HANDLEIDING
Bedankt voor en gefeliciteerd met uw aankoop van de Percussion Sound Module
TD-8 van Roland.
Lees, alvorens de TD-8 te gebruiken, de hoofdstukken “Veilig gebruik van
de TD-8” op blz. 2 en “Belangrijke opmerkingen” op blz. 4 door. Daar vindt
u alle belangrijke informatie over het juiste gebruik van de TD-8 en wat u
wel en niet mag doen. Bovendien verdient het natuurlijk aanbeveling om
ook de rest van deze handleiding te lezen om echt alle functies (op de juiste
manier) te leren kennen. Bewaar deze handleiding op een veilige plaats op,
omdat u ze beslist nog eens nodig hebt.
* Alle in deze handleiding vermelde productnamen zijn handelsmerken of geregistreerde
handelsmerken van de betreffende bedrijven.
Copyright © 1999 ROLAND CORPORATION
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze handleiding mag, in welke vorm
dan ook, openbaar worden gemaakt of gereproduceerd zonder de schriftelijke
toestemming van ROLAND CORPORATION.
Veilig gebruik van de TD-8
INSTRUCTIES VOOR HET VOORKOMEN VAN BRAND, ELEKTRISCHE SCHOKKEN EN VERWONDINGEN
Over de
VOORZICHTIG
VOORZICHTIG
en
LET OP
labels
Over de symbolen
Een driehoek maakt de gebruiker attent op belangrijke
instructies of waarschuwingen. De juiste betekenis van het
symbool wordt bepaald door de tekening in de driehoek. Het
links getoonde symbool wordt gebruikt voor algemene
waarschuwingen of om de aandacht te vestigen op gevaar.
Wijst de gebruiker op het risico op
dodelijke ongevallen of zware verwondingen als gevolg van een fout
gebruik van dit apparaat.
Het foute gebruik van dit apparaat kan
leiden tot verwondingen en of materi le
schade.
LET OP!
Dit symbool maakt de gebruiker attent op dingen die nooit
mogen worden uitgevoerd. Wat nooit mag worden gedaan
wordt aangegeven door de tekening in de cirkel. Het links
getoonde symbool wordt gebruikt om aan te geven dat het
toestel nooit uit elkaar mag worden gehaald.
* "Materi le" schade heeft betrekking op
het beschadigen van het meubilair of
andere huishoudelijke voorwerpen
evenals huisdieren enz.
Dit symbool maakt de gebruiker attent op dingen die moeten
worden uitgevoerd. Wat er moet worden gedaan wordt
aangegeven door de tekening in de cirkel. Het links getoonde
symbool betekent dat de stekker van het stroomsnoer van de
uitgang moet worden losgekoppeld.
HOUD ALTIJD HET VOLGENDE IN DE GATEN
006
VOORZICHTIG
001
• Lees eerst de volgende punten door en gebruik
dan pas uw TD-8. Zo bent u er zeker van dat u
hem op de juiste manier bedient.
..........................................................................................................
• Open nooit de behuizing van de TD-8 of van de
bijgeleverde adapter.
..........................................................................................................
003
• Probeer nooit de TD-8 zelf te herstellen (tenzij u in
de handleiding uitdrukkelijke instructies vindt om
dat wél te doen. Laat alle herstellings- en onderhoudswerken over aan een door Roland erkende
technische dienst. Zie de “Information”-pagina.
..........................................................................................................
004
• Zet de TD-8 nooit op plaatsen die de volgende
kenmerken vertonen:
• Plaatsen die onderhevig zijn aan sterke temperatuurschommelingen (bv. in het directe zonlicht), in een gesloten auto waar de zon op staat,
in de buurt van een radiator of een airco-kanaal,
op een warmtebron (stoof e.d.).
• Op vochtige plaatsen (badkamer, wasruimte, op
de natte grond, in de de regen e.d.)
• Op bijzonder stoffige plaatsen
• Op plaatsen die onderhevig zijn aan sterke trillingen.
..........................................................................................................
VOORZICHTIG
005
• De TD-8 mag u enkel in een rack schroeven of op
een stand monteren die door Roland uitdrukkelijk
wordt aanbevolen.
..........................................................................................................
2
• Als u de TD-8 in een rack schroeft of op een stand
monteert, moet u deze laatste op een vlak en stabiel oppervlak plaatsen. Het rack en de stand
mogen tijdens het normale gebruik niet verschuiven. De keuze van een veilige opstellimgsplaats
geldt overigens ook voor situaties waarin u de
TD-8 niet gebruikt.
..........................................................................................................
• Gebruik enkel de bij de TD-8 geleverde adapter en
sluit hem uitsluitend aan op een stopcontact dat
beantwoordt aan de gegevens op het merkplaatje
van de adapter. Andere adapters hebben een
andere polariteit of een ander vermogen. Als u ze
op een verkeerd stopcontact aansluit, werkt de
TD-8 niet of brandt de adapter door.
..........................................................................................................
009
• Beschadig nooit de stroomkabel. Plooi hem niet te
veel, trap er niet op, plaats er geen zware voorwerpen op enz. Een beschadigde kabel kan brand of
elektrokutie veroorzaken. Gebruik nooit een
stroomkabel die reeds beschadigd is.
..........................................................................................................
VOORZICHTIG
010
• Dit apparaat kan hetzij van zich uit, hetzij in combinatie met een externe versterker, voor een volume zorgen dat uw gehoor kan aantasten. Werk
dus nooit lange tijd op een pittig volume of op een
volume dat net aan de pijngrens ligt. Zodra u ook
maar de indruk hebt dat uw gehoor begint te verzwakken, moet u onmiddellijk een oorarts raadplegen.
..........................................................................................................
• Zorg dat er geen kleine voorwerpen (uit metaal,
brandbare stoffen, muntstukken, naalden e.d.) in
het inwendige van de TD-8 terechtkomen. Plaats
nooit glazen, koppen e.d. op de behuizing.
..........................................................................................................
012c
• Verbreek, in de volgende situaties, onmiddellijk
de aansluiting op het lichtnet en neem contact op
met een erkende herstellingsdienst of uw Rolanddealer:
• Als de adapter of het netsnoer zichtbaar beschadigd is.
• Als er een voorwerp of vloeistof in het inwendige van de TD-8 terecht is gekomen.
• Als de TD-8 in de regen heeft gestaan (of op een
andere manier nat is geworden).
• Als de TD-8 niet naar behoren lijkt te werken of
het helemaal niet meer doet.
..........................................................................................................
013
• In gezinnen met kleine kinderen dient een volwassene toezicht te houden tot de kinderen in staat
zijn om dit toestel in overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften te gebruiken.
..........................................................................................................
014
• Bescherm de TD-8 tegen overdreven schokken.
(Laat hem nooit vallen!)
..........................................................................................................
015
• Sluit de stroomkabel van dit apparaat niet samen
met een overdreven aantal andere toestellen aan
op hetzelfde stopcontact. Wees voorzichtig met
verlengsnoeren—het totale vermogen van alle toestellen aangesloten op het verlengsnoer mag nooit
het nominale vermogen (watt/ampère) van het
verlengsnoer overschrijden. Een overdreven belasting kan de isolatie van het snoer doen opwarmen
en zelfs doen doorsmelten.
..........................................................................................................
016
• Alvorens de TD-8 in het buitenland te gebruiken,
neemt u het best contact op met uw Roland-dealer
om te weten te komen welk voltage er in het
betreffende land wordt gehanteerd en of u al dan
niet voor een geschikte stroomvoorziening moet
zorgen.
..........................................................................................................
LET OP
101b
• Plaats de TD-8 en de bijbehorende adapter altijd
zo dat de verluchting van beide niet in het
gedrang wordt gebracht.
..........................................................................................................
102d
• Neem de stroomkabel uitsluitend met de stekker
vast wanneer u hem in een stopcontact of in dit
toestel steekt, of wanneer u hem uittrekt.
..........................................................................................................
103b
• Als u de TD-8 langere tijd niet wenst te gebruiken,
verbreekt u het best de aansluiting van de adapter
op het lichtnet.
..........................................................................................................
104
• Tracht te voorkomen dat kabels en snoeren verstrikt geraken. Houd alle kabels en snoeren buiten
het bereik van kinderen.
..........................................................................................................
106
• Ga nooit op de TD-8 staan en plaats er geen zware
voorwerpen op.
..........................................................................................................
107d
• Neem de adapterkabel of de stekkers nooit vast
met natte handen wanneer u ze in een stopcontact
of in de TD-8 steekt, of wanneer u ze uittrekt.
..........................................................................................................
108b
• Trek de stekker uit het stopcontact en koppel alle
externe apparaten af, alvorens het toestel te verplaatsen.
..........................................................................................................
109b
• Zet de TD-8 uit en trek de stroomkabel uit, alvorens het toestel schoon te maken (blz. 29, 27).
..........................................................................................................
110b
• Trek de stekker uit het stopcontact wanneer u
gevaar voor blikseminslagen vermoedt.
..........................................................................................................
3
Belangrijke opmerkingen
Lees eerst “Veilig gebruik van de TD-8” op blz. 2 en
daarna de volgende punten door om er zeker van te zijn
dat u de TD-8 op de juiste manier gebruikt.
Voeding
• Sluit de TD-8 niet samen met apparaten, die ruis veroorzaken (zoals een elektrische motor of een regelbaar lichtsysteem), op eenzelfde stroomkring aan.
• De adapter wordt na verloop van tijd warm. Dit is normaal.
• Alvorens de TD-8 op andere toestellen aan te sluiten
schakelt u best alle toestellen uit. Zo voorkomt u defecten
en/of schade aan luidsprekers of andere toestellen.
Voeding van het geheugen
• De TD-8 bevat een batterij die de geheugencircuits voedt
wanneer u hem uitschakelt. Wanneer deze batterij te
zwak wordt, verschijnt de onderstaande melding in het
display. Laat dan zo snel mogelijk de batterij vervangen,
om te voorkomen dat u alle data in het geheugen verliest.
Voor het vervangen van de batterij raadpleegt u best uw
handelaar, de Roland-herstellings of een erkende Rolandverdeler (zie de “Informatie”-pagina).
Plaatsing van de TD-8
Bijkomende voorzorgen
• Als u de TD-8 gebruikt nabij een vermogensversterker (of
een ander apparaat met grote transformators), kan er
brom ontstaan. Orienteer de TD-8 dan anders of verwijder hem van de interferentiebron.
• De TD-8 kan de radio- of TV-ontvangst verstoren.
Gebruik hem niet in de nabijheid van dergelijke ontvangers.
• Plaats de TD-8 nooit in het directe zonlicht en laat hem
vooral niet in een gesloten auto liggen waar de zon op
staat. Dat kan namelijk zorgen voor het smelten van de
behuizing of het verkleuren ervan.
• Gebruik de TD-8 niet op een plaats die blootgesteld is aan
de regen, of in een andere vochtige omgeving.
• Gelieve er rekening mee te houden dat de inhoud van het
geheugen onherroepelijk verloren kan gaan ten gevolge
van een defect of het onjuist bedienen van de TD-8. Daarom raden we aan om van belangrijke data regelmatig een
Backup te maken via MIDI.
• Jammer genoeg kan het gebeuren dat de data in het
geheugen van de TD-8 niet meer kunnen worden hersteld
wanneer ze eenmaal gewist zijn. Roland Corporation is
niet aansprakelijk voor zulk dataverlies.
• Ga voorzichtig tewerk wanneer u de knoppen, regelaars
en andere bedieningsorganen, en de aansluitingen van de
TD-8 gebruikt. Ruw omgaan met deze dingen kan defecten veroorzaken.
• Sla of druk nooit op het display.
• Neem bij het aan- en afkoppelen van de kabels steeds de
connector zelf vast – trek nooit aan de kabel. Zo voorkomt u kortsluitingen en schade aan de aders.
• Houd, om uw buren niet te storen, het volume op een
redelijk niveau. U kunt ook een hoofdtelefoon gebruiken
zodat u zich geen zorgen hoeft te maken over de mensen
rondom u (vooral in de late uren).
• Om de TD-8 te transporteren gebruikt u best de oorspronkelijke verpakking (inclusief opvulling). Anders
dient u te zorgen voor een gelijkwaardige verpakking.
• Gebruik een Roland-kabel voor de aansluitingen. Als u
een kabel van een ander merk gebruikt, let dan op het
volgende:
Onderhoud
• Gebruik voor een gewone schoonmaakbeurt een zachte
droge doek of een lichtjes met water bevochtigde doek.
Gebruik voor hardnekkig vuil een doek met een mild,
niet-bijtend schoonmaakmiddel. Veeg de TD-8 nadien
goed af met een zachte droge doek.
• Gebruik nooit benzine, thinner, alcohol of gelijk welk
oplosmiddel om verkleuring of vervorming te voorkomen.
Herstellingen en data
• Gelieve er rekening mee te houden dat alle gegevens in
het geheugen van de TD-8 verloren kunnen gaan, wanneer hij wordt hersteld. Maak van belangrijke data steeds
een Backup via MIDI (door de instellingen te zenden naar
een sequencer), of schrijf ze neer op papier (indien mogelijk). Tijdens de herstelling wordt er grote zorg besteed
aan het voorkomen van dataverlies. In sommige gevallen
(bv. wanneer de geheugencircuits zelf defect zijn) is het
helaas niet mogelijk om de data te recupereren. Roland is
niet aansprakelijk voor dusdanig dataverlies.
4
• Sommige verbindingskabels bevatten weerstanden.
Sluit op de TD-8 geen kabels aan die weerstanden
bevatten. Als u zulke kabels gebruikt, is het mogelijk
dat het geluid niet of nauwelijks hoorbaar is. Voor
meer informatie over de kabels wendt u zich best tot
de fabrikant van de betreffende kabel.
Inhoud
Inhoud
Veilig gebruik van de TD-8 ........................................................................................ 2
Belangrijke opmerkingen .......................................................................................... 4
Over deze handleiding............................................................................................. 10
De TD-8 in een notendop......................................................................................... 11
Beschrijving van de panelen .................................................................................. 13
Frontpaneel................................................................................................................................................ 13
Achterkant ................................................................................................................................................. 15
Algemene bediening ................................................................................................ 17
Opslag van de instellingen .......................................................................................................... 17
Knoppen, Faders en regelaars ..................................................................................................... 17
Cursor ............................................................................................................................................. 17
Functieknoppen ([F1], [F2], [F3]) ................................................................................................ 17
Gebruik van de pop-up menu’s .................................................................................................. 18
[INC/+] & [DEC/–] en de VALUE-schijf gebruiken............................................................... 19
Gebruik van [FADERS] en de GROUP FADERS...................................................................... 19
Pads via het frontpaneel kiezen .................................................................................................. 20
Over de Preset Drum Kits............................................................................................................ 21
Patterns (patronen) ....................................................................................................................... 21
Informatie in het bovenste display-gedeelte............................................................................. 21
Eerste kennismaking .......................................................23
Voordat u eraan begint ............................................................................................ 24
TD-8 op een stand monteren .................................................................................................................. 24
Aansluiten van de pads en de pedalen ................................................................................................. 25
Audio-aansluitingen ................................................................................................................................ 27
Inschakelen ................................................................................................................................................ 28
Luisteren naar de demosongs................................................................................................................. 30
Pads en klanken ....................................................................................................... 32
Instellen welke pads u gebruikt ............................................................................................................. 32
“V-Custom Kit”-instellingen ....................................................................................................... 32
Individuele instellingen voor de pads ....................................................................................... 34
‘Stemmen’ (opspannen) van het vel ........................................................................................... 36
Instellingen controleren ............................................................................................................... 38
Bespelen van de pads............................................................................................................................... 38
Rimshot........................................................................................................................................... 38
Cross Stick ...................................................................................................................................... 39
Met de hand afdempen (Choking) ............................................................................................. 39
‘Positional Sensing’ (positiedetectie).......................................................................................... 39
Spelen met Brushes ....................................................................................................................... 40
HiHat-pedaal (FD-7) ..................................................................................................................... 40
En dan nu aan de slag….......................................................................................... 41
Klanken aansturen.................................................................................................................................... 41
Drum Kits kiezen .......................................................................................................................... 41
Volume regelen ............................................................................................................................. 42
Gevoeligheid van de pads instellen ........................................................................................... 43
5
Inhoud
Metronoom gebruiken: [CLICK]................................................................................................. 44
Effect/Equalizer in- of uitschakelen........................................................................................... 45
Drum Kits wijzigen (“editen”) ................................................................................. 47
Werking van de klankopwekking.......................................................................................................... 47
Drumklanken (instrumenten) kiezen .................................................................................................... 49
Drumklanken editen (V-EDIT)............................................................................................................... 50
Keteldiepte (Shell Depth)............................................................................................................. 50
Velmateriaal (Head Type) en stemmen (Tuning)..................................................................... 51
Demping (Muffling) en snaarspanning (Strainer).................................................................... 53
Ambience: de “plaats” waar uw virtueel drumstel zich bevindt...................................................... 54
Mixer: balans van de instrumenten ...................................................................................................... 56
Master-Equalizer: toonregeling .............................................................................................................. 57
Met begeleiding spelen............................................................................................ 59
Patterns weergeven .................................................................................................................................. 59
Songs weergeven ...................................................................................................................................... 61
Volume van de begeleiding en de metronoom .................................................................................... 62
Drums van de patronen/Songs uitschakelen ...................................................................................... 63
Patronen via de pads starten .................................................................................. 65
Meespelen met GM-Songs ...................................................................................... 66
Referentie .........................................................................67
Hoofdstuk 1: Drum Kit-instellingen........................................................................ 68
Drum Kits kiezen...................................................................................................................................... 68
Naam geven aan een Drum Kit: NAME ............................................................................................... 69
Spelen met Brushes .................................................................................................................................. 69
Pedaalvolume van de HiHat: Pedal HiHat Volume ........................................................................... 70
Effecten in-/uitschakelen ........................................................................................................................ 70
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen ................................................................ 71
Kiezen van de pad .................................................................................................................................... 71
Hangslot: display-pagina’s vergrendelen............................................................................................. 72
Instrumenten kiezen ............................................................................................................................... 72
Editen van de “V”-klanken (V-EDIT).................................................................................................... 73
Keteldiepte (Shell Depth)............................................................................................................. 74
Velmateriaal (Head Type)............................................................................................................ 74
Stemmen van het vel (Tuning) .................................................................................................... 74
Demping van de trommel (Muffling) ........................................................................................ 75
Snaarspanning (Strainer Adj.) ..................................................................................................... 75
Voor alle niet-”V”-klanken: Pitch en Decay ........................................................................................ 75
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen ........................................................... 77
Ambience-effect (galm)............................................................................................................................ 77
Type: plaats waar uw drumstel staat ......................................................................................... 77
Wall: Materiaal van de muren..................................................................................................... 77
Room: grootte van de ruimte ...................................................................................................... 77
Level: volume van het Ambience-effect .................................................................................... 77
Ambience Send Level: effectaandeel van de instrumenten ................................................... 78
Effectaandeel voor de Part-groepen (AMB Group Send Level)............................................. 78
Mixer-instellingen .................................................................................................................................... 80
6
Inhoud
Level: pads met elkaar in balans brengen ................................................................................ 80
Pan: instellen van de stereopositie.............................................................................................. 80
MASTR: Algemeen volume van de Drum Kit .......................................................................... 81
Hoofdstuk 4: Spelen met de metronoom ............................................................... 82
Metronoom aan/uit en -volume ............................................................................................................ 82
Tempo van de metronoom...................................................................................................................... 82
Metronoomklank kiezen (INST)............................................................................................................. 83
Output: uitgang van de metronoom...................................................................................................... 83
Hoofdstuk 5: Werken met patronen ....................................................................... 84
Patronen selecteren .................................................................................................................................. 85
Informatie op de Pattern-pagina................................................................................................. 85
Patronen kiezen uit een lijst......................................................................................................... 86
Patronen volgens categorie kiezen ............................................................................................. 86
Patronen weergeven................................................................................................................................. 86
Tempo instellen ............................................................................................................................. 87
Play Type: weergavemethode voor de patronen ..................................................................... 87
Transponeren van een patroon ................................................................................................... 88
Aftel vóór de patroonweergave (COUNT IN) ..................................................................................... 88
Part selecteren................................................................................................................................ 89
Instrument (klank) kiezen............................................................................................................ 89
Volume, effectaandeel, panorama en buigingsbereik van de Parts....................................... 90
Globaal effectaandeel van de melodische Parts ....................................................................... 90
Instellingen voor de Percussion Set ....................................................................................................... 90
Percussion Set kiezen.................................................................................................................... 90
Volume en effectaandeel van de percussiepartij ...................................................................... 90
Percussion Sets kopiëren.............................................................................................................. 91
Selecteren van het te editen percussie-instrument................................................................... 91
Editen van de percussie-instrumenten ...................................................................................... 92
Uitschakelen van de percussiepartij........................................................................................... 93
Controle van de Part-status op de Pattern- of Song-pagina ................................................... 94
Werkwijze voor de opname......................................................................................................... 95
REC Rehearsal: eerst even oefenen............................................................................................. 96
Realtime Erase: data tijdens de opname wissen ....................................................................... 96
Quantize: timing al tijdens de opname corrigeren................................................................... 97
Count In: opname starten met een aftel..................................................................................... 98
Hit Pad Start: opname door het slaan op een pad starten ...................................................... 98
Data van een sequencer opnemen .............................................................................................. 98
Patronen kopiëren [COPY] .......................................................................................................... 99
MEAS: slechts een aantal maten kopiëren................................................................................. 99
Invoegen van lege maten [INSERT] ......................................................................................... 100
Wissen van patronen (DELETE) ............................................................................................... 101
Maten uit een patroon wissen ................................................................................................... 101
Muziekdata verwijderen (ERASE)............................................................................................ 102
Verwijderen van maten .............................................................................................................. 102
Hoofdstuk 6: Werken met Songs.......................................................................... 105
Songs selecteren ...................................................................................................................................... 105
Over de Song-pagina .................................................................................................................. 105
Songs kiezen uit een lijst ............................................................................................................ 106
Patroon/stap invoegen [INSERT] ............................................................................................ 106
Niet benodigde stappen wissen (DELETE) ............................................................................. 107
Patroon transponeren (TRANSPOSE)...................................................................................... 107
7
Inhoud
Song-tempo instellen .................................................................................................................. 108
Play Type: methode voor de Song-weergave ......................................................................... 109
Lusweergave zonder Play Type te veranderen ...................................................................... 109
Aftel vóór de Song-weergave (COUNT IN)............................................................................ 109
Songs editen ............................................................................................................................................ 109
Songs kopiëren (COPY).............................................................................................................. 109
Initialiseren van een Song (INITIALIZE) ................................................................................ 110
Naam geven aan een Song [NAME].................................................................................................... 110
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen .................................................................... 111
Trigger-type: welke pads gebruikt u? ................................................................................................. 111
‘Basic’ Trigger-parameters .................................................................................................................... 112
‘Advanced’ Trigger-parameters ........................................................................................................... 114
Aansluiten van drumtriggers .................................................................................................... 116
Trigger-type instellen ................................................................................................................. 117
Trigger-parameters ..................................................................................................................... 117
LCD Contrast .......................................................................................................................................... 117
TD-8 stemmen (Master Tune)............................................................................................................... 117
Available (resterende geheugencapaciteit)......................................................................................... 118
Hoofdstuk 8: Andere handige functies ................................................................ 120
Chain: selectievolgorde van de Drum Kits......................................................................................... 120
Chain programmeren ................................................................................................................. 120
Live-gebruik van de Chains ...................................................................................................... 120
Voetschakelaars en pad-schakelfuncties............................................................................................. 121
Patroon via een pad starten (Pad Pattern)............................................................................... 121
Toonhoogte met het HiHat-pedaal bepalen (Pitch CTRL) ................................................... 122
Pads als schakelaars gebruiken (Pad Switch) ......................................................................... 123
Voetschakelaars gebruiken (FOOT SWITCH) ........................................................................ 124
Copy Kit: Drum Kits kopiëren/uitwisselen............................................................................ 126
Copy Inst: instrumenten kopiëren............................................................................................ 126
Copy Mixer: Mixer-instellingen kopiëren ............................................................................... 127
Copy Effect: Studio-instellingen kopiëren............................................................................... 127
Hoofdstuk 9: MIDI-functies.................................................................................... 129
Bulk Dump: instellingen archiveren.................................................................................................... 129
Instellingen naar een MIDI-apparaat zenden ......................................................................... 129
Instellingen weer naar de TD-8 zenden ................................................................................... 130
Device ID: SysEx-adres van de TD-8........................................................................................ 130
Via de pads externe instrumenten aansturen..................................................................................... 131
MIDI-nootnummers voor de pads ........................................................................................... 131
Gate Time .................................................................................................................................... 132
MIDI-kanaal ................................................................................................................................. 132
Gebruik met een SPD-20 (Soft Thru) ................................................................................................... 133
MIDI-kanalen voor de Parts kiezen.......................................................................................... 133
Voorrang voor de drums en de percussie (CH10 Priority)................................................... 133
Local Control ............................................................................................................................... 134
Ontvangst/zenden van programmakeuze-commando’s uitschakelen .............................. 135
Pedal Data Thin: datahoeveelheid van de FD-7 beperken.................................................... 135
Gebruik van de TD-8 als module ......................................................................................................... 136
MIDI-programmanummers voor de Drum Kits .................................................................... 136
Programmanummers voor de Percussion Sets....................................................................... 137
GM-mode activeren .................................................................................................................... 138
Vorkomen dat de TD-8 de GM-mode selecteert (RX GM On) ............................................. 138
8
Inhoud
Werken met GM-data ................................................................................................................. 139
MIDI-commando’s voor de specifieke TD-8-functies ....................................................................... 140
Commando’s voor het HiHat-pedaal....................................................................................... 140
Zone CC: Positional Sensing-commando’s ............................................................................. 140
Synchronisatie met een extern MIDI-instrument .............................................................................. 141
Appendix ........................................................................143
Verhelpen van storingen ....................................................................................... 144
Oproepen van de fabrieksinstellingen ................................................................. 148
Factory Reset: alle functies initialiseren .............................................................................................. 148
Drum Kit-, instrument, Mixer- of effectinstellingen initialiseren (Copy) ...................................... 148
Boodschappen en foutmeldingen ........................................................................ 149
Foutmeldingen........................................................................................................................................ 149
Over MIDI ................................................................................................................ 151
Preset Drum Kits .................................................................................................... 153
Overzicht van de drumklanken ............................................................................. 154
Preset Percussion Sets ......................................................................................... 158
Overzicht van de melodische klanken ................................................................. 160
Preset-patronen...................................................................................................... 162
Parameteroverzicht................................................................................................ 166
MIDI-implementatie ................................................................................................ 174
Specificaties ........................................................................................................... 177
Index........................................................................................................................ 178
9
Eerste kennismaking
Over deze handleiding
Deze handleiding is als volgt ingedeeld:
Eerste kennismaking
In dit deel vindt u alles wat u moet weten om met de TD-8 te kunnen werken. Meer bepaald gaat
het om een eerste kennismaking met de module, de pads enz. en een voorstelling van de belangrijkste functies. Lees “Eerste kennismaking” volledig door, omdat u dan het snelst begrijpt wat u
allemaal met de TD-8 kunt doen – en vooral hoe u dat aan boord moet leggen.
Referentie
Hier worden alle functies van de TD-8 één voor één voorgesteld. Om het zo overzichtelijk mogelijk
te houden, is dit deel in verschillende hoofdstukken onderverdeeld. Maar let wel: de basisbeginselen (indrukken van knoppen, instellen van waarden enz.) worden onder “Eerste kennismaking”
beschreven.
Hoofdstuk 1~3: Functies voor het programmeren van klanken
In deze hoofdstukken vindt u een gedetailleerde beschrijving van de functies waarover u beschikt
om zelf klanken te programmeren. Dit is dus het “logische vervolg” op “Eerste kennismaking”.
Hoofdstuk 4~6: Gebruik van de sequencer en de bijbehorende functies
Referentie
U raadt het al: hier komt u te weten hoe u met de interne sequencer van de TD-8 kunt werken, wat
patronen en Songs zijn, hoe u de metronoom (Click) instelt en hoe u zelf patronen en Songs programmeert.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
In dit hoofdstuk vindt u een beschrijving van de functies die voor alle secties (met name de klankbron) gelden.
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Hier komt u te weten hoe de kopieerfuncties en andere parameters gebruikt, die u veel tijd helpen
besparen.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd welke MIDI-functies de TD-8 aan boord heeft en hoe u ze kunt
gebruiken. Hierbij horen o.a. het gebruik van de TD-8 als klankbron (module) en het opslaan van
uw instellingen via MIDI.
Appendix
Appendix
Omdat het niet uitgesloten is dat u soms iets vergeet te doen of iets teveel doet, vindt u hier de
hoofdstukken “Verhelpen van storingen” en “Boodschappen en foutmeldingen”. Het eerste hoofdstuk toont u hoe u vermeende storingen de wereld uit kunt helpen, terwijl het tweede hoofdstuk
een overzicht van de display-meldingen en foutmeldingen bevat. Bovendien bevat dit deel natuurlijk een gedetailleerd overzicht van alle MIDI-functies en klanken die de TD-8 rijk is.
In deze handleiding vindt u talrijke afbeeldingen van het display. Houd er rekening mee
dat de afbeeldingen niet altijd overeenkomen met wat u op uw TD-8 ziet. Dat betekent
echter niet dat de informatie in deze handleiding fout is c.q. dat uw TD-8 niet naar behoren werkt.
10
De TD-8 in een notendop
De TD-8 in een notendop
“Variable Drum Modeling”-klankopwekking
V-Edit: Maak klanken zoals u dat op een akoestisch drumstel zou doen (blz. 50, 73)
Dankzij de V-Edit-functies kunt u nieuwe drumklanken programmeren zoals u dat op een akoestisch drumstel zou doen: u kunt bv. het benodigde velmateriaal kiezen, dat dan naar wens stemmen en tenslotte bepalen hoe sterk het moet worden gedempt.
“Positional Sensing” (blz. 39)
Als u één van de volgende pads als Snare gebruikt, weet de TD-8 precies op welke plaats uw stokken de pad raken. Dat is van groot belang voor het uiteindelijke geluid. De pads, die deze functie
ondersteunen, zijn: PD-7, PD-9, PD-80, PD-80R, PD-100 en PD-120.
U kunt ook met Brushes spelen (blz. 40)
Door gebruik te maken van PD-80, PD-80R, PD-100 en/of PD-120 pads kunt u zelfs Brushes (“borstels”) gebruiken, wat met name voor jazzy muziek van belang is.
OPGELET
Gebruik uitsluitend Nylon-Brushes. Met stalen Brushes kunt u namelijk het vel beschadigen of zelfs doorboren, wat natuurlijk jammer zou zijn.
“Cross Stick” (gesloten Rimshots) eveneens mogelijk (blz. 39)
Wanneer u met PD-80 of PD-120 pads werkt, kunt u ook de Cross Stick-techniek hanteren.
De op de TRIGGER INPUT3 (SNARE)-ingang aangesloten pad kan theoretisch (als hij dat
tenminste toelaat) zelfs informatie doorseinen i.v.m. de plaats waar u de Cross Stick
speelt.
Het HiHat-pedaal kan worden gebruikt om de toonhoogte te veranderen (blz. 122)
Als u voor een bepaald nummer geen HiHat-pedaal nodig hebt, kunt u de betreffende controller
voor het beïnvloeden van de toonhoogte voor de klanken van de overige pads gebruiken.
Verrassend groot aantal klanken
De TD-8 bevat een indrukwekkend aantal geluiden en is dus geschikt voor zo goed als elk muzikaal genre: er zijn 1024 drumklanken en maar liefst 262 melodische geluiden.
Werkt handig, is duidelijk, doet wat je wil
Het display van de TD-8 is ruim bemeten, zodat u niet alleen de benodigde parameters ziet, maar
er bovendien een informatieve grafiek bij te zien krijgt. Op die manier blijft u dus “functioneren”
als muzikant i.p.v. techneut.
Perfect afgestemd op het “snelle werk”
Group Faders (blz. 19)
Op het frontpaneel vindt u een aantal schuifregelaars (“Faders”) waarmee u het volume van verschillende instrumentgroepen kunt veranderen. Handig voor optredens en in de studio.
Drum Kit Chain
Dit is een functie die toelaat om vóór het concert de volgorde in te stellen waarin u de Drum Kits
gaat selecteren. Op die manier hoeft u de Kits dus niet in “chronologische volgorde” in het geheugen op te slaan (blz. 120).
11
De TD-8 in een notendop
Grote [INC/+]- en [DEC/–]-knoppen
Deze knoppen zijn opzettelijk groot, zodat u ze ook met uw drumstokken kunt indrukken. Wees
echter voorzichtig, want dit zijn knoppen (en geen pads…).
Aanstuurbaar via pads, Kick Triggers, FD-7 en drumtriggers (blz. 34, 117)
Zoals de benaming “80” van de PD-80, PD-80R (pad) en KD-80 (Kick Trigger) al zegt, passen deze
perfect bij de TD-8. Maar u kunt ook gebruik maken van de volgende pads van Roland: PD-5, PD-7,
PD-9, PD-100 en PD-120, KD-5, KD-7 en KD-120. Verder kunt u er een HiHat-controller (FD-7) op
aansluiten. In theorie zou u maximaal 12 elektronische “Triggers” kunnen gebruiken.
Een sequencer voor muzikanten
Het aantal voorgeprogrammeerde patronen is al overweldigend (blz. 59, 85), maar u kunt er ook
zelf programmeren.
Songs maakt u door de volgorde van de patronen te bepalen (blz. 106)
Voor het instuderen van ritmische figuren is het natuurlijk handig om met opgenomen patronen
mee te spelen. Handig in dit verband is dat u de instrumenten, die u zelf wilt spelen, kunt uitschakelen. Bovendien kan de sequencer van de TD-8 meer dan alleen maar drummen, zodat u ook een
inspirerende “Song” (in de letterlijke betekenis van het woord) als begeleiding kunt gebruiken.
Natuurlijk kunt u ook eigen patronen programmeren.
Als u de Brush- of Swish-/Sweep-partijen ook graag opneemt, moet u de Brush Kit
“MIDIbrsh” kiezen. Die laat namelijk toe om MIDI-data op te nemen.
Ondersteunt General MIDI (blz. 138)
Eén mode van de TD-8 is speciaal afgestemd op de weergave van General MIDI-data afkomstig
van een externe Standard MIDI File.
In deze mode vindt u bovendien een functie die toelaat om enkel die partijen uit te schakelen die
u zelf wilt spelen. Dat is bijzonder handig wanneer u een nummer op diskette als basis voor uw
oefenwerk of drumsolo’s wilt gebruiken.
General MIDI System
General MIDI System is een reeks regels die helpen voorkomen dat elke
fabrikant zijn eigen klankindeling hanteert. De klankopwekking zelf
wordt ook onder GM overgelaten aan de fabrikanten, maar op het MIDIvlak zijn er wel heel wat dingen, die kunnen worden uitgewisseld. Het
belangrijkste aspect van deze compatibiliteit is dat alle General MIDIinstrumenten vergelijkbare klanken bevatten, die bovendien hetzelfde
adres (lees noot- en/of programmanummer) hebben. Als u dus muziekdata met het General MIDI-logo (
) afspeelt, is het vrijwel zeker dat
de baspartij ook door een bas (i.p.v. een piccolo) wordt gespeeld enz.
12
Beschrijving van de panelen
Beschrijving van de panelen
v
Frontpaneel
A Trigger-indicator
• Deze indicator licht op wanneer u op een pad slaat die
u op een ingang van de TD-8 hebt aangesloten. Op die
manier weet u meteen dat de signalen naar behoren
worden verzonden (pads) en ontvangen (TD-8).
• Bovendien licht deze indicator op wanneer de TD-8 via
zijn MIDI IN-aansluitingen commando’s van een ander
apparaat ontvangt.
• Ook wanneer u op de [PREVIEW]-knop drukt, licht
deze indicator op.
B LED-display
Hier verschijnt het nummer van de momenteel gekozen Drum Kit.
C Grafisch display
Dit display beeldt zowel grafieken als tekst en waarden
af en houdt u op die manier o.a. op de hoogte van de
naam van de momenteel gekozen Drum Kit, het
patroon of de Song. Ook de instellingen van de parameters worden hier afgebeeld.
In het bovenste gedeelte van het display ziet u telkens
het nummer van de Trigger-ingang, het Pattern- of
Song-nummer of een maataanduiding.
D CHAIN-knop
Druk op deze knop om de Drum Kit Chain-instellingen
te editen en te gebruiken. Hiermee kunt u de Drum
Kits in de juiste volgorde plaatsen, wat handig is voor
concerten (blz. 120).
E [F1]-, [F2]-, [F3]-knoppen
De functie van deze knoppen verschilt naar gelang de
overige functies en parameters die op dat moment in
het display worden afgebeeld. Om u niet onnodig te
verwarren wordt de functie van deze knoppen telkens
in de onderste display-regel afgebeeld (blz. 17).
F EXIT-knop
Door op deze knop te drukken keert u telkens naar het
voorafgaande “display-niveau” terug. Als u deze knop
verschillende keren indrukt, keert u weer terug naar de
display-pagina die “DRUM KIT”, “CHAIN”, “PATTERN” of “SONG” heet (in dit geval licht de indicator
van [DRUM KIT], [KIT] en [CHAIN], [PATTERN] of
[SONG] op).
G GROUP FADERS
Hiermee kunt u het volume van de basdrum (Kick),
Snare, HiHat, toms, bekkens en andere percussie- en
begeleidingsinstrumenten instellen. Ook het volume
van de metronoom (Click) kunt u hiermee regelen
(blz. 19).
13
Beschrijving van de panelen
H FADERS-knop
R SHIFT-knop
Druk op de [FADERS]-knop om te zorgen dat de
bovenste of onderste indicator oplicht. Hierdoor wijst u
de bij de oplichtende indicator behorende functie toe
aan de Faders (blz. 19).
Deze knop dient samen met andere knoppen te worden gebruikt:
I SETUP-knop
Hier vindt u belangrijke parameters die voor de TD-8
in z’n geheel gelden. Bij de belangrijke parameters die
u hier vindt, horen de Trigger- en MIDI-parameters.
J MIXER-knop
Met deze knop hebt u toegang tot de effect- en volumeparameters en de uitgangstoewijzing van de klanken
(blz. 80).
Combinatie
Functie
[SHIFT] + [INC/+],
[DEC/–] of VALUEschijf
Veranderen van parameterwaarden in grote
stappen (blz. 19).
[SHIFT] + [MIXER]
Parts uitschakelen
(blz. 93).
[SHIFT] + [PREVIEW]
Beluisteren van het
geluid, terwijl u het
volume verandert
(blz. 128).
K KIT-knop
Met deze knop roept u de display-pagina op die handig is wanneer u een Drum Kit wilt bespelen.
L SEQUENCER-sectie
Wanneer het display het volgende afbeeldt, hebt u toegang tot deze functies door op de [SHIFT]-knop te
drukken; zie ook blz. 18.
Deze sectie bevat alle knoppen voor de bediening van
de interne sequencer (weergave/opname van patronen en Songs, blz. 84, 105).
M MIX IN-regelaar
Hiermee kunt u het volume van de signaalbron instellen die u op de MIX IN-connector hebt aangesloten.
Dat signaal wordt zowel naar de MASTER OUTPUTaansluitingen en naar de PHONES-connector gestuurd.
S PREVIEW-knop
Hiermee kunt u een INST (instrument) beluisteren. Als
u met de TRIG SELECT-knoppen een pad kiest, kunt u
de daaraan toegewezen klank editen (wijzigen) en
afspelen door op deze knop te drukken. In dat geval
hebt u dus niet eens een pad nodig (blz. 20). Tijdens het
instellen van de Parts kunt u met deze knop de klanken
van de begeleidingspartijen beluisteren (blz. 89).
N PHONES-regelaar
Hiermee kunt u het volume voor een (optionele)
hoofdtelefoon instellen. Door een hoofdtelefoon aan te
sluiten schakelt u de audioweergave via de overige
aansluitingen niet uit.
T TRIG SELECT
Met de twee naast elkaar liggende knoppen “
” en
“
” kunt u de Trigger-ingang (pad) kiezen waarvan
u de instellingen wilt wijzigen. Om de rand van een
pad te kiezen moet u op de [RIM]-knop drukken (indicator licht op). In de regel sluit u waarschijnlijk pads op
de TD-8 aan. In dat geval kunt u een pad ook kiezen
door er gewoon even op te slaan.
O MASTER-regelaar
Hiermee bepaalt u het uitgangsvolume van de TD-8
(d.w.z. het volume van de MASTER OUTPUTS-aansluitingen). Het volume van de hoofdtelefoon regelt u
echter met de PHONES-regelaar.
P CURSOR-knoppen ▲ & ▼
Met deze knoppen kunt u de cursor naar de benodigde
parameter brengen of de volgende/vorige displaypagina oproepen (blz. 17).
U INC/+ DEC/–
Met deze knoppen kunt u Drum Kits kiezen en parameterwaarden wijzigen. Druk op [INC/+] om de waarde te verhogen en op [DEC/–] om de waarde te verminderen. Deze knoppen zijn extra groot, zodat u ze
ook met de tippen van de drumstokken kunt indrukken.
Q VALUE-schijf
Deze schijf heeft dezelfde functie als de [INC/+]- en
[DEC/–]-knoppen: u kunt er de waarde van de geselecteerde parameter mee instellen. De schijf gebruikt u
waarschijnlijk wanneer de nieuwe waarde beduidend
groter of kleiner is dan de huidige (blz. 19).
14
OPGELET
Wees voorzichtig met de knoppen. Sla er niet op. Indrukken
mag, maar erop meppen kan leiden tot defecten.
Beschrijving van de panelen
Achterkant
33
32
V TRIGGER INPUT-aansluitingen
Sluit hier de pads, Kick Trigger en HiHat-controller
aan waarmee u de TD-8 wilt aansturen.
OPGELET
Voor het aansluiten kunt u de bij de pads enz. geleverde
kabels gebruiken.
• Trigger Input 1/2 (KICK1/2)
Door gebruik te maken van een optionele “Y”-kabel
(PCS-31) of een insertiekabel voor een mengpaneel e.d.
kunt u hierop zelfs twee pads aansluiten.
• Trigger Input 3 (SNARE)
Op deze connector moet u de pad aansluiten waarmee
u Rimshots (blz. 38) en Cross Sticks (blz. 39) wilt spelen. Dat lukt enkel met een PD-80R of PD-120 pad.
Rimshots (maar geen Cross Sticks) zijn ook mogelijk
met een PD-7 of PD-9.
Als u gebruik maakt van een PD-80, PD-80R, PD-100 of
een PD-120 als Snare, kan de TD-8 ook uitmaken op
welke plaats van de pad u precies slaat (blz. 39). Deze
Trigger-aansluiting is de enige die dit toelaat.
• Trigger Input 4 (TOM1), 5 (TOM2), 6 (TOM3)
Als u hier een PD-7 of PD-9 aansluit, kunt u ook
Rimshots spelen (blz. 38).
• Trigger Input 7 (HI-HAT), 8 (CRASH1), 9 (CRASH2),
10 (RIDE)
Als u hier een PD-7 of PD-9 aansluit, kunt u ook
Rimshots (blz. 38) en Chokes (blz. 39) spelen.
• Trigger Input 11/12 (AUX1/2)
Mits een optionele “Y”-kabel (PCS-31) of insertiekabel
kunt u twee pads op deze ingang aansluiten. Als u
twee pads gebruikt, kunnen ze ook voor het kiezen van
Drum Kits, patronen en Songs gebruiken PAD
SWITCH; blz. 123).
W HH CTRL-connector
Sluit hier het HiHat-pedaal (FD-7) aan (blz. 25).
X FOOT SWITCH-connector
Hier kunt u twee optionele voetschakelaars (FS-5U)
aansluiten. Hiermee kunt u Drum Kits selecteren, de
sequencer starten/stoppen enz. Door gebruik te maken
van een optionele PCS-31-kabel of een insertiekabel
kunt u ook twee voetschakelaars aansluiten (blz. 25).
Y MASTER OUTPUT (L (MONO)/R)
Dit zijn de audio-uitgangen van de TD-8, die u op
actieve luidsprekers (KC-serie) of een externe versterker moet aansluiten. In de regel sluit u het best beide
uitgangen aan om de TD-8 in stereo te kunnen beluisteren. Als uw versterker e.d. echter mono is, hoeft u
enkel de MASTER L (MONO)-connector aan te sluiten.
Z DIRECT OUTPUT (L/R)
Ook dit zijn audio-uitgangen waaraan u een geluid
naar keuze kunt toewijzen dat dan individueel kan
worden versterkt of opgenomen. In de regel sluit u
deze uitgangen waarschijnlijk op een mengpaneel aan,
omdat de hieraan toegewezen klanken geen effecten
bevatten.
a PHONES-aansluiting
Hier kunt u een stereo-hoofdtelefoon aansluiten. Door
dit te doen schakelt u de weergave van de overige
audio-connectors niet uit.
b MIX IN-aansluiting
Op deze connector kunt u een CD- of cassettespeler
aansluiten. Tijdens concerten kunt u hem echter ook als
monitoringang gebruiken. Het via deze ingang ontvangen signaal wordt naar de MASTER OUTPUTS-uitgangen en de PHONES-aansluiting gestuurd.
c MIDI-connectors (IN, OUT/THRU)
Deze aansluitingen hebt u nodig, wanneer u de TD-8
als module voor een MIDI-sequencer wilt gebruiken of
om de instellingen van de TD-8 met behulp van een
sequencer (en dus in de vorm van MIDI-data) extern
op te slaan (blz. 129).
d POWER-schakelaar
Hiermee kunt u de TD-8 in- en uitschakelen (blz. 28).
e DC IN-aansluiting
Sluit hier de bijgeleverde adapter aan (blz. 27).
f Kabelhaak
Draai hier de kabel van de adapter rond (blz. 27).
15
Beschrijving van de panelen
g Opening voor MicroSaverveiligheidsslot ( )
MicroSaver en Kensington zijn geregistreerde handelsmerken van Kensington Microware Limited.
© 1997 Kensington Microware Limited
Kensington Microware Limited
2855 Campus Drive
San Mateo, CA 94403 U.S.A.
Web: www.kensington.com
16
Algemene bediening
Algemene bediening
Hier vindt u een beschrijving van de algemene dingen voor de bediening van de
TD-8.
Opslag van de instellingen
De TD-8 biedt geen functie voor het opslaan van uw instellingen, omdat dit automatisch gebeurt. Elke verandering is dus meteen definitief. U kunt echter weer de
fabrieksinstellingen van de TD-8 oproepen door hem te initialiseren. Anderzijds is
het mogelijk om enkel de momenteel gekozen Drum Kit te initialiseren door de
fabrieksinstellingen te kopiëren.
Knoppen, Faders en regelaars
In deze handleiding worden de namen van de knoppen, regelaars en Faders telkens
tussen haakjes ([ ]) geplaatst. Voorbeeld: [SETUP].
Cursor
Met “cursor” bedoelen we de tekens die omgekeerd wordt afgebeeld in het display.
Deze slaan op de parameter of functie die u op dat moment kunt instellen. Als het
display meer dan één functie bevat, kunt u met CURSOR [▲] of [▼] de functie kiezen
die u op dat moment wilt instellen.
Houd CURSOR [▲] ingedrukt, terwijl u op [▼] drukt (of houdt CURSOR [▼] ingedrukt, terwijl u op [▲] drukt) om de cursor sneller naar een andere parameter te
brengen.
Functieknoppen ([F1], [F2], [F3])
[F1], [F2], [F3] noemen we “functieknoppen”. Dat komt omdat de functie van deze
knoppen verschilt naar gelang de display-pagina.
In deze handleiding vermelden we ook telkens de functie die een functieknop op dat
moment heeft. Deze benaming wordt tussen haakjes afgebeeld.
Voorbeeld 1:
Als er in deze handleiding het volgende wordt gezegd:
“Druk op [KIT] en daarna op [F1 (INST)].”…
…moet u als volgt te werk gaan:
1. Druk op [KIT].
17
Algemene bediening
2. Druk op [F1] (in dit geval heeft deze knop de “INST”-functie – zie het
display).
In sommige gevallen hebt u via de [SHIFT]-knop toegang tot bijkomende functies van de functieknoppen:
Druk op [SHIFT]
Als er in deze handleiding staat: “Druk op [SHIFT] + [F1 (PART 2)]”…
…moet u [SHIFT] ingedrukt houden, terwijl u op [F1] drukt (zodra u [SHIFT]
indrukt, luidt de functie van [F1] “PART 2”).
Gebruik van de pop-up menu’s
Naast [F3 ( MENU)] staat soms ook vóór de overige functieknoppen het “ ”
symbool. Als u dan op deze functieknop drukt, verschijnt er een menu in het display
met verschillende opties die u met [INC/+] of [DEC/–], de VALUE-schijf en [▲] of
[▼] kunt kiezen. Als u daarna nog een keer op een functieknop onder het pop-up
menu drukt, verschijnt de gekozen display-pagina.
Voorbeeld:
Doe even het volgende om te kijken hoe het systeem werkt:
1. Druk op [KIT]. Deze knop licht op en de “DRUM KIT”-pagina verschijnt.
2. Druk op [F3 (
MENU)]. Nu verschijnt er een popup-menu.
Druk op [EXIT] als u zich
vergist hebt. Het menu verdwijnt dan weer.
3. Druk op [INC/+] of [DEC/–], draai aan de VALUE-schijf of druk op
CURSOR [▲] of [▼] om “FX SW” te kiezen.
18
Algemene bediening
4. Druk op [F3]. Het display beeldt nu de “FX SW”-pagina af.
[INC/+] & [DEC/–] en de VALUE-schijf gebruiken
[INC/+] en [DEC/–] evenals de VALUE-schijf dienen voor het wijzigen van waarden en voor het kiezen geheugens.
Welke van de twee u gebruikt, verschilt naar gelang de situatie.
[INC/+], [DEC/–]
• Met [INC/+] kunt u de waarde verhogen, met [DEC/–] kunt u de waarde
verminderen. Gebruik de knoppen dus om kleine wijzigingen door te voeren.
• Bij aan/uit-parameters dient [INC/+] om de functie in te schakelen, terwijl u ze
met [DEC/–] kunt uitschakelen.
• U kunt [INC/+] ook ingedrukt houden en tegelijk op [DEC/–] drukken om de
waarde sneller te verhogen. Hetzelfde principe is tevens beschikbaar voor het
verminderen van waarden (houd [DEC/–] ingedrukt, terwijl u op [INC/+]
drukt.
• Als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl u op [INC/+] of [DEC/–] drukt, kunt u
de waarde van de gekozen parameter nóg sneller veranderen.
VALUE-schijf
• De VALUE-schijf werkt in de regel veel sneller dan de [INC/+]- en [DEC/–]knoppen. Gebruik de schijf dus enkel als u heel snel van een grote naar een
kleine waarde en vice versa wilt gaan.
• Ook hier geldt dat u [SHIFT] ingedrukt kunt houden om de waarde in nog
grotere stappen te verhogen/verlagen.
Gebruik van [FADERS] en de GROUP FADERS
De oplichtende pijltjes rechts van de Faders en links van de [FADERS]-knop geven
telkens aan op welke klankgroep de GROUP FADERS betrekking hebben.
19
Algemene bediening
• Als het bovenste pijltje oplicht:
Dit betekent dat u het volume van de Trigger-ingangen kunt regelen:
[KICK]
[SNARE]
[HI-HAT]
[TOMS]
1/2 (KICK1/2)
3 (SNARE)
7 (HI-HAT)
4 (TOM1)
5 (TOM2)
6 (TOM3)
11/12 (AUX1/2)
In dat geval hebben we het in deze handleiding over [KICK], [SNARE], [HI-HAT] en
[TOMS] (d.w.z. dát is dan de functie van de Faders).
• Als het onderste pijltje oplicht:
Dit betekent dat de Faders aan de volgende klankgroepen zijn toegewezen. De eerste
slaat op een Trigger-ingang de overige drie echter niet:
[CYMBALS]
[OTHERS]
[BACKING]
[CLICK]
8 (CRASH1)
9 (CRASH2)
10 (RIDE)
Percussiepartij
(blz. 89)
Begeleiding
(blz. 89)
Metronoomsignaal
In dat geval hebben we het in deze handleiding over [CYMBALS], [OTHERS],
[BACKING] en [CLICK].
Voorbeeld: veranderen van het Snare-volume
1. Druk op [FADERS] om te zorgen dat het bovenste pijltje oplicht.
2. Beweeg de GROUP FADERS [SNARE]-Fader.
Nu vertegenwoordigt de [SNARE]-Fader het volume van de Snare-klanken.
Pads via het frontpaneel kiezen
Met de [TRIG SELECT]-knoppen kunt u de Trigger-ingang (alias de pad) kiezen
wiens instellingen u wilt wijzigen. Deze knoppen hebt u echter enkel nodig als u
geen pads op de TD-8 hebt aangesloten. U kunt de pads namelijk ook kiezen door er
gewoon even op te slaan (dus waarom een knop indrukken?). Met de [
]-knop
kiest u telkens de voorafgaande Trigger-ingang, terwijl u met [
] een hoger padnummer kiest.
Als u met de volgende pads werkt, kunt u met de [RIM]-knop bepalen of u de parameters van de rand (Rim) of het midden (Head) wilt instellen: PD-7, PD-9, PD-80R
of PD-120. Als de [RIM]-knop oplicht, zijn de Rim-parameters gekozen.
20
OPGELET
• Door met de [FADERS]knop de “andere” Fadergroep te kiezen verandert u niets aan de waarden van de betreffende
klankgroepen (ook al
kunnen deze niet meer
worden ingesteld). Een
en ander betekent echter wel dat de Faders
niet altijd de instellingen van de gekozen
klankgroep weergeven
(omdat u ze bv. net voor
het instellen van de
“andere” klankgroep
hebt gebruikt).
• Na het inschakelen worden altijd de opgeslagen
waarden voor de klankgroepen geladen. De
“fysieke” Fader-instellingen vertegenwoordigen dan dus niet de
daadwerkelijke instellingen.
Algemene bediening
Aangezien u TRIG SELECT waarschijnlijk alleen gebruik wanneer u geen pads bij de
hand hebt, moet er ook een manier bestaan om de instellingen tijdens het editen te
controleren. Druk dus af en toe op de [Preview]-knop om te horen of uw wijzigingen
de goede richting uitgaan.
Over de Preset Drum Kits
De Drum Kits 1~64 bevatten fabrieksinstellingen, zodat u meteen na uitpakken van
de TD-8 aan de slag kunt. Deze Kits kunt u echter wijzigen – en de wijzigingen worden automatisch opgeslagen. Als u daarna weer de fabrieksinstellingen nodig hebt,
kunt u de TD-8 initialiseren. Meer details over het kopiëren of initialiseren van Drum
Kits vindt u op blz. 126 en 148.
Patterns (patronen)
Naast klanken bevat de TD-8 ook een aantal patronen (1~700, de zogenaamde Preset-patronen). De betreffende geheugens bevatten voorgeprogrammeerde begeleidingen die u weliswaar tijdelijk kunt wijzigen, maar niet opslaan. U kunt een Presetpatroon evenwel naar een User-geheugen kopiëren (blz. 84) en dan editen. De opgenomen of gewijzigde data van een User-patroon hoeft u niet op te slaan omdat dit
automatisch gebeurt.
Informatie in het bovenste display-gedeelte
De volgende gegevens worden altijd in het display afgebeeld en bieden dus een houvast.
OPGELET
• Rim is niet beschikbaar
voor TRIGGER INPUT 1
(KICK1), 2 (KICK2), 11
(AUX1) en 12 (AUX2).
• TRIGGER INPUT 2
(KICK2) en 12 (AUX2)
zijn enkel beschikbaar
wanneer u op TRIGGER
INPUT 1/2 (KICK1/2)
en 11/12 (AUX2) twee
Pads hebt aangesloten.
Hiervoor hebt u een
optionele PCS-31 kabel
nodig.
Meer details over het
kopiëren van patronen
vindt u op blz. 99.
De laatst gekozen/gespeelde pad
Helemaal rechts in het display komt u te weten welke pad u als laatste hebt gekozen (hetzij met TRIGGER SELECT, hetzij door erop te slaan):
Voorbeeld 1:
• De Snare (TRIGGER INPUT 3) is gekozen:
• De Rim (rand) van de Snare (TRIGGER INPUT 3) is gekozen (vandaar de “r”).
Nummer van het momenteel geselecteerde patroon, de
Song en het maatnummer
In het PTN- en SNG-veld komt u te weten welk patroon en/of welke Song u te horen
krijgt wanneer u op de [PLAY/STOP]-knop drukt.
• Als onder “PTN” een getal verschijnt, kunt u de weergave van dat patroon
starten.
21
Algemene bediening
• Als onder “SONG” een getal verschijnt, kunt u de weergave van de betreffende
Song starten.
Meer details over patronen en Songs vindt u in “Hoofdstuk 5: Werken met patronen” op blz. 84 en “Hoofdstuk 6: Werken met Songs” op blz. 105.
22
Eerste kennismaking
Eerste kennismaking
23
Voordat u eraan begint
Voordat
u eraan begint
In dit hoofdstuk komt u te weten hoe u de TD-8 moet aansluiten en welke instellingen u moet doorvoeren om ermee te kunnen werken. In het volgende gaan we ervan
uit dat de fabrieksinstellingen van de TD-8 nog intact zijn.
Zie desnoods blz. 148 om
weer de fabrieksinstellingen op te roepen.
TD-8 op een stand monteren
1
Breng de onderplaat (deze wordt bij de optionele MDS-7U, MDS-8
of MDS-10 stand geleverd) aan de onderkant van de TD-8 aan.
Draai de plaat in de hierna getoonde richting en schroef ze vast aan de onderkant
van de TD-8.
OPGELET
Gebruik enkel de schroeven van de TD-8. Het
gebruik van andere schroeven zou kunnen leiden tot
schade aan de module.
Smalle kant
Brede kant
2
Bevestig de TD-8 aan de stand (MDS-7U, MDS-8 of MDS-10).
Hoe u dat precies moet doen (en hoe u de stand monteert) komt u te weten in de
handleiding van de optionele stand.
24
Voor het bevestigen van de
TD-8 aan een “echte” cymbaal- of andere stand
gebruikt u het best een
APC-33 “All Purpose
Clamp”. Deze klem past op
buizen met een diameter
tussen de 10,5 en 30mm.
Aansluiten van de pads en de pedalen
Gebruik de bijgeleverde kabels om de pads, het HiHat-pedaal en de Kick Trigger
(basdrum-unit) zoals hierna getoond aan te sluiten.
Let goed op de cijfers in de volgende tekening en sluit alle pads op de juiste ingang
(TRIGGER INPUT) aan.
Achterpaneel van de TD-8
OPGELET
Als u pads met een gaas
(PD-80, PD-80R, PD-100,
PD-120, KD-80 of KD-120)
gebruikt, moet u het vel
opspannen. Als het vel
niet strak genoeg zit, zou u
namelijk bij het meppen de
sensor kunnen beschadigen.
Meer details over het
“stemmen” van de vellen
vindt u in de handleiding
van de betreffende Pad.
Het beste resultaat verkrijgt
u met pads van Roland
(PD-5, PD-7, PD-9, PD-80,
PD-80R, PD-100 en
PD-120). Ook als basdrum
gebruikt u het best een
Roland-model (KD-7,
KD-80, KD-120).
25
Eerste kennismaking
Voordat u eraan begint
Voordat u eraan begint
Als u met een PD-7, PD-9 of KD-7 werkt, moet u de POLARITY-schakelaar van de
Pad/Kick Trigger in de “–(Roland)” stand zetten. Hoe u dat doet, komt u te weten
in de handleiding van de PD-7, PD-9 of KD-7.
+
POLARITY
- (Roland)
Door gebruik te maken van een optionele “Y”-kabel (PCS-31) of een gewone insertiekabel (stereo jack → 2x mono-jack) kunt u twee Pads op TRIGGER INPUT 1/2
(KICK 1/2) en 11/12 (AUX 1/2) aansluiten.
PCS-31 (optie)
PD-7
KD-80
26
Voordat u eraan begint
Eerste kennismaking
Audio-aansluitingen
Audiokabel
Actieve luidsprekers
Adapter
L
R
Stereo-hoofdtelefoon
HiFi-keten, mengpaneel e.d.
1
Schakel alle apparaten uit voordat u ze op elkaar aansluit.
OPGELET
2
Sluit de bijgeleverde adapter aan op de DC IN-aansluiting.
OPGELET
3
4
De enige manier om te zorgen dat de luidsprekers tijdens het maken of verbreken van audio-aansluitingen niet beschadigd worden is door het volume in de minimumstand te zetten en alle apparaten uit te schakelen.
Draai de kabel van de adapter rond de kabelhaak (zie de afbeelding) om te
voorkomen dat de aansluiting op het lichtnet plots wordt verbroken.
Sluit de MASTER L(MONO)- en R-uitgang van de TD-8 aan op de
ingangen van de versterker, het mengpaneel e.d. Als u met een
hoofdtelefoon wilt werken, moet u hem op de PHONES-connector
aansluiten.
Sluit het andere einde van de adapter aan op een stopcontact.
OPGELET
De MASTER L (MONO)en R-connector van de
TD-8 moet u aansluiten op
de “L”- en “R”-ingang van
de versterker e.d.
Bij levering worden er geen
signalen naar de DIRECT
OUTPUT-connectors uitgestuurd. Dat moet u dus
handmatig doen (blz. 119).
27
Voordat u eraan begint
Inschakelen
OPGELET
Zodra u alles naar behoren hebt aangesloten (zie blz. 25~27), kunt u de verschillende apparaten in de verderop beschreven volgorde inschakelen. Als
u de apparaten in een andere volgorde inschakelt, zou dat kunnen leiden
tot schade aan de luidsprekers, de versterker e.d.
1 3
6
OPGELET
Opgelet met het
volume
Als u het volume altijd
zo instelt dat u de klanken tijdens het spelen op
de pads goed hoort, is
het tijdens de weergave
van de demosongs, Patterns en/of Songs waarschijnlijk te hard.
Alvorens een patroon,
Song of demosong te
starten zet u de [MASTER]- en/of [PHONES]regelaar het best op een
kleinere waarde.
5
1
2
3
Zet de [MASTER]- en [PHONES]-regelaar op de minimumwaarde
(helemaal links).
Zet ook het volume van de versterker, eindtrap, actieve luidsprekers
e.d. op de minimumwaarde.
OPGELET
De TD-8 is uitgerust met
een beveiligingscircuit. Het
duurt dus na inschakelen
even voordat u iets hoort.
Druk op de [POWER]-knop om de TD-8 in te schakelen.
Opgelet tijdens het inschakelen
Wacht na het inschakelen tot de naam van de Drum Kit in het display verschijnt (zie de afbeelding) voordat u op de pads begint te meppen of de pedalen gebruikt. Als u te snel begint te spelen, zou u de TD-8 kunnen beschadigen.
28
Als u tijdens de opstartfase
het HiHat-pedaal (FD-7)
intrapt of op een pad slaat,
brengt u de sensor ervan in
de war. Dat betekent dat
het pedaal/de pad niet
zoals verwacht reageert.
4
5
Schakel nu de versterker, de luidsprekers e.d. in.
Zet alle GROUP FADERS op de maximumwaarde en stel vervolgens de gewenste [MASTER]- of [PHONES]-volumewaarde in.
De functie van de GROUP
FADERS kunt u met de
[FADERS]-knop instellen.
Zie ook blz. 19.
Indien nodig, moet u op de [FADERS]-knop drukken om de “andere” functie van de
GROUP FADERS te kiezen.
6
Druk herhaaldelijk op de [PREVIEW]-knop terwijl u het volume van
de versterker, actieve luidsprekers e.d. op de gewenste waarde zet.
Als u met een hoofdtelefoon werkt, volstaat het dat u de [PHONES]regelaar naar wens instelt.
Als u bij het drukken op [PREVIEW] niets hoort…
Controleer dan even de volgende punten:
• Hebt u de GROUP FADERS op de minimumwaarde gezet?
Druk op de [FADERS]-knop om de “andere” functie van de Faders te kiezen en
stel een hoger volume in.
Als u met een hoofdtelefoon werkt:
• Hebt u de hoofdtelefoon op de juiste manier aangesloten?
• Hebt u de [PHONES]-regelaar helemaal naar links gedraaid?
Als u een externe versterker gebruikt:
• Hebt u de versterker op de MASTER OUTPUT-connectors aangesloten?
• Weet u zeker dat u de juiste ingangen van de versterker e.d. gekozen hebt?
• Is de kabel tussen de TD-8 en de versterker e.d. misschien beschadigd?
• Hebt u op de versterker de juiste signaalbron gekozen?
• Hebt u de [MASTER]-regelaar misschien helemaal naar links gedraaid?
Uitschakelen
1
Zet het volume van de TD-8 en de overige apparaten op de minimumwaarde.
2
Schakel alle andere apparaten uit.
3
Druk op de [POWER]-knop om ook de TD-8 uit te schakelen.
29
Eerste kennismaking
Voordat u eraan begint
Voordat u eraan begint
Luisteren naar de demosongs
De TD-8 bevat een demosong die u een indruk geeft van wat u allemaal met deze
module kunt doen. Meer bepaald zijn er vier delen, die u hetzij in z’n geheel (als
“medley”), hetzij afzonderlijk kunt beluisteren. De weergave van de demosongs
stopt niet automatisch. Vergeet dus niet op [PLAY/STOP] te drukken om de weergave weer te stoppen.
De drums van de demosongs (met uitzondering van “ANALOG”) zijn
in Realtime ingespeeld. Hiervoor werd het TD-8-systeem zelf gebruikt
– dus geen toetseninstrument. Bovendien is er niets gequantiseerd.
6
De volgende Drum Kits
worden in de demosongs
gebruikt: 2 “JazzFunk”
(voor FUSION), 3 “Hard
Rock” (voor ROCK), 21
“TR-808” (voor ANALOG),
63 “Jazz” (voor JAZZ)
3
OPGELET
1
1
4, 5
2
Zet de GROUP FADERS [KICK]-, [SNARE]-, [HI-HAT]-, [TOMS]-,
[CYMBALS]-, [OTHERS]- en [BACKING]-regelaars op de maximumwaarde.
Zelfs wanneer u de instelling van de [FADERS]knop wijzigt, verandert er
niets aan de instelling van
de GROUP FADERS. Het is
echter wel waarschijnlijk
dat de posities van de regelaars niet overeenkomen
met de volume-instellingen van de drumklanken.
Zie blz. 19 voor meer
details over de GROUP
FADERS.
Druk op de [FADERS]-knop om de benodigde functie van de GROUP FADERS te
kiezen.
2
Houd [PATTERN]-ingedrukt, terwijl u op [SONG] drukt.
Het display beeldt nu de “DEMONSTRATION”-pagina af.
30
Het algemene volume van
de demosongs kunt u met
de [PHONES]- en [MASTER]-regelaar instellen.
Vóór starten van de weergave kiest u het best een
betrekkelijk lage waarde.
Daarna kunt u de instelling dan geleidelijk aan verhogen.
3
Druk op [INC/+] of [DEC/-], draai aan de VALUE-schijf of druk op
CURSOR [▲]/[▼] om de demosong te kiezen die u wilt beluisteren.
Titel
FUSION
ROCK
ANALOG
JAZZ
4
Copyright
Copyright (C) 1999, Roland US
Copyright (C) 1999, Roland US
Copyright (C) 1999, Roland US
Copyright (C) 1999, Roland US
Druk op [PLAY/STOP].
OPGELET
• Alle rechten voorbehouden. Het ongeoorloofd
gebruik van deze demosongs voor andere dan
privédoeleinden vormt
een inbreuk op de wettelijke bepalingen.
• De data van de demosongs worden niet naar
de MIDI OUT-connector verzonden.
De [PLAY/STOP]-indicator licht op en de weergave begint. Alle vier de Songs worden nu na elkaar afgespeeld.
Indien nodig, kunt u de
balansevan de geluiden
met de GROUP FADERS
wijzigen.
5
Om de weergave te stoppen moet u nog een keer op [PLAY/STOP]
drukken.
De [PLAY/STOP]-indicator dooft nu weer.
6
Als u nu zelf met de TD-8 wilt werken, moet u op de [EXIT]-knop
drukken.
De componist van de demosongs
Scott Tibbs
Scott Tibbs treedt regelmatig op als solist of dirigent met verschillende orkesten,
waaronder het Atlanta Symphony Orchestra, en dit zowel in de Verenigde Staten als
in Canada, Latijnsamerika en Japan. Hij is bovendien componist van film-, toneel en
televisiemuziek evenals voor groot symfonisch orkest. Aan de UCLA behaalde hij
zijn doctoraat compositie. Onlangs componeerde hij muziek voor Clare Fisher en Bill
Holman. Bovendien heeft hij al met bekende artiesten gespeeld, waaronder Dizzy
Gillespie, Bill Cosby, Jerry Sienfeld en Bobby Shew om er maar enkelen te noemen.
De drummer
Steven G. Fisher
Steven G. Fisher is op dit moment “Percussion Product Manager” bij Roland Corporation US, wat hem echter niet belet om ook een uitstekende drummer en percussionist te zijn. Hij werkte o.a. mee aan filmmuziek en commercials en als sessiemuzikant voor Maynard Ferguson, Dizzy Gillespie, T-Lavitz en de Temptations. Hij programmeert vaak fabrieksklanken en demosongs voor Roland Corporation en BOSSproducten en geeft bovendien over de hele wereld drumclinics.
31
Eerste kennismaking
Voordat u eraan begint
Pads en klanken
Pads
en klanken
Instellen welke pads u gebruikt
De TD-8 kan de signalen van de aangesloten pads maar naar behoren interpreteren
als hij weet welke pads u gebruikt. Daarom moet u voor elke aangesloten pad het
“Trigger-type” instellen.
“V-Custom Kit”-instellingen
Bij levering staat de “V-Custom Kit” van TD-8 al op bepaalde pads ingesteld.
2
3
4
1
1
2
3
32
5
Druk op [SETUP]. De bijbehorende indicator licht op en de
“SETUP”-pagina verschijnt.
Druk op [F1 (TRIG)]. Het display beeldt nu de volgende pagina af.
Druk op CURSOR [▲] om de cursor naar het BANK-nummer te
brengen.
4
Eerste kennismaking
Pads en klanken
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf bank “1”.
Als het display nu niet het volgende afbeeldt, moet u de pads individueel instellen.
Zie hiervoor ook blz. 34.
“V-Custom Kit”-instellingen
5
6
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Wanneer u een PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120 als Snare gebruikt
(en die dus op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) aansluit), moet u het vel
(gaas) opspannen en nog een aantal dingen instellen. Zie hiervoor
blz. 36.
Ziezo, dat was het al. Nu bent u er helemaal klaar voor: de TD-8 weet nu welke
pads u voor de “V-Custom Kit” gebruikt. Als u deze instellingen graag even controleert, zie dan blz. 38.
33
Pads en klanken
Individuele instellingen voor de pads
Misschien wijkt uw pad-combinatie van een voorgeprogrammeerde Set af. In dat
geval kunt u voor elke TRIGGER INPUT apart aangeven welke pad u erop hebt aangesloten.
2
3, 5
4
7
1
1
2
9
Druk op [SETUP]. De bijbehorende indicator licht op en de
“SETUP”-pagina verschijnt.
Druk op [F1 (TRIG)]. Het display beeldt nu de volgende pagina af.
Hier ziet u welke pads u eigenlijk op de TRIGGER INPUTs had moeten aansluiten
(wat echter niet verplicht is, omdat u de instellingen kunt wijzigen).
34
Display
Pad-naam
Display
Pad-naam
PD5
PD-5
10A
PD-100
PD7
PD-7
12A
PD-120
PD9
PD-9
KD7
KD-7/KD-5
8A
PD-80
K8
KD-80
8RA
PD-80R
K12
KD-120
Meer details over 8 B, 8RB,
10B, 12B, KIK, SNR, TOM,
FLR enz. vindt u op
blz. 111.
3
Druk op CURSOR [▲] om de cursor naar het BANK-nummer te
brengen.
4
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een bank.
5
Breng de cursor met CURSOR [▼] naar een padbenaming.
6
Sla op de pad die u bij de TD-8 wilt “aanmelden”.
De cursor springt automatisch naar het nummer van de ingang waarop deze pad is
aangesloten.
7
8
9
10
Eerste kennismaking
Pads en klanken
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de (afgekorte)
benaming van de pad die u op deze ingang hebt aangesloten.
Pads kunt u ook met de
[TRIG SELECT]-knop kiezen.
Herhaal de stappen 6 en 7 tot u alle padtypes naar behoren hebt
ingesteld.
Druk op [KIT].
Wanneer u een PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120 als Snare gebruikt
(en die dus op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) aansluit), moet u het vel
(gaas) opspannen en nog een aantal dingen instellen. Zie hiervoor
blz. 36.
Dat was het al. Zie blz. 38 als u de instellingen graag even controleert.
35
Pads en klanken
‘Stemmen’ (opspannen) van het vel
In de regel verdient het aanbeveling om op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) een pad
met gaas (vel) aan te sluiten en de betreffende PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120 als
Snare te gebruiken. Om te zorgen dat de TD-8 precies weet waar uw stokken het vel
raken moet u nog een aantal dingen instellen. Bovendien wordt het vel na verloop
van tijd slapper. Ook in dat geval moet u dan als volgt te werk gaan:
2
4
6
1
1
2
9
Druk op [SETUP]. De bijbehorende indicator licht op en de
“SETUP”-pagina verschijnt.
Druk op [F1 (TRIG)]. Het display beeldt nu de volgende pagina af.
OPGELET
3
36
Kijk even of het padtype voor ingang “3” “8 A” (PD-80), “8RA”
(PD-80R), “10A” (PD-100) of “12A” (PD-120) luidt.
Als er voor “3” iets anders
wordt afgebeeld, moet u
die instelling corrigeren.
Zie hiervoor blz. 34.
4
5
6
Druk op [F3 (H.ADJ)]. Nu verschijnt de “HEAD TENSION”-pagina.
Sla op de pad die u op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) hebt aangesloten. Het display ziet er nu als volgt uit:
Als u op een pad slaat die
op een andere ingang dan
TRIGGER INPUT 3
(SNARE) aangesloten is,
verdwijnt de pagina van
stap 4 even en verschijnt
dan weer.
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de benodigde
instelling.
“LOOSE” betekent dat de spanning iets slapper is dan normaal. Waar “NORMAL”
op slaat, hoeven we u beslist niet uit te leggen. “TIGHT” daarentegen betekent dat
de spanning strakker is dan normaal. In de regel kiest u het best “NORMAL”.
7
Sla met een drumstok op de PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120.
Zorg dat de stok ongeveer 3 cm van de rand het vel raakt. De indicator linksonder in
het display geeft aan hoe goed de spanning overeenkomt met de gekozen waarde.
Hier moet de stok
het vel raken
Stemschroef
8
3 cm
Gebruik de bij de pad geleverde sleutel om alle stemschroeven zo in
te stellen tot het display er als volgt uitziet.
De PD-80 en PD-80R zijn
met vijf stemschroeven uitgerust. Bij de PD-100 en
PD-120 zijn dat er zes.
OPGELET
Als de indicator zich te ver rechts bevindt, moet u de spanning van het vel verminderen. Bevindt de indicator zich eerder links, moet u de spanning verhogen.
Als de indicator zich helemaal links of rechts
bevindt, moet u het vel
eerst voorlopig opspannen
en vervolgens met deze
indicator werken.
37
Eerste kennismaking
Pads en klanken
Pads en klanken
9
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Meer details over het
“stemmen” van de PD-80,
PD-80R, PD-100 of PD-120
vindt u in diens handleiding.
Nu bent u al bijna klaar. U moet enkel nog het volgende doen:
Instellingen controleren
Sla op alle pads en trap alle aangesloten pedalen even in om te controleren of alles
naar behoren werkt. Is dat niet het geval, controleer dan nog eens de aansluitingen
en/of zie “Verhelpen van storingen” op blz. 144.
Bespelen van de pads
Laten we nu even een paar technieken voor het bespelen van de Pad Sommige van
deze technieken werken enkel met een TD-8 – en enkel op de hier beschreven
manier. Het volgende zou u dus zeker moeten lezen.
Rimshot
De PD-7, PD-9, PD-80R en PD-120 laten toe om een aparte klank aan te sturen wanneer u een Rimshot speelt (dit beantwoordt aan wat u op een “echte” trommel
hoort).
Normale slag
Rimshot
Midden
Midden
Als u met een PD-80R of
PD-120 Rimshots en Cross
Sticks wilt spelen, moet u
hem op TRIGGER INPUT 3
(SNARE) aansluiten.
Rand
OPGELET
Om de rand van een PD-7
of PD-9 toe te wijzen, moet
u tegelijkertijd op de rand
en het midden van de pad
slaan.
Vel
Vel
Rand
Rimshots verkrijgt u door tegelijk op het vel (midden) en de rand van de pad te
slaan. Door dit te doen stuurt u een andere klank aan dan wanneer u gewoon op het
vel (midden) slaat.
38
Cross Stick
Met een PD-80R en PD-120 is het ook mogelijk om een “Cross Stick”-geluid (een
typische “drumtik”) aan te sturen. Dit is dus een bijkomende mogelijkheid – naast
de zonet besproken Rimshots.
Rand
Rand
De Cross Stick-techniek voor de PD-80R en PD-120 vereist dat u enkel op de rand
(Rim) van de pad slaat. Daarbij maag uw hand het vel niet raken (zoals u dat misschien van een akoestische Snare gewend ben), omdat de pad/TD-8 dan niet duidelijk kan uitmaken of het nu wel of niet om een Cross Stick gaat.
• Het Cross Stick-geluid
wordt ook wel “Closed
Rimshot” genoemd
• De volgende twee Drum
Kits bevatten Cross
Stick-klanken: 8 “Pop
Xstk” en 32 “JazzXstk”.
Aan de andere Kits moet
u die zelf toewijzen.
• Enkel de op “XS” eindigende klanken kunnen
dienst doen als Cross
Stick-geluiden.
Met de hand afdempen (Choking)
De volgende techniek (het afdempen) is handig voor cymbaalklanken. Ze wordt echter enkel ondersteund door de PD-7 en PD-9.
Noten afdempen doet u door eerst op een pad te slaan en vervolgens een deel van
de rand vast te pakken. Zoals u zal merken, werkt dit perfect met een PD-9 of PD-7.
‘Positional Sensing’ (positiedetectie)
Achter deze moeilijke benaming schuilt een speciale functie van de TD-8 die
beschikbaar is in combinatie met een PD-7, PD-9, PD-80, PD-80R, PD-100 of
PD-120 die u op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) aansluit. Ze betekent dat de plaats,
waar u op de pad slaat, bepalend is voor de klankkleur.
De positie bepaalt het geluid
Vooral bij gebruik van een
PD-80R of PD-120 werkt
het systeem zó goed dat uw
spel een echt “akoestisch”
karakter krijgt.
In het “Overzicht van de
drumklanken” op blz. 154
komt u te weten welke
klanken op deze “Positional Sensing”-functie reageren (want ze doen het niet
allemaal).
39
Eerste kennismaking
Pads en klanken
Pads en klanken
Spelen met Brushes
Met de TD-8 kunt u ook “roeren” of “swishen” door Brushes te gebruiken. Dit werkt
echter enkel wanneer u een PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120 op TRIGGER INPUT
3 (SNARE) aansluit en die pad met Brushes bespeelt.
Gebruik enkel Brushes uit nylon. Met stalen “borstels” loopt u namelijk
OPGELET
gevaar het vel van de pad te doorboren.
De Brushes werken enkel zoals verwacht indien u een Drum Kit (d.w.z. een verzameling van klanken voor de pads) kiest die speciaal hiervoor is bedoeld. Bij dit soort
Kits wordt bovenaan in het display “BRUSH” afgebeeld:
• Kies de Drum Kit
9 “Brushes”.
• De klanken die op het
“roeren” van de Brushes reageren (ook weer
niet allemaal) zijn:
233 “BRUSH1 S”
234 “BRUSH2 S”
235 “BRUSH3 S” en
239 “BRSHTMBS”.
HiHat-pedaal (FD-7)
Door gebruik te maken van een FD-7 HiHat-pedaal van Roland beschikt u over een
“virtuele” HiHat, omdat de FD-7 traploos instelbaar is tussen “open” en “gesloten”.
FD-7
Open HiHat:
Een “volledige” TD-8-HiHat verkrijgt u pas wanneer u zowel een pad als een
FD-7 gebruikt. De FD-7 fungeert daarbij enkel als pedaal, terwijl u op de pad de
ritmische figuren (achtste, zestiende enz. noten) moet spelen. Een open HiHatgeluid verkrijgt u door het pedaal los te laten en op de pad te slaan.
Gesloten HiHat:
Trap het pedaal volledig in en sla op de pad.
Dichtgaand pedaalgeluid:
Trap het pedaal in zonder op de pad te slaan.
Opengaand pedaalgeluid
Trap het pedaal in en laat het meteen weer los. Enkel dan speelt de TD-8 namelijk dit “opengaand pedaalgeluid”.
40
Het HiHat-pedaal kunt u
ook voor het veranderen
van de toonhoogte van
andere klanken gebruiken.
Dit is bv. handig voor pauken e.d. Zie blz. 122.
En dan nu aan de slag…
Eerste kennismaking
En dan nu aan de slag…
U zit nu waarschijnlijk al te popelen om eindelijk zelf te mogen spelen.
Klanken aansturen
Drum Kits kiezen
2
1
1
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
De “Drum Kits” van de TD-8 bevatten de volgende elementen: toewijzingen van
klanken (“instrumenten”) aan de pads, galm- en de mixerinstellingen.
2
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf een Drum Kit.
U slaat op een pad – en u hoort een… patroon
Dit betekent dat de betreffende pad momenteel voor het starten en stoppen van een
patroon dient (Pad Pattern, zie blz. 121).
• Om de weergave van de gestarte Song te stoppen:
Druk op de [PLAY/STOP]-knop op het frontpaneel (indicator dooft).
• Om een Pad “normaal” te kunnen gebruiken:
Schakel de Pad Pattern-functie uit (blz. 121).
41
En dan nu aan de slag…
Volume regelen
Volume met de GROUP FADERS instellen
OPGELET
Na inschakelen worden telkens weer de laatst ingestelde volumewaarden
geladen. Daarom komen de
Fader-posities niet altijd
overeen met de gehanteerde volumewaarden.
U kunt ook het volume van
elke Pad apart instellen. Zie
hiervoor blz. 80.
Het volume van de basdrum (“Kick”), Snare, HiHat, toms en cymbalen kunt u met
de GROUP FADERS instellen. In de “bovenste” mode heten deze regelaars namelijk
[KICK], [SNARE], [HI-HAT], [TOMS] en [CYMBALS]. Het volume van de percussieklanken kunt u met [OTHERS] (“onderste” mode) regelen.
Functie van de GROUP FADERS
De functie van de GROUP FADERS bepaalt u met de [FADERS]-knop.
Met [TOMS] kunt u het
volume van de pads instellen die u op TRIGGER
INPUT 11 en 12 (AUX 1/2)
hebt aangesloten.
• Wanneer het bovenste pijltje
oplicht:
In dat geval hebben zijn de Faders aan de klankgroepen van de bovenste rij toegewezen (Kick, Snare enz.).
• Wanneer de onderste indicator
oplicht:
In dit geval zijn de Faders aan de klankgroepen van de onderste rij (Cymbals,
Others enz.) toegewezen.
Algemeen volume instellen
Met de VOLUME CONTROLS-regelaars kunt u het algemene volume instellen.
[MASTER]:
Het volume voor de MASTER OUTPUTS-aansluitingen.
[PHONES]:
Het volume in de hoofdtelefoon (PHONES-aansluiting).
[MIX IN]:
Hiermee bepaalt u het volume van het apparaat wiens audio-uitgangen u op de
MIX IN-connectors hebt aangesloten (CD- of cassettespeler enz.). Dit signaal
wordt naar de MASTER OUTPUTS en de PHONES-aansluiting gestuurd.
42
Zie ook “Gebruik van
[FADERS] en de GROUP
FADERS” op blz. 19.
En dan nu aan de slag…
Eerste kennismaking
Gevoeligheid van de pads instellen
Waarschijnlijk spreken de pads nog niet helemaal perfect aan op uw manier van spelen. Dat kunt u verhelpen door de gevoeligheid van de pads naar wens in te stellen.
Zo zorgt u namelijk voor een optimale respons (d.w.z. het juiste verband tussen de
kracht waarmee u slaat en het volume/de klankkleur).
2, 3
4
6
1
1
7
Druk op [SETUP]. De bijbehorende indicator licht op en de
“SETUP”-pagina verschijnt.
2
Druk op [F1 (TRIG)]. Het display beeldt nu de volgende pagina af.
3
Druk op [F1 (BASIC)]. Het display beeldt nu de BASIC-pagina af.
4
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “SENSITIVITY”.
43
En dan nu aan de slag…
5
6
Sla op de pad wiens gevoeligheid u wilt instellen. De waarden in het
display geven nu aan hoe de gekozen pad momenteel staat ingesteld.
Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de geschikte
SENSITIVITY-waarde in.
Het instelbereik bedraagt 1~16. Hoe kleiner de waarde, hoe minder het volume toeneemt naarmate u harder mept. Tijdens het instellen van deze waarde zou u telkens
op de pad moeten slaan en de VELOCITY-indicator in de gaten moeten houden. Als
die de maximale instelling aanduidt wanneer u hard slaat, hebt u de juiste SENSITIVITY-waarde te pakken.
7
U kunt deze pad ook met
[TRIG SELECT] kiezen.
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Omdat u te maken hebt
met een elektronisch drumstel, verdient het aanbeveling om het algemene volume (MASTER OUTPUTS of
hoofdtelefoon) niet te zacht
te zetten wanneer u de
gevoeligheid instelt.
Anders hebt u namelijk
(onterecht) de indruk dat
het verschil tussen hard en
zacht kloppen te klein is.
Metronoom gebruiken: [CLICK]
Met de [CLICK]-knop kunt u een metronoom activeren (of uitschakelen).
De metronoom is aan
Licht op
De metronoom is uit
Licht niet op
Met de [CLICK]-Fader
(GROUP FADERS) kunt u
het volume van de metronoom instellen (zie hierboven).
Metronoom enkel naar de hoofdtelefoon sturen
U kunt de metronoom zo instellen dat zijn signaal enkel naar de PHONES-aansluiting (en dus niet naar de MASTER OUTPUTS) wordt gestuurd. Dat is handig voor
het live-gebruik (als “Click Track”).
1
44
Druk op [CLICK]. De indicator licht op en de metronoom start.
Ook het tempo, de maatsoort en het geluid van de
metronoom zijn instelbaar.
Zie blz. 82.
2
Druk op [F2 (INST)]. Het display beeldt nu de “INST”-pagina af.
3
Druk op CURSOR [▼] om “OUTPUT” te selecteren.
4
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “PHONES”.
5
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
6
Druk op [CLICK] om de metronoom weer uit te schakelen.
Eerste kennismaking
En dan nu aan de slag…
De [CLICK]-indicator dooft nu weer.
Effect/Equalizer in- of uitschakelen
1
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
2
Druk op [F3 (
3
MENU)]. Nu verschijnt er een popup-menu:
Kies met [INC/+], [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] [▼]
“FX SW”.
45
En dan nu aan de slag…
4
5
Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display beeldt nu
de effectpagina af:
Druk op [F1] of [F3] om het effect c.q. de Equalizer uit te schakelen.
Met [F1] kunt u het Ambience-effect in- of uitschakelen; [F3] is aan de Equalizer toegewezen.
AMB (Ambience):
Dit is een galmeffect dat als ruimte wordt voorgesteld waarvan u de akoestische
kenmerken kunt veranderen.
EQ (Equalizer):
Hiermee kunt u de klankkleur van de hele Drum Kit corrigeren om bv. voor
meer laag of een sprankelend hoog te zorgen.
6
46
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
OPGELET
Wanneer u het effect uitschakelt, verandert er niets
aan hun instellingen
(behalve dat u ze niet meer
hoort). Alvorens de instellingen te veranderen moet
u het Ambience-effect c.q.
de Equalizer echter inschakelen.
Dit kunt u voor elke Drum
Kit apart instellen.
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Werking van de klankopwekking
De TD-8 is eigenlijk een synthesizer. Het gehanteerde syntheseprocédé heet “Variable Drum Modeling” en dat staat voor een klankopwekking die berust op rekenkundige modellen van alle factoren die een rol spelen voor het geluid van een Tom,
Snare, HiHat enz.
Meer bepaald legt de TD-8 zich toe op drie aspecten waar u tijdens de bediening van
deze module voortdurend mee te maken hebt: de instrumenten (INST), de akoestiek
(STUDIO) en het mengpaneel (MIXER). Het voordeel van deze aanpak is dat u voor
het editen van de geluiden gebruik kunt maken van dingen zoals de keteldiepte, het
velmateriaal enz. i.p.v. geconfronteerd te worden met parameternamen die bijna
niemand snapt. U zit dus a.h.w. te werken met een virtueel drumstel dat zich in een
virtuele ruimte bevindt en met een virtueel mengpaneel in balans wordt gebracht.
Met “DRUM KIT COPY”
(blz. 126) kunt u weer de
fabrieksinstellingen voor
deze Drum Kit laden.
[F1(INST)]
[F2(STUDIO)]
[MIXER]
Instrument
Studio
Mixer
Instrument
Location
Volume
Shell Depth
Room Size
Panning
Head Type
Wall Surface
Output
Tuning
Muffling (Muting)
Snare Strainer
Instrument (INST): Hier vindt u alles wat op de één of andere manier verband houdt
met de trommels, bekkens e.d.
Studio (STUDIO): Hier kunt u alles instellen wat te maken heeft met de denkbeeldige ruimte waarin de TD-8 (of beter gezegd: Drum Kit) staat opgesteld.
Mixer (MIXER): Hier kunt u de instrumenten met elkaar in balans brengen en er de
stereopositie (panorama) van bepalen. Dit is dus in de regel het laatste stadium.
Het verdient aanbeveling om tijdens het wijzigen van de instellingen op de
pads te spelen (of op [PREVIEW] te drukken) om te horen of u het gewenste
geluid daadwerkelijk benadert (of al gevonden hebt).
47
Eerste kennismaking
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Drum Kits wijzigen (“editen”)
3
1
3
1
1
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
2
3
Sla op de pads om na te gaan welke klanken er in deze Drum Kit
worden gebruikt.
Om het verschil van uw wijzigingen beter te horen, schakelt u het
effect best uit. Zie hiervoor blz. 45.
Druk op [KIT] → [F3 (
pen.
48
MENU)] → [FX SW] om de betreffende pagina op te roe-
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Eerste kennismaking
Drumklanken (instrumenten) kiezen
2
1
4
1, 5
1
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
2
Druk op [F1 (INST)]. Het display beeldt nu de “INST”-pagina af.
3
Sla op de pad waarvoor u een andere klank wilt kiezen.
Sla hier op de pad die dienst doet als Snare. Het display ziet er nu als volgt uit:
4
Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een andere
klank. Kies hier “MEDIUM4S” voor de Snare.
Om een Rim-klank (voor
de rand van een pad) te
kiezen, moet u als volgt te
werk gaan:
• Sla tegelijk op het midden en de rand (Rimshot). —of—
• Sla gewoon op de pad
en druk vervolgens op
[RIM].
• TRIGGER INPUT 1
(KICK1), 2 (KICK2), 11
(AUX1) en 12 (AUX2)
laten het gebruik van de
rand (Rim) niet toe.
• TRIGGER INPUT 2
(KICK2) en 12 (AUX2)
zijn enkel beschikbaar
wanneer u twee pads op
TRIGGER INPUT 1/2
(KICK1/2) c.q. 11/12
(AUX2) aansluit. Zie ook
blz. 25.
49
Drum Kits wijzigen (“editen”)
De instrumenten zijn in groepen onderverdeeld om u toe te laten ze nóg sneller te
kiezen:
a) Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “GROUP”.
b) Kies met [INC/+], [DEC/-] of de VALUE-schijf de benodigde instrumentgroep.
Materiaal van de Snare-ketel (enkel voor V-SNARE)
het materiaal waaruit uw denkbeeldige Snare gemaakt is wordt rechts in het display
aangegeven. Dit werkt echter enkel voor klanken uit de “V-Snare”-groep.
Houten ketel
Stalen ketel
Als u geen pad bij de hand
hebt, kunt u ook op [PREVIEW] drukken om de
klank te beluisteren.
Koperen ketel
5
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Drumklanken editen (V-EDIT)
Op de TD-8 is het heel eenvoudig om alle drumklanken precies naar uw hand te zetten. We hadden het er al over dat er hoegenaamd geen sprake is van technische termen. Ziehier het bewijs:
Keteldiepte (Shell Depth)
Laten we eerst kijken hoe je de keteldiepte van de Snare verandert.
1
50
Zie stap 1~3 op blz. 49. Het display moet er als volgt uitzien:
[TRIG SELECT] voor het
kiezen van de pad en [PREVIEW] voor het aansturen
van het daaraan toegewezen instrument werken ook
wanneer u wel degelijk een
pad op de betreffende
ingang hebt aangesloten.
2
Druk op [F2 (EDIT)].
3
Druk op [F1 (SHELL)]. Nu beeldt het display de “SHELL”-pagina af:
4
5
Op de ”SHELL”-pagina
kunt u, naast de keteldiepte, ook het velmateriaal kiezen en de stemming veranderen.
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “DEPTH”.
Stel met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf de gewenste
keteldiepte in.
Voor “MEDIUM4S” is waarschijnlijk nog “NORMAL” gekozen. Laten we even kijken wat “DEEP4” doet:
6
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Velmateriaal (Head Type) en stemmen (Tuning)
Laten we nu een ander (virtueel) vel voor onze Snare kiezen en deze trommel anders
stemmen:
1
2
Zie stap 1~5 hierboven. Het display moet er als volgt uitzien:
Druk op CURSOR [▲] of [▼] om de cursor naar “HEAD TYPE” te
brengen.
51
Eerste kennismaking
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Drum Kits wijzigen (“editen”)
3
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf het type vel.
Hier kunt u “CLEAR” tot “COATED” kiezen. Het geluid verandert navenant.
Ziezo, het vel hebt u gekozen. Nu moet/kunt u het nog stemmen.
4
5
Druk op CURSOR [▼] om “TUNING” te selecteren.
Stel met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf de gewenste
stemming in.
Het instelbereik gaat van “0” tot “+30”.
6
52
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Demping (Muffling) en snaarspanning (Strainer)
U kunt de Snare ook dempen (voorkomen dat hij al te lang nazindert) en de spanning van de snarenmat veranderen om ongewenste boventonen of het meetrillen
van de snaren in te perken. Dat zorgt voor een “tighter” geluid. Het is zelfs mogelijk
om de snaren helemaal af te zetten.
2
4, 5
Wanneer u “STRAINER
ADJ.” op “OFF” zet, terwijl
u met Brushes speelt, is het
effect nagenoeg onhoorbaar.
6, 8
1
7
9
1, 10
1
Zie stap 1~3 op blz. 49. Het display moet er als volgt uitzien:
2
Druk op [F2 (EDIT)].
3
Druk op [F2 (MUFFLE)] om naar de volgende pagina te gaan:
4
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “MUFFLING”.
5
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf het type demping.
53
Eerste kennismaking
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Kies hier “DOUGHNUTS2”. De resonantie van de ketel is nu veel stiller, zodat uw
Snare minder “rondzingt”.
Als u wilt, kunt u ook de spanning van de snarenmat instellen:
6
7
Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “STRAINER ADJ”.
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf de gewenste
spanning.
Kies hier “LOOSE” en luister even naar het verschil door op de pad te slaan.
8
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Ambience: de “plaats” waar uw virtueel
drumstel zich bevindt
Naast het geluid van de instrumenten kunt u ook de (nog steeds denkbeeldige)
“akoestiek” van de plaats instellen waar u graag zou willen drummen. Dit doet u
met de Ambience-parameters.
Zie “Effect/Equalizer in- of uitschakelen” op blz. 45 om het Ambienceeffect in te schakelen als dat nog niet gebeurd is.
Druk op [KIT] → [F3 (
1
MENU)] → [FX SW].
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
54
OPGELET
Als u het Ambience-effect
weer uitschakelt, verandert er niets aan de instellingen die u eventueel hebt
gewijzigd. Anderzijds mag
u niet vergeten het effect in
te schakelen alvorens de
bijbehorende parameters te
editen, want anders hoort u
de wijzigingen niet.
2
Druk op [F2 (STUDIO)]. Nu verschijnt de STUDIO-pagina.
3
Druk op CURSOR [▲] om de cursor naar “TYPE” te brengen.
4
5
Eerste kennismaking
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf het type studio
(en dus akoestiek). Kies hier voor de gein “STADIUM”.
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
De Ambience-parameters
kunt u voor elke Drum Kit
apart instellen.
55
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Mixer: balans van de instrumenten
5
1
6
2
1
3 1, 7
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
2
Stel de GROUP FADERS [KICK], [SNARE], [HI-HAT], [TOMS],
[CYMBALS] en [OTHERS] op dezelfde waarde.
Begin misschien met het maximale volume.
3
56
Druk op [MIXER]. De bijbehorende indicator licht op en het display
ziet er als volgt uit:
Misschien moet u de functie van de GROUP
FADERS eerst met de
[FADERS]-knop kiezen. Zie
blz. 19.
4
Sla op de pad die dienst doet als Snare. Het display beeldt nu de
parameterwaarden van de Snare af.
De betreffende pad kunt u
ook met [TRIG SELECT]
selecteren.
5
6
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “LEVEL”.
Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het gewenste
volume in.
Let er bij het instellen van het volume op dat zich alle GROUP FADERS in dezelfde
positie bevinden. Enkel da bent u er namelijk zeker van dat de mixinstellingen van
de Drum Kit ook daadwerkelijk zinvol zijn. De GROUP FADERS dienen eerder voor
tijdelijke wijzigingen die u niet wilt opslaan.
7
De GROUP FADERS hebben op de Mixer-pagina
geen functie (u kunt er dus
de Level-waarden niet mee
instellen).
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
De Mixer-parameters kunt
u voor elke Drum Kit apart
instellen.
Master-Equalizer: toonregeling
In sommige gevallen hebt u misschien een iets “zwaarder” of “briljanter” geluid
(voor alle druminstrumenten) nodig. Dat bereikt u door de Equalizer naar wens in
te stellen. De TD-8 biedt een 2-bands EQ voor elke Drum Kit – en de instellingen
ervan worden samen met de overige Drum Kit-parameters opgeslagen.
Indien nodig, moet u de Equalizer eerst inschakelen.
Druk op [KIT] → [F3 ( MENU)] → [FX SW] (zie ook blz. 45). U kunt de Equalizer
overigens in- en uitschakelen zonder dat de al gemaakte instellingen veranderen.
Alvorens de instellingen te wijzigen verdient het echter aanbeveling om hem in te
schakelen (zodat u ook hoort wat u aan het doen bent).
1
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
57
Eerste kennismaking
Drum Kits wijzigen (“editen”)
Drum Kits wijzigen (“editen”)
2
Druk op [F2 (STUDIO)]. Nu verschijnt de STUDIO-pagina.
3
Druk op [F1 (EQ)] om de “MASTER EQ”-pagina op te roepen.
4
Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “HIGH GAIN”
5
Stel met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf het gewenste
volume voor deze frequentieband in.
Kies hier even “+10” en let op de wijziging die u daarmee bereikt.
6
Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
De EQ-parameters kunt u
voor elke Drum Kit apart
instellen.
58
Met begeleiding spelen
De TD-8 is met een sequencer uitgerust die toelaat om begeleidingen of uw drumspel op te nemen en weer te geven. Het leuke aan deze sequencer is dat hij ook patronen (“Preset Patterns”) bevat. U hoeft dus maar een patroon te kiezen om een
inspirerend streepje muziek van een te gekke drumbegeleiding te voorzien.
Patterns weergeven
De Preset-patronen 1~664 worden telkens weer herhaald en dus in een lus weergegeven. Dat betekent dat u de weergave moet stoppen door op de [PLAY/STOP]knop te drukken. De patronen zijn handig voor het instuderen van nieuwe drumfiguren.
2, 4
3
5
6, 7
1
Het weergavevolume kunt
u met de [PHONES]- en
[MASTER]-regelaar instellen. Vóór starten van de
weergave zet u deze regelaars echter het best op de
minimumwaarde om schade aan uw oren, luidsprekers, hoofdtelefoon e.d. te
voorkomen. Vervolgens
kunt u het volume verhogen.
1
Druk op [PATTERN]. In het display verschijnt het nummer van het
momenteel geselecteerde patroon.
[PATTERN] licht op en de bijbehorende display-pagina verschijnt.
2
U kunt ook zelf patronen
programmeren. Zie
“Patroon in Realtime opnemen” op blz. 95.
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “CATEG”.
De balans tussen de begeleiding en de drums is
instelbaar. Zie hiervoor
“Volume van de begeleiding en de metronoom” op
blz. 62.
Preset-patroon 1,
“DRUMS”, bevat een
drumsolo. Als u tijdens de
weergave ervan andere
Drum Kits kiest, hoort u
meteen hoe een nieuwe lente (Kit) een nieuw geluid
maakt.
59
Eerste kennismaking
Met begeleiding spelen
Met begeleiding spelen
3
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf de categorie die
het benodigde patroon bevat.
4
Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de patroonnaam.
5
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf een patroon.
6
Druk op [PLAY/STOP] (indicator licht op). De weergave begint.
De laatste letters van de
patroonnamen slaan op het
type patroon (intro enz.).
Zie ook blz. 85.
7
Druk op [PLAY/STOP] om de weergave te stoppen.
De [PLAY/STOP]-indicator dooft weer.
Patroonweergave starten/stoppen
Met de [PLAY/STOP]-knop kunt u de weergave afwisselend starten en
stoppen. Als u de weergave stopt, keert de sequencer naar het begin van
de laatst weergegeven maat terug.
Als de weergave gestopt is, kunt u het volgende doen:
Terug naar het begin van het patroon: Druk op [TOP].
Springen naar het begin van de volgende maat: Druk op [FWD].
Terug naar het begin van de vorige maat: Druk op [BWD].
Hier bevindt zich de weergave
1
60
2
3
4
Deze functie is ook voor
Songs beschikbaar. Zie
blz. 108.
Songs weergeven
Omdat één patroon na verloop van tijd begint te vervelen, kunt u ook verschillende
patronen aaneenschakelen en deze volgorde dan weergeven. Zo’n aaneenschakeling
heet –heel toepasselijk– “Song”.
2
3, 4
Druk op [SONG]. De “SONG”-pagina verschijnt.
2
Kies met [INC/+] of [DEC/-] c.q. de VALUE-schijf een Song.
4
Het weergavevolume kunt
u met de [PHONES]- en
[MASTER]-regelaar instellen. Vóór starten van de
weergave zet u deze regelaars echter het best op de
minimumwaarde om schade aan uw oren, luidsprekers, hoofdtelefoon e.d. te
voorkomen. Vervolgens
kunt u het volume dan verhogen.
1
1
3
U kunt ook eigen Songs
programmeren door de
volgorde van de gewenste
patronen te bepalen
(blz. 106).
De balans tussen de begeleiding en de drums is
instelbaar. Zie hiervoor
“Volume van de begeleiding en de metronoom” op
blz. 62.
Druk op [PLAY/STOP]. De bijbehorende indicator licht op en de
weergave van de Song begint.
Om de weergave van de Song weer te stoppen, moet u nog een keer
op [PLAY/STOP] drukken.
Als u op [PLAY/STOP]
drukt, terwijl u de [SHIFT]knop ingedrukt houdt, activeert u de lusweergave van
de Song. Die stopt dan
enkel nog wanneer u op de
[PLAY/STOP]-knop drukt.
61
Eerste kennismaking
Met begeleiding spelen
Met begeleiding spelen
Volume van de begeleiding en de metronoom
U zou nu een aantal patronen en Songs kunnen beluisteren om er één te zoeken dat/
die u graag wilt begeleiden. Misschien begint u graag met de metronoom om strak
in de maat te spelen. De balans van de metronoom, de begeleiding en de drums is
instelbaar.
4 1
1
3
2, 5
1
2
3
4
5
62
3
Kies de Drum Kit die u wilt gebruiken (zie blz. 41).
Stel de GROUP FADERS [OTHERS], [BACKING] en [CLICK] zo in
dat ze lager staan dan de overige regelaars.
Vervolg met “Patterns weergeven” op blz. 59 of “Songs weergeven”
op blz. 61 om de weergave van het patroon of de Song te starten.
Druk op [CLICK]. De indicator licht op en de metronoom begint te
spelen.
Regel de balans tussen de Drum Kit en de metronoom/begeleiding
anderzijds met de GROUP FADERS [OTHERS], [BACKING] en
[CLICK].
Indien nodig, moet u met
de [FADERS] -regelaar de
“andere” functie van de
GROUP FADERS kiezen.
Zie blz. 19.
Drums van de patronen/Songs uitschakelen
Het is ook mogelijk om de drums van de patronen en Songs uit te schakelen (want
die wilt u beslist zelf spelen). De percussie wordt dan niet uitgeschakeld, maar dat
vindt u beslist niet erg.
2, 4, 5, 6, 7
OPGELET
De druminstrumenten worden volgens nootnummers
uitgeschakeld. U kunt de
“uit-groepen” dus niet zelf
programmeren.
Op blz. 159 vindt u een
overzicht van de “Mute”nootnummers.
3
Alle percussie-instrumenten van de Preset-patronen
(met uitzondering van 1,
“DRUMS”) worden
gespeeld door de Percussion Part.
9 1 8
1
Start de weergave van een patroon (zie “Patterns weergeven” op
blz. 59). Kies hier patroon 75, “A.O.R.-A.”
[PLAY/STOP] licht op en de weergave van het patroon begint.
2
Druk op [F2 (
3
Kies met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] “MUTE” (uit).
Om sneller naar een ver
verwijderd patroon te
gaan, kunt u [SHIFT]-ingedrukt houden, terwijl u aan
de VALUE-schijf draait.
PART)]. Nu verschijnt er een popup-menu
De PART MUTE-pagina
kunt u ook oproepen door
[SHIFT] ingedrukt te houden, terwijl u op [MIXER]
drukt.
63
Eerste kennismaking
Met begeleiding spelen
Met begeleiding spelen
4
5
6
Bevestig uw keuze door op [F2] te drukken. Het display beeldt nu
de PART MUTE-pagina af.
Druk op [F2 (DRM/PC)]. “DRM/PC” wordt nu normaal afgebeeld.
Dat betekent dat de drums niet meer worden afgespeeld.
• Part Mute is ook voor
Songs beschikbaar. Zie
blz. 109.
• Meer details over het
uitschakelen van de
drums en Part 1~4 vindt
u op blz. 93.
Druk nog een keer op [F2 (DRM/PC)].
“DRM/PC” verdwijnt nu helemaal en ook de percussie wordt niet meer afgespeeld.
7
De Part Mute-instellingen
gelden voor alle patronen
en Songs.
Druk nog een keer op [F2 (DRM/PC)].
“DRM/PC” wordt nu weer op een donkere achtergrond afgebeeld en u hoort de
drums weer.
8
9
64
Druk op [PATTERN]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Druk nog een keer op [PLAY/STOP] om de weergave van het
patroon weer te stoppen. De bijbehorende indicator dooft.
Natuurlijk dienen de pads eerst en vooral om te drummen. U kunt ze echter ook als
“aan/uit-schakelaars gebruikers voor de weergave van patronen (dat heet dan (Pad
Pattern). Deze aanpak laat toe om moeilijke roffels e.d. te laten spelen of indrukwekkende geluidseffecten en riffs aan uw drumspel toe te voegen, wat natuurlijk niet
mogelijk is met een akoestisch drumstel.
Sommige voorgeprogrammeerde Drum Kits bevatten deze padfuncties al. Bij wijze
van voorbeeld willen we dat even uitproberen met Kit 6 “1ManBand”.
Meer details over het
gebruik van de pads voor
het starten van patronen
vindt u op blz. 121.
1
1
1
Kies de gewenste Drum Kit (zie blz. 41).
Voor dit voorbeeld willen we Drum Kit 1, “V Custom” gebruiken. Het display zou
nu de “DRUM KIT”-pagina moeten afbeelden:
2
Met het basdrumpedaal kunt u de baspartij nu noot voor noot spelen.
65
Eerste kennismaking
Patronen via de pads starten Patronen via de pads starten
Meespelen met GM-Songs
Meespelen
met GM-Songs
De TD-8 is General MIDI (GM) compatibel, zodat u hem ook als module kunt gebruiken voor het afspelen van Standard MIDI Files voor GM-instrumenten. Natuurlijk
kunt u ook meedrummen. Meer details hierover vindt u onder “Werken met GMdata” op blz. 139.
Bij gebruik van de TD-8 als GM-module
• De TD-8 is in de GM-mode 16-Parts multitimbraal en kan dus evenveel partijen
tegelijk weergeven.
• In de GM-mode kunt u de interne sequencer niet gebruiken.
• De Drum Kit-partijen kunnen niet via MIDI worden aangestuurd. U kunt ze
echter wel live spelen door de pads en de pedalen te gebruiken.
Meer details hieromtrent vindt u onder “TD-8 als General MIDI-module
gebruiken” op blz. 138.
66
Referentie
Referentie
67
Hoofdstuk 1: Drum Kit-instellingen
Hoofdstuk 1: Drum Kit-instellingen
Drum Kits kiezen
6
1. Druk op [KIT]. De bijbehorende indicator licht op en het
display beeldt de “DRUM KIT”-pagina af.
5
7
4
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde Drum Kit.
Het nummer van deze Kit wordt altijd in het LED-display links naast het LCD afgebeeld:
4 Brush
De “BRUSH”-melding verschijnt enkel voor Drum Kits
die u met Brushes kunt bespelen. Zie ook “Spelen met
Brushes” op blz. 69.
5 Effecten aan/uit
Voor het kiezen van een Drum Kit zou u ook een voetschakelaar kunnen gebruiken (blz. 124).
Wanneer het Ambience-effect en de EQ ingeschakeld
zijn, verschijnt hier hun benaming. Is dit veld leeg, dan
weet u dat de effecten uitgeschakeld zijn.
Zie ook “Effecten in-/uitschakelen” op blz. 70.
6 Nummer en maat van het geselecteerde
patroon/de gekozen Song
Over de “DRUM KIT”-pagina
De display-pagina die na het drukken op [KIT] verschijnt,
noemen we in deze handleiding de “DRUM KIT”-pagina.
1
Hier komt u te weten of en waar een patroon/Song
begint, wanneer u op de [PLAY/STOP]-knop drukt.
• Een getal onder “PTN” betekent dat u de weergave van
het betreffende patroon kunt starten.
2
3
• Wanneer er ook onder “SONG” een nummer verschijnt,
kunt u de weergave van die Song starten.
1 Gekozen pad (ingang)
Hier komt u te weten welke pad er momenteel is geselecteerd. Als u niet op een pad zelf, maar op de rand ervan
hebt geklopt, verschijnt er ook een “ ” (voor “Rim”).
Op blz. 71 komt u te weten hoe u pads selecteert.
2 Chain aan/uit, stap
U kunt ook de volgorde programmeren waarin u de
Drum Kits tijdens een optreden e.d. wilt selecteren.
Omdat het om een “keten” gaat, hebben we het in deze
handleiding over Chains. Wanneer er in dit veld iets
staat, is de Chain-functie actief. Meer details over de
Chain-parameters vindt u op blz. 120.
3 Naam van de Drum Kit
Hier wordt de naam van de momenteel gekozen Drum
Kit afgebeeld.
68
Meer details over patronen en Song vindt u in “Hoofdstuk 5: Werken met patronen” op blz. 84 en “Hoofdstuk
6: Werken met Songs” op blz. 105.
7 GM-mode aan/uit
De melding “GM ON” betekent dat u de GM-mode van
de TD-8 geselecteerd hebt. Is dat niet het geval, dan
wordt er op deze plaats niets afgebeeld. Zie ook blz. 138.
Zodra u alle parameters naar wens hebt ingesteld, doet u
er verstandig aan om op [KIT] te drukken. Hierdoor
roept u namelijk weer de “DRUM KIT”-pagina op waar
het onmogelijk is om per ongeluk een instelling te wijzigen.
Hoofdstuk 1: Drum Kit-instellingen
Naam geven aan een Drum
Kit: NAME
De naam van een Drum Kit kan tot acht tekens bevatten.
Spelen met Brushes
U kunt voor elke Drum Kit bepalen of u met stokken of
Brushes wilt spelen.
1. Druk op [KIT], en vervolgens op [F3 ( MENU)]. De bijbehorende indicator licht op en er verschijnt een popupmenu.
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[KIT] licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲]/[▼] “NAME”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
beeldt nu de “DRUM KIT NAME”-pagina af.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “FUNC”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
Druk op [SHIFT]
1
4. Druk op [F1(BRUSH)]. De “BRUSH”-pagina verschijnt.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“ON”. Dit betekent dat deze Drum Kit nu geschikt is
voor het spelen met Brushes.
6. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
4. Breng de cursor met CURSOR [F1 (LEFT )] of [F2
(RIGHT )] naar de tekenpositie die u wilt wijzigen.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] een ander teken.
BRUSH SWITCH: OFF, ON
OFF: De Drum Kit kan met stokken worden bespeeld.
ON: De Drum Kit kan met Brushes worden bespeeld.
6. Druk op [EXIT] als u klaar bent.
)]: Hiermee beweegt u de cursor naar links.
[F1 (LEFT
)]: De cursor gaat naar rechts.
[F2 (RIGHT
[F3 (CHAR)]: Hiermee kiest u afwisselend hoofd- en
kleine letters of symbolen.
[SHIFT] + [F1 (INSERT)]: Dient voor het tussenvoegen
van een spatie. Alle tekens vanaf deze positie tot het einde van de naam verhuizen dan één positie verder naar
rechts.
[SHIFT] + [F2 (DELETE)]: Het teken waar de cursor zich
momenteel bevindt wordt gewist. De navolgende tekens
verhuizen één positie verder naar rechts.
Deze instelling is enkel noodzakelijk wanneer u een
Drum Kit kiest die voor het spelen met stokken werd
geprogrammeerd, maar die u nu met Brushes wilt bespelen. Als u zelf een Brush Drum Kit wilt samenstellen,
raden we echter aan om een bestaande Brush-Kit te
kopiëren en die dan te editen, omdat de meeste instellingen dan al meteen goed zitten.
De hier gekozen instelling (Brushes of geen Brushes)
wordt ook op de “DRUM KIT”-pagina afgebeeld.
[SHIFT] + [F3 (SPACE)]: Het door de cursor aangeduide
teken wordt vervangen door een spatie.
U kunt de volgende tekens gebruiken:
A~Z, a~z, 0~9,!, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
Wanneer u de BRUSH SWITCH op “ON” zet, kunt u
roeren zoals een jazzdrummer. Deze techniek werkt echter enkel in de volgende gevallen:
• Voor de pad die u op TRIGGER INPUT 3 aansluit.
, =,
,
, ?, _,
,
,
,
,
,
,
• Bij gebruik van een PD-120, PD-100, PD-80R of
PD-80.
• Als de aangestuurde klank 233 “BRUSH1 S”, 234
“BRUSH2 S”, 235 “BRUSH3 S” of 239 “BRSHTMBS”
heet.
69
Hoofdstuk 1: Drum Kit-instellingen
Wat gebeurt er wanneer u de Brush Switch
activeert?
Als u de Brush Switch op “ON” zet, worden de parameters
i.v.m. de triggering anders ingesteld:
BRUSH SWITCH: ON
Instellingen voor Brushes
TRIG TYPE
BRUSH SWITCH: OFF
SENSITIVITY
Instellingen voor stokken
TRIG TYPE THRESHOLD
SENSITIVITY
CURVE
THRESHOLD
Met [MIXER] kunt u het volume van de overige pads/
klanken instellen.
Effecten in-/uitschakelen
Het Ambience-effect en de Equalizer kunnen voor elke Drum
Kit apart worden in- of uitgeschakeld.
1. Druk op [KIT], en vervolgens op [F3 ( MENU)]. De bijbehorende indicator licht op en er verschijnt een popupmenu.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “FX SW”.
CURVE
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
beeldt nu de “FX SW”-pagina af.
Met name wordt de Sensitivity-parameter zo ingesteld dat de
TD-8 veel gevoeliger is dan bij het gebruik van stokken (want
enkel dan wordt het “roeren” ook als zodanig herkend.
4. Druk op [F1] of [F3].
Pedaalvolume van de HiHat:
Pedal HiHat Volume
U kunt voor elke Drum Kit apart instellen hoe luid de HiHat
klinkt, wanneer u het pedaal intrapt. Hoe groter deze waarde, hoe luider het volume. Als u “0” kiest, hoort u de HiHat
niet wanneer u enkel het pedaal intrapt zonder op de bijbehorende pad te slaan.
1. Druk op [KIT], en vervolgens op [F3 ( MENU)]. De bijbehorende indicator licht op en er verschijnt een popupmenu.
[F1]: Hiermee schakelt u het Ambience-effect in of uit.
[F3]: Hiermee schakelt u de Equalizer in of uit.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Wanneer u deze effecten inschakelt, verschijnt hun naam
op de “DRUM KIT”-pagina.
Voorbeeld: Wanneer u zowel het Ambience-effect als de
Equalizer op “ON” zet, wordt dat op de volgende
manier aangeduid:
“FX SW”-pagina:
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “FUNC”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F2 (PEDAL)]. Het display beeldt nu de
“PEDAL”-pagina af.
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PEDAL HI-HAT
VOLUME”.
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
7. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
PEDAL HI-HAT VOLUME: 0~15
70
“DRUM KIT”-pagina:
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten
editen
In dit hoofdstuk komt u te weten hoe u de druminstrumenten (d.w.z. de klanken die u via de pads enz. aanstuurt) naar
uw hand kunt zetten.
Als u de gewijzigde Drum Kit toch niet goed vindt, kunt
u met “DRUM KIT COPY” weer de fabrieksversie oproepen (blz. 126).
Hoe weet u nu of u momenteel de pad of de rand ervan
hebt geselecteerd? Let gewoon op de “H” (voor “Head”),
de “R” (voor “Rim”) en op “RIM” (als dit laatste niet
wordt afgebeeld, is de pad geselecteerd).
Oftewel:
De pad is geselecteerd:
Kiezen van de pad
De pad (d.w.z. de bijbehorende klank) kunt u op één van de
volgende manieren selecteren:
Sla op de benodigde pad
De rand (Rim) is geselecteerd:
2
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F1 (INST)]. [KIT] licht
op en het display beeldt de “INST”-pagina af.
2. Sla op de benodigde pad.
Nu worden de instellingen voor die pad afgebeeld. Om
de rand (Rim) te selecteren, moet u tegelijkertijd op de
rand en op de eigenlijk pad slaan.
Door [SHIFT] + [RIM] in te drukken kunt u zorgen dat
het display niet telkens de parameters van de laatst geselecteerde pad afbeeldt. Zie ook “Hangslot: display-pagina’s vergrendelen” op blz. 72.
In deze handleiding:
Kies de pad met TRIGGER SELECT
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F1 (INST)]. [KIT] licht
op en het display beeldt de “INST”-pagina af.
2. Kies met TRIG SELECT [
] of [
] het nummer van
de benodigde ingang (en dus pad/klank).
Aanduiding van de gekozen pad
In het dislay ziet u altijd welke pad er momenteel geselecteerd is.
Voorbeeld:
• De Snare-pad (TRIGGER INPUT 3) is gekozen:
Het nummer van de gekozen pad wordt in het display
afgebeeld (zie ook blz. 68).
3. Druk op [RIM] als u de rand nodig hebt.
Eigenlijke pad: [RIM] licht niet op.
• De Rim van de Snare-pad (TRIGGER INPUT 3):
Rim: [RIM] licht op.
OPGELET
• Voor TRIGGER INPUT 1 (KICK 1), 2 (KICK 2), 11 (AUX
1) en 12 (AUX 2) kunt u “Rim” niet kiezen.
• TRIGGER INPUT 2 (KICK2) en 12 (AUX2) zijn enkel
beschikbaar wanneer u twee pads op TRIGGER INPUT
1/2 (KICK1/2) of 11/12 (AUX2) aansluit (blz. 25).
71
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
Hangslot: display-pagina’s
vergrendelen
Tijdens het editen van een bepaalde pad is het soms handig
als u het resulterende geluid even met dat van de overige
pads vergelijkt. Vergrendelt u het display niet, dan worden
telkens de instellingen van de laatst geselecteerde pad afgebeeld, wat soms voor verwarring kan zorgen (en als u
gehaast bent, wijzigt u misschien de instelling van de verkeerde pad). Om dat te voorkomen kunt u het display na het
kiezen van de te editen pad “vergrendelen”, zodat het niet
meer verandert.
OPGELET
Vergeet niet de grendelfunctie weer uit te schakelen als u
ze niet meer nodig hebt, want anders denkt u op een
later tijdstip misschien dat de TD-8 niet naar behoren
werkt.
1. Sla op de pad die u wilt editen en wiens parameters u de
hele tijd wilt zien.
U kunt de pad ook met [TRIG SELECT] kiezen.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
instrument.
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “GROUP” als u
een instrument van een andere groep wilt selecteren (zie
ook blz. 73).
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Onder “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154
komt u te weten welke klanken er allemaal zijn.
Keuze van het ketelmateriaal (enkel voor
V-Snare-klanken)
U kunt zelfs het materiaal van de Snare-ketel bepalen.
De benaming van de gekozen instelling wordt rechts in
het display afgebeeld:
Houten ketel (WOOD)
Stalen ketel (STEEL)
2. Houd [SHIFT] ingedrukt, terwijl u op [RIM] drukt.
[RIM] knippert om aan te geven dat het display vergrendeld is. Op de “INST”-pagina wordt bovendien een
hangslot (
) afgebeeld.
Koperen ketel (BRASS)
3. Om de pagina weer te “ontgrendelen”, moet u op [TRIG
SELECT] [
], [
] of [RIM] drukken. [RIM] licht nu
op (knippert niet meer) of dooft.
Instrumenten kiezen
De klanken van de TD-8 noemen we “instrumenten” (INST).
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F1 (INST)]. [KIT] licht
op en het display beeldt de “INST”-pagina af.
Klanken kiezen uit een lijst
Als u nog niet precies weet naar wat voor een klank u op
zoek bent, zou u de lijst kunnen gebruiken. Die heeft het
voordeel dat u alle klanken te zien krijgt die de TD-8 bevat.
1. Druk op [KIT], [F1 (INST)] en [F1 (LIST)]. [KIT] licht op
en de lijst van instrumenten verschijnt.
2. Sla op een pad om hem te selecteren. Het display beeldt
nu de instellingen voor die pad af.
2. Sla op een pad. Het display beeldt nu de instellingen van
de gekozen pad af. De cursor bevindt zich bij het geselecteerde instrument.
GROUP: Slaat op het instrumenttype.
INST: Slaat op het momenteel gekozen instrument.
72
3. Druk op [INC/+] of [DEC/–] of gebruik de VALUEschijf c.q. CURSOR [▲]/[▼] om een instrument te kiezen.
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
• Druk op [F1 (GROUP)] om de zoektocht te beperken tot
de instrumentgroep.
4. Druk op [EXIT]. U keert nu weer terug naar de “INST”pagina.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Onder “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154
komt u te weten, welke instrumenten er allemaal zijn.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
andere groep.
4. Druk op [F1 (INST)]. De cursor springt nu naar de instrumentnaam.
5. Zie verder “Klanken kiezen uit een lijst” op blz. 72 voor
het kiezen van de gewenste klank.
Onder “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154
komt u te weten, welke instrumenten er allemaal zijn.
Instrumenten kiezen via groepen
Editen van de “V”-klanken
(V-EDIT)
Groep kiezen op de “INST”-pagina
V-EDIT en EDIT
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F1 (INST)]. [KIT] licht
op en het display beeldt de “INST”-pagina af.
De aard en het aantal van de beschikbare parameters, die u
voor de basdrum-, Snare- en Tom-klanken kunt instellen,
verschillen naar gelang het gekozen instrument. Er zijn
namelijk twee types:
V-EDIT
In dit geval kunt u het materiaal van het
vel en de ketel evenals de keteldiepte
kiezen. Gaat het om een Snare-klank,
dan kunt u bovendien de spanning van
de snarenmat instellen.
EDIT
In dit geval zijn er maar twee parameters: “PITCH” (toonhoogte) en
“DECAY” (duur).
2. Sla op een pad om hem te selecteren.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “GROUP”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde groep.
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar cursor “INST”.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
instrument uit die groep.
7. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Onder “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154
komt u te weten, welke instrumenten er allemaal zijn.
Groepen gebruiken voor de instrumentlijst
Wanneer beschikt u over V-EDIT?
V-EDIT is enkel beschikbaar voor de volgende groepen: “VKICK”, “V-SNARE” en “V-TOM”. Voor de instrumenten van
de overige groepen kunt u enkel de toonhoogte en de lengte
van de klank bepalen.
Voor “V”-instrumenten wordt het volgende
icoontje afgebeeld:
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F1 (LIST)]→
[F1 (GROUP)].
[KIT] licht op en het display beeldt de instrumentlijst af:
OPGELET
2. Sla op de pad waarvoor u een andere klank wilt kiezen.
De cursor bevindt zich op de naam van de groep waartoe
de momenteel gekozen klank behoort.
Als u een instrument gebruikt dat zowel voor de
pad als de rand “V” is, gelden de V-parameters
(keteldiepte, velmateriaal enz.) telkens voor beide
geluiden. Als u deze instellingen dus voor één van
beide verandert, verandert ook het “andere” geluid.
73
2
• Door [SHIFT] ingedrukt te houden, terwijl u op [INC/+]
of [DEC/–] drukt, kunt u telkens in stappen van één
pagina door de instrumenten stappen.
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
Keteldiepte (Shell Depth)
Door de keteldiepte te veranderen wijzigt u de klankkleur
van de betreffende (virtuele) trommel. Behalve met een zaag
of tape is dit op een akoestisch drumstel niet mogelijk. Het
aantal mogelijkheden verschilt naar gelang het instrument
dat u aan het editen bent (zie verderop). In de regel betekent
de keuze van een “DEEP”-instelling dat het geluid “vetter”
wordt.
Opgelet: Deze parameter is enkel beschikbaar voor de
instrumenten van de volgende groepen: V-KICK, V-SNARE,
V-TOM.
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→
[F1 (SHELL)]. De [KIT]-indicator licht op en het display
beeldt de “SHELL”-pagina af.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “HEAD
TYPE”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
HEAD TYPE: Clear, Coated, PinStripe®
CLEAR: Een enkelvoudig doorzichtig vel.
COATED: Het meest courante veltype.
PINSTRIPE (PinStripe®): Een vel dat uit twee lagen
bestaat.
PinStripe® is een geregistreerd handelsmerk van Remo
Inc., U.S.A.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “DEPTH”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde instelling.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
DEPTH:
V-KICK: NORMAL, DEEP
Stemmen van het vel (Tuning)
Het is zelfs mogelijk om de stemming van het virtuele vel
(zie hierboven) naar wens in te stellen.
Opgelet: Deze parameter is enkel beschikbaar voor de
instrumenten van de volgende groepen: V-KICK, V-SNARE,
V-TOM.
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→
[F1 (SHELL)]. De [KIT]-indicator licht op en het display
beeldt de “SHELL”-pagina af.
V-SNARE: NORMAL, DEEP1, DEEP2, DEEP3, DEEP4
V-TOM: NORMAL, DEEP
OPGELET
Hoe dieper de ketel, hoe luider het geluid wordt. Dat
moet u dus eventueel met de Mixer corrigeren.
Telkens als u een ander instrument kiest voor een pad,
springt de “DEPTH”-parameter weer naar “NORMAL”.
Velmateriaal (Head Type)
De drummer in u weet natuurlijk dat het velmateriaal bepalend is voor het al dan niet “knallen” van de trommel. Ook
dat kunt u op de TD-8 virtueel veranderen. De mogelijkheden zijn: CLEAR, COATED en PINSTRIPE (PinStripe®).
Opgelet: Deze parameter is enkel beschikbaar voor de
instrumenten van de volgende groepen: V-KICK, V-SNARE,
V-TOM.
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→
[F1 (SHELL)]. De [KIT]-indicator licht op en het display
beeldt de “SHELL”-pagina af.
74
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
3. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “TUNING”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
TUNING: –480~+480 (–4~+4 octaven)
OPGELET
Bij sommige instrumenten kunt u de toonhoogte maar
tot op een bepaald punt wijzigen. Daarom verandert de
stemming niet meer, wanneer u daarna nog een hogere
waarde kiest.
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
Demping van de trommel (Muffling)
Snaarspanning (Strainer Adj.)
Als u al in een studio hebt gespeeld, weet u dat er altijd
iemand klaarstaat met tape of, teddybeertjes en dekens om
de resonanties van uw drumstel tegen te gaan. Bij de TD-8 is
dat verleden tijd: u kunt de demping namelijk via het frontpaneel instellen.
Met deze parameter bepaalt u hoe sterk de snarenmat tegen
de onderkant van het resonantievel drukt. Hoe strakker de
snaren, hoe korter ze trillen. U kunt ook kiezen voor helemaal geen contact. Uiteraard is deze parameter enkel
beschikbaar voor Snare-klanken, en wel die van de VSNARE-groep.
Opgelet: Deze parameter is enkel beschikbaar voor de
instrumenten van de volgende groepen: V-KICK, V-SNARE,
V-TOM.
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→
[F2 (MUFFLE)]. De [KIT]-indicator licht op en het display beeldt de “MUFFLE”-pagina af.
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→
[F2 (MUFFLE)]. De [KIT]-indicator licht op en het display beeldt de “MUFFLE”-pagina af.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
3. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “STRAINER
ADJ”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
OFF: De snaren worden niet gebruikt.
LOOSE, MEDIUM, TIGHT: Losse, medium- en strakke
snaarspanning.
OPGELET
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
MUFFLING:
V-KICK:
OFF, TAPE1, TAPE2, BLANKET,
WEIGHT
V-SNARE:
OFF, TAPE1, TAPE2, DOUGHNUTS1,
DOUGHNUTS2
V-TOM:
OFF, TAPE1, TAPE2, FELT1, FELT2
OFF: De trommel wordt niet gedempt.
TAPE1: De trommel wordt met één stukje tape gedempt.
TAPE2: De trommel wordt “afgeplakt”.
BLANKET: Er wordt een deken in de basdrum gelegd.
WEIGHT: Op het deken wordt dan nog een zwaar voorwerp gelegd.
DOUGHNUTS1: Ringvormige demper.
DOUGHNUTS2: Andere ringvormige demper die de
boventonen (hoge frequenties) sterker dempt.
FELT1: Het bekende viltje dat zich aan de onderkant van
het vel bevindt.
FELT2: Hetzelfde viltje. Ditmaal drukt het echter veel
sterker tegen het vel.
Als u een Brush-kit aan het programmeren bent, zet u
“STRAINER ADJ.” het best niet op “OFF”. Anders hoort
u namelijk niet meer veel.
Voor alle niet-”V”-klanken:
Pitch en Decay
We hadden het er al over dat de aard en het aantal van de
instrumentparameters verschilt naar gelang het instrumenttype. Voor alle instrumenten, die niet tot de V-KICK-, VSNARE- of V-TOM-groep behoren, kunt u enkel de toonhoogte (Pitch) en de duur (Decay) instellen.
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F1 (INST)]. [KIT] licht
op en de “INST”-pagina verschijnt.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
instrument van een andere groep dan V-KICK, VSNARE of V-TOM.
4. Druk op [F2 (EDIT)].
75
2
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “MUFFLING”
(indien nodig).
Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt instellen.
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
7. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
PITCH: (–480~+480). Hiermee kunt u de toonhoogte veranderen.
DECAY: (–31~+31) Hiermee bepaalt u hoe snel de klank
uitsterft (dus in zekere zin de demping).
OPGELET
Bij bepaalde klanken is het instelbereik van “DECAY”
beperkt. Vanaf een bepaalde waarde verandert het
geluid dan ook niet meer.
76
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen
Hoofdstuk 3: Studio- en
Mixer-instellingen
Ambience-effect (galm)
PLASTER: Simuleert de reflecties van een geplaasterde
muur. Dit zorgt voor een iets “levendiger” geluid.
De TD-8 bevat geen conventioneel Reverb-effect. Hij zit
namelijk veel slimmer in elkaar: u kunt zelf de ruimte kiezen
waar uw Drum Kit staat opgesteld.
GLASS: Simuleert de akoestiek van een ruimte met veel
glazen oppervlakken. Dit zorgt voor een sprankelend
geluid.
Type: plaats waar uw drumstel
staat
Tijdens het instellen van de galm kunt u best altijd beginnen
met de keuze van de ruimte. Alle andere “Ambience”-parameters staan namelijk in functie van deze keuze.
1. Druk op [KIT] en op [F2 (STUDIO)]. [KIT] licht op en de
Studio-pagina verschijnt.
Room: grootte van de ruimte
Met deze parameter bepaalt u hoe groot de gekozen ruimte is
(niet beschikbaar voor “BEACH”).
1. Druk op [KIT] en op [F2 (STUDIO)]. [KIT] licht op en de
Studio-pagina verschijnt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “ROOM”.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “TYPE”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
ROOM: SMALL, MEDIUM, LARGE
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
TYPE:
BEACH, LIVING, BATH, STUDIO,
GARAGE, LOCKER, THEATER, CAVE,
GYM, STADIUM
OPGELET
Als u hier “BEACH” kiest, zijn de parameters “WALL”,
“ROOM” en “LEVEL” niet beschikbaar.
Wall: Materiaal van de muren
Level: volume van het Ambienceeffect
De naam zegt het eigenlijk al: hiermee bepaalt u het volume
van het Ambience-effect.
1. Druk op [KIT] en op [F2 (STUDIO)]. [KIT] licht op en de
Studio-pagina verschijnt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “LEVEL”.
Met deze parameter kunt u de materiaal van de muren in uw
denkbeeldige ruimte kiezen (niet beschikbaar voor
“BEACH”).
1. Druk op [KIT] en op [F2 (STUDIO)]. [KIT] licht op en de
Studio-pagina verschijnt.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste volume.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “WALL”.
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
LEVEL: 0~127
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Wall: WOOD, PLASTER, GLASS
Wood: Zorgt voor een warm geluid dat typisch is voor
een ruimte met houten muren.
77
3
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen
Ambience Send Level: effectaandeel van de instrumenten
Effectaandeel voor de Partgroepen (AMB Group Send Level)
Instellingen voor de pads (“H”)
Met deze parameters bepaalt u hoe sterk de Drum Kit-, Percussion- en de overige Parts van Ambience worden voorzien
(hier gaat het om klankgroepen i.p.v. individuele klanken).
1. Druk op [KIT]→ [F2 (STUDIO)]→ [F2 (AMBSND)]→ [F1
(GRPSND)]. [KIT] licht op en de “AMB SEND LEVEL”pagina verschijnt.
Instellingen voor de rand (“R”)
1. Druk op [KIT]→ [F2 (STUDIO)]→ [F2 (AMBSND)].
[KIT] licht op en de “AMBIENCE SEND LEVEL”-pagina
verschijnt.
2. Druk op een functieknop ([F1]~[F3]) om de groep te
selecteren waarvan u het Ambience-aandeel wilt veranderen.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
2. Sla op de pad die u wilt editen. Diens instellingen verschijnen nu in het display.
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
[F1 (KIT)]: Hiermee kunt u het effectaandeel van de hele
Drum Kit instellen. (Dit is een zgn. Master-regelaar die
toelaat om het effectaandeel te wijzigen zonder iets aan
de onderlinge effectbalans te veranderen.)
Er bestaat ook een parameter voor het instellen van het
effectaandeel van de klankgroepen. Druk op
[F1 (GR SND)] (zie verderop)).
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
AMBIENCE SEND LEVEL: 0~127
OPGELET
• Voor TRIGGER INPUT 1 (KICK 1), 2 (KICK 2), 11 (AUX
1) en 12 (AUX 2) kunt u de rand niet kiezen.
• TRIGGER INPUT 2 (KICK2) en 12 (AUX2) zijn enkel
beschikbaar wanneer u twee pads op TRIGGER INPUT
1/2 (KICK1/2) c.q. 11/12 (AUX2) aansluit (blz. 25).
78
AMB GROUP SEND LEVEL: 0~127
[F2 (PERC)]: Hiermee bepaalt u het effectaandeel van
alle percussie-instrumenten.
[F3 (B INST)]: Hiermee bepaalt u het Ambience-niveau
van de begeleidingspartijen (Parts 1~4).
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen
Bijkleuren van de klank:
(Master EQ)
Misschien vindt u de Drum Kit af en toe te veel/te weinig
hoog of laag hebben. Dat kunt u dan met de tweebands EQ
corrigeren – ook weer voor elke Drum Kit apart.
1. Druk op [KIT]→ [F2 (STUDIO)]→ [F1 (EQ)].
[KIT] licht op en de “EQ”-pagina verschijnt.
FREQ (Frequency): Met deze parameters bepaalt u de
frequentie die moet worden versterkt of afgezwakt. Met
HIGH kiest u de frequentie van de hogetonen en met
LOW de frequentie van de lagetonen (bas).
GAIN: Hiermee bepaalt u het volume van de betreffende
frequentieband (HIGH of LOW). Met positieve waarden
versterkt u een band en met negatieve waarden zwakt u
hem af.
OPGELET
Als een frequentieband noch versterkt, noch afgezwakt
hoeft te worden, moet u “GAIN” op “0” zetten.
Gain(dB)
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt instellen.
+
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
Harder
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Frequentie
(LOW)
LOW FREQ: 200, 400 (Hz)
Frequentie
(HIGH)
GAIN
Freq(Hz)
Zachter
LOW GAIN: –12~+12 (dB)
HIGH FREQ: 3K, 6K (Hz)
Ambience
Send Level
3
-
HIGH GAIN: –12~+12 (dB)
Ambience Group
Send Level
Ambience
x20
TYPE
WALL
ROOM
LEVEL
Drum Kit
Head x12
Level
Master
Level
Pan
Equalizer
Rim x8
x20
x12
Ambience
Level
Ambience Group
Send Level
LOW FREQ
LOW GAIN
HIGH FREQ
HIGH GAIN
x4
Part
Level
Pan
Part 1–4
x4
x4
Ambience
Level
Ambience Group
Send Level
Level
Percussion
79
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen
Mixer-instellingen
De TD-8 bevat ook een twaalfkanaals mengpaneel waarmee
u de instrumenten met elkaar in balans kunt brengen. Druk
op [MIXER] om de bijbehorende pagina op te roepen.
3. Bevestig uw keuze door op [F1] te drukken.
AMB (AMBIENCE): Hiermee springt u naar de Sendpagina van het Ambience-effect (blz. 77).
OUT (OUTPUT): Hiermee springt u naar de Outputpagina (blz. 119).
Level: pads met elkaar in balans
brengen
Verklaring van de afkortingen
De letters in het display hebben de volgende betekenis (van
links naar rechts):
1. Druk op [MIXER]. De bijbehorende indicator licht op en
het display beeldt de Mixer-pagina af.
Letter
Aansluiting
K
1 (KICK1)
K
2 (KICK2)
S
3 (SNARE)
1
4 (TOM1)
2
5 (TOM2)
3
6 (TOM3)
H
7 (HI-HAT)
C
8 (CRASH1)
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
C
9 (CRASH2)
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
R
10 (RIDE)
A
11 (AUX1)
A
12 (AUX2)
Basisbediening
1. Druk op [MIXER]. De bijbehorende indicator licht op en
het display beeldt de Mixer-pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt editen.
3. Sla op de pad wiens instelling u wilt wijzigen.
OPGELET
• Voor TRIGGER INPUT 1 (KICK 1), 2 (KICK 2), 11 (AUX
1) en 12 (AUX 2) kunt u de rand niet kiezen.
• TRIGGER INPUT 2 (KICK2) en 12 (AUX2) zijn enkel
beschikbaar wanneer u twee pads op TRIGGER INPUT
1/2 (KICK1/2) c.q. 11/12 (AUX2) aansluit (blz. 25).
Druk op [F1 ( MENU)] om meteen naar de volgende
pagina te gaan.
1. Druk op [F1 (
roepen.
MENU)] om een popup-menu op te
2. Kies met CURSOR [▲] of [▼] om naar de gewenste
pagina te gaan.
80
Ziehier wat u moet doen om het volume van de pads apart in
te stellen:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “LEVEL”.
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
letter ervan (hierboven hebben we bv. op de Snare-pad
geslagen).
LEVEL: 0~127
Het volume van de HiHat-pedaalklank moet u op een
aparte pagina instellen. Zie “Pedaalvolume van de
HiHat: Pedal HiHat Volume” op blz. 70.
Pan: instellen van de
stereopositie
U kunt voor elke pad apart instellen of het aangestuurde
geluid zich eerder links/rechts of in het midden moet bevinden.
1. Druk op [MIXER]. De bijbehorende indicator licht op en
het display beeldt de Mixer-pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “PAN”.
3. Sla op de pad wiens instelling u wilt wijzigen.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste stereopositie in.
Draai het regelaaricoontje naar rechts (bv. door op
[INC/+] te drukken) wanneer het geluid vooral via het
rechter kanaal moet worden weergegeven. Draai de
Hoofdstuk 3: Studio- en Mixer-instellingen
regelaar naar links wanneer het geluid zich eerder (of
helemaal) links moet bevinden.
5. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
PAN: L15~CTR~R15, RND, ALT
CTR (midden): Het geluid bevindt zich precies in het midden.
RND (RANDOM): Telkens, wanneer u op een pad slaat,
springt het geluid naar een andere positie.
ALT (ALTERNATE): Het geluid wordt afwisselend via
het linker en het rechter kanaal weergegeven.
MASTR: Algemeen volume van
de Drum Kit
Als u de pads eenmaal in balans hebt gebracht en dan tot de
conclusie komt dat de Kit in z’n geheel te zacht of te hard
staat, kunt u het volume op de volgende manier wijzigen
zonder iets aan de balans te veranderen.
1. Druk op [MIXER]. De bijbehorende indicator licht op en
de Mixer-pagina verschijnt.
3
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “MASTR”.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste Drum Kit-volume in.
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
MASTR (MASTER VOLUME): 0~127
81
Hoofdstuk 4: Spelen met de metronoom
Hoofdstuk
4: Spelen met de metronoom
Metronoom aan/uit en
-volume
Maatsoort van de
metronoom
Druk op [CLICK] om de metronoom in en daarna weer uit te
schakelen. Het volume van de metronoom bepaalt u met de
[CLICK] GROUP FADER.
1. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F1 (INTRVL)].
[CLICK] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af.
De metronoom is aan
De metronoom is uit
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar de teller van de
maatsoort (het cijfer vóór de “/”).
Licht op
Licht niet op
Tempo van de metronoom
De metronoom volgt altijd het tempo van het gekozen
patroon of de geselecteerde Song. Zolang u noch een Pattern,
noch een Song weergeeft, kunt u het tempo echter naar wens
instellen. Maar opgelet: telkens als u een patroon of Song
kiest, wordt het voor dat patroon of die Song geprogrammeerde tempo ingesteld.
1. Druk op [CLICK]. De bijbehorende indicator licht op en
de metronoom begint te spelen.
2. Druk op [TEMPO]. De indicator licht op en de
“TEMPO”-pagina verschijnt.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste tempo in.
4. Om deze pagina weer te verlaten, moet u nog een keer
op [TEMPO] drukken (de indicator dooft weer).
TEMPO: 20~260 (BPM)
82
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
aantal tellen per maat in.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de noemer (het
cijfer achter de “/”) en stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q.
de VALUE-schijf de telwaarde (bv. kwart- of achtste
noten) in.
OPGELET
Tijdens de weergave van een patroon of een Song kunt u
de maatsoort van de metronoom niet veranderen, omdat
de metronoom dan het tempo van het patroon of de
Song volgt.
TIME SIGNATURE:
Teller (aantal tellen per maat): 0~13
Noemer (duur van één tel): 2, 4, 8, 16
Als u als teller “0” kiest, wordt de eerste tel niet harder
weergegeven dan de overige. In dit geval is het waarschijnlijk iets moeilijker om uit te maken op welke tel de
metronoom zich bevindt.
Hoofdstuk 4: Spelen met de metronoom
Metronoomresolutie
(Interval)
Pan: stereopositie van de
metronoom
1. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F1 (INTRVL)].
[CLICK] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af.
Ook voor het geluid van de metronoom kunt u zelf bepalen
waar het zich in het stereobeeld moet bevinden:
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in
hoeveel keer de metronoom per maat moet tikken. Dit
hoeft dus niet noodzakelijk het aantal tellen per maat te
zijn.
INTERVAL: 1/2 (halve noten), 3/8 (gepunte kwartnoten), 1/4 (kwartnoten), 1/8 (achtste noten), 1/12 (achtste
triolen), 1/16 (zestiende noten)
Metronoomklank kiezen
(INST)
U kunt zelf de klank kiezen die de metronoom voor het tellen
gebruikt. Wanneer u “VOICE” kiest, wordt er letterlijk (door
een stem) geteld.
1. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F2 (INST)]. [CLICK]
licht op en de “INST”-pagina verschijnt.
1. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F2 (INST)]. [CLICK]
licht op en de “INST”-pagina verschijnt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “PAN”.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
stereopositie in.
“L15” betekent “helemaal links”, “CTR” slaat op het
midden en “R15” betekent “helemaal rechts”.
PAN: L15~CTR (midden)~R15
Output: uitgang van de
metronoom
We hadden het er al over dat u zelf kunt bepalen naar welke
uitgang(en) de metronoom wordt gestuurd.
1. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F2 (INST)]. [CLICK]
licht op en de “INST”-pagina verschijnt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “OUTPUT”.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “INST”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste uitgang.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste klank.
INST:
VOICE, CLICK, BEEP, METRONOME,
CLAVES, WOOD BLOCK, STICKS, CROSS
STICK, TRIANGLE, COWBELL, CONGA,
TALKING DRUM, MARACAS, CABASA,
CUICA, AGOGO, TAMBOURINE, SNAPS,
909 SNARE, 808 COWBELL
OUTPUT:
BOTH: Het metronoomsignaal wordt zowel naar de
MASTER OUTPUTS als naar de PHONES-connector uitgestuurd.
PHONES: Het metronoomsignaal is enkel in de hoofdtelefoon te horen. Kies deze instelling voor optredens of
studiosessies.
83
4
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “INTERVAL”.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
De sequencer van de TD-8 biedt zes partijen. Eerst en vooral
is er de Drum Kit-partij (of “Part”) waarmee u uw spel op de
pads kunt opnemen. Verder zijn er een percussiepartij en
vier begeleidingspartijen: Part 1, Part 2, Part 3 en Part 4.
Deze partijen geven uiteraard muziek weer. Deze muziek
bevindt zich in geheugens die telkens een beperkt aantal
maten bevatten en daarom Patterns (of “patronen”) heten
(omdat de weergave automatisch wordt herhaald).
Preset Patterns (1~700)
Hiermee worden de patronen bedoeld die de TD-8 al bij levering bevat. Deze zijn voorgeprogrammeerd en kunnen niet
veranderd, gewist of opnieuw opgenomen worden. Ze vormen echter wel een handig hulpmiddel voor het instuderen
van nieuwe ritmische figuren met begeleiding, hoewel u ze
ook tijdens concerten kunt gebruiken.
De percussieklanken van de Preset-patronen (met uitzondering van Preset-patroon 1) bevinden zich op het
Percussion-spoor.
User Patterns (701~800)
Dit zijn patronen die u zelf kunt opnemen. Voor de opname
kunt u hetzij de pads, hetzij een MIDI-sequencer (of beide)
gebruiken (“Patroon in Realtime opnemen” op blz. 95). Alle
wijzigingen of nieuwe noten worden automatisch opgeslagen.
Basisbediening
OPGELET
[TOP], [BWD] en [FWD] werken niet tijdens de weergave van de patronen.
[CLICK]: Hiermee kunt u de metronoom activeren en
weer uitschakelen.
[TEMPO]: Laat toe om het tempo in te stellen.
[PLAY/STOP]: Hiermee start en stopt u de weergave
van het gekozen patroon.
[REC]: Hiermee roept u de opnamepagina op en maakt
u de TD-8 klaar voor de opname.
[PATTERN]: Laat toe om patronen te selecteren.
[SONG]: Zie “Hoofdstuk 6: Werken met Songs” op
blz. 105.
Meer details over de werking van deze knoppen vindt u
verderop.
Preset-patronen gebruiken
We hadden het er al over dat u Preset-patronen enkel kunt
afspelen. Dat klopt niet helemaal, omdat u een Presetpatroon tijdelijk kunt wijzigen. Deze wijzigingen worden
echter niet opgeslagen en dus gewist zodra u een ander
patroon kiest. Bovendien kunt u in de geheugens 1~700 geen
eigen muziek opnemen.
• Telkens als u een instelling van een Preset-patroon verandert, verschijnt de volgende waarschuwing om duidelijk te maken dat het om een tijdelijke verandering gaat.
Met de “SEQUENCER”-knoppen op het frontpaneel hebt u
toegang tot de weergave- en aanverwante parameters. Bij het
indrukken van sommige knoppen roept u bovendien een
andere display-pagina op.
• De editfuncties en de opname zijn voor Preset-patronen
niet beschikbaar. Probeert u toch één van die functies op
het patroon los te laten of de opname te starten, verschijnt de volgende foutmelding:
[TOP]: Als de weergave gestopt is, keert u met deze
knop terug naar het begin van het patroon.
[BWD]: Hiermee kunt u, na stoppen van de weergave,
naar de vorige maat van het momenteel geselecteerde
patroon terugkeren.
[FWD]: Hiermee kunt u naar de volgende maat van het
geselecteerde patroon springen – als u de weergave tenminste eerst stopt.
84
Als u een Preset-patroon als basis voor uw eigen versie wilt
gebruiken, moet u het eerst naar een User-geheugen kopiëren (blz. 99). En nogmaals: alle wijzigingen van de Userpatronen worden automatisch opgeslagen (en zijn dus meteen “definitief”).
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Copyright van de Preset-patronen
De klanken, frasen en patronen van de TD-8 zijn auteursrechtelijk beschermd. Roland Corporation machtigt u bij
deze de in de TD-8 opgeslagen opnamen te gebruiken
voor de creatie van origineel repertoire. U hebt echter
niet de toelating om deze opnamen te sampelen, te laden
of op gelijk welke andere manier op te nemen en deze
opnamen dan –gedeeltelijk of in hun geheel– te verdelen
via o.a. het Internet of andere digitale c.q. analoge
geluids- of datadragers, of de aanmaak van CD-ROMs
voor samplers – of dit nu enkel de klanken of de frasen
zelf zijn.
De opnamen van de TD-8 zijn originele werken van
Roland Corporation. Roland wijst elke aansprakelijkheid af i.v.m. met de gevolgen van het gebruik van deze
frasen, in het bijzonder wanneer er door derden aanspraak wordt gemaakt op de eigendom ervan via copyrightgeschillen of andere rechtzaken i.v.m. de inhoud
van de frasen. U gebruikt deze frasen dus op eigen risico.
Informatie op de Pattern-pagina
1 Patroonnummer
Duidt aan welk patroon u momenteel geselecteerd hebt.
2 Maatnummer
Wanneer u op [PLAY/STOP] drukt, begint de weergave
vanaf deze maat (dus niet noodzakelijk vanaf het begin).
3 Patrooncategorie
Hier komt u te weten tot welke categorie het momenteel
gekozen patroon behoort.
4 Nummer en naam van het patroon
1. Druk op [PATTERN]. [PATTERN] licht op en de Patternpagina verschijnt. (Zie blz. 104 voor een verklaring van
het hangslot).
5 Patroonstatus
Het hangslot “
” betekent dat u hetzij een Preset-, hetzij een beveiligd User-patroon gekozen hebt (zie ook
blz. 104).
5
Patronen selecteren
Dit zal duidelijk zijn. Als u een patroon kiest, dat nog
geen data bevat, wordt er in de plaats van deze informatie een sterretje ( ) afgebeeld.
6 Weergavemethode
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde patroon.
U kunt de patronen ook volgens categorie kiezen: breng
de cursor met CURSOR [▲] naar “CATEG”.
Duidt aan hoe het gekozen patroon zal worden weergegeven (blz. 87).
7 Status van de sequencer
Hier komt u te weten wat er momenteel met de patronen
gebeurt: weergave “
”, stop “ ”, opname “
”
(blz. 95), oefenen “
” (blz. 96), wissen “
” (blz. 96).
8 Part-status (blz. 94)
Soorten Preset-patronen (Divisions)
Er bestaan verschillende patroontypes: inleidingen, FillIns enz. Het type herkent u aan de laatste letter van de
patroonnaam:
Type
Afkorting
Voorbeeld
INTRO
-I
BRIT_R-I
MAIN A
-A
BRIT_R-A
MAIN B
-B
BRIT_R-B
FILL 1
-1
BRIT_R-1
FILL 2
-2
BRIT_R-2
ENDING
-E
BRIT_R-E
Hier komt u te weten welke partijen u tijdens de weergave zou moeten horen.
De functieknoppen [F1]~[F3] worden voor verschillende
dingen gebruikt. Zie verderop.
Na het wijzigen van instellingen enz. verdient het aanbeveling om naar deze pagina terug te keren (druk op
[PATTERN]). Zo bent u er namelijk zeker van dat u geen
onvrijwillige (nefaste) wijzigingen kunt aanbrengen.
85
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Patronen kiezen uit een lijst
Categorie op de lijst-pagina kiezen
Als u niet meteen weet welk patroon bij uw oefening/
muziek past, kunt u inspiratie putten uit de lijst van beschikbare patronen en vervolgens een patroon selecteren.
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [F1 (LIST)]. [PATTERN] licht op en de lijst-pagina verschijnt.
Voor het patroon, waarop de cursor zich momenteel bevindt,
worden de volgende dingen weergegeven: maatsoort, aantal
maten (LEN), weergavemanier, categorienaam, patroonnummer en naam van het patroon.
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [F1 (LIST)]. [PATTERN] licht op en de lijst-pagina verschijnt.
2. Als de cursor zich momenteel op de patroonnaam
bevindt, moet u op [F1 (CTEGRY)] drukken om naar de
categorienaam te gaan.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde categorie.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] een patroon.
Als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl u [INC/+] of
[DEC/–] c.q. de VALUE-schijf gebruikt, kunt u telkens in
stappen van 5 patronen (d.w.z. één pagina) voor- of achteruitgaan.
4. Druk op [F1 (PTN)] om terug te keren naar de patroonnaam.
5. Zie verder “Patronen kiezen uit een lijst”.
Patronen weergeven
3. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
1. Kies het patroon dat u wilt afspelen. Zie “Patronen selecteren” op blz. 85.
Druk op [F1 (CTEGRY)] als u de patronen liever volgens
categorie selecteert.
Patronen volgens categorie
kiezen
Categorie op de Pattern-pagina kiezen
1. Druk op [PATTERN]. [PATTERN] licht op en de Patternpagina verschijnt. (Zie blz. 104 voor een verklaring van
het hangslot).
2. Druk op [PLAY/STOP]. Deze knop licht op en de weergave van het patroon begint.
3. Druk nog een keer op [PLAY/STOP] om de weergave
van het patroon weer te stoppen. [PLAY/STOP] dooft
weer.
Als u tijdens de weergave op [PLAY/STOP] drukt, stopt
de weergave telkens aan het begint van de maat waar u
zich op dat moment bevindt.
OPGELET
Zie ook blz. 60 voor andere handige functies.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “CATEG.”
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
categorie.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de patroonnaam.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
patroon uit de geselecteerde categorie.
86
Als u tijdens de weergave van een patroon op [SONG]
drukt, wordt de patroonweergave gestopt. Vervolgens
kunt u de weergave van de Song starten. Als u de lusweergave (zie verderop) gekozen hebt, kan de weergave
enkel met [PLAY/STOP] worden gestopt.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Tempo instellen
(Voor)Programmeren van het tempo
Elk patroon bevat een “ingebakken” tempo dat telkens wordt
ingesteld wanneer u het patroon selecteert. Het voordeel
hiervan is dat u deze tempowaarde maar één keer hoeft in te
stellen.
OPGELET
Het voorgeprogrammeerde tempo van Preset-patronen
kan maar tijdelijk worden veranderd. U kunt dus geen
andere waarde “programmeren”.
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Druk op [DEC/–], of gebruik de VALUE-schijf of CURSOR [▲] om de cursor naar “FUNC” te brengen.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F1 (SETUP)]. Het display ziet er nu als volgt
uit:
4. Druk op [TEMPO] als u klaar bent. [TEMPO] dooft nu
weer en de “TEMPO”-pagina verdwijnt weer.
TEMPO: 20~260
Play Type: weergavemethode
voor de patronen
Patronen kunnen op drie verschillende manier worden weergegeven:
Lus (LOOP
): Aan het einde van het patroon springt de
weergave weer naar het begin en speelt het patroon zo lang
af tot u op [PLAY/STOP] drukt.
Eén keer (1SHOT
): Het geselecteerde patroon wordt
maar één keer afgespeeld.
Stapsgewijs (TAP,
): Door herhaaldelijk op [PLAY/
STOP] te drukken, speelt u de noten/geluiden van het
patroon stap voor stap af. In deze vorm heeft dat weinig
zin… maar als u de Pad Pattern-functie (blz. 121) activeert,
kunt u –door op een pad te meppen– de verschillende stappen van het patroon doorlopen, en dat biedt verrassend creatieve mogelijkheden.
OPGELET
Voor patronen, die nog geen data bevatten, kunt u
“PLAY TYPE” niet op “TAP” zetten.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste tempo voor dit patroon.
7. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
TEMPO: 20~260
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Druk op [DEC/–], of gebruik de VALUE-schijf of CURSOR [▲] om de cursor naar “FUNC” te brengen.
5
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “TEMPO”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F2 (TYPE)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Tijdelijk veranderen van het tempo
[TEMPO]
Soms is het patroontempo niet geschikt voor een bepaalde
situatie, terwijl het ook niet slim is om meteen het voorgeprogrammeerde tempo te veranderen omdat dat ook wordt
opgeslagen. Daarom kunt u het tempo ook tijdelijk veranderen, wat dan enkel voor de weergave geldt:
1. Zie “Patronen selecteren” op blz. 85 om een patroon te
kiezen.
2. Druk op [TEMPO]. Deze knop licht op en het display
beeldt de “TEMPO”-pagina af.
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PLAY TYPE”.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde instelling.
7. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
PLAY TYPE: LOOP, 1SHOT, TAP
Meer details over “QUICK PLAY”, “RESET TIME” en
“TAP EXC SW” vindt u verderop.
Een paar tips
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
tempo in.
LOOP: deze instelling is handig voor het oefenen of voor
drumsolo’s tijdens een concert.
1SHOT: Kies deze instelling wanneer u de weergave wilt
starten door op een pad te slaan (Pad Pattern; blz. 121)
en niet wilt dat het patroon daarna voortdurend wordt
87
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
herhaald. Telkens als u op de pad slaat, begint de weergave weer vanaf het patroonbegin.
Quick Play: voor LOOP en 1SHOT
Quick Play betekent dat de weergave altijd vanaf de eerste noot van een patroon begint – zelfs al bevat het
patroon aan het begin een aantal rusten. Waar dat goed
voor is? Misschien hebt u een riedel of een drumfiguur
opgenomen zonder eerst alle benodigde parameters
(waaronder het tempo enz.) in te stellen, maar u wilt wel
dat er tijdens het optreden e.d. geen rekening wordt
gehouden met de rusten aan het begin.
Zie hiervoor “Patroon via een pad starten (Pad Pattern)”
op blz. 121.
Transponeren van een patroon
U kunt een patroon ook transponeren. Dat betekent dat het
op een andere toonhoogte wordt afgespeeld dan degene die
tijdens de opname werd gehanteerd. Het instelbereik
bedraagt –24 (twee octaven lager) tot +24 (twee octaven
hoger) halve tonen.
Zet QUICK PLAY in stap 5. hierboven op “On” of “Off”.
TAP: Ook deze instelling is vooral bedoeld voor situaties
waarin u de patroonweergave via een pad wilt sturen
(Pad Pattern; blz. 121). Als een patroon bv. een melodie
(of een bij uw drumsolo passende baslijn) bevat, kunt u
die in het gewenste tempo afspelen. Met RESET TIME
(zie verderop) kunt u bovendien zorgen dat het patroon
weer naar het begin terugkeert als u langer dan “X”
seconden niet op de betreffende pad slaat.
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Druk op [DEC/–], of gebruik de VALUE-schijf of CURSOR [▲] om de cursor naar “FUNC” te brengen.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F3 (TRANS)]. Het display beeldt nu de
“TRANSPOSE”-pagina af.
OPGELET
Als u een patroon, dat u achteraf met de TAP-functie
wilt afspelen, in Realtime opneemt (blz. 95), verdient het
aanbeveling om een geschikte Quantize-waarde in te
stellen (blz. 97). Enkel dan bent u er zeker van dat alles
naar behoren wordt afgespeeld.
Reset Time: voor TAP
RESET TIME: OFF, 0.1~8.0 (seconden)
Met deze functie kunt u zorgen dat het patroon automatisch naar het begin terugkeert wanneer u langer dan het
ingestelde aantal seconden niet op de betreffende pad
slaat (als u Pad Pattern tenminste geactiveerd hebt). Kies
“OFF” als dat niet nodig is.
Zet RESET TIME in stap 5. hierboven op de gewenste
waarde.
TAP EXC SW: OFF, ON
Misschien bevat een Tap-patroon ook lange noten die
echter nooit samen met de navolgende noten mogen
worden weergegeven. Als u “On” kiest, wordt de noot,
die nog klinkt op het moment dat u opnieuw op de pad
slaat, uitgeschakeld. Kiest u “Off”, dan blijven de eerder
gestarte noten eventueel gewoon doorklinken terwijl ook
al de nieuwe noot wordt weergegeven.
Zet TAP EXC SW in stap 5. hierboven op “On” of “Off”.
Met Pad Pattern Velocity kunt u bovendien zorgen dat
het weergavevolume van de via een pad gestart patroon
in functie staat van de kracht waarmee u mept (aanslag).
88
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
6. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
TRANSPOSE BIAS: –24~+24 halve tonen.
Aftel vóór de patroonweergave (COUNT IN)
U kunt de TD-8 zo instellen dat hij één of twee maten aftelt
alvorens de weergave van een patroon of Song te starten:
druk op [CLICK], vervolgens op [F3 (COUNT)] en maak de
nodige instellingen. Zie hiervoor “Count In: opname starten
met een aftel” op blz. 98.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Parts editen
Hier hebben we het alleen over de “andere” Parts. Zie de
hoofdstukken 1~3 voor meer details over de Drum Kit-Part.
Part selecteren
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [F2 ( PART)].
[PATTERN] licht op en het display beeldt een popupmenu af.
2. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “SETUP”.
3. Bevestig uw keuze door op [F2] te drukken.
4. Druk op [F1 (PAGE 1)]. Het display beeldt nu “PAGE 1”
af.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
instrument. Dit is de klank die u achteraf hoort. Met het
instrumentnummer hebt u namelijk enkel de “hoofdklank” gekozen, terwijl u via de naam eventueel een
alternatief kunt kiezen. Eén en ander houdt verband met
de MIDI-adressen van de klanken.
Druk tijdens de keuze op [PREVIEW] om meteen te uit
te maken of u wel de juiste klank gekozen hebt.
6. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
• Onder “Overzicht van de melodische klanken” op
blz. 160 vindt u een overzicht van de beschikbare klanken.
• Zie “Instellingen voor de Percussion Set” op blz. 90 voor
meer details over de percussiepartij.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Part (partij) die u wilt editen.
7. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
PART:
PERC: de percussie-partij
PART1, PART2, PART3, PART4: Part 1~4
Instrument (klank) kiezen
OPGELET
Als u een patroon vergrendeld hebt (blz. 104), kunt u
met de volgende procedure geen instrumenten kiezen.
Die beveiliging moet u dus eerst uitschakelen.
Instrumentnummer
Instrumentnaam
1. Kies de Part waarvoor u een ander instrument wilt
oproepen (zie “Part selecteren”).
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar het instrumentnummer.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde nummer. Hierdoor selecteert u een hoofdklank. Soms bestaan er ook een aantal alternatieven
(“Variations”) voor een instrument. Die kunt u als volgt
selecteren:
Instrumentnummer
De benaming is wat ongelukkig gekozen omdat u zo
waarschijnlijk het noorden kwijtraakt: met “Instrumentnummer” worden de hoofdklanken bedoeld
die via programmakeuze-commando’s (1~128) kunnen worden geselecteerd. Voor sommige hoofdklanken bestaan er nog een reeks alternatieven die u via
de naam kunt kiezen:
Instrumentnaam
U kunt de instrumenten ook op naam selecteren,
wat beslist duidelijker is dan met de programmanummers te werken. Na verloop van tijd zal u tot de
conclusie komen dat het instrumentnummer niet bij
elke nieuwe naam verandert. Dat betekent dan dat u
een alternatief voor een bepaald instrumentnummer
hebt gekozen. Die alternatieven noemen we “Variations”. Daar hoeft u zich enkel iets van aan te trekken als u de TD-8 als MIDI-module gebruikt.
Variations
Hiermee worden klankalternatieven voor de instrumentnummers bedoeld. Dat kunnen bv. andere elektronische piano’s zijn dan de “standaardklank” die u
via het instrumentnummer kunt selecteren. Soms
betekent “Variation” echter ook gewoon dat een
alternatief op de één of andere manier verband
houdt met de hoofdklank (bv. omdat het eveneens
om een blaasinstrument gaat). Als u de klanken via
de instrumentnaam selecteert, ziet u niet of het om
een Variation of een hoofdklank gaat – en in de
meeste gevallen is dat ook niet nodig.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de instrumentnaam.
89
5
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PART”.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Volume, effectaandeel,
panorama en buigingsbereik
van de Parts
Hier hebben we het enkel over de “melodische” Parts.
Zie “Instellingen voor de Percussion Set” voor meer
details over de percussiepartij.
1. Selecteer de Part die u wilt editen. Zie “Part selecteren”
op blz. 89.
2. Druk op [F2 (PAGE2)].
Instellingen voor de
Percussion Set
Percussie-instrumenten zijn in verschillende groepen onderverdeeld en kunnen niet afzonderlijk worden geselecteerd. U
moet dus altijd de Percussion Set kiezen waartoe de benodigde klanken behoren. Voor dergelijke Sets bestaan er eveneens een reeks parameters die u kunt wijzigen.
Preset Percussion Sets
Bij levering bevat de TD-8 al een aantal Percussion Sets
die u meteen kunt gebruiken. Deze kunt u niet (definitief) editen. Als dat de bedoeling is, moet u een dergelijke Set eerst naar een User-geheugen kopiëren.
User Percussion Sets
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt instellen.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling.
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
LEVEL: (0~127) Hiermee kunt u de geselecteerde Part
harder of zachter zetten.
AMB LEVEL: (0~127) Hiermee kunt u bepalen hoe sterk
de gekozen Part van effect wordt voorzien.
PAN: (L15~CTR~R15) Hiermee kunt u de stereopositie
van de gekozen Part bepalen.
BEND RANGE: (0~+24) Omdat we hier te maken hebben
met melodische klanken, maken ze soms ook gebruik
van een buiging van de toonhoogte. Misschien vindt u
dat de toonhoogte in bepaalde gevallen te sterk of net
niet genoeg verandert. Dat kunt u dan met deze parameter verhelpen. De waarden slaan op halve tonen en gelden alleen voor de maximale Pitch Bend-waarde (wanneer de hendel, die er niet is, helemaal naar links of naar
rechts wordt geschoven; uw toetsenist kan u tonen hoe
het werkt).
De TD-8 biedt twee User-geheugens voor uw Percussion
Sets. Dat kunnen hetzij gewijzigde versies van PresetSets, hetzij volledig nieuw geprogrammeerde Sets zijn.
Percussion Set kiezen
OPGELET
Net zoals voor de Parts 1~4 geldt dat u een Percussion
Set niet kunt editen wanneer het gekozen patroon beveiligd is (blz. 104). Schakel die beveiliging dus eerst uit.
1. Kies de percussiepartij. Zie “Part selecteren” op blz. 89.
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PERC SET”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
percussieset die door het gekozen patroon moet worden
aangesproken.
4. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
Globaal effectaandeel van de
melodische Parts
Volume en effectaandeel van de
percussiepartij
Misschien vindt u op een bepaald moment dat alle vier de
melodische Parts te veel/te weinig effect hebben. Dat kunt u
dan met één handeling corrigeren i.p.v. de AMB LEVELparameter voor elke Part apart te wijzigen.
1. Kies de percussiepartij. Zie “Part selecteren” op blz. 89.
Druk op [KIT]→ [F2 (STUDIO)]→ [F2 (AMBSND)]→
[F1 (GRPSND)] → [F3 (B INST)] om de benodigde displaypagina op te roepen.
Meer details hierover vindt u onder “Effectaandeel voor de
Part-groepen (AMB Group Send Level)” op blz. 78.
2. Druk op [F2 (PAGE2)].
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de benodigde parameter.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
90
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
LEVEL: (0~127) Hiermee kunt u de percussiepartij harder of zachter zetten.
AMB LEVEL: (0~127) Hiermee bepaalt u in welke mate
de percussiepartij van effect wordt voorzien.
Percussion Sets kopiëren
Laten we nu kijken hoe je Percussion Sets naar een Usergeheugen kopieert. Een dergelijke User Set kunt u dan editen
(zie verderop).
1. Kies de percussiepartij. Zie “Part selecteren” op blz. 89.
OPGELET
Kies een Preset Set, ook al wilt u achteraf een User Set
kopiëren.
2. Druk op [F3 (INST)]. Het display beeldt nu de “PERC
INST”-pagina af.
3. Druk op [F3 (COPY)]. Het display springt nu naar de
COPY-pagina.
10. Wacht tot de data gekopieerd zijn. Druk op [PATTERN]
om weer naar de Pattern-pagina te gaan.
Selecteren van het te editen percussie-instrument
We hadden het er al over dat u Percussion Sets ook kunt editen. Dat lukt echter enkel voor User Sets. Wanneer u namelijk
een Preset Percussion Set kiest, kunt u enkel de lijst van de
daarin gebruikte klanken overlopen. Wilt u die klanken ook
editen, dan moet u de Preset Percussion Set eerst naar een
User-geheugen kopiëren en vervolgens die User Set kiezen.
OPGELET
Er zijn maar twee User Sets – en dus veel meer patronen.
Alle wijzigingen van een User Set gelden dan ook voor
alle patronen die de betreffende Set aanspreken.
1. Kies de percussiepartij. Zie “Part selecteren” op blz. 89.
2. Druk op [F3 (INST)]. Het display beeldt nu de “PERC
INST”-pagina af.
Druk op [F3 (COPY)]
Wordt gekopieerd
Geheugen van
bestemming
OPGELET
Als u in stap 1 een User Set kiest, heet de [F3]-knop
[F3 (EDIT)]. U moet dus een Preset Percussion Set kiezen.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar de bovenste Setparameter (het geheugen dat u wilt kopiëren).
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Percussion Set die u wilt kopiëren.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de tweede Setparameter (geheugen van bestemming).
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
User-geheugen waar naartoe u de boven geselecteerde
Set wilt kopiëren.
8. Druk op [F3 (COPY)]. Dit commando moet u bevestigen:
9. Druk op [F3 (EXEC)] om de Set te kopiëren of op
[F1 (CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
Van links naar rechts beeldt het display het volgende af:
nootnummer, nootnaam en instrumentnaam. Dat komt
omdat een Percussion Set voor elke noot (van een klavier) een andere klank kan bevatten (dit werkt net zoals
de Drum/Rhythm Part van een module of synthesizer).
De reden hiervoor is simpel: aangezien u met een percussiegeluid toch geen melodieën kunt spelen, vervult
de percussiepartij dezelfde rol als een multitimbrale
module, behalve dat u maar één Part nodig hebt en met
elke noot een andere klank kunt aansturen. Was dit niet
het geval, dan zou u evenveel percussiepartijen moeten
hebben als er percussieklanken in een Set zitten – en dat
maakt het geheel onoverzichtelijk. (De noten zou u trouwens kunnen beschouwen als aparte pads waarmee u
telkens één klank kunt aansturen.)
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
ander instrument voor de gekozen noot. Wees echter
voorzichtig: dit kan er namelijk voor zorgen dat de tamboerijnpartij plots door een triangel wordt weergegeven
– maar misschien is dát net de bedoeling…
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
U zou op [PREVIEW] kunnen drukken om te controleren
of u wel degelijk de juiste klank gekozen hebt.
91
5
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de noot
wier instrument u wilt editen.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Onder “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154
komt u te weten welke klanken u hier kunt kiezen.
CH10 Priority
Dit is een MIDI-parameter die op blz. 133 wordt besproken. Hij bepaalt welke klank (drum of percussie) er
wordt gespeeld, wanneer u zowel voor de Drum Kit als
de Percussion Part MIDI-kanaal 10 kiest en wanneer beide Parts op een bepaald moment dezelfde noot aansturen. Eén van beide zal dan voorrang krijgen – en dat precies bepaalt u met Priority. Deze instelling geldt trouwens ook wanneer u de van een externe sequencer
afkomstige MIDI-data met de TD-8 opneemt (blz. 98).
Editen van de percussie-instrumenten
U kunt voor elk percussie-instrument (d.w.z. voor elke noot)
de volgende parameters instellen: volume, effectaandeel
(Ambience), panorama, toonhoogte en Decay (duur).
OPGELET
• Wanneer u een Preset Percussion Set kiest, kunt u enkel
de lijst van de daarin gebruikte klanken overlopen. Wilt
u die klanken ook editen, dan moet u de Preset Set eerst
naar een User-geheugen kopiëren (blz. 91) en vervolgens die User Set editen.
• Er zijn maar twee User Sets – en dus veel meer patronen.
Alle wijzigingen van een User Set gelden dan ook voor
alle patronen die de betreffende Set aanspreken.
1. Kies de percussieklank die u wilt editen. Zie “Selecteren
van het te editen percussie-instrument” op blz. 91.
2. Druk op [F3 (EDIT)].
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt wijzigen.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
LEVEL: (0–127) Hiermee bepaalt u het volume van het
percussie-instrument.
AMB LEVEL: (0~127) Hiermee bepaalt u hoe sterk het
gekozen percussie-instrument van Ambience wordt
voorzien. Zoals u ziet, kunt u dit voor elke klank apart
instellen.
PAN: (L15~CTR~R15, RND, ALT) Hiermee bepaalt u de
stereoplaatsing van het gekozen percussie-instrument.
92
Zie blz. 81 voor een verklaring van de verschillende
opties.
PITCH: (–480~+480) Hiermee kunt u het gekozen percussie-instrument hoger of lager stemmen (tot 4 octaven
hoger of lager). Vooral negatieve waarden (“–”) kunnen
interessante effecten opleveren.
DECAY: (–31~+31) Hiermee kunt u het gekozen percussie-instrument langer of korter maken.
OPGELET
Bij bepaalde percussie-instrumenten is het PITCH- en/of
DECAY-bereik beperkter dan bij andere klanken. Dat
verklaart waarom u vanaf een bepaald punt geen verandering meer hoort wanneer u op [PREVIEW] drukt.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Patroonpartijen uitschakelen
(PART MUTE)
Misschien hebt u een bepaalde partij van een overigens perfect patroon niet nodig. Die kunt u dan uitschakelen.
OPGELET
De Part Mute-instellingen gelden voor de TD-8 in z’n
geheel en dus ook wanneer u vervolgens een ander
patroon of een andere Song kiest.
1. Druk op [PATTERN] en op [F2 ( PART)]. [PATTERN]
licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “MUTE”.
3. Bevestig uw keuze door op [F2] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
Functieknoppen: USR/KIT, DRM/PC, PART 1
Uitschakelen van de percussiepartij
Voordat we verder gaan, even dit: de Percussion Sets (en de
percussiepartij) van de TD-8 zijn hetzelfde als de Drum/
Rhythm Kits/Sets op andere Roland-modules/-synthesizers. Dat betekent dat ze niet alleen “echte” percussieklanken
bevatten, maar ook drumklanken. (Vraag aan een toetsenist
meer uitleg hierover als u niet precies weet waar we het over
hebben.) Zo’n Percussion Set kan dus de volledige ritmesectie voor zijn rekening nemen (drums incluis). Daarom kunt u
voor de Percussion Part bepalen of hij in z’n geheel niet mag
worden aangesproken, dan wel of enkel de drumklanken
moeten worden onderdrukt (omdat u die bv. zelf wilt spelen).
De drumpartij van de Preset-patronen wordt weergegeven door de Percussion Part (enige uitzondering: Presetpatroon 1).
Enkel de drums uitschakelen
Houd [SHIFT] ingedrukt om toegang te
hebben tot de overige Parts (2~4)
Voor de Preset-patronen is het soms handig om enkel de
opgenomen drumpartij uit te schakelen, terwijl de percussieinstrumenten gewoon verder worden afgespeeld. Dit doet u
als volgt:
U kunt deze pagina ook met [SHIFT] + [MIXER] oproepen.
4. Schakel de (niet) benodigde partijen uit (of in). De afkorting van een uitgeschakeld partij verdwijnt uit het display.
Partij
Display
Bediening
Drum Kit
USR/KT
[F1 (USR/KIT)]
Percussie
DRM/PC
Zie “Uitschakelen van de percussiepartij”
Part 1
PART 1
[F3 (PART 1)]
Part 2
PART 2
[SHIFT] + [F1 (PART 2)]
Part 3
PART 3
[SHIFT] + [F2 (PART 3)]
Part 4
PART 4
[SHIFT] + [F3 (PART 4)]
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
U kunt niet zelf kiezen welke drumklanken wel of niet
worden uitgeschakeld. Dit is voorgeprogrammeerd. Zie
ook blz. 159 voor een overzicht van de betrokken klanken/nootnummers.
1. Druk op [PATTERN] en op [F2 ( PART)]. [PATTERN]
licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “MUTE”.
3. Bevestig uw keuze door op [F2] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
U kunt deze pagina ook met [SHIFT] + [MIXER] oproepen.
4. Druk op [F2 (DRM/PC)]. Het display ziet er nu als volgt
uit (d.w.z. “DRM/PC” verdwijnt niet helemaal, maar
ziet er wel anders uit). Nu hoort u enkel nog de percussieklanken (bongo’s, timbales enz.)
93
5
OPGELET
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
5. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
Controle van de Part-status op
de Pattern- of Song-pagina
Drum- én percussie-instrumenten
uitschakelen
Op de normale weergavepagina’s voor patronen of Songs
komt u op de volgende manier te weten welke Parts in- en
welke uitgeschakeld zijn:
Met de volgende handeling zorgt u dat niet alleen de drums,
maar ook de bongo’s enz. niet meer worden afgespeeld:
1. Zie de stappen 1~4 onder “Enkel de drums uitschakelen”
op blz. 93. Het display ziet er dan als volgt uit:
2. Druk nog een keer op [F2 (DRM/PC)]. Nu verdwijnt de
“DRM/PC”-melding helemaal om aan te geven dat ook
de percussie-instrumenten niet meer worden afgespeeld:
Part
Benaming in het display
Drum Kit
KIT
Percussion Part
P
Part 1
1
Part 2
2
Part 3
3
Part 4
4
Part 1~4, Drum Kit Part
Wanneer de Parts aan zijn, worden hun afkortingen
afgebeeld (let hier even niet op de “P”):
3. Druk op [PATTERN] om weer naar de Pattern-pagina te
gaan.
Wanneer de Parts uit zijn, worden hun afkortingen niet
meer afgebeeld:
Percussion Part
Wanneer deze Part ingeschakeld is, verschijnt zijn
afkorting in het display (let op de “P”):
Drums (van de percussiepartij) uit, percussie aan:
Drums en percussie uit:
94
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Patroon in Realtime
opnemen
2. Maatsoort, aantal maten en tempo
Eigen (User) patronen kunt u opnemen door op de pads te
spelen of door MIDI-data naar de TD-8 te zenden (bv. vanuit
een sequencer, toetseninstrument, MIDI-gitaar enz.). Omdat
alles wordt opgenomen zoals u het speelt, noemen we dit de
Realtime-opname. Tijdens de opname via de pads houdt de
sequencer ook rekening met de bewegingen van het HiHatpedaal en met de plaats waar u op een pad slaat (indien de
betreffende ingang en pad dit toelaat).
2. Druk op [DEC/–], of gebruik de VALUE-schijf of CURSOR [▲] om de cursor naar “FUNC” te brengen.
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F1 (SETUP)]. Het display ziet er nu als volgt
uit:
OPGELET
• Er zijn weliswaar 100 User-patronen, maar die putten
allemaal uit hetzelfde geheugen. Als verschillende patronen dus erg veel noten bevatten, gebeurt het soms dat u
de 100 niet haalt.
Het HiHat-spel omvat meer data dan u misschien zou
denken. Zo wordt elke positieverandering van het
pedaal bv. opgenomen, terwijl ook de slagpositie geregistreerd wordt. Eén en ander betekent dat u soms meer
data opneemt dan eigenlijk nodig. Die kunt u echter filteren. Zie hiervoor “MIDI-commando’s voor de specifieke TD-8-functies” op blz. 140.
Op blz. 118 komt u te weten hoe u de resterende geheugencapaciteit kunt controleren.
Werkwijze voor de opname
De volgende stappen gelden zowel voor de opname via de
pads als voor het gebruik van een extern MIDI-instrument.
1. Kies een leeg patroon
1. Druk op [PATTERN] en [F3 (
menu op te roepen.
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de parameter die u wilt instellen.
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
TIME SIGNATURE (maatsoort): 1~13 / 2, 4, 8, 16
OPGELET
Wanneer u als nootwaarde “16” (zestiende noten) kiest,
kunt u de teller niet op 1~3 zetten. Bovendien zijn ook 1/
8 maten niet mogelijk.
LENGTH (aantal maten): Als u “Replace” als opnamemethode (blz. 96) kiest, stopt de opname pas wanneer u
op [PLAY/STOP] drukt. In dat geval hoeft u deze parameter dus niet in te stellen. In de overige gevallen
bepaalt u hiermee de lengte van het patroon.
(1~99 maten)
Als u het spel op de pads opneemt, hebt u stap 3 en 4
hieronder niet nodig.
3. Kies een MIDI-kanaal
Zorg er tevens voor dat het MIDI-klavier op het kanaal
zendt dat u hier voor de benodigde Part kiest. Elke Part
heeft zijn eigen MIDI-kanaal. Aanvankelijk zijn dat:
Part
MENU)] om een popup-
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “NEW”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. De TD-8
selecteert nu automatisch het eerste vrije geheugen.
OPGELET
Als alle User-patronen al data bevatten, is NEW niet
beschikbaar. Zie dan “Wissen van patronen (DELETE)”
op blz. 101 om een overbodig patroon te wissen.
MIDI-kanaal
Drum Kit
10
Percussion Part
10
Part 1
1
Part 2
2
Part 3
3
Part 4
4
Om een ander MIDI-kanaal te kiezen moet u op [SETUP]
en vervolgens op [F2 (MIDI)] drukken. Zie “MIDI-kanalen voor de Parts kiezen” op blz. 133.
95
5
• Het “roeren” van de Brushes en Chokes (blz. 39) worden niet opgenomen. U kunt het Brush-spel echter in de
vorm van MIDI-data naar een externe sequencer zenden
door de “MIDIbrsh” Drum Kit te kiezen.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
4. Kies een instrument
Zie hiervoor “Parts editen” op blz. 89.
5. Kies de opnamemethode (REC Mode)
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [REC]. [REC]
licht op en de [PLAY/STOP]-knop begint te knipperen.
In het display ziet u nu “REC STANDBY”, terwijl de
metronoom al in de maat zit te tikken.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “REC
MODE”
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde opnamemethode:
2. Speel op de pads of op het MIDI-klavier e.d. om uw partij op te nemen.
3. Druk op [PLAY/STOP] als u klaar bent. De [PLAY/
STOP]- en [REC]-knop doven nu weer.
REC Rehearsal: eerst even
oefenen
Met de Rehearsal-functie kunt u tijdens de opname van een
patroon zorgen dat de TD-8 even geen rekening houdt met
wat u speelt en het dus niet opneemt. Op die manier kunt u
een loopje of figuurtje even oefenen zonder de opname te
stoppen.
1. Start de Realtime-opname (blz. 95).
2. Druk tijdens de opname op [REC]. Deze knop knippert
nu en het display beeldt de REC REHEARSAL-pagina af:
LOOP ALL: Het hele patroon wordt voortdurend herhaald, zodat u een partij laag voor laag kunt opnemen.
Alle gespeelde noten worden onthouden.
LOOP 1, LOOP 2: Ook hier wordt het patroon tijdens de
opname herhaald. Ditmaal gaat het echter enkel om 1 of
2 maten.
REPLACE: De opname gaat zo lang door tot u ze met
[PLAY/STOP] stopt. Als het patroon al data bevatte,
worden die tijdens de opname weer gewist. Bovendien is
het modelijk dat het patroon achteraf langer is.
6. Stel het tempo in.
Druk op [TEMPO] als u het in stap 2 gekozen tempo tijdens de opname niet wilt hanteren. U kunt ook een veel
trager tempo kiezen, als u de betreffende partij op het
uiteindelijke weergavetempo niet gespeeld krijgt. Het
hier gekozen tempo wordt maar tijdelijk gebruikt en niet
opgeslagen.
Dit betekent dat alles, wat u nu speelt, niet wordt opgenomen.
3. Druk nog een keer op [REC] om het ingestudeerde fragment op te nemen.
Realtime Erase: data tijdens de
opname wissen
Met name wanneer u een Loop-opnamemethode gekozen
hebt, kan het gebeuren dat u hier en daar een noot teveel
opneemt. Die kunt u dan al tijdens de opname weer wissen.
1. Start de Realtime-opname (blz. 95).
OPGELET
1. Druk op [TEMPO]. Deze knop licht op en het display ziet
er als volgt uit:
Kies voor REC MODE “LOOP ALL”, ”LOOP 1” of
”LOOP 2”.
2. Druk, tijdens de opname op [SHIFT] + [REC]. Het display ziet er nu als volgt uit:
2. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste opnametempo in.
3. Druk nog een keer op de [TEMPO]-knop. De “TEMPO”pagina verdwijnt nu weer.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PART”.
7. Opname
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Part waarvan u data wilt wissen.
1. Druk op [PLAY/STOP] om de opname te starten. Deze
knop licht op (knippert niet meer) en de opname begint.
Tijdens de opname ziet het display er als volgt uit:
PART: KIT, PERC, PART1, PART2, PART3, PART4
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “ERASE”.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het te
wissen datatype.
ERASE: ALL, NOTE, BEND, CC
96
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
ALL: Alle data van de gekozen Part in het gebied waar u
op [REC] drukt worden gewist.
NOTE: enkel de noten worden gewist. Als u voor PART
“KIT” gekozen hebt, worden echter enkel de noten van
het op dat moment gekozen instrument (Trigger Select)
gewist – dus niet uw volledige drumpartij.
BEND: Enkel de eventueel voorhanden Pitch Bend-data
worden gewist.
CC: Enkel de controlecommando’s worden gewist.
7. Houd op de plaats, waar deze data moeten worden
gewist, de [REC]-knop ingedrukt.
8. Druk op [EXIT] als u alle overbodige data gewist hebt.
De REALTIME ERASE-pagina verdwijnt nu weer.
Data wissen wanneer u met een extern
MIDI-klavier werkt
Tijdens de opname van een melodische partij (Part 1~4)
via een MIDI-klavier is het natuurlijk niet zo handig om
de [REC]-knop van de TD-8 in te drukken om data te
wissen. Daarom kunt u dat ook via het klavier zelf doen:
Quantize: timing al tijdens de
opname corrigeren
Quantize is een functie die je alleen op MIDI-sequencers
(waaronder die van de TD-8) aantreft. Hiermee kunt u de
kortste nootwaarde bepalen waarmee de sequencer rekening
mag houden. Alles wat u speelt wordt in functie van die keuze gecorrigeerd, zodat de “groove” achteraf lekker strak is.
OPGELET
Als u het patroon achteraf al “tappend” (zie blz. 87) wilt
afspelen, moet u het tijdens de opname quantiseren. Kies
dus zeker niet “OFF”.
Als u uw spel liever niet quantiseert (bv. om geen al te
mechanische indruk achter te laten), moet u “Off” kiezen.
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [REC]. [REC]
licht op en de [PLAY/STOP]-knop begint te knipperen.
In het display ziet u nu “REC STANDBY”, terwijl de
metronoom al in de maat zit te tikken.
OPGELET
De Drum Kit-data kunt u enkel op de TD-8 zelf wissen.
2. Breng de cursor naar “ERASE” en kies “NOTE“.
3. De noten kunt u op twee manier wissen:
• Enkel één bepaalde toonhoogte (noot) wissen: Druk de
toets in wier noten u wilt wissen. Alle noten van
deze toonhoogte in het bereik, waar u de toets ingedrukt houdt, worden gewist.
• Noten binnen een bepaald toonhoogtebereik wissen: Druk
op de hoogste en laagste toets van het te wissen
bereik (bv. één octaaf). Zolang u deze toetsen ingedrukt houdt, worden alle noten binnen dit bereik
gewist.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “QUANTIZE”.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
kortste nootwaarde in die u gaat spelen (bv. zestiende
noten als u niet roffelt).
QUANTIZE:
(1/8 noten),
(1/16 noten),
(1/32 noten),
(1/64 noten),
OFF (geen correctie)
(1/8 triolen),
(1/16 triolen),
(1/32 triolen),
4. Start de Realtime-opname (blz. 95).
97
5
1. Breng de cursor naar “PART”. Kies hetzij “PERC”,
hetzij “PART1”~“PART4”.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Count In: opname starten met
een aftel
Voor de opname is het vaak (met name wanneer u het
patroon quantiseert) handig om de metronoom even te laten
aftellen, omdat u dan op het juiste moment begint.
1. Druk eerst op [CLICK] en dan op [F3 (COUNT)].
[CLICK] licht op en de metronoom begint te tellen. Het
display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “PLAY”
(aftel vóór de weergave) of naar “REC” (aftel vóór de
opname).
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste optie in.
4. Als u alles naar wens ingesteld hebt, drukt u nog een
keer op [CLICK] (indicator dooft).
PLAY: OFF, 1 MEAS, 2 MEAS
REC: OFF, 1 MEAS, 2 MEAS
OFF: De weergave of opname begint zonder aftel.
1 MEAS: De weergave of opname begint na een aftel van
één maat.
2 MEAS: De weergave of opname begint na een aftel van
twee maten.
OPGELET
Als u ook de PLAY-optie instelt, geldt de aftel niet alleen
voor patronen, maar ook voor Songs.
Hit Pad Start: opname door het
slaan op een pad starten
U kunt de opname ook starten door op een pad te slaan,
zodat u niet op [PLAY/STOP] hoeft te drukken. Hiervoor
moet u als volgt te werk gaan:
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [REC]. [REC]
licht op en de [PLAY/STOP]-knop begint te knipperen.
In het display ziet u nu “REC STANDBY”, terwijl de
metronoom al in de maat zit te tikken.
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “HIT PAD
START”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“ON”.
98
4. Maak de TD-8 klaar voor de opname en sla op een pad
i.p.v. op de [PLAY/STOP]-knop te drukken.
Data van een sequencer opnemen
U weet al dat u hetzij uw spel op de pads, hetzij de data van
een MIDI-instrument kunt opnemen. Een MIDI-sequencer
hoort eveneens in dit rijtje thuis. Sluit hem aan op de MIDI
IN-connector van de TD-8 en… (zoals ze in Frankrijk zeggen)
“en avant la musique”. Het is zelfs mogelijk om meteen alle
Parts (Drum Kit, Percussion, Part 1~4) op te nemen. Zorg
echter wel dat de sequencer-sporen op de MIDI-kanalen zenden die u aan de Parts hebt toegewezen.
1. Kies eventueel andere MIDI-kanalen voor de Parts. Zie
“MIDI-kanalen voor de Parts kiezen” op blz. 133. In de
regel is het slimmer om de sporen van de sequencer een
ander kanaal toe te wijzen, met name wanneer u met een
sequencerprogramma werkt.
2. Zie vervolgens “TD-8 met een externe sequencer synchroniseren” op blz. 141 en zet SYNC MODE op “EXT”.
Dit is noodzakelijk om te zorgen dat de TD-8 en de
sequencer precies hetzelfde tempo hanteren.
3. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [REC]. [REC]
licht op en [PLAY/STOP] knippert. De REC STANDBYpagina verschijnt en de metronoom begint te tikken.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “REC
MODE”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“REPLACE”.
6. Start de weergave van de externe sequencer (zie de bijbehorende handleiding). De TD-8 start de opname op hetzelfde moment en loopt synchroon met de sequencer.
7. Stop de weergave van de sequencer zodra het nummer
afgelopen is. De TD-8 stopt dan eveneens.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Patronen editen
10. Druk op [F3 (COPY)]. Dit moet u even bevestigen:
User-patronen kunt u na de opname nog corrigeren. Dit noemen we “editen”.
OPGELET
Beveiligde patronen (blz. 104) kunt u niet editen. Schakel
de beveiliging dus eerst uit voordat u een beroep doet op
één van de volgende functies. Anders krijgt u de volgende boodschap te zien:
11. Druk op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)] als u het
patroon toch niet wilt kopiëren.
SOURCE: (1~800) Slaat op het patroon dat u wilt kopiëren. Voor alle duidelijkheid krijgt u niet alleen het nummer, maar ook de naam van het patroon te zien.
DEST: (701~800) Hiermee kiest u het User-patroon dat
de kopie moet bevatten. Omdat de data van het patroon
van bestemming worden overschreven, wordt diens
naam eveneens afgebeeld.
Patronen kopiëren [COPY]
Met deze functie kunt u een (Preset-)patroon naar een Usergeheugen kopiëren:
1
2
3
4
5
6
7
8
SOURCE
(bron)
MEAS: slechts een aantal maten
kopiëren
Het is ook mogelijk om een beperkt aantal maten van een
Part of patroon naar een User-patroon te kopiëren:
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
3
4
5
6
7
8
SOURCE
1
2
3
4
5
6
7
8
DEST
(bestemming)
DEST
OPGELET
• Met deze functie kopieert u enkel muziekdata – geen
instellingen (klankkeuze, volume e.d.).
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
• Als u meer “bronmaten” kiest dan er maten in het
patroon van bestemming zijn, wordt dit laatste navenant verlengd.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “EDIT”.
• U kunt enkel data kopiëren die dezelfde maatsoort hanteren als het patroon van bestemming.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
• Een patroon kan maximaal 99 maten omvatten. In sommige gevallen wordt de kopie dan ook niet uitgevoerd.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “EDIT”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“COPY”. Het display ziet er nu als volgt uit.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “SOURCE”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
patroon dat u wilt kopiëren.
8. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “DEST”.
9. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
User-patroon dat de kopie moet bevatten.
1. Zie stap 1.~9. onder “Patronen kopiëren [COPY]”.
2. Druk op [F2 (MEAS)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Druk op [F1 (CANCEL)] om terug te keren naar de
“PATTERN EDIT”-pagina als u toch niets wilt kopiëren.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “SOURCE
PART” en kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf de Part die de benodigde data bevat.
SOURCE PART: ALL, KIT, PERC, PART1, PART2,
PART3, PART4
99
5
Met deze functie kopieert u ook de Part-instellingen
(volume enz.). Als u enkel de (of bepaalde) noten wilt
kopiëren, zie dan “MEAS: slechts een aantal maten
kopiëren”.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar (SOURCE)
MEAS.
5. Kies met CURSOR [▲] of [▼] de eerste (vóór de “–”) of
laatste (achter de “–”) maat.
Voorbeeld
Om de maten 4~6 van alle Parts naar maat 1 (eveneens
van alle Parts) te kopiëren, moet u de parameters als
volgt instellen:
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in van
welke maat tot welke maat u wilt kopiëren.
SOURCE MEAS: ALL, (eerste maat) – (laatste maat)
ALL: Betekent dat alle maten gekopieerd worden (als dat
nog kan).
Eerste/laatste maat: (1~99) Maatnummers van waar tot
waar u wilt kopiëren.
7. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “DEST PART”.
Invoegen van lege maten
[INSERT]
Als blijkt dat u één of verschillende maten vergeten bent,
kunt u met de volgende functie lege maten invoegen.
8. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Part het te kopiëren fragment moet bevatten.
DEST PART: (ALL, KIT, PERC, PART1, PART2, PART3,
PART4) Als u voor Source Part “ALL” hebt gekozen,
wordt dat ook hier automatisch ingevuld. Kiest u daarentegen als SOURCE PART een welbepaalde Part, dan kunt
u hier niet “ALL” selecteren.
1
2
3
1
2
3
4
5
4
5
9. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar (DEST) MEAS.
10. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
maat waar de eerste noten van de kopie terecht moeten
komen.
DEST MEAS: (1~98, END) Hiermee kiest u de maat van
bestemming. Als u het patroon van bestemming wilt verlengen zonder bestaande data te wissen, moet u “END”
kiezen.
11. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
12. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
OPGELET
Als u Drum Kit-maten naar een percussie of melodische
Part kopieert, en vice versa, worden enkel de nootnummers gekopieerd die aan de pads toegewezen zijn (de
overige noten dus niet).
Na het invoegen van de legen maten moet u ze “vullen”
dit kunt u doen door nieuwe data op te nemen of door
bestaande maten te kopiëren (zie hiernaast).
OPGELET
• De ingevoegde maten hebben altijd dezelfde maatsoort
als het betreffende patroon.
• De Insert-functie werkt alleen wanneer het resultaat niet
leidt tot een patroon dat meer dan 99 maten zou moeten
bevatten.
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “EDIT”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “EDIT”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“INSERT”. Het display ziet er nu als volgt uit.
Meer details over de nootnummers en de Pads/Trigger
Inputs vindt u onder “Nootnummers van de TRIGGER
INPUTs” op blz. 159.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PATTERN”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
patroon waar u lege maten wilt invoegen.
PATTERN: (701~800) U kunt enkel User-patronen selecteren.
100
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
8. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “MEASURE”.
Met het cijfer vóór de “–” kiest u de maat waar het blanco-gedeelte begint. Het cijfer achter de “–” slaat op het
aantal in te voegen maten. Breng de cursor met CURSOR
[▲] of [▼] naar het benodigde cijfer.
9. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde(n) in.
MEASURE: (1~99, END) “END” is enkel beschikbaar
voor de parameter vóór de “–”. “99” kunt u enkel kiezen
voor de parameter achter de “–”. In de regel is dit evenwel een zinloze keuze, omdat het patroon beslist al minsten één maat bevat, zodat u geen 99 maten meer kunt
invoegen.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“DELETE”. Het display ziet er nu als volgt uit.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PATTERN”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
patroon dat u wilt verwijderen (701~800, dus enkel Userpatronen).
8. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
10. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
9. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
11. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
Voorbeeld
Om achter maat 3 van een patroon twee lege maten in te
voegen, moet u de volgende instellingen maken:
Maten uit een patroon wissen
Met deze functie kunt u niet benodigde maten uit een
patroon wissen. Als gevolg daarvan –en in tegenstelling tot
Erase, zie verderop) wordt de betreffende Part (of het hele
patroon) korter.
1
2
3
4
5
1
2
3
7
8
6
7
8
5
Het patroon wordt hierdoor twee maten langer.
Wissen van patronen (DELETE)
Met de volgende functie kunt u een patroon wissen. Deze
functie slaat op alle data en instellingen van het gekozen
patroon (dit komt dus neer op het initialiseren ervan). Zie
“Maten uit een patroon wissen” als u maar een beperkt aantal maten wilt wissen of “Muziekdata verwijderen (ERASE)”
op blz. 102 als u de instellingen wilt behouden, maar de
opname helemaal wilt overdoen.
1
2
3
4
5
6
7
8
OPGELET
• Als u “ALL” (alle Parts) kiest, wordt het patroon ingekort. Kiest u echter een welbepaalde Part, dan wordt
enkel diens “spoor” ingekort, wat nare gevolgen kan
hebben.
• Als u hier alle maten kiest, worden ook de instellingen
(klankkeuze, volume e.d.) gewist, zodat u het patroon
dus eigenlijk intialiseert.
1. Zie de stappen 1.~7. onder “Wissen van patronen
(DELETE)” voor het kiezen van het te wijzigen patroon.
1
2. Druk op [F2 (MEASURE)]. Het display ziet er nu als
volgt uit:
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “EDIT”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “EDIT”.
101
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
3. Met het cijfer vóór de “–” kiest u de maat waar het te wissen gedeelte begint. Het cijfer achter de “–” slaat op de
laatste maat die gewist wordt.
Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar het benodigde cijfer.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “EDIT”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“ERASE”. Het display ziet er nu als volgt uit.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in van
welke maat tot welke maat u wilt wissen.
MEASURE: ALL, (eerste maat) – (laatste maat)
ALL: Betekent dat alle maten gewist worden.
Eerste/laatste maat: (1~99) Maatnummers van waar tot
waar u wilt wissen.
5. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
6. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PATTERN”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
patroon dat u wilt verwijderen (701~800, dus enkel Userpatronen).
8. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
9. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
Voorbeeld
Als u de data tussen het begin van maat 4 en het einde
van maat 6 wilt wissen, moet u de MEASURE-parameter
als volgt instellen:
Muziekdata verwijderen (ERASE)
Met Erase kunt u muziekdata wissen zonder dat de instellingen van het patroon verdwijnen. Dit zou u bv. kunnen
gebruiken wanneer u verschillende patronen voor eenzelfde
nummer opneemt, omdat u dan alles maar één keer hoeft in
te stellen. Dat werkt als volgt:
• Maak alle benodigde instellingen en neem het eerste
patroon op (blz. 95).
Verwijderen van maten
Als u enkel de data van welbepaalde maten wilt wissen,
moet u als volgt te werk gaan. (De lege maten verdwijnen
niet. Die moet u dus door een gedeeltelijke nieuwe opname
of met de Copy-functie weer “vullen”). Dit kunt u gebruiken
om een nummer in omgekeerde volgorde op te bouwen:
• Maak alle benodigde instellingen en neem het eerste
patroon op (blz. 95). Dit patroon moet de meest complexe versie bevatten (dus alle “toeters en bellen”).
• Kopieer dit patroon vervolgens naar één of meerdere
User-geheugens (blz. 99).
• Wis de partijen (of fragmenten) die u in de simpelere
versie(s) niet nodig hebt, zodat enkel de basis overblijft.
Voorbeeld: uit één kopie kunt u bepaalde basmaten wissen, uit een tweede bepaalde bas- en tapijtmaten enz.
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
3
4
5
6
7
8
• Kopieer dit patroon vervolgens naar één of meerdere
User-geheugens (blz. 99).
• Wis de muziekdata met Erase en neem de nieuwe partijen op.
1
2
3
4
5
6
7
8
1. Zie de stappen 1.~7. onder “Muziekdata verwijderen
(ERASE)”.
1
2
3
4
5
6
7
8
2. Druk op [F2 (MEAS)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
1. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “EDIT”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
102
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PART”.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Part wiens data u (geheel of gedeeltelijk) wilt wissen
(ALL of maar een welbepaalde Part).
Naam geven aan een
patroon [NAME]
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “MEASURE”.
Aan elk User-patroon kunt u een naam van maximaal 8
tekens geven:
6. Met het cijfer vóór de “–” kiest u de maat waar het te wissen gedeelte begint. Het cijfer achter de “–” slaat op de
laatste maat die gewist wordt.
Druk op [SHIFT]
Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar het benodigde cijfer.
7. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in van
welke maat tot welke maat u wilt wissen.
MEASURE: ALL, (eerste maat) – (laatste maat)
ALL: Betekent dat alle maten gewist worden.
Eerste/laatste maat: (1~99) Maatnummers van waar tot
waar u wilt wissen.
8. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
1. Kies het patroon waar u een naam aan wilt geven. Zie
“Patronen selecteren” op blz. 85.
2. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
3. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “NAME”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
Voorbeeld
Om de data van alle Parts tussen het begin van maat 4 en
het einde van maat 6 te wissen, moet u de volgende
instellingen maken:
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] een ander teken.
7. Druk op [EXIT] wanneer de naam geprogrammeerd is.
Zie blz. 69 voor een verklaring van de functieknoppen.
U kunt de volgende tekens programmeren:
A~Z, 0~9, !, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
, ?, _,
, =,
103
5
9. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
5. Breng de cursor met [F1 (LEFT )] of [F2 (RIGHT )]
naar de positie waarvoor u een ander teken wilt selecteren.
Hoofdstuk 5: Werken met patronen
Pattern Lock: patroon
beveiligen
Met de volgende functie kunt u een patroon beveiligen en
dus voorkomen dat het onvrijwillig wordt gewist of veranderd. Voor een beveiligd patroon wordt er op de Patternpagina een hangslot afgebeeld:
1. Kies het patroon dat u wilt beveiligen. Zie “Patronen
selecteren” op blz. 85.
2. Druk op [PATTERN] en op [F3 ( MENU)]. [PATTERN] licht op en het display beeldt een popup-menu af.
3. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “LOCK”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
5. Beveilig (of ontgrendel) het patroon met [INC/+] of
[DEC/–] c.q. de VALUE-schijf. Als u ON kiest, kunt u
niets opnemen en geen enkele instelling van dit patroon
veranderen.
104
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
Patronen kunt u enerzijds apart en anderzijds als bouwstenen van Songs gebruiken. Dit laatste betekent dat u de volgorde programmeert waarin de benodigde patronen moeten
worden afgespeeld.
Het voordeel van deze aanpak is dat u de patronen niet zelf
hoeft te selecteren en zich dus kunt concentreren op uw
drumspel.
Over de Songs
Songs bevatten geen muziekdata, omdat het maar aaneenschakelingen van patronen zijn. Als u dus een patroon edit
dat in een Song wordt gebruikt, heeft dat ook consequenties
voor de Song-weergave.
OPGELET
Als u alle muziekdata uit een patroon verwijdert
(blz. 102), wordt er tijdens de Song-weergave maar één
lege maat afgespeeld, zelfs al bevat het betreffende
patroon er veel meer (maar zonder data).
Basisbediening
Met de “SEQUENCER”-knoppen op het frontpaneel hebt u
toegang tot de weergave- en aanverwante parameters. Bij het
indrukken van sommige knoppen roept u bovendien een
andere display-pagina op.
Songs selecteren
1. Druk op [SONG]. Deze knop licht op en de hierna
getoonde display-pagina verschijnt.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde Song.
Over de Song-pagina
[BWD]: Hiermee kunt u naar het begin van het patroon
springen dat de Song bereikt had voordat u de weergave
stopte.
[FWD]: Hiermee kunt u naar het volgende patroon van
de Song springen – als u de weergave tenminste eerst
stopt.
OPGELET
[TOP], [BWD] en [FWD] werken niet tijdens de weergave van Songs.
[CLICK]: Hiermee kunt u de metronoom activeren en
weer uitschakelen.
2
1
3
4
5
8
6
7
1 Song-nummer
Hier komt u te weten welke Song momenteel gekozen is.
2 Patroonnummer
Hier ziet u welk patroon aan de momenteel bereikte stap
toegewezen is. Als de Song nog geen data bevat, staat
hier “
”.
[TEMPO]: Laat toe om het tempo in te stellen.
[PLAY/STOP]: Hiermee start en stopt u de weergave
van de gekozen Song.
[REC]: Hiermee roept u de pagina op waar u Songs kunt
programmeren.
[PATTERN]: Laat toe om patronen te selecteren. Zie
“Hoofdstuk 5: Werken met patronen” op blz. 84.
[SONG]: Laat toe om Songs te selecteren.
Houd [SHIFT] ingedrukt, terwijl u op [PATTERN] drukt
om naar de Pattern-pagina te springen. Daar kunt u dan
een patroon kiezen.
3 Maatnummer
Wanneer u op [PLAY/STOP] drukt, begint de weergave
vanaf deze maat (dus niet noodzakelijk vanaf het begin).
4 Stapnummer
• Meer details over de werking van deze knoppen vindt u
verderop.
Slaat op de laatst bereikte stap van de Song (elke stap= 1
patroon van één of verschillende maten).
• Hoe u patronen afspeelt en opneemt, vindt u in “Hoofdstuk 5: Werken met patronen” op blz. 84.
105
6
[TOP]: Als de weergave gestopt is, keert u met deze
knop terug naar het begin van de Song.
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
5 Song-nummer en -naam
Hier staan het nummer en de naam van de gekozen
Song. Als u een lege Song kiest, wordt er een sterretje
( ) afgebeeld.
6 Weergavemethode (blz. 109)
Hier ziet u hoe de geselecteerde Song zal worden afgespeeld.
7 Status van de sequencer
Hier komt u te weten wat er momenteel met de Song
gebeurt: weergave “
” of stop “ ”.
Songs programmeren
Het is natuurlijk de bedoeling dat u zelf Songs programmeert
door de weergavevolgorde van de benodigde patronen te
bepalen. U kunt bovendien instellen hoe de patronen worden
afgespeeld.
1. Kies het benodigde Song-geheugen. Zie hiervoor
blz. 105.
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [REC]. Beide knoppen lichten op en het display ziet er als volgt uit:
8 Part-status (blz. 94)
Hier komt u te weten welke partijen u tijdens de weergave zou moeten horen.
De functieknoppen [F1]~[F3] worden voor verschillende
dingen gebruikt. Zie verderop.
Na het wijzigen van instellingen enz. verdient het aanbeveling om naar deze pagina terug te keren (druk op
[SONG]). Zo bent u er namelijk zeker van dat u geen
onvrijwillige (nefaste) wijzigingen kunt aanbrengen.
De kolommen hebben (van links naar rechts) de volgende betekenis: stapnummer, patroonnummer, patroonnaam, transpositie en aantal maten die het patroon
bevat.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde patroon.
OPGELET
De weergavemethode (blz. 87) van de patronen wordt
tijdens de Song-weergave niet gehanteerd.
Songs kiezen uit een lijst
Als u niet meteen weet welke Song u nodig hebt, kunt u
inspiratie putten uit de lijst van beschikbare Songs en vervolgens een Song selecteren.
1. Druk op [SONG] en vervolgens op [F1 (LIST)]. [SONG]
licht op en het display beeldt de “SONG LIST”-pagina af.
Hier ziet u (van links naar rechts) het Song-nummer, de
-naam en het aantal maten van de Song (LEN).
Het geselecteerde patroon kunt u beluisteren door op
[PLAY/STOP] te drukken. Druk nog een keer op deze
knop om de weergave van het patroon weer te stoppen.
4. Druk op CURSOR [▼] om de volgende stap te selecteren.
5. Herhaal stap 3. en 4. om uw Song af te werken.
6. Druk op [EXIT] als u klaar bent. De [REC]-indicator
dooft nu.
Zie blz. 108 voor het instellen van het Song-tempo.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] de benodigde Song.
Als u [SHIFT] ingedrukt houdt, terwijl u [INC/+] of
[DEC/–] c.q. de VALUE-schijf gebruikt, kunt u telkens in
stappen van 4 Songs (d.w.z. één pagina) voor- of achteruitgaan.
Patroon/stap invoegen [INSERT]
Met deze parameter kunt u tussen twee bestaande stappen
een nieuwe stap invoegen. Dat komt van pas wanneer u
ergens een stap vergeten bent.
1
2
3
4
5
2
3
4
3. Druk op [SONG] om terug te keren naar de Song-pagina.
1
5
OPGELET
Een Song kan maximaal 99 stappen bevatten. Als dat al
het geval is, kunt u geen nieuwe stapen meer invoegen.
106
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
1. Kies de Song die u wilt programmeren (zie blz. 105).
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [REC]. Beide knoppen lichten op.
3. Kies met CURSOR [▲] of [▼] de stap waar u en patroon
wilt invoegen.
4. Druk op [F1 (INSERT)]. Op de plaats van de cursor
wordt nu een stap ingevoegd. Alle navolgende stappen
verhuizen één stap verder naar het einde van de Song.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
patroon dat u aan deze nieuwe stap wilt toewijzen.
6. Druk op [EXIT] als u klaar bent. De [REC]-indicator
dooft nu.
Niet benodigde stappen wissen
(DELETE)
Patroon transponeren
(TRANSPOSE)
Met deze functie kunt u een patroon (eigenlijk: stap) in het
kader van de Song-weergave transponeren. Deze transpositie
wordt bij de transpositie van het patroon (blz. 88) opgeteld.
Transpositie
van het patroon
+4
+7
Transpositie
van de Song-stap
+3
1. Kies de Song die u wilt editen. Zie blz. 105.
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [REC]. Beide knoppen lichten op.
3. Kies met CURSOR [▲] of [▼] de stap die het te transponeren patroon bevat.
4. Druk op [F3 (TRANS)]. De cursor springt nu naar de
transpositiewaarde.
Met deze functie kunt u niet meer benodigde stappen wissen. De navolgende stappen verhuizen dan één vakje verder
naar het begin.
1
2
3
3
4
4
5
5
6
6
1. Kies de Song die u wilt editen. Zie blz. 105.
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [REC]. Beide knoppen lichten op.
3. Kies met CURSOR [▲] of [▼] de stap die u wilt wissen.
Druk op [F3 (PTN)] om weer terug te keren naar de vorige cursorpositie.
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde transpositie in.
TRANSPOSE BIAS: –24~+24
6. Druk op [EXIT] als u klaar bent. De [REC]-indicator
dooft nu.
4. Druk op [F2 (DELETE)]. De door de cursor aangeduide
stap wordt gewist en de navolgende stappen verhuizen
één stap verder naar het begin van de Song.
5. Druk op [EXIT] als u klaar bent. De [REC]-indicator
dooft nu.
107
6
1
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
Songs weergeven
Song-tempo instellen
Song-tempo voorprogrammeren
Net zoals voor de patronen kunt u ook het weergavetempo
van de Songs voorprogrammeren. Dit tempo wordt telkens
ingesteld wanneer u de betreffende Song kiest.
1. Kies de Song die u wilt weergeven. Zie blz. 105.
2. Druk op [PLAY/STOP]. Deze knop licht op en de weergave begint.
Houd [SHIFT] ingedrukt, terwijl u op [PLAY/STOP]
drukt om te zorgen dat de Song herhaaldelijk (in een lus)
wordt afgespeeld. Dit werkt altijd en hangt dus niet af
van de gekozen weergavemethode. Tijdens deze lusweergave wordt “
” in het display afgebeeld.
3. Druk op [PLAY/STOP] om de Song-weergave te stoppen. De [PLAY/STOP]-indicator dooft.
Voor- en terugspoelen
Na het stoppen van de Song-weergave beschikt u over
de volgende functies:
In de regel gebruikt een Song het voorgeprogrammeerde
tempo van het eerste patroon (eerste stap) als Song-tempo.
Als u het daar echter niet mee eens bent, kunt u een ander
tempo instellen.
1. Kies de Song waarvan u het tempo wilt instellen. Zie
blz. 105.
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SONG] licht op en een popup-menu verschijnt.
3. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “FUNC”.
4. Druk op [F3] om uw keuze te bevestigen.
5. Druk op [F1 (TEMPO)]. Het display ziet er nu als volgt
uit:
• Terugkeren naar het begin van de Song: [TOP].
• Selecteren van de volgende stap/het volgende
patroon: [FWD].
• Terugkeren naar het begin van het bereikte patroon:
[BWD].
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste tempo in.
7. Druk op [SONG] om terug te keren naar de Song-pagina.
Hier bevindt zich de weergave
SONG TEMPO: 20~260 (BPM)
1
1
[TOP]
2
3
2
3
4
1
[BWD]
2
3
4
1
2
[PLAY/STOP] [FWD]
Wanneer u tijdens de weergave op [PLAY/STOP]
drukt, stopt de Song aan het begin van de op dat
moment bereikte maat.
Tijdelijk wijzigen van het Song-tempo met
[TEMPO]
Misschien wilt u de Song maar één keer op een afwijkend
tempo weergeven, zodat het niet de moeite loont om het
voorgeprogrammeerde tempo te veranderen. Dat kan bv.
handig zijn voor het instuderen van uw drumbegeleiding.
Ga dan als volgt te werk:
1. Kies de Song waarvan u het tempo wilt instellen. Zie
blz. 105.
Wanneer u tijdens de weergave op [PATTERN] drukt,
stopt de Song-weergave en kiest de TD-8 de Patternmode. U kunt dus de weergave van het laatst geselecteerde patroon starten (de lusweergave van een Song
kunt u enkel met [PLAY/STOP] stoppen).
2. Druk op [TEMPO]. Deze knop licht op en het display ziet
er als volgt uit:
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste (tijdelijke) tempo in.
4. Druk nog een keer op [TEMPO] om de TEMPO-pagina
weer te verlaten.
TEMPO: 20~260 (BPM)
108
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
Play Type: methode voor de
Song-weergave
Songs kunt u op twee manieren afspelen: in een lus (dus een
eindeloze herhaling) of maar één keer.
1. Kies de benodigde Song. Zie blz. 105.
2. Druk op [SONG] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SONG] licht op en een popup-menu verschijnt.
Song-partijen uitschakelen
(PART MUTE)
Misschien hebt u een bepaalde partij van een overigens perfecte Song niet nodig omdat u die zelf wilt spelen. Die kunt u
dan uitschakelen.
Functieknoppen: USR/KIT, DRM/PC, PART 1
3. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “FUNC”.
4. Druk op [F3] om uw keuze te bevestigen.
Houd [SHIFT] ingedrukt om toegang te
hebben tot de overige Parts (2~4)
5. Druk op [F2 (TYPE)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde weergavemethode:
1. Druk op [SONG] en vervolgens op [F2 (MUTE)]. [SONG]
licht op en het display beeldt de volgende pagina af:
Lus (LOOP
): Aan het einde van de Song springt de
weergave weer naar het begin en speelt de Song zo lang
af tot u op [PLAY/STOP] drukt.
): De Song wordt maar één keer
Lusweergave zonder Play Type
te veranderen
U kunt de lusweergave van een Song ook activeren zonder
meteen naar de Play Type-parameter te fietsen (zie hierboven). Het voordeel van deze aanpak is dat de Play Typeinstelling niet verandert en op een later tijdstip weer zoals
verwacht wordt ingesteld.
1. Kies de benodigde Song. Zie blz. 105.
2. Houd [SHIFT] ingedrukt, terwijl u op [PLAY/STOP]
drukt. Druk nog een keer op [PLAY/STOP] om de weergave weer te stoppen.
Aftel vóór de Song-weergave
(COUNT IN)
Als u wilt, kan de Song-weergave ook door een aftel worden
voorafgegaan, zodat u precies op het goede moment kunt
beginnen. Druk op [CLICK] en vervolgens op [F3 (COUNT)]
om de pagina met de benodigde parameter op te roepen. Zie
“Count In: opname starten met een aftel” op blz. 98 voor
meer details.
U kunt deze pagina ook met [SHIFT] + [MIXER] oproepen.
2. Voor het overige is de werkwijze identiek aan het uitschakelen van partijen tijdens de patroonweergave. Zie
dus “Patroonpartijen uitschakelen (PART MUTE)” op
blz. 93.
6
Eén keer (1SHOT
afgespeeld.
Songs editen
Songs kopiëren (COPY)
Met deze functie kunt u een Song naar een ander Songgeheugen kopiëren. Naar gelang de maat van bestemming is
het mogelijk dat een deel van de Song van bestemming
wordt overschreven. Bovendien is het waarschijnlijk dat de
Song van bestemming langer wordt.
1. Druk op [SONG] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SONG] licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “EDIT”.
3. Druk op [F3] om uw keuze te bevestigen.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “EDIT”.
109
Hoofdstuk 6: Werken met Songs
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“COPY”.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “SOURCE”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de te
kopiëren Song (SOURCE).
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “INITIALIZE”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Song die u wilt initialiseren.
8. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
8. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “DEST”.
9. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Song van bestemming.
10. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “START”.
9. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
11. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in
waar de eerste maat van de gekopieerde Song moet
terechtkomen (dus niet noodzakelijk aan het begin van
de Song van bestemming).
Naam geven aan een Song
[NAME]
12. Druk op [F3 (EXEC)]. Dit moet u even bevestigen:
13. Druk nog een keer op [F3 (EXEC)] of op [F1 (CANCEL)]
als u zich bedacht hebt.
Aan elke Song kunt u een naam van maximaal 8 tekens
geven.
Druk op [SHIFT]
SOURCE: (1~50) Slaat op de Song die u wilt kopiëren
(bron). Voor alle duidelijkheid wordt niet alleen het
nummer, maar ook de naam van die Song afgebeeld.
DEST: (1~50) Het Song-geheugen van bestemming.
START: (1~98, END) De stap in de Song van bestemming waar de eerste stap van de SOURCE-Song terechtkomt. END betekent dat de Song-kopie achter de laatste
stap van de Song van bestemming begint.
1. Druk op [SONG] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SONG] licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “NAME”.
3. Druk op [F3] om uw keuze te bevestigen.
Initialiseren van een Song
(INITIALIZE)
Met de INITIALIZE-functie kunt u alle stappen van en Songgeheugen met één handeling wissen, zodat er achteraf een
lege Song overblijft die bovendien enkel de fabrieksinstellingen bevat.
1. Druk op [SONG] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SONG] licht op en een popup-menu verschijnt.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] “EDIT”.
3. Druk op [F3] om uw keuze te bevestigen.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “EDIT”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“INITIALIZE”.
110
4. Breng de cursor met [F1 (LEFT )] of [F2 (RIGHT )]
naar de positie waarvoor u een ander teken wilt selecteren.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf of
CURSOR [▲]/[▼] een ander teken.
6. Druk op [EXIT] wanneer de naam geprogrammeerd is.
Zie blz. 69 voor een verklaring van de functieknoppen.
U kunt de volgende tekens programmeren:
A~Z, 0~9, !, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
, ?, _,
, =,
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
De TD-8 is een verrassend “natuurlijk” instrument. Dat zal u
echter enkel merken wanneer u ook aangeeft welke Pads enz.
u gebruikt, omdat de interpretatie van de ontvangen signalen afhangt van de pad e.d. die ze zendt. Onder “Instellen
welke pads u gebruikt” op blz. 32 hadden we het daar al
over. Hier willen we daarom enkel uitleggen hoe u met Trigger-banken en drumtriggers werkt. Deze laatste kunt u op
akoestische Toms e.d. monteren.
Druk op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)] om de volgende pagina op te roepen:
Hier kunt u aangeven welke pads en pedalen u op de TD-8
aangesloten hebt. Dat doet u via de afkortingen “K 8”, “8 A”,
“8RA” enz.
Trigger-banken
Trigger-banken laten toe om de TD-8 op 12 verschillende manieren te configureren, zodat u er in theorie 12 verschillende sets van pads en pedalen op kunt aansluiten.
Laten we dus kijken hoe je een andere Trigger-bank
selecteert:
1. Druk eerst op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de hierboven
getoonde pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar het (grote) banknummer).
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde bank.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar een Trigger-aanduiding.
5. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
Pads kunt u ook met CURSOR [▲]/[▼] en [TRIG
SELECT] kiezen.
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in
welke pad u op de betreffende ingang hebt aangesloten.
Display
Pad-model
PD5
PD-5
PD7
PD-7
PD9
PD-9
8A
PD-80 (herkent de slagpositie)
8B
PD-80 (herkent de slagpositie niet)
8RA
PD-80 (herkent de slagpositie)
8RB
PD-80 (herkent de slagpositie niet)
10A
PD-100 (herkent de slagpositie)
10B
PD-100 (herkent de slagpositie niet)
12A
PD-120 (herkent de slagpositie)
12B
PD-120 (herkent de slagpositie niet)
P 1, P 2
Bij gebruik van pads van andere merken
KD7
KD-7, KD-5
K8
KD-80
K12
KD-120
K 1, K 2
Kick Trigger van een ander merk
Kies KIK, SNR, TOM, of FLR wanneer u de drumtriggers
van een akoestisch drumstel op de TD-8 aangesloten
hebt. Zie ook “Gebruik van de TD-8 met drumtriggers”
op blz. 116.
• Als de klankkleur in functie moet staan van de plaats
waar de stokken het vel raken (enkel voor PD-80,
PD-80R, PD-100 of PD-120), moet u “8 A”, “8RA”, “10A”
of “12A” kiezen. De “B” betekent dat de slagpositie niet
wordt herkend. Dit zorgt echter voor een iets snellere
respons.
• Als u echt het onderste uit de kan wilt halen, zie dan ook
“‘Basic’ Trigger-parameters” op blz. 112 en “‘Advanced’
Trigger-parameters” op blz. 114. In de regel staan die
parameters al goed ingesteld. Maar ze zijn er als u de
indruk hebt dat de TD-8 nog net een tikkeltje accurater
zou kunnen reageren.
• Als u met pads van andere merken werkt, zou u eerst
eens “PD7” als Trigger-type moeten kiezen en kijken hoe
dat bevalt. Blijft het volume niet stabiel, probeer het dan
eens met “P 1”. “P 2” zorgt voor een nog stabielere respons, maar gaat wel ten koste van de Scan Time
(blz. 114, vertraging van ±0,003 seconden). Voor een
Kick Trigger van een ander merkt geldt hetzelfde: probeer eerst “KD7” en kies daarna eventueel “K 1” of “K 2”
om het gewenste resultaat te bereiken.
111
7
Trigger-type: welke pads
gebruikt u?
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
‘Basic’ Trigger-parameters
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
Als u pads van een ander merk dan Roland gebruikt (of oude
Roland-pads), kunt u de respons met de volgende parameters eventueel verbeteren.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
Sensitivity
Met deze parameter kunt u de gevoeligheid van de gekozen
pad optimaliseren.
Begin met een lage Threshold-waarde. Als de betreffende pad ook op meppen op een andere pad reageert (resonantie), moet u deze waarde verhogen.
THRESHOLD: 0~15
1. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F1 (BASIC)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
Curve
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “SENSITIVITY”.
1. Druk eerst op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de hierboven
getoonde pagina af.
3. Sla op een pad. Het display beeldt nu de bij die pad
behorende Basic-instellingen af.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
Stel SENSITIVITY altijd zo in dat de indicator rechts
enkel bij een harde aanslag bijna de maximumwaarde
aanduidt.
SENSITIVITY: 1~16
Met deze parameter kunt u het verband tussen uw variatie in
slagkracht en de daaruit resulterende volume-/klankkleurverschillen veranderen. Probeer een aantal instellingen uit tot
u de curve gevonden hebt die het best aan uw manier van
spelen beantwoordt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “CURVE”.
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
CURVE: LINEAR, EXP1, EXP2, LOG1, LOG2,
SPLINE, LOUD1, LOUD2
Threshold
Met deze parameter kunt u instellen hoe hard u minstens op
de pad moet slaan om te zorgen dat de TD-8 het signaal in
geluid omzet (d.w.z. hiermee bepaalt u de drempel). In het
navolgende voorbeeld zorgt enkel slag 2 voor een drumnoot. De slagen 1 en 3 blijven onder de drempel en worden
dus genegeerd.
LINEAR: Dit is de normale instelling die in de regel de
meest natuurlijke volumevariaties oplevert.
Volume
Threshold (drempel)
1
2
3
Slagkracht
LINEAR
EXP1, EXP2: In vergelijking tot LINEAR moet u betrekkelijk hard aanslaan om een groot volumeverschil
teweeg te brengen:
Volume
Kracht waarmee u slaat
1. Druk eerst op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de hierboven
getoonde pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar
“THRESHOLD”.
Slagkracht
EXP1
112
EXP2
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
LOG1, LOG2: Werkt in de omgekeerde richting als EXP.
Hier varieert het volume vooral wanneer u betrekkelijk
zacht aanslaat:
3. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F1 (BASIC)]. [SETUP]
licht op en het display beeldt de volgende pagina af:
Volume
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “RIM SENS”.
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
Slagkracht
LOG1
LOG2
RIM SENS: OFF, 1~15
OPGELET
SPLINE: Hier kunt u via de aanslag voor grote (soms
zelfs extreme) volumeverschillen zorgen:
Volume
Bij een grote waarde kan het gebeuren dat de rand zelfs
een signaal zendt wanneer u enkel op de pad zelf mept.
Kies dan een kleinere waarde.
Head Tension
Het vel (van een PD-80, PD-80R, PD-100 of PD-120) moet u
“stemmen” om te zorgen dat alle slagen ook naar behoren
worden herkend. Dat kent u al van “‘Stemmen’ (opspannen)
van het vel” op blz. 36.
Slagkracht
Spline
OPGELET
LOUD1, LOUD2: Het volume blijft min of meer constant
(weinig of zelfs geen variatie). Deze instelling zou u kunnen kiezen wanneer u de TD-8 met drumtriggers aanstuurt.
Volume
De betreffende parameter is enkel beschikbaar voor de
op TRIGGER INPUT 3 (SNARE) aangesloten pad, en ook
dan alleen wanneer u als Trigger-type “8 A”, “8RA”,
“10A” of “12A” kiest (zie blz. 111).
LOUD2
Rim Sens: gevoeligheid van de rand
Wanneer u een PD-80R of PD-120 op TRIGGER INPUT 3
(SNARE) aansluit, kunt u er ook de Rim-gevoeligheid van
instellen. Opgelet: als u hier “Off” kiest, negeert de TD-8 de
Rim-signalen. Anderzijds kan het zijn dat de pad soms Rimsignalen zendt, terwijl dat helemaal niet de bedoeling is. Dat
kunt u dan mits een andere Rim Sens-waarde verhelpen.
OPGELET
De spanning kan niet worden ingesteld wanneer de
TD-8 momenteel op het gebruik van Brushes staat ingesteld (zie blz. 69).
Zie ook “Hoofdstuk 2: Druminstrumenten editen” op
blz. 71.
1. Sla op de pad die u op TRIGGER INPUT 3 hebt aangesloten (de “Snare-Pad” dus).
2. Kies hiervoor “8RA”, “8RB”, “12A” of “12B” als Triggertype (zie blz. 111).
113
7
Slagkracht
LOUD1
In tegenstelling tot een akoestische Tom heeft de spanning van het vel (gaas) geen invloed op de toonhoogte
van de aangestuurde klanken. Deze functie is enkel
bedoeld om u de juiste “Feel” te geven. Maar opgelet:
stel de spanning altijd zo in dat uw slagen naar behoren
in geluid worden omgezet.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
‘Advanced’ Triggerparameters
De volgende parameters worden bij keuze van een ander
Trigger-type (blz. 111) automatisch ingesteld. In de regel
hoeft u er niets aan te veranderen, tenzij u anders u niet precies de juiste “Feel” verkrijgt.
Scan Time
Soms gebeurt het dat u met een bijna identieke slagkracht
toch betrekkelijk grote volumeverschillen hoort. Dat kan
zowel bij pads als bij gebruik van drumtriggers het geval
zijn. Maar ook dat kunt u zo instellen dat de respons feilloos
is:
1. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F2 (ADVNCD)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af:
dens het uitsterven van de akoestische trilling. Met Retrigger
Cancel zorgt u ervoor dat de TD-8 gedurende “x” milliseconden geen rekening houdt met eventuele nieuwe triggersignalen van de betreffende pad of drumtrigger. Hiermee bepaalt
u dus de minimale afstand tussen twee herkende triggersignalen.
1. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F2 (ADVNCD)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “RETRIGCANCL”.
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “SCAN TIME”.
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
Tijdens het instellen slaat u het best voortdurend op de
pad – en liefst altijd met dezelfde kracht. Verhoog de
Scan Time-waarde nu geleidelijk aan van “0” tot de
waarde die voor een gelijkblijvend volume zorgt. Een te
grote waarde zorgt er echter voor dat er een vertraging
optreedt tussen het slaan op de pad en de weergave van
het aangestuurde geluid. Kies dus altijd de optimale
instelling.
SCAN TIME: 0~4.0 (ms) (in stappen van 0,1ms)
RETRIG CANCL (voor drumtriggers)
A
Ook hier verdient het aanbeveling om voortdurend op
de Tom e.d. te slaan terwijl u de waarde instelt. Hoe groter de waarde, hoe minder kans er is op Retriggers. In
dat geval worden snelle slagen (zoals bij een roffel bv.)
echter niet meer op de juiste manier weergegeven.
RETRIG CANCL: 1~16
Mask Time
In het geval van een Kick Trigger (bv. KD-80, KD-7 of
KD-120) gebeurt het soms dat de klopper na de eigenlijke
trap even terugkaatst en dan nog eens op de Trigger terechtkomt. Als u een drumtrigger op een basdrum monteert en de
klopper na een noot niet van het vel afhaalt, kan dat eveneens leiden tot een dubbele trigger (dezelfde klank wordt
twee keer aangestuurd). Met Mask Time kunt u dergelijke
onvrijwillige dubbelslagen onderdrukken. Zolang de Mask
Time namlijk niet afgelopen is, negeert de TD-8 gewoon signalen die in de tussentijd binnenkomen (0~64 msec).
1. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F2 (ADVNCD)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af:
B
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “MASK
TIME”.
Met name wanneer u gebruik maakt van drumtriggers, die u
op een Snare of Tom monteert, hoort u niet alleen bij “A” een
geluid (wat voldoet aan de verwachtingen), maar ook bij “B”.
Dat is meestal het gevolg van een vervormde golfvorm tij-
114
3. Trap de Kick Trigger of akoestische basdrum in. De cursor springt nu automatisch naar de regel van deze TRIGGER INPUT.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste waarde in.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
Probeer, tijdens het instellen, uw normale speltechniek
uit en luister of dit resulteert in één signaal. Als u nog
steeds een tweede noot hoort, moet u een grotere MASK
TIME-waarde instellen. Wees echter voorzichtig, omdat
u bij een te hoge instelling eventueel ook de versieringen niet meer hoort.
MASK TIME: 0~64ms (in stappen van 4ms)
Cross Stick-gevoeligheid
Wanneer u een PD-80R of PD-120 op TRIGGER INPUT 3
(SNARE) aansluit, kunt u ook de zgn. Cross Stick-techniek
hanteren. Voor een optimaal resultaat verdient het aanbeveling om de gevoeligheid goed in te stellen – en dat doet u met
deze parameter.
Slagkracht
Hard
Crosstalk (dempen van overspraak)
Wanneer u twee pads op dezelfde stand monteert, gebeurt
het soms dat u bij het slaan op één pad ook de klank van de
andere pad hoort, omdat de trillingen van de stand zo sterk
zijn dat de tweede pad “denkt” dat u er eveneens op slaat.
Ook dit kunt u onderdrukken.
Rimshot
Cross Stick
Zacht
16
1
CROSS STICK-parameter
1. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F2 (ADVNCD)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “CROSSTALK”.
3. Sla op een pad. De cursor springt nu automatisch naar de
regel van de pad die u net hebt geselecteerd.
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
CROSSTALK: OFF, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65,
70, 75, 80
Wanneer u CROSS STICK op “16” zet, hoort u bij het slaan
op de rand ook de Cross Stick-klank. De Rimshot-klank
hoort u dan enkel wanneer u een echte “TD-8-Rimshot”
speelt (d.w.z. tegelijk op de pad en de rand slaat). Hoe kleiner de CROSS STICK-waarde, hoe gemakkelijker het is om
de Rimshot-klank aan te sturen door enkel op de rand van de
pad te slaan. De waarde “1” betekent dat u de Rimshot-klank
altijd hoort wanneer u op de rand slaat.
Enkel de klanken met “XS” achter hun naam zijn in staat
om Cross Stick-geluiden weer te geven.
1. Sla op de pad die u op TRIGGER INPUT 3 hebt aangesloten (de “Snare-Pad” dus).
2. Kies hiervoor “8RA”, “8RB”, “12A” of “12B” als Triggertype (zie “Trigger-type: welke pads gebruikt u?” op
blz. 111).
3. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F2 (ADVNCD)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende
pagina af:
Voorbeeld: u slaat op de Snare-pad en u
hort ook de HiHat
Dit kan soms gebeuren. En dát precies kunt u met CROSSTALK voorkomen: sla op de Snare-pad, terwijl u de
instelling van de HiHat-Pad eerst op “20”, dan op “25”…
zet tot de HiHat bij het meppen op de Snare niet meer
klinkt. Probleem opgelost.
Ook voor CROSSTALK geldt dat u het best altijd de
kleinstmogelijke waarde kiest waarmee u het probleem
de wereld uit kunt helpen. Anders gebeurt het namelijk
dat een pad té ongevoelig is en niet meer op zgn. “ghost
notes” enz. reageert – en dat zou toch jammer zijn.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “CROSS STICK”.
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste waarde in.
CROSS STICK: 1~16
Voor het instellen van deze parameter schakelt u de
volgfunctie van het display het best uit. Zie blz. 72.
115
7
In bepaalde gevallen kunt u de overspraak al onderdrukken door de afstand tussen de twee pads te vergroten of
door beide pads op aparte houders te monteren.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
Gebruik van de TD-8 met
drumtriggers
Als u de TD-8 vanop uw akoestische drums wilt aansturen,
moet u die voorzien van zgn. “drumtriggers”.
Als de triggers voor de Toms een laag uitgangsniveau
hebben, mag u ze ook aan het slagvel bevestigen (maar
alleen dan).
2 Verbind de drumtrigger via een monokabel met een TRIGGER INPUT van de TD-8.
Aansluiten van drumtriggers
1 Bevestig de drumtrigger op de trommel
van uw akoestisch drumstel.
3 Stel de Trigger-parameters van de TD-8 in.
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)]. [SETUP]
licht op en de “TRIG”-pagina verschijnt.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar het BANK-nummer.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde bank.
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar het Trigger-type.
5. Sla op een pad of gebruik CURSOR [▲] of [▼] en [TRIG
SELECT] om een pad/TRIGGER INPUT te selecteren.
Snare
Tom
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in om
welk instrument het gaat (zie de tabel):
Afkorting
Trommel
KIK
Basdrum
SNR
Snare
TOM
Tom
FLR
Floortom
4 Sla op de betreffende akoestische trommel
om te controleren of de TD-8 op het signaal
reageert.
Basdrum
Floortom
Als de klankkwaliteit te wensen overlaat, moet u een
andere plaatsing van de drumtrigger uitproberen. Zie
“Trigger-parameters” op blz. 117 voor de overige instellingen.
OPGELET
• Om te voorkomen dat de drumtrigger ongewenste trillingen opvangt moet u zorgen dat zijn kabel de ketel van
de betreffende trommel niet raakt.
De kabel mag de rand niet raken
Trommel
Waar de trigger installeren
Basdrum
Op het slagvel (± 5 à 10 cm van de rand)
Snare
Op het slagvel (2 à 3 cm van de rand)
Tom
Op de ketel (naast een stemschroef en ± 1
cm van het slagvel vandaan)
Floortom
Op de ketel (naast een stemschroef en ± 1
cm van het slagvel vandaan)
116
• De basdrum en de Snare moet u afdempen. Als u een
Mute-ring gebruikt, snijd er dan een stuk uit om plaats te
laten voor de drumtrigger. Deze mag de Mute namelijk
niet raken.
• Zie blz. 112 voor het verband tussen den aanslagsterkte
en de klankkleur/het volume van de TD-8.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
Trigger-type instellen
1. Druk eerst op [SETUP] en vervolgens op [F1 (TRIG)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de hierboven
getoonde pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar het banknummer.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
Trigger-bank (misschien best één die u niet al voor
andere toepassingen nodig hebt).
4. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de Triggerkolom.
5. Sla op een Tom of speel een basdrumnoot. De cursor
springt nu naar de instelling van de gebruikte TRIGGER
INPUT.
De ingang kunt u ook met CURSOR [▲]/[▼] en [TRIG
SELECT] kiezen.
6. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf één
van de volgende opties in (naar gelang de trommel waar
u net op hebt geklopt). Zie de tabel op blz. 116.
8. Stel de THRESHOLD-parameter in (blz. 112). Als de
CROSSTALK-instelling niet alle ongewenste noten
onderdrukt, moet u de gevoeligheid van de betreffende
TRIGGER INPUT iets verlagen. Opgelet: bij een te hoge
waarde kan het gebeuren dat u ook de gewenste noten
niet meer hoort.
9. Kies een geschikte CURVE (blz. 112). Hiermee zorgt u
dat de verschillen tussen harde en zachte slagen een
natuurlijke volumevariatie opleveren.
LCD Contrast
Naar gelang de lichtomstandigheden op de plaats waar u
werkt, kan het gebeuren dat het display niet of nauwelijk af
te lezen valt. Dat kunt u met de volgende parameter corrigeren.
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/ [▼] naar “UTIL”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F1 (LCD)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Trigger-parameters
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste contrast in. Hoe groter de waarde, hoe donkerder het display wordt.
1. Zie de opmerkingen over het Trigger-type hierboven.
LCD CONTRAST: 1~16
2. Kies voor THRESHOLD en CURVE “normale” waarden
(bv. respectievelijk 0 en LINEAR).
Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F1 (BASIC)], selecteer
deze parameters met CURSOR [▲] of [▼] en stel met
[INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de twee suggesties in.
Voor het instellen kunt u ook [KIT] ingedrukt houden,
terwijl u aan de VALUE-schijf draait.
3. Stel SENSITIVITY zo in dat de ingangsindicator rechts in
het display enkel de maximumwaarde haalt, wanneer u
eens goed doormept.
4. Druk op [F1 (ADVNCD)] (zie blz. 114).
5. Stel SCAN TIME, RETRIGCANCL en MASK TIME naar
wens in. RETRIG CANCL is vooral geschikt voor de
Snare en de Toms, terwijl MASK TIME eerder voor de
basdrum bedoeld is.
6. Stel CROSSTALK naar wens in (blz. 115). Kies een zo
laag mogelijke waarde.
7. Druk op [SETUP]→ [F1 (TRIG)]→ [F1 (BASIC)].
TD-8 stemmen (Master Tune)
Met de Master Tune-parameter kunt u de stemming van Part
1~4 veranderen, wat nodig kan zijn als u met moeilijk stembare akoestische instrumenten samenspeelt. Deze parameter
heeft geen invloed op de stemming van de Drum Kit- en/of
Percussion Part.
De meeste elektronische instrumenten hanteren de stemming
“440.0” (Hz).
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲] of [▼] naar “UTIL”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
117
7
Voor akoestische drumtriggers kunt u het best de volgende
parameterwaarden instellen. Meer details over deze parameters vindt u op blz. 112~115.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
4. Druk op [F2 (TUNE)]. Het display beeldt nu de MASTER
TUNE-pagina af:
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste stemming in.
MASTER TUNE: 415.3~466.2 (Hz) (in 0,1Hz-stappen)
Available (resterende geheugencapaciteit)
Soms is het misschien handig als u, vóór het aanvatten van
een nieuwe opname, even kijkt of daar überhaupt nog plaats
voor is. Dat kunt u op de volgende manier controleren:
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
Note Chase: “MIDIvolgfunctie” van het display
De Note Chase-functie kan handig zijn voor het editen van
klanken die u via MIDI aanstuurt, omdat het display telkens
de instellingen van de laatst gekozen pad afbeeldt. In tegenstelling tot de paginavergrendeling van blz. 72 gaat het hier
echter niet om de volgfunctie bij het slaan op de pads, maar
enkel voor nootcommando’s die de TD-8 via MIDI ontvangt.
Als u deze functie storend vindt, kun u ze uitschakelen.
OPGELET
Zolang de hierna getoonde display-pagina wordt afgebeeld, is Note Chase actief – dus ook wanneer u “Off”
gekozen hebt. (Nogmaals: deze volgfunctie geldt enkel
voor MIDI-nootcommando’s).
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F1 (PAGE1)]. [SETUP] licht op en het display beeldt de
volgende pagina af:
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲] of [▼] naar “UTIL”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F3 (MEMORY)]. Het display beeldt nu de volgende pagina af:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “NOTE CHASE”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “On”
of “Off”.
OFF: Het display beeldt niet telkens de instellingen af
van de pad die aan een via MIDI ontvangen nootnummer is toegewezen.
AVAILABLE: 0~100 (%)
PATTERN: (0~100/100) Aantal gebruikte User-patronen
(vóór de “/”), totaal aantal beschikbare User-patronen
(100)
SONG: (0~50/50) (Units) Aantal gebruikte Songs (vóór
de “/”), totaal aantal beschikbare Songs (50)
Bij levering bevat de TD-8 reeds 50 Songs. Dat is ook het
geval wanneer u hem na verloop van tijd weer initialiseert (Factory Reset; blz. 148). In dat geval wordt er dus
weer “50/50” afgebeeld, omdat alle Song-geheugens
data bevatten.
118
ON: De volgfunctie is actief. Dit is handig bij het kiezen
en instellen van de klanken in de studio e.d.
Hoofdstuk 7: Algemene instellingen
Uitgangstoewijzing (Output
Assign)
De TD-8 is niet alleen voorzien van zgn. MASTER-uitgangen,
maar ook van twee DIRECT-uitgangen. Bij levering (of na
initialiseren van de TD-8) worden de Direct-uitgangen niet
aangesproken. Met de volgende parameter kunt u daar echter verandering in brengen.
MAS: Stereo-weergave via MASTER L (MONO) & R. In
dit geval bepaalt de Pan-instelling de stereopositie.
M_L: Mono-weergave via MASTER L (MONO). Er
wordt geen rekening gehouden met de Pan-instelling.
M_R: Mono-weergave via MASTER R.
DIR: Stereo-weergave via DIRECT L, R. De Pan-instelling wordt gebruikt, maar de klank wordt niet van
Ambience voorzien.
D_L: Mono-weergave via DIRECT L, geen Ambience.
OPGELET
Het Ambience-effect is enkel beschikbaar voor klanken
die u aan de MASTER-uitgangen toewijst.
Afkortingen in het display
D_R: Mono-weergave via DIRECT R, geen Ambience.
M&D: Stereo-weergave via MASTER L (MONO), R en
DIRECT L, R. De Pan-instelling wordt gebruikt, maar de
klank wordt niet van Ambience voorzien.
De instrumenten/klanken worden hier met behulp van de
volgende afkortingen aangeduid:
Afkorting
Trigger Input
Afkorting
Trigger Input
K
1 (KICK1)
K
2 (KICK2)
S
3 (SNARE)
1
4 (TOM1)
2
5 (TOM2)
3
6 (TOM3)
H
7 (HI-HAT)
C
8 (CRASH1)
C
9 (CRASH2)
R
10 (RIDE)
A
11 (AUX1)
A
12 (AUX2)
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “OUT”.
7
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
beeldt nu de OUTPUT-pagina af:
4. Sla op een pad. De cursor springt nu naar de regel van
die pad in het display.
Pads kunt u ook met CURSOR [▲]/[▼] en [TRIG
SELECT] kiezen.
OPGELET
• Voor TRIGGER INPUT 1 (KICK 1), 2 (KICK 2), 11 (AUX
1) en 12 (AUX 2) kunt u de Rim niet kiezen.
• TRIGGER INPUT 2 (KICK2) en 12 (AUX2) zijn enkel
beschikbaar wanneer u twee pads op TRIGGER INPUT
1/2 (KICK1/2) c.q. 11/12 (AUX2) aansluit (blz. 25).
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde uitgangstoewijzing:
119
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Chain: selectievolgorde van
de Drum Kits
De Chain-functie laat toe om de volgorde te programmeren
waarin u de Drum Kits tijdens een optreden e.d. wilt selecteren. Dat kan dan bv. met de voet gebeuren. Het voordeel van
een Chain is dat u niet noodzakelijk chronologisch opeenvolgende Drum Kits (eerst 1 dan 2 enz.) hoeft op te roepen,
zodat het niet uitmaakt in welk geheugen zich welke Drum
Kit bevindt. Zonder de Chain-functie zou u moeten zorgen
dat de Kit voor het eerste nummer zich bv. in geheugen 1
bevindt, de Kit voor het tweede nummer in geheugen 2, weer
Kit 1 (ditmaal echter in geheugen 3) voor het derde nummer
enz. Er zijn 16 Chain-geheugens met telkens 32 stappen.
32 stappen
Chain 1
Kit
7
Kit
2
Kit
5
Kit
10
Chain 2
Chain 16
Chain programmeren
1. Druk op [CHAIN]. Deze knop licht op en de Chain-functie wordt geactiveerd.
2. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[KIT] licht op en er verschijnt een popup-menu.
3. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “EDIT”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
5. Druk op [F1 (NO.)] om de cursor naar het Chain-nummer te brengen.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
Chain-geheugen dat u wilt programmeren.
7. Druk op [F1 (LIST)] om de cursor naar het stappenoverzicht rechts in het display te brengen. Zorg er met CURSOR [▲] voor dat stap “1” geselecteerd is.
8. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Drum Kit die als eerste moet worden geselecteerd (stap
1).
9. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de volgende stap.
10. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
Drum Kit voor deze stap.
11. Herhaal de stappen 9 en 10 om uw Chain te vervolledigen. Eenzelfde Drum Kit mag ook aan verschillende
stappen worden toegewezen.
12. Druk op [EXIT] om deze pagina weer te verlaten.
[F1 (NO.)]: Hiermee zorgt u dat de cursor naar het
Chain-nummer (links) springt.
[F1 (LIST)]: Hiermee zorgt u dat de cursor naar de stappenlijst (rechts) springt, als hij zich momenteel op het
Chain-nummer bevindt.
[F2 (INSERT)]: Als u al een hele lijst geprogrammeerd
hebt en plots tot de vaststelling komt dat u ergens een
Drum Kit vergeten bent, kunt u met deze functie een
stap invoegen. Alle navolgende stappen verhuizendan
één stap verder naar onder.
[F3 (DELETE)]: Hiermee kunt u de momenteel geselecteerde stap wissen. De navolgende stappen verhuizen
dan één stap verder naar boven.
Live-gebruik van de Chains
1. Druk op [CHAIN]. Deze knop licht op en de Chain-functie wordt geactiveerd.
2. Kies met CURSOR [▲] of [▼] het Chain-geheugen dat u
wilt gebruiken.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf telkens de volgende stap (dus de volgende Drum Kit) tussen twee nummers die u speelt.
4. Druk nog een keer op [CHAIN] als u de Chain-functie
niet meer nodig hebt. De indicator van deze knop dooft
nu weer.
120
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Als er te grote volumeverschillen tussen de Drum Kits
zijn, kunt u die met [MIXER] wegwerken door het algemene Kit-volume (MASTR) te wijzigen (blz. 81).
OPGELET
Chains bevatten enkel verwijzingen naar bestaande
Drum Kits en dus niet de instellingen ervan. Elke wijziging van een Drum Kit heeft dus ook gevolgen voor uw
Chains.
Voor het kiezen van de Chain-stappen kunt u ook een
pad of voetschakelaar gebruiken. Zie “Pads als schakelaars gebruiken (Pad Switch)” op blz. 123 en “Voetschakelaars gebruiken (FOOT SWITCH)” op blz. 124.
Voetschakelaars en padschakelfuncties
De pads en het HiHat-pedaal kunt u niet alleen gebruiken
om muziek te maken, maar ook voor het wijzigen van
bepaalde instellingen enz. Bovendien kunt u optionele voetschakelaars op de TD-8 aansluiten en ook daarmee het één en
ander verzetten.
Patroon via een pad starten (Pad
Pattern)
Met Pad Pattern kunt u de weergave van het gewenste
patroon starten door op een pad te slaan. Dit laat toe om de
patronen bij uw drumspel (bv. solo’s) te betrekken.
• Als u een Song geselecteerd hebt, kunt u 1Shot- en Looppatronen niet met Pad Pattern starten. In dat geval reageert deze functie enkel op Tap-patronen. Zie ook
blz. 87.
1. Kijk even of de [CHAIN]-indicator uit is (dat moet het
geval zijn). Pad Pattern is namelijk niet beschikbaar wanneer de Chain-functie ingeschakeld is.
2. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[KIT] licht op en er verschijnt een popup-menu.
3. Breng de cursor met [DEC/–],de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “PTN”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
5. Sla op de pad waarmee u een patroon wilt starten. De
instellingen voor die pad verschijnen nu in het display.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PATTERN”.
U kunt de patronen ook volgens categorie selecteren.
Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “CATEGORY”
en kies een categorie.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde patroon. Als u geen patroon via deze pad wilt
starten, moet u “OFF” kiezen.
Met [PREVIEW] kunt u het gekozen patroon beluisteren.
• U kunt ook aan verschillende pads verschillende patronen toewijzen. De TD-8 kan er echter telkens maar één
weergeven. Als u dus de weergave van een tweede
patroon “triggert”, terwijl het eerste nog niet afgelopen
is, wordt het eerste patroon gestopt en het tweede
gestart.
• Onthoud bovendien dat het even duurt voordat de TD-8
de nodige klankinstellingen e.d. voor een patroon heeft
uitgevoerd. Daarom is het slimmer om enkel met patronen te werken die dezelfde klanken, instellingen enz.
hanteren, omdat er dan niets gewijzigd hoeft te worden.
• De noten, die u via de Pad Pattern-functie laat spelen,
kunnen niet met een sequencers worden opgenomen.
8. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
8
OPGELET
Het symbool onder de naam van het patroon slaat op de
weergavemethode. Zie hiervoor “Play Type: weergavemethode voor de patronen” op blz. 87.
9. Sla op de eerder gekozen pad. U hoort nu het toegewezen patroon.
Als u de via een pad aangestuurde drum-/percussieklank niet wilt horen, moet u er het volume van op “0”
zetten. Gebruik hiervoor de LEVEL-parameter op de
MIXER-pagina (blz. 80).
10. Om de weergave van het gestarte patroon vroegtijdig te
stoppen moet u op [PLAY/STOP] drukken. De indicator
van deze knop dooft dan weer.
De “PAD PTN VELO”-parameter wordt verderop verklaard.
121
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Patronen selecteren via een overzicht
De TD-8 biedt ook een pagina met een overzicht van de
pad-/patroon-toewijzingen voor de momenteel geselecteerde Drum Kit.
1. Kijk even of de [CHAIN]-indicator uit is (dat moet het
geval zijn). Pad Pattern is namelijk niet beschikbaar wanneer de Chain-functie ingeschakeld is.
OPGELET
Als u voor PATTERN “OFF” kiest, verschijnt er een horizontale lijn om aan te geven dat u de aanslaggevoeligheid niet kunt instellen. U moet namelijk eerst een
patroon aan deze pad toewijzen. Zie blz. 121.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “On”
of “Off”.
2. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[KIT] licht op en er verschijnt een popup-menu.
OFF: Het volume van het patroon hangt niet af van de
kracht waarmee u op de pad slaat.
3. Breng de cursor met [DEC/–], de VALUE-schijf of CURSOR [▲] naar “PTN”.
ON: Het volume van het patroon verschilt naar gelang
hoe hard u op de pad slaat.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
4. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Toonhoogte met het HiHatpedaal bepalen (Pitch CTRL)
5. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “CATEGORY” of “PATTERN”.
6. Druk op [F1 (LIST)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
7. Sla op een pad. De cursor springt nu naar de instelling
voor deze pad.
De pad kunt u ook met CURSOR [▲] of [▼] en [TRIG
SELECT] selecteren.
8. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde patroon.
U kunt het HiHat-pedaal (FD-7) niet alleen voor het openen
en sluiten van de HiHat-klank, maar ook voor het wijzigen
van de toonhoogte gebruiken. Dat slaat dan op de klanken
die u aan één of meerdere andere pads hebt toegewezen.
Zodra u het pedaal loslaat, keert de gewijzigde klank weer
naar zijn oorspronkelijke toonhoogte terug.
Als u het pedaal niet tegelijk voor het bespelen van de
HiHat-klank wilt gebruiken, moet u het volume van
deze laatste (“PEDAL HI-HAT VOLUME”) op “0” zetten. Zie blz. 70.
Als u heel subtiel te werk wilt gaan, moet u “PEDAL
DATA THIN” op “1” of “Off” zetten. Zie blz. 135.
Pads kiezen voor de toonhoogtesturing
9. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
10. Sla op de eerder gekozen pad. U hoort nu het toegewezen patroon.
Patroonvolume via de aanslagwaarde
bepalen
1. Zie stap 1~5 op blz. 121.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PAD PTN
VELO”.
De toonhoogtesturing werkt alleen indien u deze functie aan
minstens één pad toewijst. Dit doet u als volgt:
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)]. [KIT]
licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “FUNC”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Druk op [F2(PEDAL)]. Het display beeldt nu de
“PEDAL”-pagina af.
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “PEDAL PITCH
CTRL RANGE”.
6. Druk op [F3 (ASSIGN)]. Het display ziet er als volgt uit:
122
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
7. Sla op een pad. De cursor springt nu naar de instelling
voor deze pad.
De pad kunt u ook met CURSOR [▲] of [▼] en [TRIG
SELECT] selecteren.
8. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste instelling:
OFF: De klank van deze pad verandert niet wanneer u
het HiHat-pedaal intrapt.
ON: De klank van deze pad kan via het HiHat-pedaal
worden beïnvloed. (Maar u moet voor Pedal Pitch CTRL
Range wel een andere waarde dan “0” instellen.)
9. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Bereik van de toonhoogtewijziging (Pedal
Pitch CTRL Range)
Pads als schakelaars gebruiken
(Pad Switch)
Als u twee pads via een “Y”- of insertiekabel (PCS-31, optie)
op TRIGGER INPUT 11/12 (AUX1/AUX2) aansluit, kunt u
ze voor het kiezen van Drum Kits, patronen of Songs gebruiken.
1. Sluit twee pads aan op TRIGGER INPUT 11/12 (AUX1/
AUX2). Hiervoor hebt u een optionele PCS-31 kabel of
een stereo-jack→ 2x mono-jack kabel nodig.
2. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
3. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲] of [▼] naar “SWITCH”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
5. Druk op [F2 (PAD)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Net zoals voor de melodische Parts (blz. 90) kunt u ook voor
het HiHat-pedaal het bereik instellen waarbinnen de toonhoogte kan worden veranderd. Het maximale buigingsbereik
bedraagt –24 of +24 halve tonen (2 octaven). Als u “0” kiest,
kan de toonhoogte niet met het pedaal worden veranderd.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste maximale interval (geldig wanneer u het
pedaal helemaal intrapt).
PEDAL PITCH CTRL RANGE: –24~+24
OPGELET
• Bij bepaalde klanken verandert de toonhoogte maar tot
op zekere hoogte.
• Een negatieve waarde (“–”) betekent dat de toonhoogte
daalt wanneer u het pedaal intrapt; een positieve waarde
betekent dat de toonhoogte stijgt.
3. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Sla op één van de twee pads om de AUX1- of AUX2parameter te selecteren (naar gelang de Pad waarop u
mept).
6. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PAD SWITCH”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste schakelfunctie. Als u “KIT SELECT” of “SEQ
SELECT” kiest, ga dan meteen naar stap 9.
8. Als u “ASSIGNABLE” kiest, moet u op CURSOR [▼]
drukken om de cursor naar “AUX1” te brengen.
8a. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
functie voor deze pad (AUX1).
8b. Doe dit ook voor “AUX2”.
9. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
123
8
1. Zie de stappen 1~5 hierboven. Het display moet er als
volgt uitzien:
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
10. De Pads doen nu dienst als schakelaars. De beschikbare
functies zijn:
Benaming
AUX1-Pad (witte
stekker)
AUX2-Pad (rode
stekker)
OFF
Geen functie
Geen functie
KIT SELECT
KIT# INC
(keuze van de volgende Drum Kit)
KIT# DEC
(keuze van de
vorige Kit)
SEQ# INC
(keuze van het volgende patroon/de
volgende Song)
SEQ# DEC
(keuze van het
vorige patroon/de
vorige Song)
zie hieronder
zie hieronder
SEQ SELECT
ASSIGNABLE
ASSIGNABLE: Hiermee kunt u voorkomen dat de TD-8
automatisch de “andere” functie van een paar selecteert
(zoals in de tabel te zien is). Kies hiermee dus de functie
die u écht (niet) nodig hebt. De opties zijn dezelfde als
voor de voorgeprogrammeerde paren, te weten:
OFF, KIT# DEC, KIT# INC, SEQ# DEC en SEQ# INC.
Ditmaal kunt u echter beide pads apart programmeren.
Zoals altijd, wordt het nummer van een patroon en/of
Song in de bovenste display-regel afgebeeld. Zodoende
weet u welk patroon/welke Song u kunt selecteren.
Maar let wel: als er enkel een patroonnummer wordt
afgebeeld, dienen de pads eventueel voor het oproepen
van een patroon (en dus niet van een Song).
Beeldt het display ook een Song-nummer af, dan dienen
de pads voor het selecteren van Songs.
Voetschakelaars gebruiken
(FOOT SWITCH)
U kunt ook twee optionele voetschakelaars gebruiken (BOSS
FS-5U met eveneens optionele PCS-31 kabel) voor het selecteren van Drum Kits, patronen of Songs c.q. de afstandsbediening van de sequencer.
Voetschakelaar
SW1
SW2
FS-5U x 2 (PCS-31)
(rode plug)
(witte plug)
Roland DP-2
—
X
1. Sluit één of twee voetschakelaars aan op de FOOT
SWITCH-connector.
2. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
3. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲] of [▼] naar “SWITCH”.
4. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
5. Druk op [F1 (FOOT)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
Trap een voetschakelaar in om de SW1- of SW2-parameter te selecteren (naar gelang de voetschakelaar die u
intrapt).
6. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “FOOT
SWITCH”.
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
benodigde functie. Als u “KIT SELECT”, “SEQ SELECT”
of “PLAY SELECT”, kunt u meteen naar stap 9 gaan.
• Als u met de twee AUX-pads geen klank wilt aansturen,
moet u het volume met de LEVEL-parameter van de
MIXER op “0” zetten (blz. 80).
• Als u de pads voor het kiezen van de Chain-stappen wilt
gebruiken, moet u hier “KIT SELECT” kiezen en de
[CHAIN]-knop indrukken (indicator moet oplichten).
Zie blz. 120 voor meer details over de Chains.
124
8. Als u “ASSIGNABLE” kiest, moet u de cursor met CURSOR [▼] naar “SW1” brengen.
8a. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf to
een functie voor deze voetschakelaar.
8b. Doe dit nu ook voor “SW2”.
9. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Ziehier de functies die u aan de voetschakelaars kunt
toewijzen:
Benaming
Rode stekker
Witte stekker (of
DP-2)
OFF
Geen functie
Geen functie
KIT SELECT
Zie blz. 124.
SEQ SELECT
Zie blz. 124
PLAY SELECT
SEQ TOP
PLAY/STOP (star(terug naar het
ten/stoppen van
begin van de Song) een patroon/Song)
ASSIGNABLE
zie hieronder
OPGELET
Als u de voetschakelaars voor het kiezen van de Chainstappen wilt gebruiken, moet u hier “KIT SELECT” kiezen en de [CHAIN]-knop indrukken (indicator moet
oplichten). Zie blz. 120 voor meer details over de Chains.
zie hieronder
ASSIGNABLE: Hiermee kunt u voorkomen dat de TD-8
automatisch de “andere” functie van een paar selecteert
(zoals in de tabel te zien is). Kies hiermee dus de functie
die u écht (niet) nodig hebt. De opties zijn:
KIT# DEC, KIT# INC, SEQ# DEC, SEQ# INC, SEQ TOP,
PLAY/STOP, SEQ BWD, SEQ FWD
SEQ BWD: Als u patronen kunt aansturen (zie verderop), keert u met deze voetschakelaar terug naar het
begin van de vorige maat. Als de voetschakelaar voor
het aansturen van Songs dient, selecteert u met deze
voetschakelaar de stap die zich vóór diegene bevindt die
de TD-8 net afspeelt.
SEQ FWD: Als u patronen kunt aansturen (zie verderop),
springt u met deze voetschakelaar naar het begin van de
volgende maat. Als de voetschakelaar voor het aansturen van Songs dient, selecteert u met deze voetschakelaar de stap die zich achter diegene bevindt die de TD-8
net afspeelt.
8
Zoals altijd, wordt het nummer van een patroon en/of
Song in de bovenste display-regel afgebeeld. Zodoende
weet u welk patroon/welke Song u kunt selecteren of
aansturen.
Maar let wel: als er enkel een patroonnummer wordt
afgebeeld, dienen de voetschakelaars eventueel voor het
oproepen van een patroon (en dus niet van een Song).
Beeldt het display ook een Song-nummer af, dan dienen
de voetschakelaars voor het selecteren van Songs.
125
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Instellingen kopiëren
De TD-8 laat ook toe om bepaalde instellingen naar een
ander geheugen te kopiëren. Denk echter goed na wat u aan
het doen bent, omdat de data in het geheugen van bestemming worden gewist.
Copy Kit: Drum Kits kopiëren/
uitwisselen
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)]. [KIT]
licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “COPY”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken.
4. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “COPY”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“KIT”.
Wordt gekopieerd…
…naar dit geheugen
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar het bovenste Kitgeheugen (“Wordt gekopieerd…”).
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Kit die u wilt kopiëren.
“PRESET” slaat op een voorgeprogrammeerde Kit, terwijl “USER” op een programmeerbare Kit slaat.
Het kiezen van een PRESET-Kit is alleen zinvol als u de
fabrieksinstellingen ervan als vertrekpunt voor een nieuwe Kit wilt gebruiken, die u vervolgens gaat editen.
8. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de parameter die
op het geheugen van bestemming slaat.
9. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste geheugen (hier kunt u enkel USER-geheugens
kiezen).
10. Druk op [F2 (EXCHNG)] of [F3 (COPY)]. Dit commando
moet u bevestigen:
11. Druk op [F3 (EXEC)] om de kopie of de uitwisseling uit
te voeren, of op [F1 (CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
Met FACTORY RESET (blz. 148) kunt u voor de geselecteerde User Drum Kit weer de instellingen oproepen die
hij bij levering van de TD-8 bevatte.
Copy Inst: instrumenten kopiëren
Met deze functie kunt u de instellingen van de momenteel
geselecteerde Trigger Input naar dezelfde Trigger Input van
een andere Drum Kit kopiëren.
OPGELET
Hierbij kopieert u de instellingen van zowel de pad
(“H”) als de rand (“R”)
Wordt gekopieerd…
…naar deze Drum Kit
• Voor TRIGGER INPUTs 1, 2, 11 en 12 is er enkel een padinstrument (“H”). Dus worden enkel die instellingen
gekopieerd.
Wordt gekopieerd…
…naar deze Drum Kit
1. Zie de stappen 1~4 onder “Copy Kit: Drum Kits kopiëren/uitwisselen”.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“INST”.
3. Kies met CURSOR [▼] het bovenste Kit-geheugen
(“Wordt gekopieerd…”). De Trigger Input selecteert u
door op de pad te slaan.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Drum Kit die de te kopiëren instellingen bevat.
“PRESET” slaat op een voorgeprogrammeerde Kit, terwijl “USER” op een programmeerbare Kit slaat.
Het kiezen van een PRESET-Kit is alleen zinvol als u de
fabrieksinstellingen van een Trigger Input wilt gebruiken.
5. Sla op de pad van het instrument wiens instellingen u
wilt kopiëren.
[F2 (EXCHNG)]: Laat toe om de inhoud van het bron- en
het bestemmingsgeheugen uit te wisselen indien het om
twee User-geheugens gaat. Op die manier kunt u de
volgorde van de Drum Kits veranderen. Dat is niet echt
noodzakelijk, omdat u met de Chain-functie kunt werken (zie blz. 120).
126
Hiervoor kunt u ook [TRIG SELECT] gebruiken.
6. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de parameter die
op het geheugen van bestemming slaat.
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
7. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste geheugen (hier kunt u enkel USER-geheugens
kiezen).
Copy Effect: Studio-instellingen
kopiëren
8. Druk op [F3 (COPY)]. Dit commando moet u bevestigen:
1. Zie de stappen 1~4 onder “Copy Kit: Drum Kits kopiëren/uitwisselen” op blz. 126.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“EFFECT”.
9. Druk op [F3 (EXEC)] om de kopie uit te voeren, of op [F1
(CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
Copy Mixer: Mixer-instellingen
kopiëren
Met deze functie kunt u de Mixer-instellingen van één Drum
Kit naar een andere Drum Kit kopiëren.
1. Zie de stappen 1~4 onder “Copy Kit: Drum Kits kopiëren/uitwisselen” op blz. 126.
2. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“MIXER”.
Wordt gekopieerd…
…naar deze Drum Kit
3. Kies met CURSOR [▼] het bovenste Kit-geheugen
(“Wordt gekopieerd…”).
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Drum Kit die de te kopiëren instellingen bevat.
Wordt gekopieerd…
…naar deze Drum Kit
3. Kies met CURSOR [▼] het bovenste Kit-geheugen
(“Wordt gekopieerd…”).
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Drum Kit die de te kopiëren instellingen bevat.
“PRESET” slaat op een voorgeprogrammeerde Kit, terwijl “USER” op een programmeerbare Kit slaat.
Het kiezen van een PRESET-Kit is alleen zinvol als u de
effect-instellingen van een Preset Drum Kit wilt gebruiken.
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de parameter die
op het geheugen van bestemming slaat.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste geheugen (hier kunt u enkel USER-geheugens
kiezen).
7. Druk op [F3 (COPY)]. Dit commando moet u bevestigen:
“PRESET” slaat op een voorgeprogrammeerde Kit, terwijl “USER” op een programmeerbare Kit slaat.
Het kiezen van een PRESET-Kit is alleen zinvol als u de
fabrieksinstellingen van een “Preset-Mixer” wilt gebruiken.
8. Druk op [F3 (EXEC)] om de kopie uit te voeren, of op [F1
(CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
8
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de parameter die
op het geheugen van bestemming slaat.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste geheugen (hier kunt u enkel USER-geheugens
kiezen).
7. Druk op [F3 (COPY)]. Dit commando moet u bevestigen:
8. Druk op [F3 (EXEC)] om de kopie uit te voeren, of op [F1
(CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
127
Hoofdstuk 8: Andere handige functies
Instellingen voor de
Preview-knop
Op verschillende plaatsen in deze handleiding is er sprake
van de [PREVIEW]-knop die u kunt gebruiken voor de geselecteerde pad. Het feit dat u dit doet, wijst erop dat u geen
pad bij de hand hebt. Dus moet u met [TRIG SELECT] werken. Als de [RIM]-knop oplicht, kunt u met [PREVIEW] het
Rim-instrument van de geselecteerde pad beluisteren (als dat
voor deze pad tenminste mogelijk is). Hoe het geluid wordt
weergegeven kunt u met de volgende parameters instellen.
Met name gaat het om de aanslagwaarden die bij herhaaldelijk drukken van deze knop worden gehanteerd.
Werking van [PREVIEW]
Houdt [SHIFT] ingedrukt en druk op [PREVIEW]
Nu wordt het momenteel geselecteerde instrument
achtereenvolgens met “VELOCITY 1”, “VELOCITY
2”, en “VELOCITY 3” afgespeeld.
Druk enkel op [PREVIEW]
In dit geval wordt de “VELOCITY”-waarde gehanteerd die u als laatste met [SHIFT] + [PREVIEW] had
gekozen.
OPGELET
1. Druk op [SETUP] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[SETUP] licht op en er verschijnt een popup-menu.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “PREV”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
4. Breng de cursor met CURSOR [▲]/[▼] naar “VELOCITY
1”.
5. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
aanslagwaarde (0~127).
6. Kies vervolgens “VELOCITY 2” en “VELOCITY 3” en
stel daarvoor eveneens een aanslagwaarde in. Kies misschien grotere of kleinere waarden om een goede indruk
te krijgen van de respons van het instrument e.d.
Tijdens het instellen van deze aanslagwaarden kunt u op
[PREVIEW] drukken om uit te maken of ze voor de controle geschikt zijn.
7. Druk op [KIT] om de “DRUM KIT”-pagina te selecteren.
VELOCITY: 0~127
128
Meteen na inschakelen van de TD-8 wordt “VELOCITY 2” gebruikt.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
De TD-8 heeft heel wat MIDI-functies in huis die u voor de
volgende dingen kunt gebruiken:
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
2. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F3 (BULK)].
[SETUP] licht op en de BULK DUMP-pagina verschijnt.
1. Opslag van uw instellingen door de
data te verzenden naar een sequencer
(Bulk Dump).
2. De pads voor het bespelen van externe
instrumenten gebruiken.
U hoeft trouwens niet te kiezen: het is zonder meer
mogelijk om de klanken van de TD-8 en één of verschillende MIDI-instrumenten te bespelen. Zie blz. 131.
3 Gebruik van de TD-8 als module
De TD-8 is multitimbraal. Hij kan verschillende klanken
op verschillende MIDI-kanalen afspelen. En dat hoeven
niet alleen drumklanken te zijn. Kortom: de TD-8 kan
ook dienst doen als “echte” module.
Meer details over de MIDI-standaard vindt u onder
“Over MIDI” op blz. 151.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het te
verzenden datatype:
ALL: Alle data van de TD-8, waaronder de Setup, Drum
Kit, User Percussion Sets, User-patronen en Songs.
SETUP: Enkel de “technische” data (Trigger, pads e.d.)
worden verzonden.
DRUM KIT: ALL: De instellingen van alle Drum Kits;
1~64: Enkel de instellingen van de gekozen Drum Kit.
USER PERC SET: ALL: de instellingen van beide User
Percussion Sets (1 & 2) worden verzonden.
USER 1~2: Enkel de instellingen van de gekozen User
Percussion Set worden verzonden.
USR PTNS&SONGS: Alle User-patronen (701~800) en
Songs (1~50) worden verzonden.
4. Als u “USER PERC SET” of “DRUM KIT” kiest, moet u
met stap 5 vervolgen. Anders kunt u meteen naar stap 7
gaan.
Bulk Dump: instellingen
archiveren
5. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar de onderste regel.
Intern wordt alles, wat de TD-8 kan onthouden, automatisch
opgeslagen. Soms bestaat dan ook de kans dat u iets overschrijft of wijzigt dat u eigenlijk nog nodig had. Daarom verdient het aanbeveling om van uw belangrijke Drum Kits e.d.
een “archiefkopie” te maken. Hiervoor kunt u een sequencer
gebruiken en het betreffende bestand daarna op diskette,
harde schijf e.d. wegzetten. Sluit de TD-8 aan zoals hierna
getoond.
1. Verbind de MIDI OUT-connector van de TD-8 met de
MIDI IN-aansluiting van de sequencer.
6. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
Kit of Set c.q. “All”.
7. Start de opname van de sequencer (zie diens handleiding).
8. Druk op [F3 (EXEC)] om de dataoverdracht te starten.
U kunt de overdracht stoppen door op [F1 (STOP)] te
drukken. De eventueel al door de sequencer ontvangen
data zijn dan echter waardeloos.
9. Zodra alle gekozen data verzonden zijn, verschijnt de
volgende display-pagina:
MIDI IN
MIDI OUT
OPGELET
Sequencer
TD-8
Bulk Dump-data zijn SysEx-data. U moet dan ook een
sequencer gebruiken die deze data kan ontvangen en
zorgen dat hij ze ook ontvangt (“Receive/RX Exclusive”
e.d., zie de handleiding van de sequencer).
129
9
Instellingen naar een MIDIapparaat zenden
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Instellingen weer naar de TD-8
zenden
1. Verbind de MIDI IN-connector van de TD-8 met de MIDI
OUT-aansluiting van de sequencer.
MIDI OUT
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde Device ID-nummer in. Nogmaals: doe dit
enkel als u met meer dan één TD-8 werkt.
DEVICE ID: 1~32
Voorbeeld:
Stel dat u met Bulk Dump op een externe sequencer instellingen hebt opgeslagen en de betreffende TD-8 op Device ID
“17” hebt ingesteld. Als u nog een tweede TD-8 gebruikt die
u op Device ID “16” zet, ontvangt die de data van de sequencer tijdens de weergave niet.
MIDI IN
Data worden verzonden
met Device ID: 17
Sequencer
TD-8
MIDI IN
MIDI OUT
2. Laad de “Song” in de sequencer en start de weergave. De
data worden nu naar de TD-8 gezonden.
OPGELET
De instellingen in het interne geheugen van de TD-8
worden overschreven. Die moet u dus eventueel eerst
extern archiveren. Zie hiervoor blz. 129.
Device ID: 17
Ontvangt de data
MIDI IN
Device ID: SysEx-adres van de
TD-8
Het Device ID-nummer hoeft u eigenlijk niet te veranderen –
tenzij u twee of meer TD-8 modules gebruikt. Als u een
ander adres wilt instellen, doe dat dan voordat u de eerste
Bulk-data naar een extern instrument zendt, want anders
worden ze daarna niet meer ontvangen.
OPGELET
Noteer het Device ID-nummer, dat u hier instelt, ergens
op deze pagina. Als u het namelijk vergeet, moet u alle
mogelijkheden uitproberen om eindelijk weer de eerder
gearchiveerde instellingen te kunnen ontvangen.
Bij levering staat deze parameter op “17” ingesteld.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F3 (PAGE 3)].
[SETUP] licht op en het display beeldt de volgende pagina af:
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “DEVICE ID”.
130
Ontvangt de data niet
Device ID: 16
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Via de pads externe instrumenten aansturen
De TD-8 biedt ook een tweetal parameters waarmee u kunt
zorgen dat de pads optimale MIDI-data naar een sequencer
of externe module zenden.
Bij gebruik van een externe module hoort u bij het slaan
op een pad niet alleen de gekozen TD-8-klank, maar ook
een noot van een externe module.
Verbind de MIDI OUT-connector van de TD-8 met de MIDI
IN-aansluiting van het ontvangende instrument:
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
nootnummer (nootnaam).
NOTE NUMBER: 0 (C -1)~127 (G 9)
Als u eerst graag kijkt welke nootnummers er voorgeprogrammeerd zijn, zie dan “Nootnummers van de
TRIGGER INPUTs” op blz. 159.
In het geval van de HiHat hoeft u enkel de noot voor de
open HiHat-klank in te stellen (bij levering is dat “46
(A#2)”). De noten voor de pedaal- en gesloten klank
worden dan automatisch gekozen.
Voorbeeld:
Als u voor de open HiHat “44” kiest, dan veranderen
ook de nootnummers van de pedaal- en de gesloten
HiHat met twee stappen (twee nootnummers lager).
Werken met een overzicht
MIDI IN
MIDI OUT
Omdat het toewijzen van nootnummers voor een goed functioneren van de MIDI-communicatie uiterst belangrijk is,
kunt u ook een overzicht oproepen waar de nootnummers
van alle pads en pedalen worden afgebeeld.
MIDI-module
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→ [F3 (MIDI)].
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “NOTE NUMBER”.
TD-8
3. Druk op [F3 (LIST)]. Het display ziet er nu als volgt uit:
MIDI-nootnummers voor de pads
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→ [F3 (MIDI)].
[KIT] licht op en het display beeldt de volgende pagina
af:
Als u voor twee of meer pads hetzelfde nootnummer
kiest, wijst een sterretje ( ) u daarop. Dit is geen goed
idee, omdat u dan met deze pads dezelfde klank/dezelfde noot speelt.
4. Sla op een pad. De cursor springt nu naar de regel van
deze Pad.
U kunt de pads ook met CURSOR [▲] of [▼] en [TRIG
SELECT] selecteren.
5. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste nootnummer in.
2. Sla op een pad. De hiervoor gekozen instellingen worden
nu afgebeeld.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “NOTE NUMBER”.
131
9
Aan elke pad kunt u een nootnummer toewijzen dat wordt
gehanteerd voor het verzenden van de MIDI–data wanneer u
op de betreffende pad slaat. Dit laat toe om bv. een gesampelde Snare e.d. aan te sturen. Het verdient aanbeveling om
aan elke pad een ander nootnummer toe te wijzen.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Als u aan verschillende pads hetzelfde
nootnummer toewijst
Voor de ontvangst van MIDI-data wordt het probleem
nóg neteliger: als u eenzelfde nootnummer aan verschillende pads toewijst, hoort u bij ontvangst van dit nootnummer enkel de klank van de TRIGGER INPUT met
het laagste nummer. Als u aan de betreffende pad
(Head) en de Rim hetzelfde nootnummer toewijst, hoort
u enkel de padklank. Het is dus niet mogelijk om te zorgen dat met één nootnummer twee of meer verschillende
TD-8-klanken worden aangestuurd.
Het sterretje in het overzicht ( ) duidt TRIGGER
INPUTS aan die een reeds toegewezen nootnummer gebruiken en dus niet via MIDI kunnen worden aangestuurd.
Voorbeeld:
Als u het nootnummer “38” toewijst aan de pad en de
Rim van TRIGGER INPUT 3 (SNARE) en de pad van
TRIGGER INPUT 4 (TOM1), ziet het display er als volgt
uit:
Gate Time
U kunt voor elke pad de lengte van de nootcommando’s
instellen, die verzonden worden wanneer u op de pad slaat.
Dit is nodig omdat een MIDI-trigger (zoals de TD-8) iets
anders werkt dan een toetseninstrument: er wordt namelijk
enkel aangegeven waar een noot begint – maar niet waar ze
eindigt. Voor het aansturen van melodische klanken zou dit
betekenen dat een eenmal gestarte “C” (Do) van een bas niet
meer stopt. Dit wordt opgelost met een truc: u moet instellen
hoe lang elk nootcommando van de pads e.d. duurt. Dat doet
u met Gate Time.
Maar opgelet: als u de pads gebruikt voor het aansturen van
gesampelde Loops, moet u Gate Time zo instellen dat het
gewenste gedeelte van een dergelijke Loop ook helemaal
wordt afgespeeld (dus een grote Gate Time-waarde kiezen).
1. Druk op [KIT]→ [F1 (INST)]→ [F2 (EDIT)]→ [F3 (MIDI)].
[KIT] licht op en de MIDI-instellingen verschijnen.
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “GATE TIME”.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste duur (Gate Time) in.
Wanneer de TD-8 nootnummer 38 van een MIDI-sequencer e.d. ontvangt, hoort u enkel de klank die u aan de
pad (“Head”) van TRIGGER INPUT 3 (SNARE) hebt toegewezen.
Met [F3 (LIST)] kunt u een overzicht oproepen met de
Gate Time-waarden van alle pads.
In dat geval kiest u de benodigde Pad door erop te slaan,
of met CURSOR [▲]/[▼] en [TRIG SELECT].
GATE TIME: 0.1~8.0 (seconden)
MIDI-kanaal
Alle nootcommando’s worden op het MIDI-kanaal verzonden dat u aan de Drum Kit Part (“KIT”) hebt toegewezen.
Hoe u dat instelt, komt u te weten onder “MIDI-kanalen voor
de Parts kiezen” op blz. 133.
132
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Gebruik met een SPD-20
(Soft Thru)
Algemene MIDI-instellingen
voor de TD-8
Laten we nu kijken hoe u een SPD-20 (een opvolger van de
Octapad) in uw setup kunt integreren en daarmee (evenals
via de pads van de TD-8) de interne klanken en eventueel
externe modules kunt aansturen.
MIDI-kanalen voor de Parts
kiezen
1. Sluit de SPD-20, TD-8, de externe module e.d. op elkaar
aan:
Pad of pedaal
SPD-20
MIDI OUT
Naar MIDI IN van een module
of sampler
TRIGGER
INPUT
MIDI IN
U kunt voor elke Part instellen op welk kanaal hij MIDI-data
mag ontvangen en zenden. Ook hier geldt dat u voor elke
Part het best een ander MIDI-kanaal kiest.
1. Druk op [SETUP] en op [F2 (MIDI)]. [SETUP] licht op en
het display beeldt de “TX/RX CHANNEL”-pagina af.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de Part
waarvoor u een ander MIDI-kanaal wilt instellen.
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste kanaal (1~16) in. Als de betreffende Part geen
MIDI-commando’s mag ontvangen/zenden, moet u hier
“Off” kiezen.
MIDI
OUT/THRU
Aan de Drum Kit en Percussion Part kunt u “CH 10” kiezen (dus twee keer hetzelfde kanaal).
OPGELET
In de GM-mode (blz. 138) liggen de kanaalnummers van
de Parts vast en kunnen niet veranderd worden. Daarom
ziet deze display-pagina er in dat geval als volgt uit:
2. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F3 (PAGE 3)]. [SETUP] licht op en het display beeldt de
volgende pagina af:
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “SOFT
THRU”.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“ON”. Dit betekent dat alle via MIDI IN ontvangen commando’s (met uitzondering van SysEx-data) ook weer
naar de MIDI OUT-connector van de TD-8 worden uitgestuurd, wat eigenlijk tegen de MIDI-logica indruist.
Daarnet zeiden we al dat u aan de Drum Kit en Percussion
Part hetzelfde MIDI-kanaal (namelijk “10”) kunt toewijzen.
Met “CH10 Priority” bepaalt u welke klank u hoort wanneer
de TD-8 op MIDI-kanaal 10 een nootnummer ontvangt: die
van de Drum Kit of die van de Percussion Set. Deze regeling
is enkel van belang voor nootnummers die in beide Parts
worden gebruikt (zie ook het voorbeeld verderop). Als u een
externe sequence met de sequencer van de TD-8 opneemt
(blz. 98), wordt deze regeling eveneens gehanteerd.
Als u niet met een hierboven getoonde setup werkt, verandert u de “Off”-instelling het best niet, omdat de respons dan sneller is.
133
9
Voorrang voor de drums en de
percussie (CH10 Priority)
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Local Control
CH10
Percussion Part
Std 1 T2
Med16 Cr
Std 1 T1
Pop Rd
China18”
Pop Rdb
Tambrn 1
Splsh12”
Cowbell1
Quik16Cr
VibraSlp
Pop Rde
R8Bng Hi
R8Bng Lo
Conga Mt
Conga Sl
Conga Op
Nootnr.
C3
48
49
50
51
52
53
Drum kit Part
4/TOM1
8/CRASH1
4/TOM1 Rim
10/RIDE
9/CRASH2 Rim
10/RIDE Rim
54
8/CRASH1 Rim
55
56
57
9/CRASH2
58
59
60 C4
61
62
63
64
CH10 PRIORITY: KIT
In "conflictsituaties" hoort u de
Drum Kit-klanken. Noten, die geen
"dubbele functie" hebben, worden
door de Percussion Set gespeeld.
CH10 PRIORITY: PERC
De Precussion-klanken
worden aangestuurd
(geen Drum Kit-klanken)
Nootnr.
Std 1 T2
Med16 Cr
Std 1 T1
Pop Rd
China18”
Pop Rdb
Tambrn 1
Splsh12”
Cowbell1
Quik16Cr
VibraSlp
Pop Rde
R8Bng Hi
R8Bng Lo
Conga Mt
Conga Sl
Conga Op
“Local Control” is een functie afkomstig van toetseninstrumenten waarmee u de verbinding tussen het klavier en de
interne klankbron kunt verbreken. In plaats van “klavier”
moet u hier “pads” lezen, en in plaats van “klankbron”
gewoon “TD-8”. Het betekent dus dat u kunt zorgen dat de
TD-8 niets weergeeft waneer u op een pad mept, maar dat hij
wel nog de overeenkomstige MIDI-data naar de buitenwereld zendt. Dit heet dan “Local Off”. Kies deze instelling
wanneer u zowel de MIDI IN- als de MIDI OUT-connector
van de TD-8 op een externe sequencer hebt aangesloten –
anders hoort u elke noot namelijk dubbel. En dat komt
omdat het triggersignaal langs twee routes bij de TD-8
terechtkomt:
48
C3
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60 C4
61
62
63
64
TRIGGER INPUT
4/TOM1
8/CRASH1
4/TOM1 Rim
10/RIDE
9/CRASH2 Rim
10/RIDE Rim
Tambrn 1
8/CRASH1 Rim
Cowbell1
9/CRASH2
VibraSlp
Pop Rde
R8Bng H
R8Bng Lo
Conga Mt
Conga Sl
Conga Op
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F1 (PAGE 1)]. [SETUP] licht op en het display ziet er als
volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▼] naar “CH10 PRIORITY”.
TD-8
MIDI OUT/THRU
Trigger → MIDIconvertor
Local Control: ON
Klankbron van de
TD-8
MIDI IN
Sequencer
: Route via dewelke de commando's
bij de klankbron terechtkomen
Dit klinkt niet erg mooi. Zet Local Control in dergelijke situaties (maar enkel dan) op “Off”.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F1 (PAGE 1)]. [SETUP] licht op en het display ziet er als
volgt uit:
3. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gewenste voorrangsregeling in:
KIT: Nootnummers, die zowel aan de Drum Kit als de
Percussion Part toegewezen zijn, worden enkel door de
Drum Kit Part gespeeld. Nootnummers, die enkel in de
Percussion Part voorkomen, worden door deze laatste
gespeeld.
PERC: Alle MIDI-nootnummers worden door de Percussion Part gespeeld.
134
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “LOCAL
CONTROL”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “On”
of “Off”.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Ontvangst/zenden van programmakeuze-commando’s uitschakelen
Met programmakeuze-commando’s kunnen geheugens worden gekozen. In het geval van de TD-8 zijn dat de Drum Kits.
Misschien bevat een externe sequence al dergelijke commando’s die u eigenlijk niet nodig hebt – of misschien wilt u niet
dat de TD-8 telkens een programmanummer zendt als u een
andere Drum Kit kiest. Dat kunt u dan met deze “schakelaar” voorkomen.
1: In dit geval worden de data al betrekkelijk “uitgedund”. Deze instelling is geschikt voor de meeste toepassingen.
2: In dit geval worden de data nog sterker uitgedund
dan bij “1”.
Traploze toonhoogtewijzigingen zijn enkel mogelijk
wanneer u hier “Off” of “1” kiest.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F2 (PROG)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de Drum
Kit waarvoor u de ontvangst/overdracht van programmakeuze-commando’s wilt uitschakelen.
3. Met [F1] (RX) kunt u de ontvangst afwisselend in- en uitschakelen. Met [F2] (TX) kunt u de overdracht (zenden)
afwisselend in- en uitschakelen.
Zie “MIDI-programmanummers voor de Drum Kits” op
blz. 136 voor het toewijzen van programmanummers
aan de Kits.
Pedal Data Thin: datahoeveelheid van de FD-7 beperken
Omdat het FD-7 pedaal traploos is, zendt het navenant veel
data naar externe MIDI-instrumenten. Vaak hebt u niet
zoveel data nodig, zodat u uw sequences e.d. met overbodige
dingen zit te vullen. Ook dat kunt u verhelpen:
9
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F2 (PAGE 2)]. [SETUP] licht op en het display ziet er als
volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “PEDAL DATA
THIN”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf de
gepaste instelling:
OFF: De hoeveelheid data wordt niet beperkt.
135
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Gebruik van de TD-8 als
module
De TD-8 is een 6-Parts multitimbrale module die op verschillende MIDI-kanalen tegelijk kan ontvangen en de betreffende
data met verschillende klanken kan weergeven. Zie blz. 133
voor het toewijzen van de MIDI-kanalen aan de Parts. (In de
GM-mode is hij zelfs 16-Parts multitimbraal.)
OPGELET
• De volgende dingen hebt u enkel nodig wanneer u de
TD-8 als MIDI-module wilt gebruiken.
• Als u de TD-8 voor de weergave van nummers in het
GM-formaat wilt gebruiken, zie dan blz. 138.
Verbind de MIDI IN-connector van de TD-8 met de MIDI
OUT-poort van een externe sequencer, synthesizer enz.
MIDI OUT
Pads en nootnummers
Natuurlijk moet u ook zorgen dat de juiste druminstrumenten worden aangestuurd wanneer u de TD-8 als module
gebruikt. Zie hiervoor “MIDI-nootnummers voor de pads”
op blz. 131.
MIDI-programmanummers voor
de Drum Kits
Hoewel de TD-8 bij levering al toewijzingen van de Drum
Kits aan de MIDI-programmanummers bevat, kunt u die wijzigen, zodat u in de externe sequence niet met programmanummers hoeft te rommelen.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F2 (PROG)]. [SETUP]
licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de Drum
Kit waarvoor u een ander programmanummer wilt
instellen.
MIDI IN
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde programmanummer.
Een sterretje ( ) betekent dat het gekozen programmanummer al aan een andere Kit toegewezen is en dat de
momenteel geselecteerde Kit bij ontvangst van dit nummer niet wordt opgeroepen.
Sequencer
TD-8
Klanken voor de verschillende Parts kunt u alleen kiezen
door een patroon te selecteren. Hebt u de patroonweergavefunctie zelf niet nodig, programmeer dan een leeg
patroon dat enkel de instellingen voor de benodigde
klanken bevat:
1. Druk op [PATTERN] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[PATTERN] licht op en het display beeldt een popupmenu af.
2. Breng de cursor met [INC/+] of [DEC/–], de VALUEdraaischijf of CURSOR [▲]/[▼] naar “NEW”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. De TD-8
selecteert nu een leeg patroon.
OPGELET
Als alle User-patronen al data bevatten, moet u er één
wissen. Zie hiervoor “Wissen van patronen (DELETE)”
op blz. 101. Alvorens dit te doen, zou u de data eventueel als Bulk extern kunnen archiveren. Zie “Instellingen naar een MIDI-apparaat zenden” op blz. 129.
136
Programmanummer: 1~128 (Opgelet: bij talrijke
sequencers moet u beginnen rekenen vanaf “0”, zodat u
voor programmanummer “12” van de TD-8 bv. het
MIDI-programmanummer “11” moet zenden enz.)
Bij levering komen de programmanummers overeen met
de Drum Kit-nummers (geheugen 64= programmanummer 64 enz.).
OPGELET
U kunt de ontvangst van programmakeuze-commando’s
ook uitschakelen. Zie blz. 135.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Drum Kits/Percussion Sets en MIDIprogrammanummers
1. Als een Drum Kit en Percussion hetzelfde MIDI-programmanummer
hebben
Indien de Drum Kit Part en de Percussion Part op
hetzelfde MIDI-kanaal ontvangen, kiezen beide het
via het MIDI-programmanummer gevraagde geheugen.
Kiest u op de TD-8 een andere Drum Kit of Percussion Set, dan wordt het gekozen programmanummer
ook naar de buitenwereld verzonden.
2. Als u aan verschillende Drum Kits/
Percussion Sets hetzelfde MIDI-programmanummer toewijst
Bij ontvangst van het betreffende programmanummer wordt enkel de Drum Kit/Percussion Set met
het kleinste TD-8-geheugennummer gekozen. Zie
ook de opmerking i.v.m. het sterretje ( ) op de
vorige pagina.
Kiest u op de TD-8 een andere Drum Kit of Percussion Set, dan wordt het gekozen programmanummer
ook naar de buitenwereld verzonden.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de Percussion Set waarvoor u een ander programmanummer wilt
instellen.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
benodigde programmanummer.
Programmanummer: 1~128 (Opgelet: bij talrijke
sequencers moet u beginnen rekenen vanaf “0”, zodat u
voor programmanummer “12” van de TD-8 bv. het
MIDI-programmanummer “11” moet zenden enz.)
OPGELET
• Een sterretje ( ) betekent dat het gekozen programmanummer al aan een andere Set toegewezen is en dat de
momenteel geselecteerde Set bij ontvangst van dit nummer niet wordt opgeroepen.
• Onder “Preset Percussion Sets” op blz. 158 vindt u een
overzicht van de fabrieksinstellingen.
Instellingen van Part 1~4 en de Percussion
Part via MIDI wijzigen
Meer details over het editen van deze Parts op de TD-8
zelf vindt u onder “Parts editen” op blz. 89.
Via MIDI kunt u instrumenten kiezen voor Part 1~4, de
Drum Kit en de Percussion Part. Hiervoor hebt u de volgende MIDI-commando’s nodig:
• Programmakeuze (PC)
• Bankkeuze (CC00, CC32)
Programmanummers voor de
Percussion Sets
Ook aan de Percussion Sets kunt u uw favoriete programmanummers toewijzen. Dit zou u kunnen gebruiken wanneer u
een externe sequence afspeelt die eigenlijk voor een SC-88
Pro bedoeld was en waarvoor de TD-8 hetzij geen, hetzij niet
de gewenste Percussion Set oproept.
OPGELET
Hoe u deze commando’s moet programmeren, vindt
u in de handleiding van de gebruikte sequencer.
Meer details over de begeleidingspartijen en de bijbehorende programma- en bankkeuzecommando’s
vindt u onder “Overzicht van de melodische klanken” op blz. 160.
9
U kunt ook aan de Preset Sets andere MIDI-programmanummers toewijzen.
OPGELET
In de GM-mode (blz. 138) liggen de programmanummers vast en kunnen dus niet gewijzigd worden.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F2 (PROG)]→
[F3 (PROG)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
137
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
TD-8 als General MIDImodule gebruiken
De TD-8 biedt een GM-mode en kan dus dienst doen als een
GM-compatibele module. Het voordeel (en tegelijk het
nadeel) daarvan is dat alles vastligt: klanknummers, MIDIkanalen e.d., zodat u niet veel hoeft te “rommelen”. In de
GM-mode is de TD-8 16-Parts multitimbraal en kan dus 16
partijen tegelijk afspelen.
Een korte schets van General MIDI (of GM) vindt u op
blz. 12.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F3 (PAGE 3)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] naar “GM MODE”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“ON” om de GM-mode te activeren. Op de Drum Kitpagina wordt nu het “GM ON”-icoontje afgebeeld:
GM-mode activeren
Voor een overtuigende weergave van GM-compatibele
Standard MIDI Files is het belangrijk dat u de TD-8 vertelt
dat hij dienst moet doen als GM-module. Dit kunt u handmatig doen, maar echt nodig is dat niet, omdat er ook nog andere manieren bestaan:
• U zendt een GM System ON-commando vanuit uw
sequencerprogramma.
• U start de weergave van een GM-compatibele sequence.
Deze bevat helemaal in het begin eveneens een GM System ON-commando dat voor de automatische omschakeling zorgt.
In de GM-mode wordt er voor alle parameters, die u niet
kunt instellen, “---” afgebeeld.
GM System ON
Dit is een speciaal MIDI-commando dat een instrument
vertelt: “vanaf nu ben je een General MIDI-module”. Het
betreffende instrument (de TD-8) kiest dan een reeks
instellingen die beantwoorden aan de voorschriften van
het GM-protocol.
OPGELET
Zodra de GM-mode van de TD-8 wordt geactiveerd, zijn de
Percussion Sets aan Part 10 (en MIDI-kanaal 10) toegewezen.
Alle andere Parts kiezen dan automatisch de klank PIANO 1.
Maar let wel: dit is de GM-basisinstelling die kan worden
gewijzigd met programma- en bankkeuzecommando’s die u
via MIDI naar de TD-8 zendt.
OPGELET
Met “RX GM ON” kunt u voorkomen dat de TD-8
dit commando ontvangt.
Vorkomen dat de TD-8 de GMmode selecteert (RX GM On)
• In de GM-mode liggen de programmanummers vast
Deze toewijzingen kunt u dus niet wijzigen met de op
blz. 137 beschreven methode.
Met deze parameter kunt u zorgen dat de TD-8 een eventueel
binnenkomend GM System ON-commando niet uitvoert en
dus niet de GM-mode selecteert.
• De Drum Kit Part kunt u niet via MIDI aansturen. De
Percussion Part wordt gebruikt voor de sequence-drumpartij.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F3 (PAGE 3)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
• De Pan-instellingen van de Percussion Sets zijn zo gekozen dat ze vanop uw plaats (achter de pads) juist klinken. Dat betekent meteen dat ze net omgekeerd zijn t.o.v.
de normale GM-instellingen (die van “vóór de TD-8”
zijn geprogrammeerd).
• In de GM-mode werkt de sequencer van de TD-8 niet.
Daarom hebben de volgende knoppen geen functie:
[PATTERN], [SONG], [PLAY/STOP], [REC], [TOP],
[FWD], [BWD], [CLICK] en [TEMPO].
Zie “Preset Percussion Sets” op blz. 158 en “Overzicht
van de melodische klanken” op blz. 160 voor de in de
GM-mode gehanteerde MIDI-programmanummers.
138
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “RX GM
ON”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “On”
(uitvoeren) of “Off” (negeren). In het tweede geval kunt
de GM-mode echter nog handmatig activeren. Zie hierboven.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Werken met GM-data
Part RX SW: ontvangst van bepaalde Parts
uitschakelen
GM-muziekdata afspelen
Misschien wilt u een bepaalde GM-partij tijdens de weergave
niet horen. In dat geval kunt u de ontvangst van het betreffende MIDI-kanaal gewoon uitschakelen:
1. Verbind de MIDI IN-connector van de TD-8 met de MIDI
OUT-aansluiting van de sequencer.
1. Activeer de GM-mode (blz. 138).
2. Houd [SHIFT] ingedrukt, terwijl u op [MIXER] drukt.
Het display ziet er nu als volgt uit:
MIDI OUT
Sequencer
MIDI IN
TD-8
2. Als u wilt, kunt u de GM-mode handmatig activeren. Zie
“GM-mode activeren” op blz. 138.
Echt nodig is dit enkel wanneer u de weergave van de
GM-Song de eerste keer niet vanaf het begin start (maar
dan kloppen de klankkeuzes sowieso niet). Anderzijds
mag de RX GM On-schakelaar niet op “Off” staan (zie
vorige bladzijde).
3. Start de weergave op de externe sequencer. Zie de betreffende handleiding voor meer details.
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de Part die
geen MIDI-data mag ontvangen. Zoals u ziet, zijn er in
de GM-mode 16 Parts. De drums worden weergegeven
door Part 10.
Wanneer de cursor zich op Part 7 bevindt, kunt u met
CURSOR [▼] naar de tweede pagina gaan, waar u de
Parts 8~16 vindt. Druk op [▲] om terug te keren naar de
eerste pagina.
4. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf “Off”
voor de Part(s) die u niet wilt horen.
OPGELET
• De TD-8 is niet compatibel met het GS-formaat (een iets
verdergaand protocol dan GM dat door Roland werd
ontwikkeld). Daarom klinken data met het GS-logo
eventueel niet zoals verwacht.
• De GM-mode van de TD-8 wordt na de weergave niet
automatisch uitgeschakeld. U moet dus een GM System
OFF-commando zenden of de GM MODE-parameter
(blz. 138) handmatig uitschakelen (“Off”) wanneer u de
TD-8 weer “gewoon” wilt gebruiken.
9
• Zolang de GM-mode actief is, werkt de interne sequencer van de TD-8 niet.
139
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
MIDI-commando’s voor de
specifieke TD-8-functies
Commando’s voor het HiHatpedaal
De positie van het HiHat-pedaal (FD-7) wordt eveneens in
het MIDIees vertaald. Als u de volgende parameter niet verandert, gaat het om controlecommando CC04 (Foot Control).
U kunt echter ook een ander commando kiezen. Deze keuze
geldt zowel voor de ontvangst als voor de overdracht van
MIDI-data.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F2 (PAGE 2)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
Zone CC: Positional Sensingcommando’s
Bij gebruik van de geschikte Pad voor de Snare genereert u
ook “Positional Sensing”-data waarmee u de klankkleur kunt
beïnvloeden door op verschillende plaatsen van het vel te
slaan. Zie ook blz. 39. Ook dit wordt in MIDI-data vertaald,
en wel met behulp van controlecommando CC16 – tenzij u
een ander commando kiest.
Onthoud echter wel dat dit enkel beschikbaar is voor de op
(TRIGGER INPUT 3) aangesloten Pad.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F2 (PAGE 2)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “ZONE
CC”.
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “PEDAL
CC”.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste controlenummer:
OFF: De HiHat zendt en ontvangt geen MIDI-commando’s.
MOD (1), FOOT (4), GEN1 (16), GEN2 (17): De HiHat
hanteert het tussen haakjes vermelde controlenummer
voor het zenden en ontvangen van MIDI-data.
140
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
gewenste controlenummer:
OFF: Positional Sensing-data worden noch verzonden,
noch ontvangen.
MOD (1), GEN1 (16), GEN2 (17): Positional Sensing
hanteert het tussen haakjes vermelde controlenummer
voor het zenden en ontvangen van MIDI-data.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
Synchronisatie met een
extern MIDI-instrument
Als u de sequencer van de TD-8 samen met een externe
sequencer wilt gebruiken, moet u zorgen dat beide synchroon lopen. Dat betekent dat één van beide het tempo van
de andere volgt. Welke van beide tempodata zendt (en dus
als “Master” fungeert) verschilt naar gelang uw opzet. Dat
mag u dus zelf bepalen. De parameter waarmee u dat op de
TD-8 instelt heet:
Sync Mode: INT, EXT, REMOTE
INT (intern): De TD-8 volgt zijn eigen tempo. Kies deze
instelling als de TD-8 niet met een andere sequencer
gesynchroniseerd hoeft te worden.
EXT (extern): De sequencer van de TD-8 kan alleen worden gestart vanop een externe sequencer (opname/weergave). Bovendien volgt hij het tempo van de externe
sequencer.
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“EXT”.
4. Start de weergave op de externe sequencer. De TD-8
volgt het tempo van de externe sequence.
Externe sequencer met de TD-8
synchroniseren
In het volgende voorbeeld fungeert de TD-8 als “Master”. U
moet dus zorgen dat de externe sequencer de MIDI Clockcommando’s van de TD-8 volgt.
Verbind de MIDI OUT-connector van de TD-8 met de MIDI
IN-aansluiting van de sequencer.
MIDI IN
MIDI OUT
REMOTE (afstandsbediening): U kunt de sequencer van
de TD-8 met Start/Stop-commando’s van een externe
sequencer starten en stoppen, maar hij volgt wel zijn
eigen tempo.
TD-8 met een externe sequencer
synchroniseren
Sequencer
Laten we eerst kijken wat u moet doen om te zorgen dat de
sequencer van de TD-8 het tempo van een externe MIDIsequencer volgt.
Sluit de MIDI IN-connector van de TD-8 aan op de MIDI
OUT-poort van de externe sequencer.
TD-8
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F1 (PAGE 1)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “SYNC
MODE”.
MIDI OUT
MIDI IN
3. Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“INT”.
Sequencer
TD-8
5. Start de weergave van de TD-8. Indien u alles naar behoren hebt ingesteld, start de sequencer samen met de TD-8
en volgt hij diens tempo.
1. Druk op [SETUP]→ [F2 (MIDI)]→ [F1 (GLOBAL)]→
[F1 (PAGE 1)].
[SETUP] licht op en het display ziet er als volgt uit:
2. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar “SYNC
MODE”.
141
9
4. Stel de sequencer zo in dat hij met het via MIDI IN ontvangen tempo synchroon loopt. Zie de bijbehorende
handleiding.
Hoofdstuk 9: MIDI-functies
142
Appendix
Appendix
143
Verhelpen van storingen
Verhelpen van storingen
In dit hoofdstuk vindt u een paar handige tips die u beslist
zullen helpen een bedieningsprobleem de wereld uit te helpen.
In het volgende hanteren we de volgende “afkortingen”:
([KIT] → [F2 (STUDIO)] → “LEVEL”)
1. Druk op [KIT].
2. Druk op [F2 (STUDIO)].
3. Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar
“LEVEL”.
Als u Rimshots wilt spelen, moet u een PD-80R
of PD-120 op TRIGGER INPUT 3 (SNARE)
aansluiten.
Hebt u de TD-8 zo ingesteld dat hij geen
geluid weergeeft?
Overloop even de volgende punten.
• Als u met Brushes speelt, moet u een Brush-Kit kiezen
([KIT]).
→ Dit betekent dat u een Drum Kit moet selecteren waarvoor de volgende melding wordt afgebeeld:
Algemene “geluidsproblemen”
U hoort niets
Kloppen de volume-instellingen?
Overloop even de volgende punten:
• Hebt u de VOLUME CONTROLS op de minimumwaarde gezet?
→ Draai even aan deze regelaars om dit te controleren.
• Hebt u de GROUP FADERS op de minimumwaarde
gezet?
→ Stel een grotere volumewaarde in.
Vergeet niet de [FADERS]-knop te gebruiken om het
juiste “niveau” te kiezen. Zie “Gebruik van [FADERS] en
de GROUP FADERS” op blz. 19.
U kunt een gewone Drum Kit echter ook editen en
zodoende zorgen dat hij dienst doet als Brush-Kit
(blz. 69).
• Hebt u de uitgangstoewijzing veranderd? ([SETUP] →
[F3 ( MENU)]→ “OUT”)
→ Sla op de pad die u momenteel niet hoort om te zorgen
dat de cursor meteen naar de goede parameter springt.
Kies met [INC/+], [DEC/–] of de VALUE-schijf een uitgang die u wél op de versterker hebt aangesloten
(blz. 119).
• Hebt u als instrument “1024 (OFF)” gekozen? ([KIT] →
[F1 (INST)])
→ Kies een ander instrument met het nummer 1~1023.
• Hebt u het volume van een instrument met de Mixer op
de minimumwaarde gezet? ([MIXER] → “LEVEL”)
→ Sla op de Pad die u momenteel niet hoort om te zorgen
dat de cursor naar de betreffende display-regelaar
springt. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUEschijf een grotere waarde in (blz. 80).
U hoort niets wanneer u op [PREVIEW]
drukt
• Het u het volume van een instrument met de Mixer verminderd? ([MIXER] → “LEVEL”)
→ Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
grotere waarde in (blz. 80).
• Hebt u Local Control (blz. 134) op “Off” gezet?
→ Local Control moet in de regel ingeschakeld zijn. Kies
“Off” enkel wanneer u met een externe sequencer werkt.
Hebt u de Pads naar behoren en op de juiste
ingangen aangesloten?
→ Controleer dit even. Zie hiervoor blz. 25.
→ Gebruik enkel de bijgeleverde kabels voor het aansluiten van de pads.
• Hebt u de aanslagwaarde van de [PREVIEW]-knop op
“0” gezet? ([SETUP]→ [F3 ( MENU)]→ “PREV”)
→ Stel grotere waarden in voor “VELOCITY1” –
“VELOCITY3”.
U drukt op [PREVIEW] – en u hoort een
patroon
• Hebt u Pad Pattern gekozen? ([KIT] → [F3 (
→ “PTN”)
→ Zet PATTERN op “Off”.
MENU)]
Om de weergave van dat patroon meteen te stoppen,
moet u op [PLAY/STOP] drukken.
144
Verhelpen van storingen
• Verband tussen de GROUP FADERS en de Mixer-instellingen:
→ Alvorens met de Mixer te werken, moet u alle GROUP
FADERS op dezelfde waarde zetten. Dat zorgt er namelijk voor dat de balansinstellingen in de Drum Kit zitten
“ingebakken”. De GROUP FADERS zijn enkel bedoeld
voor tijdelijke wijzigingen die de TD-8 niet hoeft te onthouden.
Zelfs als u hard op een pad mept, hoort u
niets
• Hebt tijdens de opstartfase (meteen na inschakelen) van
de TD-8 op een pad geklopt of een pedaal ingetrapt? Dat
mag u pas doen wanneer de naam van de laatst geselecteerde Drum Kit in het display verschijnt
→ Schakel de TD-8 uit, wacht even en schakel hem daarna
weer in. Sla ditmaal pas op een pad als de Drum Kitnaam wordt afgebeeld.
OPGELET
Opgelet bij het inschakelen
Tijdens de opstartfase controleert de TD-8 welke pads er
aangesloten zijn. Als u tijdens deze controle op een pad
slaat of een pedaal intrapt, brengt u de TD-8 in de war.
Doe dat dus nooit.
U draait aan de [MASTER]-regelaar, maar
het volume verandert niet
De instelling van de [MASTER]-regelaar geldt enkel voor
de signalen die naar de MASTER OUTPUT-aansluitingen worden uitgestuurd. Het volume van de DIRECTuitgangen kunt u niet instellen.
Het Ambience-effect is onhoorbaar
Overloop even de volgende punten.
• Hebt u het Ambience-effect uitgeschakeld? ([KIT] →
[F3 ( MENU)] → “FX SW”)
→ Druk op [F1] om het weer in te schakelen (blz. 70).
• Misschien hebt u het effectaandeel van het betreffende
instrument op de minimumwaarde gezet ([KIT] →
[F2 (STUDIO)] → [F2 (AMBSND)]).
→ Sla op de pad die niet van Ambience wordt voorzien en
breng de cursor naar de regelaar van de betreffende pad.
Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
grotere waarde in (blz. 78).
• Hebt u het Ambience-volume voor de hele Kit verminderd? ([KIT] → [F2 (STUDIO)] → “LEVEL”)
→ Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
grotere waarde in (blz. 77).
De Equalizer doet het niet
• Hebt u de Equalizer uitgeschakeld? ([KIT] →
[F3 ( MENU)] → “FX SW”)
→ Druk op [F3] om hem in te schakelen (blz. 70)
• Hebt u de GAIN-parameters op “0” gezet? ([KIT] →
[F2 (STUDIO)] → [F1 (EQ)])
→ Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
positieve of negatieve waarde in voor “HIGH GAIN” en
“LOW GAIN” (blz. 79).
Het geluid in de hoofdtelefoon vervormt
• Als u een pittig volume instelt, gebeurt het wel eens dat
de het geluid bij bijzonder luide signalen vervormt.
→ Verminder het volume met de [PHONES]-regelaar.
Het geluid van de Master Output- of Direct
Output-aansluitingen vervormt
• Bij bepaalde SHELL DEPTH-, HEAD TYPE- en EQ-combinaties gebeurt het wel eens dat er een lichte vervorming optreedt.
→ Verminder het volume van de betreffende pad met de
Mixer ([MIXER] → “LEVEL”).
→ Vervorming kunt u ook voorkomen door de betreffende
Pan-parameter nagenoeg in het midden te zetten
([MIXER] → “PAN”).
Problemen met de pads of
pedalen
U hoort niet de verwachte klank
Hebt u de juiste Trigger-instellingen gekozen?
→ Zie “Instellen welke pads u gebruikt” op blz. 32 en wijzig eventueel de minder geslaagde instellingen ([SETUP]
→ [F1 (TRIG)]).
Hebt u de gevoeligheid van de pads naar
behoren ingesteld?
→ Zie “Gevoeligheid van de pads instellen” op blz. 43 en
wijzig eventueel de minder geslaagde instellingen
([SETUP] → [F1 (TRIG)] → [F1 (BASIC)]).
→ Als u met pads van een ander merk dan Roland werkt,
zie dan “‘Basic’ Trigger-parameters” op blz. 112 en tracht
beter geschikte instellingen te vinden.
OPGELET
Of dit uitkomst biedt, kunnen we niet garanderen. In de
regel is het slimmer om met Roland-pads te werken.
145
Appendix
De met de Mixer ingestelde balans wordt
niet gebruikt
Verhelpen van storingen
Hebt u het vel van de PD-80, PD-80R, PD-100,
of PD-120 gelijkvormig opgespannen?
→ Als het pad-volume of het geluid onstabiel blijkt, zou u
het vel iets meer moeten spannen. Dat bevordert namelijk de stabiliteit (en de levensverwachting van de sensor).
Hebt u de gevoeligheid van de Rim (RIM SENS;
blz. 112) en de Cross Stick-functie (CROSS
STICK; blz. 115) naar behoren ingesteld?
→ Zorg dat dit het geval is ([SETUP] → [F1 (TRIG)] → [F1
(BASIC)] of [F2 (ADVNCD)]).
U hoort een andere klank dan degene die
u gekozen hebt
• Hebt u zich misschien vergist in “Head” (pad) en “Rim”?
→ Sommige parameters kunnen voor de pad en de rand
apart worden ingesteld. Kijk dan eerst of het “ ” symbool in het display verschijnt alvorens de instellingen te
wijzigen (blz. 71).
• Speelt u de Rimshots en Cross Sticks op de juiste
manier?
→ Rimshots: Sla tegelijk op de pad en de rand (blz. 38).
Cross Stick: zorg dat de stok de pad zelfs niet raakt
(blz. 39).
• Als u Cross Sticks (blz. 39) of Sweeps speelt (het “roeren” met de Brushes), moet u natuurlijk geschikte klanken hiervoor kiezen.
→ Zie “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154 en kies
een instrument dat het Cross Stick- of Brush-spel ondersteunt.
Ontvangt de Part wel op het juiste MIDIkanaal, of hebt u misschien “Off” gekozen?
([SETUP] → [F2 (MIDI)])
→ Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf het
juiste MIDI-kanaal (blz. 133).
De Bulk Dump komt niet toe bij het externe
instrument
Overloop even de volgende punten.
• Hebt u de MIDI-kabel op de juiste connectors aangesloten?
→ Om de instellingen van de TD-8 extern te archiveren
moet u de MIDI OUT/THRU-connector van de TD-8 op
de MIDI IN-connector van de sequencer e.d. aansluiten
(blz. 129).
• Weet u zeker dat de sequencer SysEx-data ontvangt?
Meestal moet u die ontvangst handmatig activeren.
→ Zie de handleiding van de sequencer.
In de GM-mode ontbreekt een bepaalde
partij tijdens de weergave
• Hebt u de ontvangst van de Part uitgeschakeld? ([SHIFT]
+ [MIXER])
→ Breng de cursor met CURSOR [▲] of [▼] naar de betreffende Part en zet hem op “On” (blz. 139).
Problemen i.v.m. de
sequencer
De Pattern- of Song-pagina verschijnt niet
Problemen met MIDI
U speelt iets op het MIDI-klavier, de
sequencer e.d., maar de TD-8 reageert niet
Hebt u het volume van de aangestuurde
klanken naar behoren ingesteld?
Overloop even de volgende punten.
• Hebt u het Part-volume verminderd? ([PATTERN] →
[F2 ( PART)] → [SETUP] → [F2 (PAGE 2)] →
“LEVEL”)
→ Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
hoger volume in (blz. 90).
• Hebt u het volume van een Percussion Set-instrument
verminderd? ([PATTERN] → [F2 ( PART)] → [SETUP]
→ [F3 (INST)] → [F3 (EDIT)] → “LEVEL”)
→ Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
hoger volume in (blz. 92).
146
• Hebt u de GM-mode van de TD-8 geactiveerd? ([SETUP]
→ [F2 (MIDI)] → [F1 (GLOBAL)] → [F3 (PAGE 3)])
→ Zet GM MODE op “OFF” (blz. 138). De sequencer werkt
niet zolang de GM-mode actief is.
U hoort niets als u op [PLAY/STOP] drukt
• Hebt u de GROUP FADERS op de minimumwaarde
gezet?
→ Druk op de [FADERS]-knop (indien nodig) en stel alles
naar behoren in (blz. 19).
Met [KICK], [SNARE], [HI-HAT], [TOMS] en [CYMBALS] kunt u het volume van de Drum Kit Parts instellen. [OTHERS] is voor de percussie bedoeld; met
[BACKING] kunt u het volume van de begeleidingspartijen instellen.
• Hebt u misschien een leeg patroon gekozen?
→ Kies een ander patroon dat zeker data bevat en probeer
het nog een keer (blz. 86).
Verhelpen van storingen
• Hebt u die misschien uitgeschakeld? ([PATTERN] →
[F2 ( PART)] → [MUTE])
→ Druk op [F1], [F2] of [F3] (blz. 93).
Enkel de drums van de Song of het patroon
worden niet afgespeeld
• Misschien hebt u die uitgeschakeld? ([PATTERN] →
[F2 ( PART)] → [MUTE])
→ Meer informatie over de juiste instellingen vindt u op
blz. 93.
De Song/het patroon klinkt anders dan
verwacht
• Hebt u een aantal instellingen ervan veranderd?
([PATTERN] → [F2 ( PART)] → [SETUP])
→ Op blz. 89 komt u te weten hoe u eventuele wijzigingen
kunt corrigeren.
OPGELET
De instellingen van de percussie-instrumenten kunnen
ook worden gewijzigd wanneer u Pattern Lock (blz. 104)
geactiveerd hebt (“On”).
De weergave stopt al na de eerste noot
• Hebt u als weergavemethode voor het patroon “TAP”
gekozen? ([PATTERN] → [F3 ( MENU)] → [FUNC] →
[F2 (TYPE)] → “PLAY TYPE”)
→ Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf een
andere instelling dan “TAP” (blz. 87).
“TAP” is een handige functie voor het stapsgewijs afspelen van een patroon (blz. 121).
Het aan een pad toegewezen patroon kan
niet worden gestart
• Hebt u een Song gekozen?
→ Als u een Song gekozen hebt, kunnen “1SHOT”- en
“LOOP”-patronen niet met de Pad Pattern-functie
gestart worden (blz. 121). In dat geval kunt u enkel
“TAP”-patronen via de pads afspelen.
Een User-patroon kan niet worden
opgenomen of geëdit
• Hebt u dat patroon met Pattern Lock beveiligd?
([PATTERN] → [F3 ( MENU)] → [LOCK])
→ Kies met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf
“OFF” (blz. 104).
Problemen i.v.m. de
metronoom
De metronoom doet het niet
• Licht de [CLICK]-knop wel op?
→ Druk op [CLICK] (blz. 82).
• Hebt u de [CLICK] GROUP FADER op de minimumwaarde gezet?
→ Druk op de [FADERS]-knop om het tweede niveau te
kiezen en stel met de (nu) [CLICK]-regelaar een grotere
waarde in (blz. 19).
• Hebt u de metronoom aan de juiste uitgang toegewezen?
([CLICK] → [F2 (INST)] → “OUTPUT”)
→ Als u “BOTH” kiest, wordt de metronoom naar de MASTER OUTPUTS- en de PHONES-aansluiting gestuurd.
Als u “PHONES” kiest, is de metronoom enkel in de
hoofdtelefoon aanwezig (blz. 83).
Problemen met het display
Het display springt niet naar de verwachte
pagina/de cursor springt niet naar de
juiste parameter
• Waarschijnlijk hebt u de volgfunctie van het display uitgeschakeld (Edit Lock).
→ Kies met [TRIG SELECT] een andere pad.
Edit Lock (blz. 72) kunt u enkel met de betreffende parameter in- of uitschakelen.
De Trigger-indicators lichten zomaar op
• Bevindt er zich een luidspreker e.d. in de buurt van een
pad en zit die op een pittig volume te blazen?
→ Plaats de speaker/monitor ergens anders of draai de pad
iets verder van de speaker vandaan. Controleer bovendien of de pad degelijk gemonteerd is en of de stand niet
teveel meetrilt.
In bepaalde gevallen wordt de trilling van de stand door
een pad opgevat als een slag.
Het display is te donker/te licht
→ De duidelijkheid van het display verandert naar gelang
de hoek en de lichtomstandigheden op de plaats waar u
met de TD-8 werkt.
Houd [KIT] ingedrukt, terwijl u met de VALUE-schijf
een andere contrastwaarde instelt.
147
Appendix
Een bepaalde partij is onhoorbaar
Oproepen van de fabrieksinstellingen
Oproepen van de fabrieksinstellingen
Factory Reset: alle functies
initialiseren
Met de volgende handeling roept u voor alle pads en instrumenten evenals de patronen en Songs van de TD-8 weer de
fabrieksinstellingen op.
OPGELET
Hierbij verliest uw eigen instellingen. U doet er dan ook
verstandig aan om deze eerst extern te archiveren (zie
Bulk Dump op blz. 129). Op die manier kunt u uw eigen
instellingen namelijk nog eens oproepen.
1. Druk eerst op [SETUP] en vervolgens op
[F3 ( MENU)]. [SETUP] licht op en het display beeldt
een pop-menu af.
2. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “RESET”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
Drum Kit-, instrument,
Mixer- of effectinstellingen
initialiseren (Copy)
De Copy-functie kunt u ook gebruiken om hetzelfde resultaat te bereiken als tijdens het initialiseren (blz. 126) – maar
dan enkel voor een bepaalde gedeelte of geheugen van de
TD-8. Dit doet u door een voorgeprogrammeerd geheugen te
kiezen en de inhoud ervan over te hevelen naar een programmeerbaar geheugen.
Ook hier geldt echter dat de data van het gekozen geheugen
e.d. tijdens de kopie gewist worden. Controleer dus twee
keer of u die instellingen echt niet meer nodig hebt.
1. Druk op [KIT] en vervolgens op [F3 ( MENU)].
[KIT] licht op en het popup-menu verschijnt.
2. Breng de cursor met [INC/+], de VALUE-schijf of CURSOR [▼] naar “COPY”.
3. Bevestig uw keuze door op [F3] te drukken. Het display
ziet er nu als volgt uit:
Wordt gekopieerd…
…naar dit geheugen
4. Stel met [INC/+] of [DEC/–] c.q. de VALUE-schijf in voor
welke functies u weer de fabriekswaarden wilt oproepen.
ALL: Alle functies van de TD-8 worden geïnitialiseerd.
THIS DRUM KIT: Enkel de momenteel gekozen Drum
Kit wordt geïnitialiseerd.
ALL DRUM KITS: Alle Drum Kits worden
geïnitialiseerd.
ALL PERC SETS: Beide User Percussion Sets worden
geïnitialiseerd.
ALL PATTERNS: Alle User-patronen worden geïnitialiseerd.
ALL SONGS: Alle Songs worden geïnitialiseerd.
5. Druk op [F3 (EXEC)] om het commando uit te voeren.
Dit moet u even bevestigen:
6. Druk op [F3 (EXEC)] om de functies te initialiseren of op
[F1 (CANCEL)] als u zich bedacht hebt.
Tijdens het uitvoeren van Factory Reset worden de
GROUP FADERS-waarden weer op het maximumvolume gezet. Dit komt dus waarschijnlijk niet overeen met
de stand van de “fysieke” regelaars.
148
4. Kies het geheugen dat u wilt kopiëren. Zie ook blz. 126.
5. Druk op [F3 (COPY)] en vervolgens op [F3 (EXEC)] om
de kopie uit te voeren.
Druk op [F1 (CANCEL)] als u de data toch niet wilt
kopiëren.
Boodschappen en foutmeldingen
Boodschappen en foutmeldingen
Ziehier een overzicht van de boodschappen en foutmeldingen die de TD-8 soms afbeeldt, en een verklaring ervan.
Tevens komt u te weten hoe u het probleem kunt verhelpen.
Vraag aan uw Roland-dealer de batterij te vervangen.
Foutmeldingen i.v.m. MIDI
Soms ziet i “ACCEPT” boven de [F3]-knop. Druk dan op
deze functieknop om het venster weer te sluiten.
Foutmeldingen
In sommige gevallen doet de TD-8 niet wat u misschien zou
verwachten. In de regel wordt er dan een foutmelding afgebeeld. Ziehier wat de verschillende foutmeldingen betekenen
en hoe u het probleem kunt oplossen.
Systeem- en batterijfouten
SYSTEM ERROR!
MIDI OFFLINE!
U hebt de aansluiting van een MIDI-kabel verbroken (of
de communicatie met het externe instrument werkt om
de één of andere reden niet meer.)
Controleer even de aansluitingen en de werking
van het externe instrument.
CHECKSUM ERROR!
De Checksum (controlegetal) van een ontvangen SysExdatablok klopt niet.
Als u weet hoe het moet, zou u kunnen proberen
het juiste controlegetal in te vullen.
MIDI BUFFER FULL!
Er klopt iets niet met de systeemsoftware. Neem zo snel
mogelijk contact op met uw Roland-dealer.
BACKUP NG! EXECUTE FACTORY RESET ALL!
De TD-8 heeft zo veel MIDI-data tegelijk ontvangen dat
hij ze onmogelijk allemaal kan verwerken.
De data in het interne geheugen van de TD-8 kunnen
niet worden gelezen.
De lithium-batterij, die het geheugens van de TD-8 voedt
zodra u hem uitschakelt, is uitgeput. Daarom zijn de
data al gedeeltelijk (of helemaal) gewist.
Vraag aan uw Roland-dealer de batterij te vervangen. In afwachting daarvan kunt u de TD-8
initialiseren (Factory Reset).
Controleer eerst of het externe instrument goed
is aangesloten (blz. 136). Als het probleem daarmee niet de wereld uit is, moet u minder MIDIdata tegelijk naar de TD-8 zenden.
Foutmeldingen i.v.m. de sequencer
DATA OVERLOAD!
OPGELET
BACKUP BATTERY LOW!
Het patroon of de Song bevat zo veel data dat ze niet
naar behoren naar de MIDI OUT-connector kunnen worden uitgestuurd.
Verminder de omvang van het patroon of de
Song door een “drukke” partij te wissen.
Appendix
Met Factory Reset vervangt u uw eigen data door de
voorgeprogrammeerde instellingen. Maar als u deze
pagina te zien krijgt, bent uw data sowieso al kwijt.
De batterij, die het interne geheugen voedt, is nagenoeg
uitgeput, zodat de kans bestaat dat uw instellingen en
data binnenkort gewist worden.
149
Boodschappen en foutmeldingen
99 MEASURE MAXIMUM
U hebt geprobeerd meer dan 99 maten voor een patroon
op te nemen. Dat kan echter niet. Of: u wilt een wijziging
doorvoeren die zou leiden tot een patroon van meer dan
99 maten. Ook dat is niet mogelijk.
Kort het patroon in door alle overbodige maten
te wissen (blz. 101). Of: splits het op in twee
patronen en maak er een Song van. Het weergaveresultaat zal net hetzelfde zijn.
NOT ENOUGH MEMORY!
U kunt het patroon niet meer editen c.q. geen nieuw
patroon meer opnemen, omdat de interne geheugencapaciteit uitgeput is.
Wis alle patronen die u niet meer nodig hebt
(blz. 101).
PRESET PATTERN!
NO EMPTY PATTERN
Alle patronen zijn vol.
Wis alle niet benodigde data (blz. 101).
EMPTY SONG!
Deze Song is nog leeg. U kunt hem dus niet editen.
99 STEP MAXIMUM
Een Song kan maximaal 99 stappen bevatten. Wat u probeert te doen zou leiden tot meer dan 99 stappen.
Wis –indien mogelijk– alle niet benodigde stappen van de Song (blz. 107).
Foutmeldingen i.v.m. de Percussion Sets
PRESET PERC SET!
Dit is een patroon van het ROM-geheugen dat u niet
kunt overschrijven of editen.
Kopieer dit patroon naar een User-geheugen
(blz. 99) en wijzig het dan.
PATTERN LOCK ON!
Dit is een Preset Percussion Set. U kunt de instrumenten
dus niet wijzigen.
Kopieer de Set naar een User-geheugen (blz. 91)
en wijzig hem dan.
Boodschap
U hebt de Pattern Lock-functie voor dit patroon geactiveerd. Het is dus beveiligd.
PRESET PATTERN! CHANGES MADE WILL NOT BE
RETAINED!
Zet Pattern Lock op “OFF” (blz. 104).
EMPTY PATTERN!
Dit patroon bevat nog geen muziekdata en kan dus niet
worden geëdit.
150
Dit is een Preset-patroon. Eventuele wijzigingen worden
niet opgeslagen.
Kopieer het patroon naar een User-geheugen en
wijzig het dan (blz. 99). Die wijzigingen worden
wel opgeslagen.
Over MIDI
Over MIDI
MIDI staat voor Musical Instruments Digital Interface. Dit
interface is gebaseerd op een internationale standaard voor
de uitwisseling van digitale gegevens tussen verschillende
instrumenten, waarbij die gegevens beschrijven wat er wordt
gespeeld of welke veranderingen er aan klanken worden
aangebracht. Alle MIDI-compatibele apparaten kunnen
nagenoeg dezelfde data uitwisselen, ongeacht om welk merk
of type het gaat.
Elk aspect (Event) van het muziekmaken wordt door MIDI
vertaald in commando’s. Terwijl een instrument wordt
bespeeld, worden MIDI-gegevens verstuurd die beschrijven
wat er gebeurt. Wanneer deze stroom MIDI-informatie door
een ander instrument wordt ontvangen, kan dit instrument
ze spelen, alsof u het instrument rechtstreeks bespeelt.
Als u enkel met de TD-8 werkt, hebt u MIDI niet nodig. Dat
is enkel het geval waneer u ook met een sequencer, een toetseninstrument enz. werkt.
MIDI-kanalen en multitimbrale
klankbronnen
MIDI laat u toe één enkele kabel te gebruiken waarmee u
gelijktijdig verschillende sets informatie naar verschillende
MIDI-apparaten kunt versturen. Dit is mogelijk omdat MIDI
met meerdere kanalen tegelijk kan werken.
Het idee achter MIDI-kanalen wordt begrijpelijk wanneer we
een TV als voorbeeld nemen. Op een TV kunt u een zender
(uit verschillende stations) kiezen door gewoon naar een
ander kanaal over te schakelen. Dat kan omdat de informatie
van een kanaal pas op het scherm verschijnt wanneer de TV
(de ontvanger) op hetzelfde kanaal is afgesteld als het kanaal
dat door de zender (het televisiestation) wordt gebruikt.
De kabel van de antenne ontvangt de TV-signalen
van heel wat stations.
Station A
Station B
Over de MIDI-connectors
De TD-8 is voorzien van twee MIDI-aansluitingen die verschillende functies hebben.
MIDI IN-connector: Ontvangt gegevens van een ander MIDIinstrument (klavier, sequencer enz.) om klanken van de TD-8
aan te sturen, instellingen te wijzigen enz.
MIDI OUT/THRU-connector: De functie van deze aansluiting is instelbaar. Met “SOFT THRU” (blz. 133) kunt u namelijk kiezen of deze connector als MIDI OUT of als MIDI
THRU wordt gebruikt. Aanvankelijk staat hij op “OUT”
ingesteld.
OUT: Zendt gegevens van de pads of de interne sequencer van de TD-8, maar ook klankdata die in een externe
sequencer kunnen worden opgeslagen (Bulk Dump,
blz. 129).
Station C
Door een kanaal op uw TV te kiezen bepaalt u naar
welk station u wilt kijken.
Er zijn 16 MIDI-kanalen (1~16). MIDI-data worden verzonden zodra een muziekinstrument (de ontvanger) op hetzelfde kanaal is ingesteld als de zender (een ander MIDI-apparaat). Bijvoorbeeld: in de eerste afbeelding hieronder produceert enkel module A geluid wanneer u op het klavier speelt,
terwijl B niets doet aangezien zijn ontvangstkanaal niet gelijk
is aan het zendkanaal van het MIDI-klavier.
MIDI OUT
MIDI IN
Zendkanaal: 1, 2
MIDI THRU
Ontvangstkanaal: 1
Module A
Ontvangstkanaal: 2
MIDI-klavier
MIDI IN
Module B
De TD-8 kan zes (in de GM-mode zelfs zestien) verschillende partijen met een andere klank weergeven. Modules die
verschillende klanken voor verschillende MIDI-kanalen kunnen weergeven noemen we multitimbrale modules.
Appendix
THRU: Zendt alles wat via MIDI IN wordt ontvangen
opnieuw uit.
151
Over MIDI
Werken met de interne
sequencer
Een sequencer is een elektronisch muziekinstrument dat
opneemt en weergeeft wat u op een ander elektronisch
muziekinstrument speelt. “Opnemen” betekent in dit geval
dat de sequencer onthoudt welke noten u speelt, hoe lang u
ze aanhoudt, hoe hard u aanslaat en welke speelhulpen u
gebruikt. De TD-8 bevat een ingebouwde sequencer met 700
voorgeprogrammeerde patronen en de mogelijkheid om uw
eigen patronen op te nemen.
Externe module
TD-8
Interne sequencer
Part 1
Part 2
MIDI-klavier
Part 3
Part 4
Pad
Percussion Part
Drum Kit Part
Interne klankbron
Tijdens de weergave worden de data, die met de sequencer
zijn opgenomen, naar de klankbron gezonden en door deze
laatste weergegeven. Zoals u in de bovenstaande afbeelding
kunt zien, wordt ieder spoor naar een eigen Part gezonden:
spoor 1 stuurt Part 1 aan, spoor 2 gaat naar Part 2 enz. Tijdens de opname wordt de informatie van de pads of het
MIDI-klavier naar de sequencer gezonden en van daaruit
naar de module, zodat u ook tijdens de opname kunt horen
wat u speelt!
Als u een Drum Kit- of percussiepartij opgenomen hebt, worden de data tijdens de weergave hetzij enkel naar de Percussion Part, hetzij naar een combinatie van de Percussion en de
Drum Kit Part gestuurd. Bepalend hiervoor is de voorrangsregeling (blz. 133).
OPGELET
Tijdens het gebruik van de TD-8 als GM-module is de
interne sequencer niet beschikbaar.
152
Preset Drum Kits
Preset Drum Kits
Nr. Drum Kit
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
Opmerking
V Custom
JazzFunk
HardRock
Sizzle
HomeBoy
1ManBand
Tekno
Pop Xstk
Brushes
Voices
CongaKit
Orch Set
Electro
LowFi
Guitars
Drum’nBs
Dry
TuchDown
“Scat”
DrumSolo
TR-808
TR-909
Haunted
Birch
RoseWood
Oyster
Cartoon
Pocket
Gospel
PowrFusn
BIG Band
JazzXstk
*Cross Stick:
*Brush:
*Cross Stick
*Brush
*Cross Stick
Een “Snare Rim”-klank die bij zachte aanslag
een Cross Stick-geluid (blz. 39), en bij een iets
hardere aanslag een Rimshot-geluid (blz. 38)
is.
Nr. Drum Kit
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
Opmerking
FAT-SO
Science!
Buzz
Kids
JunkYard
Fusion
Crack!
MIDIbrsh
RockBand
HipHop
Ringer
Melody
Tabla
Gate
Mondo
Timbongo
Mexi-Mix
LiteFunk
Metal
BrikHous
Snowki
CoprTubs
Hi&Loose
Lo&Loose
LatnSqnc
Syn&Bass
Standrd1
Standrd2
Room
Power
Jazz
UserKit
Met “DRUM KIT COPY” (blz. 126) kunt u weer de
fabrieksinstellingen van een Drum Kit oproepen.
Een Kit die u met Brushes moet bespelen
(blz. 40, 69).
64 UserKIT:
Appendix
KIT 59 Standrd1~KIT 63 Jazz:
Deze Kits bevatten instrumenttoewijzingen
voor alle pads.
Parameters zoals het volume zijn op
standaardwaarden ingesteld. Deze Kit zou u
kunnen gebruiken wanneer u een volledig
nieuwe Kit wilt programmeren.
153
Overzicht van de drumklanken
Overzicht van de drumklanken
Nr. Naam
V-KICK
1
DBLHEADK
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
SHARP K
ACOUS K
MEAT K
R8 LOW K
R8 DRY K
WDBEATRK
OPEN K
VINTAGEK
26"DEEPK
THICKHDK
ROUND K
MEDIUM K
BIGROOMK
BIG K
BIGLOW K
STUDIO1K
STUDIO2K
STUDIO3K
STUDIO4K
STUDIO5K
STUDIO6K
STUDIO7K
STUDIO8K
BUZZ 1 K
BUZZ 2 K
BUZZ 3 K
BUZZ 4 K
BUZZ 5 K
ROOM 1 K
ROOM 2 K
ROOM 3 K
ROOM 4 K
ROOM 5 K
ROOM 6 K
ROOM 7 K
AMB 1 K
AMB 2 K
AMB 3 K
AMB 4 K
SOLID1 K
SOLID2 K
SOLID3 K
JAZZ 1 K
JAZZ 2 K
18"JAZZK
BRSHHITK
WOOD 1 K
WOOD 2 K
WOOD 3 K
WOOD 4 K
MAPLE1 K
MAPLE2 K
OAK K
BIRCH K
ROSEWODK
ONEPLY K
OYSTER K
DRY K
DRYMED K
DRYHARDK
DEEPDRYK
FUSION K
SANDBAGK
BSKTBALK
MONDO K
MDVRB1 K
MDVRB2 K
SIZZLE K
BOX K
NINJA K
DANCE K
HOUSE K
PILLOW K
RAP K
TR808 K
808HARDK
808BOOMK
808NOIZK
154
Opm.
Nr. Naam
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
Opm.
TR909 K
909WOODK
909HDATK
ELEPHNTK
CATTLE K
DOOR K
PUNCH K
MACHINEK
BROKEN K
BENDUP K
HRDNOIZK
KICK
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
R8SOLIDK
THINHEDK
TIGHT K
CHUNK K
GATE K
GIANT K
INSIDE K
STD1 1 K
STD1 2 K
STD2 1 K
STD2 2 K
ROOM 8 K
ROOM 9 K
POWER K1
POWER K2
JAZZ 3 K
JAZZ 4 K
BRUSH K
ELEC 1 K
ELEC 2 K
ELBEND K
PLASTK1K
PLASTK2K
GABBA K
GABBA2 K
TAIL K
JUNGLE K
HIPHOP K
LOFI 1 K
LOFI 2 K
LOFI 3 K
LOFI 4 K
NOISY K
SPLAT K
SCRACH1K
SCRACH2K
HI-Q K
SPACE K
SYNBASSK
V-SNARE
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
CUSTOM S
CSTM RS
CSTMBR S
CSTMBRRS
CSTMST S
CSTMSTRS
PICOLO1S
PCO1 RS
PCO1BR S
PCO1BRRS
PCO1ST S
PCO1STRS
PICOLO2S
PCO2 RS
PCO2BR S
PCO2BRRS
PCO2ST S
PCO2STRS
PICOLO3S
PCO3 RS
PCO3BR S
PCO3BRRS
PCO3ST S
PCO3STRS
MEDIUM1S
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
Nr. Naam
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
MED1 RS
MED1 XS
MED1BR S
MED1BRRS
MED1BRXS
MED1ST S
MED1STRS
MED1STXS
MEDIUM2S
MED2 RS
MED2BR S
MED2BRRS
MED2ST S
MED2STRS
MEDIUM3S
MED3 RS
MED3BR S
MED3BRRS
MED3ST S
MED3STRS
MEDIUM4S
MED4 RS
MED4BR S
MED4BRRS
MED4ST S
MED4STRS
FAT1 S
FAT1 RS
FAT1BR S
FAT1BRRS
FAT1ST S
FAT1STRS
FAT2 S
FAT2 RS
FAT2BR S
FAT2BRRS
FAT2ST S
FAT2STRS
ACUSTICS
ACUS RS
ACUSBR S
ACUSBRRS
ACUSST S
ACUSSTRS
VINTAGES
VNTG RS
VNTGBR S
VNTGBRRS
VNTGST S
VNTGSTRS
COMP S
COMP RS
COMPBR S
COMPBRRS
COMPST S
COMPSTRS
JAZZ S
JAZZ RS
JAZZ XS
JAZZBR S
JAZZBRRS
JAZZBRXS
JAZZST S
JAZZSTRS
JAZZSTXS
DIRTY S
DRTY RS
DRTYBR S
DRTYBRRS
DRTYST S
DRTYSTRS
13" S
13" RS
BIRCH S
BIRCH RS
TD7MPL S
TD7MPLRS
BALLAD S
BRUSH1 S
BRUSH2 S
BRUSH3 S
Opm.
Nr. Naam
*x-stick
*position
SNARE
*x-stick
*position
*x-stick
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*position
*x-stick
*x-stick
*x-stick
*position
*position
*position
*sweep
*sweep
*sweep
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
BRSH TAP
BRSH SLP
BRSH SWL
BRSHTMBS
MIDIBR1S
MIDIBR2S
MIDIBR3S
BOSTON S
BOSTONRS
BRONZE S
BRNZ RS
BRONZE2S
BRNZ2 RS
BIRCH2 S
COPPER S
COPPER2S
10" S
L.A. S
LONDON S
RING S
RING RS
ROCK S
ROCK RS
R8MAPLES
R8MPL RS
BIGSHOTS
STD1 1 S
STD1 2 S
STD2 1 S
STD2 2 S
ROOM 1 S
ROOM 2 S
POWER1 S
POWER2 S
GATE S
JAZZ 2 S
JAZZ 3 S
FUNK S
FUNK RS
BOP S
BOP RS
PICOLO5S
PCO5 RS
PICOLO6S
PCO6 RS
MEDIUM5S
MED5 RS
MEDIUM6S
MED6 RS
MEDIUM7S
MED7 RS
MEDIUM8S
MED8 RS
FAT3 S
FAT3 RS
FAT4 S
FAT4 RS
DYNAMICS
DYNMC RS
ROLL S
BUZZ S
DOPIN1 S
DOPIN2 S
REGGAE S
CRUDDY S
DANCE1 S
DANCE2 S
HOUSE S
HOUSDPNS
CLAP! S
WHACK S
TR808 S
TR909 S
ELEC 1 S
ELEC 2 S
ELEC 3 S
ELNOIZ S
HIPHOP1S
Opm.
*sweep
Overzicht van de drumklanken
314
315
316
317
318
319
320
321
322
323
324
HIPHOP2S
LOFI S
LOFI RS
RADIO S
CRSSTK 1
CRSSTK 2
CRSSTK 3
CRSSTK 4
CRSSTK 5
CRSSTK 6
808CRSTK
V-TOM
325
326
327
328
329
330
331
332
333
334
335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
357
358
359
360
361
362
363
364
365
366
367
368
369
370
371
372
373
374
375
376
377
378
379
380
381
382
383
384
385
386
387
388
389
390
391
392
393
394
OYSTERT1
OYSTERT2
OYSTERT3
OYSTERT4
COMP T1
COMP T2
COMP T3
COMP T4
FIBRE T1
FIBRE T2
FIBRE T3
FIBRE T4
DRY1 T1
DRY1 T2
DRY1 T3
DRY1 T4
DRY2 T1
DRY2 T2
DRY2 T3
DRY2 T4
MAPLE T1
MAPLE T2
MAPLE T3
MAPLE T4
ROSE T1
ROSE T2
ROSE T3
ROSE T4
SAKURAT1
SAKURAT2
SAKURAT3
SAKURAT4
JAZZ1 T1
JAZZ1 T2
JAZZ1 T3
JAZZ1 T4
JAZZ2 T1
JAZZ2 T2
JAZZ2 T3
JAZZ2 T4
BUZZ1 T1
BUZZ1 T2
BUZZ1 T3
BUZZ1 T4
BUZZ2 T1
BUZZ2 T2
BUZZ2 T3
BUZZ2 T4
BUZZ3 T1
BUZZ3 T2
BUZZ3 T3
BUZZ3 T4
BUZZ4 T1
BUZZ4 T2
BUZZ4 T3
BUZZ4 T4
NATRALT1
NATRALT2
NATRALT3
NATRALT4
NATRL2T1
NATRL2T2
NATRL2T3
NATRL2T4
STUDIOT1
STUDIOT2
STUDIOT3
STUDIOT4
SLAP T1
SLAP T2
Opm.
Nr. Naam
395
396
397
398
399
400
401
402
403
404
405
406
407
408
409
410
411
412
413
414
415
416
417
418
419
420
421
422
423
424
425
426
427
428
429
430
431
432
433
434
435
436
437
438
439
440
441
442
443
444
445
446
447
448
449
450
451
452
453
454
455
456
457
458
459
460
461
462
463
464
465
466
467
468
469
470
471
472
473
474
475
476
477
478
SLAP T3
SLAP T4
ROOM1 T1
ROOM1 T2
ROOM1 T3
ROOM1 T4
ROOM2 T1
ROOM2 T2
ROOM2 T3
ROOM2 T4
ROOM3 T1
ROOM3 T2
ROOM3 T3
ROOM3 T4
ROOM4 T1
ROOM4 T2
ROOM4 T3
ROOM4 T4
ROOM5 T1
ROOM5 T2
ROOM5 T3
ROOM5 T4
BIG T1
BIG T2
BIG T3
BIG T4
ROCK T1
ROCK T2
ROCK T3
ROCK T4
PUNCH T1
PUNCH T2
PUNCH T3
PUNCH T4
OAK T1
OAK T2
OAK T3
OAK T4
BALSA T1
BALSA T2
BALSA T3
BALSA T4
VINTGET1
VINTGET2
VINTGET3
VINTGET4
BRSH1 T1
BRSH1 T2
BRSH1 T3
BRSH1 T4
BRSH2 T1
BRSH2 T2
BRSH2 T3
BRSH2 T4
DARK T1
DARK T2
DARK T3
DARK T4
ATTACKT1
ATTACKT2
ATTACKT3
ATTACKT4
HALL T1
HALL T2
HALL T3
HALL T4
BIRCH T1
BIRCH T2
BIRCH T3
BIRCH T4
BEECH T1
BEECH T2
BEECH T3
BEECH T4
MICRO T1
MICRO T2
MICRO T3
MICRO T4
BEND T1
BEND T2
BEND T3
BEND T4
BOWL T1
BOWL T2
Opm.
Nr. Naam
479
480
481
482
483
484
BOWL T3
BOWL T4
DIRTY T1
DIRTY T2
DIRTY T3
DIRTY T4
TOM
485
486
487
488
489
490
491
492
493
494
495
496
497
498
499
500
501
502
503
504
505
506
507
508
509
510
511
512
513
514
515
516
517
518
519
520
521
522
523
524
525
526
527
528
529
530
531
532
533
534
535
536
537
538
539
540
541
542
543
544
545
546
547
548
549
550
551
552
553
554
555
556
557
558
559
STD 1 T1
STD 1 T2
STD 1 T3
STD 1 T4
STD 1 T5
STD 1 T6
STD 2 T1
STD 2 T2
STD 2 T3
STD 2 T4
STD 2 T5
STD 2 T6
ROOM6 T1
ROOM6 T2
ROOM6 T3
ROOM6 T4
ROOM6 T5
ROOM6 T6
POWER T1
POWER T2
POWER T3
POWER T4
POWER T5
POWER T6
JAZZ3 T1
JAZZ3 T2
JAZZ3 T3
JAZZ3 T4
JAZZ3 T5
JAZZ3 T6
BRSH3 T1
BRSH3 T2
BRSH3 T3
BRSH3 T4
BRSH3 T5
BRSH3 T6
GATE T1
GATE T2
GATE T3
GATE T4
LOFI T1
LOFI T2
LOFI T3
LOFI T4
ELBENDT1
ELBENDT2
ELBENDT3
ELBENDT4
ELBND2T1
ELBND2T2
ELBND2T3
ELBND2T4
ELBND3T1
ELBND3T2
ELBND3T3
ELBND3T4
ELNOIST1
ELNOIST2
ELNOIST3
ELNOIST4
ELDUALT1
ELDUALT2
ELDUALT3
ELDUALT4
ELEC T1
ELEC T2
ELEC T3
ELEC T4
ELEC T5
ELEC T6
TR808 T1
TR808 T2
TR808 T3
TR808 T4
TR808 T5
Opm.
Nr. Naam
560
Opm.
TR808 T6
HI-HAT
561
562
563
564
565
566
567
568
569
570
571
572
573
574
575
576
577
578
579
580
581
582
583
584
585
586
587
588
589
590
591
592
593
594
595
596
597
598
PURE HH
PUREEGHH
BRIGHTHH
BRITEGHH
JAZZ HH
JAZZEGHH
THIN HH
THINEGHH
HEAVY HH
HEVYEGHH
LIGHT HH
LIGTEGHH
DARK HH
DARKEGHH
12" HH
12"EG HH
13" HH
13"EG HH
14" HH
14"EG HH
15" HH
15"EG HH
BRUSH1HH
BRUSH2HH
SIZZLEHH
SIZLE2HH
VOICE HH
HANDC HH
TAMBRNHH
MARACSHH
TR808 HH
TR909 HH
CR78 HH
MTL808HH
MTL909HH
MTL78 HH
LOFI1 HH
LOFI2 HH
CRASH
599
600
601
602
603
604
605
606
607
608
609
610
611
612
613
614
615
616
617
618
619
620
621
622
623
624
625
626
627
628
629
630
631
632
633
634
MED14 CR
MED16 CR
MED18 CR
QUIK16CR
QUIK18CR
THIN16CR
THIN18CR
BRSH1 CR
BRSH2 CR
SZLBR CR
SWELL CR
SPLSH 6"
SPLSH 8"
SPLSH10"
SPLSH12"
CUP 4"
CUP 6"
HDSPL 8"
HDSPL10"
CHINA10"
CHINA12"
CHINA18"
CHINA20"
SZLCHINA
SWLCHINA
PGYZBACK
PGYCRSH1
PGYCRSH2
PGYCRSH3
PGSPLSH1
PGSPLSH2
PHASECYM
ELEC CR
TR808 CR
LOFI1 CR
LOFI2 CR
Appendix
Nr. Naam
155
Overzicht van de drumklanken
Nr. Naam
Opm.
RIDE
635
636
637
638
639
640
641
642
643
644
645
646
647
648
649
650
651
652
653
654
655
656
657
658
659
660
661
662
663
664
665
666
667
668
669
670
671
672
673
674
675
676
677
678
679
JAZZ RD
JAZZ RDE
JAZZ RDB
JAZZ RDX
POP RD
POP RDE
POP RDB
POP RDX
ROCK RD
ROCK RDE
ROCK RDB
ROCK RDX
LITE RD
LITE RDE
LITE RDB
LITE RDX
CRASHRD
CRASHRDE
DKCRSRD
DKCRSRDE
BRSH1 RD
BRSH2 RD
SZLBR RD
SZL1 RD
SZL1 RDE
SZL1 RDB
SZL1 RDX
SZL2 RD
SZL2 RDE
SZL2 RDB
SZL2 RDX
SZL3 RD
SZL3 RDE
SZL3 RDB
SZL3 RDX
SZL4 RD
PGY RD1
PGY RD1B
PGY RD1X
PGY RD2
PGY RD2B
PGY RD2X
LOFI RD
LOFI RDE
LOFI RDB
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
*edge/bell
PERCUSSION
680
681
682
683
684
685
686
687
688
689
690
691
692
693
694
695
696
697
698
699
700
701
702
703
704
705
706
707
708
709
710
711
R8BNG HI
R8BNG LO
R8BNG2HI
R8BNG2LO
BONGO HI
BONGO LO
BONGO2HI
BONGO2LO
R8CNG MT
R8CNG HI
R8CNG LO
CONGA MT
CONGA SL
CONGA OP
CONGA LO
CNGMT VS
CNGSL VS
COWBELL1
COWBELL2
COWBLDUO
CLAVES
GIROLNG1
GUIROSHT
GIROLNG2
GUIRO VS
MARACAS
SHAKER
SMLSHAKR
TAMBRN 1
TAMBRN 2
TAMBRN 3
TAMBRN 4
156
Nr. Naam
712
713
714
715
716
717
718
719
720
721
722
723
724
725
726
727
728
729
730
731
732
733
734
735
736
737
738
739
740
741
742
743
744
745
746
747
748
749
750
751
752
753
754
755
756
757
758
759
760
761
762
763
764
765
766
767
768
769
770
771
772
773
774
775
776
777
778
779
780
781
782
783
784
785
786
787
788
789
790
791
792
793
794
795
TMBL1 HI
TMBL1 RM
TMBL1 LO
PAILA
TMBL2 HI
TMBL2 LO
VIBRASLP
AGOGO HI
AGOGO LO
AGOGO2HI
AGOGO2LO
CABASAUP
CABASADW
CABASAVS
CUICAMT1
CUICA OP
CUICA LO
CUICAMT2
PANDROMT
PANDROOP
PANDROSL
PANDROVS
SURDOHMT
SURDOHOP
SURDOHVS
SURDOLMT
SURDOLOP
SURDOLVS
WHISTLE
WHISL SH
CAXIXI
TABLA NA
TABLATIN
TABLATUN
TABLA TE
TABLA TI
BAYA GE
BAYA KA
BAYA GIN
BAYA SLD
POT DRUM
POTDR MT
POTDR VS
TALKINDR
THAIGONG
THAIGNG2
BELLTREE
TINYGONG
GONG
TEMPLBEL
WA-DAIKO
TAIKO
SLEIBELL
TREECHIM
TRINGLOP
TRINGLMT
TRINGLVS
R70TRIOP
R70TRIMT
R70TRIVS
CASTANET
WDBLK HI
WDBLK LO
CONCRTBD
CONBD MT
HAND CYM
HNDCYMMT
TIMPANIG
TIMPANIC
TIMPANIE
PERCHIT1
PERCHIT2
ORCH MAJ
ORCH MIN
ORCH DIM
KICK/ROL
KICK/CYM
ORCHROLL
ORCHCHOK
HIT ROLL
FINALE
808CLAP
808CWBL1
808CWBL2
Opm.
Nr. Naam
796
797
798
799
800
801
802
803
804
805
806
807
808
809
810
808MARCS
808CLAVS
808CONGA
909RIM
909CLAP
78COWBEL
78GUIRO
78GIROST
78MARACS
78MBEAT
78TAMBRN
78BONGO
78CLAVES
78RIM
55CLAVES
SPECIAL
811
812
813
814
815
816
817
818
819
820
821
822
823
824
825
826
827
828
829
830
831
832
833
834
835
836
837
838
839
840
841
842
843
844
845
846
847
848
849
850
851
852
853
854
855
856
857
858
859
860
861
862
863
864
865
866
867
868
869
870
871
872
873
874
875
876
APPLAUSE
ENCORE
BIRD
DOG
BUBBLES
HEART BT
TELEPHON
PUNCH
KUNGFOO
PISTOL
GUN SHOT
GLASS
HAMMER
BUCKET
BARREL
TRASHCAN
AF STOMP
BOUNCE
CUICAHIT
MONSTER
AIRDRIVE
CAR DOOR
CAR CELL
CARENGIN
CAR HORN
HELICPTR
THUNDER
BOMB
STICKS
CLICK
TAMB FX
TEK CLIK
BEEP HI
BEEP LOW
METROBEL
METROCLK
SNAPS
CLAP
NOIZCLAP
TEK NOIZ
MTL SLAP
R8 SLAP
VOCODER1
VOCODER2
VOCODER3
DYNSCRCH
SCRACH 1
SCRACH 2
SCRACH 3
SCRACH 4
SCRACH 5
SCRACH 6
SCRCHLP
PHIL HIT
LOFI HIT
HI-Q
HOO...
DAODRILL
SCRAPE
MARTIAN
COROCORO
COROBEND
BURT
BOING 1
BOING 2
TEKNOBRD
Opm.
Nr. Naam
877
878
879
880
881
882
883
884
885
886
887
888
NANTOKA!
ELECBIRD
MTLBEND1
MTLBEND2
MTLNOISE
MTLPHASE
LASER
MYSTERY
TIMETRIP
KICK AMB
SNAREAMB
TOM AMB
MELODIC
889
890
891
892
893
894
895
896
897
898
899
900
901
902
903
904
905
906
907
908
909
910
911
912
913
914
915
916
917
918
919
920
KALIMBA
STEEL DR
GLCKNSPL
VIBRAPHN
MARIMBA
XYLOPHON
TUBLRBEL
CELESTA
SAW WAVE
TB BASS
SLAPBASS
GT SLIDE
GTSCRACH
GUITDIST
GUITBS 1
GUITBS 2
CUTGTDWN
CUTGTUP
FLETNOIZ
BS SLIDE
WAHGTDW1
WAHGTUP1
WAHGTDW2
WAHGTUP2
SHAMI VS
BRASS VS
STRNGSVS
PIZICATO
TEKNOHIT
FUNKHIT1
FUNKHIT2
FUNKHIT3
VOICE
921
922
923
924
925
926
927
928
929
930
931
932
933
934
935
936
937
938
939
940
941
942
943
944
945
946
947
948
949
LADY AHH
AOOUU!
HOOH!
HAA!
SAYYEAH!
YEAH
AHHH
HAAA
ACHAA!
NOPE!
BAP
DAT
BAPDATVS
DOOT
DAOFALL1
DAOFALL2
DAOFALL3
DAOFALL4
DODAT VS
DODAO VS
SCAT1 VS
SCAT2 VS
SCAT3 VS
SCAT4 VS
SCAT5 VS
VOICE K
VOICELOK
VOICE S
VOICE T1
Opm.
Overzicht van de drumklanken
Nr. Naam
950
951
952
953
954
955
956
957
958
959
960
961
962
963
964
965
966
967
968
969
Opm.
VOICE T2
VOICE T3
VOICE T4
VOICE CR
COUNT 1
COUNT 2
COUNT 3
COUNT 4
COUNT 5
COUNT 6
COUNT 7
COUNT 8
COUNT 9
COUNT 10
COUNT 11
COUNT 12
COUNT 13
COUNTAND
COUNT E
COUNT A
Nr. Naam
970
971
COUNT TI
COUNT TA
REVERSE
972
973
974
975
976
977
978
979
980
981
982
983
984
985
986
987
RVSKICK1
RVSKICK2
RVSSNR 1
RVSSNR 2
RVSTOM
RVSCRSH1
RVSCRSH2
RVSCHINA
RVSBELTR
RVS HI-Q
RVSMFAZE
RVSAIRDR
RVSBOIN1
RVSBOIN2
RVS BEND
RVSVOCOD
Opm.
Nr. Naam
988
989
Opm.
RVSCARCL
RVSENGIN
FIXED HI-HAT
990
991
992
993
994
995
996
997
998
999
1000
1001
1002
1003
STD1 CH
STD1 ECH
STD1 OH
STD1 EOH
STD1 PDH
STD2 CH
STD2 ECH
STD2 OH
STD2 PDH
ROOM CH
ROOM ECH
ROOM OH
ROOM EOH
ROOM PDH
Nr. Naam
1004
1005
1006
1007
1008
1009
1010
1011
1012
1013
1014
1015
1016
1017
1018
1019
1020
1021
1022
1023
Opm.
POWR CH
POWR ECH
POWR OH
POWR PDH
BRSH CH
BRSH ECH
BRSH OH
BRSH PDH
ELEC CH
ELEC OH
ELEC PDH
808 CH
808 ECH
808 OH
808 EOH
808 PDH
LOFI CH
LOFI OH
LOFI EOH
LOFI PDH
OFF
1024
OFF (geen geluid)
*position: . . . . . . . Verschilt naar gelang de plaats waar de stok het vel raakt (blz. 39).
*x-stick(XS): . . . . . Een “Snare Rim”-klank die bij zachte aanslag een Cross Stick-geluid (blz. 39), en bij een iets hardere aanslag een
Rimshot-geluid (blz. 38) is.
*Sweep:. . . . . . . . . Kan met de “Sweep”- of “Swish”-techniek worden bespeeld (blz. 40).
*Edge/Bell(RdX): Een cymbaalgeluid dat, naar gelang de aanslag, als “Bell” of “Edge” klinkt.
RS: . . . . . . . . . . . . Rimshot
VS: . . . . . . . . . . . . Klank die in functie van de aanslag (hard/zacht) verschilt
Appendix
Inst Group “FIXED HH”:
Hihat-klanken die u niet met het HiHat-pedaal FD-7 kunt beïnvloeden.
157
Preset Percussion Sets
Preset Percussion Sets
158
Preset Percussion Sets
7. JAZZ
8. BRUSH
9. PERCONLY
10. SPECIAL
Drum Kit
PC71
PC72
PC73
PC74
Nootnummers van de
TRIGGER INPUTs
BS SLIDE
GTSCRACH
GT SLIDE
CUTGTDWN
CUTGTUP
WAHGTDW1
WAHGTUP1
WAHGTDW2
WAHGTUP2
HI-Q
MTL SLAP
SCRACH 3
SCRACH 2
STICKS
CLICK
METROCLK
METROBEL
JAZZ 4 K
JAZZ 3 K
CRSSTK 3
JAZZ 2 S
CLAP
JAZZ 3 S
JAZZ3 T6
STD1 CH
JAZZ3 T5
STD1 PDH
JAZZ3 T4
STD1 EOH
JAZZ3 T3
JAZZ3 T2
MED16 CR
JAZZ3 T1
JAZZ RD
CHINA18”
JAZZ RDB
TAMBRN 1
SPLSH12”
COWBELL2
QUIK16CR
VIBRASLP
JAZZ RDE
R8BNG HI
R8BNG LO
CONGA MT
CONGA SL
CONGA OP
TMBL1 RM
TMBL1 LO
AGOGO HI
AGOGO LO
CABASAUP
MARACAS
WHISL SH
WHISTLE
MARACAS
GIROLNG1
CLAVES
WDBLK HI
WDBLK LO
CUICAMT1
CUICA OP
TRINGLMT
TRINGLOP
SHAKER
SLEIBELL
BELLTREE
CASTANET
SURDOLMT
SURDOLOP
OFF
R8CNG HI
TINYGONG
GONG
PANDROMT
PANDROOP
PANDROSL
TREECHIM
CAXIXI
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
STD2 2 K
BRUSH K
←
BRSH TAP
BRSH SLP
BRSH SWL
BRSH3 T6
BRSH CH
BRSH3 T5
BRSH PDH
BRSH3 T4
BRSH OH
BRSH3 T3
BRSH3 T2
BRSH1 CR
BRSH3 T1
BRSH1 RD
←
←
←
←
←
BRSH1 CR
←
JAZZ RD
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
←
R8BNG2HI
R8BNG2LO
BONGO HI
BONGO LO
BONGO2HI
BONGO2LO
R8CNG MT
R8CNG HI
R8CNG LO
COWBLDUO
TAMBRN 2
TAMBRN 3
TMBL2 HI
TMBL2 LO
PAILA
TABLA NA
TABLATIN
TABLATUN
TABLA TE
TABLA TI
BAYA GE
BAYA KA
BAYA GIN
BAYA SLD
POT DRUM
POTDR MT
TALKINDR
THAIGNG2
TINYGONG
GONG
TEMPLBEL
WA-DAIKO
TAIKO
R70TRIOP
R70TRIMT
TIMPANIG
TIMPANIG
TIMPANIG
TIMPANIG
TIMPANIG
TIMPANIC
TIMPANIC
TIMPANIC
THAIGONG
THAIGONG
THAIGONG
THAIGONG
PERCHIT1
PERCHIT2
ORCH MAJ
ORCH MIN
ORCH DIM
KICK/ROL
KICK/CYM
ORCHROLL
ORCHCHOK
HIT ROLL
FINALE
APPLAUSE
ENCORE
TREECHIM
808CLAP
808CWBL1
808CWBL2
808MARCS
808CLAVS
808CONGA
909RIM
909CLAP
78COWBEL
78GUIRO
78GIROST
78MARACS
78MBEAT
78TAMBRN
78BONGO
78CLAVES
78RIM
55CLAVES
FUNKHIT2
FUNKHIT2
FUNKHIT2
FUNKHIT2
FUNKHIT3
FUNKHIT3
FUNKHIT3
FUNKHIT3
FUNKHIT1
FUNKHIT1
FUNKHIT1
FUNKHIT1
TEKNOHIT
TEKNOHIT
TEKNOHIT
TEKNOHIT
HEART BT
GLASS
PISTOL
SCRCHLP
PHIL HIT
LOFI HIT
BOING 1
MONSTER
COUNT 5
COUNT 4
COUNT 3
COUNT 2
COUNT 1
BOMB
THUNDER
CAR DOOR
CAR CELL
CARENGIN
CAR HORN
HELICPTR
GT SLIDE
GTSCRACH
GUITDIST
GUITBS 1
GUITBS 2
FLETNOIZ
SHAMI VS
BRASS VS
STRNGSVS
STRNGSVS
STRNGSVS
PIZICATO
RVSKICK1
RVSSNR 2
RVSCRSH2
RVSCHINA
LADY AHH
AOOUU!
HOOH!
HAA!
SAYYEAH!
YEAH
AHHH
HAAA
ACHAA!
NOPE!
BAP
DAT
SCAT3 VS
DOOT
DAOFALL1
DAOFALL2
DAOFALL3
DAOFALL4
DODAT VS
DODAT VS
DODAT VS
DODAO VS
SCAT1 VS
SCAT2 VS
SCAT2 VS
SCAT2 VS
SCAT4 VS
Note No.
20
21
22
23
C1 24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
C2 36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
C3 48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
C4 60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
C5 72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
C6 84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
C7 96
TRIG 7 (HI-HAT)CLOSE RIM
TRIG 7 (HI-HAT)OPEN RIM
TRIG 11 (AUX1)
TRIG 12 (AUX2)
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
TRIG 2 (KICK2)
TRIG 1 (KICK1)
*
TRIG 8 (CRASH1) RIM
*
TRIG 9 (CRASH2)
TRIG 3 (SNARE)
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
TRIG
3 (SNARE) RIM
6 (TOM3)
7 (HI-HAT) CLOSED
6 (TOM3) RIM
7 (HI-HAT) PEDAL
5 (TOM2)
7 (HI-HAT) OPEN
5 (TOM2) RIM
4 (TOM1)
8 (CRASH1)
4 (TOM1) RIM
10 (RIDE)
9 (CRASH2) RIM
10 (RIDE) RIM
*
PC: Programmanummer
:
Zelfde klank als Kit links
hiervan.
*:
Nootnummers die niet klinken
wanneer u de Percussion Part
uitschakelt (blz. 63, 93).
In de GM-mode (blz. 138)
wordt aanvankelijk de
“STNDRD1” Kit gebruikt.
Appendix
18
19
159
Overzicht van de melodische klanken
Overzicht van de melodische klanken
PIANO
1
22
0
8
ACCORDION FR
ACCORDION IT
2
2
23
0
HARMONICA
1
24
0
BANDONEON
2
0
8
16
PIANO 1
PIANO 1W
PIANO 1D
1
2
1
2
0
8
PIANO 2
PIANO 2W
1
2
GUITAR
3
0
8
PIANO 3
PIANO 3W
1
2
25
0
NYLON-STR.GT
1
26
0
8
64
STEEL-STR.GT
12-STR.GT
NYLON+STEEL
1
2
2
0
8
JAZZ GT.
HAWAIIAN GT.
1
1
4
0
8
HONKY-TONK
HONKY-TONK W
2
2
27
E. PIANO
5
6
0
8
24
64
65
E.PIANO 1
DETUNED EP 1
60’S E.PIANO
FM+SA EP
HARD RHODES
1
2
1
2
2
0
64
E.PIANO 2
BRIGHT FM EP
2
2
CLAVI
7
8
0
8
16
24
HARPSICHORD
COUPLED HPS.
HARPSI.W
HARPSI.O
1
2
2
2
0
64
CLAV.
FUNK CLAV.
1
2
CHROMATIC
PERCUSSION
28
0
8
CLEAN GT.
CHORUS GT.
1
2
29
0
64
65
66
67
MUTED GT.
MUTED GT.2
POP GT.
FUNK GT.
FUNK GT.2
1
2
1
1
1
30
0
64
OVERDRIVE GT
FDBK.ODRV.GT
1
2
31
0
8
64
65
66
67
DISTORTIONGT
FEEDBACK GT.
HEAVY GT.
FDBK. HVY.GT
MUTED DIS.GT
ROCK RHYTHM
1
2
1
2
1
2
0
8
GT.HARMONICS
GT. FEEDBACK
1
1
32
*:
VELOCITY SWITCH
The tone switches at velocity 116.
67
MODULAR BASS
2
ORCHESTRA
41
0
8
VIOLIN
SLOW VIOLIN
1
1
42
0
VIOLA
1
43
0
CELLO
1
44
0
CONTRABASS
1
45
0
TREMOLO STR
1
46
0
PIZZICATOSTR
1
47
0
HARP
1
48
0
TIMPANI
1
STRINGS
*
*
49
0
8
STRINGS
ORCHESTRA
1
2
50
0
SLOW STRINGS
1
51
0
8
64
65
SYN.STRINGS1
SYN.STRINGS3
SYN.STRINGS4
OB STRINGS
1
2
2
2
52
0
SYN.STRINGS2
2
53
0
32
CHOIR AAHS
CHOIR AAHS 2
1
1
54
0
VOICE OOHS
1
55
0
SYNVOX
1
56
0
ORCHESTRAHIT
2
BRASS
9
0
CELESTA
1
BASS
57
0
TRUMPET
1
10
0
GLOCKENSPIEL
1
33
0
MUSIC BOX
1
ACOUSTIC BS.
ELCTRC.AC.BS
2
2
58
11
0
64
0
1
TROMBONE
TROMBONE 2
1
2
12
0
8
VIBRAPHONE
VIB.W
1
2
34
0
TUBA
1
0
MUTEDTRUMPET
1
MARIMBA
1
1
2
2
60
0
FINGERED BS.
FUNK BASS
REGGAE BASS
59
13
0
64
65
0
XYLOPHONE
1
35
2
2
TUBULAR-BELL
CHURCH BELL
CARILLON
1
1
1
1
1
1
FRENCH HORN
FR.HORN 2
0
8
9
PICKED BS.
MUTE PICKBS1
MUTE PICKBS2
0
1
15
0
64
65
61
14
62
36
0
FRETLESS BS.
1
0
8
BRASS 1
BRASS 2
1
2
0
SANTUR
1
37
0
64
65
66
SLAP
SLAP
RESO
SLAP
BASS 1
BASS 3
SLAP
BASS 4
1
1
1
1
38
0
SLAP BASS 2
1
16
ORGAN
17
0
8
16
32
64
65
ORGAN 1
DETUNED OR.1
60’S ORGAN 1
ORGAN 4
SC88 ORGAN 4
EVEN BAR
1
2
1
2
1
2
18
0
8
32
ORGAN 2
DETUNED OR.2
ORGAN 5
1
2
2
19
0
ORGAN 3
2
20
0
8
16
CHURCH ORG.1
CHURCH ORG.2
CHURCH ORG.3
1
2
2
21
0
REED ORGAN
1
160
SYN. BRASS
63
0
8
16
64
65
66
67
SYNTH BRASS1
SYNTH BRASS3
ANALOGBRASS1
SYNTH BRASS5
POLY BRASS
QUACK BRASS
OCTAVE BRASS
2
2
2
2
2
2
2
64
0
8
16
64
65
66
SYNTH BRASS2
SYNTH BRASS4
ANALOGBRASS2
SOFT BRASS
VELO BRASS 1
VELO BRASS 2
2
1
2
2
2
2
SYN. BASS
39
40
0
1
8
64
65
66
SYNTH BASS 1
SYNTHBASS101
SYNTH BASS 3
TB303 BS 1
TB303 BS 2
TB303 BS 3
1
1
1
1
1
1
0
16
64
65
66
SYNTH BASS 2
RUBBER BASS
SH101 BS 1
SH101 BS 2
SH101 BS 3
2
2
1
1
1
Overzicht van de melodische klanken
REED
88
65
0
SOPRANO SAX
1
66
0
ALTO SAX
1
67
0
TENOR SAX
1
68
0
BARITONE SAX
1
69
0
OBOE
1
70
0
ENGLISH HORN
1
71
0
BASSOON
1
72
0
CLARINET
1
PIPE
0
64
65
BASS & LEAD
BIG & RAW
FAT & PERKY
2
2
2
SYN. PAD
89
0
FANTASIA
2
90
0
64
65
WARM PAD
THICK PAD
HORN PAD
1
2
2
91
0
64
POLYSYNTH
80’S POLYSYN
2
2
92
0
SPACE VOICE
1
93
0
BOWED GLASS
2
94
0
64
METAL PAD
PANNER PAD
2
2
112
0
SHANAI
PERCUSSIVE
113
0
TINKLE BELL
114
0
AGOGO
1
115
0
STEEL DRUMS
1
116
0
8
WOODBLOCK
CASTANETS
1
1
117
0
8
TAIKO
CONCERT BD
1
1
118
0
8
MELO. TOM 1
MELO. TOM 2
1
1
119
0
8
9
SYNTH DRUM
808 TOM
ELEC PERC.
1
1
1
0
REVERSE CYM.
1
73
0
PICCOLO
74
0
FLUTE
1
75
0
RECORDER
1
95
0
HALO PAD
2
120
96
0
64
65
SWEEP PAD
POLAR PAD
CONVERGE
1
1
1
GUITAR BASS FX
1
76
0
PAN FLUTE
1
77
0
BOTTLE BLOW
2
78
0
SHAKUHACHI
2
79
0
WHISTLE
1
80
0
OCARINA
1
SYN. LEAD
81
0
1
8
SQUARE WAVE
SQUARE
SINE WAVE
2
1
1
0
1
8
64
65
SAW WAVE
SAW
DOCTOR SOLO
BIG LEAD
WASPY SYNTH
2
1
2
2
2
83
0
SYN.CALLIOPE
2
84
0
CHIFFER LEAD
2
85
0
64
65
66
CHARANG
DIST. LEAD 1
DIST. LEAD 2
FUNK LEAD
2
2
2
2
86
0
SOLO VOX
2
87
0
64
5TH SAW WAVE
BIG FIVES
2
2
82
121
SYN. SFX
1
0
1
64
65
66
67
1
GT.FRETNOISE
GT.CUT NOISE
WAH BRUSH GT
GT. SLIDE
GT. SCRATCH
BASS SLIDE
1
1
1
1
1
1
97
0
ICE RAIN
2
98
0
64
65
SOUNDTRACK
ANCESTRAL
PROLOGUE
2
2
2
99
0
1
CRYSTAL
SYN MALLET
2
1
SFX
100
0
ATMOSPHERE
2
122
101
0
BRIGHTNESS
2
0
1
BREATH NOISE
FL.KEY CLICK
1
1
102
0
GOBLIN
2
123
103
0
1
2
64
65
66
ECHO DROPS
ECHO BELL
ECHO PAN
ECHO PAN 2
BIG PANNER
RESO PANNER
1
2
2
2
2
2
0
1
2
3
5
SEASHORE
RAIN
THUNDER
WIND
BUBBLE
1
1
1
1
2
124
0
STAR THEME
2
0
1
3
BIRD
DOG
BIRD 2
2
1
1
125
0
1
3
5
TELEPHONE 1
TELEPHONE 2
DOOR
WIND CHIMES
1
1
1
2
126
0
2
9
64
HELICOPTER
CAR-STOP
BURST NOISE
SPACE TRI.
1
1
2
1
127
0
3
APPLAUSE
PUNCH
2
1
128
0
2
3
GUN SHOT
LASERGUN
EXPLOSION
1
1
2
104
ETHNIC MISC
105
0
1
SITAR
SITAR 2
106
0
BANJO
1
107
0
SHAMISEN
1
108
0
8
KOTO
TAISHO KOTO
1
2
109
0
KALIMBA
1
110
0
BAGPIPE
1
111
0
FIDDLE
1
1
2
PC:. . . . . . . . . . . . . MIDI-programmanummer (het “adres”)
VOICES: . . . . . . . . Aantal stemmen die u per noot nodig hebt.
De klankkeuze verloopt alleen zoals verwacht wanneer u voor controlecommando CC32 de waarde “0” doorseint. De TD-8 zelf
zendt trouwens deze waarde “0” voor de klanken die u op de module zelf kiest of laat kiezen door de sequencer.
161
Appendix
CC: . . . . . . . . . . . . Waarde die u voor controlecommando CC00 moet invullen (bankkeuze)
Preset-patronen
Preset-patronen
Nr.
Naam
Maat LengteTempo Type
DRUMS
1
DRUMS
4/4
8
124
LOOP
ROCK
62
63
64
65
66
67
MIXD_R-I 4/4
MIXD_R-A
MIXD_R-1
MIXD_R-B
MIXD_R-2
MIXD_R-E
4
4
4
4
4
4
103
LOOP
122
123
124
125
126
127
POPBLD-I 4/4
POPBLD-A
POPBLD-1
POPBLD-B
POPBLD-2
POPBLD-E
4
4
4
4
4
4
65
LOOP
68
69
70
71
72
73
GRAM_R-I 4/4
GRAM_R-A
GRAM_R-1
GRAM_R-B
GRAM_R-2
GRAM_R-E
4
4
4
4
4
4
109
LOOP
128
129
130
131
132
133
ROKBLD-I 4/4
ROKBLD-A
ROKBLD-1
ROKBLD-B
ROKBLD-2
ROKBLD-E
2
4
4
4
4
2
64
LOOP
74
75
76
77
78
79
A.O.R.-I 4/4
A.O.R.-A
A.O.R.-1
A.O.R.-B
A.O.R.-2
A.O.R.-E
4
4
4
4
4
5
113
LOOP
134
135
136
137
138
139
PF_BLD-I 4/4
PF_BLD-A
PF_BLD-1
PF_BLD-B
PF_BLD-2
PF_BLD-E
4
2
2
2
2
3
65
LOOP
80
81
82
83
84
85
8BT’R2-I 4/4
8BT’R2-A
8BT’R2-1
8BT’R2-B
8BT’R2-2
8BT’R2-E
8
4
4
4
4
6
140
LOOP
140
141
142
143
144
145
16’BLD-I 4/4
16’BLD-A
16’BLD-1
16’BLD-B
16’BLD-2
16’BLD-E
4
4
4
4
4
5
75
LOOP
86
87
88
89
90
91
FNKYHR-I 4/4
FNKYHR-A
FNKYHR-1
FNKYHR-B
FNKYHR-2
FNKYHR-E
1
4
4
4
4
3
100
LOOP
2
3
4
5
6
7
BRIT_R-I 4/4
BRIT_R-A
BRIT_R-1
BRIT_R-B
BRIT_R-2
BRIT_R-E
4
4
4
4
4
6
126
8
9
10
11
12
13
HARD_R-I
HARD_R-A
HARD_R-1
HARD_R-B
HARD_R-2
HARD_R-E
2
4
4
4
4
4
195
14
15
16
17
18
19
BOOGIE-I 4/4
BOOGIE-A
BOOGIE-1
BOOGIE-B
BOOGIE-2
BOOGIE-E
10
8
8
8
8
6
216
20
21
22
23
24
25
CYBER1-I 4/4
CYBER1-A
CYBER1-1
CYBER1-B
CYBER1-2
CYBER1-E
4
2
2
2
2
2
113
LOOP
26
27
28
29
30
31
CYBER2-I 4/4
CYBER2-A
CYBER2-1
CYBER2-B
CYBER2-2
CYBER2-E
4
4
4
4
4
1
129
LOOP
92
93
94
95
96
97
OLD_HM-I 4/4
OLD_HM-A
OLD_HM-1
OLD_HM-B
OLD_HM-2
OLD_HM-E
2
4
4
4
4
6
120
32
33
34
35
36
37
16BT’R-I 4/4
16BT’R-A
16BT’R-1
16BT’R-B
16BT’R-2
16BT’R-E
1
4
4
4
4
2
86
LOOP
98
99
100
101
102
103
SPEED1-I 4/4
SPEED1-A
SPEED1-1
SPEED1-B
SPEED1-2
SPEED1-E
2
4
4
4
4
5
38
39
40
41
42
43
PROG_R-I 4/4
PROG_R-A
PROG_R-1
PROG_R-B
PROG_R-2
PROG_R-E
4
4
4
4
4
3
120
LOOP
104
105
106
107
108
109
THRASH-I 4/4
THRASH-A
THRASH-1
THRASH-B
THRASH-2
THRASH-E
44
45
46
47
48
49
5/4RCK-I 5/4
5/4RCK-A
5/4RCK-1
5/4RCK-B
5/4RCK-2
5/4RCK-E
4
4
4
4
5
8
137
LOOP
110
111
112
113
114
115
SPEED2-I 4/4
SPEED2-A
SPEED2-1
SPEED2-B
SPEED2-2
SPEED2-E
50
51
52
53
54
55
8BT’R1-I 4/4
8BT’R1-A
8BT’R1-1
8BT’R1-B
8BT’R1-2
8BT’R1-E
4
4
4
4
4
4
117
LOOP
56
57
58
59
60
61
SLOW_R-I 4/4
SLOW_R-A
SLOW_R-1
SLOW_R-B
SLOW_R-2
SLOW_R-E
2
4
4
4
4
2
72
162
LOOP
LOOP
LOOP
R&B
146
147
148
149
150
151
OLDRB1-I 4/4
OLDRB1-A
OLDRB1-1
OLDRB1-B
OLDRB1-2
OLDRB1-E
4
4
4
4
4
7
154
LOOP
LOOP
152
153
154
155
156
157
OLDRB2-I 4/4
OLDRB2-A
OLDRB2-1
OLDRB2-B
OLDRB2-2
OLDRB2-E
4
4
4
4
4
8
148
LOOP
182
LOOP
158
159
160
161
162
163
OLDRB3-I 4/4
OLDRB3-A
OLDRB3-1
OLDRB3-B
OLDRB3-2
OLDRB3-E
4
4
4
4
4
5
150
LOOP
4
4
4
4
4
4
195
LOOP
164
165
166
167
168
169
OLDRB4-I 4/4
OLDRB4-A
OLDRB4-1
OLDRB4-B
OLDRB4-2
OLDRB4-E
2
4
4
4
4
4
82
LOOP
4
4
4
4
4
5
236
LOOP
170
171
172
173
174
175
RBSHFL-I 4/4
RBSHFL-A
RBSHFL-1
RBSHFL-B
RBSHFL-2
RBSHFL-E
4
4
4
4
4
3
112
LOOP
176
177
178
179
180
181
RBHOP1-I 4/4
RBHOP1-A
RBHOP1-1
RBHOP1-B
RBHOP1-2
RBHOP1-E
2
4
4
4
4
4
96
LOOP
182
183
184
185
186
187
RBHOP2-I 4/4
RBHOP2-A
RBHOP2-1
RBHOP2-B
RBHOP2-2
RBHOP2-E
1
4
4
4
4
1
93
LOOP
METAL
BALLAD
LOOP
116
117
118
119
120
121
6/8BLD-I 6/8
6/8BLD-A
6/8BLD-1
6/8BLD-B
6/8BLD-2
6/8BLD-E
4
4
5
4
5
5
50
LOOP
Preset-patronen
188
189
190
191
192
193
RBGRV1-I 4/4
RBGRV1-A
RBGRV1-1
RBGRV1-B
RBGRV1-2
RBGRV1-E
4
4
4
4
4
4
73
LOOP
248
249
250
251
252
253
70’POP-I 4/4
70’POP-A
70’POP-1
70’POP-B
70’POP-2
70’POP-E
4
4
4
8
8
4
215
LOOP
308
309
310
311
312
313
C’ROCK-I 4/4
C’ROCK-A
C’ROCK-1
C’ROCK-B
C’ROCK-2
C’ROCK-E
8
8
8
8
8
5
125
LOOP
194
195
196
197
198
199
RBGRV2-I 4/4
RBGRV2-A
RBGRV2-1
RBGRV2-B
RBGRV2-2
RBGRV2-E
4
4
4
4
5
8
80
LOOP
254
255
256
257
258
259
EL’POP-I 4/4
EL’POP-A
EL’POP-1
EL’POP-B
EL’POP-2
EL’POP-E
4
2
2
4
4
5
100
LOOP
314
315
316
317
318
319
TRAIN
TRAIN
TRAIN
TRAIN
TRAIN
TRAIN
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
4
140
LOOP
200
201
202
203
204
205
RBGRV3-I 4/4
RBGRV3-A
RBGRV3-1
RBGRV3-B
RBGRV3-2
RBGRV3-E
4
4
4
4
5
5
96
LOOP
260
261
262
263
264
265
POPFNK-I 4/4
POPFNK-A
POPFNK-1
POPFNK-B
POPFNK-2
POPFNK-E
4
4
4
4
4
5
96
LOOP
266
267
268
269
270
271
POPWLZ-I 3/4
POPWLZ-A
POPWLZ-1
POPWLZ-B
POPWLZ-2
POPWLZ-E
4
4
4
4
4
6
120
LOOP
320
321
322
323
324
325
SWING
SWING
SWING
SWING
SWING
SWING
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
9
8
2
8
2
8
192
LOOP
326
327
328
329
330
331
JZBLD
JZBLD
JZBLD
JZBLD
JZBLD
JZBLD
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
5
69
LOOP
206
207
208
209
210
211
BLUES1-I 4/4
BLUES1-A
BLUES1-1
BLUES1-B
BLUES1-2
BLUES1-E
4
4
4
4
4
6
67
212
213
214
215
216
217
BLUES2-I 4/4
BLUES2-A
BLUES2-1
BLUES2-B
BLUES2-2
BLUES2-E
3
4
4
4
4
2
113
LOOP
272
273
274
275
276
277
ROKBLY-I 4/4
ROKBLY-A
ROKBLY-1
ROKBLY-B
ROKBLY-2
ROKBLY-E
2
4
2
4
2
3
96
LOOP
332
333
334
335
336
337
FST’JZ-I 4/4
FST’JZ-A
FST’JZ-1
FST’JZ-B
FST’JZ-2
FST’JZ-E
4
8
8
8
8
8
250
LOOP
218
219
220
221
222
223
BLUES3-I 4/4
BLUES3-A
BLUES3-1
BLUES3-B
BLUES3-2
BLUES3-E
4
4
4
4
4
5
55
LOOP
278
279
280
281
282
283
ROCKIN-I 4/4
ROCKIN-A
ROCKIN-1
ROCKIN-B
ROCKIN-2
ROCKIN-E
4
4
4
8
8
4
170
LOOP
338
339
340
341
342
343
MOD’JZ-I 4/4
MOD’JZ-A
MOD’JZ-1
MOD’JZ-B
MOD’JZ-2
MOD’JZ-E
8
8
2
8
2
9
136
LOOP
284
285
286
287
288
289
SURF_R-I 4/4
SURF_R-A
SURF_R-1
SURF_R-B
SURF_R-2
SURF_R-E
4
4
4
4
4
4
150
LOOP
344
345
346
347
348
349
LTN’JZ-I 4/4
LTN’JZ-A
LTN’JZ-1
LTN’JZ-B
LTN’JZ-2
LTN’JZ-E
9
8
2
8
2
7
167
LOOP
350
351
352
353
354
355
6/8
6/8
6/8
6/8
6/8
6/8
8
4
6
4
6
6
93
LOOP
356
357
358
359
360
361
SMTHJZ-I 4/4
SMTHJZ-A
SMTHJZ-1
SMTHJZ-B
SMTHJZ-2
SMTHJZ-E
9
8
2
8
2
10
183
LOOP
362
363
364
365
366
367
BGBND1-I 4/4
BGBND1-A
BGBND1-1
BGBND1-B
BGBND1-2
BGBND1-E
4
8
8
8
6
5
196
LOOP
368
369
370
371
372
373
BGBND2-I 4/4
BGBND2-A
BGBND2-1
BGBND2-B
BGBND2-2
BGBND2-E
8
4
4
4
4
8
130
LOOP
LOOP
R&R
POPS
224
225
226
227
228
229
BGMPOP-I 4/4
BGMPOP-A
BGMPOP-1
BGMPOP-B
BGMPOP-2
BGMPOP-E
4
4
4
4
4
6
88
230
231
232
233
234
235
DNCPOP-I 4/4
DNCPOP-A
DNCPOP-1
DNCPOP-B
DNCPOP-2
DNCPOP-E
4
4
4
4
4
5
120
236
237
238
239
240
241
POPROK-I 4/4
POPROK-A
POPROK-1
POPROK-B
POPROK-2
POPROK-E
2
4
4
4
4
4
123
242
243
244
245
246
247
AC’POP-I 4/4
AC’POP-A
AC’POP-1
AC’POP-B
AC’POP-2
AC’POP-E
2
4
4
4
4
2
89
LOOP
COUNTRY
LOOP
LOOP
LOOP
290
291
292
293
294
295
BLGRS
BLGRS
BLGRS
BLGRS
BLGRS
BLGRS
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
2
4
2
4
3
7
142
296
297
298
299
300
301
C’BLD1-I 4/4
C’BLD1-A
C’BLD1-1
C’BLD1-B
C’BLD1-2
C’BLD1-E
9
4
6
4
4
9
102
302
303
304
305
306
307
C’BLD2-I 4/4
C’BLD2-A
C’BLD2-1
C’BLD2-B
C’BLD2-2
C’BLD2-E
9
4
6
4
6
7
105
LOOP
LOOP
LOOP
JZ-I 6/8
JZ-A
JZ-1
JZ-B
JZ-2
JZ-E
163
Appendix
BLUES
JAZZ
Preset-patronen
Nr.
Naam
Maat LengteTempo Type
FUSION
434
435
436
437
438
439
FUNK_F-I 4/4
FUNK_F-A
FUNK_F-1
FUNK_F-B
FUNK_F-2
FUNK_F-E
4
4
4
4
4
4
112
LOOP
500
501
502
503
504
505
FNKTOP-I 4/4
FNKTOP-A
FNKTOP-1
FNKTOP-B
FNKTOP-2
FNKTOP-E
4
4
4
4
4
5
109
LOOP
374
375
376
377
378
379
ACID_F-I 4/4
ACID_F-A
ACID_F-1
ACID_F-B
ACID_F-2
ACID_F-E
1
4
4
4
4
4
96
LOOP
440
441
442
443
444
445
BGM
BGM
BGM
BGM
BGM
BGM
FS-I 4/4
FS-A
FS-1
FS-B
FS-2
FS-E
4
4
4
4
4
4
82
LOOP
506
507
508
509
510
511
N.J.S.-I 4/4
N.J.S.-A
N.J.S.-1
N.J.S.-B
N.J.S.-2
N.J.S.-E
4
4
4
4
4
4
107
LOOP
380
381
382
383
384
385
SLOW_F-I 4/4
SLOW_F-A
SLOW_F-1
SLOW_F-B
SLOW_F-2
SLOW_F-E
2
4
4
4
4
4
85
LOOP
446
447
448
449
450
451
CTMP’F-I 4/4
CTMP’F-A
CTMP’F-1
CTMP’F-B
CTMP’F-2
CTMP’F-E
4
4
4
4
4
5
100
LOOP
512
513
514
515
516
517
JZFUNK-I 4/4
JZFUNK-A
JZFUNK-1
JZFUNK-B
JZFUNK-2
JZFUNK-E
4
4
4
4
4
4
125
LOOP
386
387
388
389
390
391
M’SHFL-I 4/4
M’SHFL-A
M’SHFL-1
M’SHFL-B
M’SHFL-2
M’SHFL-E
4
4
4
4
4
7
86
LOOP
518
519
520
521
522
523
UKACID-I 4/4
UKACID-A
UKACID-1
UKACID-B
UKACID-2
UKACID-E
4
4
4
4
4
4
86
LOOP
392
393
394
395
396
397
U’SHFL-I 4/4
U’SHFL-A
U’SHFL-1
U’SHFL-B
U’SHFL-2
U’SHFL-E
8
8
2
8
2
9
130
524
525
526
527
528
529
HOUSE
HOUSE
HOUSE
HOUSE
HOUSE
HOUSE
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
4
113
LOOP
398
399
400
401
402
403
ELEC_F-I 4/4
ELEC_F-A
ELEC_F-1
ELEC_F-B
ELEC_F-2
ELEC_F-E
1
7
7
4
4
4
131
530
531
532
533
534
535
GNGRAP-I 4/4
GNGRAP-A
GNGRAP-1
GNGRAP-B
GNGRAP-2
GNGRAP-E
4
4
4
4
4
4
89
LOOP
404
405
406
407
408
409
HARD1
HARD1
HARD1
HARD1
HARD1
HARD1
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
5
123
536
537
538
539
540
541
HPHPJZ-I 4/4
HPHPJZ-A
HPHPJZ-1
HPHPJZ-B
HPHPJZ-2
HPHPJZ-E
4
4
4
4
4
4
96
LOOP
410
411
412
413
414
415
HARD2
HARD2
HARD2
HARD2
HARD2
HARD2
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
3
122
542
543
544
545
546
547
TEKPOP-I 4/4
TEKPOP-A
TEKPOP-1
TEKPOP-B
TEKPOP-2
TEKPOP-E
2
4
4
4
4
5
118
LOOP
416
417
418
419
420
421
LTN’FS-I 4/4
LTN’FS-A
LTN’FS-1
LTN’FS-B
LTN’FS-2
LTN’FS-E
4
4
4
4
4
5
120
548
549
550
551
552
553
DRUM’N-I 4/4
DRUM’N-A
DRUM’N-1
DRUM’N-B
DRUM’N-2
DRUM’N-E
2
4
4
4
4
1
82
LOOP
422
423
424
425
426
427
3/4
3/4
3/4
3/4
3/4
3/4
FS-I 3/4
FS-A
FS-1
FS-B
FS-2
FS-E
4
4
4
4
4
6
123
428
429
430
431
432
433
LITE_F-I 4/4
LITE_F-A
LITE_F-1
LITE_F-B
LITE_F-2
LITE_F-E
4
4
4
4
4
4
89
164
DANCE
FUNK1
FUNK1
FUNK1
FUNK1
FUNK1
FUNK1
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
5
128
LOOP
452
453
454
455
456
457
FUNK2
FUNK2
FUNK2
FUNK2
FUNK2
FUNK2
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
4
105
LOOP
458
459
460
461
462
463
FUNK3
FUNK3
FUNK3
FUNK3
FUNK3
FUNK3
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
3
113
LOOP
464
465
466
467
468
469
FUNK4
FUNK4
FUNK4
FUNK4
FUNK4
FUNK4
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
5
4
5
4
132
LOOP
470
471
472
473
474
475
FUNK5
FUNK5
FUNK5
FUNK5
FUNK5
FUNK5
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
5
102
LOOP
476
477
478
479
480
481
808HP1-I 4/4
808HP1-A
808HP1-1
808HP1-B
808HP1-2
808HP1-E
2
4
4
4
4
2
102
LOOP
482
483
484
485
486
487
488
489
490
491
492
493
808HP2-I 4/4
808HP2-A
808HP2-1
808HP2-B
808HP2-2
808HP2-E
4
4
4
4
4
7
91
LOOP
554
555
556
557
558
559
REGG1
REGG1
REGG1
REGG1
REGG1
REGG1
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
2
4
4
4
4
4
96
LOOP
494
495
496
497
498
499
CARRIB-I 4/4
CARRIB-A
CARRIB-1
CARRIB-B
CARRIB-2
CARRIB-E
2
4
4
4
4
1
104
LOOP
560
561
562
563
564
565
REGG2
REGG2
REGG2
REGG2
REGG2
REGG2
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
6
4
4
4
4
7
142
LOOP
LOOP
LOOP
LOOP
LOOP
LOOP
LOOP
LOOP
REGGAE
Preset-patronen
REGG3
REGG3
REGG3
REGG3
REGG3
REGG3
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
1
4
4
4
4
3
132
572
573
574
575
576
577
REGG4
REGG4
REGG4
REGG4
REGG4
REGG4
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
4
125
578
579
580
581
582
583
SKA
SKA
SKA
SKA
SKA
SKA
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
6
4
4
4
4
5
192
LOOP
LOOP
LOOP
LATIN
614
615
616
617
618
619
SONGO
SONGO
SONGO
SONGO
SONGO
SONGO
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
4
109
620
621
622
623
624
625
TJANO1-I 4/4
TJANO1-A
TJANO1-1
TJANO1-B
TJANO1-2
TJANO1-E
4
4
4
4
4
4
89
626
627
628
629
630
631
TJANO2-I 3/4
TJANO2-A
TJANO2-1
TJANO2-B
TJANO2-2
TJANO2-E
4
8
8
8
8
8
145
LOOP
662 LATN PTN 4/4
663 CLAVES
4/4
664 TABLA
4/4
LOOP
LOOP
BRAZIL
2
1
2
120
120
128
LOOP
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
1
1
1
1
1
2
1
2
1
7
120
130
130
130
130
120
117
123
120
120
1SHOT
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
4/4
1
4
5
2
2
1
16
6
4
1
2
3
3
8
2
3
3
1
1
8
6
1
1
2
1
5
120
160
160
120
120
120
120
60
100
130
130
130
120
128
120
120
120
120
120
80
86
120
120
120
120
120
TAP
1SHOT
665
666
667
668
669
670
671
672
673
674
DRUMFILL
DBL BASS
ROLL T1
ROLL T2
ROLL T3
LATNFILL
ROLLBNGO
SPANISH
BRS FALL
ENCORE
TAP
584
585
586
587
588
589
MAMBO
MAMBO
MAMBO
MAMBO
MAMBO
MAMBO
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
9
8
2
8
2
7
182
LOOP
632
633
634
635
636
637
BOSSA
BOSSA
BOSSA
BOSSA
BOSSA
BOSSA
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
4
4
4
4
4
7
85
LOOP
590
591
592
593
594
595
MERENG-I 4/4
MERENG-A
MERENG-1
MERENG-B
MERENG-2
MERENG-E
9
4
6
4
6
7
207
LOOP
638
639
640
641
642
643
SAMBA1-I 4/4
SAMBA1-A
SAMBA1-1
SAMBA1-B
SAMBA1-2
SAMBA1-E
2
4
4
4
4
2
152
LOOP
596
597
598
599
600
601
SALSA1-I 4/4
SALSA1-A
SALSA1-1
SALSA1-B
SALSA1-2
SALSA1-E
2
4
4
4
5
2
115
LOOP
644
645
646
647
648
649
SAMBA2-I 4/4
SAMBA2-A
SAMBA2-1
SAMBA2-B
SAMBA2-2
SAMBA2-E
4
4
4
4
4
4
136
LOOP
602
603
604
605
606
607
SALSA2-I 4/4
SALSA2-A
SALSA2-1
SALSA2-B
SALSA2-2
SALSA2-E
4
4
4
4
4
5
102
LOOP
608
609
610
611
612
613
SALSA3-I 4/4
SALSA3-A
SALSA3-1
SALSA3-B
SALSA3-2
SALSA3-E
6
8
8
8
8
9
165
WORLD
LOOP
LOOP
650
651
652
653
654
655
TANGO
TANGO
TANGO
TANGO
TANGO
TANGO
-I 4/4
-A
-1
-B
-2
-E
2
2
2
2
2
2
120
LOOP
656
657
658
659
660
661
AFROJZ-I 4/4
AFROJZ-A
AFROJZ-1
AFROJZ-B
AFROJZ-2
AFROJZ-E
8
4
6
4
6
9
194
LOOP
675
676
677
678
679
680
681
682
683
684
685
686
687
688
689
690
691
692
693
694
695
696
697
698
699
700
SAMBA
ACO BASS
BRS SECT
GRV BASS
GRV PAD
GRV CHRD
ADLBSOLO
JAZZEND1
JAZZEND2
FUNK BRK
FUNKEND1
FUNKEND2
SANTUR
STRINGS
RESOBASS
SYNCHRD1
SYNCHRD2
GTRCHRD1
GTRCHRD2
PAD&BASS
ACO GTR
WAH GTR
CUT GTR
VOICES
ANLGPERC
SFX TAP
CATEG: categorie
Nr.: nummer van het patroon
Type: soort patroon (blz. 87)
-I: INTRO
-a: MAIN A
-B: MAIN b
-1: FILL 1
-2: FILL 2
-E: ENDING
Appendix
566
567
568
569
570
571
165
Parameteroverzicht
Parameteroverzicht
Kit-parameters
KIT
Parameter
KIT (blz. 41, 68)
NAME (blz. 69)
BRUSH (blz. 69)
PEDAL HI-HAT VOLUME (blz. 70)
PEDAL PITCH CTRL RANGE
(blz. 122)
CHAIN (blz. 120)
*1:
*2:
Drum Kit
Naam van de Drum Kit
Brush-functie
Volume van de HiHat-pedaalklank
Buigingsbereik van de toonhoogtesturing via het
HiHat-pedaal.
Drum Kit-keten (volgorde)
Zie “Preset Drum Kits” op blz. 153.
A–Z, a–z, 0–9,!, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
, =,
, ?, _,
,
Waarde
1–64 (*1)
8 tekens (*2)
OFF, ON
0–15
-24–+24
1–16
,
,
,
,
MIXER
Parameter
LEVEL (blz. 56, blz. 80)
PAN (blz. 80)
MASTR (blz. 81)
Volume
Stereopositie
Algemeen volume
Waarde
0–127
L15–CTR–R15, RND, ALT
0–127
Ruimte voor de galmsimulatie
Oppervlak van de muren (materiaal)
Groote van de kamer
Ambience-volume
Ambience-aandeel (hoeveelheid effect)
Waarde
*1
WOOD, PLASTER, GLASS
SMALL, MIDIUM, LARGE
0–127
0–127
STUDIO
Parameter
TYPE (blz. 54, 77)
WALL (blz. 77)
ROOM (blz. 77)
LEVEL (blz. 77)
AMBIENCE SEND LEVEL (blz. 78)
*1:
BEACH, LIVING, BATH, STUDIO, GARAGE, LOCKER, THEATER, CAVE, GYM, STADIUM
FX SW
Parameter
AMB (blz. 45, 70)
EQ (blz. 45, 70)
Ambience
Equalizer
Waarde
OFF, ON
OFF, ON
AMBIENCE GROUP SEND LEVEL
Parameter
KIT (blz. 78)
PERC (blz. 78)
B INST (blz. 78)
Drum Kit
Percussion Part
Melodische instrumenten
Waarde
0–127
0–127
0–127
MASTER EQ (MASTER EQUALIZER)
Parameter
LOW FREQ (blz. 79)
LOW GAIN (blz. 79)
HIGH FREQ (blz. 79)
HIGH GAIN
166
Basfrequentie
Basvolume
Hoge frequentie
Volume hoge tonen
Waarde
200, 400
-12–+12
3K, 6K
-12–+12
,
,
Parameteroverzicht
COPY
KIT
Parameter
COPY (blz. 126)
SRC KIT (blz. 126)
DST KIT (blz. 126)
*1:
Functie
Te kopiëren Drum Kit
Geheugen van bestemming
Waarde
EXCHANGE, COPY
PRESET 1–64 (*1), USER 1–64
USER 1–64
Zie “Preset Drum Kits” op blz. 153.
INST (INSTRUMENT)
Parameter
TRIGGER INPUT (blz. 126)
SRC KIT (blz. 126)
DST KIT (blz. 126)
*1:
Waarde
Trigger Input-aansluiting
Te kopiëren Drum Kit
Geheugen van bestemming
PPRESET 1–64 (*1), USER 1–64
USER 1–64
Zie “Preset Drum Kits” op blz. 153.
MIXER
Parameter
SRC KIT (blz. 127)
DST KIT (blz. 127)
*1:
Te kopiëren Drum Kit
Geheugen van bestemming
Waarde
PRESET 1–64 (*1), USER 1–64
USER 1–64
Zie “Preset Drum Kits” op blz. 153.
EFFECT
Parameter
SRC KIT (blz. 127)
DST KIT (blz. 127)
*1:
Te kopiëren Drum Kit
Geheugen van bestemming
Waarde
PRESET 1–64 (*1), USER 1–64
USER 1–64
Zie “Preset Drum Kits” op blz. 153.
INST (INSTRUMENT)
Parameter
GROUP (blz. 49, blz. 72)
INST (blz. 49, blz. 72)
*1:
Instrumentgroep
Instrument
Waarde
*1
*1
Zie “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154.
EDIT
V-KICK
Parameter
DEPTH (blz. 74)
HEAD TYPE (blz. 74)
TUNING (blz. 74)
MUFFLING (blz. 75)
*1:
Keteldiepte
Velmateriaal
Stemmen van het vel
Demping
Waarde
NORMAL, DEEP
CLEAR, COATED, PINSTRIPE (PinStripe®) *1
-480–+480
OFF, TAPE1, TAPE2, BLANKET, WEIGHT
PinStripe® is een geregistreerd handelsmerk van Remo Inc., U.S.A.
Parameter
DEPTH (blz. 50, 74)
HEAD TYPE (blz. 51, 74)
TUNING (blz. 51, 74)
MUFFLING (blz. 53, 75)
STRAINER ADJ. (blz. 53, 75)
*1:
Keteldeipte
Velmateriaal
Stemmen van het vel
Demping
Spanning van de snarenmat
Waarde
NORMAL, DEEP1, DEEP2, DEEP3, DEEP4
CLEAR, COATED, PINSTRIPE (PinStripe®) *1
-480–+480
OFF, TAPE1, TAPE2, DOUGHNUTS1, DOUGHNUTS2
OFF, LOOSE, MEDIUM, TIGHT
PinStripe® is een geregistreerd handelsmerk van Remo Inc., U.S.A.
167
Appendix
V-SNARE
Parameteroverzicht
V-TOM
Parameter
DEPTH (blz. 74)
HEAD TYPE (blz. 74)
TUNING (blz. 74)
MUFFLING (blz. 75)
*1:
Waarde
NORMAL, DEEP
CLEAR, COATED, PINSTRIPE (PinStripe®) *1
-480–+480
OFF, TAPE1, TAPE2, DOUGHNUTS1, DOUGHNUTS2
Keteldiepte
Velmateriaal
Stemming van het vel
Demping
PinStripe® is een geregistreerd handelsmerk van Remo Inc., U.S.A.
OTHERS
Parameter
PITCH (blz. 75)
DECAY (blz. 75)
Toonhoogte
Duur van het geluid
Waarde
-480–+480
-31–+31
Toonhoogtesturing aan/uit
Waarde
OFF, ON
Nootnummer
Nootduur
Waarde
0 (C -1)–127 (G 9)
0.1–8.0
+
+
Waarde
OFF, ON
*1, USER
PRESET 1–700 (*1), USER 701–800
+
+
+
Value
*1, USER
PRESET 1–700 (*1), USER 701–800
1–13 / 2, 4, 8, 16
1–99
20–260
LOOP, 1SHOT, TAP
OFF, ON
OFF, 0.1–8.0
+
+
+
+
+
+
+
+
OFF, ON
+
-24–+24
8 characters (*2)
OFF, ON
+
+
+
TRIGGER INPUT
Parameter
PITCH CTRL ASSIGN (blz. 122)
MIDI
Parameter
NOTE NUMBER (blz. 131)
GATE TIME (blz. 132)
+:
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PTN (PAD PTN SETTING)
Parameter
PAD PTN VELO (blz. 122)
CATEGORY (blz. 121)
PATTERN (blz. 121)
*1:
+:
Sturing van het patroonvolume via de aanslag
Patrooncategorie
Patroon
Zie “Preset-patronen” op blz. 162.
Niet beschikbaar in de GM-mode.
Pattern-parameters
Parameter
CATEGORY (blz. 59, 85)
PATTERN (blz. 59, 85)
TIME SIGNATURE (blz. 95)
LENGTH (blz. 95)
TEMPO (blz. 95)
PLAY TYPE (blz. 87)
QUICK PLAY (blz. 88)
RESET TIME (blz. 88)
TAP EXC SW (blz. 88)
TRANSPOSE BIAS (blz. 88)
NAME (blz. 103)
PATTERN LOCK (blz. 104)
*1:
*2:
+:
Categorie
Geheugen
Maatsoort
Aantal maten
Tempo (voorgeprogrammeerd)
Weergavemethode
Quick Play
Automatische terugkeer naar het begin
Wat te doen met lange noten tijdens het “tappen”
van de patroonweergave?
Transpositie
Naam van het patroon
Beveiligen van het patroon
Zie “Preset-patronen” op blz. 162.
A–Z, 0–9, !, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
Niet beschikbaar in de GM-mode.
168
, =,
, ?, _,
Parameteroverzicht
EDIT
COPY
Parameter
SOURCE (blz. 99)
DEST (blz. 99)
SOURCE PART (blz. 99)
Te kopiëren patroon
Geheugen van bestemming
Te kopiëren Part
SOURCE MEAS (blz. 99)
Lengte van het te kopiëren fragment
DEST PART (blz. 99)
Part van bestemming
Maat waar de eerste gekopieerde maat
terechtkomt
DEST MEAS (blz. 99)
*1:
*2:
+:
Waarde
PRESET 1–700 (*1), USER 701–800
USER 701–800
*2
ALL
Eerste maat: 1–99
Laatste maat: 1–99
*2
+
+
+
+
+
+
+
1–98, END
+
Waarde
USER 701–800
Eerste maat: 1–98, END
Aantal maten: 1–99
+
+
+
Value
USER 701–800
ALL
Eerste maat: 1–99
Laatste maat: 1–99
+
+
+
+
Zie “Preset-patronen” op blz. 162.
ALL, KIT, PARC, PART1, PART2, PART3, PART4
Niet beschikbaar in de GM-mode.
INSERT
Parameter
PATTERN (blz. 100)
Patroon
MEASURE (blz. 100)
Eerste maat van het in te voegen fragment
+:
Niet beschikbaar in de GM-mode.
DELETE
Parameter
PATTERN (blz. 101)
Patroon
MEASURE (blz. 101)
Maat
+:
Niet beschikbaar in de GM-mode.
ERASE
Parameter
PATTERN (blz. 102)
PART (blz. 102)
Patroon
Part
MEASURE (blz. 102)
te wissen maat/maten
+
+
+
+
+
ALL, KIT, PARC, PART1, PART2, PART3, PART4
Niet beschikbaar in de GM-mode.
Appendix
*1:
+:
Waarde
USER 701–800
*1
ALL
Eerste maat: 1–99
Laatste maat: 1–99
: 1–99
169
Parameteroverzicht
PART
Parameter
PART MUTE (blz. 63, 93, 109)
+:
Uitschakelen van een Part
Waarde
KIT, PARTS 1–4: OFF, ON
PERC: OFF, DRM=OFF/PC=ON, ON
+
+
Waarde
1–10 (*1), 11, 12
0–127
0–127
SOURCE:1–10 (*1), USER 1–2, DEST: USER 1–2
+
+
+
+
Waarde
*1
0–127
0–127
L15–CTR–R15, RND, ALT
-480–+480
-31–+31
+
+
+
+
+
+
Waarde
*1
*2
*2
0–127
0–127
L15–CTR–R15
0–-24
+
+
+
+
+
+
+
Waarde
*1
LOOP ALL, LOOP 1, LOOP 2, REPLACE
OFF, ON
OFF, ON
+
+
+
+
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PERC (PERCUSSION PART)
Parameter
PERC SET (blz. 90)
LEVEL (blz. 90)
AMB LEVEL (blz. 90)
COPY (blz. 90)
Percussion Set
Volume
Algemeen Ambience-effectaandeel voor de Part
Kopiëren
*1: Zie “Preset Percussion Sets” op blz. 158.
+:
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PERC INST (INSTRUMENT)
Parameter
INST (blz. 91)
LEVEL (blz. 91)
AMB (blz. 91)
PAN (blz. 91)
PITCH (blz. 91)
Decay (blz. 91)
*1:
+:
Percussie-instrument
Volume
Ambience-effectaandeel
Stereopositie
Toonhoogte
Duur
Zie “Overzicht van de drumklanken” op blz. 154.
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PART1–4
Parameter
PART (blz. 89)
INST (blz. 89)
LEVEL (blz. 90)
AMB LEVEL (blz. 90)
PAN (blz. 90)
BEND RANGE (blz. 90)
*1:
*2:
+:
Part
Instrumentnummer
Naam van het instrument
Volume
Ambience-effectaandeel
Stereopositie
Pitch bend-interval
PART1, PART2, PART3, PART4
Zie “Overzicht van de melodische klanken” op blz. 160.
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PATTERN-opname
Parameter
QUANTIZE (blz. 97)
REC MODE (blz. 96)
HIT PAD START (blz. 98)
REC REHEASAL (blz. 96)
*1:
+:
Corrigeren van de timing
Opnamemethode
Opname starten door op een Pad te slaan
Oefene vóór de definitieve opname
(1/8 noot),
(1/8 triool),
(1/32 triool),
(1/64), OFF
Niet beschikbaar in de GM-mode.
(1/16 noot),
(1/16 triool),
(1/32 noot),
Wissen tijdens de opname
Parameter
PART (blz. 96)
STATUS (blz. 96)
*1:
+:
Part
Status
KIT, PERC, PART1, PART2, PART3, PART4
Niet beschikbaar in de GM-mode.
170
Waarde
*1
ALL, NOTE, BEND, CC
+
+
Parameteroverzicht
Song-parameters
Parameter
SONG (blz. 105)
NAME (blz. 110)
TEMPO (blz. 108)
PLAY TYPE (blz. 109)
*1:
+:
Song
Song-naam
Song-tempo
Weergavemanier
A–Z, 0–9, !, ”, #, $, %, &, ’, (, ), [, ], *, +, ,, -, ., /, :, ;,
Niet beschikbaar in de GM-mode.
, =,
Waarde
1–50
8 tekens (*1)
20–260
LOOP, 1SHOT
+
+
+
+
Waarde
1–50
1–50
1–98, END
+
+
+
Waarde
1–50
+
Value
PRESET 1–700 (*1), USER 701–800
-24–+24
+
+
, ?, _,
SONG EDIT
COPY
Parameter
SOURCE (blz. 109)
DEST (blz. 109)
START (blz. 109)
+:
Te kopiëren Song
Song-geheugen van bestemming
Eerst maat waar de kopie terechtkomt
Niet beschikbaar in de GM-mode.
INITIALIZE
Parameter
SONG (blz. 109)
+:
Song
Niet beschikbaar in de GM-mode.
SONG-opname
Parameter
PTN (blz. 106)
TRANS (blz. 107)
*1:
+:
Patroon
Transpositie
Zie “Preset-patronen” op blz. 162.
Niet beschikbaar in de GM-mode.
Setup-parameters
TRIG (TRIGGER)
Parameter
BANK (blz. 32, blz. 111)
TRIGGER TYPE (blz. 32, blz. 111)
*1:
Banknummer
Trigger-type
Waarde
1–4
*1
PD5, PD7, PD9, 8 A, 8 B, 8RA, 8RB, 10A, 10B, 12A, 12B, P 1, P 2, KD7, K 8, K12, K 1, K 2, KIK, SNR, TOM, FLR
BASIC (BASIC TRIGGER-PARAMETERS)
*1:
Gevoeligheid
Drempel voor het herkennen van een signaal
Curve
Gevoeligheid van de rand
Aangeven van de velspanning
Waarde
1–16
0–15
*1
OFF, 1–15
LOOSE, NORMAL, TIGHT
Appendix
Parameter
SENSITIVITY (blz. 43, 112)
THRESHOLD (blz. 112)
CURVE (blz. 112)
RIM SENS (blz. 113)
HEAD TENSION (blz. 113)
LINEAR, EXP1, EXP2, LOG1, LOG2, SPLINE, LOUD1, LOUD2
171
Parameteroverzicht
ADVNCD (ADVANCED TRIGGER PARAMETERS)
Parameter
SCAN TIME (blz. 114)
RETRIGCANCL (blz. 114)
MASK TIME (blz. 114)
CROSSTALK (blz. 115)
CROSS STICK (blz. 115)
*1:
Scan Time
Retrigger Cancel
Mask Time
Crosstalk Cancel
Cross Stick-gevoeligheid
Waarde
0–4.0 (0.1 ms steps)
1–16
0–64 (1 ms steps)
*1
1–16
OFF, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75, 80
MIDI
Parameter
TX/RX CHANNEL (blz. 133)
NOTE CHASE (blz. 118)
LOCAL CONTROL (blz. 134)
SYNC MODE (blz. 141)
CH10 PRIORITY (blz. 133)
PEDAL DATA THIN (blz. 135)
PEDAL CC (blz. 140)
ZONE CC (blz. 140)
GM MODE (blz. 138)
RX GM ON (blz. 138)
SOFT THRU (blz. 133)
DEVICE ID (blz. 130)
KIT PROG (blz. 136)
TX (blz. 135)
RX (blz. 135)
PERC PROG (blz. 137)
BULK (blz. 129)
*1:
*2:
*3:
+:
MIDI-zend-/ontvangskanaal
Volgfunctie van het display
Verbinding Pads/interne klankbron
MIDI-synchronisatie
Voorrangsregeling voor kanaal 10
Uitdunnen van pedaaldata
Controlecommando voor het HiHat-pedaal
Controlecommando voor Positional Sensing
GM-mode
Al dan niet ontvangen van “RX GM On”
MIDI OUT= MIDI THRU ja of nee
Device ID
MIDI-programmanummer voor een Drum Kit
Zenden van programmakeuze-commando’s
Ontvangst van programmakeuze-commando’s
MIDI-programmanummer voor een Perc. Set
Bulk Dump (archiveren van de instellingen)
Waarde
CH1–CH16, OFF
OFF, ON
OFF, ON
INT, EXT, REMOTE
KIT, PERC
OFF, 1, 2
*1
*2
OFF, ON
OFF, ON
OFF, ON
1–32
1–128
OFF, ON
OFF, ON
1–128
*3
OFF, MOD ( 1), FOOT ( 4), GEN1 (16), GEN2 (17)
OFF, MOD ( 1), GEN1 (16), GEN2 (17)
ALL, SETUP, DRUM KIT (ALL, 1–64), USER PERCUSSION SET (ALL, USER 1–2), USR PTNS&SONGS
Niet beschikbaar in de GM-mode.
PREVIEW
Parameter
VELOCITY 1 (blz. 128)
VELOCITY 2 (blz. 128)
VELOCITY 3 (blz. 128)
Aanslagwaarde 1
Aanslagwaarde 2
Aanslagwaarde 3
Waarde
0–127
0–127
0–127
Uitgangstoewijzing
Voetschakelaarfunctie
Schakelfunctie van een Pad
LCD-contrast
Algemene stemming
Laden van de fabrieksinstellingen
Waarde
*1
*2
*3
1–16
415.3–466.2
*4
OTHERS
Parameter
OUTPUT ASSIGN (blz. 119)
FOOT (blz. 124)
PAD (blz. 123)
LCD CONTRAST (blz. 117)
MASTER TUNE (blz. 117)
FACTORY RESET (blz. 148)
*1:
*2:
*3:
*4:
MAS, M_L, M_R, DIR, D_L, D_R, M&D
KIT SELECT, SEQ SELECT, PLAY SELECT, ASSIGNABLE (KIT#DEC, KIT#INC, SEQ# DEC, SEQ# INC, SEQ TOP, PLAY/STOP,
SEQ BWD, SEQ FWD)
OFF, KIT SELECT, SEQ SELECT, ASSIGNABLE (OFF, KIT# DEC, KIT# INC, SEQ# DEC, SEQ# INC)
ALL, THIS DRUM KIT, ALL DRUM KITS, ALL PERC SETS, ALL PATTERNS, ALL SONGS
172
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Parameteroverzicht
Click-parameters (metronoom)
Parameter
TIME SIGNATURE (blz. 82)
INTERVAL (blz. 83)
INST (blz. 83)
PAN (blz. 83)
OUTPUT (blz. 83)
*1:
+:
Maatsoort
Metronoomresolutie
Metronoomklank
Stereopositie
Uitgangskeuze
Waarde
1–13 / 2, 4, 8, 16
1/2, 3/8, 1/4, 1/8, 1/12, 1/16
*1
L15–CTR–R15
BOTH, PHONES
+
+
+
+
+
VOICE, CLICK, BEEP, METRONOME, CLAVES, WOOD BLOCK, STICKS, CROSS STICK, TRIANGLE, COWBELL, CONGA,
TALKING DRUM, MARACAS, CABASA, CUICA, AGOGO, TAMBOURINE, SNAPS, 909 SNARE, 808 COWBELL
Niet beschikbaar in de GM-mode.
COUNT IN
Parameter
PLAY (blz. 98)
REC (blz. 98)
+:
Aftel vóór de weergave
Aftel vóór de opname
Waarde
OFF, 1 MEAS, 2 MEAS
OFF, 1 MEAS, 2 MEAS
+
+
Waarde
20–260
+
Niet beschikbaar in de GM-mode.
Tempoparameter
Parameter
TEMPO (blz. 82, blz. 87, blz. 108)
+:
Tempo
Niet beschikbaar in de GM-mode.
GM-mode
Parameter
PART RX SW (blz. 139)
MIDI-ontvangst van de gekozen Part
Waarde
OFF, ON
OPGELET
Appendix
De parameters met een “+” op blz. 166~173 zijn niet beschikbaar in de GM-mode.
173
MIDI-implementatie
MIDI-implementatie
Date: July. 28, 1999
PERCUSSION SOUND MODULE (GM MODE)
MIDI Implementation Chart
Model TD-8
Transmitted
Function...
Basic
Channel
Default
Changed
X
X
1–16, OFF
1–16, OFF
Mode
Default
Messages
Altered
X
X
MODE 3
X
**************
Note
Number : True Voice
X
**************
**************
0–127
0–127
Note On
Note Off
X
X
O
X
After
Touch
Key's
Channel's
X
X
X
O
*1
X
O
*1
X
O
X
O
O
O
O
X
X
O
0, 32
1
4
6
7
10
11
16
17
64
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
91
X
O
100, 101
X
O
X
**************
O
0–127
System Exclusive
O
O
: Song Position
System
: Song Select
Common
: Tune Request
X
X
X
X
X
X
System
: Clock
Real Time : Commands
X
X
X
X
: All Sound Off
X
X
X
X
O
X
O
O
X
O
O
X
Control
Change
Program
Change
: True Number
: Reset All Controllers
Aux
: Local On/Off
Messages : All Notes Off
: Active Sensing
: System Reset
Notes
Mode 1 : OMNI ON, POLY
Mode 3 : OMNI OFF, POLY
*1, *2
*2
*1, *2
*1, *2
Remarks
Memorized (Non-Volatile)
Velocity
Pitch Bend
174
Recognized
Version: 1.00
*1
*1
*1
*1
Bank Select
Modulation
Foot Control
Data Entry
Volume
Panpot
Expression
General purpose controller 1
General purpose controller 2
Hold 1
Effect 1 (Reverb Send Level)
*1
RPN LSB, MSB
Program No. 1–128
*1 Not received on Channel 10
Mode 2 : OMNI ON, MONO
Mode 4 : OMNI OFF, MONO
O : Yes
X : No
MIDI-implementatie
PERCUSSION SOUND MODULE (NORMAL MODE (EXCEPT SEQUENCER SECTION))
Date: July. 28, 1999
MIDI Implementation Chart
Version: 1.00
Transmitted
Function...
Recognized
Basic
Channel
Default
Changed
1–16, OFF
1–16, OFF
1–16, OFF
1–16, OFF
Mode
Default
Messages
Altered
MODE 3
X
**************
MODE 3
X
**************
0–127
0–127
0–127
0–127
Note
Number : True Voice
Remarks
Memorized (Non-Volatile)
Velocity
Note On
Note Off
O
X
O
X
After
Touch
Key's
Channel's
O
X
O
X
*3
X
O
*5
O
X
O
O
O
O
X
O
X
O
*5
*1, *2, *3
*2, *3
*5
*4
*5
*1, *2, *3
*1, *2, *3
*5
Bank Select
Modulation
Foot Control
Data Entry
Volume
Panpot
Expression
General purpose controller 1
General purpose controller 2
Hold 1
Pitch Bend
0, 32
1
4
6
7
10
11
16
17
64
X
X
O
X
X
X
X
O
X
X
91
X
O
*4
Effect 1 (Reverb Send Level)
100, 101
X
O
*5
RPN LSB, MSB
O
0–127
O
0–127
System Exclusive
O
O
: Song Position
System
: Song Select
Common
: Tune Request
X
X
X
X
X
X
System
: Clock
Real Time : Commands
X
X
X
X
: All Sound Off
X
X
X
X
O
X
O (120, 126, 127)
O
X
O (123–127)
O
X
*1
*2
*3
*4
*5
One is selected as the strike position.
One is selected as the hi-hat control pedal.
Drum kit part only.
Percussion part and backing part only.
Backing part only.
Control
Change
Program
Change
: True Number
: Reset All Controllers
Aux
: Local On/Off
Messages : All Notes Off
: Active Sensing
: System Reset
Notes
Mode 1 : OMNI ON, POLY
Mode 3 : OMNI OFF, POLY
*1, *2
*2
*1, *2
*1, *2
Mode 2 : OMNI ON, MONO
Mode 4 : OMNI OFF, MONO
Program No. 1–128
Appendix
Model TD-8
O : Yes
X : No
175
MIDI-implementatie
PERCUSSION SOUND MODULE (NORMAL MODE (SEQUENCER SECTION)) Date: July. 28, 1999
MIDI Implementation Chart
Model TD-8
Transmitted
Function...
Basic
Channel
Default
Changed
1–16, OFF
1–16, OFF
1–16, OFF
1–16, OFF
Mode
Default
Messages
Altered
MODE 3
X
**************
X
X
**************
0–127
0–127
0–127
0–127
Note
Number : True Voice
Velocity
Note On
Note Off
O
X
O
X
After
Touch
Key's
Channel's
X
X
X
X
Memorized (Non-Volatile)
*5
O
0, 32
1
4
6
7
10
11
16
17
64
O
X
O
O
O
O
X
O
X
O
*5, *6, *7
*1, *2, *3
*2, *3
*5
*4, *6
*5, *6
*1, *2, *3
*1, *2, *3
*5
X
X
O
X
X
X
X
O
X
O
91
O
*4, *6
X
Effect 1 (Reverb Send Level)
100, 101
O
*5
X
RPN LSB, MSB
O
0–127
*6, *7
X
Control
Change
Program
Change
Remarks
O
Pitch Bend
: True Number
*5
*1, *2, *3
*2, *3
*1, *2, *3
*1, *2, *3
*5
O
O (do not record)
: Song Position
System
: Song Select
Common
: Tune Request
X
X
X
X
X
X
System
: Clock
Real Time : Commands
O
O
X
X
: All Sound Off
X
X
X
X
X
X
O
O
X
O (123–127)
O (do not record)
X
: Active Sensing
: System Reset
Notes
Mode 1 : OMNI ON, POLY
Mode 3 : OMNI OFF, POLY
*1
*2
*3
*4
*5
One is selected as the strike position.
One is selected as the hi-hat control pedal.
Drum kit part only.
Percussion part and backing part only.
Backing part only.
Mode 2 : OMNI ON, MONO
Mode 4 : OMNI OFF, MONO
Bank Select
Modulation
Foot Control
Data Entry
Volume
Panpot
Expression
General purpose controller 1
General purpose controller 2
Hold 1
Program No. 1–128
System Exclusive
: Reset All Controllers
Aux
: Local On/Off
Messages : All Notes Off
176
Recognized
Version: 1.00
*8
*9
*6
*7
*8
*9
Transmits when pattern or song are selected.
Transmits when instruments are selected for parts.
Receives when “SYNC MODE” setting is “EXT.”
Receives when “SYNC MODE” setting is “EXT” or
“REMOTE.”
O : Yes
X : No
Specificaties
Specificaties
TD-8: Percussion Sound Module (General
MIDI-compatibel)
Klankbron (synthese)
Variable Drum Modeling
Polyfonie
64 stemmen
Instrumenten
Drumklanken: 1.024
melodische klanken: 262
Drum Kits
64
Drum Kit Chains
16 Chains (32 stappen per Chain)
Effecten
Ambience, 2-bands Equalizer
Sequencer
Preset-patronen: 700
User-patronen: 100
User Songs: 50
Parts: 6
Weergavemethoden: Oneshot, Loop, Tap
Resolutie: 192 stappen per kwartnoten
Opnamemethode: Realtime
Capaciteit van de sequencer: ±14,000 noten
Tempo
20~260 BPM
Phones (hoofdtelefoon/stereo)
Mix In (stereo)
HiHat Control
Foot Switch (duaal)
MIDI-connectors (IN, OUT/THRU)
Uitgangsimpedantie
1,5 kΩ
Voeding
Adapter (DC 9V)
Opgenomen vermogen
600 mA
Afmetingen
293 (W) x 223 (D) x 80 (H) mm
Gewicht
1,5 kg (zonder adapter)
Accessoires
Handleiding, adapter (ACI/ACB serie), schroeven (M5
x12) x 4
Opties
Pads (PD-120, PD-100, PD-80, PD-80R, PD-9, PD-7, PD-5)
Kick Triggers (KD-120, KD-80, KD-7)
HiHat-pedaal (FD-7)
Stand (MDS-10, MDS-8, MDS-7U)
Cymbaalstand (MDY-7U)
Pad-houders (MDH-7U)
Voetschakelaar (BOSS: FS-5U)
Voetschakelaar (PCS-31)
OPGELET
Display
32 x 136 punten (verlicht grafisch LCD)
7-segmenten, 2 tekens (LED)
Wijzigingen van de specificaties en het uiterlijk zonder
voorafgaande kennisgeving voorbehouden.
Regelaars (Faders)
4 (met telkens twee functies)
(Kick, Snare, Hi-Hat, Toms/Cymbals, Others, Backing,
Click)
Preview-knop
Appendix
Met 3 aanslagwaarden (bij herhaaldelijk indrukken)
Aansluitingen
Trigger Input (duaal) x 10
Master Output (L(MONO), R)
Direct Output (L, R)
177
Index
Index
Cijfers
1 Meas, 98
1SHOT
Patroon, 87
Song, 109
2 Meas, 98
A
Aanslag, patroonvolume, 122
Aansluitingen
Audio, 27
MIDI, 129
Aantal maten, 95
Accept, 149
Adapter, 27
Advanced Trigger, 114
Afdempen, 39
Afplakken, 75
Aftel, 98
Patroon, 88
Song, 109
Akoestische drums (Trigger), 116
All, 100, 102, 103
AMB, 46
AMB LEVEL, 90
Percussie, 90
Percussie-instrument, 92
Ambience, 46, 54, 77
Aan/uit, 70
Group Send Level, 78
Part, 90
Percussie, 90
Percussie-instrument, 92
Send Level, 78
Uitgangen, 119
Assign, 119
Assignable, 124, 125
Available, 118
B
B INST, 78
Backing, 62
Balans, 56
Basic, 43
Trigger, 112
Begeleiding, 59
Bend Range, 90
Brush, 40, 69
Switch, 69
Bulk Dump, 129
BWD, 60, 84, 105, 125
C
Cancel, Retrigger, 114
CATEG, 85, 86
Categorie, 86
CC
Pedal, 140
Zone, 140
Chain, 120
Chase, 118
Choking, 39
178
Clear, 74
Click, 82
Aan/uit, 44
Track, 44
Zie ook Metronoom
Closed Rimshot, 39
Coated, 74
Contrast, 117
Copy
Effect, 127
Initialiseren, 148
Inst, 126
Kit, 126
Meas, 99
Mixer, 127
Patroon, 99
Percussion Set, 91
Song, 109
Count In
Opname, 98
Weergave, 88, 98, 109
Cross
Stick, 39, 115
Talk, 115
CTRL, 123
Cursor, 17
Curve, 112
D
DEC, 19
Decay
Drums, 75
Percussie-instrument, 92
Deep, 51
Delete, 69
Patroon, 101
Stap, 107
Demo song, 30
Demping, 53, 75
Depth, 51, 74
DEST, 99, 110
Meas, 100
Part, 100
Device ID, 130
DIR, 119
Direct, 119
Display
Contrast, 117
Vergrendelen, 72
Volgfunctie, 118
D_L, 119
D_R, 119
Drempel, 112
DRM/PC, 64
Drum Kit
Algemeen volume, 81
Balans, 56
Chain, 120
Editen, 47
Effect, 54
Kopiëren, 126
Preset, 21
Presets (overzicht), 153
Programmanummer, 136
Uit (in een patroon), 63
Voorstelling, 41
Drum-instrument
Editen, 73
Group, 72
Kiezen, 49, 72
Drumtrigger, 114, 116
Monteren, 116
Parameters, 117
Dubbeltriggers voorkomen, 114
E
Editen
"V"-klanken, 73
Patroon, 99
Song, 109
Effect, 54
Aan/uit, 45, 70
Zie ook Ambience
END, 110
End, 100
EQ, 46, 57
Equalizer, 46, 57, 79
Aan/uit, 45, 70
Instellen, 79
Erase
All, 96
Bend, 96
CC, 96
Note, 96
Patroon, 102
Realtime, 96
EXCHNG, 126
EXEC, 91
EXP, 112
EXT, 141
F
Factory Reset, 148
FADERS, 19
Foot Switch, 124
Foutmeldingen, 149
Freq, 58
FUNC, 69, 70, 88, 95
FWD, 60, 84, 105, 125
FX, 70
SW, 45
G
Gain, 58
Galm, 46, 54, 77
Gate Time, 132
Index
H
H.ADJ, 37
Hangslot, 72, 85
Head Tension, 37, 113
HEAD TYPE, 74
Head Type, 51, 74
HIGH FREQ, 79
HIGH GAIN, 79
High Gain, 58
HiHat, 40
MIDI-commando, 140
Minder data zenden, 135
Toonhoogte, 122
Volume, 70
Hit Pad Start, 98
Hoofdtelefoon
Metronoom, 44
I
INC, 19
Individuele uitgangen, 119
Initialiseren, 148
Patroon, 101
Song, 110
Insert, 69
Patroon, 100
Stap, 106
Stap in Chain, 120
INST, 72
Metronoom, 83
Instrument
Groep, 73
Kiezen, 72, 89
Kopiëren, 126
Part, 89
INT, 141
Interval, 83
INTRVL, 82
Invoegen
Stap in Song, 106
Zie ook Insert
K
Ketel, 50
Keteldiepte, 74
Keten, 120
Kit Select, 124, 125
Klank kiezen, 72
Kopiëren, zie Copy
Level, 77
Drum Kit, 81
Mixer, 80
Part, 90
Percussie, 90
Percussie-instrument, 92
Lijst
Nootnummers, 131
Patronen, 86
Songs, 106
Linear, 112
Local Control, 134
Lock, 104
LOG, 113
Loop
1, 2, 96
All, 96
Patroon, 87
Song, 109
Loose, 37
Loud, 113
Low Gain, 58
Lus, 87, 109
M
M&D, 119
Maatsoort
Metronoom, 82
Patroon, 95
MAS, 119
Mask Time, 114
Master
EQ, 79
Tune, 117
Uitgangen, 119
MASTR, 81
MEAS, 100
Memory, 118
Mengpaneel, 80
Metronoom, 44, 82
Hoofdtelefoon, 44
Klank, 83
Pan, 83
Uitgang, 83
Volume, 62
MIDI, 129
CH10 Priority, 133
Device ID, 130
Dump, 129
Filter, 139
Gate Time, 132
HiHat, 140
Implementatie, 174
Kanaal, 95, 133, 151
Local Control, 134
Nootnummer, 131
Opname, 98
Pedal Data Thin, 135
Positional Sensing, 140
Programmakeuze, 135
Programmanummers, 136
Soft Thru, 133
Synchronisatie, 141
TD-8 als module, 136
Mix In, 42
Mixer, 80, 145
Balans, 56
Basic operation, 80
Kopiëren, 127
M_L, 119
Module, 136, 138
M_R, 119
Muffle, 53, 75
MUFFLING, 75
Muren, 77
Mute, 63
Patroon, 93
Song, 109
N
Name
Drum Kit, 69
Patroon, 103
Song, 110
New, 95
Normal, 37
Note Chase, 118
O
Octapad, 133
Oefenen, 96
One Shot
Patroon, 87
Song, 109
Ontgrendelen, 104
Opname
Oefenen, 96
Patroon, 95
Sequencer, 98
Via Pad starten, 98
Opslag, 17
Instellingen (extern), 129
OUT, 119
Output, 45
Assign, 119
Metronoom, 83
Overspraak, 115
Appendix
Geheugencapaciteit, 118
General MIDI, 138
Gevoeligheid, 43, 112
Glass, 77
GM, 138
Group, 50, 73
Group Faders, 19, 42
Group Send Level, 78
L
LCD Contrast, 117
LEN, 86, 106
Length, 95
179
Index
P
Pad
Basic-parameters, 112
Bespelen, 38
Connect, 25
Gate Time, 132
Kiezen, 21
MIDI-kanaal, 133
Nootnummer, 131
Opname starten, 98
Pattern, 65, 121
Polariteit, 26
PTN Velo, 122
Sensitivity, 43
Switch, 123
Type instellen, 111
Pad Pattern
Tap, 87
Pan, 80
Metronoom, 83
Part, 90
Percussie-instrument, 92
Panelen, 13
PART, 89
Part, 84
Ambience, 90
Effectaandeel, 78
Instrument, 89
MIDI-kanaal, 133
Mute, 63, 64, 93, 109
Ontvangst uitschakelen, 139
Pan, 90
Percussie, 90
RX SW, 139
Selecteren, 89
Volume, 90
Wissen tijdens opname, 96
Patroon
Aftel, 88
Beveiligen, 104
Categorie, 86
Data wissen (opname), 96
Division, 85
Editen, 99
Erase, 102
Geheugencapaciteit, 118
Insert, 100
Lijst, 86
Lusweergave, 87
Maatsoort, 95
Met Pad starten, 121
Mute (partijen uitschakelen), 93
Naam geven, 103
Opnamemethode, 96
Overzicht (Presets), 162
Realtime-opname, 95
Selecteren, 85
Soort, 85
180
Tempo, 87, 95
Transponeren, 88
Volume via aanslag, 122
Voorstelling, 84
Weergavemethode, 87
Wissen, 101
Pattern, 84
Lock, 104
PCS-31, 26
Pedal
CC, 140
Data Thin, 135
HiHat Volume, 70
Pitch CTRL Range, 123
PERC, 78
Percussion Set, 90
Instrument kiezen, 91
Kiezen, 90
Kopiëren, 91
Programmanummers, 137
Phones, 42
PinStripe, 74
Pitch, 75
Bend, 90
Bend, Wissen, 97
CTRL, 122
Percussie-instrument, 92
Plaster, 77
Play Select, 125
Play Type
Patroon, 87
Songs, 109
Polariteit, 26
Positional Sensing, 39, 111
MIDI-commando, 140
Preset-patronen, 84
Preview, 21
Instellingen, 128
Q
Quantize, 97
Quick Play, 88
R
Realtime, 95
REC
Mode, 96
Rehearsal, 96
Rehearsal, 96
Remote, 141
Reset, 148
RESET TIME, 88
Resolutie, metronoom, 83
Resonantie, 112, 115
Respons, 43
Retrigger Cancel, 114
Reverb, 77
Rim, 20, 49
Sens, 113
Shot, 38
Room, 77
Ruimte, 77
RX
Channel, 133
GM On, 138
On/Off, 135
SW (Part), 139
S
Scan Time, 114
Send Level, 78
Sensitivity, 43, 112
SEQ
BWD, 125
FWD, 125
Select, 124, 125
Sequencer, 84
Opnemen, 98
Voorstelling, 59
Setup, 87, 95
Shell Depth, 74
Slagpositie, 111
Snaarspanning, 75
Snare-ketel, 50
Soft Thru, 133
Song, 105
Aftel, 109
Choose, 105
Delete, 107
Editen, 109
Geheugencapaciteit, 118
Initialiseren, 110
Lijst, 106
Lusweergave, 109
Mute (partijen uitschakelen), 109
Naam geven, 110
Programmeren, 106
Selecteren, 105
Stap wissen, 107
Tempo, 108
Transponeren, 107
Weergeven, 108
Source, 99, 110
Part, 99
Spatie, 69
SPD-20, 133
Specificaties, 177
Spline, 113
Stadium, 55
Stemmen, 52
TD-8 (Master Tune), 117
Vel, 74
Stereopositie, 80
Strainer Adj., 54, 75
Studio, 54, 77
Instellingen kopiëren, 127
SW, 124
Sweeps, 146
Switch, 123, 124
Sync Mode, 141
Synchronisatie, 141
Index
T
Tap, 87
TAP EXC SW, 88
Tempo
Metronoom, 82
Opname, 95
Patroon, 87
Song, 108
Synchronisatie, 141
Tijdelijk veranderen, 87
Threshold, 112
Tight, 37
Time Signature, 82, 95
Timing, 97
Toonhoogte, 122
Toonregeling, 79
TOP, 60
Top, 84, 105
TRANS, 88
Transponeren, 107
Transpose Bias, 88
Trigger
Advanced, 114
Bank, 111
Basic, 112
Curve, 112
Drums, 116
Head Tension, 113
Sensitivity, 112
Type, 32, 111
Type (ak. drums), 117
TUNING, 74
Tuning, 52, 74
TX
Channel, 133
On/Off, 135
Type, 55, 77, 87
Volume, 42
Drum Kit, 81
HiHat, 70
Mixer, 80
Part, 90
Patroon via aanslag, 122
Percussie, 90
Percussie-instrument, 92
Voorrang (kanaal 10), 133
V-Snare, 50
W
Wall, 77
Weergave
Patronen, 86
Song, 108, 109
Wissen
Data tijdens opname, 96
Patroon, 101
Zie ook Erase en Delete
Wood, 77
X
XS, 115
Z
Zone CC, 140
U
Uitgangstoewijzing, 119
Uitschakelen, partijen, 93, 109
User-patroon, 84
UTIL, 117, 118
V
Appendix
V-Edit, 73
Velmateriaal, 51, 74
Velo, 122
Velocity
Indicator (Pads), 44
Preview, 128
Vergrendelen, display, 72
Versterker, 27
Verwijderen, 101
Voetschakelaar, 124
Voice, 83
181
Index
182