
Performance Memory 00 worden geladen. (Zie blz. 28 en 52.)
Mixer
Enkel de Mixer instellingen van Performance Memory 00 worden
geladen. (Zie blz. 76 en 78.)
Param
Enkel de instellingen van de Parameter mode worden geladen. (Zie
blz. 90.)
All
Alle instellingen van Performance Memory 00 worden geladen.
Zo laadt u Performance Memory 00 met de Resume functie:
(1) Op de Master pagina (zie blz. 17) drukt u op [F2] (Param) om de Parameter mode te
selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal) om de Global mode te selecteren.
(3) Druk op [PAGE] ▲/▼ om de eerste Global pagina te selecteren:
(4) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de instellingen die u wilt laden (zie bovenstaande tabel).
(5) Hebt u de gewenste instellingen gevonden, druk dan op [M.BASS] (Execute) om ze te
laden.
59
E-96 Gebruikshandleiding
(6) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: U kunt de 00 FreePanl ook laden door uw E-96 uit en weer in te schakelen. Dit komt echter op hetzelfde neer als All selecteren.
Performance Memory (Group, Bank, Nummer) kiezen
PERFORMANCE MEMORY
GROUP
A
B
C
BANK
1
2
3
4
5
6
7
8
CANCEL
(1) Druk op een Performance Memory [GROUP] knop (A~C) om een groep te kiezen (indicator licht op).
(2) Druk op de [BANK] knop (indicator licht op).
(3) Druk op een nummer knop om een banknummer te kiezen (de indicator van de [BANK]
knop dooft).
Opmerking: De stappen die zonet de revue passeerden kunt u al uitvoeren voordat u de plaats in de song bereikt
waar u de nieuwe instellingen wilt gebruiken. De instellingen worden toch pas geladen zodra u het Performance
Memory nummer invoert.
(4) Druk op een Performance Memory nummerknop om een geheugen te selecteren.
De instellingen van geselecteerde Performance geheugen worden nu geladen.
Opmerking: U bent niet verplicht alle Performance Memory instellingen te laden. Zie “Selectief laden van Performance data (Performance Memory Hold)” op blz. 61 voor meer informatie.
■ Automatisch een User Style kiezen
Wanneer u een Performance geheugen kiest dat een bepaalde User Style nodig heeft, gaat de
E-96 eerst kijken of in het User Style geheugen dat het Performance geheugen hem opgeeft
wel de User Style zit die hij zoekt. Heeft de User Style in dat geheugen een andere naam dan
degene die de E-96 verwacht, dan geeft het display een melding die er ongeveer als volgt uitziet:
Welke Style naam en welk User Style geheugennummer worden afgebeeld hangt natuurlijk
af van het concrete geval waarmee u wordt geconfronteerd. U kunt nu op Part Select
[M.DRUMS] drukken om de ontbrekende Style in de gespecifieerde geheugenplaats te laden.
Als de diskette in de disk drive de Style bevat die de E-96 zoekt, dan wordt die Style onmiddellijk geladen. Is dat niet het geval, meldt het display:
Bent u zeker dat de betreffende Style zich op de diskette bevindt, kies dan Retry. U kunt ook
een andere diskette insteken en dan op Retry drukken. Wilt u niet dat de E-96 nog verderzoekt, drukt u op Exit (Part Select [UPPER2]) om terug te keren naar de vorige display-pagina.
Opmerking: Als u de ontbrekende Style helemaal niet wilde laden had u ook al op de vorige display-pagina op
Part Select [UPPER2] kunnen drukken.
60
Instellingen opslaan en laden – Performance Memories, Een Performance Memory kiezen
Een Performance Memory kiezen met de √ ® knoppen
De volgende methode bewijst vooral zijn nut wanneer u twee of meer Performance Memories
voor één song hebt geprogrammeerd of als de volgorde van de Performance Memories perfect overeenkomt met die van de songs die u gaat spelen (dus de instellingen van de eerste
song of het eerste deel van de song zitten in geheugen A11, die van de tweede song of het
tweede deel van de song in A12, enz.). In zo’n situatie volstaat het dat u op √ of ® drukt om
snel het juiste Performance geheugen te kiezen, waarbij u zich geen zorgen meer hoeft te
maken over welke [GROUP], [BANK] en nummer knoppen u moet indrukken.
Knop
Betekenis
®
Hiermee kiest u het volgende Performance geheugen (bijvoorbeeld A13 als u zich
op A12 bevond).
√
Hiermee kiest u het vorige Performance geheugen (bijvoorbeeld A11 als u zich op
A12 bevond).
Opmerking:
Drukt u op ® terwijl u zich op A88 bevindt, dan kiest de E-96 B11. Volgens dezelfde logica kiest
de E-96 A88 als u op √ drukt terwijl u zich op B11bevindt.
Opmerking:
U kunt ook een hoger Performance Memory nummer kiezen met een voetschakelaar die u op de
FOOT SWITCH jack op het achterpaneel aansluit. Die voetschakelaar heeft dan dezelfde functie als de ® knop. Op
blz. 93 leert u hoe u de voetschakelaar instelt op Performance Memory UP.
Selectief laden van Performance data (Performance Memory Hold)
GM / GS MODE
PERFORMANCE MEMORY HOLD
OCTAVE
TAP TEMPO
MELODY INTELL
TRANSPOSE
DOWN
UP
STYLE
TONES KBD MODE
De functie die we hier bespreken heeft veel weg van de Resume functie voor Performance
Memory 00 (zie hierboven). De functie waar het om gaat heet Performance Memory Hold en
werkt op de “normale” (de programmeerbare) Performance Memories.
Performance Memory Hold stelt u in staat om een aantal instellingen van het vorige Performance geheugen te behouden wanneer u een ander Performance geheugen kiest. Op die
manier kunt u bijvoorbeeld snel andere Tones toewijzen aan de Realtime en/of Arranger Parts
zonder dat u daarbij automatisch de Style parameters uit het betreffende Performance geheugen moet laden.
Laten we de mogelijkheden even van dichterbij bekijken. Performance Memory Hold heeft
zijn eigen knoppen op het frontpaneel, waarmee u de functie in en uit kunt schakelen.
Knop
Betekenis
[STYLE]
Druk op deze knop (indicator licht op) als u alle Performance Memory instellingen
wilt laden behalve degene die verband houden met de Arranger (Style en Divisie).
[TONES]
Druk op deze knop (indicator licht op) als u alle Performance Memory instellingen
wilt laden behalve degene die verband houden met de Tone keuze voor de Realtime, Arranger, en Song Parts.
[KBD MODE]
Druk op deze knop (indicator licht op) als u alle Performance Memory instellingen
wilt laden behalve degene die verband houden met de Assign (Whole Left, Split,
Whole Right, enz.) en Arranger Chord instellingen (Standard, Piano Style, Left,
Right, enz.).
61
E-96 Gebruikshandleiding
Op een Performance Memory Hold knop drukken zonder daarna een Performance Memory
te kiezen is zinloos en heeft dan ook geen effect. Het geselecteerde datafilter (want dat is de
Performance Memory Hold in feite) begint pas te werken zodra u een Performance Memory
kiest.
Het woord Hold in de naam van deze functie kunt u dus interpreteren als “houdt de instellingen van het vorige Performance Memory aan”. Wilt u toch weer alle instellingen van het
nieuwe Performance geheugen laden, druk dan op de Performance Memory Hold knop waarvan de indicator nog brandt (alle indicators moeten dus doven).
62
Chord Sequencer, De begeleiding van een volledige Song opnemen
7.
Chord Sequencer
De Chord Sequencer van uw E-96 is een bijzonder krachtig hulpmiddel waarmee u een
bepaalde reeks akkoorden kunt vastleggen en deze naar believen kunt laten herhalen, terwijl
u er een melodie of solo overheen speelt. Op die manier kunt u de begeleiding voorbereiden
van een Song die u met de Recorder wilt opnemen (zie blz. 66).
Een Chord Sequence is een reeks instructies die de Arranger vertellen welke akkoorden
hij moet spelen. Het is dus gewoon het akkoordenschema van een Song.
7.1 De begeleiding van een volledige Song opnemen
Met de Chord Sequencer van de E-96 kunt u de begeleiding van een volledige Song opnemen.
Van deze mogelijkheid kunt (en zou) u best gebruik maken als u een opname met de Recorder
wilt voorbereiden (zie blz. 66). Dan hoeft u zich tijdens het opnemen geen zorgen te maken
over het kiezen van Styles, divisies, enz. en kunt u zich op de melodie concentreren.
(1) Kies de Style, de divisie, en het niveau (Advanced of Basic) van de Music Style die u wilt
gebruiken (zie blz. 41). (U kunt dit ook sneller doen door een Performance Memory te
kiezen, zie blz. 59.)
(2) Stel het tempo in tenzij het Style tempo u bevalt.
Ga eventueel nog eens te rade bij “Auto Tempo en Tempo Lock” op blz. 51. Met deze functies kunt u zorgen dat het gekozen tempo ook mee wordt opgenomen.
(3) Activeer de Sync Start functie als u de weergave van de Style op die manier wilt starten.
(4) Druk op Chord Sequencer [REC] (de indicator knippert).
(5) Speel het eerste akkoord in het akkoordherkenningsgebied (zie blz. 38) of druk op de
[START/STOP] knop om de weergave van de Music Style met de hand te starten. Speel
nu de volledige Song door en doe daarbij alles wat u bij een normale (niet opgenomen)
uitvoering met Music Styles zou doen.
(6) Aan het einde van de Song drukt u op [START/STOP] (Arranger sectie).
U hoeft niet op [START/STOP] te drukken als u de Song afsluit met Ending of Fade Out.
(7) Druk op de Chord Sequencer [PLAY ®] knop (de indicator knippert).
(8) U kunt de opgenomen Chord sequence op dezelfde manier weergeven als een Music
Style. Zie “Music Style starten” op blz. 40.
7.2 Twee Chord Sequencer modes
De E-96 heeft een functie waarmee u kunt kiezen wat u wilt opnemen met de Chord Sequencer. Voordat we daar op ingaan, moeten we u eerst het concept Note To Arranger uitleggen.
■ NTA (Note To Arranger)
De Arranger reageert op de noten en akkoorden die u speelt in het akkoordherkenningsgebied
van het klavier (zie de illustratie op blz. 38). De noten waarmee u de Arranger het juiste
akkoord doet spelen noemen we Note To Arranger.
De Note To Arranger noten zijn dus de noten die de Arranger “leest” om te weten welk
akkoord hij moet spelen. Zoals u weet, worden deze akkoorden door alle Arranger Parts
(behalve de A. Drum Part) gevolgd.
63
E-96 Gebruikshandleiding
Het voordeel van het NTA (of Note To Arranger) systeem bestaat erin dat het geen grote
belasting betekent voor de Chord Sequencer of een externe sequencer, aangezien de begeleidingspatronen zelf (en alle noten en instructies die daarbij horen) niet worden opgenomen.
Een vereiste bij het gebruik van deze functie is wel dat u exact dezelfde Style instellingen
gebruikt als toen u de NTA noten opnam. Bovendien moet u de NTA noten natuurlijk wel
naar een instrument sturen dat is uitgerust met een Intelligent Arranger.
Opmerking: De Recorder van de E-96 (zie blz. 66) neemt geen NTA maar de Style partijen, aangevuld met alle
versieringen enz. op. Om een Standard MIDI File weer te geven die werd opgenomen met de Recorder van de E-96
volstaat het dus dat u een GM/GS compatibele klankmodule gebruikt.
Style Change
Dit is dus de functie waarmee u bepaalt wat de Chord Sequencer allemaal moet opnemen.
Deze functie noemen we Style Change (afgekort Stl Change).
In wat volgt leggen we u uit wat de mogelijkheden van de functie zijn en hoe u ze instelt:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk vervolgens op [F1] (Glbal) om naar de Global pagina te gaan.
(3) Druk herhaaldelijk op [PAGE] ▼ tot u de volgende pagina te zien krijgt:
(4) Schakel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de functie in (On) of uit (Off).
Stl Change
Betekent
On
Alle handelingen die verband houden met de Arranger worden door de Chord
Sequencer opgenomen, zoals:
• Style keuze
• Verandering van divisie (dus wanneer u op [ENDING], [ORIGINAL], enz. drukt)
• Tempo-instellingen (inclusief AUTO en LOCK) en -veranderingen
• Weergavevolume van de begeleidingspartijen (waarvoor u de Dynamic Arranger functie gebruikt)
• Alle Performance Memory instellingen die verband houden met de Arranger.
• NTA noten
Off
De Chord Sequencer neemt enkel de NTA noten op. Bij de weergave van de
Chord Sequence kunt u dus probleemloos een andere Music Style kiezen.
In de meeste gevallen laat u deze parameter waarschijnlijk op On staan, zodat alle Arranger
informatie wordt opgenomen door de Chord Sequencer. On is de standaardinstelling voor
deze functie. Wilt u enkel de NTA informatie opnemen, kies dan Off.
(5) Druk op F5 (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Tip: Als u de Chord Sequencer functie gebruikt als voorbereiding van de begeleiding voor uw
eigenlijke opname, hoeft u zich bij die opname enkel nog op de melodie te concentreren.
64
Chord Sequencer, Chord Sequence tijdens het spelen opnemen
7.3 Chord Sequence tijdens het spelen opnemen
Hiermee bedoelen we dat de Arranger reeds loopt wanneer u uw Chord Sequence begint op
te nemen. Om dit te kunnen doen moet u wel Stl Change op Off instellen.
(1) Start de weergave van de Arranger (zie blz. 40).
(2) Druk op Chord Sequencer [REC] even (één of twee tellen) vóór de maat waar u wilt dat
de E-96 begint op te nemen.
De indicator van de [REC] knop begint te knipperen en licht vanaf de eerste tel van de volgende maat op om aan te geven dat de Chord Sequencer aan het opnemen is.
(3) Zodra u alle akkoorden hebt gespeeld, drukt u op Chord Sequencer [PLAY].
Op de eerste tel van de volgende maat keert de Chord Sequencer terug naar het begin van de
akkoordenreeks die u zonet hebt gespeeld en herhaalt deze akkoorden in een lus tot u op de
[STOP ■] knop drukt.
Opmerking: Als u met de Chord Sequencer in Realtime en de akkoordenreeks in een lus wilt weergeven, moet
de Stl Change op Off staan.
Wilt u de Chord Sequence die u net hebt opgenomen niet meteen weergeven, druk dan op de
Chord Sequencer [STOP ■] knop.
Opmerking: De laatste Chord Sequence die u opneemt voordat u de E-96 uitschakelt, blijft in het geheugen
bewaard tot u een andere Chord Sequence opneemt.
Tip: U kunt Chord Sequences wegschrijven naar en laden van diskette. Dit doet u best steeds voordat u een andere Chord Sequence opneemt, zo kan u de Sequence die u nu hebt later nog eens
gebruiken.
7.4 Chord Sequence weergeven
Om een Chord Sequence weer te geven moet u op de Chord Sequencer [PLAY ®] knop
drukken (indicator licht op) en de Music Style op één van de manieren starten die we reeds
hebben besproken (zie blz. 40).
Druk op Chord Sequencer [STOP ■] om de weergave van de Chord Sequence te stoppen.
Houd er wel rekening mee dat u hiermee niet de Arranger stopt. Hoe u dát doet kunt u nalezen
op blz. 41.
65
E-96 Gebruikshandleiding
8.
Recorder (GM/GS mode)
De Recorder van uw E-96 is een Standard MIDI File Player/Recorder, wat inhoudt dat alle
Songs rechtstreeks op diskette en op één spoor worden opgenomen (SMF formaat 0). Het
voordeel van zo’n Standard MIDI File Player/Recorder tegenover een volledig uitgeruste
sequencer is dat u Standard MIDI files kunt weergeven zonder dat u ze in het interne geheugen hoeft te laden (en zonder ze te converteren).
Bovendien beschikt u nog steeds over de Chord Sequencer, waarmee u de begeleiding zodanig kunt voorbereiden dat u zich op de solopartijen kunt concentreren zonder u het hoofd te
moeten breken over het indrukken van knoppen en het kiezen van Styles. Zie “Chord Sequencer” op blz. 63.
De Recorder van de E-96 leest GM/GS compatibele Standard MIDI files en ism® files. ism®
is Rolands eigen Song formaat met een spooorindeling voor educatieve doeleinden.
Opmerking: In dit deel gebruiken we de woorden “Song” en “Standard MIDI File”, zodat u zich misschien
afvraagt wat het verschil tussen die twee is. Er is geen verschil, want de Recorder Songs worden als GM/GS compatible Standard MIDI Files naar deen iskette weggeschreven. Alle weergavefuncties die hieronder de revue passeren kunt u dus ook toepassen op Standard MIDI Files.
8.1 Een Song opnemen
Een diskette formateren
Voordat u de Recorder van de E-96 kunt gebruiken, moet u een diskette voorbereiden, want
de Songs worden rechstreeks op diskette opgenomen. U kunt zowel 2DD als 2HD diskettes
gebruiken. Kies liefst niet de goedkoopste diskettes die u kunt vinden, tenzij u zeker weet dat
ze betrouwbaar zijn. Het zou natuurlijk erg jammer zijn als u een geslaagde opname verliest
omdat de diskette onleesbaar is geworden.
Een IBM PC geformateerde diskette kunt u zonder meer gebruiken, hoewel ze iets trager
werkt dan wanneer u ze op de E-96 formateert. Dit laatste doet u als volgt:
(1) Steek de diskette in de disk drive. Gaat het om een ongeformateerde diskette of om een
diskette die voor een andere computer of sequencer dan de E-96 (of een IBM PC/compatibele computer) is geformateerd, dan beeldt het display één van de volgende boodschappen af:
In het eerste geval (Unformatted Disk) kunt u twee dingen doen: u kunt op de Part Select
[M.DRUMS] knop drukken om de diskette te formateren of u kunt op de Part Select knop
drukken die als Exit knop dient om deze display-pagina verlaten zonder de diskette te formateren.
66
Recorder (GM/GS mode), Vóór de opname
In het tweede geval (Unknown Disk Format) staat u niets anders te doen dan deze displaypagina te verlaten (Exit). Haal de diskette uit de drive en steek er een andere in. Bent u echter
zeker dat de “Unknown” diskette geen gegevens bevat die u nog nodig hebt, dan kunt u ze
formateren met Format: druk op [F5] (Midi) op de Master pagina, houd [SHIFT] ingedrukt
terwijl u op [F4] (Format) drukt, en volg de instructies die in het display verschijnen.
We gaan er even van uit dat u een niet geformateerde diskette gebruikt (Unformatted Disk).
(2) Druk op Part Select [M.DRUMS] om de diskette te formateren. De E-96 begint te formateren en het display geeft aan hoever hij daarmee staat:
U kunt deze display-pagina verlaten zonder het formateren te onderbreken. Druk op [F5]
(Exit). U kunt nu iets anders gaan doen terwijl de E-96 uw diskette formateert. Zolang hij daar
nog mee bezig is, verschijnt de boodschap FORMATTING in de rechter bovenhoek van de display-pagina waar u zich bevindt.
8.2 Vóór de opname
Opnemen zonder de Arranger is mogelijk, maar we gaan er van uit dat u dat niet wilt doen.
In dat geval zijn dit de dingen die u vóór de opname moet doen:
(1) Als u de Arranger niet in Realtime wilt sturen, moet u eerst de Chord Sequence opnemen (zie blz. 63).
(2) Stop de weergave van de huidige Style.
(3) Kies de gewenste Tones voor de Realtime Parts waarmee u wilt opnemen.
(4) Kies de gewenste Assign mode voor het klavier (zie blz. 24~25).
(5) Kies de gewenste Arranger Chord mode (zie blz. 39).
Stap (4) en (5) moet u enkel uitvoeren als u uw Chord Sequence niet als basis (begeleiding)
voor uw opname wilt gebruiken.
(6) Kies de Style, de divisie enz. die u wilt gebruiken.
OF:
Druk op de [PLAY ®] knop van de Chord Sequencer (de indicator knippert).
(7) Druk op [SYNCHRO START] (indicator licht op).
Opmerking: U kunt natuurlijk al deze stappen doorlopen, maar het kan ook sneller: als u alle instellingen, die u
voor de op te nemen Song nodig hebt, in een Performance Memory hebt opgeslagen, hoeft u enkel maar dit Performance geheugen te laden en vervolgens op de [PLAY ®] knop van de Chord Sequencer te drukken (zie blz. 59).
8.3 Attentie, opname...
(8) Druk op de [REC] knop van de Recorder sectie.
(9) Druk op de [START/STOP] knop (Arranger sectie) of speel een noot in het akkoordherkenningsgebied (Assign) van het klavier (als u de Synchro START functie hebt ingeschakeld).
(10) Begin te spelen.
(11) Aan het einde van de Song drukt u nogmaals op [START/STOP] om de opname te stoppen.
67
E-96 Gebruikshandleiding
Het display vraagt nu of u de Song wilt opslaan en zo ja, onder welke naam:
Opmerking: Bevalt de opname u niet? Druk dan op de Part Select [UPPER1] knop. De opname wordt dan niet
bewaard en u kunt opnieuw beginnen bij stap (8).
(12) Laten we er van uit gaan dat de opname u wel bevalt en dat u ze op diskette wilt zetten.
Dan kunt u de Song best eerst van een naam voorzien.
■ Song naam
Niets belet u natuurlijk de Song onder de automatisch ingevulde naam (SONG_001) op te
slaan. Toch raden we u aan een iets betekenisvollere naam te gebruiken. Dat bespaart u later
een hoop zoekwerk tussen een hele reeks “standaardnamen” waarbij u zich niet meer kunt
voorstellen om welke Song(s) het gaat.
(13) Plaats met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de cursor op het teken dat u wilt wijzigen.
(14) Kies met de [BASS/BANK] draaiknop een teken voor de positie waarop de cursor zich
bevindt.
(15) Verplaats de cursor naar de volgende positie, kies een teken, enzovoort.
Om de compatibiliteit met MS-DOS® te garanderen komen enkel de eerste acht tekens op de
diskette terecht. De songnamen ANDILOVEHER en ANDILOVEHERSO belanden dus beide
als ANDILOVE op de diskette. Aangezien u echter geen tweemaal dezelfde naam op één diskette kunt gebruiken, zult u in dit geval afkortingen van de songnamen moeten zoeken.
(16) Druk op Part Select [M.DRUMS] om uw Song op diskette te zetten. Het display meldt:
Ook hier weer hoeft u niet te wachten tot de E-96 deze klus heeft afgehandeld. Een druk op
[F5] (Exit) brengt u op de Master pagina. De E-96 gaat onverstoord verder met het opslaan
van de Song (wat u kunt zien aan de tekst SAVING in de rechterhoek van de pagina waar u
naartoe gaat).
8.4 Song weergave
Om een Standard MIDI File te kunnen weergeven, moet u eerst een diskette met Song bestanden in de disk drive steken. De drive begint te draaien, maar het display beeldt niet automatisch de inhoud af van de diskette die u zonet hebt ingestoken. We hebben dit bewust gedaan,
zodat u op de E-96 met de Arranger kunt blijven spelen terwijl u diskettes wisselt. Tijdens de
weergave van Recorder Songs wordt de E-96 in feite omgetoverd in een GM/GS klankmodule, waarbij de Arranger sectie wordt uitgeschakeld. De GM/GS mode wordt geselecteerd
zodra u de weergave start of op de [GM/GS MODE] knop drukt.
Als u een Song weergeeft met de Recorder, blijven de Realtime Parts actief. U kunt ze dus
individueel in- en uitschakelen. Op die manier kunt u Standard MIDI Files ook als achtergrondpartijen gebruiken.
68
Recorder (GM/GS mode), Song weergave
(1) Druk tegelijk op Performance Memory [CANCEL] √ ® om het Performance geheugen met de fabrieksinstellingen (FreePanl) te kiezen.
Het 00 FreePanl Performance geheugen bevat de standaardinstellingen voor alle Parts en
garandeert u dat u de Songs op diskette hoort zoals de artiest ze opgenomen heeft. U kunt met
de E-96 ingrijpen op de manier waarop Standard MIDI Files worden weergegeven. De wijzigingen die u maakt kunt u opslaan in een Performance geheugen. Dit biedt u ondermeer de
mogelijkheid om de weergave van Standard MIDI Files zo aan te passen dat u ze, net zoals
de Arranger, kunt gebruiken als begeleiding. Hoe dat in zijn werk gaat vertellen we u dadelijk, maar laten we eerst eens kijken hoe je een Song weergeeft.
U kunt de weergave van een Song op twee manieren starten:
■ Alle Songs weergeven
(2) Druk op de Recorder [PLAY ®] knop.
Hierdoor kiest de E-96 de *All Song* weergavemode, wat inhoudt dat alle Songs op de
diskette in volgorde worden weergegeven en dat de weergave niet automatisch stopt.
Opmerking: Zodra u op de Recorder [PLAY ®] knop drukt, licht de indicator van de [GM/GS MODE] knop op
om aan te geven dat u de Arranger niet meer kunt gebruiken en dat de E-96 nu als een GM/GS compatibele klankmodule werkt.
(3) Om de weergave te stoppen drukt u op de Recorder [STOP ■] knop.
(4) Druk op [GM/GS MODE] om de GM/GS mode te verlaten en terug te keren naar de
Arranger mode.
■ Een bepaalde Song op diskette weergeven
Druk op de [GM/GS MODE] knop (de indicator licht op en alle indicators die met de Arranger te maken hebben doven) om de GM/GS klankmodule mode te kiezen.
GM / GS MODE
OCTAVE
MELODY INTELL
TRANSPOSE
DOWN
UP
PERFORMANCE MEMORY HOLD
STYLE
TONES KBD MODE
Opmerking:
Bij de GM/GS keuze blijven de wonderen van multitasking achterwege. U kunt dus niet op [GM/GS
MODE] drukken zolang de Arranger nog loopt. U zult de Arranger moeten stoppen wilt u de GM/GS mode kunnen
kiezen. Omgekeerd kunt u ook de weergave van de Arranger niet starten zolang de [GM/GS MODE] indicator
oplicht.
Het display beeldt nu op de onderste regel de volledige naam af van de eerste (of een andere)
Song op de diskette en in het “Music Style of Song adres en naam” venster de MS-DOS® (dus
de bestands-) naam.
(2) Kies met de Song Select [√PREVIOUS] en [NEXT®] knoppen de Song die u wilt weergeven.
De GM/GS mode wordt automatisch geselecteerd, daarvoor hoeft u dus niet op de [GM/GS
MODE] knop te drukken.
(3) Druk op de Recorder [PLAY ®] knop om de weergave van de gekozen Song te starten.
De Song wordt tot het einde weergegeven, waarna de weergave stopt. U kunt de Recorder
natuurlijk ook eerder doen ophouden door op de [STOP ■] knop te drukken.
Opmerking: U kunt met de E-96 ook “songketens” programmeren. Onder “Song Sets” op blz. 99 vindt u meer
details.
69
E-96 Gebruikshandleiding
(4) Kies met de [√PREVIOUS] en [NEXT®] knoppen een andere Song, of druk op [GM/
GS MODE] om terug te keren naar de Arranger mode.
8.5 Nuttige weergavefuncties voor de Recorder
Tekstfunctie (Lyrics)
Zodra u de GM/GS mode hebt gekozen, verandert de vierde optie op de Master pagina van
UsrSt in [F4] Lyrcs. Met deze functie kunt u de tekst van de Song die de Recorder weergeeft
in het display afbeelden. De woorden die u moet zingen worden, in pure karaoke stijl, op het
juiste moment aangeduid. Let wel: deze functie werkt alleen voor Standard MIDI Files die
teksten bevatten. Uw Roland dealer geeft u hierover meer details.
Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Aftel (Count-In) en metronoom
Druk op de [COUNT IN] knop (indicator licht op) als de Recorder vóór de weergave telkens
een maat moet aftellen. De Count-In functie kan ook voor de Arranger worden gebruikt en is
daar waarschijnlijk zinvoller (omdat Standard MIDI Files in de regel met een “blanco” maat
beginnen die alle instellingen bevat). Druk nog een keer op [COUNT IN] om deze functie
weer uit te schakelen.
Druk op de [METRONOME] knop om een bepaald fragment of riff te oefenen. De metronoom klinkt telkens in de maat van de in het tempovenster afgebeelde waarde. Druk deze
knop nog een keer in om de metronoom weer uit te schakelen.
Voorspoelen, terugspoelen, en Reset
Om binnen de huidige Song voor of terug te spoelen drukt u eerst op Recorder [STOP ■] en
vervolgens op [FF ®®] om voor te spoelen of op [√√ REW] om terug te spoelen. Met één
druk op [FF ®®] belandt u in de volgende maat van de huidige Song, terwijl u met één druk
op [√√ REW] in de vorige maat belandt. Door één van de knoppen ingedrukt te houden
spoelt u sneller vooruit, respectievelijk terug. In het display ziet u op welke maat u zich
bevindt:
Druk op [|√ RESET] om terug te gaan naar de eerste maat van de Song of naar de A maat
(zie hieronder). Voor u de [|√ RESET] knop kunt gebruiken moet u ook eerst de weergave
stoppen.
Opmerking: Deze knoppen werken enkel in de GM/GS mode. U kunt ze niet gebruiken terwijl de Arranger actief
is. Voor u kunt vooruit- of terugspoelen of Reset gebruiken moet u dus eerst op de [GM/GS MODE] knop drukken.
Opmerking: Geef de Recorder wat tijd om de gewenste maat te vinden. De data moeten namelijk van diskette
worden gelezen, en dat neemt uiteraard wat tijd in beslag.
70
Recorder (GM/GS mode), Nuttige weergavefuncties voor de Recorder
Markers en weergavelussen (loops)
De E-96 biedt een Marker en loop functie die u kunt gebruiken om een moeilijke solo te oefenen of om een bepaald deel van de Song te herhalen.
■ Nieuw “begin” kiezen (Marker A)
Met de Marker A functie kunt u een maat specifiëren waar u steeds naartoe kunt springen
door op de [|√ RESET] knop te drukken.
Druk op de [A |√] knop vóór, tijdens of na de weergave. De tempo indicators knipperen
snel om aan te geven dat de maat in het geheugen werd opgeslagen.
De Recorder onthoudt de eerste tel van de volgende maat. Drukt u dus op [A |√] terwijl in
het Style/Song informatievenster bijvoorbeeld 8.3 te zien is, dan wordt het begin van maat 9
gemarkeerd.
Wilt u iets preciezer werken, dan kunt u best de weergave stoppen, voor- of terugspoelen naar
de gewenste maat en dan op [A |√] drukken.
Om naar de Marker A maat te springen stopt u de weergave en drukt u op [|√ RESET].
Opmerking: Met [|√ RESET] kunt u enkel naar Marker A springen als u op deze knop drukt in een maat die achter de gemarkeerde maat ligt. Drukt u op [|√ RESET] vóór de Marker A positie, dan keert u terug naar het begin van
de Song. Dit is ook het geval wanneer u op [|√ RESET] drukt nadat u reeds naar de Marker A positie bent gesprongen.
Opmerking: De E-96 kan slechts één Marker A positie onthouden. Telkens wanneer u op [A |√] drukt, wordt de
Marker A die u had opgeslagen vervangen door een andere.
■ Loop weergave
Nog zo’n handige functie van de Recorder is dat u weergavelussen (loops) kunt programmeren. Ook dit kunt u zowel doen tijdens de weergave als wanneer de Recorder is gestopt.
(1) Druk op [B↔C] op de plaats waar u de loop wilt laten beginnen (de indicator knippert).
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
:
(2) Spoel vooruit naar de maat waar u de lus wilt laten eindigen en druk nogmaals op
[B↔C] (de indicator dooft).
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
Zoals we reeds zeiden, kunt u zo’n Loop ook tijdens de weergave programmeren. Houd er
wel rekening mee dat de Recorder steeds de eerste tel van de volgende maat opslaat.
(3) Om de loop die u zonet hebt geprogrammeerd weer te geven, houdt u Recorder
[STOP ■] ingedrukt en drukt u op [PLAY ®].
Aan het einde van maat C springt de Recorder onmiddellijk terug naar het begin van maat B.
(4) Om de weergave te stoppen drukt op de Recorder [STOP ■] knop.
71
E-96 Gebruikshandleiding
8.6 Spelen met een Standard MIDI File begeleiding (Minus One)
Bij een Song die u op de E-96 weergeeft kunt u gelijk welk Part uitschakelen (tijdelijk uitschakelen). Zo zou u bijvoorbeeld de solopartij van de Song kunnen uitschakelen en hier zelf
een partij voor in de plaats spelen. Dit noemen we Minus One weergave (aangezien één Part
van de originele Song niet wordt weergegeven).
De E-96 kan echter nog meer: u kunt gelijk welke Part individueel afluisteren (solo) of u kunt
verschillende Parts uitschakelen als u het arrangement wat te druk vindt. Verder kunt u ook
twee Parts voor uw rekening nemen (bijvoorbeeld de solo en de akkoordbegeleiding).
In de Recorder (of beter GM/GS) mode blijven alle Realtime Parts actief.
Opmerking: Zodra u een nieuwe Song begint te spelen of (met [|√ RESET]) terugkeert naar het begin van de
huidige Song, worden alle Realtime Parts, behalve Upper1, uitgeschakeld en kiest de E-96 de Whole Right keyboard
mode. Hiervoor moet u wel 00 FreePanl kiezen met de CANCEL √ ® knoppen.
Opmerking: De Realtime Parts zijn automatisch gekoppeld aan bepaalde Recorder Parts. Het zou dus kunnen dat
ze plots een andere Tone of Drum Set kiezen (zie “Verbinding tussen Song en Realtime Parts (Link)” op blz. 75).
Tempo van de Song veranderen
U kunt het (voorgeprogrammeerde) Song tempo veranderen met het [TEMPO] wiel. Ook al
verandert u het tempo, het ondergaat nog steeds de invloed van de tempodata van de Song die
u weergeeft. Bovendien wordt telkens als u met [|√ RESET] terugkeert naar het begin van
de Song het voorgeprogrammeerde Song tempo gekozen.
TEMPO
AUTO
LOCK
RIT
ACC
ONE TOUCH
U kunt echter de knoppen [AUTO] en [LOCK] in de Tempo sectie op ongeveer dezelfde
manier gebruiken als in de E-96 (of Arranger) mode:
AUTO
indicator
Verklaring
●
❍
Als u een Standard MIDI File weergeeft vanaf het begin, laadt de
Recorder niet het Preset Song tempo. Tempoveranderingen worden
weliswaar uitgevoerd, maar relatief ten opzichte van het huidige Song
tempo (dat u zelf hebt ingesteld, dus niet het Preset tempo).
Bijvoorbeeld: Een bepaalde Song waarvan het Preset tempo op q =
100 is ingesteld bevat een commando dat het tempo opvoert naar q =
120 (+20%). U stelt het tempo in op q = 80. Het tempocommando versnelt het tempo dan tot q = 96.
❍
●
Als u een Standard MIDI File weergeeft vanaf het begin laadt, de
Recorder niet het Preset Song tempo. Tempoveranderingen worden
evenmin uitgevoerd.
❍
Dit is de standaard GM/GS mode instelling. Telkens als u met
[|√ RESET] naar het begin van een Song terugkeert of u begint een
nieuwe Song te programmeren, laadt de Recorder het Preset Song
tempo.
❍
72
LOCK
indicator
Recorder (GM/GS mode), Spelen met een Standard MIDI File begeleiding (Minus One)
Opmerking:
Telkens als u de GM/GS mode kiest door op [GM/GS MODE] te drukken (indicator licht op) of de
weergave van een nieuwe Song start (Recorder [PLAY ®]), stelt de E-96 automatisch de Tempo functie op Auto
Off/Lock Off (standaardinstelling). Keert u terug naar de Arranger mode door op [GM/GS MODE] te drukken (de
indicator dooft), dan stelt de E-96 de Tempo functie op Auto On/Lock Off in.
Partijen op diskette soleren en uitschakelen (Solo en Mute)
Voordat u een Song partij gaat uitschakelen, moet u weten welke Part (MIDI-kanaal/spoor)
de partij speelt die u niet wilt horen. Jammer genoeg definieert het Standard MIDI File formaat geen vaste verdeling voor de Parts, maar laat dit over aan de smaak van de programmeur. Hierdoor is het niet altijd even gemakkelijk om de Part die u wilt uitschakelen te vinden, maar de E-96 staat u hierin gelukkig bij.
Over het algemeen ziet de Part/MIDI-kanaal toewijzing van Standard MIDI Files er zo uit:
Standard MIDI File Part
MIDI-kanaal
E-96 Realtime Part
Drums
10
Manual Drums
Piano
1
--
Bas
2
Manual Bass
Akkoordbegeleiding
3
Lower
Solo/melodie
4
Upper1
Tweede stem
6
Upper2
Bij complexere Songs is het echter niet ondenkbaar dat alle 16 MIDI-kanalen worden
gebruikt. In dergelijke gevallen kan de Solo functie van onschatbare waarde blijken:
■ Parts individueel beluisteren (Solo)
De Solo functie is een handig hulpmiddel om te weten te komen welke Part aan welk MIDIkanaal is toegewezen. Deze functie schakelt alle Parts behalve de geselecteerde Part uit. Het
werkt als volgt:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F1] (Mixer). U kan dit doen terwijl de Recorder een
Song weergeeft.
(2) Druk op [F3] (Song) om naar de volgende display-pagina te gaan:
(3) Druk op de Part Select [UPPER1] knop om het eerste spoor van de Song te soleren.
Hierdoor schakelt u alle andere Song Parts uit – en hoort u misschien even niets meer. Blijf
echter even luisteren. Vaak begint een partij ergens in het midden van een nummer te spelen,
besluit dus niet te snel dat het om een leeg spoor gaat.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop Song Part 2.
(5) Druk nog een keer op Part Select [UPPER1] om dat spoor te soleren.
Waarschijnlijk hoort u nu de baslijn. Kiest u nu met [DRUMS/PART] opnieuw het vorige
spoor, dan soleert u dat weer (u hoort dus opnieuw enkel de pianopartij, als die tenminste iets
speelt). Terug naar het tweede spoor en u hoort weer de bas. Wat we u hopen duidelijk te
73
E-96 Gebruikshandleiding
maken is dat u in de Solo mode alle Parts achtereenvolgens kunt soleren door er gewoon met
de [DRUMS/PART] draaiknop doorheen te stappen.
Opmerking: Als u terugkeert naar de Master pagina nadat u één of meer Song Parts hebt gesoleerd, hoort u enkel
de Part die u het laatst koos. Het is niet mogelijk twee of meer sporen te soleren.
(6) Ga terug naar stap (4) om de overige Song Parts te kiezen en te soleren.
(7) Verlaat tenslotte de Mixer\Song pagina door op [F5] te drukken.
■ Song Parts uitschakelen (Mute)
Op de Mixer\Song pagina kunt u ook Song Parts uitschakelen (Mute). Deze Song Parts hoort
u dan (uiteraard) niet tijdens de weergave.
(1) Kies de Mixer\Song pagina (zie “Parts individueel beluisteren (Solo)”).
(2) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Song Part die u wilt uitschakelen.
(3) Schakel die Part uit met de [UPPER/VARIATION] draaiknop (Status= Mute).
Opmerking: De Solo status heeft voorrang op de Mute status. Om een gesoleerde Part te kunnen uitschakelen
moet u eerst de Solo functie desactiveren (Solo-Off).
(4) Verlaat de Mixer\Song pagina door op [F5] (Exit) te drukken, of ga verder met het volgende deel.
Song volume-instellingen veranderen
In de Mixer mode pagina kunt u twee parameters wijzigen. Deze zijn van toepassing op de
Song Part die u met de [DRUMS/PART] draaiknop kiest.
■ Song Part volume (balans)
Met deze parameter kunt u het weergavevolume van de geselecteerde Song Part verhogen
(positieve waarde) of verlagen (negatieve waarde). Let wel, het gaat hier om een relatieve
aanpassing van de volumewaarde, wat betekent dat de waarde die u hier instelt wordt opgeteld bij (of afgetrokken van) de volumewaarde van het betreffende spoor (die wordt bepaald
door MIDI controlenummer CC7).
Draai de [BASS/BANK] draaiknop naar links om het Song Part volume te verlagen
(negatieve waarden) of naar rechts om het te verhogen (positieve waarden).
Tip: De Parts van een Standard MIDI File zijn meestal goed in balans met elkaar. Deze Volume
parameter is echter handig als u wilt oefenen. U kunt dan het volume van de partij die u wilt oefenen naar beneden halen en deze partij zelf spelen met één van de Realtime Parts. Eens u de melodielijn enz. onder de knie hebt kunt u de originele Part uitschakelen.
■ Algemeen Song volume
Deze functie biedt een uitweg wanneer een bepaalde Realtime Part (bijvoorbeeld de Upper1
Part) niet luid genoeg is, hoewel het Part volume reeds op 127 staat. In dat geval kunt u uit
de impasse geraken door het totale Song volume te verlagen, en wel als volgt:
74
Recorder (GM/GS mode), Spelen met een Standard MIDI File begeleiding (Minus One)
(1) Druk op de Master pagina in de GM/GS mode op [VOLUME] om de Volume mode te
selecteren.
W2@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@6X?e?W2@@@@@@@@@@@@@@@@6X?e?W2@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@6X?e?W2@@@@@@@@@@@@@@@@6X?e?W2@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@6X
?W.M
?I/XeW.M?
?I/XeW.M?
?I/XeW.M?
?I/XeW.M?
I/X?
?7H?
V/KO.Y
V/KO.Y
V/KO.Y
V/KO.Y
?N)X
?@
?N@@H?
?N@@H?
?N@@H?
?N@@H?
@1
?@
?)X?W&?@@@6X?@@@6X
@@e?W2@@@?)X??@?W2@6Xe@@
?)X?W&?@@@6X?W2@@@
@@f@@
@@
?@e?@?@@@6XeW&f@@
?@
?@)T&@?N@?B1?@eB1
@@e?*U?e?@)X?@?7<?I/e@@
?@)T&@?N@?S,?*U?
@@fN@e?@e?@?)T2@?e@@e?@e?@?@@@6X?@@6X?g?@e?@?@eB1e*@f@@
?@
?@V@Y@e@??@?@eC5
@@e?V4@6X?@V/X@?@g@@
?@V@Y@e@@@U?V4@6X
@@f?@e?@e?@?@(Mf@@e?@e?@?@eS,e?S,?g?@e?@?@eC5eN@f@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@
?@?@?@e@??@?@@@@H
@@gB1?@?V'@?@?@@@e@@
?@?@?@e@?B1fB1
@@f?@e?@?@?@?@H?f@@e?@eJ@?@@@0Y?W20Y?g?@e?@?@@@0Ye?@f@@?@@@?@@@?@@X?W@@?@@@@@?@@@?@V'@(Y@f?@@@@?
?@
?@e?@?J@?C5?@?I'L
@@e?/K?C5?@eN@?39??@e@@
?@e?@?J@?C5?/K?C5
@@f?@e?3T@T5?@g@@e?3=O&@?@f?7Y?h?3=?C5?@gJ@L?e@@?@@@?@@@?@V@@@Y@?@@@@@?@@@?@?S@U?@?@@@@@@@@?
?@
?@e?@?@@@0Y?@eV/
@@e?V4@0Y?@e?@?V4@@@e@@
?@e?@?@@@0Y?V4@0Y
@@f?@e?V+R+Y?@g@@e?V40R'?@f?@@@@?g?V4@0Y?@g@@@?e@@?@@@?@@@?@?@@@?@?@@@@@?@@@?@?7R1?@f@@@@@?
?@
@@
@@
@@
@@
@@?@@@W@@@X@?@@@?@?@@@@@?@@@?@?@?@?@?@@@@@@@@?
?@
@@
@@
@@
@@
@@?@@@@>@>@@W@@@X@?@@@@@W@@@X@?@@@?@?@@@@@@@@?
?@
@@
@@
@@
@@
@@?@@@@@R@@@@Y?V@@f?@@Y?V@@?@@@?@f?@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?e?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@
@?@@?@
@?e?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@
@?
?@hf?@@@@@@@@@?W@@@@XW@@@?hf@@?@@@@@@@@@?W@@@@XW@@@?@@hf?@@@@@@@@@XW@@@@XW@@@?hf@@?@hf?W26X?@?@@?@g?W26X??W26X?@?e?@@@@@@@@@?W@@@@?W@@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@?@@@@@Y@@V@@Y@@?hf@@?@@@@@?@@@@@Y@@V@@Y@@?@@hf?@@@@@?@@V@@Y@@V@@Y@@?hf@@?@g?@e@??7<B1?@?@@?@f@??7<B1??7<B1?@?e?@@@@@@@@@@@Y@@@@@Y@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@?@@@@@X@@?@@?@@?hf@@?@@@@@?@@@@@X@@?@@?@@?@@hf?@@@@@?@@?@@?@@?@@?@@?hf@@?@g?3=C5??3=C5?@?@@?@f@??@e@??3=C5?@?e?@@@@@@@@@@@X@@@@@X@@?@@?@@@X?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@XV@@@@@@@@@?hf@@?@@??@@@@@XV@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@g?V4@U??S@@U?@?@@?@hf?S@@U?@?e?@@@@@@@@@?S@@@@XV@@@?@@?@@@1?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@?@@V@@@@@@@@?@@?hf@@?@@@@@?@@V@@@@@@@@?@@?@@hf?@@@@@?@@?@@?@@?@@?@@?hf@@?@h?B1??7<B1?@?@@?@f@??@e@??7<B1?@?e?@@@@@@@@@@@Y@@V@@@@@?@@?@@@@?@@@@@@@@X?eW@@@@@@@X?eW@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@?@@W@@@@@@@@?@@?hf@@?@@@@@?@@W@@@@@@@@?@@?@@hf?@@@@@?@@W@@X@@W@@X@@?hf@@?@he@??3=C5?@?@@?@f@??3=C5??3=C5?@?e?@@@@@@@@@@@X@@W@@@@@?@@?@@@5?3@@@@@@@)X?W&@@@@@@@)X?W&@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@Y?@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@Y?@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@YV@@@@YV@@@?hf@@?@hf?V40Y?@?@@?@g?V40Y??V40Y?@?e?@@@@@@@@@?V@@@@Y?@@@?@@?@@@Y?V@@@@@@@@)?&@@@@@@@@@)?&@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@
@?@@?@
@?e?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@hf?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?hf@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?e?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?@@?@
@?
?@
@@
@@
@@
@@
@@?@
@?
?@
?@@@@@@@@@@@@@@6X?
@@
@@
@@
@@
@@?@?@@6X?
@?
?@
J@hf?@)X
@@
@@
@@
@@
@@?@e?S,?
@?
?@
@@?@@@@@@@@@@@?@@)
@@e@?g@@g?@e@@
@?g@@g?@
@@e@?g@@g?@e@@e@?g@@g?@g@?g@@g?@e@@?@?W20Y?
'@@@(?he@?
?@
N@hf?@@H
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@?7Y?
V'@(Y?he@?
?@
?3@@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@?@@@@?g?@@@@@g?V+Yhf@?
?@
?V4@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@e?@@@@@@@@@@@@@@6X?
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?@@@@@@@@@@@@@@6X?
@@he@@he@@e?@hf?@1?
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?@hf?@1?
@@he@@he@@e?@?@@@@@@@@@@@?@@?
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?@?@@@@@@@@@@@?@@?
@@he@@he@@e?@hf?@@?
@@he@@?@?@@6X?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?@hf?@@?
@@he@@he@@e?3@@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@?@e?S,?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?3@@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@he@@e?V4@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@?@e@@U?g'@@@(?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
?V4@@@@@@@@@@@@@@?
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@e?S,?gV'@(Y?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@?@@0Y?g?V+Yh?@@@@@he@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
@?g@@g?@
@@e@?g@@g?@e@@
@?g@@g?@
@@e/Kg@@g?@e@@e@?g@@g?@g@?g@@g?@e@@?@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@eN@@@@@@@@@@@@@@6X?e@@he@@
@@he@@?@?@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@e?@hf?@1?e@@he@@
@@he@@?@?@?@L?g?@@@@@?@@@@@?@@@@@he@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@e?@?@@@@@@@@@@@?@@?e@@he@@
@@he@@?@?@@@,?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@e?@hf?@@?e@@he@@
@@he@@?@eI(Y?
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@e?3@@@@@@@@@@@@@@@?e@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@e?V4@@@@@@@@@@@@@@?e@@he@@
?@@@@@@@@@@@@@@6X?e@@?@
@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
?@hf?@1?e@@?@g?@@@@@h?@e?W-Xhf@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
?@?@@@@@@@@@@@?@@?e@@?@?@@@@??@f?/X?W.g?*@)hf@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
?@hf?@@?e@@?@?@f?@@@@??V/T.Ye@@e?N@Hhf@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
?3@@@@@@@@@@@@@@@?e@@?@?@@6X??@gS@U?eN@f@?hf@?
?@
@@
@@he@@he@@
@@
@@he@@he@@he@@
?V4@@@@@@@@@@@@@@?e@@?@e?S,??@f?W.R/XeJ@L?e3=O.he@?
?@
@@
@@e?@@@@@@@@@@@@@@6X?e@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@?@@0Y??@@@@@?.Y?V/e@@@?eV40Yhe@?
?@
@@
@@eJ@hf?@)Xe@@
@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
@?g@@g?@
@@e@@?@@@@@@@@@@@?@@)e@@
@?g@@g?@
@@e@?g@@g?@e@@e@?g@@g?@g@?g@@g?@e@@?@
@?
?@
@@eN@hf?@@He@@
@@he@@he@@he@@
@@he@@?@
@?
?@
?J@@L??3@@@@@@@@@@@@@@@??J@@L?
?J@@L?
?J@@L?
@@?@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@?
?3L?
W&@@)X?V4@@@@@@@@@@@@@@?W&@@)X
W&@@)X
W&@@)X
?J@@
?V/K
?O&>(MI/K?
?O&>(MI/K?
?O&>(MI/K?
?O&>(MI/K?
O&>5
V'@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@>(Y??V'@@@@@@@@@@@@@@@@@>(Y??V'@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@>(Y??V'@@@@@@@@@@@@@@@@@>(Y??V'@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@>(Y
?V4@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@0YfV4@@@@@@@@@@@@@@@@0YfV4@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@0YfV4@@@@@@@@@@@@@@@@0YfV4@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@0Y?
(2) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop een waarde in tussen -1 en -127 om het
Song volume (het volume van alle Song Parts) te verminderen.
(3) Druk op [F5] om terug te keren naar de Master pagina.
Verbinding tussen Song en Realtime Parts (Link)
Laten we nog even teruggaan naar de de Mixer\Song pagina. Wellicht is u de pijl opgevallen
die een verbinding aanduidt tussen Song Part 4 en Upper1, Song Part 6 en Upper2 enz. Die
pijl betekent dat de betreffende Realtime Part telkens dezelfde Tone kiest als de Song Part
waar hij aan toegewezen is. Dat is bv. handig als u zelf (met de Upper1) Part de melodie over
een begeleiding afkomstig van een Standard MIDI File wilt spelen.
Opmerking:
De Link functie werkt ook wanneer de overeenkomstige Song Part is uitgeschakeld (Mute). In dat
geval bewijst de Link functie zelfs zijn beste diensten, want u kunt dan de uitgeschakelde Part zelf spelen met de
Tone die door de Standard MIDI File wordt gekozen.
75
E-96 Gebruikshandleiding
9.
Snel editen
De term editen slaat op alle wijzigingen die u aanbrengt in de huidige instellingen. Andere
Tones voor de Realtime Parts kiezen (zie blz. 28) is in feite al een vorm van editen.
De waarden die u voor alle parameters in dit deel instelt kunt u opslaan in een Performance
geheugen en weer laden als u ze nodig hebt (zie “Instellingen opslaan en laden – Performance
Memories” op blz. 56).
9.1 Part Balans (Volume)
De volumebalans tussen de Parts is zowat het belangrijkste dat u kunt editen. Een Part die te
zacht staat hoort u misschien niet, en eentje die te hard staat zal de andere Parts in de weg
zitten.
Opmerking: We raden u ten sterkste aan eerst de gewenste Tones toe te wijzen aan de Parts die u wilt gaan spelen.
De klankkleur heeft namelijk een grote invloed op de geluidsbalans. Zo lijkt een trompetklank bijvoorbeeld luider
dan een fluit omdat eerste meer harmonischen (boventonen) bevat.
U kunt de Volume pagina van de E-96 op twee manieren selecteren:
Draai aan gelijk welke draaiknop terwijl u zich op de Master pagina bevindt (zie
blz. 17).
OF:
Druk op de [VOLUME] knop links van het display.
In beide gevallen krijgt u de volgende pagina te zien (in de Arranger mode):
Als u de volumepagina met de “draaiknop”-methode oproept, verdwijnt de pagina zodra u er
een paar seconden niets in hebt gedaan. Om de volgende bladzijden door te nemen kunt u dan
ook beter op de [VOLUME] knop drukken.
Gegroepeerde en “lijn” Faders
U ziet een achtkanaals mixer. Dat zijn meer kanalen dan er Realtime Parts zijn en anderzijds
niet genoeg kanalen voor alle Realtime en Arranger Parts. De reden hiervoor is dat de ACC
Fader het volume van alle ACC1~ACC6 Parts regelt. Even een afspraak: regelaars in het display die op verschillende elementen werken noemen we vanaf nu lijn regelaars. Op die
manier kunnen we de term groep voor andere dingen gebruiken zonder u in verwarring te
brengen.
Opmerking: Lijn Faders of knoppen beelden steeds de hoogste aanwezige volumewaarde van die lijn af. Staat het
volume van vijf ACC Parts bijvoorbeeld op 60, terwijl de overblijvende ACC Part op 79 staat, dan beeldt de ACC
lijn Fader op de Volume pagina de waarde 79 af. Zo’n lijn Fader werkt dus niet helemaal zoals op een “echte” mengtafel, u kunt namelijk het volume van de Fader niet hoger zetten dan het volume van de luidste Part (om het volume
van de lijn bijvoorbeeld op 127 te kunnen zetten moet minstens één van de Parts op 127 staan.
We gaan nu het volume van de Upper1 Part aanpassen:
(1) Draai aan de [UPPER/VARIATION] draaiknop en houd het display in de gaten.
76
Snel editen, Part Balans (Volume)
Zoals u merkt, volgt het volume of de Upper2 Part de veranderingen die u aanbrengt. Bijvoorbeeld: het volume van Upper1 staat op 127, terwijl dat van Upper2 op 90 (standaard) staat.
Regelt u nu het volume van Upper1 terug tot 90, dan gaat het volume van Upper2 naar 53.
De Upper1 & 2 Faders zijn namelijk gegroepeerd:
Dit is ook het geval voor de MDR (Manual Drums) en ADR (Accompaniment Drums), en
MBS (Manual Bass) en ABS (Accompaniment Bass) Faders. Dit merkt u meteen wanneer u
de [DRUMS/PART] of [BASS/BANK] draaiknop beweegt.
We vatten nu even de Fader functies op deze pagina samen:
Fader type
Verklaring
Draaiknop/Fader
Individueel
Regelt het volume van één Part.
Lower/LWR
Gegroepeerd
In de ▼▼ mode (zie hieronder), regelt u met één
draaiknop de positie van twee Faders.
Upper/UP1 & UP2
Bass/MBS & ABS
Drums/MDR & ADR
Lijn
Regelt het volume van meerdere Parts.
Accomp/ACC
Opmerking:
De relatieve balans tussen twee gegroepeerde Faders blijft bewaard, op voorwaarde dat u het volume
van de betreffende Parts niet meer verhoogt (of verlaagt) zodra één van die Parts de waarde 0 (of 127) heeft bereikt.
Verhoogt u het volume nog verder wanneer één van de Parts reeds aan 127 zit, dan gaat enkel het volume van de Part
die nog niet aan 127 zit verder omhoog. Hetzelfde verhaal geldt voor de situatie waarin u het volume van een groep
verlaagt nadat één van de Parts reeds tot 0 is gezakt. Er bestaat geen manier om de balans die u zo hebt veranderd
weer op te roepen.
Op de volgende manier kunt u één Fader van een groep selecteren:
Druk op F2 (_ ▼) om enkel de rechter Fader van een groep te selecteren. Het display
ziet er nu als volgt uit:
Als u nu aan de draaiknoppen onder het display draait verandert u enkel het volume van de
Upper1, Accompaniment Bass, en Accompaniment Drums Parts. De linker Fader van elke
groep blijft staan, en wordt in het grijs afgebeeld.
Druk op F3 (▼ _) om enkel de linker Fader van een groep te selecteren.
Nu regelt u met de draaiknoppen enkel het volume van de Upper2, Manual Bass, en Manual
Drums Parts.
77
E-96 Gebruikshandleiding
■ Balans van de secties
De E-96 biedt een display met twee master draaiknoppen waarmee u het totaalvolume van de
Realtime en Arranger secties kunt regelen. Gebruik deze knoppen wanneer de balans tussen
Parts onderling u wel bevalt, maar u vindt dat de Realtime of Arranger sectie in zijn geheel
te luid is.
Een sectie luider zetten is niet altijd de beste oplossing om tot de juiste volumebalans te
komen. In heel wat gevallen kunt u beter het volume van een Part of sectie, die te luid klinkt
ten opzichte van de andere, stiller zetten.
(1) Keer terug naar de Master pagina door op [F5] (Exit) te drukken.
(2) Druk op [VOLUME] links van het display (indicator licht op).
(3) Druk op [F4] (Glbal) om de volgende pagina te openen:
Op deze pagina kunt u het volume of de Realtime (Upper1, Upper2, Lower, M.Bass,
M.Drums) en Arranger (A.Bass, A.Drums, begeleiding 1~6) sectie regelen.
(4) Regel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het volume van de Arranger sectie, of met
de [LOWER/NUMBER] draaiknop het volume van de Realtime (RTime) sectie.
Opmerking: Ook hier geldt dat u de volumeverhouding tussen de individuele Parts van een sectie verandert wanneer u het globale volume nog verlaagt (verhoogt) zodra het volume van één van deze Parts op reeds 0 (127) staat.
Mixer mode: het volume van Parts van een lijn (bus) veranderen
Laten we er even van uit gaan dat u de 11 Metal Style hebt geselecteerd (druk gewoon op
Bank, 1, en nogmaals op 1) en u vindt de gitaar van de Basic/Original divisie iets te hard klinken. Start de weergave van de Metal Style en speel een akkoord in het akkoordherkenningsgebied.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F1] (Mixer) om de mixer pagina te kiezen.
(2) Druk op [F2] (Arrng) om de Arranger Mixer pagina te kiezen.
(3) Druk op de [PAGE] ▲/▼ knoppen tot in de pagina schuifbalk links ACC2 verschijnt.
(4) Draai de [DRUMS/PART] draaiknop (Volume) naar links om het volume van de gitaar
te verminderen.
Het volume van de andere ACC Parts kunt u op dezelfde manier aanpassen: kies de Parts met
de [PAGE] ▲/▼ knoppen en stel met de [DRUMS/PART] draaiknop het volume in.
Parts uitschakelen (Mute)
Op de Mixer pagina kunt u op Part Select [M.DRUMS] drukken om de geselecteerde Part uit
te schakelen. De On prompt onder de display draaiknop verandert dan in Off, terwijl de Part
naam in de schuifbalk in kleine letters wordt afgebeeld (bv. acc2).
78
Snel editen, Effecten
(1) Druk op [F1] (RTime) of [F2] (Arrng), naar gelang u een Realtime of Arranger Part wilt
uitschakelen.
We gaan nu de Upper1 Part uitschakelen, druk dus op [F1] om de volgende pagina op te roepen:
(2) Indien nodig kunt u met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de display-pagina kiezen die overeenkomt met de Part die u wilt uitschakelen.
Kies de UP1 pagina.
(3) Druk op de Part Select [M.DRUMS] knop om Off te selecteren.
(4) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Panpot (stereopositie)
U kunt voor iedere Part een eigen positie in het stereobeeld geven. Zo zou het geen slecht idee
zijn om de Upper1 Part naar de linkeruitgang te sturen, terwijl u de Upper2 Part naar de rechteruitgang stuurt. Stapelt u nu Upper1 en Upper2 (door op SPLIT of WHOLE RIGHT en op
[UPPER1] en [UPPER2] te drukken), dan hoort u een brede klank waarbij de Upper1 klank
uit de linker luidspreker komt, terwijl de Upper2 klank uit de rechter luidspreker komt.
De Panpot parameter van een Part stelt u als volgt in:
(1) Druk op de Master pagina (zie blz. 17) op [F1] (Mixer) om de Mixer pagina te openen.
(2) Kies de Part groep (Realtime of Arranger) door op [F1] (RTime) of op [F2] (Arrng) te
drukken.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Part waarvan u de Pan instelling wilt aanpassen.
(4) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de gewenste Pan positie in.
Kies een waarde tussen 1 en 63 om de Part verder naar links te plaatsen, of tussen 65~127 om
de Part verder naar rechts te plaatsen. U kunt ook Rnd (Random) kiezen, waardoor de Part
willekeurig tussen het linker- en het rechterkanaal heen en weer gaat. Om deze optie te kiezen
moet u de [ACCOMP/GROUP] draaiknop helemaal naar links draaien.
Opmerking: De draaiknoppen zijn snelheidsgevoelig. Hoe sneller u eraan draait, hoe grotere waardesprongen u
neemt. Zo kunt u met een snelle draai van links naar rechts van Pan 1 naar Pan 127 springen. Hoe trager u draait, hoe
kleiner de waardesprongen waarmee u omhoog/omlaag gaat.
(5) Blijf op de Mixer pagina want daar speelt zich ook het volgende verhaal af:
9.2 Effecten
De E-96 is uitgerust met twee programmeerbare effecten: Reverb en Chorus. De wijzigingen
die u in de effectprogramma’s aanbrengt gelden voor alle Parts, aangezien er maar één
79
E-96 Gebruikshandleiding
Reverb en één Chorus is. U kunt wel voor iedere Part individueel bepalen in welke mate u de
effecten erop wilt toepassen (effectdiepte).
Een Part van Reverb of Chorus voorzien
(1) Kies op de Mixer pagina –zie “Panpot (stereopositie)”, stap (1)~(3)– de Part groep en
Part waarvoor u de effectdiepte wilt instellen.
Met de effectregelaars op de Mixer pagina bepaalt u in welke mate het geluid van de Part respectievelijk naar de Reverb en Chorus wordt gestuurd. Kiest u op deze pagina hoge Reverb
en Chorus waarden, dan verhoogt u in feite het effectvolume.
Volume voor de
luidsprekers en de
L/Mono en R
uitgangen
Volume voor het Reverb effect ("Reverb")
Upper 1
Volume voor het Chorus effect ("Chorus")
Zelfde aansluiting voor de overige Parts
Het werkt net zoals in een kathedraal: hoe luider u zingt, hoe meer galm (Reverb) u hoort.
Ook in een kathedraal betekent luider zingen in feite dat u het volume verhoogt dat naar het
“galmapparaat” (de kathedraal) wordt gezonden
(2) Pas met de [BASS/BANK] draaiknop het Reverb volume aan.
(3) Pas met de [LOWER/NUMBER] draaiknop het Chorus volume aan.
Effectinstellingen
Misschien vindt u de geselecteerde galm (Reverb) niet passen bij de Song die u wilt spelen,
of vindt u het Chorus effect niet sterk genoeg. Geen nood, u kunt de effecten van de E-96 editen en ze zo naar uw smaak aanpassen
(1) Druk op de Master pagina (zie blz. 17) op [F1] (Mixer).
(2) Druk op [F4] (Effct) om de effectenpagina's te kiezen.
Opmerking: Het is u misschien reeds opgevallen dat, wanneer u de Mixer mode kiest, het display van de E-96
onmiddellijk naar de Mixer pagina springt die u het laatst had gekozen (waarschijnlijk de 2 Arrng pagina). Deze paginageheugen functie hebben we ingebouwd om u in staat te stellen snel tussen display-pagina's van verschillende
modes heen en weer te springen.
80
Snel editen, Source: uw instellingen of die van de Arranger/Song?
Dit is de eerste uit een reeks effectenpagina's (vandaar de “1” op de schuifbalk).
(3) Druk op [PAGE] ▲/▼ om de display-pagina van het effect dat u wilt editen op te roepen. Dit is de volgorde van de pagina’s:
Effect
Display-pagina
1
Reverb parameters
2
Chorus parameters
Met de [DRUMS/PART] regelaar kunt u telkens een effecttype kiezen. Voor elk effect zijn
er verschillende types beschikbaar. Zo kunt u voor het “Chorus” effect ook een Flanger kiezen. Met de [BASS/BANK] draaiknop kiest u een parameter waarvan u de waarde kunt editen
met de [UPPER/VARIATION] draaiknop. Raadpleeg de Referentiehandboek voor details.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het gewenste effecttype.
Opmerking: Telkens wanneer u een ander effecttype kiest, worden de effectparameters (zie hieronder) opnieuw
op hun standaardwaarden ingesteld. Keert u dus naar een effect terug nadat u een ander hebt geselecteerd, dan is alles
wat u bij het eerste effect had veranderd geneutraliseerd.
(5) Kies met de [BASS/BANK] draaiknop een effectparameter.
Details over de effectparameters vindt u in het Referentiehandboek.).
(6) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de waarde in van de parameter die u in
stap (5) hebt geselecteerd.
Opmerking: Vergeet niet dat wat u hier verandert geldt vooralle Parts die het effect gebruiken. Controleer daarom
eerst even hoe het effect voor andere Parts klinkt voor u te drastische wijzigingen gaat aanbrengen.
9.3 Source: uw instellingen of die van de Arranger/Song?
Het laatste dat we in dit deel behandelen is de Source functie. Hiermee kiest u of wat u zonet
hebt geëdit al dan niet wordt gebruikt.
Zo kiest u de Source pagina's:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F1] (Mixer) om de Mixer mode te selecteren.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F1] (RTime), [F2] (Arrng), of [F4] (Effct) drukt.
81
E-96 Gebruikshandleiding
■ Realtime (RTime) Source
De opties op de eerste pagina (RTime) zijn Prf en Sng, en betekenen het volgende:
Prf
De instellingen die u voor de volgende parameters (zie hieronder) maakt blijven geldig
tot u ze verandert of tot u een ander Performance Memory kiest. (Prf is de afkorting
voor Performance Memory.)
Sng
In dit geval luisteren de Realtime Part naar controlecommando’s van de Standard MIDI
File die u weergeeft. Zo zal, als u Sng kiest, bijvoorbeeld de Panpot instelling van de
Upper1 Part veranderen zodra de Standard MIDI File een CC10 (Pan) commando op
MIDI kanaal 4 zendt.
Er is trouwens weinig verschil tussen Prf en Sng zolang u geen Standard MIDI File
weergeeft.
Opmerking:
Als u Prf kiest, betekent dat niet dat uw instellingen automatisch in het huidige Performance geheugen worden opgeslagen. Om dat te doen moet u de Write functie (zie blz. 58) gebruiken voordat u een ander Performance geheugen kiest of de E-96 uitschakelt.
Gebruik de draaiknoppen om de Source instellingen te veranderen.
De Source parameter van de Realtime Parts kunt u voor de volgende parameters instellen:
Volume, Panpot, Reverb (intensiteit) en Chorus (intensiteit). Zo zou u kunnen specifiëren
dat het volume van een Part in functie staat MIDI-commando’s van een Standard MIDI File
(kies Volume= Sng), terwijl dat voor de andere instellingen niet het geval is (kies Prf).
Kiest u voor één van de bovenstaande parameters Sng, dan verandert de Source aanduiding
van die parameter van Prf (wit-op-blauw) in Sng (blauw-op-wit). Dit visuele geheugensteuntje komt u op alle display-pagina's tegen.
Stel de Volume Source parameter op Sng in.
Laten we nu eens controleren of de E-96 wel echt consequent is. Houd [SHIFT] ingedrukt
terwijl u op [F1] drukt om naar de Mixer\RTime pagina te gaan en kies met de [PAGE] ▲/▼
knoppen de UP1 pagina. De Volume waarde wordt blauw-op-wit afgebeeld.
Blauw-op-witte waarden kunt u nog wel editen, maar wees niet verbaasd als ze tijdens de
weergave van een Song plots veranderen; denk dan even terug aan de Source functie!
Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F2] (Arrng).
■ Arranger (Arrng) Source
Music Styles bevatten niet enkel noten (d.w.z. de drum, bas en begeleidingspartijen) maar
ook een reeks instellingen die bepalen hoe de Parts moeten worden weergegeven. Onder deze
instellingen vallen ook programmakeuze-commando’s, Panpot, volume, enz. Zoals u weet,
zijn Music Styles begeleidingspatronen die constant worden herhaald (meestal na vier
maten). De zonet vermelde extra instellingen bevinden zich steeds aan het begin van een
patroon. Kiest u dus Arr, dan worden de Mixer pagina instellingen van de Arranger Parts
weer op de waarden van de Music Style gebracht zodra het patroon vanaf maat 1 begint of
zodra u een andere divisie kiest (bijvoorbeeld “Fill-In To Variation”).
Wilt u niet dat uw wijzigingen door een Music Style worden tenietgedaan, kies dan met de
draaiknoppen Prf. Dit zijn nog eens de opties:
82
Prf
De instellingen die u voor de volgende parameters op deze pagina maakt blijven geldig
tot u ze opnieuw verandert of een ander Performance geheugen kiest. (Prf is de afkorting voor Performance Memory).
Arr
De instellingen van de Music Styles doen uw eigen instellingen, of die van het Performance geheugen dat u selecteerde, teniet.
Snel editen, Source: uw instellingen of die van de Arranger/Song?
■ Effect Source
Op deze Source pagina bepaalt u of de effectparameters al dan niet moeten luisteren naar
MIDI-commando’s van de Standard MIDI Files die u met de interne Recorder weergeeft.
Prf
Uw effectinstellingen of die van het Performance geheugen worden gebruikt.
Sng
De effectinstellingen (Macro en Parameter, zie blz. 80) luisteren naar MIDI-commando’s
van de Standard MIDI File die u weergeeft.
Opmerking:
De Source parameter instellingen op alle drie de pagina's (RTime, Arrng, en Effct) hebben geen
invloed op de ontvangst van MIDI-commando’s. Stelt u dus de Source parameters op Prf in, dan kunt u de volume,
pan, effect, enz. parameters nog steeds via MIDI veranderen. Wilt u deze commando’s filteren, dan kan dat ook, en
wel met de MIDI filters waarover de E-96 beschikt.
83
E-96 Gebruikshandleiding
Parts
editen
10.
De E-96 biedt u de mogelijkheid een aantal parameters te editen die bepalen hoe een Part gaat
klinken. Met deze parameters kunt u dus Parts “optimaliseren” door dingen als helderheid,
modulatiesnelheid (Vibrato Rate), enz. aan te passen.
Houd er steeds rekening mee dat de parameters die we in dit deel behandelen betrekking hebben op Parts (Upper1, Upper2, Lower, enz.). Een andere Tone aan een Part toewijzen verandert niets aan de Part parameters die we hieronder gaan bespreken. Met andere woorden, als
u de envelope wijzigt van een pianoklank die aan de Upper1 Part is toegewezen, denkt u misschien dat u de envelope van de piano Tone hebt gewijzigd en dat u, door een andere Tone
voor Upper1 te kiezen, andere envelope instellingen laadt. Daar hebt u weliswaar niet helemaal ongelijk in, toch moet u in de eerste plaats bedenken dat de Part parameterinstellingen
worden opgeteld bij de instellingen van de Tone zelf.
Parts zijn in feite “vakjes” waarin u een Tone kunt plaatsen en waarvan u de klank kunt aanpassen met de parameters die we hieronder gaan beschrijven. Daarom noemen we deze parameters Part parameters en niet Tone parameters:
Tone die aan deze Part
toegewezen is.
Het effect dat de parameters
op de weergave van die Tone
hebben.
Part
parameters
Part
Part
De Part parameters blijven actief
wanneer u een andere Tone aan
een Part toewijst.
Part
Opmerking: Alle Part parameters zijn relatieve parameters: hun waarde wordt opgeteld bij of afgetrokken van de
voorgeprogrammeerde waarden van de Tone parameters. Vandaar dat u positieve (“meer”) en negatieve (“minder”)
waarden kunt invoeren.
10.1 Part parameters editen
Zoals de meeste andere parameters kunt u de Part parameters met knoppen in het display editen:
(1) Druk, op de Master pagina, op de [TONE] knop links onder het display.
84
Parts editen, Part parameters editen
(2) Druk op [F4] (Edit) om de Tone\Edit pagina te selecteren.
(3) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Part die u wilt editen.
Opmerking: U kunt enkel de volgende Realtime Parts editen: Upper1, Upper2, Lower, Manual Bass.
(4) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop (Parameter) de parameter (zie hieronder)
waarvan u de waarde wilt aanpassen.
(5) Kies met de draaiknop die aan VALUE is toegewezen de waarde van de geselecteerde
parameter.
(6) Ga verder met stap (3) om een andere Part te kiezen die u wilt editen.
Dit zijn de Part parameters die u kunt editen:
Modulatie (Vibrato)
Vibrato is een effect dat ontstaat door de toonhoogte te moduleren. U kunt er een klank wat
meer expressiviteit mee verlenen. Met de volgende drie parameters kunt u de aard en de mate
van vibrato bepalen.
■ Vibrato Rate [-64~+63]
Met deze parameter regelt u de snelheid van de toonhoogtemodulatie. Positieve (+) waarden
zorgen voor een snellere modulatie, negatieve (–) voor een tragere.
■ Vibrato Depth [-64~+63]
Met deze parameter regelt u de intensiteit van de toonhoogtemodulatie. Positieve (+) waarden
zorgen dat de vibrato prominenter wordt, negatieve (–) waarden maken het effect minder
opvallend.
■ Vibrato Delay [64~+63]
Met deze parameter bepaalt u hoelang het duurt eer het vibrato-effect begint. Bij positieve (+)
waarden duurt het langer, bij negatieve korter.
Klankkleur (Filter)
Door de filterinstellingen te variëren regelt u de klankkleur (het timbre). De E-96 gebruikt
Low Pass Filters (LPF). Dit zijn filters die alle frequenties onder een bepaalde frequentie
doorlaten (in het Nederlands worden ze daarom ook wel “hoog-af filters” genoemd). Alle harmonischen die boven deze frequentie liggen worden afgesneden. Die “bepaalde frequentie”
heet dan ook de Cutoff Frequency (afsnijfrequentie), en u kunt die zelf bepalen. Door de
afsnijfrequentie hoger of lager te zetten wordt de klank respectievelijk helderder of doffer.
Bovendien kunt u de afsnijfrequentie in de tijd laten veranderen, dit doet u door er een “envelope” (verloopcurve) aan toe te wijzen. Met de combinatie van filter en envelope instellingen
kunt u een flink stuk dynamiek en expressiviteit aan klanken verlenen.
85
E-96 Gebruikshandleiding
■ TVF Cutoff [-63~+63]
Positieve Cutoff waarden zorgen dat er meer boventonen aanwezig blijven, zodat de klank
helderder wordt. Hoe verder u deze waarde in de negatieve richting kiest, hoe minder boventonen er overblijven, en hoe doffer de klank wordt.
Hogetonen
Low
Pass
Filter
Cutoff frequency
Lagetonen
Opmerking: Bij sommige klanken zult u merken dat positieve (+) Cutoff waarden geen effect hebben. Dit ligt dan
aan het feit dat de voorgeprogrammeerde Cutoff parameter reeds op de maximumwaarde staat.
■ TVF Resonance [-64~+63]
Deze parameter zal door de kenners onder u onmiddellijk met een synthesizer worden geassocieerd. Als u de Resonance waarde verhoogt worden de boventonen in de buurt van de
afsnijfrequentie versterkt, waardoor het geluid een uitgesproken eigen karakter krijgt.
Niveau
Frequency
Afsnijfrequentie
Weinig
Veel
Resonance
Tip: De Resonance parameter heeft een typisch “neveneffect” dat u functioneel kunt gebruiken:
bij een relatief hoge afsnijfrequentie zorgt het verhogen van de Resonance waarde namelijk voor
een vermindering van de basfrequenties, alsof u aan de Bas regelaar op uw Hifi-versterker draait.
Deze truc werkt enkel voor Resonance waarden tussen +1 en +15. Bij hogere waarden wordt het
Resonance effect te duidelijk.
Opmerking:
Bij een aantal klanken leveren negatieve (-) Resonance instellingen geen hoorbaar resultaat op.
Envelope
“Echte” instrumenten klinken nooit constant op hetzelfde volume. Een noot kent steeds een
bepaald volumeverloop, van het moment dat u ze speelt tot ze is uitgestorven. Een grafische
weergave van dat verloop (vanaf nu gebruiken we de Engelse term envelope) zou er zoals de
onderstaande afbeelding kunnen uitzien. Ieder instrument heeft een typische “volumecurve”,
die een grote rol speelt bij het onderscheiden en identificeren van diverse klanken. De manier
waarop het volume van een instrumentklank verloopt heeft bovendien ook nog te maken met
de manier waarop dat instrument wordt bespeeld. Zo kent het volume van een trompet waar
u hard op blaast een snelle aanstijgtijd (het geluid wordt onmiddellijk en op vol volume “uitgespuwd”), bij een zacht aangeblazen trompet is die korter (het geluid komt trager “aanzetten”). Deze aanstijgtijd (Attack Time in het Engels), alsmede de andere componenten (zie
hieronder) van de envelope kunt u op de E-96 met een reeks parameters zelf instellen. Op die
manier kunt u de karakteristieken van heel wat klanken nabootsen.
De envelope parameters werken trouwens niet enkel op het volume (of de amplitude), maar
ook op het filter. Stijgt de envelope, dan stijgt ook de afsnijfrequentie (als die tenminste al
niet op het maximum stond). Als de envelope daalt, daalt ook de afsnijfrequentie.
86
Parts editen, Nog een Source schakelaar: Tone Edit
Volume
Einde
Sustain niveau
Tijd
Attack
Op dit moment
speelt u een
noot (noot-aan)
Decay
Release
Op dit moment
laat u de toets
weer los (noot-uit)
■ Env Attack [-64~+63]
Met deze parameter regelt u de aanstijgtijd van de klank. Negatieve waarden zorgen dat die
sneller wordt, waardoor de klank wat agressiever wordt.
■ Env Decay [-64 ~+63]
Met deze parameter bepaalt u hoelang het geluid erover doet om van het hoogste punt van de
attack tot het Sustain niveau “af te dalen”.
Opmerking: Bij percussieve klanken is het Sustain niveau meestal 0. Piano- en gitaarklanken vallen in deze categorie. U kunt een noot dus nauwelijks langer laten klinken door de toets ingedrukt te houden.
■ Env Release [-64~+63]
Met deze parameter bepaalt u hoelang de noot die u loslaat erover doet om volledig uit te sterven.
10.2 Nog een Source schakelaar: Tone Edit
We komen hier nog maar eens een Source schakelaar tegen. Met dit exemplaar beschermt u
uw Part Parameters tegen wijzigingen (NRPN) die in een Standard MIDI File (voor de Realtime Parts) zitten verwerkt. Net zoals bij de andere Source schakelaars (zie bijvoorbeeld “Wie
kiest de Tones? – Tone Change” op blz. 31), hebt u twee mogelijkheden:
Prf
De Part parameterinstellingen blijven actief tot u een ander Performance geheugen
kiest (of zelf de parameters wijzigt).
Sng
De Realtime Part Parameters luisteren naar commando’s van de Standard MIDI File die
u weergeeft. Kiest u dus Sng, dan veranderen de Part Parameter instellingen indien de
Standard MIDI File andere waarden bevat.
Zolang u geen Standard MIDI File weergeeft is er weinig verschil tussen Prf en Sng.
Voordat we u laten zien hoe u de Tone Edit parameter kunt instellen, gaan we toch eens even
een overzichtje geven van alle Source schakelaars die we reeds hebben ontmoet. Dit stelt u
in staat om snel de relevante delen in deze handleiding te vinden, en geeft u bovendien een
duidelijker beeld van de parameters die u kunt vrijwaren van “ongewenste ingrepen”.
• Tone Change (zie blz. 31 en 52).
• Volume, Panpot, Reverb, Chorus (zie blz. 82) voor de Realtime en Arranger Parts (zie
blz. 82).
• Effect parameters (zie blz. 83).
• Master Tune, Upper2 Tune (zie blz. 89), Scale, Upper1/2 Portamento.
• Pitch Bender Range.
U voelt zich misschien een beetje overdonderd door al deze schakelaars. U zult echter merken
dat ze een behoorlijke tijdswinst opleveren bij het instellen van uw Performance geheugens.
U hoeft enkel de parameters te programmeren waarvan u wilt dat ze niet veranderen onder
87
E-96 Gebruikshandleiding
invloed van de Standard MIDI File of Music Style die u weergeeft. Kies Sng of Arr voor de
parameters die u wél op deze manier wilt laten veranderen, en verspil verder geen tijd aan het
programmeren van deze parameters.
De Tone Edit schakelaars stelt u op de volgende manier in:
(1) Druk op [TONE] om de Tone mode te selecteren.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F4] (Edit) om de Source\Edit pagina te selecteren.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Part waarvan u de Tone Edit instellingen wilt
wijzigen.
De naam van de gekozen Part verschijnt in de schuifbalk.
(4) Stel met de uiterst linkse draaiknop de Tone Edit schakelaar op Prf of Sng (of Arr) in.
(5) Druk tweemaal op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
10.3 Upper2 instellingen
Upper2 stemmen: Coarse en Fine
De Upper2 Part kunt u gebruiken als zelfstandige solo- of melodieklank, als “intelligente
tweede stem” of om de klank van Upper1 “aan te dikken”. Dat laatste dan in het geval u
Upper2 en Upper1 stapelt. Met dat stapelen bedoelen we dat u telkens, wanneer u op een toets
drukt in de rechterhelft van het klavier (op voorwaarde dat u de Assign Split mode, blz. 25,
hebt gekozen) of gelijk waar op het klavier (als u de Whole Right mode hebt gekozen), twee
Tones aanstuurt: degene die aan de Upper1 Part is toegewezen en degene die aan de Upper2
Part is toegewezen. Zie ook “Upper2 kiezen en stapelen” op blz. 24.
Met de volgende parameters kunt u de Upper2 Part ten opzichte van de Upper1 Part transponeren (Coarse) of ontstemmen (Fine).
Zo zou u met Coarse een interval van een kwint (7 halve tonen) voor Upper2 kunnen programmeren. Dit werkt vooral goed op blazersklanken en “zware” gitaarakkoorden (power
chords). Om de Upper2 Coarse en Fine parameters te kunnen gebruiken mag u niet vergeten
de Upper1 en Upper2 Parts tegelijk te activeren. Activeert u enkel de Upper2 Part, dan lijkt
het alsof u uw solo’s in een verkeerde toonaard of met een ontstemde klank speelt.
Met de Fine parameter kunt u mooie dingen doen als u twee identiek of gelijkaardige Tones
aan Upper1 en Upper2 toewijst. In dergelijke gevallen komt u met Fine tot een soort van
natuurlijk Chorus effect, dat u extra in de verf kunt zetten door Upper1 naar links en Upper2
naar rechts te pannen (of vice versa, zie blz. 79).
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F2] (Tune).
(3) Kies met [PAGE] ▲/▼ de tweede Tune pagina:
(4) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop het Coarse interval voor Upper2 in.
88
Parts editen, Upper2 instellingen
(5) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de Fine waarde voor Upper2 in.
Opmerking: Wilt u meteen de Upper2 Tune Source instellen, blijf dan op de Param\Tune pagina. Anders...
(6) ... drukt u op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
■ Upper2 Tune Source
Nadat u de Coarse en/of Fine parameters voor Upper2 hebt ingesteld, d moet u zorgen dat
deze niet meer kunnen worden veranderd door de Standard MIDI File die u weergeeft. Zie
blz. 87 voor meer informatie over de Source schakelaars.
De Source schakelaar voor de Upper2 Coarse en Tune parameters stelt u als volgt in:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te kiezen.
Dit hoeft u uiteraard enkel te doen als u de tweede Param\Tune pagina reeds hebt verlaten (zie
hierboven).
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F2] (Tune).
(3) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop Prf of Sng voor UP2Tune.
Kies Prf als u niet wilt dat de Upper2 Tune instellingen (Coarse en Fine) worden gewijzigd
door de data van de Standard MIDI File die u weergeeft.
(4) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Intelligente tweede stem door Upper2
U herinnert zich nog wel dat u de Upper2 Part als Realtime Part (in de Layer of Split mode)
of als automatische “tweede stem” Part kunt gebruiken. Om deze laatste optie te kiezen moet
u op [MELODY INTELL] drukken, zodat de Arranger een tweede stem kan voegen bij wat
u met de Upper1 Part speelt. Zoals we op blz. 46 reeds aanhaalden, is de tweede stem gebaseerd op de akkoorden die u speelt in het akkoordherkenningsgebied van het klavier.
De E-96 heeft ook nog een parameter aan boord waarmee u het aantal stemmen (1 of 2) kiest
dat door de [MELODY INTELL] functie wordt toegevoegd. Dit gaat als volgt in zijn werk:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl).
(3) Kies met [PAGE] ▲/▼ de tweede Cntrl pagina:
(4) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop het aantal stemmen (1 of 2) voor de Melody Intelligence functie. Deze stemmen worden door de Upper2 Part gespeeld.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: De Melody Intelligence functie werkt enkel in de Arranger mode. U kunt ze niet in de GM/GS mode
gebruiken.
89
E-96 Gebruikshandleiding
Geavanceerde
functies
11.
In dit deel bespreken we een aantal parameters die verband houden met reeds behandelde
parameters of functies, maar waarbij dit verband misschien niet altijd even duidelijk is. Aan
het editen van dit soort instellingen bent u waarschijnlijk pas toe zodra u wat meer vertrouwd
bent geraakt met de E-96 en u wat subtielere veranderingen in de fabrieksinstellingen wilt
aanbrengen.
De waarden die u voor alle parameters in dit deel instelt kunt u opslaan in een Performance
geheugen en weer laden als u ze nodig hebt (zie “Instellingen opslaan en laden – Performance
Memories” op blz. 56).
11.1 Instellingen die verband houden met de Arranger
Fill Rit waarde
De Fill Rit waarde houdt verband met de Fill Rit functie van de Arranger (zie blz. 43). U
bepaalt hiermee in welke mate een fill (To Original of To Variation) vertraagt terwijl hij
wordt weergegeven. De Fill Rit waarde kunt u enkel gebruiken wanneer de [FILL RIT] indicator oplicht.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de tweede Param\Glbal pagina.
(4) Stel met de [BASS/BANK] draaiknop de Fill Rit waarde in.
Hoe hoger de waarde, hoe meer de Fill vertraagt.
(5) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina of ga naar de volgende paragraaf.
Rit/Acc waarde: Tempo Change
De Tempo Change functie doet ongeveer hetzelfde als Fill Rit, maar hier bewerkt u de normale weergave in plaats van de Fills. De overeenkomstige knoppen ([RIT] en [ACC]) maken
deel uit van de Tempo sectie.
Opmerking: De Tempo Change waarden die u hier kiest gelden zowel voor ritardando’s (Rit) als voor accelerando’s (Acc).
(1)
(2)
(3)
(4)
Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
Druk op [F1] (Glbal).
Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de tweede Param\Glbal pagina.
Bepaal met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de verhouding van de tempoverandering. Ook hier zorgen hogere waarden voor een meer uitgesproken versnelling/vertraging.
(5) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de snelheid van de tempoverandering in.
90
Geavanceerde functies, Instellingen die verband houden met de Arranger
Om een orkest na te bootsen dat langzaam vertraagt kiest u best hogere CPT waarden.
CPT is de afkorting van Clock Pulse Time. Deze waarde staat voor de resolutie van een kwartnoot, d.w.z. het aantal “eenheden” (klokposities) tussen één kwartnoot en de volgende. De
resolutie van uw E-96 is q = 120CPT, de tweede kwartnoot bevindt zich dus op 120 clocks
(klokposities) van de eerste.
Wilt u bijvoorbeeld de complete tempoverandering over vier tellen (dus één 4/4 maat) laten
plaatsvinden, dan moet u de waarde 4 (tellen) x 120 (clocks) = 480CPT (fabriekswaarde)
invoeren. De volgende maat wordt dan aan het nieuwe tempo weergegeven (sneller als u op
[ACC] drukt, of trager als u op [RIT] drukt).
(6) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Majeur, mineur of septiem begeleiding? – Chord Family Assign, Alteratn
Op blz. 42 hebben we u uitgelegd dat er drie complete sets Style divisies zijn: eentje voor
majeur-, eentje voor mineur-, en eentje voor septiemakkoorden. Als u aandachtig naar de
interne Styles van uw E-96 luistert, zult u merken dat de begeleiding voor mineurakkoorden
soms afwijkt van die voor majeur- en septiemakkoorden. Dat komt omdat u deze begeleidingen apart kunt programmeren.
Met de Chord Family Assign functie bepaalt u welke mode (majeur, mineur of septiem) de
Arranger moet gebruiken voor de akkoorden die u speelt. Wilt u bijvoorbeeld de mineurbegeleiding horen wanneer u “6” akkoorden speelt, wijs dan met de Chord Family Assign functie de familie van “6” akkoorden (bijvoorbeeld C6, A6 enz.) aan de mineurbegeleidingen toe.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de vierde Param\Global pagina.
(4) Kies eerst één van de 8 beschikbare Chord geheugens. Dit doet u met de [DRUMS/
PART] draaiknop.
Hebt u met deze functie nog niets geprogrammeerd, dan wordt Chord geheugen 1 gekozen.
Als alle geheugens reeds bezet zijn (dit kunt u zien aan de akkoordnaam rechts van het geheugennummer), kunt u één van deze geheugens wissen door op Part Select [M.DRUMS] (Cancel) te drukken.
(5) Speel het akkoord dat u aan een andere Family wilt toewijzen. De naam van dat
akkoord verschijnt rechts van het akkoordgeheugennummer.
(6) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de gewenste Family –Majeur (M), Mineur
(m), of Septiem (7)– voor het akkoord dat u zonet hebt gespeeld.
Stel nu dat u de begeleiding waaraan u het akkoord hebt toegewezen wel in orde vindt, maar
u vindt de Intro en Ending wat vreemd klinken wanneer u een song met dat akkoord begint
(bijvoorbeeld C4). We gaan dit even verduidelijken met een voorbeeld: u hebt het C4 aan de
majeurfamilie toegewezen, en de Intro van de Style bevat de volgende progressie:
C
Am
F
G
Begint u nu de Intro met het C4 akkoord in het geheugen, dan ziet de progressie er plots als
volgt uit:
C4
Am7
F
G7
91
E-96 Gebruikshandleiding
Deze progressie ligt niet echt voor de hand. Gelukkig kunt u de Alteration functie uitschakelen. Het C4 akkoord blijft dan in het geheugen bewaard, maar de Intro of Ending spelen de
normale progressie (in ons geval C, Am, F, G). Na de Intro/Ending schakelt de Arranger om
naar het C4 akkoord.
(7) Schakel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de Alteration (Altern) functie in
(On) of uit (Off).
(8) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Muzikale Style weergave: Wrap
Met de Wrap functie bepaalt u hoe de bas en de begeleidingsinstrumenten hun partijen spelen.
U hebt tot nu toe waarschijnlijk nog weinig gemerkt van de Wrap functie. Ze staat namelijk
standaard op Natural, wat betekent dat alle instrumenten in hun natuurlijk bereik spelen. Als
u de optie Natural kiest, transponeert de Wrap functie namelijk alle noten die in de begeleiding te laag (voor piccoloklanken enz.) of te hoog (voor basklanken enz.) zijn één octaaf naar
omhoog of omlaag. Waar de Wrap functie precies de grens trekt ligt voor iedere Tone vast, u
kunt dit niet veranderen.
Met de Acc Wrap parameter kunt u de Wrap functie in- (Natural) of uitschakelen (Full). Voor
de meeste Styles is Natural de beste keuze. Full kan een zinvolle keuze zijn wanneer u de
User Style functie gebruikt als sequencer.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de vijfde Param\Glbal pagina.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de partij (ABS, Acc1~Acc6) waarvan u de
Wrap instelling wilt veranderen.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop Natural of Full.
Natural
Alle noten die door de overeenkomstige Part worden gespeeld klinken in het
natuurlijke bereik van de geselecteerde Tone (niet te laag en niet te hoog).
Full
Alle noten van de overeenkomstige Part worden gespeeld zoals u ze hebt geprogrammeerd. Kies Full indien u stijgende of dalende lijnen of consequente voicings nodig hebt voor de akkoordprogressie die u speelt (bijvoorbeeld als u de
User Style functie gebruikt om zelf een begeleiding op te nemen).
(6) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Dynamic Arranger: aanslaggevoeligheid van de Arranger Parts
Zoals we op blz. 47 reeds hebben uitgelegd, kunt u met de Dynamic Arranger functie het
volume van de begeleidingspartijen bepalen via de kracht waarmee u de toetsen in het
akkoordherkenningsgebied aanslaat. Met de Dynamic Arranger parameter op de Param\Cntrl
pagina bepaalt u in welke mate de Arranger Parts op deze verschillen in aanslagsterkte reageren.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl).
92
Geavanceerde functies, Instellingen die verband houden met de Arranger
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de tweede Param\Cntrl pagina.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Arranger Part waarvan u de aanslaggevoeligheid wilt aanpassen.
(5) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de aanslaggevoeligheid (Value) in.
U kunt positieve en negatieve waarden invoeren. Positieve waarden betekenen dat het volume
van de betreffende Part toeneemt wanneer u de toetsen in het akkoordherkenningsgebied harder aanslaat, terwijl negatieve waarden zorgen dat het volume van de betreffende Part vermindert naarmate u zachter aanslaat.
Tip: Een interessante toepassing is om voor twee begeleidingspartijen tegenovergestelde extreme
positieve/negatieve waarden te kiezen (dus Value +127 en –127). Op die manier kunt u deze Parts
afwisselen door uw aanslagsterkte te variëren. Eén Part wordt dan hoorbaar wanneer u zacht
aanslaat, de andere wanneer u hard aanslaat.
Natuurlijk kunt u ook met subtielere instellingen (bijvoorbeeld. +20 en –20 voor een paar)
mooie dingen doen. Parts waarvan u het volume niet door uw aanslag wilt laten sturen geeft
u de Value 0.
(6) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Voetschakelaar
U kunt een los verkrijgbare voetschakelaar (DP-2, DP-6, of Boss FS-5U) aansluiten op de
FOOT SWITCH jack (achterpaneel) en daar een vrij te kiezen functie mee aansturen. In het
Referentiehandboek vindt u een overzicht van de beschikbare voetschakelaarfuncties. Aangezien de meeste van deze functies te maken hebben met de Arranger, gaan we er hier op in.
De meest voor de hand liggende functie voor de voetschakelaar is het starten en stoppen van
de weergave van een Style. Nog zo’n nuttige functie waarvoor u hem kunt gebruiken is het
in- en uitschakelen van de Inversion functie van de Arranger (zie blz. 40).
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl) om de Param\Cntrl pagina te openen.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de derde pagina:
(4) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop een functie voor de (los verkrijgbare)
voetschakelaar.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: De Footswitch functie kunt u opslaan in een Performance geheugen. Dit kan de volgende verwarrende situatie opleveren: als u de voetschakelaar hebt geprogrammeerd om Performance Memories te kiezen, is het
mogelijk dat het volgende de Performance geheugen een andere functie voor de voetschakelaar bevat. Hierdoor kunt
u dan geen Performance Memories meer kiezen met de voet (omdat de voetschakelaar nu bijvoorbeeld dient om de
weergave van de Recorder te Starten/Stoppen). U kunt slechts één functie aan de voetschakelaar toewijzen.
93
E-96 Gebruikshandleiding
11.2 Instellingen die verband houden met de Realtime Parts
Aanslaggevoeligheid en Velocity Switching
De Velocity instellingen waarover we het hier hebben gelden enkel voor de Realtime Parts
(Upper1, Upper2, Lower, M.Bass, M.Drums). Ze dienen om de aanslaggevoeligheid en het
aanslagbereik van de geselecteerde Part in te stellen.
■ Aanslaggevoeligheid (Sensitivity)
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de eerste Param\Cntrl pagina.
(4) Kies eerst de Realtime Part waarvan u de aanslaggevoeligheid wilt wijzigen ([DRUMS/
PART]).
Kies UP1.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknopeen aanslagcurve (Sensitivity).
Sensitivity
Verklaring
High
Dit is de standaardinstelling, die u de meeste expressiviteit bij het spelen biedt:
zelfs kleine variaties in aanslagsterkte leveren grote volumeveranderingen op.
Dat impliceert dat u harder moet aanslaan om het maximumvolume te bereiken.
Medium
Medium aanslaggevoeligheid. De Part reageert wat minder sterk op verschillen in
aanslagsterkte dan bij High het geval is. U bereikt sneller het maximum volume.
Low
Kies deze optie als u vaak op een elektronisch orgel speelt of als u gewoon wilt
dat de Part nauwelijks op verschillen in aanslagsterkte reageert.
■ Velocity Switch (Min en Max)
(6) Met de [LOWER/NUMBER] en [UPPER/VARIATION] draaiknoppen kiest u de laagste (Min) en hoogste (Max) aanslagwaarde waarmee u de geselecteerde Part kunt aansturen.
Velocity Switching slaat op het omschakelen tussen twee Parts, afhankelijk van de sterkte
waarmee u de toetsen aanslaat. Deze functie bewijst waarschijnlijk enkel zijn nut wanneer u
ze toepast op de Upper1 en Upper2 Parts. Verander deze waarden niet als u niet van plan bent
op deze manier tussen Parts heen en weer te schakelen. U zou zich anders wel eens kunnen
afvragen waarom u de Lower Part enkel hoort als u extreem hard of zacht aanslaat. Wilt u wel
tussen de Upper1 en Upper2 Parts schakelen, stapel ze dan en stel de volgende aanslagwaarden in:
Part
94
Min
Max
Klank
Upper1
1
85
Mute Trumpet
Upper2
86
127
Trumpet
Geavanceerde functies, Instellingen die verband houden met de Realtime Parts
Beide Parts moeten ingeschakeld zijn. Bij de bovenstaande instellingen hoort u bij aanslagwaarden tussen 1 en 85 de Mute Trumpet klank, terwijl waarden boven 86 enkel de Tone aansturen die aan Upper2 is toegewezen. U hoort dus nooit meer dan één Upper Tone tegelijk.
Tip: U bent niet verplicht verschillende klanken te kiezen voor Upper1 en Upper2. U kunt ook twee
identieke klanken kiezen en enkel twee verschillende afsnijfrequentiewaarden instellen (zie
blz. 86), zodat Upper1 doffer klinkt en Upper2 helderder. Dit geeft goede resultaten voor solo synthesizerklanken
(7) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Roll resolutie voor de M.Drums Part
Met de Roll parameter bepaalt u de nootwaarde van de automatische Roll (roffel) functie (zie
blz. 27), die uiteraard enkel werkt voor de Manual Drums (of M.Drums) Part.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F1] (Glbal).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de derde Param\Glbal pagina.
(4) kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de waarde van de noten die u door de Roll
functie wilt laten spelen.
Opmerking: De snelheid van de roffel hangt af van het tempo dat momenteel wordt afgebeeld in het Tempovenster. “1/32” is dus waarschijnlijk niet de beste keuze voor hoge tempowaarden.
(5) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Monofoon/polyfoon, met of zonder Portamento (Upper1 en Upper2)
■ Mono/Poly
U kunt de Upper1 en Upper2 Parts monofoon maken. Monofoon betekent dat u slechts één
noot tegelijk kunt spelen. Gebruik de Mono mode om een trompet- of houtblazerspartij op
een natuurlijke manier te kunnen spelen. Poly betekent daarentegen dat u met de geselecteerde Part akkoorden e.d. kunt spelen.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F2] (Tune) om de Parameter\Tune pagina te selecteren.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de derde Tune pagina.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] of [BASS/BANK] draaiknop de Upper1 of Upper2 mode.
95
E-96 Gebruikshandleiding
■ Portamento time
Portamento is een effect dat de noten die u speelt geleidelijk in elkaar doet overgaan:
Toonh. glijdt telkens naar de volgende noot
Portamento time= 0
"Ruwe" toonhoogtesprongen in 1/2 tonen
Portamento time> 0
"Zachte" overgangen.
Zodra u een portamento waarde hoger dan 0 instelt, “glijdt” te toonhoogte geleidelijk van
toon naar toon. Hoe hoger de waarde die u instelt, hoe trager de toon glijdt. Dit effect bewijst
zijn beste diensten bij synthesizer- of zigeunervioolpartijen.
(5) Om de Portamento snelheid in te stellen draait u aan de [ACCOMP/GROUP] draaiknop (Upper1) of de [LOWER/NUMBER] draaiknop (Upper2).
(6) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Pitch Bend bereik (Range)
U kunt het Pitch Bend bereik voor iedere Realtime Part individueel instellen. In de meeste
gevallen houdt u het waarschijnlijk best bij de fabrieksinstelling (twee halve tonen), maar u
kunt natuurlijk grotere of kleinere intervallen kiezen. Een Fretless basklank klinkt bijvoorbeeld natuurlijker met een interval van een halve toon (Range= 1), omdat u daarmee de typische kleine afwijkingen in toonhoogte van zo’n bas kunt nabootsen.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl) om de Param\Cntrl pagina op te roepen.
(3) Kies de derde pagina met de [PAGE] ▲/▼ knoppen:
(4) Voordat u het Pitch Bend bereik voor een Part instelt, moet u deze Part kiezen met de
[DRUMS/PART] draaiknop.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het interval (Range).
Om een interval van een kwint in te stellen kiest u de waarde “7” (zeven halve tonen). Voor
een octaaf stelt u Range op “12” in. De Range waarde geldt zowel voor opwaartse als neerwaartse buigingen.
Tip: Wilt u voor een bepaalde Part enkel de Extra Bender functie (zie hieronder) gebruiken, zonder de noten van die Part te “buigen”, stel dan Range= 0 in. U kunt dan de Bender helemaal naar
rechts of links buigen zonder de toonhoogte van de Part te veranderen.
Opmerking:
Als u van plan bent Upper1 en Upper2 te stapelen moet u ze dezelfde Range geven.
(6) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
96
Geavanceerde functies, Instellingen die verband houden met de Realtime Parts
Zwelpedaal: overgangen of volume
Met een zwelpedaal (EV-5 of EV-10) dat u op de EXPRESSION PEDAL jack van uw E-96
aansluit kunt u het volume van de geselecteerde (Status= On) Parts regelen. Volgens hun
standaardinstelling luisteren alle Parts naar de stand van dit zwelpedaal.
U kunt het zwelpedaal ook voor een aantal interessante effecten gebruiken. In plaats van tussen Upper1 en Upper2 over te schakelen door uw aanslag te variëren (zie blz. 94), wat niet
zo makkelijk is, zou u ook de respons van Upper2 op het zwelpedaal kunnen omkeren. Op
die manier hoort u Upper1 niet als u Upper2 wel hoort en vice versa:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F3] (Cntrl).
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de vierde Param\Cntrl pagina.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Part waarvoor u de instelling van het zwelpedaal wilt wijzigen.
(5) Bepaal met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop of die Part al (Status On) dan niet (Status Off) naar commando’s van het zwelpedaal moet luisteren.
Kies “Off” voor alle Parts waarvan u wilt dat ze het zwelpedaal negeren.
(6) Stel met [LOWER/NUMBER] en [UPPER/VARIATION] het volume in dat u wilt
horen wanneer het zwelpedaal is ingedrukt (Down) of niet is ingedrukt (Up).
U hoeft deze extreme waarden te kiezen. Zo hoeft u niet “0” in te stellen voor de Up positie.
Als u een andere waarde kiest, wordt het volume van die Part verminderd tot de “Up” waarde
wordt bereikt. Ook voor de “Down” positie hoeft u dus niet “127” in te stellen.
Opmerking: De Down en Up waarden zijn MIDI Expression (CC11) waarden.
(7) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Andere stemmingen: Keyboard Scale
Met de volgende parameter kunt u de stemming van verschillende of van twee of alle Parts
veranderen, zodat u bijvoorbeeld Arabische toonladders enz. kunt spelen.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Druk op [F2] (Tune) om de Parameter\Tune pagina te selecteren.
(3) Druk op [PAGE] ▲/▼ om de tweede Param\Tune pagina te selecteren.
Met de eerste Kbd Scale parameter, Assign, schakelt u de alternatieve stemming in (UP1-2,
All) of uit (Off).
(4) Kies met de [BASS/BANK] draaiknop UP1-2, All, of Off voor de Assign parameter.
Wilt u nu een andere stemming programmeren, kies dan UP1-2 (enkel Upper1 en Upper2) of
All (alle Realtime en Arranger Parts), want anders hoort u niet wat u programmeert.
(5) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de noot wier stemming u wilt veranderen.
97
E-96 Gebruikshandleiding
U zult merken dat u iedere noot slechts éénmaal kunt selecteren. Dit is zo omdat de Value die
u voor die noot instelt (zie hieronder) automatisch geldt voor alle noten met dezelfde naam.
Met andere woorden, verandert u de stemming van de C, dan wordt die waarde opgeteld bij
of afgetrokken van alle C’s (C1, C2, C3, enz.).
(6) Stem met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de gekozen noot. De waarde “0” betekent dat u de noot op zijn originele toonhoogte laat.
Negatieve waarden betekenen dat de stemming van de betreffende noot lager komt te liggen,
bij positieve waarden komt ze hoger te liggen. Het instelbereik gaat van –128~+128 cent. 100
cent is gelijk aan één halve toon, dus kunt u de toonhoogte iets meer dan een halve toon verhogen of verlagen.
(7) Herhaal stap (5) en (6) om de andere noten van de toonladder te stemmen (C#, D, D#,
E, enz.).
(8) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
11.3 Source schakelaars
Nadat u alle parameters in dit deel (of een deel ervan) hebt ingesteld, wilt u misschien de respectievelijke Source schakelaars instellen. Zie “Nog een Source schakelaar: Tone Edit” op
blz. 87 voor meer informatie over Source schakelaars en hoe u ze instelt.
Zo selecteert u de Source\Tune pagina:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F2] (Tune).
(3) Zet de Source schakelaars met hun overeenkomstige draaiknop in de gewenste stand.
Zie “Master Tune” op blz. 35.
Zo kiest u de Source\Cntrl pagina:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F2] (Param) om de Parameter mode te selecteren.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F3].
Zie “Pitch Bend bereik (Range)” op blz. 96 voor de relevante parameter.
(3) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
98
Geavanceerde functies, Metronoom
11.4 Metronoom
De E-96 is uitgerust met een metronoomfunctie die u kunt gebruiken tijdens het programmeren van User Styles of gewoon als hulpmiddel bij het oefenen.
Als de fabrieksinstellingen van de metronoom u niet bevallen kunt u in het Referentiehandboek terecht voor meer informatie.
11.5 Song Sets
Als u regelmatig optreedt zult u waarschijnlijk erg opgetogen zijn over de mogelijkheid om
Song Sets te programmeren. Daarmee kunt u namelijk een reeks Standard MIDI Files van diskette weergeven in een te programmeren volgorde. Dat levert u dan een adempauze op, terwijl het publiek toch muziek blijft horen. Aangezien u reeds vertrouwd bent met User Style
Sets, zult u het principe van Song Sets ook wel snel onder de knie hebben.
U kunt een Song Set tot 99 Songs ononderbroken laten weergeven of de weergave na ieder
nummer laten stoppen, waarbij u dan zelf de volgende Song moet starten.
De Pause functie gebruikt u om een lege ruimte tussen twee songs te programmeren.
Song Set samenstellen
(1) Steek de diskette met de Songs die u tot een Set wilt combineren in de drive.
Opmerking: Gebruik geen in de handel verkrijgbare Standard MIDI File diskettes. Kopieer liever met Song Copy
of Disk Copy de Songs naar een andere diskette (zie blz. 149).
(2) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(3) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F2] (SngSt).
(4)
(5)
(6)
(7)
In het SngSt venster ziet u hoeveel Song Sets er reeds op de diskette staan. In het Position
venster kunt u de volgorde programmeren waarin de songs moeten worden weergeven.
Druk op Part Select [M.DRUMS] om een nieuwe Song Set aan te maken.
Kies met de [BASS/BANK] draaiknop de song op diskette die u het eerst wilt weergeven
(toegewezen aan Position 1).
Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop Position 2.
Wijs met de [BASS/BANK] draaiknop een Song aan deze positie toe.
99
E-96 Gebruikshandleiding
(8) Herhaal stap (6) en (7) om uw Song Set samen te stellen.
Sluit de lijst af met End. Alle songs na “End” worden geen deel van uw Song Set.
(9) Druk op Part Select [UPPER1] om uw Song Set op te slaan.
Uw Song Set wordt opgeslagen onder het eerste beschikbare nummer. U kunt uw Song Sets
geen naam geven.
(10) Wacht tot de OK Save Complete melding wordt afgebeeld en druk op [F5] (Exit) om
terug te keren naar de Master pagina.
Song Set weergeven
Om een Song Set weer te geven steekt u de diskette in de drive en kiest u met de Song Select
[√PREVIOUS] en [NEXT®] knop de Song Set (Song Set01~Song Setxx). Druk op Recorder [PLAY ®] om de weergave van uw Song Set te starten.
Schakel, voordat u naar het volgende hoofdstuk gaat, de E-96 uit en weer in.
100
User Styles programmeren, Concept
User
Styles
programmeren
12.
De E-96 biedt u de mogelijkheid uw eigen begeleidingen, of Styles, te programmeren. Styles
die u zelf programmeert bevinden zich niet in het ROM geheugen, daarom noemen we ze
User Styles, Styles dus die door een gebruiker (u of iemand anders) werden gemaakt. Misschien vindt u tussen de Styles in het ROM geheugen of op de MSA en MSD diskettes geen
Style die past bij de Song die u wilt spelen. In dat geval bent u op de volgende bladzijden aan
het juiste adres om een eigen Style te leren programmeren.
12.1 Concept
U kunt op twee manieren nieuwe Styles creëren:
• Door “van nul” te beginnen en een volledig nieuwe Style te creëren (zie blz. 104).
• Door bestaande Styles te editen. Hiervoor moet u ze eerst naar een User Style kopiëren,
vervolgens kunt u de instellingen of noten wijzigen die u niet bevallen (zie blz. 115).
De laatste manier is uiteraard sneller, aangezien u enkel Parts moet aanpassen die niet “werken” voor de Song die u wilt spelen. Toch valt ook het programmeren van een totaal nieuwe
Style best mee, want de E-96 is uitgerust met een aantal functies die het programmeren aanzienlijk vlotter doen verlopen.
Patronen
User Styles en interne Styles zijn in feite korte muzikale patronen (meestal vier, soms acht
maten lang) die u tijdens het spelen kunt selecteren. Dit hebben we trouwens al iets uitvoeringen uit de doeken gedaan in het deel “Spelen met begeleiding – Arranger” op blz. 36. Als
u ooit met een Rhythm Programmer (de Roland R-8MkII, bijvoorbeeld) hebt gewerkt, zal het
begrip patroon u wel vertrouwd overkomen.
Begeleidingen die op patronen zijn gebaseerd bestaan meestal uit de volgende elementen:
• De groove, dit is het ritme dat de “ruggegraat” van de Song vormt.
• Verschillende alternatieven voor de groove die de begeleiding interessant houden en een
zekere “evolutie” of “Variation” suggereren.
• Fill-Ins die het begin van een nieuw deel van de Song aankondigen
• Het begin en einde van een Song
Voor een Song van drie minuten hebt u in de regel genoeg aan vier tot acht drumpatronen. U
hoeft ze dan enkel nog in de juiste volgorde te zetten, en klaar is Kees. In feite kunt u een
Music Style op de E-96 vergelijken met wat meestal een “Song” heet op een drummachine.
Drummachine Songs moet u echter op voorhand programmeren, terwijl u de Music Style
patronen tijdens het spelen kunt kiezen door op de Arranger knoppen te drukken.
U kunt in de E-96 36 verschillende patronen (of divisies) per Style programmeren, een aantal
daarvan kunt u achteraf via hun knoppen selecteren ([BASIC], [ORIGINAL], [VARIATION], [ADVANCED], enz.), terwijl anderen worden geselecteerd op basis van de akkoorden die u speelt in het akkoordherkenningsgebied van het klavier (majeur, mineur, septiem).
Sporen
In tegenstelling tot een drummachine bevat een Style niet enkel ritmepartijen (drums & percussie) maar ook een melodische begeleiding die is opgebouwd met twee tot drie muzikale
101
E-96 Gebruikshandleiding
partijen, zoals piano, gitaar, bas, en strijkers. Deze zijn in de E-96 verdeeld over sporen – acht
om precies te zijn:
Track
Part
Verklaring
1
ADR
Accompaniment Drums. De drum en percussiepartij van een begeleiding.
2
ABS
Accompaniment Bass. De baslijn van een begeleiding.
3
ACC1
Accompaniment 1. Eerste melodische begeleiding.
:
8
:
ACC6
:
Accompaniment 6. Zesde melodische begeleiding.
De toewijzing van de Parts aan de sporen ligt vast. Zo kunt u bijvoorbeeld niet de ADR Part
aan spoor 6 toewijzen.
De verdeling van de Parts is geïnspireerd op de praktijk: zo zijn de ADR Part en de ABS Part
respectievelijk aan spoor één en twee toegewezen omdat de meeste programmeurs en artiesten beginnen met de ritmesectie (drums en bas) van een Song. Deze vormt dan het fundament
waarop de “Feel” van de andere Parts kan worden gebaseerd. Maar u bent uiteraard niet verplicht om “volgens het boekje” te werken. Begin met een andere Part als dat beter uitkomt
voor de Style die u wilt programmeren. Niets houdt u tegen om bijvoorbeeld met de piano te
starten.
Opmerking: Hoewel er zes ACC Parts zijn, bevatten de meeste Styles slechts twee of drie melodische begeleidingen. “Eenvoud siert” namelijk ook bij het programmeren van Styles. Voel u dus niet verplicht de zes Parts van
de E-96 allemaal te programmeren. Op die manier raakt uw arrangement namelijk snel “oververzadigd”, waardoor
het aan kracht inboet. Luister maar eens naar een aantal popopnames die u nogal indrukwekkend vindt klinken. U
zult (misschien tot uw verbazing) merken dat niet het aantal instrumenten maar wel de kracht van het arrangement
(de juiste noten op het juiste moment) de Song zo “groots” doen klinken.
Loop en One-Shot divisies
Laten we de patronen van de E-96 vanaf nu divisies noemen. Er zijn twee soorten divisies op
de E-96: ge-loop-te divisies en One-Shot divisies.
102
User Styles programmeren, Concept
■ Loop divisies
Loop divisies zijn begeleidingen die worden herhaald tot u een andere divisie kiest of op
[START/STOP] drukt om de weergave van de Arranger te stoppen. De E-96 biedt vier Loop
divisies met elk drie variaties. Laten we die variaties vanaf nu modes noemen:
Divisie
Modes
Verklaring
Basic/Original
Majeur
Mineur
Septiem
De naam zegt het al, dit is de meest eenvoudige begeleiding.
Basic/Variation
Majeur
Mineur
Septiem
Basic/Variation is een alternatief voor de Basic begeleiding
Advanced/Original
Majeur
Mineur
Septiem
Gaat verder dan het Basic niveau, Bevat meestal meer instrumenten maar het kan ook een totaal andere begeleiding voor
een bepaalde stijl zijn.
Advanced/Variation
Majeur
Mineur
Septiem
Variatie van de Advanced/Original begeleiding.
Loop divisies gaan niet automatisch over in een andere divisie: ze blijven spelen tot u zelf een
andere divisie kiest (met de hand of met de voet, middels een los verkrijgbare FC-7).
■ One-Shot divisies
One-Shot divisies zijn begeleidingen die slechts éénmaal spelen en dan overgaan in een Loop
divisie of de Arranger stoppen.
Divisie
Modes
Verklaring
Intro
(Basic of Advanced)
Majeur
Mineur
Septiem
Inleiding die overgaat in de Original divisie van het niveau dat
u koos (Basic of Advanced).
Ending
(Basic of Advanced)
Majeur
Mineur
Septiem
Einde (of coda). Zodra de Ending is afgelopen, stopt de Arranger.
Fill-In To Original
Majeur
Mineur
Septiem
Een muzikale overgang naar de Original divisie van het actieve
niveau.
Fill-In To Variation
Majeur
Mineur
Septiem
Een muzikale overgang naar de Variation divisie van het
actieve niveau.
Het type divisie (Loop of One-Shot) bepaalt de manier waarop de respectievelijke sporen
worden weergegeven. De volgende illustratie maakt dit duidelijk:
103
E-96 Gebruikshandleiding
“One-Shot” patronen:
Intro
Ending
To Original
To Variation
1 ADR
2 ABS
3 AC1
4 AC2
5 AC3
6 AC4
7 AC5
8 AC6
De lengte van alle sporen is
steeds gelijk aan de lengte
van de langste partij.
Maten die data bevatten
Rusten die worden toegevoegd in functie van het langste spoor
Loop patronen:
Basic
• Original
• Variation
Advanced
• Original
• Variation
1 ADR
2 ABS
3 AC1
4 AC2
5 AC3
6 AC4
7 AC5
8 AC6
}
}
}
}
}
}
Kortere Parts worden herhaald tot de langste partij
is afgelopen.
}
}
Maten die data bevatten
Plaats waar het spoor weer naar het begin springt (Loop)
De Arranger voegt automatisch de nodige rusten toe aan een One-Shot spoor dat korter is dan
de langste.
Bij Loop patronen gaat het anders: als die korter zijn dan het langste spoor, worden ze herhaald tot het langste spoor is afgelopen. Een repetitieve frase van een Loop divisie hoeft u dus
slechts éénmaal op te nemen, aangezien ze toch automatisch wordt herhaald tot het langste
spoor is afgelopen, waarna de hele divisie (inclusief de “sub-loops”) wordt herhaald. Duurt
de ADR Part bijvoorbeeld vier maten, terwijl de ABS acht maten duurt, dan wordt de ADR
éénmaal herhaald terwijl de Arranger maat 5~8 van de baslijn weergeeft.
12.2 Nieuwe User Styles opnemen
Opmerking: Het volgende kunt u op twee manieren lezen. Wilt u enkel een Style programmeren, lees dan enkel de vetgedrukte stukjes. De overige tekst geeft extra uitleg (of opties) bij wat
we aan het doen zijn. U kunt die achteraf nog lezen, als u iets niet begrijpt. Voor meer informatie kunt u trouwens ook terecht in het Referentiehandboek.
User Style mode kiezen
(1) Druk, op de Master pagina van de Arranger mode, op [F4] (UsrSt) om de User Style
mode te activeren.
(2) Druk op (Rec) als de 1Rec menu optie nog niet is geselecteerd.
(3) Druk op [PAGE] ▲/▼ om de eerste User Style\Rec pagina te openen.
104
User Styles programmeren, Nieuwe User Styles opnemen
Opmerking:
Deze pagina noemen we “de eerste User Style\Rec pagina”. In de linkerhoek kan namelijk User
Style, Play, Record Erase, of Record Merge verschijnen, afhankelijk van de functie die u kiest. De geselecteerde
menufunctie blijft echter steeds Rec.
Op dit moment wordt User Style in de linkerhoek afgebeeld, wat betekent dat de E-96
klaar is voor opname of weergave.
Spoor, Part en divisie kiezen
Laten we het simpel houden en beginnen met de drums van de Basic/Original patroon.
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop 1ADR (eerste spoor, Accompaniment Drums).
Kies nu een divisie. Begin met de Basic/Original divisie
(5) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop Or voor de Division parameter.
■ Werken met klonen
Op deze pagina kunt u twee “kloon” functies gebruiken waarmee u één Part kunt opnemen
en kopiëren naar maximum drie divisies en drie modes. Dat gaat als volgt:
Display-functie
Opties
Verklaring
M
Neemt enkel het majeurpatroon op.
M=m
Neemt het majeurpatroon op en kopieert het naar het mineur
patroon.
M=m=7
Neemt het majeur patroon op en kopieert het naar het
mineur - en septiempatroon.
Mode
Andere opties: m, m=M, m=7, m=M=7, 7, 7=M, 7=m, 7=M=m
Bsc
Neemt enkel de Basic divisie op.
Adv
Neemt enkel de Advanced divisie op.
B=A
Neemt de Basic divisie op en kopieert ze naar de Advanced
divisie.
Type
Andere opties: A=B
Divisie
Or
Neemt enkel de Original divisie op.
Va
Neemt enkel de Variation divisie op.
Fo
Neemt enkel de Fill-In To Original op.
Fv
Neemt enkel de Fill-In To Variation op.
In
Neemt enkel de Intro op.
Ed
Neemt enkel de Ending op.
Andere opties: Or=Va, Va=Or, Fo=Fv, Fv=Fo, In=Ed, Ed=In
(6) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de mode(s), en met de [BASS/BANK]
draaiknop het (de) type(s).
Laten we de bovenstaande display-instellingen gebruiken (zie stap (4)). Die betekenen “neem
het Basic/Original/Major patroon op en kopieer het naar alle Loop divisies”. Door één
105
E-96 Gebruikshandleiding
patroon te programmeren krijgt u dus 3 (M, m, 7) x 2 (Bsc, Adv) x 2 (Or, Va) = 12 identieke
drumpatronen!
Opmerking: Voor One-Shot divisies kunt u slechts vijf Parts klonen, aangezien er geen Original/Variation niveau
bestaat voor Intro, Ending, To Original, of To Variation: enkel Basic en Advanced niveaus (zie de afbeelding op
blz. 102).
Record mode
(7) Druk op [PAGE] ▼ om de tweede User Style Rec pagina te kiezen:
Met de eerste parameter (Mode) kiest u de Record mode. Afhankelijk van de mode die u hier
kiest, ziet de eerste User StyleRec pagina er zo uit...
...of zo...
... wanneer u op de [REC ●] knop van de Recorder drukt.
Record Erase betekent dat alles wat u opneemt over de data op het geselecteerde spoor wordt
geschreven (waarbij de aanwezige data dus worden gewist). Deze mode wordt automatisch
geselecteerd als u de Record functie activeert voor een spoor dat nog geen data bevat. Kiest
u een spoor dat reeds data bevat, dan verschijnt er Record Merge in de linkerhoek.
Record Merge betekent dat de data die u gaat opnemen worden toegevoegd aan de data van
het geselecteerde spoor.
(8) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop Erase of Merge.
Toonaard (Key) specifiëren
Als u de begeleidingen op een muzikaal zinvolle manier wilt gebruiken (zie “Opmerkingen”
op blz. 113), moet u de E-96 vertellen in welke toonaard u opneemt. Op die manier wordt tijdens de opname namelijk alles naar C getransponeerd, zodat u tijdens het gebruik van uw
User Style bij het spelen van een C (majeur, mineur, septiem enz.) akkoord ook daadwerkelijk een C akkoord (i.p.v. een D) hoort. Laten we even een voorbeeld bekijken:
106
User Styles programmeren, Nieuwe User Styles opnemen
Als u dit opneemt, terwijl “Key” op C staat,
hoort u een D-akkoord (of D~F#~A) als u, in
de Arranger mode, een C akkoord in het
akkoordherkenningsgebied speelt.
Als u dit opneemt, terwijl “Key” op D staat,
hoort u een C-akkoord (of C-E-G) als u, in
de Arranger mode, een C akkoord in het
akkoordherkenningsgebied speelt.
U kunt dus in uw favoriete toonaard opnemen. Voorwaarde hiervoor is echter dat u de juiste
Key waarde instelt.
(9) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de toonaard in. Wilt u in F# spelen, stel
deze waarde dan in op F#; om in A te spelen, stelt u deze waarde op A in, enz.
Opmerking: Voor de ADR Part hoeft u geen toonaard in te stellen want die Part wordt nooit getransponeerd.
Quantiseren
Quantize is een functie waarmee u kleine timing problemen kunt corrigeren.
Zo had u het gespeeld
Zo wordt het
"gecorrigeerd"
Quantize verschuift namelijk noten, waarvan de timing niet helemaal goed zit, naar de dichtsbijzijnde “juiste” timingpositie. Welke dat is, hangt af van de gekozen resolutie. In het bovenstaande voorbeeld was dat een 1/4 (q ) resolutie. De E-96 biedt u de keuze uit de volgende
resolutiewaarden: 1/16, 1/16t, 1/32, 1/32t, 1/64 en Off.
Bij een 1/16 resolutie zou het bovenstaande voorbeeld als volgt worden gequantiseerd:
Zo had u het
gespeeld
Zo wordt het gequantiseerd
Mathematisch is de timing van de gequantiseerde noten hier correct, maar muzikaal is het
resultaat niet goed. Het is dus belangrijk dat u een resolutiewaarde kiest die klein genoeg is
om alle gespeelde nootwaarden te herkennen, maar ook niet kleiner dan de kortste noot. Als
de kortste noten van uw begeleiding 16de triolen zijn, stel dan de Quantize op 1/16t in.
Zo stelt u de Quantize functie in:
(10) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de quantiseerwaarde.
De standaardwaarde, 1/16, werkt in de meeste gevallen uitstekend. Als u niet wilt quantiseren
zet u deze parameter gewoon op Off.
Tip: Het is zelfs aan te raden om hier Off te kiezen, want u kunt de partij altijd nog quantiseren na
de opname (zie blz. 129). Als u alle Parts quantiseert zal uw User Style namelijk “te perfect” klinken. Kleine timing afwijkingen en imperfecties zijn cruciaal voor onze appreciatie van muziek.
107
E-96 Gebruikshandleiding
De User Style\Rec\3 pagina slaan we even over omdat u op deze pagina reeds opgenomen
partijen kunt uitschakelen, maar we hebben nog niets opgenomen. Zie “Parts uitschakelen terwijl u andere opneemt (Status)” op blz. 113 voor meer informatie.
(11) Druk tweemaal op [PAGE] ▼ om de volgende display-pagina te selecteren:
Tone keuze
U moet even stilstaan bij de Tones die u kiest aangezien het adres (Groep, Bank, Nummer,
Variation) van de Tones en Drum Set wordt opgenomen aan het begin van iedere divisie.
We gaan zo dadelijk de drums programmeren met de ADR Part. De ADR Part werkt op
dezelfde manier als de MDR Part, we moeten dus een Drum Set kiezen in plaats van een Tone.
Drum Sets (en Tones) kunt u op twee manieren kiezen:
Kies met de knoppen van de TONE sectie een Drum Set voor de ADR Part.
Of:
Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop een Drum Set (of Tone).
U kunt best even op het klavier “drummen” om te horen of de gekozen Drum Set wel past bij
de begeleiding die u gaat opnemen. Als dat niet zo is, zoekt u gewoon verder tot u een Drum
Sets vindt die wel “goed zit”.
Opmerking: De Expression, Panpot, Reverb, en Chorus instellingen mag u op dit moment negeren. We komen
hier later op terug (zie blz. 121).
Maatsoort (Time Signature)
Voordat u begint op te nemen, moet u natuurlijk ook nog even de maatsoort van uw begeleiding bepalen. Kies 4/4 voor 8- of 16-beat patronen, 3/4 voor walsen, 2/4 voor polka’s en 6/8
(of 4/4) voor marsen. Complexere maatsoorten zoals 5/4, 7/4 enz. of polyritmische begeleidingen vormen trouwens ook geen probleem voor de Arranger van de E-96.
(12) Druk op [F3] (TSign).
(13) Druk op [F2] (Change).
Zoals u in het uiterst linkse venster kunt zien is 4/4 de standaardinstelling, die hoeft u dus niet
meer te kiezen. Andere maatsoorten kiest u met de [DRUMS/PART] draaiknop.
(14) Is er een andere divisie gekozen dan degene die u nodig hebt (Basic) gebruik dan de
[BASS/BANK] en [ACCOMP/GROUP] draaiknoppen om de juiste divisie te kiezen.
U zou natuurlijk ook Bsc/Adv en Or/Vn kunnen kiezen, zodat u meteen de maatsoort voor
alle vier Loop divisies instelt. In dit geval maakt het echter weinig uit of u dit doet, aangezien
er toch 11 “klonen” van dit patroon worden gemaakt.
Ook nog even vermelden dat u op deze pagina met de [LOWER/NUMBER] draaiknop een
andere User Style kunt kiezen, maar daar hebben we op dit moment geen boodschap aan.
(15) Leg de nieuwe maatsoort vast door op Part Select [UPPER1] (Execute) te drukken.
108
User Styles programmeren, Nieuwe User Styles opnemen
Opmerking:
U kunt nu op [F4] drukken en zo terugkeren naar de eerste User StyleRec pagina zonder de lengte
van het op te nemen patroon te specifiëren. Maar dat laatste willen we precies doen.
Length: de lengte van het patroon specifiëren
U weet intussen dat een User Style een verzameling korte muzikale patronen is, die tijdens
de weergave door de Arranger achter elkaar worden geplaatst en al dan niet worden herhaald.
Ieder patroon moet dus de juiste lengte hebben om in dit puzzlewerkje te passen. Zo zal een
Intro van vijf maten nutteloos zijn voor een Song waarin slechts vier maten zijn voorzien voor
een Intro. Als u nu reeds de lengte van een patroon instelt, vermijdt u heel wat verwarring
achteraf.
Dit is niet de enige reden om de lengte van het patroon nu reeds in te stellen (in plaats van het
patroon achteraf met deze Length functie “op maat te knippen”). U krijgt namelijk vaak af te
rekenen met het volgende scenario: u wilt vier maten opnemen, maar stopt de opname iets te
laat (dus iets na de vierde maat). De Arranger voegt dan automatisch een vijfde maat toe aan
het patroon, waardoor u in feite vijf maten opneemt in plaats van de vier die u wilde:
Als u de opname hiert stopt,
is het patroon 4 maten lang.
Opname zonder de
lengte in te stellen
Maat 1
Maat 2
Maat 3
Maat 4
Als u de opname hier stopt,
is het patroon 5 maten lang
Maat 1
Maat 2
Maat 3
Maat 4
Maat 5
Bovendien moet u er rekening mee houden dat de patronen in de User Style Record mode in
een lus worden weergegeven. De E-96 blijft ze dus weergeven tot u op de [START/STOP]
knop drukt. Probeer maar eens “in de groove” te komen bij een loop van vijf maten waarvan
de laatste leeg is! Stel dus vóór de opname de lengte van het patroon in: kleine moeite, …
(16) Druk op [F2] (Lengt). U kunt een Length pagina ook vanuit een andere pagina kiezen
door de [SHIFT] knop ingedrukt te houden en op [F2] te drukken. Het display ziet er
nu als volgt uit:
U kunt desgewenst een andere lengte en maatsoort vastleggen voor ieder spoor en divisie.
Houd er wel rekening mee dat de Basic en Advanced (Original en Variation) sporen in de
praktijk worden geloopt. Een 64CPT frase wordt dus herhaald zolang een ander spoor van de
huidige divisie nog data bevat.
Opmerking: In de User Style mode worden ook One-Shot patronen geloopt. Tijdens de “normale” weergave van
de Arranger (dus zoals u de Styles meestal gebruikt) is dit echter niet het geval.
(17) Kies met [PAGE] ▲/▼ de pagina van de divisie waarvan u de lengte wilt instellen.
Op de tweede Length pagina vindt u de Length waarden van de Intro’s en Endings. Op de
derde Length pagina kunt u terecht voor de Length parameters van de fill-Ins.
De andere opties op deze pagina zijn [F1] (Share) en [F2] (Singl). Met de eerste kiest u alle
patronen die u tijdens de opname gaat klonen (of hebt gekloond) door gebruik te maken van
de M=m=7, B=A enz. opties (zie blz. 105). Kiest u echter Single, dan kunt u alle divisies als
109
E-96 Gebruikshandleiding
onafhankelijke patronen behandelen, en er na de opname een aantal uitpikken waarvan u de
lengte wilt veranderen.
Maar nu terug naar onze begeleiding.
(18) Kies eerst het spoor (Track) waarvan u de lengte wilt instellen (gebruik hiervoor
[DRUMS/PART]).
Draai de knop helemaal in wijzerzin om de ALL optie te kiezen. Deze optie moet u kiezen om
de lengte voor alle sporen (1~8) in te stellen.
(19) Kies met [UPPER/VARIATION] (All) alle Style divisies.
Opmerking: Door dit te doen bepaalt u de lengte van alle divisies die op deze pagina verschijnen.
Om de lengte van slechts één patroon te specifiëren plaatst u met de [ACCOMP/GROUP]
draaiknop de Select cursor op dat patroon. Om de lengte van verschillende patronen tegelijk te specifiëren kiest u al deze patronen met [ACCOMP/GROUP] en drukt u op [F3]
(Mark) voor elk patroon waarvan u de lengte wilt instellen. Geselecteerde patronen worden
aangeduid door een sterretje (*).
(20) Stel met de [BASS/BANK] (Bar) draaiknop het aantal maten in. Ons patroon moet 4
maten lang zijn, stel dus de waarde “4” in.
Opmerking: U kunt met [LOWER/NUMBER] ook een CPT waarde instellen. Die CPT waarde (q = 120CPT)
wordt dan bij de lengte van de maat gevoegd. Lengtewaarden zoals 4 (maten): 96 (CPT) zijn weliswaar mogelijk,
maar u zult er waarschijnlijk zelden gebruik van maken.
(21) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om de ingestelde lengte vast te leggen.
Het display meldt nu:
Daarna zou u OK Function Complete te zien moeten krijgen, waarmee u weet dat de
Length waarde is vastgelegd.
De naam van het 1adr spoor verschijnt nu in hoofdletters (1ADR) omdat het nu data bevat
(namelijk de lengte, d.w.z. het equivalente aantal rusten).
(22) Druk desgewenst op [F4] om terug te keren naar de eerste User StyleRec pagina.
Tempo
(23) Het voorgestelde tempo (q =120) is waarschijnlijk wat te snel om op te nemen. Verander
het daarom met het [TEMPO] wiel.
De tempowaarde die u hier instelt wordt opgenomen en als Preset tempo beschouwd. Dit tempo kunt u echter op gelijk welk moment in de User Style mode aanpassen. Kies dus nu een
tempo waarmee u comfortabel kunt opnemen. Eens alle sporen en divisies zijn geprogrammeerd kunt u nog altijd een ander tempo kiezen.
110
User Styles programmeren, Nieuwe User Styles opnemen
Opname
(24) Druk op de Recorder [REC ●] knop (de indicator licht op).
U moet zich weer op de eerste User Style\Rec pagina bevinden. Daar verschijnt in de linkerhoek:
(25) Druk op [START/STOP] (Arranger sectie) of [PLAY ®] (Recorder sectie). De metronoom telt één maat af (4 tellen als u de maat 4/4 hebt gekozen), en de opname start op
de eerste tel van de volgende maat.
Opmerking: U kunt de opname ook starten met een los verkrijgbare voetschakelaar die u op de FOOTSWITCH
jack aansluit. Zie blz. 93.
U kunt nu op twee manieren te werk gaan: als u de lengte van de sporen reeds hebt ingesteld
(zie hierboven), neemt de Arranger vier maten in een lus op. U kunt dan in het eerste “rondje”
de basdrum opnemen, vervolgens de Snare, bij de derde herhaling HiHat, enzovoort. Maar
niets belet u uiteraard om de hele slagwerkpartij in één keer in te “drummen”.
Bij de opname van de overige Parts (ABS~AC6) doet u gewoon alsof u die partijen live
speelt. Gebruik dus naar hartelust modulatie, Pitch Bend en het pedaal dat u op de SUSTAIN
FOOTSWITCH jack hebt aangesloten.
Opmerking: Soms springt de Arranger met enige vertraging opnieuw naar het begin van het patroon. Die vertraging is te wijten aan het feit dat de data die u net inspeelde worden verwerkt. Bij de weergave treedt deze vertraging
niet meer op.
(26) Druk nogmaals op [START/STOP] om de opname te stoppen.
Tip: Stel dat er nog patronen zijn die u wilt “klonen”, maar die nog niet waren inbegrepen in de
Mode, Type, en Division instellingen die u hierboven had gemaakt. Dan doet u het volgende: stel
de Mode, Type, en Division parameters zo in dat ze de ontbrekende patronen omvatten en druk
dan op [REC ●] en [START/STOP] of Recorder [PLAY ®] om de opname te starten. Stop de
opname na de eerste of tweede tel (na de aftel, welteverstaan). Let wel: u kunt met deze functie
enkel klonen toevoegen, geen patronen wissen.
Weergeven en daarna bewaren of overdoen?
(1) Druk nogmaals op de [START/STOP] of Recorder [PLAY ®] knop om uw opname te
beluisteren. De eerste User Style\Rec pagina ziet er dan als volgt uit (als ze tenminste is
geselecteerd):
Bent u tevreden over uw drumpartij, ga dan naar “Uw Style op diskette bewaren”. Als u niet
tevreden bent, staat u nu natuurlijk te springen om de partij over te doen. Lees verder…
111
E-96 Gebruikshandleiding
(2) Druk op [F4] (Edit) en daarna op [F1] (Erase).
We gaan de data wissen met Track Erase want dat biedt het voordeel dat de Length instellingen bewaard blijven. Zie “Track Erase ([F1])” op blz. 128 voor meer informatie over deze
functie. Het 1ADR spoor is al geselecteerd, alsook het patroon waarvan we de andere sporen
gaan klonen.
(3) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om het patroon te wissen.
(4) Druk op Part Select [UPPER1] om terug te keren naar de eerste User Style\Rec pagina.
(5) Ga verder met stap (25).
Uw Style op diskette bewaren
Als u het zelf programmeren van Styles een beetje serieus neemt, maakt u er best een gewoonte van ze regelmatig op te slaan. Want wat als er nu eens iemand op dit moment uw E-96 zou
uitschakelen? Dan zou u alles kwijt zijn wat we tot dusver hebben gedaan.
Bespaar uzelf slapeloze nachten en sla uw data op na iedere Part die u aan een Style toevoegt.
Wat u dan op diskette hebt, vormt ook een goede veiligheidskopie als u per ongeluk iets wist
of verandert dat u eigenlijk wilde houden.
■ Naam geven aan uw User Styles
(1) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F3] (Name).
Voordat u een Style op diskette zet geeft u er best een naam aan. Kies een naam waaruit u
achteraf kunt afleiden om wat voor Style het gaat. Met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop
kiest u welk karakter u wilt veranderen en de [BASS/BANK] draaiknop kiest u het karakter
dat u ervoor in de plaats wilt zetten.
■ Style wegschrijven
(2) Druk op Part Select [M.DRUMS] om naar de Save User Style pagina te springen:
De naam van de Style hebt u zonet al vastgelegd, dat hoeft u dus op deze pagina niet nog een
keer te doen.
(3) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Style die u wilt opslaan.
Dat hoeft u deze keer echter niet te doen, want uw Style is reeds geselecteerd.
(4) Steek een diskette in de drive en druk op Part Select [M.BASS] (Execute) uw Style op
diskette te zetten.
112
User Styles programmeren, Nieuwe User Styles opnemen
Nogmaals, uw E-96 is multitasking, zodra de E-96 de Style op diskette aan het schrijven is
mag u deze pagina dus verlaten:
(5) Druk op Part Select [LOWER] om terug te keren naar de User Style mode.
(6) Druk op [SHIFT]+[F1] om naar de eerste User Style\Rec pagina te gaan.
Andere Parts en divisies programmeren
U kunt nu verdergaan en de tweede partij opnemen – waarschijnlijk de bas. Wilt u de hele
rondleiding nog een keer, ga dan naar blz. 104. Vergeet niet toonaard voor de baspartij te specifiëren (zie blz. 106).
U weet nu waarschijnlijk wel hoe u andere partijen (ACC1~ACC6) moet opnemen. We gaan
u dus laten doen (zie “Nieuwe User Styles opnemen” op blz. 104).
Eens u de eerste divisie hebt afgewerkt, kunt u verdergaan met de overige divisies. Gebruik
de kloon functie (zie blz. 105) als u verschillende divisies in één keer wilt opnemen.
Vergeet niet de Fills, Intro’s en de Ending(s) op te nemen om uw User Style volledig te
maken.
Opmerking: De ABS Part is monofoon. U kunt dus niet twee noten tegelijk laten klinken.
Parts uitschakelen terwijl u andere opneemt (Status)
Soms kunnen reeds opgenomen sporen u “in de weg zitten” terwijl u nieuwe sporen opneemt.
Gelukkig laat de E-96 toe partijen uit te schakelen die u niet wilt horen tijdens de opname.
Opmerking: De Status functie geldt enkel voor de User Style mode. Bij de normale Arranger weergave worden
alle sporen weergegeven. Dit is dus louter een functie die u helpt bij het opnemen. Om een Part in de Arranger mode
uit te schakelen verwijzen we u naar blz. 78.
Om sporen in de User Style mode uit te schakelen gaat u als volgt te werk:
(1) Druk op de User Style\Rec pagina op [PAGE] ▼ tot u de volgende display-pagina te zien
krijgt:
(2) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het spoor/de Part dat/die u wilt uitschakelen.
(3) Schakel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop die Part in (On) of uit (Off).
Opmerkingen
■ Van boven naar onder werken - programmeertips
Als u de voorgeprogrammeerde Styles aandachtig beluistert, zult u merken dat de meeste
divisies erg op elkaar lijken. Als de ene divisie al wat “rijker” klinkt dan de andere, heeft dat
meestal te maken met het toevoegen van instrumenten aan Parts die verder identiek zijn. Zo
voegt de Advanced/Original divisie misschien een elektrische gitaar toe aan de drum-, bas-,
en orgelpartijen van het Basic niveau, maar de drum-, bas-, en orgelpartijen van het Advanced
niveau zijn meestal identiek aan die van het Basic niveau.
Waarom dus niet Stan Laurels suggestie in “Fra Diavolo” gevolgd: aan de top beginnen en
dan stilaan naar beneden werken? U neemt eerst de meest complexe begeleiding op, waarbij
u alle andere Loop divisies kloont (zie blz. 105). Daar houdt u dan een reeks identieke begeleidingen aan over en die bevatten allemaal die loeiende gitaren, schetterende blazers, en
andere toeters en bellen waaraan u in uw enthousiasme niet kon weerstaan. Nu gaat u naar het
113
E-96 Gebruikshandleiding
Advanced/Original niveau en wist u de toeters en bellen (zie blz. 128). Daarmee is deze divisie al heel wat soberder dan die waarmee u bent gestart.
Vervolgens kunt u nu het Basic/Original patroon kiezen en zowel de toeters en bellen als de
schreeuwende gitaar eruit halen. Het voordeel van deze werkwijze is dat u zich mateloos kunt
laten gaan terwijl u de Style programmeert en u pas daarna zorgen hoeft te maken over het
knopjesgefriemel en de afwerking.
■ Metronoom
In de User Style mode hoort u tijdens de opname de metronoom. Wilt u de metronoom ook
horen terwijl u beluistert wat u zonet hebt opgenomen, ga dan als volgt te werk:
(1) Druk, op de eerste User StyleRec pagina, op [PAGE] ▼.
(2) Stel met de [BASS/BANK] draaiknop de Mode op één van de volgende waarden in:
Record
De metronoom klinkt enkel tijdens de opname van de Style.
Play
De metronoom klinkt enkel tijdens de weergave van de User Style in User de
Style mode.
Rec&Ply
De metronoom klinkt zowel tijdens de opname als tijdens de weergave.
Always
De metronoom klinkt zelfs terwijl de User Style niet wordt weergegeven.
■ Lege sporen
Eens u een paar begeleidingspartijen hebt opgenomen, herinnert u zich misschien nog moeilijk op welke sporen zich reeds data bevonden. U kunt daar nochtans gemakkelijk achter
komen: voor sporen die reeds data bevatten verschijnt de overeenkomstige naam in hoofdletters (bv. ADR). Voor sporen die nog geen data bevatten verschijnt de overeenkomstige naam
in kleine letters (bv. adr).
Als een spoor reeds data bevat, zal bovendien de User Style functie naar Record Merge (zie
blz. 111) overschakelen zodra u op de [REC ●] knop van de Recorder drukt.
■ Weergeven in de Arranger mode
Zoals we op blz. 101 reeds vertelden, heeft de Arranger van uw E-96 erg veel weg van een
drummachine, behalve dit: u hoeft de volgorde van de patronen niet op voorhand te programmeren. U kiest gewoon tijdens het spelen de divisie die u nodig hebt en u speelt de juiste
akkoorden om de Arranger aan te sturen zodat de begeleiding in de juiste toonaard klinkt. Met
andere woorden: u gebruikt uw eigen Styles zoals u de interne Styles gebruikt.
Opmerking: Als de Arranger in de Arranger mode (dus de normale E-96 mode) plots lijkt te stoppen, probeer dan
eens andere akkoordtypes te spelen. Het is mogelijk dat u enkel de majeur divisie hebt geprogrammeerd, zodat de
Arranger een leeg patroon kiest wanneer u een mineur- of septiemakkoord speelt. Houd daarom steeds in de gaten
dat u de Mode parameter op M=m=7 instelt tot u wat beter vertrouwd bent met het enorme aantal mogelijkheden van
de Arranger. Op die manier klinken de betreffende patronen wel identiek, maar u bent tenminste zeker dat u niet plots
zonder muziek valt wanneer u een mineur- of septiemakkoord speelt.
114
User Styles programmeren, Bestaande Styles kopiëren
12.3 Bestaande Styles kopiëren
Nog een andere manier om User Styles te programmeren is om Parts van interne Styles in
ROM of User Styles op diskette te gebruiken. U kunt met de E-96:
• volledige Styles naar een User Style geheugen kopiëren.
• een divisie van één of alle sporen naar een User Style geheugen kopiëren.
• een paar noten van een bestaande Part naar een User Style geheugen kopiëren.
• sporen of noten tussen divisies van de huidige User Style kopiëren.
• nieuwe Styles creëren door sporen van verschillende bestaande Styles te gebruiken (de
drums van Style 34, de bas van Style 63, enz.)
Opmerking: U kunt geen ADR (drum) spoor naar een ander spoor (ABS~ACC6) kopiëren. Ook de bas (ABS)
kunt u enkel naar een ABS spoor kopiëren. De ACC sporen kunt u daarentegen naar gelijk welk ACC spoor kopiëren.
Opmerking:
Als het User Style geheugen dat u wilt kopiëren reeds data bevat, zet deze data dan op diskette voordat u gaat kopiëren. De E-96 heeft geen Undo functie. Door een Style op diskette te zetten vóór het kopiëren, kunt u
nog steeds de vorige versie laden als er niets misgaat. Zie “Uw Style op diskette bewaren” op blz. 112.
Style divisies kopiëren met Load (alle sporen, verschillende divisies)
(1) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
(2) Druk op [F5] (Disk) om de Disk mode te selecteren.
(3) Als de 1 Load optie nog niet is geselecteerd, druk op [F1] (Load) om ze te selecteren.
In de schuifbalk links moet nu USR STL verschijnen. Als dat niet zo is...
(4) ... drukt u op [PAGE] ▲/▼ tot USR STL in de schuifbalk verschijnt.
(5) Stel de Source parameter met de [DRUMS/PART] draaiknop op Int in.
U kunt nu gelijk welke interne Music Style (11~88) kiezen. Wilt u een User Style kopiëren,
steek dan de diskette in waarop die zich bevindt, en stel Source in op Dsk.
In het Music Style info verschijnt nu een lijst van de Styles in het interne geheugen (Int) of
op de diskette (Dsk). Op de laatste regel in dit venster ziet u hoeveel geheugen er nog vrij is
voor de User Styles.
(6) Stap met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop door de lijst van beschikbare Styles. De
aangeduide (wit-op-blauw) Style wordt geladen.
Nu moet u beslissen welke elementen van de Style u wilt laden (of kopiëren). (Zoals u weet
heten deze elementen Divisions: Original, Basic, Ending, Intro, enz.)
(7) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de gewenste Style divisie.
U kunt ook ALL kiezen (alle divisies).
(8) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het User Style geheugen waarnaar u de
Style wilt kopiëren (To User). Laten we User Style geheugen 2 kiezen.
Opmerking: Kijk uit dat u geen Styles in een User Style geheugen laadt dat reeds data bevat. De E-96 waarschuwt
u namelijk niet wanneer u op het punt staat een Style te overschrijven!
115
E-96 Gebruikshandleiding
(9) Druk op (Execute) om de Style (of een onderdeel ervan) te laden.
(10) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
U hebt nu een User Style in het tweede User Style geheugen geladen en hem daarmee dus ook
gekopieerd.
(11) Druk op [F4] (UsrStl) om terug te keren naar de User Style mode.
Individuele User Style sporen kopiëren
Daar waar de vorige functie diende om volledige Styles of Style divisies te kopiëren, dient de
Track Copy functie om individuele sporen, modes, types, en divisies te kopiëren.
(1) Op de eerste User Style\Rec pagina houdt u [SHIFT] ingedrukt en drukt u op [F1]
(Copy).
(2) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het spoor dat u wilt kopiëren.
(3) Kies met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de Mode (Maj, Min, 7th), het Type (Bsc, Adv), en de Divisie (Or, Va, Fo, Fv, In, Ed).
(4) Kies vervolgens met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de Style die het te kopiëren
spoor bevat.
Gebruik de Music Style knoppen om een User Style te kiezen.
(5) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Listen) om het onderdeel dat u gaat kopiëren te
beluisteren.
(6) Druk op [PAGE] ▼ om de From 2 pagina te kiezen:
■ From
Kies eerst de positie van het eerste event (of noot) van de spoor dat u wilt kopiëren.
(7) Activeer het From niveau. Gebruik hiervoor de [DRUMS/PART] draaiknop.
Het woord From en de waarden die daarop volgen (bovenste regel) moeten in wit-op-blauw
worden afgebeeld.
(8) Stel met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de Bar, Beat en CPT waarden in.
116
User Styles programmeren, Bestaande Styles kopiëren
De From parameters zijn standaard ingesteld op de volgende waarden:
Bar
Beat
CPT
1
1
0
Voordat u met de Beat en CPT waarden gaat stoeien, kunt u beter eens proberen volledige
maten te kopiëren. Houd echter in het achterhoofd dat u ook een bepaalde reeks noten eruit
kunt pikken om te kopiëren. Met de Beat en CPT parameters kunt u in zo’n geval een startpunt kiezen dat zich na de eerste tel bevindt.
■ To
(9) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het To niveau (tweede regel).
De To positie geeft het einde aan van het stukje dat u gaat kopiëren. In hun standaardinstelling
omvatten de To waarden het volledige spoor.
(10) Kies met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de laatste Bar, Beat en CPT eenheden.
Wilt u een volledige maat kopiëren, kies dan de Bar-Beat-CPT “0” waarde van de volgende
maat. Bijvoorbeeld: om maat 1~4 te kopiëren kiest u “From 1-1-0/To 5-1-0”.
(11) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Listen) om het spoor nogmaals te beluisteren.
■ Copy mode
Er zijn twee “modes” waarin u kunt kopiëren:
Copy mode
Verklaring
Replace
De data in het geselecteerde bereik worden gekopieerd en overschrijven daarbij alle aanwezige data die binnen dat bereik op het bestemmingsspoor aanwezig zijn.
Mix
De data in het geselecteerde bereik worden bij de aanwezige data op het
bestemmingsspoor gevoegd.
Het uiteindelijke resultaat kan er in beide gevallen op neer komen dat het bestemmingsspoor
alle data van het bronspoor bevat. Hierdoor kan het bestemmingsspoor na het kopiëren ook
langer uitvallen. Daarom...
Opmerking: Als het User Style geheugen dat u wilt kopiëren reeds data bevat, zet deze data dan op diskette voordat u gaat kopiëren. De E-96 heeft geen Undo functie. Door een Style op diskette te zetten vóór het kopiëren, kunt u
nog steeds de vorige versie laden als er niets misgaat. Zie “Uw Style op diskette bewaren” op blz. 112.
(12) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de Copy mode (Replace of Mix).
■ Destination (To 1)
(13) Druk op [PAGE] ▼ om de To 1 pagina te kiezen:
Deze pagina lijkt op de From 1 pagina (zie hierboven). Hier stelt u echter de positie in waarnaar de geselecteerde data worden gekopieerd, met andere woorden de kopieerbestemming.
(14) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het spoor waarnaar u de data wilt kopiëren.
117
E-96 Gebruikshandleiding
Opmerking: ADR data kunt u enkel naar ADR sporen kopiëren, net zoals u ABS data enkel naar ABS sporen kunt
kopiëren. Het aantal opties voor de bestemmingssporen is dus enigszins beperkt. U kunt echter zonder meer AC data
naar gelijk welk AC spoor kopiëren (maar dus niet naar ADR of ABS sporen).
(15) Kies met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de Mode (Maj, Min, 7th), het Type (Bsc, Adv), en de Divisie (Or, Va, Fo, Fv, In, Ed).
Opmerking: U kunt geen data heen en weer kopiëren tussen Loop en One-Shot divisies. Zie “Loop en One-Shot
divisies” op blz. 102 voor meer informatie over deze twee types.
(16) Kies nu met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de User Style waarnaar u de data
wilt kopiëren.
Opmerking: Hier kunt u enkel User Style geheugens kiezen.
(17) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Listen) om het spoor waarnaar u gaat kopiëren te
beluisteren.
(18) Druk op [PAGE] ▼ om de To 2 pagina te selecteren:
(19)
(20)
(21)
(22)
De Into positie geeft het begin aan van het onderdeel dat u gaat kopiëren. Wilt u de data naar
het begin van het geselecteerde spoor kopiëren, kies dan Bar= 1, Beat= 1, en CPT= 0.
Stel met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de Bar, Beat en CPT waarden in.
Druk op Part Select [UPPER1] (Listen) om nogmaals naar het bestemmingsspoor te
luisteren.
Bepaal met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het aantal kopies (Times) dat u wilt
maken. Kies “1” als u het geselecteerde deel slechts éénmaal wilt kopiëren.
Controleer, voordat u de data kopieert, nog eens of alle instellingen nu kloppen. De andere
Copy pagina's kiest u met de [PAGE] ▲/▼ knoppen. Keer vervolgens terug naar deze pagina.
Druk op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om de data te kopiëren.
Het display beeldt nu de volgende tekst af:
Zodra de data zijn gekopieerd brengt het display u daarvan op de hoogte:
U kunt nu op Part Select [UPPER1] drukken om de nieuwe data op het bestemmingsspoor
(en de gekozen divisie) te beluisteren.
118
User Styles programmeren, User Styles editen
12.4 User Styles editen
Editen tijdens het opnemen
■ Noten in Realtime toevoegen
Om noten aan een bestaande partij toe te voegen selecteert u Record Merge (2e User Style
pagina), kiest u de partij en start u de opname door op [REC ●] (Recorder sectie) en [START/
STOP] (Arranger sectie) of [PLAY ®] (Recorder sectie) te drukken. Speel de noten op de
plaats waar u ze wilt hebben.
Opmerking: Vergeet niet de juiste Division, Mode, en Type te kiezen (zie blz. 105).
■ Versieringen in Realtime toevoegen
Om controledata (modulatie, pitch bend, Hold, expressie) aan een bestaande partij toe te voegen selecteert u Record Merge (2e User Style pagina), kiest u de partij en divisie, en start u
de opname door op [REC ●] (Recorder sectie) en [START/STOP] (Arranger sectie) of
[PLAY ®] (Recorder sectie) te drukken. Gebruik de speelhulpen (Pitch Bend hendel, Modulation hendel, los verkrijgbare DP-2, DP-6, of FS-5U voetschakelaar voor Hold data, los verkrijgbare EV-5 of FV-300H zwelpedaal voor expressiedata) op de gewenste plaats.
Opmerking: Vergeet niet de juiste Division, Mode, en Type te kiezen (zie blz. 105).
■ Instellingen van bestaande Parts toevoegen of veranderen
Bij de volgende operaties moet u telkens als volgt te werk gaan: u neemt op in de Record
Merge mode zonder dat u daarbij het klavier of de stuurbronnen aanraakt. U kiest het spoor
en de divisie waarvan u de instellingen wilt veranderen, u activeert Record Merge, en u start
de opname. Zolang u geen continu veranderende waarden (bijvoorbeeld Panpot data) wilt
programmeren, mag u de opname na de eerste tel stoppen. Statische instellingen worden
namelijk steeds aan het begin van het betreffende spoor opgenomen, u hoeft dus niet tot aan
het einde van een spoor op te nemen.
Maat 1
Tone/Drum Set
Expression
Panpot
Reverb Send
Chorus Send
enz.
Maat 2
Maat 3
Maat 4
Elke Division bevat nootcommando's en andere
instellingen (normaal aan het begin van een patroon)
(a) Tone/Drum Set selectie
Nadat u een Style of divisie hebt geprogrammeerd, merkt u misschien dat bijvoorbeeld de
basklank die u voor de ABS partij hebt gekozen niet zo goed past bij de Tones die u aan de
andere partijen hebt toegewezen, of dat een akoestische piano hier beter tot zijn recht komt
dan een elektronische. Om een andere Tone of Drum Set voor een bestaande User Style partij
te kiezen gaat u als volgt te werk:
(1) Op de eerste User Style\Rec pagina kiest u met de [DRUMS/PART] draaiknop het spoor
waaraan u een andere Tone of Drum Set wilt toewijzen.
(2) Kies de divisie waarvan u de instellingen wilt veranderen, en eventueel ook alle klonen
(zie blz. 105).
119
E-96 Gebruikshandleiding
(3) Druk op [PAGE] ▼ om de volgende pagina te kiezen:
(4) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop de Mode op Merge in. (We nemen hier aan dat
uw partij reeds data bevat, hoewel wat volgt ook opgaat voor lege sporen.)
(5) Druk op [PAGE] ▼ tot u de volgende display-pagina te zien krijgt:
Bekijk het display voordat u een andere Tone kiest. De Expression, Panpot, en Chorus waarden in de bovenstaande illustratie worden geïnverteerd afgebeeld. U ziet dat de overeenkomstige Play/Record schakelaars op de onderste regel van het display op REC staan, wat betekent dat deze waarden de volgende keer worden opgenomen. De Reverb en Tone waarden,
daarentegen, worden blauw-op-wit afgebeeld. Een blik op de overeenkomstige Play/Record
schakelaars leert u dat deze op PLAY staan, waarmee u weet dat deze instellingen niet zullen
worden opgenomen.
De afkorting 3AC1 wordt in hoofdletters afgebeeld. Daarmee weet u dat het betreffende
spoor reeds data bevat. Zo kunt u uit de volgende illustratie ook afleiden dat het ADR spoor
van de geselecteerde divisie nog geen data bevat:
(6) Druk op de Part Select [M.DRUMS], Part Select [M.BASS], Part Select [LOWER], en
Part Select [UPPER2] knoppen om de Play/Record schakelaar van alle instellingen die
u niet wilt opnemen op PLAY te zetten.
(7) Druk op Part Select [UPPER1] om de Tone Play/Record schakelaar op REC te zetten.
(8) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop of de TONE sectie knoppen de nieuwe
Tone die u aan het geselecteerde spoor en divisie wilt toewijzen.
(9) Druk op de Recorder [REC ●] knop.
(10) Druk op [START/STOP] of Recorder [REC ●] om de opname te starten.
(11) Druk nogmaals op [START/STOP] na de eerste of tweede tel (maar wacht hiermee tot
de aftel - één maat - is afgelopen).
Daarmee hebt u een andere Tone gekozen. Het nieuwe Tone adres (Groep, Bank, Nummer,
Variation) vervangt automatisch het vorige.
Tip: U zou voor iedere divisie van een User Style een andere Tone kunnen gebruiken. Het 3AC1
Basic/Original spoor kan bijvoorbeeld een elektronische pianopartij bevatten die in de Basic/
Variation divisie door een akoestische piano wordt gespeeld enz. Gun uzelf echter niet al te veel
“artistieke vrijheid”. Het is veel overzichtelijker wanneer u een ander ACC spoor gebruikt voor
de akoestische piano.
120
User Styles programmeren, User Styles editen
(b) Drumklanken stemmen – Drum Set Note Pitch
Op de vijfde User Style\Rec pagina kunt u de toonhoogte van een aantal klanken uit de geselecteerde Drum Set aanpassen. Dit zijn de klanken waarover het gaat en hun nootnummers:
Noot
Naam
C#2/37
Side Stick
D2/38
Snare Drum 1
E2/40
Snare Drum 2
F2/41
Low Tom 2
E3/52
Chinese Cymbal
G#3/56
Cowbell
A3/57
Crash Cymbal 2
F4/65
High Timbale
Opmerking:
De User Style\Rec\5 display-pagina verschijnt enkel wanneer u het 1ADR spoor had geopend voordat u deze functie activeerde.
(1) Kies op de eerste User Style\Rec pagina het 1ADR spoor.
(2) Kies de divisie waarvan u de instellingen wilt veranderen, en indien aanwezig, ook alle
klonen (zie blz. 105).
(3) Druk op [PAGE] ▼ om de volgende pagina te kiezen:
(4) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop de Mode op Merge in. (We nemen hier aan dat
uw Part reeds data bevat, hoewel wat volgt ook opgaat voor lege sporen.)
(5) Druk herhaaldelijk op [PAGE] ▼ tot u de volgende display-pagina te zien krijgt:
(6) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de drumklank waarvan u de toonhoogte wilt
veranderen.
(7) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de gewenste toonhoogte in (-64~+63).
U kunt het resultaat beluisteren door op het klavier te spelen.
(8) Druk op Part Select [UPPER1] om de Play/Record schakelaar op REC te zetten.
(9) Druk op de Recorder [REC ●] knop.
(10) Druk op [START/STOP] of Recorder [PLAY ®] om de opname te starten.
(11) Druk nogmaals op [START/STOP] na de eerste of tweede tel.
(c) Expression, Panpot, Reverb, Chorus
Het instellen of wijzigen van de Expression, Panpot, Reverb (Send), en Chorus (Send) parameters gebeurt op dezelfde manier als het kiezen van een andere Tone voor bestaande sporen.
Zie “Tone/Drum Set selectie” op blz. 119 voor details.
121
E-96 Gebruikshandleiding
De Reverb en Chorus instellingen zijn Send waarden (zie blz. 79). De effectinstellingen
(Type, Time, enz.) kunt u enkel in een Performance geheugen opslaan. Een Music Style kan
dus anders klinken naar gelang u een ander Performance geheugen kiest.
Expression (controlenummer 11) is een aanvullend volumecommando dat relatief werkt ten
opzichte van het “normale” volumecommando (controlenummer 7). Als u Expression op
“127” instelt, krijgt de Part gewoon de volumewaarde die voor Volume (CC7) is ingesteld.
Alle ander Expression waarden betekenen “zoveel minder dan de Volume (CC7) waarde”:
VOLUME (CC7)
127
75
Expression=127 (resulterend volume= 75)
Expression=90 (resulterend volume= 60)
Expression=70 (resulterend volume= 45)
0
(De bovenstaande waarden zijn niet helemaal exact, maar ze helpen u wel begrijpen waarom
u bij de instellingen [Volume= 0/Expression= 127] de overeenkomstige Part niet hoort.)
De Volume waarden van de Arranger Parts kunt u in de Mixer (zie blz. 78) of Volume (zie
blz. 76) modes instellen. Het voordeel van in de User Style met Expression te werken in
plaats van met Volume is dat u de twee waarden complementair kunt laten werken:
Controlecommando
CC7 (Volume)
Kunt u in de Volume en Mixer modes instellen (hiermee bepaalt u de bovengrens)
CC11 (Expression)
Kunt u in de User Style mode instellen (hiermee kiest u een percentage van
de Volume waarde, waarbij “127”= 100%)
Maar nu genoeg van dit MIDIees. Onthoud gewoon dat Expression een relatieve volumewaarde is die met de Part parameters gemeen heeft dat u een bestaande instelling kunt overschrijven (of eigenlijk corrigeren). Maar daar waar de Part parameters in twee richtingen werken (“meer” en “minder”), werkt Expression slechts in één richting: “127” betekent “gelijk
aan”, en alle andere Expression waarden betekenen “minder”.
Stel met de [DRUMS/PART], [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de waarde in die u wilt opnemen.
Tip: U kunt interessante panoramaeffecten creëren door het geselecteerde spoor langzaam van
links naar rechts (of vice versa) te verschuiven tijdens een patroon. Dit werkt vooral goed voor
synthesizer - of gitaar riffs. Aangezien dit een continu veranderende waarde is, moet u wel blijven
opnemen tot het einde van het patroon.
(d) Het tempo instellen
Het Preset tempo is het tempo dat de Arranger kiest in de One Touch mode. U weet onderhand wel dat u met het [TEMPO] wiel en de [AUTO]/[LOCK] knoppen het Preset Style tempo kunt veranderen en de nieuwe tempowaarde in een Performance Memory kunt opslaan.
Het is vooral belangrijk dat u het juiste Preset tempo instelt als u One Touch Program wilt
gebruiken (zie blz. 45).
Om een ander Preset tempo te programmeren stelt u dit eerst in met het [TEMPO] wiel,
kiest u gelijk welke Part op de eerste User Style\Rec pagina, activeert u de Record
Merge mode en neemt u één of twee tellen op.
U mag echter niet op het klavier spelen of één van de stuurbronnen aanraken die met de E-96
zijn verbonden!
Opmerking: De laatste tempowaarde die u opneemt wordt automatisch het Preset tempo van de Style. Het Preset
tempo moet u daarom programmeren nadat u alle Parts hebt opgenomen.
122
User Styles programmeren, User Styles via MIDI programmeren
12.5 User Styles via MIDI programmeren
Een derde manier om User Styles te programmeren is om met een externe sequencer (computer met sequencer software of een MC-50MkII) MIDI-data te zenden terwijl de Arranger
opneemt. Aan deze werkwijze zijn twee voordelen verbonden:
• U kunt muziek in Step time programmeren voordat u er een interactieve Style van maakt.
• U kunt bestaande partijen gebruiken van Standard MIDI Files of Songs die u hebt opgenomen voordat u de E-96 had. En u kunt natuurlijk Styles kopiëren van oudere Intelligent
Arranger modellen die nog niet met een disk drive waren uitgerust.
Opmerking: Als u uitgaat van in de handel verkrijgbare Standard MIDI Files om uw User Styles te programmeren, vergeet dan niet dat dit materiaal auteursrechtelijk is beschermd. U mag de sporen van een Standard MIDI
File voor persoonlijk gebruik kopiëren maar u mag nooit User Styles die gebaseerd zijn op in de handel verkrijgbare bestanden verkopen, of er kopies van maken voor vrienden en/of collega’s.
Opmerking:
Voordat u MIDI-data naar uw E-96 zendt, moet u het GM System On of GS Reset commando wissen
van de GM of GS Standard MIDI File die u wilt gebruiken. Het gaat hier om twee SysEx commando’s (System
Exclusive) aan het begin van een sequence die de E-96 naar de GM/GS mode doen overschakelen en daarbij de
Arranger uitschakelen. In de handleiding van uw sequencer vindt u hoe u MIDI-commando’s kunt wissen.
Welke data kunt u opnemen?
Uiteraard kunt u noot-aan/uit en aanslagdata opnemen, maar daarnaast aanvaardt de Arranger
van de E-96 ook nog de volgende MIDI-commando’s:
MIDI-commando
Nummer
Naam
Controle
0
Bankkeuze MSB
Controle
1
Modulatie
Controle
6
Data-ingave
Controle
7
Volume
Controle
10
Pan
Controle
11
Expressie
Controle
32
Bankkeuze LSB
Controle
64
Hold*
Controle
91
Reverb diepte
Controle
93
Chorus diepte
PC
Programmakeuze
PB
Pitch Bend
Controle
98
NRPN MSB
Controle
99
NRPN LSB
* Hold On/Off commando’s worden geconverteerd naar de overeenkomstige nootlengtewaarden. De Arranger sporen bevatten nooit Hold commando’s maar de lengte van de noten wordt aangepast aan de lengte die u krijgt door
het Hold pedaal in te trappen.
Tenzij de sequences die u gebruikt GM/GS compatibel zijn, raden we u aan alle data te filteren behalve modulatie (CC1), Pitch Bend, en Hold (CC64). De andere instellingen stelt u best
met de hand in op de E-96 (zie “User Styles editen” op blz. 119). Bankkeuze- en programmakeuze-commando’s kunnen weliswaar in heel wat gevallen werken, toch is het raadzaam om
ook deze achteraf zelf in te voeren. Op die manier kunt u de klankrijkdom van de E-96 optimaal op uw Styles aanpassen.
123
E-96 Gebruikshandleiding
Aansluiten en synchroniseren
(1) Verbind de MIDI OUT poort van uw sequencer of computer met de MIDI IN connector
van uw E-96.
Het volgende wat ons te doen staat is de E-96 met uw sequencer synchroniseren – of de
sequencer met uw E-96. In het eerste geval volgt de E-96 het tempo van de sequencer, in het
tweede geval bepaalt de E-96 zelf het tempo. In ons voorbeeld gaan we de E-96 laten luisteren. Hierdoor kunt u data én MIDI-klok commando’s met slechts één MIDI-kabel naar de
E-96 zenden.
(2) Druk, op de E-96’s Master pagina, op [F3] (Midi) om de MIDI mode te selecteren.
(3) Houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F4] (Sync).
(4) Druk, indien nodig, op [PAGE] ▼ tot u de volgende display-pagina te zien krijgt:
(5) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de Style parameter op Play Arrng, Rec
Song in.
(6) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Sequence voorbereiden
(7) Zonder de maten af die u wilt opnemen. Dit kunt u doen door de gewenste maten naar
een nieuwe Song te kopiëren.
Wilt u de User Style divisie bijvoorbeeld 4 maten lang maken, dan kopieert u de vier maten
in kwestie naar het begin van een nieuwe Song.
(8) Vergelijk de spoor-MIDI-kanaal toewijzingen van alle sequencer partijen met de volgende tabel. Stel de MIDI-kanalen van uw sequence volgens deze tabel in.
■ MIDI-kanalen
Iedere partij van de Arranger heeft zijn eigen MIDI-kanaal. Dit zijn de fabrieksinstellingen:
User Style spoor
Part
MIDI-kanaal
1
ADR (drums)
10
2
ABS (bas)
2
3
ACC1(melodische begeleiding)
1
4
ACC2
3
5
ACC3
5
6
ACC4
7
7
ACC5
8
8
ACC6
9
Voorbereiding op de E-96
(9) Druk op [F4] (UserStl) om de User Style mode te kiezen.
(10) Druk op (Rec) als de 1Rec menu optie nog niet is geselecteerd.
124
User Styles programmeren, User Styles via MIDI programmeren
(11) Stel de volgende parameters in voor de Part die u gaat opnemen:
Handeling
Zie pagina
Handeling
Zie pagina
Part keuze
105
Kies een Tone of Drum Set*
108
Divisie keuze
105
Kies een maatsoort
108
Key specifiëren van de sporen
waarvoor dat nodig is (ABS,
ACC1~ACC6)
107
Kies de lengte van het patroon
109
Stel Quantize op Off** in
107
* Dit hoeft u enkel te doen als u de originele bankkeuze- en programmakeuze-commando’s niet mee opneemt.
Zoals we reeds eerder zeiden loont het vaak de moeite om tussen de klanken van de E-96 te grasduinen, misschien
vindt u wel mooiere klanken dan degene die u via MIDI worden voorgeschoteld.
** Het is mogelijk dat de MIDI-datamet een kleine vertraging worden opgenomen. In plaats van dit fenomeen met
Quantize te lijf te gaan kunt u beter de Shift functie (zie blz. 129) gebruiken om dit soort timingproblemen te compenseren. Het resultaat zal natuurlijker klinken.
Opname van MIDI-data
(12) Soleer de eerste Part die u op uw sequencer of computer wilt opnemen (of schakel de
andere Parts uit).
(13) Druk op de [REC ●] knop in de Recorder sectie van de E-96.
(14) Start de weergave op uw sequencer of computer.
(15) Wacht tot het patroon is afgelopen en stop dan de weergave op uw sequencer.
(16) Keer terug naar stap (11) om de andere Parts van de huidige divisie op te nemen.
(17) Om andere divisies op te nemen keert u terug naar stap (7).
(18) Zodra u klaar bent, drukt u op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina en
stelt u de Style Sync parameter opnieuw op Auto1 of Internal in (zie blz. 124).
Opmerking: Vergeet niet uw Style regelmatig op diskette te zetten (zie blz. 112).
Opmerking: Wilt u uw User Style nog wat bijwerken, lees dan “User Styles editen” op blz. 119 nog eens na.
Opnemen met externe stuurbronnen
De meeste aspecten die we hebben behandeld onder “User Styles via MIDI programmeren”
kunt u ook toepassen bij het programmeren van User Styles met externe stuurbronnen –
behalve natuurlijk de synchronisatieparameters.
• U zou een drummer kunnen vragen om de drum sporen van uw Styles in te spelen met een
TD-7, TD-5, SPD-11, of PAD-80 (Octapad II), of een ander apparaat met een triggernaar-MIDI convertor.
• Als u een gitarist kent die beschikt over een GR-1 of GR-09 Guitar Synthesizer of een
GI-10 pitch-To-MIDI convertor, kunt u hem vragen de gitaar- en baspartijen in te spelen.
• Op zo’n GI-10 kunt u trouwens ook een microfoon aansluiten, waardoor u dan partijen
zingt die te moeilijk zijn om te spelen. De GI-10 kan namelijk uw zang (toonhoogte) naar
MIDI-nootcommando’s vertalen.
Door “specialisten” aan te spreken om de partijen van uw User Styles in te spelen houdt u aan
het einde van het verhaal doorgaans een meer realistische begeleiding over. De meeste Styles
van de E-96 zijn trouwens op deze manier opgenomen, met “echte” muzikanten die op de
hierbovenvermelde instrumenten speelden. Vandaar dat onze Styles zo overtuigend klinken.
125
E-96 Gebruikshandleiding
Er is één ding waar u op moet letten wanneer u User Styles opneemt met externe MIDI-stuurbronnen, en dat is het MIDI-kanaal van die stuurbron:
User Style spoor
Part
MIDI-kanaal
1
ADR (drums)
10
2
ABS (bas)
2
3
ACC1(melodische begeleiding)
1
4
ACC2
3
5
ACC3
5
6
ACC4
7
7
ACC5
8
8
ACC6
9
Opmerking: Stel de gitaar-naar-MIDI stuurbron zo in dat hij MIDI-commando's op één kanaal in plaats van op
zes kanalen stuurt.
Sluit de MIDI OUT connector van de externe stuurbron aan op de MIDI IN connector van uw
E-96 en u bent klaar voor opname. Zie “Nieuwe User Styles opnemen” op blz. 104 om te
weten hoe u User Styles moet opnemen.
12.6 User Styles editen (2)
User Style Edit mode
De User Style Edit mode biedt acht functies: Erase, Delete, Insert, Quantize, Transpose,
Change Velo, Change Gate Time en Track Shift. In het Referentiehandboek vindt u een gedetailleerde beschrijving van de beschikbare parameters en hun instelbereik.
Deze editfuncties kunt u als volgt selecteren:
(1) Kies de User Style mode door op [F4] (UsrStl) op de Master pagina te drukken.
(2) Druk op [F4] (Edit) om de User Style Edit mode te selecteren.
(3) Kies met de [SHIFT] en functieknoppen de gewenste User Style Edit mode:
126
Edit mode
Hoe kiest u ze
Erase
[F1] (Erase) (of [SHIFT] + [F1])
Delete
[F2] (Dlte) (of [SHIFT] + [F2])
Insert
[F3] (Insrt) (of [SHIFT] + [F3])
Transpose
[F4] (Trnsp) (of [SHIFT] + [F4])
Change Velocity
[SHIFT] + [F1] (Velo) (of [F1])
Quantize
[SHIFT] + [F2] (Quant) (of [F2])
Change Gate Time
[SHIFT] + [F3] (GateT) (of [F3])
Track Shift
[SHIFT] + [F4] (Shift) (of [F4])
User Styles programmeren, User Styles editen (2)
Als u één van deze functies hebt gekozen en u bedenkt dan dat u ze toch niet wilt gebruiken,
druk dan op Part Select [UPPER1] (Rec) of [F5] (Exit) voordat u op Part Select [M.DRUMS]
(Execute) drukt.
De parameters van de editfuncties zijn verdeeld over twee of drie display-pagina's die u kiest
met de [PAGE] ▲/▼ knoppen. Aanvankelijk zal het misschien even duren voordat u de juiste
waarde voor het gewenste resultaat vindt. Hier zijn alvast enkele richtlijnen:
• Kies altijd eerst de User Style die u wilt editen. Dit kunt u doen op de eerste User Style\
Rec pagina of op de eerste pagina van de geselecteerde editfunctie.
• Kies vervolgens de sporen die u wilt wijzigen (1-ADR, 2-ABS, 3-AC1~8-AC6, of All).
Vergeet ook niet het patroon te specifiëren. Even herinneren: een patroon kiest u door de
Mode (M, m, 7), het Type (B, A), en de Divisie (Or, Va, In, Ed, Fo, Fv of All) in te voeren.
• Kies het bereik (From Bar, Beat, CPT~To Bar, Beat, CPT) voor de editoperatie.
• Voer nu in wat u wilt veranderen en hoe u het wilt veranderen.
• Voer de operatie uit door op Part Select [M.DRUMS] (Execute) te drukken.
■ Voorbeeld: Erase gebruiken om Panpot instellingen te verwijderen
Opmerking: Als u de originele Style wilt bewaren, moet u die nu op diskette zetten, vóór u verdergaat. Zie “Uw
Style op diskette bewaren” op blz. 112.
(1) Druk op [F1] (Erase) (of [SHIFT]+[F1]) op gelijk welke User Style Edit pagina om de
Erase functie te selecteren.
(2) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het spoor waarvan u data wilt wissen.
De standaardinstelling is het laatste spoor dat u had geselecteerd. Laten we 3AC1 (de eerste
begeleidingspartij) kiezen.
(3) Kies met de [ACCOMP/GROUP], [BASS/BANK], en [LOWER/NUMBER] draaiknoppen de Mode (M, m, 7), het Type (B, A), en de Divisie (Or, Va, Fo, Fv, In, Ed).
Opmerking: Het Type en de Divisie kunt u ook kiezen door op de overeenkomstige knoppen op het frontpaneel
te drukken.
(4) U kunt nu met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de User Style kiezen die u wilt editen (als u dat al niet had gedaan).
Kies User Style 1.
(5) Druk op [PAGE] ▼ om de Edit\Erase\2 pagina te kiezen.
(6) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop het From niveau, en kies de positie waarop de
E-96 moet beginnen wissen ([ACCOMP/GROUP] Bar, [BASS/BANK] Beat, en
[LOWER/NUMBER] CPT).
Als u alle data van het spoor wilt wissen mag u de standaardwaarden (From 1-1-0 tot het einde
van de sporen) laten staan.
(7) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het Data Type dat u wilt wissen.
Stel het Data Type op PanPt in.
(8) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om de geselecteerde data te wissen.
127
E-96 Gebruikshandleiding
■ Track Erase ([F1])
Met Track Erase kunt u noten en/of andere MIDI-data (Note, Modul, PanPt, Expre, Revrb,
Chorus, PChang, PBend, NRPN) van het geselecteerde spoor wissen zonder dat u de maten
zelf wist:
Wis (Erase) de noten van deze twee maten
##
c ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ #öÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇÇö ÇÇöÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ ÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ #öÇÇÇ ÇÇöÇ
öÇ öÇ l öÇ
l=======================
l
&
=l
Çö öÇ
##
ÇÇ Ç Ç Ç ÇÇ ÇÇ ÇÇ ÇÇ
l=======================
l
l öÇ ÇÇöÇ ÇöÇ ÇöÇ öÇ öÇ #öÇ öÇ=l
&
Erase kunt u gebruiken wanneer u slechts één type data wilt wissen (bijvoorbeeld de Panpot
veranderingen die u in Realtime opgenomen hebt, zie blz. 121), terwijl u alle andere data wilt
behouden. Erase is dus een “selectieve” wisfunctie.
Opmerking: Deze functie doet hetzelfde als de Micro\Erase functie.
■ Track Delete ([F2])
De Delete functie lijkt veel op Erase, maar wist ook de maten die u selecteert. U kunt dus niet
kiezen welk type data u wilt wissen want Delete wist gewoon alles!
Wis (Delete) deze twee maten
##
c ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ #öÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇÇö ÇÇöÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇ ÇÇ ÇÇöÇ ÇÇÇ ÇÇöÇ ÇÇöÇ öÇÇÇ ÇÇöÇ #öÇÇÇ ÇÇöÇ
öÇ öÇ l öÇ
l=======================
l
&
=l
Çö öÇ
## ÇÇ Ç Ç Ç Ç Ç Ç Ç
öÇ ÇÇ ÇöÇ ÇöÇ ÇÇö ÇöÇ #öÇÇ ÇöÇ =Ó
l=========
&
öÇ
Hoewel Delete op het eerste zicht misschien hetzelfde lijkt te doen als de Length functie (zie
blz. 109), is Delete toch flexibeler: Length laat namelijk steeds het begin van een patroon
intact, terwijl u de Delete From/To punten zo kunt instellen dat bijvoorbeeld enkel de eerste
maat van een patroon wordt gewist.
Delete betekent dus “wis alle maten binnen het gespecifieerde gebied” (bijvoorbeeld maat 1
en 2 van een patroon, zodat maat 3 maat 1wordt).
■ Track Insert ([F3])
Met Insert kunt u een bestaand patroon langer maken door op een vrij te bepalen plaats rusten
toe te voegen. Hiermee maakt u plaats voor nieuwe data en verschuift u data die achter de
From positie liggen verder naar rechts. Nieuwe data kunt u toevoegen in Realtime (kies dan
wel Record Merge), door ze naar de gespecifieerde positie te kopiëren (zie blz. 116), of in de
Microscope mode (zie blz. 129).
Opmerking: Voor de Insert functie kunt u geen To punt specifiëren. In plaats daarvan moet u met de For waarde
bepalen hoeveel u wilt toevoegen. “For 2 Bars, 2 Beats, 240 CPT” betekent dus “voeg twee 2 maten, 2 tellen en 2
tellen toe” (want 120CPT= q ).
Opmerking:
De E-96 biedt ook een Micro\Insert functie.
■ Track Transpose ([F4])
Met Transpose kunt u de toonhoogte veranderen van bestaande opnames. Dit is erg handig
wanneer u bijvoorbeeld na lang zwoegen een geslaagde opname van een moeilijk Intro/
Ending patroon hebt en u wilt dat in een andere toonaard gebruiken. Kopieer dan dat stukje
en transponeer het in de toonaard van de andere sporen.
128
User Styles programmeren, User Styles editen (2)
■ Track Velocity Change ([SHIFT]+[F1])
Met Velocity Change kunt u de aanslagwaarden (Velocity) van wat u hebt opgenomen verhogen (positieve waarden) of verlagen (negatieve waarden). Deze functie gebruikt u dus om een
Part (of een stuk daarvan) luider of zachter te maken.
■ Track Quantize ([SHIFT]+[F2])
Bij deze functie kunt u terecht als u bij het opnemen niet hebt gequantiseerd en nu plots beseft
dat de timing u toch niet helemaal bevalt. Quantiseren na de opname heeft als voordeel dat u
eerst het origineel kunt beluisteren en er enkel die noten uit kunt pikken die toch wel erg
“naast de tijd” zitten.
Bij het quantiseren tijdens de opname wordt de timing van alle noten gecorrigeerd, waardoor
een spoor al snel “robot-achtig” gaat klinken.
■ Track Change Gate Time ([SHIFT]+[F3])
Zoals we reeds eerder zeiden, worden Hold commando’s (CC64) die u zendt met een DP-2,
DP-6, of FS-5U voetschakelaar (allemaal los verkrijgbaar) geconverteerd naar een equivalente lengtewaarde. Met Gate Time kunt u deze lengtewaarden wijzigen en zo Hold-commando’s “bijsturen”.
U kunt Gate Time ook gebruiken om bestaande noten langer (of korter) te maken. Dit kan
nodig zijn als u bij het opnemen van een spoor een Tone met een lange uitsterftijd gebruikt,
en vervolgens beslist dat u eigenlijk een Tone met een korte uitsterftijd wilt (of vice versa).
■ Track Shift ([SHIFT]+[F4])
Met Shift kunt u opgenomen noten verplaatsen. Deze functie bewijst vooral zijn nut als u
User Styles opneemt vanuit een externe sequencer (zie “User Styles via MIDI programmeren” op blz. 123) en merkt dat alle Parts met een korte vertraging werden opgenomen. Verder
is deze functie handig bij Tones met een trage aanstijgtijd. U kunt met Shift namelijk alle
noten van zo’n Part iets vóór hun mathematisch “juiste” klokpositie plaatsen, waardoor ze
gevoelsmatig beter “zitten”. Ook voor Shift geldt dat de functie wordt toegepast op het geselecteerde To/From bereik.
Opmerking: Deze functie doet hetzelfde als de Micro\Move functie.
Editen in de Micro mode
De Micro mode van de E-96 is identiek aan de Microscope mode van een Roland MC sequencer of de Grid Edit (of hoe ze ook mag heten) mode van een sequencerprogramma. U kunt
alle mogelijke data (noten, modulatiedata, programmakeuze, bankkeuze, enz.) stap voor stap
editen.
Een typische Micro pagina ziet er als volgt uit:
Datapositie
Type commando
Waarde
Naam van het commando/
Nootlengte
Op de meeste Micro pagina's vindt u een PLAY parameter (druk op de overeenkomstige Part
Select knop) waarmee u de geselecteerde noot kunt beluisteren (bankkeuzecommando’s,
enz., kunt u uiteraard niet beluisteren, maar ze bepalen wel hoe de volgende noten klinken).
De noten worden ook weergegeven als u met de [PAGE] ▲/▼ knoppen door de data “stapt”.
129
E-96 Gebruikshandleiding
Zoals de naam reeds doet vermoeden is de Micro mode een veel nauwkeuriger werktuig dan
de editfuncties – maar ook meer tijdrovend. Overweeg in iedere situatie welke mode op dat
moment voor u het best uitkomt.
Zo selecteert u de Micro mode:
(1) Druk op [F4] (UsrStl) om de Micro mode te kiezen.
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt op gelijk welke User Style\Rec pagina en druk op [F2]
(Micro).
(3) Kies het spoor en het patroon (Mode, Type, Divisie) die u in de Micro mode wilt editen.
(4) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Proceed) om verder te gaan of op Part Select
[UPPER1] om het geselecteerde patroon te beluisteren.
(5) Kies de editfunctie die u nodig hebt door op de overeenkomstige functietoets te drukken.
Micro functie
Hoe kiest u ze
Change
[F1] (Chnge)
Erase
[F2] (Erase) (of [SHIFT] + [F2])
Insert
[F3] (Insrt) (of [SHIFT] + [F3]) – Voeg een event (stukje data, zoals noot enz.) toe
[SHIFT] + [F1] (Insrt) – Kies het type en de waarde van de toegevoegde event
Move
[SHIFT] + [F1] (Velo) (of [F1]) – Kies welke events u wilt verplaatsen
[SHIFT] + [F1] (Velo) – Kies de nieuwe positie van het geselecteerde event
Copy
[SHIFT] + [F2] (Copy) (of [F2]) – Kies welk event u wilt verplaatsen
[SHIFT] + [F1] (Copy)– Kies de bestemming
Meer details over deze functies vindt u in het Referentiehandboek. Over het algemeen zijn ze
echter gemakkelijk te begrijpen en kunt u er heel wat kanten mee uit.
Opmerking: Als u Insert van events eens stap voor stap wilt meemaken, lees dan “Voorbeeld: in Step time opnemen”.
Opmerking: Telkens wanneer u een Micro pagina verlaat (om een andere functie te kiezen) of de Micro mode
verlaat (door op [F5] (Exit) te drukken), meldt het display “Executing”, om aan te geven dat de wijzigingen die u
programmeerde worden verwerkt. U kunt bij het verlaten van de Micro mode de instellingen die u zonet hebt
gemaakt niet annuleren (er is dus geen Undo). Met andere woorden, zelfs als u geen Execute commando geeft wordt
een functie toch uitgevoerd zodra u de Micro mode verlaat.
In de Micro mode kunt u op [F4] drukken om terug te keren naar de eerste Micro pagina (zie hierboven).
130
E-96 Gebruikshandleiding
Omdat de E-96 geen “Create Event” functie biedt, moeten we naar een andere manier zoeken
om events aan te maken. Het invoegen van events is in wezen hetzelfde als het aanmaken
ervan.
Laten we beginnen met de basdrum.
(13) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop Bar= 1 in.
De Beat en CPT waarden zijn respectievelijk op “1” en “0” ingesteld, die hoeft u hier dus niet
te veranderen.
(14) Druk op Part Select [UPPER1] (Proceed).
U hebt nu een event ingevoegd dat weliswaar geselecteerd maar nog leeg is. We gaan nu het
event definiëren:
(15) Druk op de C2 toets op uw klavier.
Als u nu een basdrum klank hoort, hebt u op de juiste C gedrukt (de tweede van links). U kunt
de noot ook kiezen met de [BASS/BANK] draaiknop maar dat duurt wat langer...
(16) Stel met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de Velo waarde op 127 in.
Als u de noot met het klavier inbrengt leest de E-96 ook de aanslagwaarde en vult hij ze in.
(17) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de GateTime waarde (duur) op 1 in.
Aangezien een kwartnoot gelijk is aan 120 CPT gaat deze noot erg kort uitvallen. Voor een
basdrumslag maakt dat niet uit, voor melodische partijen kunt u de geschikte Gate Time uit
de onderstaande tabel afleiden:
Noot
CPT
Noot
CPT
w
480
e3
90
h
240
e
60
q
120
x
30
(18) Druk op (Execute) om uw instellingen te bevestigen.
(19) Voer met de [DRUMS/PART], [ACCOMP/GROUP], en [BASS/BANK] draaiknoppen
respectievelijk de waarden Bar= 1, Beat= 1, CPT= 60 in.
U hebt nu de tweede achtste noot van de eerste tel ingevoerd.
(20) Druk op Part Select [UPPER1] om een leeg event in te voegen en naar tweede Insert
pagina te springen.
(21) Druk op de C2 toets op uw klavier.
(22) Stel met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de aanslagwaarde 90 in.
(23) Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de GateTime waarde (duur) op 1 in.
(24) Druk op (Execute) om uw instellingen te bevestigen.
(25) Voeg nu de overblijvende noten toe.
132
User Styles programmeren, User Style uit een User Style geheugen wissen
We hebben het u gemakkelijk gemaakt door in de onderstaande tabel alle posities en toetsen
die u moet indrukken aan te geven:
Instrument
Positie (Bar-Beat-CPT)
Velo*
1--2-60
90
1-3-0
127
1-2-0
120
1-4-0
127
1-1-0
127
1-1-60
100
1-2-0
115
1-2-60
100
1-3-0
120
1-3-60
100
1-4-0
115
1-4-60
100
Toets
Basdrum
C2 (36)
Snare
D2 (38)
HiHat
F#2
* Dit zijn slechts suggesties.
Zoals u merkt, kunt u ook in Step time sequences programmeren.
(26) Druk op [F4] (Micro) om terug te keren naar de Track Microscope Edit pagina.
(27) Druk op [SHIFT]+[F1] om terug te keren naar de User Style\Rec pagina.
(28) Druk op [START/STOP] of Recorder [PLAY ®] om uw patroon te beluisteren.
Opmerking: U kunt uw patroon ook beluisteren op de Insert pagina's door op [START/STOP] te drukken. Met
de [PAGE] ▲/▼ knoppen kunt u door de events stappen.
12.8 User Style uit een User Style geheugen wissen
Delete is een functie die u waarschijnlijk nooit nodig zult hebben. Als u een User Style van
diskette laadt, wordt immers de Style in het bestemmingsgeheugen automatisch gewist.
Bovendien worden alle User Styles gewist wanneer u uw E-96 uitschakelt.
Opmerking: Voordat u er zelfs maar over denkt Delete te gebruiken moet u de Style die u wilt wissen op diskette
zetten, tenzij u donders goed weet dat u hem nooit meer nodig hebt.
Goed, we hebben u gewaarschuwd... Op de volgende manier wist u één of meerdere Styles:
(1) Houd [SHIFT] in de User Style mode ingedrukt en druk op [F4] (Dlete) (of druk gewoon
op [F4] als de 4 Dlete functie “op het menu staat”).
(2) Plaats de cursor met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop op de User Style die u wilt wissen, of kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop de eerste vier Styles (1~4), de volgende vier (5~8) of alle Styles.
133
E-96 Gebruikshandleiding
U kunt ook Style 1, 5, en 8 kiezen. Dit doet u door ze te selecteren en op [F3] (Mark) te drukken om ze te markeren (*).
(3) Eens u de Styles die u wilt wissen hebt aangeduid (controleer toch nog maar een keer),
drukt u op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om de Style(s) te wissen.
Het display meldt nu:
De Styles worden gewist, waarna het display meldt:
Het display keert nu terug naar de eerste User Style\Rec pagina.
134
MIDI, MIDI in het algemeen
MIDI
13.
MIDI is de afkorting van Musical Instrument Digital Interface. De term slaat op heel wat dingen. Het meest voor de hand liggende is het connectortype dat door heel wat muziekinstrumenten en effectapparaten wordt gebruikt om informatie aangaande het muziekmaken uit te
wisselen. Als u op het klavier van de E-96 speelt of de Arranger start, worden er MIDI-data
gezonden naar de MIDI OUT poort van uw instrument. Als u deze poort verbindt met de
MIDI IN poort van een ander instrument kan dat instrument dezelfde noten spelen als één van
de Parts van de E-96.
MIDI is een taal die iedere handeling die verband houdt met muziek vertaalt in binaire codes
die via een MIDI-kabel kunnen worden verzonden. Aangezien het een universele standaard
is, kunnen de muziekdata worden gezonden en ontvangen door instrumenten van verschillende merken en types. Bovendien kunt u via MIDI uw E-96 met een computer of sequencer verbinden.
13.1 MIDI in het algemeen
Wat er nodig is om MIDI data te zenden en te ontvangen
■ MIDI connectors
MIDI-commando's worden verzonden en ontvangen via drie connectors en speciale MIDIkabels:
Connector
Functie
MIDI IN
Deze connector ontvangt commando's van andere MIDI-apparaten.
MIDI OUT
Deze connector zendt MIDI-commando's die op uw E-96 tot stand komen.
MIDI THRU
Deze connector stuurt alle ontvangen MIDI-commando's opnieuw door.
Binnen het bestek van deze Gebruikshandleiding kunnen we helaas niet al te diep ingaan op
het fenomeen MIDI. Er bestaat echter een handig boekje, MIDI Guide genaamd, waarin u
alles vindt over MIDI. Dit boekje kunt u krijgen bij uw Roland dealer.
■ Kanalen
MIDI-commando's kunt u op 16 kanalen tegelijk zenden en ontvangen, zodat u tot 16 instrumenten kunt aansturen. De nieuwere instrumenten –zoals uw E-96– zijn multitimbraal, wat
betekent dat ze verschillende muzikale partijen met verschillende klanken tegelijk kunnen
weergeven.
Dit is niet moeilijk te begrijpen, denk maar aan uw E-96: zijn Arranger kan de drums, de bas,
en tot zes begeleidingspartijen weergeven. Multitimbraliteit is nu precies die mogelijkheid
om al die Parts met verschillende Tones (of klanken) weer te geven. Andere instrumenten die
dit kunnen zijn de Sound Canvas serie, de JV-1080, en de overige JV synthesizers.
135
E-96 Gebruikshandleiding
■ MIDI-data
Waar het bij de MIDI-standaard in de eerste plaats om gaat is dat een instrument aan een
ander instrument kan vertellen wanneer het een noot moet spelen, hoelang het die moet aanhouden, en hoe hard het die moet aanslaan. Om deze informatie door te spelen worden nootaan, noot-uit en aanslagcommando's gebruikt.
Daarnaast kan MIDI nog heel wat andere aspecten van het muziekmaken overbrengen zoals
modulatie (vibrato), Pitch Bend (bending), volume, panpot, enz. In de MIDI Implementatie
vindt u een overzicht van de MIDI data die uw E-96 ontvangt en zendt.
Een andere groep MIDI-commando's vertelt de ontvanger wanneer hij een andere klank moet
kiezen en welke klank dat moet zijn. Deze commando's noemen we bankkeuze en programmakeuze. Deze commando's worden trouwens automatisch opgenomen aan het begin van
iedere Style divisie en opgeslagen in een Performance geheugen, zodat u de gekozen Tones
voor alle beschikbare Parts met enkele knopdrukken (Groep, Bank, en Nummer) in één keer
kunt terughalen. Met programmakeuze- en bankkeuzecommando's kunt u ook Performance
Memories, Styles, en Drum Sets (voor de MDR en ADR Parts) kiezen.
Nog andere MIDI data dienen om twee MIDI-instrumenten met elkaar te synchroniseren,
zodat ze op hetzelfde moment starten en stoppen en aan hetzelfde tempo lopen. Van deze
mogelijkheid hebben we trouwens al gebruik gemaakt bij het programmeren van User Styles
via MIDI (zie blz. 124).
Tenslotte kunt u met MIDI ook nog parameterwaarden veranderen, en wel op drie manieren:
Data type
Naam
Parameterdata waarmee u instellingen die aanwezig zijn op
alle GM/GS klankbronnen kunt wijzigen.
= Pitch Coarse/Fine, Pitch Bend Range
RPN
(Registered Parameter Number)
Parameterdata die slechts door één type instrument worden
herkend (meestal van hetzelfde merk, bijvoorbeeld de Sound
Canvas familie)
= Part parameters (zie blz. 84)
NRPN
(Non-Registered Parameter Number)
Parameterdata die slechts op één bepaald instrument ter
beschikking staan (meestal slechts één model)
SysEx
(System Exclusive)
Het verschil tussen RPN en NRPN commando's enerzijds en SysEx data anderzijds is dat u
de eerste soort in Realtime kunt veranderen met een regelaar, een zwelpedaal, enz., zonder
dat daar veel programmeerwerk voor nodig is. Om met SysEx data te kunnen omgaan moet
u al een behoorlijk gevorderd inzicht hebben in de manier waarop MIDI-data worden gezonden en hoe u ze kunt identificeren.
MIDI op uw E-96
We herhalen nog eens dat in deze inleiding het laatste woord over MIDI (uiteraard) niet is
gezegd. We hebben u slechts een idee proberen te geven van wat u ermee kunt doen, en we
hopen dat we u hebben warm gemaakt voor een ontdekkingsreisje door het boeiende MIDIlandschap.
■ MIDI-kanalen & RX Parts
Voordat we u laten zien aan welke MIDI-kanalen Parts van de E-96 zijn toegewezen, moeten
we nog even iets anders kwijt. Uw Intelligent Keyboard bevat drie Parts die u enkel via MIDI
kunt bespelen. Ze werken net zoals de Realtime Parts van de E-96, maar u kunt ze niet op de
E-96 aansturen. Deze “RX Parts” kunt u dus wel gebruiken als u de E-96 met een computer
of sequencer aanstuurt. U kunt ook de MIDI OUT van een MIDI Masterkeyboard (zoals een
A-30 of A-80) op de MIDI IN poort van de E-96 aansluiten, het Masterkeyboard splitten en
met de twee zones twee RX Parts van de E-96 aansturen.
136
MIDI, MIDI-aansluitingen
Dit zijn de MIDI-kanaaltoewijzingen:
Part
MIDI-kanaal
Part
MIDI-kanaal
Functie
MIDI-kanaal
Upper1
4
A.Drums
10
Style Select
Upper 2
6
A. Bass
2
Basic Channel
Lower
11
Ac1
1
M.Bass
12
Ac2
3
M.Drums
16
Ac3
5
RX1
13
Ac4
7
RX2
14
Ac5
8
RX3
15
Ac6
9
10*
14 (Off)**
* Dit is mogelijk omdat de Drum Sets zijn toegewezen aan CC0= 0 Nummers, terwijl de Style Select commando's
altijd aan CC0≠ 0 Nummers zijn toegewezen.
** On in de TX mode.
Deze fabriekstoewijzingen gelden zowel voor het zenden (TX) en ontvangen (RX) van MIDIdata maar u kunt ze wel apart instellen. We raden u trouwens aan dit niet te doen tenzij u daar
een goede reden voor hebt. Zo’n reden kan bijvoorbeeld zijn dat u het MIDI ontvangst- of
zendkanaal wilt compatibel maken met oudere Roland Intelligent Arrangers of met sequences
die u hebt opgenomen voordat u de E-96 had.
13.2 MIDI-aansluitingen
MIDI-data ontvangen van externe instrumenten
Om de klanken van de E-96 aan te sturen met een extern klavier of met een computer of
sequencer, moet u de volgende aansluitingen maken:
MIDI OUT
MIDI-klavier
MIDI OUT
Computer met
MIDI interface
MIDI IN
E-96
Tip: U kunt nog andere stuurbronnen gebruiken, zoals trigger-naar-MIDI instrumenten (TD-7,
TD-5, SPD-11, Octapad II), gitaar-naar-MIDI instrumenten (GR-1, GR-09, GI-10) en alle andere
“naar MIDI” stuurbronnen (wind, MCR-8 MIDI-mengpaneel).
Opmerking:
Alle E-96 Parts (behalve het Basic Channel) moeten MIDI-commando's kunnen ontvangen. Reageren ze niet op commando’s die u vanuit de externe stuurbron zendt, controleer dan of de MIDI OUT van de externe
stuurbron wel op de MIDI IN van uw E-96 is aangesloten.
137
E-96 Gebruikshandleiding
MIDI data naar externe instrumenten of computers zenden
Als een ander instrument de noten moet weergeven die u met een Part van de E-96 speelt, of
u wilt uw partijen opnemen in een computer/sequencer, dan moet u de volgende aansluitingen
maken:
MIDI IN
Synthesizer, digitale piano enz.
Computer met
MIDI interface
MIDI IN
MIDI OUT
E-96
Opmerking: Alle E-96 Parts zenden normaal MIDI-commando's. Reageert uw externe module niet op de commando's die u zendt, controleer dan of de MIDI IN van de externe module wel op de MIDI OUTput van uw E-96 is
aangesloten.
13.3 MIDI-data ontvangen
U kunt de fabriekstoewijzingen van de MIDI-kanalen best ongemoeid laten. Soms moet u ze
echter veranderen, omdat andere MIDI-instrumenten in uw systeem voor problemen zorgen.
U kunt deze instellingen opslaan in een MIDI Set, waaruit u ze op ieder gewenst moment kunt
terughalen (zie blz. 146). We willen hierbij ook even duidelijk stellen dat de wijzigingen die
u aanbrengt in de MIDI mode niet automatisch worden opgeslagen wanneer u de E-96 uitschakelt– ze worden ook niet in een Performance geheugen opgeslagen.
Ontvangstkanalen (RX)
■ Realtime sectie (RTime)
Laten we het ontvangstkanaal van Upper1’s MIDI op 1 instellen:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Druk op (RTime) om het Realtime niveau te kiezen.
De RX pagina is al geselecteerd. Als dat niet zo is, kunt u ze met de [PAGE] ▲/▼ knoppen
selecteren. (RX is de afkorting voor MIDI-ontvangst.)
(3) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de Upper1 (UP1) Part.
(4) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop Channel = 1 in.
138
MIDI, MIDI-data ontvangen
Door B1 te kiezen wijst u MIDI-kanaal 1 aan de Upper1 Part toe, en zorgt u dat de Part reageert op data die via de MIDI IN B poort op MIDI-kanaal 1 worden ontvangen.
(5) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
■ Arranger en Song sectie (Arrng en Song)
Andere MIDI ontvangst (RX) kanalen aan de Arranger (ADR, ABS, AC1~AC6) en Song
Parts (Sng 1~16) toewijzen doet u op dezelfde manier als u een ontvangstkanaal aan een Realtime Part toewijst, behalve dat u in stap (2) op [F2] (Arrng) of [F3] (Song) moet drukken.
Opmerking: Op de Arrng pagina kunt u naast de Realtime Parts ook de drie RX Parts (1, 2, en 3) kiezen, dit zijn
de Realtime Parts die u enkel via MIDI kunt bespelen.
■ NTA kanaal
U herinnert zich misschien (zie “NTA (Note To Arranger)” op blz. 63) dat NTA staat voor
Note To Arranger, of de noten die u speelt in het akkoordherkenningsgebied. Deze noten kunt
u ook via MIDI ontvangen. Als u wilt dat de Arranger deze noten gebruikt, moet u ze zenden
op de MIDI-kanalen die aan de NTA functie zijn toegewezen.
Het meervoud in “kanalen” is u waarschijnlijk niet ontgaan. Er zijn inderdaad twee NTA ontvangstkanalen, waardoor u de E-96 kunt gebruiken als Realtime Arranger module voor een
MIDI-accordeon of gelijk welk ander MIDI-instrument dat op twee kanalen kan zenden.
(MIDI-accordeons zenden hun akkoorden en basnoten op verschillende MIDI-kanalen, wat
dus geen probleem mag vormen voor de E-96.)
Tip: U kunt deze twee NTA kanalen ook gebruiken om de Arranger aan te sturen met twee externe
Masterkeyboards of met een PK-5 MIDI-baspedaal. Daarvoor hebt u dan echter een MIDI Merge
box (of een Roland A-880) nodig.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Druk op (NTA) om het NTA niveau te selecteren.
De RX pagina hoeft u hier niet te kiezen want er is helemaal geen TX pagina voor het NTA
niveau. De noten die u op het klavier van de E-96 speelt worden naar de Arranger gezonden
en van daaruit naar de Arranger Parts. Op die manier klinkt de begeleiding in de juiste toonaard. Alle Arranger noten worden via MIDI gezonden, dus is het niet nodig dat de NTA noten
op hun beurt nog eens rechtstreeks via MIDI worden verzonden.
Voordat u het (de) NTA ontvangstkana(a)l(en) instelt raadpleegt u best even de handleiding
van uw externe MIDI-stuurbron om te weten op welk(e) kana(a)l(en) hij zendt.
(3) Stel met de [DRUMS/PART] draaiknop het eerste NTA ontvangstkanaal (1’rx Ch) in
en met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het tweede NTA ontvangstkanaal (2’rx Ch).
(4) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
■ Basiskanaal (Basic Channel)
Het Basic Channel (basiskanaal) is het MIDI-kanaal waarop programmakeuze- en bankkeuzecommando's worden ontvangen en gezonden waarmee Performance Memories worden
gekozen. Telkens als u een Performance Memory op uw E-96 kiest wordt er dus een reeks
MIDI-commando's naar de MIDI OUTput gezonden op het MIDI-kanaal dat u op de TX pagina kiest.
Als de E-96 een reeks commando's (bankkeuze en programmakeuze) op het basiskanaal ontvangt, kiest hij het Performance geheugen dat aan de nummers in de ontvangen MIDI-commando's is toegewezen.
139
E-96 Gebruikshandleiding
Net zoals bij de Realtime, Arranger, en Song Parts, hoeft het basis ontvangstkanaal (RX) niet
gelijk te zijn aan het basis zendkanaal (TX). U kunt bijvoorbeeld Basic RX= 10 en Basic TX=
4 kiezen. Dit leidt echter snel tot verwarring, dus maak er een gewoonte van één keer vast te
leggen welke sectie op welke kanalen moet zenden en ontvangen en u hier verder aan te houden.
Zo stelt u het basis ontvangstkanaal in:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F1] (Basic) drukt.
Als de RX pagina nog niet is geselecteerd, drukt u op [PAGE] ▲/▼ om ze te selecteren. Op
de TX pagina kunt u het basis zendkanaal instellen.
(3) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het basis ontvangstkanaal in.
(4) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Om het basis zendkanaal in te stellen drukt u op [PAGE] ▲/▼ om de Basic TX pagina te
selecteren.
■ Style Select kanaal
Zoals de naam al aangeeft dient het Style Select kanaal om programmakeuze-commando’s te
zenden en te ontvangen waarmee de E-96 of de ontvanger een andere Music Style kiezen. U
kunt trouwens ook User Style geheugens via MIDI kiezen.
We gaan nu het Style Select zendkanaal (TX) op 16 instellen:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F2] (Style) drukt.
(3) Druk op [PAGE] ▼ om de MIDI\Style\TX pagina te openen:
(4) Stel met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop Channel op B16 in.
(5) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
13.4 Zendkanalen (TX) en zendschakelaars
De zendkanalen van de Realtime, Arranger, en Song secties alsook van de basis- en Style
Select kanalen zijn de MIDI-kanalen waarop de respectievelijke Parts of functies data zenden. U stelt deze kanalen op dezelfde manier in als de ontvangstkanalen, alleen speelt het verhaal zich nu af op de TX pagina. Een typische TX pagina ziet er als volgt uit:
140
MIDI, Andere MIDI-instellingen
Wilt u een Part geen MIDI-commando's laten zenden, zet dan de Channel schakelaar op Off.
13.5 Andere MIDI-instellingen
MIDI ontvangst/transmissie uitschakelen
De Parts van de E-96 zijn standaard ingesteld om MIDI-data te zenden en te ontvangen. Dit
is echter misschien niet altijd wat u wilt. Zo verkiest u soms misschien een bepaalde Part niet
te laten reageren op MIDI-commando's van een externe stuurbron, of wilt u een E-96 Part
spelen zonder tegelijk MIDI-commando's naar de ontvanger te zenden. In dergelijke gevallen
moet u de MIDI-ontvangst of -transmissie op Off zetten met de On/Off schakelaar onder het
MIDI-kanaal van de geselecteerde Part.
Stel dat u niet wilt dat de ADR Part MIDI-data naar een externe module stuurt. Dan kunt u
als volgt de MIDI-transmissie uitschakelen:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Druk op [F2] (Arrang) om het Arranger niveau te kiezen.
(3) Druk op [PAGE] ▼ om de MIDI\Arrang\TX pagina te openen:
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop de ADR Part.
(5) Druk op de Part Select [M.BASS] knop om de Channel schakelaar op Off te zetten.
De ADR Part zendt nu geen MIDI data meer (kanaal 10).
(6) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
MIDI ontvangst-/zendfilters
Als u de MIDI-ontvangst ode -transmissie uitschakelt door op de MIDI\...\RX of MIDI\...\TX
pagina op de Part Select [M.BASS] knop van de geselecteerde Part te drukken, zendt of ontvangt die Part geen MIDI-data meer. In plaats van de hele MIDI-ontvangst resoluut uit te
schakelen kunt u echter ook een aantal soorten commando's uitschakelen die u niet meer door
die Part wilt laten zenden of ontvangen.
Wilt u bijvoorbeeld dat de Upper2 Part de noten speelt die hij via MIDI ontvangt zonder naar
de bankkeuze- en programmakeuze-commando's te luisteren (en dus Tones te kiezen), dan
moet u MIDI-ontvangst activeren maar de ontvangst van MIDI programmakeuze-/bankkeuzedata uitschakelen. Dit kunt u doen met de PChng parameter op de RX pagina's.
Dit zijn de overige commando's die u kunt filteren: PBend (Pitch Bend), Modul (modulatie),
Volm (volume), PanPt (pan), Expre (Expressie), Hold, Sost (Sostenuto), Soft,
Revrb (Reverb), Chors (Chorus), ACtr1 (toewijsbare controlefunctie), RPN (Registered
Parameter Number), NRPN (Non Registered Parameter Number), SysEx (System Exclusive).
141
E-96 Gebruikshandleiding
We gaan nu het bankkeuze-/programmakeuzefilter voor de Upper1 Part inschakelen zodat
deze Part geen Tones meer kiest als de MIDI-commando's vanuit een externe stuurbron hem
daartoe proberen over te halen:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Druk op (RTime) om het Realtime niveau te kiezen.
(3) Druk op [PAGE] ▲/▼ om de MIDI\RTime\RX pagina te openen:
(4) Kies met de [DRUMS/PART] draaiknop UP1 (Upper1).
(5) Stel met de [LOWER/NUMBER] draaiknop Filter= PChng in.
(6) Druk op Part Select [UPPER2] om de Filter schakelaar op Off te zetten.
Om andere MIDI-commando's te filteren selecteert u ze eerst met de [LOWER/NUMBER]
draaiknop en drukt u vervolgens op Part Select [UPPER2] om de ontvangst uit te schakelen.
Om de ontvangst van één van deze commandotypes weer te activeren drukt u op Part Select
[UPPER2] om opnieuw On te kiezen.
Opmerking: Door de bovenstaande instelling (PChng) te kiezen schakelt u voor de Upper1 Part ook meteen de
ontvangst van bankkeuzecommando's uit.
(7) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
■ Shift en TX Octave
Met de Shift functie op de RX en TX pagina's kunt u MIDI-nootcommando's in stappen van
een halve toon verschuiven voordat u ze naar de toongenerator van de E-96 (RX) of naar de
MIDI OUTput zendt die u voor een bepaalde Part kiest (TX):
MIDI IN
MIDI OUT
Shift
Transposition
Transpositie
Shift
Klankbron
RX SHIFT
TX SHIFT
Zo zou u in de toonaard D kunnen spelen, maar de overeenkomstige MIDI-nootnummers in
de toonaard A zenden door de TX Shift parameter van de betreffende Part op +7 te zetten. Dit
geldt ook voor de noten die u via MIDI IN ontvangt: u kunt de noten die door het externe
MIDI Masterkeyboard of de sequencer worden gezonden transponeren voordat u ze naar de
toongenerator van de E-96 zendt, zodat een melodie in A door de E-96 wordt weergegeven
in C#, bijvoorbeeld.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
142
MIDI, Andere MIDI-instellingen
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F3] (Param) drukt.
De TX Octave parameter kunt u op Absolute of Relative instellen. Dit heeft te maken met de
Tone die u kiest. Als u al eens een basklank hebt gekozen voor de Upper1 Part in de Split
Keyboard Mode, is het u misschien opgevallen dat de noten die u speelt naar omlaag worden
getransponeerd, zodat u binnen het bereik van de Upper1 Part toch diepe basnoten kunt spelen. Kiest u nu Relative, dan wordt deze interne (en automatische) transpositie vertaald in
nootnummers. Speelt u dus een C4 (nootnummer 60) dan wordt nootnummer 36 weergegeven en naar de MIDI OUT poort gezonden. De transpositie hangt natuurlijk af van de Tone
die u aan de Upper1 Part toewijst.
In de Absolute mode wordt daarentegen gewoon het MIDI-nootnummer van de toets waarop
u drukt (bv. nootnummer 60) naar de MIDI OUT poort gezonden. Het voordeel van Absolute
en Relative te is dat u een baslijn kunt spelen met de Upper1 Part van de E-96 en deze kunt
dubbelen met een trompet van een extern instrument.
Opmerking: Wilt u de TX of RX Shift waarden niet gebruiken, zet dan de corresponderende schakelaar op Off.
Dat gaat heel wat sneller dan alle Shift waarden weer op “0” te zetten.
Tip: Als de [TRANSPOSE] indicator oplicht, worden alle Parts getransponeerd voordat ze door
de TX Shift parameter worden bewerkt. De transpositie gebeurt dus vóór de TX Shift. Het voordeel
van [TRANSPOSE] is dat het op alle Realtime en Arranger Parts tegelijk werkt, terwijl u TX Shift
voor elk Part individueel moet instellen.
■ Zones (Low/High Limits)
Op alle Realtime, Arranger, en Song MIDI\RX pagina's alsook op de MIDI\NTA pagina treft
u twee Limit parameters aan, waarmee u het MIDI nootbereik dat door de respectievelijke
Parts wordt ontvangen kunt beperken.
Op de schakelaar onder de Limit draaiknop ziet u nu High staan. Daarmee weet u dat u met
de [UPPER/VARIATION] draaiknop nu de bovengrens kunt instellen. De waarde in de
afbeelding betekent dat de Upper1 Part geen noten hoger dan C#6 zal spelen. Stuurt u bijvoorbeeld een D6 op MIDI-kanaal 4, geeft de Upper1 Part geen kik.
Druk op de Part Select [UPPER1] knop om Low te kiezen.
Nu kunt u de ondergrens van de Upper1 Part instellen. Kiest u bijvoorbeeld C4, dan klinkt de
Upper1 Part niet als hij noten tussen B3~C-1 ontvangt.
Stel met de [UPPER/VARIATION] draaiknop Low Limit in.
Het grootste voordeel van de Limit parameters is dat u er splits mee kunt programmeren die
op MIDI-data van toepassing zijn. Is uw Masterkeyboard bijvoorbeeld een digitale piano zonder split functie, dan kunt u op de volgende manier de Upper1, Upper2, en Lower Parts splitten:
(1) Kies hetzelfde ontvangstkanaal voor Upper1, Upper2, en Lower (zie blz. 138).
143
E-96 Gebruikshandleiding
(2) Stel op de MIDI\RTime\RX pagina de volgende Limit waarden in:
Part
Limit High
Limit Low
Upper1
G8
C#5
Upper2
C5
C4
Lower
B3
C-1
U beschikt nu over drie zones op uw pianoklavier. U kunt de split nog verfijnen door de
Manual Bass Part een apart bereik te geven, en toch nog een octaaf voor de Arranger (NTA)
over te houden!
Local functie
Met de Local parameter op alle Realtime, Arranger, en Song MIDI\TX pagina's kunt u de verbinding tussen het klavier en de interne toongenerator van de E-96 al dan niet opheffen.
Klankbron
LOCAL ON
Klankbron
MIDI OUT
LOCAL OFF
MIDI OUT
Als deze parameter op On staat (fabrieksinstelling), stuurt u met de noten die u op het klavier
van de E-96 speelt de interne toongenerator aan. Kiest u Off, dan worden de MIDI data van
de overeenkomstige Part niet meer naar de interne klankgenerator gezonden. De overeenkomstige MIDI data worden wel nog steeds naar de MIDI OUTput gezonden.
Zet met de [UPPER/VARIATION] draaiknop Local op Off als u de interne klankbron
niet wilt aansturen met de noten die u met de betreffende Part van de E-96 speelt.
De Off instelling kunt u bijvoorbeeld gebruiken voor songs waarin de Upper1 Part een externe analoge synthesizer of sampler aanstuurt, terwijl alle andere E-96 Parts de interne klankbron aansturen. Local Off zou u in zo’n geval in staat stellen om de Upper1 melodie of solo
op het klavier van de E-96 met de klank van een extern instrument.
Local Off is ook handig als u gesampelde grooves of backing vocals wilt weergeven met een
Roland JS-30 Sampling Workstation. Als u in zo’n geval Upper1 of Upper2 inschakelt en hun
Local functie op Off zet, kunt u met het klavier van de E-96 de samples sturen en daarmee
uw optreden wat meer kleur bijzetten.
144
MIDI, Nog meer MIDI-instellingen
13.6 Nog meer MIDI-instellingen
Rx Velo, TX Velo
Op de MIDI\Param pagina kunt u specifiëren of u al dan niet MIDI aanslagwaarden wilt zenden en ontvangen. Kiest u voor “niet”, dan moet u een vaste aanslagwaarde specifiëren die in
de plaats komt van de eigenlijke aanslagwaarden die u negeert.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F3] (Midi).
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F3] (Param) drukt om de volgende pagina te openen:
(3) Kies met de Part Select [M.BASS] of Part Select [LOWER] knoppen On (ontvang of
zend aanslagwaarden) voor respectievelijk rxVelo en txVelo.
Als u Off kiest, moet u een vaste aanslagwaarde specifiëren die wordt gebruikt in plaats van
de continu veranderende waarden die “werkelijk” worden ontvangen of verzonden.
(4) Kies met de [ACCOMP/GROUP] of [BASS/BANK] draaiknop de vaste aanslagwaarde
die u wilt zenden of ontvangen.
U kunt deze parameter ook gebruiken om de vaste aanslagwaarde die door een MIDI-orgel
enz. wordt gestuurd aan te passen. Als de waarden die van zo’n instrument komen bijvoorbeeld te hoog zijn om een aangename klankkleur uit de gekozen Tone te krijgen, stel dan de
rxVelo waarde bijvoorbeeld op 90 in – en zet de overeenkomstige schakelaar op Off (ontvangst van MIDI aanslagdata Off). Oudere drummachines en niet-aanslaggevoelige instrumenten zenden vaste aanslagwaarden van “64”, wat soms aan de lage kant is om een aangenaam timbre en volume uit een Tone te persen. Probeer in dergelijke gevallen eens een hogere
vaste aanslagwaarde te kiezen.
Soft Thru (voor digitale piano’s)
Deze functie bewijst vooral zijn nut als u een digitale piano bezit. Als u Soft Thru op On zet,
worden alle noten op het NTA kanaal (zie blz. 139) buiten de High en Low Limits van de
NTA opnieuw verzonden naar de MIDI uitgang. Zet u dus de NTA Limits op Low= C2/
High=C4, dan worden alle noten links van C2 en rechts van C4 naar de MIDI OUTput gezonden en kunt u andere noten op een extern MIDI-instrument aansturen.
Deze instelling doet in feite hetzelfde als de splits waarover we het hadden toen we het
gebruik van de Limit parameters bespraken (zie blz. 143): Soft Thru moet u gebruiken voor
een digitale piano of een ander klavierinstrument zonder split functie. U kunt dan de pianoklanken met uw rechterhand spelen terwijl u de Arranger van de E-96 aanstuurt met de toetsen in de zone die u met de Limit parameters van de NTA hebt afgebakend.
Ga als volgt te werk:
(1) Verbind de MIDI OUT van de digitale piano met de MIDI ingang van de E-96.
(2) Verbind de MIDI OUTput met de MIDI INput van uw digitale piano.
(3) Zet de [UPPER/VARIATION] draaiknop Soft Thru op On.
De E-96 zendt nu een Local commando (CC122) met de waarde “0” naar de digitale piano,
waardoor de piano niet meer reageert op de noten die u op zijn klavier speelt. Aangezien de
E-96 echter alle noten “terugstuurt” die niet worden gebruikt om de Arranger aan te sturen
145
E-96 Gebruikshandleiding
(de noten buiten de Low/High Limits), hoort u wat u op de piano speelt – behalve in de zone
die u voor de Arranger reserveert.
Schakelt u Soft Thru weer uit (Off), dan stuurt de E-96 een Local commando met de waarde
“127”, waarbij hij de Local functie van de piano weer inschakelt.
13.7 MIDI-synchronisatie
We hadden het al over het synchroniseren van de Arranger via MIDI toen we die functie
nodig hadden om User Styles via MIDI op te nemen. Zie “Aansluiten en synchroniseren” op
blz. 124.
We dienen hierbij ook nog even op te merken dat de Recorder ook Song Position Pointer
commando's zendt en ontvangt.
Druk, op de Master pagina op [F3] (Midi), houd [SHIFT] ingedrukt en druk op [F4]
(Sync) om een Sync pagina te kiezen. Met [PAGE] ▲/▼ kunt u de RX of TX pagina's
selecteren.
Kies RMTE1 als u wilt dat de E-96 enkel naar MIDI Start/Stop commando's luistert en MIDIClock commando's negeert.
Opmerking: Kiest u MIDI2 (RX), dan kunt u de weergave van de Arranger of de Song niet meer op de E-96 starten. U moet dan de externe MIDI klok starten.
13.8 MIDI Sets
MIDI Sets zijn in feite Performance geheugens voor de instellingen die u in de MIDI mode
maakt. De E-96 beschikt over acht MIDI Set geheugens waarin u verschillende MIDI-configuraties kunt opslaan. Bovendien kunt u MIDI Sets op diskette zetten en ze laden als u ze
weer nodig hebt.
Een MIDI Set opslaan
■ Memory Protect
Telkens wanneer u uw instrument inschakelt wordt de Memory Protect functie mee ingeschakeld. Memory Protect doet wat zijn naam zegt: de functie beschermt uw Performance geheugens en MIDI Sets tegen per ongeluk wissen. Op blz. 57 vindt u meer details.
■ Uw instellingen in een MIDI Set opslaan (Write)
(1) Druk op de [WRITE] knop en houd deze ingedrukt (de [MIDI SET] indicator licht op).
146
MIDI, MIDI Sets
Het display vraagt of u zeker bent dat u uw instellingen in een MIDI Set wilt opslaan. Ga verder als dat zo is, laat anders de [WRITE] knop los.
U vraagt zich wellicht af of we deze procedure niet wat eleganter hadden kunnen oplossen.
Nochtans is deze werkwijze voor uw eigen bestwil (u kent ons toch!). Deze “dubbele knop”verplichting maakt het u namelijk onmogelijk om in de hitte van de strijd (tijdens het spelen
bijvoorbeeld) per ongeluk op een verkeerde knop te drukken en een bestaande MIDI Set te
overschrijven. Denk eens aan al dat programmeerwerk dat u dan in één klap zou kwijtraken!
(2) Druk op een Music Style Nummer knop om uw MIDI-instellingen in de overeenkomstige MIDI Set op te slaan.
Het display bevestigt kort dat uw instellingen nu in het gekozen geheugen zitten:
(3) Laat de [WRITE] knop los.
MIDI Set kiezen
(1) Druk op de [MIDI SET] knop (Music Style sectie) zodat zijn indicator oplicht.
(2) Druk op een Music Style Nummer knop om de overeenkomstige MIDI Set te selecteren.
MIDI Sets naar diskette wegschrijven
Eens uw 8 MIDI Sets opgebruikt zijn, hebt u er misschien nog meer nodig. U kunt plaats
maken voor nieuwe MIDI Sets door de oude MIDI Sets te wissen. Wilt u deze laatste daarbij
niet kwijtraken, dan moet u ze eerst op diskette zetten. Zelfs als u niet te kampen hebt met
plaatsgebrek is het een goed idee om een veiligheidskopie van uw MIDI Sets te maken. U
weet tenslotte maar nooit wanneer een onverlaat begint knoeien met uw instellingen.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(2) Druk op [F2] (Save) om het Disk\Save niveau te kiezen.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Save\MDI Set pagina:
Voordat u een MIDI Set op diskette zet moet u er een naam aan geven. Kies een naam die u
iets zegt over de inhoud van de Set. Met de [LOWER/NUMBER] draaiknop kiest u de karakterpositie en met de [UPPER/VARIATION] draaiknop bepaalt u welk karakter er op de gekozen positie moet komen.
(4) Steek een geformateerde diskette in de drive en druk op Part Select [M.BASS] (Execute)
om uw MIDI Set op diskette te zetten.
147
E-96 Gebruikshandleiding
Niet vergeten: uw E-96 is multitasking, u mag deze pagina dus verlaten zodra de E-96 de
Style op diskette begint te schrijven.
(5) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: Bij het wegschrijven slaat de term Set op alle 8 MIDI Set geheugens. Met andere woorden, als u
“een” MIDI Set op diskette zet, slaat u de inhoud van alle acht MIDI Set geheugens op. Laden kunt u ze echter ook
één voor één.
MIDI Set van diskette laden
We zeiden het al in de opmerking van daarnet, u kunt één MIDI Set laden van een “MIDI Setset” die zich op de diskette bevindt die u de drive van de E-96 hebt gestoken. Dat doet u als
volgt:
(1) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(2) Druk op [F1] (Load) om het Disk\Load niveau te kiezen.
(3) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen de Load\MDI set pagina:
(4) Steek de diskette met de MIDI Set data die u wilt laden in de disk drive.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop de MIDI Set (Groep) als uw diskette meer
dan één MIDI Set bevat.
(6) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop de MIDI Set die u wilt laden.
Als u ALL kiest worden alle acht Sets van de geselecteerde MIDI Set-set geladen. In dat geval
kunt u geen bestemmingsgeheugen kiezen (zie hieronder).
(7) Kies met de [UPPER/VARIATION] draaiknop het interne MIDI Set waarin u de geselecteerde instellingen wilt laden.
U kunt Int= 1, =2, =3..., =8 kiezen.
(8) Druk op Part Select [UPPER1] (Execute) om de MIDI Set data te laden.
(9) Druk op (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Tip: Aangezien u MIDI Sets individueel kunt laden kunt u een soort “Best Of” van uw favoriete
MIDI instellingen samenstellen door ze in verschillende interne MIDI Set geheugens te laden.
Zo’n “Best Of” MIDI Set kunt u dan op zijn beurt op diskette zetten.
148
Huiswerk, Algemene opmerkingen
Huiswerk
14.
14.1 Algemene opmerkingen
(a) Veiligheidskopies
We kunnen het niet genoeg herhalen: bij een instrument als de E-96 mag u niet nalaten regelmatig veiligheidskopies van alle belangrijke data te maken. U hebt ze misschien nooit nodig,
maar het zal u als professionele muzikant maar overkomen dat u op het podium (of in de studio) plots uw User Styles, waar u zoveel tijd en zweet in hebt gestoken, niet meer kunt laden
omdat de diskette onleesbaar is geworden.
Een muzikant met een beetje realiteitszin denkt er gewoonweg niet aan te gaan spelen zonder
tenminste één kopie van elke diskette of kaart die hij of zij nodig heeft om op te treden. Zie
“Disk Copy (veiligheidskopies)”.
Vergeet dus niet alle instellingen uit het RAM-geheugen (Performance Memories, MIDI
Sets, en Chord Sequence) op diskette te zetten voordat u “de baan op gaat”. Maak ook steeds
een veiligheidskopie van de veiligheidskopie, zo bent u steeds zeker.
Zorg dat u alle instellingen die u nodig hebt op minstens twee diskettes hebt, die u op
verschillende plaatsen bewaart. Gebeurt er iets met één van deze twee diskettes, maak
dan onmiddellijk een nieuwe kopie van de andere.
Onze excuses als we wat te belerend overkomen, maar we hebben al één en ander meegemaakt... Een glas bier, een helpende hand die de “enige echte” diskette te dicht in de buurt
van een luidspreker legde... Bekijk de data op diskette als uw kapitaal, dat wilt u toch ook zo
goed mogelijk beschermen?
(b) Schijfbeheer
We kunnen bezwaarlijk vaste regels gaan formuleren omtrent welke data u op welke diskette
moet bewaren, maar we raden u aan minstens twee sets diskettes te gebruiken: één voor uw
Recorder songs en een andere v oor alle instellingen (Performance Memories, MIDI Sets,
User Styles, Chord Sequences).
14.2 Disk Copy (veiligheidskopies)
WAARSCHUWING: De Disk Copy functie maakt gebruik van het User Style RAM
geheugen en wist alle User Styles die zich in het interne geheugen van de E-96 bevinden.
Voordat u Disk Copy gebruikt, moet u dus alle User Styles op diskette opslaan, als u dat
al niet gedaan hebt (zie blz. 112).
Disk Copy kopieert alle bestanden van de Source (bron) diskette (zie hieronder) naar de Destination (bestemming) diskette.
(1) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(2) Houd [SHIFT] ingedrukt terwijl u op [F3] (Copy) drukt.
(3) Druk op [PAGE] ▼ om het Disk niveau te kiezen.
149
E-96 Gebruikshandleiding
Opmerking: De E-96 biedt ook een Song Copy functie waarmee u Standard MIDI Files of Recorder songs naar
een andere diskette kunt kopiëren. Als u dit wilt doen moet u het Disk\Song\Copy niveau kiezen.
We herhalen nog even dat alle User Styles die op dit moment in het interne geheugen zitten
gewist worden.
(4) Druk op Part Select [UPPER2] (Proceed) om de volgende pagina te kiezen:
Deze prompt vraagt u de originele (of Source) diskette in de drive te steken. Zoals de prompt
suggereert, schakelt u best eerst de schrijfbeveiliging (Write Protect) van deze diskette in.
(5) Steek de originele (Source) diskette in de drive.
(6) Druk op Part Select [LOWER] om het eerste datablok van de Source diskette te laden.
Bedenkt u nu dat u toch geen diskettes wilt kopiëren, druk dan op Part Select [UPPER1]
(Abort) in plaats van op Part Select [LOWER]. Als u op Part Select [LOWER] drukt, ziet het
display er nu als volgt uit:
De E-96 laadt met andere woorden het eerste deel van de data. Deze melding kunt u verschillende keren te zien krijgen, afhankelijk van het aantal bestanden op diskette.
Zodra het eerste datablok is geladen, meldt het display:
Deze prompt vraagt u een lege diskette in de drive te steken. Op die diskette komt de kopie
van de originele data terecht, vandaar noemen we ze de Destination Disk (bestemmingsdiskette). Als de diskette nog niet is geformateerd, krijgt u alsnog de kans om dat te doen.
Opmerking: Gebruik steeds een lege Destination diskette want alle data op deze Destination diskette worden
gewist.
(7) Verwijder de Source diskette uit de drive en steek de Destination diskette in.
(8) Druk op Part Select [LOWER] (Execute) om de data naar de Destination diskette te
kopiëren.
Bedenkt u nu dat u toch geen diskettes wilt kopiëren, druk dan op Part Select [UPPER1]
(Abort) in plaats van op Part Select [LOWER]. Als u op Part Select [LOWER] drukt, ziet het
display er als volgt uit:
Zoals we reeds zeiden kunt u nu opnieuw de Insert Destination Disk prompt te zien krijgen.
Zo ja...
150
Huiswerk, Bestanden op diskette een nieuwe naam geven
(9) Haal de Destination diskette uit de drive en ga verder met stap (5) tot het display u vertelt:
Het display keert nu terug naar het Disk\Copy niveau.
(10) Druk op [F5] (Exit) om terug te keren naar de Master pagina.
Opmerking: Terwijl de Disk Copy functie zijn werk doet, kunt u rustig verder spelen.
14.3 Bestanden op diskette een nieuwe naam geven
Met de Rename functie van de E-96 kunt u de naam veranderen van een User Style, User
Style Set, MIDI Set, of Song die reeds op diskette staat. Hier krijgt u misschien behoefte aan
als de bestaande naam u weinig vertelt over de inhoud van het bestand, of als u met een
bestand zit opgescheept dat dezelfde naam draagt, maar andere data bevat.
(1) Steek de diskette met het bestand dat u een nieuwe naam wilt geven in de drive.
Als het wisbeveiligingsnokje op PROTECT staat, zet u het nu in de WRITE stand.
(2) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(3) Druk op [F3] (Rname).
(4) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen het bestandtype te kiezen waaraan u een nieuwe
naam wilt geven: User Style, User Style Set, Performance Set, MIDI Set, Chord Sequence, Song, of Song Set.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het bestand waaraan u een nieuwe naam
wilt geven.
Plaats de cursor op de naam van het bestand zodat die wit-op-blauw wordt afgebeeld.
Als u een Music Style of een Song kiest moet u op Part Select [UPPER2] (Proceed) drukken
voor u de naam van het bestand kunt veranderen.
(6) Kies met de [LOWER/NUMBER] draaiknop een karakterpositie en met de [UPPER/
VARIATION] draaiknop het karakter dat u op die plaats wilt zetten.
User Styles en Songs kunt u twee namen geven: de Style/Song Name, en de File
Name. De File Name krijgt u te zien als u de dir functie op een MS-DOS® computer
gebruikt (alle E-96 diskettes zijn MS-DOS® compatibel), terwijl u de Style/Song Name op
de respectievelijke display-pagina's te zien krijgt. Voor de geïnteresseerden, dit tweede soort
namen noemen we “meta-text events”, deze kunnen enkel door de E-96 worden gelezen. De
File Name is belangrijker dan de Style/Song Name omdat de File Name op diskette terechtkomt. De File Name kan uit maximum 8 karakters bestaan.
(7) Druk op Part Select [M.DRUMS] (Execute) om de nieuwe naam vast te leggen.
Als de nieuwe naam reeds op diskette bestaat, waarschuwt het display u:
U kunt uw naam behouden maar dat betekent wel dat het bestand met dezelfde naam wordt
gewist. Mag dat, dan drukt u op Part Select [M.DRUMS] (Replace). Anders drukt u op Part
Select [UPPER2] (Exit) om een andere naam te specifiëren.
151
E-96 Gebruikshandleiding
Als de naam nog niet op de huidige diskette bestaat, voert het display de Rename functie uit:
(8) Zoals steeds kunt u op [F5] (Exit) drukken om terug te keren naar de Master pagina,
terwijl de E-96 zich onledig houdt met de Rename operatie.
14.4 Bestanden op diskette wissen
Als u bestanden van een diskette wist, bent u ze uiteraard kwijt (voor zover u ze nergens
anders hebt opgeslagen). Het hoeft hopelijk weinig betoog dat u dus even moet nadenken
voor u deze functie gebruikt, omdat er geen Undo of Recall functie bestaat. Soms moet u echter bestanden wissen om plaats te maken voor nieuwe bestanden. Zorg toch maar dat u minstens één veiligheidskopie hebt van het bestand dat u gaat wissen, u weet maar nooit...
(1) Steek de diskette met het bestand dat u gaat wissen in de drive.
Als het wisbeveiligingsnokje op PROTECT staat zet u het eerst in de WRITE stand.
(2) Druk, op de Master pagina, op [F5] (Disk).
(3) Druk op [F4] (Dlete).
(4) Kies met de [PAGE] ▲/▼ knoppen het bestandtype dat u wilt wissen: User Style, User
Style Set, Performance Set, MIDI Set, Chord Sequence, Song, of Song Set.
(5) Kies met de [ACCOMP/GROUP] draaiknop het bestand dat u wilt wissen.
Plaats de cursor op de naam van het bestand zodat die in wit-op-blauw wordt afgebeeld.
(6) Druk op Part Select [LOWER] (Execute) om het gekozen bestand of de Set te wissen:
(7) Zoals steeds kunt u op [F5] (Exit) drukken om terug te keren naar de Master pagina,
terwijl de E-96 rustig verderwist.
14.5 E-96 initialiseren (fabrieksinstellingen laden)
Als u een tijdje intensief met uw E-96 hebt gewerkt, wilt u misschien de originele fabrieksinstellingen nog eens laden. Dit is trouwens niet altijd nodig, in veel gevallen volstaat het dat u
de Performance 00 FreePanl oproept (zie blz. 59). Als u de E-96 initialiseert, worden alle Performance Memory, Chord Sequence en MIDI Set instellingen vervangen door de originele
instellingen.
De E-96 initialiseren gaat als volgt:
152
Huiswerk, E-96 initialiseren (fabrieksinstellingen laden)
(1) Schakel uw E-96 uit.
(2) Houd de [WRITE] knop ingedrukt terwijl u de E-96 weer inschakelt.
Zodra de originele fabrieksinstellingen zijn geladen, meldt het display:
Tot zover de Gebruikshandleiding. We hopen dat u nu een duidelijk beeld hebt van de mogelijkheden van uw E-96. Gebruik de index als u functies wilt opzoeken waarover u meer wilt
weten en lees vooral het Referentiehandboek voor details over de functies van de E-96.
Veel plezier!
153
E-96 Gebruikshandleiding
Overzicht
van
de
Tones
15.
Piano
Bass
Pg#
CC0#
Tone Name
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A11
1
00
Piano 1
08
16
Piano 1w
Piano 1d
00
08
00
08
00
08
00
08
16
24
00
08
16
00
08
16
24
00
Piano 2
Piano 2w
Piano 3
Piano 3w
Honky-tonk
Honky-tonk w
E.Piano 1
Detuned EP 1
E.Piano 1v
60’s E.Piano
E.Piano 2
Detuned EP 2
E.Piano 2v
Harpsichord
Coupled Hps.
Harpsi.w
Harpsi.o
Clav.
A51
A52
A53
A54
A55
A56
A57
A571
A572
A58
A581
A582
A583
33
34
35
36
37
38
39
00
00
00
00
00
00
00
01
08
00
01
08
16
Acoustic Bs.
Fingered Bs.
Picked Bs
Fretless Bs.
Slap Bass 1
Slap Bass 2
Synth Bass 1
SynthBass101
Synth Bass 3
Synth Bass 2
Synth Bass 201
Synth Bass 4
Rubber Bass
B21
B22
B23
B24
B25
B26
B27
B28
73
74
75
76
77
78
79
80
00
00
00
00
00
00
00
00
Piccolo
Flute
Recorder
Pan Flute
Bottle Blow
Shakuhachi
Whistle
Ocarina
B71
B72
B73
B74
B741
B75
B751
B76
B761
B77
B771
B772
B78
113
114
115
116
120
00
00
00
00
08
00
08
00
08
00
08
09
00
Tinkle Bell
Agogo
Steel Drums
Woodblock
Castanets
Taiko
Concert BD
Melo. Tom 1
Melo. Tom 2
Synth Drum
808 Tom
Elec Perc
Reverse Cym.
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
B81
B811
B812
B82
B821
B83
B831
B832
B833
B834
B835
B84
B841
B842
B843
B85
B851
B852
B853
B854
B855
B86
B861
B862
B863
B864
B865
B866
B867
B868
B869
B87
B871
B872
B873
B874
B875
B88
B881
B882
B883
121
00
01
02
00
01
00
01
02
03
04
05
00
01
02
03
00
01
02
03
04
05
00
01
02
03
04
05
06
07
08
09
00
01
02
03
04
05
00
01
02
03
Gt.FretNoise
Gt.Cut Noise
String Slap
Breath Noise
Fl.Key Click
Seashore
Rain
Thunder
Wind
Stream
Bubble
Bird
Dog
Horse-Gallop
Bird 2
Telephone 1
Telephone 2
DoorCreaking
Door
Scratch
Windchime
Helicopter
Car-Engine
Car-Stop
Car-Pass
Car-Crash
Siren
Train
Jetplane
Starship
Burst Noise
Applause
Laughing
Screaming
Punch
Heart Beat
Footsteps
Gun Shot
Machine Gun
Lasergun
Explosion
A111
A112
A12
A121
A13
A131
A14
A141
A15
A151
A152
A153
A16
A161
A162
A17
A171
A172
A173
A18
2
3
4
5
6
7
8
Chr Perc.
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A21
A22
A23
A24
A241
A25
A251
A26
A27
A271
A272
A28
9
10
11
12
00
00
00
00
08
00
08
00
00
08
09
00
Celesta
Glockenspiel
Music Box
Vibraphone
Vib.w
Marimba
Marimba w
Xylophone
Tubular-bell
Church Bell
Carillon
Santur
13
14
15
16
Organ
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A31
A311
A312
A313
A314
A315
A316
A317
A318
A32
A321
A322
A323
A33
A34
A341
A342
A35
A36
A361
A37
A371
A38
17
00
01
08
09
16
17
18
32
33
00
01
08
32
00
00
08
16
00
00
08
00
01
00
Organ 1
Detuned Or.1
60’s Organ 1
Organ 109
60’s Organ 1
60’s Organ 2
60’s Organ 3
Organ 4
Even Bars
Organ 2
Organ 201
Detuned Or. 2
Organ 5
Organ 3
Church Org.1
Church Org.2
Church Org.3
Reed Organ
Accordion Fr
Accordion It
Harmonica
Harmonica 2
Bandoneon
18
19
20
21
22
23
24
Guitar
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A41
A411
A412
A413
A414
A42
A421
A422
A423
A424
A43
A431
A44
A441
A45
A451
A452
A46
A47
A471
A48
A481
A482
25
00
08
16
24
32
00
08
09
16
32
00
08
00
08
00
08
16
00
00
08
00
08
16
Nylon-str.Gt
Ukulele
Nylon Gt.o
Velo Harmnix
Nylon Gt.2
Steel-str.Gt
12-str.Gt
Nylon + Steel
Mandolin
Steel-strGt2
Jazz Gt.
Hawaiian Gt.
Clean Gt
Chorus Gt.
Muted Gt.
Funk Gt.
Funk Gt.2
Overdrive Gt1
DistortionGt1
Feedback Gt.
Gt.Harmonics
Gt. Feedback
AcGt.Harmnx
26
27
28
29
30
31
32
Tone# = Group / Bank / Number / Variation
Bold: Capital Tones
154
Percussive
Pipe
Tone #
40
117
118
119
Synth Lead
Strings & orch.
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A61
A611
A62
A63
A64
A65
A66
A67
A68
41
00
08
00
00
00
00
00
00
00
Violin
Slow Violin
Viola
Cello
Contrabass
Tremolo Str
PizzicatoStr
Harp
Timpani
42
43
44
45
46
47
48
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
B31
B311
B312
B32
B321
B322
B33
B34
B35
B36
B37
B38
81
00
01
08
00
01
08
00
00
00
00
00
00
Square Wave
Square
Sine Wave
Saw Wave
Saw
Doctor Solo
Syn.Calliope
Chiffer Lead
Charang
Solo Vox
5th Saw Wave
Bass & Lead
82
83
84
85
86
87
88
Ensemble
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
A71
A711
A72
A73
A731
A74
A75
A751
A76
A77
A78
49
00
08
00
00
08
00
00
32
00
00
00
Strings
Orchestra
Slow Strings
Syn.Strings1
Syn.Strings3
Syn.Strings2
Choir Aahs
Choir Aahs 2
Voice Oohs
SynVox
OrchestraHit
50
51
52
53
54
55
56
Synth Pad
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
B41
B42
B43
B44
B45
B46
B47
B48
89
90
91
92
93
94
95
96
00
00
00
00
00
00
00
00
Fantasia
Warm Pad
Polysynth
Space Voice
Bowed Glass
Metal Pad
Halo Pad
Sweep Pad
Brass
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
Synth Sfx
A81
A811
A82
A821
A83
A84
A85
A851
A86
A861
A87
A871
A872
A88
A881
A882
57
00
01
00
01
00
00
00
01
00
08
00
08
16
00
08
16
Trumpet
Trumpet 2
Trombone
Trombone 2
Tuba
MutedTrumpet
French Horn
French Horn 2
Brass 1
Brass 2
Synth Brass1
Synth Brass3
AnalogBrass1
Synth Brass2
Synth Brass4
Analog Brass 2
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
B51
B52
B53
B531
B54
B55
B56
B57
B571
B572
B58
97
98
99
00
00
00
01
00
00
00
00
01
02
00
Ice Rain
Soundtrack
Crystal
Syn Mallet
Atmosphere
Brightness
Goblin
Echo Drops
Echo Bell
Echo Pan
Star Theme
CC0#
Tone Name
58
59
60
61
62
63
64
B11
B12
B121
B13
B131
B14
B15
B16
B17
B18
Pg#
65
66
67
68
69
70
71
72.
104
122
123
124
125
126
127
128
Ethnic Misc
Reed
Tone #
100
101
102
103
Sfx
00
00
08
00
08
00
00
00
00
00
Soprano Sax
Alto Sax
Sax 1
Tenor Sax
Sax 2
Baritone Sax
Oboe
English Horn
Bassoon
Clarinet
Tone #
Pg#
CC0#
Tone Name
B61
B611
B62
B63
B64
B641
B65
B66
B67
B68
105
00
01
00
00
00
08
00
00
00
00
Sitar
Sitar 2
Banjo
Shamisen
Koto
Taisho Koto
Kalimba
Bag Pipe
Fiddle
Shanai
Pg# = MIDI Program Change Number (1-128)
106
107
108
109
110
111
112
DRUM SETS
Drum Set# Pg#
CC0#
Set Name
1
2
3
4
5
6
7
8
00
00
00
00
00
00
00
00
Standard
Room
Power
Electronic
TR-808
Brush
Orchestra
SFX
1
9
17
25
26
41
49
57
CC0#= MIDI Control Change 0 , value (0-127)
Index
Index
16.
A
A. Bass, 37
A. Drums, 37
Aanslag
Gevoeligheid, 92, 94
MIDI, 145
Schakelaar, 94
Veranderen, 129
Aansluitingen, 10
Absolute, 143
AC(companiment), 37
Acc, 51, 90
Achterpaneel, 15
Advanced, 41
Afsnijfrequentie, 86
Aftel, 70
Akkoordfamilies, 91
Akkoordherkenningsgebied, 38
Akkoordsequencer, 63
All, 34, 59
Song, 11, 69
Alteration, 92
Arabische toonladders, 97
Arr, 52, 82
Arranger, 36
Aanslaggevoeligheid, 92
Chord mode, 39
Hold, 40
Instellingen, 90
Note To, 63
Tone keuze, 52
Assign Left/Right, 38
Asterisk, 110
Attack, 87
Auto Tempo, 51
Autoload, 48
B
Backup, 149
Balans, 76
Secties, 78
Bank, 28
Basic, 41
Basic kanaal, 139
Begeleiding, 36
Bovengrens, 143
Break Mute, 45
C
Change
Gate Time, 129
Velocity, 129
Chord
Family Assign, 91
Herkenningsgebied, 38
Sequencer, 63
Chorus, 80, 121
Coarse, 88
Contrast, 16
Controlecommando's, 119
Controllers, 32
Copy
Bestaande Styles, 115
Mode, 117
Count-In, 70
CPT, 91
Cutoff Freq, 86
D
Decay, 87
Delete, 133
Disk bestanden, 152
Demo Songs, 10
Digitale piano's, 145
Disk
Bestanden wissen, 152
Copy, 149
Formateren, 66
Insteken, 10
Display symbolen, 30
Division, 105
DP-2, 4
Draaiknoppen, 20
Drum
Set, 31
Variation, 44
Drum Set
Keuze (User Stl), 119
Toonhoogte, 121
Dsk, 115
Duur, 129
Dynamic Arranger, 47, 92
E
Edit
Parts, 84
User Style, 119
Effect, 79
Instellingen, 80
Ending, 41, 43
Env
Attack, 87
Decay, 87
Release, 87
Envelope, 86
Erase, 127, 128
Record, 106
Exit, 17
Expressie, 97
Expressiepedaal, 35
Expression, 121
Externe stuurbron, 125
F
Factory Setup, 152
Fade in/out, 46
Faders, 76
Familie, 91
FC-7, 3
Fill
Rit, 90
Rit waarde, 90
Fill In, 42
Rit, 43
Filter, 85, 141
Fine, 88
Flanger, 81
Footswitch
Functies, 93
Formateren, 66
FreePanl, 59
Frontpaneel, 12
Full, 92
Functies, 1
Functietoetsen, 19
G
Gate Time, 129
Geheugenbeveiliging, 57
Geïnverteerd, 21
GM/GS mode, 66
Group, 28
H
Half Bar, 43
High, 94
High Limit, 143
Hold
Arranger, 40
Keyboard Mode, 27
Pedaal, 34
Performance Memory, 61
I
Initialiseren, 152
Insert, 128, 131
Int, 33, 115
Intelligence, 89
Intelligent, 40
Into, 118
Intro, 40, 43
Inversion, 40
Invoegen, 128, 131
J
JS-30, 144
K
Keuze
Music Styles, 47
Performance Memory, 59
Key, 106
Keyboard
Mode, 24
Mode Hold, 27
Scale, 97
Kloon, 105
Knoppen, 20
Kopiëren, 115
Koppelen, Song Parts, 75
L
Laden
Factory Setup, 152
User Style Set, 55
Layer, 24
LCD Contrast, 16
Length, 109
Limit
High/Low, 143
Link, 75
Local, 144
Lock, 51
Loop, 71, 102
Low, 94
Low Limit, 143
Lower, 23
Lus, 71
Lyrics, 70
M
M.Bass, 23
M.Drums, 23, 27
Maatsoort, 108
Majeur, 42
Markers, 71
Master
Pagina, 17
Tune, 35
Max, 94
Medium, 94
Melody Intelligence, 46, 89
Memory Protect, 57
Mengpaneel, 78
Merge, 106
Metronoom, 70, 99, 114
Microscope mode, 129
MIDI, 135
Basic kanaal, 139
Data voor User Stl, 123
Filters, 141
Kanalen, 124, 136
NTA, 139
Ontvangstkanalen, 138
Schakelaar (TX/RX), 141
Set, 146
Shift, 142
Style Select, 140
Synchronisatie, 124, 146
Transpose opties, 33
User Styles programmeren, 123
Velocity, 145
Zendkanaal, 140
Zone, 143
Min, 94
Mineur, 42
Minus One, 72
Mix, 117
Mixer, 78
Mode, 105
Modes, 18
Modulatie, 32, 85
155
E-96 Gebruikshandleiding
Mono(foon), 95
Move (Shift), 129
Music Style, 36
Keuze, 47
Stop, 41
Tempo, 50
Mute
Part, 78
Song Parts, 74
User Style Parts, 113
N
Naam, 57, 68
User Style, 112
Natural, 92
Navigatie, 19
Note To Arranger, 63
NRPN, 136
NTA, 63, 139
00 FreePanl, 59
Number, 28
O
Octave
Up/Down, 34
Ondergrens, 143
One Touch, 45
One-shot, 102
Opname, 67, 106
Chord Sequencer, 63
Opslag
MIDI Set, 146
Performance Memory, 56, 58
User Style Set, 53
User Styles, 53
Opties, 3
Overdoen, 60, 111
Overgangen, 97
Overschrijven, 117
P
Pagina
Op/neer, 21
Schuifbalk, 18
Panorama, 79
Panpot, 79, 121
Param, 59
Part, 105
Balans, 76
Editen, 84
Informatievenster, 18
Mute, 78
Realtime, 23
Select, 21
Pattern, 101
Performance Memory, 56
Hold, 61
Keuze, 59
Naam, 57
Piano Style, 39
Pitch
Drum Set Note, 121
Pitch Bend, 32
Range, 96
Poly(foon), 95
Portamento, 96
Positief, 21
156
Preset tempo, 122
Prf, 31, 52, 82, 87
Q
Quantize, 107, 129
R
Realtime
speelhulpen, 32
Realtime Part
Tones, 28
Realtime Parts, 23
Keuze, 23
Record, 67
Erase, 106
Merge, 106
Mode (User Stl), 106
Recorder, 66
Tempo, 72
Registraties, 56
Relative, 143
Release, 87
Rename
Disk bestanden, 151
Replace, 117
Reset, 70
Arranger, 47
Resonance, 86
Resume, 59
Retry, 60
Reverb, 80, 121
Rit, 43, 90
Fill (waarde), 90
Fill-In, 43
Tempo, 51
Waarde, 90
Ritardando, 90
Rnd, 79
Roffels, 95
Roll, 27
Resolution, 95
RPN, 136
RX
Kanaal, 138
Parts, 136
Rx
Velo, 145
S
Samples, 144
Save
User Style, 112
Scale, 97
Schakelaar, 81
Aanslag, 94
Schuifbalk, 18
Septiem, 42
Set
Song, 99
Shared, 109
Shift, 19, 129
MIDI, 142
Single, 109
SMF, 72
Minus One, 72
Sng, 31, 82, 87
Soft Thru, 145
Solo, 73
Song, 33
Master volume, 74
Naam, 68
Sets, 99
Weergave, 68
Source, 81, 98
Algemeen, 87
Switch, 87
Speelhulpen, 32
Spelen met SMF, 72
Split, 25
Punt, 25
Upper2, 26
Spoor, 101, 105, 110
Standard, 39
Standard MIDI File, 72
Start/Stop, 40
Status, 74, 113
Stemmen, 35, 97
Upper2, 88
Step mode, 131
Stereopositie, 79
Sterretje, 110
Stl Change, 64
Stop
Music Style, 41
Struubron
Extern, 125
Style
Select kanaal, 140
Users programmeren, 101
Style Change, 64
Sustain pedaal, 34
Switch, 81
Synchronisatie, 124, 146
SysEx, 136
T
Tacet, 45
Tap Tempo, 50
Tekst, 70
Tempo, 50, 110
Acc, 51
Auto, 51
Change, 90
Draaischijf, 50
Lock, 51
Preset, 122
Recorder, 72
Rit, 51
Tap, 50
User Style, 110
Venster, 17
Terugspoelen, 70
Time Signature, 108
To Original, 42
To Variation, 42
Toevoegen, noten, 119
Tone
Arranger, 52
Change, 31, 52
Editen, 87
Keuze, 28
Keuze (User Stl), 119
Toonaard, 106
Track, 101, 105, 110
Change Gate Time, 129
Erase, 128
Insert, 128, 131
Quantize, 129
Shift, 129
Transpose, 128
Velocity Change, 129
Transpose, 33, 128
TSign, 108
TVF
Cutoff, 86
Resonance, 86
TX
Kanaal, 140
Octave, 142
Velo, 145
Type, 105
U
Uitgangen, 15
Uitpakken, 3
Upper1/2, 23
Upper2, 88
Upper2 Split, 26
User Style, 101
Autoload, 48
Automatische keuze, 60
Delete, 133
Edit, 119
Edit mode, 126
Keuze, 49
Load, 48
Micro, 129
MIDI-kanalen, 124
Mode keuze, 104
Naam, 112
Opslag, 53
Overdoen, 111
Programmeren, 101
Record mode, 106
Set, 53
Tempo, 110
Via MIDI, 123
Wegschrijven, 112
V
Value, 107
Variation, 29
Drum, 44
Velocity
Switch, 94
Verschuiven, 129
Verwijderen, 127
Vibrato, 85
Voetschakelaar, 93
Volume, 74, 76, 97
Song, 74
Voorspoelen, 70
W
Waarde, 107
Weergave
Chord Sequence, 65
Song, 68
Weergavelus, 71
Index
Wegschrijven
MIDI Set, 147
Whole
Left, 23
Right, 23
Wissen, 133, 152
Wrap, 92
Write
Performance Memory, 58
157
E-96 Gebruikshandleiding
158