Bosch | SMO60 | Bekijk het PDF bestand. - digitale bibliotheek voor de Nederlandse

DIE ROSE.
DIE ROSE
VAN
HEINRIC VAN AKEN,
MET DE FRAGMENTEN DER TWEEDE VERTALING,
VAN WEGE DE
MAATSCHAPPIJ DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE
TE LEIDEN
UITGEGEVEN DOOR
DR. EELCO VERWIJS,
ARCHIVARIS-BIBLIOTHECA.RIS VAN FRIESLAND.
'8 GRAVENHAGE,
MA RTINUS NIJHOFF.
1868.
Pour emprunter 4 ce poeme allegorique une allegorie qu 'il suggere naturellement,
it est comme un bosquet de roses dans le sein duquel se cacherait nue et riante une
statue du dieu Pan, symbole de la vie materielle de l'univers.
A MPt RE.
Stoomdrukkerij Loman, Kirberger & van Kesteren, to Amsterdam.
AAN
DR . EDTTARD VON KATTSLER,
VICEDIRECTOR VAN HET KONINKLIJK WURTENBITRGSCHE STAATS-ARCHIEF, ENZ.,
DEN GELEERDEN UITGEVER EN COMMENTATOR
DER ROSE,
EN AAN
DR. WILLEM JOSEPH ANDRIES JONCKBLOET,
OUD-HOOGLEERAAR AAN DE HOOGESCHOOL TE GRONINGEN,
LID VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL, ENZ.,
DEN SCHERPZINNIGEN NAVORSCHER OP HET VELD DER MIDDEN-NEDERLANDSCHE DICHTKITNST,
WORDT DEZE TWEEDE UITGAVE
YAK HEIN VAN AKENS GEDICHT,
ALS
EEN BLIJK VAN OPRECHTE HOOGACHTING
OPGEDRAGEN
DOOR
HUNNEN MEDEBROEDER IN DIE ROSE.
INLEIDING.
Onder de populairste gewrochten der middeneeuwsche fransche letterkunde behoorde ongetwijfeld de Roman de la Rose. Geen sprekender
getuigenis is daarvan dan het verbazend groot
aantal handschriften, dat er van is bewaard gebleven : geen middeneeuwsch gedicht kan er zoo
veel aanwijzen. 1 Na eene populariteit van eenige
eeuwen werd eindelijk de Rose vergeten, maar
nog steeds genoemd als de volmaakte uitdrukking
van den geest der middeleeuwen, als het gewrocht
dat een helderen blik in het leven en weven dier
dagen deed slaan. 2 't Ging met de Rose in
Frankrijk als tot voor een dertigtal jaren ten
onzent met eenen naam, die de geheele middeneeuwsche letterkunde scheen te vertegenwoordigen,
en tegelijk haar plotseling ontstaan, haar hoogsten bloei, zoo daarvan althans sprake kon zijn,
maar ook tevens haar onmiddelijk verdwijnen in
het niet uitdrukte. 't Was de naam van
Jacob van Maerlant, die vader
Der Dietscher dichtren algader,
niet veel meer ook dan een naam, dien men
kende, zonder zich een holder denkbeeld van den
aard en den geest zijner werken te geven. ,Le
nom du Roman de la Rose," zegt een bekende
smaakvolle criticus, 8 „est arrive jusqu'h nous
escorte d'une vague renommee dont ses proportions formidables et le discredit oh est justement
tombee la poesie allegorique ont empeche d'examiner le fondement ; on l'a souvent cite comme
le debut de la poesie francaise au moyen-age,
erreur qui a ete judicieusement refutee. Au lieu
de marquer l'origine de cette litterature, on pout
dire qu'il en est la fleur et la fin." Doch is de
Roman de la Rose bij velen thans niet meer dan
bij naam bekend, dit was niet het geval in de
eerste drie eeuwen na zijn ontstaan, getuige het
groot aantal der handschriften, getuige de gemodernizeerde bewerking van Clement Marot, die
nog in 1526 het voor zijne tijdgenooten niet meer
geheel verstaanbaar gedicht eene verjongingskuur
deed ondergaan, en het andermaal eene groote
populariteit verschafte. De Roman de la Rose
word voor Frankrijk wat vader Cats ten onzent
' Paulin Paris in de Histoire Litteraire de la
France, T. XXII, 52 zegt: ,Les copies manuscrites du roman de la Rose sont reellement innombrables. On en trouve souvent dans les bibliotheques particulieres, et ii est peu de collections
publiques en France, en Belgique, en Allemagne
et en Angleterre, qui n'en possedent plusieurs,
toutes transcrites avant les premieres annees du
YVIe siècle, Nous en aeons reconnu soixante-sept
exemplaires dans la seule Bibliotheque imperiale
de Paris. Douze semblent remonter au XV e siècle;
vingt-deux aux dernieres, et trente aux premieres
ann6es du XIV", trois enfin au Mlle."
2 Francisque Michel, de laatste nitgever van
den Roman de N Rose zegt in zijne Preface,
T. I. v : ,Depuis l'epoque h laquelle ce vaste
poeme vit le jour, jusqu'h la nOtre, it n'a cesse
d'être l'objet de la curiosite publique; et si, par
une cause on une autre, on ne le lit guere
aujourd' hui pour peu quo l'on soit lettre, on le
mentionne invariablement comme l'oeuvre de
la litterature du moyen-Age qui la resume tout
entiere et qui dispense ainsi de connaltre les
autres productions des trOuveres."
3 Ampere, Melanges d' histoire litteraire et de
litterature, T. I. 362.
VI
was, I en verschillende kostbare uitgaven in do
eerste helft der XVI' eeuw zijn daar om van den
verbazenden opgang to getuigen van een werk,
waarvan de wulpsche dartelheid, maar ook de
esprit frondeur voor edelman en burger nog menige
aantrekkelijkheid aanbood. 2
Het moge thans vreemd schijnen dat een werk
van zoo langen adem, dat moor dan 20000 verzen
bevatte, zoo groote boroemdheid heeft gekregen
en door tijdgenoot en nakomeling werd versionden niet alleen, maar ook geduchte bestrijders heeft
gevonden, en dat een man als Jean- Gerson,
kanselier der Universiteit van Parijs, eene vrouw
als de eerzame Christine de Pisan met alien ernst
tegen den geest en de strekkingr dozer nieuwe
Ars Amandi deed to velde trekken. 3
De reden van de verbazende populariteit die
het genoot, zoowel als van den heftigen tegen..
stand, welken het ondervond, is allezins verklaarbaar. Het cynisme dat in dezen liefdecodex wordt
gepredikt, de losbandige toon die er in heerscht,
de brutale zinnelijkheid, die er in ten troon wordt
geheven, maakten het een aanlokkende lectuur
voor de jeunesse dome dier dagen, die van niets
anders droomde dan het leven to genieten en den
beker der zinnelijkheid ten bodem toe to ledigen.
De heftige aanvallen tegen den geestelijken stand,
inzonderheid tegen de steeds aangroeiende macht
der bedelorden, gaven het voor menigeen groote
aantrekkelijkheid, zoodat men den bolster der lichtzinnigheid wegwierp om de kern to genieten. Voor
een ander waren het weder de revolutionnaire
denkbeelden op godsdienstig en politiek gebied, die
het de grootste verdienste verleenden ; de verbazende belezenheid en geleerdheid, ten toon gespreid
bij de gewaagde stellingen, die in het schijnbaar
frivole book werden ontvouwd en verdedigd. 4
Doch buiten en behalve doze redenen was
er nog eene andere, waaraan de Roman de la
Rose bovenal in Frankrijk zijn grooten opgang
to danken had. Het was de uitdrukking van den
if gout francais," dien wij niet beter dan door de
Sismondi kunnen doen schetsen : 5 ilL'allegorie
satisfait en memo temps, et le gait national de
conter, et le gout plus national encore de mettre
de l'esprit, du raisonnement, et un but moral
dans toute poesie. Les Francais sont, entre les
peuples, le soul qui, en poesie, demande le pourquoi de chaque chose ; de tons les peuples, ils
sont pout-etre encore ceux qui savent le mieux
marcher k leur but : aussi veulent-ils toujours en
avoir un, tandis quo les autres regardent comme
de l'essence des beaux-arts de ne se proposer
aucune chose, de s'abandonner h un essor interieur et irreflechi, et de chercher la poesie dans
la seule inspiration."
Doch niet alleen de allegorische vorm, waarin
door Guillaume de Lorris en vooral door Jean de
Meung het zonderling amalgama was gegoten, ook
de stijl is het waardoor de Rose den franschen
smaak streelde. uConter nettement, clairement,
avec une certaine naivete, de la precision dans
l'expression, de l'elegance, et un melange d'idees
spirituelles, paraissait des-lors aux Francais tenir
h l'essence de la poesie; et encore aujourd'hui,
ils considerent comme poetiques des ouvrages oh
toutes les autres nations s'accordent it ne voir
quo de la prose rimee. L e roman de la Rose et
toutes ses nombreuses imitations sont dans ce
cas : le langage n'en est nullement figure; it ne
met rien sous les jeux ; it ne part point de Fame,
et ne rebranle point ; et si l'on rompt la mesure
des vers, it sera impossible d'y reconnaitre de
la poesie." 6
I. Vond men in onze burgerwoningen Vader
Cats naast den Bijbel, in Frankrijk was het niet
zelden de Rose. Michel haalt eene plaats aan uit
Noel du Fail, Les contes et discours d'Eutrapel, etc.
(Rennes, 1586), waar bij de beschrijving van een
binnenhuis in de provincie het volgende voorkomt : ,,Et sur le dressouer, ou buffet h deux
estages, la saincte Bible de la traduction commandee par le roy Charles le Quint y a plus
de deux tens ans, les Quatre Fils Aymon, Oger
le Danois, Mellusine, le Calendrier des Bergers, la Legende doree, ou le Romant de la Rose."
Zie Rose, T. I. vi.
2 list. Litt. de la France, t. a. p. bl. 58,
Brunet, Manuel du Libraire, (5e Ed.) T. III 1170.
3 Zie over dozen strijd tegen de Rose de Hist .
Litt. t. a. p. bl. 46-52, Meon, Rose, T. I. In,
66, Michel, Rose T. I. vii, Jonckbloet, Gesch. der
Mnl. Dichtk. D. III. 334.
4 Ampere, t. a. p. bl. 361: ,,Ce n'est pas l'inoff ensive galanterie de Guillaume de Lorris qui
out decide un homme de la valour et de l'importance de Gerson h precher et it &Tire contre
le Roman de la Rose, et qui out attire sur lui
les vertueuses invectives de la sage Christine
de Pisan ; mnis les Ames chretiennes et morales
du quinzieme siècle durent sentir vivement ce
qu'il y avait de dangereux dans un livre abritant, derriere un titre et un commencement qui
n'annoncaient quo gentillesse gracieuse et frivole
galanterie, un traite d'irreligion et d'epicureisme."
5 De la litterature du midi de l' Europe, par
Simonde de Sismondi, T. I. 305.
6 T. a. p. bl. 309.
VII
1. Guillaume de Lorris en Jean de Meung.
De Roman de la Rose werd door Guillaume de
Lorris begonnen en ruim veertig jaren later door
Jean de Meung vervolgd en voltooid. Van den
eersten dichter is ons weinig of niets bekend,
alleen dat hij door den dood verhinderd werd
zijn werk te voltooien. Verreweg het kleinste
gedeelte van den Roman heeft men aan zijne hand
te danken, en wel niet meer dan 4067 verzen.
Telkens bij den overgang tot een ander onderwerp bevindt zich tusschen den tekst een
korte, mede berijmde inhoudsopgave, als het ware
de titel van een hoofdstuk, en ongetwijfeld het
werk van een lateren kopiist. Na vs. 4069 nu
vindt men de volgende regels :
Cy endroit trespassa Guillaume
De Lorris, et n'en fist plus pseaulme ;
Mais, apres plus de quarante ass,
Maistre Jehan de Meung ce rommans
Parfist, ainsi comme je treuve;
Et ici commence son oeuvre.
Dat werkelijk vs. 4062-4067 (bij Michel, vs.
4662-4667) 2 de laatste der door Guillaume de
Lorris geschrevene verzen zijn, blijkt voldoende
uit eene latere plaats in de Rose, die in haar
geheel dient medegedeeld te worden, daar ze
ook later ter verklaring van onzen tekst onmisbaar is.
Nadat Amour in vs. 10522 de hulp zijner baronnen heeft ingeroepen, gaat hij in vs. 10537
aldus voort : 3
Puisque Tibulus m'est faillis,
Qui congnoissoit si bien mes tesches,
For qui mort ge brisai mes flesches,
Cassai mes ars, et mes cuiries
Trainai toutes desciries,
Dont tant ai d'angoisses et teles,
Qu'4 son tombel mes lasses esles
Despenai toutes desrompues,
Tant les ai de duel debatues,
Por qui mort ma mere plora
Tant, que presque ne s'acora;
N'onc por Adonis n'ot tel paine,
Quant li sanglers l'ot mart en l'aine,
Dont it morut 4 grant hascie.
Onques ne pot estre lascie
La grant dolor qu'ele en menoit,
Mes por Tibulus plus en oit.
N'est nus qui pitie n'en preist,
Qui por li plorer nous vest.
En nos plors n'ot ne fraines ne brides.
Gallus, Catulus et Ovides,
Qui bien sorent d'amors traitier,
Nous r'eussent or bien mesticr,
Ales chascuns d'eus gist mors porris.
1 Mon, Rose, II. 1; Michel, Rose, I. 134.
2 Te beginnen bij vs..3413 bestaat bij Meon
en Michel een verschil van 600 verzen, te wijten
aan de slordigheid van den laatsten uitgever. (Zie
bl. 56). Hoe slordig soms de laatste is te werk
gegaan, moge blijken uit de laatste verzen. Op
bl. 349 van D. II vindt men na vs. 21998
(22741):
Més de tant fui-ge bien lors fis,
in plaats van :
C'onques nul mal gre ne m'en sot,
tot vs. 22037:
0 tout son chapel de soussie,
dus een veertigtal verzen, eenvoudig overgeslagen, en vervolgt hij met vs. 22038:
Qui des amans les roses garde,
tot aan het einde, dat aldus luidt:
Explicit li Roinmans la Rose,
Ou l'art d'Amours est toute enclose.
Nature rit, si com moi semble,
Quant hie et hec se joignent ensemble.
De „geleerde" uitgever, //Correspondent de
'Institut de France (Academie des Inscriptions
et Belles-Lettres), etc., etc." schijnt zijne dwaling
niet gemerkt te hebben, maar plaatst achter het
laatste vers van den geheelen Roman, dat met
de drie voorgaande kenEeliik een later inlapsel
is, een dubbele punt, en vervolgt met vs. 21999:
C'onques nul mal gre ne m'en sot,
terwijl zijn laatste vs. is :
0 tout son chapel de soussie.
De geleerde Academicien zegt in zijne Preface,
rxi, na aangehaald to hebben, dat Paulin Paris
Meons werk excellent genoemd heeft: ',Nous ne
pretendons nullement, pour notre edition, 4 une
pareille epithete, et cependant nous pouvous assurer que le texte en a ete revu avec le plus grand
soin (! !), surtout etabli d'une maniere plus conforme aux relies de notre aucienne langue." Die
zelfde Preface is evenwel niet veel meer dan een
herdruk van de Inleidingen van Meon, Lenglet
du Fresnoy en van anderen. Zelfs is voor de
nadere bepaling van den tijd der vervaardiging
geen gebruik gemaakt van den arbeid van Paulin
Paris in de Histoire Litteraire de la France,
T. XXII, 24, 31, 43, maar heeft Michel zich
eenvoudig bepaald tot het overdrukken van Won
en Lenglet du Fresnoy op dat punt.
3 Meon, II. 300, Michel, I. 349. Zie ooze vertaling, bl. 170 en 171.
VIII
Ves-ci GUILLAUME DE LORRIS,
Cui Jalousie, sa contraire,
Fait tent d'angoisse et de mal traire,
Qu'il est en peril de morir,
Se ge ne pens du secorir.
Cil me conseillast volentiers,
Com cil qui miens est tons entiers,
Et drois fust ; car por li-meismes
En ceste poine nous meismes
De tons nos barons assembler
Por Bel-Acueil toldre et embler.
Mes il n'est pas, ce dit, si sage..
Si seroit-ce moult grant domage,
Se Si loial serjant perdoie,
Com secorre le puisse et dole;
Qu'il m'a si loiaument servi,
Qu'il a bien vers moi deservi,
Que je saille et que je m'atour
De rompre les murs de la tour,
Et du fort chaste' asseoir
A tout quanque j'ai de pooir.
Et plus encor me doit servir,
Car por ma grace deservir
Doit-il comencier le Romans
Oh seront mis tuit mi comans,
Et jusques-la le fournira
Oa il a Bel- Acueil dira,
Qui languist ores en prison
A dolor et sans mesprison:
,Moult sui durement esmaies
Qu'entr'oblie ne m'aies,
Si en ai duel et desconfort.
James n'iert riens qui me confort,
Se ge pers vostre bienvoillance;
Car ge n'ai mes aillors fiance." 1
Ci se reposera GUILLAUME,
Le cui tombel soit plains de baume,
D'encens, de mirre et d'aloe :
Tant m'a servi, taut m'a loe.
Puis vendra JEHANS CLOPINEL,
Au cuer jolif, au tors isnel,
Qui nestra sor Loire, h Meun,
Qui h saoul et h geun
Me servira toute sa vie,
Sans avarice et sans envie,
Et sera si tres-sages hon,
Qu'il n'aura cure de Raison,
Qui mes oignemens het et blasme,
Qui olent plus soef que basme ;
Et s'il avient, comment qu'il aille,
Qu'il en aucune chose faille,
1 Deze zes verzen zijn letterlijk de laatste van
Guillaume. Zie Meon, I. 164, Michel, I. 134.
Verg. onzen tekst, vs. 4053 (4010) vlgg.
(Car il n'est pas horns qui ne /Ache,
Tons jors a chascun quelque ache),
Le cuer vers moi tant aura fin,
Que tons jors, au mains en la fin,
Quant en cope se sentira,
Du forfet se repentira,
Ne me vodra pas lors trichier.
Cis aura le Roman si chier,
Qu'il le vodra tout parfenir,
Se tens et leu l'en puet venir;
Car quant Guillaumes cessera,
Jehans le continuera
Apres sa mort, que ge ne mente,
Ans trespasses plus de quarente,
Et dira por la mescheance,
Par paor de de'Aesperance,
Qu'il ait de Bel-Acueil perdue
La bien-voillance avant eue,
,Et si l'ai-ge perdue, espoir,
A poi que ne m'en desespoir ;" 2
Et toutes les autres paroles,
Que qu'el soient, sages ou foles,
Jusqu'h tant qu'il aura coiilie
Sus la branche vert et foillie
La tres-bele Rose vermeille,
Et qu'il soit jor et qu'il s'esveille.
Puis vodra si la chose espondre,
Que riens ne s'i porra repondre;
Se cil conseil metre i peussent,
Tantost conseillie m'en assent;
Mes par cell ne puet or estre,
Ne par celi qui est h nestre ;
Car cil n'est mie ci presens.
Si r'est la chose si pesans,
Que certes quant il sera nes,
Se ge n'i viens tous empenes
Por lire–li nostre sentence,
Si tost cum il istra d'enfance,
Ge vous os juror et plevir,
Qu'il n'en porroit jambs chevir.
Et por ce que bien porroit estre,
Que cis Jehans qui est h nestre,
Seroit, espoir, empeeschies,
(Si seroit-ce duel et pechies
Et domages as amorous,
Car il fera grans biens por ens),
Pri-ge Lucina la deesse
D'enfantement, qu'ei doint qu'il nesse
Sans mal et sans encombrement,
Si qu'il puist vivre longement ;
Et quant apres h ce vendra,
2 Deze zijn de eerste woorden van Jean de
Meung. Zie t. a. p.
Ix
Que Jupiter vif le tendra
Et qu'il devra estre abevres,
Des ains nes qu'il soit sevres,
Des tonneaus qu'il a tons jors dobles,
Dont run est der et l'autre trobles,
(Li uns est dour, et l'autre amer
Plus que n'est suie ne la mer),
Et qu'il ou bersuel sera mis,
Por ce qu'il iert tant mes amis,
Ge l'afublerai de mes esles,
Et li chanterai notes teles,
Que puis qu'il sera hors d'enfance
Endoctrine de ma science,
Il fieutera nos paroles
Par quarrefours et par escoles,
Selonc le langage de France,
Par tout le regne en audience,
Que jambs cil qui les orront,
Des dons mans d'amer ne morront,
Por qu'il le croient fermement ;
Car tant en lira proprement,
Que trestuit cil qui ont ii, vivre,
Devroient apcler ce livre
Le Miroer as Amoreus,
Tant i verront de biens por ens ;
Mes quo Raison n'i soit creue,
La chetive, la recreue.
Por ce mien voil ci conseillier,
Car tuit estes mi conseillier.
Si vous cri merci jointes paumes,
Que cis las dolereus Guillaumes,
Qui si bien s'est vers moi portes,
Soit secorus et confortes.
Et se por li ne vous prioie,
Certes prier vous en devroie
Au mains por Jehan alegier,
Qu'il escrive plus de legier ;
Que test avantage li faites,
Car it nestra, g'en sui prophetes ;
Et por les autres qui vendront,
Qui devotement entendront
A mes comandemens ensivre,
Qu'il troveront escrit ou livre,
Si qu'il puissent de Jalousie
Sormonter l'engaigne et l'envie.
Alvorens to kunnen aanwijzen, wanneer Guillaume de Lorris door den dood werd verhinderd
zijn arbeid to voltooien, zal het noodig zijn eerst
eenigzins nader den tijd to bepalen, waarin Jean
de Meung het vervolg schreef. Hiervoor zijn in
het gedicht zelve eenige aanwijzingen to vinden.
Noch Meon, noch Lenglet du Fresnoy, noch
zelfs Francisque-Michel zijn er in geslaagd met
eenige juistheid althans den tijd der vervaardiging
to bepalen. Meon komt tot het besluit dat de
Rose door Jean de Meung omstreeks het jaar 1305
werd geeindigd. ' Langlet du Fresnoy is wat
nauwkeuriger, wanneer hij in zijne Preface zegt : 2
„On dit communement que Jean de Meung
fit ce Roman en 1300; mais au moins y a-t-il
des preuves, dans son ouvrage meme, qu'il etoit
fait avant 1305.
L'on sait que l'ordre des Templiers ne fut
aboli qu'en ] 309. On avoit arrete des ran 1307
plusieurs de ses membres, prevenus, disoit-on, des
crimes les plus horribles : on avoit fait courir
ces bruits, vrais ou faux, au moins un an ou
deux auparavant. Ainsi, dans la prevention ob.
Von etoit alors, cet ordre n'etoit point is titer
comme un corps regulier oil l'on pouvoit faire
son salut. C'est neanmoins ce que fait Jean de
Meung, lorsqu'il dit, vers 11608 :
S'il entroit, selon le commant
Saint Augustin, en Abbaie
Qui fust de propre bien garnie,
Si cum sunt ore cil Blanc Moine,
Cil noir, cil reguler Chenoine,
Cil de l'Ospital, cil du Temple,
Car bien puis faire d'ens exemple.
C'est le plus moderne des faits historiques
par lequel on pent juger du temps oli a ete fait
ce Roman. Tons les autres points de l'histoire
moderne seines dans cet ouvrage, s'etendent depuis l'an 1100 jusqu'au temps que nous venons de
marquer. Jean de Meung etoit jeune lorsqu'il fit
cet.ouvrage ; it nous en avertit lui-meme, en termes
generaux, au commencement de son testament :
J'ai fait en ma jonesce maint diz par vanite,
Oil maintes gene se soot plusieurs fois delite. 3
Et comme nous trouvons ailleurs que ce fut au
Meon, Rose, I. ix : ,,M. de la Monnoye,
dans 1'Anti-Baillet, et Lenglet du. Fresnoy, dans
ses notes, ont pense que Guillaume de Lorris
avoit fait pros de la moitie du Roman de la
Rose ; mais it paroit bien constant qu'il n'a pas
ete au-deli, du 4070e vers. Au 6661 6 vers et
suivants , it est parle de Mainfroy, roi de Sicile,
et de sa (Waite par Charles, comte d'Anjou, en
1266: si ce fait eat ete rapporte par Guillaume de
Lorris, la prediction que fait 1'Amour au vs. 10624:
Jehans le continuera
Apres sa mort, que je ne mente,
Ans trespasses plus de quarente.
la prediction, die je, ne seroit-pas juste, le Roman
de la Rose ayant ete termine vers 1305."
2 Meon, Rose, I. Preface, 5; Michel, Rose, I. xxr.
3 In li Testament* de Maistre Jehan de Meung,
uitgegeven in Meons Rose, IV. 1.
x
sortir de son enfance, nous croyons que ce pouvoit etre vers sa vingt-deuxieme annee. C'est
le vrai temps de faire et de pratiquer les romans."
De fransche schrijvers over den Roman de la
Rose schijnen zich uitsluitend er toe bepaald te
hebben ',le plus moderne des faits historiques''
in het licht te stellen, van daar ook de reden ,
dat zij niet tot een juistere bepaling van den tijd
der vervaardiging hebben kunnen geraken.
Dr. Jonckbloet sprak dan ook in de Geschiedenis
der Midden-nederlandsche Dichtkunst zijne verwondering uit, dat geen der fransche geleerden,
die zich met den zoo beroemden roman hebben
bezig gehouden, tot het resultant was gekomen,
dat de Rose geschreven is vtusschen de jaren
1272 en 1284, ja, wij mogen aannemen omstreeks
1280." Te gelijker tijd ongeveer toen zijne
Geschiedenis het licht zag, verscheen ook het
XXII Deel der Histoire Litteraire de la France,
waarin Paulin Paris eene beschouwing over de
Rose gaf, in welke hij tot een juister jaartal der
vervaardiging zocht te geraken. 2 Dat de plaatsen
door den franschen geleerde aangehaald meerendeels overeen komen met die van onzen neder-
landschen criticus, Iigt in den aard der zaak :
daar evenwel het uitgebreide werk niet in veler
handen komt, deelen wij het betoog in zijn geheel mode :
„bans les longs exemples allegues par Dame
Raison, nous trouvons encore un mogen sfir, et
pourtant neglige par tous les critiques, si l'on
en excepte M. Raynouard, 3 d'arriver h la date
assez precise de la continuation de Jean de
Meung ; c'est quand il s'agit de la conquete,
alors recente, du royaume de Naples par Charles
d'Anjou, le frere de saint Louis :
Et se ces prueves riens ne prises,
D'anciennes istoires prises,
Tu les as de ton tens noveles
De batailles fresches et boles,
De tel biaute, ce dois savoir,
Comme il puet en bataille avoir.
C'est de Mainfroi, roi de Sesile,
Qui par force tint et par guile
Lone-tens en pes toute sa terre,
Quant li bons Karles li mut guerre,
Conte d'Anjou et de Provance,
Qui par devine porveance
1 Ald. D. III. 323-324. Wij kunnen niet
beter doen dan het korte betoog, door Dr. Jonckbloet alleen bij wijze van Aanteekening medegedeeld, over te nemen :
Wij kunnen (het jaartal der vervaardiging)
lets nader bepalen. In 1290 werd het gedeelte
dat Guillaume de Lorris geschreven had, omgewerkt door een schrijver, die waarschijnlijk La,
Porte heette (Moon, Avertiss, pag. ix—x). Dezelfde heeft ook het latere gedeelte des gedichts
dezelfde kunstbewerking laten ondergaan : is het
waarschijnlijk dat dit meer dan vijftien jaren
later geschied zou zijn, en mag men niet veeleer
aannemen dat beide deelen gelijktijdig zijn omgewerkt ?
Jean de Meung vertaalde het werk van Boetius
de Consolatione Philosophiae voor Philips den
Schoone, en wel, zooals Paulin Paris zeer aannemelijk maakt, voor 1300 (Les kiss. Francois,
Tom. V. pag. 42). 'in de opdracht van dat
werk zegt hij : ,Jo Jehan de Meuns, qui jadis
ou Romant de la Rose ... ensegnai la maniere
du chastel prendre et de la rose ceuillir ; et
translatai de latin en franchois le livre de Vegece
de chevalerie et le livre des Merveilles d'Irlande,
et la vie et les epistres de maistre Pierre Abayelart et Heloys sa femme, et le livre h Elied de
espirituel amistie . ..." etc. ,
De Rose had hij eertijds, jadis, geschreven :
hij noemt haar voor het work van Vegetius, dat
hij stellig reeds in 1284 vertaald had (Moon,
Avertiss., xry ; Michel, Pref. m y) : wijst dit
niet op hooger ouderdom?
In de Rose zelf hebben wij nog nadere aanwijzing. Vs 6656 (Moon, II. 118, Michel, I.
220) spreekt hij van de gcbeurtenissen van zijnen
tijd, en daartoe rekent hij de overwinningen door
Karel van Anjou in 1266 op Manfred en in 1268
op Conradijn in Sicilie bep aald. Vs. 6666 hoot
het van Karel :
Est ores de Sesile rois.
Doze stierf intusschen 7 Januarij 1285. Voorts
spreekt hij van Guillaume de Saint-Amour als
reeds gestorven, vs. 11682, en doze stierf in
1270 of 1272 (Jubinal op Rutebeuf, Tom. I,
pag 391)."
2 Zie bl. 24. ' Het XXIIe deel dier Geschiedenis verscheen in 1856.
3 Hierbij wordt aangehaald het Journal des
Savants, Oct. 1816, dat ik niet heb kunnen raadplegen. Dr. Jonckbloet heeft het ongetwijfeld niet
gekend, en is geheel zelfstandig tot de kennis
van den tijd der vervaardiging gekomen. Francisque Michel, die blikens zijne Preface het stuk
van Paulin Paris over de Rose kende, en althans
moest gekend hebben, begint niettemin zijne
Preface met de volgende woorden : uDepuis le
XlVe siecle, époque h laquelle ce vaste poeme
vit le jour," etc.
XI
Est ores de Sesile rois,
Qu'ainsinc le volt Diex li verois,
Qui tous jours s'est tenus o li . . . .
Charles d'Anjou, couronne roi de Sicile le 6
Janvier 1266, inourut le 7 Janvier 1285. C'est
done evidemment dans l'espace renferme entre
ces deux dates que Jean termina son oeuvre.
Peut-etre memo oserait-on resserrer encore cot
espace ; car les Vêpres siciliennes etant du mois
de mars 1282, on pourrait croire que si le pate
Olt ecrit apres ce lugubre evenement, it out au
moins fait quelques voeux pour que le Dieu
protecteur de Charles lui permit de tirer vengeance de ses sujets revoltes." 1
Een andere aanwijzing voor den tijd der vervaardiging vindt Paulin Paris in het gesprek
van Faux-Semblant over de bedelorden. 2
,,Le curieux discours de Faux-Semblant dolt
avoir ete compose dans le temps des plus vives
quenelles entre les ordres mendiants et l'Universite de Paris ; tant le pate prend avec ardour
le parti du célèbre champion de l'Universite,
Guillaume de Saint-Amour." 3
Die twisten nu waren het hevigst toen Guillaume de Saint-Amour in 1256 word verbannen.
Hij stierf, gelijk wij reeds uit de aanteekening
van Dr. Jonekbloet zagen, in het jaar 1270 of
1272. Op eene andere plaats, door Paulin Paris
niet aangehaald, wordt over den balling gesproken in deze woorden: 4
Se cil de Saint-Amor ne ment,
Qui disputer soloit et lire,
Et preeschier ceste matire
A Paris, avec les devins :
Jh ne m'aist ne pains ne vins,
S' il n'avoit en sa verite
L'acort de l'Universite
Et du pueple communement,
Qui ooient son preschement.
Nus prodons de ce refuser
Vers Dieu ne se puet escuser.
Qui grocier en vodra, si grouce,
Qui correcier, si s'en corrouce,
Car ge ne mien teroie mie,
Se perdre en devoie la vie,
Ou estre mis, contre droiture,
Comme sains Pons, en chartre oscure,
Ou estre bannis du roiaume
A tort, cum fu mestre Guillaume
De Saint-Amor, qu' Ypocrisie
Fist essilier, par grant envie.
Dr. Jonckbloet leidt nit deze plaats af, dat de
dichter van Guillaume de Saint-Amour als ,,reeds
gestorven" spreekt. Wij gelooven ten onrechte. Jean
de Meung verhaalt dat de beroemde godgeleerde
placht to disputeeren en to lezen en ten onrechte
verbannen word. Ware hij nu reeds gestorven,
toen de dichter deze regelen ter neder schreef,
dan zoude toch wel de stereotype formule van.
,,God hebbe die sidle sine," zooals bij onze middeneeuwsche schrijvers, of Tots dergelijks na de
vermelding van den naam gevolgd zijn. Onzes
inziens wijst deze plaats veeleer op den tijd van
1256-1272, toen Guillaume de Saint-Amour
verbannen, maar nog niet gestorven was.
Nog eene andere plaats wordt in de Histoire
litteraire aangehaald, welke mode eenigermate kan
strekken om den tijd der vervaardiging to bepalen. 6 Zij komt voor in dat gedeelte, hetwelk
door Hein van Aken niet vertaald is geworden.
De dichter spreekt van de ware „gentillece" en
beweert: 6
que nus n'est gen tis,
S'il n'est as vertus enteritis,
Ne n'est vilains, fors par ses vices
Dont it pert outrageus et vices.
Noblece vient de bon corage;
Car gentillece de lignage
N'est pas gentillece qui vaille,
For quoi bonte de cuer i faille.
Onder de ware modellen van „gentillece " worden genoemd als
Chevaliers as armes hardis,
Preus en faiz et cortois en dis,
Si ' cum fu mi sires Gauvains,
Qui ne fu pas pareus as yains,
Et li bons quens d' Artois Robers,
Qui des tors qu'il issi du bers,
Hanta tons les jors de sa vie
Largece, honor, chevalerie ;
N'onc ne li plot oiseus sejors,
Ains devint hons devant ses jors.
Tex chevaliers preus et vaillans,
Larges, cortois et bataillans,
1 Dr. Jonckbloet schijnt de laatste bijzonderheid
over het hoofd to hebben gezien.
2 Meon, II. 327, vs. 11042 vlgg.; Michel, II. 4,
en verg. de Hist. Litt, de la France, XXII, 31.
Zie onzen tekst vs. 10325, bl. 177.
3 Zie over dien strijd de Hist. Litt. de la
France, XIX, 197-215; XX, 749--754; XXI,
468-477 ; Schlosser, Vincent von Beauvais, II,
119-151.
4 Zie Meon, II. 355, Michel, II. 25, en onzen
tekst, bl. 184.
5 Aid. bl. 43.
6 Meon, III. 200, Michel, II. 251.
XII
Dolt partout estre bien Venus,
Las, ames et chier tenus. 1
,Robert d'Artois, second du nom, fiat tue, le
10 Juillet 1302, 4 la bataille de Courtrai, et une
mauvaise interpretation de ce passage avait fait
croire que Jean de Meun avait acheve le roman
de la Rose apres cette date. Mais au soin qu'il
prend de parlor de la premiere enfance du
prince, 4 ce qu'il ajoute ',gull devint hommc
devant ses fours", c'est-4-dire avant l'age ordinaire de la virilite, ii fallait pint& conjecturer
que Jean de Meun s'exprimait ainsi quand Robert
etait encore assez jeune, c'est-4 dire de 1265
h 1270 ; et cette indication fortifie ce qu'on
a dejh dit du temps oil l'ouvrage put étre compose." 2
Trekken wij nu het door Paulin Paris en Dr.
Jonckbloet aangevoerde samen, dan blijkt ten duidelijkste, dat de Rose voltooid moet zijn geweest
vddr 1285, waarschijnlijk zelfs vddr 1282, daar
van de zoo vermaarde Siciliaansche Vesper met
geen enkel woord melding wordt gemaakt. De
wijze, waarop van Graaf Robert van Artois wordt
gesproken, doet het vermoeden ontstaan dat de
dichter van dien vorst, als nog een jongeling zijnde,
melding maakt. Robert II van Artois werd geboren
in 1250, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij,
toen Jean de Meung zijne Rose schreef, nog in
de periode verkeerde van „ho ps devant ses jors"
to zijn, tusschen den vijftien- en twintigjarigen
leeftijd (1265-1270). Vergelijken we nu daarmede
de plaats over Guillaume de Saint-Amour, waaruit wel blijkt dat hij verbannen, maar nog geenszins dat hij gestorven was, dan komt het ons niet
onwaarschijnlijk voor, dat het jaar der vervaardiging van de Rose gerustelijk tusschen 1260 en
1270 kan gesteld worden, gelijk later, naar wij
meenen, bij de bepaling van den tijd der irertaling zal bevestigd worden.
In de verzen van Guillaume de Lorris vinden we
hoegenaamd geene toespelingen op geschiedkundige
gebeurtenissen van zijnen tijd, die ons eenigermate
licht zouden kunnen geven over den tijd der vervaardiging van het eerste gedeelte. 3 Stelde men
vroeger algemeen het sterfjaar van Guillaume de
Lorris in 1260, daar men rekende dat Jean de
Meung eerst omstreeks 1305 zijn werk zou hebben
voltooid, na het boven aangevoerde zal men tot
het besluit moeten komen, dat Guillaume de
Lorris reeds vddr 1230 is gestorven. Paulin
Paris wijst het werk van den eersten dichter
terug tot de regeering van Filips-August, die tot
1223 regeerde. Hij zegt : 4
u Ces souvenirs qui nous reportent au debut de
la guerre d'Italie, 5 joints 4 la mention de l'exil
de Guillaume de Saint-Amour en 1256, et au
temoignage de Jean de Meun lui-meme, qui
tommence par dire qu'il commence le poeme
plus de quarante ans apres la mort du premier
auteur, nous ont naturellement conduits 4 renvoyer au regne de Philippe-Auguste l'oeuvre de
Guillaume de Lorris."
Reeds Schlosser ° nam; toen hij zijn work over
Vincentius schreef, tegen de toen algemeen heerschende meening, het jaar 1240 als dat van
den dood van de Lorris aan, vooral daartoe
geleid door den geest, die in het tweede gedeelte op elke bladzijde schier zich openbaart.
Hij ziet in de poezie van eon Jean de Meung
en anderen , den stillen Widerstreit, der bei
einem Theile der Nation durch das Griibelnde,
finster Religiose, das Ludwig aus der besten
Meinung dem Volke aufdrangen wollte, um so
mehr geweckt wurde, je mehr die Poesie, die
im Volke doch lebte and unter der Theologie
erliegen solite, als verbotene Frucht jetzt emsiger
gesucht wurde." De Rose word dan ook vervaardigd ,gerade in der Zeit, als Ludwig der Heilige
so strenge Gesetze gegen alle Weltlichkeiten gab,"
en later voegt hij er nog bij : ,Wir sagen ausdriicklich, dass diese allegorische Dichtung in die
Zeit falle, wo Ludwig gegen die Weltlichkeiten
eiferte, weil aus dem Gedicht selbst hervorgeht,
dass der erste Verfasser, oder besser der Verfasser
der ersten Halfte, Wilhelm von Lorris, dessen
Arbeit man als ein besonderes Werk entdeckt,
aber noch nicht herausgegeben hat, nicht, wie man
sonst behauptete, gegen 1260, sondern schon gegen 1240 starb, and dass derjenige, der es in
einem weit freiern Tone als sein Vorganger, oder
vielmehr in einem sehr oft obscOnen Tone fortgesetzt hat, nicht urn 1300, wie man glaubte, sondern schon gegen 1280 schrieb."
Aanmerkelijk is het verschil dat tusschen beide
1 Meon, III. 203 ; Michel, II. 254.
2 Mist. Litt. t. a. p. bl 43.
3 Meon, Avertiss. I, xit : ,On pent remarquer
d'ailleurs que, dans cette premiere partie, it n'est
question d'aucun fait historique ni d'aucun auteur,
si cc n'est Macrobe . . . . On pent donc fixer repoque de la mort de Guillaume de Lorris vers
1260, ainsi qu'on l'a fait jusqu'h present."
4 T. a. p. bl. 25.
5 De herinneringen Kier bedoeld zijn die gemeld op bl. viii en op bl. ix.
6 Vincent von Beauvais, II. 164. Schlosser schreef
dit werk reeds in 1819.
XIII
dichters bestaat. Guillaume de Lorris is de gewone trouv e re, die over minne en vrouwen dicht,
zonder veel praal van geleerdheid, naar alle waarschijnlijkheid alleen bekend met Ovidius' werken;
Jean de Meung is de geleerde dichter, toegerust
met een schat van wetenschap, in niet geringe
mate vertrouwd met de klassieken. 1
Misschien verkeerde hij aan het fra,nsche hof,
zooals men uit zijne eigene woorden in het Testament schijnt te kunnen opmaken :
Diex m'a trait sans reproche de jonesce et
d'enfance,
Diex m'a par maint perilz conduit sans mescheance,
Diex m'a donne au miex honneur et grant
chevance,
Diex m'a donna servir les plus grans Bens
de France. 2
en dan is het volstrekt niet vreemd, dat hij zich
die voor zijnen tijd verbazende geieerdheid kon
opdoen, dear de Heilige Lodewijk niets had gespaard om zijne boekerij tot een waarlijk koninklijke to maken. 3
Hij vervolgt het werk van zijn voorganger om
het als voertuig te kunnen gebruiken voor de
denkbeelden, die in zijnen tijd maatschappij en
kerk beroerden. Een aartsvijand van femelarij en dweepzucht, trekt hij met bitterheid to
velde tegen den kanker zijner dagen, de steeds
meer in macht en aanzien toenemende bedelorden. Een verachter van het vrouwelijk geslacht,
misschien omdat hij reeds „te veel en te velen
had liefgehad", en door vele veroveringen geen
hoog denkbeeld koesterde van de deugd der
vrouwen, volgens hem alien
De faict ou de volente putes,
liet hij geene gelegenheid ongebruikt om ze met
smaad en schimp te bedekken. Een man zijner
eeuw, niet vreemd aan de democratische en
communistische denkbeelden, die meer en meer
in het brein van velen begonnen to woelen en to
gisten, en die ze met snijdende scherpheid verkondigde.
Voor wij afscheid nemen van de beide fransche dichters, willen wij het oordeel van
Ampere rnededeelen, die in korte trekken hem
schetst. 4
„Le style de Jean de Meung forme un parfait
1 Jean de Meung toont bekend te zijn met
Plato, de gulden verzen van Pythagoras, Ovidius,
Horatius, Cicero, Lucanus, Solinus, Claudianus,
Suetonius, de Almagesta van Ptolemeus, Justinianus' Instituten niet alleen, maar ook de Pandecten , Juvenalis, Boethius, Virgilius, Valerius
Maximus, Sallustius, en vertaalt herhaaldelijk het
een of ander uit de werken dier schrijvers. Aristoteles kent hij door Boethius ; Homerus had hij
misschien gelezen; hij spreekt van Socrates, Seneca,
Tibullus, Catullus, Gallus, Hippocrates, Galienus,
Parrhasius, Apelles, Myro, Polycletes, Euclides,
Empedocles, Ennius. En voegt Ampere, t. a. p. 355
er bij : ,,Tout ce qu'il dit des auteurs anciens est
exact, si ion en excepte qu'il suppose qu' Auguste
donna la ville de Naples h Virgile, fait apocryphe
probablement emprunte h la legende qui, au
moyen age, fit de Virgile un magicien de Naples . . . Jean de Meung a pu citer, it est vrai,
plus d'un passage des auteurs anciens au moyen
de certaines compilations modernes, comme le
Policraticon de Jean de Salisbury ; mais souvent
ou voit qu'il connait l'auteur original."
2 Won, I. xri, Michel, I. mu. Paulin Paris
t. a. p. bl. 55 houdt Jean de Meung niet voor
den schrijver van het Testament en andere
upoemes moraux et religieux composes par Jean
de Meung dans sa vieillesse, ou que de bonnes
times lui avaient attribues, comme un testament
reparateur des egarements de sa jeunesse. Ces
poemes quel qu'en soit l'auteur, sont du XIVe
siècle."
3 Maerlants Sp. Mist. I. Inl. v.
4 T. a. p. 317, en verg. bl. 360: ,,L'oeuvre
de Jean de Meung doit done etre consider&
comme une audacieuse tentative d'un libertin du
treizieme siècle, qui, h l'aide de quelques precautions orataires, a voulu sciemment attaquer
non seulement les abus qui s'etaient glisses dans
l'Eglise, mais l'esprit meme du spiritualisme
chretien. Savant pour son temps , nourri de
l'antiquite, paten d'imagination, epicurien par
nature et par principe, it fut un devancier puissant des erudits peens et materialistes du seizieme siècle. Il fut un devancier lointain des
sensualistes les plus decides du dix-huitieme
siècle. Il y a en lui le germe de Rabelais, et
meme, h quelques egards, de d'Holbach et de
Lamettrie." Paulin Paris t. a p. bl. 15 oordeelt aldus over het werk van Jean de Meung:
,,Jean de Meun a vu surtout dans la continuation du Roman de la Rose une occasion de
donner carriere h son erudition, a ses opinions
philosophiques et au libertinage de son esprit.
Guillaume de Lorris avait voulu raconter l'histoire d'un veritable amoureux ; Jean de Meun
s'est propose de parler de tout, a l'exception du
veritable amour : it a fait un ouvrage de marqueterie, une sorte d'echiquier, dans lequ,e1 it a
place avec plus on moins de symetrie et d'h
XIV
contraste avec celui de Guillaume de Lorris.
Autant celui-ci etait coulant, parfois faible a force
d'être doux, languissant h force d'être langoureux,
autant le langage de Jean de Meung es t rude,
vif, emporte, en quelques endroits ttpre, lourd,
obscur. Le merite de la premiere partie du Roman
de la Rose, c'etait la grace et la finesse ; le
2.
merite de la seconde, c'est la vigueur et l'audace.
C'est un joyeux moine qui prend la parole apres
un troubadour dameret. On croit voir l'aimable
Jehan de Saintrê remplace ainsi qu'il le fut
dans le coeur de la Dame des belles Cousines
par un rival robuste et gaillard comme Damp
abbe."
Hein van Akens Rose. Verhonding tot het origineel.
Beoordeeling.
Het is niet vreemd dat in ons vaderland, waar
steeds met zooveel gretigheid de kunstproducten
van franschen bodem werden ontvangen en overgeplant, een werk als de Rose spoedig eenen
vertaler vond. In gewesten zoo bloeiende als
Vlaanderen en Brabant, Holland en Zeeland,
waar een rijke en machtige adel, maar ook een
snel opkomende burgerij het leven wilde genieten, waar een levenslustige jeugd van minne en
vrouwen droomde, en op veroveringen in Amors
gebied uit was, moest een gewrocht als de Rose
hoogst welkom zijn. Doch ook voor de questions
bridantes van den dag, voor de maatschappelijke vraagstukken was de nieuwe Ars Amandi
welkom in het vaderland van eenen Maerlant,
van eene ontluikende didactische school, uit
wier midden dezelfde beschuldigingen werden
geslingerd tegen de misbruiken der kerk en der
geestelijkheid ; die dezelfde democratische beginselen verkondigde die ook vaak in hare schatting der vrouw met den franschen dichter overeenstemde. '
Voor den vertaler der Rose wordt algemeen
gehouden Hein van Aken van Brussel, parochiaan
to Cortbeke : op welke gronden zullen wij kortelijk
aangeven.
Jan Boendale spreekt in zijnen Lekenspiegel
van dezen dichter op de volgende wijze: 2
Van Bruesele Heyne van Aken,
Die wel dichte conste maken,
(God hebbe die 'ziele sine !)
Maecte dese twee vaersekine :
,,Vrient die wart langhe ghesocht,
Selden vonden, schiere verwrocht."
In onze bewerking der Rose vinden wij op
eene enkele plaats denzelfden naam genoemd, en
wel op de straks door ons me,degedeelde plaats
uit het origineel, waar de namen der beide fransche
dichters voorkomen. 3 Door de onhandigheid des
vertalers, zoowel als door de slordigheid der beide
handschriften heeft die plaats eenige moeilijkheid
in. Waar Amour in zijne aanmaning tot de
baronnen de Romeinsche dichters Gallus, Catullus
en Ovidius als zijne vroegere dienaren heeft ge noemd, vervolgt hij :
Maer si sijn doet, dat es mi loot.
Siet hier van Brusele lienrecke,
Die ver Jalosie swaerlecke
Torment ende pijnt, bi mire trouwen,
So dat hi sterven waent van rouwen.
Nu es hi mi comen to radon
Also een die mijn vrient gestaede
Es ende al eigin mijn. 4
Van Brusele Henrecke heeft hier de plaats
van Guillaume de Lorris ingenomen. Doch nu
gaat de vertaler gedachteloos . voort en maakt
daardoor den tekst geheel en al onverstaanbaar.
De aanwijzing van de laatste verzen door Guillaume de Lorris, de voorspelling door Amour
gedaan, dat hij daarna van zijnen arbeid zoude
rusten, hadden geheel en al achterwege moeten
blijven, daar niet als in het origineel twee dichters
propos les principaux incidents de la vie et l'histoire de toutes les passions humaines. Ne lui
demandons pas de plan regulier; l'art de la composition n'est pas le lien; it disserte de tout comme
Montaigne, avec une egale independance de pensees, quelquefois la memo force d'expression, et
toujours le memo desordre. Mais l'auteur des
Essais, des le debut, nous avertit du moins de
la liberte de ses allures, tandis quo Jean de Mean,
qui, en reprenant an poeme sagement conduit
jusque-la, s'etait engage a regler sa marche sur
cello de son ingenieux devancier, merite certainement le reproche d' avoir manqué h ses promesses."
1 Verg. o. a. fans Teesteye van Boendale,
waarin zoowel tegen de priesterschap als tegen
de vrouwen met niet weinig scherpte wordt uitgevaren. Zie de medegedeelde stukken in mijne
Bloemlezing, II. 163 vlgg.
2 Ald. B. III. c. 17, vs. 91 (D. III. bl. 188).
3 Zie bl. VI.
4 Bl. 170, vs. 9901,
xv
het werk hebben volbracht, maar alleen van
Brusele Heinric de vertaler is.
In den franschen tekst volgt nu de aankondiging :
Puis vendra Jehans Clopinel,
die door Amour als nog niet geboren wordt
voortgesteld. Hij zal het werk van Guillaume de
Lorris voortzetten, kg zal aanvangen met de
woorden :
Et si l'ai—ge perdue, espoir. etc.,
en opdat hij eens in staat worde gesteld het
werk met glans ten einde te brengen, roept Amour
de hulp van Lucina en Jupiter in, eene bede
daar zoo volkomen natuurlijk en gepast, als ze
in den nederlandschen tekst misplaatst is.
In plaats nu van het even aangehaalde vers
onvertaald te laten, gaat Hein van Aken aldus
voort (vs. 9935):
Nu coemt hierna Jhan, sijn geselle,
Een hovesch knape, daer ic of telle,
Ende mi eerlec heft gedient
Alse een mijn getrouwe vrient,
En vort dienen wilt gereit,
In het Comburger handschrift is door een even
onhandigen afschrijver 1 daarvoor geplaatst :
Nu comt Mechiel, sijn gheselle,
Een hovesch poertere, daer ic of telle.
Dat we bij onzen tekst niet aan twee vertalers,
maar slechts aan een enkelen te denken hebben,
blijkt aanstonds uit de volgende verzen (vs. 9946):
Ende Henrec, dats mi wel cont,
Die dit Dietchs begonnen heeft,
Willet volenden, opdat hi leeft.
Eenige verzen later (vs. 9959) leest men in
den Amsterdamschen Codex
Nu es wel recht sekerlike,
Dat wi den toename van Heinrike
Seggen ende condich maken ;
Want die toenamen sie sijn saken
Daer die man bekint mede es.
Sijt seker des,
Es sijn toename, ende es prochiaen
Te Cortbeke, alsict hebbe verstaen.
In het Comburgsche handschrift heeft de afschrijver verder zijn naam in den tekst gesmokReeds Willems vermoedde dat deze verandering aan een afschrijver to wijten is. Zie Belg.
illus. IV. 114.
2
Belg. Mus. IV. 104.
3 Gesch. der Mnl. Dichtk. III. 354.
4 uSlechts eene plaats", zegt Dr. Jonckbloet
t. a. p., ,,tref ik in de Rose aan, die letterlijk
keld en dien daardoor geheel onverstaanbaar
gemaakt. Vs. 9957— 66 luiden aldus :
Want sijn bouc ende sijn sermoen
Sal werden ghelesen in menigher scat,
Ende men sals ons dienen to bat,
Ende so onse zaken doen. verstaen,
Dat si nemmermeer en vergaen.
Doch quaemt dat Heinric niet vuldede,
Ende Michiel hi endet mede,
Entie Heinric was prociaen,
Ende Mechiel adde de name ontfaen,
Ende bedi dat dese Heinrijc
Ons dienen sal ghetrauwelijc,
Als hi de Rose heeft to linen wille,
Die nu van wanhopen zwighet stille,
Biddic der Goddinnen vri, enz.
Dezen onzin kunnen wij met stilzwijgen voorbijgaan en terugkeeren naar den tekst van het
Amsterdamsche handschrift. De toenaam waarop
het hier vooral aankomt, is er niet ingevuld; de
regel springt niet in, alsof er iets is uitgelaten,
maar begint even als de andere verzen met een
hoofdletter. Dat intusschen die toenaam is vergeten, is zeker, en wij waken er geene zwarigheid van om met Willems to lezen :
VAN AKENE, sijt seker des,
Es sijn toename.
Het Teed bij den Vlaamschen geleerde volstrekt
//pen twyfel dat Hendrik van Brussel en Hein
van Aken een en dezelfde dichter is. Brussel
was vermoedelyk zyne geboortestad. Het dorp
Corbeke-over-Dyle, of Corbeke-over-Loo, by
Leuven, was zyne verblyfplaets, en daer stond
by als pastor (prochiaen). " 2
Dr. Jonckbloet, volgens wiens meening geene
enkele aanwijzing voor den datum der vertaling
in onze Rose is to vinden, een punt waarop wij
later terugkomen, doet nu de vraag : „Kan de
dichter of vertaler van een werk als de Rose
door den eerzamen Jan de Clerc met lof zijn
vermeld ?" 3
Hij aarzelt niet op die vraag een toestemmend
antwoord te geven: llWie den Lekenspieghel en de
Teesteye met de Rose vergeleken heeft, zal geen
oogenblik in twijfel staan of de Clerc had dit
laatste werk gelezen, 4 welks didaktische richting
in den Lap. en de Doctr. beide teruggevonden
wordt : vs. 4825 (4779):
Maer dien ghenoeghet dat hi hevet,
Hi es die rijcste die levet.
Men verg. daarme6 Lap. III. 13. cap. 8, vs.
287-8 (3 D. bl. 43) en Doct. II B. vs. 3001-2,
bl. 181. Wellicht moet men hier echter aan
een algemeen gangbaar spreekwoord denken."
XVI
niet zonder aantrekkelijkheid voor hem kon blijYen ; en zoo men nu meent dat zijn goede dunk
al moest getemperd worden door de wulpsehe
strekking van het verhaal, dat tot voertuig dier
moralization wordt gebruikt, men bedenke dat
hij van de uoncuischeit van lichamen" uitdrukkelijk getuigt,
Datsi verre die minste es
Van alien den hoeftsonden. 1
En wij zagen bovendien dat de vertaling vrij
wat ingetogener is dan het origineel."
Dat de uvaersekine" door Boendale aangehaald
niet in de Rose staan, is geene reden dat ze niet
van Hein van Akens hand zouden zijn. In geen
der twee thans ons bekende handschriften worden ze aangetroffen ; of een nieuw handschrift
hieromtrent wel meer licht zoude geven, is althans zeer te betwijfelen. Veel waarschijnlijker
is het dat zij behooren tot een der onbekende
voortbrengselen van den dichter, die, volgens
Boendales verklaring,
wel dichte conste maken,
en niet als de schrijver der Rose alleen, maar
ook van andere werken ons bekend is, gelijk wij
nader zullen zien, als van die geschriften wordt
gesproken.
De fransche Rose is, wij zagen het reeds vroeger, een werk van vrij langen adem, en telt niet
minder dan 22000 verzen. Door verkortingen
zoowel als door min of meer belangrijke uitlatingen is de vertaling merkelijk ingekrompen,
zoodat ze niet meer dan ruim 14000 verzen bev at
en het verschil ongeveer 7600 bedraagt.
Hoewel door Dr. Jonckbloet, 2 en later door
Kausler, 3 en ook in onzen tekst aithans voor
een groot deel de verkortingen en uitlatingen
zijn medegedeeld, zal het ter wille der volledighoid toch noodig zijn hier eene korte opgave er
van te geven, die tevens zal kunnen strekken
haren aard en karakter te beoordeelen.
Het eerste gedeelte van den roman, dat wij
aan de hand van Guillaume de Lorris te danken
hebben, is bijna woordelijk, vers voor vers, vertaald, zoodat het oorspronkelijke 4069 verzen,
en de vertaling slechts tien (bij Kausler 53) verzen minder bedraagt. Aileen bij natuurbeschrijvingen wordt eenige verkorting in acht genomen,
als in vs. 1281-82, die de geheele beschrijving
van den Ver,qier bevatten, welke in het oorspronkelijke van vs. 1336-1389 loopt. Ook vs. 1401—
1417 van die zelfde beschrijving zijn in de vertaling geheel weggelaten. 4 Dat nu niettegenstaande deze bekorting het getal der verzen van
het eerste gedeelte in origineel en vertaling nagenoeg gelijk is, moet hieraan toegeschreven worden
dat de vertaler niet overal in zoo korte woorden
den zin van het oorspronkelijke kon teruggeven,
en vaak in twee of meer regels moest overzetten
wat de fransche dichter in een enkele uitdrukte.
De verhouding van de voortzetting door Jean
de Meung tot de vertaling is eene geheel andere;
in stede der 18000 verzen ongeveer van het oorspronkelijke heeft Hein van Aken deze ingekrompen tot ruim 10200 verzen, hetgeen dus
een verschil van nagenoeg 7800 verzen uitmaakt.
Van waar dit aanmerkelijk verschil?
De oorzaak is tweeledig, daar we eensdeels
met bekortiagen, andersdeels met min of meer
belangrijke uitlatingen to doen hebben.
Was Guillaume de Lorris kort en sober, Jean
de Meung is niet zelden omslachtig en wijdloopig ; hij heeft een rijkdom van woorden te zijner
beschikking, die hem vaak in herhalingen doet
vallen. Zonder den zin to schaden gaat de vertaler meestal met grootere kortheid to work; de
beelden worden niet zoo in 't lange door hem
uitgesponnen, en men mag met Dr. Jonckbloet
den vertaler lof toezwaaien, dat hij „met takt
sober to work ging."
Het zal voldoende zijn de eigenlijke verkortingen even aan to stippen, om bij de belangrijkste uitlatingen iets langer stil to staan. 5
1 Lsp. B. III, c. 8, vs. 52 (D. III, bl. 105).
Gesch. d. Mul. Dichtk. III. 399 vlgg.
8 Denkmaler, III. 322— 288.
4 Dr. Jonckbloet vestigt nog de aandacht op
eene verkorting, en wel op vs. 3758, waarna vs.
3718— 3721 van het origineel zijn weggelaten,
en de in vs. 3722-3739 aan Faor in den mond
gelegde woorden zeer verkort door Scande worden gesproken. Ook vs. 3753-3763 van het
origineel ontbreken in de vertaling. Zie Mon,
I. 151, 152 ; Michel. I, 122, 123. Voeg hier
nog bij eene kleine inflating na vs. 2117. De
fransche tekst heeft hier nog eene bijzonderheid,
voor de geschiedenis der zeden niet onbelangrijk.
Na de raadgevingen omtrent de zorg door den
Minnaar aan zijne kleedij en zijn uiterlijk to
besteden, volgt vs. 2180 :
1Viais ne te farde ne ne guigue,
Ce n'appartient s'as dames non,
Ou h ceus de maves renon,
Qui amor par mal aventure
Ont trouve contre nature.
Zie Meon, I. 19 ; Michel, I. 72.
5 Bij de opgave der verkortingen hebben wij
kortheidshalve het cijfer der verzen naar Mon,
en dus het juiste getal, de bladzijde van Michels
2
IcArn
Terwiji de kleinere uitlatingen en verkortingen
rich of bepalen tot een min wijdloopige of gerekte redeneering, tot een minder in de kleinste
bijzonderheden uitgesponnen beschrijving van de
kunstmiddelen van het vrouwelijke toilet, tot het
weglaten van voorbeelden uit de geschiedenis
Vs. 9890-9894, ....
uitgave medegedeeld. De vergelijking zal den
0. vs. 10539-10554, (I. 349)
(97
(9712-9716)
lezer niet veel moeilijkheid opleveren.
Vs.10399-10402, .....
De verkortingen en uitlatingen zijn de vol(
(10235-10238) O. vs ' 11108-11120, (II. 5)
gende :
Na ys.10454 (10290) - 0. vs.11180-11192, (II. 7)
Vs. 4187-4204,
- O. vs. 4232-4265, (I. 140)
Na ys.10560 (10396) - 0. vs.11442-11447, (II. 16)
(4145-4162)
Na ys.10648 (10484) - 0. vs.11548-11558, (II. 20)
Vs. 4484-4490,
- O. vs. 4569-4591, (I, 153)
Vs.10673-10679, _
(4440-4446)
-10515) 0 * vs ' 11587-11599, (II. 22)
(10509
Vs. 4543-4550,
- 0 vs. 4643-4657, (I. 156)
Na ys.10742 (10578) - 0. vs.11664-11669, (II. 24)
(4497-4504)
Na ys.10765 (10601) - 0. vs.11689-11698, (II. 25
Vs. 4635-4645,
vs. 4736-4761 (I. 159)
(4589-4599) - 0.
Na ys.10827 (10664) - 0. vs.11757-11766, (II. 28
Na vs. 4650 (4604) - 0. vs. 4769-4777, (I. 160)
Vs.10860-10889, ....
(1
0690-10715) 0 ' vs.11802-11839, (II. 30)
Vs. 4727-4764,
- 0. vs. 4864-4907, (I. 162)
(4681-4718)
Vs.10975-11034, _
Vs. 4813-4856,
(10801-10860) 0 vs.11916-12099, (II. 33)
- 0.vs.4976-5039,(1.166-167)
(4767- 4810)
Na ys.11046 (10872) - 0. vs.12110-12122. (II. 39)
Na vs. 4888 (4842) - O. vs. 5067-5069, (I. 168)
Na ys.11268 (11098) - 0. vs.12342-12350, (II. 46)
Vs. 5047-5052,
Vs.11504-11511, _ 0.
- 0. vs. 5247-5263, (I. 1741)
vs 12574-12583, (II. 54)
(4999-5004)
(1
1328-11335)
Vs. 5063-5117,
Vs.11514-11518, _
- 0. vs. 5272-5334, (I. 175)
(5015-5067)
(1
(11338-11342) 0 . vs.12588-12594, (II. 55)
Vs. 5123-5169,
Vs.11588-11591,
_
(5073-5118) - (3. vs. 5340-5389, (I. 177)
(1
(11412-11415) 0 . vs . 12668-12672, (II. 58)
Vs. 5238-5243,
Vs.11640-11656, _
vs. 5451-5467, (I. 180)
0. vs .12786-12809, (II. 61)
(5188-5193) - O.
(1
(11464-11480)
Na vs. 5492 (5440) - 0. vs. 5733-5747, (I. 191)
Na vs.11734 (11558) - 0. vs.12902-12911, (II. 65)
Na vs. 5727 (5675) - 0. vs. 5984-5995, (I. 199)
Na ys.11743 (11567) - 0. vs.12920-12923, (II. 66)
Vs. 5779-5818,
Na ys.11812 (11634) - 0. vs.12993-12999, (II. 68)
vs. 6046-6101, (I. 201)
(5727-5766) - O.
Na ys.11855 (11677) - 0. vs.13041-13046, (II 70)
Na vs. 5871 (5819) - 0. vs. 6148-6156, (I. 204)
Na ys.11886 (11708) - O. vs.13083-13095, (II. 71)
Na vs. 5969 (5914) - 0. vs. 6246-6251, (I. 207)
Vs.11921-11929, _
Na vs. 5978 (5924) - 0. vs. 6262-6273, (I. 208)
(11743-11751) 0 vs.13135-13147, (II. 72)
Na vs. 6024 (5970) - 0. vs. 6347-6365, (I. 210)
Na ys.11972 (11793) - 0. vs.13191-13203, (II. 75)
Vs. 6039-6047,
Vs.12059-12066, - 0 vs. 6378-6393, (I. 211)
0 vs 13282-13295, (II. 77)
(5985-5993)
(11879-11886)
' •
Vs. 6053-6079,
Na
ys.12188
(12008)
0.
vs.13400-13465, (II. 81)
- 0. vs. 6394-6431, (I. 211)
(5999-6025)
Vs.12236-12238, Vs. 6087-6130,
(12056
(12056-12058) 0 . vs.13504-13512, (II. 85)
- O.vs. 6436-6512,(I.213-215)
(6033-6076)
Vs.12255-12258, Vs. 6131-6291,
(12075
(12075-12078) 0. vs.13526-13534, (II. 86)
0.vs.6512-6685,(1.215-220)
(6077-6237) Vs.12293-12296, 0. vs.13570-13587, (II. 88)
Na vs. 6291 (6237) - 0. vs.6686-6754,(I.220-224)
(12113
(12113-12116)
Vs. 6375-6390,
Vs.12300-12326, _
vs. 6848-6885, (I. 229)
(6321-6336) - 0.
(12120-12146) 0 . vs.13588-13622, (II. 88)
(12120
Vs. 8259-8260,
Vs.12343-12344, vs. 8757-8766, (I. 289)
(8157-8158) - 0.
(1
(12163-12164) 0. vs.13645-13651, (II. 89)
Vs. 8909-8910,
Vs.12358-12362,
_
vs. 9493-9503, (I. 315)
(8795-8796) - 0.
(12178
-12182) 0 . vs.13664-13677, (II. 90)
Vs. 9352-9364,
- 0. vs. 9994-10018, (I. 330)
(9182-9194)
Vs. 9555-9575,
- 0. vs.10194-10225, (I. 336)
(9385-9405)
Vs. 9725-9741,
- 0. vs.10368-10420, (I. 343)
(9548-9566)
Vs.12523-12525,
vs.13834-13841, (II. 95)
(12341-12343) - 0.
Na vs.12657 (12475) - 0. vs.13972-13979, (II. 99)
Na vs.12709 (12527) - 0. vs.14019-14025, (II.101)
Na vs.12729 (12547) - 0. vs.14046-14053,(II.101)
XVIII
ontleend, tot een meerdere beknoptheid bij het
geven van voorschriften in wellevendheid en
manieren, zijn er andere uitlatingen die meer
bijzonder onze aandacht verdienen.
In de vertaling loopt na vs. 13208 het verhaal
door, hoe de baronnen den minnaar trachten bij
te staan en wordt de verdere strijd zonder afbreken vervolgd. In het oorspronkelijke daarentegen komt eene uitweiding van meer dan
160 verzen 1 , waarin de dichter zich bij zijne lezers
verontschuldigt over de vaak harde waarheden,
die hij zich verplicht had gerekend te zeggen,
over het aanvallen van de gebreken van zijnen
tijd, en waarin hij bij het zoozeer gehavende
schoone geslacht zoekt goed te maken hetgeen
hij verkorven had. Want, zegt hij tot de uvaillans fames"
se moz i troves jh mis
Qui semblent mordans ou chenins
Encontre les meurs femenins,
Que ne m'en voillies pas blasmer
Ne m'escriture disfamer,
Qui tout est por enseignement.
One n'i dis riens certainement,
Ne volente n'ai pas de dire
Ne par yvresce ne par ire,
Par haine ne par envie,
Contre fame qui soit en vie ;
Car nus ne doit fame despire,
S'il n'a cuer des mauves le pire ;
Mes por ce en escrit li meismes,
Que nous et vous de nous-meismes
Poissons congnoissance avoir,
Car it fait bon de tout savoir.
Doch als ware hij beducht het schoone geslacht
te veel verontschuldigd te hebben, grijpt Jean de
Meung op eene andere plaats de gelegenheid
weder aan om een sermoen tegen de vrouwen te
houden. Na vs. 13706 der vertaling komt in
het oorspronkelijke eene uitweiding van ruim
430 verzen voor, die in de vertaling ontbreken.2
De inhoud daarvan is deze :
Nadat de baronnen uit het leger van Amour
gezworen hadden hunnen heer bij te staan, gaat
de Natuur, vreezende dat in den langen strijd het
menschdom zouden uitsterven, naar hare smidse
A forgier singulieres pieces
Por continuer les espieces.
De Natuur is in strijd met den Dood, die in
woeste jacht een ieder vervolgt, en ieder eindelijk
treft. Doch de Dood, die alle individuen doet
sterven, kan het menschelijke geslacht niet vernietigen. De Phenix die op den brandstapel
vergaat, om uit zijne asch steeds een schooner
te doen verrijzen, is het beeld van de eeuwige
wedergeboorte van het menschelijk geslacht. De
alchymie is niet in staat iets te scheppen, al
is zij ',ars veritable." Zij kan alleen den vorm
veranderen. Na eene lange uitweiding komt hij
tot het vraagstuk van natuur en kunst. In de
Natuur is de sehoonheid tot het hoogste ideaal
gekoraen , geene kunst kan ze navolgen, gelijk
door het voorbeeld van Zeuxis wordt verklaard ;
want
i ne peust-il riens faire,
Zeuxis, tant gust bien portraire,
Ne colorer sa portraiture,
Tant est de grant biaute Nature.
Zeuxis, non pas, trestuit li mestre,
Que Nature fist onques nestre ,
I
Na vs.12731 (12549) - 0. vs.14056-14064, (11.101)
Na vs.12735 (12553) - 0. vs.14071-14078, (II.102)
Vs.I2781-12785, _
14120-14143, (II.104)
(1
(12599-12603) 0 ' vs.
Na vs.12814 (12632) - 0. vs.14182-14207, (11.105)
Vs.12825-12830, _
14222-142310(11.107)
(12643-12648) 0 'vs
•
Na vs.12916 (12734) - O. vs.14338-14356, (II.110)
Na vs.12928 (12746) - O. vs.14642-14657, (II.120)
Na vs.13012 (12831) - 0. vs.14753-14808, (11.123)
Vs.13027-13035, - O . vs 15002-15017, (11.129)
1
(2845-12853)
*
Na vs.13098 (12916) - 0. vs.15075-15100, (11.134)
Na ys.13108 (12926) - 0. vs.15116-15124, (11.135)
Na ys.13142 (12960) - 0. vs.15172-15207,(II.137)
Na ys.13156 (12974) - 0. vs.15223-15268, (11.139)
Vs.13173-13183, _
(12991
(12991-13001) 0 * vs . 15280-15303, (11.141)
Na y s.13468 (13284) - 0. vs.15774-15793,(II.157)
Vs.13527-13531, _
vs.15866-15875, (II.160)
(13343-13347) 0 '
(1
(13434)
0.
vs.15961-15965, (11.163)
ys.13620
Na
Vs.13685 -13698,
vs.16039 -16075, (11.166)
(13499
-13512) 0 *
Vs.13783-13794, - 0
O.vs • 16603-16629, (11.184)
(13593-13605)
Vs.13872-13886,
vs 16711-16737, (11.187)
- 13698) O . *
(13684
Vs.13759-13993, O . vs.16832-16889, (11.191)
1-13805)
(1377
Na vs.13998 (13810) - 0. vs.16890-16902, (11.193)
Na vs.14060 (13872) - 0. vs.20964-20978, (11.317)
Vs.14091-14126, _
0 vs.21499-22552, (11.334)
(13903
(13903-13938) '
Vs.14162-14170, _
vs 21587-216010(11.336)
(13974-13982) 0 ' '
(13974
Na vs.14202 (14014) - 0. vs.21646-21659,(11.338)
Na vs.14331 (14143) - 0. vs.21950 -21959, (11.347
1 Meon, III. 55-63; Michel, If. 142-148.
2 Meon, III. 88-109; Michel, IL 168-182.
XIX
Car or soit que Bien entendissent
Sa biaute toute, et wit vosissent
A tel portraiture maser,
Ains porroient for mains user,
Que si trbs-grant biaute portraire.
Nus, fors Diex, ne le porroit faire.
Car Diex, li biaus outre mesure,
Quant it biaute mist en Nature ,
Il en i fist une fontaine
Tous jours corant et tous jors plaine,
De qui toute biaute desrive.
De vertaler was zeker niet in staat de hooge
wijsgeerige vlucht van den franschen dichter te
volgen, en liet die passage dan ook onvertaald.
Doch na bovengenoemde episode gaat Natuur,
wat gerust gesteld over Venus' plannen, te biecht
bij den priester Genius, die van de gelegenheid
gebruik maakt om de vrouwen te kapittelen. De
vertaler kon toen zeker den lust niet weerstaan
deze rede, hoezeer dan ook bekort, over te nemen, en vlecht ze zeer onhandig in zijn verhaal,
waar ze volstrekt niet op hare plaats is." 1
Na deze uitweiding gaat onze dichter met het
verhaal voort, doch volgen in het oorspronkelijke
4000 verzen, waarin Natuur hare biecht spreekt,
door Dr. Jonckbloet „eene verhandeling de omni
scibili" genoemd, ,waarin behalve eene theorie
over de natuurkunde ook zeer goede zedelijke en
maatschappelijke wenken gevonden worden." 2
In den loop des verhaals is verder nog eene
uitlating van 480 verzen na vs 14084, welke zeer
goed kan gemist worden. 3 Bij de beschrijving
van het beeld ontbreekt die van de wonderdadige
kracht, waarin van den Medusakop en de Action
de l'ymage Pygmalion" voorkomt. Eindelijk is
nog een honderdvijftigtal verzen na vs. 14218 van
onzen tekst onvertaald gebleven, eene vrij platte
uitweiding, die aan den zin van het geheel volstrekt ' niet schaadt.
De reden dezer uitlatingen is gemakkelijk op
te sporen. Eensdeels was de vertaler niet opgewassen tegen de vertolking der vaak diepzinnige denkbeelden van Jean de Meung, die ook
maar dienden om den gang van het verhaal to
storen, en het publiek, voor hetwelk hij schreef,
1 Vs. 13707-14002.
2 Die van dit discours een overzicht wil hebben, leze de analyse er van in Amperes Mélanges,
II. 342-349, en de opgave der bronnen, waaraan
deze redeneering is ontleend in Kauslers Denkmaler, III. 285-287. Deze zijn: Liber de planctu
Naturae en de Encyclopaedia Anticlaudiani, sive
de officio viri boni et perfecti libri nova'? , beide
misschien niet eens welgevallig zouden geweest
zijn. Aan den anderen kant waren bijzonderheden van geheel plaatselijken aard, als die over
Guillaume de Saint-Amour en het Evangile pardurable bij den franschen dichter, 4 in Frankrijk algemeen bekend doch in de Nederlandsche gewesten minder op hare plaats. Legde
Jean de Meung voor zijne lezers de hand op
eene nog gapende wonde, roerde hij snaren
aan, die nog menig gemoed deden trillen, ten
onzent bleef men koel bij de herinnering, en de
vertaler deed dus zeer wel zijnen arbeid in dit
opzicht to bekorten.
Vrees deed een andere maal den Cortbeekschen prochiaan een heftige diatribe in de pen
houden. Het was die voor de geestelijken,
Want si moeten mi, dats waer,
Wedersaken sijn to swaer.
Want dese, daer is of telle,
Sijn wolve gecleedt met scaeps velle. 5
Die belangrijke uitlating is na vs. 10526, waar
in het origineel van vs. 11262-11413 de Dominikaner orde en de voorrechten, haar door den
pans geschonken, worden aangevallen. 6 Evenwel
is het mogelijk dat de vertaler in het handschrift
dat hij volgde dit stuk niet vond, aithans in een
der handschriften door Meon gebruikt ontbreken
niet alleen de hier genoemde verzen, maar ook
de volgende tot vs. 12204, en daarvoor leest men
de volgende aanteekening :
,Ce qui s'ensuit trespasseroiz h lire devant
genz de religion et mesmement devant ordres
mendiens, car it sunt sotif, artilieux : si vous
porroient tost greyer ou nuire, et devant genz
du side, que l'en les porroit mestre en erreur,
et trespasseroiz jusques h ce chapistre oh it commence ainsi : Faus-Semblant, dit Amors, di-moi...."
Hoe dit ook zijn moge, bovengenoemde uitval
wordt in de vertaling niet gevonden, en de straks
aangehaalde plaats doet ons wel vermoeden dat
het beduchtheid was voor zoo zware ll wedersaken", die den Brabander deed zwijgen.
Eene andere merkwaardige uitlating, welke
Dr. Jonckbloet na vs. 9014 (8898) in de vertaling meent to vinden, bestaat alleen in het Cornburgsche handschrift; in het Amsterdamsche
van Alanus ab Insulis, Wiens werken ook Maerlant kende. Zie mijn Wap. Martijn, 105.
3 Meon, III. 286 --308 ; Michel, II. 318-334
4 Zie Meon, II. 335, 369 ; Michel, II. 25, 36,
en onzen tekst bl. 184, 189.
5 Zie vs. 10461.
6 Meon, II. 336-342; Michel, II. 11-16.
XX
komt de plaats over het ontstaan der vorsten
voor, hoewel het bijtende van het oorspronkelijke in de vertaling vrij wat is verloren gegaan.
Zeker de voorstanders van het koningschap „bij
de gratie Gods", die zich al ergeren over de
woorden van Jean-Jacques :
Le premier qui fut roi, fut un soldat heureux.
hoe zouden hun de haren te berge rijzen bij
de zoo plastische, zoo geestige beschrijving van
den eersten worst, dien Jean de Meung aldus
schildert :
Un grant vilain entre'eus eslurent,
Le plus ossu de quanqu'il furent,
Le plus corsu et le greignor,
Si le firent prince et seignor.
Dr. Jonckbloet vond het dan ook ,,nog al
opmerkelijk, dat van dit alles niets in onze vertaling wordt gevonden, noch van de kommunistische uitboezemingen die letterlijk overeenkomen
met Maerlants inzichten, 1 noch van de oorzaak
die de wereldlijke macht in de maatschappij
invoerde, en waaraan de Lekenspieghel een geheel
hoofdstuk wijdt, 2 doch waarin het eigendomsrecht niet moor als de bron van het kwaad wordt
aangegeven, maar integendeel de inbreuk van
koekinen," op dat recht. 3
Wel is in het oorspronkelijke de tirade veel
uitgebreider, daar zij in onzen tekst slechts 43,
in het oorspronkelijke daarentegen 77 verzen
bevat. Betoonde de eene afschrijver door het
weglaten dozer uitweiding ll ontzag voor de wereldlijke macht", de dichter zelf had niet geschroomd
eene leer to prediken, al nam men dan ook in
Brabant # aanstoot" aan stellingen die in het
„ultra-liberale Vlaanderen" door Maerlant werden verkondigd.
Er blijft ons nog over op eene uitlating in de
vertaling to wijzen, die niet dan tot lof van den
Brabantschen dichter kan strekken. Het onderwerp dat hij behandelde gaf hem overvloedig
gelegenheid tot het schilderen van lichtzinnige
tafereelen, en dat de vertaler daartoe vaak de
schitterendste kleuren van zijn palet bezigde, kan
menige gelukte plaats getuigen. Toch is het
ergerlijkste weggelaten, en zijn 250 verzen van
het origineel na vs. 12920 onvertaald gebleven. 4
Die verzen bevatten juist ,,het aaistootelijkste, het
meest wulpsche" en schaamtelooze van de toch
al niet zeer stichtelijke moraal der oude duegne.
De geschiedenis van Mars en Venus wordt niet
verder uitgesponnen, en vooral .het praktisch
onderricht in het overspel gegeven, doormengd
met de meest cynische raadgevingen die uit de
Ars Amandi van Ovidius to putten waren," 5
wordt in Hein van Akens werk niet gevonden.
Over de waarde der vertaling bestaat eenig
verschil tusschen Dr. Jonckbloet en Kausler. De
eerste noemt ze ugelukkig geslaagd", en voegt
er bij : 6
vloeiende, smijdige taal wordt altijd de
zin, en meestal zelfs de uitdrukkingen van het
origineel teruggegeven. Soms is de navolging
woordelijk getrouw, zelfs met behoud der fransche rijmwoorden; soms gaat zij iets vrijer to
werk, soms met bekortingen of uitlating van geheele plaatsen, hetgeen in het laatste gedeelte
des werks toeneemt.
dit gunstig oordeel mogen wij intusschen
niet terughouden, dat de vertaling toch kwalijk
de vergelijking met het origineel kan doorstaan ;
want - ook op de best gelukte plaatsen mist men
soms ongaarne een fijnen trek, een eigenaardigen
overgang, een krachtiger of eigenlijker uitdrukking, die het fransche heeft, maar die in den
kamp met rijm en rhythmus verloren ging. Ja
zelfs was de vertaler hier en daar niet altijd
even oplettend ; dit gaf dan aanleiding tot misvattingen, waardoor de zin van het oorspronkelijke wel eons verduisterd wordt, terwijl hij
enkele malen moor aan den klank dan aan de
beteekenis van een woord schijnt gehecht te
hebben."
Het laatste staaft de schrijver met een paar
voorbeelden, die met andere zouden to vermeerderen zijn, gelijk bij de bewerking van den tekst
ook telkens door ons is gedaan. 7
Kauslers oordeel is veel gunstiger. Reeds bij
de uitgave der Rose meende hij dat de vertaling
1 Gesch. d. Md. Dichtkunst, III. 119-120.
2 B. I. cap. 35 (D. I. 137).
3 ll Te vergelijken met de Rose, hi. 133-135,
is het 3I e hoofdstuk van het eerste book van den
Lsp., dat leert : ,,Hoe dat eerste vole to levene
plach ," I D. bl. 121."
4 Won, III. 14-26 ; Michel, II. 111-119.
6 Artis amatoriae L. II. vs. 727 ; L. III.
7 Verg. o. a. vs. 147, 422, 835, 1015, 1055,
1438, 1722, 3173, 3877, 3929, 4785, 4871, 5207,
5218, 5757 vlgg., 5879 vlgg., 6562, 7350 vlgg.,
7676, 7700, 8030 vlgg., 8135 vlgg , 8240, 8259
vlgg., 8295, 8443 vlgg., 8496, 8748, 8851 vlgg.,
9212 vlgg., 9572, 10524, 10803, 11097 vlgg , 11193,
12119, 13309, 13958, 14073.
Over het verloren gaan van fijne trekken en
woordspelingen in de vertaling, zie vs. 6674,
6856, 11240, enz.
vs. 797.
6 Gesch. der
Dichtk., III. 338.
xxr
U'ebertragung betrachtet, fur meisterhaft
gelten" en „sich dem Chaucer'schen Versuche
kuhn an die Seite stellen" kon. 1
Bij de uitgave van het derde Deel der Denkmaler hij tegen Dr. Jonckbloet de partij
des middennederlandschen vertalers op, en verdedigt dien aldus : 2
„Penn Jonckbloet auch in den gelungensten
Stellen den eigenthiimlichen und kraftigen Ausdruck des Originals vermisst, so scheint mir das
Verdienst derselben etwas unterschatzt. Der
Diehter zeigt sich allerdings der Sprache seines
Originals nicht immer ganz er scheint
zuweilen, besonders bei Uebergangen von einem
Gedanken oder Satze zum andern, um Reim
oder Ausdruck verlegen zu sein, da und dort
fehlt die nOthige Vermittlung oder sie ist ungeniigend ; manche Ziige sind mehr oder weniger
verwischt ; Einzelnes ist matt, dunkel, verfehlt.
Dagenen ist auch kein Mangel an Stellen, deren
frische und treffende Natiirlichkeit sich kuhn mit
dem Originale messen kann, ja die gelungenen
Stellen sind in solcher Mehrzahl vorhanden, dass
ich mein friiher ausgesprochenes Urtheil festhalten und auch jetzt noch diese Dichtung eine
vortreffliche, durch anmiithige Natiirlichkeit der
Sprache und Darstellung ausgezeichnete und in
R licksicht auf die Schwierigkeiten, die gerade
ein Original wie das ihrige darbot, meisterhafte
Arbeit nennen mOchte."
Onzes inziens loopt het oordeel van beide geleerden niet zoo ver uiteen. Beide prijzen de
vertaling, doch niet onvoorwaardelijk; en de bedingingen, die Kausler maakt alvorens den lof
van „meisterhafte Arbeit" aan van Akens werk
te schenken, wegen nagenoeg op tegen de min
gunstige aanmerkingen van Dr. Jonckbloet. Onder
zoodanig voorbehoud kan er haast geen sprake
zijn van de meesterhand, die de vertaling boekte.
Het aantal plaatsen, door ons aangehaald en
in den tekst met het oorspronkelijke vergeleken
en aan den zin er van getoetst, is niet gering.
Woorden niet begrepen en op den klank of overgebracht, zinnen min juist gevat, komen meer dan
enkele malen voor ; en mag men al met het oog op
de vele moeilijkheden, waartegen de Nederlandsche
dichter to worstelen had, de vertaling eene verdienstelijke en goede heeten, de lof van u meesterlijk" is to hoog gespannen en ietwat overdreven.
Vergelijkt men intusschen van Akens werk met
de fragmenten der tweede vertaling, uitgebreid
genoeg om er een billijk oordeel over to kunnen
vellen, dan moet men volmondig erkennen, dat
deze verre bij gene in de schaduw moet staan.
Andere werken van Hein van Aken. Tijd der vervaardiging
van de Rose.
Onder de andere werken van den Brabantschen
schrijver verdient in de eerste plaats vermeld te
worden een klein strofisch gedicht van 270 verzen : Hugo van Tabarie, eene vertaling van een
fransch stuk, dat evenwel in doorloopende verzen
geschreven is, en ten titel voert : L'ordene de
chevalerie de Huon de Tabarie. 3 Naar een papieren handschrift der XVe eeuw, berustende op
de Koninklijke Bibliotheek te Brussel , werd het
eerst medegedeeld door Willems, 4 onder den
titel :
',DU is van her Hugen van Tyberien, hoe hi
den coninc Saladijn ridder maecte, doen hem die
coninc ghevanghen hadde in sijn lant."
Het eindigt aldus
Dit heeft gedicht, to love ente eren
Allen ridderen HEIN VAN AREN.
De korte inhoud van het gedicht is deze. Hugo
van St. Omer, door Boudewijn van Vlaanderen
met het vorstendom Galilea en de heerlijkheid
van Tiberias begiftigd, wordt door Saladijn gevangen genomen. Saladijn laat zich door Hugo
Denkintiler, II. Ix.
2 T. a. p. III. 227.
3 Afgedrukt in Meons Fabliaux et Contes,
T. I. 59.
4 Belg. Mus. VI. 94 vlgg. Naar het Comb.
HS. is het uitgegeven in Kauslers Denknailer,
III. 83, volgg., Aant. 434, en in de Versl. en
Berigten uitgegeven door de Vereeniging ter bevord.
d. oude nl. Letterk., 1845, bl. 53 werd door den
Hoogleeraar Dozy een brokstuk van dit gedicht
medegedeeld uit een HS. van de Bibliotheca
Bodlejana te Oxford.
5 In het Comb. HS.:
Dit heuet ghedicht to loue ende theeren
Allen ruddren Heyne van Haken,
in de Vera.:
Dit heeft ghedicht te love ende toren
Allen riddren Heyne ran Aken.
XXII
tot ridder slaan, en deze verklaart hem hierop
de symbolische beteekenis der handelingen bij
die plechtigheid gebruikelijk.
Hoogst waarschijnlijk is het dit gedicht, dat
aangehaald wordt in den Vierden Martijn, welke
dan ook als een gewrocht van Hein van Akens
pen zoude zijn aan te merken 1.
In dit gedicht worden onder anderen ook de
eigenschappen van een volmaakten ridder genoemd : deze moet edel zijn door zijne geboorte
zoowel als door zijn leven, hij moet zijne bedrevenheid in het hanteeren der wapenen op de
steekspelen toonen : dan eerst kan hij tot ridder
worden geslagen, mits hij den eed zweert
te scuwene alle blame,
Ende te verhuedene sijns heren lant,
Wedewen, wesen, water, sant,
Bi leren van Adame.
En de dichter vervolgt, vs. 742
Doe en mochte geen ridder sijn,
— Dat orcondet boy ende tyedichte mijn,
—Vanlchteriksd.
De Gendsche Hoogleeraar vestigde, bij de uitgave van den zoo lang met smart verwachten
Vierden Martijn, het eerst de aandacht er op,
dat het hier bedoelde gedicht geen ander zal zijn
als van Akens Hugo van Tabarien, en dus ook
Hein van Aken de vervolger van Maerlants
Martijns moet geweest zijn. Eerst betoogt de
Hoogleeraar dat de dichter van den laatsten Martijn een Brabander geweest is, en wel op de volgende gronden.
uWanneer by aen de vorsten verwijt, dat zy
het oor aen valsche vleijers leenen, zegt hy :
(st. 5) Heetti Heynrec ochte Jan,
Scuwet valsche geloven.
De schryver gebruikt hier by voorkeur de na-
men van Hendrik en Jan, omdat juist in Brabant
drie Hendrikken en drie Jannen opvolgelijk
heerschten.
Eenige nog meer beduidende regelen zijn die,
waerin hy tegen Hugo Capet uitvaert, omdat
deze den hertog van Lothrijk, aen wien, als
afstammeling van Karel den Groote, de kroon
van Frankrijk toekwam, verraderlijk te Louwen
had doen vangen. 3
Al de oude chronyken van Brabant gewagen
van dien aenslag van Hugo Capet op den hertog
van Lothrijk gepleegd; 4 maer een Vlaming zou
zulke tael niet hebben gevoerd. De graven van
Vlaenderen immers hadden ook aenspraek gemaekt
op de fransche kroon, omdat zy, door Judith,
echtgenoote van Baudewijn met-den-yzeren arm,
insgelijks van de Karolingers afstamden. 5
Zie hier eene derde nog meer buslissende plaets,
waerin Jacob aen Marten vraegt wie de vors
is aen wien hy zoo verknocht is :
Marten, orient, wie es die man,
Daer ghi therte so legt an,
Eest u lantshere ?
Eest die fiere hertoge Jan ? 6
En de regels, die daer wat voorgaen :
Sijn vader was der eren winne ;
Sijn doot doet mi dat ic spinne
Seelans rouwe wager :
In hebbe niet dant clagen. 7
zijn waerschijnlijk eene toespeling op de geschillen wegens de leenroerigheid van Zeeland tusschen Gwy, graef van Vlaenderen, en zynen
schoonzoon, Floris V van Holland, ontstaen.
Hertog Jan I van Brabant bemoeide zich met die
zaek ; by trad als bemiddelaer op, en toen Floris
gevangen werd genomen, was hy, om dezen op
vrye voeten te kunnen zetten, gedwongen zelf
1 Ilitgegeven door den Hoogleeraar Serrure in
het Pad. Mus. IV. 55-90.
2 T a. p. bl. 56 vlg.
3 Zie vs. 362 vlgg. :
Nu soe bliket die waerhede,
Die Huge Capet den hertoge dede.
Die here was van Lotrike
Ende van Vrankerike mede.
Te Louwen vine hine, in die stede,
Herde valschelike,
Binnen gherechten vrien vrede,
Dies moet hi hebben den rede ;
Daer scoerde hi onse coronike.
4 Zie Brab. Y., B. II. vs. 5722-5813 (D. I.
bl. 270 vlgg.)
5 Zie de Rijmkr. van Vlaenderen, vs. 49 —117.
6 Vs. 514 vlgg.
7 Vs. 495 vlgg. De geheele strofe luidt aldus :
Ay mi ! Jacob, lieve minne !
Van alders heren, die ic kinne,
Magic mi wel beclagen,
Sonder van enen, daer es inne
Gerechte trouwe, na minen sinne,
Dies dar ic wel gewagen,
Beide ten inde ende ten beginne.
Maria, maget, coninginne !
Nu moettine verdragen.
Hi es mijn here ten gewinne,
Waer ic ride ochte rinne,
God latene hem behagen.
Hi es here over die sinne,
Sine macht en es niet dinne,
Ic segt u sonder vragen.
Dan volgen de in den tekst medegedeelde verzen.
XXIII
als gyselaer te blyven, en moest een aenzienlijk
losgeld betalen. Dit gebeurde ten jare 1289. " 1
Blijkt het nu uit het door den Hoogleeraar
Serrure aangevoerde ten duidelijkste dat de
schrijver van den Vierden Martijn een Brabander
is, de toespeling op tgedichte sijn geeft alien
grond om aan te nemen, dat die Brabander
niemand anders is geweest dan Hein van Aken,
die dit gedicht in 1299 voltooide, zooals blijkt
nit de laatste strofe, vs. 875 vlgg. :
In diaer ons Heren, dats waer,
Een min dan dertien hondert jaer
Wert dese rime vonden
Van enen, die wel menegen vaer
Doechde, stille ende oppenbaer,
Met valschen orconden.
Heren waren hem te zwaer,
Omme dat hi dicwile wert gewaer
Harre quader sonden,
Ende hise spaerde niet een haer,
Hine verweet hem, hier ende daer,
Te wel meneger stonden. 2
Bij de uitgave van den Rinclus 3 heeft dezelfde zuidnederlandsche geleerde de vraag gedaan,
of misschien ook Hein van Aken de dichter zou
kunnen zijn der laatste vierentwintig strofen
van dit gedicht. In vs. 1155 lezen wij aldaar :
Mi wondert waer bi Gielijs liet,
Dat hi vort en maecte niet
Dat dichte van den goeden man
Van Molleyns, die so heilich hiet ;
Mer waest dat hi te saen versciet,
Soe moeste hijt varen laten dan
Nu court hier Heinrec, die nochtan
Wale weet dat hi en can
Jegen hem wijsheiden iet,
Nochtan wilt hijt vort vaen an ;
Nu geons hem God ende sente Jan,
Ende God te vorst, dart bi gesciet.
Uit deze verzen blijkt duidelijk, dat Hendrik
zijnen voorganger Gielijs niet gekend heeft, nosh
wist waarom deze in zijnen arbeid bleef steken.
De taal van Hendrik is veel jonger en veel
verstaanbaarder ; de strofen van den laatste zijn
met meer gemak berijmd, en Hendrik meer in
de kunst bedreven dan zijn voorganger.
Om deze redenen vraagt de Hoogleeraar : Kan
nu niet Hendrik van Aken,
die wel dichte conste maken,
de vervaardiger dier laatste strofen zijn ?
,Doch," voegt hij er bij, uhy bloeide slechts
omtrent bet jaer 1300, en indien de fransche
Rinclus wezentlijk, zooals de fransche geleerden
het beweeren, 4 van de twaelfde eeuw dagteekent, dan valt het altijd bezwaerlijk aen to
nemen, dat van Aken nog de moeite op zich
zou genomen hebben de vertaling of te werken
van een stuk, hetwelk reeds omtrent honderd
jaren oud zijnde, byna vergeten moest zijn, of
ten minste op weinig byval nog kon rekenen. Zoo
lang er dus geene stellige bewyzen gevonden
worden om van Aken als eenen der dichters
van den Rinclus to houden, vermeen ik dat men
aen eenen anderen Hendrik mag denken."
Het zal zeker het voorzichtigst zijn de meening van den Hoogleeraar to deelen, en, v6Or
we althans geene nadere bewijzen hebben, in
den schrijver van het laatste gedeelte van den
.Rinclus, een anderen Hendrik to zien. 5
Na het door Dr. Jonckbloet geleverde betoog 6
mag, onzes inziens althans, gerustelijk worden
aangenomen, dat de Roman van Limborch mede
eene pennevrucht is van den Brabantschen dichtec. Het is geheel overbodig dat betoog over to
nemen, of in korte trekken mede to deelen. D
slotsom daarvan is .dat Hendrik van Aken de
schrijver is van den Roman der Kinderen van
Limborch, dat hij lange jaren er aan heeft gewerkt, en wel naar alle waarschijnlijkheid van
1291-1317, 7 dus 26 jaren, en dat die langdu-
1 Zie Stoke, B. IV. vs. 604-760.
2 Ten overvloede vestigen wij de aandacht op
enkele der min gebruikelijke uitdrukkingen, die
mede in den Vierden Martijn voorkomen, als :
affere, bladen (794, R. 8960), fadde (714, R. 6073),
gherinen, en het bij Serrure zoo bedorvene : alse
gers ende griet (131, R. 1715). Verg. Taalg.
VII, 52 vlgg.
3 Vad. Illus. III. 285, verg. met bl. 273,
vs. 1155 vlgg.
4 Verg. Vad. Illus. t. a. p. 226 vlgg.
Ondertusschen verdient de aandacht gevestigd te worden op eenige woo/ den, die we zoowel in de laatste strofen van den Rinclus als in
de Rose aantreffen, als : voederen, palleren, sloyen,
heellecht, vleeke = viieke (Str. 99, 100, 101,
105, 111). Verg. ook vs. 1197 van den Rinclus :
Dat coren sietmen ende kint,
Alst van den cave en hevet twint,
met vs. 10523 der Rose, waar hetzelfde beeld
ten grondslag is genomen.
6 Gesch. d. 1110. Dichtkunst, III. 855-363.
7 Dr. Snellaert, in zijne Schets eener Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, 4e Uitg.
267, oppert twijfel tegen de ffvernuftige" gissing
van Dr. Jonckbloet. Hij rekent ze ubezwaarlijk
aan te nemen ten opzichte der jaartallen, tegenover de cijfers van het HS., die hoezeer ver-
XXIV
rige arbeid zoowel blijkt uit de inleidingen voor
de verschillende boeken, gelijk door Dr. Jonekbloet duidelijk is in het licht gesteld, als ook
door de meerdere moeilijkheid, verbonden aan
het dichten van een oorspronkelijk werk boven
het maken eener vertaling, alleszins verklaarbaar is.
Hein van Aken hebben wij alzoo leeren kennen als den dichter niet alleen van de Rose en
den Huge van Tabarien, maar ook van den
Vierden Martijn en van den Roman van Limborch. De tijd der vervaardiging van het kleine
strofische gedicht kan uit niets opgemaakt worden : de geringe omvang maakt dit ook van minder belang.
Den Vierden Martijn diehtte onze Brabander
in het jaar 1399. De beroemde Vlaming, „die
van Martine vant", was het, die hem „even
brant" zond, waardoor hij werd , ontsteken".
Het ligt in den aard der zaak dat van Aken
niet eer dan na Maerlants dood het denkbeeld
opvatte om de zoo gedenkwaardige gedichten te
vervolgen, en de aanhef bevestigt dit ten overvloede. 1 Uit den inhoud maken wij op dat de
dichter een man in de kracht des levens was, op
wien de gebeurtenissen in de maatschappij in zijne
onmiddelijke nabijheid niet alleen, maar ook die
welke op het groote tooneel in Europa voorvielen,
diepen indruk maakten, en den gloed verklaren,
die in het geheele dichtstuk heerscht. Het gedicht
van nog geen 900 verzen werd in 1299 voltooid, en
was zeker geen werk dat nonum preinebatur in
annum. De tijdsomstandigheden deden het uit de
pen vloeien ; de ,,brant", die den dichter ontstak, deed gewis het begonnen werk spoedig tot
een einde komen. Niet zoo -ging het den dichter,
toen hij ter wille van Ale vrouwe van linen
sinne" de historie berijmde van de Kinderen van
Limborch. Niet minder dan 26 jaren was hij er
mede bezig : de inleidingen voor elk boek bewijzen hoe zwaar hem de eens begonnen taak viel.
Reeds in den aanhef van het tweede boek klaagt
hij er over dat het ll volscriven" dier historie
,,sine memorie dicke verdroefde ende vermancoleerde": de scheppende kracht voor een oorspronkelijk episch verhaal bezat hij niet, en de tijden
waren voorbij, toen het ridderleven, waarin zij
zich bewogen, den dichters bezieling kon schenken ; 's dichters werk was niet meer dan eon
ijdele poging om ,,den smaak voor lang vervlogen toestanden op te warmen." En in de laatste
boeken is het daarbij ook niet meer de krachtige
man, wiens
/torte es verseinst
Ane ene jonfrouwe ongheveinst, 2
die alleen diehtte nit
Ghetronwe minne sonder loes ; 3
maar de man op rijperen leeftijd, die een geheel
anderen toon aanslaat :
Die tijt die liidt ende oververt
Ende oee alle dine vertert,
Ende verliest hoedanicht si,
Hi heeft soe versleten mi,
Dat met mi naeet der vesper tilt.
Al mine joye ende miin deliit
Leit in de scotele ende in den nap,
Van minnen en hebbic maer den clap,
Anders en dogicker niet toe ;
Nochtan ben ie blide ende vroe,
Als icker iet of spreken hoere.
Dat gheet mi soe wel in doere,
Dat is vervrouwe altemale ;
Maer nemmeer dan die tale
En hebbies van dat men doet ;
Nochtan hebbic den wille goet,
Haddic de macht geliik den wille,
Ic wanic selden lage stille. 4
Vindt men in deze verzen nog een smartelijk
terugzien naar ,,le temps perdu", even als bij
Berangers Grand i mere, in het laatste boek is
het blaadjen geheel omgekeerd. Daar is het een
dank aan God, die zoo lang het leven heeft gespaard van hem,
die (hadde) alle wege
Verblint in die sonden gcleghen,
Ende niet en (hadde) begeven
Den vrienden die smenschen leven
Hem pinen wat si moghen,
Hoe hi werde van u getoghen.
De Roman van Limborch werd in 1317 voltooid, toen de dichter een oud man was ; welk
was nu naar alle waarschijnlijkheid een der eerste
moedelijk onjuist, toch de eenige sprekende bewijzen zijn." Hij voegt er bij : il Intusschen ware
het der moeite wel waard te onderzoeken, in welke
jaren, tusschen 1280 en 1357, Sint Sebastiaansdag
(20 Januari) op eenen vrijdag kwam." — Sint Sebastiaansdag viel op een Vrildag in de jaren 1290,
1296, 1301, 1307, 1318, 1324, 1329, 1335, 1346,
1352, 1357. Nu is het jaar 1318, naar den ouden
stijl 1317, het eenige dat rijmt op messciene.
1 Over Maerlants sterfjaar zie men de Inl.
van den Sp. Hist. I. Lxx. vlgg.
2 Gesch. d. Mnl. Dichtkunst, III. 371-375.
3 B. VIII. vs. 1-14.
4 B. X. vs. 1 vlgg. Verg. met den aanvang
de beschrijving van den tijd in de Rose, vs.
353 vlgg.
xxv
werken zijner jeugd, toen hij nog vin den eersten
spronc" was ?
Wij aarzelen niet hierop te antwoorden, dat
de Rose tot de werken der jeugd van Hein van
Aken behoort, en denkelijk reeds omtrent het
jaar 1280 in onze taal is overgebracht. Wat was
natuurlijker dan dat een jeugdige dichter het
eerst zijne krachten waagde aan de vertaling
van een werk, dat zeker bij zijn eerste optreden
reeds dadelijk een verbazenden opgang maakte,
en ook al spoedig in Vlaanderen en Brabant
bekend werd en vermaardheid verwierf ?
Dr. Jonckbloet vindt in de Rose „geen enkele
toespeling, die den datum der vertaling aanwijst," en zeker, in den tekst van het Comburgsche handsehrift kon hij er ook geene vinden.
Onzes inziens geeft de plaats, welke den geleerden criticus ,,geen licht geeft", juist in het Amsterdamsche handsehrift een alleszins voldoende
aanwijzing tot nadere bepaling van den tijd der
vervaardiging. In de reeds meer aangehaalde
plaats, 1 waarin Jean de Meang van de lotgevallen van zijnen tijd spreekt, en gewaagt van
Koning Karel van Anjou,
Qui par devine porveanee
Est ores de Sesile rois,
vinden wij in den tekst bij Kausler :
Daermen vele dogheden seide aye,
doch in het Amsterdamsche handschrift :
Daermen seit vele duechden ave. 2
Dat deze lezing een aanmerkelijk verschil met
die van het Comburger handsehrift oplevert, zal,
meenen wij, wel geen betoog behoeven. Zó6
schreef de dichter, en hij sprak in den tegenwoordigen tijd, omdat Karel, van Anjou nog
leefde toen hij de vertaling bewerkte. Die worst
nu stierf in 1285 den 7 Januari, en het zal dus
wel niet te gewaagd zijn aan te nemen, dat
Hein van Aken de Rose vOdr dat jaar ten einde
bracht, en misschien reeds omstreeks 1280 zijn
werk voltooide. Neemt men met ons aan, dat
het origineel tusschen de jaren 1265 en 1272
ongeveer is voltooid, dan is het niet vreemd dat
de vertaling een tiental jaren later werd begonnen, toen zeker het fransche gedicht reeds ten
onzent was doorgedrongen. Telde Hein van A ken
omstreeks 1280 tusschen de 20 en 30 jaren, dan
zou hij bij het voltooien van den Roman van
1 Zie bl. viii en ix.
2 Zie bl. 105, vs. 6280.
3 Vad. Mts. IV. 59.
Limborch in 1317 een dikke zestiger zijn geweest, eene meening die in niets door den aanhef der verschillende boeken van dat gedicht
wordt weersproken, maar veeleer bevestigd.
Voorts is geen enkele aanwijzing in de vertaling aanwezig, die ons eenigermate verder op het
spoor van den datum kan brengen ; doch in verband met den tijd der vervaardiging van het
origineel is er volstrekt geen reden om aan de
gegrondheid onzer gissing to twijfelen.
De Hoogleeraar Serrure oppert nog het denkbeeld, doch enkel „als by bloote gissing", of niet
de Frenesie, „als eene dartele uitspatting van
van Aken's jeugd, teen hij nog student was",
zou kunnen beschouwd worden. 3
Er is niets vreemds aan dat de latere prochiaan van Cortbeke een tijd lang to Parijs rater
stole" zoude hebben gelegen en aldaar „een
studant" was. 4
Omtrent den ouderdom van het gedicht de
Frenesie merkten wij vroeger op, dat het uit het
begin der XIVe eeuw zou zijn, ydaar in 1325
de hoogeschool to Leuven werd gesticht," 5 en
zeker geen student in bekrdmpen omstandigheden, toen hij in zijne onmiddelijke nabijheid
eene gelegenheid tot wetenschappelijke opleiding
vond, ze zoo verre zou zoeken. Er zal wel geen
bezwaar tegen zijn, in plaats van de Frenesie in
het begin der XIVe eeuw to stellen, ze als een
dertigtal jaren ouder to beschouwen. Doch, al
is de zwarigheid van den tijd der vervaardiging
opgelost, wij gelooven niet dat Hein van Aken
de dichter dozer satire is geweest.
De vermelding van de dorpen Coudenberge en
Biesterveld en van de Kempen doet veeleer in den
schrijver een Noordbrabander, of een bewoner
der Kempen vermoeden. Ook taal en schrijftrant,
voor zooverre het kleine fragment er ons over
kan laten oordeelen, herinneren niet aan den
dichter der Rose, den Brusselaar Hein van
Aken.
Even als bij de meeste Middennederlandsche
dichters zijn weinig bijzonderheden omtrent hun leven in hunne gedichten to vinden. Met het weinige
dat van Hein van Aken bekend is zal men zich
moeten tevreden stellen, tenzij een onverhoopt
gelukkig toeval meer licht over het leven van
den Brabantschen pastoor doet opgaan.
4 Zie X Goede Boerden, bl. 38, vs. 24,
6 Ald. bl. 47.
XXVI
4. Handschriften en fragmenten der Rose.
De volledige handschriften, welke wij van de
Rose bezitten, zijn twee in getal, en wel:
1 0. Het Comburgsche, aldus genoemd naar het
ridderstift Comburg, uit welks bibliotheek het
afkomstig is, zoo als blijkt uit de eerste bladzijde, waar men tusschen de kolommen : ex Bibliotheca Comberyica leest. 1 Thans berust het op
de Koninklijke Boekerij te Stuttgart. De beschrijving van dezen zoo hoogst belangrijken codex
werd het eerst gegeven door Grater en later
door Ferdinand Weckherlin, en gedeeltelijk de
inhoud en eenige proeven er uit medegedeeld. 2
Eene volledige beschrijvirig gaf Kausler in zijne
Denkmaler Altniederlandischer Sprache, waarheen
wij verwijzen. 3
Het handschrift vangt aan met de Rose, die
fol. 1-85 c. beslaat. Elke zijde bevat twee kolommen van 42 verzen, terwijl de laatste slechts
48 verzen heeft. Na het laatste vers staat :
Hier heat de Rose,
XIIIIM. IIC verse.
De opgave van het verzenaantal is met eene
ronde som aangewezen, daar de Rose volgens
het Comburgsche handschrift 14224 verzen telt.
20 . het Amsterdamsche handschrift, thans berustende in de Bibliotheek der Koninklijke Aka-
demie van Wetenschappen. Het werd door het
voormalig Instituut van Willems gekocht, die het
met andere werken, afkomstig nit de bibliotheek
der Abdij Sancti Bernardi ad Scaldim, door aankoop in bezit kreeg, gelijk uit eene aanteekening
van diens hand van 10 April 1825 blijkt. Vroeger was het samengebonden met een Rijmbijbel
en eene Naturen Bloeme. Behalve de Rose bevat
het thans nog een gedicht van 1889 verzen, behoorende tot den cyclus van Alexander, en in
het fransch onder den naam van' Le Voeu du
Paon bekend, 4 en een fragment van 94 verzen
van eene satire, getiteld: Dit es de frenesie. 5
De Amsterdamsche codex is in Mein folio,
24,5 Ned. duimen lang en 16 duim breed, en
bevat 77 bladen, waarvan de eerste achtenzestig de Rose bevatten. Op fol. 63 vo. 1 kolom
volgt onmiddelijk het gedicht uit den Alexander cyclus, dat tot fol. 77 vo. 1 kolom loopt.
Alleen een wat meer versierde kapitale letter,
overigens van gelijke grootte als die welke telkens
in den tekst der Rose voorkomen, duidt het begin van een nieuw stuk aan. Eindelijk vindt
men op de keerzijde van fol. 77 met veel donkerder inkt geschreven het fragment der satire.
De titel : Dit es de frenesie is met blauwe inkt
1 Kausler deelt de wijze mede, hoe het handschrift vermoedelijk naar Wurtemberg is verzeild
(Denkmaler, I. xxx) : „Den Weg aus ihrer unbezweifelten urspriinglichen Heimath, den Niederlanden, hat sic vermuthlich durch ein friiheres
Mitglied des Stifts gefunden. Nach den Annalen
des Stifts wurde namlich 1536 Gernandus von
Schwalbach, Canonicus zu Briissel, ein geborner
Hesse, zum Nachfolger des in diesem Jahre
verstorbenen friihern Dechanten aus den Niederlanden herbeigerufen. Er wird als tiichtiger Verfechter des christkatholischen Glaubens geriihmt
und war folglich Litterat. Ihm folgte bis 1594
Erasmus Neustetter, genannt Stiirmer von SchOnfeldt, von welchem neben seinen iibrigen glanzenden Verdiensten um das Stift, namentlich auch
seine uneigenntitzige Sorge um die Bibliothek
desselben geruhmt wird. Man sieht auch noch
jetzt als einzelnen Beweis daftir, das Neustetter'sche
Familienwappen auf einer Reihe der gepressten
Lederbande, welche aus der Stiftsbibliothek , herriihren, nebst einer seiner Regierungsperiode
entsprechenden Jahrszahl. So fiihrt unsere Handschrift, in weisses Leder gebunden, auf dem
vordern Deckel das bezeichnete Wappen und die
Jahrszahl 1578. Daraus ergiebt sich wenigstens
mit Gewissheit, dass die Handschrift nicht nach
1478 nach Comburg gekommen seyn kann, und
da der aus den Niederlanden nach Comburg
berufene Dechant vor dieser Zeit dahin kam, so
ist es wahrscheinlich, dass sie von diesem dahin
gebracht worden ist, vielleicht zugleich mit der
niederlandischen Evangelienharmonie , von der
sich friiher in Comburg eine Handschrift befand."
2 Waarschijnlijk in de Braga und Herrnode,
Breslau, 1812, B. V, welke ik niet kan naslaan.
3 T. a. p. Th I. xxix —Lvr.
4 De aanvang van het fransche gedicht zoowel
als van de vertaling is medegedeeld door Willems in zijn Ileelu, bl. 148. Eerlang hopen wij
het bijna geheel onbekende gedicht in het Licht
te geven in de Bzbliotheek van Middennederlandsche Letterkunde, uit te geven door den Hoogleeraar Moltzer to Groningen.
5 Uitgegeven door Willems in de Mengelingen
van Vaderlandschen Inhoud, bl 29 —38 ; andermaal door D. Buddingh, Archief, Mengelwerk,
bl. 150 vlgg., en in mijne X Goede Boerden,
bl. 37 vlgg.
XXVII
geschreven, en de hoofdletter van het eerste
vers vrij wat grooter dan die van den Alexander, blauw met roode versierselen en arabesken.
Elke bladzijde bevat twee kolommen, waarvan
op elke 53 verzen. Het schrift is duidelijk, hoewel de kleur der inkt wat rosachtig is, en door loopend van eene hand. De letter is rond en
van gemiddelde grootte ; de verkortingen niet
zeer talrijk en zich bepalende tot de gewone,
als en voor ende, de ' voor ,er, aer ; de streep
boven de letter voor n, enz. Als initiaal voor
het eerste vers der Rose staat een sierlijke H
van blauwe en roode kleuren, waarbinnen de
slapende minnaar is geteekend, omringd door
groene rozenbladen, knoppen en een ontloken
roos. Hier en daar bevinden zich in den tekst
beurtelings roode en blauwe aanvangletters, terwijl bij sommige verzen, vooral wanneer ze een
spreekwoord of een of andere spreuk bevatten,
een roode hand, soms een figuurtjen ten halve
lijve met een hand, staat geteekend, als om er
de aandacht meer bepaaldelijk op te vestigen.
In dezen codex heeft de Rose ongeveer 14330
verzen, dus omstreeks 100 meer dan in het Comburgsche handschrift.
Een derde volledig handschrift schijnt nog te
bestaan in Engeland, en is misschien bedolven
in de boekerij van een dier Engelsche lords, die
door eene verzamelmanie van allerlei zeldzaine
en oude dingen worden gekweld, en dus misschien voor goed voor onze letteren verloren,
tenzij een of ander gelukkig toeval het Bens weder aan het licht mocht brengen.
Het was de Hoogleeraar Serrure, die de aandacht hierop vestigde. 1 In een supplement tot
den catalogus voor 1836 van den boekhandelaar
Thorpe te Londen, wordt een handschrift voor
2 53.10 sh. te koop geboden, en aldus omschreven :
',Romances in Flemish verses — Vincentii
Speculum Historiale, — Liber septem sapientium
Romae, — LIBER ROSE, in one volume, a most
splendid manuscript, upon vellum, containing 642
pages. Saec. XV. In fine preservation. Folio."
Order het Liber Rose kan wel niet anders
dan onze Rose verstaan worden. Gelukkig dat
wij hier niet, als bij Maerlants Spiegel, slechts
een handschrift bezitten, maar zoowel het Amsterdamsche als het Comburgsche ons ten dienste
staan. Voor de tekstkritiek was de vergelijking
van beide handschriften onmisbaar : — men behoeft slechts alleen de uitgave van Kausler naar
het Comburgsche handschrift in te zien, om zich
daarvan te overtuigen. Doch er blijft nog menige
zwarigheid over, en een nieuw volledig handschrift zou een uitstekend hulpmiddel zijn om
menige duistere plaats te herstellen, menige nog
onverklaarbare afwijking_ op te helderen.
Intusschen zijn na de uitgave van Kausler
eenige fragmenten ontdekt, die voor de vergelijking van beide teksten zeer belangrijk zijn.
Behoudens een enkel, dat eerst later aan het
licht is gekomen, hebben wij van de twee reeds
bekende kunnen gebruik maken.
Die fragmenten zijn de volgende :
a. Twee verschillende brokstukken, beschreven
en medegedeeld door den Hoogleeraar Bormans
te Luik in de Werken der Academie royale de
Belgique, en bij de collatie in onzen tekst door
de letter D aangeduid.
1°. Het eerste bestaat uit twee strooken pergament van 13,5 duim lang op 2,5 duim breed,
welke tot een klein-folio hebben behoord.
Door den Heer Bormans wordt dit fragment
aldus beschreven :
Au milieu de la longueur est un pli ou ion distingue facilement les trous et les traces de couture laisses par la reliure primitive. La feuille a
par consequent, ete decousue et detachee du
volume avant d'être decoupee en bandes pour
servir h la reliure d'un autre volume. Les bandes
qui constituent notre fragment ont ete prises, dans
la partie superieure de la feuille, y compris la marge
d'en haut, qui est rest& entiére, et elles courent
dans le sens des lignes,qui sont,sur rune, au nombre
de seize et, sur l'autre, au nombre de dix. Comme
les bandes sont a peu prbs de meme largeur, on
comprend que celle qui ne compte que dix lignes
a fait le haut de la feuille dont la marge a pres
d'un pouce de largeur. L'autre y fait suite, de
sorte qu'en considerant les deux fragments comme
reunis et en supposant gulls ont fait partie d'une
feuille petit in-folio, nous en possedons un peu
moms que la moitie d'une feuille, et notamment
1 Vad. Alas. V. 261 vlgg. Verg. Maerlants
tot de tweede bewerking behoorden, wendde ik
mij tot den Hoogleeraar om inlichting nopens dit
punt. Aanstonds ontving ik een afdruk van de
Notice sur deux fragments de la traduction thioise
du Roman de la Rose per Heinrike van Aken, de
Bruxelles, waarvoor ik den Hoogleeraar hiernevens openlijk mijnen dank betuig.
Spieghel Hist. I. Inl. xc.
1 Academie Royale de Belgique (Extrait. du
t. XXII, no. 1, des Bulletins.) Op gezag van
Dr. Jonckbloet (Gesch. d. Mnl. Dichtk. III. 337)
in den waan gebracht dat de Luiksche fragmenten
XXVIII
de celle qui a ete la troisieme d 'un quaternion
ou cahier de quatre feuilles. On sait que dans
les anciens manuscrits les feuillets ne sont nume
rotes qu'au recto, soit en haut, soit en bas. Or,
en pliant notre fragment comme il a ete place
dans le volume auquel il a appartenu primitivement, nous avons deux demi-feuillets dont Fun
porte au recto, h la marge superieure, le chiffre
trois (III) et l'autre, a la memo place, le chiffre
six (VI); de sorte que d'un cahier in-folio, compose de quatre feuilles on huit feuillets et qui a
en memo temps constitue le commencement d'un
volume, il nous reste une partie des feuillets
3 et 6, tandis que les feuillets 1, 2, 4, 5, 7
et 8 sont perdus. Ii s'ensuit encore qu'entre
la fin du verso du troisieme feuillet et le commencement du recto du sixieme, it y a une lacune de deux feuillets entiers, plus la moitie
inferieure du troisieme feuillet, puisque, ainsi
que je l'ai dit, toute la moitie inferieure a ete
toupee.
Chacune des quatre demi-pages de notre fragment est divisee en deux colonnes. En les comparant avec le texte du manuscrit de Hombourg,
on voit que les colonnes etaient de cinquante
vers lorsque la page etait entière ; aujourd'hui
elks sont reduites b, la moitie de ce nombre et
sans liaison les unes avec les autres.
Le manuscrit auquel ce premier fragment a
appartenu, doit avoir ete fort beau, h en juger
d'apres la purete du parchemin et la nettete de
l'ecriture. Celle-ci consiste en une lettre ronde,
de grandeur moyenne, et bien distincte, presque
sans abreviations. Chaque vers commence par
une majuscule detachee, placee un peu en avant
de la ligne. Les sections se distinguent par des
initiates rentrantes, alternativement rouges et
bleues. A tous ces caracteres il est facile de
reconnaitre une copie du XIVme siecle." 1
Door eene latere hand is hier -en daar
in margine aangeduid, wanneer een ander persoon begint to spreken, als naast vs 564:
Ledichede poortiere van den vergier. Op de
eerste dezer strooken vindt men met eenige
leemten vs. 405-580, en wel vs. 405-430, vs.
455-480, vs. 505-530 en vs. 555-580; de
tweede bevat vs. 1007-1185, en wel vs.
1007-1032, vs. 1057-1083, vs. 1107-1135 en
vs. 1159-1185.
Aan den avond van denzelfden dag, dat deze
strooken door den Kanunnik Barn aan den Hoer
Bormans werden geschonken, ontdekte deze in
Philonis Judaei Opera, Basileae, 1554, dat in
1609 aan de Augustijner monniken to Hasselt
behoorde,
2°. een tweede fragment, dat mede met leemten vs. 5472-5593, en vs. 5869— 5989 bevat. De
juiste opgave der bewaard gebleven verzen is deze:
vs. 5472-5494, vs. 5505-5527, vs. 5538-5560,
vs. 5571-5593; en vs. 5869 —5890, vs. 5901—
5923, vs. 5935— 5956, en vs. 5967-5989.
Omtrent dit fragment wordt het volgende medegedeeld :
,,Le parchemin de ce fragment est moires beau
que celui du precedent, mais l'ecriture, plus grande
et plus carree, en est tout aussi nette et aussi
reguliere. Les abreviations sont les memes et egalement rares. Il a fait partie d'un in 4° a, deux
colonne s, chacune de 33 lignes que, dans notre
fragment, les ciseaux ont reduit a 23 en emportaut les dix dernieres. Il existe, par consequent
chaque fois entre les colonnes une lacuue de dix
vers, sauf au milieu, entre la quatrieme et la
cinquieme colonne, oil la lacuue est de 275 vers,
parce qu'il faut y ajouter la perte de deux feuillets
intermediaires dont les huit colonnes out chi contenir 264 vers. Il parait etre du meme age que
le premier." 2
3°. Juist voor het afdrukken van het laatste
vel ontving ik van mijnen vriend de Vries een
ander tot nog toe geheel onbekend fragment.
Tijdens de Congresdagen to Gent werd het hem
door onzen vriend Snellaert vertoond, en met dicns
welwillende toestemming mij toegezonden.
Het bestaat uit twee geheele bladen van 20
duim lang op 14,5 duim breed, waarvan het
tweede in margine als aanwijzing van het fol.
van het handschrift het cijfer 28 heeft. Blijkens
den omslag, waarin deze twee bladen ons werden toegezonden, hadden ze gediend om als schutbladen den binnensten karat to bekleeden van den
band der werken van Thomas van Aquinas „in
't Latijn. Parijs, bij Francois Regnault" 3, waar
dus het handschrift moet versneden zijn.
1 T. a. p. 11-13. De neer Bormans merkt nog
op, dat het handschrift was herzien door iemand
die de fouten niet verzuimde. In vs. 471 stond :
Van bloumen, van crude alretiere,
dat verbeterd is in
Want bloemen ende crude alretiere.
We geven den Hoogleeraar evenwel niet toe
dat dit vers ook in het Amsterdamsche handschrift udoublement fautif" is ; de lezing, zooals
ze in onzen tekst is opgenomen, levert eon zeer
goeden zin.
2 T. a. p. bl. 14.
3 In Brunets Manuel du Libraire, T. V, 824
vlgg. wordt deze uitgave niet genoemd.
XXIX
Volgens dezelfde aanteekening werden ze door
Duquesne op eene verkooping te Parijs in Februari 1812 aangekocht.
Elke bladzijde bevat twee kolommen van 41
en 42 regels ; het schrift is duidelijk met weinig
verkortingen, en uit de XIV e eeuw. De initialen
voor elken regel staan door een kleine spatie gescheiden van het overige gedeelte van het vers,
terwijl hier en daar bij nieuwe afdeelingen de
initialen verguld zijn, beurtelings omvat door een
blauwen of rooden rand, en van binnen rood of
blauw gekleurd. Telkens waar een ander begint
te spreken is dit even als in den franschen tekst
door een tusschenregel met roode letters aangeduid, als: Redene vander Avonture, enz.
Het eerste blad bevat vs. 5616-5781 (K. 5564—
5729); het tweede vs. 7648— ongeveer 7810
(K. 7546-7705).
Bij de vergelijking der teksten van de beide
handschriften, zoowel als van de fragmenten, hoe
weinig ook in getal, zal men een vrij merkbaar
verschil ontwaren. De teksten naar A en C,
om ons voorloopig tot het geheele werk te bepalen, verschillen voortdurend aanmerkelijk en dit
bepaalt zich niet alleen tot afwijkingen in de
spelling en dergelijke, maar ook herhaaldelijk tot
een geheel andere constructie, gelijk reeds dadelijk
uit den aanhef blijkt, die bij A. aldus luidt:
Het seit menech, dat in drome
Niet el en es dan idele gome,
terwijl men daarvoor bij C leest :
Het es gheseit dat in drome
Niet ne es dan ydele gome.
Slaat men slechts een vluchtigen blik op onzen
tekst en de varianten, men zal niet verlegen behoeven te zijn op iedere bladzijde voorbeelden
hiervoor te vinden.
Doch niet alleen in den zinnenbouw, ook in
de woordenkeus is herhaaldelijk verschil. Reeds
dadelijk in de eerste verzen valt dit in het oog.
Zoo leest men bij A. in vs. 12 vlgg.:
Alse wi horen wel orconden
Enen auctoer, die Macrobes hiet,
(Hine houtse over logene niet)
Die bescreef dat vision
Vanden coninc Scipion.
terwijl die zelfde verzen bij C aldus luiden :
Also wi wel horen orconden
Eenen meester, die Macrobius hiet,
Die drome voer truffen ne hilt,
Want hi bescreef dat visioen,
Dat droemde den coninc Cyproen.
Wij hebben in deze plaats niet alleen to doen
met verschillende woorden, maar ook met niet
onbelangrijke afwijkingen in de constructie, die
zich haast in elk vers openbaren. Daartoe even wel bepaalt zich het reeds merkbare onderscheid
van beide handschriften niet alleen; er zijn nog
belangrijker afwijkingen, die bijna aan eene geheel andere bewerking zouden doen denken. Dit
verschijnsel openbaart zich echter niet voor vs.
6823 (6773) en komt in de laatste 2000 verzen
na vs. 12323 niet weder voor. 1 In beide handschriften is nu eens in het eene, dan weer in het
andere de zin van het origineel min of meer
nauwkeurig weergegeven, doch zoodanig dat bedoelde plaatsen volstrekt niet met elkander to
vergelijken zijn, daar niet alleen het verzenaantal sours niet met elkander overeenkomt, maar
ook de rijmen geheel andere zijn. Merkwaardig
genoeg vindt men die afwijking ook in het laatst
medegedeelde fragment van Dr. Snellaert, waar
in het tweede gedeelte de laatste 45 verzen geheel met het Comb. Hs. overeenkomen, en aanmerkelijk van het Amst. verschillen.
Ware zonder dit fragment het verschijnsel vreemd
en onverklaarbaar, nu meenen wij te mogen besluiten tot het bestaan van twee familia van
handschriften, waarvan de eene wordt vertegenwoordigd door den Amsterdamschen, de andere
door den Comburgschen codex.
Terwijl nu Dr. Snellaerts fragment met den
laatsten een treffende overeenkomst aanbiedt, en
naar een handschrift dier tweede familie blijkt
afgeschreven to zijn, vertoont het tweede fragment
van den, Hoogleeraar Bormans (vs. 5470-5988)
eene verrassende gelijkenis met den tekst van
het Amsterdamsche handschrift, gelijk de vari-
We treffen die belangrijke afwijkingen aan
op de volgende plaatsen: vs. 6823-37; 70677103 ; 7134-52; 7201-12; 7218-34; 7236 -56 ; 7397-7311; 7317-18; 7399-7405;
7469 82; 7485-92; 7509-18; 7765-73;
7785-7826; 7863-64; 7873-87; 7901-20;
7989-94; 8103-06; 8140-44; 8217-34;
8375-88; 8425-42; 8453-70; 8499-8506;
8565-72; 8820-26; 8849-56; 8897-8904;
8934-49; 8969-88; 9123-28; 9156-60 ;
9168-78; 9195-9201; 9264-80; 9298-9311;
9356-94; 9459 —73; 9485-9513; 9655-58;
9685-92; 9717-22; 9761-67; 9781— 82;
9955-66; 10029-30; 10080-82; 10113-15;
10223-37 ; 10512-18; 10521-26; 11063—
66; 11096-98, en eindelijk vs 12310-23.
XXX
anten met den eersten oogopslag knnnen doen
zien. I
Van waar nu wel dit merkbare verschil, dat
op sommige plaatsen aan twee dichters doet
denken, die geheel van elkander afgescheiden
het oorspronkelijke vertolkten ?
Daar hieromtrent wel niets met zekerheid zal
zijn te beslissen, moge eene gissing volstaan.
Hein van Aken vertaalde de fransche Rose,
en zijn werk was verre van onverdienstelijk.
Doch daar de nederlandsche tekst al spoedig met
gretigheid werd ontvangen, en het aantal der
handschriften zich allengs vermeerderde, kon het
niet uitblijven of de zuiverheid van den tekst
moest er geweldig onder lijden, vooral hoe langer zoo meer de kopien naar andere gebrekkige
kopien werden genomen. Het Amsterdamsche
handschrift geeft over het algemeen een zeer
goeden tekst, en werd des zeker naar een nog
weinig verminkt afschrift vervaardigd, hoewel het
uitlaten van enkele regels en de mindere zuiverheid van sommige plaatsen toch ook reeds
hier en daar den slordigen kopiist verraden. 2
Een der gebrekkige afschriften zal in handen
gevallen zijn van iemand, die mede met het oorspronkelijke bekend was, die tevens niet geheel
onbedreven was in de edele rijmkunst en ook
udichte conste maken," en die het beproefde met
het origineel voor zich de onverstaanbaarste plaatsen op nieuw te vertalen. Daarbij retoucheerde
hij misschien onder de hand het geheele gedicht
veranderde hier en daar een woord of eene zinswending, en van daar het verschil in de beide
familien der handschriften.
Kan zich de zaak aldus hebben toegedragen,
dan ligt het voor de hand, dat zoodanige herziener van den verminkten tekst zich mede de
eer heeft willen geven, die hij meende dat hem
tockwam, en ook zijn eigen naam vermeidde.
Daartoe bood hem de door Hein van Aken verkeerd begrepene plaats in de rede van den God
der Minnen alleszins de gelegenheid. 3)
De Cortbeeksche pastoor, verlegen met het origineel en de daar vermelde twee fransche dichters, had gedachteloos een ,Jhan, sijn geselle"
in de vertaling gebracht en den eersten grond
tot de onduidelijkheid gelegd ; en nu was het
een zekere Michiel, die het verminkte werk zoo
goed hij kon herstelde, doch vs. 9956-66 geheel verknoeide, om zijn eigen naam nog eens
weder te kunnen herhalen en aan de vergetelheid
te ontrukken.
Moge het derde handschrift nog eens aan den dag
komen, en over het vele duistere licht verspreiden.
5. Fragmenten der tweede Vertaling.
Dat ook hier te lande de Rose eene groote
vermaardheid had en weldra veler aandacht tot
zich trok, bewijst genoegzaam eene andere vertaling, die van dit werk werd ondernomen. Eenige
fragmenten daarvan zijn tot ons gekomen, die
ons genoegzaam in staat stellen een oordeel er
over uit te spreken. Dat oordeel is niet zeer
gunstig en stemt geheel overeen met dat van
Dr. Jonckbloet, wiens woorden wij tot de onze
maken : 4
,Als wij (met de tweede vertaling) den an-
deren tekst vergelijken, dan zal het ons niet bevreemden dat van dezen twee volledige handschriften zijn tot ons gekomen, terwijl ons van
den anderen slechts fragmenten res ten ; want de
tekst dier fragmenten doet ver voor den anderen
onder. De vertaling is stroef en gedwongen :
de schrijver heeft dikwijls zijne toevlucht moeten
nemen tot uitbreidingen om zijn origineel terug
te geven of aan de wetten van het rijm te voldoen ; de taal is ouderwetsch, en niet alleen wordt
zijn werk daardoor moeielijk te lezen, het is nog
1 Het eerste fragment van den Luikschen Hoogleeraar (vs. 405-580, 1000-1185) komt nu
eens meer met A, dap met C overeen, hoewel
het verschil gering is. Doch men bedenke dat
in het eerste gedeelte de afwijkingen tusschen
beide teksten ook veel minder zijn. Bezaten wij
nog een ander brokstuk uit meer verschillende
deelen van onzen Roman, dan eerst zou met
zekerheid kunnen worden gezegd onder welke
der twee familien dit fragment behoorde gerangschikt te worden.
2 Dat deze uitlatingen nog al veelvuldig
voorkomen, moge de volgende opgave bewijzen.
Ze zijn vs. 1134, 1157-58, 2848, 4185-86,
4879-80, 6759-62, 6879-80, 6987-94,7111-14, 7439-- 40, 7759-60, 7853, 7893 -94, 79998000, 8015 -18, 8193-8209, 8291-92, 8375 80, 8489-90, 8825, 8925-26, 9193- 94, 924748, 9423-24, 9629 30, 9763-64, 10035 -36,
10433 -34, 10697-98, 10741-42, 10751 -52,
13776, 13853-54, en maken te zamen 91 verzen.
3 Vs. 9935 -9967, en verg. bl. xrv-xv.
4 Gesch. d. Mnl. Dichtk. III. 337.
XXXI
nitgebreider dan het origineel, dat evenwel niet
door beknoptlieid uitmunt." 1
Hetgeen ons van deze verwaterde bewerking
rest, bestaat uit
1°. Acht kleine brokstukken, te zamen slechts
ten getale van 74 verzen, waarvan eenige halverwege zijn weggesneden. Door vergelijking
met het oorspronkelijke is evenwel het ontbrekende gemakkelijk aan te vullen. De Heer de
Hoop Schafer vond ze als schutbladen in een
werk op de Utrechtsche Boekerij, en vermoedde
dat het geheel „een gedicht over vriendschap
en liefde" zoude geweest zijn, ovel waardig,
dat er meer van bekend wierde." 2
Zij zijn geschreven „op fijn perkament, uit de
XIVe eeuw ," en N°. I, II, III en IV (in de
Versl. V, VI, VII en VIII) il bevatten de laatste
regels van vier bladzijden." N°. VII, VIII, III
en IV (in de Versl. „de vier eerste fragmenten)
„zijn uit het midden van bladzijden gesneden en
staan aan beide kanten van de twee schutblaadjes, terwijl de vier e e r s t e (in de Versl. laatst e)
gevonden worden aan de beide zijden van twee
smalle reepjes, die in den rug van het boek geplakt waren."
2°. Een fragment van 1200 verzen, bestaande
uit 4 pergamenten bladen in 4 0., en door Leyser
op de Universiteits-Bibliotheek te Leipzig gevonden. 3 Ilij vermoedde dat het N ein Bruchstuck eines wahrscheinlich sehr umfangsreichen
althollandischen Lehrgedichts " zou zijn. 4
Verder deelt hij mede : /Riede Seite hat 3 Colummen, von denen wieder jede 50 Verse ziihlt.
Dennoch ist die Gesammtzahl der Verse 1200.
Einzelne Absatze sind durch das Einriickenzweier
Verse and durch Vorsetzung einer kleinen Anfangsbuchstaben bemerklich gemacht. Eine Abschrift der 4 Blitter ist von mir genommen
werden. " Bij deze mededeeling volgt een staaltjen van een twintigtal verzen, 5 terwijl later
door von Soltan nog twee andere kleine brokstukken werden bekend gemaakt, met de belofte
eerlang het geheel te doen volgen. 6 Voor zooverre ons althans bekend is, word die belofte
niet verwezenlijkt, en ten einde nu in de gelegenheid to zijn het fragment in zijn geheel
mede to deelen, en daardoor deze uitgave zoo
volledig mogelijk to maken, wendde ik mij op
raad van mijnen vriend de Vries tot den Hoogleeraar Zarncke to Leipzig, met verzoek om door
zijne bemiddeling Of het fragment zelf voor eenigen tijd, of een afschrift er van to mogen ontvangen.
Ik ontving eon heusch antwoord, waarin de
Hoogleeraar het zeer betreurde mij geen y trOstlicheres Resultat" to kunnen geven : al zijne pogingen waren, helaas, vruchteloos geweest : „die
gewiinschten Bruchstiicke sind auf hiesiger Bibliothek nicht aufzufinden." En hij vervolgt :
„Die Bibliothekare wie ich selber haben vergebens lange aller Orten gesucht. Auch alle
Folianten im juristischen Saal, in denen wir die
Blatter etwa noch angeheftet vermuthen durften,
haben wir durchsucht. Nirgends fand sich eine
Spur. Ich habe alsdann in Leysers Nachlasse,
der zum Theil auf hiesiger Bibliothek, zum Theil
hei Freunden des Verstorbenen sich befindet,
mich umgesehen, ohne etwas zu finden. Ferner
bemiihte ich mich zu erfahren, wo gegenwartig
etwa Soltau's Nachlasz sich befinden mOge, aber
auch dies zu erfahren ist mir nicht gelungen."
Den duitschen geleerde zij hiernevens mijn
hartelijke dank toegebracht voor zijne vele bemoeiingen, welker vruchteloosheid hij gewis evenzeer betreurt als elk beminnaar onzer middennederlandsche letterkunde.
De Hoogleeraar stelde mij daarbij nog voor
door middel van het Litterarische Centralblatt,
dat door hem wordt uitgegeven, een aanvrage
to doen naar de schuilplaats der handschriften
door von Soltau nagelaten, ten einde misschien
alzoo op het spoor van het verlorene to komen.
Ik achtte dit minder raadzaam, vreezende daardoor mijnen arbeid nog meer vertraging to doen
ondervinden, zonder van den goeden uitslag ook
maar eenigszins verzekerd to zijn.
De lezer vergenoege zich dus met het weinige
dat de Anzeiger geeft, waarbij zelfs niet ver-
1 Prof. Bormans (t. a. p. bl. 10) noemt ze uune
imitation plus ou moins libre du Roman de la
Rose, faite posterieurement k la traduction de
van Aken et avec des developpements dont les
proportions excedaient meme en certains endroits,
ceux de l'original francais."
2 Zie Verslagen en Berigten, I Jaarg. bl. 44
vlgg., en vg. hl. 245-47.
3 Zie bl. 247-49.
4 Moue, Anzeiger, 1833, s. 100.
5 Zie bl. 257. Leyser deelt nict mede op welk
blad en welke kolom dit stuk staat.
6 Anzeiger, 1835, IV Theil, s. 201: ,,Das .. .
niederlandische Bruchstiick aus dem 14 Jahrhundert, wo von Herr Leyser seine mit grossem
Fleisze genommene Abschrift mir iiberlassen hat,
werde ich zugleich mit anderen verwandten Dichtungen bekannt machen."
De hier. gemelde stukken vindt men op bl.
247— 49,
XXXII
meldt wordt van welken tijd vermoedelijk het
schrift, noch hoedanig de letter is. Door de
schrale berichten is men evenmin in staat op te
maken of de verschillende bladen op elkander
volgen, dan wel geheel op zich zelf staan, en
uit verschillende gedeelten van het handschrift
afkomstig zijn. Vermoedelijk zijn het althans
gedeeltelijk losse en onsamenhangende bladen,
daar tusschen het tweede en derde brokstuk in
het origineel zich bijna 6400 verzen bevinden,
die, ware de vertaling in evenveel verzen als de
fransche tekst, meer dan 21 bladen met 3 kolommen aan weerszijden zouden vereischen. Doch
bij gebrek aan vaste gegevens is het raadzaam
zich van alle gissingen te onthouden.
Zeer is het echter te betreuren dat wij juist
bij dit fragment in het duister moeten rondtasten, daar juist het laatste gedeelte, door Leyser
medegedeeld, 1 zoodanig eindigt, dat het onze
nieuwsgierigheid te meer gaande maakt. 2 De
eerste verzen, vs. 1-21, zijn eene vertaling, of
liever een yrije bewerking van de volgende
verzen in het oorspronkelijke : 3
Salemons nes en parole,
Dont ge vous dirai la parole
Tantost, por ce que ge vous ain :
„De cele qui te dort ou sain
Garde les porter de to bouche".
Cest sermon devroit preeschier
Quicunques auroit home chier,
Que tuit de fames se gardassent,
Si que jambs ne s'i fiassent.
Si n'ai-ge pas por vous ce dit,
Car vous ayes sens contredit
Tons jors este loiale et ferme.
L'Escriture nes afferme,
Tant vous a done Diex sens fin,
Que vous estes sages sens fin.
Hierna volgen juist in het oorspronkelijke de
4000 verzen, die in de andere vertaling ontbreken en de biecht van Vrouw Nature bevatten. 4
Uit het fragment schijnt men ook te kunnen
opmaken, dat in de tweede vertaling eveneens
die biecht is overgeslagen, blijkens vs. 22 vlgg.:
Nu es wel tijt dat ic mi kere
Te miere materien van hede eer :
Hier of ne seggic u nemmeer.
En nu volgen nog een paar verzen, die ons
volstrekt geen licht geven, en waarnaar ik vergeefs in den franschen tekst heb gezocht.
Gheselle, gi ebt, ic wane gehort
In mijn gedichte daer bet vort,
Hoe die jalouse drop (1. dorper ?) quaet
Sijn wijf versprect ende hoe hise slaet ...
En .... cetera desiderantur! Leyser vond hier
goed op te houden ; misschien ook zijn het de
laatste regels van het fragment, hoewel er niets
van vermeld wordt.
Het is niet overbodig hier den wensch uit te
spreken, dat bij de medecleeling van gevonden
fragmenten de aanvangs- zoowel als de slotverzen worden opgegeven, of liever nog die van
elk blad, ten erode de vergelijking later gemakkelijk te maken. Onvolledigheid in dezen
is tantalizeerend!
Nog rest ons het vermelden van het laatste
fragment.
3°, bestaande uit twee bladen van een quatern,
thans het eigendom van mijnen vriend de Vries,
door wien het mij weiwillend ten gebruike werd
verstrekt, en vroeger naar een afschrift van Bilderdijk uitgegeven door Clarisse in Dr. de Jagers
Taalk. Mag. III. 163-222. De beide bladen behooren tot een zeer fraai geschreven codex in
kleinfolio, van bijna 27 Ned. duim lang op 19,5
duim breed, en hebben tot schutbladen gediend,
waardoor sommige plaatsen zeer beschadigd en
hier en daar bijna onleesbaar geworden zijn.
Elke bladzijde heeft twee kolommen van 40
verzen, zoodat elk fragment 320 verzen telt, en
ons dus 640 verzen zijn bewaard gebleven. De
beide bladen zijn vermoedelijk de buitenste van
een quatern van zes vellen, zoodat vier geheele
bladen of 640 verzen tusschen beide fragmenten
ontbreken. 5
Het handschrift, waartoe deze bladen hebben
behoord, was zeer fraai. De letter is van middelbare grootte, eenigermate vierkant en zeer
duidelijk, voor zooverre de helder zwarte inkt
niet geleden heeft door het hout van den band
waartegen de eene zijde van het blad was vastgeplakt,
1 Zie bl. 248 en 257.
2 Bl. 257.
3 Vs. 16892-16907 (Michel, II. 193).
4 Bl. 236, aant. 3 ; Inl. bl. xrx.
5 Tusschen het eerste en -tweede brokstuk van
fragment III vindt men in het origineel 472
verzen, een getal dat zeer goed overeenkomt
met de 640 verzen der vertaling, die het in nit-
gebreidheid van den franschen tekst wint. Zoo
zijn in fragment II, 1 het origineel 18, de vertaling 32 verzen ; in II, II het oorspronkelijke
25, de vertaling 62 verzen ; in fragment III,
II de fransche tekst 269, de nederlandsche
320; terwijl alleen in fragment III, 1 het oorspronkeliike 28 verzen meer bevat dan de vertaling.
XXXIII
Wat den inhoud van dit fragment betreft, het
bevat een deel van de geschiedenis van Venus
en Mars, dat in de andere vertaling niet is opgenomen. Of nu de geheele aanstootelijke passage, het onderricht in het overspel, de cynische
uitweiding over het . mingenot en dergelijke mede
zijn vertaald, dan wel, als bij van Aken geschied
is, weggelaten, laat zich natuurlijk niet beslissen.
Den ouderdom dezer vertaling ook maar eenigermate te bepalen, is bij gebrek aan eenige
gegevens hoogst moeilijk. Dr. Jonckbloet noemt
de taal ll ouderwetsch"; doch wil daarmede zeker
niet to kennen geven dat de vertaling Teel
ouder kan zijn dan die van den Brusselaar,
die, naar onze meening althans, ze niet lange
jaren na het voltooien van het oorspronkelijke
bewerkte. Misschien werd zij ongeveer ter zelfder
tijd ale van Akens werk begonnen, doch zal ze
later wegens het mindere gehalte, den stroeveren
vorm, en de nog grootere nitgebreidheid dan het
origineel door diens Rose zijn verdrongen en op
den achtergrond geschoven.
6. Wijze van nitgave.
Bij hetgeen in de Inleiding op Maerlants
Spieghel Historiael door mijnen geachten medearbeider en vriend is gezegd ', behoeft niets meer
bijgevoegd te worden : wat daar gold van Maerlants werk kan ook hier voor de Rose gelden.
Tot dus verre was alleen de uitgave van het
Comburgsche handschrift door Dr. Kausler de
eenig volledige. Wel had Willems ruim 300
verzen van het Amsterdamsche medegedeeld, 2
doch slechts bij wijze van proef, waaruit kon
blijken dat de tekst van laatstgenoemden codex
beter en zuiverder was dan die van den eersten.
Een diplomatisch nauwkeurige afdruk van het
Amsterdamsche handschrift moest dus, onzes inziens, verre de voorkeur verdienen boven een
llkritischen" tekst. Worden later onverhoopt nog
meer volledige handschriften ontdekt, kan men
verschillende teksten onderling vergelijken, wat
in het eene ontbreekt uit het andere aanvullen,
dan eerst zal de tijd voor eene kritische uitgave
zijn aangebroken.
Een getrouwe afdruk van het Amsterdamsche
handschrift stond dus bij deze uitgave op den
voorgrond. Waar evenwel de tekst van dat
handschrift kennelijk bedorven was, en of door
het Comburgsche eene betere lezing werd aangegeven, 6f zoodanige door eigene gissing gemakkelijk was te maken, werd dit niet verzuimd,
doch steeds hetzij in de aanteekeningen, hetzij
in de varianten daarvan rekenschap gegeven.
Van het Comburgsche handschrift zijn de varianten, voor zoover zij zich niet bloot tot een
verschil in de spelling bepalen, nauwkeurig aan
den voet der bladzijde opgegeven, en evenzoo
1 Ald. D. r. XCVI-C.
2 .13elg. Mus. VIII, 104-114.
3 Zie hi. :tax. cant. 2. Bij de aldaar opgegeven
die van de twee fragmenten, door den Hoogleeraar Bormans medegedeeld.
Ten einde de vergelijking van den tekst der
beide handschriften den lezer gemakkelijk to
maken, is tusschen twee haakjens het getal der
verzen naar het Comburgsche handschrift mede
er bijgevoegd, en tevens aan het hoofd der bladzijde het folio der beide handschriften aangeteekend, ten einde diegenen, die belust mochten
zijn onzen tekst op dien der codices te toetsen,
het lastig zoeken to besparen.
Volgens onze uitgave is het aantal der verzen
14412. Dit is evenwel niet het verzencijfer van
het Amsterdamsche handschrift, dat ongeveer
honderd verzen minder bevat. Het verschil hiervan is daardoor veroorzaakt dat 98 verzen nit
het Comburgsche handschrift in onzen tekst zijn
opgenomen. 3 Hoeveel due door de vergelijking
onze tekst vollediger is geworden, bewijzen de
getallen sprekend genoeg.
In het Comburgsche handschrift telt namelijk
de Rose 14224 verzen, in het Amsterdamsche
14320 verzen of daaromtrent, terwij1 onze nitgave tot een cijfer van 14412 is geklommen,
en dus 188 verzen meer dan het Comburgsche, en
ongeveer 100 meer dan het Amsterdamsche bevat.
Tot de verklaring van onzen tekst diende vooreerst de vergelijking met het origineel. Overal
waar de vertaling eenige moeilijkheid oplevert,
is de fransche tekst aan den voet der bladzUde
aangehaald. Herhaaldelijk konden door den franschen tekst plaatsen in beide handschriften bedorven verbeterd worden. Ook waar de nederlandsche dichter zijn origineel niet begreep, en,
91 verzen behooren nog 8 verzen (vs. 8209-8216)
geteld to worden, die bij C. alleen voorkomen,
doch in het oorspronkelijke ontbreken. Zie bl.
189, aant. 2.
XX XIV
gelijk nog al eens geschied is, meer naar den
kiank dan naar den zin een of ander fransch
woord overzette, is de plaats uit het oorspronkelijke aangehaald, en met korte woorden eene
verklaring er bijgevoegd. Doch niet alleen de
fransche tekst, ook eene andere vertaling werd
door ons geraadpleegd, en bewees enkele malen
zeer goede diensten, namelijk de engelsche van
Geoffrey Chaucer, die evenwel of niet voltooid
werd Of verloren is gegaan, en bij vs. 11488
of breekt, doch met eene aanmerkelijke lacune
tusschen beide, daar ze slechts 7700 verzen telt. 1
Over de vertaling van Chaucer hier uit te
weiden ligt buiten ons bestek, alleen worde opmerkt, dat zij den franschen tekst gewoonlijk
regel voor regel volgt. Op enkele plaatsen heeft
zij het voordeel dat er in plaats van het anglonormandische het germaansche woord is gebezigd, hetwelk met het nederlandsche volkomen
overeenkomt, en tot bevestiging der juiste lezing
van ons handschrift kan dienen. 2
De aanmerkingen bij den tekst gevoegd betref-
fen meest de kritiek ; voorts zijn ook hier en
daar weinig gebruikelijke woorden verklaard, en
elders weder zoodanige aanteekeningen geplaatst
die tot verduidelijking van den zakelijken inhoud
kunnen strekken. Deels zijn het korte biogra fische aanteekeningen, deeli bijzonderheden van
historischen aard, vergelijking met plaatsen uit
de klassieken, enz. Het door Meon en Francisque-Michel bij hunnen tekst aangeteekende
was mij hierbij enkele malen een geschikte handleiding. Waar zij zich evenwel vergenoegen met
de eenvoudige vermelding, dat de fransche dichter
op verschillende plaatsen kennis met het Romeinsch recht verraadt, heb ik gemeend de bewijsplaatsen daarvoor te moeten aanvullen. Het
geheel onbepaalde in de aanteekening der fransche
commentatoren was hier al te onbevredigend.
Wij eindigen met te verwijzen naar de aanteekeningen van Dr. Kausler in het derde deel
zijner Denkmaler, die het aan mijnen arbeid
ontbrekende zullen kunnen aanvullen en misvattingen verbeteren. 3
Hiermede kan ik afscheid nemen van mijne
lezers, van de rari nantes vooreeker, die zich
de beoefening onzer oude nederlandsche letterkunde ten doel stellen : andere toch kan ik niet
verwachten. Vooraf wil ik evenwel nogmaals
mijnen dank toebrengen aan den Hoogleeraar
BORMANS te Luik, en mijnen vriend Dr. SNELLAERT te Gent, die mij door hunne bijdragen
hebben ter zijde gestaan ; aan den Hoogleeraar
ZARNCKE te Leipzig, die, hoezeer vruchteloos,
mij door zijne nasporingen zeer aan zich heeft
verplicht. Dat ik te meniger ure ook weer
den krachtdadigen bijstand van mijnen waarden
vriend DE VRIES mocht ondervinden, waar het
moeilijkheden en zwarigheden gold, wie zal er
aan twijfelen die hem kent en waardeert ? Hij
ontvange hiervoor openlijk mijnen dank.
Eindelijk kwijt ik mij van een aangename ver-
plichting door de hulp te vermelden, die ik mocht
ondervinden van mijnen geachten zwager Mr. IAA()
TELTING. Zonder hem was er geen denken aan
geweest om te .... pronken met de kennis van het
Romeinsch recht, waarin ik een volslagen vreemdeling ben. Ook hij neme mijn dankoffer aan.
Doch laat ik gedachtig zijn aan de woorden
van Jean de Meung in het Testament :
1 Ze breekt namelijk plotseling of bij onzen
tekst vs. 4988, en vangt eerst weder met 10017
aan, zoodat ongeveer 5000 verzen ontbreken.
2 Zoo o. a. in vs. 87 : besten, door Kausler
verkeerdelijk vesten gelezen.
3 Het derde deel der Denknatiler ontving ik
eerst toen reeds eenige vellen dezer uitgave
waren afgedrukt.
L ien dit communement que lone parler ennuie
Et que qui a trop vent, que Diex li envoist pluie ;
Si vaut miex, ce me semble, qu ilt taire me deduie ;
Que je par trop parler quanque j'ai dit destruie.
Et s'il y a nul bien, en la gloire Diex aille,
Et au salut de m'ame, et as escoutans vaille ;
Et du mal, s'il y est, leur pri quill ne leur chaille,
Mes retiengnent le grain et jettent hors la paille.
DIE ROSE.
A. fol. 1. a.
Het seit menech, dat in drome
Niet el en es dan idele gome,
Logene ende ongewarechhede ;
Nochtan heeft men ter meneger stede
5 Dicke die drome vonden waer
Ende die dine gescien daer naer,
Alsi in drome waren gesien.
So wie dat wille houden in dien,
Dat ic doer ben ende sot,
10 Inc houde drome niet over spot : Men hefse dicke waer ondervonden,
Alse wi horen wel orconden
Enen auctoer, die Macrobes hiet, 1
(Hine houtse over logene niet)
15 Die bescreef dat vision
Vanden coninc Scipion.
Te minen rechten XX jaren,
Alse minne neemt al sonder sparen
Van jongen lieden Karen tsens,
20 Doe lagic in een groet gepens
Op mijn bedde, ende wert bevaen
[5]
[10]
[15]
[20]
C. fol. 1. a. b.
Met enen slape ; also saen
So quam mi een droem te voren,
Dien gi hier selt mogen horen
25 Van woerde te woerde ende anders niet, [25]
En si algader so gesciet,
Genic die droem mi dede verstaen.
Dies gijt selt teer van mi ontfaen,
Salic u in Dietsche ontbenden
30 Den droem, dien ghi al waer selt venden. [30]
Ware vrouwe ocht here die vrien woude,
Hoemen dit boec heten sonde :
Die ROSE seggic dat heten sal,
Want daer es in besloten al
35 Die art van minnen geellike,
[35]
Die materie es scone ende rike.
Nu moete God onse Here geven,
Dat' hare, daer ict dore opheven
Hebbe, moete behagen alsoe,
40 Dat sijt ontfa, so waer ic vroe ; [40]
Want icse vor al die werelt minne :
Hets recht, want sijs Rose van minen sinne.
1 Het es gheseit. 2 Niet ne es. 3 onwaerhede. 4 te m s. 5 Dicken. 6 dinghen. 7 Also
si. 8 S. w. so. w. houden nu. i. d. 9 Weder so
ic si vroet so sot. 10 In. 11 Men heeftene so
dicken ondervonden. 12 Alse wi wel o. A
wie. 13 Eenen meester die Macrobius h. 14 Die
drome voer truffen ne hilt. 15 Want hi b. 18 Dat
droemde den coninc Cyproen. 18 A. m. n. te
e. g. ghewaren. 19 cheins. 20 So lach ic
peins. 24 Also ghi hier snit m. h. 26 Dan
also ghelijc hi es' g. 27 Die droem dede mi v.
28 Dies suldijt. 29 Ende ic salt hu D. ontbinden. 30 D. d. die ghi w. suit vinden. 31 W.
oec yemen die vragen w. 35 Dien aert v. m.
gheheelike. 36 marterie. 39 Hebben m. b. so.
40 D. soet o. dies ic ware v. 41 Vant. 42 H.
r. ghi sijt vrouwe.
1 Madrobins Ambrosius Theodosius, die zich
in de eerste helft der Ve eeaw aan het hof van
den jongeren Theodosius be yond, maakte zich
vooral bekend door het op deze plaats bedoelde
werk : Commentariorum in Somnium Seipionis
libri II.
2 Dat de lezing van C: ,vrouwe van minen
sinne" kennelijk verkeerd is, bewijst ook de
Fransche tekst (Rose, I. 2, 44):
Or doint Diex qu'en gre le recoeve
Cele por qui ge l'ai empris.
C'est cele qui tant a de pris,
Et tant est digne d'estre amee,
Qu'el doit estre Rose clamee.
1
2
A. fol. 1. a—c.
In minen drome, daer ic in 11'6,
Dochte mi dat ic die werelt sach
45 Scone versiert ende al vergroit,
Die alden winter was vermoit,
Ende dat was in Meyes tide,
Dattie voglen waren blide.
Die borne worpen nuwe blat ;
50 Die erde wart van dauwe nat,
Die den winter verdort stoet ;
Si acht nu wel lettel goet
Wat hare die felle winter weet,
Maer parert hare nu gereet,
55 Ende gaet hare behagelike versieren.
Si maect van meneger manieren
Cleder, meer dan C paer,
Van cruden, van blomen, dats waer,
"Roede, gelu, wit ende groene ;
60 Si siert hare in alien doene.
Die voglen singen menechfoude,
Die dore des felles winters coude
Hebben in bedwange gelegen,
Die hebben nu te lange geswegen ;
65 Beide nachtegale ende calandren, Die papegay oec metten andren
Die singen menegerande noten,
Daer si sitten met haren roten.
In desen tiden souden minnen
70 Die jonge lieden in alien sinnen
Dore den oversoeten tijt,
Die danne es in die werelt wijt:
[45]
[50]
[55]
[60]
[65]
[70]
C. fol. 1. b. c.
Hi es al te hart ende vol van nide,
Die niet en mint in desen tide.
75 In desen tide so was dat icke
[751
Lach ende droemde een lane sticke .
Mi dochte alsoe daer ic lach,
Dat het vroech was ane den dach,
Ende ic stont op sonder vernoyen,
[80]
80 Ende ginc mi cledren ende scoyen,
Ende dwoech mine hande mede.
Ute enen ziede dat ic doe dede 2
Een cleine zelverijn naeldekin,
Dat zuverleker nine mochte sijn.
[85]
85 Doe vessemdic die naelde saen, 3
Ends bem dus uter stat gegaen,
Aliene, bestende mine mouwen, 4
Om dat ic horen woude ende scouwen
Der voglen sane, die menechfoude
90 Sere songen achter woude.
[90]
Om den zoeten nuwen tijt
Soe hadden si so groet delijt,
Dat si sere te stride songen,
Elkerlic na sire tongen.
[95]
95 Dus gingic na haren zanc
Horende, ende mine dochte niet lane
Dien wech, dien ic ginc hens sciere.
Ic quam gaende op ene riviere,
Die neven eenre heide stoet.
[100]
100 Doe quam mi in minen moet,
Dat ic mi woude daer gam. meyen
Op die riviere in die valeyen,
48 al daer ic lach. 44 de w. 45 ende ghegroit. 46 stont v. 47 E. dit was recht in
Meye t. 48 Dat alle. 49 Ende b. uutworpen.
50 Ende derde. 51 D. in d. w. verdorven s.
52 Soe achte. 54 Ne waer pareerde hare g.
55 Ende ghinc 56 Soe maecte. 57 Cleederen.
58 Van bloemen van cruden. 59 Roet. 60 So
verchiert soe haer. A. Sie. 62 D. dor des fels
w. c. 63 In bedwanghe, hebben. 64 Ende te
langhe daer toe gesweghen. 65 Die n. ende die
c. 66 oec ontbr. 68 D. s. sijn. 69 so s. m.
71 Dor. 72 D. dan es in de w. w. 74 niet
ne m. 76 In drome lach. 77 Ende mi d. so
aldaer ic 1. 78 Dat vro. 80 Ic ghinc mi cleeden. 81 handers. 82 sleds — dat ontbr. 83 cleen.
84 fijnre niet ne. 85 vademde ic. 86 ate waert.
87 vestenne m. mauwe. 88 horen wilds ende
scouwen. A. horende woude scouwen. De cursieve letters door eene latere hand ingevoegd. 89
voghele. 91 Omme. 94 na haerre t. 97 Die w.
die ic g. henen s. 98 Doe quam ic. 99 sere
heiden. 101 Dat ic daer wilde. 102 in der v.
I Rose, I. 3, 56:
Et oblie la povertd
Oh ele a tot l'yver este.
2 Rose, I. 4, 91:
Lors trais une aguille d'argentD'un aguiller mignot et gent.
Het hier gebezigde ziet komt ook in het AS.
voor, als Luc. XII, 33: Vyrceath seddas, d. i.:
„Maeckt a selven buydels", en Luc. XXII, 36:
Se the haefd send, d. i.: „Meer nu, wie eenen
buydel heeft." Zie Ettmiiller, Lex. AS. 647 :
Seod, sead, sacculus, crumena, locul s.
3 Km. Vessemen een naelde. Acum Pilo trail-
cere, filum inserere in foramen acus.
4 Ook in C. staat ongetwijfeld besten, dat
door Kausler verkeerd is gelezen. Verg. Chaucer
(Ed. Routledge) 211 :
With a thred basting my slevis.
Besten is bij Km. Fris. Sicamb. = Dri egh en,
leviter consuere, en nog bij kleermakers bekend
als : de veering op de buitenstof hechten, Hd.
besteln (Grimm, D. Wtb. I. 1676). Vooral het
vastrijgen en losmaken der mouwen heette besten en ontbesten. Verg. Sp. Hist. III. 138 (IIP,
c. 72, vs. 47), en over deze soort van mouwen
Weinhold, Die deutschen Frauen, 430.
8
A. fol. 1. c. d.
Die alse een carstael was claer
Ende couder oec, weet vor waer,
105 Danne wesen moclite enege fonteine. [105]
Een lettel minderre dan die Seine
Was die riviere sekerlike.
Si quam gelopen dapperlike
Van enen berge die daer stoet.
110 Mi donct dat in minen moet, [110]
Dat ic niene hadde gesien
Die riviere in alien dien,
Dat ic in mi gemerken conde,
Die scoenre was tote op dien gronde,
115 No so fijn noch so claer.
[115]
Doe gingic hare een [deel] bet naer
Om te dwane mijn anscijn
Daer in ende die hande mijn.
Doe sagic den gront altemale
120 Gepaveit met stenen wale.
[120]
Die stat was scone in alre wijs,
Het sceen een erdersce paradijs,
So wel behagede mi die stat.
Die praierie was oec nat
[125]
25 Van soeten coelen dauwe.
Die stat besagic harde nauwe,
Want si mi behagede wale.
Doe gingic al twater tale
Mi meyende in die praierie,
130 Diere gelike en sagic nie.
[130]
Doe le een luttel hadde gegaen,
Sagic yore mi een vergier staen,
Dat groet was ende harde wijt ;
Oec waest gesloten ende gevrijt
135 Met starken ende met hogen muren, [135]
Wel gehouwen met figuren,
Ende met beelden gescreven wale,
C. fol. 1.
a.
Daer ic u gerne altemale
Die figuren ave verseide,
140 Constic met eneger behendicheide ; [140]
Na dien dat si mi gedaen
Dochten, salic doen verstaen.
Die irste beelde hiet Haettie,
Die geweest heft oit ende ie
145 Van ernessen dat irste begin.
[145]
Verbolgen stoetse in haren sin;
Sere bedect ende harde fel 1
So sceen die ymagene wel.
Sine was niet te gereke wale,
150 Mare ontsent sceen soe altemale.
Soe hadde int voerhoet menege less,
Ende opgescurst was hare die nese; [150]
Lelec was si ende verronst mede.
Si stoet verwimpelt daer ter stede
155 Met enen doke onsuverlike.
Neven hare stont sekerlike
Ene ymagene anders gedaen: [155]
Boven hare so sagic staen
Haren name, dien ic las,
160 Dattie beelde geheten was
Felheit 2, ende een ander mede
Stoet daer op ander side tere ander stede,[160]
Die geheten was Dorperheit.
Si hadde al selke lelecheit
165 Alse daden die vorste beide.
Groet sceen wel hare quaetheide ;
Si sceen oec wel vol hovarden [165]
Ende quaet sprekende ende vol onwarden.
Wel conste hi betrecken entrouwen,
170 Die selke beelde conste houwen ,
Want wel sceent ane haren gemake,
[170]
Dat was ene dorpre sake
103 als een kerstael. 104 couder mede. 105
Dan. 106 minder dan de Zeine. 108 Ende
quam. 110 Mi dochte doe in m. m. 111 noyt.
112 Riviere dat dochte mien. 113 Als ic g.
c. 114 Scoenre wesen toten gronde. 115 No
oec weder so f. no s. cl. 116 Doe ghinc icker
een deel b. n. A. deel ontbr. 117 Omme. 118 die
anden. 120 Ghepaveert. 121 Die stede. 122
herdsch. 123 de stat. 125 Van den s. c. d.
127 W. soe behaghede mi so w. 128 D. g. twater al te dale. 129 Mi merghende. 130 ne
sack ic. 133 Die g. w. e. zeere w. 134 besloten ende bevrijt. 135 Met staerken hoghen m.
136 bi f. 137 bescreven. 138 Die ic hu
g. a. 139 Daer of die f. v. 140 bendicheide.
142 sal ict hu. 143 Dat deerste b. 145 Van
gramseepen dat eerste b. 146 stont soe. 147
en 148 ontbr. 149 Sone was te g. niet w. 150
ontsinnet. 151 voerhoeft. 152 upghescort was
har de n. 153 soe ende verroest. 154 Soe. 157
ymage alsulc. 159 Hare n. die. 160 Dat dat
b. 161 Eelheid ende eene andre m. 162 Stont
bander zide. 163 Ende dat was g. Dorperhede.
164 Di adde al sulke ledichede. 165 A. dandre
d. v. bede. 166 wel ontbr. quaethede. 167 Si
scenen wel. 164a vul van cberden. 169 consti.
170 sulke. 171 -Het sceen wel an hare g. 172
Dat het w.
1 In de Rose, I. 6, 143, leest men :
Et plaine de grant cuvertage
Estoit par semblant cele ymage.
De vertaler heeft, de beteekenis van cuvertage
niet kennende, letterlijk overgezet, zonder zich om
den zin te bekomineren. Cuvertage is trouweloos-
held, verraderij. Zie Roquefort, Gloss. L 829
en 334, Du Cange (Ed. Henschel) IL 696 op
Culverta.
2 Rose, I. 6, 154:
Apellee estoit Felonnie.
4
A. fol. 1. d.-2. a.
Ende een wijf al vol onneren,
Die hare ter doget nine wilt keren.
175 Hier na sagic gehouwen daer
Ende betogen, dat was waer,
[175]
Giricheit, die niet en geeft,
Machse, den dach datse leeft.
Dese es die den lieden doet
180 Over een vergaderen tgoet,
Ende perssemen leert ende vorcopen, 1
Ende vergaderen tgelt met hopen ; [180]
Dits die gene die doet stelen
Den lief, die bi sire kelen
185 Wert gehangen ter meneger stat;
Dese es oec die toebringet dat,
[185]
Datmen den lieden rovet thare ; Dese maect oec openbare
Groete gedingen ende sware.
190 Oec maect ,si menigen makelare, 2
Die beide heren ende vrouwen
Hare goet afsteken met ontrouwen, [190]
Ende hare erfenesse doen vercopen,
Om dat sijt le gadere hopen.
195 Lelec was dese beelde gedaen :
Si sat, aise die mochte staen
Qualec, ende beidde harre bringren [195]
Met crommen handen ende met vingeren,
Want hare herte na el en stoet
200 Dan nader andre liede goet.
Dits dat Karen sin verteert,
[200]
Want sijt yore alle dine begeert.
Naest Giricheit stoet
Vrecheit, die oec begert dat goet.
205 Sie was mager ende bleec ;
Enen doden si bat geleec
C. fol. 2. a. b.
Van hongere dan iemen el.
[205]
Het sceen an hare varuwe wel
Dat si luttel goet verteerde,
210 Maer altenen den penninc geerde.
Sie ondersperde dicke hare kele :
Sie soep wellinge van gerstinen mele [210]
Niet so vele dat hare besloet.
Sine at niet el dan gerstijn broet,
215 Ende tallen dien dat si nochtan
So mager was, sone hadsi an
Mar enen roc, die menich gat
[215]
Hadde, die te meneger stat
Was geboet met ouden doken. 3
220 Men hadde lange moegen soken
lermen vonden hadde die vloe :
[220]
Hi was tegleden alsoe.
Op een recke bi haerre siden
Hine een mantel van ouden tiden
225 Ende van brunette een rockelkin,
Dat niet bloeter en mochte sijn.
[225]
Ic segge u in warger dine,
Dattie mantel, die daer hint,
Met bonten gevodert nine was,
230 Maer die vodre, geloeft mi das,
Was lammerin, out ende swart, 4
[230]
Swaer te dragene ende hart. Si haddene wel gehadt X jaer,
Maer selden droechsine, dat es waer,
235 Want int herte hadt hare geten
Een gat, haddi iet versleten ;
[235]
Want haddi gewesen quaet, Eer Vrecheit, dat verstaet,
Enen nuwen hadde gecregen,
240 Hadde sire lange sonder gelegen.
178 al ontbr. 174 niet wille. 176 betrecket. 177 Ghierichede die lettel g. 178 Machsoe d. d dat soe 1. 180 groet goet. 181
E. p. leenen e. vercoepen. A. vercopen. 182
E. tghelt te gaderne. 184 D. d. dat hi. 185
Wort g. te m. s. 186 D. es die oec toebrinct. 187 nemet. 188 oec ontbr. 189 Groet
ghedinghe. 190 soe m. maertelare. 192 stelen.
193 arvenesse. 194' cnopen. 195 dit b. 196
Soe s. als. 197 Qualike e. b. hare bringere.
198 vinghere. 199 na els niet s. 200 Danne
na ander lieder g. 202 soet voer. 203 Na
Ghierichede soe s. 204 Vrechede die node ghevet g. 205 Soe w. oec m. 206 Eenen d. soe. A.
Den. 207 danne. 208 Dat s. 209 D. soe lettel goets.
210. M. altoes d. p. begheerde. 211 Ende verspaerde dicken. 212 Wellinghe soep soe. 214
Soe ne hat niet dan g. b. 216 ne hadde soe
an. 217 Ne waer e. r. d. minich g. 218 Adde
ende t. m. s. 219 Was hi ghevoet met vele
doeken. 220 verre moeten. 221 de v. 224 eenen.
226 ne m. 227 hu in waerre. 229 ghevoedert
niet ne. 230 Ne waer de voederinghe, g. das
(A vedre). 231 out ontbr. 233 ghehadt wel.
234 drouch soene over w. 235 Want een gat
adt h. g 236 Int herte waer hi i. v. 238 dat
wel v. 239 nieuwen hadden. 240 Soe hadder
1. s. g
1 BO A en C beide verkeerdelijk vercopen.
Zie LSp. Gloss. op voorcoop.
2 Bi,j C. de lezing zonder zin : maertelare. Rose,
I 7, 182:
C'est eels qui les triclieors
Fait tons et les fans pledeors.
3 Ook hier las Kausler het Hs. verkeerd.
Vosden, in de beteekenis van voeren, bestaat
niet. Dit is toch een samentrekking van het
freq. voederen. Zie Dr. de Vries, Md. Taalz 70.
4 Rose, I, 8, 216:
Ou mantiau n'ot pas penne vaire.
Mbs moult vies et de povre afaire,
D'agniaus noirs veins et pesans.
5
A. fol. 2. a. b.
Vrecheit so hilt in die hande
Ene horse met enen starken bande, [240]
Die si harde vaste sloet ;
Sie en warre om gene noet,
245 Die si hadde, daer toe gegaen.
Selden was die borne ondaen
Omme enege becommerthede,
[245]
En ware of sire iet in dede.
Daer na so stoet vort betogen
250 Nidicheit, die noit in hogen
[250]
En wart om dinc die si vernam,
Si[ne] wart altoes erre ende gram,
Ende vertoech alle scaden. 1
Niet en stoet hare bat in staden
[255]
255 Dan alsi enen goeden man
Sach comen toren ende lachter an,
Ocht oec enich swaer verlies :
Sere verblidde si hare dies.
Ocht alsi enich geslachte sack
260 Dat oit vorbare te wesene plach,
[260]
Vallen ochte te nieute gaen,
Daer omme so verblijdde si saen,
Ende hads feeste ende groet spel :
So quaet was si ende so fel.
265 Maer alsi sach enen man,
[265]
Die ere ende goet gewan
Met duechden ende met behendichede,
Ochte met enichgerande wijshede,
Dat gave hare sware avonture.
270 Nidicheit heeft selke nature, [270]
Dat si te niemene en draget minne.
C. fol. 2. c. d.
So fel es si in haren sinne,
Sine heeft maech dien si vrient si ;
Noch haren vader, gelovets mi,
[275]
275 En woudse dat gesciede goet,
Sie en souds in haren moet
Hebben toren ende leet.
Dat si dus quaet es ende dus wrest,
Dat loent si haer selven al; 2
[280]
280 Alse iemene gesciet goet geval, Waent si altemale ontsinnen,
Ende edt van rouwen hare herte binnen.
Si es die niemen goeds en an;
Men vint en genen so goeden man
[285]
285 Niewerinc te gere stat,
Mochte si wel, si en dade dat,
Dat hi ten groten scanden quame,
Ende lachter hadde ende blame:
So quaderhande so es si
[290]
290 Ende so vol venins daer bi.
Ic sach daer Nidicheits figure
Hebben ene leleke faiture :
Lelec sachse, dat weet wel,
Alse die nidich was ende fel.
[295]
295 An hare mestont harde vele:
Si sach beide losch ende scele ;
Niemene en mochse besien wale ;
Hare een oge loecse telken male
Van groter felheit dien si droech, 3
300 Die es te vele ende meer dan gnoech. [300]
Na Nidicheit so stoet verheven
Serecheit ende wel bescreven.
241 V. hilt in hare h. 242 Eene burse m.
eenen b. 243 soe. 244 Soe was die dor gheenen n. 245 Iemene daer toe hadde laten gaen.
247 Om. 248 of met yet. Na 248 bij C de
twee volgende verzen, die ook in den Franschen
tekst ontbreken.
Doe verblijdden hare de lede
Ende al hare zinnen mede.
249 Hier na so stont. 250 niet 251 Om eenighe dinc was diese v. 252 Ne waer altoes
tornich. 253 vertrecte. 955 alsoe sach e. g. m.
256 Sach ontbi . 257 Ende eenich zware. 258
S. blide soe was soe d. 259 Of alsoe eene g. s.
260 voerbaer. 261 Tevallen ende. 262 so ontbr.
264 nidich. 265 goeden man. 267 dogheden
e. m. behendicheden. 268 Of m. eenigher. 269
Dat hare gaf. 271 en ontbr. 273 macht. 274
No h. v. gheloves mi 275 Ne wilde soe. 276
Sone souts. 277 Toren hebben. 278 fel es. 280
yemen g. groet g. 281 Wilsoe. 282 Ende verteert haer h. b. 283 goets jan. 285 Mochte
soe wel soe ne dede dat. 286 Die men vint
yewer in eenighe stat. 287 te g. s. 290 Ende
ghevet so vele veninen daer bi. 292 H. so 1. f.
293 So sach so leelijc, weet w. 294 n. es
ende arde f. 295 harde wel. 296 So was b.
lusch. 297 Niemen mochtse. 298 H. eene o.
loec soe teenen m. 299 Dor de f. die soe d.
300 Diere vele was ende g. 301 Nidicheden,
so ontbr. 302 ghescreven.
I ) Rose, I. 9, 237 :
N'onques de riens ne s'esjoi,
S'ele ne vit ou s'el n'oi
Aucun grant domage retrere.
BO A en C in vs. 252 verkeerdelijk si.
2 Rose, I. 9, 260:
Mes biens sachies qu'ele compere
Sa malice trop ledement.
Cornperer, comparer is betalen. Zie Roquefort,
Gloss. I, 279.
8 Rose, I. 10, 282:
Ele avoit un mauves usage,
Qu'ele ne pooit ou visage
Regarder riens de plain en plaing,
Ains clooit un oel par desdaing.
6
A. fol. 2. b.—d.
Ane hare varnwe so sceen gnoech
Dat si rouwe int herte droech.
305 Si was gelu ende bleec ;
[305]
Van varnwen si wel geleec
Ende van gedanen Giricbeiden :
Si was elu van magerheiden, 1
Ende van onwillen, die si sach,
310 Verswinde hare herte nacht ende dach. [310]
Noit en was martelare
In tormente also sware,
Noch in erscap also groet, 2
Noch in so over groete noet,
[315]
315 Alse Sericheit hebbende sceen. Si weende ende droefde al in een,
Ende sine woude hare vertroesten niet,
So wat feesten dat si siet.
Si sceen wale eene sericge sake,
320 Ende die sere leefde met ongemake. [320]
Sie wane hare hande ende trac haer haer ;
Sie dreef harde groet mesbaer.
Hare cledre waren harde quaet,
Want si hadse, dat verstaet,
825 Met haren handen gescoert ontwee. [325]
Te moede was hare altoes -wee ;
Haer haer hadsi uutgetrocken,
Dat lath bi hare met groten lockers.
Hare luste luttel enich spel,
[330]
330 Soe rouwich sceense ende so fel; Feeste te makene was hare ommare,
Want spel ende rouwe sijn contrare.
Hierna stont Outheit betogen,
Lelic ende sere gebogen,
[835]
835 Harde crane ende sere verrompen, C. fol. 2. d.-3. a.
Ende enen voet wel gecrompen
Van dien dat si te sine plach.
Si nam of nacht ende dach,
Beide van sinne ende van wijsheden,
340 Ende hare scoenheit was al leden. [340]
Si was alse wit van hare
Alse ocht si gebloit al ware. 3
Al verdroget so was hare lijf,
Ende hadde van coude die handen stijf.
345 Vol ronsen so was hare die hunt; [345]
Tmos wies hare ten oren uut. 4
Hare tanden waren nut gemene
Gevallen, sonder een allene,
Die groet was ende voren oec stoet.
350 Sie en ware niet enen voet
[350]
Sonder hare potente gegaen :
Hare macht was hare also ontgaeu.
Die tijt die noit en gelach,
Maer die gaet nacht ende dach,
[855]
355 Sonder rusten hi hene gaet,
Al dunet ons dat hi stifle staet
Ende in enen poente duren;
Hi gaet met tiden ende met uren,
Ende lijt sonder keren weder,
360 Gelijc dat twater vallet neder, [360]
Ende dies dropel weder en keert :
Aldus es oec die tijt geleert.
Jegen den tijt en mach niet duren
Yser no borech met hogen muren ;
[865]
365 Die tijt die verteert al.
Wat dat leeft, groet ende smal,
Heeft die tijt oec opgevoedt,
Ende die tijt hi verdoedt.
308 so ontbr. 305 Want soe was valu. 307
Der leeliker Ghiericheden. 301 ghelu. 309 Van
onwille dien soe. 310 Verdwijnde so n. e. d.
313 No in eerscap. A. heerscap. 814 No in alsoe
groeten n. 315 Zeerichede. 317 Alse die hare
ne vertroeste n 319 wel e. drouve s. 320 Ende
ontbr.; levede. 321 haer h. e. sleet h h. 322
Soe maecte. 323 H. cleedren die waren q. 326
T. m. so was h. so w. 327 Dat soe hunt
hadde getrocken. 328 Hare haer bi groeten 1.
830 So serich sceen so. 332 Feeste ende r.
333 ghetoghen. 334 verboghen. 336 Ende wel
eenen v. g. 338 Ende soe. 340 Hare scoen-
hede. 842 al ontbr. 343 Ende v. s. w. haer 1.
344 Van couden adsoe de anden s. 345 V erroest
soe. 346 Dat most Prep. 347 beghene. 348 s. eenen
a. 349 oec ontbr. 350 Sone hadde n. e. v.
351 potenten. 352 H. m. w. so tegaen. 853
noit noch g. 354 M. henen gaet. 355 Ende
emmer Bonder te rusten geet. 356 dat soe s.
steet. 357 gheduren. 358 Soe gaet met pointe
e. m. u. 359 Soe lijt. 360 G. dat dat w. 361
Dies een d. .niet w. ne k. 362 Aldus so es. d.
t. g. 363 Yser no ne gheene m. 364 Ne
mach jeghen dien tijt gheduren. 365 die ontbr.
367 oec ontbr. 368 die v.
1 Het bij A gebezigde woord vindt men ook
bij Km. eluwe = deluwe, lividus, luridus, en in
het Ohd. elo, fulvns (Graff, I, 225).
2) Rose, I. 11, 804:
Onques mes nus en tel martire
Ne fu, ne n'ot ausinc grant ire
Com it sembloit que ele east.
3 Rose, I. 12, 845 :
Et blanche com s'el fast florie.
d. i. pact bloesems bedekt.
4 Rose, I. 12, 353:
Les oreilles avoit mossues.
d. i. eigentlijk : met mos begroeit; doch gelijk
men ook spreekt van lanugo arborum (harigheid),
worden hier de met haar begroeide ooren als
met mos bedekt voorgesteld. De lezing bij C is
dus blijkbaar verkeerd.
7
A. fol. 2. d.
Die tijt sent alle dine ter mouden,
370 Die tijt dede onse vorderen ouden,
Die tijt doet vulen alle dine,
Die tijt out keyser ende coninc,
Oec sal si ouden doen ons alien
Die doet en doet [ons] tirsten vallen.
375 Die tijt, die breect dit ende tgene,
Hadde so versoft dese oude queue,
Dat si en wiste wat si dede :
Sie was in hare irste kintshede.
Ic wille wel geloven das,
380 Alsi in haren poente was,
Datsi hadde wijsheit ende sin,
Maer nu sceen sijn hebben min.
Versoft was si in hare gedane ;
Ene cappe hadde si ane,
385 Ene sware ende ene oude,
Wel gevodert jegen tcoude,
Want ouden lieden, dat es weer,
Gaet een cleine coude naer.
Ene andre beelde daerna stoet.
390 Na dat mi dochte ende ict verstoet,
[370]
[375]
[380]
[385]
C. fol. 8. a, b.; D. 8. oi
Was si Papelardie geheten:
Dat sijn lieden, wildijt weten,
[390]
Die hem tonen van buten goet
Ende quaetheit dragen in den moet.
395 Sie sijn hell& van gelate
Ende vensen hem al met barate.
Anders so toent hare anscijn
[395]
Dan hare herte binnen sijn.
Simpelic was dese beelde bescreven
400 Na een wijf, die was begeven
In een zwaer religioen :
[400]
Si droech twee gebondene scoen,
Enen zoutre hilt si in die hant.
Het sceen dat si elken sant
405 Aneriep met groter innecheiden. 2
Sone helt hare twint met behagelheiden,
Maer gode gewerke altoes tanegane, 3 [405]
Ende ene hare droech si ane
Alder naest haerre hunt,
410 Die si dede selden uut.
Van vastene was si bleec ende vale,
[410]
Alse of si doet ware altemale.
369 A. moude. 370 A oude; C. voerders houden.
371 vervullen. 373 en 374 ontbr. 374 A. ende
doen tirsten v. 315 Die tijt breect. A. D. t.
hi breect. 376 Heeft soe vercocht. 380 A. Dat
si. C. Datsoe. 381 Alsoe hadde wijshede. A.
Sie en h. 382 te min. 383 Verscoten w.
soe in haer g. 385 coude. 387 oude. 389
Een ander. 390 Na d. m. d. in minen moet.
391 Dat P. was g. 392 liede. 393 toghen buten
d. m.
g. 394 E. quaet int herte sijn ende 395 in g. 896 veinsen. 897 toghet haer. 399
Simpel was dat b. ghescreven. 402 Ende d.
403 in de h. 405 met neerensticheden. D. met
nerensticheiden. 406 Soene achte twint up. b.
D. S. dreef twijnt b. 407 C D. M. goede g. te
anvane (D anevane). A. gewerce. 408 Eene h.
soe d. soe a. D. soe. 409 C. D. Alrenaest, D.
harer. 410 C. D. D. soe selden dede u. 412 C
Recht of soe d. w. te male. D. Als of soe d. w.
te m.
Vs. 371-382. Eene in beide HSS. jammerlijk bedorvene plaats, die door vergelijking met
den Franschen en Engelschen tekst te verbeteren
is. Zie Rose, I. 13, 380-405:
Li tens qui tote chose mue,
Qui tout fait croistre et tcut norist,
Et qui tout use et tout porrist;
Li tens qui enviellist nos peres,
Et viellist rois et emperieres,
Et qui tons nous enviellira,
Ou mort nous desavancera ;
Li tens, qui toute a la baillie
Des gens viellir, l'avoit viellie
Si durement, qu'au mien cuidier
El ne se pooit mes aidier,
Aims retornoit jh en enfanee ;
Car certes el n'avoit poissance,
Ce cuit-ge, ne force ne sens
Ne plus c'un enfés de dens ans.
Neporquant, au mien escient,
51 avoit este sage et gent,
Quant ele iert en son droit aage ;
Mais ge cult qu'ele n'iere mes sage,
Ains iert trestote rassotee.
Bij Chaucer luidt vs. 373:
(Time) that us all shall overcommen,
Er that death us shall have nomen.
en vs. 379 vlgg.:
But nathelesse I trow that she
Was faire sometime, and fresh to se,
When she was in her rightfull age;
But she was past all that passage
And was a doted thing becommen.
2 Het fragment D, waarvan hier de varianten worden medegedeeld, en hetwelk vs. 405 —
580, hoewel met verscheidene leemten, bevat, is
uitgegeven door Prof. Bormans, in de Bulletins
de l' Academie Royale de Belgique, Tom XXII.
3 Rose, I. 15, 427:
El ne fu gaie ne jolive,
Ains fu par semblant ententive
Du tout 4 bonnes ovres faire,
8
A. fol. 2. d.-3. b.
An hare sceen in alre wijs,
Dat hare die porte int paradijs
415 Altemale ware ontaen,
Ende sire gereet mochte ingaen;
Want dus gedane lieden plien,
Alse wie in die ewangelien sien
Gescreven, dat si hare anscijn
420 Mager houden, omdat si sijn
Willen geprijst vanden lieden,
Om dat si goeden dach ontbieden 1
Om ene cleine idele glorie,
Die hem verblijdt die memorie.
425 Tachterste stoet gescreven daer
Aremoede, dat es seker waer,
Dat emmer dat onwerste si;
Want hem so coemt node iemen bi.
Om hare hadde si enen zac ;
430 Honger, coude ende ongemac
Hadsi ende menege scamelhede :
Om niet so dede si menege bede.
Altoes so croep si achterwart,
Want si en es met niemene waert.
435 Metter kele was si ontwonden.
So stoet van daer die andre stonden
Achter verre een groet stucke.
Die arme heeft selden gelucke :
Achter es hi altoes gesteken.
440 Arm man mach wale spreken,
Dat dure si vermaledijt,
Rude die wile ende die tijt,
Dat hi nie wart geboren,
[415]
[420]
[425]
[430]
[435]
[440]
413 A. h. vies i. a. w. D. aller wise. 414
C. Of h. d. p. van p. D. Dat soe d. p. van paradyse. 415 D. Sonde open vinden ende ondaen.
416 C. in mochte gaen. D. E. sonder belet daer
in m. gaen. 417 C. D liede. 418 D. Als. C.
D. dewangelie. 420 C Maghet. D. omme. 421
C W. g. sijn v. 1. 422 C. D. Die hem. g
d. am bieden. 423 D. Omme e. clene. 424
C : de m. 425 Tachters T . D. Tachterst so st.
426 Aermoede weet voer waer. D. dats s. w.
427 tonwertste D. D. e. taller o. s. 428
Vant hem comt. D. so ontbr. 429 Omme h.
adsoe een z. D. Omme h. hadsoe. 430 D. cont.
Vs. 431.-454 bij D. weggesneden. 431 Adsoe.
432 so onbr. 483 so ontbr. 434 Wan soe met
niemen es w. 486 Soe stont v. d. dander.
437 sticke. 440 Arem m. hi mach wel s. 441
die ure si vermalendijt. 441 Datti. 444 moetti.
1 Lees met C: Die hem goeden dach ontbieden. Vs. 413-424 zijn door den vertaler
wederom niet begrepen. Zie Rose, I. 15, 433:
A li et as liens ert la porte
Devede de Paradis ;
Car icel gent si font for vis
C. fol. 3. b. d. D. fol. B. a. b.
So menichge onwerde moet hi horen.
445 Selden heeft hi an goet cleet :
Hem sijn scoeen oec ongereet;
[445]
Selden eet hi ende drinket wale;
Verstoten e .4 hi altemale.
Pus waren die beelden daer gehouwen
150 Ende wel betrocken, bi mire trouwen,
Beide in goude ende in lasur,
[450]
Die daer stoeden inden maser. Hoge was die muer ende ront,
Ende vaste besloten, ende stont
455 Om een vergier alse ene hage,
Daer en was noit to genen dagen
[455]
In comen scapre no vilein. 2
Het was so over scone een plein,
Dat ics hem van goeden sinne
460 Hadde gedanct, die mi daer inne
Hadde gelaten sonder scade,
[460]
Ochte bi ledren ochte bi graden,
Want ict wel houde overdien,
Dat meerre feeste noit gesien
465 Niewerinc en wart in engeen lant,
Alsemen inden vergiere vant.
[465]
Noit en was so suete stat,
No daer die vogle songen bat,
Noch oec maecten meerre gelunt;
470 Daer was in joie ende deduut.
Van cruden, van boemen alle manieren
[470]
Waren binnen dien vergiere. Die stat sceen so lievelike,
Dat man en es in erderike,
445 heefti ane. 446 H. s. oec scoen. o. 449
D. w. daer de b. g. 450 E. w. betrecken bi
trauwen. 451 Beede van g. e. van asure. 452
Daer si stonden an die m. 455 als een h. D.
Omme den v. 456 D. ne w. n. in t. g. d. D.
D. ne w. nie. 457 Comen dorpere n. v. D. dorper. 458 overscoen. 459 C. D. met g. s. 460
Ghedanct hadde. 462 Of bi leedre of bi grade.
D. Of b. 1. of b. grade. 463 C D. W. is houde
wel in dien. 464 feste. 465 Niewerincs ne
waert in gheen 1. D. Wart nieuwerijncs in geen 1.
466 in dien D. Danne men in dien vergier v.
468 de v. D. Noch. 469 Ende weer m. g. D.
Noit o. A. maecte. 470 D. Der. 471 Van
bloemen van crude menigertiere. D. Want bloumen ende crude alretiere. 472 13.binne den.
473 was D. rooc. 474 D. m. ne was zekerlike.
D. no es in erdrike.
Amegrir, ce dit l'Evangile,
Por avoir loz parmi la vile,
Et por un poi de gloire vaine,
Qui for toldra Dieu et son raine.
2 Rose, I. 16, 470:
Oh one n'avoit entre bergiers.
9
A. fol. 8. b. c..
475 Hine sonde verbliden, ware hire hi ;
Ende ic selve, gelovets mi,
Wasser of verblidet alsoe,
Ende int herte worden soe vroe,
Dat ic niet C T en name
480 Vore dat ic deer binnen en quame.
Doen ic den sueten zanc verstoet,
Viel mi stappans inden moet,
Hoe dat ic den raet gesochte,
Dat icker binnen comen mochte,
485 Bi wat engiene, bi wat liste,
Want ic no porte no dure en wiste ;
Noch niemen sone was mi bi,
Die den wech mochte wisen mi ;
Want allene wasic daer,
49 , Dies was mi dat herte swaer.
Doch bedochtic tachterste dat,
Dat noit en was so scone stat,
Noch so delisieuser mede,
Daer en ware ane teneger stede
495 Ochte dore, ochte wiket,
Daermen in mochte comen met.
Dus gingic pensende lange ure,
Ende besach die hoge mure
Ende dat porprijs dat vaste sceen.
500 So lange gingic dat ic een
Wiketkin vant harde clene.
Niewerinc danne daer alle[ne]
Mochtemen daer comen binnen.
Twiket was in alien sinnen
505 Vaste besloten met hameiden ;
[475]
[480]
[485]
[490]
[495]
[500]
475 H. verblijdde waer hi derbi D. hi derbi.
477 D. Was der. C. D. of verblijt. 478 A. Ende
ic int h: D. soe ontbr. 480 C. Der voren ; en
ontbr. D. Der voren ende ic der b. q. Vs.
481-504 weggesneden bij D. 481 Doe. A. sueten
zueten z. 482 Quam mi to voren in minen m.
483 Hoe ic den r. best zochte. 486 W. ic
dore no porte w. 487 No niemene die mi
was bi. 488 den inganc. 489 W. a so. w. d.
490 D. mi therte was s. 491 tachterst. 493
No so delectabele stede m. 494 D. ne was an
t. s. 495 Dore wech ofte wiket mede. 496 bet.
497 A pensede. 498 E. b. al omme de h. m.
499 pourprijs ; dat ontbr. 501 W. want wel c.
502 Niewer d. a. A. alle. 503 Mocht men. 504
Twiketkijn w. i. a. zinne. 506 D. D. cloptic.
507 Ic r. I. e. s. 508 E. dan hoerdic of men
hiet. D. E. doe hoordic •of m 510 D. eymen.
511 D. hoorde ic. 512 C. D. was ontbr. 513
1 Rose, I. 18, 544:
N'avoit jusqu'en Jherusalen
Fame qui plus biau col portast :
Polls iert et soef au test.
2 Rose, I. 19, 551 :
D' orfrois of un chapel mignot.
C. fol. 8.—d. 4. a. D. fol. 8. b. c.
Daer cloppedic voren sonder beiden,
[505]
Ende riep lude ende stiet,
Ende danne horctic, ochtemen iet
Daer binnen horde dat ic stiete,
510 Ende iemene quame die mi in liete.
Doe hoerdic dat quam gegaen
[510]
Ene maget, was wel gedaen,
Die mi dat wiket ontdede
Welgemaect had si die lede :
515 Haer haer scone, kersp ende blont,
Ende rosenroet hadde si den mont ;
Hare vorehoeft slecht ende ront die kinne, [515]
Daer een clene dal stoat inne ;
Hare ogen lachende ende fijn
520 Ende claerre vele danne een robin;
Hare nese recht, dat wale sit ;
[520]
Hare tande else yvorijn wit,
Geset effene ende clene ;
Hare adem suete ende rene ;
525 Hare kele was wit ende scone :
Henne es wijf onder dien trone,
[525]
Die scoenre hals droech openbare,
Ende so slecht, alse ocht hi ware
Gepoliceert al overal. 1
530 Si was lanc, in midden smal ;
In wane niet datmen tere stonde
[530]
Wijf in al die werelt vonde,
Die twint mochte geliken iet
Der scoenre maget, die mi inliet.
535 Van perlen hadsi enen hoet 2
Op hare hoeft, die hare wel stoet,
D. ondeide. 514 W. waren haer de 1. D. soe d.
leide. 515 C. D. Hare h. was k. e. b. 516
was haer de m. D. Als r. was hare m. 517
Tvoerhoeft slicht r. haer k. D. [Haer] v.
slicht ende r. haer kin. 518 daelkin D. in.
520 C. D. dan. 521 D. neise. C. wel. 522
als van yvore. D. H. tanden als yvoor. 524
Hare hande zoete e. r. D. handen. 525 D.
keile. C. scone ende wit. 526 C. Noyt wijf onder den troene, verstaet dit. D. Hen was nor
w. o. den tr. A. man. 527 Ne drouch s. h. o. D.
uppenbare. 528 Ende also ront of h. w. D. E.
also s. als of. 529 C. Ghepossiciert over al (misschien verkeerd gelezen voor Ghepolliciert). D.
Ghepolliciert overal. 530 D. Soe w. 1. ter middel.
C. ter middele. Vs _ 531-554 weggesneden bij D.
531 teeniger s. 582 In al de weerelt een wijf v.
533 D. haer m. g. hiet. 584 scoene. 535 Soe
hadde v. p. e. h. 536 Up hare wel stoet.
d. i. met gouden borduursel, zooals aan de hoeden ward gedragen. Orfrois, volgens sommigen
van aurum Phrygium, near Diez, Etym. Wtb. 698
en 155 op Fregio van or • en fraise. Zie ook
Roquefort, Gloss. II, 268.
10
A. fol. 8 c. d.
Ende boven den hoede, die wi nomen, [535]
Droech si enen al van blomen
Ende van rosen, diemen daer vant.
540 Enen spegel hadsi in die hant,
Ende enen cam hadsi oec daer,
Daer si met hare scone haer [540]
Kimde ende leide behagelike.
Hare mouwen waren fraielike
545 Met enen drade toe getoegen,
Die en ploiden noch en bogen.
Dies si hare hande hoeden woude
[545]
Jegen die sonne ende iegen die moude,
So had de die scone angedaen
550 Twee witte handscoen, die haer wel staen,
Ende diere cleder ende rike,
Datmen nine vonde hare gelike,
[550]
Daer menich guldine stripe in gaet
Ende menich scone rikelic naet.
555 Sine hadde te doene ander sake
Dan si haer selven behagel make.
Doe mi die maget aldus die dore [555]
Ontsloten hadde, daer ic stont yore,
Doe seidics hare groten Jane,
560 Ende vragede hare eer ict lane
Hoe dat si geheten ware.
Si antworde mi openbare
[560]
Wel hovesscelike ende seide :
//lc doe mi heten Ledicheide ;
565 Inne hebbe te doene anders niet
Dan mi pareren, alse gi siet
Nemmer sone begeric el
[565]
Dan te sine in bliscap ende in spel.
Edel wijf bem ic ende rike,
C. fol. 4. a —c. D. fol. 3. c. d.
570 Ende bem oec harde heimelike I
Dedute, die frai es ende scone,
[570]
Die uten lande van Babilone
Die borne dede bringen hier,
Die hier staen in dit vergier.
575 Doe die borne becleven waren, 2
Dedi desen muer te waren
[575
Maken al omme dit porprijs,
Daer en vroes noit binnen yes ;
Ende die beelden oec daer mede
580 Dedi elke maken na haren zeden, 3
Die gi saget daer buten staen,
[580]
Die lelic sijn ende ongedaen. Menichwerven coemt hi hier
Hem meyen in dit scone vergier
585 Met sinen lieden, die comen mede,
Die altoes leven in blijthede.
Nu stappans es Deduut hier binnen, [585]
Om te horne in alien sinnen
Den zanc vanden nachtegale
590 Ende van andren voglen also wale,
Die vreemde sijn en onbekent.
[590]
Ic weet wel datmen niet ne vent
Soe scone stat in erderike,
Dies coemt hi hier dagelike
595 Met sinen lieden te hebbene spel,
Ende dien zanc te horne wel,
[595]
Dat elc vogelkin hier singet.
Scoenre vole dan hi oec bringet
En vondemen niet, no haer gelike,
600 Nieweren in al erderike."
Doen ic Ledicheiden tale
[600]
Hadde verstaen wel altemale,
538 Hadde soe eenen hoet van bloemen. 540
Eenen spieghel drouch soe in de hant. 541
hadde soe. 542 D. soe mede haer h. 543 Cammede. 545 goutdrade. 546 D. ne p. no ne b.
547 Tote soe hare anden houden sonde. 548
Jeghen hitte ende ieghen coude. 549 Hadde soe
scone a. 550 T. w. anscoen die staen. 551 Wel,
diere cleederen e. r. 552 So d. niet v. der
ghelike. 553 D. menigh ,.3 goudene. 554 scone
ontbr. 555 Adde soe an ende ne dede a. s. D.
Hadsoe an ende n. deide andre s. 556 D. soe
hare b. m. D. D. soe h. toomde tharen ghemake. 559 Seidl hare wel g. d. D. So seidic. 562
D. Soe andwerde mi uppenbare. 565 D. In.
566 C. te pareerne. D. te parerne. 567 Ende
nemmeer ne gheer ic el. D. Enne niet s. gheric
e. 568 Danne t. s. in bliscepen e.
spele. D.
D. bliscap te hebbene ende spel. 570 bem ontbr.
D. E. diere h. h. 573 Dese. 574 D. in deisen
v. 575 D. dese bomen becomen w. D. becomen.
576 Dede hi desen m. sonder sparen. D. Deidi.
377 D. M. ommetrent d p. 578 C. D. D. noyt
binnen ne v. hijs (D. ijs). 79 E. d. b. die wi
nomen. D. E. daertoe d. beilden m. 580 Dede
hi maken na hare vromen. D. Deidi m. n. harer
seide. 582 D. bleec s. e. o. 583 M. waerf so
c. h. h 584 H. merghende in dit v. 585 Ende
sine liede. 586 vroylicheden. 587 Ala nu es.
589 vander. 592 dat men ne vint 593 S. s.
stede in al eerdrike. 594 A. hier elker d. elker.
595 liden te hebbene. 596 E. den z. t. h.
alsoe w. 597 Dien..598 dan hi haer b. 599 Ne
v. no dies g. 600 Nieuwer. 602 Verstaen
hadde a.
I Rose, I. 20, 593:
Privee sui moult et acointe
De Deduit le mignot, le cointe.
d. vertrouwd. Zie Benecke, MM. Wtb. I, 653.
2 Rose, I, 20, 5ii9 :
Quant les arbres furent crdu.
Becliven is hier in de oorspronkelijke beteekenis
van klimmen; .van boomen : in de hoogte opschieten,
groeien. Zie Benecke, Mhd. Wtb, I. 841.
3 Ende van fragment D.
11
A. fol. 3. d.-4. a.
Badic hare dore hoveschede,
Dat si mi die scone stede
605 Liete besien ende binnen gaen,
Ende die borne diere instaen,
[605]
Ende Dedute den groten here,
Die te prisene es so sere.
Die scone, die was al vol genaden,
610 Sprac met sinne ende met staden :
il Gi mocht wel hier binnen comen,
En wert u niet bi mi benomen. "[610]
Sonder letten gingic doe inne
Met enen harden bliden sinne,
615 Want mi dochte sekerlike,
Dat ic was in hemelrike,
[615]
So overscone dochte mi die stat.
Ine horde voglen noit singen bat
Dan icse horde singen daer
620 Met sueten stemmen ende claer,
Dat ic des der waerheit lie,
[620]
Dat nie so suete melodie
En was gehort van genen mensce,
Dat ic daer horde wel te wensce.
625 Die vogle zanc, die daer was groet,
Dede dat mi die herte verscoet
[625]
Ende verblijdde altemale ;
Ine was noit, dat weet ic wale,
So verblijdt no so in hogen,
630 Noch so jolijs no so vermogen. 1
Doe dochte mi wel dat Ledicheit,
[630]
Die mi in dese weeldicheit,
In dese bliscap, hadde geleit,
Alte wale hadde bereit,
635 Dat icse haer danken sal mijn leven
C. fol. 4 c.-5. a.
Getrouwelike ende sonder begeven,
Ende met herten bliden hare vrient, [635]
Dies si mi so wale hadde gedient ;
Want si mi ontsloet twiket,
640 Daer ic in die weelde quam met.
Vort so willic u vertellen
Van Dedute, van sinen gesellen,
[640]
Sonder mi te makene diere, 2
Entie scoenheit vandien vergiere,
645 1)een na dandre, dat voget wale;
Ine maget niet seggen tenen male
Sconen dienst ende sueten te waren [645]
Daden hem die vogle die daer waren
Met sange van al te sueter minnen,
650 Daer men delijts mochte vele bekinnen.
Hoge ende nedre met haren stemmen
[650]
Daden si hare noten clemmen :
Sueter no scoenre melodie
En horde man met oren nie.
655 Alsic aldus dit hadde gehort,
Gingic een luttelkin bet vort
Dedute te siene ende sijn affere,
[655]
Want mijn herte hads groten gere.
Doe quamic in enen pat,
660 Daer in lath menich bloemkins blat;
In wederside was hi beloken
Met cruden, die wale ende soete roeken. [660]
Onverre gingic, dat was waer,
Ic en vant Dedute daer
665 Op een plain, dat was so scone,
Dat geliken mochte den trone :
[665]
Tien sconen plaine quamic gegaen. Daer sagic vole so wel gedaen,
603 Bat ic h. up hovescheden. 604 di s. steden.
605 L. zien e. daer b. g. 608 dus . zeere. 609 d.
w. so vul. 610 Ende s. te mi bi s. 611 G. moghet hier binnen wel c. 6] 3 bi mi niet. 617
A. hover scone. C. de s. 618 Ine h. boyt v.
s. b. 621 die w. 622 D. so scone gheene m
623 Noyt was ghehoert van meinsche. 624 Alse
daer ghehoert was te weinsche. 625 Der voghelen zanc. 627 E. v. mi a 628 dat ontbr.
629 So zeer v. no in h. 630 So iolijs. so
overmoghen. 6 A2 verweentheit. 633 Ende in
d. b. gheleit. 634 Hadde ende daer of gheseit.
635 Dat ics hare al min leven. 636 Dancken
als s. b. 637 haer. 638 Dat soe mi so wel
heeft g 639 Die mi o. dat wiket. 641 tellen.
642 V. D. ende sine g. 644 van den. 645 D.
n. tander het vought w. 646 Men maeght. 647
Scone te dienste ende zoete. 648 Voghele sonder sparen. _649 Van zoeter minnen 650 D.
m. d. vele in mochte kinnen. 651 met soeten s.
653 melodien. 655 A. dit dus h. g. 657 sine
affere. 658 W. mine h. hads ghare. 659 in
een scone pat. 660 bloeme b. 661 In elke zide
so waest b. . 62 die wel zoete r. 663 dat es
w. 664 Inne. 666 Dat het. 667 Te dien.
668 Daer ic vole Bach.
1 Rose, I. 22, 684:
Je me pris moult it esgaier :
Que n'avoie encor este onques
Si jolif cum je fui adonques ;
Por la grant delitablete
Fui plains de grant joliete.
Vert:nog en, . dat niet dan machtig beteekent, is hier
eenigszins vreemd. Is missehien overmoghen bij
C. in de beteekenis van overtnoedig , uitgelaten
van vreug de?
2 Rose, L 23, 699:
Sans longue fable vous veil dire.
Zoo ook vs. 2138 Var., en 2139, 2144, Var.
Het is zooveel als : zonder mijne waar op te
hoogen prijs to stellen, zonder 114 to laten noodigen.
12
A. fol. 4. a. b.
Dat mi dochte wonder wesen,
670 Waer hi [so] scone uitgelesen
Lieden vant sonder gelike :
Het scenen ingle uut hemelrike, [670]
Also scoene so dochten si mi.
An enen dans so gingen si.
675 Ene vrouwe, die Bliscap hiet,
Sane daer voren een nuwe liet,
Met sueter stemmen sijt uteleide.
[675]
Diens ! ho wels hare noten seide
Ende die woerde mede daer af;
680 Ende dien voet ho wel sine gaf,
En mochte u vertellen tonge ;
Want si verblijdden oude ende jonge. [680]
Hare stemme si was claer ende soete,
Scone gincsi op hare voete. 1
685 Altoes so was dese vrouwe
Gewone te sine sonder rouwe.
Ende telken danse so sanc si
[685]
Emmer tirst, gelovets mi,
Want so sane wale van naturen.
690 Daer mochtemen lien die voete ruren
Ende effene gaen in groene gars,
Daert utermatene scone was.
[690]
Daer waren vedelen ende sitolen,
Ende meesterren van goeder stolen
695 Met tambusen ende met fluters,
Ende met harpen ende met luten,
Ende met timbren ende met tamburen : [695]
Et sonde mi warden sere te suren,
Eer ic gedaede verstaen,
C. fol. 5. a. b.
700 Hoe scone dat [si] die timbren slaen
Ende op dien dume lopen doen. 2
Daer was gehouden menich bordoen, [700]
Ende noten gesongen van Lorain : 3
Die feeste was daer groet int plain.
705 Nu willic u vort seggen al uut
Wat daer dede mijn here Deduut.
Hi dede daer in dansen comen
[705]
Twee mageden, ine hebbe niet vernomen
In die warelt, wane ic, nie
710 Scoenre, behagelre dan waren die.
Sie quamen in haren roc al bloet ;
Gelu ende kersp hadden si dat hoet, [710]
Daer op stonden twee hodekine,
Scone ende claer Alexandrine;
715 Men mochte fraiere twee viseren.
Dese dede die here Dedut baleren,
Diet wel ende frailijc daden.
[715]
Dieus, hoe quamen si met staden
Deen jegen den andren behagelike !
720 Si onderbraken so vriendelike,
Daer si leden, dat si scenen,
[720]
Dat si metten monde grenen, 4
Alse ocht deen den andren daer
Vriendeleec custe ende sonder vaer.
725 Wat makic hier af lange tale ?
Si baleerden also wale,
[725]
Dat ic al dat Leven mijn
Met hem daer hadde willen sijn.
Doen ic dus stoet ende anesach
730 Dien dans, die mi niet en mach
669 D. m. d. groet wond(er) w. 670 Ware h. so
sc. hute ghelesen. 671 L. v. diere g. 673 inghelen
van h. 675 ioncfrauwe. 677 M. soeten lude soet.
678 Dens hoe wel soe haer n. s. 680 Den voet
soe hem allen gaf. 681 Hen m. v. gheene t.
682 Soe dede verbliden. 683 si ontbr. 684 ghinc
soe up haer v. 685 die ioncfrauwe. 689 wel bi
musuren. 690 Men mochte daer s. d; voeten r.
691 in dat g. gras. 692 A. Daer. C. uter maten.
694 E. menestrele. 695 M. fleuten ende met
tambusen. 696 Met aerpen e. m. 1. 697 Ende
met trompen van musuren. 698 Het s. m. werden te s. 699 Soudic hu al doen v. ;00 H. s.
si de t. s. 701 up den. 702 ghehouden. 704
Daer was de feeste g. i p. 705 N. w. hu segghen voert al hunt. 706 heer. 707 ten danse.
708 in. 709 weerelt dat wanic. 710 S. no b.
dan die. 712 adde elc thoot. 714 Goet ende
diere a. 715 vrayer ghene vizieren. 716 mijn
h. D. balieren. 717 D. utermaten wale d. 718
Deus hoe dadent sijt bi s. 719 D. ieghen andren. 720 Ende o. s. moylike. 721 so dat.
722 Of s. m. m. altoes g. 723 Ende deen d.
a. al d. 724 Vriendelike. 727 D. ic wel al.
729 Doe i. d. stout. 730 *Den d. ; en ontbr.
I Vs. 677-684 in de Rose, I. 24, 740:
Qu'ele avoit la vois clere et saine.
Et si n'estoit mie vilaine ;
Ains se savoit bien desbrisier,
Ferir du pie et renvoisier.
2 Rose, I. 25, 760:
Et ne finoient de ruer
Le tymbre en haut, si recuilloient
Sor un doi, c'onques n'i failloient.
3 Rose, I. 25, 755, waar nog volgt :
For ce qu'en set en Loheregne
Plus cointes notes qu'en nul regne.
4 Lees : gerenen, d. i. elkander aanraakten.
Zie Dr. de Jager's Archief, I. 65-68. Rose,
I. 25, 769 :
Comme el baloient cointement!
L'une venoit tout belement
Contre l'autre ; et quant el estoient
Pres 4 pres, si s'entregetoient
Les bouches, qu'il vous fust avis
Que s'entrebaisassent ott vie.
18
C. fol. 5. b.—d.
A. fol. 4.
Gevisieren onder der sonnen:
Bat behagen dan hi dede,
[765]
[780]
Jone ende scone van gedanen. Ene vrouwe, die Hoveschede An sinen Bart scoten die granen
Was geheten, si riep mi.
Cleine ocht ware musel haer; 8
God once Here geve dat si
770 Sine ogen lachende ende claer ;
785 Hebben moete goet geval.
Hi sceen wel vol van delite.
Si was scone ende liefgetal,
[770]
[735]
Hi was gecleedt met samite,
Wel geraect, gestade van sinne.
Dat met voglen was doredregen,
Si seide te mi : ,Lieve minne,
Die van goude waren geslegen.
Wat staedi stille in dit vergier ?
775 Gescoit was hi behagelike,
740 Coemt ane mine hant nu dansen hier."
Ende hadde cousen diere ende rike.
Doe seidic :
geraecte vrouwe,
[775]
Sine amie ende sine vrindinne
Dat doe ic gerne, sem mijn trouwe. " [740]
Haddem op gerechte minne
Ic ginc ane alse die was blide ;
Gegeven enen rosen hoet,
Ic weet, dat mi tien selven tiden
780 Die hem harde wale stoêt.
745 -Hovescheit en hadde moegen
Wildi sine vriendinne weten?
Met genen dingen also verhogen
[745]
[780]
Bliscap so was si geheten,
Dan si dede nu hier mede. Die tirsten yore den danse sane,
Daer so merctic op die stede
So wel men mochts hare weten danc.
Die faiture entie gedane
750 Van dien gonen diere gingen ane,
785 Si hadde alse luttel alse XII jaer,
Die ic u so scone sal nomen te waren,
Ende hadde Dedute, dat was waer,
[750]
Met trouwen al haer herte gegeven, [785]
Hoe si heten ende wie si waren.
Ende hi hare weder vor alle die leven.
Deduut was recht, lane ende scone, 1
Die minne was in hem gestade,
Men vonde onder des hemels trone
755 Bat gemaecten, dat weet ic wale.
790 Ende elc leefde bi anders rade.
Van scoenre varuwe si beide blosen,
Sijn anscijn was altemale
[755]
[790]
Alse oft waren nuwe rosen.
Alse een appel rout 2 ende wit,
Vrouwe Bliscap was so overscone,
Ende blont dat haer, dat wel sit,
Dat sceen ene goddinne uten trone :
Gecronkelt scone ende wel ;
795 So verlichtesse, daerse ginc
760 Blide van herten ende niet fel;
Neven Dedute den jongelinc. 4
Ten scoudren breet al luttelkin,
[760]
Hare vorhoeft was wit ende slecht, [795]
Ende smal om tgordel sijn :
Hare nese scone ende recht,
Hi sceen ene beelde gepingeert.
Die wenbrauwen brun ende gebogen,
Hem waren die leden geformeert
800 Lachende graeu waren haer die ogen,
765 Bat dan iemene sonde connen
732 ioncfrauwe. 735 een g. g. 736 Scoene
was soe. 740 an m. h. ; nu ontbr. 741 Ic
seide w. g. ioncfrauwe. 742 bi trouwen. 743
ende was b. 744 I. w. wel dat mi tien t.
745 Hoveschede niet h. m. 746 M. g. d. meer
doers v. 747 Danne soe mi dede h. m. 748
Daer meerctic. 742 ende die. 750 Van den
ghenen. 751 D. i hu som sal n. openbare. 752
A.. rech ; C. recht ontbr 754 M. hadde o. shemels
t. 755 Niet vonden eenen bet ghemaect wale.
756 ansichte. 757 wit ende root. 758 Ende
zijn haer dat was al blont. 759 Ende kersp
ende harde scone. 760 Ende b. v. h. zonder
1 Rose, I. 27, 804:
Deduit fu biaus et Ions et drois.
2 Lees root. Rose, I. 27, 807:
La face avoit com une pomme
Vermoille et blanche tout entour.
8 Rose, I. 27, 820:
Si n'avoit barbe ne grenon,
hone. 761 T. s. b. een 1. 732 in dat gorden.
763 Het s. een b. ghepingiert. 764 gheformiert.
766 Gheformeeren. 767 ghedanen. 768 In s.
baert s. de grane. 769 Cleene alst waren muse
haer. 772 met een s. 776 Hi h. c. an. 778
Adde hem. 780 wel. 782 B. was soe g. 783
D. alre eerst ten d. s. 785 So was als van XII
jaren. 786 D. te waren. 787 al ontbr. 791
vaerwen. 792 rode r. 793 Joncfrauwe B. w.
s. scone. 794 Het s. een coninginne van den t.
795 Soe verlichtet soe waer soe g. 797 Haer
nuese lane. 799 Haer winbraeuwen 800 graeu
ontbr.
Se petiz peus folages non.
4 Voor de matte verzen 793-796 leest men
in de Rose, I. 28, 844:
S'ot la char tendre,
Qu'en la li peust toute fendre
A une petitete ronce.
De lezing van C. is in vs. 795 te verkiezen.
14
A. fol. 4. d., 5. a.
Haer moat was cleine ende niet groet,
[800]
Haer lipkine waren rosen roet,
Die altoes stont in die stede
Alse hare lief te cussene mede.
805 Haer haer was kersp ende blont :
Wat soudicker vele of maken cont ?
[805]
An hare sone was dine negeen
Dat iet te blameerne sceen.
Haer haer was te menegen staden
810 Gedorert met goutdraden ;
Op hare hoeft stont een goutbant,
[810]
Den rikelijcsten diemen vant : Ic hebber menegen gesien,
Maer nie ne sagic gelike dien.
815 Si was gecleedt wel behagelike, 1
Dies hare lief droech ane tgelike.
[815]
Dese twee, die is hier seide,
Gingen daer te gadre beide.
Die God van Minnen, die al doet
820 Comen den mensce quart ende goet,
Die ter minnen dogen iet,
Den dorper doet hi swaer verdriet
Ende oec leven in groten sere;
[820]
Hi maect knecht menegen here, 825 Ende oec menichge vrouwe joncwijf, 2
Die hi jegen hem vint stijf.
Die God van Minnen was oec daer,
fine geleec niet, dat was waer,
[825]
Van gedanen enen knechte :
830 So overscone was hi te rechte.
Sine cleder, die hi hadde an,
En mochte volprisen en geen man,
C. fol. B. d., 6. a.
Want si waren al van blomen,
[880]
So Tike ine copse niet genomen, 835 Betogen al met scoenre minnen, 3
Daer wel gewracht stoet binnen
Vogle ende oec scildekine,
Draken, lewen ende espentine, 4
[835]
Vogelgripen ende luparden :
840 Ine conste volprisen niet die waerde
Der cledre met al minen sinne,
Die an hadde die God van Minnen.
Van blomen warense menichgerande ;
Men vonde en genen in desen lande, [840]
845 Sine stoter inne gevisiert.
Oec waren daer in gescakiert
Van rosen menich scone blat,
Daer menich vogel neven sat.
Op thoeft stont hem een rosen hoet, [845]
850 Die hem wale ende scone stoet,
Daer vogelkine ende nachtegalen
Al omme vlogen altemalen,
Beide al singende vort ende weder,
Ende slogen al vliegende die blade neder,[850]
855 Dat si vielen in linen scoet.
Daer was die bliscap harde groet,
Want al bedect so was hi
Metten voglen, gelovets mi,
[855]
Die met groter sameningen
860 Om hem allen te stride singen.
Hi sceen een ingel openbare,
Die altehants comen ware
Gevlogen ute hemelrike :
[860]
Hi sceen also sonderlike. 802 Ende hare leppen r. r. 803 stonden in de s.
804 cussen. 805 Hare h. 807 sone ontbr. 808
blammeerne. 809 Hare h. w. t. menigher s. 810
Ghedureert met goudin draden. 811 haer h. s.
eenen g. 812 Die rijcste. 814 M. gheenen gheliken d. 815 wel ontbr 816 Die haer lief drouch
zekerlike. 818 Si ghinghen t. g. b. 820 Den
meinsche toecomen q. e. g. 821 en 822 ontbraken.
825 So doet hi vrauwe menich ionc wijf. ',27
D. G. v. m. hi was daer. 828 dats w. 829
eenighen. 831 cleedren. 832 Ne m. prisen
gheen m. 834 So rikenlijc in wist hoe g. 835
stouter. 836 D. stonden wel ghemaect b. 887
espentuine. 839 Voghel grijp ende lupaerde.
840 In c. hu niet v. de w. 841 Die cleederen
met m. s. Ook bij A : Die. 843 waren si.
844 M. vontse niet bi d. 1. 845 S. stonden
daer in g. 846 0. stont daer an. 848 vogle.
849 Up sijn hoeft eenen r h. 850 D. h scone
ende wel s. 852 Omme v. tallen male. 853
Vlieghende hoghe ende neder. 854 E. s. die bladre
up ende weder. 855 A. sine. 856 harde ontbr.
859 versameninghen. 860 Omme h. alle. 862 al
te hant. 863 uten. 864 H. s. wel also ghelike.
1 Door Kausler is geheel zonder reden tusschen vs. 815 en 816 eene ruimte opengelaten,
alsof eenige regels ontbraken.
2 Rose, I. 29, 874.:
Et si fait des seignors sergens,
Et des dames refait bajesses,
Quant it les trove trop engresses.
Joncwiff is hier in de beteekenis van dienstmaagd, zoo all het nog bij Km. als ancilla, famula voorkomt.
3 Rose, I. 29, 883 :
Ains avoit robe de floretes,
Fete par fines amoretes
A losenges, Is escuciaus.
De Nederlandsche dichter heeft het origineel
weder niet begrepen.
4 Zie Maerlants Naturen Bloeme, I. 218, 3692:
Unicornis luut eenhoren;
Espentijn heetment, als wijt horen ;
Rhinoceros heet in dietsche woort.
15
A. fol. 5. a. b.
865 Die God van Minnen hadde vor heme
Staende, also alse ict verneme,
Een harden sconen jongelinc,
Die wel cleedde inden rinc.
Sijns nainen en hebbic niet vergeten, [865]
870 Suete Anesien was hi geheten.
Hi sach den dans ende dat spel,
Dat vor hem was ende merket wel,
Ende hilt in sine hant tuwaren
[870]
Twee bogen curtois 1 , die waren
875 Des Gods van Minnen al beide.
Ic sal u seggen die waerheide,
Hoe dat gedaen waren die bogen,
Na minen wane, al ongelogen.
[875]
Deen was hultin ende swart,
8S0 Ende ongescepen ende hart,
Met menegen bulte ende were.
Die vrocht si es bitter sere,
Die dat hout droech ende gaf,
[8801
Dar die boge gemaect was af. 2
885 Die ander boge was -bat geraect,
Lane ende scone ende wel geraect,
Ende wel betogen, in waren dingen,
Met vrouwen ende met jongelingen,
[885]
Die behagelike met allen leden 890 Stoeden verheven ende besneden.
Suete Anesien hilt beide dese bogen,
Die is u hebbe hier vertogen ;
Ende X strale so hilt hi
[890]
Sinen meester altoes bi.
895 Vive hire in die rechter hant droech,
C. fol. 6. 4.—e.
Die scone ende wel na hare gevoecb
Waren gemaect, ende al van goude
Daer dat yser wesen soude,
Ende wederhaect in elke side, [895]
900 Om meer quetsen ende sniden.
Die alre sneiste van alien desen
Ende oec die beste na hare wesen
Met haren name si Scoenheit hiet.
Die min quetste ende dede verdriet [900]
905 Si was geheten Simpelheiden.
Ene andre, diemen hiet Vriheide,
Was gevedert met alre duecht.
Der vierder name gi horen muecht :
Geselscap so hiet si tuwaren,
[905]
910 Ende quetste sere sonder sparen
Diere van bi met scieten wilde ;
Mare die hem van verren hilde,
Hi soude die wonde te sachter dogen
Ende vele teer genesen moegen [910]
915 Dan van bi, dat verstaet.
Die vifte strale hiet Goet Gelaet ; 3
Si was die menst gederen conde,
Nochtanne scoet soe ene grote wonde,
Diemen te sere nine sal ontsien,
[915]
920 Want si doet gerne goof, gescien.
In dander hant hielt Suete Ansien
Vif andre strale, die dien
En geleken een twint niet.
Dyser daer af ende sprier
[920]
925 Si waren swart ende lelic sere,
Ende geleken den duvel mere
866 alsoe huut vernemen. 867 Eenen arde.
A. En. 868 Sinen namen h. n. v. 870 Soete
ansiene. 871 tspel. 872 merkt. 873 Hi h..i. die h.
tuwaren. 875 Die G. der M. beide. 879 Die een
w. houtin e. hart. 880 Onghespannen ende zwart.
882 soe es beter meere. 883 Die d. h. drouch.
A. Dat d. h. drogede ,884 af ontbr. 885 bet ghemaect. 886 L. e. s.was hi ghemaect. 887 gheboghen in w. d. A. met w. d. 889 van a. 1.
890 Daer ane stonden wel b. 891 beede de b.
892 hier hebbe. 893 Daer to X. 895 de. 896
D. scone wel na ghenouch. 897 Ghemaect waren. 899 E. weder ghehaect an beeden siden.
900 Omme bet te quetsen tallen tiden. 901 D. a.
beste v. al d. 902 Entie sneiste van al desen. 903
Hare name S. h. A. hiet ontbr. 904 A. mi. D. minst.
905 Die g. was Simpelhede. 907 al met doghet. 908
moghet. 909 G. heet soe tuwaren. 910 Die q.
912 hilden. 913 de wooden te bet ghedoghen.
914 E. v. te bet. 916 strale ontbr. 917 So w.
d. meest ghedoghen. 918 Nochtan s. s. een g.
w. A. wonde. 919 niet. 920 W. s. gherne goet
doet g. 921 Soet. 922 te dien. 923 Die hem
gheliken niet een twint. 924 Tyser. 925 Si
ontbr.
1 Lees : turquois. Rose, I. 30, 913 :
et si gardoit
Au Diex d'Amors deux ars turquois.
d. Turksche bogen. Zoo ook bij Chaucer, 2176:
in his honde holding
Turke bowes too.
De eene boog toch, die vs. 879 884 wordt beschreven, kan wel niet curtois genoemd worden.
2 Rose, I. 30, 913 :
Li uns des ars si fu d'un Bois
Dont li fruis iert mal savor& ;
Tous plains de nouz et boceres
Fu li ars dessous et dessore,
Et si estoit plus noirs que mores.
Were, Kn.. Weer, callus, nodus, tuber.
8 Rose, I. 31, 952:
La quinte avoit non Biau- Semblant,
en bij Chaucer, 218a : Faire Semblaunt. De Mnl.
vertaling is niet zeer juist.
16
A. fol. 5. b. c.
Dan enigen dinge, die es op derde.
Die irste es geheten Hovarde ;
Die andre was beter nie,
980 So was geheten Dorpernie,
Ende was beset in alien tiden
Met felheiden, diet al beniden. 1
Tarde was geheten Scande,
Die onward es in alien lande.
985 Wanhope hiet die vierde strale,
Die noit en loende mensce wale.
Die vifte si heet Quaet Gepens, 2
Dese neemt enen swaren sens.
Dese vif stralen altemale
940 Geleken dien swarten bogen wale :
Sie waren fel ende putertieren.
Van. te seggene hare manieren
Willie hier nu laten staen,
Het wert nu noch wel doen verstaen
945 Hier na alst heeft sinen tijt.
Ten danse so was groet delijt ;
Die God van Minnen was gegaen
Bi ere vrouwen so wel gedaen,
Dat mi in mi selven dochte,
950 Dat icse volprisen niet en mochte.
Scoenheit hietse, dat weet is wale,
Gelijc dat hiet die irste strale.
Ane hare en was te lachterne niet;
Maer gelijc na dat men siet
955 Yore die starren claer die mane,
So was si in hare gedane
Claer ende scone, bi mire trouwen,
Boven alle dandre vrouwen.
[925]
[930]
[935]
3
[940]
[945]
[950]
927 D. eenigher dine up daerde. 928 Deerste
was g. 929 Ende dander ne w. 931 an beeden
ziden. 933 Die derde. 934 D. onwert es achter
1. A. onwars. 935 de. 936 D. n. meinsche loende
w. 937 D. v. hiet Q. G. A. heet ontbr. 938 Ende
nemt een quaden cheins. 939 D. Ve strale. Bij
A. vifte. 940 den zwarten boghe. A. swaren.
941 putertiere. 942 maniere. 943 Nu willic
hier 1. s. 944 H. w. hu wel cont sonder waen.
945 ghevet. 948 vrauwe wel g. 950 vul prise.
951 heet soe weetic w. 952 G. d. dede deerste
s. 955 Voer de stetren c. de m. 958 ioncfrau-
I Rose, I. 32, 968:
Fu apelee Vilenie ;
Icele fu de felonie
Toute tainte et envenimee.
2 Rose, I. 32, 971:
Novel-Penser fu sans doutance
Apelee la darreniére.
3 Lees: Ic salt u noch wel doen verstaen.
4 Rose, L 33, 1010:
C. fol. O. c. d.
Si was lane, in middel timal,
[955]
960 Ende wel gescepen overal.
Sone hadde to doene engere paruren,
So scone was si van naturen.
Tote op die voete hint hare thaer,
Dat scone was ende guldin vaer. 4 [960]
965 Wat louder a af meer geweten?
An hare hadde God twint vergeten.
Een ander vrouwe gins naest hare,
Die machtich was ende openbare
[965]
Ende van harden groten doene :
970 Niemene en was daer so coene,
Die jegen hare mesdoen dorste iet.
Dese vrouwe Rijcheit hiet ;
Si was geprijst van menegen here,
[970]
Ende al die werelt dede hare ere ;
975 Want die rike es herde mechtich
Ende van allen doene crachtich;
Want rike liede na hare begeren
Moegen helpers ende deren.
[975]
Riecheit so dienense- al
980 Die daer waren, groet ende smal ;
Ende des plechmen gerne noch heden,
Om to hebbene van haerre rijcheden.
Alle so hietense vrouwe
[980]
Die daer waren, sem mijn trouwe,
985 Ende altemale so hadde si
Die werelt tonder verre ende bi.
Te haren hove woent menich quaet,
Ende menich die jaget valschen raet ;
[985]
Daer es menich verradere fel,
990 Die vor die liede can smeken wel,
wen. 959 Soe w. 1. ende de m. s. 961 gheene.
963 T. up haer voeten h. haer haer. 964 gout
claer. 965 W. soudicker meer af weten. 966
In hare sone was niet v. 967 Eene andre v.
g. bi h. 970 Niemen ne. 973 Soe. 975 es
ende seere m. 976 Van a. d. ende c. 977 haer.
978 M. menighen h. 979 Rijcheden so dienden si al. 981 dies pleechtmen. 982 van ontbr.
983 A. heeten sise v: 984 bi trauwen. 985
A en C hadden. 987 A. bort. 988 E. m.
valsch diet wel verstaet. 989 D. e. oee m. verrader f. 990 voer den lieden.
Les cheveus of blons et si ions
Qu'il ii batoient as talons.
Gulden vaer is goudkleurig. Het adj. vaer, dat
mij elders in het Mnl. niet is voorgekomen, vindt
men zoowel als simplex als in talrijke samen.
stellingen in het Mhd. : var, bleichvar, bluotvar,
goltvar; in het Ohd. faro, gen. farawes, farwes.
Ons subst. varuwe, verw is hiervan afgeleid. Zie
Benecke. Mhd. Wtb., III. 237, Graff, III, 704
17
A. fol. 5. c.—d.
Ende yore blusschen ende achter bernen,
Daer si goede liede mede ernen. 1
Rijcheit so hadde cleder an,
So goede engene en sach noit man : [990]
995 Sie waren van porpure wel gesneden,
Ende van boven tote beneden
Al betogen met finen goude,
Daer in stoeden, alse hebben woude,
[995]
Istorien gemielt, 2 die wilen ere
1000 Gescieden prinsen ende heren.
Ene vaessce ginc daer dore
Wel gemaect achter ende yore,
Vol geset met dieren stenen,
Beide van groten ende van clenen. [1000]
1005 Si droech een gordel diere ende goet;
Die gespe daeraf, alsict verstoet,
Was van enen stene wel diere. 3
Ic sal u seggen sine maniere :
[1005]
Wie dattene draget over heme,
1010 Men magene niet, alsict verneme,
Met engenen venine vergeven,
Ende oec so houd hi jonc dat levee.
C. fol. 6 d.-7. a. D. fol. 6. a.
Dese steen ware beter enen riken man
Dan tlant dat houdet pape Jan. 4 [1010]
1015 Een ander steen was die marchant, 5
Den besten enen diemen vant ;
Want wine droech, hive dorste ontsien
Dat hi verliesen mochte sijn sien
Noch siecheit oec en gene gewinnen. [1015]
1020 Dit gordel was in alien sinnen
Beslagen wel met guldinen leden, 6
Die sere wogen van swaerheden.
Rijcheide die vrouwe si droech daer
Op hare scone gelu haer
[1020]
1025 Van goude one so diere crone,
Dat nie en wart gesien so scone.
In mochte niet te hoefde comen,
Dat ic u soude algader nomen
Die stone diere in waren geset;
[1025]
1030 Maer ic wille dat gi wet,
Datter robine, mirauden, jagoncen
Binnen stoeden wel III uncen.
Maer voren in die crone so stoet
Een carbonkel diere ende goet,
[1030]
991 Voren b. maer a. b. 992 lieden. A. erren.
993 so ontbr. 994 So g. ne s. 995 purper.
996 Van b. t. b. A. van ontbr. 997 A. Ende
al. C. van f. g. 998 D. stont in alsoet h. w.
999. A. gemalen. 1000 Princhen. 1 vaseke g.
d. duere. 2 vure. 3 Wel beset al m. d. s.
4 Beede. 5 Een g. drouch soe. 6 Daer d. g.
alsict v. 7 Of was v. e. steene diere D. Ghemaect was v. e. dieren stene. 8 D. Sijn weisen ic
te segghene mene. 9 A. datte. C. Wiene d. o. h. D.
dattene d. o. hem. 10 M. machne also ict v. D.
Ic segghe u ic dies seiker bem. 11 gheenen D.
Men machene niet vergheven. 12 C. Do so
ontbr. 13 A. rike, D. Deise w. beiter den riken
m. 14 Dunne tl. d. bout. D. hout. 15 E. a.
s. adde soe hiet maersant D. marsant. 16 Die
beste steen d. noit v. D. d. nie v. 17 C. D.
Diene d. 18 Datti v. soude. D. sonde. 19 Noch
oec s. ghewinne. D. N. siecheide oec. g. 20
doe ic hu bekennen. 21 Al besleghen m .
goudinen 1. D, Besleghen m. goudinen leiden.
22 woughen. D. D. s. vanden goude weighen. 23 Rijcheit d. v. drouch vor waer. D.
Die vrauwe Rijcheit soe d. d. 24 Up haer. D.
Up. h. s. ghelewe h. 26 Nie man ne sach noit
s s. D. D. n. ghesien was s. s. 27 dies niet
D. mochts. 28 Wildict hu a. n. D. Soudic u
algaders n. 30 ghijt. 31 D. myraude, robine:
ioconsen. 33 Ne waer v. i. de c. stoet. Vs.
1033-1056 weggesneden bij D. 34 carbonkelsteen.
1 Rose, I, 34, 1042:
Par devant, por eus losengier,
Loent les gens li losengier;
Tout le monde par parole oignent,
Mes for losenges les gens poignent
Par derriere dusques as os.
In vs. 991 schijnt de dichter een bekend
spreekwoord gebruikt to hebben.
2 De sterke vorm van het deelwoord bij A is
verkeerd. Males, mielen, Goth. majan, is als afgeleid van het Goth. subst. mal, mil, zwak. Zie
Benecke, Mhd. Wtb., II. 2] , 24, en verg. Dr. Halbertsma, Aant. op M. Sp. H. 165.
3 Hier volgt de verdere collatie der varianten
van fragment D., dat met verscheidene leemten
van vs. 1000-1185 loopt.
4 Over dozen paap Jan, een Christenvorst van
uitgebreide macht in Indio, zie men Mr. van den
Bergh, Ned. Volksromans, 140-142, en vooral
het fragment der Mnl. vertaling van het reisverhaal van Johannes de Hese, medegedeeld door
Dr. de Vries in de Verslagen en Berigten der
Vereeniging ter bevordering der oude Ned. Letterk.
II. 24— 32.
5 Wederom eene verkeerde opvatting van den
Franschen tekst, waar men leest(Rose, I. 35, 1083)
D'une pierre fu li mordens,
Qui garissoit du mal des dens.
d. i. de tong van de gesp. Mordens is namelijk
fermail, agrafe. Zie Roquefort, Gloss. II. 207,
Du Cange (Ed. Henschel), IV, 546 op Mordacium en Mordantus.
6 Rose, I, 35, 1089:
Li clou furent d'or esmere.
I
18
1035 claer. 36 als het den a. quam bi.
38 seine al d. 39 Een mile verre een man wel
s. 40 G. het w. bi den d. 41 haer. 42 Rijchede d. s. so s. 44 in den boomgaerde. 45
Rijcheit soe hilt. 46 jongelinc ontbr., d. daer
v. 47 haer. 48 E. so mindene weder de v.
49 was. 51 in groeten zaken. 52 V. g. heeft
hi gheene braken A. ende h. 53 meisnieden.
54 Hi m o. a. g -lieden. 55 rover. 56 so ontbr.
57 D. H. h. hem g.
d. 58 Datti groten c.
wel m. s. 59 E g. g. mede v. D. oec ontbr.
60 C. D. Dits. 61 C. D. N. desen iongitelijnc.
62 C. D. Miltheit. 64 C. D. G. gheven. 65
E. mede te vertheerne a. A. verve. D. goet
ontbr. 67 C. D. miltheit soe g. t. t. 68 ne
was D. Soene was viewer of s. b. 69 Niewer
of een twint n. D. Dan als soe mochte geven
yet. 70 C. D. alsoe. D. So was hare vele wel
C. fol. 7. a- c. D. fol. 6. b.
Si was nichte Alexanders,
Die meldelec gaf tallen tiden.
Dese vrouwe was so blide
[1065]
Niewerinc ane entwent niet, 1070 Dan si mochte seggen : „Siet !" 3
Giricheit, die grote keitive,
En was binnen haren live
So gereet te nemene enege sake,
Alse Meltheit was wel te gemake [1070]
1075 Den lieden te gevene hare gevoech,
Ende God verlenets hare genoech.
Meltheiden so minden hier omme
Beide die vroede ende 'die domme,
[1075]
Ende arme ende rike altemale
1080 Mochtense van herten herde wale,
Ende stoeden altoes te haren gebode.
Dat was om hare gichten bi Gode,
Die si gerne ende meldelec gaf:
[1080]
Alle veeden cochte sire mede af.
1085 Daer omme es, also help mi God,
Die rike man doer ende harde sod,
Die nodich es ende nine wilt geven ;
Want hine mach in al sijn leven
[1035]
Bejagen prijs, no goet, no ere,
1090 Want alle die lieden haeten sere,
Ende heten nodech ende quaet,
Dat elken groten here mestaet.
Hets wonder hoe behouden mach
Vrec here sijn lantscap enichgen dach ;[1090]
1095 Mare die vriende wilt bejagen,
Sijt van vreemden, slit van magen,
gesciet. 71 C. D. Ghierecheit. 72 Ne w. noyt
in h. 1. A. Ende. D. Ne w. nie in h. 1. 73 D.
ene s. 74 So Miltheit wel was t. g. D. Als
Miltheit w. na mire sprake. 75 C. D. haer.
76 verseenets haer (HS. verleenetsn. 77 Milthede soe mintene. D. Miltheide minnen h. o.
78 de v. e. de d. D. Bede vroede e. domme.
79 So doet arem. D. Ende ontbr. 80 Mochten
si; herde ontbr. D. Minnetse met herte w. 81
Si stonden. D. tharen ibode. 82 haer ghiften.
D. gifte. 83 Doe soe g. e. mildelijc g. D. D.
soe mildelike gaf. Vs. 1084-1106 zveggesneden
bij D. 84 A. veeten cochte soere met af. A.
cochten. 85 D. bi es a. helpe. 86 D. r. m.
wel dom ende zot. 87 niet wil. 89 Prijs beiaghen no oec heere. 90 W. a. de 1. hare s. 91
heetene. 92 D. e. riken man m. 94 lant eenen
d. 95 vrient wille. 96 vrienden.
1 Rose, I. 37, 1117:
Un valet de grant biaute plain,
Qui fu ses amis veritiez.
C'est tins hons qui en biaus ostiPz
Maintenir moult se delitoit.
Veritiez is niet de naam van den vriend ; maar
het bijv. nw. oprecht. Dat de lezing sale bij A de
ware is, bewijst het origineel.
Wederom eene geheel verkeerde vertaling.
Rose, I. 37, 1122:
Cis cuidast bien estre repris
Ou de murtre, ou de larrecin
S'en s'estable Bust un roncin.
3 Rose, I. 37, 1137:
Si n'avoit-el joie de rien,
Com quart el pooit dire: Tien.
A fol. 5 d.-6. a.
1035 Hi was so clere, gelovets mi,
Dat hi, alst quam den avonde bi,
So verlichte ende wart so claer,
Dal; bi sinen lichte van daer
[1035]
Een man wel ene mile gesage, 1040 Gelijc dat ware inden dage.
Bi desen stene, die in hare crone
Rijcheide droech, sceen si scone,
Dat hare anscijn al verclaerde
Die gene, die waren in die boengaerde.[1040]
Rijcheide si helt bider hant
1045
Den scoensten jongelinc diemen vant:
Hi was hare amijs getrouwe,
Ende weder mindene sere die vrouwe.
[1045]
Waerheit so es hi geheten : 1
1050 Hets een jongelinc, die geseten
Gerne es in salen groet.
Van goede en heeft hi engenen noet,
Hi houd ridinge ende scone maisniede
[10501
Ende mint oec alle goede liede ; 1055 Hine ontsiet rovere no dief, 2
Maer edelheit so heeft hi lief.
Hi heeft sine herte geset in dien,
Dat hi wel groten cost mach sien
[1055]
Ende groet goet oec verteren :
1060 Dats algader sijn begeren.
Naest dien jongelinc was gegaen
Ene vrouwe wel gedaen,
Die Meltheit Met; si hadde wale
[1060]
Geleert te gevene tallen male
1065 Ende oec goet te verterne enders.
19
A. fol. 6. a. b.
Hine sal dat sine te sere niet minnen ;
Want niemene sone mach gewinnen
[1 95]
So groten lof, so groten prijs, 1100 Alse met gichten in alre wijs.
Meltheit so slacht sekerlike
Den togesteen, die wel heimelike
Trect na heme dat per swaer,
[1100]
Also trect die herten naer
1105 Die man, die meldelike can geven,
Ende doese met hem in trouwen leven.
Meltheit die scone vrouwe
Hadde cleder versch ende nuwe
[1105]
Van enen purpure alexandrijn,
1110 Dat niet beter en mochte sijn.
Scone wasse, gelovets mi ;
Vore hare herte so hadde si
Engene broke, 1 want sise gesent
[1110]
Ere vrouwen hadde in een prosent.
1115 Dat en mestoet twint der vrouwen,
Want men te bat hare kele mochte scouwen
Ende haer lijf, dat scoenre sceen
Ende witter dan yvorijn been.
[1115]
Meltheit, die S
- cone entie vroede,
1120 Leidde in hare hant met bliden moede
Een riddere uutvercoren,
Die van geslachten was geboren
Van Bartaengen Arturs tsconincs :
C. fol. 7. c.—d. D. fol. 6. c.
Si was blide des jongelincs.
[1120]
1125 Hi voerde tekene ende baniere
Van wel te doene in alle maniere. 2
Men telde verre van sinen done,
Hi was vrome, stout ende cone,
Ende was nuwelinge comen
[1125]
1130 Van enen tornoye, daer hi genomen
Hadde ende gegeven menegen slach
Doer sine amie, die hi daer sach,
Ende menege starke joeste gereden, 3
1097 niet te zeere. 98 niemen. 99 no s.
g. p. 1100 so ontbr. 1 D. zeilsteen d. al h.
2 Na hem trect. 3 dat herte. 4 heimelike. 5
E. doet m. h. met t. 1. 7 D. Miltheide. 8
cleedere v. e. nauwe. D. cledren vrisch e. nauwe.
9 V. een purper. D. purpre. 10 D. n. beiter
m. s. 11 C. D. was soe. 12 V. h. h ne adde
si. D. sone, had s. 13 C. D. Gheene b. w. sose g.
14 Adde e. v. in p. A. hadden D. Eenre vrauwen
h. in present. 15 D. ne mestont niet d. v. D. D.
mestont twijnt. 16 Ne waer dat men te bet
m. s. 17 Hare lijf ende te s. s. 18 Dat w.
was dan y. b. D. Dan een wit y. b. 19 C. D.
ende die. 20 in hare hant ontbr. D. Leede an
h. h. 21 An hare hant I. rudder vercoren. D.
Enen ruddre. 22 Van gheslachte hoghe g. D.
vanden. 23 Artus des coninx. D. V. Bertainien
Arture des conijncs. 25 voerte teekijn D. teken.
26 C. D. V. wel doene i. alre m. 28 stout
vrome. 29 D. niewelike. 30 V. een t. ende
ghenomen. 31 Menighen slach ende ghegheven.
A. D. genomen. 32 Ende menighen rudder
tleven.
C. Ghenomen dor sine amie die hi sach,
Die hi met crachte voerde wach.
33 D. Ende menighen rudder gheslaghen.
38 dat ontbr., weet. 40 en ontbr., haer. 41 als
de s. w. a. haer 1. 42 S muerv. 43 ende
ontbr., r. de m. 45 Soe w. scoene e. goedertieren.
46 E. wel gheraect van manieren. 47 A. gereet.
C.17 . die was. g. 48 kidel. 49 D. soe a. neuwe an
adde ghedaen. 50 Ende w. 1. no boucraen.
1 Rose, I. 38, 1172:
Mes el ot son col desfermg.
bij Chaucer, 219:
For she right there had in present
Unto a lady made present
Of a gold broche, full well wrought.
2 Rose, I. 39, 1184:
Ce fu ell qui porta l'enseigne
De Valor et le gonfanon.
3 Blijkens - het rijm ontbreekt een regel, die
misschien aldus zou kunnen gelezen worden :
Ende menegen halsberch dorsneden.
Verg. Rose, I. n, 1191:
Oh it ot faite por s'amie
Mainte jouste et mainte envale,
Et percie maint escu bouclé,
Maint hiaume i avoit descercli,
Et maint chevalier abatu,
Et prix par force et par vertu.
4 Rose, I. 39, 1197:
Apres tous ceux se tint Franchise.
5 Rose, I. 40, 1216:
Vestne' ot une sorquanie.
1135 Ende menegen riddre daer afgeslegen,
Die hi met fortsen vorde sire wegen. [1130]
Na Meltheide s o gine daer
Vriheide, 4 dat wet vor waer,
Ene vrouwe scone ende goet,
1140 Die niet en hadde dat hare mestoet.
Wit alse die snee was al hare lijf, [1135]
Sachte ende morn, een twint niet stijf;
Haer ogee graeu ende roet haer mont,
Hare haer scone, lane ende blont.
1145 Si was sachte ende godertiere
Ende volmaect in hare maniere.
[1140]
Vrihede was gecleet
Met enen kedele, 6 die haer wel steet,
Dien si al nuwe hadde anegedaen ;
1150 Hine was linijn noch bokeraen,
20
A. fol. 6. b.—c.
[1145]
Maer sidijn, wit altemale, Gelesen utermaten wale. 1
Ic segge sekerleke wel dat,
Dat den joncfrouwen staen vele bat
1155 Witte kedele wel geploit,
[1160]
Dan enich ander cleet dede noit.
Die witte kydele tooghde wel,
Dat soe ne was sner no fel, 2
Die scone vrouwe, diene droech an ;
1160 So leidde enen jongen man,
Die scone was, hovesch ende blide, [1155]
Die vriendelic gins neven harre side.
Niet ne wetic sine name,
Maer te minne was hi bequame.
1165 Hi was sone eens groets heren,
[1160]
Na dat ons die boke leren.
Hierna ginc Hoveseide die vrouwe,
Die scone was, sem mine trouwe,
Si en was hoverdich no sod. 3
1170 Si was die gone, dat lone haer God,
[1165]
Die mi ane den dance riep,
Daer ic haestelike toeliep.
Sine was niet nodech haerre worde,
Ende al datmen van hare horde,
1175 Dat was beide scone, antworde ende tale,
Want sire te poente conste wale. [1170]
Van hare en wart te gere stede
Man gestuert no geert oec mede. 4
Si was van herden hogen connen.
1180 Hare anscijn verlichte als die sonne;
C. fol. 7. d. 8. a. D. fol. fi. d.
Si was van alien leden scone; [1175]
Si mochte met eren spannen crone
In Vrankerike ocht in Ingelant.
Een riddere hadse bider hant,
1185 Die scone was ende wel conste spreken,
[1180]
Sine worde helen ende breken.
Gerne dedi den lieden ere;
Dies minnen siene van herten sere.
Ledecheit, die scone maget,
1190 Daer ic u, yore of hebbe gesaget
Hare gedane ende hare scoenhede, [1185]
(Si was die mi twiket ontdede,
Daer ic met quam in dat vergier)
Ginc naest Hovescheden hier.
1195 Van hare en seggic nu meer niet :
[1190]
God loens hare dat si mi inliet.
Nadien dat ic can best verstaen,
Quam na Ledicheden gegaen
Een scone kint, dat Joncheit hiet,
1200 Die int herte droech cleine verdriet.
[1195]
Het hadde nauwe XII jeer,
Ende was van sinne drove no swaer,
No van gepense, no van rouwen.
Het hadde een liefleecs wifs anescouwen.
1205 Ten spele stoet hare herte ende sin,
[1260]
Want het es der joget begin,
Want jonge lieden en geren el
Dan feeste, bliscap ende spel.
In hare hant so hilt si
1210 Haren vrient, die hare ginc bi,
1151 M. wit sidin a. 52 G. arde w. 53 Ic
segghu over waer dat. 54 Joncfrouwen staet
v. b. 55 W. kidele g. Vs. 57 en 58 ontbreken bij
A. 57 tooghden. 59 Die de s. v. drouch an.
60 D. So ontbr.. 61 D. s. w. ten selven tide.
D. hovesch ontbr. 62 Ende v. g. an haer s. D.
Ende blidelike g. bi hare s. 63 Maer n. n. w.
sinen n. 64 Hi was an te siene b. D. M. te
siene. 65 Ende w. s. 66 de bouke. D. die
wijse. 67 Hovesscheit de v. D. Hovesceit. 68
alsict scouwe. D. bi mire t. 69 Sone w. h. n.
glot. D. Soene. 70 die gone ontbr. 71 an d.
dans. D. in d. dans. 72 D. i. varinghe ane 1.
D. ane liep. 73 S. w. n. diere h. w. 74 Al
d. v. h. segghen h. D. E. a. d. haer segghen h.
75 Was scone a. e. vriendelike t. D. D. w.
emmer scone t. 76 Die so t. p. conde segghen
w D. Die soe conste segghen w. 77 ne wert.
78 M. verstormet no vererret m. D. M. ghestort noch vererret m. 79 arde groter conne D.
Soe was sconre uppenbare. 80 Haer ansichte
v. a. de s. D. Van anscine alst die stone ware.
82 D. Ende v. a. Leiden s. 83 S. m. wel draghen c. D. Wel was soe wert te draghene c.
84 Eenen rudder adde soe. D. Enen rudder had
soe. 88 D. minde soene met h. z. 90 D. i.
voren of h. ghewaghet. 93 int v. 95 V. haer
sone s. hu m. n. 97 best ontbr. 98 So q. n.
Ledechede g. 1200 Dat i. h. d. cleen v. 1
cume XV. 2 E. w. v. s. niet zwaer. 4 H. h.
e. wivelijc anscouwen. 5 stout haer. 6 jonc
heit. 7 Jonghe 1. ne begheeren niet el. A.
ende g. 8 Danne. 9 An.
1 Rose, J. 40, 1219 :
Car el fu si coillie et jointe,
Qu'il n'i of une seule pointe
Qui k son droit ne fust assise.
Misschien in vs. 1152 te lezen:
Geselet, d. i.: geplooid, van lese, rimpel.
2 Deze twee regels, die bij A. ontbr ken, kunnen blijkens den Franschen tekst niet gemist
worden. Rose, I. 40, 1227:
La sorquanie qui fu blanche,
Senefioit que douce et blanche
Estoit cele qui la vestoit.
3 Verkeerdelijk bij C. glut. Rose. I, 41, 1237 :
Si n'ere orgueilleuse ne foie.
4 Rose, I. 41, 1244:
One nus ne fu par li laidis,
Ne ne porta nului rancune.
21
A. fol. 6. c.-7. a.
[1205]
Dien si custe telken male,
Alsi woude sonder tale,
Dat dochte hem beiden wale behagen.
Si custen dickent, daer toesagen
1215 Alle die ten danse gingen,
Diet in arge nine bevingen
[1210]
Hoe dickent dat si ondercusten.
Bi Gode, het mochte elken lusten
Te siene also suete spel !
1220 Die jonchere hi was oec wel
Vander oude dat sceen sijn
[1215]
Joncheide sijn suete minnekin.
Sie ondercusten hem menege stont;
Elc dede den andren ane sinen wont,
1225 Alse ocht II tortelduven waren.
[1220]
God laetse alle qualike varen
Die selke II in enegen lande
Doet vernoy ocht enichge scande.
Alse ic dien dans hadde wel besien
1230 Lange stont, sciet hi mettien.
Doe ginc elc na sinen gerieve
11225]
Sitten bi sinen sueten lieve
Onder die home in die scade,
Die daer was van menegen blade,
1235 Ende ondercusten hem onderlingQ
Vriendeleke ende sonder gedinge. [1230]
Hoe goet een leven ende een vri,
Ende hoe volmaect een leidden si !
Die self, een leven leiden mochte,
1240 Ende die dan een ander sochte,
Hi dochte mi wesen herde sot.
[1235]
Ine wane niet dat onse here God
Diere feeste heeft gelike
Daer boven in sijn hemelrike.
1245 Een groet wille quam mi doe ane
[1240]
Dat vergier al dore te gane,
1211 tallen m. 12 Also wilde s. te hebben t.
13 D. hem b. wel mochte b. 14 dicke daert
ansaghen. 15 Die gone die an den d. g. 16
D. i. quade niet ne b. 17 H. dicken si hem o.
20 hi ontbr. 21 dat sijn minnekijn. 22 J. sceen
die scone ende fijn. 23 te menigher s. 24 Elc
andren an s. roden m. 25 Recht of. 26 G.
doese a. qualic v. 27 D. al sulke. 28 Vernoy
doen ofte s. 29 Als i. den d adde b. 30 ston-.
den sie m. 31 Ende elc ghinc met g. 32 S.
daer b. sinen 1. 33 in de s. 64 Die d. stonden
met eenighen b. 35 Si o. h. in waren dinghen.
36 V. met merghingen. 37 Deus hoe goet leven
dochte mi. 38 Die stile leven alse si. 39 Met
•ghenouchten leeden mochten. ' 0 Ende danne
ander leven zochten. 41 Si souden mi dicken
1 Bij A. en C. verkeerdelijk : Ende. Rose, I.
44, 1334 :
Nus arbres qui soit, qui fruit charge, C. fol. 8. a —e.
Te siene die borne, die notemosscaten
Drogen ende prume garnaten:
Ine mochtse al niet visieren,
1250 Die daer stonden menechgertiere.
Ic sciet van daer ende ginc allene [1245]
In dat vergier, daer groet ende clene
Harde wale die vogle songen
Suete ende scone na haerre tongen.
1255 Doe riep te hem die God van Minn en
Suete Anesien, ende dede kinnen [1250]
Met enen tekine, dat hi woude
Dat hi hem spiene die boge van goude,
Ende hine hem gave sonder sparen
1260 Metten stralen die scone waren.
[1255]
Suete Anesien hine lette niet
Hine dede dat hem sijn meester hiet,
Ende gaf hem in die hant den boge
Ende die strale van snelre vloge.
1265 Alse hi den boge hadde in die hant,
Van verren volgede hi mi te hant : [1260]
Nu hoede mi God van doederwonde!
ic ginc wech tien selven stonden
Int vergier, bede hier ende daer,
1270 Ende hi volgede mi emmer naer;
[1265]
Maer niewerinc en dorstic staen,
Ine hadde tirst vergier doregaen
Ende al besien dat ic daer vant.
Dat vergier was al viercant,
1275 Even lane ende even breet,
Daer menich scone boem insteet. [1270]
Hens boem in die werelt negeen,
Die vrocht draget, daer en wasser een,
Ocht twee, ocht III van diere maniren,
1280 En 1 waren borne quadertieren.
Daer stoeden crude van alien lande, [1275]
Die specie drogen menichgerande.
wel s. 43 D. feesten hevet g. 45. q. hem. 47
Die b. te s. 48 Droughen ende die pume
grenaten. 49 In mochte hu niet al v. 50 Die
borne ende vrucht menigertieren. 53 Die voghelkine arde wel s. 54 Elc ludende na ziere
t. 55 an h. de G. 56 die hi dede bekinnen
57 M. e. t. ende woude. 58 D. h. spien den b
59 gheve. 60 strale. 61 S. A. ne liet n. 63
Hi g. h. i. de h. 64 A. E. in die. 65 de b.
66 Volghdi mi van verren al te h. 67 van der
doetwonde. 68 ter selver s. 69 I. v. wandelen
11. e. d. 71 Niewer ne. 72 In adde tvergier
al dore ghegaen. 74 D. v. w. recht v. 77 En
es b. i. de w. gheen. 78 d. n. stoeter e. 79
Ja t. ofte drie van der m. 80 ware, A. en B.
Ende.
Se West aucuns arbres hideus,
Dont it n'i ait ou tin ou deus
Ou vergier, ou plus, s'il avient.
22
A. fol. 7. a—b.
In dien vergiere mochtemen oec vinden
Herten, reen, deinen 1 ende hinden,
1285 Die daer liepen menichgertiere,
Ende andre beesten van diere maniren,[1280]
Die daer hadde here Deduut,
Die daer woenden in dat cruut.
Menichge fontaine so stont daer,
1290 Die scone waren ende claer,
[1285]
Die ic en mochte genomen
Want ic niet en weet tgetal
Van dien fontainen, die daer Deduut
Met condute dede springers uut,
1295 Ende liepen dore die grone crude.
[1290]
Also alse behagede Dedude,
So gaven die fontainen claer
Verscheit dien bomen hier ende daer
Ende dien cruden, die daer bloiden
1300 Ende in hare virtude vergroiden.
Wat hoip dat ic u langer seide, [1295]
Ende meer prisede die scoenheide
Van dien vergiere ? Ic wille swigen,
Want ine conste dien sin gecrigen,
1305 Dat ic die scoenheit mochte geseggen :
[1300]
Dies willic die tale nederleggen. Ic ginc alomme tien selven tiden
Besien tvergier in elke side.
Alse ict besien hadde altemale,
1310 Die God van Minnen trac n sine strale
Diepe in den boge ende verre gnoech, [1305]
Die mi volgede na sijn gevoech,
Wachtende heimelic te voet,
Gelijc dat die jagere doet,
1315 Die de beeste jaget tote dien
[1310]
Dat hi sinen poent mach sien
Die beeste te scietene ende te vane :
Aldus volgede hi mi emmer ane.
C. fol. 8. c-9. a
Tachterste so quam ic gegaen,
1320 In ene stat, was wel gedaen,
[1315]
Op ene fontaine nemen goem, Daer boven stont een pijnboem.
Sint dat God wart geboren
Sone was noit gesien te voren,
1325 Wetic wale, engene fontaine
[1320]
Also scoene noch alsoe reine. Si was diepe ende claer,
Ende stout in enen marbre daer
Geset bi meesterien groet:
1330 Nie en sach man dies genoet
[1325]
So wel gemaect in enen stene.
Daer stonden inne lettren clene
Wel gehouwen, die spraken dus :
„Hier starf die scone Narcius
1335 Van minnen op dese selve stede."
Nu mogedi horen wat dat dede.
Narcius was een jonchere,
[1330]
Die de minne dwanc so sere Ende so verleitde, 2 dat hi bedarf
1840 Op dese fontaine ende hier op starf ;
Want Equo, ene huge vrouwe,
Haddene so lange gemint op trouwe,
Dat si was bracht in selker noet, [1335]
Dat si heme hare minne ontboet.
1345 Hi was so fier om sine scoenhede,
Dat hi hare altemale ontseide.
Doe hare ontseggen horde die vrouwe,
Doe makede si so groten rouwe, [1340]
Ende naemt in so groet despijt,
1350 Dat sire omme starf eer tijt.
Mar die wile dat si hadde binnen
Den adem, bat si den God van Minnen
[1345]
Met al haerre herte mendelike,
Dat Narcius van erterike
12S3 vergier mochtmen v. 84 H. damne e. h.
85 menighertieren. 86 E. ander dieren van vele
m. 87 D. d. adden haren deduut. 88 Ende daer
liepen. 89 Vele fonteynen stonden d. 91 D.
i. ne w.ste hoe g. a. 93 V. den f. 94 Bi c.
d. loepen u. 95 dor de groene c. 96 alst. 98
Den b. verscheit. 99 E. den c. 1300 haren
virtuut groyeden. 1 W. holpe d. icker vele of
s. 2 E. hu m. p. de waerheide. 3 V. den v.
I. wilre of s. 4 W. ic den zin niet conste ghecrighen. A. bescriven 5 vul segghen. 7 ten s. t.
8 Datvergier bezien in alien s. 10 in een s. 11
ende ontbr. 15 Die beesteu jaghen. 18 A. so v. h.
mi ane. 19 Tachterst. 20 I e. stede wel g.
21 neemt g. 23 nie waert. 24 Sone waert g.
no t. v. 25 So claer eene f. 26 Die so s.
was of so r. 27 So w. barde diep vorwaer.
28 E. s. gheset in een maerbere d. 29 Met
meestrien arde g. 30 Noyt ne. 31 Fonteyne
g. een s. 32 D. in stonden ghehauwen cleene.
33 Letteren ende d. s. aldus. 34 goede Naristus. Vs. 35 en 36 ontbreken. 37 Naristus 39
verleedde. 40 Up die f. e. bier op s. 41 W.
Eggo e. grote v. 42 so ontbr. 43 Die hi
brocht adde s. n. 44 D. soe hem. h. m.
gheboet. 45 Ende hi was fier om sijn s. 46
D. hise haer al o. 47 Ende als dat hoerde d:
v. 4S Adde s es s. g. r. 49 In haer selven
ende d. 51 Ende badt den God van Minnen. 52 Ter wilen dat soe den adem binnen. 53 Adde met herten neerenstelike. 54
Naristus.
Deyn, dama. Deynken. Damuk.
I Dein,
Gal. damn.
2 D. i.: verleedde, kwelde, zooals ook de Var.
heeft. Verg. Rose, I. 48, 1449:
Et tant le sot Amors destraindre.
23
A. fol. 7. b.—e.
1355 Nine moeste sceden Bonder last
Van minnen, dide herte so vast
Hadde ende so hart oec mede,
Dat hise moeste leggen teneger stede [1350]
Daermen sine minne al ontseide,
1360 Dat hi moeste proeven die sericheide,
Die gerechte minnaren dragen,
Alsmen nine ontfaet hare clagen.
Om dat redelec was dese bede, [1355]
So wast recht datse God dede ;
1365 Want daerna in torten dagen
Was Narcius gevaren jagen
In enen woude, ende quam gereden
Op ene fontaine ende beette beneden ; [1360]
Want van dorste haddi smacht,
1370 Also alsi vander jacht
Verwarmt was ende moede een deel.
Doe ginc -hi dore een scone proieel
Ten borne wart, die daer stont scone : [1365]
Daer quam sine mesdaet te lone.
1375 Hi ginc liggen op die fontaine,
Die hi sach scone, claer ende reine,
Ende soude een luttel drinken daer.
Doe sach hi in dat water claer
[1370]
Sijn anscijn alse openbare
1380 Alse ocht in enen spegel ware.
Hi sach sine ogen ende sijn anscijn,
Dat niet scoenre en mochte sijn,
Ende sine gedane die lieflec was ; [1375]
Ende stappans so dochte hem na das,
1385 Dat hi sach ene creature,
Die hadde also scone figure,
Dat wonderlec te seggene ware.
Doe leide hi vaste sine herte an hare, [1380]
Dat hem dochte hi soude ontsinnen.
C. fol. 9. a. b.
1390 Aldus wrac hem die God van Minnen
Over die gene, die groet dangier 1
Maken ende hem sijn te fier.
Narcius, die tovermodich was
[1885]
Menichger vrouwen, alse ict las,
1395 Hadde nu in sinen sinne
Ene harde wonderlike minne,
Dat hi minde sijn selfs scade
Sonder verdrach ende Bonder genaden. [1390]
Dus lath hi lange ende museerde
1400 Int water, dattem tebarenteerde,
Naer sine scadewe, die haer vertoende,
Daer sine mede sere hoende ;
Want hi waende dat hadde gesin [1395]
Van ere vrouwen dat anscijn,
1405 Daer hi ane dede menichge bede,
Maer hi en vant en gene geneden
Noch oec troest van sire minnen.
[1400]
Doe moesti cortelike ontsinnen
Ende sterven van groter rouwen.
1410 Dus wart gewroken Equo die vrouwe
Over Narciuse den jonchere,
Die hare dede die onnere,
[14051
Dat hi hare minne ontseide,
Daer hi an dede dorpereide.
1415 Gi vrouwen ende gi jonge manne,
Dit exempel gaet u anne,
Dat ic u vertelt hebbe hier :
[1410]
En sijt u vrienden niet te fier,
Die dore u dogen ende pinen ;
1420 Laet hem u genaden seinen,
Dat up u die God van Minnen
Niet en wreke in genen sinnen.
Doe ic die lettren hadde gelesen,
Ende ic wiste al Narcius wesen,
1355 Niet ne. 56 die hare h. 57 Hadde
dat hi teenigher stede. 58 Sine herte moeste
legghen mede. 59 D. hem s. m. o. 60 Ende
proeven moeste de droufhede. 61 minnre. 62
niet ne hort haer. 64 d. haer G. d. 66 Naristus varen. 67 Uten w. 68 Up dese f. 69
W. hi v. d. dogde s. 71 Vermoyt w. e. verwarmt. 72 dor dat scoen prayeel. 73 wart
ontbr., dat. 74 Sine m. quam hem doe t. 1.
76 D. h. daer s. scone ende r. 78 Hi s. daer
int w. c. 79 S. ansichte al openbaer. 80 Recht
alst e. spieghel w. 81 Sijn oghen slouch hi
in dat a. b3 Want sijnre ghedanen ghelijc was.
84 Ende ontbr., na ontbr. 85 Datti noit ne gheene
c. 86 So scone sach hebben f. 87 Sine sinne
leidire an dare. 88 So vaste dat hem daer nare.
89 Dochte of hi s. o. 90 Dus w. haer. 91
Ende doe over de gone die maken. 92 Dangler
van dustaenre zaken. 93 Naristus, die so overmoedich w. 94 ghelooft mi das. 96 harde ontbr.
97 Dat ontbr. 98 S. v. te hebbene ende ghenade 99 Hi lath. 1. 1400 d. zeere barteerde.
1 Na s. scade di h. toonde. 2 D. hi hem sselyen m. h. 3 Want ontbr. 6 M. hine vanter an
gheenen vrede. 7 No troest. 8 Daer hi (mne
moeste o. 9 groten rauwe 10 D. was g. Egge
de v. 11 Naristuse. 15 man. 16 D. exempelkin g. hu an. 18 Ne. s. huwen v. 19 D. dor
hu d. vele p. 20 Doet an hem hu ghenade s.
V. 21 en 22 ontbreken. 24 E oec w. a. Naristus w.
Dangler wordt hier even als in het origineel,
als ook in vs. 1812, gebezigd voor tegenstreving.
Rose, I. 49, 1497:
Lors se sot bien Amors vengier
Du grant orguel et du dangler,
Que Narcisus li of mene.
Lie Roquefort, Gloss. I. 339, Diez, Etym. Wtb.
606, Du Cange (Ed. Henschel), II, 740.
24
A. fol. 7. c-8. a.
1425 Togic achterwart mettien
[1415]
Ende en dorste daer binnen sien :
So groet gepens quam mi doe an
Van Narciuse den sconen man.
Doe pensedic weder haestelike,
1430 Dat mijn gepens ware sottelike : [1420]
Ic mochte coenlike sien die stede,
Twater ende den gront daer mede ;
Ic was sot dat ic iet verde.
Harde onlange ic doe merde,
[1425]
1435 Ic en nicte doe neder daer Ende besach den borne claer
Ende gravele, die inden gronde
Sere speelden in alien stonden.
Wat soude icker u vele af maken ?
[1430]
1440 Ic seggen wel in waren saken,
Men vonde in die werelt niet
Diere gelike van fontainen iet.
Si was versch, nuwe' ende goet,
Ende liep altoes met groter vloet
1445 Ende met beken die scone waren, 2 [1435]
Daer in beiden siden tuwaren
Stoeden die scone crudekine,
Versch, groene ende fine,
Die winter ende somer stoeden daer
1450 Groene op die fontaine claer.
[1440]
Beneden in diere fontainen gront,
Dat willic u wel maken cont,
Stoeden twee stene van cristale,
Gevoget te gadere harde wale,
[1445]
1455 Ende waren harde wonderlijc. C. fol. 9. b.-4.
U sal dinken ongelovelbc
Dat icker u af seggen sal,
Nochtanne so ist waerheit al.
So waneer dat die sonne es so hoge
[1450]
1460 Geclommen, dat si seinen moge In die fontaine scone ende claer,
So werpen die stene aile daer,
Die so scone sijn ende so diere,
Van varuwen menichge maniere,
[1455]
1465 Groene, gelu, blaeu ende roet,
(Dit mach u dinken wonder groet)
Ende vertoenden altemale
Wat int vergier was op ende tale,
Borne, vrocht, crude ende blomen.
1470 Ende wilt u bi geliken genomen : [1460]
Gelijc die spegel toent gereet
Algader dat hem jegen steet
Die gedaente altemale,
Also toenden die cristalen
[1465]
1475 Al dat was in dien vergiere.
Dat was ene wonderlike maniere,
Want in welker siden eon stoet,
Sach hi van dien vergiere goet
Die ene side al claerlike
[1470]
1480 Ende bander side die gelike. Daer en was so cleine dine
Van al dat die vergier bevinc,
En stoet in die stene alse dare,
Alse ocht daer in betogen ware.
Die sorgelike spegel hiet dese, a [1475]
1485
Daer Narcius, alse ict lese,
1425 Trac ic a. thant na dien. 26 E. n. d.
niet daer b. s. 27 doe ontbr. 28 Naristus. 29
Maer ic dochte w. h. 31 Want ic wel bezien
mochte de s. 33 dat ic mi vervaerde. 34 Onlanghe merredic up dwaerde. 35 Ic ne nickede
neder al d. 37 E die g. tote i. g. 38 Die daer
s. tier s. 39 u ontbr. 40 u. ontbr. 41 A. -werel. 42
fonteinen die ghelike yet. 43 niew. 44
Altoes liep soe m. g. spoet. 45 In beken die
stonden w. 46 In beeden s. sonder sparen. 47
crttdekinen. 48 Die altoes groene plaghen tsine.
49 Winter ende zomer dats waer. 50 Up ghene
f. c. 51 Stonden willic hu maken cont. 52
Beneden in der fonteine gront. 53 II. steene
van fifien gOude ende kerstale. 54 G. te zaniene wale. 55 Die zeere waren w. 56 Hu s
d. onlevelijc. 58 eist. 59 Welken tijt d. de s
so h. 60 G. es ende s. m. 62 steenen al d.
63 so ontbr.; ende zeere d. 64 V. vaerwen
menighertiere. 67 Ende waert betoghen a. 68
In dat v. up ende te dale. 69 Beede vrucht,
cruut e. b. 70 E. wil hu bi g. nomen. A. gheliken ontbr 71 Neemt een spieghel dat toghet
g. 72 Alteniale dat voer hem s. 73 D. ghedane verstaet dit wale. 74 Ende a. toeghen d.
kerstale. 75 A. d. es in den v. 76 Pit es een.
77 Wat dat in elker side stoet. 78 S. hi. van
den v. g. A. in. 79 al gheelike. 80 E. b. mede des
g. 81 D. ne w. in s. c. d. 82 A. In al dat
v. b. 83 Henne stoat in de s so claer. 84 Of
het d. i. b. waer. 85 sorghelijc. 86 Naristus
alsic.
4 Rose, I. 50, 1533 :
Por veoir i'iaue qui coroit,
Et la gravele qui paroit
Au fons, plus clere qu'argens fins.
d. i. het kiezelzand. Zie Du Cange (Ed. Henschel), III. 562. Door den vertaler schijnt het
als een soort van vissehen te zijn opgevat.
2 Rose, I. 50, 1538:
L'iaue est tousdis fresche et novele,
Qui nuit et jor sourt k grans ondes
Par deux doiz creuses et parfondes
3 Rose, I. 52, 1579 :
C'est li mireoirs perilleus.
25
A. fol. 8. a. b.
Besach sine figure binnen,
Die hi soe begonste minnen,
Dat hijt bestarf wel cortelike
1490 So wie hem in desen spegel rike [1480]
Besiet, daer en es en gene hulpe jegen,
No dranc, no salve, die meesters plegen,
Sie en sienre selke dine binnen,
Datse doet bi crachte minnen.
[1485]
1495 Menich hoge comter bi
In die minne, gelovets mi ;
Want die vroede, die wel geraecte,
Ende daer scoenheit niet in laecte,
Noch wijsheide, noch vromicheide,
1500 Heft si gevaen ter meneger stede, [1490]
Ende danne so bringense hen inne
Nuwe herten ende nuwe sinne.
Daer en es toe hulpe no raet
Ander dan ter minnen gaet ;
[1495]
1505 Want Cupido, Venus sone,
Hadde in die fontaine scone
Gesait dat suete saet van minnen,
Dat geen dorpre en mach gewinnen,
Ende sine strecke daer geleget
1510 Ende sine angiene, daer hi met pleget [1500]
Joncfrouwen ende joncheren te vane ;
Want hi sin herte elre ane
Niet en leget, dan om hem
Minne te bringene inden sin.
[1505]
1515 Om tsaet, dat hadde Cupido
In die fontaine gesait also,
Die daer stoet in dien plaine,
Met rechte hiet si diere Minne fontaine,
Daermen af leset ter meneger stat ;
[1510]
1520 Maer noit sone hordi bat
Bescreven die waerheit dan nu hier
Van mi, die sach al dat vergier.
Doen ic daer dus pensende lath
Op die fontaine, daer ic sach
[ 1515]
1525 Die cristale, die sonderlinge
C. fol. 9. d - 10 b.
"Mi toenden dusentichstereande dingen,
Wardic so blide in minen moet,
Dat mi daer twesen dochte so goet,
Dat ic daer gerne ware bleven bi
[1520]
1530 Ende in dien spegel besage mi.
Maer lase, mi hadde saen gebracht
Die spegel, dat ic sine cracht
Kinnen moeste ende werden geware,
Want ic suchte ende wart in vare,
1535 Ende viol in strecken te minen scaden, [1525]
Die menichgen man hebben verladen.
In dien spegel vor alle dinge
So sagic staen sonderlinge
In ene side dat vergier
[1530]
1540 Een utermaten scone rosier, Beloken vaste met ere hagen.
So wel begonste mi dat behagen,
Dat ic en liete om gene have,
Diemen mi daer omme gave,
[1535]
1545 Ine soude dien rosier sien gaen
Ende die rosen die daer instaen ;
Want dat anesien hadde mi gevaen,
Alst menegen andren heeft gedaen.
Doe gingic tiers rosiere wart,
[1540]
1550 Dat mijn herte sere begart.
Alse saen alse icker was comen bi,
So quam daer ute tote mi
So sueten smakeleken gore,
Dat mi vloech die herte al dore.
[1545]
1555 Tebarentert wart ic mettien, Ende pensede hoet mi mochte gescien,
Dat ic der rosen ene gecrege,
Die ic roke alle wege ;
Maer ine dorste niet wel bestaen
1560 Die rosen te plockene no narre gaen, [1550]
Dore Dedute den groten here,
Dien ic vruchte te bolgene sere.
Daer waren rosen een groet deel,
Die daer stoeden int praieel,
1487 Sine ansichte sach b. 88 Doe hi so
zeere b. m. 89 D. h. besterven moeste c. 90
sorgelike. 91 daer nes gheen. 93 Sine s. sulke.
94 D. bi crachte doet m. 95 M. oghe man.
97 Soe doet v. ende w g. 98 niet ne 1. 99
No vromicheit ende wijsheit mede. 1500 Sone
hevesse te m. s. 1 Ghevaen ende brocht daer
inne. 2 Niewe herte niewe s. 3 nes. 4 Anders d. t. bestaet. 6 de. 8 en ontbr. 9
strecken. 10 engiene daer mede p. 11 Joncheeren ende joncfrouwen. 12 Want sine herte
el niewer a. 13 him. 14 bringhen. 15 Omme
dat s. dat C. 16 I. d. f. g. adde so. 17 in
den p. 18 So hiet mense der minnen f. 19
s. 21 Die waerheit bescreven. 22 V.
m. diere s. in dat v. 23 Doe. 24 Up d. f.
ende s. 25 die mi s. 26 Togheden menigher-
ande d. 27 Was ic. 28 D. m. dat wesen daer
dochte goet. 29 Ende icker g. 30 In den s.
besach ic mi. 31 lacen. 32 De s. d. s.
macht. 33 Moeste bekinnen al dare. 34 Want
ontbr. 35 int strec. 36 Dat den menighen
heeft v. 87 In desen s. voer al dinghen. 38
So ontbr. 39 In deene s van den vergiere.
40 Eenen arden sconen r. 41 Vaste besloten
binnen e. h. 45 In s. den r. bezien g. 46
diere binnen staen. 47 W. scone ansien heeft
mi g. 48 Alsoe. 49 Dus g. ten r. w. 50
Die 51 Also s. als. 53 So soete smakelike g.
54 Die mi therte vloech al d. 55 Tebarteert
was. 57 eenen grepe. 58 Daer ic roke alle
weghe af scepe. 59 M inne d. nie b. 60 D.
rose te plucken no tanevaen. 61 Dor. 62 Daer
ic mi of vruchte s. 64. stonden.
26
A. fol. 8. b. 0,
1565 Ende cnoppe beide cleine ende groet, [1555]
Die scone waren, wit ende roet,
Ende selke ontaen ende selke toe,
Ende selke begonste ontplukene doe,
Die en sin te hatene niet;
1570 Maer diemen al ontploken siet [1560]
Tegaen in enen dage te male,
Mare die cnoppen duren wale
Beide twee dage ochre drie :
Daer omme so behaget mi die
1575 So wel, dat wonder te seggene ware. [1565]
Ic weet dat wel al openbare,
Dat noit gesien wart in rosier
So scone cnoppe alse stoeden bier
Die enen der knoppe goet
1580 Hebben mochte an enen hoet, [1570]
Hi mochtene wel te rechte minnen,
So suete roeke hadden si binnen.
Onder alle die cnoppe daer
So sagic enen, dat was waer,
1585 Die mi dochte die scoenste wesen : [1575]
Engeen der andre en geleec desen,
Want sine scoenheit was groet,
Ende daer toe so fijn roet,
Dat ict vertellen quake mach.
1590 Sijt seker dat ic hem hebben sach [1580]
Se ne bladre wel 1111 paer,
Die hem hadde nature aldaer
Gegeven ende niemen el,
Die alle stoeden te poente wel,
1595 Dier hi gnoech hadde ende vele. [1585]
Recht alse een hies stoet hem die stele,
Daer hi so mogenlike boven stoet,
Dat hi al mijn herte dorew oet
Mettien oversueten gore,
C. fol. 10. b. c.
1600 Dien hi spraide tvergier al dore
[1590]
Ende oec dat plain harentare.
Maer tirst dat ic wart geware
Den sueten roke vanden cnoppe,
So vielre so sere mijn herte oppe,
1605 Dat ickene gerne hadde gecregen, [1595]
Haddic gemogen in enichen wegen
Dore die hage steken mine hant,
Dien is vaste verdornet vant
Met carden, met distelen ende met bremen,
1610 Die sere cretten ende scremen,
[1600]
Ende doen menich groet verdriet
Den genen diere an comet iet.
Die God van Minnen, die alden dach
Mi hadde gevolget, alse hi mi sach
1615 Besien die cnoppe ende stille staen, [1605]
Die mi so sere hadden gevaen,
Een strael sette hi inne doe,
Ende trac to sinen oren toe
Den starken boge ende scoet
[1610]
1620 Dat aware strale, dat mi vloet
Int herte binnen. Doe quam mi coude
Overgaende menichfoude,
Dat ic dicke hadde van coude pine
Dore enen pels va.p ermine. 2
[1615]
1625 Alse ic aldus gescoten was,
Viel ic neder in dat gras
In onmacht van vresen groet ;
Hi dede sonde die mi scoet,
Opdat hi doen mochte enege sonde.
[1620]
1630 Aldus so lagic lange stonde.
Alse ic verquam van diere onmacht,
Ende ic een lettel hadde mine cracht,
Clagedic sere mijn mesfal,
Want ic waende verbloet sijn al;
1565 E cnoppen c. e. g. 66 Waren daer beede
wit ende roet. A. waren ende groet 67 Ende ontbr.
$18 Sulke begonsten ontpluken d. 69 D te hatene
en zijn n. 71 T. te hant altemale. 73 Ja d. o. d.
74 Daer soe behaghede hi mie. 75 S. w. dat
ickene begare. 76 I. w. oec wel o. ; 7 was.
78 cnoppen als stonden. 79 D. eene van den
cnoppen g. SO Mochte hebben an sinen h. 81
H. m. met recht. A. minne. 82 Dor die roke die
hi adde b. 33 cnoppen. 84 Sach ic e. over
waer. 85 de. 86 -Van al den andren uutghelesen'. 88 E. mede so was hi so fijn root. A.
so infin r. 89 qualic vertellen. 90 Weet dat.
91 Daer scoenre blade. 92 D. h. nature adde
daer. 96 R. als een kiel stont h. de kele. 97
D. h. mogenlijc b. s. 98 Ende mijn h. al d
99 Metter over zoeter g. 1600 Die al tvergier
spreedde d. 1. oec ontbr. 3 Die soete r. 4
Viel mijn h. so zeere daer o. 5 gerne ontbr
6 Addle gedorren in eeniger w. 7 Dor d. h.
s. mijn h. 8 Die ic v. bewrocht v. 9 M. kaerden m. dornen e. m. bramen. 10 craken e.
scramen. 11 E. menighen doen g. v. 12 Ne
dorstic daer na reeken niet. 14 M. adde g.
ende sach 15 Den knop bezien. 16 adde. 17
Hi sette eenen s. in d. 19 Dien sterken. 20
Tzware. 22 Toegaende. 23 D. ic adde van
groter p. 24 Dor een pelse. 25 Alsic. 29
Updat hi mochte doen zonde. 30 A. laghic
1. s. 31 Als ic bequam. 32 Ende een 1. vercreech mijn c. 34 Omdat ic verblodet waende
s. a.
I Rose, I. 54, 1673:
La coe of droite comme ions.
De lezing bij C. is blijkbaar bedorven.
2 Rose, I. 56, 1704:
Adonc me print une froidor,
Dont ge dessous chaut pelicon
Oi puis sentu mainte fricon.
27
A. fol. 8. c-9. a.
1635 Maer tstrael, dat mi binnen stac, [1625]
Een dropel bloets noit uut en trac,
Maer liet mi al droge die wonde.
Maer ic, die dogede dat ongesonde,
Nam met beiden handen tstrale,
[1630]
1640 Ende toechger mede op entale, Ende wanet wale al uuttien ;
Maer en conste mi niet gescien :
Het stac mi int herte so vaste.
Doch togic met selken laste,
1645 Dat ic ute die vlieke toech ; 1
[1635]
Maer is trael, dat in herte vloech,
En constic nut niet gewinnen,
Henne bleef mi int herte binnen ;
Maer noit en gincker buten bloet.
1650 Swaer ende drove was mi die moet ; [161.'0]
So overgroet so was die wonde,
Mi dochte dat ic niet en conde
Meester vinden verre ochte naer,
Die mi genase mine wonden swaer
[1645]
1655 Noch met crude no met salven, Dat mi helpen mochte te halven,
En ware die cnop, die es so scone ;
Die mi dat gave te lone,
Sone ware mijn geluc niet smal,
1660 Want die cnop genase mi al.
[1650]
Anderwarf so toech die Minne
Haren boge ende leide inne
Simpelheiden, dat ander strale,
Dat scone ende vergout was wale,
1665 Ende dat joncheren ende joncfrouwen [1655]
Dickent heeft minnen doen met trouwen.
Die God, die was mi te bi,
Scoet sonder mercken daer na mi,
So dat mi dore die ogen tstrale
C. fol. 10. c.-11. a.
1670 Nederscoet int herte te dale,
[1660]
Dat nemmermeer en coemt daer uut,
Duchtic, bi engere virtut,
Die mi toe mochte comen nemmermeer.
Ic trac thout nut alse ic dede eer,
1675 Maer dat strale dat bleef daer inne, [1665]
Dat en mochte uut met genen sinne.
Maer nu weet dat wel vor waer :
Haddic te voren therte swaer,
Ende ten knoppe willich sere,
[1670]
1680 Nu haddics den wille mere;
So mi tevel meer wart swaer,
So mi meer droech therte daer
Ende dien wille tien rosiere,
Die bat roec danne specie diere.
[16751
1685 Aldus moestic daerwart tien,
Want therte net mi so te dien,
Dat ict moeste .bi forsten doen ;
Maer die scottere, die mi geroen
Niet ne liet no met gewake,
[1680]
1690 Hi stoet sere na die sake,
Daer hi mi mochte mede pinen.
Die derde strale vanden sinen
Setti inden starken boge,
Dat was van harder snelre vloge :
[1685]
1695 Hovesscheit was geheten dat;
Dat scoet hi mi al daer ter stat
In midden therte rechte dure.
Die wonde si was groet ter cure,
So dat ic viel in onmacht neder.
1700 Lanc waest eer ic bequam weder [1690]
Ende weder minen sin gewan ;
Doch nam ic tstrael ende began
Te treckene, alsic tander dede ;
Maer thout en volgede mi niet mede. 2
1636 Daer een d. b. niet ute brae. 37 Ne
waer liet al d. de w. 38 Maer ontbr., die o.
39 tstrale. A. strale. 40 E. tracker an up ende
te dale. 41 Als diet waende wel uut dien. 44
Maer ic trac. 45 D. i. doch d. v. ute t. 46
M. tstrael d. int h. v. A. strael. 47 Ne c. niet
ute g. 48 Dus b. hi i. h. b. 49 M. n. ne g.
uut b. 50 Arde d. w. m. de m. 51 so ontbr.;
de w. 52 A. ende. 53 v. no n. 54 mijn w.
55 No. 56 Die mi mochte h. 57 Ne waer. 58
D. m. dien g. 59 Te mindre ware mijn mesval.
60 W. mi d. c. g. a. 61 A. t. die God van
Minnen. 62 leider binnen. 63 Simpelhede den
andren s. 64 D. s. was ende wergult w. 65
E. die j. e. die j. 66 Dickent hevet ghedaen
minnen m. t. A. minne. 67 die mi doe was
bi. 68 S. s. m. weder na m. 69 in die oghe.
71 D. nemmermee mochte comen u. 72 Dat
mi dinct bi ghere v. 73 A. Dat ic mochte
hebben n. 74 I. t. hate thout. 75 M. d. strael
bleefer i, 76 En m. ute in g. s. 77 nu ontbr.
79 E. t. knoppe den wille s. 80 Ic adde d w.
nu vele m. 81 was meere ende s. 82 S. m.
therte mee d. daer naer. 83 Als te ghecrighene
den r. 84 dan. 85 A.. so m. 86 W. mi th. drouch
te d. 87 Meest ende bi f. moeste d. 88 Dat d. scuttere. 89 no ontbr. 90 Hine scoet mi echt na dese
s. 91 mede moeste. 92 Metten derden strael. 93 Die
hi sette. 94 Die zeere snel was in de v. 95
H. w. de name van dat. 96 Hi scoeter mi mede
a. d. t. s. 97 Int herte recht midden d. 98
si ontbr.; ter ure. 99 Ende ic v. 1701 E. w.
te m. zinne quam dan. 3 dander. 4 Niet danne
thout volchde mi m.
I Rose, I. 56, 1721:
Et tant tirai, que j'amene
Le fust it moi tout empen6.
2 Lees met C.:
Niet danne thout volchde mi mede.
Rose, I. 58, 1781 :
Ge pris la floiche, si oste ;
Le fust qui ert en mon coste ;
Mes la sajete n'en poi traire
Por riens que ge pelisse faire,
28
A. fol. 9. a. b.
1705
Dus satic daer wel lange stont, [1695]
Alse een die sere was gewont.
Van sorgen was mijn gepens wel swaer,
Maer emmer toech mi therte daer,
Dat is soude ten cnoppe waert gaen.
1710 Dat hadde die scottre al gedaen, [1700]
Die mi coene maecte indien.
Men seit dat niet en soude ontsien
Die worme twater, i ende daerbi,
Al haddic gesien al omme mi
1715 Vliegen gescutte alse gars endegriet, 2 [1705]
Ine hadde daer omme gelaten niet,
Inne ware tote den cnoppe gegaen.
Minne, dient al es onderdaen,
Gaf mi therte ende coenhede,
1720 Ende geboet mi daertoe mede.
[1710]
Doe rechtic mi op mine been,
Crane ende idel, 3 recht also een
Die gequetst es harde sere,
Ende in liet no min no mere
1725 Dore den scottre, die mijns gert, [1715]
Ic en ginc ten enoppe wart.
Mare die hage, diere stoet bi,
Was so dicke vermaect yore mi,
Dat ic en conste den cnoppe genaken.
1730 Doe moestic buten der hage waken, 11720]
Die omtrent die rosen gine :
Dat was mire herten een sware dine.
C. fol. 11. a. b.
Doch gaft mi raste, dat is was
So na den cnoppe, geloeft mi das,
1735 Want hi stoet mi rechte yore,
[1725]
So dat ic hadde van hem die gore,
Dat mi behagede also wale,
Dat ic verblijdde altemale,
Ende sere gesachte mi daer mede
1740 Mine sware dorewonde lede.
[1730]
So wale wasic te gemake,
Dat ic en gerde engene sake
Maer dan te wesene daer
Ende to blivene al mine jaer.
[1735]
1745 Reeht doe is hadde gewesen Een stucke in bliscap, quam met desen
Die God van Minnen, die mi en liet
Wesen sonder moor verdriet,
Ende scoet mi rechte midden therte
1750 Ene nuwe wonde, die mi gaf smerte. [1740]
Geselscap so hiet dat gescutte :
En goon der andre en was so nutte
Om te hebbene saen genaden ;
Want geselscap si maect stade,
[1745]
1755 Ende stade doet stolen den dief,
Ende stade doet ontfar ynen dlief. 4
Dose wonde swaer ende nouwe
Gaf mire herten groten rouwe
Endo doegen, dat mi was to swaer,
[1750]
1760 Want ic yid in onmachte daer
1705 Doe lach ic aldus 1. s. 6 es g. 7 V.
s. w. mi tghepeins zwaer. 8 Nochtan drouch mi
t. d. 9 Ten cnoppe waert daer ic soude g. 10
Ne adde tghescutte ghedaen. 11 Dat m. C.
maect te d. 12 M. s. men soude niet o. 13
Die worm int water. 14 Al addic ghescutte
ghesien om mi. 15 V. als Bras uter erden
sciet. 16 In adde. 17 Toten knoppe te gane.
19 herte. 20 Up te stane van der stede. 22
Crankelike als een die sceen. 23 Ghequetst uter
waken s. 24 Nochtan ne lietict m. n. m. 25
scuttere. 28 ghemaect vor m. 29 D. i. ten
cnoppe niet conde gheraken. A. en ontbr. 30
haghen. 31 den rosier. 32 D. m. h. was wel
s. d. 35 W. h. vor mi stont recht dore. 37
so, w. 38 Ende daer of verblijde to dien male.
39 Dat mi zeere sochte oec mede. 40 Mine
ghewonde herte ter stede. 41 wel. 42 gheene.
43 Meer danne. 44 E. oec to levene. 45 Als
is daer een stic adde g. 46 In bliscepen so q.
m. d. 48 Niet w. s. mee thebben v. 49 Hi s.
m. recht m. int. h. A. Ende ontbr. 50 Een nauwe
w. 51 G. was d. g 52 Negeen d. ander was s. n.
53 ghenade. 54 W. g. gheeft s. (door Kausler bier
en vs. 56 verkeerd scade gelezen). 55 Die wile to
steelne d. d. 56 E. s. maect ontfaermich lief. 58
Maecte 59 E. to doghene ; te ontbr. 60 In
onmacht so viol ic d.
1 Lees :
Men seit dat sere soude ontsien
Die warme twater.
daar de lezing zoowel bij A. als C. volslagen
onzin oplevert. De vergelijking met het Fran.sch
(Rose, I. 58, 1793) bevestigt duidelijk onze emendatie :
Ce me doit bien espoenter,
Qu'eschaudes doit iaue douter.
d. i. : want iemand die warm, bezweet is, moot
zich voor het water hoeden. Chaucer, 224a, bezigt
een ander spreekwoord :
Brent child of fire hath much drede.
2 Zie over griet, zandkorrel, grof zand, Dr. de
Vries in de Taalgids, VII, 49 vlgg.
3 Wederom eene letterlijke vertaling van het
Fransch ; Rose, I. 59, 1804 :
Ge me sui lors en pies drecies,
Fiebles et , vans cum hons blecies.
waar vain afgemat beteekent (Zie Roquefort
Gloss. II. 680), in welken zin het mij in het
Mnl. niet bekend is.
4 Vs. 1752-56 in de Rose, I. 59, 1836 :
Il n'est nule qui si tost mete
A merci dame ou damoisele.
29
A. fol. 9. b. c.
Meer danne driewerf tenden een
Van vernoie, alse mi wel sceen ;
Want menich suchten groet ende diep
Dicwile ute mire herten liep,
[1755]
1765 Dat mi dede groet torment.
In hadde hope niet een twint
Te genesene emmeer ,
Ic hadde die doet genomen eer,
Eer ic te live ware bleven,
1770 Want ic weedt yore mi gescreven, [1760]
Dat mi die minne openbare
Sal doen wesen martelare. 1
Die God van Minnen sette doe inne
Die vifte strafe, ende scoet met sinne.
[1765]
1775 Si was geheten Goet Gelaet, 2
Si doet minnen sonder baraet
Ende den minnaren sin gestade,
Al es hi in groet ongenaden.
Dit strael es van scarper suede
1780 Ende daertoe dat pijnlicste mede ; [1770]
Mare die hovessche God van Minnen
Dede hem ene suctheit gewinnen,
Dies te sachter wesen soude.
Tpoent, dat voren was van goude,
1785 Bestreec hi overal wel sciere [1775]
Met ere salve, die was diere
Ende precieus ende harde goet,
Dies si te sachter wonden doet,
Die hi selve maken dede
1790 Den minnaren te genesene mede. [1780]
Met derre stralen scoet hi mi,
Niet van verren, maer van bi.
Doet so waer ic daer bleven,
Mi en hadde die God gegeven
C. fol. 11. b.-- d.
[1785]
1795 Van sinen ongemente daer,
Dat mi sachte mine wonde swaer.
Thout dat togic nut met slime,
Mare dat strael bleefer inne,
Gelijc dattie andre daden,
1800 Daer ic te sere met was verladen [1790]
Dese strael hadde den sede,
Dat si gaf tsuete ende tsure mede ;
Si was in dwonden swaer van crachten,
Maer int salvers was si sochte ;
1805 Si maecte in dene side wonden groet, [1795]
Die si in dandre side toesloet.
Te mi waert quam hier binnen
Sere verstormt die God van Minnen,
Ende riep : uVassael, gi sijt gegaen
[1800]
1810 In minen strec, gevet u gevaen !
Gine mocht u niet verweren hier ;
Nu gevet u up sonder dangier, 3
Want hi es sot ende uten kere,
Die hem set jegen sinen here,
[1805]
1815 Dien hi altoes wiken moet. Gevet u gevaen, het es u goet,
Want jegen mi en helpen swerde,
Noch overmoet noch oec hoverde."
Doe seidic : ,,Here, ic ben gevaen,
1820 Ende wille u gerne sijn onderdaen [1810]
Ende gereet tuwen gebode,
Ende nemmermeer sone moet bagen Gode,
Dat ic soke hulpe ocht troest
Om te werdene van u verloest :
1825 Bi Gode, en ware redene no recht ! [1815]
Gi moet mi alse uwen knecht,
Waer gi wilt, leiden gevaen,
Of wilt gi, gi moeget mi verslaen,
1761 M. dan III waerven. 62 als. 63 Want
ontbr. 64 Mi dicken uten ghedochte 1. 65 D.
m., de s. t. 67 A. genese G. nemmermeer. 69
Danne ic. 70 W ic daer toe bem ghedreven.
72 Doen wesen sal noch m. 73 Doe sette die
G. v. Al innen. 74 D. vijfste s. met zinnen. 75
Ende scoet dat was g. g. 76 Die m doet s.
veraet. 77 E. d. minre wesen g. 78 groter.
79 Dat s. was v. stepper s. 80 E. dat vreeselijcste oec m. 81 Ne ware die G. v. M. 82
Dedem een. 83 D. hem te sachter w. s. 85
wel ontbr. 86 M. e. specie. 87 Dat hem sochten sonde de moet. 88 Want soe precieuse was
ende goet. 89 Ende die. 9 , D. minre te ghenesen m. 91 Metten s. so s. h. m. 94 En
adde mi de G. niet g. 95 ungemente al d.
96 zochte mijn wonden. 97 dat ontbr. 99 ander. 1800 te ontbr, 2 Patti g. zoete e. zuere
m. 3 Int wonden s. met machte. 4 Ende i.
s. zeere sachte. 5 In deene side maket de
wonde g. 6 D. bander zide toe scoet. 7 Doe
quam t. m. w. h. b. 8 de. 9 E. siede v. gheeft
u. ghevaen. 10 Bin minen strecken sidi g. 11
Ende ne mooght hu. 12 Nu ontbr. 13 W. zot
es hi. 15 emmer. 16 Gheeft hu g. hets u. g.
17 Jeghen mi ne helpet zwaerde. 18 Ne gheen
o. no ovaerde. 20 Wil. 21 Altoes te stane
t. g. 22 Niet ne moet meshaghen G. 23 h.
ende t. 24 Omme te werden v. hem v. 26 G.
moght in. als. 27 W. so g. w. 28 Ofte neon
ghi moght.
I Rose, I, 60, 1846:
Car en la fin, ce m'est avis, Fera Amors de moi martir ; (..J1 e ne m'en puis par el partir. Rose, I. 60, 1852: Riau-Semblant.
3 Rose, I. 61, 1896:
Ne fai pas dangler de toi rendre.
Verg. vs. 1391.
30
A. fol. 9. c. d.
Want ane u staet al mine gesonde,
[1820]
1830 Ende gi hebt mi die doetwonde
Solve met uwer hant gegeven.
Ic wille u dienen al mijn leven :
So vele doechgeliker wort
Hebbic, here, van u gehort,
1835 Ende dicke ter meneger stat gewagen [1825]
Van dien, die u noit ne sagen.
Dies gevic u, here, nu ter stede
Herte ende son ende lijf mede,
Want ic noch hope den tijt te siene,
1840 Dat mi van u staet goet te sciene, [1830]
Goet ende ere ende alle genade.
Hier mct so blivic vroech ende spade
Uwe eigen man, dunct u goet."
Doe woudic cussen sinen voet,
[1835]
1845 Maer hi gegreep mi bider hant,
Ende dede mi opstaen te hant,
Ende seide : ,,Ic prise ende minne di,
Dattu heves geantwort dus mi,
Want noit en ginc uut dorpers monde
1850 So hovessche antworde engere stonde, [1840]
Ende daer ane seldi winnen mede.
Ic wille gi hier te hans ter stede
Mi nu al hier manscepe doet.
Ine wille niet dat gi minen voet
[1845]
1855 Cusset, mare ane minen mont,
Die noit velain engere stont
Noch oec dorpe en gereen ; 1
Want ine late mi dorpre engeen
Comen so na den monde mijn,
1860 Maer hi moet hovesch ende edel sijn, [1850]
C. fol. 11. d.-12. a .
Dien ic to manne sal ontfaen ;
Want, sonder twifel ende waen,
Mi to dienne dat es wel swaer ;
Maer daer coemt ave, dats waer,
[1855]
1865 Ere, geluc ende gioet goet.
Gi selt noch in uwen moet
Utermaten blide wesen,
Dat gi hebt ane u gelesen
So goeden meester ende so bequame,
[1860]
1870 Ende oec van so groter name,
Want die baniere vort die Minne,
Daer alle hovescheit es inne ;
Want si es van selker manieren,
Dat si es hovesch ende goedertiere,
1875 Ende daer met enen suete pine, 2 [1865]
Want wire heme in pint to sine
Ende hare to dienne getrouwelike,
In heme sone mach lichtelike
Bliven enich dorpers sede
1880 Noch dine die es te lachterne mede. [1870]
Doe waerdic aldaer sijn man,
Daer ic bliscap of gewan,
Dies ickene custe an sinen mont.
Doe hiechs hi mi al daer ter stont
1885 Van sire manscap borge of pant. [1875]
,,Vrient," seit hi : ',lc hebbe int lant
Ontfaen to manne ende to gesellen
Menichgen valschen ende fellen,
Die mi hebben vernoi gedaen ;
1890 Maer mochticse weder noch gevaen [1880]
Ende vercrigen bi enege maniere,
Ic sout hem doen ontgelden diere.
1829 Want ontbr. ; mijn g. 30 de. 31 S.
ghegheven metter hant. 32 Hu willic d. mijn
1. lane. 33 Want ic dicken hebbe ghehoert.
34 Van hu so vele goeder wort. 35 Te menigher s. g. 36 Van die hu n. n. s. 37 Ic gheve
hu alhier t. s. 38 H. e. s. so doe ic tlijf m.
39 W. i. niet h. te gheziene. 40 Den tijt mi
goet te ghesciene. 41 Eere te hebbe ende ghenade. 42 Hier omme blivic vroe e. s. A. blivet.
43 Hu e. m. dincket hu g. 44 Ende ic wilde
c. s. v. 45 te hant. 46 In Rijn gheleede ende
bi der hant. 47 To mi seidi : Ic prise di. 48
D. dus h toeghesproken mi. 49 Noit ne quam
u. d. m. 50 Sulke woerde te gheenen s. 51
Daer ghi an suit w. m. 52 I. w. dat ghi al
haer t. s. 53 Manscap ontfaet ende doet. 54
Niet te cussen m. v. 55 Maer ic wille te deser
stont. 56 Dat ghi mi cust an minen mont. 57
Die vilein no dorper nie ghereen. 58 W. inne
1. scale ne gheen. 59 So na c. nemmermee d.
m. m. 60 Ne waer die h. e. e. s. 61 Willie
to manscap o. 62 Weet wel dat sonder waen.
63 dat ontbr. 64 Ne waer d. c. of haer naer.
65 Gheluc vrienscap ende al g. 66 A. minen
m. 67 Bliscap hebben na desen. 68 D. g. an
hu hebt g. 69 S. g. m. sonder blame. 70 Die
es van al s. g. n. 71 Die b. hout de m. 73
W. soe e. v. der maniere. 74 Hovesch to sine
e. g. 75 Maer daer mede es een s. p. 76
Diere hem in hout ende pijnt tsine. 77 Ende
ontbr. 78 I. hem ne m. zekerlike. 79 Luussen
gheene d. s. 80 No dat to 1. es m. 81 Dus.
82 ane. 83 Ende custene daer a. s. m. 84 D.
eeschedi mi ter solver s. 85 V. minen manscepe b. o. p. 86 seiti. 87 0. t. manschepe
sulken gheselle. 88 Die mi valsch waren willic
u tellen. 89 Ende dicken v. hebben g. 90 Die ic
noyt weder conste g. 91 No ghecrighen bi eenigher
m. A. bi. ontbr. 92 Dat le hem o. sonde doen d.
1 Rose, I. 63, 1945
Si me baiseras en la bonche,
A qui nus vilains homs n'atouche.
Lees met C.:
Ende daer mede es ene suete pine.
31
A. fol. 9 d.-10 a.
Omdat u mine herte heft lief,
En willic niet, dat gi alse dief
[1885]
1895 Mi ontfliet noch oec wert loes. Ic wille u binden, dat gi altoes
Met mi selt bliven al u leven
Ende u manscap nine begeven.
Gi daedt sonde, begavedi mi :
[1890]
1900 So vele trouwen houdic in di."
Doe seidic : ,Here, gi hebt onrecht,
Dat gi borge eichst uwen knecht.
En weetti doch die waerheit wale,
Dat gi van mi hebt altemale
[1895]
1905 Mine herte geel tuwen gebode.
Al wildic enichsens bi Gode
Van u keren, en hoipe niet
No dore rouwe, noch dore verdriet
Hets al uwe, dats wel inscijn ;
[1900]
1910 Ine hebbe twent an therte mijn, Want mi steet, ist goet of quaet,
Altoes te doene al uwen raet
Ende uwen wille, so wat dat si ;
Alselke sekeringe hebbe diere bi.
[1905]
1915 Ic geve wel mi selven sculdich,
Dat ic u moet bliven huldich ;
Coemt mi te pinen ocht te baten,
Ic moet mine herte u eigin laten.
Maect enen sluttel, daer gijt mede
1920 Sluut ende legget tiere selver stede, [1910]
Daer gi den borge leggen sout,
Dien gi van mi hebben wout." I
Doe sprat die God met sueten sinne :
C. fol. 12. b.—c.
„Hier houdic mi gepait wel inne.
1925 Ic hadde onrccht, eichste ic u mere, [1915]
Want hi es gnoech vanden live here,
Die therte heft te sinen gebode :
Ine eychseb u nemmeer bi Gode."
Doe toech ute sinen almeniere
[19201
1930 Die God enen slutel diere
Van finen goude, al was hi clene,
Beset met wel menegen stene,
Ende seide : llIc sal sluten hiermede
Al u herte vaste hier ter stede.
1935 Met desen slutele van goude fijn [1925]
Siutic al die scoenhede mijn ;
Hi es vrouwe van minen goude." 2
Doe stac hine met sachten moede
Diepe in mine rechte side,
[1930]
1940 Ende besloet daer tien tiden
Aitemale wel vaste mijn herte.
Die slutel hi dede mi een deel smerte.
Doe mi die smerte was vergaen,
Seidic: //Here, gi hebt gedaen
[1935]
1945 Met mire herte. dat gi wout,
Nu biddic u vriendelike dat gi hout
Den dienst van mi doch dankelike.
lc segge dit niet sekerlike,
Omdat ic gelovich si,
[1940]
1950 Here, mare ic sect daer bi, Dat hem die cnape om niet sere
Pijnt, die dient sinen here,
Dien sijn dienst es ongename,
Ende dats den cnapen oec onbequame. " 3
1893 Ende omme dat hu mijn h. h. 1. 94
als een (1. 95 ofte w. 1. 96 Maer met mi
blivet a. 97 Also langhe als ghi suit 1. 98
E. mine manscepe niet b. 99 G. dat. 1900
S. v. t. dinct mi dat in u si. 1 Doe seidic ontbr.
2 Borghe te heeschen u. k. 3 Ghi weet d. de
w. w. 4 te male. 5 Mijn h. gheheel. 6 A.
wildic ic vaerinx b. G. 7 mi niet. 8 N. dor
eenighen r. no v. 9 Ic bem hu eeghin, dats
anscijn. 10 Ghi hebt tuwaert al de herte m.
11 Mi staet te doene eist g. o. q. 12 Voert
meer al u. r. 13 E. wat dat hu wille si. 14
Sulke s. hebdi van mi. 15 Mi selven ghevic
dies sculden. 16 Te blivene in huwen hulden.
18 I. m. hu mijn h. 1. 19 slotel d. ghi m. 20
S. mijn herte ende legse ter s. 22 Die g. v.
m. nu h. w. 23 Die God s. m. s. s. 24 Ic
houde m. g. haer i. 25 Onrecht waert eesschet
ic u. m. 26 Hi es wel v. 1. h. 28 In heessche hu nemmee. 29 Hi trac nut s. almoesniere.
30 D. G. van Minne een s. d. 31 V. f. g.
ghemaect cleene. 32 B. m. menighen dieren s.
33 Hi s. i. s. s. haer m. 34 Hu h. v. al hier
t. s. 36 So beslute ic al de s. m. 38 Hi stackene doe met goeder hoeden. 39 Sochte ende
diep in de r. s. 40 Van mi ende sloet te dien
tide. 41 So vaste al daer mine h. 42 Metten
slotele dat mi e. d. s. 43 Ende als mi de s.
w. v. 45 M. m. herten al hu ghewont. 46
vriendelike ontbr. 47 Van mi den d. sekerlike.
48 Ic ne s. niet vriendelike. 49 Heere o. i. g.
s. 50 Ne waer ic s. d. b. 51 Die knecht die
ghepijnt es zeere. 52 Ende die dan d. s. h.
53 Eist dat hem sijn dienst si bequame. A. Die.
54 Dat het den knecht es blame.
I Rose, I. 65, 2001:
Et sor tout ce, se riens dou.tes,
Fetes-i clef, si l'emportes,
Et la clef soit en leu d'ostages.
Rose, I. 65, 2015:
Sons ceste clef sunt mi joiau.
Mendre est que li tions doiz, par m'ame,
Ml's ele est de mon escrin dame.
3 Alleen A. levert hier eenen goeden zin, daar
C. geheel en al onverstaanbaar is geworden,
Rose, I. 66, 2025:
Mes mon service receves
32
A. fol. 10. a.—c.
1955 Die God seide ,,Sint dat gi
[1945]
U up hebt gegeven mi,
So willic awen dienst te danke ontfaen,
Ende selt van mi bliscap anevaen,
Diendi mi met trouwen wale ;
1960 Maer weet wel dat •ten irsten male [1950]
Vroude nine coemt stappans ter uren,
Men moet in pinen een sticke tijts duren
Ende dogen swaerheit ende quetsinge, 1
Alse gi nu selt handelinge.
1965 Es dat gi u hout ane minen raet, [1955]
Ic sal u setten in hogen staet,
Opdat u nine benemt quaetheide,
Oeht lange haken ende beide.
Maer bi gevalle en salt niet saen
1970 Comen dat gi salt loen ontfaen; [1960]
Maer doeget ende dient emmer ane :
U staets groten loen tonfane;
Want ic weet noch selc poisoen,
Het sal u al genesen doen,
1975 Diendi mi na minen begeren,
[1965]
Gelijc dat doen gereehte minnaren,
Die mine gebode gerne houden.
Houddise, het wert u wel vergouden."
Doe seidic : ,Here, genaden dor God,
1980 Doet mi verstaen al u gebod,
[1970]
Eer gi van mi hene keert;
Want bleve ics van u ongeleert,
C. fol. 12. c. d.
Ic mochte wel met enegen kere
Onwetens ute comen, here,
[1975]
1985 Dat mi soude te sere Oren,
Want mijn wille ende mijn begeren
Es u te dienne sonder begeven
Dien dach, here, dien ic sal leven."
Die God seide : ,Gi segt wale.
1990 Nu hort ende verstaet mine tale, [1980]
Ende pijnt uwer herten hier te sine; 3
Want die meester verliest sine pine,
Dat hi leert den jongen man,
Daer hi sine herte nine bit an,
[1985]
1995 Noch een wort niet ontfaet
So wat hi leest ende nine verstaet."
Die God van Minnen hi vertelle
Mi altemale ende verspelle
Sijn gebod van inde torde al,
[1990]
2000 Gelijc dat ict u seggen sal
In dit boec. Diet horen wille,
Hi hore ende swige al stille ;
Hi mach horen dat goet si
Ende genoech leren, gelovets mi,
2005 Want die materie es nuwe ende goet. [1995]
Ende die daertoe leget sinen moet,
Dat hi vanden dromen hort dinden,
Hi mager die naturen in vinden
Ende oec alden art van minnen,
2010 Dien ic u hier sal na mijn kinnen [2000]
1955 sit. 56 Hu selven. 57 Willie huwen d.
gherne o. 58 Daer ghi b. sult anevaen. A.
anegaen. 60 Weet dat t. eersten m. 61 Niet
commen sal vroude ter curen. 62 een stic gheduren. 63 E. ghedoghen zwaere q. 64 Als
ghi nu doet in waren dinghen. 65 Houdi u an
m. 'T. 66 bringhen. 67 niet. 68 Langhe moetti
haken ende beiden mede. 69 Mach ghevallen
eer ghi ontfaen 70 Loon suit van huwen
dienste gedaen. 71 Ne waer d. sonder of te
gane. 72 U staet groet 1. daer of t. 73 Ic w.
n. sulc pusoen 74 Dat hu al g. sal d. 75
mijn. 76 rechte. 78 Ende h. h. waert hu v.
79 Ic seide H. ghenade. 80 te wetene. 81 E.
dat g. v. mi keert. 82 blevic. 83 bi e. k. 84
Ute huwen dienste comen eere. 85 te zeere
zoude. 86 Want ontbr. 88 Die wile h. dat ic
moet 1. 90 mijn t. 91 Die ic hu segghe metten monde mine. 92 Want ontbr. 93 Die dat
1. 94 D. hi herte no zin leeght an. 95 No
mede e. w. n. en weet. 96 Want men hem seit
no en versteet. 97 vertelde. 98 Mi doe a. e.
verspelde. 99 S. g. -v. minnen al. 2000 G. d.
ic hu vertellen s. 1 In desen b. 2 H. zwighe
e. make een ghestille. 3 Hi sal verstaen. 4
E. vile 1. 5 W. d. m. es zeere g. 6 Diene
toe 1. s. m. 7 drome hore ontbinden. 8 nature.
9 E. den aert al v. m. 10 Die ic hu sal.
En gre, foi que vous me deves.
Nel di pas por recreantise,
Car point ne dout vostre servise;
Més serjant en vain se travaille
De faire servise qui vaille,
Quand li servises n'atalente
A celui cui l'en le presente.
Gelovich is moede, mat, overwonnen, (zie de talrijke voorbeelden aangehaald in den Walewein,
II. 332-337).
1 Vs. 1960-1972. Rose, I. 66, 2039
Gran lens ne vient pas en poi d'ore,
Il y convient poine et demore ;
Aten et sueffre la destrece
Qui orendroit te cuit et blece.
2 Rose, I. 67, 2054:
Avant que vous mores de ci
Vos commandemens m'enchargies
Ge sui d'aus faire encoragies.
Car espoir, se ge n'es savoie,
Tost porroie issir de la voie.
Rose, I. 67, 2062:
Or les enten et les retien.
33
A. fol. 10. c. d.
Ontbinden al in dietsche worden,
Want alle die saken, die horden
Ten chrome, waren al ware dinge
Ende oec grote betekeninge.
2015 Die God van Minnen sprac ende seide: [2005]
,Ic verbiede u dorperheide,
Ende die verwerpet altemale,
Opdat gi mi wilt dienen wale ;
Want is verbanne in alien sinnen
2020 Alle die dorperheiden minnen. [2010]
Die dorper hi doet dorpernie :
Sinen dienst en gerdic nie;
Want hi es fel ende sonder genaden
Ende altoes in quaden raden ;
2025 Te niemene sone draget hi minne, [2015]
So quaderInde es hi van *sinne.
Hoet u, dat gi nine vertrect
Dine, die wesen wille bedect
Ende al dat te heelne staet :
2030 Hens gene meesterie te seggene quaet. [2020]
Besiet ane Keyen den drossate,
Die fel was ende harde ongemate ;
Bi sinen scerne, dies hi plach,
Lachterdenne so wie dattene sach,
[2025]
2035 Ende was geheten quaet vilain. Alse vele alst her Walewain
Prijs hadde om sine hovesheide,
Also vele quaets men seide
Van Keyen om sine dorperheit,
2040 Die hem altoes was gereit ;
[2030]
Met sire tongen maecte hi gescal
Vor dandre riddren overal.
Sijt hovesch mede, dat radic wale,
Ende hebt altoes gereet u tale
C. fol. 12. d.
18. b,
2045 Beide ten riken ende ten gematen ; [2035]
Ende alse gi gaet achter straten,
So hebt van seden, wien gi ontmoedt,
Dat gine emmer irstwaerf groedt.
Geviele oec dat u een man
2050 Tirsten groette ende sprake an,
[2040]
Wart een oude, wart een jonge,
En hilt niet danne stom u tonge,
Gine gruettene weder haestelinge;
Ende ontpluct oec sonderlinge
2055 Uwen mont engene wile
[2045]
Om te seggene loddre gile,
Noch loddre worde, die sere mestaen,
Dien laet uten monde niet gaen ;
Want hovesch sone hilt ickene nie,
2060 Die gerne noemde dorpernie. [2050]
Eert altoes vrouwen ende joncfrouwen,
Ende pijnt te dienne hem met trouwen;
Ende hordi van hem seggen tale
Iemene, die nine steet wale,
2065 Segt hem dat hi swige
[2055]
Doet gerne al vrouwen wille,
Ende emmer seldi doen den raet,
Dat Bode niemare van u gaet.
2070 Hoet u mede van hovarden,
Want si es moeder der onwarden. [2060]
Hovarde es sotheit ende sonde,
Hovarde en can in gere stonde
Genedren hare hovardichede
Te dienne ofte biddene mode ; 1
2075 Want hovarde es altoes tsegen
1.2065]
Dies gerechte minnaren plegen.
Maer diegene, die hem wilt pinen
Te minne, hi sal hem metten sinen
2011 Al ontbinden. 12 Alle de s. d. behoerden.
18 T. d. in waren dinghen. 14 V ertrecken in
beteekeninghen. 15 D. G. v. M. doe s. 16 alle d.
17 Te loechene eewelijc sonder hale. 19 Ic ghebanne ende doe bekinnen. 20 Dorperhede alle
die m. 21 Van hem te doene verstaet mie. 22
Dorpre no do'rpernie ne gaerdic nie. 23 W. si fel
zijn ende s. ghenade. A . ende ontbr. 24 In hem te
hebben valschen rade. 25 sone ontbr. 26 es hi
ontbr. 27 Wacht hu mede d. g. niet v 28 Dinghen,
d. willen sijn b. 29 E. te heelne d. t. h. s.
30 En es g. m. t. seggen q. 32 harde ontbr.
33 dat h. p. 34 Te lath! erne wat so hi s. 35
Hi w. g. 36 Also vele als die heere W. 37
sijn hovesscheide. 38 So adde Keye omdat hi
zede. 39 Quaethede ende d. 40 Daer hi altoes
toe was g. A. was ontbr. 41 Ende maecte groet
g. 42 Voer dander rudderen al. 43 S. oec h.
radic hu w. 44 gheret. 45 B. den r. e. de
maten. 46 Also ghi. 47 in s. w. g. ghemoet.
48 D. g. ten eersten g. 49 eenich m. 50 Eerst
g. e. spracke a. 51 Weder het ware hout so j.
52 Ne hout niet stifle hu t. 53 G. andwoert
hem aestelike. 54 E. ontpluut vriendel ke. 55
te diere w. 56 Oec ne secht niet sonder g. 57
Quade woerden die g . m. A. die ontbr. 58 No
uut huwen m. laet n. g. 59 Voer h. ne houdic
ne n. 60 sprac. 62 Pijnt hem te dienen m. t.
63 Hoordi v. h. eenighe t. 64 Segghen die niet
voughen w. 65 Segghet dat wens s. stille. 66
D. emmer v. haren w. 67 E. altoes suldi. 68
goede minne. 69 Wacht hu. 70 Die m. es d.
o. 71 grote s. 72 Ende soene c. in gheenen
s. 73 Ghevellen h. hovaerdicheden. 74 bidden.
75 al jeghen. 76 D. de g. minres p. 77 wine..
78 Omme die m. h. sal metten s.
1 Rose, I. 71, 2138:
Et qui d'orgoil est entechies,
Il ne puet son cuer apl offer
A servir ne k souploier.
8
34
A. fol. 10. d. — 11. a.
Cuscelike houden na sire werde :
2080 Cuscheit en es gene hovarde.
[20701
Hets menich cusch in sine maniere,
Hovarde es hem harde diem. 1
Hout u wale ende cuschelike
Van cledren, na dat gi sijt rike,
2085 Want scone cledren temen sere
[2075]
Ende trecken vorwaert haren here.
Eist dat gi hebt nuwe laken,
So seldi doen uwe cledre maken
Den genen diese wel can sniden
2090 Ende voren ploien ende besiden, [2080]
Ende die mouwen cnoppen wale : 2
Dit siert den mensce altemale.
Scone gescoite ende goet
Radic, dat gi dickent anedoet:
2095 Het staet al nuwes wel anegedaen. [2085]
Ende hoet u dat si niet en staen
Wijt, alsi den dorpre doen,
Hare hoge, wide gecnoppede scoen. 3
Draget fraie gordele ende alminiere,
2100 Maer dat si niet en sijn te diere. [2090]
Hout u emmer na u goet,
Ende hoedt u dat gi onder voet
Niet en valt, maer altoes blijft
So dat gi tuwe niet over en drijft; 4
C. fol. 13. b. c.
2105 Maer hout u altoes cuschelike,
[2095]
Na dien dat gi u weet rike
Ende dat gedragen mach u goet.
Van blomen so draget enen hoet,
Want hi en es van coste niet groet,
2110 Ochte te Meye van rosen roet: [2100]
Dien mach elc vercrigen sciere,
Want hine es van coste niet diere.
Wasschet uwe hande ende scuert a tande,
An u en laet vuelheit gereande,
2115 Cort u nagle wel met sinne, [2105]
Ende en letter gene swartheit inne,
Knopt u mouwen ende kimt u haer: 5
Gi sels te sienre seinen, dats waer.
Ic rade u ende gebiede u dat,
2120 Dat gi u pijnt in elke stat
[2110]
Te sine in hogen ende in bliden,
Want minne en wilt in genen tiden
Dat enichge droefheit bi hare si ;
Want tevel es hovesch, geloves mi, 6
2125 Dat gerne es blide ende speelt mede. [2115]
Nochtanne gevalt ter meneger stede,
Dat den minnare wert bekent
Na bliscap harde groet torment:
Bi wilen joie, bi wilen rouwe.
2130 Opdat sijn herte es getrouwe,
[2120]
2079 Hem cuuschelic h. 80 C. es eene h. 81
H. m. chuusch in maniere. 82 Die der hoverden hem maect d. 83 wel. 85 Scone c. verchieren s. 86 voert 88 S. suldi huwe c. doen m.
90 Voren p. e. hopen b. 91 E. d. m. c. doen
w. 92 D. verchiert d. meinsche a. 94 Radio
d. g. dicken andoet. 95 Dat nauwe staet an
huwen voet. 96 Time wille niet dat ghi doet.
97 Also alse dorpers d. 98 Die draghen
w. ghecnopte s. 99 Scone g. e. almoesniere.
2100 Draghet ende die niet te d. 1 A. Hoet.
2 Hoe dat ghijt oec over doet. 3 Ne doet soe
niet dat het dwijnt. 4 Maer in eenen pointe te
houden pijnt. 5 So dat ghi hu hout c. 6 Na
dat ghi hu kennet r. 7 E. wel g. 8 so ontbr.
9 Die van c. niet nes groet. 10 In dien M.
11 Die. 12 W. hi een deelkin hu soude vercieren. 13 Dwaet hu h. 14 Ne laet an hu stogheenrande. 15 C. hu naghelen m. s. Bij A.
staat onder aan de bladzijde noy :
En later gene swartheit inne.
16 Datter gheene vulheit luussch inne. 17 K.
huwe m. kemt hu h. 18 G. suit t. s. sijn voer
w. 19 ghebiede dat. 21 ende blide. 22 Nochtan ghevalt te menighen tide. 23 in haer. 24
Het es een evel g. m. 25 D. g. hovesch es
ende blide. 26 Minne ne wil in gheenen tide.
27 minre. 28 N. blischepe g. t. 30 sine h.
1 Rose, I. 71, 2147:
Cointerie n'est mie orguiex,
Qui cointes est, it en vaut miex ;
Por quoi it soit d'orgoil vuidies,
Qu'il ne soit fox n'outrecuidies.
2 Rose, I. 71, 2155:
Et si dois to robe baillier
A tel qui sache bien taillier,
Et face bien seans les pointer,
Et les manches joignans et cointes.
Verg. bl. 2, aant. 4.
3 Rose, 1. 71, 2159:.
Solers k las, ou estiviaus,
Aies souvent fres et noviaus,
Et gar qu'il soient si chaucant,
Que cil villain aille tencant
En quel guise tu i entras,
Et de quel part tu en istras.
4 Rose, I. 72, 2170:
Nies au plus bel te dois deduire
Que tu porras sans toi destruire.
5 Rose, I. 72, 2179:
Cous tes manches, tes cheveus pigne.
Verg. met deze geheele plaats Ovidius, de Arte
Amandi, I. 515.
6 Rose, I. 73, 2189:
C'est maladie moult cortoise,
L'en en rit et geue et envoise.
35
A. fol. 11. a. b.
So moet hi menich wonder smaken,
Die minnen dient met alien sake
Warachtich sere es die minne,
Sone staet niet stille in den sinne ;
[2125]
2135 Si doet wenen den minnare,
Alse nu so doet sine singens garen.
Condi maken enich spel,
Datten lieden behaget wel,
Alsment u bidt, so doet sciere,
2140 Ende en makes u niet te diere ; [2130]
Siter af milde in alre wijs,
So salt sere hogen uwen prijs ;
Ende siedi dapper ende oec snel,
Ende licht op dors ende ridet wel,
[2135]
2145 So seldi riden op entale,
Die orse al springende, dat sit wale ;
Want die orse wel doen springen,
Dats behagelheit van jongelingen. [2140]
Condi oec wel breken speren,
2150 Dat seldi altoes begeren,
Ochte van wapenen dat bestaet,
Want u prijs daer verre mede gaet.
Hebdi die stemme goet ende claer, [2145]
So seldi singen sonder vaer
2155 Die noten scone ende faitise,
Want het bringet in groten prise.
Oec steet wel elken jongen man,
[2150]
Dat hi op snaerspel spelen can
Ende oec op die timbre mode,
2160 Ende reyen ende *dansen, alst heft stede.
En sijt niet vrec, dats mijn raet,
Want die minnen, dat verstaet,
2155]
Moetens vele te mildere sijn ;
Want die minne si es so fijn,
2165 Dat si alle vrecheit haet :
C fol. 13 c.-14 a.
Daer omme scuwetse ende laet
Ende vliet, want het es lachter,
Ende si set den minnare tachter. [2160]
Hen nes niet recht, geloves mi,
2170 Dat minnare also nodich si
Als een dorper, fel ende sot,
Die noit en wiste der minnen gebot.
Het es recht dat si geven
[2165]
Haer goet, die in minnen leven;
2175 Want si, die om een sien allene
Al haer herte geven alrene,
Hoe soudense dan hare goet gesparen,
Sine gavent mildelike tuwaren ?
[2170]
Nu willic u tellen cortelike
2180 Wat gi doen selt sekerlike ;
Want die worde vernoyen min
Alsmen cortelike seit dien sin,
Want vermoylec es lange tale.
[2175]
Nu hort ende verstaet mi wale:
2185 So wie dat dienen wilt der minnen,
Hine mach hovarde niet hebben binnen,
Mar moot sijn hovesch ende goedertiere,
Ende soete ende sachte van maniere, [2180]
Ende mede milde, dat seggic u.
2190 Ende yore u sonden settic u nu,
Dat gi der minnen selt met trouwen
Dienen u leven sonder berouwen,
Die u die herte maecte in rure,
[2185]
Ende pensen om die soete ure,
2195 Daer af -coemt joie ende delijt.
Om dies is wille dat gi sijt
Met fijnre herten eon minnere,
Sone willic dat gi haren entere
[2190]
U herte legt; maer tore stat
2200 Willie dat si, vorwaer wet dat,
2131 Die der minnen dient hi moet s. 82
Menich wonder ende sijn tonghemake. 33 Seere
to vruchten e. d. m. 34 Die niet stille staet
in yements s. 35 So doet dicken w. d. m. 36
Ende daer na to zingene hebben gere. A. si. 37 Eist
dat ghi wel cont waken s. 38 Dat den. 39 Sone
maket hu niet te diere. 40 Ghine doet als
mens hu bidt sciere. 41 So sal hoghen huwen
prijs. 42 A. So ontbr. Dat ghi bliscap toeght
in alre wijs. 43 Eist dat ghi sijt d. e. s.
Dat den lieden behaghet wel,
Sone makets hu niet diere
Ghine spinet up een ors sciere.
44 A. lich, riden. 45 Ende ridet up ende to
dale. 46 Dat orsse springhen. 47 W. d. tors
w. doet s. 48 Het behaeght wel j. 49 C. mede
speeren breken. 50 Altoes suldi hu daer na ghestreken. 51 Dat ghi ten w. b. 52 Ende hu
p. d. niet voren g. 53 H. de s. luud e. c. 56
Dat hu brinct. 57 eenen j. m. 58 up snaren.
59 E. up die orghelen m. 60 Mede to dansen.
61 Ne. A. Ende. 62 A. en C. minne. 63 Moe-
ten dies te minder s. 64 si ontbr. 65 soe. 66.
Hier o. scuwese. 67 Want daer an leghet 1.
68 E. trecht de minne t. 69 Het nes ghecn r
70 A. miiinaren a. n. sijn. C. D. minres a. vrec
hiet sijn. 71 A. die felle porpre a. 72 en ontbr.
73 Hets r. d. s. mildelijc g, 75 A. die ontbr.
W. s. one gheven a. 76 Hare herte zu'Ver ende
reene. 77 Sone moghen sijtniet speren. 78 Hare
goet to gheven twaren. 79 N. w. hu vriendelike.
80 Vertellen dies ghi cortelike. 81 Doen suit
dat hu vernoye to min. 82 Van minen woerden
den s. 83 W. niet wel sit 1. t. 85 S. w. dienen
wille d. m. 86 Hoverde ne mach hi draghen b.
87 Hovesch moot hi sijn e. g. 88 Ende milde
in alle sine m. 89 So wie minnen wille s. u.
90 Voer huwe s. so s. u nu 91 der ontbr. 92 Die
ghene s. b. 93 D. hu therte maect in ruren.
94 Ende om haer p. tallen uren. 95 D. hu of
comen sal iolijt. 96 Om dat. 97 M. goeder
h. e. minnare . A. minre. 98 Kier no dare. 99
Uwe h. dan 1. t. s. 2200 Daer ghi minnet
verstaet dat.
36
A. fol. 11. b. c.
An even mensche sonderlinge.
Ic hate alle helecht wenninge, 1
[2195]
Want icse en mach minnen niet
Diemen hare herte deilen siet
2205 Ende hare minne in vele staden.
Ic wine dat gi sijt beraden,
Dat gise in ene stat bestaet,
Ende emmer siet dat gi versmaet [2200]
U herte te leenne teneger stede,
2210 Want het es kaitivichede.
Gefse altemale sonder wane,
So mogedijs hebben groten danc,
Want doget, die van geleenden dingen [2205]
Coemt, vergaet haestelingen 2;
2215 Maer die dine diemen gevet,
Hets recht datmer danc of hevet;
Want stucken, diemen willechlike
[2210]
Geeft, ontfaet een dankelike;
Maer gifte en es wart eens poitevins,
2220 Diemen gevet behouden tsins.
Alsi gi dus hebt uwe herte geleget
Ende gegeven, alse ict geseget
U hebbe, ende daer in wilt duren, [2215]
So selen u die avonturen
2225 Der minnen comen openbaer,
Die dickent sijn hart ende swaer ;
Want u sal vallen ter meneger tijt
[2220]
Alse gi matten lieden sijt,
Ende u gedinct van uwer minnen,
2230 Die gi draget int herte binnen,
C. fol. 14. a. b.
Seldi sceden daer van hen
Ende gaen allene, dat si uwen sin
Niet ne merken no en verstaen;
[2225]
Ende alse gi sijt van hem gegaen,
2235 Alse nu so sal u suetheit
Die minne tonen, daer na arbeit,
Ende gi selt pensen dat ende ditte.
Nu 'sal u coude, nu sal u hitte [2230]
Comen ende nu pine groet;
2240 Alse nu bleec ende alse nu roet
Seldi wesen ende daerna beven.
Noit en sagedi in u leven
Rede, die u dochte wesen [2235]
So swaer dat hi gelike desen,
2245 No van coude, no van hitten.
Bi uren seldi moeten sitten
Stour alse een beelde van stene,
Dat levende sin en heeft negene,
[2240]
Dat hant _ no voete can geruren :
2250 Dus saldi sijn ter meneger uren,
Ende alse gi Danne tuselven weder
Coemt, sal u uter herten neder
Suchten comen diepe ende swaer, [2245]
Ende selt seggen dan daer naer:
2255 ,Ay God! nu ben ic harde quaet,
Dat ic niet en doe den raet,
Dat ic die scone sage van na,
Noch oec daer waert niet en ga.
Wat en sendic mire herten daer
2260 Mijn ogen, ende medeginge naer!
2201 Eenen m. s. 2 Ic ate al ydele manghelinge. 3 Ic ne m. der m. n. 4 Daermen
die h. ghedeelt s. 5 E. h. m. werpen onberaden.
6 I. w. sise teere staden. 7 Besteden daert
wel es es b. 8 E. sien dat mense niet v. 9
Die haer h. leenen te enigher s. 10 Het es
grote k. 11 Gheefse. 13 Die d. 14 C. v. met
haest ringen. 16 H. r. datmens d. h. 17 Wat
so men doet ghewillike. 18 ontfaet men d. A. een
ontbr., doch moet blij kens den zin inyevoegd worden.
19 A Want g. C. Het nes niet waert een p. 20 Dat
een g. b. sijns. 21 Als g. hu h. dus hebt gheleit. 22
alst es gheseit. 23 Ende ghi daer in w. gheduren.
24 So *sullen wi d. avonture. 25 Van d m.
werden o. 26 D. dicken suer sijn e. s. 27
Ende hu s. ghescien te m. t. 30 A. Dat. 31
So suldi s. d. v. hin. 32 E. alleene gaen daer
s. u. s. 34 E. a. g. van hem- sijt ontgaen.
35 So sal u als eene s. 36 D. m. toghen
ende als nu zierheit. 37 Ende ontbr. 38 Alse
nu c. alse nu h. 39 Sal hu toe commen ende
p. g 40 A. n. b. sijn alse n. r. 41 So s. w.
42 bin huwen 1. 43 Rideringhe 44 So groet
die gheliken m ochte d. 45 No v. couden no v.
li. A Nu... nu. 46 Someghe huren moetti oec s.
47 S. a. e. b. ghemaect v. steenen. 48 D. leven
no sin hevet gheenen. 49 Ende handen no
voeten g. 50 te m. u. 51 E. als g. sijt te hu
selven w. 52 So sal u comen u h. n. 53
Menich versuschten diep e s. 54 Danne so
suldi s. daer n. Vs. 55-60 ontbreken bij C. 59
A. Want s. mine herte.
1 Rose, I. 74, 2254:
Car ge n' ains pas moitoierie.
d. i. ik haat elke deeling. De lezing van C komt
met den Franschen tekst juist overeen. Ook de
lezing bij A: Ik haat alle halve zvinst, levert
eenen goeden zin op.
I Rose, I. 75. 2265:
Car bontes de chose prestee
Est tost rendue et aquitee ;
Nies de chose donnee en dons
Dolt estre grans li guerredons.
Donne-le dont tout quitement,
Et le fai debonnairement,
Car 1' en a la chose moult chiére
Qui est donnee It bele chiere;
Mes ge ne prix le don -an pois,
Que 1' en donne desus son pois.
d. i. ondanks zich zelven, onwillig.
37
A. fol. 11. c. d.
Opdat mijn ogen niet en geleiden
Mijn herte daer al sonder beiden,
Daert te wesene so begeert,
Ine prise ere not niet wert
[2250]
2265 Wat dat moegen sien mijn ogen t !
Si en louden niet gedogen,
Dat si hier lagen stille,
Mijn herte en ware daert wesen wille,
Ende en sagese al openbaer,
[2255]
2270 Daer mi soe sere langet naer.
Bi Lode ! te rechte bem ic musart
Ende blode ende sere vervart,
Dat ic so lange tijt mach sijn
Sonder mijn lief, mijn minnekijn, [2260]
2275 Ende ict met ogen niet en sie :
In hadt met ogen gesien nie
Alsict nu soude anesien."
Dan maecti u op die vart mettien,
[2265]
Ende waent sien dat gi begaert,
2280 Maer het gaet u achterwart :
Gine selse sien no spreken mogen.
Dan moetti keren in wanhogen,
Drove pensende ende wel erre ;
[2270]
U troest hi sal wesen verre.
2285 Gi selt suchten met dieper herten,
So dat u sal u leven smerten.
Dit sal u comen sonder gewere :
Pit 'chit elc gerecht minnere,
C. fol. 14. b. c.
Dat dit es seker ende waer.
[2275]
2290 Dan en sal u herte daernaer
Hem niet custen in sijn droven, 2
Maer selt anderwaerf gaen proven
Ochte gise iet selt moegen sien ;
[2280]
Ende mach u dat geluc gescien
2295 Dat gise saget, al daedt u pine,
Gi sout u verbliden daer te sine,
Ende oec soude u herte dat claget
Joie hebben, dat gi saget
Hare scoenheit, die u sal dunken groet;[2285]
2300 Ende dat verstaet nu wel al bloet,
Dat bi siene u herte sal
Ontfuncten ende ontsteken al ;
Ende alse dicke alse u gescien
Mach, dat gise moeget anesien, [2290]
2305 Sal u tfier ontsteken meer
Dant noit dede te voren eer.
So een meer siet sijn minnekin,
So meer bernt die herte sijn ;
Want die minne die 3 wille doet ]2295]
2310 Stect int herte der minnen gloet,
Want elc minnere heeft gereet
Tfier der minnen, dat es heet.
Alse een dan siet sine vriendinne,
Die es tfier van sinen sinne,
[2300]
2315 Ende diene altemale ontsteect,
So hi meer jegen hare spreect,
2261 Dat mi m. o. ute leeden. 62 Daer m. h.
a. s. beide. 63 A Daer. C. So zeere te sine begaert.
64 Ne prisdic mi niet eere note waert. 65 W.
so m. s. de o. 66 Ne can dat herte niet g. 67
D. het yewer legghe s. 68 Danne daert te
o. 70
wesen heeft w. 69 E. dan saghen
D hu therte so 1. n. 71 Bi Gode ic bem met
r. m. 72 Seere b ende oec v. 73 langhen.
7t lieb. 75 E. i. m. o. so gherne sie. 76 Inne saegt so gherne nie. 77 A. metten oghen nu
s. zien. 78 Danne m. u an de v. m. 80 M. h.
g. al a. 81 suit. 82 suldi. 83 Ende daer om
peinsen ende wesen e. 84 Die t. sal hu sijn
te. v. 85 ute d. h. 86 Ende doghen wel grote
smerte. 87 Die u toe c. sal. s. verweeren. 88
D. k. wel e. g m. 89 zekerlike waer. 90
Danne sal hu therte d. n. 91 Niet gherusten
moghen. 92 Ghine moet anderwaerven poghen.
93 Of g. hiet s. m. s. 94 E. mochte hu, tgheluc
g. 96 G. sout verbliden stillekine. 97 E. huwer
herten souts wel behaghen. 98 Datse uwe oghen
ane saghen. 99 Haer scoenhede d. sal u dincken g. 2300 maer dit v. wel a b. 1 bi den s.
2 Verwaermen 3 E. also dicken alst hu mach
g. 4 Dat g. dus m. a. 5 So sal hu herte o.
te mer. 6 Dan het n. te voren d. e. 8 S.
m. ontsteken therte s. 9 W. dicwile de m. goet.
10 Werpt. 11 minre. 12 Dat fier d. m. d.
zeere es h. 13 A. danne een s. s. v. 14 Dat.
15 Diene varinghe o. 16 haer.
1 De in beide Hss bedorvene tekst kan met eene
kleine verandering verstaanbaar worden gem mkt.
Departed fro mine owne , thought,
And with mine eien se right nought.
„Alas mine eyen serve I ne may
My carefull herte to convay,
Mine hertes guide but they be,
I praise nothing what ever they se.
2 Rose, I. 77, 2343:
Ton cuer ne porras apaier.
Zie over custen, tevreden stellen, Limborch,
Gloss. op custen en gliecusten.
3 Lees den, en verg. Rose, I. 77 , 2357 :
Qui ce qu'il aime plus regarde,
Plus alume son cuer et larde.
Verg. Rose, I. 76, 2313:
Mon otter soul porquoi i envoi ?
Ades i pens, et riens n' en voi.
Quant g' i puis mes pies envoier
Apres, por mon cuer convoier,,
Se mi oil mon cuer ne convoient,
Ge ne pris riens quanque it voient.
Bij Chaucer, 228, b :
Mine heart alone is to her goe,
And I abide all sole in woe,
35
A. fol. 11 d. — 12. b.
So hi seerre bernt, dats waer ;
Want die meest den viere es naer,
Hi bernt meest van tfiers gloede : [2305]
2320 Dat orcontscapen ens die vroede.
Die wile gi sijt int anesien,
Sal u duncken, mocht gescien,
Gine porret nemmer van daer voet;
Maer alse gi keert ent wesen moet, [2310]
2325 So sal u dinken alden dach
Die vroude die uwe herte anesach ;
Maer alse gi sijt en wech van hare
Gesceden, so saldi openbare
U selve scelden ende sere beclagen, [2315]
2330 Dat gi hare en dorst gewagen
Dat u so sere op therte lach.
Des seldi droven alden dach,
Dat gi noit so coene en wart,
Dat gi spreken dorst een wort,
[2320]
2335 Mare saet stem alse ene beeste
Neven hare ; dit sal u tmeeste
Sijn ende oec swaerste mede ;
Want u sal duncken dat gi tier stede
Met lachtere sijt van hare gesceden [2325]
2340 Ende met groter dorperheden,
Dat gi dus sijt van hare gegaen.
Dan sal u duncken sender waen,
Dat gi van hare te verre sijt ;
Maer mochte vallen noch die tijt, [2330]
2345 Dat gi hare saluut mocht geven,
Het soude u helpen al u leven.
Noch sal u vallen int herte mede,
Dat gi gerne ginct tier stede
Daer gi saget die scone doe.
[2335]
2350 Dan saldi pensen wie ende hoe
C. fol. 14 c -- 15. a.
Gi gegaen mocht inder straten,
Daer gi die scone in hebt gelaten,
Die gi met talen en dorst bestaen. 1
Te haren hues soudi gerne gaen, [2340]
2355 Consti vinden ockisoen,
Dat gift met redenen wel mocht doen ;
Want hets recht: daer gi mint sere
Si al u wandelen ende u kere ;
Mar jegen tfolc so helet wale
[2345]
2360 Ende soect dan andre tale,
Die u aldaer comen doet.
Ende quame daer in uwen meet
Die scone, die gi alsoe mint,
Gine sout macht een twint
[2350]
2365 Hebben te anegroetene hare,
Maere gi selt al openbare
U varuwe verwandelen menichfout;
U herte sal warden heet ende tout,
Ende u, sal begeven oec u tale;
[2355]
2370 Ende alse gise waent beginnen wale
Seldijs qualec hebben die macht.
Gevielt oec dat gi hadt die cracht,
Dat gi te sprekene beginnen sout,
Al ware dat sake dat gi wout
[2360]
2375 Met ernste seggen wel drie saken,
Gine sout die twee niet mogen geraken:
So sere soudi sijn in vare,
Dat gi spraket jegen hare.
En es so wel gesent man,
[2365]
2380 Noch die so wale spreken can,
Hine soude daer in sine tale
Genoech vergeten, dat wetic wale,
En sijn die gene die loselec minnen, 2
Die ,e1 seggen dan si binnen [2370]
2317 S. ,het mee b. dat es w. 18 W. d. den
viere meest e. n. 19 Hem b. m. des viers g.
20 Dus orconden o. de v. 21 ant. 22 So s.
u dinken m. hu g. 23 G. p. van daer een v. A.
van der voet. 24 Ende als g. van haer keeren
m. 25 Sal hu haers ghedincken a. d. 26 Der
vrauwen daer hu h. an lach. 27 Als g. s. ghesceeden v. h. 28 So suldi hu selven daer nare.
29 U selve ontbr. 30 D. g. haer niene d g.
31 Van dat 'hu up t. 1. 32 Dies suldi. 33
ne wort. 35 Ne waer s. als een stomme b.
36 Iii h. d. s. hu dan sijn t. 37 Ende dat
alre s m. 38 Hu s. dincken d. daer ter s.
39 Dat ghi van haer sijt g. 40 Met lachtere
ende met dorperhede. 41 Dat hu te leede sal
vergaen. 42 Daer na s. hu d. zaen. 43 te verre
van hare 44 M. quame n. d. t. 45 haer een.
46 u ontbr. 47 Doch s. hu comen. 48 ter s.
49 de. 50 Danne s. p. hu e. h. 51. G. com
1 Rose, I. 78, 2389:
Lors te prendras i devaler,
Et querras achoison d'aler
Derechief encore en la rue
men moghet. 53 Die gi niet d. talen ane A.
en ontbr. 54 gane. 55 Mochti v eenich °enscoen. 56 reden mocht 57 Hets r. d. men
minnet s. 58 Dat meer gherne ga ende k. 59
M. j - die lieden hoet u w. 60 E seght te hem
eene a. t. 61 Dat hu daer o. d. 62 E. q. oec
in hu ghemoet. 63 so. 64 G. s. m. hebben
twint. 65 Te spreken no te groeten h. 66
Maer ghi soot van vare. 67 V. hu vaerwe m.
68 Therte s. u werden. 69 - Bode suit werden
bleec, roet ende vale. 70 E. als ghi w. spreken
w. 71 Ne suldijs h. gheene m. 72 Al gheviele
o. d. g. adt c. 73 Te s. ende b s. 74 Met
neerenste ende achten w. 75 Te segghene wel
III. s. 76 Gi s. cume de II. g. 78 Als ghi
waert in spraken j. h. 79 ghesinnet. 80 wel.
81 sijn. 82 G. sijn tebarteert, weet w. 83 En
si de g. d. loselike minne. A. Ende. 84 Ende
anders.
Oh to auras cele veue
Que to n' osas metre it raison,
2 Rose, I. 79, 2415:
Il n'iert jh, nus si apenses
39
A. fol. 12 b. c.
2385 Pensen ochte dinken mede,
Ende dat es ene grote valschede.
Dan alse gi tusscen uwen beden
Dan hebt gesproken, ende sijt gesceden
Met hovesscer tale onderlinge,
[2375]
2390 Ende gi dan penst om enege dinge,
Me ure herten quetst ende weget,
Ende die gi hare gout hebben geseget,
Dan saldi dogen grote pine,
[2380]
Daer u lange in staet te sine,
2395 Ende selt to selven seggen dan :
,Wat vergaetti, onsalich man,
Die wile dat ics hadde die stade !"
Dese pine, dese ongenaden
[2385]
Moeten hebben die minnaren
2400 Ende hen selven sere vertaren.
Altoes soe moet hem gebreken,
Tes icker wille die hant toesteken 1 ;
Maer navons, alse gi slapen sijt
[2390]
Op u bedde ent u donct tijt,
2405 So gaet u over dan gered
Meer dan dusentichsterande legit.
Cleine delijt seldi vercrigen,
Ende oec onlange seldi swigen
[2395]
Sonder suchten ende beden,
2410 Ende in groten lede leven,
Ende keren ende wenden tallen uren,
Ende qualec seldi mogen duren,
Gine selt liggen in groten stride,
Nu over den rugge, nu over die side. [2400]
2415 Gine selt geduren te gere stede,
2385 Int herte peinsen daer ter stede. 86
ene ontbr. 87 Als ghi dus t. hu b. 88 Dan
ontbr. 89 M. hoveschen woerden o. 90 E. g.
bepeinst e. d. 91 D. hu zeere te quetsen pleghet.
92 Die g. haer s. h. gheweget. 93 Danne suldi
ghedoghen. 95 sult te u. 96 W. hebbic vergheten. 97 D. w. ic te spreken adde s. 98 D.
p. ende d. onghenade. 99 , de minneeren. 2400
E. hem s. aldus vertheeren. 2 Tes i. d e h.
toe wil steken. A Dies. 3 als ghi te bedde s.
4 Ende slapen wilt, donct hu tier tijt. 5 Dat
hu int herte si g. 6 Mer d. dusenterande 1.
7 Cleenen troest suldi ghecrighen. 8 Onlanghe
so suldi s. 9 Ghine suit s. e. b. 10 sorghen
11 Ghi suit wenden ende kepren. 12 Qualike
suldi m. gheduren. 13 A. Gi. C. Ghine s. 1. i. zwaren
s. 14 Nu over rigghe nu over zide. 16 Ghine
suit h. p. no v. 17 Nichte weer, dan hi hevet
Qui en ce point n'oblit asses,
S'il n'est tier que de guile serve.
I Rose, I. 80, 2438:
Jh fin ne prendra ceste guerre
Tant cum ren veille la pez . guerre.
3 Rose, I. 80, 2454 :
C. fol. 15. b. C.
Daer gi mocht hebben pais ende vrede,
Gelijc alse die den tantswere heeft
Ende die in groten dogene leeft.
Danne so seldi daer gedinken
[2405]
2420 Hare scone ogen, die haer vlinken,
Ende hare wel gedane figure,
Diere engene creature
Die nu leeft en mach geliken.
Dit sal u int herte striken
[2410]
2425 Ende geven groet delijt.
U sal oec dincken selke tijt,
Dat gi die scone, die es volmaect,
Bi u hebt al moeder naect
In uwen arme, in die gebare
[2415]
2430 Alse ocht uwe getrouwet wijf ware,
Ochte uwe amie -van alien saken.
Dan saldi borge in Spaengen maken
Ende grote joie van niewete driven, 2
Daer gi onlange in selt bliien,
[2420]
2435 Die joie sine sal u ontgaen.
Dan seldi wenen menichgen traen
Ende dicke seggen : ,Deus, God here !
Waest een droem, dat mi dus sere
Verblijdde ende maecte in vrouden ? [2425]
2440 Wilde hi mi altoes hier in houden,
So waer ic vol van avonturen ;
Maer dat mi onlange mochte geduren,
Dat was sekerlec mine doet.
God here ! mochtic die joie groet [2430]
2445 Noch ene waerf met mine ogen sien,
Ende mi mochte vor mine doet gescien,
A. die ontbr. 18 Die de tantzweere heeft
ende in sorghen levet. 19 D s. s. haers g.
20 Ende peinsen om haer hoghen die quinken.
21 Ende om h. scone f. 22 Ende dat ne gheene
c. 23 Ne levet die haer ghelike. 24 D. s. hu
i. h. zekerlike. 25 Doen hebben groeten d. 26
Ghi suit peinsen te zomegher t. 27 Om die
cone. 28 Dat ghise wilt hebben al naect. 29
In huwen aerme ende in der g. 30 Of soe
hu ghetrauwede w. w. 31 Of huvve amie. In
dustaenre spraken. 32 Danne so suldi oghe b.
maken. 34 Als hu dese j. es o. 35 So. 37
E. dicken s. o. G. h. 40 Wilde mi a. haer i. h.
41 S. w. i. vro v. a. 42 M. onlanghe saelt g.
43 Ghine suit weder peinsen al bloet. 44 G.
h. m. voer mijn doet. 45 N. een w. de bliscap
s. A. met ontbr. 46 Voer mine doet ende de
joye g.
Lors feras chastiaus en Espaigne
Et auras joie de noient.
Een zeer oud spreekwoord, waarover Francisque
Michel het een en ander heeft medegedeeld in
de aanteekeningen op de Histoire de la guerre
de Navarre en 1276 et 1277, par Guillaume
Anelien
40
A. fol. 12. c. d.
Ic wout op een Covent vorwaer,
Dat ic stappans storve aldaer :
En dade mi pine cleine no groet, [2435]
2450 Dat ic in lieves arme bleve doet. 1
Sere torment mi die minne
Ende dorepijnt al mine vif sinne;
Mar quame mi alselke salichge stonde,
Dat ic ane hare selke joie vonde, [2440]
2455 So ware mijn seer vergaen te spele.
Wacharme, nn biddic te vele !
Ic en houde mi selven niet
Over vroet dat mi gescieit ;
[2445]
Es dat ic selke overdaet
2460 Iesch, ic hadde dullen raet ;
Want die gene die iescht sotheit,
Hets wel recht datmen ontseit.
Ine weet niet wane mi quam
[2450]
Die herte daer ic dit uutnam ;
2465 Want menech scoonre ende wiser,
Menich hoger ende faitiser
Soude hem met min genogen laten
Dan ic dede met mire onmaten.
Mar mochtic hebben teneger stont [2455]
2470 Een cussen ane mijns lieves mont,
So haddic een rike begeren
Vor al mijn leet ende vor al mijn deren,
Mar dat es swaer te comene an.
[2460]
Ic dede wel als een dom man,
2475 Dat ic daer mijn herte leide,
Daer ic meer of onstichteide
2447 I. wilt up e. c. zekeren daer. 48 D. i.
die I 'ne moeste daer naer. 49 Ghedoghen die
men mi dade‘ cleen ende groet. 50 liefs aerme
bloet. 51 Ligghen moeste die ic minne. 52 E.
tormenteert mine s. 53 Maer gheviele mi noch
de s. 54 an haer sulke. 55 comen t. s. 56
Achaermen. 57 I. ne h. mi over hovesch n.
58 Dat mi dit ghepeins es g. 59 Ende comen
es in minen raet. 60 Want het es sotheit ende
quaet. 61 Ende ware recht zekerlike. 62 Dat
men ontseide haestelike. 63 Ic ne w. wanen
het q. 64 Dat ict ute miere herte cam. 65
Want die meniger hogher ende joliser. Bij A
zqv na Wand twee letters uitgeschrapt, tertciil voor
meneg meneger stond. 66 Souden laten ghenoeghen die es wiser. 67 Ende anders wel ghematen. 68 Danne te peinsen dese o. 69 M. m.
noch t. s. 70 Cussen mijns liefs roden m. 71
So adde al mijn b. 72 Mijn leet soude mi te
1 Rose, I. 80, 2473:
La mort ne me greveroit mie,
Se ge moroie bs bras m'amie.
2 Rose, I. 81,. 2494 :
Ge me puis bien por fol tenir,
Quant j'ai mon cuer mis en tel lei
Dont ge n'aten avoir nul preu.
Bij Chaucer, 230, a :
All is but folly that I do,
C. fol. 15 c. d
En crige no goelec wart E.
Nu seggic wale alse musart ;
[2465]
Want allene een vriendelic sien,
2480 Dat mi van hare mochte gescien,
Ware mi beter op ene tijt
Dan van ere andre al delijt.
Deus, hoe gerne dat icse sage !
[2470]
En salt naken niet ten dage,
2485 Dat ic van minen bedde mochte staen,
Ende ic die scone mochte sien gaen ?
Dese nacht es utermaten lane ;
Mi dunct, hine heft engenen ganc.
[2475]
Wat beliggic langer hier?
2490 Mijn herte bernt mi alse een vier ;
Liggen es te swaren sake
Die niet en slaept met gemake.
Mi verwast sere ende punt,
[2480]
Dattie sonne nu nine scijnt
2495 Ende die nacht nine wilt tegaen.
Waert dach, ic soude op dan staen.
Ay sonne, wane haesti uwen opganc
Ende jaget en wech dien nacht lane,
Ende wilt versnellen ende bat ruren ? [2485]
2500 Ine can bier langer niet geduren,'
Aldus seldi jegen den nacht
Striden met wel groter cracht,
Sonder slapen ende oec rusten,
Want u sals wel lettel lusten,
[2490)
2505 Opdat ghi noit kipdet die minne. 4
Ende alse u danne vernoit van sinne,
min d. 73 lie waer daer es quaet te comen an.
74 domme. 75 D. i. mijn h. daer 1. 76 D. i.
m. dan zeericheide. 77 Af ne winne maer self
een woert. 78 Wat s. verstaet ende hoert. 79
Mochte mi noch de tijt ghescien. 80 D. ic v.
h. een vriendelijc zien. 81 Noch hebben mochte
up een t. 82 Dat ware mi alte groet d. 83
D. h. g. ic s. 84 Dat het nakede d. d. A. den d. 85
Ende ic v. den b. moeste s. 86 E. die s. te
ziene g. 87 ,zeere. 88 Mi dinct soene heeft
gheenen g. 89 langhe. 90 berrent als e. v. 91
L. e. eene zware s. 92 niene. 93 verlanghet.
94 Dat die s. niet en s. t)5 niet wil. 96 dan
ontbr. 97 twine h. up uwen ganc. 98 wech
desen. 99 Wildi hu v. e. berueren. 250 , Want
ic 1. n. can g 2 wel ontbr. 3 S. te slapene
e. r. 4 Hu sal daer na w. 1. 1. 5 Updat ghi
noit kinnet m. A 0 ic rt. konde. 6 E. als u
v. hier inne.
So high . I have mine herte set,
Where I may no comfort get.
Onstichteide is onsticheide, gunst, voordeel.
3 Rose, I. 82, 2509:
anuie certes et grieve
Moult
Que orendroit l'aube ne crieve.
Zie Lorr. Gloss, op verwassen, bedroeven.
4 Rose, 1. 82, 2517:
La nuit ainsinc to contendras,
41
A. fol. 12 d.-13. a.
Dat gi moet liggen ende waken,
So seldi u ter vart opmaken,
Eer die dach nemmeer opgeet :
[2495]
2510 Dat liggen sal u sijn so leet.
Gi selt u scoien ende cleden,
Gi selt u al opgereden;
Eist in hagle, eist in snee,
Dan sal u pinen no geven wee,
2515 Dat gi laten selt u vart,
Gine selt haesten vaste daer wart
Aldaer u lief wonende si,
Op avonture, ochte gi
Van hare mocht vernemen iet,
2520 Die lettel acht op u verdriet ;
Want si sal liggen slapen vaste
Ende pensen lettel om u onraste,
Noch om u diere buten staet.
Gi selt hebben menichgen raet,
2525 Wat gi- moegen selt bestaen:
Vor dachterste dore seldi gaen
Besien, ochte die scone si
Daer buten iet, gelovets mi ;
Daer seldi een stuc liggen yore.
2530 Condi vinden enichge score
Ane enichge venstre tenichger stat,
Ocht in die want maken een gat,
Daer seldi u oren leggen ane,
Om te home ende te veistane
2536 Ochtemen slapen si daer binnen,
Ende ocht die scone in enichgen sinne
Mochte noch wesen iet in wake.
Danne so radio u die sake,
Dat gi sucht ende claeget uwen rouwe,
2540 Dat Koren moege die joncfrouwe, [2500]
Dat gi dore die minne van hare
En cont geduren hare noch dare,
Want wive ontfarmich sijn van herten.
C. fol. 15 d.-16. a.
Eest dat si clagen hort u smerten
[2505]
2545 Ende u pine ende u verdriet,
Haer sels ontfarmen emmer iet,
Dat si u wart so sere te sure,
Sine si te hart jegen nature.
Gevalt dat gise nine siet,
[2510]
2550 So cust die porte, en lates niet,
Daer dat helichdoem woent binnen,
Daer gi omme waent ontsinnen.
Dit gaen, dit keren ende dit waken
Doet den minnare mager maken
[2515]
2555 Ende afnemen sijn anscijn.
Dies seldi noch wel seker sijn
Ende met u selven wel orconden,
Dat minne en laet ten genen stonden
Ende oec noch te genen male
[2520]
2560 Haren vrient geverut wale.
Mare die valsche losengiere
Hebben ene andre maniere ;
Want si doen verstaen den vrouwen,
Dat sire minnen so met trouwen,
2565 Dat si eten no drinken en mogen, [2525]
Dat sere ende qualec es gelogen ;
Want vetter siet men al hare lede
Dan abte ochte prioren mede.
Noch so willic dat gi sijt
2570 Hovesch ende milde take tijt
[2530]
Jegen die maget, die met hare woent ;
Die en laet niet ongeloent,
Gi en geft hare selc elinode,
Dat si niet en neme node,
[2535]
2575 Maer gerne ende willeke ontfa.
So seit si altoes verre ende na
Van
waer datment begeert,
Dat gi sijt prijs ende ere wert,
Ende sal u loven die helecht bat. 2
2580 Ic rade u dat gi ute ure stat
[2540]
2507 Te ligghene aldus in wake. 8 Danne
radio hu met ghemake. 9 Up te stane ende te
gane daer ghi. 10 De maghet weet dat so si.
Vs. 2511-2536 ontbre ken bij C. 2537 Ende ligghen gaet voer haer , dure. 38 Oec r. u. als
ghire sijt vure. 39 D. g. versucht e. uwen r.
40 Claghet dat hore de j. 41 Ende ghine cont
hare no dare. 42 Gherusten dor de minne van
hare. 43 Die wijfs sijn otfaermich in therte.
44 hu smerte. 46 H. s. lichte o. i. 47 D. soe
hu so zeere wert t. s. 48 S. s. van harder n
49 niet en. 50 de p. ne laets n. 51 inne. 52
wilt o. 54 minre. 55 in sijn a. 56 D. ghi
sult noch s. s. 57 wel ontbr. 5 8 Die m. laet
te g. s. 59 Haren vrient, verstaet wale. 60
Vaerwe hebben ne waer vale. 62 II. al a. m.
63 Die v. doen d. v. 64 so ontbr. 65 Ende
heten no d. m. 66 D. arde q. e. g. 67 W.
wetter s. haer 1. 68 Hebben dan abde of p m.
69 Doch so heetic hu d. g. s. 71 J. d. m. ende
toent. 72 D. niet ne 1. o. 73 Ghevet h. eenighe
clenode. 74 Die so n. ne nernet n. 75 M. arde
g. van u o. 76 S. s. men. 77 hu so waer
ghi henen vaert. 78 D. g. pr. e. eeren sijt waert.
79 Het sal u vromen telker stat. 80 I. .r. u
oec mede dat.
Et de repos petit prendras,
Se f ongues mal d'amors connui.
Bij A vindt men de lezing, die ook in het
origineel voorkomt. De God van Minnen haalt
zijne eigene ervaring aan. Doch bij C. vinden wij
eene betere lezing, die ook Chaucer, 230 a. heeft
The night shalt thou continue so,
Without rest, in paine and wo,
If ever thou knew of love distresse
Thou shalt mo learne in that sicknesse,
2 Rose, I. 84, 2580:
Miex t' en prisera la mold&
42
A. fol. 13 a. b.
Altelange en mert niet,
En es die sake dat gesciet,
Dat u verre te verne steet
Om orbare, die u anegeet.
2585 Hoet u dat gi niet en mert, [2545]
Ende coemt besien daer ligt bespert
Al u herte ende in bedwange,
Ende en daegt niet buten lange,
Want van lieve lange merren
2590 Stoert die minne ende doetse verren. [2550]
Nu hebbic u al mijn begeren
Geseit hoe die minneren
Moeten dienen, selense gewinnen
Troest ende loen van hare minnen."
2595 Doe seidic : „Here, dore.God segt mi [2555]
In wat manieren mogen si,
Die gene die minnen, dus geduren ?
Mi duncke sine rusten te gere uren,
Si doegen altoes rouwe ende pine,
2600 Na dien dat gi mi doet in seine ; [2560]
Want si suchten ende dicke wenen :
Dits haer were, dunct mi altenen.
Mi heft wonder groet bi trouwen,
Dat enich man vats selken rouwen
2605 Mach ontstaen ende selken onwille, [2565]
Want het dinct mi ereande hille." 1
Die God van Minnen antworde ende seide :
,,,,Vrient, gi vraget hovescheide :
Wet dat men engeen groet goet
2610 En mag gecrigen, pine en doet,
[2570] .
Ende men hebber omme geavontuert ;
Want niet en sueI niet en suert. 2
C. fol. 16. a--c.
Men heft oec liever vele dat goet
Datmen wel diere copen moet
2615 Dan dat met lichten cope coemt ane. [2575]
Ende vort so gevic u te verstane,
Dat Diemen leeds alse vele en kint
Alse doet die met herten mint
Ende beiden moet na goet gescien ;
2620 Hine mochte niet te meer ontien [2580]
Hem die pine noch tverdrieten,
Dan hi soude die zee uutgieten.
Des leeds van minnen es so vele,
Datmen in ernste noch in spele
2625 In poke niet en mochte gespellen [2585]
Noch met Dietscer tongen tellen.
Dus leeft hi met pinen groet,
Al wart dat hi gerne ware doet.
Men siet enen die gevaen
[2590.1
2620 Es in karkere ende sere ontaen,
Ende die van wormen es onreine,
Ende en drinct mare fontaine,
Ende edt gerstin oft evenin broet,
Nochtanne en blijft hi niet doet,
[2595]
2635 Wat pinen dat hem overgeet ;
Want hope blust hem sere sijn leet,
Die hem altoes doet verstaen,
Dat hi van daer noch sal ontgaen.
Aldus so waent die gone doers,
[2600]
2640 Die leget inder minnen prisoen,
Bider hope die hi heeft
Ende daer hi op altoes leeft,
Doet hem die pine dragen al,
Daer hi of en weet getal.
2581 Dat ghi te langhe ne merret n. 82 En
si dat s. d. g. 83 wech te vaerne. 84 0. eenighen
o. d. u angeet. 85 Wacht hu d. g. n. ne m.
86 Ghine c. b. daer leit ghesperret. 87 Huwe
h. e. huwe belanghe. 88 E. niet van haer sijt
te 1. 89 Van I. te I. m. 90 Scuert de. 92 G.
de minne hoe dat m. A. hoe men m. 93 willensi
94 Loen ende troest. 95 Ic seide : Dor God
heere s. m. 96 Bi. 97 minnen dat g. A minne.
98 dinke. 99 Maer d. 2600 Nadat g. m. d.
anscine 1 W. suchten, sorghen ende w. 2
Moeten si antieren a. 3 groet w. en t. 4 D.
e. m. dies r. 5 M. ghedoghen e. dien o. 6 W.
hets ghelijc e. h. 7 D. G. v. M. doe s. 8 V.
g. bidt mi eene bede. 9 Weet d. gheen g. g.
10 Hebben mach en si dat men doet. 11 Pine
daer omme ende aventuere. 12 Niet ne bezoet,
niet ne bezuert. 13 M. hevet liever dicken d.
g. 14 D. diere coept ende pine doet. 15 D.
daer men lichtelike c. a. 16 Voert g. hu noch
t. v. 17 D. n. so vele goets en k. 18
Als de minre d. m. h. m. 19 Hi moet beiden
ende haken om tghescien. 20 Van sinen lieve
goet sonder o. 21 Ende ne mach p. no verdriete.
22 Nichte mee van hem dan ute gieten. 23 Die
zee, der pinen v. m. es vele. 24 Datment in
neerenste no. 25 No met tonghen mach vertellen.
26 No in boacke lesen no spellen. 27 de minre
in p. g. A. heeft. 28 datti g. name de d. 29
eenen die es. 30 In eenen kaerker. 31 Daert
v. w. 3'2 E. niet ne d. dan f. 33 E. eet evenin
ende gherstin b. 34 en ontbr. 35 So wat. 36
Ne waer h. b. h. al s. 1. 38 Datti noch wel s
o. 39 A. moet d. ghene d. 41 Die h. groet
42 Als eist dat hi in pinen levet. 43 de p
doghen. 44 D. niemen of ne w. tghetal.
1 Rose, I. 85, 2605:
Certes durement me merveil,
Comment hons, s'il n'iere de fer,
Puet vivre un mois en tel enfer.
2 1UtgOftle spreekwoord met volkomen gelijke
woorden vindt men ook in Limborch, B. II. vs.
616. De zin is : Wat men niet bezuurd heeft
daar smaakt men ook het zoet niet van. Misschien
is wel de ware vorm:
Want niet en soet [wien] niet en suert.
Verg. de Var. op den Limb,
43
A. fol. 13. b.— d.
[2605]
2645 Hope behout hem sijn leven.
Gebendijt si hope, die geven
Can den minneren selken troest,
Daer sijn leven wart bi verloest.
Hope es hovesch uutnemende sere,
2650 Want hine laet no knecht no here [2610]
Lange in rouwen duren niet,
Want hine troestene emmer iet.
Den dief selve, diemen geet hangen,
Hi hoept dat hi sal ontgangen
2655 Ende dat hi nine sal sijn verdaen. [2615]
Ende dits die gene al sonder waen,
Die u altoes sel gesterken
Ende grote duecht ane u werken,
Ende sal u volgen waer gi sijt
[2620]
2660 Sonder begeven enichen tijt;
Ende met hopen sal ic u geven
Drie andre troeste, die u tleven
Selen behouden. alle wege ;
Want icker met te helpene plege
2665 Minen vrienden den minneren,
[2625]
Alse hem rouwe te sere soude deren.
Talre irste van desen drien,
Dat ic den minneren doe gescien
Ende geve sire herten binnen,
2670 Dat es Suete Gepens van minnen ; [2630]
Want alse hebben mine minneren
Gelegen in der minnen sweren, 1
So coemt Suete Gepens te hen
Ende verblijt hen al den sen,
2675 Ende doese wesen sciere in hogen, [2635]
Ende brinct hem yore hare lachende ogee
C. fol. 16. c. d.
Ende dien sueten roden mont,
Haer Tier blosende talre stont
Ende alreande goet gelaet,
2680 Daer die droefheit mede wech gaet [2640]
Ende verbliden coemt altemale.
Oec wert hem te moede wale,
Alsi pensen wel innechelike
Om een lachen vriendelike,
2685 Dat hem coemtvan haerre vrientdinn en [2645]
Dit brinct hem Suete Gepens al binnen,
Ende doet mindren dus hare pine.
Dit gevic u met u te sine :
Hets ure pinen een gewen.
2690 Twee andre hebbic, die niet men [2650]
En troesten, wildi die ontfaen
Van mi, dat es wel gedaen,
Want sie sijn hovesch ende vroet
Ende verbliden sere dien moet.
269,5
Tander dat es Vriendelic Spreken, [2655]
Dat rouwe doet uter herte breken
Den minnare, - alse hi spreken hort
Van sinen lieve enich wort
Ochte van minnen ende maectene blide.
2700 Mi gedinct dat tenen tiden [2660]
Dore hovescheit ende dore trouwe
Seide ene welgeraecte vrouwe,
Die met goeder trouwen minde,
Waneer si horde ende kinde
[2665]
2705 Haren lieve in een liedekin Singen enich hovesch wordekin
Ochte seggen enichge suete sprake,
Sone mochte so niet sijn tongemake. 2
2645 Hope die b 46 de h. d. can g 47
Den minre alsulken t. 48 bi wert. 49 utermaken. 50 no ontbr. 51 gheduren. 52 Hine t.
doch i. 53 Die d. d. heet h. 54 Hevet hope
om o. 55 Dat hi niet ne s. s. v. 56 So es
de gone s w. 58 E. hare doghet an hu w.
59 Ghi cult haer v. 60 teenigher. 61 E. hope
die sal hu oec g. 6 B. sullen alien w. 64
mede te helpen. t- 5 Mine. 66 de pine t. zeere
d. 67 Dat eerste. 69 minre. 70 E. hem g.
in sine herte b. 71 als ligghen. 72 Ende vander m. hebben dat s. 74 hem. 74 E. doetem
w. in oghen. 76 te voren de o. 77 Van haren
lachenden r. m. 78 Hare liere. 80 de rouwe
m. tegaet. 81 Van hem ende verblidet a. A
coemt ontbr. 82 Sijn herte ende t m. sijn w.
83 Als in zorghen es zekerlike. 84 Omme e. 1.
wel v. 85 D. h. zoete ghepeins van binnen.
86 Hebben doet van ziere vriendinnen. 87 E.
m. doet sine p. 88 Die. 89 Ende dit es hu
wel groet g. 90 Noch t. a die hu n. m. 91
Ne t. willic hu doen verstaen. 92 Updat ghise
houden wilt ende ontfaen. 93 W. s. hovesch
sijn e. goet. 94 E. zeere den minre v. doet.
95 Dat ander es. 96 Die grote pine huter
herten steken. 97 minre als 98 eenighe. 99
Van minnen dattene maect b. A ende ontbr.
2700 tide. 1 Up hoveschede e. dor t. 2 Dat
e. w. ghedane v. 3 Seide die met herten m.
4 Welken tijt "o h. of bekinde. 5 Van h. 1. een
1. 6 een v riendelijc. 8 Mochte s. n. bet s. te
ghemake.
1 Rose, I. 86, 2659:
Quant li amans plaint et sospire,
Et est en duel et en martire.
Swere, Kil. dolor, in dezelfde beteekenis in
hooft-, ,tant-swere.
2 Rose, I. 87, 2688:
Si me semble que por ce dist
Une dame qui d'amer sot
En sa chanson un cortois mot :
,Moult sui, fet-ele, it bonne escole,
Quant de mon ami of parole ;
Se m'aist Diex, it m'a garie
Qui m' en parle, quoi qu' it m' en die."
De Nederlandsche tekst heeft den juisten zin
van het Fransch min juist weergegevei.
44
A. fol. 13 d.— 14 a.
Dese vrouwe verstoet alle die treken
2710 Die lagen ane dat vriendelic spreken, [2670]
Sine kinnese bat dan iemen el.
Ic rade u ende wille oec wel,
Dat gi enen vrient bejaget,
Die u help dragen dat gi draget,
2715 Ende u si jonstich ende getrouwe [2675]
Dien vertelt al uwen rouwe
Ende van minnen u prisoen.
Dese sal u grote raste - doen,
Want alse u van minnen tleet
2720 Ende die rouwe overgeet,
[2680]
So seldi gaen te hem om raet
Ende vertellen hoet n steet
Ende die pine die u gaet an,
Ende selt te gadere spreken dan
2725 Om hare wijsheit, om hare doeget,
Om hare scoenheit, om hare joget
Ende om hare goet gelaet.
Dan seldi vragen hem om raet,
Wat stucken dat gi moeget beginnen
2730 Die behagen moegen uwer vriendinnen.
[2685]
Heft u vrient oec therte seer
Van minnen, so prisic te meer
Sine geselscap sekerlike,
Ende hi sal u haestelike
2735 Seggen, - nu geloves mi,
[2690]
Sine vriendinne wie si si,
Ende die stat daer si in woent,
Ende hare name al ongehoent
Sal hi u geven te verstane :
2740 Sone esser geen twifel ane,
9 Die v. v. alle tr. 10 an, dat ontbr. 11 Ende
bekinnede bet d. yet el. 12 I. wille oec ende
rade w. 14 helpt d. da g. d. 15 Die pine ende
hu sijn g. 16 Ende .vertellen moghet u. r. 17
Vander m. die es in hu p. 18 Die. 19 W.
als v. m. hu comt leet. 20 E. hu groete pine o.
21 S. s. te hem g. omme r. 22 E. hem v.
h. met hu s. Vs. 23-28 ontbreken bij C. 29
Ende wat ghi best m. b. 30 Dat b. mach
vriendinne. A. vriedinnen. 31 Hevet die ghene.
32 so eist te prisen m. 33 Sijn. 34 vriendelike. 35 dies ghelovet mi. 36 Wie dat zine
v. si. 37 E. oec mede waer dat soe w. 39
S. hi doen t. v. 40 Ende dan nes g. t. daer a.
41 Hine sal hu sijn vrient g 42 Ghi suit dan
onderlinghe uwen rauwe. 43 Die eene toten
I Rose, I. 88, 2719:
Si n'auras pas paor qu' ii muse
A t'amie, ne qu' ii t'eneuse ;
Ains vons entreporteres foi,
lui, et it a toi.
Et to
Lees : lielifke en verg. Rose, I. 81, 2723 •
C. fol. 16 d. b.
[2695]
Hi en si goet ende getrouwe. 1
Dan saldi spreken om uwe joncfrouwe
Ende om u saken die u behagen ;
Gi sult hem weder trouwe dragen ;
2745 Want het sijn lijflike saken, 2
Dat een heeft vrient dien hi maken [2700]
Cont mach sinen nausten raet,
Ende hi hem dan sonder baraet
Heelt ende raet na sijn beste :
2750 Dit es een groet troest int leste.
Die derde doeget van desen drien [2705]
Dat es geheten Suete Ansien ;
Mar dat merret gerne lange
Die gene die sijn in bedwange
2755 Ende die verre van lieve sijn.
Wildi doen den Wine mijn,
[2710]
Sone hout u van lieve niet verre,
Dat Suete Anesien van u iet merre4
Want Suete Anesien es den minnaren
2760 Smakelec ende groet begeren.
[2715]
Smargens ist een goet ontmoet, Alse God den minnare comen doet
Jegen heme ende vertoent
Dat helichdoem, dat niet verscoent
2765 En mochte wesen in sinen sin,
Hoe vele pinen dat hem bringet in. [2720]
Groet geluc hebben die ogen,
Alse hem God dit wille vertogen ;
Want hen den dach en mach messcien,
2770 Als si hare lief met ogen sien:
[2725]
So grote genoechte hebben si, Alsi hen ondersien van bi ;
andren draghen. 44 Ende spreken van dat hu
sal behaghen, 45 W. h. es eene vriendelike
sprake. 46 Daer deen v den andren m. 47
C. hare herte ende haren staet. 48 E. danne
weten sonder baraet. 49 Dat elc den andren
raet dbeste 50 Dits e. g. t. ende vrient veste.
51 van den d. 52 Ls g. zoete anesien. 54
Den ghenen d. es in bedwanghen. 55 Ende
van lieven dan werre s. 56 M. w. 57 S.
verkiest gheen lief so v. 58 D. s. a. iet langhe
m. 60 Bequamelijc. 61 Nuchtens alse een goet
ghemoet. 62 Alse ontbr. 64 Thelichdom. 65 Ne
m. sijn. 65 H v. p. het brinct in. 67 Groete
bliscap. 69 Ende hem tgheluc moghe ghescien.
70 Dat si haer metten oghe s. 7l So ontbr.
72 hem dus.
Saches que c' est moult plesant chose
Quant l'en a homme b, qui l 'en ose
Son conseil dire et son segre.
3 Rose, I. 89, 2730:
C'est Dous-Regars, qui seult tarder
A ceus qui ont amors lontaignes.
45
A. fol. 14 a. b.
Ende alse die ogen in dit spel
Sijn, sinse geleert so wel,
2775 Dat sijt allene niet ontfaen
[2730]
En willen, mar doent verstaen
Der herten, dien slit senden toe
So Nutt si sien ende hoe.
Ende hier af heft so grote joie
2780 Die herte, die was in vernoie,
[2735]
Dat si vergetet altemale
Haren rouwe ende hare quale,
Ende verjaget die droefheit daer,
Ende wart binnen licht ende claer.
2785 Dus vele goets so doet gescien
[2740j
Den minneren Suete Anesien, Want der herten en mach niet deren,
Alse die ogen sien dat si begeren.
Nu hebbic u doen verstaen
2790 Die saken die doen ontgaen
[2745]
Den minnaren vander doet
Ende die hem bistaen ter noet;
Want alse gi in hopen sijt,
So coemt u toe ter selver tijt
2795 Suete Gepens, dat moete gescien;
Ende Vriendelic Spreken ende Suete
Willie dat u oec bewaren (Anesien [2750]
Tote diesmaels dat gi selt bevaren
Ander goet, dat niet en si
2800 Minder een twint, gelovets mi,
Maer meerre vele, dat weet wale; [2755]
Mar dese hout nu tesen male."
Doe mi hadde die God van Minnen
Al dese stucken doen bekennen,
2805 Ontfoer hi mi, ine wiste waer,
[2760]
Ende doe ic mi allene daer
C. fol. 17. b--d.
Wiste, wasic harde drove,
Want ic wale raets behove
Van minen wonden, die ic ontfaen
2810 Hadde, daer ic af ontaen
Was ende hoe en wiste genesen, [2765]
En moeste doch allene wesen
Biden cnoppe, die heft in
Al mine herte ende minen sin.
2815 Mar wel pensedic ende dochte,
Dat hi mi warden niet en mochte, [2770]
Die God van Minnen hine moeste mi
Gehulpich wesen ende staen bi.
Die rosier was altemale
2820 Met ere hagen besloten wale,
Die alomme was gestaen.
[2775]
Daer waer ic Berne doregegaen
Ten cnoppe, die vele sueter roec
Dan doet balseme ocht wiroec,
2S25 En haddic gelaten dore die scande,
Datmen seggen sonde te handen, [2780]
Dat is stelen woude die rosen,
Die daer staen scone ende blosen.
Die wile ic stoet in derre gedochte,
2830 Ochtic over die hage met crachte
[2785]
Woude clemmen ochte gaen,
Quam een cnape wel gedaen
Te mi wart gaende alte voet,
Hovesch van sinne, wel gemoet ;
2835 Sins namen en hebbic niet vergeten,
Suete Ontfaen dede hi hem heten. [2790]
Hovescheit, die niet vroeder
[2829]
Wesen en mochte, was sijn moeder.
Die passage so opendi mi
2840 Ende seide vriendelike te mi :
2774 Hare lief iien sijn si g. wel. 75 niet
willen o. 76 Maer doent der herten v. 77
Dien s. te hant s. t. 78 Wat die oghen s. e. h.
79 Hie of hevet s. g. j. 80 Therte dat het alle
v. 81 Verghetet die het heeft te dien male.
82 Rauwe, seericheit ende q. 83 Es van hem
verdreven d. 85 goet doet 86 minnere. 87
Der h. ne can n. ghedeeren. 89 ghedaen v.
91 minnere. 92 E. hem b. in der n. 96 Vriendelike s. 97 hu moete b. 98 Toter tijt dat
ghi hebt u begaren. 99 Ende dat u herte ghenesen
si. 2800 Niet minder g. mi. 1 M. in eere
bliscap weet w. 2 Moete hu toecomen na dese
tale. 3 hadde ontbr. 4 Pit adde ghedaen b. 5
in. 6 E. is bleef a. d. 7 Van herten zeere
d. 8 Als die goets r. b. 9 V. m. w. was
ic ondacn. 10 Die ic al daer adde ontfaen.
11 Ende niet ne w. hoe g. 12 Doe moestic
a. w. 13 hevet. 14 Mine h. e. al m. s. 15
Vele peinsdic. 16 hi ontbr. 17 D. G. v. M.
ne m. m. 18 G. sijn. 20 beloken. 21 D. a.
o. ende omme ghinc. 22 Den knoppe die mijn
herte vine. 23 Daer hute quam so zoete roke.
24 Ghelijc dat b. of wyeroke. 25 Ne adde ghedaen niet de s. 26 Ende s. 27 wilde. A stele.
28 Addic ghepluct die daer scone b. 29 stont
in desen g. 80 Clemmen of daer toe ghegaen.
33 Te mi al daer ic dus stoet. 34 Van zinne
vroet ende w. g. 35 Sine name h. n. v. 36
Scone O. was hi gheheeten. In het Comb. Bs.
heerscht bier de grootste verwarring, waarschijnlijk
daardoor ontstaan dat de afschrijver eene geheele
kolom van zijr model oversloeg, en toen hij de
fout bemerkte, die enkel tracItte te verbeteren door
de overgeslagen kolom er later in te voeyen, en
er een paar inlapsels bq te kladden. Na VS. 2835
(C vs. 2790) volgen vs. 2575-2910 (C. vs. 2791—
2826), daarop de overgeslagen kolom, vs. 2836 -2874 (C. vs. 2827-2866), terwill om de fout te
herstellen na vs. 2910 (C. vs 2826) de twee
volgende repels zijn ingevoegd :
Nu moetic voert van Hovescheit spreken,
In wils niet langher vergheten ;
en na vs. 2874 (C. vs. 2866) de volgende vier verzen :
Ic hebbe hu hier voren gheseit
Van den knoppe arwaerheit,
Nu willic hu segghen van Scande,
Pier nu vele gaet achter lande.
37 Want H. 38 Wesen mochte was Scone Ontfaens m. 39 D. p. ondede hi.
/1.6
A. fol. 14 b.
hier te comene iet,
So lijd die hage, en lates niet,
[2835]
Ende gaet binnen den beloke,
Ende riect den sueten roeke
2845 Vanden rosen, die hier sijn.
IT es gereet die hulpe mijn,
Ende wille u altoes gerne geleiden,
Maer wacht u van dorperheiden ; [2840]
Ende so gi die dan niet en doet,
2850 Al die joie ende al dat goet,
Dat ic vermach inden rosier,
Sal ic u gerne doen alhier,
[2845]
Ende u dienen altoes gereet
Vor al die ic kinne ende weet."
Doe seidic : //Here, dit scone gebod
2855
Dat lone u mijn here God,
Dat gi mi biedt op desen dach ;
[2850]
Ende ic sals u, als ic mach,
Danken utermaten gerne.
2860 Uwes dienst en staet mi niet te werne, 1
Want gi doet sere uwe edelheide
Ane mi ende uwe hovescheide.
Alse gi gebiedt so ist wel recht, [2855]
Dat ic u diene ende sie u cnecht."
2865 Suete Ontfaen, die scone, die fiere,
Leidde mi dore die eggelentiere
Ende dore die bramen die daer stoeden,
Ende dorne die de rosen hoeden. [2860]
Ende doe ic was die hage leden,
2870 Doe gingic met haesticheden
C. fol. 17 c. d.
Daer ic dien sconen cnop sach staen,
Die bat dan dandre was gedaen
Ende oec hadde den besten gure ;
Ende Suete Ontfaen leidde mi daer dure, [2866]
2875 Dat mi behagede herde wale, [27913
Dat ic so bi mochte tien male
Genaken dien sueten sconen cnoppe,
Daer mijn herte rust al uppe.
Suete Ontfaen den jongelinc
[2795]
2880 Diende mi wale met deser dine,
Dat hi mi alsoe bi leidde
Den knoppe, die mi also gereidde.
Mar een dorper, een vilain,
Lach daer geborgen in dat plain [2800]
2885 Onder die lovre lanes gestrect,
Ende hadde hem met crude gedect :
Geheten so was hi Dangier,
Dese barlebaen hoedde den rosier.
Hi lach ende wachte menichfoude, [2805]
2890 Ochte daer iemen comen soude,
Die de hande so verre stake,
Dat hi die rosen anetrake.
Hine was niet allene daer,
Maer met geselscape, dat es waer : [2810]
2895 Een man ende ene vrouwe,
Die God onse here geve rouwe.
Quade Tonge so hiet die man,
Daer noit en doeget en lach an,
Ende was van Normandie geboren. 2 [2815]
2900 Hi was fel, lees ende versworen,
2841 Begheerde h. in te comen i. 42 ne
laets n. 43 desen. 44 desen. 45 die zoete s. 46
Wes g. de _ h. m. 47 E. w. hu wel g. Vs. 48 ontbr.
bij A. 49 Te comene in hu ghemoet. A. so ontbr.
50 al tgoet. 51 in desen r. 53 E. te uwen
dienste sijn g. 54 Voer alle de ghene die ic
w. 56 Moete hu lonen onse h G. 56. Die ghi
mi doet. 58 E. ic sal hu als ics hebben m.
59 Deser eere danken g. Tusschen vs. 51 en vs.
58 bij C : Ende dit ne scaet mi niet. 60 Ende
g. d. huwe hoveschede. 62 huwe edelhede. 63 Ende
als ghi wilt so eist r. 64 Dat ic bem hu dienstknecht. 65 Scone 0. die goedertiere. 66 Leedde
mi inden eglentiere. 67 Daer die scone bomen s.
68 Ende die d. d. d. rose hoede. 69 E. als ic
der haghe was 1. 70 Quam ic ghegaen tersteen.
71 den s. c. want s. 73 E. adde mede de beste
g. 74 Scone 0. die leeder mi yore. 75 Dies
mi b. wale. 76 D. ic comen mochte sender
hale. 77 So na den soeten c. 78 D. m. h. al
ruste oppe. 79 Scone 0. die j. 80 Dede mi
eere van der d. 81 D. h. m. so na geleide. 82
d.. mi wel g. 88 Ne waer die d. die v. 84
ghedoken int p. 85 loveren al g. 86 L. met
c. hem g. 87 so ontbr. 88 D. borlebuer wachte.
89 w. vele houde, 90 Of. 91 sine hant. 92
der rose eene aftrake. 94 Ne waer met hem
was openbaer. 16 God gheve hem beeden r.
97 Q. T. heet de m. 98 D. n. doghet ghelach an.
99 Van N. was hi g. 2900 Loes was hi fel e. v.
1 Rose, I. 92, 2824:
Puisqu' it vous plaist, vostre servise
Sui prest de prendre volentiers.
2 De karakteristieke trek om Quade Tonge in
Normandie te doen geboren worden, komt in het
origineel niet voor. De slechte naam der Normandiers als plaideurs en querelleurs is uit de
Fransche dichters genoegzaam bekend. Racine
doet zijne Plaideurs spelen in een stadjen ,van
Basse-Normandie ; in Molieres stukken vindt
men herhaaldelijk toespelingen op de twistziekte
der Normandiers. Zie ook Boileau's Lutrin, Cbant
I, waar van de Tweedracht wordt gezegd :
Elle y volt, par le coche et d'Evreux et du Mans,
Accourir h grands flots ses fideles Normands.
en in Chant V:
un pilier fameux des plaideurs respects,
Et toujours de Normands h midi frequents.
en iets verder :
Reine des longs proces, dit-il, dont le savoir
e.
//Begar di
47
A. fol. 14 c. d.
Ende altoes beet hi sine tande.
Die vrouwe was geheten Scande,
Ende was dochter Redenen der vrouwen,
Die was vol wijsdoems ende vol trou2905 Hare vader so hiet Mesdaet, (wen. [2820]
Die so haetelic ende so quaet
Was, dat Redene bi hem en lach
Nie, maer dat sine anesach
Daer af so wart geboren Scande, 1
[2826]
2910 Die verre nu loept achter lande. [2871]
Doe dus Scande wart geboren, Reinicheit, die vrouwe vercoren,
Die vrouwe soude wesen vanden botten,
Waert dicke van onbescedenen soften
[2875]
2915 Geasselliert met pinen groet, So dat si hadde hulpe noet ;
Want Venus nam hare nacht ende dach
Cnoppe ende rosen, waer si lach,
Ende staelse hare nalics altemale,
[2880]
2920 Dat haer niet behagede wale.
Reinicheit met ernste bat
Mire vrouwen ver Redenen dat,
Dat si haerre dochter lene
Jegen Venuse, die al rene
[2885]
2925 Die rosen plucte entie blade ;
Ende Redene die wart dies te rade,
Dat si Reinicheiden belle
Gerne ende vriendeleke dede,
Ende leende hare in goeder trouwen
2930 Scamelheden haerre joncfrouwen. [2890]
C. fol. 17 d. 18. a. h.
Dus sijn bewacht van desen drien
Die rosen, dat en mach messcien 2
Niemen goet, en sie bi hen.
Ic hadde op een groet gewen
2935 Geweest van minnen ende al toebracht, [2895]
En hadde mi daer niet gewacht
Die drie die daer waren hoede ;
Want die welgeraecte goede
Suete Ontfaen hi pijnde gnoech
2940 Mi te doene mijn gevoech.
[29G01
Dicke so woudic narre gaen
Aldaer ic dien cnop sach staen,
Ende hi gafs mi orlof wel,
Omdat hi waende dat ic niet el
2945 En woude hebben daer ter stat
[2905]
Dan allene een groene blat,
Dat den cnoppe stoet beneven,
Dat hi mi vriendelike heft gegeven
Orlof, dat ict plucken mach,
2950 Om dies ict so sere besach ;
[2910]
Ende pensede dat ict hadde vercoren
Diest hem was so bi geboren. 3
Doe plucte hijt selve ende gaft mi,
Daer ic sere af vervroude mi bi.
2955
Van dien blade dat hi mi gaf
[2915]
Quam mi grote bliscap af,
So dat mi dochte in minen wane,
Dat ic wel was met Suete Ontfane.
Doe maectic therte ende seide hem hoe,
2960 Hoe mi die Minne spade ende vroe [2920]
2901 E. beet altoes s. t. 3 E dochter Redene der rauwen. 4 Die wijsdoms adde verlouwen. 5 die hiet. 6 haetelijc es. 7 Dat R.
noyt b. h. ne 1. 8 Danne doe soene eerst sach.
9 Ende van haer g. waert S. 10 D. nu verre.
A. loep. 11 Als S dus waert g. 13 Ende
meestresse v. b. 14 onbesceeden. 15 Gheassalgiert. 17 Ende wel hulpen adde n. 17 haer
al den d. 18 Rosen ende knoppen sonder verdrach. 19 Dat haer niet behaghede wale. 20
Dat soere verloes so vele ten male. 21 Reinichede
met neerenste b. 22 Vrauwe Redene die niet
es lat. 23 Hare d. hare te 1. 24 die al beghene. 25 metten b. 26 E. R. waert doe t. r.
28 G. vriendelijc d. 29 E. 1. haer doe met t.
30 Scamelhede die scone j. 31 ghewacht. 31
Die r. dat goet ghescien A. den r. 33 N. ne mach.
34 Ic adde ghesijn up een goet g. 35 V. m. e.
wel daer an b. 36 Ne adden. 38 W. Scone
Ontfaen die g. 39 Hi p. hem dies g 40 Te
vulbringhene sijn g. 41 Dicken wasic in den
wille bevaen. 42 Den knoppe bet naerre gaen.
43 Die hi mi jonste harde wel. 45 Plucken w.
al d. t. s. 48 Dies wildi mi orlof gheven.
49 Wel te plucken up then dach. 50 Om dat
icker so zeere an sach. 52 Hi ghinc selve doe
voren. 53 Ende p. een blat dat hi. 54 Mi
gaf daer ic zeere verblijdde bi. 55 Alsic ontfaen
adde dblat. 56 Addic soe g. b. na dat. 57
Dat mi wel d. sonder– waen. 58 Jonstich
wesen Scone Ontfaen. 59 Ic verboude mi e. s.
doe. 60 de.
Rend la force inutile et les lois sans pouvoir ;
Toi pour qui dans le Mans le laboureur moissonne,
Pour qui naissent It Caen tous les fruits de l'automne.
Die rosen, dat en mach ghescien.
en verg. Rose, I. 93, 2876:
Or sunt as Roses garder troi,
Por ce que nus, sans for otroi,
Ne rose ne bouton n'emport.
3 Rose, I. 94, 2887:
Por ce qu
cuide que g'el voille,
A-il coillie une vert foille
Lez le bouton, qu' it m' a donnee,
1 Rose, I. 93, 2856 :
Et ses peres ot non Mesfez,
Qui est si hidous et si lez,
C'onques o lui Raison ne jut,
Mes du veoir Honte concut.
4
Lees met C.:
Por ce que pres ot estd nee.
48
A. fol. 14. d.--15. b.
Hadde gewont int herte binnen.
mine can gemerken no versinnen,
Hoe ict u, here, geseggen sal,
Want bolchdi u, so haddic al
[2925]
2965 Verloren beide troest ende raet
Ende daer mijn leven recht al an staet."
,Segt uwen wille, gine moech mi
Niet lichte erren so wat dat si."
— „Here," seidic weder doe,
2970 ffNu geraedter mi selve toe.
[2930]
Minne quelt mi tallen stonden
Ende heft mi vif sware doetwonden
Diepe gescoten in mire herten.
Ine mach van mire sware smerten
[2935]
2975 Nemmermeer wale genesen,
En moet biden cnope wesen,
Die gewassen staet so scone.
Geften mi te minen lone,
Want hijs mijn leven ende mijn doet :
2980 Hi mach mi bringen uut alre noet. " [2940]
Doe wart Suete Ontfaen versaget
Ende seide : „Vrient, al dat gi jaget
En mach gescien nemmere.
Wat, wildi nemen mie mijn ere ?
29'85 Gi hadt mi wel te scerne gedreven, [2945]
Woudic u minen, rosenknop geven,
Die so scone gewassen steet.
Nenic, hi es u ongereet :
Van uwen eysche siedi vilain ! 1
2990 Laet staen den cnop op sijn plain : [2950]
Hi sal betren ende wassen.
Ine woude om al tgoet van Sassen,
Al ware dies oec noch alse vele,
C. fol. 18. b. – d.
Dat ic liete plucken van sinen stele
2995 Dor enegen man den sconen cnop. " [2955]
Mettien stont die dorpre op,
Dangier, van daer hi gedect
Lach ende onder tgars gestrect.
Iii was lelic ende harde fel
3000 Ende vol runchen al sijn vel ;
[2960]
Sijn ogen blakende alse een vier.
Nie en sach so haettelic dier
Man, no so lelic daer mede.
Hi quam springende op die stede
3005 Alse een die es ute sinen sinne,
[2965]
Ende hi riep lude ten beginne :
n Suete Ontfaen, twi bringedi hier
Desen vassael in dit rosier ?
Sekerlike gi daet quaet,
3010 Want hi na uwen lachter staet.
[2970]
Ondanc hebt dat gijt dacht,
Dat gine noit hier binnen bracht.
Hi heft u wel sinen art getoent :
Die dorper dient na dorper loent. 2
3015 Gi wanet hem alle hovesschede [2975]
Ghedaen hebben ende lieve mede,
Hi dede u contrarie al.
Vliet wech, vassael, ochte ic sal
U lachter doen wel groten saen.
3020 Qualike so kinde u Suete Ontfaen, [2980]
Doe hi u sinen dienst so boet.
Gi daedt scalcheit harde groet,
Dat gi hem socht selke stucken ane,
Die hem inne stoeden tanegane :
3025 Hine darf u meer getrouwen niet ; [2985]
Nu maect u henen ende vliet !"
2961 Ghewout adde. 62 In mochte nemmermer v. 63 Te verzegghene mijn mesval. 64
W. vergramedi. 65 V. dat mi toe bestaet. 66
Ghi sijt mijn troest mijn toeverlaet. 67 Scone
Ontfaen seide te mi. 68 Niet ne soude vergrammen mi. 69 Maer seide minen wille hi hoerde
toe. 70 Heere so gheraet mi selve sprat ic doe.
71 Want mi pijnt t. s. 72 Die - Minne ende
heeft mi wonde. 73 Vive g. in mijn herte.
74 Dies ic doghe s. smerte. 75 Ende nemmermee wane g. 76 moete b. knop. 78 Uheeftene mi
dat hu God 1. 79 Hets m. 1. hets mine d. 80
Ende dat m. b. mach uter n. 81 Scone 0. w. doe.
82 Hi s. v. dat g. vraghet. 83 Ne m. hu g.
nemmermere. 84 Ghi wilt mi n. m. c. 86
Addic hu m. sconen knop ghegheven. 88 Neen
hi es hu wel o. 89 Van dat ghi heescht dincti
mi v. 91 H. s. noch b 92 In wilde. 93 Al
waers n. also v. 94 D. icken p. liete van der
stede. 95 Hof e. m. dien s. c. 96 spranc. 97
hi lath ghestrect. 98 Ende up dat gras ghedect.
99 H. w. vreesenlijc e. f. 3000 Vul rompelen
was s. v. 1. Sine o. berneden als. 2 Nie sach
man. 3 Hi quam lopende met haesticheden. 4
Al s. daer ter s. 5 Als die sceen u s. s. 6 Lude
riep hi t. b. 7 Scone 0. t. brincstu h. 8 vergier.
11 0. hebbi. d. hijt ghedachte. 12 Ende ghi
dat ghine haer brachtet. A. gijt. 13 wel ontbr.
14 hi loent. 15 able ontbr. 16 Hebben ghedaen e. eere m. A. live. Vs. 3317 en 18 zijn bij
A andersom geplaatst, dock met een a en b
voorzien. 17 Ne waer hi es hu c. a. 18 V.
henen v. of. 19 U groeten lachtre d. s. 20 Q.
kennedi Scone 0. 21 Die hu s. d. dede ende omboet. 22 Ghi sijt een scale dit weet bloet. 23
D. g. sulke dine dorst bestane. 24 Hem te vraghene om ane te vane. 25 Den knop, hine dar
hu betrauwen niet. 26 Ne waer maect hu wech e. v.
I Rose, I. 95, 2927:
Vilains estes du demander.
2 Rose, I. 96, 2944:
Qui felon sert, itant en a.
Bij Chaucer, 233. b:
Who serveth a felon is evil quitte.
49
A. fol. 15 b. c.
Ine dorste niet langer bliven daer
Dor den dorper fel ende swaer,
Die mi dede, hoe ict verdrage,
30:30 Met vresen springen over -die hage, [2990]
Ende met ancsten harde greet ;
Ende die dorper knicte thoet,
Ende seide : quamic weder daer
Hi soude mi pine doen so swaer,
3035 Dat ic mijn leven soude laten. [2995]
Doe moestic wech vlien mire straten,
Ende Suete Ontfaen es oec gevloen ;
Ende ic, diene en wiste wat doen,
Sach wel dat ic was verloren. ,
[3000]
3040 Mi ginc ane rouwe 'ende toren,
Daer toe droefheit ende menich seer ;
Nochtanne deerde mire herten meer,
Dat ic liden en mochte die hage.
Niemen en kint vernoi ende plage
30 45 Dan die gone die dragen minne [3005]
Met trouwen ende met gestaden sinne ;
Sie kinnen ongemac ende quale.
Die God van Minnen heeft hem wale
Jegen mi gequijt van dien,
3050 Dat mi van min soude gescien,
[3010]
Die mi geloefde vernoi ende pine
Ende daerin dickent te sine.
En mochte herpensen engene herte
Die sware pine ende die smerte,
3055 Die mi nacht ende dach quam. op, [3015]
Alse ic pensede om dien chop,
Daer mijn herte ane was gespert,
Ende mi so sere nu ontvert.
Ic was so lange in deser gedachte,
3060 Dat ic wel na al mine crachte
[3020]
Verloren hadde van groten rouwe.
Doe dat sach die edele vrouwe,
C. fol. 18 d.-19 a.
Die sat up hare hoge sale,
Quam si neder te mi daer tale,
3065 Alse die mijns nine woude vergeten. [3025]
Redene was dese vrouwe geheten,
Te jonc no tout sone was si,
Te lane no te tort daerbi ;
Hare ogen lichten olienbaer
3070 Alse ene kerse die seinen heft claer ; [3030]
Op hare hoeft stoet haere een crone,
Die was utermaten scone ;
An hare gelaet, an hare anscouwen
Geleec si wel ere hoger vrouwen.
3075 God selve maketse int paradijs,
[3035]
Want Nature in gere wijs
En can so scone were geraken
Noch so wel bi compasse maken ;
Want God maketse na sine gelike,
3080 Ende gaf hare in erterike
[3040]
Al selc herscap, dat si den man
Van dompheiden doen hoeden can
Ende van alien dorperheiden,
Die geloeft ane haere wijsheden.
3085
Redene sprat mi ane ende seide : [3045]
Vrient, gi hebt mi grote kintsheide
Ende doerheit greet bestaen,
Dat gi so verre sijt gegaen
Ende so diepe in dat vergier,
3090 Dat Deduut dede planten bier,
[3050]
Daer of dien slotel Ledichede
Draget, die u twiket ontdede.
Hi hevet u doer ende sere bedrogen :
Minne en hadde u deren ynoegen,
3095 En hadde Ledicheit gedaen,'
[3055]
Al eest dat gi hebt bestaen
Docrheit te done, wilse laten ;
Ane minne en leit twent ure baten,
3027 Ic ne d. n. langhe merren d. 28 D. d.
dorpre die mi was s. 29 Hi dede mi. 30 Met vresen ontbr. 31 Met anxenen ende vreesen groert.
32 Die dorpere hi nichede doe t. 34. H. s m,
doen sulken vaer. 35. D. icker tleven s. . 36. Dus m.
vlien m. s. 37 E. Scone 0. es mi ontvloen. 38 Doe ne
wistic niet w. d. 39 Mi quam ane rauwe ende toren.
40 Ic sach dat spel al verloren. 41 Ic droevede so lane
so meere. 42 Nochtan was mi te m. h. zeere.
43 Voer alle dine tsceeden uter h. 44 v. no p.
45 Danne hi die draghet m. 46 Int herte m. g. s.
47 Si k. der Minnen q. 48 D. G. v. M. seide
mi w. 49 Dat mi van minnen soude ghescien.
50 Nu weetic te hant van dien. 51 Hi belovede
mi 52 Daer mi dicken in staet t. s. 53 peinsen
gheene. 54 Wat pinen ende wat smerten. 55 Den
minnere dicken comt up. 56 Alsic weder p. o.
den c. 57 D. mi therte up es g. 58 Dat hi m.
s. s. es o. 59 Ende 1. stont in dien g. 61 Adde
verloren. 62 Sach ic dat eene scone v. 68 Gheleghen lach up een scone s. 64 Die neder quam
t. ro. te dale. 65 Ende m. niet wilde v. 60 die.
67 te hout was si. 68 No. t 1, no t. c. verstaet
mi. 70 die scijnt dare. 71 Up thovet adde see
eene c. 72 D. rikenlijc was ende s. 73 An haee
g. int anescouwen. 73 Sceen soe w. eene hoghr
vrouwe. 75 selve ontbr. 77 ghemaken. 78 No bi
c. so wel gheraken. 79 God hi m. s. g. 80 erterike. 81 Sulc eerscap. 82 V. dulheden ghewachten c. 83 alre. 84 an h. wyshede. 85 an. 86 g.
h. g. dulheide. 87 Dat weet wel alhier b. 89 Sonder gheleide in dit v. 90 D. D. makede alhier.
91 Ende daer den s. L. 92 Of d. 93 Soe h. hu
zeere b. 94 M. ne adde u niet doen m 94 Ne
adde. 96 Maer al eist d. g. b. 97 Hebt zoetheit,
wildise noch 1. 98 Ende minnen dat u comt te b.
1 Rose, I. 98,2999:
Car Nature ne seust pas.
Ovre faire de tel compas.
4
50
A, fol. 15 c. d.
Maer u vernoi ende u torment ;
[306(1]
3100 Begef die minne, eer gi onsent Sekerleke, dat es mijn raet,
Want Dangier es fel ende quaet,
Hi sal sere op u orlogen ;
Ende al mochti hem gedogen,
[3"65]
3105 Scamelheit, die mijn dochter es, Ane hare gaets meest, sijt seker des ;
Si hoet die rosen ende bewart,
Ende Quade Tongen, die nine spart ,
Es met hen ende doet oec wachte,
[3070]
3110 Die bi dage ende bi nachte
Vertrect die dine, eer si gesciet,
Te hondert staden, dan laten si niet.
Bepenst u wel in uwen moet,
Wat u minne algader doet
[3075]
3115 Vernoi, toren ende leet. Wie wetter minnen omgeet,
Hi moet van hare sijn gepijnt,
So dat hem ane sijn leven scijnt.
Gi hebbes te done openbare
[3080]
3120 Jegen felle lieden ende sware.
Nu siet welt u beter si
So haten ende geloven mi,
So te blivene in u pine,
Daer u lange in staet te sine :
[3085]
3125 Dit es tevel dat heet Minne, Daer alle sotheit es inne.
En es clerc, weet voer waer,
So vroet, wil hi minnen volghen naer, 2
C. fol. 19. b. c.
Hine werter mede in dole
3130 Ende verlieset al sine stole. [3090]
Es een van andren ambachte iet,
Minne en lates hem plagen niet.
En woent eremite in woestine,
Die ducht alsoe sware pine
3135 Alse die gone die draget minne [3095]
Met trouwen ende met gestaden sinne.
Groet es tvernoi dat is meine,
Ende die bliscap die es cleine ;
Van der joien es tort die ure,
3140 Nochtanne so eist ene avonture [3100]
Ochtenen ter joien comen can.
Ic hebbe vernomen menichen man,
Die pijnde al sijn leven lane,
Hine hads noit noch joie noch danc.
3145 Gine wout minen raet niet kinnen, [3105]
Doe gi uwen God van Minnen
Gelovet te doene al sijn gebot ;
Sekerlike, doe waerdi sot.
Gi hadt die sotheit saen genomen,
[3110]
3150 Maer vroetheit es in dane comen. 3
Laet die minne hene varen,
Die u torment al sonder sparen ;
Anders doedi dompheit groet,
Want si u quellen sal ter doet.
3155 Neemt den breidel metten tanden [3115]
Ende u herte met beiden handen,
Ende wederstaet met crachte
U gepens ende u gedachte.
3099 Begheven der minnen die hu sent. 3100
Niet dan vernoy ende groet torment. 1 Dat ware
hu dat verstaet. 2 Tbeste D. 4 Diet qualike can g
5 dat. 6 sijts ghewes. 7 Soe es die de r. mede
b. 8 niet en. 9 Doet oec mede die w. 10 Beede
bi d. 11 Ende vertrecket de d. A. dinct. Te
uwer scaden, dies hi ne laet n. 13 B. hu w. het es
hu goet. 14 Wat hu die m. 15 Int herte v. t. e.
1. 16 Hem diere mede ommegheet. 17 H. m. zeere
s. g. 18 So ontbr. 19 Ne hebbets niet onmare.
20 Ghi hebbet j. f. liede s. 21 Nu besiet hu
wel ende gheloevet mi. 22 So laten so doen welt
beter si. 23 Ende t. b. i. huwe p. 26 D. a. zoetheit
es i. A. D. a s. en es waer 27 A. Dat es sekerke
waer. 28 A. Es een clerc dats openbaer. 29 Dat hire
sal warden met i.d. 30 Datti verliesen.
moet s. s. A. verliesen. 31 Es e. man van a. i. 33 En
levet hermite in wostinen. 34 D doghet zo s. p. 36
Int herte m. g. s. 37 G. e. t. ende tlanghe wenen.
38 die arde clenen. 39 Van der minnen es
die te sure. 30 Menighen wert, nochtan eist
a. 41 Do men t. j. ghecomen c. 42 Ic hebt
ghezien van m. m. 43 D pine adde s. 1. 1.
44 Ende noyt j. adde no d. 45 Wildi mi gheloven ende bekinnen. 46 den G. 47 Belovede
t. d. s. g. 48 Doe waerdi dul ende zeere s.
49 G. hebt zodheit an g. 50 M. vroescap es
int of c. 51 henen. 52 D. hu zeere pijnt te
waren. 53 Ne doedijs niet hets zotheit g. 53 Quellen salsoe hu toter d. 57 crachten. 58 Hu ghepeins met coenen g. 59 Hine dochte mi noyt
wesen vroet.
I Rose, I. 99, 3038:
essaier ;
Tu ne l'as mie
Et de Dangier noient ne monte
Envers que de ma fine Honte,
Qui les rosiers desfent et garde.
2 Lees vs. 27 en 28 aldus met C, daar de
lezing van A. volstrekt geen zin oplevert.
Rose, I. 99, 3053:
C'est li maus qui Amors a non,
012 it n'a se folie non ;
Folie! se m'aist Diex, voire.
Homs qui aime ne puet bien faire,
N'a nul preu de ce mont entendre,
ST est clers, it pert son aprendre.
3 Rose, I. 100, 3073:
La folie fu tost emprise,
Mes d l'issir a grant mestrise.
maar er is wijsheid in om er weer uit
d.
te komen.
51
A. fol. 15 d.-16 a.
Die altoes raet van herten doet,
3160 Hi en was noit wijs no vroet." I [3120]
Doe ic mi Redene castien horde,
Antwordic hare met erren worde,
Ende seide: ,Vrouwe wel geda en,
Dore God latet u castien staen;
3165 Gi segt dat ic die minne late,
[3125]
Bi Gode, dat ware grote ommate,
Dadic valscheit minen here,
Die mi gedaen heeft so grote ere,
Dat ickene custe ende wart sijn man:
3170 En waric verradere dan? [3130]
Bi Gode, ic ware mi liever doet,
Dan mi die God in valscheit groet
Betrapen mochte ochte rasteren. 2
Ic wille mijn herte daertoe keren,
3175 Dat ic in diode van minen dagen [3135]
Mi sal beloven ochte clagen 3
Van minnen, die mi therte ontiet;
Die nli castiet doet mi verdriet."
Mettien es Redene van mi gekeert,
318)) Die wel siet wat si mi leert
[3140]
Dat en besciet no min no mere.
Doe blevic staende in minen sere
Wenendc al vol beide mijn ogen.
Pine, rouwe ende groet dogen
3185 Ginc mi over harde onsachte, [3145]
So lange dat ic mi bedachte,
Dat mi seide die God van Minnen,
Dat ic soude kiesen ende gewinnen
Enen vrient, goet ende getrouwe,
3190 Dien ic ontecte al minen rouwe [3150]
Van mire minnen ende al die saken ;
C. fol. 19 b.* -d.
Hi soude mi sonder twifel maken
Mindre vele mine serichede.
Doe bepensedic mi tiere stede
3195 Dat ic noch hadde enen vrient,
[3155]
Die mi te trouwen hadde gedient:
Amijs so was geheten die;
Betren geselle en sagic nie
Noel ' getrouwer sekerlike.
3200 Te hem so gingic haestelike
[3160]
Ende vertelde hem al mijn leet,
Ende hoe dat mi van minnen steet.
Ic clagede hem sere over Dangiere,
Die mi jagede uten rosiere,
3205 Ende van mi vlien dede Sueten Onfane, [3165]
Daer algader mijn troest leide ane,
Omdat hi mi spreken sach
Jegen heme. Quaden dach
Nloete hem geven God onse here !
3210 Hi dreigede mi utermaten sere,
[3170]
Ende seide: ic sout diere becopen,
Mochte hi mi daer meer belopen,
Ende swoer bi desen ende biden goners,
Ic en maecte mi volleke henen,
3215 Hi sonde mi te stucken slaen:
[3175]
Doene durstic daer niet langer staen.
Doe Amijs die waerheit wiste
Hoe dat mijn herte was in twiste,
Seide hi: ll Geselle, vrient, nu siet,
[3180]
3220 Hier omme sone bedrovet niet. Ic kenne alt?gader Dangiere
Ende sine seden ende sine maniere,
Ende hebbene lange tut gekint.
Wanneer te minne een begint,
3160 Die den raet ziere herten al doet. 61
Alsic m. R. dus c. houde. (:2 A. met fellen
w. 63 Hare ende s. 64 Dor G. laet hu 65
G. heet mi d. i. de m. 1. 66 dat dochte mi
o. Os hevet die heere. 69 icken. 70 Ne w. niet
een verrader d. A. Ende. 72 Dan ic dede die
valschet. 73 Hem, die mi m. hier na r. 74 Den
God ende In. h. d. k. 75 Ic wille zijn belof
tallen d. 76 Houden, dat hi hem niet dar beclaghen. 77 V. m. d. hem daer of castiet. 78
Doet miere herten groet v. 79 Redene ontbr.
80 Redene die mi adde gheleert. 81 Die wel
ziet dat m. n. m. 82 Ne bescoot wat zo mi
leere. 83 Ende ic bleef daer in groten doghen.
84 Staende met weenenden oghen. 85 Peinsende
alsoe o. 86 ic ontbr. 87 de. 88 Hoe ic kiesen
zoude e. g. 90. D. i. ondecken m. r. 93 Vele
quite miere zeericheden. 94 D. bepeinsdic mi tier
steden. 95 een v. 96 Die mi met t. A. Te mi.
98 ne zaeghdi. 99 No 3200 so ontbr. 1 verteldem. 8 Ic claghedem o. D. 4 uten dangiere. 5 E.
v m. jaghede Scone Ontfane. A tonfane. 6
Daer al m. t. es a. A Diere. 7 Omme d. h. m.
s mach. 8 hem. 9 Moet h. g. onse heer6 God,
10 111 dreechde mi zeere die zod. 11 E, s.
i. s. emmer b. 12 Mochti mi noch daer in b.
13 Hi s. 14 In m. mi wech sonder versconen.
16 Dus moestic van danen gaen. 18 dat ontbr.
19 Seide lieve ghezelle n. s. 20 H. o. ne bederft u n. 21 al te wel. 22 Ende ontbr., manieren. 23 Hebic langen t. bekint. 24 Welken
tijt een t m. b.
I Rose, I. 100, 3083:
Qui touter hores son cuer croit,
Ne puet estre qu'il ne foloit.
2 Rose, I. 101, 3102:
Ge vodroie morir aincois
Qu'Amors m'eust de faussete
Ne de traison area
Areter, beschuldigen, is door onzen dichter
zeker tot rasteren verknoeid, dat mij elders niet
is voorgekomen.
3 Rose, I. 101, 3105:
Ge me voil loer ou blasmer,
Au darrenier, de bien amer.
52
A. fol. 16 a. c.
3225 So es hi wreet ende dreiget sere [3185]
Dien hi narnaels doet al ere :
Van heme sone versaget u niet.
Ic kinne Dangiere wel wies hi pliet :
Fel te sine dat es sijn art ;
3230 Al hebbedine vonden fel tuwart, [3190]
Hi sal in dinde noch wesen sachte;
Ic hebs geproeft, want ickene brachte
Met sueter talen ondervoet.
Geselle, ic rade u wat gi doet :
3235 Gaet te heme ende soect genaden, [3195]
Ende bidt heme dat hi uwe mesdaden
Wille vergeven, lude ende stille.
Gi en doet jegen sinen wille
Nemmermeer negene sake
[3200]
3240 Dit souden houden te gemake
Ende sire herten wale behagen ;
Men moeten smeken ende clagen." i
Amijs troeste mi so wale,
Dat hi mi therte gaf te male
3245 Ende die coenheit, dat ic gins sciere [3205]
Weder tote dien vilan Dangiere
Besien ochte ic in enichen saken
Jegen hem minen pais mochte maken.
Te Dangiere quam ic gegaen
3250 Blodelike ende sere ontaen,
[3210]
Als een die sinen pais begerde.
Omdat hi tirst also geberde,
Ende hi mi dreigede met swaren slagen,
En dorstic liden niet die hage.
3255 Ic vanten staende op sine been ;
[3215]
Ic segge u wale dat hi sceen
Harde fel ende vol van tome ;
C. fol. 20 a.—b.
Ene lange colve van enen dome 2
Hilt die dorper in sine hant.
3260 Te heme so gingic altehant
[3220]
Emmer al siende nederwart,
So sere wasic van hem vervart.
Ic seide : ,, Here, .Febbet mijns genaden,
Ic come u te beterne mine mesdaden,
3265 Want ic u houde over mijn here. [3225
Mi deert utermaten sere,
Dat ic u nie maecte erre ;
Ic woudic C. milen verre
Hadde geweest doe ict dede.
3270 Nu bem ic op genadichede [3230]
Comen, alst die tuwen wille
Betren wilt, lude ende stille.
Sonder twifel het dede mi minne,
Die vaste leget in minen sinne.
[3235]
3275 Nemmerme sone gesciet mi
Enichge sake, here, daer gi
U moeget op mi belgen iet.
Ic sal eer dogen swaer verdriet,
Eer ic aneverde enege sake,
8280 Daer ic u mede doe tongemake. [3240]
Lieve here, nu biddic u,
Dat gi mi wilt vergeven nu
Dat ic jegen u mesdede,
Ende uwen evelmoet daermede. 38285 Ic swere u dat ic nemmermeer [3245]
Ane u en soeke wane no keer,
No dine en doe nacht ende dach,
Daer ic u met verbelgen mach.
Hebt ontfarmnesse to mi,
[3250]
3290 Here, ende dat u wille si, 3226 groet e. 27 V. hem ne v. 28 I. k. wel w. h.
gherne p. 29 Hi es ende dats al s. a. 30 A. hebdine
wreet v. t. 3 1 H. s. hem noch wel sachten 32 Want
icne eens tonderbrachte. 33 tale al daer hi stoet. 34
G. weet w. g. d 35 hem e bidt ghenade. 36 hem
van huwen m. 37 Verghevenesse eist 1. eist s. 38
Ende niet te doene j. s. w. A. jegen hem s. w. 39
Nemmermee met gheenen zaken 40 D salne te hant
sachte maken. 4 2 Dus moetti. 44 D. ic te mire herten al t. m. 45 Wederquam ende g. s. A. dien ic g.
s. 4ts Toten quade.: v. D. 47 Om te besiene of ic met
eenigher spraken. 48 Minen p. jeghen hem conste m. A. sinen p. 49 Tote. 51 een ontbr. 52
teerst a. mesberde. 53 E. mi d. van groten s.
54 Ne d. niet wel 1. de haghen. 55 Doch vant
ickene up sijn b. A. vante 56 Staende die fel
ende putertiere sceen. 57 Hi beet sine tande van
toorne. 58 E. colve v. finen d. 59 Adde. 60 Te hem
g. doe te hant. 6 I . E. thoghe hebbende them waert.
63 Here ontbr., ghenade. 64 Ic wil beteren mijn mesdade 65 Ende hu houden o. minen h. 66 Mi es leet
ende rauwet s. 67 noyt. 68 wildi.:. 70 hier up g. 71
Tote hu c. als die w. 72 Beteringhe doen sonder
ghescille. 73 Want het mi d. de m. 74 Leit in minnen z. 75 Nemmermeer ne ghevalt mi. 76 Dor take
ne gheene daer ghi. A. bi. 77 Om belghen moghet
`Hats ghesciet. 78 liever d. mijn v. 79 Dan ic hu met
eenighen zaken. 80 Belghen dade oft. 82 A. seggen.
,83 D. i. achterst j. u. m. 84 Sonder e to hebbene m. 85 I. s. hu d. i nemmermere. A. Ic
s. d. ic u n. 86 versouke lozen keere. 87 Daert
hu to deeren comen mach. 88 Noch oec jeghen
hu zijn nacht no dach. 89 Nu h. ontfarmichede
t. m. 90 Ende bidde mede d. u. w. s.
I Rose, I. 103, 3153:
Et li metes bien en convent
Que james des or en avant
Ne feres riens qui li desplese,
Qui bien le chue et le blandist.
2 Rose, I. 103, 3168:
En sa main un baston d'espine.
8 Rose, I. 104, 3182:
Or vous requier que vous aies
Merci de moi, et apaies
Vostre ire qui trop m'espoente.
53
A. fol. 16 c.—d.
Dat ic met staden sinne
Dragen mach gerechte minne,
Beide int herte ende inden moet :
An u en genic ander goet."
3295 Wat ic Dangiere vleude ende bat, [3255]
Mi te vergevene was hi lat,
Doch in dinde so seide hi
Met torten worden : „Wat dert mi,
Dat gi mi mint? mine roec. I
3300 Henne mach mi baten no deren oec, [3260]
In dien dat gi in alien tijt
Verre van minen rosen sijt,"
Ende ic die hage niet en lede, 2
Op dese vorwerde dede hi mine bede.
3305 Doe wasic vroe ende gine ter wart [3265]
Met haesten te minen geselle wart
Dies ic niet en hadde vergeten,
Die Amijs was geheten,
Ende telde heme sonder sparen
3310 Hoe ic met Dangiere hadde gevaren. [3270]
Hi was blide er de wel te gemake
Ende seide : „Nu gaet wel u sake ;
Noch sal hi wesen goedertieren.
Alse hi u sine felle manieren
3315 Heft getoent, sal hem ontfarmen [3275]
Beide u suchten ende carmen.
Nu seldi beiden en gedogen,
Dat gine in betren poente selt moegen
Betrapen. Ic hebbe lange gekint,
3020 Datmen met dogene den fellenverwint.3 " [3280]
Sere so troest mi Amijs
C. fol. 20 b.—d
Ende conforteerd in alre wijs.
Doe nam ic orlof an hem mettien,
Ende gine ter hagen ochtic mochte sien
3325 Den cnop, die mi dede so wee,
[3285]
Sint ics ne mochte vercrigen mee.
Dangier hi nam dicke warde,
Och ic hem hilde sine vorwarde.
In dorsten verbelgen niet een twent;
3330 Ic helt hem vaste sijn convent
[3290]
Ende dede al dat hi geboet.
Hi sach mi dicke in groter noet,
Ende dicke wenen ende clagen,
Ende crupen dicke bider hagen,
3335 Die ic nine dorste overliden.
[3295]
Dit hardic also lange tiden,
Dat hi wel sach an mijn gelaet,
Dat ic en jagede en geen baraet,
Ende dat mi minne grote pine dede ;
[3300]
3340 Nochtan heft hi so fellen sede,
Dat hi en gewerde niet
Mi te sachtene mijn verdriet.
Alse ic dus stoet in desen lede,
Quam te mi vrouwe Edelhede, 4
[3305]
3345 Ende Ontfarmicheit met hare,
Daer ic ane wart geware,
Dat si mi gerne holpen beide.
Die tale begonste Edelheiden
Ende seide : „Dangier, gi hebt onrecht,
[3310]
3350 Dat gi desen armen knecht Aldus hout in dit torment;
In hem ne sie ic mesdaet twent.
3291 ghestaden. 92 moete. 93 Die mi int herte
wee doet. 94 Van hu beghecric el gheen g.
95 fleeude. 97 ten leste. 98 In c. w. W. d mi.
A. W. d. di. 99 Wat ghi minnet. A. D gi mi
m. 3300 En m. m. b. n. scaden o. 1 in ontbr.
2 V. ghenouch v. onsen r. s. 3 in de h. 4 mijn.
6 Met haesten ontbr. 7 Dien ic niet adde v.
8 Amijs was hi g. 9 Ic teldem al s. s. 11 H.
w. b. omme die zaken. 12 N. g. met ghemake.
13 Hi sal nu w. goedertiere. 14 Al heefti hu s.
f. maniere. 15 Ghetoghet hem s. o. 16 Uwe s.
ende huwe c. 17 N. s. daer na haken ende po-
ghen. A. ende u gedogen 19 Vinden ende men
seit hets waer bekint. 20 D. den f. met dogheden v. 21 trooste. 22 conferteerde. 23 an hem ontbr.
24 haghe omme te s. 26 S. i. hebben m. nemmee.
A. en ontbr. 28 Of i. h. hilt. 29 I. dorstene v.
A. dors. 0 vast s. convint. 33 Hi hoerde mi w.
e. c. 34 E. dicken crupen. 35 Daer ic niet.
36 hoerdic arde langhen t. 37 So datti. 38 ne
gheen quaet. 39 E. d. mine g. p. d. 40 addi.
41 Datti niet ne g. mi 42 Te sochte m. v. hi.
48 Hedelheide. 50 1). g. dus d. arem k. 51 Hout
in dit zware t. 52 ne ontbr. A. no s.
I Rose, I. 105, 3208:
Se tu aimes, h moi qu'en chant ?
Ce ne me fait ne froit ne chaut.
De lezing van C is hier de ware.
2 De schrijver doet hier Dangier eensklaps met
zijn gesprek ophouden, en den minnaar verder
verhalen in den eersten persoon In het origineel gaat
Dangier zelf voort den minnaar aan te spreken.
Rose I, 105, 3210 :
Ades aime, mes que tu soies
Loing de mes roses toutes voies,
ne te porterai menaie,
Se tu james passes la haie.
3 De lezing bij A is de juiste. Verg. Rose, I.
105, 3227:
J'ai Bien esprove que l'en vaint
Par soffrir felon, et refraint.
4 Rose, I. 106, 3258:
Si cum j'Tstoie en ceste pene,
Atant ez-vos que Diex amene
Franchise et avec li Pitie
54
A. fol. 16 d.-17 a.
Ochten die minne minnen doet
Met crachte sijn herte ende sinen moet,
[3315]
3355 Iii Gode dat ware jamer groet,
Wouddine daer omme slaen ter doet.
Here Dangier, hens twent ure vromen,
Dat gi hebt up hem genomen
Orloge, omdat hi es u vrient,
3:360 Ende hi u altoes met trouwen dient. [3320]
Ochtene minne hout gevaen,
Dat hi haer niet en mach ontgaen,
Soudi u dies van hem beclagen?
Gi soudtene te rechte te meer verdragen
[3325]
3365 Dan enen fellen pautenier.
Het es hovesheit, Dangier,
Dat men secorse dies men es boven.
Wie soude die herte moegen loven,
Diemen met oetmoede niet en mach
3370 Vermoruwen doen en genen dach? 1 [3330]
Ontfarmicheit seide : ,Dat es waer,
En es engene dine so swaer,
En minderse wel oetmodicheit,
En doe dan ene felle quaetheit. 2
3375 Daeromme, Dangier, so biddic u, [3335]
Dat gi sneer orlogen nu
Noch quellen en wilt desen keytijf,
Die met pinen leidt al sijn lijf
Ende verslijt met dogene groet.
C. fol. 20 d.-21 a.
[3340]
3380 Hi hadde te swaren wederstoet, Doe gi hem naemt Suete Ontfane, 3
Daer sire herten troest leit ane.
Nu es hi doot ende al verloren,
Sint hi nemmeer mach horen
[3345]
3385 Van hem tale noch gewach,
Die te voren sijns wale plach.
Geduecht dat hi hem gracie doe,
Sint dat Edelheit al soe
Dat van u bidt ende ic daer mede. 4
3390 Die ons beiden ontseide ene bede, [3350]
Hi ware fel ende putertieren."
Doe wart Dangier goedertieren
Ende seide : ,Gi vrouwen, ine dar u niet
Dese dine ontseggen ; nu besiet:
[3355]
3395 Dunct u goet dat gescie, So willie dat hi die compaingie
Weder hebbe van Suetonfane,
Daer al sijn troest, segdi, leit ane."
Met desen es Edelheit vortgestreken,
3400 Die wel ende hovesscelike conste
spreken, [33601
Ten Suetonfane den jongen mass,
Dien si oetmoedelike sprat an,
Ende seide te heme : il Lieve kint,
Van den genen die u mint
3105 So siedi tsere vremt van heme; 5 [33651
3353 Of die m. hem m. d. 54 M. c, ende
hebben zwaren m. 55 het w. jammer 56 Soudine d o. s. te d. 57 ens gheene vrome. 58 up
h. hebt. 59 omme dat. 60 E. hu met t gherne d
61 Ofne die m. 62 Ende hi hare niet m. o. 63
S. hu d. A. u ontbr. 64 G. s. vele te mee v.
65 Met rechte dan eenen fellen ghier. 66 heere
D. 67 Datte soccoerse die es te b. 68 W. s.
dien danken m. of 1. 69 Die herte die men niet
oemedeghen en m. 70 Nochte verwinnen up g. d.
71 A. Ontfaermicheiden d. e. w. C. hets w. 72
gheene. 73 Men dwincse met oemoedicheden. 7 4
Daer omme sacht huwe felhede. 75 Heere D.
dies bidden wi u. 76 Ende nemmee ne stridet
nu. 77 No ne pinet d. k. 78 leet sijn 1. 79 Ende
niet bekinnen wilt sijn noet. 80 H. h. wel zwaere
pine groet. 81 Doe ghi van hem Scone 0. A.
Eer. 82 Verdrevet daer sijn t. lach a. A. Die. 83 Hem
dinct dat hi al es v. 8 t Dat hi ne spreken mach
no h. A. mah. 85 Die sijns te voren so wel
plach. 86 Ende sire herten troest an lach. 87
Laet hu ghenoeghen datti d. 8S Hem eenighe
ghenade spade ende vro. S9 Want wijs hu bidden beide. A. Dat si. 90 Ende niet ontsegghet
onse b. 91 Hi die f. was e putertiere. 92 Dangier waert doe goedertiere. 93 Hi seide te
hem ic ne d. hu n. 91 Ghewernen te doene dat
ghi ghebiet 95 Mi es lief dat hu wille g. 96
Van dat ghi begheerende sijt van mie. 97 Dat
hem in hulpen si Scone 0. 98 D. s. t. al leghet
a. 99 Mettien. A. Edellset. :3400 D. harde wel
c. s. 1 Te Scone Ontfane. 2 D. soe met scoenen
woerden s. a. 3 hem. 4 Ghi sijt van den gonen d.
hu m. 5 Arde vremde hoe moghedijt getemen.
' Rose, I. 108, 3295:
Moult a dur cueur qui n'amolie,
Quant it trove qui l'en suplie.
Rose, I. 108, 3298:
Engrestie vaint humilites ;
Et quant trop dure l'engrestie,
C'est felonnie et mavestie.
3 Bij A. verkeerdelijk : Eer, en in vs. 3382: Die.
Rose, I. 108, 3317:
it trait trop male penitence,
Ms-lors en ca clue l'acointance
Bel-Acueil li aves toloite.
4 Rose, I. 108, 3324 :
Puisque Franchise s'i acorde,
Et le vous prie et amoneste,
Ne refuses pas sa requeste.
Bij A. in vs. 3389 verkeerdelijk:
Dat si u.
5 De lezing van C. in vs. 3404-5 is boven
die van A. te verkiezen, welke zeer mat is. In
deze en de volgende verzen wijken beide teksten
belangrijk van elkander af,
55
A. fol. 17 a. b.
Hi es na doet, alse ict verneme :
So groet es sine serichede,
Omdat hi jegen u mesdede.
Nu penst om hem feeste te doene,
3410 Want Dangier en wart meer so coene, [3370]
Dat hi u set scelden ochte verspreken,
Ocht tonen van sinen fellen treken :
So hebben wine versproken beide,
Ic ende vrouwe Ontfaermichede ;
3415 Hi gelovede ons dat hi sal
[3375 J
Ons beiden laten gewerden al."
Suete Onfaen en sweech niet stille,
Mar seide : ,Gi vrouwen, uwen wille
Al te doene bem ic gereet,
3120 Sint dat Dangiere nine es leet,
[3380]
Ende hijt heeft georlovet mi,
Willie hem gerne wesen bi."
Suete Onfaen ten irsten male
Ontfinc mi vriendelike ende wale,
3425 Ende toende mi meerre Suethede [3385)
Dan hi noit te voren dede,
Ende nam mi metter hant al hier,
Ende leidde mi in dien rosier,
Daer mi Dangier hadde ute gejaget,
3430 Die nu swiget stille ende mi verdraget. [3390]
Ic hadde orlof nu te gane
Overal met Suetonfane :
Nu was ic comen in alre wijs
Uten der hillen int paradijs.
C. fol. 21 a. b.
3435 Doe ic quam al luttel bi
[3395]
Der rosen, so dochte mi,
Dat si gemeerret was een deel,
Daer si stoet in dat praieel,
Ende een deel was meer ontaen ;
3440 Maer niet en wasse so verre gegaen , [3400]
Datmen sien dat sadekin mochte,
Datter binnen, alse mi dochte,
In besloten lach al gadere
Tusschen die rosen ende die bladere. 1
3445 Si dochte mi vele scoenre wesen [3405]
Dan si mi hadde gedocht tote desen,
Ende roder vele ende bat gedaen,
Daer ic met vaster bleef gevaen
Van minnen ende gebonden meer
[3410 J
3450 Dan is was noit te voren eer.
Hare scoenheit mi altenen taende, 2
Ende minne geboet mi ende maende,
Dat ic hare scoenheit groet anesie,
So dat mi dochte dat ic nie
3455 So sconen rose en hadde gesien :
Groet solaes nam ic indien.
[3415]
So ic meer nam dat solaes, So mine herte meer viel op daes
Ende vaster inden strecke van minnen,
3460 Dat mi vine in alien sinner. 3
Dus blevic daer met Suetonfane,
[3420]
Daer ic grote geselscap ane
Vant ende minne, so dat mi dochte,
3406 Die wel na doet es als i. v. 7 Omme
dat hi jeghen hu mesdede. 8 Hevet hi groten
rauwe ende zeerichede. 9 Nu hout huwen pais
ende weest coene. 10 Dangler die felheit plach te
doene. A en ontbr. 11 Es ghesocht van sinen
fellen treken. 12 Hine sal hu nemmee scelden no
verspreken. A spreken. 13 W? i hebben sine vrecheit ghevelt bede. 14 I e. mijn v. A. Edelheide. 15 Hi hevet belovet te doene al. 16 Dat
ons beeden goet dincken sal. 17 Scone 0. ne
A. ende 18 Hi s. te hem : Huwen w. 19 Bern
ic ghereet te doene ende heet. 20 Om d. D. niet
nes 1. 21 Ende sine felheit es ghesacht al. 22
Willie doen dat hu goet dincken sal. 23 Scone
0. 24 0. m. na diere tale. 25 Die mi mee
vriendelichede. 26 Toechde danne hi t. v. d.
27 Hi n. m. bider h. sciere. 28 E. 1. m. doe in
den roziere. 29 D. ic hute wart g. 30 Van Dangiere diet al v. 31 Dus haddic o. te g. 32 In
den roziere m. Scone 0. 33 Ende was c. des
sijt w. 34 titer. 35 Ende alsic den rosen dus q.
bi. 36 Dochte mi die knop sonder si. 37 Ghemuerwet sijn e. d. 38 Die daer stont. 39 Die
so verre was o. 40 Datter ate mochte sien
gaen. 41 Dat zadekijn also mi dochte. 42 Dat
nature daer in brochte. A. Datter heme binnen
dochte. 43 Dat • betoken 1. te gadre. A Ende
b. 1. al die bladre gadere. On der bladre staan
stipjens. 44 T. den knoppe e. den b. 45 Dat mi
s. dochte w. 46 D. al dat ic voer d 47 Ghesien
hadde e. bet g. 48 Ende in therte meer b g.
49 V. m. danne te voren eer. 50 Dus pijnde
mi de minne zeer, Vs. 51 en 52 ontbr. 52 A.
waende. 53 Daer ic dat zadekijn sach ane. 54
Dat mi so scone van ghedane. 55 Dochte dat
ic noch ne sach nie. 56 So scone rose alse was
die. 57 Daer ic al an nam mijn solaes. 58
Ende dat herte mijn viel upt aes. 59 Dat doe
v. bleef v m. 60 Ghevaen midden int herte
binnen. 61 D. ghinc ic m. Scone 0. 62 Te siene
daer Anne bliscap ane. 63 So dat mi wel dat
d. A. so ontbr.
1 Vs. 3442 en 43 zijn bij A. geheel corrupt,
gelijk nit de varianten blijkt.
2 D. i. kwelde mij. Zie Kil op tanen, tenen,
irritare, het Ofr. atainer (Roquefort, Gloss. I. 102).
3 Rose, I. 111, 3386:
Et Amors plus et plus me lie,
Et tout ades estraint ses las,
Taut cum g'i of plus de solas.
56
A. fol. 17 b. c.
Dat icken wel iet bidden mochte. 1
dore genaden,
3465 Doe seidic :
Ic hebbe u gedient vroech ende spade,
Dore God wilt mi een cussen geven [3425]
Vander rosen, daer mijn leven
Ende mijn welvart al an staet;
3470 Maer jegen uwen onwille, dat verstaet,
Sone willies engeensens niet,
[3430]
Wat pinen mi daerna gesciet."
uVrient," seide daerna Suete Ontfaen,
Sekerleke ic sout doen saen,
3475 En duchtic Reinicheiden niet,
Dat sijs hare soude belgen iet;
Anders sonde ict u node wernen. [3435j
Si sonde mi scelden ende bescernen,
Mesdadic een twent jegen hare,
3480 Daer ic node jegen ware;
Want altoes verbiedt so mi,
[3440]
Dat minnere engeen ne si,
Dat ic een cussen hem orlove,
Want hi coemter met te hone.
3485 Diemen een vriendelec cussen geft,
Dat scoenste hi vander proien heft;
Want van dien dat daer es bleven [3445]
So heft men hem werder afgegeven;
Want die een cussen mach gecrigen,
3490 Selden so macht daer met bliven. 2
C. fol 21 b. c.
Doe ickene horde dus antworden
En dorsticne meer aneverden,
[3450]
ties ickene erre mochte maken.
Men sal te vele van ere saken
3495 Enen man niet bringen vort,
Daer hi mede mach sijn gestort,
[34551
Noch vele bidden jegen wille,
Hier bi so swegics stile
Ende pensede in mi selven wale,
3500 Dat die boem ten irsten male
Niet en valt alsemen sleet,
Noch oec die wijn nict en geet
[3460]
Al uten druven, hi en si
Al ute geperst, geloves mi.
3505 Alte lange hadde gemert
Dat cussen ende van mi gevert,
[3485]
Dat ic begerde, en hadde gedaen
Venus die vrouwe wel gedaen,
Die Gods moeder van Minnen,
3510 Die orloget in alien sinnen
Reinicheiden, om hulpe te sine
[3470]
Die van minnen dragen pine. Dese vrouwe hilt in hare hant
Al blakende enen groten brant,
3515 Daer si menichge yrouwe mede
Ontstac ende ontfuncken dede.
[3475]
Si was behagel ende jolijs ;
3464 D. ickene gherne minnen mochte. A. iet
ontbr. 65 Te hem s. h. dor g. 66 Hoe gherne
ic hu eene Bede dade. 67 In dien dat ghi
mi wilt g. 68 Dat ware I cussen so moetic I.
69 V. d. y. d. al an staet. 70 Mijn welvaren maer hoe soet gaet. 71 Jeghen huwen
73 V.
72 W. p. dat
wine ne begheerix
s. doe Scone 0. 74 Ic soude dat d. yonder wane.
75 Ne vruchte ic. 76 D. soes haer b. mochte i.
77 Ne ware dat is sout doen gherne. 78 Diet
mi lachtren soude e. b. 79 M. so vele. 80 D.
toe tiegghen oec w. 81 W. so vliet al te male
mi. 82 1). ne gheen minnere. 83 Dien ic eenich
c. doe bi o. A en c. 84 W. menre dicken bi
comt thone. 85 So wien dat men I c. ghevet.
86 Het es tscoenste . dat men ghevet. 87 W. alse
men dies wit gheven. 88 Orlof so eist selden
also bleven. 83 Datmen daer mede mach zwighen. 90 Men wile meer van dien ghecrighen.
A Want selden. 91 Als dus spreken hoerde.
92 Ne dorstic niet van eenen woerde. 93 Mee
ghewaghen van diere zaken 94 Of ickene gram
daer mede mochte maken. 95 Men ne sal n. b.
v. 96 Dinghen die men niet gherne hoert. A.
sijn ontbr. 97 No b. dat men niet w. 9 Q Gheven h. b. s. zwighic s. A. swigics. 3501 N. ne
wallet als men s. 2 No dat de w. 3 Al huten
trappen. 4 Nauwe u. g. 6 D. c. van mi ende
ontverret. 7 Ne weest ne h. g. 8 V. diere mi
halp aen. 9 van der m. 10 D. o. doe ic hu be
kinwin. 11 Reinichede ane ane in hulpen tsine.
12 Hem die. 13 in de h. 14 Eenen vierighen b.
15 dede. 16 Dat herte ontsteket ter stedo. 17 Soe
w. scone e. zeere j A. begagel.
I Rose, I. 111, 3393:
Et quant ge voi qu'il ne me vee
Ne son solas ne son servise,
Une chose li ai require,
Qui bien fait it amentevoir.
De vergelijking met het origineel leert dat de
lezing bij A. de ware is.
2 Rose, I. 112, 4013 (3413):
Car qui au baisier puet ataindre,
A poine puet a tant rcmaindre ;
Et sachies bien cui l'en otroie
Le baisier, gull a de la prole
Le miex et le plus avenant,
Si a erres du remenant.
d. hij heeft een handpenning (des arrhes) van
het overige. Waerder is bij Kil. nog : kenpenninck. Auctoramentum, arrha, arrhabo.
In de Rose van Francisque Michel is hier bij
de versverdeeling een font ingeslopen. Onze aanhaling is in den franschen tekst eigenlijk vs.
341 3 ; doch daar wij Michels uitgave volgen,
zullen wij ook de verkeerde verdeeling overnemen, doch de goede, zooals die bij Meon voorkomt, er bijvoegen.
57
Henne gebrachte te hovede niemen
Hoe cuichs, ho scone dat si was ; [34851
Ende in hare, geloeft mi das,
En was hovarde niet een twint.
3530 Si sprac ane Sucte Onfane dat kint
Ende seide : uLieve, nu segt mi,
Dore wat saken ende waerbi
[34901
Sidi den minnare also wreet,
Die hem aldus dore u versleet
3535 Om een cussen te gewinne ?
Hi es werdich wel te minne,
[31.951
Hi en es no valsch noch loes,
Maer getrouwe uwer minnen altoes
Ende gcreet al tuwen gebode.
3510 Hem ne soude niet sijn, bi Gode!
Een vriendelec cussen wedersegt.
Siet die scoenheit die ane hem legt ; [35001
Hi es wel wert dat menne minne.
En es vrouwe no borgravinne 2
3545 So hoge, sine mochte wel met eren
Al hare herte ane hem keren.
Hijs kinchs ende jonc van dagen, 3 [3505]
Datter mi ane best dunct bagen.
C. fol. 21 c-22 a.
Het dochte mi grote dorperheide,
3550 Datmen hem een cussen ontseide ;
Want hets ane heme wel bestaedt.
Sijn mont recht te cussene gaedt , [3510]
Hi heft den adem suete ende rene,
Sine tanden wit ende clene,
3555 Effene staene ende even groet,
Sine lippe suete ende roet.
Het dunct mi wale bestaedt dat hi [3515]
Een cussen hebbe dat vriendelic si.
Gevet hem, hets wel mijn raet :
3560 Te lange tonbeidene dats quaet,
Dies gi den tijt verliest to meer,
Dies gi vercovert nemmermeer." 4 [3520]
Suete Ontfaen, die den brant
Van Venuse heft gevoelt thant,
3565 Georlovede mi eon cussen daer,
Dat ic staphans, wet vorwaer,
[3525j
Sonder lnger beiden nam.
Diens ! hoe wel dat mi bequam,
Dat mijn mont die rose gereen.
3570 Nu ne darf ic wanen ure negeen
Ochtic joie doe hadde tier stede.
[3530]
Ene roke gins uter rosen mede, Die mi int herte binnen vloech
Ende minen rouwe al uut daer toech,
3575 Ende miuderde al mijn seer,
Dat ic droech te voren eer,
Dane hebbe tcussen van sueter smake, [3535]
Dat mi dus dede te gemake ;
Ende dat saet, dat goelec roec,
351 Ende s. w. dies bem ic w. 20 Soene sceen. 21
beghinne. 22 W. s. hier of m. p. 23 dieren g.
24 Van paerden. 25 Van donker ende v. r. 20
Ne brochte. 27 H. gheacemiert d. soe w. 28
Dese vrauwe g. m. d 29 Sone w. hoverdich t.
30 Doe s. te Scone Ontfaen. 31 E. s 1. hertelike waer bi. 32 Eist dat ghi den minres sij.
33 So onghenadich ende so heet. 34 D. sijn lijf
so zeere teghet. 35 Omme e. c. t. ghewinnen.
36 H. e. w. w. goeder minnen. A wel tege
te m. Onder tege staan stipjens. 37 H. ne e.
gheen loghenare altoes. 38 M. g. ende zonder
loes. 39 E. g. emmer t. g. 41 wederseit. 42 S.
de s. d. an h. leit. 45 wel ontbr, 46 An hem
h. h. ghcrne k. 47 Hines k. no. 48 D. mi b
an dinct behaghen. 49 dinct. 50 wederzeide. 51
Hets an h so w. b. 52 cussen staet. 53 H, 1rvet d. a. zoetc ghemeene 51 S. tande zijn w. e.
reene. 55 E. s. dit weet bloet. 56 Sinen lippen
zoete te maten groet. 57 II. d. m. wel. recht
d. h. 58 hevet. 59 wel ontbr. 60 Langhe te
beidene. 61 Ende niet dan t. ten verliezen m.
62 Dien g. weder ghewinnet n 63 Scone. 64
beseven 66 D i. al te hant met vaer. 67 An
haer nam dat mi wel bequam. 68 Die te voren
te mi waert was gram. 69 Daer ne daerf wanen
gheen man. 70 Daer ic die rose custe dan. 71
In hadde grotc j. ter s. 72 User rose g een
r. m. 74 E. alle den r. daer u t. 75 E. dreef
wech a. m. s. 76 1). i. te v. adde e. 77 Dan
h. t. v. s. smacke. 78 D. m. so wel d. 79 Ent
zadenkin d. so wel r.
A. fol. 17 c. d.
Si sceen wel in alrc wijs
Ene goddinne van hogen doene ;
3520 Sine was niet van religione
Alsc ene nonne ocht ene beggine.
Wat soudic maken grote pine
[34801
Van haren rekeliken gewaden,
Beide van perlen ende van goutdraden,
3525 Ende van broken ochte van riemen. 1
I Rose, I. 113, 4012 (3442):
Ne fere or pas mention
De sa robe et de son ore,
Ne de son treceor dore,
Ne de fermail ne de corroie.
2 Rose, I. 113, 4065 (3465):
Il n'est dame ne chastelaine.
3 Rose, I. 113, 4063 (3463) :
Et avec ce it n'est pas viex,
Ains est jeunes, dont it vaut miex.
De lezing bij A is de ware.
4 Rose, I. 114, 4081 (3481) :
Car tant cum vous plus atendres,
Tant plus, sachies, de tens perdres.
58
A. fol. 17 d —18 a.
3580 Was dat mi therte ontloec,
Ende deder vrede ende pais in wonen ;
Aldus can minne bi uren lonen,
[3540]
Nochtan mijn herte dicke leet,
Sint icse roec, wel menich leet.
3585 Die zee en es nemmer twent
So wel in paise, een cleine went
En doetse verstormen harde saen : [3545]
Aldus es die minne gedaen.
Si heft tsuete metten suren,
3590 Si en mach in enen poente niet duren.
Vort eest recht dat ic gewage
[3550]
Mijn vernoi ende mine clage,
Hoe ic te Scanden wart verdreven,
Ende hoe die borch wart opgegeven,
3595 Ende die starke mure mede,
Die sint die Minne vallen dede.
Distorie willic al bescriven
[3555]
Ende niet achter en laten bliven.
En hadde Venus dasaut begonnen,
3600 Die borch sine ware niet gewonnen.
Quade Tongen, die altoes spiet
Na die minnen ende voresiet
[3560]
Al tquade, dat hi gepensen mach,
Hi hadde gesien op enen dach
C. fol. 22 a. b.
3605 Dat goede gelaet, dat mi dede
Sucte Onfaen up hovesscede,
Dies hi geswigen niet ne conste 2 [3565]
Hier ende gender, hine begonste
Te clappene utermaten sere
3610 Ende seide, hi sette lijf ende ere
Ende sijn hoeft oec of te slane,
Dat tusscen mi ende Suete Onfane [3570]
1)orperleke vrientscap ware 3.
Des maecte hi so groten mare,
3615 Dat hire mede wecte Jalosien,
Die Suete Onfane ginc castien,
Ende seide : mVuel onreine knecht, [3575]
Hoe hebbedi u selven dus berecht ?
Qualec so hebbic u geleert,
3620 Dat gi u selven dus onteert :
In wille mi meer in u betrouwen.
Ic sal u leggen daert u sal rouwen ; [3580]
Gine selt mi, wanic, meer ontgaen.
Scande es te verre van u gegaen,
3625 Die u sonde wachten ende hoeden ;
Ende Reineit, diet al wale vervroeden
[3585]
Soude, heft laten comen hier
Enen knecht in dit vergier
Om ons beiden scande te doene 4:
3580 al ontploec. 81 Die den p. daer in dede w.
82 bi wilen. 83 Hoe zeere dat mi therte was verleet.
84 Van der minnen die mi was wreet. 85 nes n.
dits bekint. 86 te p. 87 Ne macse v. s. 88
sonder waen. 89 Soe ghevet zoqte. 90 Ende
ne can niet I pointe gheduren. 91 Nu eist goet
r. 92 Hoe mine bliscap e. mijn c. 93 Te s. w.
bedreven. 91 de buerch up w. ghegheven. 95
E. d. minren ghevelt m. D. de m. sident
vellen d 97 Dese ystorie w. nu b. 98 en
ontbr. 99 Ne h. V. niet b. A. begonne. 3600
Tassaeut de buerch were onghewonnen 1 bespiet. 2 Goede minne te letten nu ziet. 3 Hi
peinst quaet nacht ende dach. 4 Doe zach hi.
5 Hoe dat mi Scone 0. d. 6 Een goet ghelaet
u. h 7 A. en C. Die. 8 hi doe b. 9 T c van
mi harde s. 10 E. .s. hi wilde 1. e. e. A. ic.
11 Daer voren settee ende te vulstane. 12 Scone
0. 14 Ende m. dit so wide m. 15 D. het te
voren quam ver. J. 17 Hi s. te hem. 19 Qualike
h. u. g. 20 dus hebt o. 21 Nemmee ne willic
h b. 22 ligghen doen met r. 23 Daer ghi nemmermee suit o. 24 S. ende lachter hebdi ontfaen. 25 Daer hu Reinicheit soude bevroeden. 26 E. daer of wachten ende hoeden.
27 Hovesscheit heeft in dit vergier. 28 E.
k. ghelaten comen hier. 29 0. o groet
blame t. d
Rose, I. 115, 4109 (3509) :
Des ore est drois que ge vous conte
Comment ge fui mes16s k Honte,
Par cui ge fui puis moult greves,
Et comment li murs fu leas,
Et li chastiaus riches et fors
Qu' Amors prist puis par ses esfors.
Opgeven in vs. 3594, dat in beide teksten voorkomt, is volslagen onzin. Moet men misschien lezen : opgeheven? Doch in de tegenwoordige beteekenis van oprichten is het mij althans in het Mnl. niet
bekend.
2 Rose, I. 115, 4120 (3520) :
Male Bouche, qui la couvine
De mains amans pense et devine,
Et tout le mal qu'il sect retrait,
Se prist garde du bel strait
Que Bel-Acueil me daignoit faire,
Et Cant qu'il ne s'en pot plus taire.
Beide Hss. hebben verkeerdelijk in vs. 3607:
Die geswigen.
3 Bij A. verkeerdelijk in vs. 3610:
Rose, I. 116, 41 4 2 (3532):
Et dist qu'il metroit bien son oel
Que entre moi et Bel—Acuel
Avoit mauves acointement.
4 Rose, I. 117, 4157 (3557) :
Si m'est avis qu'ele secourt
Moult mauvesement Chastee,
Quant Jesse un garcon desree
En nostre porprise venir,
Por moi et li avilenir.
59
A. fol. 18 a. b.
3630 Dies, hu was si noit so coene !"
Suete Onfaen en sprac noit wart,
[3590]
So sere so was si vervart.
Doe ic horde die grote nose,
Vloe ic en wech ende liet die rose.
3635 Omdat ic duchte tperlement,
En dorstic langer letten twent.
[3595]
Scande was doe vort getogen,
Die sere ontsach dat si hadde mogen
Jet mesdoen in enegen wille.
3640 So was gewonden met enen wile,
Gelijc- ene helichge nonne draeget.
[3600]
Si sprac alse die was versaget: I
yVrouwe, dore God, wats u gesciet?
En geloeft Quaden Tongen niet,
3645 Want hi harde gerne lieget,
Daer hi menegen met bedrieget.
[3605]
Al seit hi quaet van Suetonfane,
Hine es niet dirste na minen wane;
Want Quade Tonge es so geleert,
3650 Dat hi heren ende vrouwen ondert
Ende belieget harde genie,
Daer hi mede drijft te scerne
[3610]
Menichgen man ende doet verdriet.
Swijcht," seit hi, ,,en es logene niet:
C. fol. 22 b. c.
3655 Suete Onfaen hadde al te lane
Sijn lancvedere, daer hi met swanc, 2
[3615]
Datmen hem gedoiede te gane
Met selken lieden ende die tonfane,
Dier hi niet en hadde te doene.
3660 Ine houdene niet over so coene,
Dat hi dorperheit hadde gedaen,
[3620]
Hovesscheit dedene hem ontfaen,
Die sijn moeder es tuwaren,
Die hem leerde al sonder sparen
3665 Lachen, spelen met alien lieden. 3
Men mochte mi daer toe niet gemieden,
[3625]
Dat ict langer soude gedogen.
Ic sal wachten ende nauwe pogen
Bat te hoedene Suete Onfane
3670 Van te verre van mi te gane.
— Scande, Scande," seide Jalosie,
13630]
,Ic bem die mi sere ontsie,
Pat ic verraden wesen mach,
Want Leckerheide nacht ende dach
3675 Ende Luxurie si regneren
Nu in die werelt ende sijn heren,
[3635]
Beide in cloestre ende in abdien;
Want daer en es geen castien,
Dat Reinicheit daer seker si.
3630 Deus hoe w. hi nie s. c. 31 Scone 0.
s. niet I woert. 32 Die s. int herte was verdoort. 33 Hi h. dese g. n. 31 Hi vlo wech.
35 Als die vruchte van den parlemente. 36
Dat daer was ende die contente. 37 S.
quam daer v. g. 38 Die ghewimpelt was toten
oghen. 39 Up thovet adde soe I wile. 40 Als
die nonnen draghen sonder ghile. 41 Soe sceen
simpel als I maghet. 42 Soe s. a. eene d.
w. v. 44 Ne ghelovet quade T. n. 45 W. h.
es die g. 1. 46 Ende den m. daer mede b.
48 Hines deer; to n. ic w. 49 dies g. 50 D.
hi h. e. v. ontheert. A. hi ontbr. 51 E. b. te
sinen scerne. 52 Dies hem qualike staet tomberne. A. Ende daer. 53 Daer hi menighe mede
doet leet. A. en d. 5 t S. s. soe ne loechenets
n. 55 al ontbr. 55 Sine lancvedere d. h. mede
s. A. lancveter. 57 Daer men h. doghede t. g.
58 M. zulken 1. e. t. 59 Dies hem n. ne stoet
t. d. 6') In waendene n s. c. 61 soude hehben 62 dedene o. A. dede hem. 65 metten 1.
66 M. mochter m niet toe g 67 mochte. 69
Bet te hondene. "0 Niet so v. v. m. tontgane.
71 ver J. 74 Van Leckerheden al den d. 75 E.
1. dese II r. 76 In de w. 77 cloestren. 78 W.
d. nes jeghen g. c. 79 D. daer R. s. s.
1 Vs. 3631 — 3612 in de Rose, I. 117, 4162
(3562):
Bel–Acueil ne sot que respondre,
Ainsois se fust ale repondre,
S'el ne l'eust ilec trove,
Et pris avec moi tout prove;
Mea quant ge vi venir la grive
Qui contre nous tence et estrive,
Je fui tantost tomes en fuie,
Por sa riote qui m'ennuie.
Honte s'est lores avant traite,
Qui moult se crient estre mesfaite:
Si fu humilians et simple,
Ele of un voile en leu de gimple,
Ainsinc cum nonain d'abeie;
Et por co qu'el fu esbahie,
Commensa it parler en bas.
Beide nog al uiteenloopende teksten hebben
de eene meer hier, de andere daar, het oorspronkelijke gevolgd.
2 Rose, I. 118, 418 (3586):
Sans faille, ce n'est pas menconge;
Bel–Acueil a trop longue longe
Bij Kausler is het alsof in vs. 3654 een ander
begint te spreken. Scande voegt het yswijcht"
in zijn gesprek, uit vrees in de rede te worden
gevallen.
3 Rose, I. 118, 4;90 (3590):
Mais certes ge n'ai pas creance
Qu'il ait eu nule beance
A mauvestie ne a folie ;
M's it est voir que Cortoisie,
Qui est sa mere, li enseigne
Cue d'aeointier Bens ne se feigne.
60
A. fol. 18 b. ca
3680 Daer omme willies wachten mi,
Ende dien wech doen al verslaen
Die gene diere" comen ende gaen, [3640]
Die el ne jagen ende spien
Dan om stelen, mocht hem gescien,
3685 Mine rosen, die is ommuren sal
Ende so besluten overal,
Datse die quade knechte en selen [3645]
No gewinnen noch gestelen,
Noch vercrigen met genen saken.
3690 In midden tplain sal is doen maken
Enen tor vaste ende goet,
[3650]
Daer is Suete Ontfaen in . moet
Houden also vaste gevaen,
Dat hi mi niet en sal ontgaen
3695 Ende den quaden knechten volgen.
Hi heft mi so sere verbolgen,
[3655]
Dat hijt wel diere sal becopen,
Beide sijn rennen ende sijn lopen.
Vrese so quam metten warde
3700 Bevende alse die hare vervaerde ;
Doe si horde scelden Jalosien
[3660]
Ende felle spreken ende castien,
Sine dorste antwerden niet.
Jalosie ginc wech ende liet
37C5 Vrese ende Scande al beide
In al te groter sericheide,
[3665]
Dies si horde hare ongevoech.
Vrese, diet thoeft nedersloech,
Seide : ll Scande, nichte, is hebs toren,
3710 Dat wi nose moeten horen
Van dien dies wi en mogen twent. 2
C. fol. 22 c.-23a.
Wie hebben leden ongescent
[3670]
Menichgen Mey met eren groet :
Nu doet ons leden in groter noet
3715 Jalosie, die ons mesloeft.
Ic wane Dangier es verdoeft,
Dat hi so qualec hoedt die rosen,
[3675]
Datter afeomen alselke nosen.
Gawi e hem, hets wel gedaen,
3720 Ende seggen heme ende doen verstaen,
Dat hi bat die rosen hoede."
Doe gingen si beide met erren moede [3680]
Tote Dangiere, daer hi was
Gelegen in dat groene gran,
3725 Ende was ontswimelt van groten vake. 3
Scande, diere met ongemake
Wecte ende versprectene sere,
[3685]
Soe seide : ',In sleeds duvels ere,
Here dorpre, moetti slapen nu ?
3730 Wie soude hem getrouwen to
Te hoedene rosen ochte pottone ?
Hets qualec van uwen doene !
[3690]
Wie sijn beide up u herde erre,
Dangier, dat gi hebt so verre
3735 Laten gebruken Suete Onfane
Sijns willen, daer leget u lachter ane.
[3695]
Siedi vervart, wats u gesciet ?
Henne behort tuwer name niet,
Dat gi sijn sout goedertiere,
3740 Maer fel ende quaet ende putertiere.
Staet op ende vermaect uwe hage, 4
So dat weer engene clage [3700]
Over ons en come ; nu op ter vart!
3680 voer w. m. 81 E. den w. al doen v. c2 Hem
die hier c. e. g. 83 Ende el niet ne j. no s.
84 D. hoe si s. moghen mien. 85 d. i. so betunen s. 86 Datter niemen toe comen bi gheval. 87
Diese ghewinnen mochte of stelen. A. ende s. 88 No
ghecrighen met eenighen bevelen. 89 Eenen thor sal
is doen maken. 90 Midden int plein van dieren zaken.
91 Die staerc sal sijn e. g. 92 Scone 0. 93 also ontbr.
94 Datti m. n. ne mach o. 95 niet v. 90 Datti mi
dus hevet v. 97 Sal hi noch w. d. b. 98 Daer
hi mi niet ne sal ontlopen. 99 V. q. doe die
dit hoerde. 3700 Seere b. van den woerde. 1 Die
daer dus sprac ver J. 2 Die fellike waren ende
te dien. 3 Ne dorste soe segghen n.5 V.e. S. alleene
staen. 6 In groeter zeericheit bevaen. 7 Die ghehoert hadde dit o. 8 V. thovet doe n. 9 Soe
seide nichte i. h. groten t. 10 D. w. dese woerden
m. h. 11 Ende wijs niet moghen dits bekint. 12
Wi h. ghieleden al o. 13 Meye. 14 N. d. o. pine
vele in dese n. 15 Ver J. d. haer m. 17 Datti dus
wacht de r. 18 dustane. 19 best g. 20 hem wi hebben v. 21 Datti die roese qualike heeft in h. 22
Si g. beede. 23 Te. 25 Al in dole v. g. wake. 27
versprac wel s. 28 Soe s. te hem i. sduvels e. A.
Ende s. 29 So m. dorper s. n. 30 W. souden betrauwen tote hu. 31 Te wachtene r. ende bottoene.
32 qualike. 33 Wi s. beede u. hu wel e. 34 ghi
aldus v. 35 Sijns willen Scone 0. 36 Laet ghebruken daer te lachterne es ane. 38 Het ne behoert t names n. 39 D. g. suit s. g. 40 Ne
waer f. ende p. 41 e. wacht hu h. 42 Dat nemmeer ne gheene c. 43 Van u ne c. no up t. v.
I Voor dit matte vers heeft het oorspronkelijke een zeer plastischen regel. Rose, I. 120,
4255 (3655) :
Tout li megre du cul for tremble.
2 Rose, I. 120, 4258 (3658) :
Honte, fet-ele, moult me poise,
Quant ii nous convient avoir noise
De ce dont nous ne poons nibs.
2 Rose, I. 121, 4284 (3684) :
Si commencoit it someillier.
Ontswqmelen, bij Kil. ontslapen, obdormire.
4 Rose, I. 121, 4301 (3701) :
Level tost sus, et si bouchies
Tous ins pertuis de ceste haie,
61
A. fol. 18 c. d.
Want dorper, die nine es groniart
3745 Ende die hovesch wille wesen,
Hi staerfter af, hine mach genesen.
Sijt suer ende fel sonder verdragen [3705]
Wildi u doen wel behagen
Den lieden ende hem dienen gerne,
3750 Gi werter met gedreven te scerne : I
Na uwen art seldi u houden.
[3710]
Jalosie heft ons bescouden,
Daer wi af sijn sere versaget,
Ende Suete Onfane wech gejaget,
3755 Ende swert hi sane doen vermuren
Ende hem sijn leven maken te suren :
[3715]
Dat es bi ure traecheit al;
Dat u God geve ongeval!"
Doe stoet up die felle groniart
3760 Alse een die sere was vervart,
Dies hi hem dus scelden hoert,
Ende wart erre ende sere testoert, [3720]
Ende scorste nese ende mont, 2
Ende swoer sere tier selver stont
3765 Ende seide : so moesti verwoeden,
Hine sonde den rosier so wel hoeden
[3725]
Datter man en sette meer voet :
Des gaens, des comens sal nu sijn boet. 3
Hi nam sine colve in sine hant
3770 Ende stoppede die gate, die hi vant
Overal in dat rosier.
[3730]
Nu ist sere verwandelt hier
Met Dangiere dien vilain.
C. fol. 23 a. b.
Weet God, ine sal nu meer int plain
3775 Meer dorren comen daer ic sie
Die rose, die mi doet so wee.
Die Dangier erde, heft mi doet
[3735]
Ende bracht in pinen horde groet. 4
Alsic pense dat ic ne mach
3780 Die rose, die ic te siene plach,
Nemmerme sien, mi doet so wee !
Therte, mi dunct, si breect ontwee, [3740]
Alsic om dat cussen peise,
Dat wesen dede mi so eyse,
3785 Dat sueter was dan enege sake.
Hoe mochte mi therte te gemake
Wesen, dat is dus verren moet [3745]
Der rosen, die mi therte bloet
Met suetheiden heft dorevlogen ;
3790 Hoe salic geduren mogen ?
Mi ware beter vele die doet
[3750]
Dan te levene in selker noet !
Nu sal mi weder sonde- vieren
Beven ende suchten assaelgieren
3795 Ende ander vele swaer gepens.
Vele te groet sal sijn die tsens,
Die nemen sal van mi die Minne : [3755]
Dat ic dier rosen suetheit kinne,
Alse vele es mine begerte te meer,
3800 Ende mine herte ontsteecse teer. 5
Weet God, nu bem ic terre stont
Gevallen inder hellen gront. [3760]
Quade Tonge moete sijn onteert,
3744 D. die niet nes g. 45 die ontbr. 46 Dat ne
behoert niel te desen. 47 Fel suldi zijn s. v. 48 W.
hu te ontsiene niet behaghen. A bejagen. 49 Ende
huwe zoetheit te omberne. 50 G. w. bi g. te s. A.
te ontbr. 51 suldi. 52 \Ter Jalousien heeft. 5 D. wi
zeere af s. v. 54 Scone 0. 55 Soe s. dat soene sal
bemuren. 56 E. s. 1. hem m. tsuren. 57 Dit es
b. huwer t. a. 58 God g. hu groet o. 59 D.
stont up Dangier ter vaert. 60 A. die s. w.
verzwaert. 61 Daer h. h. d. verspreken hoert.
A. horde. 62 Erre w. hi e. s. verstoert. A.
testorde. 63 Hi storte up beede n. e. m. 64
selver °nib '''. 65 Hi s. 66 Hin ; wel ontbr. 67
D. m. meer in s. v. 68 Dies g. ende dies e.
waert b. 69 c. in sijn hant. A. die hi vant
70 stopte de gaten. 72 N. eist. 73 den v. 74
Wete G. hine s. n. int p. 75 Niet d. c. d. let
s. 76 wie. 77 D. Dangiere te wachten gheboet.
78 Heeft mi nu broth p. g. 79 Dat ic niet
te s. comen m. 80 Die Rose daer mi therte an
lach. 81 Dat ic ne weet wat ane gaen. 82 Therde
dochte mi breken zaen. 83 dochte 84 D. mijn
leven so zeere zochte. 85 Ende so wel wesen te
ghemake. 86 Dat zoeter was dan eenighe zake.
87 Daer ic nu gaen ende comen moet. 88 Die
rose. 89 M. zoetheden vul heeft ghezoghen. 90
H. sal jet gedoghen m. 91 vele beter de d.
92 in dese pine groet. 93 N. s. let w. moe ten antieren. 94 B. zuchten in der maniere.
95 Ende in anderen zwaren ghepeinse. 96 V.
zwarer zullen s. de cheinse. 97 D. van mi
n. sal de M. 98 der rose. 99 So v. 3800 ontsteken. 1 Nu b. i. te deser s. 2 Gheworpen.
3 moet.
I Rose, I. 122, 4315 (3715) :
Voules-vous donques as gees plaice,
Ne faire bonte, ne servise ?
2 Rose, I. 123, 4342 (3742) :
Fronce le nes, les iex rooille,
Et fa plains d'ire et de rooille.
3 Rose, I. 123, 4349 (3749) :
Tout vif me puisse-l'en arder,
Se jambs horns vivans i entre.
4 D. i. : Die Dangier vertoornde, heeft mij
gedood.
Rose, I. 124, 4373 (3773) :
Mort m' a qui si l'a fait irestre.
6 Rose, I. 125, 4395 (3795) :
Se j'ai la doucor essaiee,
Taut est graindre la covoitise
Qui esprent mon cuer et atise.
62
A. fol. 18 d-19 a.
Die mi aldus heeft geonneert ;
3805 God late hem sijn leven rouwen :
Hi heeft mi al dese sause gebrouwen !"
Nu eist tijt dat is u moet
[3765]
Seggen wat Jalosie doet,
Die in therte heeft dogen groet
3810 In alien landen si onboet
Wercliede, 1 ende dede ene veste
Maken, die acre scoenste ende die beste [3770]
Die noit wart gesien met ogen,
Alomme dien rosier betogen,
3815 Ende op dien veste enen muer.
Het soude mi werden alte suer,
Soudic volprisen die tornele [3775]
Die daer stoeden ende die cantele.
Die muer hi was harde wale
3820 Viercante gemaect alte male :
In elke side ene porte so stoet,
[3780]
Geordijst vaste ende goet, 2
Ende oec voren ende achter ene,
Wel gewracht van vasten stenen ;
3825 Vor elke porte mede uut te gane
Ene valbrugge ende ene barbekane. 3
[3785]
In midden tplain dede Jalosie
Enen torre op meesterrie
Maken, bi compasse al ront,
3830 Daer menichge scone garite an stont. 4
Hi was so vast ende so hoge,
C. fol. 23 b—d.
Men haddene niet met orloge
[3790]
Noch met crachte mogen winnen :
So vast was hi in alien sinnen.
3835 Tusscen den torre ende dat vorboech
So stoet geplant na sijn gevoech
Dat rosier meniger rosen, 5
[3795]
Die Quade Tonge met sire nosen
Aldus vaste dede besluten
3840 Jegen diegene daer van buten.
Daer waren binnen dien castele
Beide bliden ende oec magnele, [38001
Diemen van buten wel mochte kinnen.
Daer lagen scuttren tallen tinnen
3845 Met aremborsten harde goet. 6
Buten der veste een ander muer stoet,
Nederre gemaect, om grote were
[3805]
Te doene, quame daer enich here,
Datmen ter vesten nine mochte riden
3850 Sonder vechten ende striden. 7
Ver Jalosie die vrouwe vroede
Heft inden tor geleit hoede,
[3810]
Want dirste porte so hoedde hier
Die felle dorpre, here Dangier,
3855 Die ten oestenen staet gekeert.
XXX seriante, wel geleert,
Heft hi in sire hulpen daer.
[3815]
Dandre porte hoedde daer niter,
Die middage wart stoet,
3804 dus hevet. 6 mi desen dranc. 8 ver Jalousie'
9 D. zwaer d. hevet g. 10 I. alle alien soe. A. lan. 11
Werclieden e. d. vesten. 2 Eene dies. 13 Stede d. n.
man sach
o. 1 t den. 15 up de v. e. sconen
m. 16 zure. 17 S. prisen d. toreele 18 stonden
e. d. carteele. 19 1). casteel w. alte male. 20
Vierecant g. wale. 21 An e. s. e. poerte s. 23
Voren en a. so was e. 24 v. maerbersteene.
25 Voer. A mede nut ontbr. 26 valpoerte wel
ghebarbelcane. 27 den pleine ver J 28 Maken
dede bi meestrie. 29 Eenen thor bi e. a. r. 80
D. menigh caritate a. s. 31 so wijt. 33 No. 34
S. vaste w. h na mijn kinnen. 35 thor. 36 Stont
g. 37 Die r. met menighen r. 38 Tonghen. 40
van daer b. 41 diene casteel. 42 Beede b. e.
magneel. 43 wel ontbr. 44. stutters boven ten t.
45 M. seilscotten vele groet. 46 diere vesten e.
a. s. 47 Bet neder g. om te doene w. 48 Ofter
yemene q. met h. 49 ten v. niet. 50 vechtinghe. 52
Hevet inder. 53 Van der eerster poerte soe. 54 here
ontbr. 66 oostende. 57 Hevet h. i. sine hulpe d.
58 Dandere soe hoedet d. n. 59 D. te middaghe s.
1 Rose, I. 125, 4409 (3809) :
Ou pais ne remest mason
Ne pionnier qu'ele ne mant.
2 Ordijsen, hordijsen, van het OFr. hourdir,
ML. hurdare, met palissaden voorzien. Zie Roquefort, Gloss. I. 762; Du Cange (Ed. Henschel), III,
732 op Hurdicium.
3 Zie Dr. de Vries, Mi. Taalz. 11; Du Cange
(Ed. Henschel), I. 585, VII. 55.
4 Garite, OFr. garite, ML garita, guerite.
Zie Roquefort, Gloss. I. 670; Du Cange (Ed. Henschel), III. 48 t Garitae. Turriculae editiores in
tectis domorum, vel in castrorum mulls, Gall.
Guerites vel Garites: ita dictae, quod eos, qui
intus sunt, ab hostium insultis servent.
5 Rose, I. 127, 4458 (3858) :
Ele iert dehors avironee
D'un baille, qui vet tout entor,
Si qu'entre le baille et la tor
Sunt li rosiers espes plant&
Zie Du Cange (Ed. Henschel) I. 576 op Bailleium.
6 Bij C. seilscot, elders selscot, selfscok balista.
Zie Horae Belg. VII (Ed. Sec.) 97 ; Diefenbach,
Gloss. Lat. Germ. 66, i. v. balista.
7 De beschrijving der vesting is in den franschen tekst veel uitgebreider, van vs. 4406 —
4475 (3806-3875).
63
C. fol. 23 d.
A. fol. 19 a. b.
3875 Hi hadde met hem vele quadien,
3860 Scande, die node mesdoet,
1
Sariante al ute Normandien, 2
Met menegen ontsienden man,
Ende hoedde die porte van troes 3. [3835]
Die ten wapinen wale can
[3820]
Quade Tonge plach altoes
Ende gereet te haren dienste waren ;
Toten andren porten te gane,
Ende Vrese hoedde met haren scaren
3880 Om te versiene ente verstane
3865 Die porte die stoet ter slinker siden ;
Hoe si besetten hare sakes,
Vrese diene was in genen tiden
Ende wire tsnachts sonde waken.
[3825]
[3840]
Serer, si en sloet haer dore
Daerna ginc hi te cantelen
Ende starke hameide leidde sire yore.
Met gescutte ende met quarelen,
Hare porte si gaet selden op.
3885 Die hi orbarde in die wachte ; 4
3870 Alsi van den winde hort geclop,
Want hi waecte alle nachte
Ocht geclap van enichen tongen,
Ende trompte ende blies te tinnen. Dan es si haestelike ontsprongen. 1 [3830)
[3845]
Hi horde buten ende linnen,
Quade Tonge, die God verdome,
Hi blies stiven, die dat songen,
Dat ickene hier so dicke Dome,
3861 onsieliken. 62 wel. 63 Die g. tharen.
64 hare. 65 stont t. s. side 66 V. sone w. te g.
tide. 67 So s. sone. 68 E. grote ameede leide daer v.
69 H. p. ghinc s. up. 70 Alsoe vanden winde
hoerde gheclup. A van porten. 71 Ofte clappinghe v. t. 72 Was soe te Kant o. 73 dien. 74 Ende
dien is h. 76 Seriante uut Normend:en. 77 Hi
h. de p. 73 die plach. 79 Tote alien. 80 Omme
te beziene ende t. v. 82 nachts. 83 Daer ne
g. h. ten carteelen. 84 Met g. e. m. quareele.
85 orborde. 87 Hi trompede e. b. te tinne,
88 Hi dede de hoede b. e. b.
1 In vs. 3870 verkeerdelijk bij A. van porten.
Verg. Rose, I. 128, 4497 (3897).
Car, quant el oit bruire le vent,
Ou el of saillir dens langotes,
Si l'en prennent fievres et gotes.
2 In den tekst van Michel staat voor dit vers,
Rose, I. 128, 4499 (3899) :
Male-Bouche, que Diex maudie !
Qui ne pense fors it boidie.
d. i. : die slechts aan bedrog denkt. De meeste Hss.
hebben evenwel :
Ot sodoiers de Normendie.
eene lez:ng, die met den Mnl. tekst overeenkomt. Ook Chaucer, 241, b. heeft :
With souldiours of Normandie.
„Dans d'autres, on trouve de Lombardie, etc.:
,d'oix l'on pent enferer avec raison qne les anciens
copistes prenaient souvent la liberte de faire les
changements qui leur plaisaient.
Toutefoii on pent assurer que la meilleure lecon
est de Normendie, les Normands ayaut tonjours eu
la pire reputation, et la meritant autant qu'en
pent juger un homme de lettres par les industriels
de ce pays auxquels it a pu avoir affaire."
Zie verder de aant. en verg. de onze op hi. 46
3 In beide Hss. volslagen onzin.
Het oorspronkelijke toont ons dat de Ned.
dichter niet begreep wat hij las, en er maar op
den klank of wat van maakte.
Rose, I. 12 q, 4500 (3900);
Si garde la porte destrois ,
Et si sachies qu'as autres trois
Va souvent et vient.
Chaucer, 24], b. :
Wicked Tongue.
Was keeper of the fourth gate,
And also to the tother three,
He went full ofte for to see.
Destrois is etroitement volgens Michel.
4 Van al dit vervaarlijke wapentuig is er geen
de minste sprake in den franschen tekst. In de
Rose, I 129, 4502 (3902), leest men :
Quant it stet
Qu'il doit par nuit faire le guet,
Ii monte le soir as creniaus,
Et atrempe ses chalemiaus
Et ses buisines et ses tors.
line hore dit les et descors,
Et sonnet dons de controvaille
As estives de Cornoaille.
Er is hier alleen sprake van muziek-instrumenten
en gezang, en het is duidelijk dat de vertaler
zijn origineel niet heeft veretaan. Michel voegt
in eene aunt. hierbij : ff C'etait, au XIIIe et au
XI Ve siècle, une habitude, chez les sentinelles
en faction sur les remparts de villes ou de
chateaux, de jouer d'un instrument ou de chanter,
surtout pendant la nuit, sans doute pour montrer
qu'elles ne dormaient pas. Dans 11 Histoire de
Foulques Fitz- Warin (Paris, Silvestre, MDCCCXL.
p. 24), une pauvre sentinelle, surprise dans un
profond sommeil par l'ennemi, crie merci et
prie qu'on lui laisse siffler une note avant de
mourir. Il est vrai que c'etait pour avertir les
chevaliers du chateau de prendre garde : ce qui ne
les empechait pas d'être mis It mort dans leurs lits."
64
A. fol. 19 b. c.
Hi blies stiven die dat songen,
3890 Dat noit wijf onbedwongen
Gerecht en was no reine van live
[3850]
Hets ene nature in die wive,
Dat si horen harde gerne
Lekernie ende lodderscerne ;
3895 Die sijn puten ende amien
Ende vol van dorpernien ;
Sie en achten op hare ere twent. [3855]
Siet poet dese haer selven scent,
Ende dese andre hoe si haer anscijn
3900 Bestrijct, om dat si scone wil sijn.
Quade Tonge, die nine spart,
Vint emmer te seggene van lieden quaet. [3860]
Ver Jalosie, die God onse here
Lachter geve ende onnere,
3905 Hadde inden torre. aismen pleget,
Hare heimelijcste vrient geleget
[3865]
Ende bewart harde sekerlike.
Daer sloetse binnen wel swaerlike
Dat suete kint Suete Onfane,
3910 Ende dede die dore wel vaste verslane ;
Ende Suete Ontfaen blefer binnen
[8870]
Vaste besloten in alien sinnen,
So hine mochte comen henen.
Hi was bevolen ere quader quenen,
3915 Die anders en geen were en wrchte
Dan si spiede ende wachte,
C. fol. 23 d —24 b.
[3875]
Dat hi hem dorlic niet hilde
Ochten iemen bedriegen wilde ;
Want die quade conste al tbaraet
3920 Daer die werelt mede omgaet.
Si hadde dorproeft al haer leven
Bliscap, rouwe, die minne conste geven. [3880]
Suete Onfaen hi sweech al stille,
Alse een die hadde sinen onwilie,
3925 Dore die quene die hi ontsach.
Hine dorste doen engeen gewach
Van dien dat hi in therte droech ; [3885]
Hi hadde sere sijn ongevoech
Van hare, die conste alkansen mansen
3980 Ende die noten van ouden dansen. I
Doe Jalosie hadde gevaen
Suete Onfane, ende hadde gedaen [3890
Vermuren vaste indien casteel,
Versekert was si doe een deel
3935 Van haren cnoppen, van haren rosen,
Datse die leckere en soude nosen,
Hoe sere dat hem werde te sure ; [3 5 95]
Maer ic, die was buten den inure,
Was geliverert te sine
3940 In groten rouwe ende in pine. 2
Minne can mi vercopen wel
[3900]
Al die bliscap ende dat spel ;
Datse mi te voren brachte,
Dat ontgeldic nu onsachte ; s
3891 G. no r. ne was v. 1. 92 H. die n. vanden w.
.94 lodders scerne. 05 Dat si p. sijn. 96 vul sijn v. 97
Sine a. up hem zelven t. 98 hoe. 99 E. andre
bescriven h. a. 3900 Om d. s. te scoenre willen
s. 1 niemen. 2 Te segghene wat datti begaert.
4" grote o. 5 thor alse men. 6 Haren heimeliken
v. gheweghet. 7 wel helm. like. 8 D. sloet soe
vastelike. 9 In dat k. Scone Ohtfane 10 Die d.
dede soe v. v. 11 E. Scone 0 moeste daer b.
12 B. sijn doe ic hu bekinnen. 13 S. vaste h.
14 B. was hi. 15 D. a. niet en achte. 16 Danne
soe hilt de w. 17 Ende niet al te drouve en h.
18 Ende ofne i. 19 Dese quene c. al tquaet.
20 de w. m. omme g. 21 Soe adde gheprouft.
22 B. ende r. d. m. can g. 23 Scone O. ; al
ontbr. 24 Als die. 25 Om d. q. 26 Ne dorste
d. gheere g. 27 V. datti binnen der herten d.
29 Van haer die conste alle de canse. 30 Van
houden tide ende de danse. 31 Alse ver J. dus
adde g. 32 Scone 0. e. g. 33 Besloten v. i
dat c. 34 Die v. w. al gheel. 35 V. h. c. ende
r. 36 niet soude. 37 H. s. het h. worde. 38
Maer i. d. doe w. buten m. 39 W. wel in dien
t. s 40 Altoes te hebbene r. ende p. 41 mi
ontbr. 42 Alle. 43 Die soe. 44 Moetic ontghelden arde o.
I In vs. 3929 is -een geheel onverstaanbare lezing
bij A. Zie Rose, I. 130, 4520 (4920):
Bel-Acueil se taist et escoute
Por la vielle que it redoute,
Et n'est si hardis qu'il se moeve,
Que la vielle en li n'apercoeve
Aucune fole contenance,
Qu'el sect toute la vielle dance.
Bij Chaucer, 242, a :
She knew each wrenche and every gise
Of love, and every wile,
It was hard her to beguile.
Het fransche contenance is zeker de oorzaak geworden van het barbaarsche alkansenmansen. De lezing
bij C: alle die kanse, hoezeer ook onnauwkeurig,
geeft althans eenigermate den zin van 't oorspronkelijke terug.
2 Rose, I. 131, 4557 (3957) : ,
Mes ge qui fui defers le mur,
Sui livres k duel et k poine.
3 Rose, I. 131, 4561 (3961) :
Amors me sot ores bien vendre
Les bien qu'il m'avoit prestos ;
G'es cuidoie avoir achetes,
Or les me vent tout derechief.
Vs. 3941 en de vlgg. zijn wederom een zeer
onhandige vertaling van het origineel.
65
A. fol. 19. c. d.
3945 Want soe mijn leven sere mesfuert.
Ic wane mijn leven soude hebben gedurt:
Neent, weet God ! wats mi gesciet, [3905]
Want nu es vaster mijn verdriet,
Dies ic die joie hebbe verloren,
39t.0 Dan is nie en hadde te voren.
Wat makic hieraf lange tale ?
Ic mach den dorpre slachten wale, [3910]
Die in derde werp sijn saet.
Alst groenc ende scone nutgaet
3955 Es hi in hoge ende blide ;
Mar eert coemt datment snide,
Ende s oude wassen in sijn haer,
[3915]
Coemt ene quade wolke daer,
Dat hem benemt altemale :
3960 Dan es hem die hope wale
Al ontgaen ende al verloren,
Dien hi hadde groet te voren:
[3920]
Hi vertroeste hem alte vroech.
Des gelike es ane mi gnoech,
3965 Want mijn troest, mijn goede hopen
Es mi algader nu ontslopen.
[3925]
Minne hadde mi gedaen die ere
Ane Suete Onfane dien jonchere,
Dat ic hem al mine heimelicheide
3970 Ontecte coenlike ende seide,
Die mi gerne ende wel ontfine ;
Maer minne es die ongestaedste dine [3930]
Die in die werelt wesen mochte.
Doe ic mi boven wesen dochte,
3975 Benaemt mi minne in corter uren.
Si slach der wilder Avonturen,
C. fol. 24. b. c.
Die dicke were menich wonder ;
[3935]
Si werp tfolc boven ende onder,
Si maecse blide ende mat ;
3980 Want dAvonture keert een rat,
Ende die gone, diere set boven,
Mach wel davonture loven, [3940]
Op dat hire bleve emmermeer ;
Maer si brinct te saen den keer ,
3985 Diene werp van boven neder
Ende den ondersten verheft weder.
Nu liggic onder harde onsachte !
[3945]
Ic sie die mure ende die grachte,
Die ic liden niet en mach ;
3990 In werde meet blide nacht ende dach,
Sint dat in prisone legt gevaen
Dat warde kint Suete Onfaen; [3950]
Want ane hem leget mijn welvaren
Ende ane die scone rosen tuwaren.
3995 Sal mine herte meer genesen
Dat sal bi hem beiden wesen.
Ay Suete Onfaen, lieve vrient, [3955]
Al liggedi gevaen onverdient,
Hout mi uwe herte, soe doedi wel,
4000 Ende hoet dattie vrouwe fel
U herte niet en moge vaen,
Alse uwen lichame heeft gedaen. [3960]
Al eist dat si u castijt,
Hout u lichame talre tijt
4005 Alse een herte eens minneren
Jegen Jalosien geberen ;
Al houtse u vaste in prisoene,
[3965]
Hout uwe herte emmer coene; 1
3945 Nu was ic zeere mesvoert. 46 Langhe waendicker' in hebben g. A. Ic w. m. 1. vaste sonde g.
47 Maer neenic niet mi es g. 48 Te hebben toren
rauwe ende v. 49 Danne ic noit bliscepen te voren.
50 Adde dat mi al es verloren. 52 dorper. 53 de erde
werpt. 54 A. sc. e. gr. up gact. 55 E. h. zeere in hoghen ten zelven tide. 56 Maer alst c. 57 Soude e.
ghewassen es int h. 58 So comt een wolkin
al d. 59 Die. 60 Danne e. sine bliscap w. 61
A. vergaen daer hi ziet zijn coren. 62 Verloren
dat so scone stout te voren. 63 Dies hi blide
was a. v. 64 Also es mi ghesciet ghenouch.
65 Mijn t. ende al m. h. 66 E. m. alte male
ontlopen. 67 g. he9re. 68 Scone 0. den. 69
Dien i. al mijn h. 70 0. ende te weton dede.
71 D. m. vriendelijc o. 72 M. m. e. onghestade
d. 73 Dat dincke mi wel in mijn ghedochte.
74 Dat in de werelt wesen mochte. 75 Soe slacht
den rade van avonturen. 76 Dat hem went ende
keert tallen huren. 77 Die avonture werct m.
w. 78 Soe werpt den eenen up den andren
o. 79 Soe maect den eenen b. den anderen
mat. 80 Dus es der wilder avonturen r. 81
Die ghene die sit b. 82 M. de avonture
wel 1. 83 blivet zonder zeer. 84 M. te hant
bringhet soe d. k. 85. Diene werpt. A. Dien.
86 v. soe w. 87 onzoete. 88 Hier neder gheworpen onder voete. 89 Ic zie die muere ende
die grachte. 90 Die is niet liden mach met
crachte. 91 Daer in dat leghet g. 92 D. goede k.
Scone 0. 93 An hem 1. al m. w. 91, E an d. s.
rose te waren. 95 Salic van rauwen nemmermeer g. 96 Het s. bi desen II w. 97 Scone 0.
98 lighdi 99 hu h. 4000 E. wacht dat hu de
v. f. 1 Niet ne moghe van mi keeren zaen.
2 Al eist dat soe hu heeft ghevaen. 3 Ende soe
hu' van mi ca,stiet. 4 H. hu herte van hare bevriet. 5. A. sculdic es een recht minnere. 6 J.
ver Jalousien dats mijn begheren. 7. A. hout soe
u in haren p. 8 Huwe h. wese alse lyoene.
1 Rose, I. 132, 4615 (4015):
Et ne soffres nesun fuer
Que Jalousie la sauvage
Mete vostre cuer en servage,
Ainsinc cum ele a fait le cors;
Et s'el vows chastie defors,
Aies dedans cuer d'aiment
Encontre son chastiement.
Se li cors en prison remaint,
Gardes au mains que li cuer m'aint.
5
A. fol. 19 d. — 20 a.
Want edele herte ende vrie
4010 En laet niet, wat mense castie
Ochte sleet, sine mint haer lief
Stillekine ocht ware een dief.
[3970]
Al es u swaer ver Jalosie
'Ende si u doet dorpernic-,
4015 Ende met toent fel gelad.
Penst daer jegen, dats mijn raet,
Om mi die u es getrouwe,
[3975]
Het sal mindren uwen rouwe.
Daeddi, lieve kint, alsoe,
4020 Mijn herte die souts wesen vroe.
Ic hebs sore in minen moet,
Lieve, dat gi soe nine doet.
[3980]
Oec daert mi sere, Suete Onfaen,
Dat gi dore mi dus sijt gevaen
4025 Ende ligt tuwen ongemake :
Dan es nochtan om gene sake
Die ic gcdaen hebbe ()chi, getogen, [3985]
Men mocht met eren w el doen moegen.
Noch noit en seidic, geloves mi,
4030 Dine die niet te seggene nc si ;
Maer mi deert bi Gode meer
Uwe pine ende u grote seer
[3990
Dant u selven moge gedoen
Ic moet doegen dore u prisoen
4035 Die penitensie wel swarlike,
Dat ane mi openbaerlike
[3995]
So scijnt, dat ic cume sal
Der doedt ontgaen, hen doe geval.
Alsic herdinke om die scads;,
C. fol. 24. e. — 25 a.
4040 Die ic hebbe vroech ende spade,
So werdic so sere ontaen
Dat mi die rouwe sal verslaen.
[4000]
Aldus quaet en haddict nie,
Want ict met minen ogen sie,
4045 Dat die valsce, quade verraderen
Om mi te deerne al vergaderen.
Ay Suete Onfaen, nu wetic wale [4005]
Dat si u selen altemale
Met sueten worden na hem tien.
4050 Iii Gode ! laetti dat gescien,
So es mi bliscap ongereet.
Ic weet nochtan hoet hier met steet: [4010]
Ic duchte sere mijns mesfal,
Dat gi mijns selt vergeten al.
4055 Vergeetti mijns, so es gcdaen
Al mine bliscap, Suete Onfaen.
Ic hebbe verloren van ure mimic [4015]
Al die hope, ic sal ontsinnen
Van meshope ; ha! in sal niet,
4060 Want hope mi die God van Minnen liet,
Ende soude mi troesten ende in staden staen
Alsic met rouwen ware bevaen. [4020]
Wat hebbic te doene van desen ?
Al es hope goet in sijn wesen,
4965 Hins. seker van engenen dingen;
Hi brinct die minnen sonderlingen
In pinen ende in swaer verdriet ; [4025]
Want hi geloeft dat hi al niet
En doet noch en hout convent. 2
4070 Nochtan esser mede verblent
4009 W. dat herte edele e. v. 11 Soe ne m. met
trauwen h. 1. 12 alst w. 13 A. si datse u zwaer si
v. J. 14 E. soe hu ane tiet d. 15 E. hu daer omme
toghet f. g. 16 Peinst nochtan d. m. r. 17 Omme.
19 End wistice dat ghi daet a. 20 Mine h. so. s. w. v.
21. I. hebbe dies twivel i. 22 Dat g. also niet
ne d. 23 Secre dert m. van hu Scone Ontfaen.
24 D. g. dor mi daer light g. 25 E. zeere te
huwen o. 26 En es n. 27 Dat g. h. wildemen
poghen. 28 Na recht men sout d. m. 29 Met
eeren dies gheloven Wilde mi. 30 Ne gheene
dine die ontamelic si. 31 M. int herte so dert
mi m. 32 hu greet. 33 Dan het hu selve m. doen.
34 I. m. pine d. voer hu persoen. 35. D. mi
wel seinen al zekerlike. 36 Ic bem met pinen
bevaen bitterlike. 37 S. dat ic cume ontgaen sal.
38 D. d. en ne d. groet g. 39 A. peinsende
werde o. de s. 40 D. i. van hu h. vro e. s.
41 S. moet mi de rauwe verslaen. 42 Aldus
waest het curtelike met mi ghedaen. 43 So qualike
waest mi cornen n. 44 let. 45 Die mi valschelike
verraden. 46 Ende ghedaen hebben dese scaden.
47. Scone 0. 4 hu zulle al tcenen male. 49 M.
zoeten woerden an h. t. 50 B. G. moetic dat
met oghen zien. 51 S. e. mijn welvaren ghedaen.
52 Nochtan duchtic het sal soe gaen. 53 Dat
mi toe comen sal dat mesvai. 54 suit; al ontbr.
55 bliscepe Scone 0. 57. Hebbic v. v. mire
minnen. 58 A. den h. 59 V. wanhopen in s. n.
60. Die G. van M mi behiet. A. Wan ; die ontbr.
61 Mi te troestene e. in s. s. A. En ; in ontbr.
64 A. e. h. hovesch. 65 Hine es s. v. gheenen d.
66 de minne. 67 ende te doghene v. 68 Wat
h. belovet es a. n. 69 Hine d. none h. c.
I Rose, I. 133, 4639.
Si n'est-ce pas por mesprison
Que j'aie encore viers vows faite,
C'onques par moi ne fu retraite
Chose qui h, celer foist.
2 Rose, I. 135, 4684 (4084):
Mains en decoit par sa promesse :
Qu'el promet tel chose sovent
Dont ehne tenra jh, convent.
Lees in vs. 4068: des hi al niet.
67
A. fol. 20. b. c.
Menich minsce, die hem geloven
Ende waenre met haere stucken comen haven,
[4030]
Die hen gevallen nemmer dach. 1
Men be weet ane NN elc men houden mach
4075 Van dingen die sijn te gesciene:
1)aeromme staensi wel te vliene,
[4035]
Want menich esser bedrogen bi;
Ende hope en can gehelpen mi
Dan met gelove, dat hi mi doet.
4080 Waertoe es sijn geloven goet,
Alse hi mi laet in selc verdriet,
[4040]
Datmen mach vertellen niet ? 2
Scande, Vrese ende Dangler
Hebben mi sere gelet al hier,
4085 Ende Quade Tonge ende Jalosie,
Die God onse here vermaledie ;
[4045]
Ende daertoe die oude quene,
Die Suete Onfaen en laet allene
En genen tijt, nacht no dach,
4090 So dat icken spreken en mach.
Die God van Minnen hi gaf mi
[4050]
Drie gichten, die mi souden bi
Te mire noet in staden staen,
Die mi nu sijn al afgegaen :
4095 Dats Goeleec Spreken ende Suete Ansien,
Dese scuwen mi beide ende vlien.
[4055]
Dat terde hebbic oec verloren,
Dats Suete Gepens : des doegie toren.
Hi hadde mi ene scone gichte gegeven,
4100 Waersi mi gestadich bleven.
Waer toe soudense mi wesen goet,
[4060]
Opdat gevangen bliven moet
Suete Onfaen ? dore wien ic sal
C. fol. 25. a. b.
Sterven, mine helpe goet geval;
4105 Want hi legt so vaste gevaen,
Dat hijs cume sal ontgaen.
Ontgaen! bi wies vromicheit? [4065]
Iii mi, dat ware mi ongereit!
Ic vi as bevaen in groter dorhede,
4110 Dat ic den God van Minnen dede
Noit manscap van alselken lene.
Ledicheit doet mi doen allene, [4070]
Die vrouwe die mi twiket ontsloet:
God geve hare lachter vor hare doet,
4115 Dat si mi daer in liet gaen !
Hadde si enichge doeget verstaen,
Sine hads mi niet gestaedt tuwaren, [4075]
Want sotte sotheit niet en sparen
Te doene, dat wetic nu wel,
4120 Al en haddemi niemen el
Geseit dan Redene, die mi castiede.
Ic was sere versot tien tiede, [4080]
Dat ic niet en dede haren raet:
Ic kenne nu wel dat ic dede quaet.
4125 Redene hadde recht die mi blameerde,
Dat ic mi noit ter minnen keerde ;
Mine pine es swaer die ic dogen moet: [4085]
Ic wilse laten, het es mi goet.
Laten ? arme ! hoe mochte dat sijn?
4130 So soudic al dat leven mijn
Valsea verradere geheten wesen.
Godset hebbe die mi riet te desen ! [4090]
Want ic verriede minen here,
Suete Onfane, die leget in sere
4135 Dore mi, omdat hi mi dede
Vrientscap ende hovesscede,
Ende legt gevaen jamerlike.
[4095]
4071 meinsche. 72 E. wanen wel c. te b.
73 Dat hem ne ghesciet in gheenen daghe.
74 M. w. wat m. gheloven maghe. A. ne
ontbr. 75 Ende wat dat es t. g. 76 D. staet
mi w. t. v. 77 W. de menighe. 78 Ne
waer h. ne. 79 So wat hi mi bringhet in
den moet. 80 W. e. mijn belof goet. - 81 Hi
1. mi in dit zwaer v. 82 D. v. ne mach n.
84 H. m. broeht in dit zeer. 85 ver J, 86 vermalendie. 87 E. daer es mede de houde q. 88 D.
Scone 0. niet 1. a. 89 Ne g. t. no nacht no d.
A. Ende en g 90 Dat ickene ghesprcken m.
92 ghiften. 93 in hulpen s. 94 D. m. altemale
of s. ghegaen. 95 Goelijc S. e. Zoete Anezien.
96 mi nu e. v. 97 derde. 98 Dat es Zoete Ghe peins, ic hebs t. 99 H. h. mi sc. giften g.
4100 Waren s. met mi ghestade b. 1. W. t. so
sijn si mi no goet. 2 In dien dat ghedaen b. m.
8 Scone 0. dor. 4. S. in hebbe goet gheval.
EV A. verkeerdelyk ongeval. 5 W. h. so v.
leghet g. 6 Datti e. levende s. o. 9 I. w. begrepen in zotheden. 11 Sulke m. v. dustanen 1.
14 laehtere g. 15 soe. 16 Adde soe mi jonstich
ghesijn Bonder waen. A Hadden. 17 Sone adt
n. ghedaen te waren. 18 Ne waer s. n. ne s.
19 T. d. dat hem becomt wel. 20 A ne adt mi n.
gheseit e. 21 Danne r. 22 L w. qualic beraden.
23 en ontbr. 24 Nu weetic dat mijn doen es q.
27 Zwaer es de p. die. 32 Godsat. 33 Dat i.
aldus verlore mijn eere. 3 4 Dor Scone 0. d.
es i. s. 35. Ende dor mi hevet ghedaen so vele.
37 Die g. leecht zeerichlike.
Rose, T. 135, 4688 (4088):
Car en amer maint bon amant
Par li se tiennent et tendront,
Qui jh eel jor n'i aviendront.
2 Rose, I. 135, 4701 (4101):
1.
Et que me vaut or son voloir,
S'ele ne me fait desdoloir ?
Trop poi, qu'el n'i puet conseil metre,
Fors solement que de promettre.
Promesse sans don ne vaut gaires.
68
A. fol. 20. c. d.
Hi dede mi doeget sekerlike
So groet, dat ongelovelic si,
4140 Doe hi dede liden mi
Die hage sonder enichge nose,
[4100]
Ende mi cussen liet die rose.
Ic souds hem weten van herten (lane,
Aisle sal mijn leven lanc.
4145 In wille mi meer beclagen niet
Van Ledicheiden, wats gesciet,
Noch vanden God vander Minnen, [4105]
Noch van Hope; ic wille bekinnen,
Beclagedic mi, dat ic mesdaede.
4150 Nu en es dan el dan ic gestaede
Minen lechame, dat hi doege al
Tvernoi, dat hem toecomen sal. 1 [4110]
Ic moet na genaden beiden,
Want mi gedinct we' bi waerheiden,
4155 Dat mi seide die God van Minnen :
Woudic van heme troest gewinnen,
[4115]
Dat ic die pine te danke name,
Die mi van sinen dienste quame ;
Hi soude mi ten hogesten bringen,
4160 In benaemt mi met valschen dingen ;
Maer het soude mi lange merren.
Dit seide hi mi ende al van verren. [4120]
Nu en es mi niet dan dienen wale,
C. fol. 25. b. c.
Want in mi mochte altemale
4165 Die faute sijn, daer ic omme wene ;
Want in heme en es negene.
Nu ga vort, hoet moge vergaen ; [4125]
Al dat den God dinct goet gedaen
Doe hi met mi, eist cleine ist groet :
4170 Ocht hi wille hi sla mi doet.
Over mi hevet hi gebot
[4130]
Alse geweldich here ende God.
Alse hi wilt soe moetic sterven,
Ine mochte die hulpe verwerven,
1175 Dat ic vercrege Suete Onfane,
Daer mijn leven al legt ane. 3
[4135]
Mar hoet gevalt met mi,
Dat hi (loch gedinkende si
Van Suete Onfane na mine doet.
4180 Daer ic omme leve in sorgen groet.
Allewege, hoet met mi gaet,
Come ic ter Minnen, dat verstaet, [4140]
Te biechten ende late in. testamente
Suete Onfane die beste rente,
4185 Die ic hebbe, dat es therte mijn,
Tegindomme sonder berauwen fijn." 4
[4145]
Die wile dat ic minen rouwe
Aldus clagede, quam mijn vrouwe
Redene van haren torre gegaen,
4138 H. d. m. heere groetelike. 39 Die niet
goet te vertelne ware. 40 Want hi mi gheleide
dare. 41 Dor de h. s. te hebne n. 42 d.
scoene r. 43 Dies ic hem mijn leven lanc. 44
Weten sal van herten groten danc. 45 Van hem
mach ic mi b. n. 46 No v. L. dits besciet.
47. No van den G. van minen. A. van der
G. 48 No v. hopen in allen zinnen. 49 dat
ontbr. 50 Ic wille sijn van herten g. 51 Ende
met m. lechame te liden al. 52 mi t. s. 53 I.
m. der g. ombeiden. 54 Want ontbr. 55 de. 56
Wildic tr. v. hem g. 58 D, m. v. s. halven
toe quamen. 60 In b. hem. 61 Ne waer h. s. 1. m.
62 seide mi. 63 N. es in mi dat ghebrec w.
64 W. hijt mi seide in ware tale. 65 Van den
rauwe al beghene. 66 Die faucte es in mi alleene.
67 hoe m. gaen. 68 Die God van Minnen heeft
niet mesdaen. 69 Hi doe met mi al bloet. A.
Doet met. 70 Sinen wille cleene ende groet. A.
wille sla. 71 heeft hi. 72 Hets recht want hi
es G. 73 wille m. s. 74 En si datti mi helpe v.
75 ghecrighe Scone 0. 76 staet a. 77 Ne waer
hoe dat ghevallet mi. 78 Weetic dat een ghepeinsen si. 79 V. Scone 0. n. mijn d. 80 in
pinen g. 82 C. i. den God van Minnen v. 84 Scone
0. de b. r. Vs. 85 en 86 ontbreken bij A. 87 Alsic
dus m. r. 88 Claghede q. die rauwe. 89 v.
eenen t. g.
1) Rose, I. 137, 4782 (4182):
Ne feral mes ; car tort auroie
Se de for bien-fait me plaignoie.
Dont n'i a mes fors du soifrir
Et mon tors k martire offrir.
2) Rose, I. 138, 4790 (4190):
Ton servise prendrai en gre,
Et te metrai en haut degre,
Se mauvestie ne le te tost.
In het Amsterd. Hs. staat verkeerdelijk: Hine,
waarvoor men met C. In leze.
3 Rose, I. 138, 4809 (4209) :
S'il vuet, si me face morir.
N'en vendroie jambs it chief,
Si sui-ge mors se ne l'achief,
Ou s'autre por moi ne l'achieve.
In vs. 4174 bij A verkeerdelijk : Want ine.
4 Rose, I. 139, 4824 (4224) :
Et toutes fois, por li d4duire,
A vous, Amors, ains que ge muire,
Des que ne puis porter son fes,
Sans repentir me fais confes,
Si cum font li loial amant,
Et voil faire mori testament.
Au departir mon cuer li les,
Jk ne seront autre mi les.
69
A. fol. 20. d.-21. a.
4190 Ende quam te mi ende hadde verstaen
Mine clage ende mijn swaer verdriet,
Ende seide : ,Vrient, en siedi niet [4150]
Te dienne noch uwes heren sat?
Wat dunct u, mogedijr werden mat ?
4195 Hebdi goeden here gedient ?
Met rechte mogedi hem sijn vrient,
Die u aldus doet torment
[4155]
Alle dage, hine spaert u twent.
Het mesviel u harde sere,
4200 Dat- gine ontfinct over here.
Ic ben seker, haddine bekent,
Gine hadt ane uwen dienst een twent [4160]
Gehouden noch ane sine manscap mede.
Hi es onpais, hi es onvrede :
4205 Kinstune iet op dine trouwe ?"
',Talc!" - „Gine doet." - ,Ic doe, vrouwe." //Sea waeraf, , des biddic di." [4165]
- ,Vrouwe, van dien dat hi te mi
Seide dat mi ware groet ere,
4210 Dat ic hadde so groten here."
- ',Eli kenstune anders ?" - ,Nenic niet,
Dan van alse velen alse hi mi hiet [4170]
Sine gebode ende vaste beval,
Ende hi al heimelike van mi stal,
4215 Ende liet mi in die wage allene." I
- ,Bi Gode, dese kennesse es clone!
Ic wille nu dat gine kint :
[4175]
C. fol. 25. c.-26. a.
Onsalich keitijf, en vroeddi twent?
Gine mocht kiesen swarre verdriet
4220 Dan hem te dienne, wats u gesciet.
Kinnedine, gine soudten laten :
Hem te dienne hens twint ure baten." [4180]
- N Vrouwe, ic ben sijn egUn man,
Ende hijs mijn here : hoe soudic dan
4225 Van hem sceden met enichger eren ?
Dat sonde mijn herte gerne leren."
- ,,Ic Belt u leren," seide Redene doe, [4185]
,Wildire ure herten dan setten toe,
Ende u tonen, sijt seker des,
4230 Die dine die ontoenlec es ; 2
Ende sonder sciensie saen versinnen
Ende sonder kinnesse seldi kinnen [4190]
Dat men kinnen niet ne mach,
Noch geweten, no nacht no dach.
4235 Ic sal u den cnoep ontcnopen,
Die weder sal te gadre lopen
[4195]
Ende gecnocht te gadre bliven :
Dit sal ic u bier al bescriven. 3
Minne es pais ende alle onraste ;
4240 Minne es onpais ende alle raste ; 4
Si es trouwe vol van ontrouwen,
Si es ontrouwe vol van trouwen; [4200]
Si es vrese al versekert,
Si es sekcrheit al onversekert ;
4245 Si es hope al vol meshopen,
4190 Neder tote mi die heeft v. 91 ende
ontbr. 92 Soe s. V. en s. n. 93 Noch t. d huwen
heere s. 94 W. dinct hu moghedi niet w. m.
95 eenen ontbr. 96 So weest met r. hu v.
97 D. hu dus pijnt ende t. 98 A. d. ende hu
ne sp. t. 99 Het dochte hu sijn grote eere.
4201 Addi te voren so wel bekint. 2 Sinen dienst
als ghi hebt sint. 3 Sijn man waerdi nemmermee. 4 Gheworden dat dincke mi. 5 Kennedine
secht mi bi trauwen. 7 Secht mi w. ic bidde d.
8 dien ontbr. 9 were. 10 Te dienne al zulken h.
11 Kennedine anders Diet. A. Ende. 12 Neenic
dan hi m. h. 13 S. g. te houden al. 14 E. mi
ghelaten heeft in dit mesval. 15 In desen wech
hier a. 16 B. G. so kendine c. 19 G. m. van
gheenen dienste niet. 20 Hebben zware pine no
verdriet. 21 Danne hem te dienene dat verstaet.
22 Ic rade hu dat ghine laet. 23 ben s. eeghin.
24 hi. 25 ghesceeden m. eeren. 26 D. mire h.
zeere zoude deeren. 27 salt hu. 28 huwe herte
gheven t. 29 E. hu wel betoghen s. ghewes.
30 D. d. diere goet jeghen es. 31 Die men sonder
conciencie versinnen sal. 32 E. s. k. kennen al.
33 kennen. 31 No g. nacht n. d. A. nach. 35 knop.
36 D. w. te g. sal 1. 38 Dit willic hu al h. b.
39 p. al vul onrusten. 40 M. e. pays al vul
rusten. 41 So e. t. vul o. Bij C. vindt men
overal so voor si. 42 S. e. o. al vul tr. 43 v.
alre vreeselicheit 44 S. e. s. onverzekerheit.
45 vul wanhopen.
1 Rose, I. 141, 4874 (4274):
p Congnois-le-tu de plus ?"
, Ge non,
Fors taut qu'il me bailla ses regles,
Et s'enfoi plus tost c'uns ogles,
Et ge remes en la balance.
2 Rose, I. 142, 4896 (4296):
Or te demonstrerai sans fable
Chose qui n'est point demonstrable.
3 Rose, I. 142, 4898 (4298):
Si sauras tantost sans science,
t congndistras sans congnoissance
Ce qui ne puet estre sou
Ne demonstre ne congn6u.
Quant k ce que jh plus en cache
Nus horns qui son cuer i atache,
Ne que por ce A mains s'en dueille,
S'il n'est tex que foir le vueille,
Lors t'aurai le neu desnoe,
Que tons jors troveras noe.
4 Rose, I. 142, 4910 (4310):
Amors ce est pais haineuse,
Amors est haine amoreuse.
7o
A. fol. 21. a. b.
Si es meshope al vol hopes;
Si es redene sonder redene,
[4205]
Si es sonder redene redene ;
Si es gesonde vol ongesonde,
4250 Si es ongesonden vol gesonden ;
Si es genoechte vol ongenoechte,
Si es ongenoechte vol genoechte ;
Si es gestade vol ongestaden,
Si es ongestaede vol gestaeden ;
4255 Si es vroet al vol sotheiden,
Si es sot al vol vroetheiden ;
[4210]
Si cs rouwe vol van bliscapen,
Si es joie vol van onbliscapen ;
Si es dorst die altoes dronken si,
4260 Si es dronkenheit daer dorst es bi ; I
Soe es suete ende better sake,
Soe es suete savor van quader smake ; 2
Si es sonde sonder baraet,
[4215]
Si es met sonden oec weldaet ; 3
4265 Si es vol bliscapen pine,
Si es felheit die plegt onfermich tsine ;
Si es een ongestadich srel,
Si es vast onvast, dat wetic wel ; [4220]
Si e, crancheit stare, ende starcheit crane;
4270 Si geet met danke ende sonder (lane;
C. fol. 26. a. b..
Si es sotheit ende vroede sottie ; [4225]'
Si es vroude serich ende jolie,
Si es lachen vol wenens, wetic wale;
Si es raste vol pinen tallen male ;
4275 Si es suete hille in alre wijs,
[4230]
Si es vol rouwen dat paradijs ;
Si es kerkere die troest die gevane,
Si es butte daer vele coots es ane ;
Si es nevel dat niemene verdrijft,
4280 Si es proper dat gemeine blip. .
[42351
Alse wel can minne geraken Onder vlocken alse onder scarlaken. 4
Hens niemene van so hogen geslachte,
Noch so vroet, no oec van machte,
4285 Noch so coene, noch oec so rike,
[4240]
En leittenne harde cortelike
Al desen wech die God van Minnen, 5
Opdat hine wilt ten nausten kinnen.
Wie dat met hem omgeet,
4290 Brinct hi tachterste in groet lect,
[4245]
Sonder die quade, die talre tiit
Sinte Benedictus vermalcndijt,
Omdat si doen tallen uren
Onrecht groet der naturen. 6
4295 Van desen soe en roekic twent,
4246 Ende wanhope al sonder h. 47 Sonder r. es
so al vul redenen. 48 Ende sonder r. es soe r. 49 vul
onghesonden. Vs. 50 ontbr. 51 vul onghenouchten.
Vs. 52-54 ontbr. 55 vul zotheden. 56 vul vroetheden. 57 vul bl. 58 al vul o. Vs 59 en 60 ontbr. 61 So
es zoete in bitteren zaken. 62 So es bitter in zoeter
smaken. 63 beraet. 65 vul blioccpen. 66 S. e. fel d.
ontfaermich pleecht ts. 67 So es vast ende onvast,
weet wel. 68 So es hovesch ende niet fel. Vs. 69. 70
So es crancheit stranc
Ende in stercheden crane;
So gaet met dancke sonder ganc
Ende sonder danc met haren ganc.
71 zothie. 72 S. e. blide s. 73 wetic ontbr. 74 So es
vul p. ruste t. m. 75 zoete helle. 76 vul pinen tparadijs. 77 karkere d. t. de g..78 volget ane. 79 S. e.
orient die niemen v. 80 S. e. propre d. ghemeen b.
81 Also w. c. so g. 82 als. 83 Ens n. v. s. groten g.
84 No s. v. no so v. m. 85 No — no. 86 Hem neleert
wel c. 87 A. dese weghe de G. 88 Eist dat h. wil to
naesten k. 89 omme geet. 90 tachterst. 92 Sente. 93
telker. 95 soe ontbr.; twint.
I Rose, I. 143, 4926 (4326) :
(Ed. Henschel) I. 686, i. v. Birrus.
C'est la soif qui tons jors est ivre,
La Fontaine in le Conte de Joconde drukt deYvrece qui de soif s'enyvre.
zelfde gedachte nit, als hij zegt :
2 Rose, I. 143, 4930 (4330):
Sous les cotillons des grisettes
Pent loger autant do beaute
Dons mans, doucor mancieuse,
Que sous les jupes des coquettes.
Douce savor mal savoreuse.
3 Rose, I. 143, 4932 (4332):
5 Rose. I. 144, 4958 (4358):
Entechies de pardon pechies,
Tous li mondes vait ceste voie.
De pechies pardon en techies.
' Rose, I. 144, 4959 (1359):
4 Rose, I. 143, 4948 (4348):
C'est li diex qui tons les desvoie,
C'est taigne qui riens ne refuse,
Se ne aunt cil de male vie,
Les porpres et les buriaus use ;
Que Genius escommenie
Car ausinc bien cunt amoretes
Por ce qu'il font tort h Nature
Sous buriaus comme sous burettes.
Bij Chaucer, 245, b :
Taigne, NFr. teiche, is vlek, in welken zin
But it be they of evill life,
nevel ook bier gebruikt wordt.
Whom genius cursed man and wife.
Bureau, ML. burellus, een grove wollen stof,
Om welke reden onze dichter hier Sint Benesaai, waarvoor we in onzen tekst vlocken vinden,
was de gewone draeht der armen. Zje Du Cange dictus noemt heb ik niet kunnen opsporen.
71
A. fol. 21. b. c.
Maer ine wille niet dat men meat [4250]
Daer hem die minnaren alle dage
Af bedroven ende beclagen,
Ende ten inde ropen : „Lase, keitijf,
4300 Dat ic verliese aldus mijn lijf!"
Maer wildi doen u selven goet,
[4255]
So keert uwe herte ende uwen moet
Van der minnen ende scuwetse ende vliet :
Anders en mogedi genesen niet;
4305 Pijnt u hars al af te stane.
Volgedi hare si hanct u ane,
[4260]
Ende vliedi hare si vliet u :
Dus maectise van u son."
Alse ic Redene hadde verstaen,
4310 Die over niet al hadde gedaen
Hare sermoen, doe seidic: y Vrouwe, [42651
Ic neemt up gerechte trouwe,
Dat ics nu min weet dan te voren 1;
Want ine soude dat moegen horen, [4270]
4315 Dat ic die minne sonde begeren.
Nochtan es mi int herte bleven
Van uwen sermoene al die lessen,
Dat icse soude al sonder messen
[4275]
Lesen al der werelt gemene,
4320 Sonder mi selven nu allene.
Vrouwe, gi hebt mi minne geprijst
Ende gelachtert, dore God, nu wijst
Mi die minne die gi vercoren
C. fol. 26 b. c.
Hebt, ic soutse gerne horen. "[4280]
4325 — Jo salt u seggen, nu hort na mi;
Nu siet datter u herte si bi,
Want die p ort ende nine verstaet,
Dats alse die jaget ende nine vaet. 2
Na dien dat ic mi so versinne, [4285]
4330 So es ene siecheit die minne,
Die coemt van gepense meest
Van hem tween, die den geest
Hebben gelijc ende die nature.
[4290]
Si begeren in alle ure
4335 Helsen, cussen, hen aisieren
Met quader genoechte sonder vieren :
Vrocht te Winne en gerense tweet.
Ander liede men oec vent,
[4295]
Die den vrouwen doen verstaen
4340 Dat si mi.-3t minnen sijn bevaen,
Daer si die vrouwen met bedriegen ,
Want sijs nine meinen ende liegen,
So dat si van haerre minnen
[4300]
Al hare begerte wel gowinnen,
4345 Ende werden dus van hem geloent.
Dese sijn alre meest gehoent:
Ja, hets beter daerna pogen
Te bedriegene dan tsijn bedrogen. 3
[4305]
Ja, in dit orloge sonderlinge 4
4350 Nature wilt dat alle dinge
Bi naturen vorwart gaen.
4296 Ende inne — mint. 97D. d. minnere tallen
daghen. 98 Of bedroevet e. hem beclaghe. A. Hem
af. 99 , nde roupen ay lacen k A. rope. 4300
I). i. dus v. 1 Ne waer doet hu s. g. 2 Ende k.
3 V. m. ende haer v. 5 haers af. 6 Ne volcht
h. no hanghet ane. 7 Ne waer vliet haer so v. u.
8 D. in. v. hu varinc s. 10 hadde ontbr. 11
Hadde hare sermoen. Vs. 11 en 12 br) C :
Seidic te hare na dit doen :
Vrauwe, van al desen beginne
Dat ghi mi gheseit van minnen.
13 Hebt ben ic als- vroet als t. v. 14 In s. dies
niet m. h. 15 soude ontbr. 17 de lesse. 18 Die
ic wel a. s. messe. 19 L. sonde d. w. g. 20 nu
ontbr. 21 mi ontbr. 22 dor. 23 Die m. nu d. g.
hebt v. 24 Die ic g. sonde h. 25 nu ontbr.
26 Ende s. d. hu h. ghesterke M. 27 niet.
28 Es d. vele j. e. niet ne v. 29 ict mi v. 31 D.
van ghepeinse c. m. 34 up elke u. 35 H. ende
c. ende hem taysieren. 36 quaden ghenouchten.
37 Vrucht te winnen ne gheeren si t. 38 Andre
lieden die men Tint. 41 die ontbr., mede. 42 Ende
segghen dat si niet ne 1. 43 Ende aldus si danne
ghewinnen. 44 Hare begheeren van der minnen. 45
Dees w. alre meest ghehoent. 46 Die met worden
dus minnen loent. 47 J. h. b. dat men daer na I oghe.
48 danne sijn. 49 In d. o. in waren dinghen. 50 So
wille n. sonderlinghe. 51 Dat b. n. voert waert ga.
' Rose, I. 144, 4978 (4378):
Dame, fis-ge, de ce me want,
Ge n'en sai pas plus que devant
2 Zie over deze spreekwoordelijke uitdrukking
mijn Wap. Mart. 175.
3 Rose, I. 145, 5008 (4408).
Toutevois fin amant se faignent,
Mes par Amors amer ne daignent,
Et se gabent ainsinc des dames,
Et for prometent cors et ames,
Et jurent menconges et fables
A ceus Till trute vent decevables,
Tant qu'il ont for delft eu ;
Mais cil sunt li mains deceu:
Car ades vient-il miex, biau rnestre,
Decevoir que decetts estre.
De lezing van C. geeft met eene kleine verandering, mede een goeden zin :
Dese (nl. de vrouwen) werden alremeest ge(hoent,
Die dus worden met minnen loent :
4 In sommige Fransche Hss. zijn na vs. 5017
een honderdtal verzen ingelasaht, en vangt met
vs. 5122 het vervolg van onzen tekst weder aan.
Bij Michel zijn zij er tusschen gevoegd; bij Mewl
p,an den voet der bladzijde medegedeeld.
72
A. fol. 21 c. d.
Alse die vadre sijn vergaen,
Die kindre houden twerc daer naer ;
Omdat nine soude sijn te swaer [4310]
4355 Sette nature in dit were delijt,
Om dies si wile dat genen tijt
Hare wercliede vanden werke vlien ;
Want menich soude hem tswercs ontien,
En dade delijt, datse daertoe wect [4315]
4360 Ende met genoechten daertoe trect.
Nature aldus so subtilierde
Al hare were ende vi,ierde,
Daer niemen te rechte toe en geet;
Want alder liede begerte so steet [43201
4365 Na dat delijt ende anders niet. 1
So wie dat delijt anesiet,
Hi werp hem selven altemale
Ewelike inder hellen quale ;
Want bets wortele van alien sonden, [4325]
4370 Gelijc dat wi gescreven vonden
In Tulius boec vander Outheit,
Die hi meer prijst dan die joncheit ;
Want joncheit brinct cleine ende groet
[4330]
Dicke in vrese van dier doet. 4275 Joncheit es te lidene swaer
Sonder sterven, dat es waer,
Ochte te brekene enich let,
Ende onnere te doene oec daer met,
Ende scande ende scade groet te rechte [4335]
4380 Heme ochte sinen geslechte.
Die minsce coemt oec bider joget
In menege dine die hem meshoeget,
4352 A. d. vader vanden live sta. 54 0. men s.
55 int w. 56 Omdat soe wil. 57 Haer w. v. ghewerke ontvlien. 58 W. m. s. de zwaerhede ontsien.
59 Ne d. d. diese w. 60 daer waert 61 N. dus
subtilijc leerde. 62 weerc ende huseerde. 63 met r.
toe gaet. 64 Ne waer alle der lieder b. soe staet.
65 N. delite e. na a. n. 66 dan. 67 werpt.
69 het es w. v. a. sonden. A. senden. 70 vonden.
A. venden. 71 Cullius b. v. houthede. 72 nice
p. d. de jonchede. 73 W. die jonchede b. al
bloet. 74 Menighen dicken i. vreesen v. der d.
75 Jonchede es. 76 S. te stervene voer w.
77 Ofte broken. 78 E. oec t. d. 79 Sc. e. grote
scade is echte 80 Hem ofte. 81 meinsche. 82 Te
menigher d. die m. 83 Gheselscap te volglien
1 Rose, I. 149, 5143 (4437) :
Sachies que nul 4 droit n'i va,
Ne n'a pas entencion droite,
Qui, sans plus, Mit i convoite.
2 Rose, I. 150, 5168 (4468) :
Et cuide prendre ou ciel la grue,
Quant it se met ilec en mue.
3 Rose, I. 150, 5171 (4471) :
C. fol. 26 c.-27 a.
Ende volget gesciscap die es quaet,
Daer hi met coemt in menich baraet ; [4340]
4385 Ende dicke verwandelt hem sijn sin,
Ende geet tenen cloestre in,
Ende wart daer een monec begeven,
Ende moet daer leiden al sijn leven,
Ende laten wille ende sine vriheide, [4345]
4390 Ende waent dien crane vaen in die locht,
Dies hi cruept daer in dien crocht. 2
Sine gedachte bliven dickent tonvast ;,
Alse hi gevoelt den swaren last, [4350]
4395 Loept hire ute, ocht van onneren
En dar hire binnen wederkeren
Ende blijfter in met groten sere 3,
En sie dat hem God onse here
Geve virtut ende obbediencie, [4355]
4400 Dat hi mach leven in paciencie.
Joncheit doet bestaen sotheide,
Ribaudie ende oncuescheide,
Ende den sin doet hi verwandelen,
[4360]
Ende oec quade saken handelen,
4405 Daermen mede count te pinen,
So dat scijnt hem ende den sinen.
Joncheit doet vechten ende striden,
Tavernen volgen tallen tiden
[4365]
Ende met dobbelspele omgaen;
4410 Luxurie doet si oec bestaen
Ende menich andre onsalichede,
Daermen die ziele verlieset mede.
Maer outheit sone doet niet alsoe,
So bepenst hare haerwaert ende hoe [4370]
dats q. 84 D. h. mede c. in beraet. 85 Dicken
v. 86 Datsi gaen teenighen cloestren in. 87 Daer
si hem m. b. 88 E. leeden also een heilech I.
89 Si 1. w. ende vrihede. 9 ' gaf beede. 91 Hi
w. den craen v. in de lucht. 92 Omdat hi c.
in de vrucht. 93 Ne waer sijn gedochte es dicken
onvast. 94 Als. 95 hi hute ofte v. o. 96 Ne d
hi buten w. 97 Maer. 99 V. ghevet e. paciencie.
4400 Patti leve in peniteincie. 1 Jonchede d.
bestaen zothede. A. verstaen. 3 doetse, 4 E. q.
zake h. 5 in p. 6 S. d. hem scijnt e. d s.
7 Taverne 9 doppelspel omme te gane. 10 L.
d. soe mede anevane. 11 E. menighe a. onede.
12 de z verliest m. 13 M. houtheit s. d. soe.
14 S bepeinst h. waer e. h.
Ou s'il resent trop grief le f es,
Si s'en repent et puis s'en ist,
Ou sa vie, espoir, i fenist,
Qu'il ne s'en ose revenir
Por Honte qui ri fait tenir,
Et contre son cuer i demore.
Lees met C. in vs. 4396:
En dar hi buten wederkeren.
73
A. fol. 21. d.-22. a.
4415 Si menege pine heeft leden
Al binnen haerre jonchede,
Ende die sotheit die si dede,
haren tijt corte mede,
Daer
Ende daerse met verloes hare crachte, [4375]
4420 Bider joncheit, diese daertoe brachte,
Ende bi haren kintscen wille
Heft gehadt menichgen onwille.
Outheit bringet joget in outheiden
In wel groter onderscedicheiden
[4380]
4425 Ende oec in groten gemake mede';
Nochtanne eist een gemene sede :
Wat outheit doet ende wat hi dient,
Hare sone es niemen vrient ;
Want elc .scuwet outheit ende vliet, [43851
4430 Ende jonc en wille hi sterven niet 2.
Alse hare die outheit bedinct,
Ende si die sware pine vortbrinct,
Die si heft leden met onspoeden
Van live, van zielen ende van goede, [4390]
4435 Sone prise joncheit een twent niet
Om die sotheit die hare es gesciet.
Wildi weten waer joncheit woent,
Diet den lieden so scone toent?
[4395]
Delijt so houtse in hare doen
C. fol. 27 a. b.
4440 Alse lange alse so es in dit saisoen,
Ende woent met hem in sine woninge,
Ende welt dat si hem sonderlinge
Gereet te sinen dienste si ;
[4400]
Ende si doet gerne, geloves mi, 4445 Ende volget hem van wege te pade,
Ende werct al bi sinen rade,
Ende en welter niet sonder wesen.
Mar outheit en gerter twent van desen ;
[4105]
Doch moetti toutheden comen,
4450 En hebbe u jonc die doet benomen,
Daer ek mensce node coemt toe ;
Ende mach u wel seggen hoe:
Outheit so verdonkert dogen ;
[4410]
Rouwe doet den lieden doegen, 4455 Omdat elc minsce wel versteet
Dat sere te sire doet wart geet 3.
Danne so pinery si om doeget ;
Die sotheit, die si in hare joget
[4415]
Daden, gaet hen dan berouwen, 4460 Alsi hare grote crancheit scouwen ;
Haer graeu cop gaet hem meshagen ;
Dat si in haren jongen dagen
Met kinscheiden dien tijt verloren
Brinct hem inne menichgen toren. [4420]
4415 Soe m. p. hevet 1. 16 Al ontbr., jencheden.
17 zothede d. soe d. 8 D. soe h. t. verloes m. 19
E. haer leven corte ende h. c. 20 jonchede. 22 Hevet
g. sinen o. 23 Outhede brinct j. bi o. 24 bescedenheden. 25 E. te g. g. m. 26 Nochtan.
27 W. outhede d. ofte d. 29 Want ontbr., houthede. 30 ne wil. 31 Als b. d. outhede b. 32 si
ontbr. 33 D. soe 1. hevet bi onspoede. 34 no
v, g. 35 S. prijst soe jonchede e. twint n. A.
prise. 36 zothede. 38 Die d. 1. s. s. vertoent.
39 hout so na haer d. 40 Alsoe e. in hare s.
41 Soe w. m. h. i. woeninghen, 42 wille d. soe.
43 G altoes te d. s. 44 soe d. g. ghelovets.
45 Soe volght hem vroe ende spade. A. hare.
46 E. w. altoes. 47 E. ne wille daer s. niet w.
48 M. o. ne ghaert niet d. 49 ter houdtheden.
50 Ne heeftene de d. niet jonc b. A. Ende.
51 meinsche. 53 de oghen. 54 den meinsche
55 Ende omme dat dat elc wel weet. 56 D.
het te. 57 So pijnt hi danne omme d. 58 die
in sine j. 59 Hevet ghedaen hem danne b. 60 A.
hare cr. an s. 61 Die grauwe. 62 Ende d. s. i.
hare. 63 kintscheden haren t. 61 Hebben si
dan ranwe ende t.
I Rose, I. 151, 5200 (4500):
Ou le demadit as anciens
Que jonesce of en ses liens,
Qu'il for remembre encore asses
Des grans peril
ont passes,
Et des folies ont faites,
Dont les forces for a sostraites
Avec les foles volentes,
Dont ii seulent estre tentes,
Viellesce, qui les acompaigne,
Qui moult for est bonne compaigne,
Et les ramaine a droite voie,
Et jusqu'en la fin les convoic.
2 Rose, I. 152, 5216 (4516) :
Car nus ne vuet viex deveuir,
Ne jones sa vie fenir.
3 Vs. 4448-4456 zijn in onzen tekst wederom
min juist teruggegeven. Verb. Rose, 1. 152,
5233 (4532) :
Et Veillesce, ses oh demore ?
Dire le te vueil sans demore •
Car la te convient-il aler,
Se mort lie te fait desvaler
Ou tens de Jonesce en sa cave,
Qui moult est tenebreuse et have.
Travail et dolor la hebergent;
Mes it la lent et enfergent,
Et taut la batent et tormentent,
Que mort prochaine li presentent,
Et talent de soi repentir,
Tant li font de fleaus sentir.
In onzen tekst zijn verschillende verzen van
vs. 4448-78 in eene geheel andere orde geplaatst als in het origineel.
74
A fol., 22. a b.
446:i Dan so pensense om hare sonden,
Die si daeden doe tien stonden
Ende in hare joget, die lettel durt,
Dat si nu wel sere mesuert. 1)
Weetti waer outheit woent ende set? [4425]
4479 Iitt es u goet dat gijt wet :
firavael ende pine herbergen hare,
Ende slaense ende stoeten openbare,
Ende tachterste sendense haer die doet
Ende daer met berounessen groet. [4430]
4475 Dan kint si dat si heeft verloren
Dice tijt, dien si levede te voren,
Eider joncheit, diene hare stal
Met haerre sotheit overal.
[4435]
So hoe dese stucken hene gaen,
4480 Die van minnen wilt joie ontfnen,
Hi sal hem pinen al sonder sceren
Vrocht te winne ende die begeren,
Dat si comen van sinen live. 2
[4 40]
Mar men vent nu vele wive 4485 Die node kinder souden dragen,
Ende drogen sise, si souden clagen :
Niet dan genuechte en willen si
Nu al meest, dat dunke mi,
[4 t45]
En waren namelike horen, 4490 Die ommegaen met quader gevoeren. 3
En mach en geen wijf wesen goet,
C. fol. 27. b. c.
Die hare vleesch vercoept om goet.
Van hen so sonde elc man vlien
Ende sine herte van hen tien.
[4450]
4495 Hi pense ho sine mochte hebben wert,
Die els niet dan sijn goet en Bert,
Ende el en mint dan sijn gelt,
Ende al levende villen wilt. 4
Om sijn goet doet si hem feeste. [4455]
4500 Men soude minnen alselke ene beeste,
Alse die lieden wilt ontcleden ?
Die duvet moete selke wijf geleden !
Nochtan dunct der herten mijn,
[4460]
Dat sijt nu al gemeenlike sijn. 5
4505 In segge niet: men mach scoenheide
Van lieve wel nemen op hovescheide,
Dat niet te costenleec en si,
Ende ongebeden si daer bi :
Die mach wel elke vrouwe met eren [4465]
5510 Nemen wel sender blameren ;
Want ondernemen ende geven
Hout minne in gestadich leven.
Die minne, die niet els en geert
Dan hovessceide, die hebbic welt; [4470]
4515 Maer die minne, die doet al verteren,
Die soude elc man van hem weren.
Goede minne die sonde comen
Van fijnre herten uutgenomen,
4465 Si peinsen danne om de s. 66 D. s. d. te
menighen stonden. 67 In harre j. 63 no w. s. bezuert.
69 let. 70 It ontbr., hijt w. 7 t Verstekinghe e. p.
72 Si s. e. stekense arenthare. 73 tachterst sendensise ter d. 74 kennessen. 75 Mennen si d. s. hebben v. 76 Haren t. d. s. leden t. v. 77 joncheden
in zotheden al. 78 Die hareu tijt rovede ende
stal. 79 Hoe soe die tiden comen ende g. 80 joye
wille. 81 H. s. altoes p. ende begaren. 82 Vrucht
te winnen sonder sparen. &3 Die c. moghen
v. s. 1. 81 Ne waer m vint. 85 kindren 86 droughen s. het sotyle meshaghen. 87 N. danne g.
w. s. 83 Die nu ten tide gheloves mi. 89 Meest
sijn dat sijn vele hoeren. 90 D. nu o. m. quaer
voeren. 91 Henne m. gheen. 92 haren lichame.
93 V. hem soude. 94, hem. 95 H. mach in hem
peinsen ter vaert. 96 Dat soe n. d. s. g begaert.
97 Te hebbene cist lude of stille. 98 Dat soe te
hem heeft sinen wille. 99 Maer omme s. g. soe
es de f. 450(1 Dat soenc mint de quade b. 1 Die
de liede also wile o. 2 D. d. moctse te hem g.
3 N dinct wel d. h. mijn. A. min. 4 D. alle
de wijfs meester sijn. A. sin. 5 Inne. 6 Van
lieve ontbr. 7 Van lieve die n. costelic ne s.
8 Die men lief hevet ende d. b. 9 Mach e. v.
10 Wel n. ende gheven s. b. 12 Es dicke ghestade
minne bleven. 13 Fnde die danne els niet beghert. 14 Danne hovescheit. 15 M. minne diet
al d. v. 16 S. e'c meinoche w. 17 d. meet c
18 Ute greder herte alsic hu sal nom gin.
') Rose, I. 153, 5264 (4558):
Et le present si poi li dure,
Qu'il n'i a conte ne nu-sure..
Mesuert, beter bij C. bezuert, is zeker door het
Fr. niesure in den tekst geslopen.
2 Rose, I. 153, 5266 (4560) :
Mes comment quo la besdigne aille,
Qui d'Amor veut jolt sans faille,
Fruit i doit querre et cil et cele.
3 Rose, I. 154, 5278 (4572) :
Briefment tuit a Wit s'acordcnt
CB qui a cele ovre s'arnordcnt,
Se ne sunt gens qui riens ne vaillent,
Qui por deniers vilment se baillent.
Rose, I. 154, 5288 (45 3 2) :
Pense-il que fame ait son cors chier,
Qui tout vif le soffre escorchier ?
5 Rose, I. 154, 5295 (4589):
Certainement nule tel beste
Ne doit estre amie clamee,
Ne n'est pas digne d'estre amee.
L'en ne doit riens priser moillier
Qui homme bee it despoillier.
1)e zin in onzen tekst is min Guist weergegeN en,
75
A. fol. 22. b. c
Sodat die minnare en soude niet [4475]
4520 Van sinen lieve begeren let,
Dat hire vleesschelike woude bekinnen,
Maer altoes in duegeden minnen.
Maer die minne, die gi draget
Ter Rosen, die u so wel behaget, [4480]
4225 Si es, na dat ict vereesche,
Om die genoechte van uwen vleesche
Te hebbene : — so waerdi genesen ;
Hierbi wildi die Rose lesen ;
U en deert gene andre sake ; [4485]
45e0 Hier omme siedi so tongemake
Ende verdeluwet waer gi sijt.
Gi herberget ter quader tijt
Tuwe boef die minne noit,
Daer owe herte dus om verdoit. 1
4535 Doetse ate tire herten, laetse pen,
Want therte, datse hood bevaen, [4490]
Moet doegen pine ende menich ket ;
Ende alse u die joeget afgeet,
So seldi hebben groten toren,
4540 Dat gi den tijt dus hebt verloren,
Dien gi niet en moeget verhalen : [4495]
Minne si dient u met valen. " 2
Dus seide mi Redene hare sermoen,
Dies mijn herte en hadde wat doen ;
4545 Want minne heeft so wederstaen,
[4500]
Dat mi twent en es' ingegacn.
Ane mi en mach helpen twent
C. fol. 27 c —28. a.
Castien, scelden noeh parlement.
Wat si mi seide bleef al verloren,
4550 Want ic hads int herte toren,
Ende seide : uVrouwe, mi dunct dat gi [4505]
Wilt altemale bederven mi.
Wat, soudic to minne laten ?
So soudic al die lieden paten
4555 Ende mesmogen alle persone.
[4510]
Sint dat minne es dus onscone,
Sone soude niemen minne ontfaen,
Maer altoes in hatien staen :
Dus waric altoes in hoeftsonden
4560 Ende in quaethciden tallen stonden ;
[4515]
Des en mochtic genesen niet.
Teen moetic doen, nu besiet :
In haetscap liggen ocht in minnen.
Nu dunct mi in minen sinnen,
4565 Dat ic nver arnen soude hatie
[4520]
Dan ic dede die minne nie. 3
Vrouwe, gi wilt mi doen sneven ;
Gi hebt mi goeden raet gegeven
Met uwen sermoene al desen dach :
4570 Ic ben dies horen meer en mach.
[4525]
Gi hebt al omme niet gedaen U sermoen, gi moeget wel gaen ;
Macr eer gi gaet, so biddic u,
Dat gi mi wilt berechten nu
4575 Van ere minne daeddi gewach,
Diemen blameren niet en mach, [4530]
19 Die gherechte minne ne s. 11. 21 Vleeschelike ghenouchte doe ic he b. 22 Ne waer a. i.
dooghden minne. 23 de m. 24 Rose. 251 Dat es
alte male als ic v. 26 van den v. 27 '1'. hebne
ende danne w. g 28. Hier omme eist dat ghi
wilt 1. 29 Die Rose ende dit es de s. 30 Dat
ghi dus sijt t. V 31-35 4; C:
E. dese grote pine ende smerte
Die ghi doghet tnt herte.
De twee overige verzen ontbreken.
35 D. hate hewer herte g. 36 Dat dinct nil
dbeste ghedaen. 37 Die p. die rauwe ende dat 1.
38 Wain a. he de j. a. 39 suldi h. wel g. t.
40 /15, g. huwen t. hebt 1 . 41 niet in. weder
halen. 42 M. so mennet al m. v. 43 in haer s.
41 D. ic ne adde w. d. 45 NI. hcvet nil also
bevaen. 46 Therte datter niet in es ghegaen.
47 ne mach ghehelpen. 48 no. 49 so m s.
was a v. 50 Int h. addle groten t. 51 dinct.
52 A. wilt b. in. 53 Bedi s. de in. paten.
54 So moestic al der weerelt laten. 55 E. versmaden. 58 Ne waer a. i. haven s. .',0 I). blevic
in h. 60 E. i q. altoe's vonden. 61 Dies ic ne
mochte g. n. 62 In moet d. dit es een besciet. 63
I. hatien sijn ofte m. 61 N. dinct in. na inijn kinnen.
65 D. mi aergher ware h. 66 D. mi minne mochte
sijn n. 68 Die mi desen r hebt g. 69 al den d. 79 d.
niet h. m. 71 G. hebbet al voer n. g. 72 Huwe sermoenen. 73 Ne waer, so ontbr. 75 V. der m. daer
ghi of g. 76 Daet ende niemen b. m
I Rose, I 155, 5329 (4623 ) :
Moult rec6us dolereus hoste,
Quant Amor onques hostelas ;
Mauves hoste en ton hostel as.
2 Lees met C :
Minne si meat al met valen,
en verg. mijne verklaring dier spreekwijze in de
Taalgids, IV, 121 vlgg,
De Fransche tekst heeft: Rose, I. 156, 5:147 ( + 641).
Car en l'Amor oh to t'entrapcs,
Maint i perdent, bien dire l'os,
Sens, tens, chastel, tors, ame et los.
3 Rose, I 156, 5376 (4670) :
Ou amerai, ou ge herrai ;
Mes espoir que ge comperrai
Plus la haine au derrenier,
Tout me vaille Amors tin denier,
76
A. fol. 22 c. d.
Die ic gerne weten sonde,
Omdat ic die nature woude
Van gerechter minnen leren
4580 Ic solider minen sin toe keren.
– „Te waren, vrient, du best een sot, [4535]
Dattu mettien maecs dijn spot
Pat ic segge al dore goet;
Ende al en siedi bore vroet,
4585 Nochtanne willic doen uwe bede
Pore trouwe ende dore hoveschede, [4540]
Ende wille u leren ende wisen
Pat gi hier namaels noch salt prisen.
Vrient, nu hort ende verstaet,
45 90 So dat u int herte gaat:
Minne es van meer manieren,
[4545]
Alsic a hier sal visieren.
Vrientscap so es geheten dene :
Dat es een goet wille gemene
4595 Sonder twest ende sonder baraet,
Die altoes onder die lieden gaet ; [4550]
Ende si onder hem gemeenlike
Ene goede vrientscap hovesscelike,
Sonder enichge arge saken,
4600 Die twest ochte toren moge maken.
Peen sone es ten andren wert
[4555
Niet trage te doene dat hi begert,
Maer hem te stanc altoes bi
Met gocden trouwen, so dat si
4605 Wesen moeten, beide al een,
So datter sceiden en si negeen ;
[4560]
Maer onder hem gemeinnicheit
Van haren goede ende kariteit,
C. fol. 28 a. b.
Dat deen den andren nine begeft,
4610 Alse hi breke ende berste heft,
Alse diegene die es gestade
[4565]
Beide van trouwen ende van rade;
Ende dat deen den andren mach
Al sijn gepens wel doen gewach,
4615 Sander wrogen ende sonder mare,
Alse och jegen hem selven ware. [4570]
Aldus gedaen es hi van sinne,
Diegene die draeget volmaecte minne.
Dese minne en draget niemen niet
4620 Die enichge avonture ontsiet,
So dattene sijn vrient vinden mach [5575]
In enen poente nacht no dach,
Es hi arem och es hi rike,
Dat hi heme nine beswike.
4625 Gevalt dat hive in aremoeden siet,
Hine sal so lange ontbeiden niet, [4580]
Dat hi van node hem bidden m )et ;
Want met beden gedaen goet
Pat es vercocht al te sere
4630 Diegene die es gerne in dere 1.
Erachtich man in anxten leeft,
[4585]
Alse hi moet bidden dat men hem geeft,
So sere ducht hi dat men sal
Hem sine bede ontseggen al.
4635 Alsmen heft vonden selken vrient,
Die met trouwen ons dient
[4590]
Van allen stucken diesmen begert,
Dien machmen hebben lief ende wert ;
Daermen jegen es dus coene,
4640 En hadde hi engene macht te doene
4578 natur. 79 minne. 80 Daer ic m. s. toe wil
k. 81 een ontbr. 82 D. makes hier dijn s. A. Bien.
83 Mettien d. i. dor g. 84 Hebbe gheseit ende ghemaect v. 85 Nochtan w d. dine b. 86 Die du mi bids
up h. 87 di. 88 Dattu noch h. na suit p. 90 hu
de ' dine i. 91 menigher maniere. 92 h. nu wine
verzieren. 93 Vrienseap es g. die ene. 94 Omdat
een g. w. es g. 95 S. twist te hebne of b.
97 E. o. h. si g. 98 eenparlike. g9 Te hebne
s. quade s. 4600 D. twist ofte t. maken. 1 Daer
teen ten a. w. 2 N. lat nes te d. 3 altoes te
st. b. 4 M. goeder herten waer soet s 5 Ende
dese moeten beede sijn een. A. moete. 6 S. d. s.
ne mach gheen. 7 M. o. h. eene eenicheit. 8 V.
herten van g. al ghereit.
Ende d. den a. te
begheven. 10 Al hevet hi breken ende sneven.
11 Beede tc sine van linen rade. 12 Als die
ghene die sijn ghestade. 11 Sine herte ontladen
nacht ende dach. 15 S. te versegghen e maken
m. 16 Ghelijc of hijt selve vertrect dare. 17 A.
ghedane v. s. 18 Sijn si die draghen gherechte m.
19 ne d niet. 20 D. hem van eenigher dine o.
21 So ontbr. 22 Ghebreckelijc no n no d
23 of. 24 D hire nemmermee b. 25 in pinen.
26 ombeiden. 27 Patti hem b. van n. m. 28 Omme
bidden. 30 Den ghenen d. g. leeft d. 31 anxenen. 32 Als h. b. moet. 33 duchti. 34 S. b.
hem o. a. 35 A. dus ghedanen v. 36 Hevet
vonden d. m. tr. d. 37 V, al dat m. begaert. 38 D.
m. wel h. waert. 40 Ende addi eenighe dine t. d.
1 Rose, I. 158, 5424 (4718) :
Ne puet estre hams si amiables,
S'il n'est si fers et si estables
Que por fortune ne se mueve,
Si qu'en un point taus jors se trueve
Oa riche on povre , ses amis,
Qni tout en Ii son cuer a mis ;
Et s'a, povrete le voit tendre.
Il ne doit mie tant atendre
Que ell s'aide li requiere ;
Car bonte faite par priere
Est trop malement chier vendue
A cuer qui sunt de grant value,
77
A. fol. 22. d.-23. a.
Stucken die hem sijn orient bade, [4595]
Hi soudene troesten met goeden rade,
Daer bi sijn herte soude verhogen,
Ende helpen dragon half sijn doegen.
4645 Bider loye van der minnen,
Seit Tulius, datmen soude kinnen [4600]
Wat beden datmen bidden soude
Van vrienden, diemen hebben woude :
Dat es die bede die eerlic si
4650 Ende oec redeblic daer bi I.
[4605]
Dit es die minne die mi baecht, Ende dese willic dat gi draecht,
Ende andre scuwet ende vliet ;
Want si en es ure baten niet;
4655 Ende dese heeft vertijt in hare
[4610]
Van alien doegeden openbare 2 .
Hier ane hout u, dat es mijn raet,
Want uwe mi nne die es quaet.
Nu verstaet ende wilt bekinnen
4660 Die waerheit van ere andre minnen,
[4615]
Die goeder minne constrarie es,
Des sijt seker elide gewes,
Ende te rechte te lachterne si :
Dats minne om gichte, geloves mi ;
4665 Want die vrientscap vander minnen
Duert alse langc alsmen waent winnen; [4620]
Mare alse die wasdoem es gedaen,
So es die minne al vergaen.
Die minne es sere ter avonturen,
4670 Die met gichten al moet duren.
[4625]
Dese minne es te bestaene
C. fol. 28. b.—d.
Recht alsoe alse geet die mane,
Die onder een swaer wolken geet,
Die hare al haer licht versleet
4675 Ende verdonkert om die wolke 3.
[4630]
Aldus eist recht metten volke,
Dat hem ier minnen al selc trect ;
Ende alst met aremoeden es bedect,
Soe ongeet hem sine vrientdinne,
4680 Die wedercoemt met bliden sinne
[4635]
Alse hem weder wast sijn goet.
Pus wast die minne ende doet
Gelike der mane in elke maent,
Die emmer wast ende weder waent.
1685 Met derre minne, die ic bediede,
Sinder meest gemint die rike liede, [4640]
Ende die gierege sonderlinge,
Die bernen in gewaren dirge
Altoes in groter giricheiden.
4690 Si sijn vele sotter bi waerheiden
[4645]
Dan die beesten indien woude. Wanense datmense minnen soude
Om ander sake dan om hare goet?
Neent, tuwaren, des sijt vroet !
4695 Die vrecke hive mint oec weder niet,
[4650]
Ende macht u tonen, nu besiet ;
Want alse die girichge, rike man
Siet sinen lieve, dien hi wel jan,
Hebben breke ende grote aremoede,
4700 Ende niet en geft van sinen goede,
[4655]
Mar houdet met hoeden groet Tote diesmaels dat hem neenit die doet,
4641 Ende hem s. v. dan b. 42 Omme troest m.
g. r. 43 Iii soudene int h. zeere v. 44 E. hem helpen
d. sijn d. A. helpe. 45 Van den 1. 46 Tullius
seit dat men s. minnen. 47 Van b wat men.
48 soude. 49 Dit e. de b. d. vriendelije s. 50 E.
daer men vrienscap mach weten bi. 51 de m
d. m. behaghet. 52 E die ic w. 53 die andre.
54. W. soe hu te b. comt n. 55 hevet virtuut.
56 Ende hevet alle doghet dats ware. 57 an h.
hu dats m. r. 59 N. willic hu voert doen b.
60 Van eerande minne. 61 contrarie. 62 Die
waerheit daer of nu hoert des. 63 Die met r.
64 D. m. onghifte. 65 vrienscap v. minne. 66 also
lane als dat winne 67 Ne waer als de waesdom.
68 de m. van hare v. 69 Dese m. staet al ter a.
70 ghiften aldus m. d. 71 D. us. e. recht an te
wane. 72 gaet de m. 73 een wolkin. 74 D. haer
licht beneemt ende v. A. lich. 75 onder dat
wolken. 76 A. so e. m. v. 77 D. h. te zulker
minne t. 78 Ende ontbr. 79 ontgaet. 81 Als h.
sijn g. vast ende coemt. 82 Ende aldus gaet de
m. e. coemt. 83 Ghelijc die m. 8i deser. 86 Sijn
meeste g. met riken lieden. 87 die ontbr. 88 in
wertlike dinghen. 89 in die gierichede. 90 S. s.
v. s. liede. 91 beeste in den w. 92 W. si d.
menne. 93 haer. 94 Neemt te waren. 95 D. v. ne m.
o. n. 96 E. mach hu segghen een bediet. 97 W. a.
de vrecke r. m. 98 sijn lief dat. 99 grote ontbr.
4700 E. n. ne doet. A. E. n. ende g. 1. M. hoedet
m. begherten g. 2 T. dien datti n. de d.
1 Volgens de bekende spreuk van Cicero :
Quod justum est petito.
2 Rose, I. 160, 5488 (4782) :
Ceste h. toute vertu s'amort,
Mais l'autre met les gens h mort.
3 In het origineel is niet het wassen der maan,
maar de eklips tot beeld gekozen. Rose, I.
160, 5504 (1798) :
C'est l'amor qui vient de Fortune,
Qui s'esclipse comme la lune
Que la terre obnuble et enumbre ;
Quant la lune chiet en son umbre,
S'a tant de sa clarte perdue,
Cum du soleil pert la \retie ;
Et quant ek a l'umbre passee,
Si revie:it toute enluminee
Des rail que li solaus li monstre,
Qui d'autre part reluist encontre.
78
A. fol. 23. a. c.
Endene die quade mort versmacht,
Dan moet hijt laten ongewacht.
4705 Eer hijt ga ve in sinen live,
[4660]
Hi liet hem eer met enen knive
Steken in sire herten bloet,
So gerne houd hi vaste sijn goet.
Wie sonde dien man moegen minnen,
4710 Die niet ontfarmt sire vriendinnen
Die man en es te prisene twint, [4665]
Die niet en mint no en es gemint.
Ende sint ic u van avonturen
Hebbe u herte doen beruren,
4715 Ende van ha,erre miime hebbe geseit,
[4670]
Willie u wonder ende waerheit Dien verstaen nadat is sie,
Dat gi, waen ic bort nie ;
Nochtan eist sekerlike waer.
4720 Wie vinden bescreven openbaer,
Dat vromeleker ende beter ware [4675]
Die avonture fel ende sware
Den lieden, dan die suete ende sachte :
Dit dinct u fel in owe gedachte.
4725 Ic wilt u met redenen wisen,
Die gi met rcchte sett moegen prisen. [4780]
Als een die avonture heeft
Goet, hem dunet datse hem geeft
Sinen wille altemale,
4730 Omdat hem sine dine geet wale:
Dus waent hi bliven emmermeer. [4685]
Hi kent quake haren keer :
Alse hi boven sit up trat,
Ende hem selven wel dunct dat,
C. fol. 28. d.-29. a.
4735 Dat hi es rike alse hi begert,
[4690]
Ende met alden lieden wert,
Ende vol glorien hebbe sijn leven,
Die hem moge die werelt geven,
Dan waent hi so grote een here
4740 Seker blivcn emmermere,
Ende waent oec gemint wel wesen, [4695]
Dies hem die lieden in doren vesen,1
Die te hem comen ende kinnen,
Ende die seggen, dat sine minnen
4745 Ende haren dienst hem sere bieden,
Ende seggen: „Hier en es niemene van ons lieden, [-1
Hine soude u utermaten gerne
Sijn hemde geven u te verterne,
Ende deilen goet ende al sijn lijf."
475)) Dan so waent wel die kaitijf
[4705]
`Vat si seggen dat es al waer ; Maer alse dat rat keert daer naer,
Ende hi onder es gevallen,
Blivet logene van hem alien. 2
4755 Abe hi in daremoede es gesien,
[4710]
So gaen si alle van hem vlien : Van C vrienden vint hi come enen
Van dien hem vrient te voren scenen.
\Vat hem die avonture behiet,
4760 Dies en vint hi een twent niet :
[4715]
Het blijft verloren altemale, Als hi gevallen es daer tale.
Sijn mesval deert hem dan meer
Danne ochte hijs hadde gehadt noit eer.
4765 Die felle, wrede avonture,
[4720
Die divers es ende stun-,
4703 Ende dattene de in. v. 4 Danne. 5 Ende e.
h. g. binnen s 1. ti bete. 8 S. over vast h. h. s. g.
9 Hoe s. de m. m. m. 11 nes t. prisen. 12 no nes g.
13 Na dien dat ic. 14 Huwe h. hebbe ghedaen b.
15 Van minnen aisle h. g. 16 So w. 18 ghehoeret. it) Noebtanne e. emmer w. 20 I. vinde
ghescreven nu hoerter naer 21 Dat beter te
prisene w. A. Die. 23 Danne die zoete e. die s.
24 D. d. hu wonder ic achte. 25 Ende ic.
26 Dat ghijt voer recht zult p. 27 Alse e. d. a.
goet h. 23 Dinet h. dat hi wel levet. 29 Te
s. w. 30 0. h. gaet s. d. w. 31 So w. h. dm
b. emmermee. 3 !, qualiken. 33 Als h. b. sit.
A. sat. 44 dinct. 35 D. h. r. es ende waert.
36 E. hevet al datti begaert. 37 Van weelden
daer hi in levet. 38 Die de weerelt ende de
avonture ghevet. 39 Ende- aldus waent emmermeere. 40 A lte male bliven in dese eere. 41 E.
g. oec sijn van desen. 42 Alse h. de 1. i. dore
lesen. 43 doen kinnen. 44 Dat sine met herten m.
45 sere ontbr. 46 Hier nes niemen v. o.. 1.
47 Segghen si hine gave hu te vertherne.
48 S. h. utermaten gherne. 49 E. hu weder
d, elen g. e. lijf. 50 Danne; wel ontbr. 51 Datsi
s. d. es w. 51 So blijft hi ligghende v. h. a.
55 Ala. 56 So ontbr. 57 eene. 58 V. die sine
vriendc. 59 Dies ne vint hi nu niewer niet. 60 Want
hem die avonture besciet. 6 i Dat blivet. 62 A. ghi
g. leit te dale. 63 nu mee. 64 D. dies noit ne adde
eer. 65 Dese. 66 D. diverse ende die sure.
I Het frequentatief vezelen is bij onze dichters
der XVIIe eeuw in den zin van jluisteren nog
bekend. Lie Kil. op vesicken, in aurem insusurrare, en Dr. de Jager, Werkw. v. Herh. e. Dur.
17 op jazelen.
2 Rose, I. 163, 5598 (1892):
Et eil qui tiez paroles oient
S'en glorefient, et les eroient
Ausinc cum ce fust Evangile ;
Et tout est flaterie et guile,
Si cum cil apres le sam-oient.
79
A. fol. 23 c. d.
Alsi hare rat do& keren,
Wilt 4i .tea nversten al onteren
En41te 'iverpene neder onder voet,
4770 Ende benemt hem ere ende goet,
Ende houdtene met aremoden bevaen. [4725]
Die heme ere hadde gedaen
Hietene alle keytijf ende sot,
Ende hilden met hem hare spot :
4775 Dus en behout hi vrient engeen.
[4730]
Maer die gene, die al, in een
Heeft die avonture swaer,
Minten iemen, dat es waer,
Hine laettene mn sijn armheit niet,
4780 flat hine scuwet ende vliet; 1
Maer secorstene ende staet hem in staden,
14735]
Alse hi met aremoeden es verladen.
Al trect een op sinen vrient sijn swart,
Hine heeften niet daerommc onwart
4785 Ende en machene niet verhaten ;
[4740]
Mar is wille u weten laten,
Waer met men verwerct vrientdinnen
Ende sceden doet van haerrc minnen :
Dats bi hoverden ende bi felheiden,
4790 Ende topenbaerne heimelicheiden
[4745]
Ende dinge die te heelne staen ;
Ende Bits die sake die doet vergaen
Gerechte minne daer si es :
Dies slit seker ende gewes,
En was noit so grote rijehede
4795
[4750]
Noch so hoge van Godc mede. C. fol. 29. a. b.
Vrientscap en es meerre vele;
Want men seit in bispele,
Dat inden wege beter si
4800 Vrient dan gels, geloves mi ;
Want alst mesfalt enen man,
[4755]
So dat hi niet vercoveren en can,
So wart hi bi sinen mesfalle
Wel geware sijnre vrienden alle ;
4805 Dan siet hi wale ende kint
Ocht hi van iemenne es gemint.
[4760]
Hem ware dan beter een vrient allene
Dan al sijn goet groet ende clene ;
Hem vroemt sware avonture meer
4810 Dan dede die gode te voren eer;
Want bider goeder wart hi blint, [4765]
Ende bider andre wart hi bekint ;
Want alse hi coemt van groten goede
Geworpen neder in grote aremoede,
4815 So siet hi hem sine vrient afgaen,
Die hem al vrientscap daeden verstaen, [4770]
Doet hem stoet van haven wale :
Die verliest hi dan altemale ;
Maer een vordeci so heeft hi :
4820 Dats dat hi wart geleerd daer bi,
Dat in sine gelucke een man
[4775]
Sine vriende bekiunen en can.
Goet en maect den man niet rike,
No seat, no have des gelike ;
4825 Mare, wient genoget dat hi hevet,
Hi es rike vor al dat levet;
[4780]
Want selc en hevet niet ene mite,
4767 Alsoe h. r. omme keert. 68 Den uppersten soe dan ontheert. 69 werptene. 70 neemt.
71 in aermoeden. 72 Dien hi te voren hevet
g. 73 Eere hetene nu k. e. s. 74 houden m. h.
haren s. 75 Dies ne behouti v. gheen. 76 A. Daer.
77 Die a. hevet s. 78 Mintene yement dit.
79 aermoede. 80 hine yet s. 81 Newaer troos
tem e. s. in s. A. in ontbr. 82 Als hi in de
aermoede. 83 A. trecti up s. 84 hevettem
leet d. no o. 85 ne machem n. laten. 86
Nu willic hu voert weder 1. 87 Hoe m. verwerket de vriendinne. 88 haer de minne. 89
Dat. 90 E. bi te openbaerne es heimelichede.
A. En — heimelijeiden. 91 dinghen. 92 Dit
sijn de zaken d. doen v. 93 soe. 96 No s. 11.
gheslachte m. 97 Vienscap ne si. 98 zeghet
4800 danre. 2 Ende Li v. niet e. c. 3 S. wort
h. van. 4 sine vriende. 5 Danne, wel. 6 Of h.
v. yeman was g. 9 H. v. die s. a. m. 10 Danne
te v. die g. e. 11 wert. i 2 E. b. a. hi hem
selven kint. 13 Ala h. wert v. g. g. 14 Neder
g. in die a. 15 vriende of gae -:. 16 alle vrienscap.
17 van haven stont. 18 danne. ?0 Dat hire g.
wert b. 21 Want in sinen gelucken. 22 Sinen
vrient niet kinnen c. A. en ontbr. 23 Oec sone m.
2 t Have n. s. no diere g. 25 M. dien ghenoughet. 26 H. e. die rijcste die 1. 27 Het
sulc hine h.
1 Rose, I. 164, 5645 (4939) :
Mais li vrai ami Tor demorent,
Qui les cuers ont de tex noblesces,
Qu'il n'aiment pas por les richesces,
Ne por nul preu qu'il en atendent.
2 Rose, I. 11;5, 5652 (4946):
Qui sus amis tr3roit s'esDee,
N'auroit it pas l'amor copee ?
Fors en dens cas que ge voil dire,
L'en le pert par orguel, par ire,
Par reproiche, par reveler
Les segres qui font /i, Men
De vertaling geeft hier wederom een geheel
anderen zin dan het origineel.
80
A. fol. 23. d.-24. a.
Hi so levet in meerren delite
Dan selc doet, sijt seker das,
4830 C. mudde corens in sinen tas ; 1
[4785]
Ende sal u seggen wel ware hi :
Die gene, (lie so rike si,
Hem bernt binnen altoes sijn moet
Om te gaderne dat grote goet ;
4835 Maer die ander, die niet en hevet
Dan dagelix went, daer hi bi levet, [4790]
Hine gaderet tgoet niet alsoe.
Alse hijt went dan es hi vroe,
Ende verteret wel blidelike,
4840 Al eist dat hi niet en es rike,
Ende houttere heme eerlic mede, [1.795]
Ende penst, alse lange alsi sine lede
Heft gesont, sal hi wel winnen
Dat hi verteren sal met sinne.
4845 Eist oec te tout och te nat,
[4800]
Hi penst wel te lidene dat;
Wert hi siec, sine geburen
Selne wel int gastimus vuren,
Daer hi van hongera nine bederft ;
4850 Ist oec dat hi van ermoeden sterft,
[4805]
So penst hi dattene halen sal
Onse Here met sinen inglen al,
Want hi gescuwet heft giricheide
Ende wel gehouden dat God seide,
4855 Dat niemen om margen sorge en heeft,
C. fol. 29. c. d.
Want al God geeft daermen bi leeft. [4810]
Ons seit Pitagoras die clerc,
(Ine weet oft gi noit saget sijn were,
Diemen die Guldene Vers hiet)
4860 Hi seit: alse hi van lichame sciet,
So vast hi ter heleger locht
[4815]
Ende laet dese erdsce vrocht :
Daer levede hi alse een God. 2
Hi es wel keitijf ende sot,
4865 Die waent dar hier sijn lantscap si;
Neent! nemmer niet, geloves mi. [48.40]
Onse lantscap en es niet sekerlike
Hier neder in dit erderike,
Maer hier boven eist altemale.
4870 Dat merken wie biden clerken wale,
[4825]
Die de boke hebben gelesen,
Die wale connen spreken van desen. 3
Ende oec die gene die mach leven
Van dien dat hem sine rente geven,
4875 Ende niet en geert van anders goede,
Hi mach wel leven sonder aremoede ; [4830]
Want die meestre seggen mi,
Dat niemene keitijf no arm ne si,
Hine wille zelve arem wesen,
4880 Eist coninc, eist grave, als wi lesen.
[4835]
Menich ribaut es die plegt
Dat hi colen met sacken dregt ;
Nochtan heft hi dat herte so blide,
4828 H. 1. meer in d. 29 Danne sulc die hevet
in sinen las. 30 C. m. c. sijt zeker das. 31 wel
ontbr. 32 r. van haven si. 33 H. staet a. herte
ende m. 31 Omme te vt rramene groet g. 35 andre.
36 wint. 37 H. g. gheen goet a. 38 Ne
waer als hi yet wint d. 39 wel ontbr. 40 en
ontbr. 41 Hi houter hem eerlike m. 42 E.
penst also 1. alsi sijn 1. A. alse hene. 43 Hevet ghezont s. h. wiunen. A. gewont. 44 m.
minnen. 45 of. 47 oec s. 48 Selne int g.
voeren. 49 niet. 50 Eist. 51 S. peinsti
dattem God h. s. 52 Met sinen i. in de
bliscap a. 53 Omme datti sonder g. 54 Sinen
tijt levede als G. dede. 55 D. n. goet verborghen sal. 56 W. onse Heere si ghevet al.
57 zeghet P. de c. 58 In w. of. 5 9 Datmen dat. 60 als de ziele huten 1. sceet.
61 vaert men. 63 D. men levet als. 66 N.
niet des ghelovet m. 67 0. 1. es int hoghe
rike. 68 Niet h. n. 69 Ne waer h. eist
nu a. 71 dese bouken. 72 wel. 73 oec ontbr.
74 die r. 75 ne ghert v. andren. 76 Die
77 meesters. 78 D. niemen arem no kaytijf s.
Vs. 79 en 80 ontbr. bij A. 81 es ontbr., pleghet.
82 in sacke draghet. e3 Nochtanne heefti
therte.
1 De lezing van C. is in deze twee verzen
de ware :
Verg. Rose, I. 168, 5750 (5044) :
Quant to du cors departiras,
Tous frans ou saint ciel t'en iras,
Et lesseras humanite,
Vivans en pure deite.
3 De fransche tekst heeft misschien onzen vertaler in de war gebracht, die van Boethius boeken maakt. Rose, I. 5758 (E52) :
Ce puet l'en bien des clers enquerre
Qui Boece de Confort lisept,
Et les sentences qui lk gisent.
Dan selc die hevet in sinen tas
C. mudde corens, sijt seker das.
2 Lees eenigszins gewijzigd met C. in
8460-63:
Alse die siele uten lichame sciet,
So vaert si ter heleger locbt
Ende laet dose erdsce vrocht,
Daer si levet alse een God.
vs.
81
A. fol. 24 a. b.
Dat hem en deert tegenen tiden ;
4885 Want, alse hi die pine heeft leden,
Loept hi en wech met haesticheden [4840]
In die taverne dat verteren :
Bleeft hem lange het soude hem deren.
Ende alse hare wenninge es verteert,
4890 Lopen si weder ter marct wart,
[4845]
Ende dragen die sware ferdele Met bliscepen ende met spele,
Ende winnen blidelike hare broet,
Daer si stoppen met hare noet ;
4895 Ende als sijt hebben dus gewonnen,
[4850]
Lopen si weder vor dier tonnen
Ende sijn blide ende in hogen,
Ende drinken wat sijn drinken moegen,
Ende warren genoech hebben ewelike.
4900 En waendi God van hemelrike
[4855]
En hefse liever van desen arde,
Dan ochte si waren perssemarde ?
Want die perssemert sekerlike
En mach nemmermee wesen rike,
4905 Sine herte bernt in sduvels strec,
[4860]
Dies hi es girich ende vrec 1 .
Die coepman hine leeft met aise
Noch oec en genen tijt in paise,
Want sine herte altoes orloget
4910 Om goet te winne ende poeget,
Ende nemmermeer en sal hijs genoech [4865]
Hebben vercregen na sijn gevoech,
C. fol. 29 d.-30 a.
Noch te winne wesene sat,
Om te meerne sinen scat.
4915 Hi heeft bestaen ene selsane pine :
Hi wilt al twater uten Rine
[4870]
Drinken, dies hi drinken en mach
So vele, en blives nacht ende dach
Alse vele alit te voren dede :
4920 Dit doet die grote girichede,
Die sijn herte altoes ontstelt ;
[4875]
So. hi meer heeft so hi meer welt 2.
In dit vernoy, in dese bataellie
Blivet hi sijn leven sonder faille.
4925
Avocate ende fisiciene
Dese gaen alle die straten gemene 3, [4880]
Ende sijn blide ende sere in hogen
Alsi den penninc winnen moegen
Ende hare const vercopen wale :
4930 Hieran gcet hem altemale,
Om datter ute wasdoem scijnt. [4885]
Hoe sere die sieke si gepijnt,
Si wouden datter sestich ware;
Ende davocaet woude openbare,
4935 Datter dingeden III warf tiene.
Hoe scone sijt hadden ocht hu sieve, [4890]
Dat woudense dusentich, weet is wel:
Dat doet giricheit ende niet el,
Diese bernt in die girichede 4.
4940 Ende die meestre van divinen mede,
Die predeken gaen van stede te stede, [4895]
4884 tide. 85 alsi de p. 86 en ontbr. 88
langher h. soudem. 89 E. als de wininghe.
90 Loept hi. 91 draghet d. s. fardeele. 92 riveele.
93 E. wint b. dat b. 94 D. hi mede bedraghet
sinen n. 95 hijt cies hevet. 96 Loept hi w.
toter t. 97 E. es b. e. zeere i. h. 98 drincket
ende eet na sijn vermoglien. 99 waent. 4900 Ne.
1 Ne heefse. 2 D. hi doet dese p. 3 de
persemier. 4 Ne in. nemmer sijn so r. 5 ne
berrent. 6 Want h. g. es e. v. 7 D. c. es oec
niet tayse. 8 No ne levet in gheenen p. 9 Sine
h. om winnen ende poghet 10 Daer hi pine
ende rauwe om doghet. 11 en sal hijs ontbr.
12 Ne hevet na s. g. 13 Hine wil winnen
verstaet dat. 14 meersen. 15 Due hevet hi
heewelike p. 16 wille a t. vanden R. 17 dat
h. niet d. m. 18 Enne blivets. A nach 19 Also
v. als t. v. was mede. 20 D. d. al de ghierichede.
21 sine h. daer toe stelt. 22 hevet in sire
ghewelt. 23 So hi meer hebben wil sonder faelge.
24 Aldus levet hi in bataelge. 26 Gaen desen wech al g. 27 Si s. 29 conste. A.
vercope. 30 H. a. setten si sin ende tale. 31
0. d. waesdom u. s. A. scient. 32 ziele. 33 wilden
wel. 34 Die advocaet wilde oec o. 36 si
adden of hoe s. 87 D. wilden si M. w. i.
wale. 38 Ende dit d. g. al te male. 39 Die
si in therte draghen beede. 40 Die meesters
v. divine m. 41 steden te steden. Vs. 43 en
44 ontbr.
1 Rose, I. 169, 5784 (5078) :
Tuit cil sunt riche en habondance,
S'il cuident avoir soffisance,
Plus, ce set Diex li droituriers,
Que s'il estoient usuriers :
Car usurier, bien le t'afiche,
Ne pourroient pas estre riche,
Ains sunt tuit povre et soffreteus,
Tant sunt avez et convoiteus.
2 Rose, I. 169, 5811 (5105) :
Cum plus aquiert, et plus li faut.
3 Rose, I. 170, 5812 (5106) :
Advocas et phisicien
Sunt tuit lie de cest lien.
4 Rose, I. 170, 5816 (5110) :
Tant ont le gaaing dous et sade,
Que cil vodroit por un malade
Qu'il a, gull en oust quarente,
Et cil pour une cause trente,
Voire dens tens, voire dens mile,
Tant les art convoitise et guile.
6
82
A. fol. 24 b. c.
Om ere to hebbene ende rijchede,
Ende om vordeel van den heren
So gaen si den volke leren
4945 Ende seggen wel goede predecaden,
Die hem selven cleine staen te staeden ;
Want sijt doen om idele glorie,
Daer hem verblijt af die memorie: [4900]
Ende dat es hare ziele verlies.
4950 Menich predect, sijt seker dies,
Sonderlange goede predecade,
Die uten der herten vol van quade
[4905]
Coemt ende vol souden mode,
Ende nochtan blijft in hare quaethede.
4955 Van des en lieden latict bliven,
Ende wille hier nu vort bescriven
Van den quaden, vulen tassarden 1,
Die wel geliken den perssemarden, [4910]
Die oec noit minnen en wouden
4960 Anders dan hare gelt vaste houden,
Ende werpent te haren groten scatte.
Hoe sere sal op hem wreken datte
[4915]
God onse here van hemelrike,
Ende dat si sien elker dagelike
4965 Die arme, die si voeden souden,
Sterven van horgere ende van condo.
Altoes hebben si drie pinen
Die gene die gaderen tgoet in scrinen: [4920]
Met groten pinen winnen sijt,
4970 Ende houdent met anxten alle tijt ;
Si sceden daer af met groten sere,
Nochtan dat hem en dede noit ere.
C. fol. 30 ai—c.
Dit doet al gebrec van minnen ;
[4925]
Want minnede tsmenscen herte binnen,
4975 Sone ware getrouwe minne niet leden
Die nu verbernen in girichede ;
Want wien meer goods ware bleven,
Hi hads linen vrient gegeven
[4930]
Ochte geleent tsire noet
4980 Ende van vrientscepen groet 2.
Die werelt ware dan even rike,
Ware die minne in dese gelike
Neon si niet ! dats ongeval,
[4935]
Die minne si es to cope nu al;
4985 Niemene ne mint dan om sine vrome,
Dan hoe hi to groten goede mach comen.
Die wijf vercopen hen oec mode,
Daer si hem mode doen grote lelichede. [4940]
Aldus sijn al die liede ondeert,
4990 So sere hebben si gekeert
Hare herte ane die girichede,
Dat si hare grote vrechede
Hebben geleit in eigijndome 3.
[4945]
Alselke liede, aloe is hier nome,
4995 Sijn knecht der penninge, di si houden
Vaster dan si to rechte souden.
Dose maken meester over hen
Den penninc, die in haren sen
[4950]
Altoes legt, ende dien si geren
5000 Ende en dorren niet verteren.
Nochtan moot verteert al wesen
Biden genen ocht bi desen ;
[4955]
Want waneer hi die ogen luect,
4945 Si segghen goede woert ende predicken. A.
predecaren 46 Die si selve niet ne doen bliken. 47
Ne waer doent. 48 D. si of verbliden in haer m. 49
E. dit e. al der zielen v. 51 Goode woert van p.
52 D. comt uter h. q. 53 Ende vul van s. m.
5 4 Die niet betren haer q. 55 Ne waer v d.
lade b. 56 E. w. hu v. b. 57 Van desen v. t.
58 wel ontbr. 60 A. damn tghelt v. h. 61 E.
to meersen hare s. 62 H s. s. noch w. d.
64 Dat si wel s. in desen rike. 65 Van h. laten
st. e. v. couden. 67 Die ghene die goet in scrinen.
68 Altoes gadren hebben III pinen. 69 groeter.
70 an xenen taire t. 71 sceeder of. 72 h. noit
dede e. 73 ghelaet. 74 Ware die herte ont-
steken b. 75 Ende g. m. n. 1. 76 berrent in
ghiericheden. 77 Van wieu meest w. b. 78 Goets
souts s. v. gheven. 79 Ende leenen te ziere n.
80 E. ware de vrienscap dus g. 81 So w. de
w. even r. 85 Adde ghetrauwe m. elkerlike.
83 Ne waer neon. 84 si ontbr., nu ontbr. 85
Niemen m. 86 Ende h. h. t. g. g. come.
87 wive. 88 grote ontbr. 89 alle de 1.
90 Die hare herte hebben g. 91 So vaste
an d. g. 92 vrihede. 93 Gheleit h. in e.
94 Sulke. 95 knechte des scats. A. knech.
96 doen s. 97 heere. 99 begheeren. 5000 E.
solve niet d. v. 1. N. moeti v w. 3 W. welken
tijt h. toghe 1.
1 Rose, I. 170, 5840 (5134) :
Mes or laissons tex prescheors,
Et parlons des entasseors.
2 Rose I. 171, 5856 (5150) :
Ne ce n'est fors par le (Want
D'amors, qui par le monde faut ;
Car cil qui richesces amassent,
S'en les amast, et it amassent,
Et bonne amor par tout regnast,
Que mauvestie ne la fregnast,
Mes, plus donast qui plus Bust
A ceus que soufreteus senst,
Ott prestast, non pas it inure,
Mes par charite note et pure, etc.
3 Lees met C : vrihede, en verg. Rose, I 171,
5879 (5173) :
Tant aunt d'avarice lie,
Qu'il ont for naturel franchise
A vil servitude soumise.
83
A. fol. 24 C. d.
En weet hi wie sinen scat ontpluect,
5005 Ochte wien dattene verteren sal,
Dien hi ! eft lange vergadert al.
Hets riken lieden grote onnere,
[4960]
Dat si jegen hare nature so sere
Doen, want hare nature es dat,
5010 Dat si souden telker stat
Den lieden secorsen ende lenen.
En verstaet niet dat wi menen,
[4965]
Dat sijt souden lenen iet
Om persseme ocht om geniet,
5015 Miter om -G-ode, diet hen verleent.
Mar men pleges nu niet, neent !
Si leggent vaste in groten prisone,
Ende en dinkent niet te verdoene, [4970]
Ende houdent met groten onneren ;
5020 Want altoes in haer herte keren
Die drie poente, die is u seide :
Deen es te wenne met arebeide,
Dander es te houdene met sorgen, [4975]
Ende terde node af te scedene morgen.
5025 Tgoet sal noch hem selven wreken ;
Al eist dat niet en can spreken,
Het slacht wel der coninginnen,
Die inden torre verwracht kit binnen, [4980]
Ende hout hare met paise ende in gemake,
5030 Ende laet die keitive in wake
Tote dat comen mach hare ure :
Edan gaet si irsten buten den mure.
[4985]
Alsoe so sal doen die scat. Alse sijn here es tslevens sat,
5035 So sal hi den genen bliven,
Diene saen sal overdriven ;
Maer die gerechte goede man
C. fol. 30 c. d.
Hine houd hem niet hier an,
f4990i
Maer es vroe ende harde blide,
5040 Ende gevet tsine tallen tiden
Daert hem bestaedt dinct wesen.
Dedalus geleec wel desen,
Die Ycarus sinen sone maecte
[4995]
Vlogle, die hi wel geraecte :
5045 Dat dedene art ende niet nature,
Ende dedene vliegen die locht dure ';
Maer die nodichge, girichge man,
Al pijnt hi vliegen, hine can ; [5000]
Sine ere en mach niet verre comen :
5050 Giricheit heft hem benomen,
Die hem alle doeget doet laten.
Noch sal God onse here meer haten
Den nodichen girichen ongeseedt [5005]
Dan dien die afgoden anebeedt ;
5055 Mare milde herte, wildijt verstaen,
En wilt met giricheden omgaen,
Maer dore die ere, die hi begert,
Vlieget hi dore die locht vortwert. [5010]
Noch heeft liever God onse here
5060 Den 'linden ende minten mere
Dan hi den vulen girichen haedt,
Dien hi nochtanne sere versmaedt.
Suete rijcheit, alte mordadich,
[5015]
Waerbi siedi so ongenadich
5065 Den genen die u ane hen lesen,
Dat si moeten u knecht wesen
Ende dienen ende liggen onder voet,
Dattie milde niet en doet? 1
[5020]
Maer selke die hier stoede neven
5070 Mochten seggen ende antworde geven,
Dat grote sekerheit geft die scat.
5005 No wie. 6 D. h. hevet v. a. 8 haer.
9 haer. 10 van haren scat. 11 D. 1. sockoersen
1. 13 sijt hem s. 14 of to sine ghemiet. 15 Ne
waer omme G. d. al v. 16 M. menne plegets
niet n. 17 groten (mar. 18 dinkens n. ten v.
19 Ne waer houdene m. o. 20 Ende a i. h. h.
meeren. 22 Teen e. t. winnene. 23 Tander te h.
24 Terde n. sc. daer af m. 26 niene c. 27 goddinnen. 28 tor 1. verwrocht b. 29 Die haer in
p hout e. te g. 30 den k. 31 haer. 32 Ende
danne g. soe b. m. 33 Ende a. sal d. s. 34 slevens
es s. 36 over sal driven 37 gherechtege m.
38 Ne h. h. n. der a. 39 Hine e. altoes v. e. b.
40 dat sine. 41 D. h. sal dincken besteet w.
42 D. dincket wel van d. 43 Ycaruse. 44 Vloghe.
45 Maer dat dede a 46 Diene de 1. vl. dede d.
47 Ne waer d. g. m. 48 hem to vlieghene.
49 Sijn. 50 hevet. 52 salve, mee. 53 onghezedet
54 Danne die afgode ane bedet. 55 Ne waer.
56 Wille niet m. ghiericheit omme g. 57 Ne
waer dor deere. 58 V. h. in de lucht voer w.
59 N. hevet vele 1. o. H. 60 mintene. 62 nochtan.
63 Ay zoete. 65 Die ghene d. hem a. hu 1. 66
Si m. huwe kechte w. 67 Te dienne e. to legghene
o. wet. 69 M mi mach zulke haer pleghen. 70 Segghen ende der anwoerden jeghen. 71 gheeft sat.
1 Rose, I. 173, 5947 (5241) :
A Dedalus prenent exemple,
Qui fist eles it Ycarus,
Quant par art, non mie par us,
Tindrent par mer voie commune.
2 Doge, T. 174, 5978 ( 5272) :
He ! douces richesces mortex,
Dites-donc, estes-vous or tex
Que vous facies beneurees
Gens qui si vous ont emmurees ?.
Car quant plus vous assembleront,
Et plus de paor trembleront.
Et comment est en bon eur
Hons qui n'est en estat seur ?
84
A. fol. 24 d.-25 a.
An heren, an coningen merken si dat,
[5025]
Die om hare edelheide groet
Voren met hem groet conroet
5075 Van lieden, die gewapent varen,
Dies hire sijn lijf met wilt bewaren. 1
Dan seggen die lieden verre ende bi,
[5030]
Dat ene grote coenheit si. God weet wel, die kent al goet,
5080 Pat hem grote serge doet,
Die hen dagelijcs doet asaut ;
Want sekerleker mach een ribaut,
[5035]
Waer hi wilt, gaen ende keren
Allene vor die mordeneren,
5085 Ende yore hem dansen ende springers,
Ende lude ropen ende singen
Sonder sorge teneger stont,
[5040]
Dan die gene die dragen bont, 2
Al haddi oec met al datte
5090 Dat behort tsinen scatte,
Gout ende precieuse stene ;
Dat namen hem rovers al gemene,
Ende soudene oec dacrtoe verslaen, [5045]
Daer die ribaut sonde ontgaen,
5095 Omdat si duchten souden thangen,
C. fol. 30 d.— 31 a.
Wordense van sinen lieden gevangen.
Niet meer en mach een coninc sijn vri
Dan een ribaut, geloves mi,
[5050]
Allene opdat sine liede en waren :
5100 Sine liede ! is liege tuwaren,
Sie en sijn sine meer no min,
Maer hecrscap heeft hi over hen :
Heerscap, neen ! dienst maer,
[5055]
Die tsire vrieit hort, dats waer. 3
5105 Si sijn haer selfs, want alse si
Willen staen si den coninc hi,
Ende alsi willen blijft hi allene,
Ende danne so es sine macht clene ;
Want hare lijf, hare vromicheit
5110 Es den coninc wel ongereit ; [5060]
Het es hare, het meet bare bliven :
Nature const wel bedriven.
Die avonture sie en can,
Hoe goet dat si es den man,
5115 Geweten doer bi wat saken
[5065]
Sijn beste goet hem mochte genaken ;
Want davonture si es al blint." 4
— ,Vrouwe, dore God, Marien kint,"
Seide die minnere : ,nu leert mi
5072 A. den coninghinne m. wi d. 73 haer edelheit. 74 Met h. voeren g. c. 75 g. sijn. 76 Diese
bewaren dits anscijn. 77 Danne s. liede. 78 D. het.
79 kint. 81 Datsi gheven groet saut. 82 Men siet
wel dat een r. 83 W. h wille gaet zonder k. 84 A.
daer sijn d. m. 85 Hi gaet d. e. s. 86 Ende ontbr. 87
Hine zorghet niet te gilt:ere s. S8 Datti verliesen
mach yet si hu cont. 89 Ne waer addi a. d. 90 D.
coninc b. ende sinen s. 91 G. ghelt p. s 92 Die r.
nament al reene. 93 oec merle v. 95 souden d. t. 96
Waren si. 97 en ontbr., A. sijn ontbr. 99 up dat s. lieten varen. 5100 S.1. diene altoes bewaren. 1 Ic lieghe
sine sijn mee n m. A. Sie en sienne m. n. m. 2 Ne
waer eerscap heefti o. him. 3 Hertscap n. d. dats
waer. 4 Diene vri houdet aldaer. Vs. 5105 en 6 ontbr.
7 Want a 8 so ontbr. 9 haer 1. 10 E. d. c. arde o.
11 Hets h. ende m. hem b. 12 N. soe c. 13 D.
a. diene c. 14 H. g d. soe si d. m. 15 Te wetene
d. 16 S. goet alre best sij te g. 17 W. die avonture
es b. 18 dor. 19 Sprac d. m. no 1. m.
1
Rose, I. 175, 5988 (5282) :
Mee aucuns qui ce m'orroit dire,
Por mon dit dampner ou despire,
Des rois me porroit oposer,
Qui por for noblesce closer,
Si cum li menus pueples cuide,
Fierement metent for estuide
A faire entor eus armer gens.
2 Rose, I. 175, 6001 (52(J5) :
Miex porroit uns ribaus de Grieve
Seur et seul par tout aler,
Et devant les larrons baler,
Sans .douter eus et for afaire,
Que li roi o sa robe vaire.
8 Rose, I. 175, 6012 (5306) :
Si seroit-il, ce croi, tue,
Ains que d'ilec fast remue :
Car li larrons se douteroient,
Se vif eschaper le lessoient,
Qu'il n'es Mist oh que soit prendre,
Et par sa force mener pendre.
Par sa force! mes par ses homes,
Car sa force ne vaut deux pomes
Contre la force d'un ribaut,
Qui s'en iroit is cuer si baut.
Par ses hommes ! par foi ge ment,
Ou ge ne dis pas proprement.
Vraiement siens ne sunt-il mie,
Tout ait-il sor eus seignorie ;
Seignorie, non, mes service,
Qu'il les dolt tenir en franchise.
4 Rose, I. 17ts, 6032 (5326) :
Car for bontes ne for proesces,
Lor corn, for forces, for sagesces
Ne sunt pas sien. ne riens n'i a,
Nature bien les li nia ;
Ne Fortune ne puet pas faire,
Tant soit as homes debonnaire,
Que nules des choses lor soient,
Comment que conquises lea aient,
Dont Nature les fait estranges.
85
A. fol. 25 a. b.
5120 Welke sake mijn bcste goet dan si : [5070]
Dat soudic gerne leren kinnen
Ende die const van u gewinnen."
— ,Ic leerse u gerne," seide Redene doe,
,,Maer en verstaet niet alsoe,
5125 Dat ic meine goet van avonturen, [5075]
Lant, huus, cledre ochte paruren,
Noch engeen crdersch goet,
Datmen voren ochte dragen moet ;
Maer mine leringe meer ende min
[5080]
5 i 30 So seldi dragen in uwen sin.
Dats goet dat u niet en sal laeten
Noch ontfallen op dier straten ;
En sal u verwegen noch verladen,
Maer altoes vromen sonder scaden.
[5083]
5135 Al ander goet, dat buten es,
Dan prisic niet, slit seker des ;
Noch gi, no man negeen die leeft
En heeft meer dan hi wijsdoems heeft
Binnen sire herten besloten ; I
5110 Want sine andre goede si moeten [5090]
Al ter avonturen staen,
In sorgen ende in anxten gaen,
Daer die sotte blide sijn bi
Ende dickent drove, geloves mi. 2
[51,95]
5145 Al dat die avonture doet
En prijst niemene, die es vroet,
Noch en eest te drove no te blide,
C. fol. 31 a.— c.
Want hets te duchtene tallen tide,
Want si es van ongestaden sinne.
5150 J)aer omme sone prisic niet hare minne, [5100]
Noch oec vroet man daer mede,
Want sijt te saen verkeren dede; 3
Ende daerbi willic dat gi wet,
Dat gi uwe herte nine set
5155 Ane hare : het ware u grote sonde. [5105]
Opdat geviele tenichger stonde,
Dat gi den lieden daedt verstaen,
Dat give minnet sonder afgaen,
Ende gi danne meer minnet hare goet :
[5110]
5160 Dat es sonde, so vie dat doet. En soude oec prisen en geen man
Dese minne ; si es in den ban
Ende wederseit ende oec waedt 4
Ende occ van allen lieden gehaed.
Gi segt een dine die niet en doocht : [5115]
5165
Alsic u quaetheit hebbe getoecht,
Segdi dat ic u haten doe ;
Nu wijst mi waer, waneer ende hoe." 5
Die minneren seide : uGerne, bi wareden.
[5120]
5170 Vrouwe, gine gerustet heden
Mi te biddene, dat ic versmaede
Minen here, dat ic niet en daede,
Om ene welde minne, die gi
Al te sere vart prisende mi,
5175 Ende diemen nieweringe en weet [5125]
5120 Wel dat in. b. g. si. 22 conste. 23 leert g. s.
Reden d. 21 Ne waer v. dit n. a. 25 goet meene.
26 cleedren of scuren. 27 N. ne gheen aerdsch g.
28 of. 29 M. m. 1 verstaet haer in. 30 Dat
ghi stilt hebben i. u. s. 31 Es g. niet dat hu
s. baten. 32 No o. up de s. 33 Ende s u v.
no v. 34 ende niet s. 36 Ne wasic in prise
skits. gewes. 37 No ne gheen m d. levet. 38 Ne
hevet nice dan hem ghevet. 39 Wijsdorn int
herte b. 40 Al dat wi haer blu3ken ende bloten.
41 Van andren goede, doe ic hu verstaen. 42
Moet alte male an de avonture gaen. 43 1). d.
s. dicke verbliden b. 4 t E. in anxenen met
rauwe si. 46 Ne p. niement. 47 Ende esser of
no t. d. 48 W. te d. es t. t. 49 Dat onghe-
stade es alsict kinre. 50 Hier o. ne p. n. de m.
51 No ne gheen man die es vroet. 52 W. soet
varinc keeren doet. 53 E. d. eist recht ende w.
54 D. niemen sine h. ne s. 55 An dat goet
h. w. g. s. 56 Ende ghi oec dat t. s. 57 Den
1. verstaen sonder waen. 58 D. ghise niet ne
sout of gaen. 59 mint haer g. 60 Dan hem
selven s. w. dit d 61 Het ne s. p. gheen m.
62 si ontbr. 63 E. weder gheseit dat verstaet.
64 oec ontbr. 65 G. s. al niet dit ne doocht. A.
doech, 66 Dat ic hu segghe ende hebbe g. A. getoech.
67 Ende secht d'tt ic hu de minne h. d. 68 N. secht
m; w. of e h. 69 D. minre s. bi w. 70 rustet.
73 Wilde. A. di. 74 A. t. s. nu priset m. 75
niewerinx.
' Rose, I. 177, 6057 (5351) :
Cil bien snot tiers it droite guise.
As autres biens, qui sunt forain,
N'as-tu vaillant uns vies lorain.
Ne tu, ne nul home qui vive,
N'i ayes vaillant une cive :
Car sachies que toutes vos choses
Sunt en vous-meismes encloses.
2 Rose, I. 177, 6064 (5358):
Tuit autre bien sunt de Fortune,
Qui les esparpille et aline,
Et tolt et done it son voloir,
Dont les fox fait rire et doloir.
3 In vs. 51 en 52 is de lezing van C to verkiezen.
4 Aldus dnidclijk in het Hs. Of de tekst bedorven
is, dan wel of waedt misschien een woord is dat
bestaan heeft, dud ik niet beslissen. Zou waet wellicht cone corruptie zijn van ver-wATEs, en men
aldus moeten lezen :
Ende wederseit ende verwaten,
Endese alle liede haten?
5 Rose, I: 178, 6092 (5386) :
Dies d 'autre chose te voi nice,
Qnant m'a mis sus itel malice
Que ge haine te commant ;
Or di quint, en quel lieu, comment.
86
A. fol. 25 b. c.
Van oesten, daer die sonne upgeet,
Tote daer si plegt haer inde te doene,
Noch van middage tote septentrione.
Ic weet wel dat men wandelen sonde
5180 Tote dien dat hem bename dat nude, [5130]
Eermen vonde alselke minne,
Alse die gi mi wilt bringen inne.
Sint dattie Gode enwech vloen,
Sone hadde die werelt engeen doen,
[5135]
5185 Ense die gygante assaelgierden
Ende met crachten so sconfierden,
Dat si voren inden trone
Hier boven woenen, daert es scone.
Recht ende Reinicheit die vrouwe
5190 Voren met hem, so dede oec Trouwe. [5140]
Dese Minne el oec gevloen alsoe,
Sint dat Trouwe henen vloe ;
Gerechtecheit, die swaer was, 1
Si vloe tachterste, sijt seker das,
[5145]
5195 Die noit sint en quamen weder
Vanden hemele tons hier neder.
Baraet doetse henen vlien,
Diese horen wilt no sien.
Met sire ondaet, met sire cracht
[5150]
5200 Heft hise uter werelt bracht,
Ende hout die werelt met gewelt,
C. fol. 31 c. d.
Ende user in so vaste gestelt,
Datse hem sal bliven emmermere,
Hen doe kenleke God onse here.
5205 Tulius, die ter menichger uren [5155]
Die heimelicheit der scrifturen
Besochte, hine conste sijn engien
So wel gemaken noch gesien, 2
Dat sire mee vonden nie
5210 Dan twee paer, wanic, ine weet drie, [5160]
Die alselke minnaren waren,
Aisle u hore hier openbaren.
Binnen Tulius tiden nochtan,
Waen ic, so proeft menich man
5215 Die waren sine vrient met monde, [5165]
Maer metter herten engenen stonde. 3
Ben ic dan vroeder dan Tulius was
Ochte Gecien ochte Ypocras, 4
Die selke minne en conste vinden ?
5220 Wies soudic mi dan onderwinden, [5170]
Ende waer soudicse soeken dan,
Sint datse niemen vinden can,
Ense al die werelt es doresocht,
En ware dat ic in die locht
[5175]
5225 Vliegen mochte alse een crane,
Ende icker dan mochte comen ane ?
Al constic vliegen, ine sochter niet :
5176 de s. 77 Ten westen d. soe ruste pliet
te d. 78 No m. 79 dat een. 80 T. dat h. b.
de houde. 81 al sulke. 82 Als ghi m. w. b.
an inne. 83 Sident d. goede wech v. 84 de w.
gheen d. 85 Ende datse. 86 M. crachte ende
s. s. 87 i. hoghen t. 89 de v. 91 oec ontbr.
92 Sider. 94 Vlo oec tachterst gheloeft mi d.
9 D. sider n. quam w. 96 V. h. haer n.
5
9 Gheraet. 98 wille. 5200 Hevet. 1 de w.
27 E. e. so v. in g. 3 Datsoe. 4 Het en doet
k enlic o. h. 5 T. te m. u. 6 heimelichede.
7 B, ende ne c. bi e. 8 Ne gheen dat soe ghemaect sceen. 9 Datsi tghescutte mochten vlien
nie. 10 D. t. pare w. ofte d. 11 D. alle sulke
minres w. 12 hier hore. 13 Tullius. 14 So
vant men menighen m. 15 D. vriende w. metten
m. 16 herte to gheere s 17 Bern i. d. v. nu
merct das. 18 Dan Tullius of Ypocras. 19 D.
sulke m. niet c. v. 20 Wat. 21 vinden. 22 Na
dien d 23 Ende soe de w. es dorsocht. 24 Ende
w. d. i. vlieghen mochte. 25 In de lucht ghelijc
eenen c. 26 danne. 27 in.
1 Rose, I. 179, 6118 (5412) :
Justice, qui plus pesans iere,
Si s'enfoi la derreniere.
2 Rose, I. 179, 6128 (5422) :
Neis Tulles, qui mist grand cure
En cerchier secres d'escripture,
Ne put tant son engin debatre, etc.
De lezing bij C is volslagen onzin, zeker ontstaan door engien in den zin van krijgswerktuig
op te vatten. Engin is in het origineel, zoowel
als bij A., bekwaamheid, vernuft.
3 Rose, I. 179, 6135 (5429) :
Si crois que mains en esprovast
De ceus qui It son tens vivoient,
Qui si amis de bouche estoient.
Het oorspronkelijke doelt hier op de plaats in
Cicero's Amicitia, c. 4: //ex omnibus saeculis vix
tria aut quattuor nominantur paria amicorum :
quo in genere sperare videor, Scipionis et Laelii
amicitiam notam posteritati fore."
4 V ooral bij A sehromelijk bedorven. Van de
aangehaalde autoriteiten : Gecien en Ypocras, weet
het oorspronkelijke niets; doch onze vertaler begreep wederom zijn fransch niet, en zal denkelijk
de beide onbekende grootheden nit de volger.de
verzen van het origineel hebben gefabriceerd
(Rose, I. 180, 6 1 46 (5440) :
Puis-ge voler avec lea grues,
Voire saillir outre les nues,
Cam fist li cine Socrates?
Li cine, (Gecien) d. i. de zwaan N an Socrates.
Is dit misschien eene toespeling op Plato's Phaedo,
§ 77 en 78, verg. Cicero's Tusc. Disp. I. 30 ?
De tekst van C heeft alleen Ypocras.
87
A. fol. 25 c. d.
Mi mochter of comen groet verdriet ;
Die Gode mochten wanen dat,
5230 Dat ic tparadijs hare stat
[5180]
Willen sonde assaelgieren,
Alse die gygante quadertieren
Wilen in ouden tiden daeden.
Ine bem niet alsoe beraeden,
5235 Datse mijn herte te soekene geert." [5185]
— #Lieve vrient, nu hort hare weert,"
Seide Redene, ll sint gi gewinnen
Niet en cont van derre minnen,
Dat gebreect alse lichte ane u
5240 Alse an enen anderen, verstaet nu. (5190]
Bi andren willict u tonen waer ;
Bi anderen neen ! bi u maer
Willict u tonen harde saen ;
Maer gi moet die minne verstaen,
5245 Dat ic u segge, gemeenlike [5193]
Anti die arme ende ane die rike,
So, gi seise gemeinlike minnen,
Ende liever den enen niet gewinnen
Dan gi ten andren minnen geert.
5250 Hebse even lief ende even weert, [5200]
Ende staet hem alsoe gelijc te staeden,
Alse gi wout dat si u daeden ;
Ende niemenne en doet meerre scade,
Dan gi wout dat men u claede ;
5255 Ende welt u herte aldus minnen,
C. fol. 31 d-32 a.
Groten loen seldire an winnen.
Derre so volcht, radic, u leven :
[5205]
Si sal u grote bliscap geven.
Om dat able die lieden laten
5260 Dese minne ende verhaten,
So sijn geset in erterike
Die rechteren al gemeenlike,
[5210]
Dat si onrecht selen broken
Ende die overdaede wreken,
5265 Die dicwile deen den andren doet,
Ochte doet ochte neemt sijn goet,
Ochte vercracht ocht stelet tsine,
[5215]
Ochte verraeddene stillekine ;
Dat souden die rechtren berechten
5270 Ende wel sere daer over vechten."
— " Vrouwe, dore God van hemelrike,
Sint gi mi leert so ernstelike,
[5220]
So biddic u dat gi mi doet
Een luttel verclaren minen moot."
5275 — Gerne, waer of" ic secht u."
- „Dat gi mi wilt berechten nu:
Welc dunct u beter in uwen sinne, [5225]
So Gerechtecheit so Minne ?"
Vrouwe, dese,
— „Welke meindi ?"
5280 Daer gi mi heet dat ic in wese ;
Want die gene daer ic in ben,
[5230]
Si blijft vaste in minen sen." 2
- ,Tatolf! 3 ic geloves u wale ;
5228 Want m. m. of c. v. 29 Ende d. 30 D. i. int
paradijs den scat. 31 Soude willen. A. souden. 34 Ic
ne b. also noch n. h. 35 soucken beghert. 35 wert.
87 S. R. ende vant bekinnen. 38 Sint hu herte niet
staet ter minne. 39 Die alte 1. g an his. 4 0 eon andre
so market n. 41 B. a. lieden willic vorwaer. 42
Proeven dese redone claer. 43 Die ghi selve suit
lien saen. 44 de m. 45 Die i. u s. ghewaerlike.
46 an d. r. 47 Hoe ghise ghemeenlijc suit
minnen. A. minne. 48 E. den e. niet 1. g.
49 D. cenen anderen dat verstaet. 50 Hebbe
elken e. 1. hoet gaet. 51 Te doene dattu wilt
datmen di dade. 5 2 Eist van ghewinne eist van
scade. Vs. 53 en 54 ontbr. 55 Wilde hu h.
56 So soudi weder 1. ghewinnen. 57 Ende danne
volghen al u 1. 53 Die gr. b. hu sonde g.
59 Omme dattie 1. 1. 61 S. s. si g. ghemeenlike.
62 Den rechters in aerdrike. 63 Omme overdaden to wreken. 64 Die si jeghen dat recht
broken. 65 Die deen jeghen d. a. d. A. Ende
dicwile. 66 Eist doet to slane of to nemen s. g.
67 Met crachten ofte stillekine. 68 Of verraet
omme dat sine. 69 Dit s. de rechters dan b.
70 E. daer jeghen striden ende v. 72 Na dien
dat g. m. so neerenstelike. 73 Leeret s. b. dat
ghi d. 74 E deel. 75 seght. A. segge. 76 Vrauwe
berecht mi nu. 77 W. hu best dinct u. s. 78
gherechtichede. A. gerecheit. 79 W. dinct hu
best v. d. 80 D. g. h. dat ic mi in vreese A.
2 Die b. altoes
daer. 81 bem.
m. s.
I Rose, I. 180, 6157 (5451):
Biaus amis, dist-ele, or escoute :
Jlt voler ne t'en covendra,
Mes voloir, et chascun vodra,
Par quoi, sans plus, croies mes euvres.
Ja ne convient qu'autrement euvres,
ceste amor ne piles ataindre,
Car ausinc bien puet-il remaindre
Par ton (Want cum par l'autrui.
Je t'enseignerai bien autre hui :
Autre, non pas, mes ce meismes
Dont chascun puet estre a meismes,
rengne 1:Pitendernent
Mes
D'amors un poi plus largement ;
Qu'il aint en generalite,
Et laist especialite ;
Ni face jai communion
1)e grant participation.
2 Rose, I. 182, 6211 (5505) :
De quel Amor dis-tu ?
Do deste
Ou vous voles clue go me mete
Car cele qui s'est en moi mise
Ne be-ge pas k metre en juise.
3 Tatolf is bij Kil, astatna sailor* stipes vestiarius, cui sartor vest= meens =tam adaptat,"
88
A. fol. 25 d.-26 a.
Maer wildi weten altemale
5285 Van beiden weic dat beter si ?
Ic seide : Minne" 1 — ,So proeft mi."
— ,Gerne. Alsmen twee saken vent, [5235]
Diemen beide orberlic kint,
Der gere diere te doene best es,
5290 Die es best, sijt seker des." 2
— ,Vrouwe, dese sake die es waer."
[5240]
,Nu hort ende verstater naer,
Ic sal u verclaren bat dien sin :
Minne, daer caritate woent in,
5295 Es beter dan gerechticheide,
Dat salic u proven hier ter stede
[5245]
Nu setter toe herte ende moet.
Ic segge dat beter es dat goet,
Dat van selven coemt geresen,
5300 Dan daer hulpe toe moet wesen.
Bi exemple willict u saen
[5250]
Proven wel ende doen verstaen.
Opdat een seep getrecken can
Bat bi hem selven enich man,
5305 Dan datmen hem dade hulpe engene
Anders dan die sine allene,
Wat mochti hem staen te staeden, [5255]
Sint hi niet en ware verladen ?" 3
— ,,Ic mochte, vrouwe wel gedaen,
5284 Ne waer. 85 beeden w. d. beste s. 86 I'
seght hu. 87 Thoerne alse men — vint. 88 beede
89 Ende die ghene die best te d. e. 90 D. dinct
mi b. 91 die ontbr. 92 N. h. wat ic segghe al
claer. 93 Dat ic bet mede verclare den sijn.
94 es in. 95 danne. 96 Ende wilt hu p. voer
waerhede. 97 So. 99 hem selven. 5300 Danne —
moete. 1 exemplen. 2 Verclaren e. d. v. 3 Van
eenen scepe dat hem selven c. 4 Bet betreken
dan e. m. 5 Al dade men h. e. 6 Andre die sijn
a. 7 mochtem s. in s. 8 In dien dat n. Vs. 9
de ledeman, het mannequin, en overdrachtelijk
gek, dwaas. Zie over de afleiding Dr. Halbertsma,
in Dr. de Jager's N. Arch. v. ed. Taalk.
245, en over olf Grimm, Gr. II. 331.
1 Rose, I. 182, 6219 (5513):
Mes se tu quiers sentence voire,
La bone Amor miex vaux.
Met Minne wordt door den vertaler zeker alleen
de goede, ware Minne bedoeld, waarvan Redene
hier enkel spreekt. Ook zoude men kunnen lezen :
Die goede Minne (in plaats van : Ic seide).
2 Rose, I. 182, 6221 (5515):
Quant vous troves
Deus choses qui soot convenables,
Meessaires et profitables,
C. fol. 32 a. b.
Mine hant ane den cabel slaen
Ende hem hulpen trecken iet."
— ,Gi segt waer nu besiet :
Al lage stille Gerechticheit
Ende Minne ware den lieden gereit, [5260]
5315 So ware hen die Minne genoech
Om te hebbene hare gevoech,
Sonder te doene enich recht
Van enichger sake nu ende echt ;
Want sonder Minne Gerechticheit, [5265]
5320 So es verloren al arbeit.
Minne sone heeft hulpe noet,
Dat doet Recht dicwile groet ; [5270]
Daer omme es Minne beter al." 4
,Proeft mi dat, vrouwe." — ,Gerne, ic sal.
5325 Nu swiget ende hort mine tale,
Dat radic ende verstaetse wale.
Becht regneerde, geloeft mi das,
Doe Saturnus coninc was,
[5275]
Die Jupiterre beide gader
5330 Avesneet, al waest sijn vader,
Sine gegaen, al deedt hem wee,
Ende werpse beide in die zee.
Van den scumen so wart Venus
[5280]
Geboren, dat seit scrifture aldus. 5335 Al ware Gerechtecheit weder comen,
en 10 ontbr. 11 batmen h. hulpe trucken i. 12
Segghic w. hoe dinctu b. 13 ghiericheit. 14 E.
m. d. 1. ware g. 15 hem de. 17 eenighe. 18
V. e. s. die men verplecht. 20 Es al v. a.
21 M. hevet gheere hulpen . 22 D. d. r.
dit we--t al bloot. 23 Hier o. 24 Proevet m.
s. 25 hoert mijn. 26 Ic saelt hu
dit g.
prouven w. 27 ghelo d. 29 Jupiter beede.
30 Af s. a. was hi s. v. 81 S. ghegade. 32
warpse daerna in de z. 34 G. die scr. orcont dus.
35 A. gerecheit.
Cele qui plus est necessoire
Vaut miex.
Lees in vs. 5289: Die gene.
3 Rose, I. 184, 6253 (5547) :
S'uns hens puet bien une nef traire
Sans avoir d'autre ale afaire,
Que RI, par toi bien ne trairoies,
Trait-il miex que tu ne feroies ?
4 Rose, I. 184, 6260 (5854) :
Se Justise dormoit gisans,
Si seroit Amors soffisant,
Que tu vas ci moult despisant,
A mener bele vie et bone,
Sans justicier nule persone ;
Mes sans Amors Justice, non :
Por ce Amors a meillor renon.
89
A. fol. 26 a. b.
Diere den wech es al benomen,
Al eist datter te doene si,
Noch wart' goet, geloves mi,
[5285]
Dat hen die liede onderminden ; 5340 Want Minne si sonde Recht versinden ;
Want onderminden hen die liede,
Sijt seker datse om gene miede
Deen den andren let mesdaeden ;
Ende wat stoede dan Recht in staden?" 1 [5290]
5345 — ,Vrouwe, ine weet bi onsen Here."
uIc Belt u seggen paiselic sere :
Soude staen die werelt in haren dinge,
Wat souden princen ochte coninge,
[5295]
Ochte provoest ochte bagiu?
5350 Sine dochten niet, dat seggic u.
Daer omme Minne, so dunct mi,
Beter danne Gerechtecheit si,
Recht en gaet jegen quaetheit maer,
Die moeder es, is segge u waer, [5300]
5355 Der heren nu van erderike,
Edelheit vergeet gemeinlike.
Daer omme en hadde gedaen die sonden
Ende quaetheit, noit en ware vonden
[5305]
In erderike coninc negeen,
5360 Noch oec rechtere nemmer een.
Nu willen die rechtren qualm weten,
Dat si dat recht al vergeten
C. fol. 32 b. -- d.
Ende doemen die arme lieden,
Ende die rike lieden om mieden. 8 [5310]
5365 Selc rechtre doet hangen den dief,
Daert of ware beter gerief
Datmen heme selven hinge :
So menichge quade, valsche dinge
[5815]
Heeft hi gedaen ende toebracht
5370 Bi sire willen, bi sire cracht.
Dese sake machmen altemale
Bi Apyuse vertrecken wale,
Die sinen seriant tenen dage
Dede doen ene harde grote clage, [5320]
5375 Alse ons seget Titus Livius,
Over die dochter Virginius,
(Virgine hiet die scone maegt.)
Omdat si Apiuse baegt,
[5325]
So dat hise moeste minnen,
5380 Ende si sins niet en woude kinneri,
Noch sire minnen oec en geerde :
Dit was dat Apiusen sere deerde.
Die seriant quam ende riep sere :
„Here Apius, rechtere ende here, [5330]
5385 Doet mi vontnesse, eer gi gaet,
Van der maegt die hier staet,
Die mine eigine dierne es :
Dat willie tonen, sijt se,ker des,
[5335[
Jegen elken man die leeft,
5336 Dien d. w. al es b. 37 A. si dat zake
d. 38 Nochtan wert g. dat dincke mi. 4:9 hem
d. lieden. A. onderminde. 40 Ende clat recht
wel onderkinden. A. versinde. 41 hem d. lieden.
A. onderminde. 42 datsi o. g. mieden. 43 dus
A. mesdaede. 4 4 E. w. sonde r. dan scaden.
46 paisivelic. 47 de w. sonder dinghen. 48 W.
s. dan p. of coninghen. 49 Ofte profeste ofte
ballieuwe. 50 dat weet nuwe. 51 D. o. dinct
m. beter m. 52 Danne gherechtichede s. 53 tquade
daer. 54 Maer die vroeder es voer waer. 55 Nu
int herte hier in e. 56 Edelhede vergaet. 57 D.
o. ne waren de s. 58 Niet in e. ghevonden.
59 No quaethede comes ne gheen. 60 Rechtere
ne ware filet e. 61 Dit w. de rechters q. w.
62 Die dat rechte a. v. 63 liede. 64 E. an
den riken nemen si miede. 65 Sulc rechtere es
die h. d. d. 66 Het ware vele minder grief.
67 hem. 68 quade ontbr. 70 wille met s. c.
71 wale. 72 vertellen te male. 73 cnape. 74
een g. c. 75 Lyneus. 76 Virgilius. 78 Omme
d. soe Apius wel behaghet. 79 Ende h. emmer
wilde m. 80 E. soe sijns n. wilde h. 81 No s.
minne niet begherde 82 Hads Apius grote onwerde.
83 D. cnape. 84 rechte here. ' 85 vonnesse. 86 deser
maghet. 87 Dat. 88 Ende wille wel 1- etoghen d.
2
Rose, I. 185, 6278 (5572):
S'ele iert en terre revenue,
Et fut autresinc bien tenue
Au jor d'ui cum ele estoit lores,
Si seroit-il mestier encores
As gens entr'eus qu'il s'entr'amassent,
Combien que Justise gardassent :
Car puis qu' Amors s'en vodroit fuire,
Justise en feroit trop destruire ;
Mais se les gens bien s'entr'amoient,
James ne s'entreforferoient,
Et puisque Forfait s'en iroit,
Justise de quoi serviroit ?
N
a Rose, 1. 186, 6297 (5591):
Dont di-ge que miex vaut Amor
Simplement que ne fait Justise,
Tant aille-ele contre malice,
Qui fu mere des seignories
Dont les franchises aunt peries,
s Lees met C:
Ende vanden riken nemen si miede,
en verg Rose, I. 186, 6314 (5608) :
Mes or vendent les jugemens,
Et bestornent les erremens,
Et taillent et cuellent et saient ;
Et les povres gens trestout paient.
90
A. fol. 26 b. c.
5390 Ine yoke Wiese gevoet heeft :
*Me minen huse bleef si verloren
Onlange sint si was geboren,
Ende wart Virginiuse gegeven :
[5340]
Alsoe es hem noch bleven.
5395 Doet mi recht, here Apius,
Dat ic mine dierne hebbe aldus.
Si sonde mi dienen altoes to rechte ;
Wilt oec Virginius ende sijn geslechte
[5345]
Wederseggen, dat hi en can,
5400 Ic wilt beproven met menichgen man." 1
Also dus sprat die verradere quaet,
Die valsche rechtre, die daer steet,
Eer noit Virginius sine tale
Conste geseggen, die nochtan wale [5350]
5405 Sine dochter wel bescudden soude
Jegen die gene diese hebben woude,
So gaf Apius sijn vontnesse daer,
Ende hiet die maegt openbaer
[5355]
Leveren den cnape teygindome.
5410 Doe die riddere, die ic u nome,
Virginius, van sire dochter Bach,
Ende hijt verweren niet en mach,
Sine moeste inder quader hande,
Nam hi die scade vor die scan& ; [5360]
5415 Want hi en hads betren raet,
Ende gine ter dochter, daer si staet,
Die hi vor al dat levede minde,
Ende nam sijn swaert met geninde,
Ende sloech der maegt of dat hoet, [5367,]
C. fol. 32 d.-48 a.
5420 Ende naemt doe met rouwen groet,
Ende bracht gedragen tenen prosente
Den rechtere daer to jugemente. 2
Dus bleef die scene Virgine doet ;
Ende die rechtere doe geboet [5370]
5425 Dat men Virginiuse volleke vinge,
Ende menne doedde ofte hinge.
Nochtan en cerdede hijs niet,
Want hem tgemeine vole en liet,
Dies hadden soe jamerhede. 3
[5375]
5430 Daer wart geproeft op die stele
Dat Apius valscheit hadde gedaen.
Doe leitmenne in een prisoen gevaen, [5380]
Daer hi hem doedde met enen messe
Eer quam die dach van sinen vontnesse ;
5435 Ende Claudius, die de clage ophief,
Was verordeilt also een dief,
[5385]
Ne ware dats ontfarmde sere
Virginiuse, den stouten here,
Dies so vele den volke bat,
5440 Dat hi verloest bleef op die stat,
Ende alle dandre bestorvent to waren,
[5390]
Die orcontscap daeraf waren.
Lucan, die clerc 4, Iii seit dat
In sine boke tore stat,
5445 Die wise meester, in sijn Latijn,
Dat rechteren toverdadich sijn;
Want dueget ende grote macht
[5395]
Es selden met mannen over nacht ; 3
Ende sijt seker, op dat si bliven
5390 In roucke 91 Hunt m. huus b. soe v.
92 0. dat soe. 93 E. was. V irgilius gheheeten gheven. 94 Ende altote noch es so heti b. 96 ghewinne
dus. 97 Soe s. m. d. met r. 98 Virgilius. 99 datti ne
c. 5400 I. wederroupt. 1 Aldus s. d. verrader. 2 staet.
3 Virgilius dese tale. 4 C. g. weet w. 5 Die s. dochtore b. s. 6 J. hem d. 7 vonnesse. 8 Hi h. datmen
den cnape vorwaer. 9 Die dochter gheven theghindomme. 10 D. dit hoerde de deghen vrome. 11 Virgilius v. s. d. ende s. A. sire ere d. 12 Dat hijs gheen
recht hebben m. 13 Sone moot comen in scnapen handen. 14 de s. voer de s. 15 Ende vant in hem selven
desen r. 16 T. d, g. hi d. so s. 17 vocr a. d. levet. 18
S. zweert n. hi m. g. 19 thovet. 20 E. ghinc ten
rechtere ghelovet. 21 Di daer stont ten jugemente. 22
Ende bracht hem teen en prosente 23 Aldus. 24 rech-
tre hiet ende g. 25 D. Virgiliuse vinghe. 26 E. mono
stappans h. 27 N. ne constijs ghedoen n. 28 W. die
ghemeente hem ne 1. 29 Niet ghedoen die j. 30 Doe
w. g. ter s. 31 D. A. valsch vonnesse wijsde.
32 Ghevaen wart hi ende zeere mesprijsde. Tusschen vs. 32 en 33 bq C. de twee volgende repels :
Datmenne leide in prisoene
Dor sire quaetheit ocusoene.
33 met I. m. 34 E. de d. q. 35 uphief. 36 verordeelt
als. A. verdeilt. 37 dat. 38 Virgiliuse d. goeden h.
39 Die d. v. so v. b. 40 Datti v. wart up de s. 41 E. a.
die orconde w. 42 Worden daer ghcdoot sonder sparcn. 43 de cleerc seghet d. 44 sinen bouc. 46 rechters
toverdadich s. A. toverdich. 47 Goet to sine also men
heeft m. 48 Siet men selden in manne geacht.
49 Datsi daer in gestade b.
1 Rose, I. 188, r 348 (5636) :
Tout ce sui-ge prest de prover,
Car bons tesmoings en puis trover.
3 Rose, I. 188, 6373 (5661) :
Et puis au juge presentee
Devant tous en plain consistoire.
3 Rose, I. 189, 6379 (5667) :
Mes ne l'occist ne ne pendi,
Car li pueples le desfendi
qui fu tous de pitie meus.
4 Marcus Annaeus Liscanus, de dichter der
Pharsalia.
5 Rose, I. 189, 6894 (5682) :
Briefment juges font trop d'outrages,
Lucan redit, qui moult fu sages,
C'onques vertu et grant pooir
Ne pot nus ensemble veoir.
Zie de Pharsalia, VIII, 494:
Virtus et summa potestas
Non coeunt,
91
A. fol. 26 c. d.
5450 In die quaetheit die si driven,
Dat siere lettel ane winnen selen ;
Wantse the duvel met haerre kelen [5400]
Noch selen ter lester stont
Verhangen inder hellen gront.
5455 In neme hicr uut, dat verstaet,
Conine, grave no prelaet,
Noch ter werelt noch geesteliken, 1 [5405]
Opdat si vanden rechte striken ;
Want heerscap was gemaect daeromme,
5460 Dat si dat rechte, niet dat cromme,
Altoes souden trecken vort,
Ende horen der armer lieden wort : [5410]
Sijn hebben niet om niet die ere.
Daer omme es gemaect die here,
6465 Dat sine arme lieden souden
Bi hem souden in paise gehouden. 2
Dit moeten die rechteren sweren, [5115]
Ende datse quaetdien selen deren,
Ende selve hangen metterhant,
5470 Op datter niemen ware int lant,
Diet doen woude van sinen wege.
Hier bi so hebben si vercregen 3 [5420]
Beide hare rente ende hare goet.
Die prince es salich die dit doet.
5475 Nu hebbic u wel doen verstaen,
C. fol. 33 a. b.
Na dat mi dochte u vragen gaen,
[5425]
Ende die redene hebdi versien,
Dat mi dunct dat wel vertien." 4
II Vrouwe, gi hebt mi wel berecht ;
5480 Dies dankic u, het es wel recht;
Mare ic horde u onlancs nomen
[5430]
Saken, die mi dunken comen
Ute ere herten vol dorperheiden ;
Want die u woude in oncuescheiden
5485 Betrapen, vrouwe, hi mocht doen wale
Ane u spreken ende ane uwe tale."
— „Ha !" seide Redene, //lc kenne wel [5435]
Wat gi meint ; ic sal u el
Seggen ende verstaen doen bat,
5490 Alse gi wilt, tere ander stat,
Ende u tonen meer ontscouden,
Op dat gire u ane wilt houden ; 5 [5440]
Maer mi steet tantwordene eer
Van dien dat gi heden eer
5495 Mi op wilt leggen van hatien.
Mi woudert hoe gi des dorret lien ;
Ende weetti niet dat vroetheit si, [5445]
Alse een van ere sotheit vri
Ende quite wilt sijn, dat hi dore noet
5500 Ene andre doe, die es alse groet,
Ocht ene meerre een groet deel ? 6
5450 Ende geene q. daer in en d. 51 Daer si
1. an w. s. 52 bider k. 53 N. verhanghen sal si
hu cont. 54 Ten laetsten in. 55 Inne n h. hute.
56 Coninghen hertoghen graven n. p. 57 No t.
w. no gheestelike. 58 Eist datti v. rechten s.
59 W. eerscapie w. d. o. 60 Ghemaect cl. s. recht
n. crommen. 61 Den luden souden doen voert.
62 E. den aermen alse den riken haer woert.
63 Horen omme niet hebben si de heere. 64 Hier
o. was g. de h. 65 Dattie a. 1. bi hem s. 66 In
payse van den riken sijn g. 67 Ende die rechters
moeten s. 68 Datsi quaetheit sullen verweeren.
69 E. die quade s. m. h. 70 Hanghen ware daer
niemant i. 1. 71 wilde, weghen. 72 H. b. h. s.
die heere v. D. Hijr. 73 Ende die r. van den
lieden e. tgoet. D. haer–haer. 75 hu ghedaen v.
76 hu yr. d. g. 77 E. d. waerheit also si sijn.
D. gesien. 78 Daer ic hu of make den fijn. D.
Die. 80 D. ic hu danke hets r. D. hets. 81 Ne
waer i. h. hu n. 82 Eene zake d m. dochte c.
83 Titer h. vul d. 84 Die hu begripen wilde van
den zeden. 85 Hi mochte hu verspreken iv. 86
Dat ghi spreket alsulke t. D. u. t. 87 Ha ha.
D. kinne. 88 Dat g. meent i. s. hu segghen e.
89 Wel die dine te verstane d. bet. 90 Als. D.
Als 91 E. salt hu toghen met o. C. en D. onscouden. 92 C en D. Updat. C hu an. 93 Ne waer ic
moet segghen eer. 94 V. dat ghi mi h c. D d. ghi
mi h. e. A. dat ie. Vs. 5495—'5505 weggesneden baj D.
95 Up w. 1. 96 ghijs durtl. 97 E. ne w. n. d. vrecheit
s. 98 Als e. v. e. dine wille sijn v. 99 Datti danne
eene zotheit dor n. 5500 Doet e. ander d. e. also g.
1 Rose, I. 189, 6403 (5691) :
Ge n'en met hors rois ne prelas,
Ne juge de quelconque guise,
Soit seculier, ou soit d'eglise.
2 Verg. C. en lees met eenige verandering:
Dattie arme lieden souden
Bi hem in paise sijn gehouden.
Rose, I. 190, 6418 (5706) :
Par eus doivent cil en pez vivre
8 Hier volgen de varianten van het lie fragment van D., dat met aanmerkelijke leemten
van vs. 5470 —5988 doorloopt.
4 Rose, I. 190, 6430 (5718) :
Et les raisons as-tu veues
Qui me semblent it ce meues.
Lees met D in vs. 5476: Die, en verg. over
vertien, vermelden, LSp. Gloss. en Stoke, VIII,
vs. 1272.
6 Rose, I. 191, 6442 (5730) :
Une autre fois quant to vorras,
Excusacion en orras,
S'il te plaist it ramentevoir.
6 Rose, I. 191, 6464 (5752):
Ses-tu pas qu'il ne s'ensieut mie,
Se leissier veil une folic,
Que faire doie autel ou graindre ?
92
A. fol. 26 d.-27 b.
Dies gi quiten sout al geel
[5450]
In u herte die sotte minne,
Willie u haetscap werpen inne.
5505 Gedinct a van Oratiuse niet,
Die so vroet een meester Wet?
Hi seit: die sot, die linen wille
[5455]
Op ene quaetheit hout al stille,
Dat goet es dat hi ene andre doet,
5510 Om dirste te werpene ondervoet. 1
In wille n niet verbieden die minne;
[5160]
Maer verstaet in uwen sinne,
Dat ic die sotte minne verbiede,
Die altoes quelt ende pijnt die liede.
5515 Al es die sake, hets oec waerbeide,
Al verbiedic dronkenheide,
[5165]
Daeromme sone verbiedic niet
Te maten drinken. Vrient, nu siet,
Al verbiedic te grote meltheit,
520 Die den lieden te swaer aneleit,
Ine hete niet datmen si
Daeromme te vrec, geloves mi ;
[5470]
Want dese sijn al beide quaet.
Ic wine wel dat gi verstaet,
5525 Dat ic dese soude prisen node."
— „Gi doet, vrouwe !" — ,Gi lieget, bi Goede!
Ine can u gesmeken twent. [5475 ]
Gi sijt ter wijsheit noch te blent,
Dat gi mi aldus wanet vaen ;
5530 Gi ontcopplet u honde te saen
Om te vane den hase mijn :
Gine sijt noch niet so goet logesijn. [5480]
Alsoe en lasic niet van minnen,
Alse gi mi nu ane wilt winnen,
C. fol. 33 h.—d.
5535 Datmen iemenne soude haten. 2
Middele minne willic u laten,
[5485]
Die ic wille wel dat gi ontfaet;
Want si wel te prisene s aet.
Ene andre minne, geloves E i,
5540 Es noch, die naturleker si
In menschen ende in beesten beide ;
Want hets gerechte naturlicheide, [5490]
Dat elke moeder mint hare kint,
Dat si met haren live wint.
5545 Dat es ene minne gemeine
Allen dieren, groet ende cleine.
Dese minne en es min no mere [5495]
Te prisene no te lachterne sere ;
Want hen die nature doen doet.
5550 En daeden sijs niet, dies sijt vroet,
Het ware hen lachter alte groet. 3
[5500]
Maer des en es en gene noet,
Dat ic soude hier of tellen,
Want u andre saken quellen,
5555 Die gi te swaer hebt anegenomen.
Wildi diere noch ave comen,
[5505]
Eer u die pine slaet te doet,
Het ware u salicheide groet
Hier bi sone beginne ics niets,
5560 Dat ic wille dat gi sijt let
Aldus allene sonder minne ;
[5510]
Maer doet mi in• uwen sinne. 4
Ic bem edel ende scone,
Ende vrouwe van groten lone,
5565 Ende werdich elken goeden man,
Die nie so vele goeds gewan
[5515]
Noch so vele eren mede.
5502 Ofte m. dit weet gheheel. 3 Omdat blusscen
soude een d. 4 Wildi nal hu hatie maken in i.
5 Ne g 6 D. vroeden. 9 datti een ander. D.
ander. 10 deerste te werpen. 11 u ontbr. D. Ic
w. v. niet d. m. 12 Ne waer. 14 pijnt e. quelt
de 1. 15 dat es w. A. A. e. dat s. 16 Datmen
verbiedet d. 17 Men verbiedet daer omme n D.
D. en v. 18 T. m. d. dus besciet. 19 A verbiedmen t. g. miltheit. 20 Den 1. die t. s. es God
welt. 21 Men heet hem n. dat si. D. In. 22 Te
v. sijn g. m. 23 Van desen es beede q. D. alle.
24 ghijt. 25 pr. s. n. 27 In smeekem niet I. twint.
D. In co. .. Vs. 5527 — 38 weggesneden bij D.
28 w. ombekint. 29 a yet suit v. 31 Alse omme.
32 SO ontbr. 33 ne 1. hu n 34 nu w. doen be-
kinnen. 35 iemen. 36 A. Middelen. 37 wel ontbr.
38 soe w. t. prisen. 39 ander m. 40 Die ni also
naturlic s. D. naturlec. 41 meinschen e. i. b. mede.
42 het es n 43 haer. 44 D. soe m. h. lichame
w. D. hare: 45 C. en D. Dit. 46 Alle creaturen.
47 D. m. dat es. D. men. 48 T. lachterne no t.
prisen s. D. noch. 49 W. hem n. 50 n. ic wils hu
v. 51 Maken h. w. hem 1. g. 52 Want dies nes gheen
n. D. M. d. soe nes. 53 Dat i. hu h. a. soude t. D.
Dat i. u s. hijr. A. Die. 54 zake. 55 D. g. u t. s.
an h. g. 56 Woudirc n. D. Woudi. 57 hu de p.
brochte ter d. 58 H w. wel hu zalicheit. 5) beghinnix D. Hijr h. s. begin. Vs. 5 60-71 bi, D.
weggesneden. 61 Alte male. 63 arde sc. 65 E. met
e. m. werdich dan. 66 D. mee s. v. dogheden g.
' Horat. Satyr. L. I. 2, vs. 21.
Dum vitant stulti vitia, in contraria, currunt.
2 Rose, I. 193, 6494 (5782) :
Onques de ma bouche n'issi
Que nule riens hair doie-en.
3 Rose, I. 191, 6517 (5S05) :
Force for fait, c'est chose voire,
N'el n'a sor nul vice victoire ;
Mes sans faille, s'il n'el faisoient,
Blasme recevoir en devroient.
4 Rose, I. 194, 6533 (5821) :
Met, s'il le rlii,t, 4 moi t'entente,
93
A. fol. 27 b. c.
Al wart den keysere van Romen der stede
Ic mochte hem dienen wel met eren.
5570 Siet, wildi u te miwart keren,
Ic wille gerne u lief wesen.
Nu seggic u wat u van desen
[5520]
Comen sal, ontfadi mine minne.
U sal gebreken in genen sinne
5575 Dine negene sekerlike,
Noch mesfallen in erterike.
Gi selt werden so groet here, [5525]
Wildi doen dat ic n lere,
Dat noit meerre en wart gesien.
5580 Al u wille sal u gescien,
Indien dat gi mine werke doet
[5530]
Ende mi minnet dore oetmoet :
Ine hete u werken gene dine el ;
Ende so mogedi u beromen wel,
5585 Dat gi hebt ene amie,
Die en geleec joncfrouwe nie,
Soe wel geboren no soe hoge,
[5535]
Dat si mi iet geliken moge ;
Want ic bem dochter sekerlike
5590 Ons Heren Goeds van hemelrike,
Die mi so scone heeft geformeert.
[5540]
En sijt des niet tebarenteert :
Spegelt u in mijn dare anscijn, 1
Dat niet claerre en mochte sijn,
5595 Sone sagedi joncfrouwe noit so scone,
Noch maget negene van selken lone,
[5545 ]
Die dies heeft orlof, alsic doe ; Ende mach u wel seggen hoe :
Ic hebbe orlof an minen vader,
5600 Dat ic mi selven mach algader
C. fol. 33 d. — 34 b.
Geven den genen die le minne,
Ende wesen sine gestade vriendinne, [5550]
Sonder blame ende sonder onnere ;
Ende ons beiden sonde God onse here
5605 Nemen altoes in sire hoeden
Ende vriendelike tegadre voeden.
Seggic wel, wat dunct u goet
[5555]
U God, die u dus minnen doet,
Gelt hi dus wel sinen lieden ?
5610 Besiet dese gichten ende mieden,
Ende ontsegt mine vrientscap niet ;
Want mageden hebbens groet verdriet, [5560]
Alsi hen ontseggen horen
Ende doegens rouwe ende toren."
5615
Die minnere seide : 11 Se ne vrouwe,
Ic bidde u dat gi mi segt op trouwe,
Waer of gi wilt dat ic u diene." [5565]
Redene seide : nDat ware onsiene,
Dat gi mi dient ; maer is wille dat,
5620 Dat ic u diene telker stat,
[5 ,70]
Ende gi getrouwe blijft mijn vrient.
Laet den genen dien gi dient,
Noch en acht te gere uren
Up dat rat van Avonturen ;
5625 Poet alse meester Socrates dede, [5575]
Die noit niet te gere stede,
Noch om gewin noeh om verlies,
Verhaelde varuwe, sijt seker dies,
Hine bleef in enen poente altoes ;
5630 Weder hi wan ochte verloes, [5580]
Hine was te drover no te blider :
Dies gine sijn prijs vele te wider
Want dat scrijft ons Solijn, 2
5568 waert de keyser v Rome. 69 In mochtem
wel d. m. e. 70 S. w. hu te mi waert k. A.. mi te
uwart 71 hu 1. g. w. 72 N willic hu s. van d. 73
Ontfadi m. m goet. A. ontfaet. 74 Dat hu de zinne
verlichten doet. D. U en s. 75 Ende niet gebreken
sal s. 76 Dine negheen in aerderike. 77 G. suit hebben doghet ende eere 78 Ende sijn een ghewcidich
heere. 79 W. d. den wille mijn 80 Al dat ghi
wilt mach met hu sijn. 81 mijn ghewerke. 82 E.
hit mine minne dinket goet. A. en D minnen.
83 In h. hu doen g. d. e. D. In h. u w. en g.
A. Ene ine. 84 E. ghi moghet hu b. w. 85 de
beste a. 86 D. vrauwe ghedaen adde n. D. vrouwe.
88 soe. 89 die d. s. 90 Gods ontbr. 92 Ne s.
n. tebarteert. 93 Spegel hu. C. en D. claer. 94
scoenre m. s. 95 Ghine saghet noit vrauwe s. s.
96 No m van so groten 1. 97 hevet o dat ic d.
98 E. ic m. 99 van m. v. 5600 Mi s. te gheven
a. 1 Den g. d. i. met herten m. 2 E. te wesene
s. v. 3 S. b. te hebben emmermeere. 4 E. o.
beeden sal o. h. 5 Altoes n. i. sine hoede. 6 E. te
gadre sijn met goede. 7 Nu seght wat dinct hu g.
8 Die G. 9 wel dus sine 1. 10 ghiften die ic hu
biede. 12 groet ontbr. 13 Ende groten rauwe ende
toren. 14 Alsi hem ontsegghen horen. 15 minre.
16 biddu up rechte t. 17 Dat ghi mi seght
van wat dienste 18 Ghi wilt dat ic doetuwen
zienste. Tusschen vs. 5618 en 19 b ' C. de
volgende verzen:
Redene seide het ware onscone,
Dat ghi mi dient sonder hone.
19 Ne waer ic w. al d. 20 d. verstaet dat 21 E.
g. b. mijn ghestade v. 22 Ende d. g. laet d. g. d.
23 Ende niet ne lacht teenigher uren. 25 als.
26 D. n. te g. s. 27 Omme g. no o v. 28 Vernieuwede sijn blie. 29 A. Hi. 30 ghewan ofte.
31 drouver. 32 D. sin p. ghinc te w. 33 W.
ons so bescrivet S.
I Hier eindigt het eerste gedeelte van fragment D. II.
2 C. Julius Solinus, in de Me ceuw n. C.,
was een epitomator van Plinius en gaf in zijnen
Polyhistor eene besehrijving van het merkwaardigste in verschillende landen. In de Middeleeuwen werd hij nog veel gelezen.
94
A. fol. 27 c. d.
Dat antworde ende sprac Apelijn,
5635 Dat Socrates al openbare
[5585]
Die wijste van alder werelt ware. 1
Wat hem deerde, wat hem mesquam,
In enen poente hijt altoes nam,
Nochtanne datmenne te doet sloech,
5640 Omdat
[5590]
seide ende droech,
Dat nemmeer en ware dan een God,
Die hadde over al gebod.
Dit so predecte hi altenen,
Datmen gelovede ane dengenen.
5645 Eraclius 2 ende oec Dyogenes
[5595]
Hare herte en was niet alsoe duwe es :
Om anxt no om aremoede beide
En haddense te meer noit sericheide ;
Maer vaste altoes in enen staet,
5650 Gesciet hem goet ochte quaet. [5600]
Aldus so doet, lieve vrient!
Ine wille niet dat gi mi client
Van enichger saken tenichger uren ;
Laet gewerden der Avonturen,
5655 Hoet u dat si u nine sla,
[5605]
Hoe verre ochte hu na soe ga.
En es geen stare worstelere
Dien dAvonture iet ververe,
Ende hem daer jegen niet en wart,
5660 Dien achtic niet eens pennincs wart. [5610]
Niemene en soude hem vervaren
Van hare, maer vromelike weren ;
Want si qualic worstelen can.
Es hi rike ocht arm die man,
5665 Op dat hi hem wilt weren weder, [5615j
Hine werpse saen te neder.
Hi en es niet coene diese ontsiet,
C. fol. 34 b. c.
Want der cracht ne heeft so niet,
Dat si den genen mach verslaen,
5670 Dia jegen hare in stride wilt staen. [5620]
Daerbi en soudmense niet ontsien,
Want si den genen slaet die vlien ;
Ende ist niet grote scande dan,
Dat hem verhangen laet die man,
5675 Die hem mochte wel verweren ?
[5625]
Wien sonde sine quale deren ?
Daer omme, vrient, en ontsiet
U vander Avonture niet ;
Laet hare haer rat wel keren,
5680 Den enen nedren, den andren eren, [5630]
Ende hout n jegen hare vast;
Sone mach u en genen overlast
Doen noch toren in nwen sinne.
Gi heet die Avonture goddinne,
5685 Ende segt dat si es gecroent,
[5635]
Ende boven inden hemel woent :
Dat es sccren groet sekerlike.
Sone heeft in hemelrike
Stat negene bi onsen Here ;
5690 Want si es sorgelic alte sere, 3
[5640]
Ende dinge die staen ter avonturen
En moegen met Goede niet geduren.
Ene roke so staet in die zee,
Diepe in die middelt min no mee,
5695 Ende die hoge daer boven steet, [5645]
Daer die zee dickent jegen sleet
Ende scoed met groten baren ; 4
Nochtan en canse niet tuwaren
Met haren Strome die roke verdriven,
5700 Si en moeter binnen bliven
[5650]
Vaste staende up hare stat ;
5634 Die sprac ende andwoerde A. 36 wiste
v. d. A. werel. 37 d. ofte m. 39 Ja al daer men
de d. s. 40 voert dr. 41 D. niet dan I. G. fie
ware. 42 D. ghebod hadde harehentare. 43 Ende
d. s. p. al theenen. 44 an anderen g. 45 Heraelides e. D. 46 H. h. w. n. als die hu e. 48 Ne
adden si noyt s. 49 Ne waer hilden hem in I.
ghelaet. 50 Ghesciedem 52 In. 54 die A. 55 Ende
wacht hu hoe soet ga. 56 Dat hu haer rat niet
omme sla. 57 E. e. so s worstelare. 59 ne wert.
60 Dat ickene prise I. denier wert. 61 Niemen
ne soudem vervaren. 62 varen. 63 soe. 64 ofte
arem m. 65 Up datti h. w. wille w. 66 H. w.
te hant wel n. 67 die hem Vs. 5668 ontbr. bij A.
69 soe. 70 haer te s. daer gaen. 71 D. omme soude
mense. 72 so de ghene. 73 So eist wel g. s d. 74 de
m. 75 D. h. wel m. 76 Wildemen hem scaden of d.
77 sone o. 78 der avonturen. 82 S. m. hu doen
ghen o. 83 Nochte t. 84 de A. 85 E. seecht daer
soes es. 87 D. e. gheloghen s. 89 negheen. 90
soe e. s. zeere. 91 E. die dinghen s. 92 Ne connen. 93 rootse st. in de z. 94 Diep in de middele
verstaet mee 95 Die h. boven den water s. 96 D. d.
z. stroem j. sclaet. 97 R scoeter ieghen metten
zee b. 98 N. ne c. soe n. vervaren. 99 scoten
d. rootse. 5700 Sone m. emmer b. b.
1 Rose, I. 196, 6593 (5881):
Ce fu cis, bien le dit Solin,
Qui par les respons Apolin
Fu jugie du mont lj plus sages.
2 Rose, I. 196, V05 (5893) :
Eraelitus, Diogenes.
3 Rose, I. 198, 6655 (5843) :
El n'est pas si bien eureuse,
Ains a maison trop perilleuse.
4 Rose, I. ] 98, 6660 (5848) :
Contre qui la mer grouce et twice
95
A. fol. 27 d.-28 a.
Maer si maecse dicwile nat
Met haren watre dat opvart,
Maer doch keret achterwart
5705 Dese roke vercleedt hare [5655]
Van clederen met menichgen pare,
Van selken blomen, die van verren
V linken alse scone sterren.
Die crude staen daer groene gesait ;
5710 Maer alse die nordewint wait [5660]
Met sire groeter coutheide,
Verdelut hi tcrut ende blomen beide. 1
Op die roke steet aldaer
Een sorgelic bosch, dat es waer, 2
5715 Daer wonderleke borne instaen ; [5665]
Want deen draget sonder waen
Vrocht, ende die andre negene ;
Daer staen groete ende clone. 3
Alse deen groit, wart dander droge ;
5720 Alse dean tegeet, wast dander hoge. [5670]
Daer es wonderlike locht :
Alse deen blast, draecht dander vrocht.
Alle die borne, die souden sijn
Groene te rechte, staen in scijn
5725 Ochte si alle verdroecht waren ;
Ende dandre si souden vervaren
Te rechte, die daer staen al groene. 4 [5675]
Hets daer van wonderleken doene :
Die nachtegale singet daer spade ;
5730 Maer heft te singenne staede
Jupren ende hulen, die daer singen
Ende haren droven sane vortbringen. [5680]
Hare sane es drove, dat wetic wale,
Ende selve sijnse drove altemale. s
5735 Daer boven lopen alle tijt
Twe vloede, die sijn diepe ende wijt,
Springende uut borne sonderlinge. [5685]
Dene gevet in waren dingen
Scone water, getrouwet mi des,
5740 Dat suete ende soe smakelic es,
Dat niemen en es dies gedrinct,
Hine penser omme ende dinct
[5690]
Hoe hijs noch mochte gewinnen ;
Want hijs gesaedt niet van binnen,
5745 Ende ne mach wesen emmermere,
Want hem dorst even sere.
Dies meest drinct, hem dorst meer [5695]
5702 soe m. dicken. 3 water datter up waert.
4 M. emmer moet keren a. 5 rootse verchiert h.
6 Met cleedinghen van m. p. 7 sulken bloemen.
8 Blecken also s. als s. 9 scone ghesprait. 10 als
d. noerdene w w. 12 Verdervet h. cruut e.
bloemen mede. 13 Up d. rootse die staet daer.
14 Staet e. s. b. voer w. 16 die een. 17 Vrucht — ne
gheen. 18 Die d. s. groet e. cleen. 19 Als deene
g. es d. d, 20 Als deene tegaet. Vs. 5721 en 22
ontbr. bij C. 23 de boeme d. daer s. 24 met r.
25 Of. 26 E. die andre of s s. tevaren. 27 Die
st. daer al dore g. 29 De. 30 M. singhende
hebben daer wel stade. 31 hulden. 33 Haer s. e.
d. weet w. 34 E. leelijc te hberne a. 35 talre t.
36 d. diep sijn. 37 huten b. 38 Deen hi hevet.
39 S. w. ghelovet das. 40 D. claer e. wel smakende e. 41 diet drinct. 42 peinster o. e. ghedinct. 43 H. h. mee m. g. 44 W. h. niet verzaet b.
45 No ne m. werden nemmermeere. A En m. 46
durst so lane so meere. 47 D. m. d. heeft meest derst.
l Verdeluwen, Kil. livescere, pallescere. De beschrijving in het origineel is oneindig schooner,
gelijk men zal kunnen oordeelen. Rose, I 198,
6674 (5862) :
Car quant ainsinc apert par air,
Les floretes i fait parair,
Et cum estoiles flamboier,
Et les herbetes verdoier
Zephirus, quant sur mer chevauche ;
Et quant bise resouffle, it fauche
Les floretes et la verdure
A l'espee de sa froidure,
Si que la flor i pert son estre
Si tost cum el commence it nestre.
2 Rose, I. 199, 6683 (5871) :
La roche porte un bois redoutable
3 Voor dezen matten regel in onzen tekst heeft
het oorspronkelijke, Rose, I. 199, 6693 (5881) :
L'une se haucc et ses voisines
Se tiengnent vers la terre enclines.
C. fol. 34 c. d
4 Rose, I. 199, 6701 (5889):
Lk tient sa foille tout flestre
Li loriers qui vers (Must estre;
Et seiche redevient l' olive,
Qui doit estre empreignant et vive ;
Saulz, qui brehaignes estre doivent,
I florissent et fruit recoivent.
Vervaren, Kil. perire, deperire. De lezing van
C. in vs. 5724-25 is boven die van A. te verkiezen.
5 Rose, I. 199, 6709 (5897):
Li rossignos h tart i chante ;
Mes moult i brait et se dements
Li chahuan o sa grant hure,
Prophetes de male aventure,
Hideus messager de dolor,
En son eri, en forme et color,
Lees in vs. 5730: hebben.
Juyper, Kil. vetus. Hubris, species avis nocturnae.
96
A. fol. 28 a. b.
Vele dant dede te voren eer.
Wies drinct werter dronken af;
5750 Van dorste en doet geen gelof,
So suete eist water, alse wi lesen,
Dats niemen en mach gesaed wesen ; [5700]
Leckerheit laetse saeden niet,
Diese altoes daerwaert tiet.
5755
Scone ende sachte loept dese riviere,
Ende clinct rechte na die maniere
Ocht timbren waren ocht ta,mburen : [5705]
So luut si in alien uren.
Die ginge ter ri vieren wart,
5760 Si sonde van hem so sijn begart,
Dat hire sonde willen binnen gaen ;
Nochtanne sonde wederstaen,
[5710]
Alse hi quame op dat bort,
Ende hem vervaren te gane vort.
5765 Met pinen so dwaense hare voete,
Soe noede gaen si int water soete ;
Maer alsijs drinken een luttelkin,
[5715]
Dunket hen soe suete sijn,
Dat sire gerne gingen inne
5770 Tote den halse ochte tote den kinne.
Dan liden si den inganc saen
Ende vort in dat diepe gaen, [5720]
Ende drinken sere ende baden
C. fol. 34 d — 35 b.
Ende danne coemt ene vloet met staden,
5775 Diese weder drijft te lande.
Dan hebbense gere menicherande
[5725]
Noch te drinkene vander vloet,
Die hem therte verbernen doet. 2
Ic sal u seggen, hoert na mi,
5780 Wele dat die nature si
Van diere andre rivieren.
Si es van selker manieren,
[5730]
Dat si es donker ende bitter sere,
Elide rokende min no mere
5785 Ocht ene chemeneie ware,
Ende van vuelheden openbare
[5735]
Scuemse harde onsuverlike ;
Ende si loop so stuerlike,
Dat si maket selken tempeest,
5790 Dat si geliket alre meest
Den eiseleken swaren donder.
[5740]
Op dese vloet, dat es wonder,
Wait selden suete wint van west ;
Want si es altoes ongerest
5795 Metten nordene winde swaer, 3
Die altoes hout dat water daer
[5745]
Ongestade met groten baren,
Die niet en mindren no vervaren,
Maer wentelen met bergen groet :
5748 Ende v. mee danne t. v. cerst. 49 Ende
w. die d. 50 V. deerste ne d. g. ghelaf. 51
zoete es dwater also. A . twater. 52 D. n. verzaet can
w. 53 Leckerhede ne 1. verzaden n. 55 zochte 1.
de r. Sn clincket recht in der m. 57 Of -- of.
58 Dus ludet daer i. a. u. 59 ghinghen. 60 Si
ontbr. 61 binnen s. w. g. 62 Nochtan soudi.
63 Als. 65 M. p. dwaen si. lettelkijn. 68
Dinket hem. 70 Toten h. of toten k. 71 Danne
72 E. sijn v.
d. d. ghegaen. 73 E. danne d.
si e. b. 74 Dan c. een v. 76 h si. 78 D. h. t.
binnen vertheeren d. 79 A. hoert ontbr. 80 Wat
d. 81 V. der andere riviere. 82 So e. v sulker
maniere. 83 D. so d. es buter zede. 84 E. r.
eenparlike mede. 85 Ofte e. kemeneye. 86 Die
v. v. harentare. 87 Scumende es. 88 E. so loept
so soept s. s. 89 so maect sulc. 90 D. het es ghelike. 91 A. Dan. 92 Up d. vloyt so wayt selden onder.
93 Die soete. 94 W. altoes es soe. 95 Maer
m. noerden. 96 So hout so haer iopen d.
98 D. n. m n. tevaren. 99 wintelen alse baren g.
' Rose, I. 200, 6728 (5916) :
Més nus de soif ne s'i delivre.
2 Vs. 5757-5 776 zijn door den vertaler
hoogst onnauwkeurig weergegeven. Verg Rose,
I. 200, 6739 (5927) :
n'est nus qui cele part voise,
Que tous li cuers ne li renvoise.
Maint sunt qui d'entrer ens se hestent,
Qui tuit a l'entree s'arrestent,
Ne n'ont pooir d'aler avant.
A peine i vont for pies lavant,
Envis les douces iaues toichent,
Combien que du flueve s'aproichent.
Un petitet, sans plus, en boivent ;
Et quant la doucor aparcoivent,
Volentiers si parfont iroient,
Que tuit dedens se piungeroient.
Li autre passent si avant,
Qu'il se vont en plain gort lavant,
Et de l'aise
ont se loept,
Dont ainsinc se baignent et noent.
Lors vient une ondee legibre
Qui les boute h la rive arriere,
Et les remet h terre seiche,
Dont tout li cuers for art et seiche.
Van de twee soorten van bezoekers, waarvan
het origineel spreekt, heeft onze dichter niets
gemaakt en alles dooreen geward.
3 Rose, I. 201, 6773 (5961) :
Mes li dolereus yens de bise
A contre li bataille emprise
97
A fol. 28. b. c
5800 Nie en sach man dies genoet.
Vele lieden sitten in dese beke
[5750]
Ende weenen harde jamerleke ;
Van haren swaren meswende
Ende hare weenen en wart geen ende.
5805 Menich mensche geet hierinne
Niet toter herten, maer toten kinne,
[5755]
Ende sijn daer in anxten swaer ; Ende menich wart vanden baren daer
Geworpen weder toten lande
5810 Ende weder int water altehande.
Dese vloet coemt so sere draiende
Ende met so starken wende waiende, [5760]
Datse _hare venijn quadertieren
Werp tote indie suete rivieren,
5815 Ende testort al daer mede
Hare doeget ende hare suethede,
Ende maecse swart ende onreine, [5765]
Die te voren was scone ende reine.
Ane dese montaenge boven steet
5820 Ene herberge, crane ende ongereet
Gemac te hebbene sekerlike.
Het wait, het binscht daer dagelike, [5770]
So sere dat scijnt dat met alien
Die sale te neder soude vallen. 1
5826 Daer comen sorgen ende tempeesten,
Die altoes houden daer hare feesten ;
[5775]
Ende die suete westene wint
C. fol. 35. b. C.
Wait daer selden al ommetrent ;
Maer grote, eiselike baren
5830 Comen daer dickent stuer gevaren.
Dene partie so steet die sale
Op den berch, ende dandre hangt tale, [5780]
Dat rechte scijnt dat si souden saen
Vallen ende te stucken slaen.
5835 Ic weet dat sekerlike wale,
Dat noit so wonderliken sale
[5785]
En wart gesien te gere uren, Alse es dat huus ter Avonturen ;
Want in dene side, dats waerhede,
5840 Sijn van selvere ende van goude mede
Die mure ende scone gemaect,
Ende metten selven dake gedaect : [5790]
Noit en was scoenre zale negene.
Oec so wasse met menegen dieren stene
5845 Beset, die scenen bernende claer. 2
Wie thuus siet, heeft openbaer
[5795]
Genoech te prisene sine warde. Mijn vrouwe ver Hovarde
Hout hare gerne in alien tiden
5850 Om die scoenheit in dese siden.
Dander deel van deser woninge
En es niet van selken dingen ;
[5800]
Want die mure, God weet,
En sijn niet ere palme breet,
5855 Ende es gedect harde qualike,
5800 Noit ne. 1 die b. 2 Die w. wel j. 3
Ende haers weenen ne wert gheen ende. 4 So
zeere sijn si in meswende. 5 meinsche gaet 6
T. h. ende niet t. k. 7 anxenen. 8 Ende ontbr.
9 weder ontbr. 10 te hande. 11 A. draende. 12
E. m. zulken winde. 13 Dat soe haer v. quadertiere. 14 Werpt t. i. d. riviere. 15 E. t. a. hier
ter stede. 16 ende scoenhede. 17 maketse. 18 was
so reene. 19 An. 20 onbereet. 22 bruusch d.
eenparlike. 23 scijnt m. a. 24 Of d. s neder
s. v. 25 commen sorghe e. tempeeste. 26 D. daer
a. h. de f. 27 zoete, 28 W. selden daer omtrint.
30 dicken toe g. 31 Die eene p. van der s.
32 Staet up d. b. e. te dale. 33 So hanghet
tander ende s. oft soude vallen. 34 Ende tander
slaen te sticken met alien. 36 D. n. man so wonderlike s. 37 Ne sach. 38 Al eist thuus der A.
39 bi w. 41 D. m. e. die steene g. 43 N. sach
man s. zake gheene. 44. No met so m. d. steenen.
45 B. d. daer berrenden c. 46 W. thus s. over
waer. 47 Hevet g. t. p. daer ane. 48 M. v. H.
sonder wane. 49 tallen t. 50 0. d. s. sonder
vermiden. 51 Tander d. v. der woninghen. 52
Nes n. v. zulker d. 54 palmen.
1 Rose, I. 202, 6815 (6003):
En haut, ou chief de la montaingne,
Ou pendant, non pas en la plaingne,
Menacant tons jors trebuchance,
Preste de recevoir cheance,
Descent la maison de Fortune ;
Si n'est rage de vent nesune
Ne torment qu'il puissent offrir.
Het bij A. in vs. 5822 gebezigde ww. binscen
(lees : biesen, zonder de c) is een yrisselvorm van
bijsen, biesen, Kil. furente ac violento impotu agitare, van waar ook bijse, tempestat horrida, boreas.
Door Kil. wordt als van gelijke beteekenis : brum-
sen =bijsen opgegeven. Misschien is bij Kausler te
lezen : brums; hoezeer ook bruusch (d. i. bruist) een
zeer goede zin oplevert. Zie over biesen, Graff,
III. 216 ; Benecke, MM. Wtb. I. 168; Grimm,
D. Wtb. II 3.
2 Rose, I. 203, 6837 (6025) :
Si r'est toute la coverture
De cele meisme feture,
Ardans de pierres precieuses
Moult cleres et moult vertueuses.
Over de tooverkracht der kostbare steenen,
waaraan in de Middeneeuwen zooveel geloof werd
gehecht, zwijgt onze vertaler.
7
98
A. fol. 28. c. d.
Ende scijnt niet ene zale rike ;
Maer bevende ende sere tebroken, [5805]
Crane ende met groten croken,
Ende gescort ter meneger stat.
5860 Ane hare gedane scijnt wel dat,
Dat si nine soude staen ene ure :
[5810]
Selke woninge hout dAvonture. Alse dAvonture geert wilt sijn
Trect soe in hare paleis guldijn,
5865 Ende gaet hare daer bereiden
Met wel groter behagelheiden,
[5815]
Ende gaet haren lichame sieren Met cledren van menichgen manieren,
Met selvere, met goude ende met siden, I
5870 Met dieren gesteente ende gesmiden;
Ende set alse ene coninginne.
Dan dunct hare in haren sinne,
Dat al dat in die werelt leeft
[5820]
Jegen hare niet en heeft
5875 Eren noch werdicheiden twint.
So groet si hare selven kint,
Dat niemenne en es in erterike
Die hare dunct dat hare gelike :
So waent si vrouwe sijn boven al, [5825]
5880 Sine ontsiet engeen mesfal.
Dan geet si den sale al omme,
Elken muer ende elke colomme
Besien utermaten wale.
[5830]
So verre geet si in dien zale,
C. fol. 35 c. d.
5885 Alse cue die hare niet ontsiet,
Dat si valt, eer sijs weet iet,
In die cranke zale daer neder,
Daer hare vercoveren kume es weder.
Dan drijft so droefheit ende rouwe, [5835]
5890 Die te voren so grote ene vrouwe
Was ende hadde hare so verwaent.
Dan herpense ende hermaent
Hoe wale, hoe scone dat hare stont
Hare gout, hare selver ende hare bont, [5840]
5895 Dies si nu es al quite bleven :
Si scijnt van alien wel verdreven.
Dus blijft hare rouwe een groet deel.
Dan geet si crupen in een bordeel,
Vol rouwes, met wenenden ogee, [5845]
5900 Daermen hare rouwe groet siet togen. 2
Dat grote goet heeft si verloren,
Dat si hilt ende hadde te voren ;
Ende bedi, omme dat si es
So verkeert, geloeft mi des,
[5850]
5905 Dat si die goede werp ter neder
Ende die scalke verheffet weder,
Ende hen gevet grote volheit,
Goet ende ere ende werdicheit ;
Ende oec neemt sijt weder hen,
[5855]
5910 Alst haer coernt inden sen)
Ende en willes niet meer gedogen.
Hier bi sijn hare verbonden dogen,
Omdat si weten niet en sal
5856 E . ne s. ne bore r. 59 ghescoort te. 60 An.
61 D. soe niet. 62 Sulke. 63 de Aventure gheheer wil
s. 64 Tree s. haer. 65 E. hare g. soe d. b. 66 behaghelheide. 67 lechame verehieren. 68 M. c. menighertieren. Vs. 69 en 70 ontbr. bij C. 70 D. diere. 71 sit.
72dinct. D. dunct. A. Dat. 73 dew. levet. 74 ne hevet.
75 no werdichede. D. twent. 76 so haer. D. kent.
77 niemen ne e. erderike. D. nieman. 78
haer hiet dincket g. 79 Ende w. sijn v. b. a.
80 Sone o. gheen ongheval. D. Sine. A. Si.
81 Danne gaet soe de s. D. die s. 82 D. en.
83 Besiende harenthare alte male. 84 gaet soe
in de s. D. die. 85 die h. niet en o. D.
haer nien o. A. iet. 86 Soe d. soe v. e. so es
w. i. D. Datse. 87 die helt n. 88 C. D. haer.
89 Danne d. s. groten r. 90 D. t. v. was so
g. v. D. soe groten. Vs. 5891— 5901 bij D. weggesneden. 91 Ende so zeere oec v. 92 bepeinst
1 Hier begint wederom fragment D, dat met
eenige lacunes tot vs. 5987 doorloopt.
2 Vs. 5879-98 zijn door den vertaler zeer
onnauwkeurig teruggegeven. Zie Rose, I. 204,
6881 (6069):
Puis va tant roant par la sale,
Qu'ele entre en la pantie sale,
Foible, decrevee et crolant,
0 toute sa roe volant ;
Lors va soupant et jus se boute,
so haer e. vermaent. 93 wel. 94 Van zelvere
van goude van bont. 95 D. so n. al q. es b.
96 Ende wel v. a. scijnt v. 97 Danne hevet so r.
98 Ende gaet henen c. 99 Vul van r. ende m. w.
o. 5900 Men ziet haer vele jammers t. A. si t. 1
Hare grote rijchede es al v. 2 Die soe adde ende
bezat te v. E. hier bi dat daventure es. D.
bi die omdat. 4 So wandel ghelovet d. 5 soe
D. D. si g. werpt. 6 C. en D. verheft. 7 So
dat hem toecomt groet goet. 8 Eere werdichede
ende heet vroet. 9 Nochtan neemsoet weder hin.
D. nemt. 10 haer c. haren zin. D. A. hare. A.
hem. 11 E. nemmer ne wine g. D. will. 12 Bedi s. h.
v. de oghen. D. Hijr. 13 Omme dat soe niet w. ne s.
Ainsinc cum s'el ne veist goute ;
Et quant illec se voit cheue,
Sa chiere et son habit remue,
Et si se desnue et desrobe,
Qu'ele est orfenine de robe,
Et semble qu'el n'ait riens vaillant,
Tant li sunt tuit bien defaillant.
Et quant el voit la mescheance,
Si quiert honteuse chevissance,
Et s'en vait au bordiau cropir
Plaine de duel et de sospir.
99
A. fol. 28 d —29 a.
[5860]
Wien si doet goet ochte mesfal ;
5915 Ende bidie dattie Avonture
Werp op ende- neder in menichge ure,
Biden kere van haren rade,
Beide die goede ende die quaae,
[5865]
So laet u gedinken dat is seide 5920 Van Socratesse, die alle beide
Die Avonture goet ende quaet
Altoes hilt in enen staet.
Menich exempel mogedijs vinden,
[5870]
Wildi te sokene u geninden,
5925 Daer gijt bi proeft al sonder spel.
Bi Senica so proeft men wel
Ende bi Nero den coninc;
Mar dacraf cortic nu die dine,
[5875]
Om dattie redene openbare
5930 U daer ave te lane ware :
Van Nero, den quaden wrage, 1
Die dede binnen enen dage
Rome verbernen, die goede stat,
[5880]
Ende doeden dedi oec na dat
5935 Van Romen die senature.
Hi was wreet ende fel ter cure,
Doe hi doedde sinen broeder,
Ende oec ontleedde sire moeder,
[5885]
Omdat hi die stat anesach,
5940 Daer hi IX maent in lach ;
Ende daermense te stucken sneet,
C. fol. 35 d.-36 a.
Daer besach hi elc let gereet,
Die scoenheit die dar lach an.
Wie sach noit so quaden man?
[5890]
5945 Doe hi aldus besach die lede,
Dede hi in sine camere mede
Den wijn langen ende woude drinken,
Ende dede hem den nap al vol scinken.
Bi sire suster hi oec lach.
[5895]
5950 Hi nam, daert menich toesach,
Tenen wive enen man ;
Daer na dedi die cledre an,
Ende cleedde heme alse een wijf,
Ende leverde enen man sijn lijf. [5900]
5955 Te Seneca, sinen meester goet,
Seide hi dat hi sterven moet ;
Maer hiet hem dat hi kiese dat,
Wat doeden dat hi gerde bat;
Want hi emmer sterven moet.
[5905]
5960 Doe dat sach die meester vroet,
Dedi hem laten an elken arm
Ende sitten in een bat al warm,
Ende seide : yLaet mi hier tote tien,
[5910]
Datmen mine ziele moege sien 5965 Blidelike sceden van mi,
Ende varen ten hogen coninc vri,
Diese hadde mi gesent,
Sonder te hebbene meerre torment." 2
[5915]
Dus starf daer die goede man,
5914 W. so goet ghevet so m. D. W. dat s. g. d.
15 E. hier oinme d. A D. dat dAvonture. 16 Den
eenen ghevet tsoete dandre tsure. D. werpt. 17
Beede den goeden ende den quaden. 18 Bi den keerenden van den rade. 19 wat i. s. 20 Socrates. Vs.
5922 —35 weygesneden bij D. 23 moghedi. 24 Wildijs hu te zouken onderwinden. 25 proeven moghet
w. 26 B. S. wat dat hem ghevel. 27 E. van N.
28 M. d. willie corten de d. 29 Omme. 30 Daer
of al te 1. te telne w. 31 N. die felle ende die
quade. 32 Dede bernen bi sinen rade. 33 R. d.
werdelike s. 34 E. dede mede doden n. d. 35
Die rike heeren d. s. 36 H. dede oec to diere
ure. D. fel e. w. 37 Ontliven s. b. 38 E. ontleden dedi s. m. D. ontleden. 39 d. stede an s.
40 maende. 41 sticken. 42 Bisach h. e. 1. dat
ondersceet. 43 Ende hoe die vincture gelach.
44 Noyt man so quaet noyt sach. D. Wi s. nie.
45 Ende daer hi dus. D. Alse h. alsus. 46 Dede
i. s. c. ter stede. 47 D. w. bringhen e. scinken.
48 In den n. daer sine uut drinken. 49 mede 1.
50 Oec nam hijt daer ment anzach. D. daer m.
toe gesach. 52 Ende d. d. cl. a. D. dede hi d.
cleder. 53 Die hem cleededen a. e. w. 54 Eenen
m. to leverne s. 1. 55 vroet. Vs. 5956-67 wegg esneden bii D. 56 Dedi segghen datti s. m.
57 Ne waer hi gave hem to kiesen ter stat.
58 Hoe hi to sterven gherde bat. 59 Ende Seneca die meester goet. 60 Hi coes to sitten in
I cupe die stoet. 61 Al ghereet met watre waren.
62 Ende dedem laten in elken harem. 68 E. s.
nu 1. m. sitten to dien. 65 to . scedene. 66 E.
also varende daer so begherende si. 67 Dus es
hi al lachende ghehent. D. Die h. in mi g.
68 eenich t. D. hebbenne. 69 Ende aldus doedi
den goeden m.
1 ) Rose, I. 206, 6925 (6113) :
Les fais Neron, le cruel home.
Ware het HS. minder duidelijk, ik zou aan
de juistheid mijner lezing twijfelen. Nu hebben wij
zeker met eon tot nog toe onbekend woord te doen.
In Diefenbachs Vergl. Wtb. I. 234, (3' wordt een Nederduitsch woord wragel, uwiderspenstiger mensch."
en wrageln, ywiderspenstig sein, miirren." vermeld.
Stiirenburg (Ostfries. Wtb. 336) heeft: wrOgel, ,,Grobian, Taugenichts. " Dit wragel, wriigel is zeker een
afleiding bij wijze van diminutivum van wrage, dat
dus ook deugniet, lastige kerel beteekend moet hebben. Het zal zijn krond hebben in het AS. vrigan,
vrigj an, , tendere, conari, niti", en dus in het gronddenkbeeld wederspanniy, en bij uitbreiding lastly,
beroerd. Zie Ettmiillers Lex. AS. 153.
2 Rose, I. 207, 6956 (6144) :
Et que m'ame joieuse et baude
A Dieu qui la forma ge rende,
Qui d'autres tormens la Mende.
100
C. fol. 36. b. c.
A. fol. 29 a. b.
So mogedi danne weten wel,
5970 Daer mesdaet engene was an,
Dat hi was fel te voren,
Dan dattene die keyser plach
Eer hi ter eren waert Vercoren. [5950]
Ere te doene, waer dat hire sack,
6005 Dit en es engene moegentheit.
Gelijc scolier den meester doet.
Maer het es ene felle quaetheit ;
Dies seide die keyser : ,En es niet goet [5920]
Want scrifture seit, diet verstoede,
5975 Noch werdich, dat hi iemenne ere,
Dat moegentheit en es maer in goede 2
Die van Romen es keysere ende here,
Want niemenne en laet te doene goet, [5955]
Ende oec wander werelt mede,
6010 En sie dat hem armheit doet ;
Maer hem te eerne so es sede.
Ende men mach wel sien hierbi,
[5925]
Maer op dat gi altemale
Dat quaet te doene niet ne si ; 3
5980 Mine wort verstaet hier wale,
Ende dat willic u proven wale.
So mogedi merken dat rijchede,
[5960]
Men segt, ende hets ware tale, No goet, no ere, no werdichede,
6015 Dat alle dine vermach onse Here.
Noch gracie negene der Avonturen
Nu moehte iemenne seggen mere :
Den mensce maect goet van naturen, [5930]
God en vermach geen quaet.
5985 Hine blivet altoes in sinen staet,
Dats waer, is wille gijt verstaet ;
Es hi goet ocht es hi quaet.
Nochtanne vermach hi alle saken. [5965]
Ende es hi machtich, so toent hi tat
6020 Hier bi willic dit waerheit makers
Sine quaetheit telker stat
Dattie quaetheit niet en es twint,
[5935]
Dan hi arm ende neder ware, I
Sintse Goeds cracht niet en kint.
5990 Ende lage in davonture sware :
Nu willic dit nederleggen
So conste hijt getonen qualike,
Ende vort van der Avonture seggen. [5970]
Dat hi wel soude tonen, ware hi rike.
6025
En siedi niet hoe wonderlike
Nu segt men ene domme tale,
DAvonture wert op erterike,
[5940]
Die gi moeget merken wale,
Datti den quaetsten die iemen dachte
5995 Dat ere ende rijcheit mede
Talsoe groeter eren brachte, 4
Verwandelen doet tsmenscen sede.
[5975]
D
at hiDat
was
verre ende na,
es logene al tehere
groet !
6030 Ende dede den goeden Seneca
Maer goet ende ere toent al bloet,
Doeden sonder sijn verdien.
[5945]
Van wat seden dat si waren
Men sal op dAvonture niet sien
6000 Eer hen dat goet quam toegevaren.
Noch achten op hare geloven,
Alse een heeft ere, es hi dan fel,
5970 negheen. 71 Danne dat hem de k. p.
72 dat ontbr. D. d. hi mach. 74 Doe s. de k.
75 Dat men iemene doe e. 76 Danne die v.
Rome es h. D. Rome e. k. en h. 77 E. keyser
v. d. w. m. 78 Hem t. e. es wel s. 79 Ne waer
est dat ghi mine tale. D. Daer. 80 Wel verstaen
wilt altemale. D. wart. 82 Van goede eere. D.
Noch — noch — noch. 83 Niemen geven mach
die Aventuren. D. engene. 84 Vaste te blivene
bi n. D. en m. 85 H. blive in eenen vasten s.
D. blive. 86 of. D. ochte. 87 Want es een m.
s. toghedi b. 88 verstaet dat. 89 Danne of hi
nedre ende kaytijf w. 90 E. dan 1. 91 ghedoghen.
92 D. h. w. toonde. 93 secht mi. 94 merken
1 Einde van fragment D.
2 Rose, I. 209, 7027 (6215):
Si n'apele-ge pas poissance
Pooir mal ne desordenance :
Car l'Escripture si dit bien
Que toute poissance est de bien.
2 Rose, I. 209, 7033 (6221) :
Et qui seroit bien cler veans,
Il verroit que mans est neaps.
moghet. 96 doen smeinschen. 97 Dit e. eene 1. g.
98 Ne waer g. toghet a. b. 6000 E. hem tgoet
toe q. g. 2 S. machmen dan. 3 fel was. 4 eere
was. 5 D. nes gheene moghenthede. 6 M. hets
e. quade felhede. 8 D. m. niet dan g. 9 Nes
w. niemen t. d. g. 10 Ne hevet e. si d. daermoede d. 11 m. segghen h. b. 13 dit. 14 seit e.
het es. 16 yemen. 17 G. diene v. 18 Dits. 19
Nochtan. 20 w. de w. 21 nes t. 22 S. God onse
heere n. ne k. 23 d. al n. 24 Aventuren. 25 Ne
26 Die A. 27 Hoe soe d. q. d. nie man d.
28 Te also. 29 Datti h. so groet was v. e. n.
30 Nero die d. g. S. 31 D. dede s. v. 33 No
niet daer up a. no ghoven.
4 Rose, I. 210, 7079 (6267) :
Or vois comme Fortune sert
Ch-jus en ce mondain desert,
Et comment el fait it despire,
Qui des mauves eslit le pire.
5 Bij Kausler : ghoven, dat hij zoekt te verklaren door het fr. gober, lichtelijk gelooven,
voor zoete koek opnemen. Het is zeker eene
schrijffout voor gheloven.
101
A. fol. 29. b. c
Weder si werp onder ochte boven [5980]
6035 Den mensche, ochte waer sine laedt,
Dies Willie dat gise haedt,
Ende van haren geloven vliet,
Ende op hare en achtet niet.
Claudius hi plach sere
[5985]
6040 Te lachterne den God den here,
Die nie den scalken verhoef
Ende goeden gaf bedroef; 1.
Maer selve so antworde hi mede,
[5990]
Dat elre om God niet en dede,
6045 Dan dat hi vallen soude te meer
In tormente ende in seer,
Daerment hem loent altemale.
Ende gi, wildi mi dienen wale,
Alse gi hort ane die tale mijn,
[5995]
6050 So mogedi mijn vrient wel sijn,
Ende u gebreect danne nemmere
Goet, no raste 2, noch oec ere.
Ende wat es danne dat gi meent ?
[6000]
Ic sie dickent dat gi weent
6055 Ende traenoget van rouwen,
Gelijc datmen mach drupen scouwen
Ene clocke, wel lieve minne,
Daermen rose water maect inne. 3
C. fol. 36 c. d
In houde u over engenen man,
[6005]
6060 Want hens geen man die niet en can
Hem bedwingen van dien saken,
Diene te scanden mogen maken.
Die duvel selve uter hellen
Doet u dus u selven 'quellen
[6010]
6065 Ende u selven dus verslaen.
Dat gi weent so menegen traen,
Dit doet u God, dien gi te voren
Hebt te dienne dus vercoren ;
Hi brinct u toe al dese martire,
[6015]
6070 Hi vercoep u harde diere
Sine manscap die gi gewont ;
Hi berst ende jaget alse een hoot,
Ende houd u van herten fadde. 4
Enen man die sen hadde
[6020]
6075 Soude hijt qualijc gedoen moegen.
Laet varen, goet man, u doegen,
Ende hort na mi ; bet sal u mindren,
Ende laet weenen wijf ende kindren
[6025]
Ende die crane sijn van daede,
6080 Ende sijt stare selve ende gestaede,
Al siedi die Avonture comen
Jegen u, ende niet tuwen vromen ;
Want si keren moet haer rat
6034 W. soe den eenen onder werpt of b.
35 Of waer dat soene mede 1. 36 Ne waer is
wille g. h. 37 ghelove. 38 E. up haer doen ne
acht n. 39 Claudijs die. 40 T. 1. Code onsen h.
41 Patti den schalc te verheffene plach. 42 Ende
den goeden mesvel up eenighen dach. 43 Nochtanne so sprac hi m. 44 D. G. nieuwaer omme
ne d. 45 D. hi tevallen s. in. 46 groot s. 47
D. hijt h. mede 1. a. 48 Nu hebdi ghehoert
mine tale. 49 Wildi noch gheloven den woerden
mijn. 50 S. in. wel m. v. s. 51 E. hu ne g.
nemmermeere. 52 No g. no ruscu no e. 53 es
danne d. 54 dicken. 56 G. men in. scauwen. A.
sien d. sc. 47 Ute eene c. dropele comen. 58 D.
water maect van blomen. 59 Ende ne houdu o.
gheenen in. 60 No die hem niet bedwinghen
can. 61 Sine V sinne no sine s. 63 selve ontbr.
64 D. hu s. aldus q. 65 Die ha dus wile doen
verlaen. 67 D. d. de G. die hu t. v. 68 Hem
t. d. hevet v. 69 toe dese martiere. A. des
matire. 70 u ontbr. 71 S. manne d. g. g. 72 Hi
j. alse men doet e. h. 73 flau. 74 Waerdi een man
hi soude sulc een pau. 75 Hu qualike g. m. 78 Laet
w. de wive ende de kindre. 79 daden. 80 Ne waer
ghi die sterc sijt in rade. 81 Al eist dat dAventure
es c. 83 Laet varen so mach haer raet.
1 Rose, I. 211, 7091 (6289):
Claudius 'leis s'en soloit
Merveiller, et blamer voloit
Les dieux de ce qu'il consentoient
Que li mauves ainsinc montoient
Es grans honors, es grans hautesces,
Es grans pooirs, es grans richesces.
Lees in vs. 6139:
Patti den scalken verhoef
Ende den goeden gaf bedroef.
Verg. met den ongebruikelijken imperfectvorm
het Hd. heben, hub.
Claudianus, een Romeinsch dichter uit de IVe
eeuw, die bloeide onder Theodosius en zijne
zonen, wordt hier bedoeld, waar hij zegt (In
Ruflnum, I. 23) :
Jam non ad culmina rerum
Injustos crevisse queror. Tolluntur in altum,
Ut lapsu graviore ruant.
2 In de variant staat volgens Kausler ruscu,
dat hij verklaart door il eng. rescue, nfrnz. recousse,
vom mlt. reexcutere, Befreiung, Freiheit, Wohlbehabigkeit." Zoowel de verklaring als het juiste
lezen van het Hs. meenen wij to mogen betwijfelen .
3 Rose, I. 212, 7118 (6306) :
Je vois maintes fois que to plores
Cum alambic sus alutel.
4 Deze twee regels komen in het oorspronkelijke
niet voor, en zijn bij C. wederom jammerlijk
verknoeid. Fadde, bij Kil. vaddigh, ons vadsig,
is flaccidus, languidus, ignavus, torpidus, en vadde,
ignava mulier.
102
A. fol. 29. c. d.
Waer si wilt, te wilker stat :
[6030]
6085 Dat en mach hare niemene verbieden
Van hogen, no van nedren lieden;
Ende dat machmen merken wale
Bi Nero, daer ic die tale
Af hebbe geseit, die felle, die quade. [6035]
6090 Alse hi hadde al sine mesdade
Gedaen ende gehent sine quaetheide,
Alse ic u hier voren seide,
So haettene dat vole soe sere,
Dat sift gedoegen wouden nemmere, [6040]
6095 Ende jagedene al uter stat.
Die te voren so hoge sat,
Dat hi was al der werelt here,
Ruemde nu die stat met sere,
Ende versochte sine vriende ;
[6045]
6100 Mar hine conste niemen vinden die hem diende,
Sine sloten jegen hem hare dore,
Ende lietene vaste vlien daer yore ;
Ende hem volgede menich man,
Die hem gerne ware comen an
[6050]
6105 Om te nemene hem sijn lijf.
Aldus vloe henen die kaytijf
Met III knechten in enen vergiere.
Daer bat hem die ongehiere,
Dat sine wouden slaen te doet :
[6055]
6110 Sine meshope was so groet,
Dat hi emmer doet woude wesen.
Hem selven soe doedde hi met desen,
Maer eer bat hi, dat si hem sloegen
Sijn hoeft of ende hene droegen [6060]
6115 Iwerinc van daer omtrent,
Dat hi niet en worde bekent.
Ende hier inde dat keyserrike
6084 Wel keeren teere andre staet. 85 D. haer
niemen m. v. 86 Eist v. h. eist v. n. 1. 87 dit
88 ic hu d. t. 89 f. in rade. 90 Als h. alle s.
mordade. 91 Ghehent adde ende s. felhede. 92
Als ic hu h v. verstaen dede. A. wi. 93 sine
lieden s. s. 94 ne wilden meere. 95 Die j. u. s.
98 Ende nu moeste sijn verdreven m. s. 99 Hi
zochte vriende harenthare. 6100 Ende die sijns
te voren name ware. 1 Ne waer si loken voor
hem haer doren. 2 v. lopen voren. 3 Na hem
liep de menighe ende ran. 4 D. te voren was
sijn man. 5 0. hem t. n. s. 1. 6 Dus moeste
doe vlien de k. 7 cnapen. 8 D. hem b. Nero d.
quadertiere. 9 D. s. sl. souden t. d. 10 S. wanhope w. gr. 11 D. hijs niet ne waende ghenesen.
12 So doedi hem zelven na d. 13 Ne waer e. b.
h. datmen sloeghe. 14 wech droghe 15e Daer
niet worde bekent. 16 Datti dus sijn leven adde
' Rose, I. 213, 7171 (6369).
Si se mist por soi herbergier
0 dens liens sers, en un vergier.
2 Rose, I. 215, 7240 (6428) :
C. fol. 36. d —37 a.
Van sinen geslechte sekerlike ;
Nochtan segmen vorwaer, [6065]
6120 Dat hi sine irste vif jaer
Dat keyserrike berechte so 'wale,
Dat noit en wart te genen male
So bereeht alst van hem was ;
Want alse hi ene sentencie las
[6070]
6125 Dat ane minscen lijf ginc,
So ontfarmde hem soe die dine,
Dat hi weendc vol beide sijn ogen ;
Maer sint viel hi van dus hogen
[6075]
Bi sire quaetheit die hi dreef,
6130 Dat hi doet in aremoeden bleef.
Noit en conste te gere uren
Cresus gehoeden der Avonturen,
Die coninc was van al Liden,
[6080]
Hine was onder te selken tiden
6135 Ende selken tijt boven mede.
Dese Cresus hi was tere stede
Gevaen ende men brochtene ten viere,
Daer hi in soude bernen sciere.
Doe quam een regen gevallen so groet, [6085]
6140 Dat hi dat vier al utegoet ;
Ende die lieden vloen den regen,
Ende Cresus vloe oec, die degen,
Wat hi henen mochte gevlien,
[6090]
So dat hi cortelike nadien
6145 Weder quam in sijn rike
Ende wart coninc machtelike.
Doe maecti weder nuwe orloge,
Daermenne vine ende hinckene hoge.
Doe wart hem gediet sijn droem [6095]
6150 Van II goeden, die op den boem
Hem dienden alle beide gader. 2
ghehent. 17 E. h. nam ende tkeyserike. 18 gheslachte eewelike. 19 N. wilt men weten v. 20
eerste V. 22 Als n. was. 23 Berechten alse men
wel waent das. 24 eeneghe dine. 25 Die hem
dochte gaen ant lijf. 26 Ontfaermdem dat sonder
blijf. 27 D. hire omme w. met o. 28 Ne waer
sident v. h. van h. 30 D. h. van dermoeden d. b.
32 voerhoeden. 33 vele lieden. 34 H. w. tonder
hog en wi ghebieden. 35 E. zulken tide te b. m.
36 hi ontbr. 37 Ghegaen daer menne brochte
sciere. A. men ontbr. 38 Ende bernen soude in
een viere. 39 D. q. daer e. r. so g. 40 Die d. v.
41 liede. 42 vlo wech sire weghen. 43 mochten
vlien. 44 Ende weder curtenlije n. d. 45 Quam te
sinen goede eerlike. 46 E. w. hare moghendelike.
47 Ende d. m. noch o. 48 hint. 49 Dus was
hem vergaen s. d. 50 Die hem doch ten dat II
Gode up I b. 51 Die h. d. beede g.
Quant li songes li fu rendus
Des deux diex qui li aparoient,
Qui sus 1'arbre en haut le servoient.
103
A. fol. 30. a. b.
Jupiter, onse God, onse vader,
Die hilt een vat ende dede hem dwaen ; 1
Phebus wasser bi gestaen,
[6100]
6155 Ende hilt hem die dwale mode.
Dese ere, diemen hem hier dede,
Maectene int herte so greet,
Dat hem niemene sijn genoet
En - dochte in die werelt wesen. [6105]
6160 Phanie sine dochter sprac met desen,
Die hare wel an drome verstoet,
Ende noit en smeecte enen voet :
,Lieve vader," seide die maegt,
„Dese droem es rowech dien gi saegt. [6110]
6165 U grote hovarde die es quaet.
Die Avonture, dat verstaet,
Maect haer sceren sere met u,
Alse ic u mach seggen nu
Bi desen drome, diese u toende,
[6115]
6170 Al waest dat si u verscoende.
Si meint daermede, vader mijn,
Dat gi sult verhangen sijn,
Ende op u dan rechgenen sal,
Ende daerna suldi drogen al
[6120]
6175 Metter rayen van der sonnen.
DAvonture heeft dit begonnen
Alse u te wisene ane die galge ;
Ende alse gi hanget met uwen balge,
Salse u nemen die guldine crone, [6125]
6180 Die u hoeft versiert soe scone,
Ende salse geven enen andren man,
Daer nu cleine geleit an,
Ende daer gijs op en moedet twint.
Here coninc, here, ic bem u kint, [6130]
6185 Wat soudic vort met smekene gaen ?
C. fol. 37 b. c.
Aldus so moetti sijn verdaen,
Ende om dat ic dat ware
U wille ontbinden openbare,
So seggic die dienst groet,
[6135]
6190 Die Jupiter die God boet :
Dats die locht, die u sal
Dienen vanden watre al,
Van regene, van blixeme ende dondre.
Phephus die God vanden wondre, [6140]
6195 Die u aldaer die dwale hilt,
Dats die sonne met haerre gewelt,
Die sal u emmer weder drogen.
Die boem, daer gi op saet, wel togen
Die galge daer gi an hangen selt. [6145]
6200 Niet el, vader, u droem en spelt;
U steet te lidene dose pine.
DAvonture, die joncfrouwe fine,
Wrect die arme liede over u,
[6150]
Die gi so sere quellet nu
6205 Met uwer groeter overmoede,
Daer gise niet met goede
Laten en wilt met gemake.
Dits der Avonture sake :
Dus werpsoe menichgen hogen man [6155]
6210 So onder voet, dat hive can
Op weder nemmerme gecomen,
Sine hebbe hem goet ende ere genomen,
Ende werrebalt met hem vele
[6160]
Alse ene die sot es van spele. 2
6215 Aldus so deilse goet ende ere,
Also one die en roect niet sere
Wien slit neemt ochte geeft,
Indien dat dock iemenne heeft.
[6165]
Niemene so en prise ene not
6152 J. sijn G. sijn v. 53 D. e. v. hilden e.
deden d. 54 Phebeus diere b was g. 55 Ende
ontbr. 66 hier ontbr. 58 D. n. sijns g. 59 In de
w. ne- d. w. A. E. d. hem in. 60 sijn d. s. na d.
61 D. h. an d. wel v. 62 E. niet ne s. dor
gheen goet. 63 sprac. 64 D. d. mi zeere wanhaghet. 65 Huwe hoverde. 66 Ende d. A. 67
Die hout h. s. m. u. 68 Als ic hu wel m. s. n.
69 die hu t. 70 soet v. 71 Soe meent. 72 E.
dat up hu d. reinen s. 74 verdroghen. 75 M.
hitten. 77 Om hu t. w. an d. g. 78 Ende als
ghi anghet bi huwen halse. 79 Sal soe u n. de
g. c. 80 D. hu hevet verchiert. 82 lettel gheleghet. 83 up bewaent t. 84 here ontbr. 85 W. s.
hu voert smecken g. 86 ghedaen. 87 E. omme
d. i. wel weet tware. 88 Hebbict hu ontbonden
al dare. 89 Ende gheseit wat de d. g. 90 Bediet
die hu J. dus b. 91 Dat es d. lucht. 92 Van
groten watre dienen a. 93 V. reine v. blexemen
e. van donder. 94 Ende Phebus d. G. van w.
95 D. hu de d. so wel h. 96 D. de s. die met
ghewilt 97 Up den boem sal danne d. -98 Daer
g. o. sat in dit vertoghen. 99 Es d. g. 6200 N.
anders v. hu d. 1 Hu staet wel te doghen d. p.
2 die ontbr. 3 Wil wreken de aerme 1. A. Werct.
4 Dien. 6 Dat. 7 Ne wilt 1. no m. g. 8 Dit es
d. Aventuren wrake. 9 A. werpense. 10 Onder
v. die daerna ne c. 11 Weder n. up comen.
12 Ende g. e. e. heeft al g. A. hebben. 13 Dus
w. soe so v. 14 Met menighen als een s. met s. 15 A.
deelt soe. 16 Ende ne roeket met haren keere. 17
soot n. ofte. 18 yemen. 19 Niemen prijst soe I odt.
1 Rose, I. 216, 7243 (6530):
Jupiter, ce dist, le lavoit.
Doen is hier als het Eng. to do een hulpwerkwoord ter omschrijving van het imperf,
2 Rose, I. 217, 7293 (6580) :
Aincois s'en joe h la pelote,
Comme pucele nice et cote.
104
A. fol. 30. b. c.
6220 Noch om hereit, noch om gebot,
Sonder haerre dochter wart,
Edelheiden, diese heeft begart,
Ende mint yore die werelt al
Hare naeste nichte, dat es Geval ; [6170]
6225 Mare Avonture niemenne geeft
Haerre dochter, hi en heeft
Sine herte gesuvert wale
Van dorperheiden altemale ;
Want niemenne en es so groet here, [6175]
6230 Mint hi quaetheit, sine hatene sere.
Edelheit soe es ene dine,
Die noit in dorper herte en ginc.
Dies biddic u, lieve vader,
Laet u dorperheit algader
[6180]
6235 Ende u grote hovardicheit ;
Sijt den riken gerne gereit, 2
Ende hovesch onder uwe maisniede,
Ende ontfarmt uwer armer liede.
Dit soude sijn conincs manieren : [6185]
6240 Hovesch ende milde ende goedertieren,
Ende hier met wart hi liefgetal
Onder dat gemeine vole al,
Ende sonder dit en es hi maer
Gelijc enen andren man, dats waer." [6190]
6245 Aldus castidene Phanie ;
6220 No omme eerscaps g. 21 Ne acht soe
niet al hevet soe waert. 22 Hare dochter Hedelhede begaert. 23 Diese m. vor de w. a. 24
ende heet G. 25 Ne waer A. niemen g. 27 S. h.
verchiert w. 28 V. dorpernien. 29 W. niemen
es s. grote h. 30 sone haten. 32 Daer dorpers
h. noit mede ne g. 33 Hier omme b. A. Die.
34 huwe. 35 huwe g. hoverdichede. 36 Ende
anevaet goedertierheide. 37 E. weest h. huwen
lieden. 38 huwer meisnieden. 39 souden. 40 H.
m. e. goedertiere. 41 E. h. bi so werdi 1. 42 0.
hu ghemeente over a. 43 E. s. d. weet al claer.
44 Sone es hi niet dan I ander daer. 45 A.
1 Rose, T. 217, 7299 (6586):
Car ses graces, quant les despent,
En despendant si les espent,
Que les giete en leu de poties,
Par putiaus et enfangeries ;
Qu'el ne prise tout une bille
Fors que Gentillesce, sa fine,
Cousine a prochaine Cheance,
Tant la tient Fortune en balance.
Mais de cele est-il voirs sans faille
Que Fortune h nul ne la baille,
Comment qu'il aut du retolir,
S'il ne set si son cuer polir,
Qu'il soit cortois, preus et vaillans :
Que nus n'est si bien bataillans,
C. fol. 37. c.-38. a.
Mar sot en gelovede nie,
Dat hi elre sin an leide
Dan allene an sine sotheide;
Want Cresus liet al gewerden
[6195]
6250 Sire sotheit ende sire hoverden,
Ende seide : ,Dochter, gi hebt onrecht,
Dat gi mi aldus berecht
Ende minen droem aldus bediet ;
[6200]
Ic hadde liever dat gift liet,
6255 Dan gi mi dus van logenen dient.
Die Goede sijn bat mijn vrient,
Si selen hier beneden comen
Te mire eren, te mire vromen,
Ende mi doen alsonder waen
[6205]
6260 Den dienst, dien si mi verstaen
Daeden in minen edelen droem,
Daer ic sat op den hogen boem."
Dus troeste hi hem selven daer,
Doch quam dAvonture daernaer, [6210]
6265 Diene niet en liet ontgangen,
Hine moeste bi sire kele hangen. 3
Ende hiermet moegedi altemale
Proven, vrient, ende merken wale,
[6215]
Dat hare rat ongestadich si.
6270 Laet hare ende houd u ane mi ;
Want sint gemessen die grote heren,
so castiede doe P. 46 Haren vader maer hine
achtes n. 47 Die zot dat hi ieuwer ane 1. 48
Sinen zin dan ane de s. 49 Te doene C. die onvervaerde. A. liet niet g. 50 Hine bleef vaste in sine
hovaerde. 52 doet b. 53 Van minen drome dat b.
54 ghi. 56 gode die s. bet. 57 Die h. b. sullen c.
58 Mi te heeren ende te v. 59 E. te doene a.
60 die mi si daden v. 61 Daer ic lath in minen
d. 62 Ende mi dochte dat s up I. b. 64 Ne
waer die A. zwaer. 65 Quam d. n. liete ontgaen.
67 E. hierbi proevic hu a. 68 Lieve v. die dine
w. 69 onghestade. 70 comt te m. 71 In dien
dat mesvalt so groten h.
Se de vilonie s'apresse,
Que Gentillesce ne le lesse.
Van deze plaats in het origineel, die in onzen
tekst zeer onduidelijk is weergegeven, zijn de
eerste vier aangehaalde regels geheel weggelaten.
In het bij A bedorven vs. 6217 leze men met C:
Niemene so en prijst si ene not.
2 Rose, I. 218, 7320 (6607) :
Ales, por enseignier les riches,
Large cuer, et cortois et gent.
3 De hier aan Croesus toegedichte droom en
het daarop gevolgd uiteinde wordt door Herodotus
(L. III. c. 124 en 125) van Polycrates den tyran
van Samos verhaald.
105
A. fol. 30 c. d.
Wies sal hem darme vole toekeren ? I
Ende wildi des geloven niet,
So gelovet doch dat gi siet
[6220]
6275 Van Menfrote, die lange wile
Hilt tconincrike van Sisiele
In paisen ende in vreden groet.
Sint so slogene Karle doet,
Van Angou ende vanProvencen grave, [6225]
6280 Daermen seit vele duechden ave,
Ende behilt sijn conincrike ;
Ende Coenradine cortelike
Dedi aveslaen sijn hoet,
Nemmer en moestens danc groet [6230]
6285 Hebben die princen van Alemaengen. 2
Heinric, sconincs broeder van Spaengen,
Vol van hovarden ende van traisone,
Dien dedi sterven in sinen prisone.
[6235]
Dus verloes Menfroet tspel, 6290 Alse wi alle sagen wel,
Ende die grave bleef coninc ende here. 3
Sint duchte hi die quaetheit sere
Van Mersaelie, ende dede vaen
[6240]
Die beste ende thovet afslaen,
6295 Ende wart coninc daer gecoren. 4
Soudic u alien laten horen
Sijn gevaren van inde torde,
Een lane boec daer toe horde.
Besiet, vrient, hoe u baegt
[6245]
C. fol. 38 a. b.
6300 DAvonture, diet al draegt,
Den even boven, den anderen onder.
Die Avonture si es een wonder;
En es hi sot die hare geloeft
Of daeromme verdroeft thoeft?
[6250]
Ende gi die eens Gusset die rose,
6305
Twi makedi so grote nose,
Ende daeromme so sere gaet weenen ?
Waendise cussen altenen
Ende driven uwe weeldicheide ?
[6255]
6310 Lieve vrient, dat was sotheide ;
Maer om dat u sal troesten te meer,
So penst om dat ic seide eer
Van Menfrode ende van Coradine,
Die quader waren dan Sarrasine, [6260]
6315 Ende jegen die helege kerke swaer ;
Ende penst vort van daer
Van Cresus ende van Nero,
Hoe hem dAvonture gine to,
Ende werpse van groter rijcheit [6265]
6320 In aermoeden ende in elendicheit.
Waertoe soe es hovarde goet,
Die de hoge man pinen doet ?
Hie soude harde node sien
[6270]
Hoe dat Cresus ende van wien
6325 Wert gewerpen in daremoede. 5
Penst oec om die vrouwe goede,
Ecuba, daer ic of las,
6272 Waer an sal hem tarem v. keeren. 73
E. ne w. mi g. n. 74 ghelooft. 75 Meinfrote.
76 dat c. v. Cisile. 77 paise e. met werdecheden
g. 78 slouchen Karel te d. 79 van ontbr. 80 D.
vele dogheden seide a. 81 beblo van sinen rike.
82 E. C. diere ghelike. 83 afslaen s. hovet. 84
N. n. moets sijn ghelovet. 85 Die prinehe. 87
Vul. 88 Dedi s. i vasten p. 89 Mainfrote dat s.
90 Dat w. a. toe s. w. 92 Sident ontsach h.
hem wel s. 93 Die quaetheit ende d. van Marcelis v. 94 e. thovet of s. A. sijn hoet. 95 E.
waert daer die c. g. 96 hu al. 97 Sine ghescienesse. 98 E. groot b. het wel behoorde. 99
Siet v. h. hu dit behaghet. 6300 Die Aventure.
1 A. aderen. 2 - Siet of so werct menich w.
3 Hier omme es h. s. die g. 4 Hare ende d.
crauwet thovet. 5 Dat ghi e. c. 6 dies s. g. n.
7 Dat ghire dus omme g. w. 9 E. mede d. 10
dit es al zothede. 11 Naer omme dat ic hu seide
eer. 12 Van Mainfrote so suldi te meer. 13 Troosten
e. v. C. 16 E. peinst mede over waer. 17 Cresuse.
18 die Aventure g. toe. 19 Diese warp van g. r. A.
in g. 21 W. es h. dan g. 22 te pinen d. A. pinen
ontbr. 23 Hi s. hier up wel n. s. 24 die so machtich
sceen. 25 Gheworpen wart in die aermoede. 26
Peinst o omme de. 27 E. die so grote vrauwe was.
I Rose, I. 219, 7365 (6652):
Puisque li grant seignor i faillent,
Li petit en vain se travaillent.
2 Rose, I. 220, 7392 (6679):
De Corradin parler ne quier,
Son neveu, dont l'exemple est preste,
Dont li rois Karles prist la teste
Maugre les princes d'Alemaigne.
3 Zie over de hier bedoelde lotgevallen der
Hohenstaufen van 1266-69 von Raumers Gesch.
d. Hoh. IV. 198-391. Vs. 7399-7462, waarin
eene vergelijking der strijders met schaakspelers
en eene uitweiding over den uitvinder van dat
spel voorkomt, zijn in de vertaling weggelaten.
4 Marseille stond in 1262 voor de tweede
maal tegen Karel van Anjou op, en Boniface
de Castellane, de aanlegger, werd onthoofd. Dit
geschiedde dus niet later, zooals de vertaling
verkeerdelijk heeft. Zie Rose, I. 224, 7468 (6655):
Cil donta l'orguel de Marseille,
Et prist des plus grans de la vile
Les testes, sins que de Sezile
Li fust li roiaumes dones.
5 Rose, I. 225, 7501 (6689) :
Par foi ! frans hone qui taut se prise,
Qu'il s'o rguillist por sa franchise,
Il ne set mie en quel aage
Cresus li rois vint en servage.
106
A. fol. 30. d.-31. a.
Die coninginne van Troien was,
Ende Hectors moeder ende Parijs. [6275]
6330 Oec leest distoren van Sincabrijs,
Die hoge coninginne vri,
Darius moeder van Persi,
Hoese dAvonture onder leide
In wel groter ermoedicheide.
[6280]
6335 Mi wondert sere bander side,
Dat gi, die hebt tallen tide
Gestudert in uwe boken,
Dat uwe studeren ende uwe soken
[6285]
U en doet engenen stade,
6340 Gi vergetes bi onrade.
Wat diet u studeren ? siet,
Gi vergetes, gine houdes niet.
Ic segge u dat leren souden
[6290]
Vroede lieden diet behouden
6345 Diet leggen in hare herte vast; 2
Want const es ene lichte last
Te dragene ende sonder pine ;
Want die hadde altoes int herte sine
[6295]
Sine exemple ende sine lerin e,
6350 Hem en mochte in waren dingen
Niet gescien engene blame,
Die hem van Avonturen quame ;
Noch hine gave niet op dAvonture,
Wart goede, wart quade, wart sachte, wart
sure, [6300]
C. fol. 38. b. c.
6355 Hine soudse al laten varen.
Mar gi, lieve vrient, tuwaren,
Mi dunket u niet int herte en gaet
So dickent gi u hoeft omslaet.
[6305]
Dese ongeordeneerde minne
6360 Hout so gebonden u vif sinne,
Dat ic u niet en can bekeren ;
Doch willic u een exempel leren. 2
Jupiter onse hogeste God,
[6310]
Die overal heeft sijn gebod, 6365 Heeft altoes bi hem gelegt,
Alse ons die clerc Omerus segt,
In sinen huse II voile tonnen. 4
Henne leeft minsche onder dier sonnen,
[6315]
Man no wijf, out no jonc,
6370 Hine moeter af drinken sinen drone;
Want het es ene taverne,
Daer Avonture niet in scerne
Taverniere al ave si.
[6320]
Sek drinkes meer, geloves mi, 6375 Ende selke drinkens min,
Na dat hare coemt in haren sin
Ende gelust der tavernieren,
Ende jegen datse es goedertieren.
Hets iemene cume, hine drinkes daechs [6325]
6380 Ene pinte of meer des gelaechs,
Nadat sijt hem giet inden mont.
Hens mensce so blide te gere stout,
6328 E. v. Tr. c. w. 29 Ende ontbr. 30 0.
leest men in distorie s. aub'is. 32 Perchi. 33 Hoese
die A. A. Hoe. 34 keytivicheide. 35 tallen tide.
36 D. g. h. so wide in alien ziden. 37 huwen
boucken. 38 Ende niet so vele cont ghesouken.
39 Dat hu hiet can staen in staden. 40 Ende
vergheten cont dese ontraden. 41 Nu merct wat
hu dit s. diet 42 G. verghetet al ende ne houts
n. 43 Dat ghi leert bi huwen scouden. A. soude.
44 Dat v. 1. gherne houden. 45 haer. 46 Wat
cost hem een licht 1 48 Die vaste hilde i. h. s.
49 Goede e. e. 1. 50 waren d. A. lichten d.
51 N. lichte g. eenighe b. 53 Ende hine achte
niet te diere ure. 54 Weder soe hem goet waer
of s. 55 Ende sout. 56 Maer 1. Y. mi dinct te
waren. 57 Dat u i. h. niet e. g. 58 dicken g.
u h. omme s. 59 onghestadeghe. 60 Hout hu
so g. hu s. A. Houtse. 64 hevet g. 65 Hevet
a b. h. gheleghet. 66 Als o. de cleerc Omerius
zeghet. 67 y ule. 68 En levet man o. der s.
69 No meinsche es hi hout of j. 72 dAventure.
73 Tavernierigghe af ne s. 74 Stile drinx. 75 E.'
sulc drinckets oec m. 76 hem c. in den s. 77 E. hem
die lust daer toe draghet. 78 Jeghen dAventure ende
wanhaghet. 79 Ens niemen c. 80 mee dies g. 81
Dat soe h. 82 Ens meinsche s. b. doe ic u cont.
I Rose, I. 225, 7507 (6694):
Ne tient-il pas en sa memoire
Ne de Sisicambris l'istoire.
2 Vs. 6341-43 is ongetwijfeld bedorven. Door
eene kleine verandering kan althans de zin
eenigermate hersteld worden. Misschien moet er
gelezen worden :
Vroede lieden ende al behouden
Ende leggen in hare herte vast.
Rose, I. 226, 7527 (6714) :
Si devroient tuit homme saige
Et si fichier en for coraige,
Que james ne for eschapast
Tant que la mod les atrapast.
Rose, I. 226, 7541 (6730):
Merveilles est que ne l'entens
Qui to cure as mise tant ens ;
Mes to l'as autre part tornee
Par ceste amor desordenee,
Si la te voil or ramentoivre
Por toi faire miex aparcoivre.
De vertaling is wederom min nauwkeurig.
4 ZiQ tlomerus, Ilias, XXIV , 527 vlgg.
107
A. fol. 31. a. b.
Mar hort hi dine die hem wanhaget,
Hine wart drove ende versaget,
[6330]
6385 Ende weenter omme ende heeft rouwe.
Daeromme soude ek sijn getrouwe
In sijn herte op onsen here,
Ende soude der Avonture kere
Laten varen ende hare lone,
[6335]
6390 Al warense quaet, goet ocht scone.
Nu willic u te deser uren
Laten varen vander Avonturen
Ende van haren swaren rade.
Al haddics harde wale die stade, [6340]
6395 Ine conste u al niet vertellen
Beide hare hulpen ende hare quellen.
Dies willicker swigen of vort meer ;
Mar le wille u seggen eer
[6345]
Drie poente, die mi gaen
6400 Int herte ; nu horse saen.
Want men seit ter meneger stont,
Dat es in moede dat spreect de mont,
Hort ende verstaet mine redene wale ;
[6350]
Ende laetise varen altemale, 6405 So doedi u lachter in alien sinnen.
Deen es dat gi mi wilt minnen ;
Dander poent es, dat gi haet
Den God van Minnen ende versmaet ;
[6355]
Terde es dat gi niet en priset
6410 DAvonture, wat van hare riset.
Lieve vrient, duncti u wesen
Te crane ende tonmechtich tesen,
Drie poente te houdene al,
Doet minen raet, ic sal
[6360]
C. fol. 38. c.---39. a.
6415 IJ dat irste lichten sere.
Doet dat irste, so help u ere, 1
Ende mint mi al moederene.
Doedi dit dine allene,
[6365]
So seldi der andre quite wesen.
6420 So mochti vaste ane desen : 2
So wie dat in sinen sinne
Redene heeft, Avonture ende Minne
So versmaet hi altemale.
[63/0j
Dat sceen an Socratesse wale,
6425 Die mijn trient was getrouwe ;
Hine hadde noit bliscap no rouwe
Om Minne no om Avonture mede.
Dies radic u : hout sinen sede,
[6375]
Ende plant u herte in dat min :
6430 Gi selter andre quite al sin.
Dit eischic u al moeder ene,
Dit es ene bede clene.
Seldise doen, wat seggedi ?
Ontpluect uwen mont, antwert mi! [6380]
6435 Hi heeft te lange toe gestaen ;
Berecht mi, seldijt anegaen ?"
Die minnere seide : uVrouwe fijn,
Dit en mach niet anders sijn,
[6385]
he moet dienen al mijn leven
6440 Minen meester sonder begeven ;
Want hi mi riker op even dach
C werven maken mach,
Dan gi ocht iemene die nu leeft,
[6390]
Alse hi mi die Rose geeft. 6445 In hebbe wat doen van andren goede.
Ic wile met herten ende met moede
6383 Ne hoerti d. 84 wert drouve. 85 E. w.
o. van rauwen. 87 I. sine h. up die h. 88 E.
zonder d. 89 haer. 90 Want si q. sijn ende met
hone. 92 Varen laten. 93 daden. 94 A. waert
dat ics wel adde s. 95 Te vertelne die dine al
van hare. 96 Het sonde mi sijn al te zware.
97 Bedi willix s. v. m. 98 Ende hu s. sonder
wederkeer. 99 int herte g 6400 Ende die ic
hu voert wil doen verstaen. 1 seit ontbr. 2 Seghet
dat in therte dat in den m. 3 Nu hoert die dine
e. v. w. 4 Die ic hu segghen sal a. 5 Ende
hebter toe huwe s. 6 Dat een es d. g. suit in.
7 Ende dat ander d. g. oec h. 9 Ende dat derde
e. d. g. n. prijst. 10 Die A. ende dat v. haer
rijst. A. wiset riset. 11 dochti mi w. A.
dunct. 12 T. c. te houdene van desen. 13
Eenighen pointe die ic hu rade. 14 Ic sal
hu doen te bet ghenade. 15 Te verlichtene hu
grote s. 16 Doe d. eerste van dat ic hu leere.
17 E. m. m. vor al de ghene. 18 So suldi
sonder twifel ghene. A. Dodi. 19 Van alle dandre
q. w. 20 Ghi moghet wel verstaen in d. 21 Datter
in es wildijt kinnen. 22 R. ende A 23 Ende
ne v. niet mine tale. 24 An Socrates so sc.
dit w. 25 es. 26 H. no b. 27 bede. 28 Hierbi
r. hu h. sine s. 29 E. p. mijn h. i. d. mijn.
30 Der ander suldi q. sijn. 31 Ende inne heesch
hu dine negheene. 32 Danne ghi mi mint
alleene. 33 Wat segghedi wildi dit doen. 34 0.
u. m. sonder mesdoen. 35 Ende seght bets goet
ghedaen. 36 Wat sullen wi hier langer bestaen.
37 mijn. 38 Het ne m. a. niet s. 41 up I d. 42 Ondert
waerven ende mee gheven in. 43 Danne , g. ofte
yemen d. 1.44 Als hi. A. gi. 46 I. w. met ghestaden m.
i Rose, I. 229, 7614 (6801) :
Pren la premiere solement,
Et se tu m'entens sainement,
Tu seras des autres delivres.
Over de uitdrukking : so help u ere, zie Huydec.
op St. II. 470.
2 Lees met C.:
Ghi moghet wel verstaen an desen.
Verg. Rose, I. 229. 7617 (6804) :
Car se tu n'es ou fox ou yvres,
Savoir dois, et bien le recorde,
Quicunques it Raison s'acorde,
James par amors n'amera,
Ne Fortune ne prises,
108
A. fol. 31. b. c.
Minen meester sijn convent
Houden ende - bedriegene twent.
Mine herte en sonde niet genoegen, [6395]
6450 Dat si die Rose sonde wisselen moegen
Om a ocht om iemenne el :
So wert heft hise, dat wetic wel.
In prisene niet een broesch gras,
Socratesse, hoe rike hi was ;
[6400]
6455 Ic en wilre nemmeer af horen.
Te minen meester also te voren
Willie keren ende hem houden
Sijn gelof; et wart vergouden.
In ginge hem ave lude no stille, [6405]
6460 Al soudi mi leden in die hille.
In mach hem mijn herte ontrecken niet,
So wat so mi daerna gesciet.
Mijn deel so esser ave smal,
Want Suete Ontfaen hi heefse al, [6410]
6465 Ende wilse hem gerne laten.
Die Rose en mochtic niet verhaten,
Ende u minnen, bi onsen Here,
Want gi dunct mi dorper sere,
Dat gi cullen dorstet nomen ;
[6415]
6470 Want selke wort es selden comen
Ute monde van hovesscer maegt.
Ic segge a dat mi sere wanhaegt,
Dat gise nomet so overgrof;
Gi wares met min comen of,
[6420]
6475 Want gi haddet omgaen wale
C. fol. 39 a. b.
Ende verhoveschst bet uwe tale,
Alse een hovesch wijf doen sonde. 1
Men siet dicke dese voestren boude,
Alsi hare kindre baden ende dwaen,
6480 Dat sijt al nomen ende nine omgaen,
Want si sijn boud in hare tale:
Seggic waer, dat siedi wale."
Also dit Redone hadde gehort,
Loech si sere ende seide vort:
6485 ,Lieve vrient." seitse, il ic mach wel [6425]
Nomen die dine, — waen soudic el ? —
Die niet en sijn dan al goet,
Gelijc datmense nomen moot
Properlec met haren name. 2
6490 En geens dines en hebbic scame, [6430]
En ware dat sonde ware vor Goede :
Dies soudic mi seamen ende doen noede,
Want sonde sone dedic nie
Noch en begerde dat si gescie.
[6435]
6495 Wat waendi dat es sonde,
Dat ic properleke metten monde
Die dine nome, gelbe dat si
Heten, — neent niet, geloves mi ! —
Ende die mijn vader van hemelrike
6500 Met sinen handen sekerlike
[6440]
Maecte in hare figure, 3
Om dat menscelike nature
Daer bi soude bliven ende gestaen?
Anders soot te niewete gaen.
6447 M. m. houden s. c. 48 Ende niet bedrieghen si hu bekent. 49 M. h. mochte n.
ghedoghen. 50 Die r. te latene willic hu toghen.
De laatste woorden van vs. 4619 en 50 zijn bq
A uitgewischt. 51 Omme hu ofte om iemen el.
52 S. waert hebbicse verstaet w. 53 I. prise n.
ghelovet das. 54 Socrates hoe vroet dat h. w.
55 Ende ne wille daer af nemmee h. 56 van
te v. 57 W. mi k. e. vaste h. 58 belof het evert
nosh v. 59 ghincs h. of dor niemens wille. 60
leede. 61 Mine herte ne mach van hem n.
62 Wat so mijns. 63 Diet heeft het moet hem
bliven al. 64 Scone 0. diet mi stal. 65 E. ic
wilt h. harde g. 1. 66 D. r. ne wistic hoe haten.
67 bi eenighe keere. 68 dinct mi dorperlijc.
69 D. g. ghedaen (lees ghegaen) dorst n. 70 W.
sulke worden zelne c 71 Uten m. v hoofscher
m. 72 segghu d. m. s. meshaghet. 73 ghise
noomt A. gi. 74 G. warets wel m. mi c. o.
75 Ende ghesproken verstaet wale. 76 Met hovescheden b. die t. Vs. 6477-82 ontbr. bij C.
84 L. soe e. sprac dese woert. 85 seitse ontbr.
86 Die d. n. wat s. e. 87 Dat n. nes d. 88
Ghelike. 89 bi haerre. 90 Dies ne hebbic gheene
seamen. 91 En w. grote s. voer G. 92 D. ic
mi dan mochte s. ode. 93 dede ic. 94 None
begheere d. soe g. 95 dat het es 96 properlijc.
97 Die dine nome alsoe si. A. Ende die saken
g. d. s. 98 Ende bi namen g. m. A. Hetent
niet g. m. 99 E. daer die God v. h. Bij A
tweemalen geschreven. 65t 0 M. s. woerden
properlike. 1 M. ane die creaturen. 2 meinschelike. 3 soude vaste bl. staen. 4 soude te
nieute.
1 Rose, I. 230, 7676 (6863):
No sai comment nomer l'osastes,
Au mains quant le mot ne glosastes
Par quelque cortoise parole,
Si cum prode fame parole.
2 Rose, I. 231, 7688 (6875) :
Biaus amis, ge puis bien nomer,
Sans moi faire mal renomer,
Apertement par propre non
Chose qui nest se bone non.
Lees in vs. 6484 met C: wat soudic el.
3 Rose, I. 231, 7699 (6886) :
N'encor ne fais-ge pas pechie,
Se ge nome, sans metre gloses,
Par plain texte les nobles choses,
Que mes pores en paradis
Fist de ses propres mains jadis.
De tekst van A. is, gelijk uit de varianten
blijkt, geheel onverstaanbaar.
109
A. fol. 31 c. d.
[6445]
6505 Bi naturen maecte onse Here,
Ende bi sinen wille sere,
Inden vede ende in gegaden
Dingen die nu staen te staeden ;
Ende die cracht van tonfane
[6450]
6510 So leit altemale hier ane,
Om dat deen vanden andren sal comen.
Die werelt hadde inde genomen
Cortelike, en hadde gedaen
Die dinge, die ic u doe verstaen.
6515 Aldus eest oec in stomme diere : [6455]
Al steerfter een, sine maniere
Ende sine materie blijft in andren,
Wat si sterven ofte verwandren."
Die minnare seide: ,,Na mijn horen
[6460]
6520 So ist ' nu quader dan te voren .
Gi wilt mi scelden ende castien,
Ende sijt selve vol van ribaudien.
Hets waer, God maecte, onse here,
Die dinge die gi nomet ere,
6525 Maer die lodderheit, die gi spraect, [6465]
God en heeft die niet gemaect.
Gi sijt sot dat gise noemt gerne.
Mi dunct, gi wilt mi driven tscerne."
— ,Vrient," seide Redene die wise,
6530 ,Sotheit en steet in minen prise, [6470]
Noch noit in niemens prijs en stoet,
Al es mi in minen moet,
Dat ic u minne gerne name ,
C. fol. 39. b. c.
Mare sint u es onbequame,
6535 So steets mi te swigene wale ;
[6475]
Maer besiet mi altemale,
Dat gi quadere niet anegaet, 1
Al eest dat gi mi bestaet
Ane te sprekene uwe sotticheide,
6540 Om dat gi wout dat ic seide
[6480]
Enich dorperleec gescal,
Dies ic mi wel hoeden sal. 2
Wet wel, vrient, dat ic u
Hebbe gecastiet tote nu,
6545 Dat hebbic om goet gedaen.
[6485]
In ben met u so niet bevaen,
Dat ic scelde om u sprake ;
Want scelden es ene cranke sake,
Ende quaet spreken, geloves mi,
6550 Seggic dat noch quader si.
[6490]
Wet dat ic mi wreken soude
Anders, op dat ic selve woude
Want doverste rechtere hi sal
Mi daer of wel rechten al.
6555 In wille scelden noch oec striden, [6495]
Noch oec mensce te genen tiden
Doen scaemte ocht verhalen bloet,
Es hi quaet ocht es hi goet.
Hi belijs selve ochte hi wille :
6560 Wat hi belijt, ic swige stille ;
[6500]
Want quaet seggen en wart nie
Els dan gerechte duvellie. 3
6505 Die meinschelike nature o. h. 6 Maecte b. s.
w. meere. 7. I. v. ende cullen e. i. g. 8 Dat sijn d.
d. s. in s. 9 Der naturen cracht te o. 10 Daer a.
leghet a. 11 Dat, sal ontbr. 12 ende. 13 Curtelike.
14 dede 15 Dus eist o. i. stommen d. 16 sterveter
e. s. manieren. 17 in dander blivet. l 8 So wat datter
de doot verdrivet. 19 minnere. 20 eist n. aergher.
22 E. selve sidi vul r. 23 Het ware goet. 24 D.
dine d. g. neemt metter e. 25 Ne waer d. lodderhede.
26 Ne hevet G. selve n. g. 27 G. s. s. ende
diese noumt g. 28 M. drivedi daer mede te
scerne. 29 de w. 30 staet niet. A. en ontbr.
31 ' No n. i. n. prise s. 32 A. eist dat ic hebbe
i. m. m. 34 Ende in dien dat soe hu es bequame. 35 So dinct mi dat lachter ware. 36
Dat ics meer maecte mare. 37 Ne waer ziet dat g. n.
angaet. 38 Dinghen die hu niet sijn also quaet. 39
Al eist dat ghi huwe zothede. 40 Tote mi secht ende
wont mede. 41 Dat ic e. dorperlijc g. 42 Seide d. i.
m. w. wachten s. 43 Ne waer v. 45 omme dbeste.
46 Inne b. niet alsoe b. 47 D. i. hu iet s. 48 cleene
wrake. 49 te sprekene segghic di. 50 Ende ic toghe
dat noch argher si. 51 Ende weet wel waert
dat ic woude. 52 Dat ic mi zelven wel wreken
soude. 53 Ne waer ic beveelt den uppersten al.
54 Die mi over hu w. r. sal. 55 Inne w.
vechten no s. 56 Jeghen niemen te gheenen
tiden. 57 No mcinschen doen verwallen sijn b.
58 ocht ontbr. 59 Hi helpe hem selven of h. w.
A. Hi ontbr. 60 Hi blivet dat hi es i. s. s.
61 Q. te segghene gheloves mie. 62 Ne was
noit el d. rechte duulie.
1 Rose, I. 233, 7739 (6926) :
Mes que te gardes de pis faire.
2 Rose, I. 233, 7741 (6928) :
Si semble-il par fois que to vueilles
Que je te responde folie ;
Mais ce ne le ferai-ge mie.
3 Door de groote kortheid der vertaling is de
zin min duidelijk, daar er volstrekt geen geleitlelijke overgang in het gesprek van Redene is
ttvinden. Bij A ontbr. in vs. 6559: Hi.
Rose, I. 234, 7770 (6967) :
Port chascuns endroit soi son fes,
S'il vuet, si s'en face confes.
S'il ne vuet, jh ne s 'en confesse,
Ge ne li en ferai jh presse.
N'ai talent de folie faire
Par quoi ge m'en puisse retraire,
Ne jh nes n'iert par moi dite :
Si r'est taire vertu petite ;
Mes dire les chores h taire,
C'est trop grant deablie he faire.
110
A. fol. 32. a. b.
Die tonge sonde gebreidelt wesen,
Want wi in Tolomeus lesen, I
[6505]
6565 Van Almageste int begin,
Ene redene die vele heeft in :
Die man es wijs die pine doet
Hoe hi sine tonge gebreidelen moet,
Sonder die spreekt van Gode allene ;
6570 Daer of en es gene redene clene, 2 [6510]
Want Goede van hier boven
En machmen te sere niet 'oven,
Noch te sere ropen genaden,
Noch te dienne maken staeden,
[6515]
6575 Noch gebenedien te sere,
Noch hem gedanken al die ere,
Die hi den mensce heeft gedaen ;
Want Catoen doet ons verstaen
Van sinen boke int begin,
[6520]
6580 Ine weet ocht giro laest noit in,
De irste doeget, est out ochte jonge,
Es dat hi breidele sine tonge. 3
Daer bi, lieve vrient, doet soe,
Dwinget u tonge ende en spreect toe
6585 Te niemene engene overdaet •
[6525]
Soe doedi wijsheit, dat verstaet.
Een dine magic seggen u
Sonder hatie, wildi nu,
Ende wale sonder blame mede.
[6530]
6590 Mi dochte wale dat hi mesdede,
Dien ic gemint hadde gerne,
Dat hi in nerrens te, niet in scerne,
Mi hiet vol ribaudie sotte,
Mi te lachterne ende te spotte,
6595 Sonder verdienste, sijt seker des. [6535]
Mijn vader, die coninc es
Vanden inglen in hemelrike,
C. fol. 39. d.----40. a.
Hi es hovesch sekerlike,
Ende alle hovescheit ute hem vloit,
[6540]
6600 Ende alle doeget in hem groit,
Ende mi gevoedt heeft al mijn leven;
Hi heft mi ene maniere gegeven,
Dat ic die dine nomen mach
Properleke sonder ommeslach
[6545]
6605 Ende sonder te doene mesdaet.
Die mi versprac, hi dede quaet ;
Ende van dien dat gi op mi legt,
Daer gi mi met wedersprect,
Dat God onse here maecte beide
[6550]
6610 Die saken, die ic voren seide ;
Maer hine maecte niet die namen,
Dies soudic mi te rechte seamen.
Gi segt waer: God maecte al
Dat is ende was ende wesen sal;
6615 Maer der namen en maecte hi niet. [6555]
Maer mi beval hi ende hiet,
Dat icse noemde na mijn begeren,
Dat ic dede al sonder sceren,
Elc also alst es genoemt,
[6560]
6620 Na dat in die redene coemt,
Ende hebt edelecke gedaen.
Bi Plato mogedijt oec verstaen,
Die seit dat ons gegeven si
Wort ende tale daer bi,
[6565]
6625 Dat wi tonen selen gereet .
Dine, die ons in therte geet.
Ende nu, daer gi mede opvart,
Ende segt dat sijn lelecke wart
Ende oec dorper, die ic segge,
6630 Berecht mi, dies ic u vort legge, [6570]
Ochtic, die hen gaf die name,
Na dat mi best was ende bequame,
6564 W. in Prolenise 1. 65 Almaiesten. 66 E.
jeeste. 67 D. ghene die heet wijs ende vroet.
68 Die s. t. breidelt ende sinen m. 69 Ende niet
ne a. dan a. 70 Van Gode die alle dine mach
ghemeene. 71 Ende diemen vulprisen niet en
mach. 72 Met tonghen no nacht no dach. 73 No
up hem te roupen g. 74 Die elken mach staen
te s. 75 No Gode benedien, 76 No g. van siere e.
77 meinsche. 78 C. hi d. 79 boucke. 80 In w.
of g. nie 1. i. 81 Die meeste d. es hi hout of j.
82 datti. 83 D. omme 1. v. so doe. 84 Breidele
dine t. spade ende vroe. 85 Spree te niemen
ghen quaet. 86 S. d. wel hets mijn raet. 87 Eene
d. so willic s. u. 88 verstaet mi nu. 89 E. die
oec es s. b. m. 90 M. d. dat ic wel m. 91 Dat
ic den ghenen minde g. 92 Die mi met sinen
s. 93 Van hatyen hiet s. 94 lachtere. 95 Ende
s. v. bem ic ghewes. 96 d. oec c. 97 inghelen
van. 98 H. e. die ghene s. 99 Daer a. h. nut v.
6600 E. daer a. d. uut g. 1 E. die m. 2 Eene
dine hevet hi mi g. 3 D. i. altemale n. m. 4
Want het es properlijc s. o. 7 leit. 9 mede weder
seit. 10 voerseide. 12 wel zeere. 13 maket. 14
D. was e. es. 15 die n. 16 Maer ontbr. 17 begaren.
18 sparen. 21 redenlike. 22 Platoen m. v. 24 oec d.
25 togen sullen. 26 steet. 27 E. d g. mi m. upvaert.
28 het s. 1. waert. 29 dorpere. 30 B. m. van dat ic
v. 1. 31 Of is d. hem. 32 N. dien d. mi dochte b.
I Claudius Ptolemeus, een astronoom nit de
IIe eeuw na Chr., schreef o. a. eene Syntaxis
mathematica, ook onder den arabischen titel
Almagesta bekend.
2 Rose, I. 234, 7784 (6971):
sages est cis qui met paine
A ce que sa langue refraine,
Fors, sans plus, quant de Dieu parole ;
Lk n'a-l'en pas trop de parole.
3 Cato, Dist. I. 3:
Virtutem primam esse puta compescere
linguam.
111
A. fol. 32. b. c.
Hadde cullen geheten helichdoem,
Ende soe weder jegen stroem
[6575]
6635 Helichdoem cullen geheten, Soudi danne wel willen weten,
Dat cullen waren een hovesch wort,
Ende helichdoem den dorper gehort ; 1
Ende soudemen danne hebben gepleghen
6640 Cullen tanebedene, ende beslegen [6580]
In selvere ende in goude goet,
Gelijc men helichdoem nu doet,
Ende gecust soude hebben die ?
Nu hort, dat u goet gdscie,
[6585]
6645 Ende berecht ten besten mi,
Ocht dat wort nu quader si,
Dan ocht helichdoem hadde geheten.
Neent niet! dat mogedi weten.
Ic maecte twort, dies seker ben,
[6590]
6650 Dat noit en quam in minen sen Noch in mine herte oec dorperheide.
God orse here die maecte beide,
Die so hovesch es ende so vroet :
Het dochte hem selven harde goet.
6655 En magic niet nomen die dine algader, [6595]
Die God maecte, onse hemelsce vader ?
Gine moet mi daeromme opvaren.
Ochte si to nomene bleven waren,
Wat men meende, en soudemen weten.
C. fol. 40. a.—c.
[6600]
6660 Datse die vrouwen anders heten In Vrankerike, dats bi costumen.
Men sout anders niet heten cume
Dan bi haren properen namen,
Het ware dat bi costumen quame ;
6665 Ende nomense dwart met vollen monde, [6605]
Sine daeder an en gene sonde. 2
Costume si es sere van machte,
Want menichge dine maect si sachte,
En daet costume openbare,
6670 Ende goet, die onscone ware.
[6610]
Die lieden geven, dats grote scame,
Desen dinge menichgen name :
Si hetent borsen, si hetent harnasch,
Oec heetmen hapertaseh ; 3
6675 Ende dat es omgaen crankelike.
[6615]
Men sout nomen properlike,
Gelijc dat sine name si :
Dat ware beter, geloves mi.
In onse scole men dicke segt,
[6620]
6680 Ende bi gelijcnessen legt,
Dat in die lettre niet en steet
Alle die saken, dire an geet.
Dat is u seide van gegaden,
Wildijt horen al met staeden,
[6625]
6685 Ic salt u seggen altemale
Ende ontbinden harde wale. 4
6634 also. 36 Haddi dan. 37 D. c. w. hovessche
w. 38 goort. A. dan. d. 39 Ne s. m. met rechte
h. ghepleghen. A. anebeden. 46 Of. 47 oft. 49
die s. bem. 50 en ontbr. 51 mijn h. d. 52 die
ontbr. 54 dochtem. 56 die h. v. 58 Of. 59 ende.
61 dats costume. A. dats ontbr. 62 M. s. a. heten.
A. cumen. 63 D. met. 64 En w. d. van c. quamen.
65 noemden si twoert van vullen m. 66 daden
daer alle gheene s. 67 C. die. 68 soe. 69 Ende
goet die onscone was. 70 En daet costume openbare.
71 gheve. 73 burse ende hernasch. 74 heeten sijt.
75 Dat es ommegaen. 76 heeten. 79 dicken seit.
80 E. in ghelikenessen leit. 81 steet. 82 Al d. zake
daert an gaet. 84 wel. 85 saelt. 86 ombinden.
1) Rose, I. 236, 7858 (7045):
Tu, qui si m'en mors et depiques,
Me redeisses de reliques
Que ce fust lais mos et vilains.
2 Rose, I. 237, 7878 (7065) :
Nons convenoit-il qu'il eussent,
Ou gens nomer ne les seussent,
Et por ce tex nons for meismes
Qu'en les nomast par ceus meismes.
Se fames n'es noment en France,
Ce n'est fors desacoustumance ;
Car li propres nons for pleust,
Qui acoustume for &1st :
Et si proprement les nomassent,
Jk certes de riens n'i pechassent.
In vs. 6660 verkeerdelijk : Dattie.
3 Rose, I. 237, 7893 (7080) :
Les apele ne sai comment,
Borces, hernois, riens, piches, pines,
Ausinc cum ce fussent espines ;
Mes quant les sentent bien joignans,
Ne les tienent pas It poignans.
De laatste aardigheid is in de vertaling niet
weergcgeven.
4 Rose, I. 238, 7904 (7091) :
Si dist-l'en bien en nos escoles
Maintes choses par paraboles,
Qui moult sunt beles lt, entendre ;
Si ne dolt l'en mie tout prendre
A la letre quanque l'en ot.
En ma parole autre sens ot,
Dont si briement parler voloie,
Au mains quant des couilles parloie,
Que celi que to i vues metre ;
Et qui bien- entendroit la letre,
Le sens verroit en l'escripture
Qui esclarcist la chose oscure.
112
A. fol. 32. c. d.
Die scone loegenen vanden auctoren
Ende vanden poeten moegedi hoeren,
Diere om studeren oit ende ie.
6690 Hare hemelicheit, hare philosophic [6630]
Salic u seggen nu wildi.
Tuwaren, mi dunct gi moegter bi
Leren, dies gi mocht verhogen.
Segt mi, vrient, sal iet doegen
[6635]
6695 Ochtic u noch bet ontbinde Ende lere, gelijc enen kinde,
Alle die saken diere anegaen,
Segt mi, vrient, waert wel gedaen ?"
,,Vrouwe, gine dlorret u niet pinen.
[6640]
6700 Die wort sijn sele als si seinen ;
Hens niemen diene versteet dese tale,
Hine machse kinnen harde wale ;
Men daerse anders niet ontbinden.
Dat wi oec in poeten vinden,
[6645]
6705 Hare logene ende hare bispele,
Daerop en achtic niet vele ; I
Want ic niet mach genesen,
Hen moet bider Rosen wesen ;
Ende mochtic die noch vercrigen,
[6650]
6710 Ic liete al die glose swigen ;
In hebbe des onbindens niet te doene.
Sint gi te seggene sijt soe coene
Dat wort al properlike,
So houdic u, vrouwe, sekerlike
6715 Onsculdich vanden worden beide, [6655]
Die u mont ten minen seide.
Het es goet, het dunct mi ere,
Inc dunker te pensene om nemmere ;
Mar, vrouwe, doer God, genade !
[6660]
6720 Bern ic sot, dats mine scade,
En lachter mi niet te sere.
Mi dunke ic dede mi selven ere,
Dat ic die manscap ontfinc
Van also hogen coninc.
C. fol. 40. c. d.
6725 Ben ic sot, wat geets ane u ?
[6665]
Ic wine minnen, daer ic tote nu
Hebbe gemint, den Rosen cnop ;
Nemmermee sone gevickene op.
Ende gavic u danne mine minne,
6730 Ende niet en Binge ute minen sinne [6670]
Die scone Rose diere in steet,
So waer ic danne, weet dat gereet,
Jegen u in groter valschede,
Ende jegen minen meester mede.
6735 Hier so blijft mine herte te lone
[6675]
Altoes an die Rose scone.
Dies latet staen u castien,
Want een twint nine mach dien ;
Want wildi meer des spreken wort,
6740 Gi siet mi vlien van u wort."
[6680]
Ende alse Redene dat verstoet,
Maecte hare enwech die vrouwe goet,
Ende sciet van mi ende liet mi staen
In swaren gepense, ende sere bevaen
6745 Met rouwen ende met sericheiden. [6685]
Doe gingic henen sonder beiden
Te minen vrient ende telde hem al
Mijn vernoi ende mijn mesfal
Van inden torde, gelijc dat gi
[6690]
6750 Hier voren hebt gehort van mi. Doe seide Vrient : ',Gesell°, laet varen
Uwen rouwe ende u mesbaren,
Want gi sijt om niet ontaen.
Al es gevangen Suete Onfaen,
[6695]
6755 Sint hi u een cussen onde, So salve harde onlange stonde
Enich prisoen gehouden moegen,
Hine sal u sciere verhogen ;
Maer wildire of comen in vrauden,
[6700]
6760 So moetti u vroedelijc houden,
Ende ghetroost u hier bi zaen ;
Want, twaren, hi sal wel ontgaen."
6687 loghene. 88 Entier p. moghedi h. A.
moegi. 89 omme studeerden. 90 Haer heimelicheit.
92 T ^varen m. dinct g. muechter b. 93 moghet.
A. Lere. 94 salt hu i. d. 95 Of ict. 96 En 1.
97 Al. 98 eist. 99 dorst. 6700 sulc. 1 Ens n.
die verstaet sijn t. A. nieme. 2 harde ontbr. 3
daerfse. 5 hare ontbr. 7 niet en m. 8 Ende m.
10 alle glosen. 11 I. h. sombindens 12 segghen
s. ghewoene. 13 Die waerheit. 15 Ontsculdic. 17
Het es g. h. dinct. 18 In therte te peinsen om onsen
Heere. 19 dor Gods. 21 Ende lachteret. 22 dint.
23 vrienscap. 25 Bem - an hu. 26 A. ic ontbr.
28 sone ontbr. 29 dan. 30 uut. 32 waer i.
dat w. g. 33 A. vascheden. 35 mijn. 8e ane.
37 Die laet. 38 niet en. 39 spreken. 40 A. sijt.
41 dit. 42 en ontbr., de. 43 E. s. weghe e. 44
ende ontbr. 46 wech. 49 ende toorde ghelijc
ghelijc. 53 ondaen. 54 Scone Ontfaen. 55 jonde. 56
harde ontbr. 57 Eenighe vanghenesse m. 58 Onthouden h. s. u. v. Vs. 6759-62 ontbr. bij A.
I Rose, I. 239, 7936 (7123) :
Dame, bien les i puis entendre,
Qu'il i sunt bi legier h prendre,
Quil n'est nus qui francois seust,
Qui prendre ne les i deust.
N'ont mestier d'autres declarences,
Mes des pates les sentences,
Les fables et les metafores
Ne be-ge pas it gloser ores.
113
A. fol. 32 d.-33 a.
— ,,Neent, vrient, hets buten spele !
Ic hebbe nu viande alte vele,
6765 Al waert ware Quade Torige allene, [6705]
Die mi therte dorebijdt al rene.
Met rechte woudic dat hi vervore,
Want hise alle heeft bracht in rore.
Sorge ende Scande si hadden wale
6770 Geholen ende Dangier altemale, [6710]
En warre die duvel niet toe comen,
Diet mi al nu heeft benomen ; I
Want die quade, yule glottoen
Hadde alle dandre vergadren doen,
6775 Dat mi sal deren al mijn leven.
[6715]
Die Suetonfane hadde sien bevén,
Alse hem ver Jalosie ane riep,
Die quade quene, die niet en sliep
Ende diene versprac in lane so mere,
6780 Hem souds ontfarmen harde sere. [6720]
Doe vloe ic met deser spraken.
Doe dedemen den casteel maken,
Daermen dat suete kint in dede.
Nu raedt, vrient, dore hoveschede,
6785 Ochte sekerlike ic blive doet, [6725]
Want mine rouwe es so groet."
Doe sprac Vrient, als een die wel
Conste al der minnen spel,
Ende seide : ,,Nu en mestroest u niet,
6790 Al eist dat gi doegt verdriet ;
[6730]
Maer dient den God vander Minnen
Getrouwelike in allen sinnen,
C. fol. 40 d.-41 b.
Dat hi u niet in ontrouwe
En vinde; want het soude u rouwen,
6795 Vonde hi u gelovich in enichgen saken, [6735]
Sint hi u sinen man woude maken,
Dat hi nie verradre en dede.
Peinst op die grote hoveschede,
Die hi u noch hier na doen sal,
6800 Alse hi uwen wille doen sal,
[6740]
Al mert hi u te lange een deel,
Ongeval en doet al geel,
Also alse segt die Avonture. 2
Peinst te dienne, al werdet tsure,
[6745]
6805 Den hogen God vander Minnen,
Gi selter of groten loen gewinnen.
Set in hem al uwe gedachte :
En es dint gene so sachte.
Het ware lachter ende grote onnere,
6810 Lietti uwen gerechten here,
[6750]
Die u noit, hide no stille,
En heeft te latene engenen wille. 3
Nu salic u seggen wat gi doet,
Dat gi in langen uwen voet
[6755]
6815 Niet en set om te gane
Tien castele te scouwene ane,
Dese wint en si al gelegen,
Ende die niemare een deel geswegen.
Geviele oec soe die avonture,
6820 Dat gi ledet biden inure,
[6760]
So hout u soe al a gedane,
Alse ochte u ane Suete Onfane
6763 A. Neen. 64 nu ontbr. 65 maer. 66 D. m.
dorbijt th. 67 wildic. 68 W. alle heeftise ghemaect i. r. 69 S. e. S. haddent w. 70 Gheheilt.
71 ware. 72 D. m. heeft al b. 74 dandere
alle. 76 Scone Ontfaen. 77 Als — anriep.
78 die ontbr. 79 Diene v. so 1. 80 Dies mi
noch ontfaermt s. 81 Ic v. wech m. diere s.
82 Ende men ghinc d. c. m. A. demen. 83 D.
Scone Ontfaen in leide. 84 N. r. mi v. up
hovescheide. 85 Ofte neen ic bliver omme d.
86 Ic hebbe de pine enten rauwe g. 87 Nu s. v.
alse d. w. 88 Bekende d. m. s. 89 E. hi s. ne
wantroost. 90 A. doghedi een stic zwaer v. 91
Ne waer — van M. 92 met a. zinne. 93 Datti
u n. ne vinde o. 94 Dat zeere breeden louden
huwen rauwe. A. wende. 95 Vondi ghebrec in
eenigher s. 96 Na dien dat hi hu sijn m. m.
97 Wilde dat hi noit en d. 98 Valsche herte so
doet mede. 99 Al sinen wille ende dat hi beghert al. 6800 Hi sal noch al huwen mesval.
1 Wel te pointe bringhen I deel. 2 Al merret
hi langhe dat faveel. 3 Ende tote hu comen
doen A. 4 Die dat zoete ghevet na tsurre. 5 Nu
hebt vaste in huwen zinne. 6 Minne. 7 Ende
werpt in hu al hu peinsinghen. 8 Die zoete sin
voer alle dinghe. 9 H. w. zotheit lade ende stille.
10 Liet hi te doene sinen wille. 11 Ne latene
dor ne gheene dine. 12 Die God die van hu
manscap ontfinc. 14 langhen tiden huwen moet.
15 omme al daer te g. 16 Te siene daer leit
Scone Ontfane. 17 D. storem ne si g. 18 E. een
deelkin al verzweghen. 19 Quam het oec bi
aventuren. 20 liden sout b. muren. 21 Ne waer
h. u in die g. 22 Of hu niet laghe in Scone 0.
1 Rose, I. .242, 8011 (7 ; 98):
Tuit trois s'estoient coi tenu,
Quant li deable i sunt venu,
Que li glous i fist assembler.
2 Rose, I. 243, 8046 (7233) :
Tons ses comans gardes ; car .0,
A son propos, combien qu'il tarde,
Ne faudra hons qui Bien les garde,
S'il ne l'i mesehiet d'autre part,
Si cum Fortune se depart.
In vs. 6803 is segt stellig bedorven. Misschien
:poet men lezen :
Also alse delet die Avonture.
3 Rose, I. 243, 8054 (7241) :
Por ce seroit trop grant folie
Du lessier, puisqu'il ne vous lesse.
8
114
A. fol. 83 a. b.
Niet en gelage, groet no clene ;
Maer gevielt dat gine allene
6825 Staende yore enichge • venstre siet, [6765]
So siet op hem, en lates niet,
Ontfarmelike metten ogen ;
Dat seldi so heimelike togen,
Dat niet ne si al openbare.
6830 Eist dat hi uwes wart geware,
Hi sals vele te blider sijn,
Al keert hi van u sijn anscijn,
Ende luect die venstre, daer hi staet.
Hi sake loken, dat verstaet,
6835 Om u te siene, daer hi wel
Dore die wrogeren die sijn fel. 1
Iloet u, geselle, dat es mijn met, [5785]
Waer gi coemt ochte gaet,
Dat u Quade Tonge niet en sie,
6840 Die God onse here vermaledie.
Gevalt oec dat gine ontmoet,
Mijn raedt es dat gine hovesscelike groedt,
Ende niet en verwandelt uwe gedane,
Noch geeft hem niet te verstane,
[6790]
6845 Dat gine haet om dat hi seide ;
Want vroet man dect sine gramheide.
C. fol. 41 h. c.
Wet dat alle vroede minneren,
Die bliscap vander minnen geren,
Quade Tonge ende sine geslachte, [6795]
6850 Die nu sijn van groter machte,
Dienen, ende also seldi,
Ende eren mede, geloves mi,
Ende bieden hem, siedi ooc vroet,
Met sueter tale have ende goet, [6800]
6855 Daer gi hen met sout dienen gerne.
Men mach den dief wel driven tscerne,
Want Quade Tonge es altemale
Verradere ende dief, dat wetic wale ;
Want hi steelt den minsce sine ere, [6805]
6360 Die en mach hi nemmermere, 3
Ende sine goede name daermede.
Mi dunct dat ware beter sede,
Datmen dien ane die galge hinge
Dan die stelen der liede penninge, [6810]
6865 Ocht cleder, ochte coren in scuren.
Dese sijn quite talre uren,
Updat sijt virevout weder gelden ; 4
Mare van quaden tongen tselden
Soe neemt den minsce sine ere,
[6815]
6870 Die hi hercriget nemmermere.
Vs. 6823-37, bij C. vs. 6763--84:
En ware of ghi saghet alleene
Scone Ontfaen teenen veinstre cleene,
Often carteelen, tote dien
[6765]
Suldi dan ontfaermelijc up zien.
Ne waer dat moet emmer wesen
Heimelike, ende consti na desen
Hu verzien, hi souts sijn blide.
Maer dat soudi te dien tiden
[6770]
Decken, dat niemen meere
Ne zaghe, diet in quade keere.
Ende daer omme moet sijn ghedaen
Dievelike, doe is hu verstaen,
Ende eist dat hi hoert spreken,
[6775]
Al ne dar hi thoeft niet uut steken,
Hi sal de veinstre lucken een deel,
So dat menne niet ziet gheheel,
Ne waer saire heimelike dor loucken
Ende zal hu metten oghen zoucken. [6780]
Also langhe als ghi daer sijt,
Sal hi aldus na hu zien talre tijt,
Ende sine oghen niet van hu comen
Laten, en wordem al daer benomen,
37 Maer h. u wel Bats m. r. 38 W. so g. comet
ofte g. Vs. 6840 en 41 ontbr. 42 Saghedine oec
groettem mie. 43 En v. niet hu g. 44 None
doet h. 45 omme dat. 46 W. die vroede doget
sine aercheide. 47 Ende so doen alle v. m.
48 Die doghet van m. g. 49 sijn. 50 Dat groet
es zeere van m. 51 D. die vroede e. a. suldi.
52 Hem dienen e. heeren g. m 53 Ghi suit
hem oec presenteren sidi goet. 54 Met herten
met live sidi vroet. 55 Men zeghet ende het es waer.
56 Die den dief mach hoven daer. A. scerne.
57 Dat hi wel doet al zonder tale. 58 Quade
Tonghe die dief es wale. 59 Hi s. d. meinsche
e. 60 D. hi weder mach gheven n. 61 mede.
62 M. dincke wel waer het s. 63 D. menne
bet an de g. h. 64 Danne den dief die p. 65 Of
cleedren of c. stelen i. s. 66 Die sijn ten rechte
ende hebben cueren. 67 Nochtanne dat s. III.
v. ghelden. 68 Maer v. den q. t. dat sc. 69
Endie den meinsche nemen sijn e. 70 D. h.
weder ghewinnet n.
1 De tekst van C geeft het oorspronkelijke
getrouwer weer dan die van A.
2 Rose, I. 245, 8105 (7292) :
De ceus bonier n'est pas pechies
Qui de bouler sunt entechies :
Male-Bouche si est boulierres,
Ostes bou, si demorra lierres.
De woordspeling is bij de vertaling natuurlijk
achterwege gebleven.
3 Lees met C, doch eenigszins gewijzigd :
Die hi zveder mach yeven nenzmere.
4 In het origineel (Rose, I. 245, 8120 (7307)
is er bijgevoegd:
Selonc les lois qui sunt escrites,
en dit doelt op de Instituter, IV. Tit. 1, Art. 5 :
,,Poena manifesti furti quadrupli est, tarn ex servi,
quam ex liberi per3ona, nee manifesti dupli."
115
A. fol. 33 b. c.
Dat doct die tonge vuel ende quaet,
Die daerin werp tsduvels saet ;
Mare gelt dat machmen wale
[6820 .1
Met gelde betren altemale.
6875 Quade Tonge eest vleien goet,
Watmen siet wat menich doet,
Dat hi die hant custe openbare,
Hi woude dat si verbornen ware, 1
[6825]
Ofte dat hi ware in Tartarie,
6880 Datti daer mochte clappen die!
Daeromme woudic dat Quade Tonge
So verre in die zee ware gesprongen,
Pat si meer en quame te lande,
[6830]
Om te seggene iemene scande. 6885 Quade Tonge ende sine mage,
Die sere wassen alle dage,
Moetmen houden met barate,
Met dienste ende met sconen gelate,
Met smekene ende met salvene mede, [6835]
6890 Geminget met valscher genemichede,
Ende nigen ende gruten met ;
Want hets goet, ic wille gijt wet,
Den hont tsmeken te sire steden,
Tote dat een man den wech es leden. 2
6895 Dus machmen breken sine clappinge,
Ende met dusdanichgen dingen
Seldi noch te boven al comen
C. fol. 41 c. d.
Der stucken, die gi hebt ondernomen. [6840]
Der quenen, die hoet Suetonfane,
6900 Diere pijnt altoes te dienste te stane,
Ende daertoe met ver Jalosien,
Die God moete vermaledien,
Dies si so scale es ende so quaet, [6845]
Dies si te benemene staet
6905 Den lieden bliscap ende spel.
Gonneert werdsoe, si doet niet el,
Dat si so quaet es ende soe onrene,
Dat si die dine wilt hebben allene : [6850]
Al naems elc man sijn gevoech,
6910 Nochtanne so bleves daer gnoech. 3
Die de dine spart, hine es niet vroet,
Die nine mindert, wat menre afdoet.
Hets alse die kerse in die lanterne, [6855]
Daermen ane al sonder scerne
6915 Dusentich kersen mach ontsteken,
Nochtanne sake of niet gebreken
Lichts, noch mindren niet dat vier :
Vander saken eist aldus hier.
Wat ic meine versteet elc man,
6920 Die evel ende goet bekinnen can. [6860]
Hebben desen te doene ondienst,
So dient danne, dat es u tsienst, 4
Ende doet hem ere, dat es mijn met,
Ende doet so emmer, dat verstaet,
6871 D. sine t. doet die es q. 72 werpt sduvels.
73 Ende dat men niewer mede mach betalen.
74 Ne waer ghelt mach men b. wale. 75 Q. T.
men vleeuwen m. 76 Dattie menighe nu wel d.
77 Ende d. h. cust daer mare. 78 Die h. w. d.
verberrent w. Vs 7879 en 80 ontbr. bij A. 81
Omme die zake dat die ghene. 82 Ne gheenen
minnere ne gherene. 83 Hets goet scuwen Quade
Tonghe. A. quamen. 84 Die de lieden blameren
met haren tonghe. 86 Moete God verdomen a. d.
87 Ende die m. 88 . ende ontbr. 89 M. smeeken
te s. m. A. me. 90 Ende m. v. lievelichede.
Vs. 6891-94 ontbr. bij C. 93 Dan hout. 95 stelpen. 96 E. m. dustanen wanddelinghen. 97 So
suldi n. te b. c. 98 Die dine d. g. te hu h.
ghenomen. 99 Scone Ontfanen. 6900 Suldi oec
pinen in d. 1 E. oec mede v. J. 2 God moetse
alle v. 3 Ende die so fel es. 4 Ende alle daghe
daer na gaet. 5 Te benemene dach cortinghe
e. s. 6 Diet doen sine doen niet wel. 7 God
gheve hem al heghene. 8 Die quaet voerdren
te hebbene a. 9 Al namen dat den lieden al.
10 Nochtan het niet mindren sal. 11 Ende hi
die dat sprat nes bore v. 12 Dat niet M. W.
mer of d. 14 Die hem dusent lichtet gherne.
Vs. 6915 en 16 ontbr. 17 Sonder te minderne
haer v. A. Lijchts 18 Dies ghelike so eist hier.
19 Dit verstaet wel e. m. 20 Dit verstaen wille
Pnde c.
21 Hi doe aldus sinen dienste. 22
Ende diene hen dat direct mi tsienste. 23
Doet h. e. hets m. r. 24 Maer dat weet wel
ende v.
1 Rose, I. 246, 8129 (7819) :
Bon fait Male-Bouche apaisier :
Aucunes fois seult-l'en baisier
Tel main qu'en vodroit qu'el fust arse;
Car fust ores li glous en Tarse !
Si janglast lh quanqu'il vosist.
2 Rose, I. 246, 8144 (7331) :
11 fait trop bon le chien chuer
Tant qu'en ait la voie passee.
3 Rose, I. 216, 8157 (7344) :
Ele est crueuse et si gloute,
Que tel chose vuet avoir toute,
S'el en lessoit k chascun prendre,
Qu'el ne la troveroit jl mendre.
4 Rose, I. 247, 8167 (7354) :
Se testes ont de vous mestier,
Serves-les de vostre mestier.
Lees in vs. 6919:
Hebben dese te doene u dienst.
116
A. fol. 33 c. d.
[6865]
6925 Dat sijs geware werden niet,
Dat gise wilt bedriegen iet;
Want selc heist selken openbare,
Hi woude dat hi verhangen ware [6870]
An ene galge met sire kelen ;
6930 Nochtanne gaet hi met hem spelen ,
Om to vorderne sinen wille,
Dien hi draecht in therte stille.
Ende aise gi coemt tien portieren, [6875]
Dien seldi hovesscelike antieren,
6935 Ende geven hem scoenheide, alselc also gi
Hier selt horen nomen mi:
Rosen hoeden, alle maniere,
[6880]
Die niet en sijn van coste diere,
Ende siden huvekine van cleinen drade, 1
6940 Op dat gijs wel hebt die staede,
Ocht iet dat hen onfangelic si.
Ende dan radio u daerbi
[6885]
Hen to vertreckene al u leet
Ende die pine die u versleet,
6915 Ende tdogen dat gi hebt van minnen ;
Ende en condi oec niet gewinnen
Gichte, sie en sie u to swaer
[6890]
Ochte en liggen alsoe naer,
So doet gelof groet op die stede: 2
6950 Gelof en breect gene lede.
C. fol. 41 d — 42 b.
Geloeft u, dat wart vergouden,
Ende swert diere, dats al behouden ;
Want logene so heeft die maniere, [6895]
Dat soe wilt sijn gesworen diere;
6955 Ende eer gi ongenerent gaet,
So gevet uwe trouwe, dats mijn raet, 3
Ende bidt hem dat si u geraden,
Ende oec mede staen in staden.
[6900]
Weent vol u ogen met heten tranen,
6960 Sone salmon gore loesheit wanen ;
Knielt ende legt to gadre uwe hande,
Bidt ernstenlic, hens gene scande ;
Sucht van herten ende wel gedichte, r6905j
Ende vaget van tranen u ansichte;
6965 Want tranen muruwen, dats wel inscijn,
Herten die ontfarmich sijn.
En condi oec geweenen niet,
So net uwe ogen, daert niemenne slot, [6210]
Met ure spekelen over ancun,
6970 Ochte stoet ontwee enen enguun,
Ende metten sape bestrijct u ogen : 4
Gi selt dan wel weenen mogen,
Want het doet weenen elken man. [6915]
Menich trufferre diet wel can,
6975 Ende weenen met groten barate,
Ende scinen minnende bi gelate,
Vs 6925 en 26 bij C.:
Dat het so heimelike si,
Dat sire niet moghen bi
Verstaen huwe meeninghe niet.
Want men dicke ghevallen ziet.
25 A. iet. 27 Datmen sulken h. o. 28 Diemen
wilde overware. 29 Datti hinghe bi sire kele.
3() Nochtan hevet hi met rivele. 31 Omme.
32 Dat. 33 Hier na mede als ghi siet. 34 Den
portier sone laets niet. 85 Ghine geeft hem dat
hi prise. 36 Die dine die ic hu al hier wise.
37 Hoede van bloemen ofte almoniere. 38 Ofte
messen d. n. sijn d. 39 Updat ghijs hebt wel
huwe stade. 40 Sonder huwe groete scade. 41
Ende dat hem iet o s. 42 E. d. suldi gheloves
mi. 43 Hem vertrecken a. u. 1. 44 Entie p. die
hu over gheet. 45 Ent doghen. 47 Ghiften sine
sijn. 48 So rade ic hu al openbaer. A. en ontbr.
49 Dat ghi ghelooft tgrote up dose stede. 50
Want tghelof b. g. 1. 51 G. hoe d. waert v.
53 so ontbr. 54 wille. 55 ongheharent. 56 Ghevets hu t. 61 gader hu h. 62 neerenstelike ens.
63 Weent met groten tranen bitterlike. 64 So dat
mense siet ghedichtelike. 65 Vallen uut huwen
oghen neder. 66 Si sullens hu teer troesten
weder. 67 Ende e. c g. 68 So segghic hu wat ghi
pliet. 69 Neemt heimelike huwen spu. 70 Ende netter mede dat radio hu. 71 Hu hoghen ofte enioen
sap. 72 Ofte van loeke dats vroetscap. 73 Also dicke
als wille een m. 74 truffere. Bij C zijn tusschen
vs. 6974 en 75 de vier volgende verzen inyevoegd:
Die hem den vrauwen laten hanghen,
Sine wilne solve laten ganghen
Ende sijs hebben ontfaermenesse,
Dits eene ontfaermelike lesse.
75 berate. 76 minnere in g.
1 Lees in vs. 6937 met C : almoniere. Rose,
I 247, 8187 (7374) :
Chapiaus de Hors en esclicetes,
A umosnieres ou crespinetes,
Ou autres joeles petite.
De crespinetes zijn fljne krippen sluiers, en in
de vertaling door siden huvekine zeer juist teruggegeven.
2 Rose. I. 249, 8197 (7384):
Et se vous ne pods donor,
Par promesse estuet sermoner.
3 Rose, I. 219, 8201 (7389) :
Jures fort et la foi baillies,
Ains quo conclus vous en allies.
4 In het Hs. staat zeer duidelijk : antun, of
ancun ( a an ), dat stellig bedorven zal zijn.
Het origineel geeft goon lioht over het ontstaan
der c orruptie. Zie Rose, I. 249, 8215 (7403):
Et se vous ne poes plorer,
Covertement, sans demorer,
De vostre salive prengnies,
Ou jus d'oignons, et les prengnies.
On d'aus, ou d'autres liquors maintes,
Dont vos plupieres soient ointes
117
A. fol. 33 d.-34 a.
Die nochtan noit en minden
Anders, dan si hier met vinden
[6925]
Die vrouwen in sachten wille, 6980 Die hens ontfarmet lade ende stille.
Wisten die vrouwen wat si jagen,
Si ontfarmder te genen dagen. 1
Ende es u soe die wech benomen,
[6930]
Dat gi gaen en dort no comen, 6985 Daer si sijn, no daer no hier,
So moettiere senden enen messagier,
Diet gerne doen om awe lieve,
Of met talen ofte met brieven ;
Ende scrijft hare, dats u betame ; [6935]
6990 Maer en set niet uwen name,
Want daer mede es menich bedroghen,
Die wel waende wesen in hoghe.
Hoet u oec dat ghi niet
[6940]
Met kinderen doet a ghebiet
6995 Want het es der kinder sede,
Dat sire gerne spelen mede
Met dat si hebben onderhanden,
Ende dat vergaet hem dicwile te scanden,
Alst coemt onder die vrogeren.fel, 2 [6945]
C. fol. 42 b. c.
7000 Die altoes en geret niet el
Dan te breidene der liede onnere ;
Dies geve hem lachter God onse here.
De se portieren sijn alle uren
So ontfarmich van naturen,
7005 Eest dat si u gichte ontfaen,
So selense u te hulpen staen,
[0950]
Gelike dat die loder maect
Den valke, alse hi daes gesmaect,
Dien e ter hant comen doet. 3
7010 Aldasso maect gichte ende goet
[055]
Die portiere van sachten sinne
Jegen diegene die dragen minne.
Ende geviele dat gise oec vent
[6960]
So overmoedich talre s tont, 7015 Dat gise met gichten noch met beden,
Noch met weenen, noch met geneden,
No met smeken en cont verwinnen,
Hine verstake u in alien zinnen,
Beede met worden ende met daeden, [6965]
7020 Keert dan wech ende wacht are staeden,
Ende laetse in paise bliven hier. 4
En smalt noit case jegen tfier
6978 mede. 79 joncfrauwe. 80 Ende stelen hem
hare herte stille. 81 Maer w. si dbaraet dat s. j.
82 Hem ne ontfaermets. A. ontfarder. 83 E.
eist oec dat hu so steet. By A tweemaal MOPkonz ende. 84 D. ghire niet moghet ghereet. $5
Co men daer soe si of gaen. A. no daer ontbr.
86 So senter boden dats wel ghedaen. A. senden
ontbr. Vs. 6987-94 ontbr. by A. 89 C. dats mi b.
96 si. 98 E. d. v. decken t. s. 99 A. c. inder wroughers handen. 7000 Die gherne breeden hare scan
den. Vs. 7001 en 2 ontbr. 3 Vindi dien poertier oec
mede. 4 Van diere manieren ende zeden. 5 Dat
hi huwe ghiften ontfaet. 6 S. sal bi decken huwe
daet. 7 Ende sal hu arde wel ontfaen. 8 Naer
dat de ghifte es ontfaen. 9 Savons spade smorgbins vrouch. 10 Dan comt ende brinct dats
ghenouch. 11 Up huwe hant eepen sporeware.
12 Aise ofte hu daer omme niet en ware.
Tusschen vs. 7012 en L3 bij C. de twee volgende
verzen :
Want die portieren werden verwonnen
Met ghiften die gheven connen.
13 Eist oec dat ghi den portier. 14 Vint so
hoverdich ende so fier. 15 Dat ghine te gheenen
steden. 16 No met ghiften . no met beden. 17 No
met ghewene ne. Vs 7017 en 18 ontbr. bij A. 19 A.
Noch m. w. noch m. d. 20 K. wech e. w.
huwer s. 21 laten met pinen.
1 Rose, I. 250, 8224 (7411':
Ainsinc - Font fait maint bouleor,
Qui puffs furent fin ameor,
Qui les dames soioient prendre
As las que for voloient tendre,
Tant que par for misericorde
Lor ostassent du col la corde.
Et maint par tel barat plorerent
Qui onques par amors n'amerent ;
Ains decevoient les puceles
Par tiex plors et par tiex faveles.
Lermes les cuers de tiex gens sachent,
Mes que, sans plus, barat n'i sachent;
Mes se vostre barat savoient,
James de vous merci n'auroient.
2 Rose, I. 251, 825 6 (7443) :
Tous jors vuelent enfant ragier,
Gengler, ou monstrer ce qu'il portent
As traitors qui les enortent.
3 Rose, I. 251, 8270 (7457) :
Car si cum li loirres afaite,
Por venir au soir et au main
Le gentil espervier It main.
De lezing bij C is geheel en al bedorven.
4 Rose, I. 251, 8278 (7465):
Et s'il avient que les truissies
Si orguilleus, que n'es puissies
Flechir par dons ne par prieres,
Par plors, ne par autres manieres,
Ains vous regietent tuit arriere
Par durs fais, par parole fibre,
Et vous ledengent durement,
Partes-vous-en cortoisement,
Et les lessies en ce sail.),
118
A. fol. 34 a. b .
Alse sere alsi selen doen, 1
Omdat gi hen sijt ontfloen,
[6970]
7025 Ende en wanen u meer vercrigen.
Dies moetti een stuc swigen;
Want die dorper heeft so behagel een herte,
Diene meest mint, doe hi meest smerte,
Ende die hem meest onderdanich es, [6975]
7030 Dien scuwet hi meest, sijt seker des ; 2
Mare alse een man geet sire verde
Ende bliven laet, sinct sine hoverde,
Ende het dunct hem quaet gedaen,
[6980]
Dat hine dus heeft laten gaen,
7035 Ende sijns te doene en heeft nemmeer :
Dail prijst hine diene lachterde eer.
Dus moetmen soeken menichge manire,
Ende doen gelijc den marniere,
[6985]
Die vart op die welde zee.
7040 Ene sterre soect hi ende nemmee,
Daer hi mede wille varen.
Sijn seil trect hi op te waren,
Ende dorezelt wel menich lant,
Beide Potau ende Ingelant.
[6990]
7045 Hine zeilt bi enen winde al niet,
Hi strijct tseil als hi storm siet
C. fol. 42 c. d.
Dore den tempeest ende den wint : 3
Dus moet hi doen, die gene die mint,
Sal hem van minnen goet gescien ;
7050 Hi moet connen jagen ende vlien.
[6995]
Noch seggic u ene maniere,
Het doet goet bidden desen portiere, 4
Want niet verliest men daermede
Dan een man verlore sine bede,
7055 Ende sine pine ende sine stonde
Van dat hise irst minnen begonde. 5
Sidi ontfaen, dat es u genoech,
[7000]
Want so hebbedi al u gevoech;
Ende en sidi oec niet ontfaen,
7060 So seldi hovesscelike enwech gaen,
Ende engene gramscap togen
Noch met manieren, no met ogen ;
[7005]
Maer gelaet u blidelike.
Nochtanne eist onmogelike,
7065 batmen u verdriven sal,
En doe kinlic ongeval.
Hoe erre hen dese portiere gelaten,
Om anesoeken si niemene haeten, [7010]
Maer sijns blide ende wel gemeet,
7070 Ende pensen dat met hem wel steet,
7023 So zeere als hi smelten sal. 24 Dies
hi waent hebben verloren al. 25 Dat hi van hu
waende v. 26 een lettel. 27 een ontbr. 28 D.
m. m. dooght m. s. 29 Ende meest hem bidt
versmaet hi. 30 Ende meest hem dient lacntert
daer bi. 31 Maer alst bliven laet een man. 32
So nedert hi sijn overde dan. A. singt. 33 Ende
sijns te doene heeft nemmeer. 34 So prijst hi
dien hi lachterde eer. 35 Ende dan dinct hem
qualike ghedaen. 36 Dat hine also van hem liet
gaen. 38 gheliken d. maroniere. 39 D. zelen varen
in d. z. 40 Ende e. s. s. ende n. 42 Maer dat
s. laet hi ghebaren. 43 Hine keeret maer ter
sterre waert. 44 Ende altoes keeret daer hi vaert.
Vs. 7045 en 46 ontbr. 47 Dus moeten doen de
finen minaren 48 Die hare herte niet willen
vertaren. 49 Moeten hem houden oec na dien.
50 Ende moeten j. e. v. 52 Dat goet doet smeeken de p. 5 3 meer mede. 54 Al verliest e. m.
sijn b. 55 Want sine bede moet in desen. 56
Emmer ontfaen of ontseit wesen. Vs. 7057 en 58
ontbr. bij C. 59 oec ontbr. 60 S. suldi wech
henen g. 61 E. hem ne weten gheenen ondanc.
62 Dat si hu verboden den inganc. 63 Ende g.
64 Nochtan e. onghelovelike. 66 Of verjaghen
van daer al. Vs. 7067-7103 geheel verschillend bij C:
Maer weet wel in waerheden,
Dat niemen •zal hebben in zeden, [7010]
Den poertier ten eersten male
Te segghene sinen wille wale,
1 Rose, I. 251, 2885 (7472) :
Onques fromage de gaain
Miex ne se cult qu'il se cuiront.
2 Rose, I. 252, 8291 (7478):
Cil qui plus les ont en chierte,
Plus les prient et mains les prisent,
Plus les servent, plus les desprisent.
3 Rose, I. 252, 8300 (7487) :
Li mariniers qui par mer nage,
Cerchant_ mainte terre sauvage,
Tout regarde-il h une estoile,
Ne queurt-il pas tons jors d'un voile;
Ains le treschange moult souvent
Por eschever tempeste et vent.
4 Rose, I. 252, 8313 (7500) :
Bon fait ces trois portiers prier.
5 Vs. 7055-56, die geenen zin hebben, vervange men door de twee verzen bij C:
Want sine bede moet in desen
Emmer ontfaen of ontseit wesen.
Verg. Rose, I. 252, 8314 (7501) :
Car nule riens oil n'i puet perdre
Qui se vuet au prier aerdre,
Combien qu'il soient bobancier,
Et si se puet bien avancier ;
Prier les puet seurement.
Car it sera certainement
Ou refuse ou receu :
N'en puet gaire estre deceu.
Riens n'i perdent li refuse
Fors tant cum it i ont muse.
119
A. fol. 34 b. c.
Ende datmen hem doet grote ere,
Alsmen hen anesoect hare minne sere.
Men sal den portieren niet
Doen verstaen, datmen wilt iet
7075 Die Rosen plucken ochte lesen ;
Maer datmen getrouwe sal wesen
Beide met herten ende met sinne,
Ende els ne geert dan goede minne ;
Want si hen altoes ontsien,
7080 Datmen mach na hare Rose spien.
Nochtanne est sonder twifel waer,
Diese wel besoect ende naer,
Hi salse vinden goedertieren;
Ende si sijn al van dien manieren,
7085 Hoe fier si sijn in hare gelaet,
En sochto mense niet, dat verstaet,
Dat sijs selve soeken souden
Dies men hem bidt, ende onlange houden,
Ende gevens harden goeden coop. I
7090 En ware niet sob nieloep 2
Die haestichge ende die sotto melde,
Hen to gevene van haren gelde,
Ende hi daer omme coin t hier,
Om to nemene an den Rosier
Den cnop, diere ane steet.
[7015]
Maer hi mach segghen ghereet,
Dat hire comt om gherechte minne,
Daer gheene aercheit en es inne ;
Maer in groter doghet al to male.
Dan sal hi ontfaen sijn wale
[7020]
Ende in ghelaten arde wel,
Up dat hi seit dat hi niet el
Ende (lees: En) beghert dan sine minne,
Daer gheene aercheit es inne.
Dan radio wel in goeden rade, [7025]
Dat men dor ne gheene scade
En beghinne andre zaken,
Men wanets wel teenen ende gheraken ;
Want beghint ment onghent,
So blijft een al to male ghescent, [7030]
Want men sal hu, weet voer waer,
Niet voerder ghetrauwen daer naer.
Want eene maniere es in vrouwen,
1 Rose, I. 254, 8360 (7547):
Et si sunt tuit de tel maniere,
Combien qu'il facent fibre chiere,
Que se requis avant u'estoient,
Certainement it requerroient,
Et se doneroient por noiant,
Qui si n'es iroit asproiant.
2 Bij A. verkeerdelijk: waret. Over nieloop zie
men Dr. de Vries, Mi. Taalzuivering, 121.
3 Het laatste vs. is door mij uit de twee
verzen bij C aaneengevoegd. Verg. Rose, I. 254,
8374 (7561) :
Por quoi chascuns auto! fast
C. fol. 42 d.-43 a.
Dar si verdiren met die rosen ;
Want sire horn selven sere met nosen,
7095 Si soudense hebben al ongecocht,
En warense to voren niet besocht ;
Endedrogense al wel overeen,
So dat besokere en ware negeen
Van haren Rosen, ende lietense staen,
7100 Tes hare scoenheit ware vergaen,
Ende to valuwene begonsten hare blader,
— Maer sine dragen niet to gader:
That es hem one grote scade! —
Si haddent om niet, hilden sijs staede.
7105 Sekerlike dat woudic wale,
Dat die liede altemale
[7050]
Haren mont hilden ende swegen,
Tote dat si haren tijt gecregen,
Si soudens coinen to betren lone,
7110 Ende lieten hem hebben hare Rosen scone
Ende houden den poertieren.
[7055]
Mine dochte noit in gheere manieren,
Dat hi hadde wel mans name,
Die comanscap maecte van sinen lichame;
Hoe fel, hoe zwaer mense mach scauwen,
Updats hem niet en bidt een man, [7035]
Sine soukent an hem selven dan
Iii sulken lijcteekine, dat hi gheware
Wel mach werden openbare
Ende gheven hem om niet ghereet.
Maer die haesteghe, God weet,
[7040]
Die to haestich es van talon,
Ende tsine gheven wille met I malen,
Ende hoverdelijc, up dat hi wille
Die Rose plucken na sinen wille,
Die wanen doen hare voerdeel ;
[7045]
Maar hots hare verlies al gheel
Ende hare alte grote scade.
7100 A. Dies. 5 wildic. 6 Dattie lieden 8 dat
ontbr. Bij A staen vs. 7109 en 10 in omgekeerde volgorde. Vs. 11 bij C. hoeden. Vs.
7111-14 ontbr. bij A. Bij C luidt vs. 7114 en
15 aldus:
Die comanscap van sinen lichame
Maecte, al eist dicken ghesciet.
Que nus avant n'es requeist ;
Et s'il se vosissent loier,
Il en eussent bon loier,
Se trestuit 4 ce se meissent
Que tiex convenances feissent,
Que jambs nus n'es sermonast,
Ne por noiant ne se donast,
Ains lessast, por eus miex mestir,
As portiers for roses flestir.
Mes por riens hons ne me pleroit
Qui de son core marchie feroit,
S'il ne me devrort mie plaire,
Au mains por tel besoingne faire.
120
A. fol. 34 c. d.
7115 Maer daer bi en seggics niet,
Dat ic wille dat gi iet
[7060]
Met versoekene beidt so lange,
Dat si u daer met ontgange ;
Maer soect vaste an hare minne,
7120 Recht hare tnette, daersi inne
Valle ende blive gevaen.
[7065]
Gi mocht so lange laten staen,
Te- hare soudenre comen scire
Een ocht twee, drie ocht viere,
7125 Ja twewerf sestich dosinen
In enen jare, wouden sijs pinen, [7070]
Ende souden hen keren elre warde,
Op datmense to lange sparde. 1
Ine rade niet dat so lange een man
7130 Beide, dat hem een wijf soket an
Sine vrientscap ende sine minne ;
[7075]
Want hare dunct in haren sinne,
Datse hem te scone es, getrouwes mi,
Hoe lelic ocht hoe swart sie si.
7135 Daer omme seldi vroech ende spade
U wachten dat gi spreect bi rade ;
Want hoverdich sijn die vrouwen. 2
Dies radic elken man entrouwen,
Dat hi na sinen poente ontbeide
7140 Ende staden wachte, dat es vroetheide,
Eer gi soect te verre die minne.
Al es ene vrouwe fier van sinne,
Daer omme en laetse te minne twent ;
Want tscepman altoes havene vent,
C. fol. 43 a. b.
7145 Op dat hi heme wiselike keert.
Geselle, nu hebbic u geleert,
Hoe gi suit varen mettien portieren.
Vindise fel ende quadertieren,
Dan en seldi hen bidden niet;
7150 Maer alse gise in hogen siet,
Dan so eist hem bidden goet:
Dat in droefheiden niet en doet.
[7090]
En ware Proof heit niet geboren,
Ver Jalosie hadde selden toren ;
7155 Maer die yule, quade Proof heide
Maecse verwoedt ende erre beide.
Vrient, oec so moehti comen
[7095]
Wel tselken poente, dat a vromen
Soude sere, ic segge u dat,
7160 Vondise in ene heimelike stat,
Daer gi en ducht niemens gaen,
[7100]
Ende verlost ware Suete Onfaen Van daer hi om u gevangen leit ;
Ende hi u dan daede hovescheit
7165 Ende van minnen goet gelaet.
[7105]
Dan pluct die Rosen, daer si staet
Op haren stele in dien rosier.
Al bolge hem die vilain Dangier,
Ochte Vrese, ochte Scande sone later niet
7170 Vort to gane, wat uwes gesciet,
Opdat si hen blodelike weren ;
Ende als si verwonnen danne geberen, [7110]
Dan mogedi wel werden geware,
Also Vrese beeft van groten vare,
Vs 7116 ontbr. bq C. 17 Dat ic wille dat ghi te
langhe. 18 Belt ende daer bi hu ontganghe.
19 M. soucket an hare de m. 20 Spreet Iner
tnet d. soe i. 21 Walle. 22 mochtet. 23 Patter
souden an haer c. s. 24 of — of. 25 Ja LIII d.
26 wilsijs hem p. 27 hem. 28 Om. 29 In
prise n. d. beit e. m. 30 So langhe dat
men hem zoucket an. 31 Eenich wijf s. m.
32 dinet. 33 Dat soe hem si alte scone.
39 A. ontbeiden. Vs. 7134-52 zijn geheel verschillend bq C:
Die daer na beit blijft in hone,
Dat hem eon wijf bidden sal.
Daer omme moet hem een man verzien al,
[70801
Dat hi to vrouch no te spade
Niet „en spreke, maer bi rade ;
Want hoverdich sijn de vrauwen.
Dies rade ic den man in trauwen,
[7( 85]
Dat hi na sinen point ombeide :
Dit rade ic hem, ende hets vroethede.
Vint hi oec den poertier erre,
Ga van hem, dat radic, verre.
Wachtene dat hi es slide,
In droufheden en zoucten gheenen tide [7090]
53 Want w. 55 yule ontbr 58 Up sulken point
het mochtu v. 59 Wesen zeere. 60 Ende sout
wel hebben de s. 61 Sonder yemens toe comen
ghegaen. 62 E. oec dat kint Scone Ontfaen.
63 Soude messcien ontlopen sijn. 64 V. daert
leecht dor den wille dijn. Bij C tusschen vs.
7164 en 65 :
Ende also hu dan dat kint wel
Heeft ontfaen sonder fel.
65 Ende heeft ghedaen scone ghelaet. 66 D. leest
de Rose dais mijn raet. Vs. 67 ontbr. 68 Wat
ghelate dat toghet D. 69 Of Zorghe of S. haer
belght bier. Vs. 70 ontbr. 71 In dien si hem
leeulike varen. A. were. 72 E. alse v. ghebaren.
73 Ende dat m. w. w. g. 74 Zorghe.
I Rose, I. 255, 8396 (7583) :
Tost seroient aillors tome,
Se trop avies sejorne.
2 Rose, I. 255, 8412 (7599):
Car ti op en sa biaute se fie,
Qui atent que fame le prie ;
Et quiconques vuet comencier,
Por tort sa besoigne avancier,
N'ait jh, paor qu'ele le fiere,
Tant snit orguilleuse ne fibre,
121
A. fol. 34 d.-35 a.
7175 Ende Scande wart roet ende Dangier weent,
Dan moegedi weten watmen meent ;
[7115]
Ende" al weenden alle drie,
En achtes niet ene quade slie,
Mare hebt vaste in uwe gedachte,
7180 Dat gi plucket die Rosen met crachte ;
Ende toent dat gi sijt een man :
[7120]
Daer leit al uw vordeel an ;
Want hens dine dat hen bat haget
Danmense tien spele nine verdraget,
7185 Ende men met crachte plucket die Rose,
Al weenen si ende maken nose.
Si doen gevensede gelaet verstaen,
Datment met crachten heft gedaen ;
Nochtan dat sijt hi willen gedogen.
7190 Wat si seggen ende togen,
Hen ware leet dat si ontgingen
Bi enichgen warne, dat si vortbringen ;
Ende ontgingense u oec in desen,
Eer die Rose ware gelesen,
7195 Voert meer souden si u haten,
Ende niet so na hem comen laten. 2
C. fol. 43 b. c.
Sie sijn som al van selken seden,
Dat si die dine die hem gebeden
Niet en doen noch toe en comen, [7125]
7200 En sie hem met crachten genomen ;
Maer wardi ane die portier geware,
[7135]
Dat si u tonen al openbare
Bolgenscap ende grote were,
Ende u spel hebben onmere,
7205 Dan so seldise niet bestaen,
Ende selt ontbeiden dat enwech gaen
Die III portieren, die u dus nosen, [7140]
Die dicwile hoeden vaste hare Rosen,
Ende Suete Onfane hebben gelaten,
7210 Die vaste te voren bi hem saten,
Die hem al gevet tuwen doene ;
Dan proeft u vort alse die coene. 3
Besiet Suete Onfane dat kint:
In wat poente dat gijt vint,
[7145]
7215 In dien so pijnt u oec te sine, Al sout u geven een deel pine.
Es hi blide, sijt blide mede ;
Es hi erre, hebbet oec errede.
7175 wert. 76 wel weten. 77 Ofte deese weenen a d. A. weende. 78 nie e. s. 79 Leest die
Rose ende al bi crachten. 80 Toocht dat ghi sijt
I man van machten. A. si plucken; 81 Wanneer
dat ghi huwe stade ziet. 82 Want sine willen gespaert niet. 83 Wesen, want hem behaeght wel.
84 Dese fortse al zonder fel. Vs. 7185-97 ontbr.
85 A. plucken. 98 de d 99 Es niet d. n. t. c.
7200 Sone wert h. m. crachte g. Vs. 7201—J2
bij C geheel verschillend:
Ende dan verdraghen sijt gherne.
Ende weet dat wel ende niet in scerne :
Ontghinghe soe hu yet in desen,
Eer die Rose ware ghelesen,
Voert meer soude men hu haten,
Ende niet so naer comen laten.
Maer werdi gheware wel,
Dat soe wert erre ende fel
Ende hare wile weeren de ghelike,
Dan latet varen de ghelike,
Sonder meer te doene an,
Ende ghevet hu ghevanghen man,
Ghenaden biddende, ende belt zaen
Tote die III poertiere gaen
Wech, die bi den kinde saten
Ende Scone Ontfaen alleene laten.
1 3 B. oec Scone 0 . tkint. 14 I. welker maniere
ghine v. 18 hebt.
1 Rose, I. 256, 8430 (7617) :
Tout vees-vous neis Dangler
Qui vous acuelle h ledangier,
Ou que Honte et Paor en groucent,
Mes que faintement s'en corroucent,
Et que laschement se desfendent,
Qu'en desfendant vaincu se rendent,
Si cum lors vous porra sembler ;
Tout vees-vous Paor trembler,
Honte rougir, Dangler fremir,
Ou tons ces trois plaindre et emir :
Ne prisies trestout une escorce,
Cueilles la Rose tout h force.
In vs. 7174 verkeerdelijk bij A.: si plucken.
2 Rose, I. 256, 8446 (7633) :
Car maintes fois sunt coustumieres
D'avoir si diverses manieres,
Qu'il vuelent par force doner
Ce qu'il n'osent abandoner;
Et faingnent que for soit tolu
Ce que souffert ont et voulu.
Et sachies que dolent seroient,
Se par tel desfence eschapoient,
Quelque leesee qu'en feissent ;
Si dout que ne vous en haissent,
Tant en seroient correcie,
Combien qu'en eussent groucie.
3 Rose, I. 257, 8463 (7650) :
atendes
Jusques cil trois portier s'en aillent,
Qui si vous grievent et travaillent;
Et Bel-Acuel tons seus remaingne,
Qui tout abandoner vous daingne.
Lees in vs. 7211: Die u al gevet,
122
A. fol. 85 a. b.
Gi moet alien tijt besien
7220 Hoe hi hem hout, ende in dien
Poente ende in dien gelate
Seldi u houden : het sal u bate
Wes en utermaten groet.
Es hi blide, weset sijn gnoet ;
7225 Emmer hout u na sine manieren ;
Es hi kinchs, gi moettene antieren
Kintcheit oec, dat es mijn raet ; 1
Weent hi ende heeft drove gelaet,
So weent mede, dats wel gedaen :
7230 Na sinen sede hout u bevaen.
Dien hi mint, dien seldi minnen,
Hier bi seldi u lief gewinnen;
Dien hi blameert, blameertene mede,
Ende bout u vaste na sine sede.
[7155]
7235 Waendi dat ene scone vrouwe
Enen sotten knecht op trouwe
Minnen soude van selken gelate,
Die nacht ende dach liepe op die strate
Dansen, reien ende springen,
7240 Ende lude ropen ende singen,
Alse ochte hi uten sinne ware ?
Het soude hare hebben harde onmare ;
Want si soude ontsien, dat si
Haer ere soude verliesen daerbi,
7245 Ende warden te niemaren :
Si ware sot, daede sijt tuwaren,
Want selke minne sone mach niet
Verholen bliven, wats gesciet.
Soect enich vroet man minne
[7165]
Vs. 7218-34 bij C:
Lacht hi, lath ; weent hi, weent;
Dus werct mede wat hi meent.
[7150]
Mint den ghenen die hi mint,
Lachtert den ghenen die lachtert tkint
Ende prijst mede dient prisen wille :
Dus blijfdi in dijn herte stille.
31 A. gi m. 35 vrauwe scone. Vs. 7236-56
bij C :
Sal gheven hare minne te lone
Eenen knecht, also helpe u God,
Die rike, behaghel es ende zot,
Ende snachts gaet singhende achter straten ?
Neen soe niet, soe moeten haten ; [7160]
Want soe soude ontsien te zeere
Bi hem te verliesen haer eere
Ende te werdene in niemaren :
Soe ware zot, Bade soet, twaren.
Spreect oec een man van minnen fijn [7165]
An een zot joncfraukijn,
1 Rose, I. 257, 8477 (7664) :
Et s'il se contient nicement,
Nicement vous recontenes.
2 Rose, I. 257, 8488 (7675) :
Cuidies que dame h cuer vaillant
C. fol. 43 c. d•
7250 An ene vrouwe dom van sinne,
Ende hi toent dat hi es vroet,
Si en sal herte, sen noch moet
Ane hem keren, wats gesciet,
Alse lange alse hi der vroetheit pliet ;
7255 Mare tone sine seden gelike den haren,
Ochte si sal wanen te waren
Altoes van hem gehoent wesen,
Ende danne so verstoet si desen,
Ende keert hare ane even andren man,
7260 Daer si hare nedert an,
Ende steect den getrouwen henen, [7175]
Ende houde hare vort anden genera,
Daer si gekeert heeft haren moet,
Nochtan dat hi haer en doet
7265 Nemmer goet, raste noch ere :
Dus kiest si tquaetste van beiden sere. [7180]
Geselle, ist dat Suete Onfaen
Jegen u wilt enich spel bestaen,
[7185]
Eist van taften, ist van scake,
7270 Emmer begaedt also die sake,
Dat hi te boven si int spel,
Dat sal hem genogen wel ;
Ende verliest al dat gi set,
Ende al maect hire sijn sceren met, [7190]
7275 Dies en seldi achten niet.
Prijst al dat gi ane hem siet,
Ende dient hem, dat es wel gedaen.
Ende sal hi oec versitten gaen,
So brinct een cussin ocht een elect, [7195]
7280 Ende dat legt onder hem gereet.
So wille so hare ghelaten vroet
Ende versteect de minne goet,
Omdat soe peinst in haren sin,
Dat hire niet en hevet in. [7170]
57 Ende waent a. g. w. 58 dan soe v. soe d.
60 D. soe haer eere vernedert a. 62 hout haer.
A. houde. 63 soe g. h. den m. 64 A. haren.
65 Nemmeer no g. n. e. 66 soe. A. hi. Vs.
7267 en 68 bij C:
Mochti oec Scone Ontfane
Iewerincs mede comen ane,
Emmer sone lietes niet,
Ghine spelet jeghen hem hiet.
69 Of ten t. of ten s. 70 Ende e. so doet d. s.
71 Dat ghi hebt tquaetste van den spele. 72 D.
soude h. ghelieven vele. 74 E. maeCter huwe
feeste m. 75 Met huwen verliese ende prijst
mede. 76 Al sijn ghelaet ende sine zede. A gine.
77 Dient h. altoes dats w. g. 79 So sijt emmer
dan wel ghereet. 80 Leght hem cussijn ende elect.
Aint un garcon fol et saillant
Qui s'en ira par nuit resver,
Ausinc cum s'il deust desver,
Et chantera as mienuit,
Cui qu'il soit bel, ne cui quianuit?
123
A. fol. 35 b. c.
Hinge sijn elect oec in die moude,
Dat heft ute oec also houde :
[7200]
Het sal hen genogen wale,
Ende dat hem baget, doet altemale ,
7285 Ende ontsiet u niet van desen,
Dat gi sult verstoten wesen ;
[7205]
Mar gi sult tuwen vromen
Van uwen saken te boven comen."
,Lieve vrient," die minnere seide,
7290 „bits ene gerechte duvelheide,
Dat gi mi bier verstaen doet, 1
[7210]
Ende dat u dunct wesende goet ;
Ende wilt dat ic lieve ende ere
Hem doe, die ic hate so sere,
7295 Ende alle verradere sijn gemene,
Sonder Suete Onfaen allene.
Es uwe raet aldus gedaen,
[7215]
Dat ic soude dienen ende doen verstaen
Hem ere ende doeget ende alle houde,
7300 Daer icse met verraden soude,
Verradre soudic wesen dan.
Ic wille dengenen, dien ic mesan,
Te voren warners ende ontseggen, [7220]
So en machmen lachter leggen
7305 Op mi in enichgen hove ;
Ende laet sijn bi uwen orlove,
Dat R.: hen ontsegge te voren,
C. fol. 43 d —44 a.
Eer ic hen doe enichgen toren ;
Ocht dat ic Quade Tonge daede
7310 Seggen dat hi mine mesdaede [7225]
Betren wille na mine genoge ; 2
Ocht rietdijt dat ickene sloge
Ende mine wrake selve neme,
Ocht clagen den rechtere over helve?" [7230]
7315
, Geselle, geselle, dit soude togen
Die gene die sijn vol orlogen. 3
Quade Tonge es sere bedect :
Ic segge, dien hi smeect ende lect,
Dien so sal hi heimelike achter
7320 Spreken blame ende lachter.
172401
Hi es verradere, God moetene scaden,
Dies soudemen weder te rechte verraden ;
Want manne, dat verradere es,
En gelovic niet, sijt seker des,
7325 Want hi haet die liede van binnen, [7245]
Dies hi buten nine laet kinnen.
Al lacht hi ende toent goet gelaet,
Hi penst int herte mort ende quaet.
Selc man en behagede Gode nie,
[7250]
7330 Want quaet was hi oit ende ie.
Hets recht datmen verradre hone,
Ende met verradenesse weder lone.
Niet eerleker en machmen wreken
Over die gene die quaet spreken ;
Na vs. 7280 bij C de twee volgende verzen: :
Of ic hem bade, riedijt mi,
Dat hi hem van sinen quade [7225]
Ontoghe, ende mi beteringhe dade,
Na, dat ware van minen ghevoughe,
7311 A. nine. 12 Of r. d. i. versloughe. 13 E.
aldus m. w. n. 14 Of. 15 Amijs seide dit en soude
hu niet doghen. 16 in o. Vs. 7317 en 18 bij C :
Souden zulke claghen doen.
Quade Tonghe, die glottoen,
Es in sinen doene beclect ;
De viantscip, die hi sprect,
Draecht hi harde heymelike ;
Haetti yement zekerlike.
19 Eist man of wijf dien heeft a. 20 Ende spreect
hem b. e. 1. 21 H. e. oec. v. G. moetem s.
22 te rechte weder. 23 Niemen die v. e. 24 E.
g. des sijt ghewes. 25 de 1. 26 niet 1 bekinnen.
27 Hi 1. van buten dats anscijn. 28 Maer sijn
herte draecht venijn. 29 Sulc m. e. b. mi n.
31 verraders Li Gode. 32 Weder met verradene
dode. 34 0. hem.
Dus moghedi te baten comen.
Ende hebdi oec hiet vernomen.
81 Dat sine cleedre hanghen in de mouden. 82
Heftse up also h. 83 Cortelike want ghi weet
wale. 84 Dat hem behaghet a. 85 E en o. 86
versteken. 87 Maer. 88 Ende tuwen wille tuwer
s. c. 89 minre. 90 rechte dulheide. 92 Hoe soudic
hem eere ende g. 93 Ghedoen ende dienst mede.
94 Desen volke dat heeft zede. 95 Dat altoes
1 alsch es ende onreene. 96 Scone 0. Vs. 7297—
7311 bij C :
Hoe soudic hem dan doen heere ? [7215]
Ic haetse utermaten zeere,
Of si waren mine doot viande ;
Diendic hem dan, dat ware scande„
Dien ic jan alle quaethede ;
Het ware beter dat ic hem ontsede. [7220]
Ghedochte dat ic hem ontsegghe eer
Quade Tonghe, die mi meer
Bespiet dan wel redene si,
I Rose, I. 259, 8547 (7734) :
Nus hons, s'il n'est faus ypocrites,
Ne feroit ceste deablie.
2 Rose, I. 260, 8560 (7747) :
Souffres au mains que ge desfie
Male-Bouche qui si m'espie,
Ains qu'ainsinc l'aille decevant,
Ou li prie que de ce vent
Qu'il m'a leve, que it l'abate,
Ou it convient que je le bate ;
Ou, s'il li plaist, qu'il le m'amende,
Ou g'en prendrai par moi l'amende.
3 Rose, I. 260, 8570 (7856) :
Compains, compains, ce doivent querre
Cil qui sunt en aperte guerre.
124
A. fol. 25 c. d.
7335 Ende ochte gi over hem claegt sere, [72551
Waendi dat u God geve ere,
Daermet tgeruchte bliven sal?
Neent, al mocht gijt proven al
Met orconden goet, dat logene ware,
7340 Hi sout houden al openbare,
[7260]
Ende meer sine tande cotren mede,
Dan hi noit te voren dede,
Ende soude vernuwen al die saken,
Ende uwen lachter meerre maken;
7345 Want selc waent mindren sine scande, [7265]
Die hem wast al yore die hande. 1
Daeddi hem oec bidden mede,
Dat hi minderde dat hi dede,
Hine daeds niet, hi es so gedaen.
7350 Dat ware al te sere mesdaen,
[7270 j
Daeddine uwen vrienden slaen,
Ende sout cranke sone ontfaen,
Ende ontseitdine van sinen live,
Ende hijt dan seide den quaden wive,
[7275]
7355 Ver Jalosien, ende si dan daede
Suete Onfane meerre scade,
Ende leidene in twee vingerline,
Daer hi in een pleget te sine,
achte verborne in een viere,
7360 Oehte verdronkene in ene riviere, [7280]
C. fol. 44 a —c.
Ocht hildene alsoe vaste beclaecht,
Dat gine nemmerme ne saegt, 2
So souddiere dan om sijn in meerren sere
Dan noit Karle was, die here,
7365 Om Rolande, die in Roncevale
[7285]
Verloes sijn lijf, alsmen weet wale."
Die minnere seide : ,,Dit en soec ic niet :
Den duvel bevelict diet hem riet;
Ic wildickene hadde selve gehangen,
7370 Die mine bliscap dus doet ongangen." [72901
— ll Geselle," seit hi, „nu vrient, nu hort, 3
Ende laet varen nu dese wort :
Anders moetti wrake nemen ;
Te hangene en sonde u niet betemen
[7295]
7375 Enegen mensce, wat hi wrachte,
Want het behort niet tuwen ambachte.
Het behort den rechtre toe tuwaren.
Nu laet u gedreich al varen,
Ende met verraetnesse hem weder loent:
7380 Anders so blijfdi gehoent."
[7300]
Die minnere seide : uVrient, verstaet :
Ic wille doen al uwen raet
Ende werken utermaten gerne.
Mi es beter dat icse drive tscerne,
7385 Dan si mi te scerne dreven.
Mocht gi mi enichgen raet vergeven,
7335 of. 36 W. dan dor onsen Heere. 37 Dat dat
g. b. s. 38 mochtijt proeven. 39 M. goeder o. d.
loghen. 40 Nochtan soudijt h. o. 43 E. verniewen
alle de s. 44 Die u. 1. 45 sulc. 46 D. h. w.
voer d. h. 47 Dade hi. Vs. 7350 en 51 in
orngekeerde volgnrde bij C. 50 D. oec u. v.
verslaen. 52 Want c. zoene soudijs o. 53 0.
oec v. den 1. 54 E. seidijt dan d. q. w. 55 Jalousien e. so. 56 Scone Ontfaen. 57 E. leide in
sterke v. 58 Of dade de jonghe leden s. 59 Verbernen in eenen v. 60 Of verdrincken in een r.
61 Ofte leide in sulke zeer. 62 D. g. en saeght
nemmermeer. 63 S. s. meer omme s. in s. 61
Danne nie K. w. de h. 66 wijf dat w. men w.
67 minre s. des en roekic n. 68 bevelic. 69 I.
wildicken selven h. verhanghen. 70 D. m. joye
dede ontganghen. 71 G. seide Amijs nu h. 72
nu ontbr. 74 T. h. soudi n. ghetemen. 75 Eenen
meinsche want h. w. 76 En hoert n. t. a. 77
tuwaren ontbr. 78 Maer ic segghu wat men doe.
79 Met verranessen loent hem weder. 80 Ende
lecht al tghedrech neder. 81 minre s. v. dat v.
82 I. houde mi gherne an desen r. Vs. 7383-86 ontbr. 86 A. Mochten.
1 Vs. 7336-7346, Rose, I. 261, 8g58 (7874);
Et se de li vous voles plaindre,
Li cuidies-vous sa gengle estaindre ?
N'el porries espoir prover,
Ne soffisans garans trover ;
Et- se proves l'avies ores,
Ne se teroit-il pas encores.
Se plus proves, plus janglers,
Plus i perdres qu'il ne fera:
S'en iert la chose plus seue,
Et vostre honte plus creue ;
Car tex cuide abessier sa honte,
Ou vengier, qui l'acroist et monte.
Coteren, bij Kil. Koteren de tanden met de
penne. Dentes levare penna.
2 Vs. 7350-62 zijn naar het oorspronkelijke
zeer onnauwkeurig teruggegeven. Zie Rose, I.
261, 8606 (7894) :
JI, voir amende n'en prendroie,
Bien l'ofTrist, ains li pardonroie ;
Et s'il i a desfiement,
Sor sains vous jur que vraiement
Bel-Acuel iert mis es aniaus,
Ars en feu, on noies en iaus,
Ou sera si fort enserres,
Qu'espoir jambs ne le verres.
De lezing van C is in vs. 7361 en 61 boven
die van A. te verkiezen.
3 Lees met C :
Geselle, seide Amijs, nu hort,
125
A. fol. 35 d.-36 a.
Ochte gewisen enichge wijshede,
Daer ic lichteleker mede
[7305
Den casteel mochte vercrigen,
7390 Ic soude noch beiden ende swigen."
Amijs seide : ,Ja ic, wel sekerlike,
Maer men moet wesen alte rike. 1
Geselle, wie dat wilt sconfieren
[7310]
Desen casteel in allen manieren,
7395 Ende velne neder, van daer hi stont
Altemale tote in den gront,
Ende si hem alien sonder waen
Van daer binnen geven gevaen,
[7315]
Dat portier noch portenere
7400 En soude doen engene were :
Die wech heet Te vele geven. 2
Dese name so es hem bleven
Van Sotter Meltheit, diene dede
Maken ende stichten mede.
7405 Sotte Meltheit die geft sonder were,
Die hevet ontgoet menichgen minnere,
Dat wetic bi mi selven wale.
[7320]
Dien wech hebbic altemale
Gemeten ende lange gegaen ;
7410 Dies machickene u wel doen verstaen,
Want pelegrijm so hebbic daer
Selve geweest wel menich jaer.
[7325]
Meltheit seldi ter rechter siden
Laten ende vorwert liden
74] 5 Ter slinker hant een luttel bat :
Daer suldi vinden enen pat
C. fol. 44 c. d.
Groene ende scone : dien seldi gaen. 3
Eer gine iet verre hebt bestaen
Seldi brekeh sien die more
7420 Ende vallen neder al dure en dure, [7330]
Ende canseleren oec tier stede
Torren ende tornelen mede, 4
Ende die porten openstaen,
Ende alle die lieden sere ontaen.
[7335]
7425 In die side es die casteel
Cranker vele dan een wasteel
In vieren te deilne ware. 5
Die daer coemt siet openbare
Dien casteel vele eer gewonnen,
7430 Eer een wasteel soude sijn ontgonnen. [7340]
In desen wege, daer ic of spreke,
En mach comers sekerleke
En geen arm man die leeft,
Want men hem verboeden heeft
[7345]
7435 Den wech geellec altemale ;
Maer haddene, dat wet wale,
Iemenne geleidt tote daer binnen,
Hi soude te hants den wech kinnen,
Also wel als ic doe,
7440 Diene hebbe gheleert langhe en hoe. [7350]
Ende wildijt, gi seltene connen saen,
Want vroech gnoech hebdijt bestaen, 6
Opdat gi hebt een groet goet,
Ende gijt in overdaede verdoet ;
[7355]
7445 Mar ine leider u niet, Godweet,
Want Ermoede heeft mi, dats mi leet,
7387 Maer wisti eenigherander w. 91 wel ontbr.
92 M. hi ware quaet een man niet r. 93 wine
scoffieren. 95 E. werpene n. in den gront. 96 So
dats weer en ghewaghet mont. 97 alle zullen
ghevaen. 98 Gheven die daer binnen staen.
Vs 7399-7405 bij C:
Dat es dat hi gheven sal
Hem alle goet boven ghetal ;
Tgoet moet hi gheven sonder weere.
7401 A. gegeven. 6 Dat heeft ontheert m. m.
8 Den w. 10 maghicken hu bet d. v. 11 Ende
meneghen zomer ende lentijn. 12 Hebbicker
pelegrijm in ghesijn. 13 Laet miltheit in de r.
side. 14 Ende maect ter slincker hu lide. Fs.
7415-18 bq C :
Ghine suit niet in de rote
Ghegaen verre eene boghe scote.
19 Ghine suit b. s. de m. 20 E. v. al duerentuere. 21 ter. 22 casteele. 23 Entie p. al o. s.
24 1. sijn ontdaen. 25 I. dese s. 27 deelne.
28 Eer so soude die muer al dare. 29 Sijn tebroken ende g. 30 E. e. casteel te rechte o.
31 wegh. 32 zekeriike. 33 Gheen arem. 35 gheheellic. 36 Maer h. d. weet w. A. Daer. 37 Iewen
gheleet. 38 II. s. de hant wel k. Vs. 7439 en 40
ontbr. i] A. 41 wildi g. sulten. 42 ghenouch
hebdine. 43 Updat g. h. g. g. 44 gijt ontbr.
45 Maer in leidere.
1 Rose, I. 262, 8636 (7922) :
Oil, un chemin bel et gent,
Mes ii n'est preus h povre gent.
2 Rose, I. 263, 8647 (7933) :
Le chemin a non Trop-Doner.
3 Rose, I. 263, 8656 (7942) :
Vous n'aures jh plus d'une archie
La sente batue et marchie.
In de vertaling is de zin van het oorspronkelijke
volstrekt niet wedergegeven.
4 Rose, I. 263, 8659 (7945):
Et chanceler tors et torneles.
5 Rose, I. 263, 8663 (7949):
De cele part est li chastiaus
Si fiebles, qu'uns rostis gastiaus
Est plus fors a partir en quatre,
Que ne sunt li mur h abatre.
6 Rose, I. 264, 8680 (7966) :
Et s'il vous plest, vous le saures,
Car asses tost apris l'aures.
126
A. fol. 36 a. b.
Den pas verboden, dat mi deert,
Want dat mine es al verteert,
Ende al dat ic elre wan
7450 Hebbicker mede geleget an ; [7360]
Mar sint ic meer en weet wat geven,
So bem ic altemale verdreven.
Sie seiden : ,,En coemt nemme hier,
Sint idel es u almenier ;
7455 Want gi ons nemmeer ne docht,
[7365]
Als gi ons niet geven en mocht ;
Want hier en mogedi nemmeer minnen,
Rijcheit en ledre u weder binnen ;"
Ende wien sore Rijcheit binnen leidt,
7460 Hu scone dat sijt hem voren spreidt, [7370]
Alse hi keert, ontseise hem beide
Wandelinge, vrientscap ende geleide. 1
Ende weet oec wel soe wire coemt inne,
Dat hi met engenen sinne
7465 Dacr ute weder can genomen,
J73751
Ermoede en hebbene genomen,
Ende leidene ute metter hant,
Alse enen verstoetenen trewant.
Dit solve so was mi gedaen,
7470 Daeromme doe ic u verstaen ;
Doe ic mijn goet hadde al verteert,
So togede mi Aremoede haren steert,
Ende ontfinc mi na hare wesen,
Alse die Belden blide mach wesen;
7475 Ende Sotte Meltheit sine geert el
Danne altoes bliscap ende spel,
C. fol. 44 d.-45 a.
Ende overtellichgen cost te doene
Van heecten en van venisoene,
Geliker wijs dat niet en coste.
7480 Sone woude niet dat hare geborste
Een morseel, dat lecker ware,
Om X florine, en quame te hare. 2
Ermoede soe woent banderside,
Vol scanden groet in alien tide,
7485 Si ducht rouwe ende ongenede,
[73851
Want si in anxten doet menichge bede,
Ende hort menich ontseggen swaer,
Dat haerre herten leit te naer.
Ermoede en es met niemen wart,
7490 Men steecse altoes achterwart ;
Ermoede doet den mensce versmaden
Ende haeten ende leven met ongenaden ;
Ende si en doet nemmer so wale,
[7390]
En si gelachtert altemale. 3
7495 Van hare en hebdi te doene niet el,
Dan gi moegt altoes pensen wel,
Dat quaet doet vallen in ermoede.
Dat wetense wale die van goede
[7395]
Sijn in ennoeden comen. 7500 Het heeft menichgen tlijf genomen
Ende doen hangen bi sire kelen,
Ende selken heeft oec doen liggen quelen
Op sijn stroe van groter noet,
Van breken, die hi heeft te groet. [7400]
7505 Dit souden weten ende kinnen
Met rechte wel die gene die minnen ;
7450 gheleit. 51 Maer s. ic nemmer en mach
g. A. ende. 52 So ontbr. 53 Soe seide e. c.
nemmeer hiere. 54 es huwe al hut almothere. 55 Ende ghi nemmeer en moghet
gheven. 56 So es hu beter thuus ghebleven.
57 mueghdi niet m. 58 leider. 59 E. w. datter
R. in leet. 60 Hoe s. soet h. v. spreet. 61 Als
h. k. ontsegse. 62 Vrienscap bliscap e. g. 63
Weet o. w. diere c. i. 65 Huut en mach w.
comen. 66 hebbe. 67 leedene uut. 68 Als. Fs.
746'J-82 bij C:
Aldus de ghene, die tsine vertheert
Sottelike, als hi beghert
Te doene een deel sinen wille,
[7380]
Moet hi dorke ende zwighen stille.
82 A. ende. 83 Armoede w. int ander hoot.
84 Vul lachters ende vul scanden groot. Vs.
7485-92:
Ende doghet bi waerheden
Vele scanden ende zwaerheden,
Ende menighe verstoremthede quaet.
Sone heeft no goede were no daet.
89 A. nieme. 90 A. achtewart. 93 Sone d. n.
s. w. A. En. 94 A. Ende. 95 V. aermoeden h.
t. doen. 96 D . g. peinsen m. w. 97 D. q. si v.
i. e. 08 D. weten si wel. 7502 Een arem man
moot lange q. 3 Ende in groeter aermoeden Leven.
4 Eer hem die lieden dat tare gheven. 6 Te r.w. de g.
1 Rose, I. 264, 8696 (7982) :
Mesa tous ceus qu'ele i conduit,
Au retorner for grieve et nuit,
A Paler o vous se tenra,
Mbs A ne vous en ramenra
2 Rose, I. 264, 8708 (7994) :
El despent ausinc ses deniers
Cum s'el les puisast en greniers,
Sans conter et sans mesurer,
Combien que ce doie durer.
In de laatste regels wijkt de vertaling geheel
van het oorspronkelijke af, zoodat wij er vow
de verklaring van het woord heect goon Licht
vinden. Is dit misschien een wisselvorm van
hecht, Kil. Ger. Sax. snoeck Lucius ? Verg.
Dieffenbach, Gloss. Lat. Germ., 338, waar beget,
heket als Nederduitsche vormen zijn opgegeven.
3 Rose, I. 265, 8719 (8005) :
Ja ne sera si bien fesans,
Quo chascuns ses ovres ne blasme.
127
A. fol. 36 b. c.
Want arm man en heeft toedaet,
Daer hi die minne meede ontfaet. 1
Dore Gode, geselle, sijt wel bedacht,
7510 Hoet u van aremocclen ende wacht ;
Van hare te hoedene u wel behoeft.
Verstaet mi, ic hebs geproeft
Ane mi selven, dat ict wel weet
Algader hoet met ermoeden steet.
7515 Daeromme biddic u dat gi
Geloeft dat gi hort seggen mi ;
Want ic segt u om goet.
Hoedes u, soe siedi vroet ;
Hi es van Goede gebenedijt,
7520 Die hem bi andren castijt.
Nu hort, geselle, ende werdes vroet :
Men plach mi te hetene hovesch ende goet,
Ic was wart man ende rike ;
Men vant cume iewer mine gelike,
[7425]
7525 Ende ic was harde liefgetal
Onder die gesellen al
Die wile ic gaf boven mate.
Nu doet Aremoede dat ict late,
Want bi minen groten verterne
7530 Bem ic comen in swaren derne ; [7430]
Want ic met pinen gecrigen mach
Daer ic gelide met dien dach,
Van etenne ende van drinkene mede,
Ende cledre, dat ic gedecke mine lede.
7507 W. arem m. h. niet de toedat. 8 de m.
Vs. 7509-18 bij C:
Aermoede doet den man versmaden [7405]
Ende leven met onghenaden,
Ende oec verladen werden zeere.
Dor God, gheselle, hoet hu eere,
Ende ghelooft den woerden mijn ;
[7410]
Want ic hebber an ghesijn
Meester te wel menighen stonden,
Ende hebbe de waerhedede al .ondervonden
Properlike an minen persone,
Van al dat ic hu hier sermone.
[7415]
Ic weet wel bi mi selven wat
Aermoede doen mach, weet dat,
Lieve gheselle, bet vele dan ghi.
Daer omme soudi gheloven mi,
Want ic wille hu wel lien,
1 Rose, I. 265, 8736 (8022) :
Car povres n'a dont s'amor pesse,
Si cum Ovides le confesse.
Bij Ovid. Reined. Am. 749:
Non habet unde sumn paupertas pascat
ainorem.
2 Rose, I. 267, 8774 (8060) :
Fortune ainsinc les me toli
Par Povrete, qui vint o
Toli? par foi non fist, ge ment,
4ins print ses choses proprement;
C. fol. 45 a. b.
[7435]
7535 DAvonture dede mi dit al,
Die mi warp in dit mesfal,
Daer si mi met sere mesdiende,
Want ic verloes al mine vriende,
Die mi afgingen alle gemene,
7540 Sonder, dat waen ic, een allene.
[7440]
DAvonture datse mi al nam
Metten Aremoede, dat met hare quam.
Nam? sine dede! ic liege, dats waer
Ic en namse mi selven maer,
7545 Want ic seker bem van desen,
[7445]
Hadden si mine vriende gewesen,
Om hare en haddense mi gehaten
Niet noch altemale gelaten. 2
Sine dede jegen mi gene dine,
7350 Dat si haers selfs vriende vine :
[7450]
Ilaers selfs? ja, ic en wist twint;
Metten swarsten hebbict bekint,
Met herten, met live ende met goede,
Dies mi swarlic es te moede.
7555 Ic wanetse hebben gehadt wel al, 3 [7455]
Mar nu, als ic bem in den val,
Sone haddickere niewerinc niet :
Dus jamerleke es mi gesciet.
Nu vliense mi, dien ic dede trouwe,
7560 Ende maken van achter op mi die mouwe, 4 [7460]
Omdat ic onder bem dat rat
Gevallen, van daer ic boven sat.
Dat ic hu segghe omme castien. [7420]
19 Want wel es hi g. 20 eenen a. 21 vrient.
22 M. hiet mi h. e. g. Vs. 7523 en 24 ontbr.
25 Ende oec wasic 1. 36 gheeselen. 27 maten.
30 deerne. 32 D. i. mede g. den d. 33 Eten e.
drinken m. 34 E. c. naer die zede. 35 Aermoede
die naemt mi a]. 36 Want doe mi adde in desen
val. 37 Brocht dAvonture die mi m. 38 Doe
verloesic a. m. v. 39 alle ontbr. 40 dat ontbr.
41 dat soe. 42 Metter aermocden die. 43 soene
d. A. sin. 44 In n. 45 Maer wel soe wetic in
d. 46 Hadsi m. vrient g. 47 0. haer e. adden
si niet g. 48 Mi ende a. g. 49 Soene. 50 Dan
soe 51 in wiste 52 zwaersten. 53 herte. 54
zwaerlike. 55 waentse h. g. al. 57 addicker.
59 vlien si. 60 up m. de m. 61 0. i. ligghe
o. d. r. 62 DAvonture soe dede mi dat.
Car de voir sai que se miens fussent,
Ja por li lessie ne m'eussent.
5 Rose, I. 267, 8782 (8068) :
Siens, voire ; mes riens n'en savoie,
Car taut achates les avoie
De cuer et de cors et d'avoir,
Que les cuidoie tons avoir.
4 Rose, I. 267, 8790 (8078) :
Et me firent trestuit la moe.
Zie de verklaring Ozer uitdrukking in mijn
Wapene Mart. 158.
128
A. fol. 36 c. d.
Met rechte en soudic engene ure
Clagen over die Avonture,
[7465]
7565 Die mi gedaen heeft openbare
Meer duechden dan ic jegen hare
Noit verdiende : ic merct in dien,
Dat si verclaert heeft so mijn sien
Met haerre specien die sire ingoet,
[7470]
7570 So dat ic kinne nu al bloet
Mine vriende, ende hebbe gedaen
Sint ic met Ermoeden was bevaen,
Die mi mine vriende heeft benomen,
Daer ic toe en ware meer comen.
7575 Getoent mine vrient so heeft si mi [7475]
Biden Ermoede, dat mi es bi,
Die is niet en hadde gekint
Te voren, want ic was so blint.
Si boeden mi lijf ende goet,
[7480]
7580 Ende seiden : ,Here, nu doet Al uwen wille metten minen,
Sonder vragen ende pinen ;
Want geen vrient, dat weet wale,
En gert thoudene tenegen male
[7485]
7585 Jegen sinen vrient, Godweet,
Goet dat ter Avonture steet,
Noch sijns selfs lijf daer mede ;
Ende sint so groete vriendelichede
Ende trouwe es tusscen u ende mi,”
7590 So seit die vrient, H ie wille dat gi [7490]
Mi gebiet nacht ende dach,
Fnde over al dat ic vermach,
C. fol. 45 b.—d.
Bedie men can niet gekinnen
Die getrouwe vrient van binnen,
7595 Men heeftse ter noet geproeft.
Opdat gi enichge stucke behoeft,
Doet mi yore u liggen gevaen,
[7495]
Ochte vor u te borge staen ;
Neemt mijn goet, vercopet al,
7600 Besiet oft ict iet willen sal." 2
Hier met sone liethijt niet varen,
Hine. dede mi nemen sonder sparen [7500]
Dine die was van cleinre warde,
Dies hi te smekene mi begerde ; 3
7605 Mar die scande heeft luect dien moat,
Ende daerne ontpluken tegere stont,
Mar nemt sinen onwille in goede, [7505]
Dat niemene en kinne sine ermoede;
Maer wilt in hem selven sluten
7610 Ende tonet altoes tscoenste van buten,
Also alse ict doen moet nu.
Lieve geselle, dat seggic u, [7510]
Dats nt vergeten altemale,
Mire vrienden irsten tale,
7615 Daer si mi smeecten mede,
Scuwen nu mi in elke steede. 4
Dus en doen die gene niet,
[7515]
Diemen papelarde siet
Ende achter lande lopen ende gaen ;
7620 Dese doen van buten verstaen
Hare gebrec van hare ermoede,
Ende binnen leven si met goede,
[7520]
7563 Nochtan soudic te rechte niet. 64 Over
dAvonture claghen hiet. 66 M. hovescheden
67 N. v. na mijn verdien. 68 So heeft mi v. m s.
69 hare specie d. soere i. 70 nu kenne a. b.
72 wart. 74 D. i. meer t. en wane c. A. ware.
75 Mine vriende heeft soe ghetoghet mi. A. mine.
76 Bider e. daer ic in si. 77 Die i. te voren
niet g. 78 En hadde w. i iv. b. 8'i ghezelle.
83 W. g. goet v. w. w. 84 te houdene. S6 Van
goede. 87 daer ontbr. 88 lieflicliede. 89 Es vrient
t. u e. m. 90 Ghevic mi up hu eeghin vry
Vs. 7591 en 92 ontbr. 93 Ende b. dat m. n
kinnen. 94 En mach ghetrauwen v. v. b. 95
hebbene. 96 Up dat ghijs eenichsins b. 97 D.
m. legghen voer hu g. 98 Ofte v. u t. boorghe s.
7600 of. 1 H. mede en lietijt n. v. 3 D. d.
niet was arde waert. 4 Om dat hi mi te smeeken
gaert. 5 M. d. heeft s. 1. den m. 6 E. en dame
hopenen. A. daerna. 8 niemen kenne. 10 toeghen tse.
al teenen b. 11 Maer lieve vrient dat segghic u.
12 Also als ic doe nu. 14 Mine vrient hare
eerste t. 15 eerst s. m. 16 Si s. mi n. telker s.
17 de g. 19 lopen ende ontbr. 21 Dat leelicste
v. h. e. 22 A. benen.
1 In beide Hss. vindt men overal van schijnvrienden gesproken, terwijl er in het origineel
slechts sprake is van eenen getrouwen vriend
die overblijft. Rose, I 267, 8807 (8093)
Car Fortune tantost en place
La bone amor a plaine face
De mon bon ami me monstra,
Par Povrete qui m'encontra.
One ne l'eusse congneu,
Se mon besoing n'eust veu.
2 Rose, I. 268, 8834 (8120) :
Car moi por vostre garison
Poes, dist-il, metre en prison,
Por plevines ou por ostages ;
Et mes biens vendre et metre en gages.
2 Rose, r. 268, 8838 (8124):
Ne s'en tint mie encor k tant,
Por ce qu'il ne m'alast flatant ;
Aincois m'en fist h force prendre,
Car n'i osoie la main tendre.
4 Vs. 7612-16 ontbreken in het origineel,
waar zij natuuriijk na het gesprek van den
wuren vriend geene beteekenis zouden hebben
gehad.
129
A. fol. 36. d.-37. a.
Ende hebben penitancie goet
Ende vet, diese leven doet, '
7625 Ende gaderen wel groten scat,
Ende buten so seggen si dat,
Dat si hebben honger ende breke. [7525]
Nu willic, eer ic te verre spreke,
Swigen vort ende latent varen ;
7630 Want dat seggic u tuwaren,
Dat altoes haten ypocriten,
Datmen iet seit van ' aeren viten. [7530]
Men seit, geselle, ende dats waer :
Sotte herte bringt in pine swaer
7635 Ter menichger tijt haeren here,
Dat weet ic bi mi selven sere ;
Want die minne heft mi verraden [7535]
Ende bracht in scanden ende in scaden. 2
Sonder enichge andre dinge
7610 So hebbic alle sonderlinge
Verloren, die waren mine vriende,
Wat ic noit jegen hem verdiende : [7540]
Dat blijft altemale verloren,
Maer ic weet wel te voren,
7615 Dat gi mijn getrouwe vrient sijt,
Ende wesen suit tote diere tijt
[7545]
Dat u die ziele scede van live ;
Want ic seker alsoe blive
Die wile dat ic moete leven;
7650 Maer die doet doet al begeven.
Die doet doet menich geselscap sceden,
Diet noede doen onder hem beeden. [7550]
C. fol. 45 d.-46 a.
Getrouwe minne al sceedt si
Metter doet, geloves mi,
7655 So blijft gestaede metten genen,
Die niet en es gesceden henen ;
Want al wart dat ic nu
[7555]
Versciede, ic soude no chtan met u
Int herte bliven sonder vergeten ;
7660 Ende so moegedi van mi wel weten,
Gelijc dat leefde Pirotheus
In dat herte Theseus,
[7560]
Diene so minde na sine doet,
Dat hine met pinen groet
7665 Levende sochte inder Kellen :
So sere ginc hire hem omthe quellen.
Dese mindene, weetmen wel,
[7565]
Maer Ermoede es noch alsoe fel
Dan die Doet, dat es waerhede ;
7670 Want sidle ende lijf doet si mede,
Alse lange alse si te gadre duren,
En laet si cume in ere uren
Leven ende verdoemesse beide.
Dies proeftmen wel die waerheide
7675 In dieften ende in verswerne mede, [7570]
Ende in menichge andre quaethede. 3
Dit en doet die Doet niet,
Want alsmense comen siet,
Hoe swarlike si coemt toegegaen, [7575]
7680 Op ene ure eist al gedaen.
Lieve geselle, dat u God lone,
Gedinke u van Salomoene,
7623 pytantie vet ende g. 24 Diese wel
altoes 1. d. 25 wel ontbr. 26 'Maer b.; so
ontbr. 29 vort ontbr. 30 te waren. 32 Die
waerheit v. h. v. 33 vrient e. hets -w. 34
pinen. 35 Te. 37 W. mi waen h. m. v.
38 brocht. 39 ander. 40 So ontbr. 41 V.
alle m. v. 44 dat W. t. v. 46 E. suit w.
47 D. hu sceet de z. 48 W. icker a. b 49
mach. 51 Ende m. g. s. 52 Dat n. doet.
53 Maer g. 54 ghelovets. 60 E. tselve m. v.
mi weten. 61 leefte. 66 om. 67 minden. 68 es
meer f. 69 dats w. 70 dootseb. Vs. 7671-73
ontbr. 74 Des p. w. de waerhede. 75 zwerne.
76 menigher andere. Na vs. 7676 bij C het volgende vs.:
Dits eene dine die hem doet lede.
77 de d. 79 zaerlijc sod. 80 Up e. u. so e. a. g.
81 L. g. ghedincke hu scone. 82 Van den conincS.
1 Rose, I. 269, 8858 (8144) :
Et vont disant que povres sont,
Et les grasses pitances ont.
Lees met C in vs. 7623: pytantie, ML. pictantia,
portio monachica in esculentis ad -valorem unius
Rctae; lautior pulmentis, quae ex oleribus erant,
cum Pictantiae essent de piscibus et hujusmodi.
(Du Cange (ed. Henschel), V. 246.)
2 Rose, I. 269, 8867 (8153) :
Si sui par mon fol sens trals,
Despis, diffame et hairs,
Sans ochoison d'autre deserte,
Que de la devant dite perte
De toutes gens communement.
Lees in vs. 7637 met C:
Want mijn waen heft mi verraden.
3 Rose, I. 271, 8906 (8192):
Car acne et corn tormente et mort,
Tant cum run o l'autre demore,
Non pas, sans plus, une sole hore ;
Et for ajoute 4 dampnement
Larrecin et parjurement,
Avec toutes autres durtes,
Dont chascuns est griement hurtes.
Door den vertaler is de sin van het oorspronkelijke niet juist begrepen. Vooral de laatste
verzen zijn in onzen tekst onzin. Men leze in
vs. 7672-73:
Ende laetse cume in ere uren
Leven si en verdoemesse beide.
9
130
A. fol. 87. a. b.
Die van Jherusalem was coninc,
[7580]
Ende screef menichge wise dine.
7685 Hi seide : yLieve kint, hoet u
In alien tijt ende oec nu
Jegen ermoede, dats mijn raet;
Want ermoede, dat verstaet,
Doet enen broeder den andren haeten [7585]
7 690 Ende verstoeten ende laeten."
Hi seit : hi hadde liever die doet
Dan te sine in ermoede groet,
Ende om sorgelic ermoede ende swaer
[7590]
So spreect hi vort oppenbaer
7695 Van gebreke, die over hare
Viande wrect hare entare ;
Want noit man en was sekerleke
So onwart alse die hadde breke.
In loye gelijctmenne ende anders niet [7595]
7700 Gelijc diemen in scanden siet. I
Alte quaet soe es ermoede,
Maer waert, geselle, dat u soe stoede,
Dat gi hadt in uwer gewelt
[7600]
So groeten scat, so groet gelt,
7705 Dat gi mocht geven wale
Wat gi wout altemale,
Ende meer dan gi const geloven,
C. fol. 46 a. b.
Gi quaemt al uwes dinges te boven,
Ende sout cnoppe ende rosen lesen, [7605]
7710 Hoe vaste dat si besloten wesen ;
Maer ic weet wel sekerlike,
Dat gi niet en sijt so rike ;
Ende gi en sijt so nodich niet,
Gine sout gerne geven iet. [7610]
7715 Daerbi ge eft so cleine scoenhede,
Dat gire niet en vallet meede
In ermoede, datmen u versmaede,
Gi sondes hebben verlies ende scade,
Ende daertoe houden over sot
[7615]
7720 Ende met u maken sceren ende spot,
Dies gi hadt bi uwen aneverde
Gecocht die dine boven haerre warde.
Ic rade oec web dat gi sent
Van nuwen oefte scoene prosent, [7620]
7725 In dwalen ocht in pendren mede, 2
Want het es grote hoveschede,
Alse apple, criken ende peren 8:
Dusdane gichten en mach u deren.
[7625]
Al eist dat gijt hebt gecocht,
7730 Segt emnier dat het u es bracht
Ende gesent te hants op die stede,
U gichte sabre sere werden mede. 4
7684 His. 86 Talre t.89 D. b. ende broeder laten.
90 E. versteken ende haten. 91 seide ; de d. 92 aermoeden.93 Omdat s. es aermoede s. 95 jeghen hare.
96 Hare v. w. openbare. 97 Hoet mi hare
want s. 98 Ens niet so o. als d. heeft b. 99 I.
loyen ghelijct men oec dien. 7700 Dien men mach
s. zien. 1 Seere leelijc es. 2 M. ic dart segghen wel in goede. 3 Updat si dat ghi hebt so
vele. 4 Penninghe ende scoenre juweele. 5 mueght.
6 wilt. 7 cont. 8 comt a. u. dines. 9 stilt r. e.
knoppen. 10 dat ontbr. 11 wel ontbr. 13 Noch
ghine s. 15 D. b. so g. 17 aermoeden met v.
18 sou dets. 19 E. men soudu tallen wilen
20 Waer dat men hu saghebeghilen. 22 werde.
23 Het vought oec wale d. g. s. 24 V. nieuwe
frute s. p. 25 ofte in paenren. 26 W. dat e. eene
goede zede. 27 Als appelen of peeren dans niet
diere. 28 Of ander fruut van diere maniere. 29 E.
oec d. 30 S. e. d. ghijt hebt b. 31 E. van huwen zin
gheprosenteert. 32 So salt methem wesen wert.
I Rose, I. 271, 8931 (8217) :
Et por la povrete douteuse
Il parle de la souffreteuse,
Que nous apelons indigence,
Qui si ses hostel desavance ;
One si despite ne vi gens
Cum ceus que l'en voit indigens.
Por tesmoings ntis les refuse
Chascuns qui de droit escript use,
Por ce qu'il stint en loi clame
Equipolens as diffame.
De vertaling is hier wederom zeer onnauwkeurig en zonder het oorspronkelijke de ware
zin niet op te maken. De fransche dichter doelt
hier op de onbevoegdheid van hen die onvermogend waren of geen grondbezit hadden, om getuigenis of te leggen. Verg. Novellen XC. cap. 1 princ.:
ll Sancimus autem, et praecipue in hac maxima et
felicissima civitate, ubi plurima constitit m ultorum
bonorumque copia virorum, bona e opinionis esse
oportere testes, et aut carentes hujusmodi derogatione per dignitatem aut militiae, aut divitiarum, aut
officii causa, aut si non tale conscitant, ex utroque
tamen glib, fide digni suet, testimonium perhibere."
Verg ook Lud. Pii Add ad Capit. III. § 16 ;
Lex Bajuvar. Tit. 16 c. 1 en 2 ; L. Lonjob IT.
Tit. 51, Art. 13, Richthofen, Fries, Reclitsquellen, 172.
2 Rose, I. 273, 8959 (8245):
11 affiert bien que l'en present
De fruit novel tin bel present
En toailles ou en paniers.
3 In onzen tekst is de la nge vruchtenlijst van
het origineel (Rose, I. 273, 8963-70) geheel
weggelaten.
4 Rose, I. 273, 897] (8257):
Et se les ayes achetees,
Dites que vous stint presentees
D'un vostre ami, de loing venues,
Tout les achaties-vous es rues.
131
A. fol. 37 b. c.
Roede rosen soutdi oec bringen,
Ochte violetten met desen dingen, [7630]
7735 Ochte van bloemen scoene hoede ;
Pit en mach u bringen in gere ermoede.
Wet wel dat gichten verwinnen
Quaetsprekeren in alien sinnen ;
[7635]
Ende al wistense enich quaet
7740 Vanden gevere, dat verstaet,
Si soudent dore sine gichten decken,
Ende alle doeget van hem vertrecken.
Menichgen so behout gichte sine ere,
[7640]
Die gelachtert soude wesen sere,
7745 En wart biden gichten niet.
Bi gichten men oec dickers siet
Menichge goede provende geven,
En daedt gichte het ware bleven.
Die gichte, diemen plegt te gevere, [7645]
7750 Geft orcontscap van goeden levene.
Overal so heeft geven stat,
Al heeft sijt tere stede bat
Dan sijt tere andre hebben can.
Geven maect den gevre goet man, [7650]
7755 Geven prijst den gevre sere,
Ende den nemre doet onnere.
Die sine edele vrieit goet
In anders dienst lient ende doet,
[7655]
En dinct mi beraden niet wale 7760 Nu no te gheenen male. 1
Wat help dat ic hier af vele diede
Met gichten veetmen aldie liede. 2
Geselle, verstaet wel dese wart,
[7660]
Die ic u hebbe geopenbart.
C. fol. 46 c.—d.
7765 Eist dat sake dat gise doet,
Het sal u wesen harde goet ;
Want u die God van Minnen sal
Houden u gelof wel al,
Ende hive saels u tweet faelgieren,
7770 Alse hi den torre sal asselgieren
Met ver Venuse der goddinnen, [7665]
Die brinct met hare dien brant van minnen.
Si selen verstriden die portiere,
Ende werpen te neder sciere
7775 Dien casteel, ende dan mogedi
Nemen die Rose, hoe vaste dat si [7670]
Es besloten, des sijt gewes ;
Ende tierst dat si gewonnen es,
So es meesterrie boven al,
7780 Hoe datmense behouden sal,
Dat gire Lange bi duren moegt;
[7675]
Want hens gene meerre doegt,
Dan dat die liede behouden connen
Die dinge die si hebben gewonnen,
7885 Willen sire bliscap af ontfaen ;
Want die virtut es soe gedaen,
Dat mere es, sijt seker des,
Te hoedene dat gewonnen es,
Dan es dat winnen no dat bejagen.
7790 Keytijf mach hi hem wel clagen
Die verliest sine vrientdinne
Bi sire scout in enichgen sinne.
Het es een harde groet bevroeden,
Die sine vrientdinne wel can hoeden,
7795 So dat hise niet en verliest,
Ende elre en genen vrient en kiest,
7733 Rosen roet. 34 Of. 35 A.hoeden. 36 Dan m.
hu b. i. gheene e. 37 Weet oec w. d. ghiften v.
38 Die quaetsprekers. 39 wisten si. 41 S. souden
al goet van hem tellen. 42 Voer vrauwen ende
voer ghesellen. 43 M. b. ghifte in deere. 44 sijn.
46 ghiften. 48 ghifte die w. b. 49 D. ghiften
d. pliet te gheven. 50 oerconscap v. g. leven.
52 soe t. steden. 53 D. soe t. a. steden c.
54 G. m. sinen heere g. m. 56 Enten nemere
lachteren meere. 58 dienste leent om g. Vs. 7759
en 60 ontbr. bij A. 61 W. holpt d. ics v. die.
62 Ghiften vaen Gode ende lieden. 63 wel ontbr.
Vs. 7765-73 bg C:
Ende weet wel, wildijt anegaen,
Dat ic hu hier hebbe doen verstaen,
Hu en gaet niet af die God der Minnen ;
Als ghi den sterken casteel wilt winnen
Sal hi hu bringhen hu ghelof inne ; [7665]
Hi ende ver Venus de goddinne.
73 sullen v. de p. 74 warpen n. s. 75 Den sterken
steen e. d. muechdi. 76 N. de R. h. vast. so s.
77 B. dies s. g. 78 teerst d. soe. 79 S. e. die
meestrie al. 80 mense. 81 muecht. 82 duecht.
83 de lieden. 84 dine. Vs. 7785-7826 geheel
verschillend bij C :
Want si werpen zuer int winnen.
Des mach men wel keytijf kinnen, [7680]
Die verliest sine vriendinne
Bi faeuten, die siere vinden inne ;
Want het es eene dine hoghe,
Dat I wel behouden moghe
Die ghene, die hi met herten mint, [7685]
Dat hise verliest niet I twint.
Want dien God onse heere gheeft
Dat hi eene vriendinne heeft,
Wetende, simpel ende vroede,
[7690]
Hem mach wel sijn te moede, Ende hem ghevet hare minne,
So datter gheen coop inne
1 Rose, I. 273, 8991 (8277):
Dons donent loz as doneors,
Et empirent les preneors,
Quant it for naturel franchise
Obligent h autrui service.
2 De lezing bij C is boven die van A te verkiezen. Verg. Rose, I. 274, 8996 ($282):
Par don sunt pris et Dieu et home.
132
A. fol. 37 c. d.
Namelike also onse Here geeft,
Dat si duecht ende scoenheit heeft,
Ende sonder vercopen geft hare minne
7800 Met trouwen ende met gestaden sinne.
Minne vercopen en was noit vonden
Van wive in engenen stonden
Dan bi gerechter ribaudien.
So wie der waerheit wille lien,
7805 Sone es minne engene int wijf,
Die omme gichte geeft hare lijf.
Alselke minne moet sijn gescent,
Ende oec die wijf daermense ane vent.
Nochtan sinse alle wel naer
7810 Gereet te nemene, dat es waer,
Ende al te rovene, die si kinnen
Vaste gevaen met haerre minnen.
Juvenael hi doet ons cont, 1
Dat Hiberne seide tere stont,
7815 Dat si vele liever woude
Hare ogen verliesen, dan si soude
Hare houden an enen man allene,
Sine sonde met andren sijn gemene :
Bi enen sone woutsi niet duren,
7820 So heet was si van naturen.
Hen es wijf so goet van sinne,
Noch so getrouwe in hare minne,
Sine wille hebben van haren vrient,
En es ; want in prijsde nie
Vrauwen minne, daer es copie.
Ende see en daden noit vrauwen [7695]
Sonder loddinghe die men scauwen
Mach, die haren lechame
Gheven omme ghiften name :•
Hare minne tegaet metten goede,
God werpse in die helsche gloede ! [7700]
Nochtan so verstaet mi wale,
So sijn dese wijfs al te male
So ghierich boven ghetal,
Dat sift willen verzwelghen al,
Ende nemen wat sijs moghen ghewinnen
[7705]
Van haren vrienden, hoe zeere sise minnen,
Na dien dat ons bescrijft de clerc
Juvenael in sijn were,
Die bescreef van Iberinen,
[7710]
Dat soe eer soude der pinen
Ghedoghen, dat men hute stake
Hare eene oghe met onghemake,
Dan soe haer laten soude ghenoughen
Juvenalis, Sat. VI, 53 :
Unus 1berinae vir sufficit? Ocyus Mad
Extorquebis, ut haec oculo contenta sit uno.
2 Vs. 7821-32 in de Hose, I. 275, 9044 (8330):
Car jh fame n'iert si ardant,
Ne ses =ors si bien gardans,
Que de son chier ami ne vuelle
C. fol. 46 d.-- 47 a.
Hoe getrouwelike hi haer dient,
7825 Alle staense na ontcleden :
Aldus wilt elc den sinen leden.
Wat souden doen dan die wijf,
Die om gelt dan geven hare lijf,
Sint men curve can enichge venden, [7725]
7830 Die hem els can onderwinden
Dan van goede to nemene dwonder,
Hoe sere si hebben den man tonder ? 2
Juvenael dose regle visiert,
Maer en es regle sine faeliert
[7730]
7835 Sole wile an one onder hondert :
Die goede sijn altoes gesondert,
Vanden quaden waest dat hijt seide,
Doe hi dose sentencie uutleide :
Maer es eon wijf van selken sede, [7735]
7840 Getrouwe van herten, simpel mede,
Hovesch ende wetende van manieren,
Ende daertoe hovesch ende goedertieren,
Een man machs hare trouwe te bat ;
Maer boven al soe hoede hem dat, [7740]
7845 Hi nine legge al sine cure
An hare gedane, an hare figure,
Noch oec an hare scoenheit met ;
Want hi blever oec bi gelet.
Maer die wilt sijn engien maker,
7850 Hi moet versien al dose saken,
Met een6n man ende daer toe voughen ;
Want to nauwe ware haer eon man, [7715]
Hoe vele hijs verpleghen can :
•
Van naturen was so so heet.
Ic wane men gheene vrouwe weet,
Hoe zeere dat soe berrent inne,
Of hoe wel soe hout hare minne, [7720]
Sone rooft haer lief nacht ende dach
Ende torment waer soe mach.
7827 W. zullen dan d. de w. 28 dan ontbr.;
haer. 29 eenighe c. vinden. 30 D. h. als o. 31
nemen wonder. 32 So h. si de minne t. 33 Dose
reghele die ic hu. 34 Hier hebbe ghegheven nu.
35 Faelgiert zulken tijd ic wane. 36 Want het
was in minen verstane. 37 Dat ic gaf dat vonnesse. 38 Dat van den quaden was mine lesse.
39 zulker. 40 ende sinpel. 41 Ende h. van m.
42 Een cnape scone ende goedertiere. 43 Hi mach
hare ghetrauwen t. b. 44 M. wachten boven al
d. 45 Dat hi hem niet ghetrauwe beide. 46 In hare
vorme in hare scoenheide. Vs. 7847-48 ontbr. 49
Want Sint hi s. e. wilt m. 50. So moot hi v. die s.
Et les deniers et la despeulle.
Or vez quo les autres feroient,
Qui por dons as homes s'otroient.
Nesune ne puet-ren trover
Qui ne se vueille ainsinc prover,
Taut l'ait home en subjection;
Toutes ont ceste entencion.
133
A. fol. 37 d.-38. a.
Dat es hare sede, hare wijsheit,
[7745]
Eer hire sijn herte vaste an leit ;
Maer die scoenheit alleene anesiet,
Hi werp hem selven in verdriet;
7855 Want scoenheit onlange steet
In even poente, si en tegeet ;
[7750]
Want si es van diere naturen
Gemaect, dat si van ureri te uren
Mindren moet, nacht ende dach.
7860 Mar die sen ende conste vercrigen mach,
Dat blijft hem altoes gereet [7755]
Die wile hi op die werelt geet,
Ende doetene eren alle dage,
Ende hoecht daer bi vriende ende wage.
[7760]
7865 Daer bi die gene, die es vroet,
Sal altoes merken wat hi doet
Ende werken met sinne alle tide.
Die vrouwe * si sal wesen blide
In haer selven ende harde vroe, 17765]
7870 Dat si hare herte bestaedt alsoe
An ene, die es scone ende wijs,
Ende van doegeden hevet prijs.
Waer dat sake dat mi te rade
C. fol. 47 a. b.
Iemen quame, ende hi mi bade,
[7770]
7875 Dat is hem seide ocht ware goet,
Dat hi keerde al sinen moet
Ende sine herte daertoe sette,
Dat hi liedekine ende motette
Ende rime makede ende screvetse in brieve,
7880 Ende sendetse sinen sueten lieve :
Ay las ! dat mach luttel vromen;
Maer die de borse swaer doet coemen,
Met florinen wel gespect,
Hi es wel ontfaen ende natrect;
7885 Want sine geren el, dats waer,
Dan die horse met gelde swaer :
Al hare gedachte so leit daer ane.
Mi es leet dat ics hermane,
Ende te meer soe waers mine clage ; [7785]
7890 Maer is siet argeren alle dage.
In den tijt ons firsts vader
Ende onser moeder beide gader,
Naerdat ons de lettre seghet,
Daert in bescreven leghet,
7895 Doe vantmen getrouwe minne
Sonder giricheit van sinne.
Deen en geerde den andren niet
7851 Hare zeden haer const ende haer w.
52 sine h. ane 1. Vs. 7853 ontbr. bij A. en luidt
bij C:
Maer die maer alleene ane ziet.
54 Die scoenheit sone diedet niet. 55 W. son
duert onlanghe vaert. 56 Het gaet met haer ten
avonde waert. 57 Want scoenheit mach onlanghe
gheduren. 58 So soe laugher leeft na dier naturen. 59 Want soe mindert up elken d. 60 M.
d. sin ghecrighen m. 61 D. b. alle stont g. 62
up de. Vs. 7863-64 bij C:
Ende beter es in de houde sijn sin,
Dan hi eerst' was int beghin,
Ende hi wert meerre alle daghe,
Ende hi hoghet vriende ende maghe.
65 D. b. een cnape d. hem versteet. 66 Ende
wisenlijc mede omme gheet. 67 Sal te rechte
gheprijst wesen. 68 Ende eene vrauwe wert in
desen. 69 Seere blide want haer wel gaet. 70
D. soe heeft haren zin bestaet. 71 A. eenen
cnape vroet e. i. 72 E. die. Vs. 7873--87 bij C:
Ic soude oec segghede
[7770]
Rants, of mi wel behaghede
Dat men maecte ghedichte fine,
Mottette ende liedekine,
Scone sprekende ende wale,
Die hi sende dan der smale,
[7775]
Waer omme te ghelieven hare. Maer, ay lacen! dats openbare,
Dat woerde lettel helpen int fijn
Dan dat si gheprijst sijn.
Maer grote borsen, weghende wel
[7780]
Met florinen, ende niet el,
Entie oec vlieghen in plaetchen,
Hi mach hem alre best betrachen.
87 Want al te male leghet d. a. 88 vermane.
89 E. merre so ware mijn c. 90 Saghict niet
aerghen a. d. 91 tiden o. eerst. Vs. 7893-94
ontbr. bij A. 95 D. so was g. de m. 96 Daer
gheene g. was inne. 97 begherde.
1 De zin van het origineel is in vs. 7873-87,
hoewel zeer uiteenloopend, in beide Hss. goed
teruggeven. Rose I. 276, 9088 (8374).
Neporquant s'il me requdroit
Consel, savoir se bon seroit
Qu'il feist rimes jolietes,
Motez, fabliaus ou chanconetes,
Qu'il vueille it s'amie envoier
Por li chevir et apoier:
Ha las ! 'de ce ne puet chaloir,
Biaus diz i puet trop poi valoir.
Li dit, espoir, loe seront,
D'autre preu petit i feront ;
Mes une grant borse pesans,
Toute farsie de besans,
Se la veoit saillir en place,
Tost i corroit a plaine brace ;
Qu'eles sunt mes si aorsees,
Que ne corent fors as borsees.
134
A fol. 38. a. b.
Te rovene, alsmen nu pliet ;
Die lieden so weeldich niet ne waren
7900 Van cledren noch van spisen, tuwaren.
Sie raepten castaengen in dat wout
Ende ander cruut menichfout,
Dat si aten yore visch, yore vleesch.
Na wijn en daedense en genen eesch :
7905 Si dronken borne simpelment,
Sine wisten van claerheit een twent.
Nochtoe en hadde gegaen noit ploech :
Dierde bi hare selven droech,
Gelijc datse God pareerde
7910 Ende al bi sinen wille visierde,
Daer si of namen oec hare noet.
Si en aten token no broet,
C. fol. 47. b. c.
Salm no store, noch selke ware.
Sie cleedden die velle metten hare,
7915 Gelijc si vanden beesten quamen.
Crude ende lovren dat si, namen,
Ende maecten loedsen daer si in lagen ;
Ende in die roken dat si plagen
Hole to makene, daer si in meest
7920 In plagen to vliene dor den tempeest.
Anders so sliepen si upt gras
Of upt hoy datter bi was ; 1
Mar alse leden was dat weder,
Ende scone ende suete die lucht wart weder,
7925 Soe dat elc vogel dien dach
Smargens gruette, alse hine sach,
Die hem therte vervroien deede ;
7998 roven also men n. p. 7900 no v. s.
to w. Vs 7901-20 :
Si ghinghen hem int bosch gheneren,
Kerstaengen, applen, noten, peeren,
Ende raepten dat si verteeren,
Naer dien dat si begheeren.
[7800]
Si aten rachinen ende cruut
Ende coren, dat si wreven hunt ;
Sine hadden anders gheene spise
Dan dese ende van deser wise.
[7805]
Sine dronken niet dan fonteine, Die si vonden scone ende reine ;
Sine dronken wijns nu claerheit,
Want hi was hem onghereit.
Terde was oec ongbewonnen
Anders dant hadde God begonnen [7810]
Ende temaect bi sijnre liste ;
Want niemen al daer of ne wiste.
Sine sochten gheene diere spise ;
Si cleedden hem na die wise
[7815]
Dat dat dier cleedre drouch ; Met sulker verwen hadden si ghenouch,
Si verwedense met gheenen crude,
Si droughen some an beesten hude.
Si dectcn hem met droghen risen,
[7820]
Die behaghelheit si lettel prison,
In derde maecten si hole groet,
Daer si scuulden in ter noet,
Als men tempeest ontsach,
Dies hem haer sin wel dede ghewach.
[7825]
Anders so liepen si upt gras
Of up hoy datter bi was.
23 Maer als 1. w. die locht. 24 Die cout geweest
hade ende vocht. A. luch. Tusschen vs. 7924 en
25 bij C de twee volyende:
Daer slit in adden ghehadt to hart,
Entie tijt lievelijc wart.
25 den d. 26 Smorghins groette als.
1 Vs. 7901-20 komen nu eens bij A, dan bij
C, meer met het oorspronkelijke overeen.
N'iert point la terre lors ark,
Mes, si cum Dieu l'avoit park,
Par soi-meismes aportoit
Ce dont chascuns se confortoit.
Ne queroient saumons ne luz,
Et vestoient les cuirs veluz,
Et faisoient robes de laines,
Sans taindre en herbes ne en graine,
Si cum el venoient des bestes.
Covertes ierent de genestes,
De foillies et de ramiaus,
Lor bordetes et for hamiaus,
Et fesoient en terre fosses;
Es roches et es tiges grosses
Des chesnes trues se rebotoient,
Quant les tempestes redotoient.
Et quant par nuit dormir voloient,
En leu de coites aportoient
En leur casiaus monceaus de gerbes,
De foilles, ou de mousse, ou d'herbes.
Vs. 7921-22 ontbr. bij A.
Rose, 1. 277, 9115 (8401) :
Il coilloient es bois les glandes
Por pain, por char et por poissons,
Et cerchoient par ces boissons,
Par vans, par plains et par montaingnes,
Pomes, pokes, noiz et chastaingnes,
Boutons et mores et pruneles,
Framboises, freses et ceneles,
Feves et pois, et tex chosetes
Cum fruis, racines et herbetes ;
Et des espis des bles frotoient,
Et des roisins es chans grapoient,
Sans metre en pressouer n'en esnes.
Li miel decoroient des chesnes,
Dont habundamment se vivoient,
Et de l'iaue simple bevoient,
Sans guerre piment ne dare ;
Iti 'onques ne burent yin pare.
135
A. fol. 38. b. c.
Ende Zepharus die wint dan mede
Uten suden waiende quam, [7835]
7930 Ende dat Flora sijn wijf vernam,
Die Goddinne es vanden blomen,
Dede sise scone utespringen comen,
Ende tallen staeden bloien wel ;
Want siene kinnen niemen al
[7840]
7935 Over meester dan dese twee,
Noch hier int lant noch over zee ; 1
Dose geven hem varuwe menichgerande,
Nadat si wassen achter lande.
Van desen blomen dos gescapen
[7845]
7940 Soe maken mageden ende cnapen
Menichgerande hoedekine,
Fraie, scone ende fine ;
Van desen blomen altemale
Makense hare bedden, die roken wale, [7850]
7945 In praiele ende in vergiere :
Dit was one al te suete maniere.
Dan stoet die erde so in hogen
Van haren blomen, dat si orlogen
Woude den hemel sceen, dies si
7950 Blomen hadden meer dan hi
Sterren ochte planeten deede :
So overmodich was sire mede. 2
Op seike bedde, also is segge,
Sonder van giricheden vlegge
7955 Iet to hebbene, tien tiden lagen
Die gene die der minnen plagen,
Ende onderhelsden hem ende custen ;
C. fol. 47 c.-48 a.
[7860]
Ende alsi wouden mede rusten,
Hare omgange ende hare gordine
7960 Waren die borne, daer doer seinen
Niet der some raien en conde :
So dicke waren si tien stonden.
[7865]
Daeronder si hare danse dreven
Ende hare spel sonder begeven ;
7965 Si en rochten om dinc negene
Dan hoe elc sijn lief allene
Mochtj3 helsen ende cussen mede,
Ende al bi groter vriendelichede. 17870]
Noch toe en hadde noit gewesen
7970 Noch coninc, noch prince, hebbic gelesen.
Sie waren alle even gelijc
Van goede, van haven, ende even rijc.
Niemen en hadde proper goet :
Het was gemeine al wart stoet.
[7875]
7975 Herscap ende gerechte minne
En bleven noit gestade van sinne.
Die gene diese wilt meestrien,
Hi doese sceden ende ontvrien. 3
In huweleke machment sien
[7880]
7980 Bi waren expelemente gescien, Alse die man waent wesen vroet,
Ende hi sinen wive mesdoet,
Mesprijst ende sere sleet.
So dickent sleet hise, dat si geet
[7885]
7985 Menichwarf daert hem es leet, Daer si to voren, Godeweet,
Luttel om pensede ochte gaf;
7928 Zephirus; dan ontbr. 29 Huten westen.
31 godinne, 32 Deden soese s. uutcomen. 33
steden. 34 kennen. 36 no. 37 D. g. hare vaerwe.
39 bloemen. 40 Soe ontbr. 41 Menich dierbaer
hoedekijn. 42 Die fray ende s. sijn. 43 V. d. b.
maecten si to male. 44 Makense ontbr. 45 I.
die prayed' in die vergier. 46 Dat w. e. scone
m. 47 D. Atont gheciert also scone. 48 Als
ghesterret staet an den trone. Vs. 7949-52
ontbr. 53 Up sulke bedden alsic s. 55 Segghic
dat doen t. t. 1. 58 E. a. mode wilden r. 59
ommeganghe e. h. cortinen. 61 Der zonnen rayon
niet en conden. 62 dicken. 63 dansen. 65 S.
zorgheden o. d. gheene. 67 Helsen m. 68 vrien
delicheden. 69 Sine hadden prinche no coninc.
70 Dat hare was al ghemeene dinc. Vs. 797171 ontbr. 73 Niemen hadde propers twint. 74
Want eene dine was hem bekint. 75 Dats eerheit ende minne fijn. 76 En moghen niet ghesellen sijn. A. Ende. 77 Sine moghen dueren
niet te gader. 78 Want eerscip breket al te gader. 70 Hier bi ziet men in huwelek en. 80 Van
wiven vele quader treken. 82 E. dan s. w. m.
83 A. mesprijs. C. slaet 84 dicken slaet h. d.
soe gaet. 86 soe; Godweet. 87 Lettel om peinsde
ende g.
1 Rose, I. 279, 9162 (8448) :
Cil dui font les floretes nestre,
Flors ne congnoissent autre mestre.
2 Rose, I. 279, 9172 (8458) :
De floretes for estendoient
Les coustepointes, qui rendoient
Tel resplendor par ces herbaiges,
Par ces pros et par ces ramaiges,
Qu'il vous fast avis quo la terre
Vosist emprendre estrif et guerre
Au ciel d'estre miex estelee :
Tant iert par ses Hors revelee.
3 Rose, I. 280, 9199. (8485) :
Bien savoient cele parole,
Qui n'est mencongiere ne fole :
Qu'onques amor et seignorie
Ne s'entrefirent compaignie,
Ne ne demorerent ensemble;
Cil qui mestrie, les dessemble.
136
A. fol. 38. c. d.
Ende hi en cans niet comen af,
Hine tie hare ane menichge sake,
7990 Ende doetse leven met ongernake.
Aldus sone can minne geduren,
Daermense leven doet met suren,
Ende meester wilt sijn over haer goet,
Ende over haer selven, wat sijs doet. [7890]
7995 Dan seit die sot : ,Dierne quaet,
Gi maect mi to groet baraet ;
Alsic ben to minen labure,
So hebbedi wel uwen wille ter cure ;
Dan gadi baleren ende springhen, [7895]
8000 Ende als eene merminne zinghen, 1
— God die geve u quaden dach !
Ende aisle ben om onse bejach
In Poitau ochte in Ingelant, 2
Soe behagele noch soe achemant [7900]
8005 En vintmen in die stat dan niet ;
Ende alse u dan iemen siet,
Die vraget die sake, waerbi
Gi sijt so behagel, dan segdi,
Dat gijt doet om uwen man :
[7905]
8010 Nochtan so liegedi daer an.
0 mi, lase ! ende wat weetti
Ocht ic doet och levende si ?
Ic ben alre onneren wert,
[7910]
Dat gi tmine aldus verteert :
C. fol. 48 a. b.
8015 Ic bem u onghevalleghe cnape :
Met eer blase van eenen scape
Souden mi de quade knechte
Int aensichte werpen met rechte ! 3
Ic moet u anders castien gaen.
[7915]
8020 Gi hebt mi grote ere gedaen,
Dat gi yore waerheit lijt,
Dat gi dore mi behagel sijt.
Wie dat hort hi weet wale,
Dat gi dan lieget altemale.
8025 Om mi, lase ! omme mi
Seggedi dat altemale si :
[7920]
Ic was op dien dach verscoven,
Dat ic u trouwe ginc beloven,
Ende ic nie u man wart.
8030 Met mi soe maecti den boebart ;
Nochtan en hebbic die macht niet [7925]
Te volbringene dies gi pliet ;
Noch ic en cans oec niet gesien,
Gelijc dat dese ribaude plien,
8035 Om hare puten daer si gaen.
Alsoe to soe coemen si saen,
[7930]
Alsi u sien in enichgen wege,
Ende geleiden u alle wege. 4
Dore wien dragedi dese gewaden,
8040 Die mi sere deren ende scaden ?
[7935]
Gi segt dat om mi al si :
7988 Want hine caens. Vs. 7989-94 bij C:
Ende wille hebben de meestrie :
Dattene God vermalendie !
95 Dan ziet hi zotte d. q. 96 beraet 97 bem.
98 hebdi. Vs. 7999— 8000 ontbr. bij A. 8002 ben
ontbr. 3 Te Rome bem of in Frise. 4 Met
coemanscapen so ,faitise. 5 Ende ; in de s. 6 als
hu d. yement. 7 D. hu v. waer bi. 10 Om mi
keytijf hoe lieghi dan. 11 Wie weet dan waer
dat ic bem. 12 Sint ic bem so verre van hem.
13 Ofte levende ofte doot. 14 Ofte in eenighen
anxte groot. Vs. 8015-18 ontbr. by A. 19 Dat
ic hu anders en castie niet. 20 Want ens
niemen die hu siet. V. 8021-22 ontbr. bij C.
23 Hine weet dat to voren wale. 24 dan ontbr.
25 ay lacen ay mi. 26 Seghdi. 27 up die ure
verscroven. 28 Doe i. hu ghinc tr. loven. 30 soe
ontbr.; fobaert. 31 N. h. de m. n. A. mach. 33
caens n. g. 34 ribaeuden. 36 So comen si om
hu s. 37 Alsi hu s. comen in den weghen. A.
Alse. 38 gheleede. 39 Dor. 40 D. m. so over
zeere s.
1 De bij A. ontbrekende verzen komen in den
Franschen tekst voor : Rose, I. 281, 9218 (8504):
Quant sui en mon labor ales,
Tantost espringuës et bales,
Et demenes tel esbaudie,
Que cc semble grant ribaudie,
Et chant& come une seraine.
2 De lezing bij C. komt met het origineel
overeen. Rose, I, 281, 9224. (8510) :
Et quant vois a Rome ou en Frise
Porter nostre marcheandise.
3 Wederom ontbreken bij A. de vier laatste
verzen, die wij uit C hebben ingevoegd. Rose,
I. 281, 9237 (S523) :
Lea me devroit flatir oil vis
Une vessie du mouton.
Certes ge ne vail un bouton,
Quant autrement ne vous chasti.
4 Rose, I. 282, 9250 (8536)-:
Por moi menes-vous tel bobant?
Qui cuidies-vous aler lobant ?
J4 n'ai-ge mie le pooir
De tiex cointeries veoir,
Que cil ribaut saffre, friant,
Qui ces putains vont espiant,
Entor vous remirent et voient,
Quant par ces rues vous convoient.
Vs. 8030 is in de -vertaling geheel onjuist teruggegeven. Bobant toch is : vertooning, praal, luxe. Oak
de overige verzen zijn onduidel ijk en slecht vertaald.
137
A. fol. 38. d.--39. a.
Ine bbn niet el dan gi van m
Altoes maect u omcleet,
Dat mi es van herten leet.
8 045 Gi wart beter harde vele
Met desen wimple om u kele
[7940]
Dan metten baruren, die gi draecht,
Daer gi mi met qualec behaget. 1
Bi Goede, waer ic u dicwile bi,
8050 Die viere bisante gave mi,
Hoe hovesch ic bem, hoe goedertiere, [7945]
Mi soude verwandelen mine maniere,
Ende soude u slaen vort ende weder,
Om uwe hovarde te leggene neder,
8055 En lietict niet dore die scande.
Ende weet oec wale dat ict ande, [7950]
Ende anden sal, gine latet bliven.
In wine met mannen no met wiven
Dat gi ten danse waert sijt verdich,
8060 Ic en bem daer jegenwerdich.
Ende banderside, ine caent gehelen, [7955]
Want het doet mine herte quelen,
Tusscen u ende Robine
Metten groenen hoedekine,
8065 Die tuwen boede es soe gereet,
Segt mi, vrouwe, Godeweet !
[7960]
Hebdi scape onder u beden
Te deilne, 2 dat gi niet gesceden
En coat, hine coemt alden dach,
8070 Daer hi u sien ende spreken mach ?
Ine weet wat dieden mach u spreken : [79651
Hets ene maniere van quaden treken ;
A. fol. 48. b. c.
Maer biden Here van paradise
Ende biden goeden sinte Denise,
8075 Spreecti meer jegen heme
[7970]
Iewerinc, daer ict verneme,
Gi seles hebben blau danscijn ;
Ja gi, het sal swarter sijn
Dan enichge cole wesen mach, 3
8080 So menichgen overdadichgen slack
Salic u geven, groet ende swaer. [7975]
Wat hebbedi te doene hier ocht daer
Met desen ribauden vuel ende quaet ?
Gi selt mi dienen, dat verstaet,
8085 Ende die quadien laten gaen,
Ochte, bi Goede ! ic sal u slaen
[7980]
In goede waste vingerline.
Die duvel hi maect u te sine
So welbekent metten ribauden,
8090 Die u met rechte niet en souden
Kinnen noch oec met u wandelen ; [7985]
Gi sout u anders te rechte handelen.
Ic nam u bidi dat gi
Mi trouwe sout doen ende dienen mi.
8095 Waendi gecrigen daer met mine minne,
Dat gi u hout wel van bekinne [7990]
Met desen ribauden, die u naer
Altoes volgen hier ende daer ?
Hi dede sonde ende harde quaet,
8100 Die gene die mi gaf den raet,
Dat ic u noit te wive nam
Ende met huweleke ane u quam!
Haddic Orestresse wel verstaen, [7995]
8042 In bem. 43 Maect in den reghen een
ommecleet. 44 Maer weet de waerheit wel ghereet.
45 Dat ghi mi dincket simpelre vele. 46 huwe k.
47 Ende met deser jupen sijts ghewes. 48 Dan
een turtelduve es. 49 Weet wel w. icker dicken
bi. 43 florine gaven. 51 goedertieren. 52 souden,
manieren. 54 hu hoverde t. legghen. 55 In liet
n. dor de s. 56 Weet o. wel d. i. hande. 57 handen.
60 I. e. sal d. sijn j. 61 Dander seide in c. g. 62 mijn.
65 tuwe ghebode. 66 God weet. 67 Wat lande
hebdi tusschen hu b. 68 deelne. 70 D. h. hu
ghespreken m. 71 In w. w. ghi moghet s. 73
M. b. H. die noyt en looch. 74 Ende hoghe inden hemel vlooch. 76 Yeuwerinc. 77 sullets h.
bleec tanscijn. 79 D. e. moerbesie si. 80 So vele
suldijs gheloves mi. 81 Hebben van slaghen g. e. s.
82 hebdi t. d. h. of d. 83 vul. 84 sult. 85 Entie.
86 Of b. G. i. doe hu s. 88 D. d. maecte. 89
met desen r. 90 te r. 91 Mennen. 92 G. s. hu
te r. a. h. 94 M. sout d. tr. 95 W. daer mede
hebben mijn m. 97 M. d. r. vul ende quaet.
Vs. 8098-99 ontbr. 8100 Neenic gonneert si die
d. r. 1 Mi gaf d. i. hu noyt n. 2 Noeb m. h.
an hu q. Vs. 8103-06 bij C.:
0 wi die gheloven woude,
Dat Orestes scrijft de houde
In sinen boucke die Riole,
Die goet te lesene es in stole :
I Bij C. meer overeenkomstig het oorspronkelijke. Rose, I. 282, 9260 (8546) :
Vous faites de moi chape a pluie.
Quant orendroit les vous m'apuie,
Ge voi que vous estes plus simple
En eel sorcot, en cele guimple,
Que torterele ne coulons ;
Ne vous chant s'il est cors ou ions,
Quant sui tous seus les vous presens.
2 Rose, I. 283, 9280 (8566):
Aves-vous terres h partir ?
3 Bij C. wederom meer met den Franschen
tekst overeenkomende dan bij A.
Rose, I. 283, 9287 (8573) :
Par iceli Dieu qui ne ment,
Se vous jambs parles h li,
Vous en cures le vis pali,
Voire certes plus noir que more.
138
A. fol. 39. a. b.
Ine hadde huwelic noit gedaen. 1
8105 Hine houd niemene over vroet,
Die een wijf ondertrouwe doet.
Hi segt : hets alte grote pine
Man in huwelic te sine;
Hets vol vernois ende vol torments, [8005]
8110 Vol sceldens ende vol perlements,
Om die sotte wijf hoverdich,
Die hem alre eren dinct werdich,
Ende die vol clagen sijn altenen :
Hem dinct al goet dat si meenen. [8010]
8115 Neemt oec een arm wijf een man,
Voeden ende cleden moet hise dan,
Ende doen hare behoefte al diegelike;
Neemt hi oec ene die es rike,
[8015]
So es si wilt ende overmodich,
8120 Ende te bestierne ongerodich ;
Neemt hi oec een scone wijf,
So blUft hi oec altoes keytijf ;
Want hare menich joncman
[8020]
Geet in alien siden an ;
8125 Sie gruetense ende doen hare ere,
C. fol. 48. c. d.
Ende pinen hare te dienne sere ;
Sie comen ende gaen te hare,
Ende begerense openbare.
Dickent soe comense in hare gemoet [8025]
8130 Ende geloven hare groet goet,
Ende seggen dat sijs hare wel onnen,
So datse int inde werden verwonnen ;
Want selden enich borch ontsteet,
Daermen in alien sinnen togeet. 2 [8030]
8135 Neemt hi ene lelecke, so welt si
Alden lieden, geloves mi,
Hare doen behagen, op dat si can.
Enege sake neemt si dan
[8035]
Die de lieden besien gerne.
8140 Men mochte sieren ene lanterne
So, si souts te scoenre wesen.
Dat lelicke wijf hout hare na desen,
Dat si gerne geprijst ware sere
[8040]
Ende gesocht van elken here.
8145 Bi Penelope machmen dit wel,
Sonder te nemene iemen el,
Merken wel, geloeft mi das, 8
Nemmermeer name man wijf;
[8000]
Want hi hout over keytijf
Man die neemt in huweleke
Wijf, scone, rike of bleke.
7 Want hi seit h. g. p. 8 huwelike. 9 Vul versmaets
e. viii t. 10 Vul—vul. 12 D. h. dinckena. e. w. 13
Entie vul. 14 dinct. 15 arem w. eenen m. 17 behouf
gheelike. 18 N. oec een man een wijf r. 19 soe. 20
ongheroedich. A. ongerorich. 21 N. oec een man e.
s. w. 22 S. b. h. al sijn lijf k. 23 haer. 24 Gaet.
25 groetense si d. haer e. 26 Si p. haer. 28 Si b.
29 Dicken comen si in haer g. 31 haer. 32 Dat
soe int ende wert v. A. dinde. 33 eenighe b. ontstaet.
34 siden toegaet. 35 Es soe oec leelijc so wille si.
37 Wel b. up dat soe c. 38 E. dine so n. so d.
Vs. 8140-44 :
Dus strijt soe niet te scerne
Jeghen die weerelt al ghemeene te male,
1 Hoewel in beide Hss. de naam des aange haalden schrijvers duidelijk verknoeid is. verdient
de tekst van C. wegens de grootere overeenkomst
met het Fransch verre de voorkeur.
Rose, I. 284, 9310 (8596) :
Ha! se Theofrates creusse,
Ja fame espousee n'eusse ;
Il ne tient pas home por sage
Qui fame prent par mariage,
Soit bele, ou lede, ou povre, ou riche ;
Car it dit, et por voir l'afiche,
En son noble livre Aureole,
Qui bien fait h lire en escole, etc.
Het hier aangehaalde werk van Theophrastus,
den schrijver der bekende Characteres, is thans
verloren, doch wordt vermeld door Jan van Salisbury, bisschop van Chartres, in zijn Policraticon, L. VIII, c. xi : ,Fertur authore Hieronimo,
aureolus Theophrasti liber de Nuptiis, in quo
quaerit an vir sapiens ducat uxorem : et cum
diffinisset, si pulchra esset, si bene morata, si
honestis parentibus orta ; si ipse sanus et dive .,
sic sapientem aliquando inire matrimonium, sta-
tim intulit : Haec autem raro in nuptiis concordant universa. Non est igitur uxor ducenda
sapienti.” Zie de aanteekening bij Meon, II. 203,
Francisque-Michel, I. 284.
2 Rose, I. 285, 9348 (8634):
Car tor de toutes pars assise
Envis eschape d'estre prise.
3 Noch de lezing bij A, noch die bij C, geeft
in vs. 8135-47 den zin van het oorspronkelijke terug, en de vertaler schijnt de bedoeling
niet gevat to hebben. Vs. 8140 en 41 bij A.
zijn letterlijk onzin.
Rose, I. 285, 9350 (8636) :
S'ei r'est lede, el vuet is tons plaire;
Et comment porroit nus ce faire
Qu'il gart chose que tuit guerroient,
On qui vuet tous ceus qui la voient ?
prent h tout le monde guerre,
Il n'a pooir de vivre en terre ;
Nus n'es garderoit d'estre prises
Por taut qu'el fussent bien requises.
Penelope nes prendroit
Qui bien is li prendre entendroit.
139
A. fol. 39. b. c.
Die ene dat beste wijf was,
Diemen in al Grieken vant.
[8045]
8150 Noch te Rome in al dat lant
Sone was soe goede soe Lucrese,
Daer ic of gescreven lese,
Alse ons Beget Titus Livens,
[8050]
Datse tsconincs sone Tarquineus
8155 Vercrachte ende dede ongevoech,
Daer si haer selven om versloech.
Dies en conste benemen niet
Vader no moeder, dat sijt liet,
[8055]
Om pine die sijs gedaeden,
8160 Dat hare die lachter was beraden ;
Nochtan seiden si hare te waren
Scone redene dat sijt liete varen.
Ende oec so seide hare man,
Datter en gelage niet an,
[8060]
8165 Endo hi vergaeft hare altemale,
Ende seide hine wouds meer horen tale,
Ende spracker scone redene toe
Hare te troestene, ic Eegge u hoe :
il Lieve," seit hi, „nu laet varen : [8065]
8170 Ghi en hebs scout te waren
Van aldien datter es gesciet;
Want die lichame en sondicht niet,
Die herte sine gert meede."
Wat si seiden, hare droefhede
[8070]
8175 En minderde niet no haren rouwe.
Een mes so nam die joncfrouwe
Om hare te doedene heimelike.
Te haren man seit soe drovelike :
[8075]
il Lieve here, wie mi vergeeft
8180 Den lachter, diemen mi heeft
Gedaen, ine vergeves mi selven niet ;"
Ende eermens conste geweten iet,
C. fol. 48 d.-49 b.
Nam si dmes met droven sinne
Ende staect te haerre herten inne, [8080]
8185 Dat si viel vor hem doet ;
Maer eer si verstarf in die noet,
Bat si hen in liever sake,
Dat si hare bitter doet noch wraken.
[8085]
Dit exempel doet ons verstaen,
8190 Dat vrouwen moegen coenleke gaen
Waer si willen ende wesen coene,
Sonder hem cracht te doene ; 1
Want wie so vrauwen doet cracht,
Werter omme ter doot bracht ;
[8090]
8195 Ende Tarquinus, als let vende,
Warter omme in ellende
Ghesent ende sijn sone mede,
Ende sint en wilden die van der Etede
[8095]
Van Rome gheenen coninc. 8200 Gheselle, weet oec wel de dine,
Dat men in de weerelt niet
Negheene Lucrese nu en ziet
Noch in Grieken Penolope,
[81003
Noch goet wijf, dats noch mee,
8205 En vintmen in al erdrike :
Also segghen ghemeenlike
Die heidine, wantse niemen vonde,
Al zochtemense langhe stonde.
So hebbicker omme verteert mijn goet, [8105]
8210 Dat icse mede blameren moet.
Nochtan lachtert menich, gheloves mi,
Dat gheens lachters wert en si,
Ende so mach mi sijn gesciet
In lachtere, dats wert en es niet; [8110]
8215 Want men sonde alien hoveschen vrauwen
Alle eere doen, bi miere trauwen. 2
Mi wondert sere van ere saken,
Omdat soe gherne gheprijst wale
Ware ende ghezocht zeere,
Waert van cnape, waert van heere.
8149 D. binnen G. v. 51 So en. 52 of. 53
seeght T. Linens. 54 scone zone Tarquinus. A.
sone ontbr. 56 soe h. s. omme. 57 constem. 58
No v. no man d. soet 1. 59 0. wat pinen dat
s. daden. 60 Hare scande dochte haer so zeere
scaden. 61 haer twaren. A. seide. 62 soet.
63 selve haer m. 64 D. niet en laghe an.
66 Entie daet entie tale. 67 E. seider. 68 Als
ic u mach segghen hoe. 69 seiti n. 1. gaen.
70 Ghine hebt zonde gheene ghedaen. 71 So
wat d. si g. 72 lechame ne. 73 sone beghert.
74 A. seide. 75 Sone m. noch haer r. 78 seide
so hovesschelike. 79 wie dat. 80 dien men. 81
in vergheeft mi n. 82 E. eer dats iemen wiste
i. 83 soe tmes. 84 haerer. 85 soe N. voer h.
ter d. 86 soe staerf in den not. 87 soe hem i.
1. zaken. 88 bitter ontbr.; A. wrake. 89 ons
ontbr. 90 coenlijc. 92 S. eenighe c. t. d. Vs.
8193-8216 ontbr. bij A.
1 Vs. 8193-8216, die bij A. ontbreken, kunnen zonder storing van den zin niet gemist
worden, gelijk reeds aanstonds nit vs. 8189-94
blijkt. Rose, I. 287, 9396 (8682) :
Cest exemple volt procurer
Por les fames asseurer
Que nus force ne for meust,
Qui de mort morir ne deust.
2 Vs. 8209 —16 zijn een invoegsel van den
vertaler, die zeker de al te krasse uitspraak
over de vrouwen wilde verzachten. De overgang
in het oorspronkelijke is veel geleidelijker Rose,
I. 287, 9404 (8690) :
Si n'est-il mes nule Lucrese,
Ne Penelope nule en Grece,
Ne prodefame nule en terre,
140
A. fol. 39 c. d.
Dats vanden genen die brulucht maken,
Dat si enen man een wijf
8220 Doet coepen, die hi hoot sijn lijf,
Sonder proven ende sien,
— Dit sietmen alle dage gescien, —
Dat hise gekinnen niet en mach
Vor dat comen es die dach,
8225 Dat hise heeft onder trouwe gedaen.
Dan laet si hare seden verstaen
Haren man, den quaden sot,
Diese moet houden, also help mi God,
Al coemt datse hem sere mesbaecht.
8230 Ende cochte hi een paert, hi saecht
Te voren ende sout oec willen proven,
Alse vele alst hem soude boven,
Eer te voren eer hire om gave
Enich goet ocht enichge have.
Goet wijf, sijt seker des,
8235
Dier es men dan fenix es,
Alse ons Valerius doet orconde,
Dat si en minnen en gene stonde,
[8135]
So vele hebben si te doene
8240 Van sorgen in allen saisoene. 1
A. fol. 49 b. c.
Men dan fenix vintmer goet,
— Mi es leet dat ict seggen moet —
Ocht dan men doet raven wit :
So sere seinen si besmit ;
[8140]
8245 Ende daerbi met die kinnen wille
Enich wijf, lude ochte stille,
Die goet sijn, ende leren kinnen, [8145]
Hi soeke eirst die werelt binnen
Dese vogle, die is vermane,
8250 Ochte enen swarten swane :
Even gereet so eest hem beide.
[8150]
Weetti wat Juvenel seide ?
So wie een reine wijf gewint,
Ga inden tempel alse. hise kint,
8255 Ende kniele yore Jupiterre den here,
Ende danne ga vort in Junoes ere,
[8155]
Ende offere hare coe guldijn ;
Want meerre wonder sone mach sijn. 2
Ende daeromme moet men die quade
minnen,
8260 Salmenre enichge lief gewinnen. 3
Valerius hadde groten rouwe,
Dat Ruffin, sijn geselle getrouwe, [8160]
Vs. 8217-34 bij C.:
Weet oec, gheselle, die huwelijc maken,
Dat si aneverden zorghelike zaken ,
[8115]
En si bi groter avonturen,
In weet bi wat zotter uren
Ofte verwoetheden anelopen.
Ic zie den ghenen, die sal copen
I paert, hi proevet ende beziet;
[8120]
Maer een wijf en can hi niet,
Wat dat men haer doet, bekinnen,
Van wat seden of van wat zinnen,
Soe es, tote dien dat es ghedaen
Ende het niet weder en mach gaen,
Hoe zeere dats berout den man : [8125]
Dan toecht soe hem dat soe can,
Hare costume ende hare sede
Ende hare groote pijnliehede.
Die niet es leit, dinct mi hier bi
Sot, dat hi ghehuwet si. [8130]
35 Goeder w. des s. ghewes. 36 Diere min. 37 Als
38 Diene m. te gheere s. 41 Min d. f. hi minen hode.
42 Dincter mi al segghict node. 43 Of dan menviht
r. w. A. Ochtmen 44 Hoe s. si sc. ombesmit. Tusschen vs. 8244-45 bij C de twee volgende verzen :
Die hem ansprake met onwerden,
Si soudense vriendelijc aneverden.
46 Menich w. 1. ofte s. 48 Souker eer in d.
w. b. 49 voghelen. 50 ofte 51 E. g. eist.
h. beide. 52 Juvenael. 53 Wie dat. 55 voer;
den here ontbr. 56 dan. 57 offere eene coe g.
A. offerde. 58 W. m. w. mach niet s. 52 de q.
61 V. hi h. r. 62 Ruffus.
S 'il iert qui les seust requerre.
Ainsinc le dient li paien,
N'onques nus n'i trova moien ;
Maintes neis par eus se baillent,
Quant li requereors desfaillent ;
Et cii qui font les mariages,
Si ont trop merveilleus usages.
1 Beide Hss. geven den zin van het origineel
zeer onduidelijk terug. Rose, I. 288, 9438 (8724) :
Prodefame, par saint Denis,
Dont it est mains que de fenis,
Si cum Valerius tesmoigne,
Ne puet nus amen qu'il n'en poigne
De grans paors et de grans cures,
Et d'autres' mescheances dures ;
Mains que de fenis, par ma teste,
Par comparoison plus honeste,
Voire mains que de blans corbiaus,
Combien qu'el aient les tors biaus.
Et neporquant, quoi que g'en die,
Por ce que ceus qui Bunt en vie
Ne puissent dire que de queure
A toutes fames trop aseure,
Qui prodefame vuet congnoistre,
Solt seculibre, ou soit de cloistre,
Se travail vuet metre en li querre,
C'est oisel cler-seine en terre,
Si legibrement congnoissable,
Qu'il est au cine noir semblable.
2 Juvenalis, Sat. VI. 47.
8 Vs. 8295-60 geven wederom een geheel anderen zin dan het oorspronkelijke, en dragen blijk
van de slordigheid des vertalers. Rose, T. 289,
9468 (8754) ;
141
A fol. 39 d.-40 a.
Huwen wilde , hi doe seide :
uLieve geselle, dore God, ontbeide,
8265 En werp u niet in wives bedwange ;
Want hets ene quele die doert lange."
Juvenael bescrijft, die oude,
[8165]
Postumusse, die huwen woude : 1
,Postumus, gi wilt nemen wijf :
8270 En vindi niet, segt mi, keytijf,
Nissen te cope ochte corden,
Ende la6t u ane ene galge vermorden ? [8170]
Ochte en condi in engenen dingen
Van enen hogen torre gespringen,
8275 Och in een water u vallen laten ?
Dat quame u vele meer to baton."
[8175]
Die coninc solve Foreneus,
Daer wi ave lesen dus
Dat hi was die gene die sette
8280 Binnen Grieken dirste wette,
Doe hi in sinen doetbedde lach,
[8180]
Ende hi sinen brooder sach,
Seidi : ,Broeder, ic hadde mijn lijf
Behouden noch, en haddic wijf
8285 Noit getrouwet int leven mijn."
Leonce vragede, hoet mochte sijn.
Hi seide : ,Bruder, die manne alle, [8185]
Die noit lagen in wives valle,
Weten die waerheit altemale ;
8290 Ende gi sels oec weten wale,
Als ghi daer toe slit comen,
[8190]
Dat ghi wijf hebt ghenomen."
C. fol. 49 c. d.
Pirs Abeliart liet in sin lesse,
Dat hi woude trouwen die abdesse,
8295 Heilewigen van Parijt, sine vriendinne ; 2
Maer sine woude engenen sinne,
Dat hire genomen hadde te wive [8195]
Ende gehouden to Riven live ;
Want die vrouwe, die hare verstoet
8300 Wel ende oec ten lettren goet,
Si castiene met redene goede,
Dat hi hem van huwene hoede,
[8200]
Ende proeft hem bider scrifturen
Ende bi redenen telker uren,
8305 Wat dingo dat huwelic ware,
Ende to houdene hu sware.
Oec dede hem die vrouwe goedertieren [8205]
V erstaen alle wives manieren,
Hoe goet dat si nemmer scenen ;
8310 Want wel so wiste die gene
Ane hare selven, want an hare
Wisten sie die seden openbare ; 3 [8210]
Maer minne en verboetse hem niet,
Sine wille wale dat hire pliet,
8315 Ja met al selken sinne,
Dat hire so vaste niet valt inne,
[8215]
Dat hi si soe ongemate,
Dat hire omme sine scole late
Ende oec sijn studeren varen ;
8320 Want soe seide home tuwaren,
Datmen meerre bliscap pliet
[8220]
In minnen, diemen selden siet,
8263 H. w. ende s. 64 G. dor der Gods wijsheide.
65 Werpt hu n. in zwijf b. 66 gheduert. 68
69 een w. 71 ofte coorden. 72 an een. 73 Of;
gheenen. 74 springhen. 75 Of. 77 Selve d. c.
Feroneus. 79 I). h. die g. was d. s. 80 die
eerste. 81 was. 82 Seidi s. b. ghelooft das.
83 Seidi ontbr ; ic so. 86 Leonte v. hoe m. dat
s. 87 broeder de m. 88 D. n. en 1. onder des
wijfs v. 89 En w. niet de w. a. 90 E. g.
suitse w. w. Vs. 8291-92 ontbr. bij A 93
Piers Abeliaert. 94 Maer zuster Heilewijf die
abdesse. 95 Van Paradijs sijn v. 95 En wilder
niet comen inne. 99 haer, 8300 W. e. was van
1. vroet. 1 Soe woudem castien m. redenen g.
3 prouvet. 6 hoe. 7 de v. 8 wijfs. 9 datse n.
scene. 10 wiste de g. A. wijst. 11 An haer
zelven wat de h. 12 Wiste soe de waerheit o.
A. wisten. 13 minnen sone verboot so. 14 Soene
w. wel d. soes p. 15 Te draghene met wetenden s. 16 So d. h. niet so vaste inne. A.
iet. 17 En si no so o. 18 D. hi sine s. 1. 19
Studer. 20 hem te waren. 21 meer vrauwen p.
Et qui vuet les males amer,
Dont deca mer et deft mer,
(Si cum Valerius raconte,
Qui de voir dire n'a pas honte,)
Stint essains plus grans quo de mousches,
Qui se recuillent en for rouches,
A quel chief en cuide-il venir ?
Mal se fait 4 tel rain tenir;
Et qui s'i tient, bien le recors,
Il en perdra Fame et le cors.
Pieres Abailars reconfesse
Quo sour Helols, rabeesse
Du Paraclet, qui fu s'amie,
Acorder ne se voloit mie
Por riens qu'il la preist 4 fame.
Dat de naam van het klooster, de Paracleet,
door den vertaler niet begrepen is, blijkt uit de
verknoeide namen : Parjt, en Paradijs.
3 Lees in vs. 8312 met C.
Wiste si die waerheit openbare.
Rose I, 201, 9526 (8812):
Et les meurs feminins savoit,
Car tous essains les avoit.
1 Juvenalis Sat. VI. 28. ssqq.
2 Rose, I. 291, 9510 (8796):
142
A. fol. 40 a. b.
Dan diemen siet in alien tiden.
Ende maect die gelieve meer blide.
8325 Nochtan Firs die minde sere
En liets daer omme min no mere,
[8225]
Ili en trowese sint te wive, Ende was met haren live,
Ende deedse uten cloestre gaen,
8330 Daer si professie hadde in gedaen.
Daer na so quam een ongeval,
[8230]
Daer meester Piers sere of qual,
Want hem worden bi wareden
Sine gegaden ave gesneden
8335 Op enen nacht binnen Parijs.
Doe wart hi monec tSinte Denijs ;
[8235]
In enen cloester sint daer naer So coesmenne abt, dat was waer.
Doe dedi enen cloester stichten
8340 Beide met beden ende met gichten,
Die vernaemt es verrc ende wide,
Ende hietene Paradijs tien tide. 1 [8240]
Daer maecte hi abdesse in
Joncfrouwen Heilewigen, daer sijn sin
8345 Op hadde gerust, geloeft mi das,
Ende die te voren nonne was.
[8245]
Si bescrijft ons selve dat,
Die wile si abdesse sat,
Dat si Pirse haren vrient hiet
8350 Here ende vader ende anders niet ;
Ende dit was selsiene te verstane,
[8250]
Die hare dine nine hadde ane
Gesien noch hare affere geweten,
Hoe siene vader ende here mochte heten.
8355 Nadien dat ic noch verneme,
C. fol. 49. d.-50 b.
So screef si ander dine ane heme,
Al sint dat si abdesse was:
[8255]
#Lieve here, geloeft mi das,
Al ware dat sake dat selve quame
8360 Die keyser van Rome, ende mi name
Tenen wive ende gave sine trouwe,
Ende maecte van alder wereit vrouwe, [8260]
So haddic liever sekerlike,
Dat ic hiete gemeinlike
8365 U pute, hoe sere het ware onscone,
Dan te dragene keyser crone."
In gelove niet tuwaren
[8265]
Dat noit alselke wive waren,
Die soe wel nature kinde ;
8370 Ende sint h6chtanne dat si minde,
Soe was hare harde leet der trouwen ;
Mar hadde Pirs geloeft der vrouwen, [8270]
Ic segge u al sonder waen,
Hine hadde huwelic niet gedaen.
8375 Huwelic es een quaet bant :
Also moete mi helpen de zant
Sente Julien, dies men rouct,
[8275]
Ais men goede herberge souct,
Ende oec Sente Ledenaert,
8380 Daer menich ghevanghene bi ontfaert. 2
Huwelic si vermalendijt,
Dat is noit huwede enichgen tijt! [8280]
Mi hadde geweest beter vele,
Haddic gehangen mine kele,
8385 Dan dat ic nam so behagel wijf,
Die parert aldus hare lijf.
Hulpe ! ic bem meer dan doet,
Wat baet mi u behagelheit groet,
8323 heeft tallen t, 25 Pires. 26 Ende 1. hieromme. 27 Hine trauwetse te w. 30 soe profes in h. g.
31 so ontbr. 32 Fires. 35 afghesneden 35 Up
e. n. te P. 36 moenc. 37 Daer na wart hi ghecoren die. 38 Abot in eenen goeden abdie. 41
vermaert was. 42 Paradijt. 44 Jonefrauwe Heilwiven. 47 Soe beserivet s. d. 48 soe daer a.
49 soe Pieres. 52 niet. 53 ende h. affare. 54 sone.
55 ict n. vername. 56 S. s. seo noch an h.
57 soe. 59 A. waert d. selve de keyser q. 60
Van R. e. m. oec n. 61 sijn. 62 al erdrike.
65 Huwe p. hoet si o. 66 des keysers. 67 Maer
i. g. n. bi mire zielen. 68 D. n make w. gheviele. 69 naturen. 70 nochtan d. s. minden
73 Sone es dan niet mijn w. 74 Dat hi h. adde
g. Vs. 8375-80 ontbr. bij A. Vs. 8381-88 bij C.
In ware mi liever hanghen ghegaen,
[8280]
Dan ic huwelic adde ontfaen, Hoe behaghel ende wijf ic ghecreghe,
Of hoe gheciert allen weghe.
Maer selp hu tkint Sente Marien,
Wat doen hu de cleeder van partien.
1 Rose, I. 292, 9552 (8838):
Une abbile renomee,
Qui du Paraclet fu nomee.
2 De bij A. ontbrekende regels komen wederom bij C. voor, en kunnen blijkens het oorspronkelijke niet gemist worden. Rose, I. 293,
9582 (8868)
Mariages est mans liens,
sains Juliens
Ainsinc
Qui pelerins errans herberge,
Et sains Lienars qui de sferge
Les prisonniers biers repentans,
Quant les voit k soi dementans.
S. Julianus, een heilige uit de IV eeuw, upauperum perigrinorumque susceptor, inde a viatoribus pro bono invocatus hospitio, dicitur Julianus cognomine Hospitator. " Zie Acta SS. Januaril, II. 974 (29 Jan.). De H. Leonard, in het
midden der VI eeuw gestorven, gebruikte de
goederen, hem door Theodebert, koning van Austrasie, gegeven, om gevangenen los te koopen.
Lie Jac. de Voragine, Aurea Legenda, cap. CL.
143
A. fol. 40. b. c.
Ende uwe cledre goet ende diere, [8285]
8390 Diere gi hebt drie pare ocht viere ;
Waertoe es goet dese behagelhede
Het es ene grote sothede :
Mi en canse twent gebaten.
Het ware mi liever vele gelaten; [8290]
8395 Want si letten mi in dien,
Alsic gerne sonde plien
Ure vrinscap ende uwer minnen,
So lettense mi in alien sinnen,
Ende combren mi soe, dat ic en can [8295]
8400 Comen tote dies dat ic began ;
Ende oec en wildi liggen rechte,
Mar wert u met alien gevechte,
Ende met armen ende met beenen,
Dat ic en weet wat gi wilt menen [8300]
8405 Anders, dan mi dunct dat wel,
Dat u niet en begaedt mijn spel. 1
Savons alsic bi uwen live
Slapen ga alse man met wive,
[8305]
Soe ontcleeddi u altemale,
8410 Ende u en blijft, dat weet ic wale,
Ane noch omme dat noch dit
Dan ene lakenne huve wit,
Die u al dat hoeft bedecke.
Die cledere hanctmen op die recke, [8310]
8415 Die hangen tote dien dage daer
C. fol. 50 b. c.
In die locht, dats seker waer.
Nu besiet wat si mi vromen :
Sdages en latense mi to nict comen,
En de snachts en doen si mi gene bate. [8315]
8420 Ay, ondanc hebbic, ochtic late,
Sint si mi en doen geen profijt,
Ic en salse in corter tijt
Vercopen ochte te pande leggen :
Dan sal mi niemene wederseggen. [8320]
8425
Ware oec iemene die dat seide,
Dat behagele cledre ocht scoenheide,
Ochte enichge sierheit van andren saken
Die vrouwen scoenre mochte maken,
Dat seggic dat logene si :
[8325]
8430 Nu hart Kier die sake waerbi.
Besiet die scoenheit vanden rosen,
Van violetten, tidelosen,
Van guldinen cledren, van andren dingen,
Daermen vele mach vortbringen,
8435 Es in hem selven iet die vrouwen,
Dat sijs iet die scoenre sijn entrouwen. 2
Ic wille dat alle wive verstaen,
Dat si meer scoenheden moegen ontfaen
Nemmerme in al hare Leven,
8440 Dan hem onse Here heeft gegeven.
Ic woude dat elke wel verstoede :
Sie soudens te meer sijn op hare hoede.
8389 Die soe costenlijc sijn e. soe d. 90 Ende
d. g. h. III paer of v. 91 die behaghelheide.
92 Hets eenrande verwoetheide. 93 Waer toe
so staet mi te baten. 94 vele liever g. 96 A.
sonde huwer vrienscap p. 97 Huwer joyen
e. u. m. 98 So houden si mi so i. a. s. 99 So
becommert d i. e. c. WO Qualic toecomen dies
i. b. 1 E. ghine wilt legghen niet te r. 3 Met
a. voeten e. m. b. 4 Niet en weetic wat mach
m. 5 dincket wel. 6 Dattu n. behaeght m. s.
8 als m. bi w. 9 ontcleedi. A en cleeddi. 11
An 11. o. d. no d. 12 Sonder e. laken h. w. 13
D. u maer d. h. en decke. 14 hanghen up, 15
Ende laetse toten daghe verwayen. 16 Ende in
de lucht altoes blayen. 18 S. laten si m. niet
t. c. 19 Noch s. doen A. ende d. 20 oft ict
dan 1. 22 In s. 23 of. 24 Al soudijt C wa,erf
w. Vs. 8425-42 bij C.:
Ware oec yeme die seide dat,
Dat ne gheen dine en steet bat
Vrauwen dan doen scone zaken,
Want sise vele scoenre maken.
Dat segghic emmer dat loghen si. [8325]
Nu hoert die zake, waerbi
Die dine, die scone se ende wit,
Eist lelye of rose ombesmit,
Of cleedre van scoenre ziden :
[8330]
Die scoenheit blijft tallen tiden;
In haer selven mach men scauwen :
Die scoenheit en blijft niet den vrouwen,
Dat segghic hu al in goeden moede :
Ic wilde wel dat de verstoede.
1 Rose, I. 294, 9603 (8889) :
Car quant me voil b, vows deduire,
Ge la trueve si encombreuse,
Si grevaine et si anuieuse,
Que ge n'en puis h, chief venir ;
Ne vous i puis 'a droit tenir,
Tant me faites et tors et ganches
De bras, de trumiaus et de hanches,
Et tant vous ales detortant,
Ne sal comment cc va, fors tant
Que bien voi que ma druerie
Ne mes solas ne vous plaist mie.
Lees is V3. P415-36 :
Es in hem selven, niet in vrouwen,
Dat sijs iet scoenre sijn entrouwen.
Rose, I. 295, 9646 (8932):
Car la biautes des beles choses,
Soient violetes ou roses,
Ou drag de sole, ou flors de lis,
Si cum escrit on livre lis,
Sunt en ens et non pas es dames.
Tidelose, bij Kul. tijd-loose, narcissus, en oak :
colchicum, hermodactylus. bulbus agrestis: Graece
ephemeron, et Germ. z itloss dicitur, quod florem
habeat momentaneum fugacissimumque, qui uno die
marcescit. Zie Dodonaens, Cruydt-boeck, P 5 6, vlgg.
144
A. fol. 40 c.
[8335]
Besiet ene kemeneye Swart
Ende sere beroect ende hart,
8445 Sierse met sidinen cledren wale,
Ende parert wel altemale,
Siene sels te scoenre wesen niet
[8340]
Diese ondcr parment wel siet,
Al sciynt si behagel int danescouwen. I
8450 Aldus pareren hem die vrouwen,
Omme die manne te makene Mint ;
Maer siene sijns selve te scoenre twint.
Maer hadde die mensce alse claer die ogen
Alse doet linx, hi sonde dan moegen
8455 Sien vrouwen scoenheit openbare,
Hoe sere si buten bedect ware.
Linx es een dier dat siet aldere
So wat dat hem coemt te yore :
So stare sien heeft in doegen.
8460 Maer onse sien hout ons bedrogen :
Het es so crane, hen cant gedoen.
Daeromme soe lieget visioen
Ende ontweecht ons therte van dien,
C. fol . 50 c. d.
Dat wi die dine niet binnen sien. 2
8465
Ic segge dat noit en was die tijt,
Hen was orloge ende strijt
Tusscen Scoenheit ende Reinichede;
Want daer en was noit tusscen vrede,
So dat deen den andren en laet
8470 Enen voet lants, daer hijt gevaet ;
Mar Reinichede, dat is waer, [8365]
Ende hare partie hebbent te swaer,
Want si en can niet wale striden ;
Ende dandre gaet hare in ale siden
8475 Toe met groeten ongemake,
Dat Reinieheit verliest hare sake ; [8470]
Want Lelicheit hare cameriere
Coemt oec daer, dats hare maniere,
Die te reehte hare dienen soude,
8480 Ende jagetse henen met gewoude
[8375]
Ute haren eyginen huse aldaer.
Dan soe heeft hare onmaer,
Mochtse, dat sire soude verlemen,
Ochte andersins haer lijf benemen. 3
8443 kemeney hart. 44 Onghescepen ende
zwart. 45 Chierse. 46 E. met scoenre paruren
a. 47 Sone sal. 48 D. zonder die parure s.
49 sijn s. b. i. aenscauwen. 50 de v. 51 Om te
m. de mannen b. 52 Anders en scoensi niet I.
t. A. siens. Vs. 8453-70 bij C.:
Maer die sijn oghen adde also goet, [8345]
Ende also claer alse linx doet,
Mantel, no roc, no ander elect
En(de) decketse met eere saerge ghereet.
Al dore die cleedre al te male,
Hoe dicke soe ware ende hoe wale [8350]
Ghecleet, leidire an mere;
Want Boetius, die clere,
Ende oec Aristotiles
Segghen ons, so wat dinghe dat es
[8355]
Dat men linx toghet yore,
Dat ziet bander siden dore.
Noch segghic hu, wildijt weten,
Dat groet orloghe ende vermeten
Es altoes tusschen desen beede,
Dats Scoenheit ende Reinichede. [8360]
Dese so sijn tallen tide
Onderlinghen in zwaren stride,
Dat deen den andren niet en laet
Voet lams, daer hijs begaet.
71 M. Reinicheit dats w. 73 W. soene c. n. wel s. 74
dander. 75 Ende dan laet R. h. s. 76 Ledicheit. 78
Comt o. toe d. haer m. 79 D. haer met r. d. s.
80 E. jaechse m. g. 81 heyghenin h. daer. 82 D.
es hare so zwaer. 83 Dat soe hare vrauwe
soude verbemen. 84 Moeht soe of anders tlijf n.
/ Rose, I. 295, 9657 (8943):
Qui vodroit un fender covrir
De dras de soic on de floretes
Bien colorees et bien notes,
Si seroit certes li femiers,
Qui de puir est coustumiers.
Femier is, hoewel zonder schade voor den zin,
door schoorsteen vertaald, en als fumier, fumarium
aangezien, terwijl de oorsprong van het woord
niet in fumus maar in fimus, mest, te zoeken is.
2 In den oorspronkelijken tekst is eene lange
uitwijding over den lynx van vs. 9680-9705,
welke in beide Hss. zeer is bekort. Dat de
tekst van C weder meer met het origineel overeenkomt, blijke uit Rose, I. 297, 9698 (8984) :
Ainsinc le raconte Boece,
Sages lions et plains de proece,
Et trait h tesmoing Aristote,
Qui la parole ainsinc li note ;
Car lins a la regardeure
Si fort, si percant et si dure,
Qu'il volt tout quanque l'en li moustre,
Et defors et dedans tout outre.
3 In vs. 8477 bij C verkeerdelijk : Ledicheit
Rose, I. 298, 9723 (9009) :
Leidors nes, sa chamberiere,
Qui li doit honor et servise,
Ne l'aime pas tant ne ne prise,
Que de son ostel ne la Chace,
Et li tort sus, au col la mace,
Qui tant est grosse et tant li poise,
Que mervcilleusement li poise
Dont sa dame en vie demore
La montance d'une sole hore.
Verlemen in vs. 8483 is bij Kul. mutilate,
truncare.
145
A. fol. 40 c. d.
8485 Pus heeft tachter Reinicheide ;
Alsise assellieren beide
[8380]
Ende hare gaen ane in allen siden,
Soe moetense vlien ende latense liden ;
Al hadsoet ghezworen diere,
8490 Soe moet laten in diere maniere ;
Want hare vechten en mach niet dieden
[8385]
Jegen die macht van so vele lieden. 1
Gonnert warde Lelicheide,
Dat si nie op Reinicheide
8495 Orlogede dus al sonder noet.
Tusscen themde ende tfleesch al bloet [8390]
So en legt hare mesquame,
Daer si ane huet die name. 2
Scoenheit es blamerens wart,
8300 Want si soude hebben lief ende wart
Reinecheden, ende soude maken
Tusschen hem paixs van alle saken ;
Ten minsten soud sijs doen haer macht.
1Vaer sijs vroet ende wel bedacht,
8505 Si soude hare manscap doen ende ere,
Also man es sculdich siren here ;
Want wie vinden gescreven dus
[8400]
Int seste boec Virgilius,
Van Sibillen auctoritheit :
8510 So wie dat leeft in reinicheit,
C. fol. 50 d.-51 a.
Hine mach niet sijn gedamnert. 3
Gi vrouwen, dit exempel leest !
Daer omme seggic, geloeft mi das, [8405
Dat noit en goon wijf en was,
8515 Die hare solve scone woude maken
Met bestrikene van enichgen saken,
Ende pareerde hare dagelike
Emmer even behagelike,
Ende in spegle sach na dat,
[8410]
8520 Om hare te parerne bat, Dat sijt elre om en dede,
Dan sire Renicheden mede
Orlogen woude ute haren laude.
Reinichcit heeft vele viande :
[8415]
8525 Beide in cloestren ende abdien So hebben si alle met partien
Gesworen jegen hare te male
Hoe vaste gesloten ende hoe wale
Si sijn, si haetense nochtan al,
[8420]
8530 Ende ver Venus heeft tgeval ; Want si hare doen manscap alle.
Sine pensen twent van mesfalle,
Groete behagelheit si alle plien,
Pats om dat, alse wi sien,
[8425]
8535 Dat onse herte sal binnen
Al ontsteken van haerre minnen.
Hier omme so gaen si behagelike
8485 D. hevet t. Reinichede. 86 assailgieren
bede. 87 g. toe. 88 Moot soe v. e. laten 1.
Vs. 8489-90 ontbr. bij A. 88 adsoet. 91 W.
haer worstelen m. n. d. 92 van hem 1. 93
Geonnecrt werde Ledichede. 94 D. soe n. up R.
07 Sone 1. haer maer do m. 98 D. soe of hevet
de n. Vs. 8499-8306 bij C.:
Scoenheit es oec to lachterne mode,
Dat soe den raet niet en dedc,
Dat goet pays tussclien hem ware;
Want en ghebreect maer an hare.
Ware soe hovesch, vroet ende wigs,
Soe daet, want het waere haer prtjs.
8 Inden sesten boucken V. Vs. 8509-12:
Daer hi van Sibilen vermaent,
Dat hi wel weet ende niet en waent,
Dat noit verdoomt wijf up erdrike
En was, die haer hilt reinlike.
11 A. sijn ontbr. 13 D. o. s. hu g. d. 14 gheen.
Vs. 8515-16 ontbr. 17 Maer p. soe haer d.
18 neven. 19 spieghele. 20 pareerde. 21 D. soot
e. bi hiet d. 22 D. soerc mode Reinichede. 23
wilde huut. 24 Reinichede. 25 In c. e. in a.
26 H. si hem m. p. 29 A. sin. 30 e'er V. soe
hevet tghetal. 31 W. s. doen haer m. a. 32 S.
peinsen van gheenen m. 33 Groeter b. si p.
34 Ende d. omme d. als wise s. 35 D. wi dan
sullen van b 36 0. sijn, met h. m. 37 so ontbr.
1 Lees in vs. 8488 met C.:
Soe moetsi vlien ende latense liden.
Rose, I. 298, 9734 (9020) :
Si n' a de mile part secors,
Si l' en esiuet foir le cors ;
Car el se voit en l'estor seule.
S'el l'avoit jure sits sa gueule,
Seust neis asses de luite,
Quant aucuns encontre li luite,
N'oseroit-ele contrester,
Si qu'el n'i puet riens conquester,
Vs. 8489-90 ontbreken wederom bij A.
2 De zin van vs. 8496-98 is in beide Hss.
onverstaanbaar, en misschien_ door het uitvallen
van eon paar regels geheel bedorun. Het origineel levert eon goeden zin op. Rose, I. 298.
9742 (9028) :
Laidors ait ores mal deh6,
Quant si guerroie Chaste&
Que desfendre et tenser (last;
Neis se mucier la past
.Entre la char et sa chemise,
Si l'i deust-ele avoir mise.
3 Rose, I. 299, 9760 (9046) :
Que nus qui vive chastement
Ne puet venir b dampnement.
10
146
A. fol. 40 d.-41 A.
Achter straten dagelike,
Omdat si besien willen die man,
8540 Ende weder van hem besien sijn dan. [8130]
Te waren sie soudens hem ontien,
Lietmense gaen sonder besien. 1
Dese wijf doen lachter ende onnere
Goede, onsen lieven -here,
8545 Sonder redene ende met onmaten, [8435]
Dat si hem niet genogen laten
Metter scoenheit al haer leven,
Die hem onse Here heeft gegeven ;
Mar dragen cireit menichfout,
[8440]
8550 Bont, graeu, selver ende gout,
Hoede van bloemen om hare scoenhede,
Om hare hoverde te drivene mede.
Si dragen gerne dat hem best steet,
Maer hem es utermaten leet,
8555 Dat onse Here van hemelrike [8445]
Noit maecte van scoenheiden haer gelike, 2
Ende verwerkenre mede Goede,
Ende breken oec die tiene gebode.
Sonder twifel ic lachtre sere
8560 In menegen man, in menegen here, [8450]
Dat si hen met behagelheiden
Scoenre willen vele bereiden,
Danse heeft gemaect onse here God.
Sekerlike, sie sijn wel sot
[8455]
8565 Ende mesgripen harde sere,
A. fol 51 a. — c.
Dat si boven onsen Here
Hem selven scoenheit willen geven.
Ic wille cledren al mijn leven
Dragen, die gevoegelic sijn.
8570 Aexgrau ende lambijn 3
[8460]
Soude mi alse wale sonder sceren
Coude ende regen weren,
Alse mi soude bout ende scarlaken ;
Mar gi die wilt maken
8575 Die goede mantele sabelijn, [8465]
Scarlaken cleder ocht camelijn,
Die u sloien achter straten,
So dat gi die liede gelaten
Niet en cont neven u geliden,
[8470]
8580 Voren, noch achter no besiden, Gi en stieft hem dogen vol mouden :
Desen cost soe moet ic houden. 4
Mar snachts, aisle bem gegaen
Slapen ende hebbe utegedaen
[8475]
8585 Mine cleder, ende dan gi
Sijt gelegen neven mi,
Ende ic jegen u speelde gerne,
So pijndijs u altoes te werne,
Ende maect u siec ende croent mede.
[8480]
8590 So vele maectijs dat mi die lede Vercolen ende ic liggende blive,
— Dits die nature van uwen live —
Soene dar ic u niet assellieren,
8538 moylike. 39 den man. 40 E. w. b. sijn
van h. d. 41 Maer t. w. 42 Up dat mense niet
en woude b. 43 Maer zekerlike verstaet mi bloot.
44 Dese wijf doen lachter groot. 45 Gode met
groten ommaten. 46 A. niet ontbr. 47 Mettier.
48 D. h. God h. g. 49 draghen cierheit. 51 Hoede
van bloemen om haer s. A. Bloemen van hoeden. 52 E. hoverde t. driven m. 53 Daer soe
mede achter straten gaet. 54 Hare e. u. 1. 55 D.
God o. h. 56 Nie m. v. s. hare g. 57 verbelghenre. 58 werken jeghen sine g. 59 lach-erne.
61 hem. 62 vele W. bereeclen. 03 onse here ontbr.
64 Sekerleke die dinct mi s. Vs. 8565-72 bij C.
[8455]
Maer dat latic varen al.
Ic prise voer groet gheval,
Dat mi God behouden woude
Jeghen reghen ende jeghen coude,
So dat mi dat niet en deerde.
[8460]
Een graeu elect, dat mi werde
Wint, haghel ende reghen,
Prijsdic also zeeren in allen weghen.
73 A. oft ware een root s. 75 D. g. cleedre s.
76 Scaerlakene mantel of ermerijn. 77 D. hu
slepen. 78 lieden. 80 V. a. no bezide. 11 Ghine
stuuft h. d. al vul m. 84 S. ende hunt h. g.
A. en. 86 Ligghen comt daer bi mi. 87. ic ontbr.
88 So ontbr. 89 Ghi m. 90 mine 1. 91 Vercoelen. Vs. 8593-94 ontbr.
1 Rose, I. 300, 9783 (9069) :
Car P, nule ce ne Mist,
S 'el ne cuidast qu'en la vest,
Et que par ce plus tost pleust
A ceus que decevoir peust.
I Rose, I. 300, 9803 (9098) :
Et se pense en son fol corage,
Que moult li fist Diex grand outrage,
Qui, quant biaute li compassa,
Trop negligemment s'en passa.
3 Aan den voet der bladzijde bij A. leest
men :
Ascgraeu ende lamberijn,
welke lezing beter is dan die in den tekst.
4 Rose, I. 301, 9827 (9113) :
Mes deniers, ce me semfde, pers
Quant ge, por vos robes de pers,
De camelot on de brunete,
De vert on d'escarlate achete,
Et de vair et de gris la forre;
Ce vous fait en folie encorre,
Et faire les tors et les moos
Par les poudres et par les hoes,
No Dieu ne moi riens ne prisies.
147
A. fol. 41 b.
Dat ic ten spele sonde faelieren. 1
8595 Maer alte sere so wondert mi
\Vele dat u gelaet dan si,
[8485]
Alse comen in u gelede
Die ribaude, ende metten cleede
Nemen ende danne met hem gaet,
8600 Ocht gi hem toent selc gelaet,
Ende selc gewranc ende selc verdrach,
Alse gi mi toent nacht ende dach. 2 [8490]
Negi ! gine sijt dan niet crane,
Gi gaet met hem al makende sane,
8605 Ende al pringende, dats u maniere,
In die bossce ende in vergiere,
[8495]
Met uwen onwarden putieren,
Die dat hebben van manieren,
Dat si dese gehude vrouwen
8610 Leiden met hem to haren rouwen
Achter bossche den dau afslaen.
Met luder stemme si singen gaen : [8500]
u Ondancs hebs die vilain wihot, 3
Die es so jaloes ende soe sot !
8615 Tvleesch es nu den wulven gegeven,
Die beene sijn den honden bleven."
Dese scande, pate, ende dit verdriet [8505]
Es mi algader bi u gesciet.
C. fol. 51 c. d.
Ghedsat hebbe u quade vel,
8620 Vule vrouwe, dat gi so wel
Levert u lijf den puticren,
Dat so vuel es van manieren.
[8510]
Acharme, lase ! ende bi al desen
Soe doedi, mi in dordine wesen
8625 Van sinte Arnouts broederscape, 4
Daer menich ongevallich cnape
Mede daer binnen es ontfaen,
[8515]
Die wettegen huwelic heeft gedaen ;
Want van M., die ic meene,
8630 So vintmenre binnen came ene,
Sie en spelen al dat spel
Die wile sire toe doegen wel ;
[8520]
Ende alsiere toe en doegen meer,
Sone hadden si den wille noit eer
8635 So groet als si hebben nu.
Juvenael segt, dat seggic u,
Die wel spreect van desen ambachte, [8525]
Dat engene sonde so sachte
Noch mendre dan dese en si:
8640 Die wive houdenre hem an bedi,
Want het raed hem hare nature,
[8530]
Ende hare herte soe es al ure
In dien gepense, dat verstaet,
8595 M. arde zeere w. m. 98 Dese r. 99
Houden e. dan. 8600 Of g. h. toecht al sale g.
I E. sale vernoy e. sale v. 2 Als g. m. toecht.
3 Maer neon ghi g. s. n. so c. 4 mekende. 6
in die riviere. 7 onwerdeghen putiere. 8 maniere.
9 ghehuwede. 10 Leden. 11 of. 12 Ende dan so
segghen si zaen. 13 Ondanc. 14 D. so j. es. 16
En tie b. 1? D. s. die mi es ghesciet. 18 E. bi
hu ende bi el niet. 19 Godsat. 21 Leant hu 1.
d. pautenieren. 22 vul. 23 Achaermen bi a. d.
24 Soe ontbr. 25 In sente A. b. 27 M. in es
ghegaen. 28 wettegen ontbr. 30 Esser c. binnen
e. 81 Sine doen hem alien s. spel. A. ende. 33
nemmeer. 35 goet so s. 38 ne gheene. 39 minder.
40 De A. hem ontbr. 41 W. hem hare n. hiet.
42 E. h. h. wats ghesciet. 43 Es in dien d. v.
1 Rose, I. 301, 9846 (9132) :
Tant souspires, tant vous plaignies,
Et faites si le dangereus,
Que g'en deviens si paoreus
Que ge ne vous ose assaillir,
Tant ai grant paor de faillir.
2 Rose, I. 301. 9851 (9137) :
Quant apres dormir me resveille,
Si me vient 4 trop grant merveille,
Comment ces ribaus i avienent,
Qui par jor vestue yeas tienent,
Se vous ainsinc vous Mort&
Quant avec eus vous deportes,
Et se taut for faites d'anuis
Cum h moi de jor et de nuis.
3 Wihot, hoorndrager, bij Roquefort. Gloss. II,
742: ,, Whihot, homme dont la femme est infidele,
coca." Verg. Du Cange (Ed. Henschel)VI 919, i. v.
waar verscheidene plaatsen zijn vermeld.
4 Rose, I. 302, 9877 (9163) :
Par vous, par vostre lecherie
Sui-ge mis en la confrarie
Saint- Ernol, le seigneur des cons.
Waarom juist Sint Aernout de patroon der
bedrogene echtgenooten is, kan niet met zekerheid gezegd worden. Verg. de aanteekening bij
Meon. II. 228; Francisque Michel, I. 302; Du
Cange (Ed. Henschel), I. 404, i. v. ARNALDUS,
waar de volgende plaats wordt aangehaald uit
Joan. Venettens. Carmel. in de Hist. triunt Mariarum, waar de H. Joseph aldus sprekende
wordt ingevoerd :
Helas dolent, et que feray,
Pour ly de tons gabbe seray,
Et sire Hernoux aussi dame.
Zie nog Barbazan, fabliaux et contes, 111,30
Le Grand d'Aussy, Fabl. et contes, IL 322.
WILLOT,
148
A. fol. 41 b, c.
Altoes te doene na quadere quaet.
8645 Men heeft gesien gehuwe liede,
Dat hen duvelie gesciede,
Ende sie bi haren stiefsoene lagen, [8535]
Ende broedere ende kindre van hem dragon. 1
Alle wive so sijn puten,
[8540]
8650 Ic en latre engene buten,
Ocht in daede, ocht in wille,
batter engene en swiget so stille. 2
Dit voordeel hebben alle wijf.
Het es hem te doene harde stijf
8655 Hier af te keerne tenichgen dage, [8545]
Noch dore stote noch dore slage ;
Maer scande doet hem dicke laten,
Pat si hem daer af gematen.
Mar uten wille met genen dingen [8555]
8660 Soe en machse niemen bringen,
Sine wildenre vrouwe af sijn algader. 3
Nu helpe God, die hemelsce vader,
Wat magic doen met dien putieren,
[8560]
Die mi dus dagelics asselgieren 8665 Ende doen hebben dus swaren moet?
Dreidicse, waertoe waert goet ?
Sine geven om mijn dreigen niet.
Vechtic jegen hem oec ict,
Soe mochten si mi lichte verslaen : [8555]
C. fol. 51 d 52 a.
8670 Mi es dan beter tlaten staen ;
Want sie sijn in quaetheiden stout,
Ende jonc ende sot, ende ic been out.
Hare joget si onstecse sere,
Dat si waenen weesen here,
[s570]
8675 Jaes Rolant ochte Hercules,
Ochte Samsoen, dies sijt gowns.
Hercules hi was nochtan
Een die stoutste, starcste man,
[8575]
Diemen in die werelt vant.
8680 Hi versloech met sire hant
XII vreseleke diere,
Die wonderlic hadden die maniere;
Mar dat dartiende en conste hi
[8580]
Niet verwennen, geloves mi,
8635 Dat was Dyanira sine amie :
Hine conste noit verwinnen die ;
Maer si dede hem selke pine
Met enen hemde van venine,
[8585]
Dat hi hem warp in eon viere,
8690 Ende verberne hem selven sciere.
Dus bleef doet die starke degen,
Die menegen kempe hadde verslegen ;
Ende Samsoen al die gelike
[8590]
Bleef oec doet jamerlike
8695 Onder die heidine, fel ende wreet,
8614 quade. 45 huwelic 1. 46 hem. 47 Dat si.
48 E. maecten naghemaghen. Na vs. 8618 bij C.
de twee volgende:
Broedere ende kindere teenen male,
Pit en voechde te rechte niet wale.
49 wiven die s. p. 50 In darfer niemen buten
sluten. 51 Of in woerden of i. w. 52 Hoe zeere
dat si zwighen s. 53 voerdeel h. alien. 54 Hets.
55 of; daghen. 56 No dor steken no dor slaghen.
57 M. s. son doet h. 1. 58 sire hem of g. Tusschen vs. 8659— 60 ontbr. bij C de volgende verzen:
Maer zeker sijts, diere of duren
[8550]
Ende breken hare naturen,
Die van complexien in hem si,
Sijn wel werdech, gheloves mi,
Alles goets ende alre eeren,
Ende haren wille in dogheden keeren.
59 Want u. w. m. eenighen d. 60 Machmense
arde qualijc b. 61 Dit willic laten varen a. 62
Maar G. h. v. 63 desen ribauden. 64 D. nl. daghelijcx assaeuden. 65 dus ontbr. 66 Dreeghicse
w. eist g. 67 dreeghen. 63 Vochtic. 69 So ware
mi te vele mesdaen. 72 Si sijn j. ende ic b. o.
73 H. joecht die ontsteecse so s. 75 Ja R. ofte.
76 Ja S. 77 die w. 78 scoenste ende die stercst
m. 81 wonderleke. 82 die ontbr. 83 dertiende.
84 verwinnen. 86 Nie en consti v. d. 87 Son.
heeftene ter doot ghepijnt. 88 M. e. h. gheve
nijnt. 89 eenen v. 90 Van pinen ende verbened.
s. 91 de sterke. 92 A. verslege. 93 E. Sampsoen a. diere g. 94 Hi b. d. zwaerlike. 95 0. d.
Philistiene w.
I Rose, I. 301, 9895 (9181) :
Car for nature for commande
Que chascune au pis faire entende.
Ne voit-l'en comment les marrastres
Cuisent venins s for fillastres,
Et font charmes et sorceries,
Et tant d'autres grans deablies,
Que nus n'es porroit recenser,
Tant i seust forment penser.
2 Deze beruchte uitspraak van Jean de Meung luidt
aldus in het origineel, Rose, I 304, 9903, (9189):
Toutes estes, seres, ou futes
De fait ou de volente putes;
Et qui bien vous encercheroit,
Toutes putes vous trouveroit.
De lezing van C in vs, 8652 is Terre boven
die van A to verkiezen.
3 De bij C ingeschoven verzen zijn denkelijk
om de te harde uitspraak to verzachten. Rose,
I. 305, 9907 (9193) :
Car qui quo puist le faire estaindre,
Volente ne puet nus contraindre.
Tel avantage ont toutes fames
Qu'el sunt de for volente dames ;
L'en ne lar puet le cuer changier,
Por batre ne por ledengier;
Mais qui changier les for peust,
Des corn la seignorie east.
149
A. fol. 41 c.-42 a.
Omdat hem Dalyda afsneet
Sijn haer, want alst was bescoren,
Haddi al sine cracht verloren.
[8595]
Hier bi doe ic sotheit groet,
8700 Dat ic mi pine teneger noet
U te castiene iet een twent;
Want alse gi uwe ribaude vent,
So seldi over mi hen clagen:
[8600]
So magic lichte worden geslagen
8705 Mijn hoeft ontwee oft mine arme.
Ay mi lase, owi wacharmen!
Dat ic u noit met ogen sach,
Dat was mi een drove dach, —
Ende ic in scanden dus moet leven. [8605]
8710 Bi Gode, ic duchte, ic sal u geven
Noch so grote sware slage,
U en selen u buren noch u magen
Gehelpen noch mi genemen connen
Ay lase, alse gi mi slit ontronnen, [8610]
8715 Ende coemt onder uwe putieren,
Die u smeken, dats hare manieren,
So sijn si meester ende here van u,
Dat ic met rechte soude wesen nu,
[8615]
Die u voede, scoie ende cleede;
8720 Mar in ben te miners leede;
Mar die ribaude mindi sere,
Die u doen lachter ende onnere,
Die u nemen it goeden name;
Maer gine ontsiet scande no blame, [86201
8725 Alse gi te gadre sijt gelegen,
Ende hebt arm om hals geslegen.
Dan tonense u wel grote minne,
C. fol. 52 a
Daer si luttel hebben inne ;
Want achter u soe eist ute,
[8625]
8730 Ende heten u danne quade pute. 1
Waendi om die joie van uwen live
Ocht van enen anderen quaden wive,
Dat si daeromme uwes iet geren ?
Neon si niet, si maken haer sceren [8630]
8735 Met u ende met uwen gelike,
Die hem dunct van haven rike,
Ende bliven ane u om die juwele,
Die gi hem geeft to baron dole,
[8635]
Gordele, borsen ende vingerline,
8740 Endo goede broeken diere ende fine. 2
Waendi dat mi niet ne deert,
Dat tmine vart dus hinderwart ?
Jaet, en trouwen, dat verstaet !
[8640]
Maer also gi ter feesten gaet, 8745 Eest ten danse och tandren spele,
So dragedi cledre met u vele,
Endo thoeft bewart gelijc ere hoere
Met huven ende met doresnoren,
Ende met chapielen met guldinen sparken, 8
[8645]
merken,
8750 Die wert sijn te
Dat ic u gecocht hebbe al,
Hier bi es mine bliscap smal,
Dat gi des niet en wilt ontberen :
Bi Gode, can ic, ic saelt weren.
[8650
8755 Nu segt mi, waertoe es mi goet
Die scone garlange, die gi doet
Op u hoeft to meniger stede,
Ende die guldine huven mode,
8696 ofsneet. 98 So h. s. c. v. 8701 U t. c.
altoes hiet. 2 W. als g. u. r. ziet. 3 Suldi hem
o. mi c. 4 Dan m. 1. werden verslaghen. 5 of
m. aermen. 6 A. lacen o. wachaermen. 7 nie. 9
Dat ic dus daeromme m. 1. 12 Hnwe ghebure
n. huwe maghe. 13 En sullen hu gliehelpen c
14 Maer lacen als. 15 hu putiere. 16 Ende u s.
d. haer maniere. 20 Maer ic ne bem. 21 dese.
22 D. u niet en d. dan o. 23 hu goede. 24 Dies
ghi hebt cleene scame. 26 arem. 27 D. segghen
si hu g. m. 28 lettel. 30 E. h. hu q. dierne
ende p. 31 de j. 32 Of v. e. anderen q. w. A.
anderen ontbr. 33 iet ontbr. 35 huwer g. 36 D.
h. dinken wesen r. 37 an hu. 39 ende ontbr. 40
E. g. vetselen guldine. 41 en dert. 42 D. tmijn
v. d. in der wert. 43 dat weet wel. 44 M. als
g. gaet daer es spel. 45 Eist to d. of t. s. 46
Dan draechdi cleedren an hu v. 47 puten. 48
Wanneer dat ghi comt buten. 49 E. chapele
m. g. s. 51 Die. 53 D. g. dit moot antieren. 54
Ende ics niet en can verweeren. 55 w sijn g. 56
D. garlande. 57 Up hu h. 58 Entie.
1 Rose, I. 307, 9989 (9275) :
Par devant dient qu'il vous aiment,
Et par derrier putain vous claiment.
2 Rose, I. 308, 10004 (9290) :
Ains est por ce tant solement
Qu'el ont le deduit des joiaus,
Des fremaus d'or et des aniaus,
Et des robes et des pelices.
De fremaus d'or, d. agrafes, zijn in A zeer
goed vertaald door broeken, of wel broken, Fr.
broches; bij C door vessel, I-id. vessel, Mhd vezzel,
Eng. fetter, samenhangende met ons veter, bij
Kil. catena.
3 In het origineel veel korter. Rose, I. 308,
10012 (9298) :
Vous i portes qui vaut cens livres
D'or et d'argent sor vostre teste,
Et commandos quo Fen vous veste
De camelot, de vair, de gris.
De doresnoren in vs. 8748 vindt men denkelijk terug in vs. 10020:
Ces coiffes 4 dorees bendes,
huiven met vergulde banden (snoeren).
150
fol. 42 a. b.
[8655]
Die scone camme van yvore, 8760 Ende die spiegle goet ter core,
Ende die capiele wel geraect,
Ende die crone van goude gemaect,
Beset met goeden steenen diere,
[8660]
Robine, mirauden ende saphiere,
8765 Wat vromet mi dat gi hebt ghenoech,
Diere gorlele na u gevoech,
Ende die gi draecht alden dach,
Ende daer so vele of coste tbeslach ? 1
[8665]
Alle dese behagelheit groet,
8770 Soe helpe mi God ende sinte Benoet,
Salic vercopen in drien dagen,
Hoe sere gi weenen moeget ende clagen;
Ende meer laten tuwer noet
[8670]
Dan enen roc ende een surcoet,
8775 Ende enen doec van gioven webbe,
Oec vanden groefsten dat ic hebbe,
Ende enen rieme van written ledre,
Ende u surcoet oec sunder vedre.
Ende oec sal ic u malcen doen
[8675]
8780 Twee groete gebondene scoen
Van miners alder oudsten hosen :
Dan so seldi sijn vercosen
Van desen ribauden, die u volgen
Ende al tmine gerne verswolgen.
[8680]
8785 Nu segt mi dies ic u vrage :
Die cleder, die gi in Sondage
C. fol. 52 c. d.
Daedt arse, doe gi ten danse ginct,
Van wien waest dat gi se ontfinct ?
Van mi, bi Gode, en quamense u nie! [8685]
8790 Gi seit mi dat u gaf die
IJ vader, ende sworet sere
Bi Gode onsen lieven here,
Dat hise u gaf, omdat hi woude_
[8690]
Dat ic mijn gelt sparen soude ;
8795 Maer dits al logene ende sagen. 2
Bi mire sielen, ic sals vragen.
Mar wat soude mi helpen dat?
U moeder, die queue, die Godsat
[8695]
Hebben moete op al hare lode ,
8800 Heeft met u ter meneger stede
Geweest, si souts lien al.
God die geve hare ongeval !
Die quade, oude, verleide pute,
[8700]
Die u so dickent geleit heeft ute
8805 In pelegrijnmaedsen, in bedevart,
Si wilt u houden na haren art
Ende leren u van haren spele,
Dies si heeft geplogen vele,
Ende nu moet altemale vergeten. [8705]
8810 Menich hont so heeft gebeten
An haren staf in menich dorp,
Maer nu laetse u den worp
Ende leid a over al te stiere. 3
Verbernen moetse in quaden viere, [8710]
8760 Entie spieghele. 61 Entie saphele. 62
Entie. 63 B. m. ghesteente d. 65 Ende w. so
vromen mi doch. 66 Dese g. die ghi bebt noch.
67 Entie. 68 of. 69 Al d. behaghelheide g. 70
Also h. m. sente B. 71 binnen 1II d. 72 mooght
of c. 73 E. nemmeer ha 1. ter n. 74 soreoot.
75 grouwen. 76 Ja v. 77 riemen. 78 Hu sorcoet
sal sijn s. v. 80 ghebonden. 81 alre. 82 D. suldi
s. vercopen. 84 E. dat mine. 85 Maer nu. 86
cleedre d. g. nu in S. 87 an. 88 V. w. dat ghi
die o. 89 V. m. sone quamen si u n. 91 zwoeret mi s. 92 Bi Phildeberte ende bi Ludomere.
95 M. dat sijn loghelike s 99 al onthr. 880n Soe
h. m. hu te m. s. 1 soe. 2 God. 3 verleefde p.
4 leedet hute. 5 pelegrimagien. 6 Soe wille u
h. n. h. aert. 8 D. soe h, ghepleecht soe v. 9
Ay mi men moet al v. 12 laetsoes. 13 E. leet hu
harentare te stiere. 14 God verberrents metten q. v.
I Rose, I. 308, 10019 (9305) :
Que me revalent ces gallendes,
Ces coiffes 4 dorees bendes,
Et ces diore treceor,
Et ces yvorin mireor,
Ces cercles d'or bien entaille,
Precieusement esmaillie,
Et ces corones de fin or,
Dont enragier ne me fine or,
Tant sunt beles et bien polies,
Oh tant a beles perreries,
Saphirs, rubis et esmeraudes,
Qui si vous font les cbiéres baudes ?
Ces fremaus d'or h pierres fines
A vos cols et it vos poitrines,
Et ces tissus et ces ceintures,
Dont tant coustent les ferreures
Que l'or, que les pelles menu es
2 Rose, I. 309, 10070 (9356) :
Vous m'aves jure saint Denise
Et saint Philebert et saint Pere,
Qu'el vous vint de par vostre mere,
Qui le drap vous en envoia;
Car si grant amor is moi a.
Waarschijnlijk moet men lezen in vs. 8791:
U moeder en in vs. 8793 :
Dat sise u gaf, omdat si woude.
Van een vader is in het origineel geen sprake.
3 Rose, I. 310, 10093 (9389)
Autrefois Is ceste hart torse
De maint mastins a este morse,
Tanta diver's chemins tracies ;
Mes tant est ses vis esfacies,
Que ne puet riens faire de soi,
Si vous vent ores, bien le soi,
151
A. fol. 42 b. c.
8815 Datse hier coemt so dicke ende geet.
Nuwe bedevart si menichge weet :
Ic weet algader hare covine : 1
Si pijnt hare makereel 2 te sine ;
Omdat soere selve nine doech toe,
8820 Soe houtse u geparert alsoe
Gelike den orse op den stal,
Om datment vercopen sal : 3
Aldus vercoepse u uwen putier.
[8715]
Helpe, hoe magic langer hier
8825 In dusdane scande geduren,
Ine slae u doet nu ter uren
Dan geet, geselle, dat weet wel,
Die wantrouwele dorper fel
[8720]
Ende gegrijpse in dat haer,
8830 Ende trecse daer met hier ende daer,
Achter huse ende achter vlore,
Ende geeft hare menichge quade hore,
Ende kerijt met hare den eren. 4 [8725]
Hare onsculdichgen ende hare sweren
8835 ER can hare niet in staeden gestaen,
Hine gaese blouwen ende slaen,
So dats hare wart te vele.
Dan laet si utegaen hare kele,
[8730]
C. fol. 52 d —53 a.
Ende roept, wat si verluden can,
8840 Hulpe over haren man.
Dan coemen die geburen toe,
Diese scieden, wisten si hoe,
Daer hi hare geeft menichgen stoet ;
[8735]
Doch nemense hem met pinen groet,
8845 Dat hire niet te doet en sleet.
Daer verwijtse hem al datse weet,
Ende en spares een twent niet
Vore die gene diese daer siet,
Ende die quamen ten gescede,
8850 Diese over sotte houden beede.
Ende alse dit die vrouwe versteet,
Dat mense dus torment ende sleet, [8740]
Waendi dat sine mint te meer
Neen si niet, si woude vele eer,
8855 Dat hi den duvel volen ware
Ende hi meer en quame te hare,
Ende hi hinge met enen draede
Ane die wolkine in Gods genaden.
Al heeft hi twee hondert jaer,
8860 Hine mochte gepensen niet dien vaer
Noch tvernoy daer hi in heeft
Vs. 8815-19 ontbr. Vs. 8820-26.
Ghepareert ende bereet al,
Ghelijc eenen orse dat men sal
Vercopen ende ghetesuwet steet,
Aldus sidi, alsoe gheet
Daer soe hu leet te huwen putieren ! [8715]
Helpe, hoe maghict ghevieren,
In sloughe hu al te stickelinen,
Dat hu mochte al hu leven scinen.
Ys. 8825 ontbr. bij A. en is door mij in den
tekst ingevoegd.
27 gaet g. dan. 28 wantrauwel. 30 daer bi.
31 A. h. e. daer hute. 32 E. g. haer menighe elute. 83 den neren. 34 Al haer o. e.
haer s. 35 haer n. te s. s. 36 H. gaetse toe
so zeere s. 37 Dats haer werdet al te male.
38 soe huut gaen h. k. 39 soe gheroupen.
40 Helpe, helpe. 42 Dan scieden si in den noot.
44 Ende n. Vs. 8845--48 ontbr. Vs. 8849-56
bij C :
Doch houden sise over zod beede,
Wie dat daer comt ten ghesceede.
Ende wanneer die vrauwe verweet
[8740]
Tfernoy, dat haer over gheet,
Ende tgroete leet daer soe in si,
Dan wilde soe wel, gheloeves min
Dat hi over zee ware,
Ja ende also verre van hare ;
Want voert en mach soene niet minnen,
Soe wilde wel in alien zinnen.
57 Dat h. h. bi e. d. 58 An d. wolken wat hare
scade. Vs. 8859 —62 ontbr. bij C. 61 A. hi in h.
I Rose, I. 310, 10099 (9385) ;
El vient ceans et vous emmaine
Trois fois on quatre la semaine,
Et faint noviaus pelerinages,
Selonc les amciens usages,
Car g'en sai toute la covine.
Covine, convine is pratique, arrangement, intrigue.
Zie Roquefort, Gloss. I. 294.
2 Maquerelie, koppelaarster, in dien zin nog
tot in de XVIIe eeuw in Frankrijk bekend, is
waarschijnlijk van Ned. oorsprong en met ons
makelaar, onderhandelaar, verwant. Zie Piez,
Etym. Web. 681.
3 Bij C vindt men in vs. 8223 ghetesuwet,
waarschijnlijk in de beteekenis van yereinigd,geroskamd. Tesuwen zal dan samenhangen met
teesen, dat in den zin van uitpluizen, uitkammen
bij Plantijn voorkomt : wol teesen, minutatim explicare lanam. Zie Kil ; Wdb. op Bredem, enz.
4 Zoowel hore bij A, als elute bij C in vs. 8832
moeten slag beteekenen. Elders zijn mij deze
woorden in dien zin niet voorgekomen.
Kerien is een wisselvorm van keeren, bij
Kil. Kerien, vetus = keren, verrere ; eren, of
met voorgevoegde n nercn, bij Kil, aere, ere,
nere, pavimentum.
152
A. fol. 42 c.
Ingeworpen, opdatse hem leeft. 1
Opdat hi met hare slapen geet,
Ic segge u sekerlike, dan steet
[8750]
8865 Sere sijn lijf ter avonture ;
Want si penst ter meneger uren,
Dat sine doedde ; want hare en rochte
In wat manieren dat wesen mochte :
Ochte vergeven ocht steken doet. [8755]
8870 Want dat enen wive int hoet
Coemt, dat wilsi doen te hande;
Want si ontsiet ere noch scande,
Si en volende hare quade were;
Want ons scrip Valerius die clere, [8760]
8875 Dat wijf sonder conciencie es
Van wat si gert, geloeft mi des,
Ende behendich in quaetheide
Jegen vriende ende viande beide." 2
#Geselle, die sotte man kaytijf, [8765]
8880 Die dos den wdlven geeft sijn lijf,
Ende vol jalosien es,
Hi bedruct, des sijt gewes,
Onder hem sijn wijf te sere,
Etide wilt wesen altoes hare here, [8770]
8885 Ende en laetse niet sijn vrouwe,
Gelijc hi hare gelovede trouwe,
C. fol. 53 a. b.
Ende si hem, dat si hen souden
Altoes even gelijc hem houden
Alse geselle ende gesellinne,
[8775]
8890 Gelijc dat huwelic hevet inne,
Sonder al meester ende here te sine :
Dan leven si al sonder pine.
Mar alse hi willet here wesen,
So coemt dese ramp toegeresen,
[8780]
8895 Die hare wanhaget alte sere,
Dats hem te hetene altoes here.
Minne sone wilt niet geduren
Daermense sleet ende doet mesfuren. 3
Men machse houden niet met crachte. [8785]
8900 Ende vrouwen sijn in die gedachte
Ende in dien moet ende in dien sin,
Dat hare man soude boven him
Wiesen meester ende here,
Dat soude hem vernoyen sere,
[8790]
8905 Hoe scone hi ware, hoe welgeboren,
Den genen dien si wel te voren
Mochte gebieden, ende diese hiet ,
Vrouwe altoes ende anders niet,
Ende haddene alse vaste bedwongen, [8795]
8910 Met enen worde haddi gesprongen ;
Mar alse hise heft lude ende stille
8863 Hare en rouct wat soe ane gheet. 64
Slaept hi met hare God weet. 65 So set so
haer 1. t. avonturen. 66 soe peinst te. 67 soene
d. w. haer. 69 Of v. ofte. 70 W. wat e. w.
comt i. h. 71 Dat wille soe d. al t. h. 72
Sone prijst daer voren e. no s. 73 Soene vulende. 74 0. bescrijft V. de c. 75 twijf s. c. si.
76 Want wat soe g. gheloves mi. 77 Es b. ende
quaethede. 78 mede. 80 wolven levert. 81 vol.
82 dies 84 E. wille altoes w. heere. 85 E. wilse
niet laten wesen v. 86 G. hi gheloofde doe hi
t. 87 Hare gaf d. s. hem s. 88 ghclike houden.
89 Hi als g. e. soe als g. 90 G. alse trauwe
h. i. 91 al ontbr. 92 al ontbr. 93 als h. wille.
94 onspoet. 95 Dat'h. 96 Altoes te h. h. 97 M.
e. mach Baer n. duren. Vs. 8897-8904 bij C:
Daer die man tallen huren
Willen heere gheheeten wesen.
[8785]
Minne en mach niet dueren in desen,
Want soe es ghelijc van hedelen zinne,
Ende sonder hoverde es de minne.
Waendi dat niet en dcert zeere
Den vrauwen te heeten heere. [8790]
5 ware. 6 wel ontbr. 7 Moghen. 9 Hadsoe ghewilt hi hadde gespronghen. 10 M. e. w. of
ghesonghen. 11 heeft al s.
1 Rose. I. 312, 10133 (9419) :
Et quant la dame sent et note
Cest torment et ceste riote.
Et ceste deduiante vicle,
Dont cil jonglierres li viele,
Penses-vous qu'el l'en aint jh mains ?
El vaudroit or qu'il fast h Miaus,
Voire certes en Romanie.
Plus dirai, que ge ne croi mie
Qu'ele le voille amer jambs.
Semblant, espoir, en fera ; mes
S'il pooit voler jusqu'as nues,
On si haut lever ses veues,
Qu'il peust d'ilec, sans cheoir,
Tons les fais des homes veoir,
Et s'apensast tout it, loisir,
Si faudroit-il bien h choisir
En quel peril it est cheus,
S'il n'a tons ses baras yens,
Por soi garantir et tenser,
Dont fame se set porpenser.
De vertaling drukt wederom geheel lets anders
dan het oorspronkelijke nit.
2 Rose, I. 313, 10166 (9452) :
Fame n'a point de conscience
Vers quanqu'el het, vers quanqu'el ame ;
Valerins neis la dame
Hardie et artificieuse,
Et trop h nuire estudieuse.
3 Rose, I. 314, 10191 (9477) :
Amor ne puet durer ne vivre,
Se n'est en cuer franc et delivre,
153
A. fol. 42 d,
Vaste getrouwet te sinen wille,
Daer hi te voren omme qual,
Wilt hi sijn hare meester al,
[8800]
8915 Ende wilt dat si heme diene,
Die hi so sere plach tonsiene,
Ende rekeninge yore hem doe
Van sinen goede, spade ende vroe.
Dan hout hise tort ende en wilt niet, [8805]
8920 Dat si ga daermense siet,
Nochten spele nochten tanse.
Dan so dunct der vrouwen hare canse
Sere meswisselt in dat spel ;
Mar hare herte penst al el,
[8810]
8925 Want sone weet an wien ghetrauwen,
Dies soe es bevaen met rauwen;
Dies hare man aldus wilt slaen,
En es si hem niet onderdaen. 1
Aldus so wast die evelmoet,
[8815]
8930 Die de minne sceden doet.
Mar, geselle, die sonder bant
Ende sonder dienst sijn int lant,
Die moegen hebben weeldicheide,
Also als is hier voren seide
8935 Van hen die waren dirste lieden,
C, fol. 53 h. c.
Die sonder dienst ende sonder mieden
Waren altoes ondcrlinge
Met groten paise sonder gedirige ;
Want sine hadden hare vri leven
8940 Om tgoet van erterike niet gegeven ;
Noeh doe sone was gene bedevart,
Ende niemene en ruemde sinen art,
Die enich ander lant besochte. 2
Jason was die irst vortbrochte
S945 Op die see met scepe te gane,
Ende datse maken, na minen wane,
Om te varne om tguldine vlies,
Stare ende goet na sijn kies,
Diene op die zee souden vuren,
8950 Diermen noit tote diere uren
18835]
En hadde varen sien in die zee.
Neptunuse was te moede wee,
Die van der zee es coninc,
Ende waende wel in warre dine,
8955 Dat hi sonde sijn bestreden,
Soe waende oec wel in waerheden [8840]
Triton ende Toris tier stede,
Ende alle sine doclittre mede
Waenden wel sijn verraden,
8912 Ghetrout ende t. s. w. 14 Wille h. s. haer
m. a. 15 wine d. soe hem d. 16 Wien h. so. p. tontsiene. 17 E. r. dan d. 18 sine. 19 ende wille n.
20 D. soe gaet daer soe iemen s 21 No te s.
no te d. 22 D. dinct. 23 ghewisselt. 24 Ende
peinst dan in haer h. el. V. 8925 —26 ontbr.
bij A. 27 Want haer m. wilse s. 28 Ende es
sue. 29 Ofte en doet al sinen wille. 30 .Minne
es daer' onlanghe stille. 32 Sijn e. s. d. int I.
33 weeldichede. Vs 8834-49 In*/ C:
Sine gaven niet hare vrihede
[8820]
Om al tgont van Arabie,
Noch namen boven hem meestrie.
Wat souden si doen metten goude ?
Al waert dat ment vercopen woude,
Si souden copen ander waerven, (lees: waren)
[8825]
Daer si in ander lande met varen
Souden, dicwile in ompayse,
Die in haer lant altoes sijn aryse.
Men wiste van gheere vaert
[8830]
Eer Jason te rade waert,
Want hi wilde halen guldijn vlies,
Ende dede maken, wiens verwies,
Scepe, diene in de zee vueren.
45 A. met on tbr. 50 Die m. niet t. dier n. 51
Hadde sien v. i. d. z. 53 conijnc. 54 waerre. 56
wel ontbr. 58 dochteren. 59 W. w. v. wesen.
I Rose, I. 315, 10227 (9513) :
Lors se tient cele h mal-baillie,
Quant se voit ainsinc assaillie
Du meillor, du plus esprove
Qu'ele ait en ce siècle trove,
Qui si la vuet contrarier ;
Ne se set mes en qui fier,
Quant sor son col son mestre esgarde,
Dont onques Ines ne se grist garde.
Malement est changies li vers ;
Or li vient li gieus si divers,
Qu'el ne puet ne n'ose joer.
Comment s4en puet-ele loer ?
S 'el n'obeist, cil se corroce,
Et la ledenge ; et s'ele groce,
Estes-le-vous en ire mis,
Et tantost par l'ire anemis.
2 Rose, I. 315, 10243 (9529) :
Por cc, compains, li ancien
Sans servitute et sans lien,
Pesiblement, sans vilenie,
S'entreportoient compaignie,
N'il ne donassent pas franchise
Por l'or d'Arrabe ne de Prise :
Car qui tout l'or en vodroit prendre,
Ne la porroit-il pas bien vendre.
N'estoit lors nul pelerinage,
N'issoit nus hors de son rivage
For cerchier estrange contree,
N'onques n'avoit la mer passee,
154
A. fol. 42 d.-43 a.
8 960 Doe si sagen comen bladen.
Die scepe, die si noit ne sagen
[8845]
Dan op die uren binnen haren dagen. 1
Mar voren dien, alsic seide,
En wiste men niet van scip geleicle.
8965 Die lieden vonden in haren lande
Hare begerte menichgerande, [8850]
Ende waren alle even rike,
Ende even hoge ende even gelike,
Die simple lieden ende die vrie.
8970 Doe was al sonder symonie
Die minne, die nu es al quaet 2
Want also alse quam Baraet
Ende Sonde ende Quade Avonture,
Die so fel es ende soe sture,
8975 Ende Hoverde ende Leckerede,
Ende Felheit si quam mede
Ende Nidicheit met erren moede:
Dese daeden vortcomen Aremoe de
Titer hellen, daer si in lange
8980 In hadde geweest bi bedwange.
Ter quader tijt quam si so saen !
C. f31. 5 3 c d.
Ermoede brachte al sonder waen
Dieften haerre dochter met hare,
Die om soccors loept harentare
8985 Also lange dat mense veet
Ende mense voervoets hangen geet,
Om te soccorsene haerre vrouwen,
Daer si draecht so vele trouwen ;
Ende danne cause hare gehulpen niet,
8990 Al waest dat sijt hare riet,
Ver Laveine, dies sijt gewes, [8875]
Die goddinne vanden dieven es,
Ende hare baraet dect ende wacht
Altoes wetter donker nacht ;
8995 Want sine dorren hare daet niet baren,
En sie dat sire mede bevaren [8880]
Werden ende het si geproeft : 3
Dan est tijt datmenre om droeft,
Ende hem die corde es om die kele ,
9000 Weet God, dan geet hem uten spele.
Ermoede heeft Gerecheit bracht, [8885]
Die in die werelt heeft grote macht ;
Want Gierecheit heeft gedaen
896 0 Om de scepe die in de zee besen. 61
Entie si noyt adden ghesien. 62 No vernomen
tote dien. 63 vordien. 64 Wiste men n. v. scepe
g. A. moisten. 66 Wat si wilden al te hande. 67
Want si w. a. r. 68 E. onderminden hem natuerlike. Vs. 8969-88 Bq C:
Van goeden levene waren die,
Ende minden sonder eerscapie.
[8855)
Niemen en andren twint
En was ghereet, als men kint,
Eer Baraet quam int lant
Ende Hoverde, die de Quaetheit vant,
Nijt ende Ghierichede
Ende alle die quade zonden mede, [8860]
Die hem ter hellen liete dalen
Ende Aermoede daden daer hute halen,
Dat noyt noch toe en wart ghesien,
Maer gonneert quam, het quam mettien.
Aermoede, dat es waer,
[8865]
Brochte met haer mede van daer
Dieften, hare lieve kint,
Dat soe zeere de moeder mint,
Dat wech gaet bi nachte stelen,
Ende laet hem bi sire kelen
[8870]
Hanghen. Het heeft so vele trauwen
Om te succoersene siere vrauwen.
80 A. hadden. 89 Dan en can soe hem ghehelpen n. 90 soe heme. 91 Ver ontbr. Slavenie. 93
haer b. 95 haer daet. A. dat. 98 eist t. datmer
omme d. 99 Als d. coorde. 9000 Dan berout hem
eerst vele. 1 Aermoede h. Ghiericheden b. A.
Gerecheit 2 de w. 3 Ghierichede. A Gerechteit.
1 Rose, I. 316, 10260 (9546)
Tritons redut •vif erragier,
Et Doris et toutes ses fi Iles,
Por les merveilleuses semilles,
Cuiderent tuit estre trais,
Tant furent forment esba'is
Des nes qui par la mer aloient
Si cum li mariniers voloient.
Bladen, bij Kil. pandere, curvare ; en het bij
C. voorkomende besen, bij Kfl. baesen, Sax. Fris.
errare, oberrare, vagari.
2 De lezing van C : eerscapie, is boven die van
A te verkiezen. Rose, I. 317, 10274 (9560) :
Lors iert amors sans seignorie.
3 De tekst van C wint het bier weder in
nauwkeurigheid van A.
Bose, I. 317, 10289 (9575) :
Povretes, qui point de sens n'a,
Larrecin son filz amena,
Qui s'en vet au gibet le tors
Por faire h sa mere secors ;
Et s'i fait aucune fois pendre,
Que sa mere n'el pact desfendre.
Non puet ses peres Cuers-faillis,
Qui de duel en r'est mal-baillis,
Nes damoisele Laverne,
Qui les larrons guide et govcrne :
C'est des larrecins la deesse,
Qui les pechies de nuit espesse
Et les baras de nues cueuvre,
Qu'il n'aperent dehors par euvre,
i sunt trove,
Jusqu'a, tant
Et pris en la fin tuit prove.
Zie over Laverne Bor. Epist, I. 16, 60.
155
A. fol. 43 a. b.
Dickent menichgen man verslaen,
9005 Ende gemaect menich orloge
Tusschen coninc ende hertoge.
[8890]
Borge doetse maken ende stede groet,
Daermen en hadde en gene noet,
Opdat Giricheit en daede,
9010 Die altoes eens anders scade
Gerne sage ende hare bate:
[8895]
Dit doet maken menich gesate
Ende gadren gout ende scat :
Gonnert werde die first opbrachte dat!
9015 Bi desen lieden waren testort 2
Die irste, die gi hebt gehort,
Ende lieten al dat goede leven,
Dat hem nature hadde gegeven,
Ende en daeden noit sint goet; 3
9020 Want valscheit ende overmoet
Dede hem proper goet gewinnen,
Ende deilden tlant in alien sinnen,
Ende setten pale ende sekere mere, 4
Ende bi wilen vochten si sere :
9025 Die starke namen den cranken thare.
Doe si dit worden geware,
Sie vergaderden algemene
Ende coren den starcsten onder hem allene, 5
Ende ma,ectene princhen en here ;
9030 Ende hi swoer hen dat hi vortmere
Bescermcn sonde vanden quaetdien,
Ende so dw ingen ende castien,
Dat si met vreden souden leven,
Ende hise ter doet nine sonde begeven.
9035 Doe gaf hem elc vanden sinen
C. fol. 53 d.--54 a.
So vele, dat hi sonder pinen
Met groten eren leven mochte,
Na dat hem alle gadren dochte.
Dit ambocht hilt hi enen tijt,
9040 So dats die roveren hadden nijt,
Ende droger so vele overeen,
Dat si goet en lieten negeen,
Sine stalent ende rovent tallen stonden ;
Ende alsi dien prince allene vonden,
9045 Slogen sine dicke ende menich werven.
Doe moeste hem tfolc anderwerven
Hem selven setten algemene,
Beide die grote ende die clene,
Ende gaven den prinche rente so greet,
9050 Dat hi vele seriante onboet,
Die hem holpen in alien tiden
Beide vechten ende striden,
Ende waren heme onderdaen,
Nadat wie die boke verstaen.
9055 So waren dic die irste dingen,
Daer af princen ende coninge
Irst af quamen ende lantsheren,
Die nu hare arm vole onneren.
Te waren, is en gave niet
[8900]
9060 Op dose vilaine, diemen siet,
Enen quaden vulen bottoen,
En ware dat si hen minnen doen
Dese edele vrouwe ende dese scone,
Die met rechte dragen crone
[8905]
9065 Mochten wel van hovesheiden, Van dogeden ende van edelheiden,
Om hare gelt dat si hem geven. 6
9004 Dicken 7 doet so m. e. steenen g. 8
Dies si en hadden gheenen n. 9 Up dat. 11 siet
e. sine b. 12 Die. 14 Gonneert w. die up brochte.
A. die ontbr. Vs. 9015-59 ontbr. bij C. 59 En
trauwen men g. hier up n. 60 Up. 61 E. coperinen bottoen. A. lottoen. 62 E. daet d. s. hem
m. d. 63 joncfrauwen. 64 m. eeren. 65 M. met
wel gheraectheden 67 haer.
Gesate is hier belegering, Mhd gesaeze, (BeWtb. II, 2, 340.)
necke,
Rose, I. 318, 10312 (9698):
Quant virent gens merger tel vie,
Stescorserent par toutes terres,
Semans descors, contens et guerres.
Deze geheele passage is in onzen tekst meer
naar den zin dan woordelijk vertaald.
2 DP geheele uitweiding over het ontstaan der
vorsten, die bij C is weggelaten, zooals blijkt nit
vs. 9014, dat door geen rijm wordt gevolgd, is
in het oorspronkelijke veel uitgebreider, en loopt
van vs. 10335-10412.
3 Rose, I. 318, 10335 (9621) :
Tantost cum par ceste mesnie
Fu la gens malmise et fesnie,
La premiere vie lessierent.
4 Rose, I. 319, 10341 (9627):
La terre meismes partirent,
Et an partir bones i mirent,
Mere, bij Kil. meer, = pael, terminus, meta,
limes, Eng. meere.
5 Rose, I. 319, 10357 (9643) :
Un grant vilain entre'ens eslurent,
Le plus ossu de quanqu'il furent,
Le plus corsu et le greignor,
Si le firent prince et seignor.
Het geestige van het origineel is in de vertaling vrij wat to loor gegaan !
6 Rose, I. 321, 10413 (9699) :
Sans faille des vilains gloutons
Ne donnas-ge dens boutons ;
Combiens que bon cuers for fausist,
156
A fol. 43 b.–d.
Het sal mi deren al mijn leven
Ende heeft gedeert, dat edel wijf
9070 Om enich gelt vercoept hare lijf. [8910]
Het es jamer ende grote scade ;
Want minne soude bi hem gestade
Wesen ende in groter eren,
Woudense hem na tgelt niet keren.
9075 Mijn raet so es spade ende vroe,
Dat hem elc knape sette daertoe,
Dat hi emmer een ambocht lere ,
Heeft hijs te doene, dat hire toe kere,
Ende hem ende sine vriendinne mede [89151
9080 Generen moege telker steede,
Alse si van node sijn verladen ;
Want minne en steet nu niemen staden.
Oec radic elken harde wale,
Dat hi merke dese tale,
[8920]
9085 Dat ic bier sal bringen inne.
So wie vername sine vriendinne
Ochte sijn wijf, datse enege stonde
Elre te minne begonde,
Ende woude kiesen een ander lief, [8925]
9090 Oft hadt vercoren na hare gerief,
Hine salse daer omme scelden niet,
Noch lachtren, wat sijns gesciet,
Maer saelt hovesscelike gedogen ;
Ende al waert oec dat hise met ogen [8930]
9095 Met haren vrient te gadre sage,
Ende hi hare dies speels plage,
Datmeu heet dat grote quaet,
Hi soude sine ogen, dat verstaet,
C. fol 54 a. b.
Van hare keren elre wart,
[8935]
9100 Ende weder makers den papelart, 1
In die gelike alse dat hi niet
En twent en weet van dat hi siet ;
Ende sentmen hare oec enichgen brief,
[8940]
Eist hare maech och hare lief,
9105 Dien sone sal hi niet lesen :
Hi laet sijn alst mach wesen.
Hine sal te gere tijt begeren
Te wetene dine, die hare mach deren
[8945]
Ochte jegen haren wine gaen,
9110 Ochte hare verholenheit verstaen.
Men laetse gaen daerse wille,
Men dwingese twent te sittene stille ;
Alsi wille, come ende ga,
Ende anders niet en vrageter na ; [8950]
9115 Want wie begert alle gerieve,
Eist van wive ocht van lieve,
Hine salse niet te sere dwingen ;
Want ic segge u in waren dingen :
[8955]
Die sijn lief hout in bedwange,
9120 Die minne en duert daer niet lange.
Men sal oec een twent den vrouwen
Engereande sake mestrouwen ;
Watmen verneemt ende watmen siet,
Men sals een twent geloven niet. [8960]
9125 Al coemt iemene ende brinct niemare
Van hare, die niet scone en ware,
Dan sal hise onsculdichgen sere,
Ende sweren bi Gode onsen here,
Dat wijf van lichame en es so rene [8965]
9070 Om g. vercopen meet haer 1. Vs. 907174 ontbr. 75 Wel radic na minen meet. 76
D. emmer een k. vroet. 77 Sulke const ende
a. 1. 78 Heefti noot d. 79 Daer hi h. 80 moghe.
A. moegen. 81 Als. 82 W. m. staet n. n. tstaden.
83 0. riedic e. man w. 84 D. h. hem hilde an de
t. 85 Die ic hu nu hier sette i. 86 Vername hi an
s. v. 87 Of an s. w. teenigher s. 88 Dat soe e.
minnen b. 89 E. vercore a. 1. 90 Of adde ghecoren n. haer g. 91 Daer omme' en sal hise
lachteren n. 92 Of scelden. 93 Ende s. 94 Al
ware o. d. hijt m. sinen o. 95 Daer bi quame
teenighen daghen. A. sagen. 96 Haer scamelike ligghen saghe. 97 Met haren vrient int. g. q. 98 Nochtan soudi d. v. 99 Sine oghen k. e 9100 Ghelijc
cenen houde p. 1 I. dier g. dat si n. 2 En wisten dat hijs wiste hiet. 3 E. sent haer o. yemen
b. 4 E. mach ofte ander 1. 5. Dies en soude h.
oec n. 1. 6 Liete soet dat mochte w. 7 sonde.
8 Dine t. w. d. haer soude d. 9 Of. 10 Noch
haer v. willen v. 11 Maer 1. g. daer see w. 12
M. d. niet t. sitten s. 13 Come alsoe w. e. g.
14 E. a. en vragher niet n. 15 die. 16 eist v.
1. 17 te nauwe. 18 Want ontbr. 19 met b. 20 D.
m. mach niet duren 1. 21 M. s. o.. desen v.
22 In gheerande zaken m. A. Engereanke. Vs.
9123-28 bij C:
Hoe wel men waent die waerhede
Of weet oec die zekerhede ;
Maer hi mach wp1 segghen te waren
Te hem, die hem bringhen niemaren,
Dat si doen hare quaethede zeere ;
Want bine sach bi onsen Heere.
29 Nu w. up erderike s. r.
De tel faute ne me chausist :
Bien s'entr'amassent on haissent,
Ou for amor s'entrevendissent.
Mes c'est grans diaus et grans domages,
Quant ces dames as clers visages,
Ces jolives, ces renvoisies
Par qui doivent estre proisies
Loiaus amors et desfendues,
Stint a si grant vilte venues.
1 Rose, I. 322, 10445 (9731) :
S'il la trovoit nes en l'uevre,
Gart que ses iex cele part n'uevre ;
Semblant doit faire d'estre avugles,
On plus simples que n'est un3 bugles.
157
A. fol. 43 d.
91 a0 In erterike alse soe es ene.
Hine salse oec een twent niet blameren
Van dingen die si wilt anteren;
Hine salse slaen noch driven,
Om dat si hem soude te vriender bliven,
9135 Ende daer omme te minne meer;
Ende dat es een verloren keer,
[8970]
Want wie sijn wijf te slane begint,
Om meer van hare te sine gemint,
Slacht den genen die sine catte
9140 Sleet ende roepse weder na datte,
[8975]
Om te bendenne ende te vane : Aldus betert cen wijf van slane ;
Want mach die catte hem ontspringen,
Sine coemt weder meer int thingen. 1
9145 Hi salse laten comen ende gaen
Na haren wille, dats wel gedaen;
Want die gene die wive besluten,
Dat si en moeden comen buten,
Eist sijn wijf, eist sine amie,
9150 Si valt in selke mirancolie,
Dat hi verliest te hants haer minne.
Hi sal hem houden van selken sinne,
Wat hi van hare hort ende siet,
Dies en sal hi achten niet.
C. fol. 54 b. c.
9155 Al ware hi oec van hare geslagen,
Dat sal hi hovesscelike verdragen,
Ende danken hare van alien goede,
So hoe dat hem si te moede,
Ende seggen dat hi doegen soude
9160 Alle die slage die si woude,
Indien dat hi in enegen sinne
Mochte verdienen van hare die minne. 3
Gevalt oec dat hise sleet
[8995]
Bi tome, die hem overgeet,
9165 So radio up mijn beste dat,
Eer si iet ga vander stat,
Dat hi hare spele tspel van minne,
Ende doet hare so vrendelike kinnen, [8990]
Dat hire sinen paixs make mede.
9170 Dat es ene grote behendichede,
Namelic enen armen man,
Die en heeft wat leggen an ;
Want darme hi mach lichte mesdoen,
Dat alte cleine ware dockisoen,
9175 Daer sine omme laten sonde,
Hine behilde saen hare houde, 4
Dies de rike wat doen en heeft,
Al es dat si in onpaise leeft,
Die de gichten heeft gereet;
9130 Van lichame also es alleene. Vs. 9131—
32 ontbr. 33 Oec en sal hise niet verdriven.
34 soe h. sal. 35 E. soene minnen soude te
m. 36 Want het ware 37 wi. 38 0. m. te s.
van h. g. 39 A. slecht. -40 Slaet. 41 bindene.
43 W. m. hem de c. o. 41 Sone c. w. niet i.
hinghen. . Vs. 9145-55 ontbr. Vs. 9156-60
bij C.:
Verspreectene dat wijf oec mede,
Verdraghet wel, dats vroethede,
Ende segghc dat hi ghedoghen soude
Slaghe van hare, up dat so woude.
60 A. hi w. 62 V. mochte hare m. 63 Comt
oec die zake d. h. slaet. 64 gramscepen. 65 Ofte
dreeghe is rade hem d. 66 hi. 67 haer s. dat
spel. Vs. 9168-78 by C:
Andersins mochte soe ghewinnen [8990]
Eenen anderen vrient dien so vercore;
Dan so verlort de ghene van yore.
Pit ware aermer lieder recht,
Die altoes moeten wesen knecht,
[8995]
Om dat sijn hare ghiften smal.
Een arem man, die minnen sal,
Moet emmer vroedelike minnen,
Ende oemoedelike, sal hi ghewinnen
Eenighe bliscap ende spel.
Maer rike man, hi mach doen wel. [9000]
79 ghiften,
1 Rose, I. 323, 10485 (9771):
C'est cil qui por aprivoisier
Bat son chat, et puffs le rapele
Por le Tier k sa cordele ;
Mes se li chas s'en puet saillir,
Bien puet cil au prendre faillir.
Hing en, bij Kil. hinghene, hinghe, Fland. Hamus,
cardo, Ang. hinge.
Vs. 9145-54 ontbreken in het origineel
even als bij C.
3 Rose, I, 323, 10490 (9776):
Mes s'ele le bat ou ledenge,
Gart cil que ses cuers ne s 'en change:
Si batre ow ledengier se voit,
Neis se cele le devoit
Tout vif as ungles detrenchier,
Ne se doit-il pas revenchier,
Ains hen doit mercier et dire,
Qu'il vodroit bien en tel martire
Vivre tons tens, Ines qu'il gust
Que ses servises li pietist,
Voire nes tout h. delivre,
Plus Tors morir que sans li vivre.
4 Rose, I. 324, 10510 (9796) :
Meisment li povres lions;
Car le povre; h, poi d'achoisons,
Porroit-ele tantost lessier,
S'el n'el veoit vers li plessier.
158
A. fol. 44 a,
9180 Want men heme node ontgeet.
Vonde een man oec elre minne
Dan sijn wijf ocht sine vriendinne,
Ende elders ware ene andre kiesen,
Ende hise nochtanne nine woude verliesen,
9185 Emmer sal hi vorhoeden dat,
Als hi mint tere ander stat,
Dat hi sire nuwer vriendinne
En gene dine en gheve die dandre kinne,
Eist broke, borse ocht gordelkin,
[9010]
9190 Eist chapiel ocht vingerlijn ;
Want het soude hare sere meshagen,
Alse sijt sage ere andre dragen.
Ende emmer voerwachte hem een man,
Die andere minne nemet an,
9195 Hine sette hare engenen dach,
Daer die andre te comenne plach.
Quamense daer, ense dandre vonde,
Hens niemene diet gepaisen conde ;
Want hens ever noch ander dier,
9200 So vreselic noch so ongehier,
Noch tigre, no bere, noch lewinne,
Diemen jaeget in allen sinne,
[9025]
Noch serpent dat soe gebeert,
Alsmen tart op sinen steert,
9205 Alse doet een wijf, die vinden can
Ene nuwe vriendinne biden man,
C. fol. 54 c. d.
Die te voren hare vrent was. 1
Dan warp si uut, geloeft mi das, [9030]
Vier ende vlamme ; dan es dat wijf
9210 Gereet te latene ziele ende lijf.
En es te prisene niet een twent,
Alse deen den andren aldus vent .
Gevalt oec, hi smeke dan sere
[9035]
Die irste, dat es wel sine ere,
9215 Soe dat die andre wech ga,
Ende spele der irster dan daerna
Vander minnen tsuete spel ;
Ende es si hem oec alte fel [9040]
Van worden ende te podersam,
9220 So sal hi sweren dat si quam
Te hem te sijns ondancs sere,
Ende hem gesciede noit mere,
Noch nemmerme en soude gescien. 2 [9045]
Ende mochte sise oec wedersien,
9225 Die quade vernoierde vroawe,
Hi Wilde wale, selp sine trouwe,
Dat si hare dogen beide uutstake,
Ocht horte dat hare therte brake. [9050]
Met dusgedanen smekernien
9230 Moet hi anegaen sire amien ;
Sonder laten ende verdrieten
Moetznen thoeft vol logenen gieten.
Oec sal hise helsen ende cussen mede, [9055]
9180 hem. Vs. 9181-84 bj C :
Ende wille hise laten selven mede,
Hi verkiese teer ander stede.
85 Maer e. so verhoede hem d. 86 Mint hi
teer a s. 87 D. h. niet gheve s. nieuwer
v. 88 Eenighe d. die dander moghen kinnen.
89 E. b. capeel of g. 90 Doucken borsen of gordelkijn, 91 haer. 92 Alsoet. Vs 9193 – 94 ontbr. bij
A. 95 A. sal hare setten. Vs. 9195-9201 bij C:
Die nieuwe en late in gheenen zinne [9015]
Comen daer sine ander vriendinne,
Die eerst te hem te comen plach ;
Want daer en ware an gheen verdrach,
Up- datse deerste vonde daer,
Daer en rese een brloghe zwaer, [9020]
Want nie en wart baer so wreet,
Dien men met honden angheet,
Noch so vreeselijc de leewinne.
3 N. s. oec s. g. 4 tert up. 5 Also. 6 nieuwe, 7
haer vrient. 8 werpt so hute. 9 Vl. e. vier. 10
ghevene. 11 Ende en es te prisene niet 12 Dat
mense beede te gader ziet. 13 dan ontbr. 14
eerste d. e. w. sijn e. 15 de andere. 16 eerster
tspel der n. 17 dat zoete s. 18 soe h. o. dan
te f. 19 puedersam. 20 Dan ; soe. 21 te ontbr.
22 E. dat h. en g . n. eere. 23 Ende nemmermeer s. g. 24 mochtise. 26 wel bi siere t. 27 soe
haer d. hute s. 28 Of horte soe d. 29 ghedaenre
smeekaerdien. 30 angaen. 31 laten. 32 Ende
moet haer thoot vul loghen g.
1 Zie Ovid. Art. Am. L. II. 373.
2 Rose, I. 325, 10554 (9840);
Et s'el n'a pas prise provee
D'eus deus ensemble la covee,
Mes Bien en chiet en jalousie,
Qu'el set ou cuide estre acoupie,
Comment qu'il ant, ou sache ou croie,
Gart soi cil que ja ne recroie
De li nier tout plainement,
Ce qu'ele set certainement,
Et ne soit pas lent de jurer ;
Tantost li reface endurer
En la place le geu d'amors;
Lors iert quite de ses clamors.
Et se de tant l'assaut et angoisse
Qu'il convient qu'il li reeongnoisse,
Qu'il ne s'en set, espoir, desfendre,
A ce doit lores, s'il puet, tendre
Qu'il li face h force entendant,
Qu'il le fist sor soi desfendant ;
Car cele si fort le tenoit,
Et si malement le menoit,
C'onques eschaper ne li pot,
Tant qu'il orent fait ce tripot,
N'onc ne li avint fois fors ceste.
In de vertaling zijn de beide gevallen niet juist
uit elkander gehouden en teruggegeven.
159
A fol. 44 13.
Ende dan spelen daer tier stede
9235 Dat spel der minnen, eer si kere :
Anders en werdet nemmermere
Van hare vergeten sonder sceren,
Noch dore spreken, noch dore sweren. [9060]
Ic rade oec elken sekerlike,
9240 Die mint nu op erterike,
Dat hi in engenen sinnen
Hem en berome van vriendinnen ;
Want menich so heeft hem beroemt, [9065]
Die van Gode mote sijn verdoemt,
9245 Om te hebbene meer den name,
Dien ongereet was den lichame. 1
Al leet soe moet hem ghescien !
[9070]
Ic wane, noit en was ghesien
Quader sonde noch quader daet,
9250 Dan roem die ane minne gaet ;
Want minne si wilt sijn verholen,
Gelijc den dief, die heft gestolen ;
En ware och iemen seide
[9075]
Sinen geselle in hemelicheide,
9255 Diet alse gerne alse hi dan hale :
Hem so machtijt seggen wale.
Waer oec siec tens mans vriendinne,
Hi sal pinen in allen sinnen,
[9080]
Hoe dat hi dicke bi hare mach wesen :
C. fol. 51 d.-55 b.
9260 Si sals hem danken, alse es genesen.
Om hare sal hi dickent weenen
Ende suchten ende geloven altenen
Bedevarde te doene in vremden laude : [9085]
Dat so sal hi seggen te hande
9265 Cleinlecke spise om hare eten ;
Ende alse hi es bi hare geseten, 2
Sal hi logenen ende borden pensen
Van nuwen dromen, die hi sal vensen,
Ende sal hare seggen overwaer,
9270 Dat hem droemde al openbaer,
Dat hise in sinen arme al Meet
Hadde ende dreef bliscap groet,
Al genesen ende al gesont, '
Ende dat hi haren roden moat
9275 Cussede menichwarf vriendeleke.
Dusdanichge boerden ende diere geleke
Sal hi haer tellen ende doen verstaen:
Hi sals te meer hare grade ontfaen.
Wat hare lust seldi hare bieden,
9280 Wat rade sijs heeft van andren lieden.
Nu hebbic u geleert, vrient, al
Hoemen een wijf houden sal,
[9115]
Beide siec ende oec gesont, Vroech ende spade ende take stont ;
9285 Want met lichten, wet te voren,
9231 E. s. haer al d. ter s. 35 so. 37 haer. 38 No
dor smeeken no dor s. 39 Oec radic e. s. 40
D. nu minnen up erderike. 41 gheenen zinne.
42 Hem b. v. siere vriendinne. 43 so ontbr. 44
moete. 45 Valschelike om t. hebben de n. 46
es de 1. Vs. 9247-48 ontbr. bij A. 49 Q s. no
q. d. A. Hen es sonde. 50 an. 51 W. m. wille
s. v. 53 Enne w. oft een man s. 54 S. vrient.
55 D. alsoe g. heelt als hi. 56 Dien mach hijt
segghen, gheloves mi. 57 Werdt. 58 H. s. hem
p. i. a. zinne. 59 dicke ontbr., moghe. 60 Hare
sals ghedincken ware soes g. 61 O. h so s. h.
oec w. 62 E. g. a. 63 Bedevaerde verre ende
laic. Vs. 9264-80 bij C:
Dies sal soe hem weten danc.
Cussen sal hise met weenenden oghen,
Entie laten niet verdroghen.
Hi en sal haer oec gheene spise
Gheven, sone si zoete van prise,
[9090]
Noch haer begherte niet verbieden,
Wat rade soes heeft van andren lieden.
Hi sal oec nieuwe dromen veinsen
Entie al vul loghenen peinsen.
[9095]
Hi sal segghen : daer hi lach
Up sijn bedde, dochtem dat hi sach
In sinen drome eene zoete zake,
Noch wel in drome, noch wel in wake :
//Ali dochte dat is was ghegaen
Up mijn bedde ende adde bevaen [9101 ]
Hu, vrauwe wel gheraect,
In minen aerme, al moeder naect,
Den nacht toter morginstont,
Ende ghi waert welvarende ende* ghesont,
Alse ghi, of God wille, suit sijn zaen ; [9105]
Ende dan sijn wi upghestaen
Ende ghinghen in eene praierie
Spelen alleene wi twie,
Daer wi adden feesten vele
Met zotheden ende met spele. [9110]
Dusghedane loghene groot
Sal men hem vulghieten thoot.
81 Vrient, nu h. u g. a. 83 Beede s. e. g.
84 Die hare wille minne t. s. 85 w. lichtelike
weet t. yore.
1 Rose, T. 327, 10602 (9288 :
Si se sunt maint vante de maintes,
Par paroles fauces et faintes,
Dont les tors avoir ne pooient,
Lor non b grant tort diffamoient.
2 De lezing van C is oneindig beter, daar vs.
9264-65 geen zin opleveren.
Rose, I, 327, 10622 (9308) :
Lez li le vole demorant,
Et la doit baisier en plorant,
Et se doit voer, s'il est sages,
En maint lontains pelerinages,
Ales que cele les veus entende.
Viande pas ne li desfende,
Chose ambre ne li doit tendre,
Ne riens qu ne sort dous et tendre.
Si li doit faire noviaus songes
Tons fanis de plesans menconges, etc.
160
A. fol. 44 b.--d.
Heeftmen al haren minne verloren ;
Want een wijf es, dat verstaet,
Lange te houdene alsoe quaet, [9120]
Diermen haren wille nine doet,
9290 Alse es te houdene in die vloet
Een levende ael met sinen sterte,
Hoe scone gelaet, hoe scone geberte
Si toent, ocht hoe scone feeste.
[9125]
En eist dan niet wel ene beeste
9295 Van wel sonderlingen seden ?
Ens nemmer margen alse heden
Met horn, so wankel sijn si
Ende so ongestaede daer bi.
(9130]
Alg ae 'beeste es wel tonsiene,
9300 Die altoes es gereet te vliene. 1
In segge dit niet om die goede,
Die gestaede sijn van haren moede,
Daer ic noit engene en vant,
Waer ic quam in enich lant ;
9305 Noch Salemon en vanter niet,
Diese .te provene niet en liet,
Die ons verstaen doet op sijn lijf,
Dat hi en vant noit seker wijf.
Die hem woude maken moede
9310 Om te soekene enichge goede,
Ende hi dan ene conste vinden,
Dan mochte hi hem dan sekerlike geninden,
[9140]
Ende nemen die ende trouwen,
Ende danne hebben cure van vrouwen,
9315 Ende ene allene sonderlike.
Maer hoedu dat si dagelike
Teneger stat en ga Diet, [9145]
Sie en houde hare vaste daer ane,
Dat si van elken, dien, si kint,
Werdich es te sine gemint.
Dus selen, die knapen houden
[9180]
9350 Hare vriendinnen onbescouden,
9286 H. hare gracie v. 89 Dier wille men niet al
en d. 90 Als te h. es in eene v. 91 Die a. m.
S. s. 92 H. s. g. ende g. 93 Soe toghet of. 95
wonderliken 96 morghin. Vs. 9298-9811 bij C :
In hem es gheene trauwe, gheloves mi.
Dit en segghe ic om de goede niet, (9130)
Dien men altoes doocht pleghen siet,
Die sijn vast simpel ende reene,
Maer diere en vandic noit eene.
(9135)
Ja, dat es van minen rade,
Dat ic noit vant wijf ghestade.
Wilddi hu pinen ende maken moede
Om te soukene eene goede,
Ende ghise dan mocht ghevinden.
12 D. so soudi hu g. 13 E. n. d. want bi mier
t. 14 Ghi sout dan h. c. v. v. 15 sonder ghelike. 16 M. hoet hu d. soe d. A. hoede. 18 soe
haer. 19 Of d. an souken m. 20 W. dat w.
Tusschen Vs. 9320 en 21 bij C :
Maer eer ic ende mire redenen make,
Willie hu segghen eene andre zake.
21 Cortelike elkere m. 23 W. soe s. of 1. s. 24
over g 25 Entie dincke. 27 eenighe j. 29 erderike. 31 zuver. 32 Updat soe. 33 soe i. c. of.
34 Of d. 35 Es soe hout of jonc mede. 36
hoort so. 37 stede. 38 Sone h. 39 soe si. 40
salse p. elc m. 41 soe. 42 die ontbr., of. 43
Ende soe sals g. lichtelike. 44 crderike. 45 So 1. dat
weetic wale. 46 Haren dinket al te male. 47 Datsoe
v. e. diese k. 49 Aldus sullen. 50 vriendinne.
1 Rose, I. 328, 10660 (9346) :
N 'est donc bien privee tel beste,
Qui de foir est toute preste ;
Tant est de diverse muance,
Que nus n'i dolt avoir fiance.
2 Rose, 1. 329, 10682 (9368):
Et se du querre vous penes,
C. fol. 55 b. c
Daer si hare moege bejagen iet,
Ochte daermense anesoeke moge ;
9320 Want het ware dat u niet ne doge. 2
Nu verstaet van elker maegt,
Die te minne u behaegt,
Weder si scone ocht lelic si,
Die hout yore goet, dat radic di,
[9155]
9325 Ende die dunke u wesen vroet ;
Want die leget sinen moet
An ene joncfrouwe in eneger wise,
Hets wel recht dat hise prise ;
Want hen es in erterike
[9160]
9330 Wijf so helich sekerlike, Noch so reine van lichame,
Opdat si heeft vrouwen name,
Es si in cloestre ocht daer buten,
Diemen mach so vaste sluten,
[9165)
9335 Es si jonc ocht out daermede,
Mar hort si prisen hare sconhede
Ende hare gedane teneger tijt,
Si heves in hare herte delijt,
Hoe lelec dat si si nochtan.
[9170]
9340 Hier bi sal prisen een man
Ende sweren, dat si scoenre si
Dan enichge die es verre ochte bi :
Sie saels geloven sekerlike ,
W ant hen es wijf in erterike,
[9175]
9345 Alsoe lelic van gedane,
Se la trouves, si la prenes,
S'aures lors amie a eslite,
Qui sera vostre toute quite,
S'el n'a pooir de taut tracier,
Qu'el se puisse aillors porchacier,
On s'el ne trueve requerant:
Tel fame it Chastee se rent.
161
A. fol. 44 d. 45 a.
Ende niet lachtren hare sotheide :
Dat es ene grate wijsheide.
Nemmermeer en roket twijf,
Hoe onsalieh ochte hoe kaitijf
9355 Hare vrient si ocht hoe ongedegen, [9185]
Daer si hare herte heeft an geslegen. 1
Men mach dat wijf castien niet,
Maer laten gewerden vies si pliet,
Gelijc die catte, die bi naturen
9360 Can die siencie alle uren
Ratten ende musen te vane,
Sonder leren ende tscole te gane,
Aldus can twijf hare jugement,
Dat si bi naturen vent.
9365 Wat si werct ende wat si doet,
Dat dinct hare algader wesen goet;
Ende si es niet so menichvoldech,
Dat sine doet dine, sine esse sculdich
Te doene bi naturen wale : 2
9370 Daeromme verliest hise altemale,
Diese castijt ende wilt blameren
Van dingen, die si wilt anteren.
Aldus, geselle, seldi u Rose
Wel houden moegen sonder nose,
9375 Die u therte aldus verhoecht,
Updat gise vererigen moecht;
C. fol. 55 c. d.
Ende alse gise hebt in u behout,
Ende gi u joie hebt menichfout,
Soe hout die blomen in diere maniren
9380 Suete ende sachte ende goedertieren,
Soe mogedi spelen van amoretten
Sonder commer ende letten." 3
Mijn vrient aldus troeste mi,
Daer is groet confort nam bi,
9385 Dat mi dochte in minen moet,
Dat hi meer can dan Redene doct.
Eer hi sine tale hadde voldaen,
So quam weder te mi gegaen
Seute Gepens ende Goelec Spreken,
9390 Die noit sint van mi en streken.
Suete Anesien en brachtense niet,
Die mire herten doet verdriet. 4
Ic nam orlof ane minen vrient,
Die mi dus wel hadde gedient,
9395 Ende gine allene dale neder,
— Scone ende dare was dat weder, —
[9225]
Horen der vogelinen sane,
Die daer maecten groet geclanc,
Dat mire herten groet goet dede
940) Van joien ende van vrouden mete ;
Maer een dine geft mi swaerheide,
[9230]
Van dien dat Amijs mi seide, 9351 zothede 52 Dats. 53 rouket wijf. 54 of.
55 Haer v. s. of h. o. 56 D. soe. Vs. 9356-94 bij C:
Hier bi so salse een man prisen
Ende lachtren in gheere wisen,
Wat so wille, dit of datte ;
Want soe es alse de catte,
[9190]
Die bi naturen muse veet ,
Diet hare verbiet so heefteni leet.
Dus haet een wijf lude ende stille
Die hare verbiet haren wille
Aldus, gheselle, van huwer Rosen, [9195]
Die ghi saecht so scone blosen,
Als ghise hebt tuwaert al te male,
Also ghi noch hopet wale,
So houtse wel, dat radic hu,
[9200]
Als is hu gheseit hebbe nu.
Want dan hebdi zekerlike
Eene Rose, there ghelike
Men niet en vonde in XII steden,
Dan daet in die weerel meden.
So scone es soe, so wel ghemaect [9205]
Ende daertoe so wel gheraect,
Als mi aldus lnijn vrient
Van goeden rade adde ghedient,
Want sine redene ende sine tale
[9210]
Behaghede mi utermaten wale,
Met desen quamen met ghemake
Soete Ghepeins ende Soete Sprake,
Ende ghinghen beede bi mi staen.
Nie sidert, dats sonder waen,
Ende lieten si ghenesen minen sin ; [9215]
Maer niet en brachten si met hin
Soete Ansien, dats mi te lane :
Want is weet wel in waren dinghen,
Dat sine niet consten ghebringhen. [9220]
Ic nam orlof ende sciet
Van hem, daer iese alle liet.
95 alle die d. 96 claer. 97 voghelkinen. 99 Groet
goet hi haer sane d. 91,00 Int herte ende grote
grote joye m. 1 M. ene d. dochte m. s. 2 mi ontb.
1 Vs. 9353-56 komen in het oorspronkelijke
niet voor.
2 Rose, I. 330, 10720 (9404) :
Ainsinc fait fame, tant est fole,
Par son naturel jugement,
De quanqu'el fait outreement,
Soit bien, soit mal, soit tort, soit droit,
Ou de tout quanqu'ele vodroit ;
Qu'el ne fait chose qu'ele doie,
Si het quicunque l'en chastoie.
3 Rose, I, 331. 10742 (9428):
Lors si jorres de l'amorete.
A qui pule autre ne comper :
Vous ne troveries son per,
Espoir, en quatorze cites.
De tekst van C is hier wederom getrouwer
dan die van A.
4 Rose, I. 331, 10755 (9441) :
Dous-Pensers, Dous-Parlers revindrent,
Qui pros de moi des lors se tindrent,
N'onc puis gaires ne me lessierent,
Mes Dous-Regars pas n'amenerent.
11
162
A. fol. 45. a. b.
Ende dies ic sere int herte morre :
Dat was dat lc niet ten torre
9405 In langen comen mochte no gaen,
Omdat ware sere mesdaen,
Ende ic souds sijn van hem bescouden,
Ine weet hoe ics mi sal onthouden.
[9235]
Hiermet gingic vort ende wech,
9410 Ende liet ten rechterhant dien weech,
Ende ginc ter slinker wart tien stonde
Op avonture, och ic iet vonde
Enichgen wech, daer ic quame mede
[9240]
Binnen in die vaste stede,
9415 Wart te watre ocht te lande.
Dan soudic laten om gene scande,
Ine soude nutlaten Suetonfane,
Daer mijn herte leget al ane,
In vonde starkeren dan ic, bi Gode,
9420 Ende diet mi danne met crachten verbode.
[9245]
God here, mochte iet gescien,
Dat ic dien casteel mochte sien
Cranker dan een wijngaert blat,
Of die poerten teenigher stat
9425 Noch teneger tire open staen,
[9250]
Ic souder emmer binnengaen 1 ,
Ende verlossen na minen wane
Dat scone kint Suete Onfane.
Daer yore naem ic te gere stont
9430 Diese mi gave V hondert pont:4.2
[9255]
Dies machmen mi geloven wale.
Doe gingic nederwart te dale
Van dien castele een luttelkin,
Maer niet vele en docht mi sijn,
9435 Neven ene fontaine claer.
[9260]
Sekerlike het sceen daer
C. fol. 56 a. b.
Ene utermaten liefleke stat.
Doe versagic dat daer sat
Ene scone vrouwe wel geraect,
9440 Van vormen edellike gemaect:
Scoenre figure en sagic nie [9265]
Alse mi wesen dochte die.
Hare amijs sat neven hare,
Maer ine weet niet oppenbare
9415 Van sinen name te seggene iet ;
Mar die scone vrouwe si hiet [9270]
Rijcheide, vor waer wet dat,
Ende hoedde enen cleinen pat,
Daermen in die borch mede ginc.
9450 Maer si en was in warre dine
Noch selve in die borch niet comen ; [9275]
Mar tirst dat icse hadde vernomen,
So keerdic mi te hen wart,
Ende groette die scone vrouwe ter vart,
9455 Ende si mi weder harde hovesscelike.
[9280]
Doe badic hare oetmoedelike
Ende seide: " Vrouwe, dore genade,
Wildi mi berechten van dien pade,
Diemen heet Te Vele Gegeven ?"
9460 — ,Ic hebbene gekint, ' seise, „mijn leven.
Het es-dese pat dien ic hier hoede."
— uGenaden, vrouwe hovesch ende goede,
Wilt gedogen dat ic besta
Desen wech ende vorwart ga ;
9465 Want bi hem soudic geraken
Tien castele, die doet niaken
Die grote vrouwe, ver Jalosie."
— ,Vassel, dan gesciede mi nie,
Dat ic liet man gaen desen pat,
9470 Hine was met mi becondicht bat
9403 Van d. 4 d. i. omme dien torre. 5 Niet
mochte gaen spelen no mi vervrouden. 6 Dat
was dat ic om dien torre. 7 Niet mochte gaen
spelen no mi vervrouden. 8 In w. 9 Hier mede
g. voert w. 10 ter r. minen w. 11 E. g. t. s. te
diere s. 12 Up a. of. 13 Wech d. 15 Waert bi
w. waert bi 1. 16 D. lietic dor ne g. s. 17 In
liet nut Scone 0. bi Gode. Vs. 9418-19 ontbr.
20 In vonde sterkeren diet mi v. 21 mocht hiet.
22 den. Vs. 9423-24 ontbr. bq A. 25 Mochte
zien o. s. 27 E. laten hute Scone Ontfane. 28
Ver Jalousien ghevane. 29 D. voren n. niet
teser s. 30 Hondert waerven M. p. 32 D. g. met
deser tale. 33 V. den c. e. lettelkijn. 34 Maer
niet v. d. A. Daer, doch. 37 E. arde lievelike s.
38 D. vernamic datter s. A. dat dat. 42 Dan
mi. 44 inne. 45 Haers amijs namen niet. 46 M.
d. hedele v. h. 47 Rijcheit so es zeker d. 50
soene w. i. warer d. 51 N. s. niet daer in c.
52 Ende teerst d. ics hebbe v. 53 K. m. t.
bare w. 54 E. g. d. s v. waert. 55 E. soe
in. w. met haesten greet. 56 Dat lettel goet mi
besloet. 57 Ic seide v. doet mi g. 58 Moochdi
m. b. vanden p. Vs. 9459 —73 bq C :
Enten wech die gherect
Te Vele Ghevene waert gheet,
[9285]
Ende der Miltheden pat.
Rijchede andwoerde mi ter stat ::
„bits de wech, ic hoeden hier."
„Hoe dor God, vrauwe fier !
En vernoye hu niet mine bede
Ende laet mi gaen al hier ter stede, [92 01
In dien dat- hu eere ghescie,
Ter borch, die maecte ver Jalousie."
,Vassael," seide Rijcheit, „dan mach nu
Niet sijn, want in kenne niet ha.
[9295]
Ghi sift an mi qualijc gheraect,
Ghine waert mi heimeliker ghenaect.
1 Rose, I. 332, 10785 (10671) :
Des que ge verrai le chastel
Plus fieble qu'un rosti gastel,
Et les portes seront ouvertes,
Ne nus n'es me desfendra certes.
2 Rose, I. 333, 10792 (10078) :
N'en prendroie cent mile Byres.
163
A. fol. 45 b. c.
Dan gi noch sijt ; mar mine vrient,
Die mi met trauwen hebben gedient,
Ende geven connen dat mach s3inen,
[9300]
Die laet icker in sonder pinen
9475 Baleren, dansen ende reien,
Ende hebben weelde na hare greien. 1
Daer in es feeste ende joie ;
Daer en come niemene hine vervroie ;
Daer sijn vedelen ende tamburen, [9305]
9480 Cytolen ende tymbren tallen uren ;
Daer jagetmen hasen ende conine
In die scone boschgelkine, 2
Daermen die vroude groet mach scouwen,
Beide van knapen ende van joncfrouwen.
[9310]
9485 Alsi sijn moede gaen si met staeden
Te gadre in die stove baden,
Die sie daer hebben al bereet,
Want elc daer sine camere weet
C. fol. 56 b. c.
In die herberge, daer vrouwe af es
9490 Sotte Meltheit, sift seker des,
Die hen rekent van herbergien
Ende die morsele van leckernien,
Ende hen vercoept alsoe diere
Hare feeste ende hare beleciere,
9495 Dat si vercopen al hare lant,
Ende hen no blijft no gelt noch pant.
Ic bringse daer met groter eren,
Mar Ermoede doetse wederkeren :
Ic hebbe dat ingaen ende si dat ute.
9500 So waneer dat si sijn al ute,
Soe moegen si wale clinken slaen ;
Want is en salse meer ontfaen, 3
En ware dat si tgoet vercregen,
Daer si den cost met mochten plegen
9505 Van Sotter Miltheit ende anteren :
So soudicse weder wel feesteren
Ende gerne laten comen naer ;
Bi mi en comdire niet binnen,
Emmer moestic hu bet kinnen,
Ende moest oec wesen van den minen,
9476 haer. 77 D. es in. 78 D. nes niemen in
te vernoye. 79 D. s. in v. 80 C. cymbren. A.
tymbren. 81 jaecht men. 83 Daer es bliscap in en
trauwen. 84 Daer gaen de c. ende de j. Vs.
9485-9513 bij C:
Als si sijn van speelne moede,
In die camere met groten goede,
Daer die baden sijn ghemaect,
Ende gaenre binnen al moedernaect
Met feesten ende met groter ioyen, [9315]
Ende doen de herberghe hem verfroyen,
Daer zotte Miltheit vrauwe af si,
Die hem rekenen gaet so bi,
Als eene vrauwe die niet ontfarmt,
[9320]
Maer quetse so ende veraermt,
Dat sijs ghenesen niet en connen.
So zeere es so up hem gheronnen,
Dat si moeten al te diere
Int hende ghelden hare belechiere
Ende vercopen al haer lant, [9325]
Eer si ghequiten haren pant :
Seere becopen si hare feeste.
Dan comt die onghescaepte beeste,
Aermoede, dat wijf ongheraect,
[9330]
Cout, bevende ende al naect,
Ende ontfaetse als si hunt comen.
Dan werden' si mi ghenomen,
So dat icker mi en onderwinde
Nemmermeer woert tote minen inde.
[9335]
Ic en seght oec niet daer bi : Maecten si noch pays jeghen mi,
Ic lietse noch comen daer;
Maer hets eene dine alte zwaer
Also dicken te comen als si gheeren ;
[9340]
Want so groot es haer deeren
1 Greie, begeerte, lust, van het Fr. gre, bij
Kil. grete, greyte, aviditas, greten, greyten, greyden,
appetere, placere, gratum esse.
2 Rose, I. 335, 10843 (10123):
La vont vallez et damoiseles
Conjoint par vielles maquereles,
Cerchant pros et jardins et gaus,
Plus envoisies que papegaus.
De vertaling is hier geheel van het oorspronkelijke afgeweken.
3 Rose, I. 335, 10863 (10149);
puis d'eus ne m'entremetre,
Tant soient sages ne letre.
Mrs s'i pueent aler billier,
Qu'il sunt au darrenier millier.
S' en billier is (zie Du Cange (Ed. Henschel)
VII. 63.) s' enfuir, blijkbaar ontleend van bille,
van het balspel. De speler gaat den bal achterna,
s' en bale, balt op, of, zoo als wij aan een ander spel
ontleenen : hoepelt op. Doch wat beteekent hier
de uitdrukking clinken slaen? 't Is kennelijk een
spreekwoord, dat ook voorkomt in der Minnen
Loep, I. 2703. Daar is het kennelijk: uwaar de
min het spel regelt, de zaak bestuurt, " Huydecopers verklaring op Stoke, III. 281-85 is er
in overdrachtelijken zin toepasselijk, en de spreekwijs aan de blade ontleend. In de Rose gaat evenwel die beteekenis niet door. Meent de dichter misschien: aan de klink slaan, aan de deur kloppen ?
,Zij mogen vrij aankloppen, • ik laat ze toch niet
binnen." Of, want er staat clinken in het mv., ziet
het misschien op eenig balspel, waarbij de bal
door het wegslaan eener klink werd geworpen ?
(Verg. L Sp. Gloss. op Soudsspel). Dan zou het
kunnen zijn : udan mogen ze voor mijn part
loopen spelen", m. a. w. ophoepelen.
164
A. fol. 45 c. d.
Maer hets ene dine alto swacr,
Alse dicke te comenne alse si begeren.
9510 Wane soude comen dat si verteren?
Alst coemt ten inde ende sie sijn bloet,
Sone durren si van anxten groet
Mi van scanden niet anesien.
Hets wonder hoe dit mach gescien,
[9345]
9515 Sie en doeden hem van rouwen ; Maer u seggict wel met trouwen,
Opdat gi hebt daerwaert gere,
Dat noit en was geberst so here
Noch so gevilt in genen sinne, 1
9520 Alse gi selt sijn, mach u gewinnen [9350]
Ermoede ende hebben in hare hande.
Sie sal u leiden achter lande
In winkele, in hoeke ende in straten,
Dies si u sal sterven laten
9525 Van hongere, dats hare maniere ; [9355]
Nochtanne wasse Hongeren cameriere,
Ende diehde hare, so dat sift bequal
Ende bernende was van hongere al,
Ende hare leerde alle quaethede.
9530 Si maketse meesteresse ende voester mede
[9360]
Dieften, dies knapelkins, I'
Die soe menichgen neemt tsins,
Ende sogedene met haren melke :
Nie en sagic voestre selke.
[9365]
9535 Willie u tellen hare manieren ?
C. fol. 56 c. d.
Sine es oetmodich noch goedertieren,
Oec so woent si in een lant,
Dat magerste datmen noit vant ;
Daer en wast noch coren noch wijn,
9540 Gars noch cruet, noch busscelkin, [9370]
Nemmer daer bome en botten.
Het staet op dinde van Scotten
Op ene starke steenroke.
Honger en heeft engere coke
9515 Te doene om te cokene mede ;
[9375]
Want het es die coutste stede,
Diemen indie werelt weet. 3
Om dat Hongere ware leet,
Dat mu hare wiesse enich cruet,
9550 So trect sijt altemale uut
[9380]
Metten nachgelen van haren handen
Ende met haren scarpen tanden.
Nu willic u seggen hare gedane,
So is best can na minen wane.
9555 Idel, dunne, mager ende lanc;
[9385]
Den buc inholich ende slant,
Hangende ane die borst thale;
Die been gaen hare altemale
Hangende tallen leden uut,
9560 Daer boven hangende ene gele hunt ; [9390]
Te woest so es hare dat haer,
Die ogen diepe ende niet claer,
Mager ende bleec dat anscijn :
En gene bleecker sone mochte sijn.
Int ende, dat si sijn so bloot,
Dat si en dorren van anxte groot
Mi van scanden an ghesien
9514 dat. 15 Sine. 16 M. hu so segghic w.
in t. 17 Up. 18 D. nie veriacht so was b. 19
ghevleghen i. g. zinnen. 20 A is g sult. 21 Aermoede in haren handen. 22 Soe s. hu leeden.
23 Van houke te houke van straten tstraten.
A. strake. 24 Tes soe hu. 26 Nochtan was soe
Honghers. 27 E. d. hem so d. soet b. 28 berrende. 29 E. 1. haer. 30 So m. meesterigghe. 31
Diefte haers sonekijns. 32 tsijns. 33 soghede.
35 maniere. 36 Soe e. oemoedich ende goeder-
tiere. 37 Soe woende oec in e. 1. 39 no—no.
40 Borne no c. no bosschelkijn. 41 Nemmermeer.
42 II. s. recht upt ende v. Scotte. 43 sterke
stenine r. 44 gheene. 45 T. d. noch oec tokens
m. 46 W. hets eene de c. s. 47 in de. 49 wiese.
50 Ende treckent al te mal huut. 51 naghelen.
52 bitenden. 53 N. w. u gheven to verstane.
54 Hare faiture ende hare ghedane. 55 Een deel
moede m. e. 1 56 in hoel. 57 an 58 beene
hanghen h. a 59 T. 1. hanghende u. 60 D. b.
gaet maer de h. 61 Teroest. 62 diep. 63 Maer
b. d. anescijn. 64 Gheene leeliker beeste m. s
A. Ende.
1 Rose, I. 336, 10882 (10618) :
Nus ours, quant it est bien betes,
N'est si chetis ne si ales
Cum vous seres, s'ous i ales.
—
Gevleghen in de Var. is van vlaghen, vlaen =_
villen. Zie Kul
2 Volgens het origineel was de }longer cameriere der Armoede ; doch ook daar is de plaats
eenigszins onduidelijk. Rose, I. 336, 10888
(10174) :
el vous fora morir de fain,
Qui jadis fu sa chamberiere,
Et l'a servi de tel maniere,
Que Povrete par son servise,
Dont Fain iert ardent et esprise,
Li enseigna toute malice,
Et la fist mestresse et norrice
Larrecin, le valeton lait.
3 Vs. 9537-17 is in het oorspronkelijke veel
korter. Rose, I. 336, 10900 (10186) :
Fain demore en un champ perreus
Ott ne croist ble, buisson ne broce :
Ces chans est en la fin d'Escoce,
Si frois que por noient fust marbres.
165
A. fol. 45 d.-46 a.
9565 Sine heeft int lijf engene humure, [9355]
Dus heeftse magerheit ter cure
Ende so bedwongen in alien sinne, 1
Dattie plautiose goddinne
Ceres, die doet tcoren comen,
[9400]
9570 Es die wech daerwart benomen; Ende Trithelemus oec daer mede,
Die scepe brinct ter meneger stede, 2
En can den wech daer niet geraken ;
Noch niemen, die mach salich maken
9575 Den mensche, en can gecomen daer; [9405]
Maer is segge u vorwaer,
Wildi met Ledicheiden gaen,
Geltic dat gi hebt gedaen,
Ermoede sal u daer wel bringen,
9580 Die vrouwe es van desen dingen. [9110]
Enen andren wech gaet Ermoede
Dan den genera, dien ic hier hoede.
Wildi volgen Ledicheiden,
Diere voiheit niet en geseiden
[9415]
9585 Alle die met tongen spreken,
Gi selt danne saen sijn gestreken
Tote daer gi Ermoede vinden selt;
C. fol. 56 d.-- 57 a.
Ende blijftdi danne in hare gewelt,
Ende u behagen hare maniren,
9590 So mogedi danne wel faelieren
[9420]
Tassallerne dien casteel,
Ende oec te winne dat beter deel.
Maer van Hongere mochti seker wesen,
Die saen sal sijn an u gelesen ;
9595 Want Ermoede can, Bats oppenbaer, [9425]
Bider herten den wech tote daer. 8
Vrient, noch mogedi sijn gewes,
Dat die kaitivichge Honger es
So gediensttechtich sire vrouwe,
9600 Dat hise dickent cust met rouwen [9430]
Ende daertoe in groter breken; 4
Dan coemt Honger vortgestreken
Ende wect Dieften sijn kindekin,
Ende heet hem gereet dan sijn
[9435]
9605 Gaen te siene om sijn bejach, Waer dat hijt gecrigen mach :
Pit leert hem Honger ende Ermode mede.
Dan geet dat kint, dien al die lede
Beven, ende hem droemt dan al,
9610 Dat omme sine diefte hangen sal; [9440]
9565 Sone h 1. gheene humore. 66 heefsoe
m. t. core. 67 Ende ontbr., zinnen. 68 Dat der
plenineuser g. 70 E. d. waert die w. b. 71 Noch
Trikolomuse m. 72 te. 73 A. Ende en c. 74
mach ontbr. 75 Dien meinsche e. c. comen d.
76 M. eene dine segghic u. v. 77 Ledecheden.
80 meesterigghe. 81 Want e. a. w. bout E. 82
hier ontbr. 83 Ledicheden. 84 D. vulheit ic n.
ghezeden. 85 No a. 86 suit dan. 87 A ermoeden.
88 E. b. daer dan haer g. 90 S. suldi moghen
w. faelgieren. 91 Tassaelgierne. 92 minste d.
93 moghedi. 94 A. Dien. 95 dat o. 96 herte
d. w. d. 97 noch ontbr. 98 keytiveghe. 99 ghedienstich s. vrauwen. 9600 dicken A. en C. hi. 2
Ende d. c. H. toe g. 3 Diefte dat k. 8 gaet, de
1. 9 dan ontbr. 10 Om tzeel dat noch hebben s.
1 Rose, I. 337, 10911 (10197) :
Longe est et megre et lasse et vaine,
Grant soffrete a de pain d'avaine ;
Les chevens a taus hericies,
Les iex trues, en parfont glicies,
Vis pale et balievres sechies,
Joes de rooille entechies ;
Par sa pel dure qui vorroit,
Ses entrailles veoir porroit.
Les os par les illiers li saillent,
Oh trestoutes humors defaillent;
N'el n'a, ce semble, point de ventre,
Fors le leu qui si parfont entre,
Que tout le pis h la meschine
Pent hi la cloie de reschine.
Ses dois li a creus maigresce,
Des genous li pert la rondesce ;
Talons a haus, agus, parens,
Ne pert qu'el ait point de char ens,
Tant la tient maigresce et compresse.
2 Rose, I. 337, 10933 (10219) :
Ne cil qui ses dragons avoie,
Tritolemus n'i set la voie.
Triptolemus bracht we] den akkerbouw over
de aarde, en reed met zijnen wagen met draken
door de lucht ; doch van schepen is er bij hem
geen sprake. Zie Ovid. Fast. IV, 507, Metam.
V, 646.
3 Rose, I. 338, 10957 (10243) :
Car Povrete set le chemin
Miex par cuer que par parchemin.
4 Vs. 9597-9601 zijn in het origineel veel
beter en duidelijker dan in de vertaling.
Rose, I. 348, 10959 (10245) :
Si sachies que Fain la chetive
Est encores si ententive
Envers sa dame et si tortoise,
Si ne l'aime-ele ne ne proise,
S'est-ele par li soustenue,
Combien qu'ele soit lasse et nue,
Qu'el la vient toute jor veoir,
Et se vet avec li seoir,
Et la tient au bet et la baise
Par desconfort et par mesaise.
166
A. fol. 46 a. b.
Want altoes es hem in die moet,
Dat die galge hebben moet.
Diefte pijnt hem nacht ende dach,
Hoet sinen vader helpen mach ;
9615 Mar dais ene cranke neringe.
[9445]
Bi selker neringe so wart inge
Desen weeh, diene wille gaen ;
Ende gi, diene wilt bestaen,
Gi en hebs noch niet verdient,
9620 Dat gi wesen sout mijn vrient.
[9450]
Nu soect enen andren wech dan desen,
Gine mochter aldus comen no wesen."
,,Vrouwe, dore God," seide die minnere,
# Uwe gracie eist dat ic begere,
9625 So dat ic quame in dien pat,
Die mi leidde ter selver stat,
Dat ic mochte Suete Onfane
[9455]
Hulpen ute dien priensoene to gane,
Daer hi nu ghevaen es binnen :
9630 Dor God, vrouwe, laet mi ghewinnen!"
Rijcheit seide : il Ic hebbe wale
Gehort ende verstaen uwe tale :
[9460]
Gine hebt uwen bosch niet al vercocht.
Soe wiene heeft ane u gesocht,
9635 Gi hebs noch een vier behouden ; I
Ende sonder vier en mach met vrouden
Leven niet die volget der minnen [94651
Ende hare seden wilt bekinnen.
Die minnaren wanen wesen vroet,
9640 Dies sise dragen in haren moot.
Neen si niet, het es verwoetheide,
[9470J
Alse Redene tote u wel seide,
C. fol. 5 7 b. c.
Dier gi en wont horen niet,
Dies es u sotheit groet gesciet.
9645 Wet oec wel, dat gi noit sint
Mi en priset niet een twent,
[9475]
Ende dat gi to minne bestont ; Want die minnen wcrden oncont
Met mi ende haten mi mede,
9650 Ende worpen mi tere ander stede ;
Ende tirst dat icse danne begeve,
[9480]
Ware mi leet dat hem iet bleve,
Ende warpse oec van mi verre. 2
Nu vliet van mi eer ic mi erre."
Doe sciedic dane ; si bleef daer
9655
Met haren lieve, dat was waer.
Nemmeer en dorstic hare vragen
Noch oec mi van hare beclagen;
Maer gins pensende harentare
9660 Int scone praieel openbare,
Dat liefleec was utermaten,
Aisle u hebbe weten laten ;
[9495]
Maer niet so gerint mi das, Want elre mine pensinge was,
9665 Hoe ic mi houden mochte gestade,
Ende dat ic alsoe nine daede,
Datmen enichgen lachter sprake
[9500]
Iewerinc in enichge sake ;
Mare emmer en vergaetic niet
9670 Die stucken, die mi mijn vrient hiet ;
Ende diende Quade Tonge oppenbaer,
Waer ickene vant, hier ocht daer;
[9505]
Ende mine andre viande mede
Die so eerdic telker stede,
9611 den m. 12 Die g. diet h. m. 14 Hoe hi
sire moeder. 16 sulker n. waert u i. 17 Dose w.
ende moet altoes wesen. 18 Nu souct eenen andren wech dan desen. 19 Want ghine hebbets n.
v. Vs. 9621-22 ontbr. 24 Hu g. 25 den p. 26
Daer ic mede ghinghe t. st. 27 Daer i. m. Scone
0. 28 Huten prisoene helpen tontgane. Vs. 9629
—30 ontbr. by A. 32 Nu v. u. t. 33 G. h. nu
u b. n. al' to male. 34 Vercocht tgroete ende
tamale. 35 hebbets. 37 Niet 1. d. volghen. 38
Willen ende h. macht e. 39 1). minres w. v. sijn.
40 Als si leven in dit ghepijn. 41 Maer n. s.
hets eene v. 42 Als R. hu w. s. 43 wildet. 44
Dies es hu sottenlijc gheiciet. A. Diere. 45 Weet,
nie. 47 doe g. t. minnen. 50 werpen, andre, 51
E. teerst d. i b. 52 So w. 53 E. werpse v. m.
v. Vs. 9655-58 bjj C:
Die minre, die doe van hare
Sciet, hi bleef in groten ware
[9485]
Ende liet die joncfrauwe daer Ende haren vrient, weet vor waer.
Te hem selven seide die minneere :
//Hier scuwet mi dat ic begheere,
In dar over de vrauwe niet claghen,
No bidden hare no ghewaghen." [9490]
59 Peinsende g. ic h. 61 scone. 63 M. n. en
greide m. d. 64 peinsinghe. 65 H. i. nu h. 66
Dat i. a. niet en d. 67 D. mi eenighe 1.
s.. 70 Der zaken. 71 Tonghen openbaer. 72 ic
ken, of.
t Rose, I. 340, 10994 (10280) :
Et sai quo n'aves pas vendu
Tout vostre bois Bros et menu:
Un fol en ayes retenu.
2 Rose, I. 340, 11007 (10293) :
Voire ains que Raison i venist,
N'estoit-il riens qui vous tenist ;
N'onques puffs riens ne me prisastes
Des-lors que par amors amastes ;
Qu'amans ne me vuelent prisier,
Ains s'esforcent d'amenuisier
Mes biens, quant ge les for despart,
Et les regietent d'autre part.
Oh deable porroit-l'en prendre
Ce qu'uns amans vodroit despendre
Vooral de laatste verzen zijn zeer slecht vertaald.
167
A. fol. 46 b. c.
9675 Ende diende hen met al den sinne.
Niet en weet 'lc ocht hen ginc inne ;
Mare sere so wasic bevaen,
[9510]
Dat ic niet en dorste gaen
Ter vaster borch utevercoren,
9680 Alsic te gane plach te voren ;
Nochtan begerdic alle dage.
In dit vernoi, in dese plage
[9515]
Ende in dese penitencie mede So was mijn herte talre stede.
9685 Dit so hardic langen tijt,
Dat ic haetscap ende nijt
Decken moeste met barate,
Om te jagene meer mine bate.
Mijn dogen kinde al die God van Minnen,
9690 Die mi proefde in alien sinnen ;
Noit en vant hi in mi ontrouwe,
Noch oec Venus die hoge vrouwe.
Doe mi die God dus tallen stonden
Hadde geproeft, ende vonden
9695 In alien dienste goet ende getrouwe,
Quam hi te mi al sonder rouwe,
Ende lachende van minen sere. [9525]
Metter hant nam mi die here,
Ende vragede mi, ochtic altemale
9700 Sine gebode hadde gehouden wale,
Ende hoe mi behagede die Rose,
Daer mijn herte om dogede die nose; [9530]
Nochtan wisti al minen moet,
Want God weet al datmen doet.
9705 „Mijn gebod," seit hi, „ende mijn begeren,
Dat ic gebiede finen minneren,
[9535]
Dat si en elre en keren ane Dan in minnen te volstane." 1
„Here, soe en doe ic sekerlike,
9710 Mare hebbe u gedient getrouwelike."
,Nets waer, maer gi sijt wankel sere ;
C. fol. 57 c.-58 a.
[9540]
IJ herte steet ten menegen kere,
Ende sijt in te menich ontsien.
Ander dages wouddi ontien
9715 Mire manscap ende sijn afgedaen,
Doe gi Redenen hadt verstaen,
Ende beciaget u sere van mi
Ende oec van Ledicheiden, dat si
In minen vergiere u hadde gelaten ;
9720 Want hen ware twent ure baten.
Gi wart met Redenen accordert,
Ende naleecs al van mi gekeert."
ll Genaden, here, ic lie wale,
Dat ic horde na hare tale
9725 Langer, ende hadder na verstaen,
[9550]
Dan ic to rechte soude gedaen
Hebben, haddics mi vorsien ;
Mar dock ginc ics mi ontien,
Ende quaems te mi selven weder.
9730 Nemmermeer en leggic neder
[9555]
Uwen dienst om engenen noet,
Antropos, die vrouwe groet,
Si en beneme mi dat leven,
Dat mi Cloto heeft gegeven :
9735 So salic u dienen getrouwelike
[9561
Ende Venuse der vrouwen rike,
In dien dienst dat si begert,
Tote dat mi die doet vertert.
Dan mogen seggen mine mage,
9740 Die over mi maken clage :
uVrient, dose doet, die gi hebt nu, [9565]
Gelijct uwen levenne, dat seggen wie u,""
# 13i trouwen, " seit hi, die God van Minnen,
,,Nu dunct mi in alien sinnen,
9745 Dat mine manscap in di
[9570]
Harde wale bestaedt si.
Gine sijt niet van dien quaetdien,
Die mi ende mine partien
9675 E. d. hem al m. minen s. 76 of hem
yet i. 77 Maer s. s. hildic mi over ondaen. 78
na en d. 79 Der. 81 begherde. 84 Mine h. te
sine t. s. Vs. 9685-92 bij C:
Also wel wiste de God der Minnen,
Die mi proefde in alien zinnen ;
Maer noit en vant hi in mi quaet,
Noch ontrauwe, noch verraet. [9520]
93 D. m. de Minne t. stonde. 94 Dus h. g.
95 Talre tijt g. e. g. 96 al ontbr. 97 Al 1. 98
Nam mi bider h de h. 99 of ic wale 9700
Sijn ghebod h. ghedaen alte male. 2 die ontbr.
3 N. w. wel m. m. 5 seit hi ontb7. 7 Dats d. s
hem niewer:ne k. a. 8 minne. 9 so doe. 10
1c h. u g. zekerlike. 12 staet in m. k. 13
menic. 14 Sanderdaegs wildi hu o. 15 of ghegaen. 16 Redone. Vs. 9717-22 bij C:
Ende hare wort, ende hilter hu an : [9545]
Dan was niet als een ghetrauwe man.
25 L. e. wasser bi ghestaen. 31 gheenen. 32 Atropos. 33 Sone. 34 Clote. 37 Dienen int were d.
soe b. 38 de d. 40 om. 42 leven d. segghic hu.
43 Einnen hoofde sprat d. G. der M. 46 wel
bestadet. 47 quadien.
1 Rose, I. 342, 11069 (10355) :
Sent fait, dist-il, tuit mi comans
Que ge as fins amans comans,
Qu'aillors n'es voil-ge departir,
N'il n'en doivent Pt departir ?
De vraag in het origineel is in de vertaling
niet gevolgd, maar de vier verzen, door den
God der Min gesproken, zijn een appositie van
vs. 9699-9700.
168
A. fol. 46. c. d.
Versmaedden waer si mochten,
9750 Alsi hadden dat si sochten.
Uwe herte es seker ende vast :
[9575]
Dies seldi sonder meerren last
Ane die havene comen saen,
Daer gi lange hebt nagestaen ;
9755 Ende ic vergeve u mesdaet,
Die gi gedaen hebt sonder raet,
[9580]
Ende meer om bede dan om goet ;
Mar ic segge u wat gi doet :
Wildi versoenen jegen mi,
9760 So vertrect mi, hoe dat gi
[9585]
Mine gebode hebt gedaen,
Die ic u beval ende dede verstaen.
Als ghi mi hier segghet wel,
So wert noch uwe pine al spel." 1
9765 //Here, gerne," seide die minnere,
il Dorperheit scuwic harentare,
Ende messpreken haetic sere;
Gerne gruetic telken kere
Die liede, sijn si groet ocht clene ;
[9595]
9770 Dorper wort ende oec onrene
Dic scuwic, al wart in scerne ;
Vrouwen eric altoes gerne,
Ende al dat vrouwe name heeft
Dien soe dien ic vor al dat leeft. [9600]
C. fol. 58. a. b.
9775 Hoverde scuwic, ende daerbi
Houdic jolijs ende behagel mi ;
Milde te sine pijn ic mi mede,
Ende mijn herte blijft tere stede."
— ll Bi trouwen, gi cont wel u lesse : [9605]
9780 Al selc alse gise segt so esse.
Ic weet wel dat ic uwes seker ben. 2
Hu steet hu nu in uwen sen ?"
— ,,Here, ic leve met rouwen groet ;
Gine troest mi saen, ic blive doet."
9785 „Ende en hebdi die III troeste nemmeer ?"
— „Nenic, here, alsic dede eer :
Goelijc Sien es mi ontbleven. 3
Sie hadden mie alle III begeven,
Maer die twee sijn weder comen
9790 Ende hebben te mie sint ware genomen."
diebdi Hope?" — ll Jaic, here,
Hi heeft mi geholpen sere,
Ende gehouden al sonder gile
In sconen gepense lange wile." 4
9795 ,,Waer es Suete Onfaen gevaren ?"
— ,,Here, hi leit gevaen tuwaren, [9620]
Dien scone, die goede, dien ic soe minne."
,,Nu blijft met rasten in uwen sinne ;
Want gi selt noch hebben meer
9800 Uwes willen, dan gi waent eer,
9749 wat s. m. 51 Huwe h. 52 suldi. 53
An d, h. ariveren. 54 Die langhe gheweest
heeft hu begheren. 55 hu huwe m. 57 Meer
omme b. d. omme g. 59 W. acorderen met m.
60 S. vertelt m. alsoe alst si. Vs. 9761-67
bij C:
Mijn ghebod ende mine tale ;
Want dit bout saelt houden wale
Langhen tijt, hebdijt verstaen.
Ende houdijt dan alsoe ghedaen,
Als ghi mi hier segghet wel,
So wert noch huwe pine al spel." [9590]
,,Ic seght hu gherne," seide de minare.
pDorperheit scuwic harentare.'
Vs. 9763-64 ontbr. bq A. 68 G. groetic int
gh meene. 69 of. 70 Dorpere w. e. onreine. A.
Dorpar. 71 D. s. ende oec vileine. 72 eere ic. Vs
9773-74 bit C:
Dies en staet mi niet tomberne,
Ende al dat vrauwen name heeft,
Dien diene ic voer al dat leeft.
75 e. oec d. 77 pine ic. 79 B Gode g. c. w.
huwe 1. 80 Al sule als ghi s. Vs. 9781-92
,
bij C :
Ende [hoes court dat ghi zwighet dan ?
,,Ic leve met rauwen, ic en can,
Sint mijn herte levende niet ne si."
,,Ende hebdi dan niet, dat seght mi, [9610]
Die trooste ?" — ll Neenic, entrauwen !
Soete Ansien es mi ontblauwen,
Die mi brochte bliscap yore
Met sinen oversoeten gore.
Maer dander II helpen mi zeere." [9615]
ullebdi hope ?" — „Ja ic, heere.
93 Die heeft mi g. s. g. 94 I. goeden payse.
95 Scone 0. 96 leeght g. te waren. 97 D. edele
d. zoete die. 98 rusten. 99 suit. 98 0 Huwen
wille.
1 Deze twee verzen komen bii A niet voor.
Rose, I. 345, 11151 (10437) :
Et se bien retenus les as,
Tu n'as pas gete ambesas.
d. i.: dan hebt gij de twee azen niet gegooid.
2 Kausler in zijn III D. 269 merkt terecht
aan, dat in vs. 9781 Var. het zwijgen in den
tekst is gekomen door verkeerd begrijpen van
den vertaler, die in de vraag
Comment t'est-il ?
daarin taist van taire heeft gelezen.
3 Rose, I. 346, 11170 (10456) :
Dous-Regars fault, qui le venin
Me seult oster de ma dolor
Par sa tres- doucereuse olor.
De tekst van C. is hier vollediger.
4 Bij Meon en Michel komt na deze vraag
een andere naar de Rose, die er blijkbaar niet
in hoort en ook in onzen tekst en in het
Fransche HS. te Stuttgard gemist wordt. Zie
Kausler, t. a. p. De Rose toch behoort niet
tot de drie trooste.
169
A. fol. 46 d.-47 b.
Van daer gi omme hebt gedient
[9625]
Getrouwelike alse mijn orient.
Ic wille ontbieden haestelike
Minen barone van minen rike,
9805 Ende dien starken casteel beleggen
Sonder enich wederseggen ; [9630]
Ende eer wi sceden, na minen wane,
Sullen wie hebben Suete Onfane."
Sonder beiden die God van Minnen
9810 Ontboet sijn vole in alien sinnen,
Selc bi geboden, selc bi beden.
Daer quamen bi mechtecheden
[9635]
Vele lieden ten hogen God,
Willich te doene sijn gebod,
9815 Na hare macht, waer dat ware :
Nu willicse u nomen openbare.
Ledicheit, die in den meesten deele
[9640]
Vrouwe was van desen praiele, Quam met sconen gesinde daer ;
9820 Edel van Herten openbaer,
Edelheit, Miltheit ende Rijchede,
Ontfarmicheit ende Coenheit mede,
1:9645]
Delijt, Ere ende Hovescheit,
Geselseap ende Simpelheit,
9825 Sekerheit, Deduut ende Doegt,
Blijtheit, Jolivecheit ende Jogt;
Oetmodicheit quam mede daer,
Ende Gedoechsaemmicheit, dats waer ;
[9650]
Wel Helen ende Geveinst Wesen
9830 Quamen daer, ende oec mettesen
Valsch Gelaet, die met machte
Geveinst Wesen met hem brachte ;
Want sonder hare en mach hi niet, [9655]
Want hi met hare te wandelne pliet;
9835 Ende wat dese twee te voren tonen,
Baraet moeter emmer in woenen.
Nu willic u laten horen
Van wien Valsch Gelaet es geboren. [9660]
C. fol. 58 b.— d.
Baraet soe was sijn vader,
9840 Die der liede herte steelt algader ;
Sijn moeder was Ypocrisie,
Die God onse here vermaledie ;
Dese sogedene ende voeddene mede : [9665]
Godsat hebbe hare y ule sede ,
9845 Dat si verraedt so menich rike
Bi haren abbite geestelike !
Ende tirst dattene die God versach,
Werdi heme wat hi mach, 1
[9670]
Ende seide : „Valsch Gelaet, bi wies orlove
9850 Siedi comen te minen hove?
Segt, hoe dorsti comen bier ?"
Mettien quam vort die vrouwe fier,
Geveinst Wesel), alte hant,
[9675]
Ende nam Valsch Gelaet bider hant,
9855 Ende seide : ,Here, en belget u niet;
Dat hi bier quam es bi mi gesciet.
Hi heeft mi menich goet gedaen
[9680]
Ende testaden dicwile gestaen ;
Hi help mi altoes ter noet ;
9860 Ne ware hi, ic ware nu doet
Van hongre, here, dies es hi
Al bier comen tote u met mi.
Hine wilt al die liede niet minnen ; [9685]
Mar ic begere in alien sinnen,
9865 Dat hi si vanden lieden gemint
Ende over helich man bekint ; 2
Want ic bem sine amie faitijs,
Ende hi es weder mijn amijs."
[9690]
,,Nu eist dan tijdt dat wie beginnen
9870 Te sprekene," seide die God van Minnen,
',Hoe dat wie moegen verweren
Ver Jalosien, die onse minneren
Doet soe over grote pine.
[9695]
Hieromme hebbic u, vriende mine,
9875 Ontboeden ende hier doen comen.
So heeft te houdene genomen
Jegen mi desen casteel,
9802 als. 3 ombieden. 4 Mine. 5 Enten sterken. Vs. 9807-08 ontbr. by C. 9 beide de G.
der M. 10 Omboot tsijn heere. 11 Sulc bi
ghebode sulc. 12 met moghentheden. 14 Ghewillich. 16 noemen. 17 in m. 18 dien. 20
ende o. 21 Edelhede Milthede e. Nijthede. 22
Ontfaermichede e. Coenhede. 23 Hoveschede.
24 Simpelhede. 25 Sekerhede, D. e. duecht.
26 Blijthede, Juecht. 28 Ghedoechsamhede. 30 met
desen. 31 Quam V. G. 33 W. s. hem e. dede
soe n. 34 so met hem. 35 Want w. d. t. ver-
donen. 37 Hier w. 38 was. 39 B. w. Valschs
Ghelaet v. 40 lieder. 42 vermalendie. 43 soochde
e. voedde. 44 yule ontbr. 45 soe v. soe. 47 teerst
d. de. 48 Werdi. A. Eerdi. 51 dordi. 52 voert
de. 51 Ghelaet metter h. A. Baraet. 58 dicken.
59 Ic hebbe sijns altoes n. 60 En w. h. i. w. d.
61 hongher. 62 Tote hu c. al bier m. m. 63 H.
wille alle de 1. 64 Dies begheere ic in minen
zinne. 65 van hu g. 66 heleghen. 67 sijn. 69 dan
ontbr. 70 sprac d. G. der M. 71 verwaren. 72
onsen minnaren. 75 Omboden.
1 Rose, I. 348, 11234 (10520) :
Quant le diex d'Amors l'a vett,
Tot le cuer en of estneu.
2 Rose, I. 349, 11247 (10533) :
Tout ne vueille-il les gens amer,
S'ai ge mestier gull soit ames
Et prodons et sains hons clames.
170
A. fol. 47 b. c.
Dat mire herten deert een deel.
[9700]
Soe heeftene so vaste doen maken,
9880 Dat ic niet en can geraken,
Hoe datmenne gewinnen sal
Sonder scade ende groet mesval ;
Ende oec so deert mi meer der ane [9705]
Vanden kinde Suete Onfane,
9885 Dat so dicke te vorderen plash
Onse vriende, ende nu niet ne mach
Ute dien vangnesse coemen.
Sint mie Tybullus wart genomen, [9710]
Die mijn dine kinden groet ende smal,
9890 So sijn mine gescutte al
Gefaeliert ende mine boge,
Ende mijn halsberch ontwee getogen :
Dies hebbic om hem rouwe groet [9715]
Mijn moeder weende om sine doet,
9895 Alsi doen mochte wel te rechte. 1
Nu hadden wi te doene wel onser cnechten
Gallus, Catillus ende Oviden,
[9720]
Die wale consten tallen tiden
Van minneh spreken wel gereet ;
9900 Maer si sijn doet, dat es mi beet.
Siet hier van BRUSELE HENRECKE, 2
Die ver Jalosie swaerlecke
Torment ende pijnt, bi mire trouwen,
[9725]
So dat hi sterven waent van rouwen.
9905 Nu es hi mi comen te rade
Alse een die mijn vrient gestaede
Es ende al eigin mijn,
— Dies moet ic hem gehulpich sijn, — [9730]
C. fol. 58 d. —59 a.
Ende hebbre u omme vergadren doen,
9910 Om Suete Onfane, die int prisoen
Legt, to hulpene uter noet ;
Want mi so ware scade groet,
Dat wi soe getrouwe knape verloren, [9735]
Ende ic hem mochte betren sinen toren;
9915 Ende ict beent sculdich te doene mede
Doer sine getrouwe dienstechede,
Daer hi mi mede heeft gedient,
Ende nosh wille dienen alse mijn vrient,
[9740]
Ende maken te Dietsch, daer in sal staen
9920 Mine gebode, die hi sal saen
Onbenden ende seggent Suete Onfane,
Opdat hire mach comen ane,
Die nu so vaste legt in rouwen, [9745]
Dat mi deert, bi mire trouwen ;
9925 Want en can ics niet ghewinnen,
Dat sal mi deren int herte binnen.
In troeste mi in niemenne el
Dan in u lieden, dat west wel ;
[9750]
Gi sijt mijn troest in alien saken.
9930 Mochten wie Henrecke gemaken
In hogen, die so bovesch es,
Ende so melde, geloeft mi des,
[9755]
Ende mi gedient heft so wale, Ic souts verbliden altemale.
Nu coemt hierna Jhan, sijn gcselle,
9935
Een hovesch knape, daer ic of telle,
Ende mi eerlec heft gedient
[9760]
Alse een mijn getrouwe vrient,
Ende vort dienen wilt gereit
9879 heeften s. vast. 82 Dat dert miere herten boven al 83 Oec leeght miere herten zwaer
a. 84 Scone. 85 dicken te voerderne. 86 vrienden e. niet. 87 Uter vanghenessen. 88 Tybulus
waert. 89 mine d. kenden. 90 ghescutten. 91 Ghefaelgiert. 95 Also d. m. met r. A. mochten 96 wel
ontbr. 97 Gallusen Catilluse. 98 wel. 9900 Bats.
1 Brucele Heinrike. 2 Dien v. Jalousien. 4 Dat.
5 N. es h. comen te mi t. r. 6 Als teenen sinen
v. g. 7 Want hi es al e. m. 8 ghehelpich. 9
hebber. 10 Scone. 11 Leeght te ghecrighene.
12 A. sware sc. 13 D. w. sulken cnape v. A.
knapen. 14 E. i. h. b. mochte s. t. 15 bemt.
16 Dor s. grote ghedienstichede. A. dientsechede.
18 als. 19 E. m. Tiedsch. A. tie D. 20 Sijn
ghebod ende oec s. 21 Sal hijt segghen Scone
0. 22 Mach hire hiet ghecomen ane. 23 D. n.
v. leecht. 26 in alien zinnen. 27 Nu en ghetroestic mi in niemen el. 30 Heinricke. 81 si. 32
milde gheloves mi. 35 Nu comt MEMEL s. g.
36 E. h. poertere d. i. of t. A. knap. 37 E. die
m. eerlike hevet g. 3S een ontbr. 39 wille.
I Rose, I, 349, 11267 (10553) :
Puisque Tibulus m'est faillis,
Qui congnoissoit si bien mes tesches,
Por qui mort ge brisai mes flesches,
Cassai mes ars, et mes cuiries
Trainai toutes desciries,
Dont tant ai d'angoisses et teles,
Qu'it son tombel mes lasses esles
Despenai toutes desrompues,
Tant les ai de duel debatues ;
Por qui mort ma mere plora
Tant, que presque ne s'acora ;
N'onc por Adonis n'ot tel paine,
Quant li sanglers l'ot mbrt en Paine,
Dont it morut h grant hascie.
Onques ne pot estre lassie
La grant dolor qu'ele en menoit ;
Mes por Tibulus plus en oit.
Het origineel loopt ook bier wederom vrij wat
uiteen met de vertaling.
2 Rose, I. 350, 11291 (10577):
Ves-ci Guillaume de Lorris.
Over deze plaats en de later volgende verzen
zie de Inleiding.
171
A. fol. 47 c d.
9940 Sonder nijdt ende giricheit,
Ende dore Redenen mine wilt laten,
Ende alle mine specie doet paten,
Die bat riect dan balseme doet :
[9765]
Daer bi eist recht dat si moet
991-5 Faellieren ter meneger stout. 1
Ende Henrec, dats mi wel cont,
Die dit Dietchs begonnen heeft,
Willet volenden, opdat hi leeft,
[9770]
Ents hem God onse here dan an,
9950 Want hi es mijn getrouwe man,
Opdat hi mach Suete Onfane
Vercrigen, ende die welgedane
[9775]
Rose, die hi heft so wert,
Ende van herten sci begert,
9255 So dat wijt emmer moeten . doen ;
Want sijn gebot 2 ende sijn sermoen
Sal werden gelesen ter meneger stat,
Ende men saels ons dienen te bat. [9780]
Nu es wel recht sekerlike,
9960 Dat wi den toename van Heinrike
Seggen ende condich maken ;
Want die toenamen sie sijn saken
C. fol. 59 a. 4 b,
Daer die man bekint mede es.
VAN AKENE, 3 sijt seker des,
9965 Es sijn toename, ende es prochiaen
Te Cortbeke, alsict hebbe verstaen.
Nu biddic der goddinne des
Lucinen, die vanden brudenne es
Gerechte goddinne ende vrouwe, 4
9970 Dat si Heinricke, die ons getrouwe
[9795]
Es, alsoe vorderen moete,
Dat hi lese die Rose soete ;
Ende Jupiterre so biddies mode,
Dat Nine behoude in die blijthede ;
9975 Want hi wilt desen boec al nut
[9800]
Maken, daermen dat suete cruut
Sal vander minnen moegen kinnen ;
Ende daer na men en genen sinnen
Tongemake en darf wesen.
9980 Die dit boec heeft gelesen,
[9805]
Hi sal hier sien also claer
Die poente der minnen ende oppenbaer,
Datmen dit boec in alien sinnen
Heten mach Spegel der IVIinnen ; 6
9985 Want vele goets bringet den minnere,
9941 E. dor R. niet wille 1. 42 Die al m.
cuelne d. h. 43 bet. 44 soe m. 45 Faelgieren
dats mi wel cont. 46 E. Heinric te menigher
stout. 43 Wilt henden updat. 49 Ende up dats
h. o. h. ian. 51 Up dat h. m. Scone 0. 52
Ghecrighen entie w. 53 heeft so weert. 54 soe
begaert. 55 Dat wi. 55 W. s. bouc. 57 in m. s.
58 sals 59 A. rech. Vs. 9959 — 66 biz C:
Ende so onse zaken doet verstaen
Dat si nemmermeer en vergaen.
Doch quaemt dat Heinric niet vuldede,
Ende Michiel hi endet mede,
[9785]
Entie Heinric was prociaen,
Ende Mechiel adde de name ontfaen.
Ende bedi dat dese Heinrijc
Ons dienen sal ghetrauwelijc,
Als hi de Rose heeft te sinen wile,
Die nu van wanhopen zwighet stille. [9790]
67 Biddic d. Goddinnen vri. 68 Lutinen d. v.
b. si 70 soe. 72 de. 73 E. J. biddic oec m. 74
sine b. 75 Want hi ende Mechiel willen maken
uut 76 Dit bouc d. 77 in m. k. 78 E. d. na
en darf in alien zinnen. 79 Minre t. w. 80 desen
b. 81 Want h. s. h. s. so c. 82 ende ontbr.
84 H sal Spieghel. 85 brinct hi d. minneren.
1 Rose, I 352, 11333 (10619) :
Qui h saoul et h eau
Me servira toute sa vie,
Sans avarice et sans cnvie,
Et sera si tres-sages hon,
Qu'il n'aura cure de Raison,
Qui mes oignemens het et blasme,
Qui olent plus soef que basme,
Et s'il avient, comment qu'il aille,
Qu'il en aucune chose faille,
(Car it n'est pas horns qui ne péche,
Tous jors a chascun quelque téche),
Le cuer vers moi tant aura fin,
Que tous jors, au mains en la fin,
Quant en cope se sentira
Du forfet se repentira.
Lees in vs. 9942 met C : Die.
2 Lees met C: boec.
3 In het HS. staat niets dan :
Sijt seker des,
dat even als de andere verzen met een hoofdletter begint. Zie de Inleiding.
4 De bede aan Lucina, die in het oorspronkelijke zeer natuurlijk is, mist hier alle reden
van bestaan. Zie de Inleiding.
5 Rose, I. 354, 11406 (10592) :
Il fleutera nos paroles
Par quarrefours et par escoles,
Selonc le langage de France,
Par tout le régne en audience,
Que jambs cil, qui les orront,
Des dons mans darner ne morront,
Por qu'il le croient fermement;
Car tant en lira proprement,
Que trestuit-cil, qui opt h vivre,
Devroient apeler ce livre
Le Miroer as amoreus :
Taut i verront de biens por ens.
Lees in vs. 9978:
Ende daerna minre en genen sinnen.
172
A. fol. 47 d.-18 a.
Opdat si te home nine begeren
[9810]
Na Redenen der hoger vrouwen,
Die mi doet levee dickent met rouwen.
Hier omme so coem ic u te rade
9990 Alse minen mannen, ende bidde genaden
U alien harde oetmoedelike, [9815]
Dat gi desen selven Heinrike,
Die oit soe getrouwe was mi,
So hulpt dat hi gevordert si.
9995 Oec bem ic sculdich te biddene mede
Vore andre, die ter meneger stede [9820]
Selen noch geboren sijn,
Ende houden hen are den raet mijn,
Diere harde vele wesen sal;
10000 Want ic weet te voren al,
Ende benre of prophete, dats waer; [9825]
Want si selen oppenbaer
Venden in dit boec bescreven
In welker wijs dat verdreven
10005 Sal wesen noch ver Jalosie,
[9830]
Ende altemale hare partie,
Ende haren casteel gebroken soe,
Ende getruerit daertoe, '
Dat sise in engenen saken
10010 Nemeer weder en moge maken.
[9835]
Dies so raedt mi openbare,
Hoe ic best mijn vole scare,
Endc bescicke mijn orloge,
So dat ic gewinnen moge
10015 Lichtelike den starken casteel,
[9840]
Die noch vaste es ende geel." Doe dus die Goddinne was kint, 2
Al sine redenne harde geint,
Gingen te gadre die barone
C. fol. 59 b. - d.
10020 Om raet te nemene, wat hem te doene
[9845]
Stoede al met selken saken.
In vele manieren dat si spraken,
Want ele hi gaf sinen raet ;
Doch bleven si, dat verstaet,
10025 Op enen raet, daer si mede
Ten God wart kcerden doe ter steede.
[9850]
„Here, her God," soe seiden si,
„Met accorde soe sijnwi
Bleven altegader gemene,
10030 Sonder Rijcheit die vrouwe allene,
Die harde diere heeft gesworen,
Dat si omme mensce die geboren
Es, nemmermee; Godeweet,
[9860]
Ane diethorch slach en sleet,
10035 No met houwen, no met scachte,
No met gheenen anderen ambachte; 3
Ende es gesceden met bolgenscape :
Alsoe sere haetsi den cnape ;
Ende seit: sons heeftene wart no lief. [9865]
10040 Daer omme doetse hem dit ongerief,
Dies hi en gadert engenen scat.
Over waer seggen wie u dat,
Dat hine mesdede oppenbare
[9870]
Noit andre saken jegen hare. 10015 Si lijt wale, alse ict vernam,
Dat hi gistren margen quam
Tote hare, ende sochte hare ane
Orlof al dien pat te gane,
Diemen heel Te Vele Gegeven ; [9875]
10050 Maer hi es daer buten bleven,
Want hi was arm, doe nijs bat:
Dies was 'hem ontseit dien pat;
9986 Updat s. t. hoerne niet b. 87 Redene d.
valscher. 88 dickers. 89 so ontbr. 90 bidden. 91.
Hu arde oemoedelike. 94 Helpt. 93 bidden. 96
Voer a. d. te m. s. 97 Sullen. 98 E. h. an d.
99 Die. 10001 E. bem er of p. w. 2 sullen.
3 Vinden in desen b. ghescreven. 5 S. werden
v. J. 7 haer c. tebroken s. A gebrosen. 8 gedestruweert d. 9 soese. 10 Nemmeer moghe w. m.
12 heere ghescare. 13 bestichte. 15 dien c. 16
vast e. e. gheheel. 17 Dns doe die God die niet
w. k. 18 Al ontbr. 19 gader 20 hem ontbr. 21
Stoete met al zulken s. 22 V. niemaren. 23 W.
e. g. daer s. r. 21 D. so b. 25 In e. rade. 26
T. Gode k. van dier stede. 27 beer, soe ontbr.
28 A. sien. Vs. 10029-30 bij C:
Van huwen hove, Bonder een,
Al ghedraghen over een,
Dat so es alleene Rijchede.
Dese et) wildem niet volghen mede
31 Ende heeft wel d. g. 32 soe om meinsche
die es g. A menscen geboren. 33 Nemmermeer
Godweet. 31 An. Vs. 10035-36 ontbr. bij A.
37 So e. g. m. gramscape. 38 So s. haet soe
dien c. 39 Soe s. hine hadse noit 1. 40 Dies
doet soe. 41 Soe haettene ende sal noch bat. 42
Bedi hine gadert gheenen scat. 43 Noit en m.
hi jeghen hare. 44 Ander zake openbare. 45 Soe
liet wel als ic v. 46 D. hi eerghistren q. A. ic.
47 haer, haer. 48 Al den p. in t. g. 49 Die
gheheeten es Te vele Gheven. 51 arem.
1 Lees met C: gedestruweert. De vorm truerien is ons althans nergens voorgekornen.
3 Deze twee verzen, die bij A ontbrekem, moeten er blijkens het oorspronkelijke ingevoegd
worden. Rose, I. 355, 11457 (10643) :
Ne j4, ce dist, cop n'i ferra
De dart, de lance ne de hache,
Por home qui parler en sache,
Ne de nule autre arme qui soft.
2 Lees :
Doe dus die God, diene was kint,
De vertaling van Chaucer, die bij vs. 4988
plotseling afbreekt, vangt hier weder aan.
173
A fol. 48 a. b.
Ende sint en es hi sekerlike
Van enen penninge worden rike, [9880]
10055 Alse ons Rijchede dede verstaen ;
Ende hieromme es ons afgegaen.
Nochtanne sijn wi altemale
Sonder hare geacordeert wale.
Wie hebben vonden in onsen raet, [9385]
10060 Dat Bedect Wesen ende Valchs Gelaet
Metten haren te desen tiden
Sullen tachterste porten bestriden,
Die Quade Tonge houd ende hoedt
Met sinen quaden volke verwoedt. [9890]
10065 Meltheit ende Hovescheit mede
Selen proven hare vromichede
Jegen die quene ende hare gaen ane,
Die soe nauwe wacht Suete Onfane.
Oec willewi dat te deser tijt
[9895]
1(u070 Wel Helen ende Delijt
Scaemten bestaen vromelike,
Ende breken hare porte stoutelike.
Jegen Sorge willen wie dat varen
Coenheit ende Sekerheit metten haren;[9900
10075 Vrieit ende Ontfermichede
Willen wie dat Dangiere bestrede.
Dus es dit here wel gescart,
Want nemmer en es so bewart
Die casteel, hine worde gewonnen, [9905]
10080 Al es ons Rijchede ontronnen,
Die ons alien en prijst niet sere. 1
Daer omme bidden wi u, lieve here,
Dat gi Venuse uwer moeder
C. fol. 59 d.-60 a.
Al hier ontboet, want si es vroeder [9910]
10085 Dan wi alle van orlogen :
Si sal ons wel geraden moegen,
Daer omme ontbietse, hets welgedaen."
Die God van Minnen antworde saen :
Gi heren, mijn moeder, die goddinne, [9915]
10090 Daer wijsheiden vele es inne,
Si en doet niet altemale
Minen wille, maer si can wale
Mi secorsen, alst es te doene ;
Ende daer bi weet wel, gi baroene, [9920]
10095 Dat ic mire moeder nine wille moyen
Om niet, want hare souts vernoyen.
Ic eerse ende werdse, waer ic mach,
Met wat dat ic verleesten mach,
Maer waenneer dats te doene si, [9925]
10100 So salsi comen, geloves mi ;
Al waerse hier so bi oec nu,
So soude hier comen, dat seggic u,
Ongebeden van minen wege,
Ende hebben saen den torre belegen. 2[9930]
10105
1Vlijn moeder es vrome in hare daet.
So heeft gewonnen, dat verstaet,
Menege borch, die vaste stont,
Die meer coste dan dusentich pont,
Daer ic niet jegenwerdich en was. [9935]
10110 Haddicker geweest, geloeft mi das,
Sie en waerre niet comen inne
Bi coepmanscepe in genen sinne ;
Want hets coepmanscepe, wise doet,
Die minne geeft om enich goet, 3
100052 wart h. o. de p 54 niet werden. 55
Als o. R. dade. 56 es soe o. ave g. 57 Ende
daeromme. 59 Nu h. w. 60 Valsch. 62 die
achterste poerten. 65 Milthede e. Hoveschede
m. 66 Sullen prouven haer. 67 de. 68 Scone.
69 willen wi 72 E. bestriden haer poerte rike.
73 J. S. willic d. ware. 74 Coenhede, e. Zekerhede met ware. A. met. 75 Vrihede. 76 Willie.
77 ghescaert. 78 N. sone e. soe bewaert 79 wert.
Vs. 10080-82 bij C:
Up dat sire toe ghedoen connen
Haren neerenst ghetrauwelike.
Maer wi willen zekerlike.
83 D. g. ver V. 84 omboot w. so. 85 Van
sulker zaken v. o. 86 Soe. 87 Dies ombietse
Bats. 88 der Minnen. 89 godinne. 90 wijshede.
91 Sone. 92 soe. 93 soccoersen. 95 niet wil.
98 In doe haer noede overlach. 99 datter. 10100
soe. 1 Ende ware soe h. 2 Soe s c. 3 weghen.
4 So gherne helpt so mi des zeghen. A. hebbe. 5
vroet van menigher d. 6 verwonnen. 8 dan M. p.
9 D. i. j. niet e. w. 10 Maer en acidic ghesijn. 11
Sone. 12 B. negherande s. Vs. 10113-15 bij C:
Bi minen rade in dier maniere ;
Want hets comauscap te diere,
Ende oec en eist comanscap maer.
Ghelijct dat een coopt openbaer
Groete orsen ofte rossiden.
1 De lezing van C komt hier meer met het
oorspronkelijke overeen dan die van A.
Rose, I. 357, 11505 (10691) :
Par ceus iert li chastiaus casses,
Se chascuns i met bien s 'entente.
2 Lees in vs. 10101 met C : Ende.
Rose, I. 357, 11528 (10714) :
S'el fust si pres, tost i venist,
Que riens, ce croi, ne la tenist.
3 Rose, I. 358, 11531 (10717) :
Ele a pris mainte forteresce
Qui coustoit plus de mil besens,
Oh ge ne fusse jh presens,
Et si le me metoit l'en seure ;
Mes ja n'i entrasse pule eure,
Ne ne me pleust onques tel prise,
De forteresce sans moi prise,
Car it me semble, que qu'en die,
Que ce n'est fors marcheandie.
Verg. Chaucer, 253. b.
174
A. fol. 48 b. c.
10115 Gelijc datmen coept orse ende rassiden.
Die tgelt pait hi machse riden,
[9945]
Wilt hi sachte, wilt hi sere; Want hi den coepman en es mere
Sculdich, noch die coepman heme.
10120 Aldust eist, alse iet verneme,
Die coept oec van enen wive
[9950]
Die genoechte van haren live;
Ende alsise hem gelevert heeft,
Ende hi hare tgelt, dat hire om geeft,
10] 25 Soe es leden al die minne :
Daer en- es al dan coepmanscap inne.
[9955]
Coq, en es niet gegeven :
Daer omme es die danc saen bleven. t
Nochtan sijn dese coep beide
10130 Ongelijc, die ic u seide ;
Want al eist dat een diere
[9960]
Coept een ors, hi maecht sciere
Vercopen ende nemen daervan
Sijn gelt, ende wennen dat hi can;
] 0135 Ten mensten sone eist al niet
Verloren, hine heves weder iet :
[9965]
Tfel oec, al ware dat sake,
Dattie moert te doet stake ;
Maer dusgedanich sone es niet
10140 Die coep, die ver Venues pliet;
Want nemmerme sone coept geen man
[9970]
Wijf soe diere, wat hire an Legt gelt ocht goet, hine si te voren
Sekerlike al verloren
10145 Want die vercoept neemt die have,
10116 Paeit hi tg. men laten r. 17 Wille hi
ghemaekelijc of s. 18 coman e. e. nemmeere. 19
n. oec d. coman. 20 Dus so e. als. 21 oec ontbr.
23 Also h. 24 E. h. haer tg. ghegheven heeft.
26 Want d. nes coep maer i. 27 Coop dan nes
n. g. 28 Die d. van cope es lichte b. 29 die
cope. 31 W. a. es d. e. coopt d. 32 Coept ontbr.
33 nemen der van. A. wennen daer an. 34 ghewinnen of. 35 minsten. 37 T. a. w. oec d. s.
38 Dat die m. t. hant s. 39 dusghedaen. 41
nemmer s. c. een in. 42 So d. w. h. leghet a.
43 Goet ende ghelt oec alsoe wale. 44 Hine verlieset al te male. 45 Maer d. vercopere n. de b.
1 Rose, I. 358, 11544 (10730):
Ge n'apele pas vente, don;
Vente ne doit nul guerredon.
2 Rose, I. 358, 11559 (10745) :
Ales trap par est li marehies pires,
Dont Venus se vuet entremetre;
Car nus n'i saura jh tant metre,
Qu'il n'i perde tout le chate
Et tout quanqu'il a achate.
L'avoir, le pris a li vendierres,
10150
10155
10160
10165
10170
10175
C. fol. 60 a.—e.
Ende die coept geeter ave ;
Nochtan en heeft hire so vele an, [9975]
Dat hire ave geheten can
Here noeli oec iet gesijn,
Hen ware Norman ocht Poitevijn ;
Maer quame hi ende meer dan gave,
[9980]
Si en gingen den irsten ave,
Ende en helden hem ane den naesten. 2
Twi sal hem een man dan verhaesten,
Dat een vreemde in sijn gewelt
Also saen sal hebben sonder gelt,
Alse een doet met sinen goede ?
Hoe mach hem dan sijn te moede ?
Dit sijn quade ende sotte liede,
Ende ene keitivichge maisniede,
Die hare gelt leggen daer,
[9990]
Daer si wel weten openbaer,
Dat sift verliesen altemale,
Wat sire ane leggen, grote ocht smale.
Maer daer bi en seggics .niet,
Dats mijn moeder en gevet iet;
[9995]
Maer ic segge u dat hijs heeft
Na groten rouwe, die gene diet geeft,
Alsene dat geven van groten goede
Heeft bracht in swaerre ermoede,
Ende hem Rijcheit heeft gelaten
[10000]
Br6etbiddre achter straten,
Die nu en wege es getogen,
Ende mi niet helpen en wilt orlogen.
Maer bi mire moeder Venuse,
Ende bi haren oudervader Saturnuse,
46 Entie copere esser have. 47 Ende en heefter
s. v. a. 48 of. 49 H. n. so na g. 50 E. w. N.
no P. 51 dan ontbr. 52 Deerste en ware haers
al have. 53 E. hilde hare an de n. 51 haesten.
55 sire. 56 Heeft a. s. al s. g. 57 Als. 59 ende
ontbr., lieden. 60 Die ane k. meisnieden. 61
H. g: so 1. d. 62 Die w. w. voer waer.
63 si 64 W. s. an 1. groot ende s. 65 Daer
bi sone s. n. 66 en ontbr. A. ende. 67 segghu.
68 de g. d. heeft. 70 Bracht h. ter groter e.
71 E. hen. A. E. denne. 72 bidden. 73 D. n.
es w g. 74 E. n. h. wille o. 75 ver V. A.
Vernuse. 76 vader.
Si que tout pert li achatierres;
Que jb, tant n'i metra d'avoir
Qu'il en puist seignorie avoir,
Ne que jh puisse empeeschier,
Por doner ne por preeschier,
Que maugre sien autant n'en ait
Uns estranger, s'il i venoit,
Por doner tant, on plus ou mains,
Fust Bretons, Englois ou Romains:
Voir espoir trestout por noiant,
Tant puet-il aler flaboiant.
175
A. fol. 48 c. d.
[10005]
Ende bi minen broderen al,
Daer niemen of en weet tgetal,
Die ic node versweren soude,
10180 Ende biden groten elschen coude,
In drenke piment, dat wet te voren,
In enen jare, wordic versworen, [10010]
Want elc wel weet diet begert,
Dat een God die hem verswert,
10185 Hine drinct piment in enen jare. 1
Dit weetti wel dat mi ware
Ene quade sake, versworic mi; [10015]
Mar sint dat mi die Rijcheit si
In dese net nu afgegaen,
10190 Si selt ontgelden, sine neme saen
Enichge wapine ende doese an,
Ende helper mi met striden dan. [10020]
En doet sijs niet sekerlike,
Ende coemt dan enich man, die es rike,
10195 Ocht cnecht, ocht reddre, ocht baroen,
Ic salne alsoe plumen doen
Onse mageden ende met hem spelen,
[10025]
Dat hem in torten tiden selen
Al sine plumen bloeten,
10200 Ende hi dat cleene metten groten
Vercopen ende oec versetten al,
Hen doe kenlic groet ongeval. 2 [10030]
Arm man hi heeft betren here ;
Want in versmaetse min no mere. 3
C. fol. 60 c. d.
10205 Hi en es oec geen goet man,
Diese lelec spreket an.
Daer bi so es quaet Rijchede,
[10035]
Dat hise versmaedt tegener stede.
Sie minnen bat dan doen die rike,
10210 Die thare houden gerechtelike; 4
Maer bi minen vlogen beide
Waer ic God over die Rijcheide, [10040]
Alsic ben over die Minne,
Alle die gene die ic kinne
10215 Mi getrouwe, die soudic maken
Alle rike in waren saken,
So sere ontfarmet mi te waren [10045]
Hare weenen, hare clagen, hare mesbaren."
Die baroene antworden saen :
10220 „Here, dat gi hebt doen ons verstaen,
Dat es waerheit altemale,
Ende gi selt oec behouden wale [10050]
1.Twen eedt, dats seker waer,
Updat u een rike man coemt naer,
10225 Dat hi wille met trouwen minnen
Ende uwe mageden leren kinnen,
Die alle sien van diere costumen,
Dat sine saen so sullen plumen,
Dat hem ene vedre niet bliven en sal,
10230 Hine salse daer laten al:
So selensine smeken ende striken
Met sueten worden ende goelike,
Ende helsen ende cussen mede,
10177 broeders. 78 of ne. 80 zwaren. 81 drinken p. weet. 82 weet w. dies b. A dit. 85
Ende d. 86 Dies. 88 die ontbr. 89 I. d n. ave
ghegaen. 90 So salt o. sone. 91 Hare w. 92
mede. 93 Dat wel vel zwaerlike. 94 Want comt
nemmermee m. r. A. dies r. 95 Te mi riddre
knape no b. 96 so. 97 Onsen magheden, A. magen. 98 D. h. cortelike s. 99 S. ruwe p. al b.
10200 cleene. 1 oec ontbr. 2 Het en beneemt
g. gheval. 3 Arem m. heeft b. h. 4 W. hine
v. 5 Hine. 6 Die hem leelike. 8 soese. A. hise.
9 bet d. d. de r. 10 ghierechlike. 11 vloghelen.
12 Ware, de. 13 Alse ic bem o. de m. 14 de.
15 M. dus g. s. m. 17 ontfaremt m. al in een.
18 Haer ghecarem e. haer gheween. 19 Doe
seiden die baroen s. 20 ons h. d. v. 21 Dats.
22 G suit huwen heet houden w. 26 A mage.
Vs. 10223-37 bij C:
Maer comt an hu een rike man,
Hine doeter gheene wijsheit an,
Want ghine stilt niet verzworen wesen,
Want hoe mochti wel ghenesen,
Dat ghi pyment te drinken liet. [10055]
Maer huwe vrauwen, of ghijt ghebiet,
Sullen hem sulc peper maken,
Dat sise te hem sullen zaken.
Want die vrauwen sijn goedertieren
Ende so hovesch van manieren, [10060]
Dat si hu wel quiten souden
Ende in goeden pay-se houden,
Ende hem so vele weten laten,
Dat ghi hu heere sout ghematen.
1 Rose, I. 361, 11604 (10790):
Or ne bevre ge de piment
Devant un an, se ge ci ment;
Car des diex saves la coustume :
Qui en parjurer s'acoustume,
N'en boit taut que ran soit passes.
I Rose, I. 361, 11626 (10812):
Si le plumeront nos puceles,
Qu'il li faudra plumes noveles,
Et le metront it terre vendre,
S 'il ne s'en set moult bien desfendre.
3 Rose, I. 361, 11630 (10816) :
Povre home ont fait de moi for mestre:
Tout ne m'aient-il de quoi pestre,
Ne les ai-ge pas en despit.
4 Rose, I. 361, 11636 (10822) :
Miex aiment que ne font li riche,
Li aver, li tenans, li chiche.
Lees met C : ghierechlike.
176
A. fol. 43 d.-49 a.
Ende geloven hem daer ter stede
10235 Te doene al dat hi begert ;
Ende emmer treckense te hem wart
Tgoet, maer emmer vaste houden thare. 1
Nu, here, gebiedt ons openbare
[10075]
Wat gi wilt, dat went doe,
10240 Wie sijns gereet spade ende vroe.
Maer Valsch Gelaet en dar hem niet
Met ons onderwinden iet,
Omdat hi van u es gehaedt.
Nu bidden wi, here, dat gine laet [10050]
10245 Wesen vort van uwer maisniede,
Ende hier wandelen met u lieden,
Met Gevenst Wesen siere amien."
— „Ende wildijt alle, gi partien,"
Seide die God, ,,so willict mede ; [10085]
10250 Nu onthoudene bier ter stede.
Ic wille dat hi vort mi
Altoes te minen hove si.
Valchs Gelaet, is houde u
[10090]
Op selc convent al hier nu,
C. fol. Co d —61.
10255 Dat gi selt te hulpen staen
Onsen minneren ende niet afgaen,
Maer hen staen staeden alien tijt,
Ende onsen vianden derende sijt.
Ic geve u macht in allen asauden,
[10095]
10260 Want gi sijt comen van ribauden. 2
Dus willet onse vole algadre,
Want sekerlike gi sijt verradre,
Dief ende oec versworen mede ;
So siedi oec ter meneger stede, [10100]
10265 Maer dat hebdi dicke gedaen,
Om latter bi soude onigaen
U vrient ende verblijdt wesen.
Nu segt mi, biddic u, 8 na desen,
[10105]
Bi wat tekene men u sal
10270 U bekinnen overal,
Alsinen us te doene heeft ;
Want die behendechste die leeft
Siedi een, dat weet is wale.
[10110]
Nu so segt mi altemale,
Si souden hem tellen vele zaghen, [10065]
Daer si hem mede souden vaghen,
Ende souden hem vraghen nauwe vreghe,
Ende hem oec bieden alle weghe
Haren mont te cussen ghereet
Ende hare scoenheit, die wel steet. [10070]
Dus sullen hem de vrauwen loven
Entie man daer mede verdoven,
Ende behouden wel dat hare.
10238 here ontbr. 39 men doet 40 Wi salient
doen eist quaet of goet. 43 van ons. 44 Ic
bidde hu d. g. 1. 45 Heere w. van u. maisnie-
den. 46 ons 1. 47 Gheveinst 49 de. 50 So onthoudickene. 51 Ende w. d. h. v. meer si. 52
In minen hove nu come te mi. 53 onthoude.
54 Up sulc covent. 55 suit te staden s. 56 minres e. n. ofgaen 57 Waer ghi moghet tallen
staden. 58 E. onse viande overal verladen. 59
A. mach. 60 conijne van den r. 61 Dit wille
o. v te gadere 64 S. sidi te m. s. 65 dickers.
66 vergaen. 67 Huwe vriende souden v. w.
68 N. s. m. biddic hu n. d. 69 teekinen. 70
Wel bekennen. 71 huwes. 72 A. benhendechste,
73 Sidi. 74 N. seght m. in corter tale.
1 De tekst van C heeft veel getroawer het
oorspronkelijke gevolgd dan die van A.
Rose, 1, 362, 10654 (10940):
Bien est li seremens tenables
Cum bons et fins et convenables,
Que fait ayes des riches homes ;
Ainsinc iert-il, certain en somes,
Se riches horns vous font homage,
Il ne feront mie que sage;
Que jh ne vous en parjurres,
Jh la poine n'en endurres
Que piment en laissies h boivre
Dames for braceront tel poivre,
Si pueent en for laz cheoir,
Quill for en devra mescheoir.
Dames si tortoises seront,
Que bien vous en aquiteront.
Jh, n'i quer& antres victaires;
Car tant de blanches et de naives
Lor diront, ne vous esmaies,
Que vous en tendres h paiês.
Jh ne vous en mesles sor eles ;
Tant for conteront de noveles,
Et tant movront de requestes
Par flateries deshonestes,
Et for donront si grans colees
De baiseries, d'acolees,
S'ils les croient, certainement
Ne for demorra tenement,
Qui ne voille le mueble ensivre,
Dont it seront primes delivre.
2 Lees met C:
Want gi sijt coninc van den ribauden.
Rose, II. 1, 11704 (10973) :
Tu seras Ines rois des ribaus.
Zie over de Ribauds en hunnen koning Meon,
Rose, II. 321; Du Cange (Ed. Henschel), V. 765,
en C. Leber, Collection des meilleures dissertations, notices et traites particuliers relatifs a ridstoire de France, VIII. 187-235.
3 Bij A. verkeerdelijk bidie.
177
A. fol. 49 a. b.
1027 5 Waer gi meest te wandelne plecht."
' Here, wat holpe anders gesecht
Dan die wacrheit, die ic u sal
Seggen ? Ic woene overal :
Dies en mOchtic niet al vertellen. [10115]
10280 Seidic mijn leven minen gesellen,
Si souden mi altemale versmaden, 1
Ende onrasten alte vele beraden,
Want Waerheit soude mi wesen wreet ;
Want jegen hare mijn leven geet. [10120]
10285 Daeromme en louts hare niet twent bagen,
Ende soude mi wech van hare jagen,
Aisle hare seide die grote mort,
Als ic pense ende bringe vort ;
Want hare en baget dine negene, [10125]
10290 Die ic segge, sonder allene
Die ewangelie, alsicse spreke,
Maer dats emmer valsceleke;
Want mine saken sijn so quaet,
[10130]
Dat ic en gere, dat verstaet,
1029 -) Engenen wettegen man no goeden ;
Want wanecr soe si mi verstoeden,
So souden sie mi alle verdriven.
Maer die gene, der ane bliven
Mine leringe vast ende gestade, [10135]
10300 Die leven al biden rade
Baraets, mijns lieves vader,
Ende Ypocrisien, die beide gader
Mi wonnen ende voedden mede."
Die God van Minnen antworde tier stede :
[10140]
10305 ,Dit was ene scone wenninge,
Die si wonnen onderlinge,
Daer si wonnen desen duvel,
C. fol. 61 a.—c.
Ende gaven hem tetene broet ende suvel.
Sint," seit him die God van Minnen, [10145]
10310 „Dat gi sijt ontfaen hier binnen,
Soe moetti ons seggen uwe alike
Ende uwe wandelinge harentare,
Dat onse lieden moegen hoeren
Ende weeten ende verstaen te voren [10150]
10315 Van wat dienste dat gi sijt.
Nu segt ons in corter tijt."
',Here," seide doe Valsch Gelaet,
„Sint dat u te wetene staet,
So sal ic u, wat mijns gesciet,
[10155]
10320 Seggen u ende helen niet."
Valsch Gelaet al sonder beide
Begonste aldus ende seide,
Datment horen mochte wale :
,Nu hort, gi heren altemale,
[10160]
10325 Die Valsch Gelaet wilt leren kinnen,
Sine woninge es, in waren sinnen,
In leecke, in clerke, in cloestre mede,
Mar si es te selker stede
Meerre dan si tere andre si. 2
[10165]
10330 Ic salt u seggen, hort na mi,
Waer ic mi meest herbergen wille,
Dats daermen mi helet stille,
— Daer bem ic seker, Godeweet, —
Dats onder doetmodechste cleet. [10170]
10335 Die geestelike sijn meer bedect
Dan die hem ter werelt trect.
Ic en segt oec daer bi niet,
Dat ic wille lachtren iet
[10175]
Die gene van religione,
10340 Opdat hi es van helegen doene
Ende alle godelijcheit begert,
10275 W. dat g. t. w. pliet. 76 holper a.
gheseit. 77 D. gherechte ware dinghe. 78 Te
menigher stat es mijn woeninghe. 80 mine. 81
Sie ontbr. 82 onrusten v. b. 83 W. Waerheide
s. m sijn te quaet. 84 Die al j. m. 1. gaet.
85 Hare e s. niet wel behaghen. 86 E. mochtse
so soude mi verjaghen. 87 Alse ic h. s. de za,ken. 88 Die te haer waert niet gheraken. 89 W.
haer en behaeght d. gheene. 91 Dewangelie.
95 Gheenen w. m. n. vroeden. 96 wanneer si.
97 al. 98 daer an b. 10301 wel lieve. 4. der
M a. ter s. 5 winninghe. 7 salken d. 8 hem
ontbr. 9 Maer s. seide d. G. der M. 10 haer b.
11 hu a. 12 hu woninghe. 13 liede. 14 E. w.
oec te v. 17 Heere s. V. G. A. Hare. 18 Na
dien d. hu t. weten s. 19 ict. 20 S. e. en helens
n. 21 al ontbr. 23 D. mochte h. w. 24 Hoort
ghi baroene a. 25 wil. 26 in allen s. 27 In de
weerelt ende in clestren mede. 28 Meer dan soe
es teer ander s. 29 Ofte dan soe yeweren si. 30
Nu salic Diu s. 31 mi ontbr. 32 Daermen m. meest
h. s. 33 zekerst God weet. 34 toemoedichste. 35
G. liede s. mest b 37 I. en segghen o. d. bi n.
A. ende, bi ontbr. 39 Meinschen v. r. 40 Up
dat h. e. v. ghetrauwen d. 41 E. a. dogheden
begaert.
1 Rose, II. 2, 11718 (10989) :
Sire, j'ai mansions diverses
Que jh ne, vous quier reciter,
S ' il vous plest h m'en respiter ;
Car, se le voir vous en raconte,
Avoir i puis domage et honte.
2 Rose, IT. 4, 11773. (11042) :
Qui Faus-Semblant vodra eongnoistre,
Si le quiere au siecle ou en cloistre ;
Nul leu, fors en ces deus ne mains:
Mes en l'un plus, en l'autre mains.
De lezing van C. is verre boven die van A.
te verkiezen.
12
178
A. fol. 49 b.—d.
Nochtanne en hebbicse lief no wert.
Menich valsch cloesterere,
[10180]
Fel ende van quaden gere,
10345 Doen ane die cledre alsmen siet,
Maer therte en verwandelt niet.
Godeleke lieden sijn octmodich,
Niet in hoverden overvloedich :
Daeromme willic met hem woenen, [10185]
10350 Omdat ic moege die lieden hoenen.
Haren abijt so neme ic wale,
Maer ic scuwe altemale
Die werke, diere toe behoeren ;
Want ine quame anders niet te voren [10190]
10355 Van minen wille, ho ict verscoende 1
Ende van buten iemen toende ;
In mocht en geen sens laten,
In mi en mochte hoverde niet maten.
Metten hoverdichgen soe woene icke, [10195]
10360 Die begeren ende pinen dicke
Te vercrigene die werelt ere,
Ende daer na so staen si sere,
Dat si bekint wel moegen sijn,
Omdat men hem geeft broet ende wijn,
10365 Ende penitancie goet ende vet. 2 [10200]
Hier omme volgic altoes met;
Met groten heren, diemen vint,
Garic altoes te sine bekint,
Ende hen te volgene in haren sale. [10205]
10370 Arm can ic mi maken wale,
Nochtanne die gode, lecker morsele
Si comen mi altoes te deele,
Ende drinke dien alren besten wijn,
[10210]
Die mach in dien lande sijn.
C. fol. 61 c.-62 a.
10375 U lieden so predekic aremoede,
Mare ic gere vloetheit van goede.
nits oec ene gemeine maniere
Van allen moneken cloesterire,
Want hebben si den abijt ane,
[10215]
10380 So seinen si helich inden gedane,
Ende willen emmer helich wesen ;
Maer verstaet wel mijn lesen :
Die cledre en maken den monec" niet,
Diemen hem ane dragen siet,
[10220]
10385 Noch dat hi boven es bescoren :
Dats al meest pine verloren ;
Want Baraet so es in hem
Te XII staeden ende niet men.
Niemenne en es so wel geleert, [10225]
10390 Dat hi hem jegen mi iet keert 3,
Mar houden hem ane mine wet ;
Want waer ic ga, mi es altoes met
Baraet ; ine soeke niet el dan datte.
Gelijc niet el en soect die catte [10230]
10395 Dan die ratten ende die musen
Harentare ende achter huse,
Aldus so jagic minen staet,
Daer ic met decke mijn baraet ;
Ende ine can so behendich vensen mi, [35]
10400 Dat so behendich iemen si,
Die geweten can mijn leven,
Ic wilt hem selven te kenne geven."
Die wile Valsch Gelaet dit seide,
Die God van Minnen sprac sonder beide,[40]
10405 Ende onderginc hem sine sprake
Ende seide : ,Hets ene selsiene sake,
Dat gi hier verstaen ons doet.
10342 Nochtan e. haddic die noit waert. 43
cloester heere. 45 Doet an de cleeder. 46 M.
sine wisselen therte n. 47 Religieuse s. oemoedich. 48 In h. niet o. 50 de 1. 51 Te bet h. a.
nemic w. 53 D. werken d. t. horen. 53 W. in
quamere n. t. v. 55 Noch mijns willen want ic
v. 56 Up dat ic mi v. b. t. 57 I. mochte mi also
niet ghelaten. 58 Dat hi in mi soude m. 61 der
w. e. 62 E. d. omme pinen s. 63 wel ontbr.
64 Dat. 65 E. daertoe pitancie v. 66 H. o. 68
Ghere ic. 69 E. hem t. volghen i. haer s. 70
Arem makic mi al te male. 71 Nochtan. 72
Si ontbr. 73 E. drinke d. precieusten w. A.
drinken. 74 den 1. 75 so ontbr. 76 Maer i.
g. overvloeyte v. g. 77 ghemeene. 80 in g.
83 cleedren. 85 ghescoiren. 86 pinen. 87 so
ontbr., hen. 88 steden. 89 Nemen es. 91 Maer
h. h. al an m. w. 93 in ; el ontbr. 91 G.
dat n. en s. de c. 95 entie muse. 96 ende
ontbr. 97 A. en j. in welker s. 98 In bem
niet el dan b. 99 Maer so wel dectic mi.
10400 D. niemen s. b. si. 2 In w. h. s. t.
kennen g. 4 der M. 5 hem ontbr. 6 dits. 7 D.
g. ons v. d.
I Rose, II. 4, 11799 (11068) :
Lor habit porrai-ge bien prendre,
Mes aincois me lerroie pendre
Que ja de mon propos ississe,
Quelque chiere que g'i feisse.
2 Lees met C pytancie, en verg. bl. 129,
aant. 1.
3 Rose, II. 5, 11824 (11093)
La robe ne fait pas le moine.
Neporquant nus n'i set respondre,
Tant face haut sa teste tondre,
Voire rere au rasoer de lthiches,
Qui Barat trenche en treze trenches.
Nul ne set si bien di,tinter,
Qu'il en ose un seul mot tinter ;
Tuit lessent -verite con Condre,
Por ce me voi lh, plus repondre.
179
A fol. 49 d.-50 a.
Vintmen helige lieden goet
Ter werelt ende buten abdien ?" [10245]
10410 -- ,Jaet, here, ic darf wale lien.
Waendi omme die cledre gemingt,
Dat daer omme van Goede verlingt
Smenscen ziele ? Neen si niet; 1
Want menegen helegen sant men pliet [50]
10415 Tanebedene ende menege sintinne,
Die Gode dienden altoes met sinne,
Ende werelike cledre droegen,
Daer si hare herte niet anesloegen,
Alse daeden mageden ende martelaren, [55]
10420 Die oec in huweleke waren,
Ende moeder worden van goeden kinden,
Ende haer leven in huwelic inden.
Besiet menege helichge maget,
[10260]
Die crone vor Gode nudraget,
10425 Ende starf in waerreliken cledre, 2
Waendi datse God te ledre
Heeft om dat weerrelijk cleet?
Neen hi niet, weet dat gereet,
[10265]
Goet herte maect goet leven ;
10430 Tcleet en cant genemen no gegeven,
Ende goet leven maect goet werke.
Nadat ict sie ende merke.
So leeght alleene dat religiocn
[10270]
Ant were dat de liede doen. 3
10435 Waendi, die name een scaeps vel,
Ende daermede cleedde wel
Den wolf here Ysengrime,
Wart in dauwe ocht in rime,
Dat hi en gene scaep en name, [10275]
C. fol. 62 a. b
10440 Al wart dat hire onder quame,
Ende daeromme gave den scapen vrede,
Al ware dat hire scaep scene mede ?
Neen hi niet, maer te meer
Soude hise nemen ende vele teer, [10280]
10445 Omdat sine kinnen niet en louden,
Al waert dat hi vlien oee woude.
Hoedt u van desen welvekinen,
Die nuwe apostelen seinen,
Helege kerke ; want gi gegeven [10285]
10450 Hen in handen om u sneven.
Het sijn die u sonden weren,
Ende heimelike u verteren ;
Sdages maken si u mure,
Mar tsnachts wordet hem te sure, [10290]
10455 Hoe si u gemineren moegen
Ende muren breken ende poegen.
Dat sijn uwe gerechte prelate,
Daer si ane doen onmate
[10295]
Ende overdaet al te groet.
10460 Nu willie swigen, ic hebs noets ;
Want si moeten mi, dats waer,
Wedersaken sijn te swaer.
Want dese, daer is af telle,
Sijn wolve gecleedt met scaeps velle. [10300]
10465 Maer ic wille u geloven wale,
Dat ic u vriende altemale
Vordren wille, waer dat si,
Opdat gi ontfaen wilt mi
Ende mine amie, want daer sonder [10305]
10470 En mochtic sijn, want ic bleve tonder.
le bem verradre sekerlike,
10410 dars wel. 11 W. dat om de c. gheminct. 12 verlinct. 13 Smeinscen z. Neen soe
n. A. nine. 14 man m. p. 15 santinne. 17
werleke cleedren. 18 an ne sloughen. 19 Als,
maerteleeren. 20 Entie. 22 E. oec i. huweleke i.
24 D. v. G. cr. d. 25 werlike cleeder. 26 te
leeder. A. die 1. 27 twerlike. 28 N. h. dat weet
wel. 30 Tcleet e. e. niemen gheven. A. Tcleelt.
31 goede ghewerke. 32 N. dien dat ic s. e. m.
Vs. 10433-34 ontbr. bij A. 35 eens. 36 behinghe.
37 D. wulf her Ysengrine. 38 Waert in zo-
mere waert i. r. 39 D. h. gheene scapen n.
40 waert. 42 Om dat h. s. s. dermede. 44
vele ontbr. 45 0. s. niet kennen s. 46 si v.
wouden. 47 wulvekinen. 48 nieuwe. 50 Ende
sijt i. h. 54 Ende snachts werdet h. A. worden. 55 A. gemimeren. 56 mure b. e. boghen.
58 an d. grote ommate. 61 mochten. 62 alte
s. 63 of. 64 wulve. 68 Up dat ghi wilt voerderen mi. 69 E. mier amien vant der s. A.
wan. 70 En condi ghedoen gheen wonder. 71
Want verradere ben ic s.
1 Rose, II. 7, 11859 (11128) :
Oil, sire, it ne s'ensuit mie,
Que cii mainent mauvese vie,
Ne que por ce for awes perdent,
Qui as dras du siècle s'aherdent ;
Car ce seroi trop grans dolors.
2 De vertaling wijkt hier weer vrij wat van
het oorspronkelijke af.
Rose, II. 7, 11879 (11148 :
Nes les onze mile vierges,
Qui devant Diex tienent for cierges,
Dont l'en fait feste par eglises,
Furent es dras du siecle prises,
Quant elz recurent for martires.
3 Rose, II. 7, 11885 (11154) :
Bons cuers fait la pensee bone,
La robe n'i tolt ne ne done ;
Et la bone pensee l'uevre,
Qui la religion descuevre.
Ilec gist la religion
Selonc la droite entencion.
180
A. fol. 50 a. b.
Ende onse Here van hemelrike
Hout mi over even dief,
Ende versworen, dats mijn gerief, [10310]
10475 Opdat ic minen wille volbringe
Want met logenen sonderlinge
Bern ic bedect altemale ;
Want niemenne en mach mi kinnen wale,
Hoe dicke hi mi te siene plegt. i [10315]
10480 Van Pirotheuse daermen af segt,
Dat hi hem sciep waer hi in woude,
Baraets consti so menichfoude;
Nochtan en constijs half so vele
Alse ics can te minen spele ; 2 [10320]
10485 Want ine quam noit so dicke tere stat,
Datmen mi daer iet kinde te bat ;
Want alte wale ic wisselen can
Die cledre, die ic hebbe an.
Nu bem ic monec, nu bem ic nonne, [10325]
10490 Nu bem ic riddre van hogen conne,
Nu bem ic canonec, nu prelaet,
Nu pape, nu clerc, nu advocaet ;
Nu bem ic meester, alse nu scolier ;
Nu bem ic borgrave, nu forestier. [10330]
10495 Wat makic hieraf menich sticke?
Van alien ambochte so bem icke:
Nu bem ic prinche ende nu page.
C. fol. 62 b. c.
Ic hebbe in mi ene usage,
Dat ic bider herten can
[10335]
10500 Alle talen, die noit conste man.
Nu bem ic graeu, nu bem ic out;
Nu bem ic jonc in mire gewout ;
Nu bem. ic Robert, alse nu Robijn,
Nu bem ic barevoet, nu Jacopijn. 3 [10340]
10505 Ic volge gerne mire vriendinnen,
Die mi hier brachte binnen,
Ende doe gerne, al sout mi deren,
Al haren wille, haer begeren.
Selc wile doe ic cledre ane
[10345]
10510 Ende ga in vrouwen gedane :
Nu bem ic vrouwe, alse nu joncwijf,
Nu clusenerse, die al haer lijf
Gedaen heeft penitencie groet ;
Nu bem ic een Lollart ende bidde broet :
10515 Alle die singers broet om Goede
Dat sijn diere truwanten bode.
Nii bem ic abt, alse nu abdesse ;
Alse nu bem ic first professe. 4
Dus doergaic die werelt wijt,
[10355]
10520 Ende doersoke dordine talre tijt,
Daer ic mi best met helpen mach,
Om te bejagene mijn gelach ;
Maer ic later tcoren af
10472 E. God v. h. 73 H. m. o. e. vulen
d. A. Ende bout. 74 grief. 75 Updat, vulbringhe. 78 Niemen can mi bekennen w. 79
H. dicken hi m. t. s. pleeght. A. hi ontbr.
80 V. Phyrotheus d. a. zeeght. 81 D. h. h.
sciep in wat hi w. A. sciep ontbr. 82 A.
conste. 83 N. consti niet h. s. v. 84 Als ic.
85 W. noit q. ic s. dicken ter s. 86 daer ontbr.,
kende. 87 Want ontbr. 88 draghe. 89 moene
nu n. 90 ruddre. 91 N. prinche nu clerc nu advocate. 92 N. bem ic canoonc nu prelate. 93 alse
ontbr. 94 bem ic ontbr. 96 ambachte. 97 N. b.
i. p. tin paedse. 98 usaedse. 10500 A. t. d. weet
m. 1 gay. 3 ende n. R. 5 mier. 6 A. brachten. 7
gerne ontbr. 8 ende h. b. 9 Sulken tijt d.
oec
cleedere a. 11 nu meiskijn. Vs. 10512-18 bij C .
Alsnu hebbiC dat leven mijn
Teere abdien waert ghekeert,
Als nu bem ic nonne gheleert, [10350]
Als nu comic in dordine inne,
Als nu ben ic priorinne ;
Ende als nu ben ic abdesse,
Ende als nu eerst professe.
19 de. 20 souke. Vs. 10521-26 bij C
Maer ic late dat graen daer af,
Ende en souke niet dant caf.
Wat makic hieraf redene yet ?
In ghere als els dan den abijt niet [10360]
I Rose, II. 9, 11939 (11207) :
Sans faille tralstre sui-gie,
Et por larron m'a Diex jugie.
Parjurs sui; mes ce que j'afin,
Set–i'en envis devant la fin,
Car plusor par moi wort recurent,
Qui one mon barat n'apercurent.
2 Rose, II. 10, 11951 (11220) :
Car Protheus, qui se soloit
Muer en tout quanqu'il voloit,
Ne sot one taut barat ne guile
Cum ge fais.
8 Bose, II, 10, 11967 (11236) :
Autre ore sui viex et chenus,
Or resui jones devenus.
Or sui Robers, or sui Robins,
Or cordeliers, or jacobins.
4 De lezing van C is hier wederom veel meer
overeenkomstig het origineel dan die van A.
Rose, II, 10, 11975 (11246) :
Autre ore vest robe de fame ;
Or sui damoisele, or sui dame,
Autre ore sui religieuse,
Or sui rendue, or sui prieuse,
Or sui nonain, or sui abuse,
Or sui novice, or sui professe.
181
A. fol. 50 b. c.
Ende en soeke el niet dan tcaf ; 1
10525 Want mine wart ende mine daet
Sijn harde divers, dat verstaet. 2
Doe woude swigen Valsch Gelaet,
Maer die God dede den raet,
Dat hijs seide vele meer
[10365]
10530 Dan hijs geseit hadde te voren eer,
Die te hem seide ende sprat toe :
„Nu segt," seit hi, „waer of ende hoe
Gi dient den lieden achter lande,
Gine dorres laten dore die scande, [10370]
10535 Gine segt al hoet met n steet ;
Want het scijnt wel ane u elect,
Dat gi slit ene goede ermite."
— „Nets waer, maer ic bem ypocrite,
Ende predecke den liedennuttelicheit 3; [75]
10540 Maer emmer vullic, dats waerheit,
Mine pance met goeder spisen
Ende met wine, diemen prisen
Hort ; dien neme ic in goede
Ende predecke den lieden daremoede. [10380]
10545 Nochtan en gerics selve niet ;
Want waer mine ogen den armen siet,
Dien scuwic ende hate mede :
Dit heeft geweset altoes mijn sede.
Ic hadde die contscap sekerlike [10385]
10550 Vandien coninc van Vrankerike
Liever dan van een armen man,
Hoe vele doegeden dat hi can ;
Want alsic sie dese arme kaitive
Naect ende bloet ende crane van live, [10390 ]
C. fol. 62 c.-63 a.
10555 Hongerich ende dorstich, ende horse clagen,
Dan cr mi niet wale behagen.
Men dragense int gasthuus, ic wilt wel ;
Van mi en mogense hebben el
Noch oec vercrigen anders let, [10395]
10560 Datse moege geloven iet ; 4
Maer die rike perssemert,
Die met siecheden es beswert,
Dien visenteric vriendelike
Ende troeste harde hovesscelike, [10400]
10565 Want ic waens gelt gecrigen ;
Ende doettene die quade doet dan swigen,
Soe leidiekene toten grave.
Coemt iemen die mi spreect daer ave,
Dat is den armen so niet en doe, [10405]
10570 Weetti hoe ics onga dan, hoe
Ic segge : die like es meer bevaen
Met sonden, die hi heeft gedaen,
Dan die arme kaitijf si :
Dies behoeft hem bat dien raet van mi. [10410]
10575 In segt oec daer bi niet te male
Een arm man hine verliest also wale
Sine sidle in sine aremoede
Alse die rike met sinen goede,
[10415]
Die wel keert al sijn doen,
10580 Want ons bescrijft Salomoen
In sine parablen, alse ict weet,
Dat in die derticste capittele steet :
//God here," seit hi, „dore uwe goede,
Hoedt mi van rijcheden ende van aremoeden ;
[10420]
10525 M. woerden. 27 wilde. 28 M. d. Minne
dat vorstaet. 29 Dede "d. hi s. v. m. 30 D. hi
h. g. eer. 31 Die God der Minnen s. 32 Seght mi
w. e. h. 3 t G. dorst niet dor de s. A. Gi. 35 Laten
want na dat hu s. 36 So scinet wel an hu c.
37 een goet. 38 Dats w. m. i. ben y. 39 ghenuchterheit. 40 M. ic wille wel ghereit. 41 peinse
m. g. spise. 42 prise. 43 Hoort d. nem. 44 Predecti d. 1. aermoede. 45 Dats waer maer in
beghers n. 46 mijn o. aermen s. 47 scuwe ie.
48 Dat es a. mine s. 42 de kennesse. 50 V.
den. 51 eenen aermen. 53 ziese aerme keytive.
54 N. b. e. arem v. 1. 55 H. d. e. so zeere c.
56 Dat en c. m. n. b. 57 M. draechse ten
gasthuse. 58 Want anders en doe ic hem niet
el. 59 Van mi en ghecrighensi niet. 60 D. moghe
ghelaven 1. 61 persemaert. 62 bezwaert. 64
harde ontbr. 66 E. doeten die d. 67 leide
icken. 68 begrijpt d. a. 69 also. 70 let o. hoe.
74 bet die r. 76 arem m. v. a. w. 77 sijn
a. A bescrijf. 78 Als d. r. in s. g. 80 scrivet Salemoen. A. bescrijf. 81 sinen parabolen als.
82 int XXXste capitel. 83 dor. 84 rijchede e, aermoede.
1 In het oorspronkelijke wordt juist het tegendeel iezegd van de verzen der vertaling.
Rose, II. 11, 11985 (11254) :
Mes de religion, sans faille,
G'en pren le grain et laiz la paille.
2 Vs. 11987 —12144 (11262-11413) ontbreken
in onze vertaling. Het Weggelatene is een vrij
heftige diatribe tegen de geestelijkheid.
3 Lees met C: nuchterheit.
Rose, II. 16, 12154 (11423) :
C'est voirs, mes ge sui ypocrites."
— Tu vas preeschant astenance."
,Voire voir, mes g'emple ma pance
De bons morciaus et de bons vins,
4 Lees met C : ghelaven.
Rose, II. 17, 12170 (11440) :
S' il sent b l'ostel-Diex porte,
Jh n'ierent par moi conforte,
Que d'une aumosne toute seule
Ne me paistroient-il la genie,
Qu.'il n'ont pas vaillant une seche :
Que donra qui son contiau leche
182
A. fol. 50 c. d.
105S5 Want die rike heeft overmoet
So over groet op sijn goet,
Dat hi Gods, ons lieves vader,
Daerbi vergeet altegader.
Diegene die met aremoden leven, [1 0425]
10590 Sie moegen sonde qualec begeven :
Die noet si houtse so bevaen,
Dat si moeten stelen gaen,
Ocht valchs sijn ochte versworen,
Daer si bi worden verloren. "[10430]
10595 Dat Salomon seide van sinen wegen,
Daer en seide niemen jegen.
Doe God ginc op erterike,
Ende sine apostele die gelike
[10435]
Predecten te menegen staeden,
10600 Wine vinden niet dat si baden
Broet ocht andre spisen iet ;
Want sine wouden bidden niet.
Dus souden die brudre laten
Hare bidden ende hem gematen, [10440]
10605 Ende leven bi haren labure,
Daer si bat ane ter cure
Daeden, opdat sijt antierden,
Ende hem alsoe bestierden
Alse hare irste brudere daeden, [10445]
10610 Die selve wrachten ende niet en baden;
Ende bleef hem boven den etepe iet,
Sie gavens wech, sine hildens niet ;
Sine stichten gene grote gesaten,
Si hilden hem altoes met maten. 1 110450]
Een stare man, nadat ict kinne,
10615
C. fol. 63 a. b.
Es wale recht dat hi winne
Sine spise met sinen handen,
Waer hi woent ende in wat landen,
.Opdat hijs anders niet en heeft, [10455]
10620 Hoe helegelike dat hi leeft,
Ende in wat ordenen dat hi si. 2
Noch salic meer, geloves mi,
U vertellen noch hier naer,
[10460]
Maer dat weet wel openbaer : 10625 Wie dat volmaect wesen wille,
Hi vercope lude ende stille
Al dat hi heeft van den sinen,
Ende leve van sijns selfs pinen ;
Want niemene en soude ledich sijn. [10465]
10630 Hier es jegen die redene mijn,
Na dat die Ewangelien houden,
Dat wi altoes beden souden ;
Mare dat es een crane bedecken,
Dat wi dat voer ogee trecken ; [10470]
10635 Want wi moeten beden laten;
Doch alse wie dronken ochte aten,
Aldus souden wie oec tbeden begeven,
Alse wie wonnen daer wi bi leven. 3
[10475]
Ons bescrijft Justiniaen,
10640 Dat en geen man en soude gaen,
Die gesont ende mechtich si,
Sijn broet bidden, geloves mi,
Opdat hijt te wenne vonde.
[10480]
Het ware vele menre sonde
10645 Ende oec ter werelt menre scade,
Diese name ende verdade,
10586 up. 87 des hemels v. 88 verghetet. 89 in aermoeden. 90 Hoe mogten si die
zonden b. 91 Want d. n. heeftse so b. 93 Of
valsch s. ofte v. 94 werden. 96 D. sone es n. j.
97 Want doe G. g. up erderike. A. Die. 98
apostelen dies g. 99 Predeken. 10600 niewerinc.
1 ofte ander. 2 wilden. 3 broeders. 6 D. s. wel
a. 7 updat. 8 E. h. daertoe b. 9 Als haer eerste
broeders d. 10 en ontbr. 11 b. den monde. 12
Si gavent w. ende h. n. 14 in m. 15 Staerc in.
n. d. ic k. 16 wel r. d. ic w. 18 lande. 19 Updat. 20 helichlike. 21 In w. religioene h. s. 22
Nu s. 24 voer waer. 27 hevet. 28 E. 1. met s.
29 Niemen s. 1. s. 30 Maer hi es j. 32 Dats
d. w. a. beiden s. 33 Maer dats e. harde Cleene
b. 34 D. w. v. onse o. t. 35 beiden. 36 als wi
d. ende. 37 Oec s. wi bedinghe gheven. 38 Als.
39 bescrivet. 40 D. een goet m. niet s. g. 41
machtich. 43 Updat h. t. winnen v. 44 minder.
A. meerre. 45 minder s. 46 D. met vonnesse v.
1 Rose, II. 19, 12238 (11508) :
N'en fondoient pales ne sales,
Ains gisoient en maisons sales.
2 Rose, II. 19, 12240 (11510) :
Puissans hons doit, bien le recors,
As progres mains, au propre tors,
En laborant querre son vivre,
S'il n'a dont it se puisse vivre,
Combien qu'il soit religieus
Ne de servir Dieu curieus.
3 Rose, II. 20, 12254 (11524)
Car qui oiseus hante autrui table,
Lobierres est et sert de fable.
N'il n'est pas, ce sachies, raison
D'escuser soi par oraison :
Car it convient en toute guise
Entrelessier le Diex servise
Por ses autres necessites.
Mangier estuet, c'est verites,
Et dormir et faire autre chose,
Nostre oroison lors se repose.
Ausinc se convient-il retraire
D'oroison por son labor faire,
Car l'Escripture s'i acorde,
Qui la verite en recorde.
183
A -fol. 50 d.-51 a.
Dan dat si met selker quaetheit
Nemen der lieden arebeit. 1
Alemoessene en soude niemen ontfaen [85]
10650 Noch met rechte daer omme gaen,
Dan diere toe sijn geset :
Dat sijn die gene, is wille gilt wet,
Die arm, out sijn ende crane,
Ende quale hout haer leven lane, 2 [10490]
10655 Noch gepinen niet en connen :
Daer omme was alemoessene begonnen.
Ende wet oec wel waerlike,
Dat onse Here van hemelrike
Gebiedt den mensche, dat hi al geve,[10495]
10660 So dat hem niet en bleve ;
Nochtan sone heet 14 niet,
Dat die mensche gaet bidden iet ;
Maer hi wilt datmen winne
Met sinen handen, dat meint bier inne. [5001
10665 Want sinte Pauwels ontboet
Den armen apostelen, dat si hare broet
Wonnen gerne met haren handen,
Ende varen lieten alle triwande ; 3
Hi en woude niet, waer si quamen [10505]
10670 Ende predecten, dat si iet namen,
Ende dEwangelien nine vereochten,
In wat Ian de dat rise broehten ;
Want der geveren dire es vele,
C. fol. 63 b.—d.
Die in ernste ende in spele
[10510]
10675 Geven geredre ende mere
Des hars dore die werelt ere,
Dan si doen dore onsen Here,
Ende daerbi verliesen sere ,
Want si verliesen ten gewichte [10515]
10680 Loen, alemoessene ende gichte. " 4
Die God van Minnen hi seide :
,Nu segt mi, selp u waerheide :
Een stare man, die dienen wille
Onsen Here lude ende stille,
[10520]
10685 Ende dat sine heeft al vercocht,
Ende goet daer of den armen brocht,
Ende beden wille al in een,
Ende pine ende sorge doen en geen,
Mach hi dus Goede dienen iet ?" [10525]
10690 — ,Jai, here, waeromme niet ?"
,,Ende hoe ? dat segge mi."
Valsch Gelaet seide : ,Dat si.
Hi ga in een religioen,
Daermen hem geeft al sijn verdoen [10530]
10695 Van haren renten, die si houden,
Sonder to biddene jongen ocht ouden,
Alse witte moneke ende swarte sijn
Ende ander moneke, dats wel anscijn : 5
In selke ordenen soudense hem begeven,[35]
10700 Die op hare rente altoes leven,
10647 D. d. met sulker q. 48 lieder haerbeit. 49
Aelmoesene s. 51 Dan diere toe sijn g A. Dan daer
si toe es g. 52 Dat sijn de g. A. Dan 53 D.
arem sijn out e. c. A. arm hont. 54 Ende en heb
ben ghesonden no ganc. 57 weet o. w. waerleke.
58 D. God o. h. 59 Den meinsche g. d. h. a.
g. 62 D. menich meinsche ga b. i. 63 wille dat
hijt w. 64 meent. 65 W. sente P. hi gheboot.
66 Den andren a. d. s. haer b. A. Dan. 68 E.
lieten v. a. truwanden. 69 Hine wilde. 71 niet
en. 72 dat ontbr. 73 gheenre die e. v. 74 neerenste. 75 ghereedere. A. gedre. 76 haers dor
de w. e. 77 dor. 78 v. si s. 79 teenen g. 80
Loen. A. Hoen. 81 der M. 82 so helpe u w.
83 Sterc m. van lichame die w. 84 Gode dienen
1. e. s 85 al heeft. 86 E. dat g. den a. brocht.
88 Koch zorghe noch pine draghen ghen. 89
niet. 90 Waer omme h. en soude n. 91 E. hoe
dan segghet mi. A. seide. 92 V. g. s. heere d.
s. 93 Hi ontbr. 94 Dat hem gheve. 96 of.
Vs. 10697-98 ontbr. by A.; doch bij C. leest
men verkeerdelijk: A. w. m.. e. houde s. 99 Die
sonder pine up haer rente leven. 10700 Daer
souden si hem in begheven.
1 Rose, II. 20, 12273 (11543) :
L'en le devroit miex mehaingnier,
Ou en faire aperte justice,
Que soustenir en tel malice.
Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op eene
plaats uit den Cod. Just. L. XT, Tit. 25: De
mendicantibus validis. Zie ook Gothofredi Cod.
Theod. T. V. 285. (Lips. 1741).
2 De lazing van C. is in vs. 10651, 52 en 53
beter dan bij A., en door ons in A. opgenomen.
3 Rose, II. 21, 12309 (11579) :
Et for desfendoit truandies.
4 Rose, II. 22, 12322 (11592) :
Et saves que ce for prouffite 9
Le don perdent et la merite,
5 Rose, II. 22, 12339 (11609) :
S'il entroit, selon le commant
Saint Augustin, en abbaie
Qui fast de propre bien garnie,
Si cum aunt ore cil blanc moine,
Cil noir, cil reguler chanoine,
Cil de 1'Ospital, cil du Temple.
De opsomming der verschillende monnikorden,
die bij A niet voorkomt, is door mij overgenomen uit C., met verandering van houde in swarte,
welke verbetering door het origineel wordt gerechtvaardigd.
Het werk van Augustinus, waarop wordt gedoeld, is: de Opere monachorum, ad Aurelium
episcopum Carthaginiensem.
184
A. fol. 51 a. b.
Ende triwanden laten staen,
Daer biddende ordenen met omgaen,
Die bidden lopen achter lande :
Dits vor Gode grote scande.
[10540]
10705 Men vent selken monec nochtan,
Die pinen gelijc enen andren man,
Ende daer na Goede anebeden sere.
Mi gedunkt, dat wilen ere
Groet distort was ende swaer
[10545]
10710 Op die baden, wet vorwaer,
Ochtment met Gode mochte anegaen
Nu hort, ic saelt u doen verstaen
Al die waerheit in dit boec,
-- Waerheit en soect genen hoec — [10550]
10715 In wat Bingen men bidden mach,
Nadat ict horde ende sach:
Nu hort hier die sake waerbi
Dat elc ni.ach bidden, geloves mi :
Es soe plomp van sinne een man, [10555]10720 Dat hi geen ambocht en can
Geleren, noch en begert oec niet
Sonder ambacht te blivenne iet,
Hi mach wel bidden tote dien male,
Dat hi geleert sijn ambocht wale, [10560]
10725 Daer hi sijn broet met winnen mach,
Sonder triwanden, nacht ende dach.
Ochte die so ziec es ende so out,
Dat hi en heeft en gere gewout
Sijn broet te winne in crancheiden ; [10565]
10730 Ocht een die heeft in weeldicheiden
C. fol. 63 d.-64 a.
Sinen tijt altoes geleeft,
Ende sijn goet nu al begeeft,
Dien so salmen bidden laten,
Ende niet van hongre inder straten [10570]
10735 Sterven laten, het ware sonde.
Ocht die gene, die , teneger stonde
Niet so vele conste gewinnen,
Dat hire hem met in enegen sinne
Onthouden ochte gevoeden moege, [10575]
10740 Dese laetmen bidden bi gedoge
Van doren te doren ende bejaghen ;
Want anders mach hi hem niet bedraghen. I
Ocht die sijn ambocht wille leren,
Daer hi sijn broet mede met eren [10580]
10745 Wennen moge, dese mach
Bidden tote dat coemt die dach,
Dat hi selve moege werken ;
Maer gi moegt wale merken,
Dat ic meine : werken met handen, [10585]
10750 Alse up sinen lichame standen,
In meene gheene gheestelike :
In souker in gheene plike. 2
In dese sake, die ic u
[10590]
Hier vertelt hebbe nu,
10755 Machmen bidden sekerlike ;
Maer anders en eist niet redenlike,
Dat ic u hier hebbe geseit,
Dat een mensche te biddene plegt,
Ocht die meester van Sent Omars 3 [10595]
10760 Loech, ende dede wanen waers
10701 E. die truwantinghe. 2 D. dandere mede
omme gaen. 4 Hets voer G. oneere e. s. 5 M. vint
sulke moneke n. 6 D.dicken vaen arbeit an. 7 Gode.
A. goeden. 8 ghedinct. 10 Up dat bidden weet.
11 Ofment. 12 hoort. 13 Die w. in desen b. 14
Want w. souct g. p. 17 hoort h. de s. 18 Dat
ontbr. 21 noch b. o. mede hiet. 22 wesene niet.
23 male ontbr. 24 D. hem dit moghe ghescien.
25 Dat hi moghe wlnnen sijn broot. 26 S. truwantinghe groot. 27 Of d. s. z. e. of s. o. 28
hijs e. h. gheen g. 29 brot ten winnen van c.
30 Of. 32 nu hem b. 36 Of d. g. d. te gheere
s. 37 So velen te male moghen g. 38 mede i. c.
zinnen. 39 of ghenoughen moghen. 40 bi Gode.
Vs. 10741-42 ontbr. bij A. 43 Of hi eenich a. 45
Winnen. 46 comt de d. 48 moghet wel. 49 D. i.
m. met selken h. 50 bij A. Gelijc men werct in
alien landen. Vs. 10751-52 ontbr. bij A. 53 nu. 54
Alhier h. vertellet nu. 56 redelike. 57 Dan. A. Dat.
58 pleit. 59 Of d. m. v. Sente Omaers A. Gent.
1 De bij A ontbrekende verzen komen in het
oorspronkelijke voor.
Rose, II. 24, 12394 (11664) :
Bien se puet lors metre k pain querre,
Et d'huis en huis partout tracier
Por le remenant porchacier.
Mes de mains du tors proprement,
Sans metre-i double entendement.
Vs. 10750 is door ons met de lezing van
C. verwisseld, en de twee ontbrekende verzen
er ingevoegd, daar C. volkomen met het origineel overeenkomt.
Rose, II. 25, 12404 (11674) :
Mes qu'il ovre de mains itiex,
Non pas de mains esperitiex,
3 Rose, II. 25, 12413 (11688) :
Se cil de Saint-Amor ne ment,
Qui disputer soloit et lire,
Et preeschier ceste matire
A Paris, avec les devins.
Guillaume de Saint-Amour, Kanunnik van Beauvais, maakte zich beroemd door zijn boek : de Periculis novissimorum temporum, waarin hij de bedelmonniken aanviel. Het werd door Paus Alexander
IV in den ban gedaan, en de schrijver nit Frankrijk verbannen. Zie Meon, II. 355, Michel, II. 25.
185
A. fol. 51 b. c.
Menegen te Parijs in die stede,
Daer hi las ende predecte mede,
Dat grote sonde anders ware
Bidden, ende hi hads openbare [10600]
10765 Net hem leke ende die clerke ; 1
Mare mijn vrouwe met haren werke,
Ver Ypocrisie, dede dat,
Datmen daer bien uter stat
Ende uten rike, omdat hi seide [10605]
10770 Ende predecte die waerheide,
Ende niet genadich en was hars,
So wart gebannen die clerc Omars,
Sint hi nouwe boeke maeete,
Daer hi in al besaecte
[10610]
10775 Hare leven, ende woude,
Dat ic altoes arbeiten soude,
Opdat ic gnoech en ware gegoed.t. 2
Weende hi dat ic was verwoedt?
Nenic ! entrouwen ende God,
[10615]
10780 Tile werde nemmer so versot ;
Want werken es ene sware pine.
Ic sal buten doen in seine,
Dat ic goede werke doe ;
Maer nemmeer en weerkic soe, [10620]
10785 Ine sal mine ypocrisien
Mantelen wel met reinardien." 3
C. fol. 55 a. b.
Die God van Minnen seide doe saen :
uWat duvle doedi ons verstaen ?
Grote Valscheit, bi onser Vrouwen, [10625]
10790 Geloefdi Goede? " 4 - ,,Neen ic, entrouwen;
Want n'emenne en mach, hebbic vernomen,
Tenegen groten dingen comen
Op erterike, die Goede geloeft,
Ende die es altemale verdoeft ; (10630]
10795 Want die goede, die laten varen
Alle quaetheit ende metten haren
Hen laten genogen met paise,
Die donken mi mesayse,
Ende mi wanhaget haer leven ; [10635]
10800 Maer die persemarden, die geven
Moegen die borse vol van penninge,
Met hem so houdic wandelinge ;
Met meyeren, met valsceren, met taverniren,
[10640]
Die alle quaetheit antieren,
10805 Ende al biden rove leven,
Die hen die arme node geven,
Die hen achter straten volgen
Ende menich anscijn sien verbolgen,
Ende die si toten tanden plecken, [10645]
10810 Die ga ic striken ende lecken.
Bi minen strikenne ende leckenne
Pijn ic te gadre goet te treckene. 5
10761 de s. 65 Helpe beede bouken e. clerke
66 Maer m. moeder m h. ghewerke. 68 Datmenne b. 71 Die goede clerc van Sente Omaers.
72 Ende niet ghenadich en was haers. 73 Ende
oec cenen niewen boric m. 74 al in b. 75 Haer.
76 men a. aerbeide s. 77 Up dat ic noch niet
w. g. 78 Waendi d. 80 In w. n. s sot. 81 W.
w. e. eenegherandc p. 82 van buten. 83 gode
ghewerken. 84 M. die daet en esser niet toe.
5 Ic s. minnen Y. 86 Ende m. al m. r. 87
der M. s. s. 90 G. niet G. 91 niemen m. 93
Up erderike. 94 Entie. 95 die ontbr. bq A. en
C. 96 metten h. A. met. 97 Hem g. 1. 98 D.
en dincken mi emmer ayse. 99 wanhaecht.
10800 persemiers. 1 M. d. bursen metten penninghen. A. Moegen geven die. 2 M. h. wildic
w. 3 meyers m. valscers. 5 alle b roeve 1. A.
rouwe 6 D. den aermen n. g. 7 Ende hem. s. v.
8 aensichte. 9 diese t. t. blecken. 10 Dese g. i.
streken. 11 lecken. 12 Pinic t. g. g. t. trecken.
I Rose, II. 25, 12417 (11687) :
a, ne m'aist ne pains ne vins,
S'il n 'avoit en sa verite
L'acort de l'Universite
Et du pueple communement,
Qui ooient son preschement.
2 Rose, II. 26, 12434 (11704) :
Ma mere en essil le chaca.
Le vaillant home tent brace,
Por verite qu'il soustenoit ;
Vers ma mere trop mesprenoit,
Por ce qu'il fist un novel livre,
Oil sa vie fist toute escrivre,
Et voloit que je renoiasse
Mendicite et laborasse,
Se ge n'avoie de quoi vivre.
3 Rose, II. 26, 12446 (11716) :
Trop a grant Paine en laborer ;
J'aim miex devant les gens orer,
Et affubler ma renardie
Du mantel de papelardie.
4 Rose, II. 26, 12450 (11720) :
Qu'est ce, diable ! quiex cunt ti dit ?
Qu'est-ce que to as ici dit ?
Faux-Semblant.
Quoi ?
Amours.
Grans desloiautes apertes.
Dont ne criens-tu pas Dieu ?
5 Rose, II. 27, 12462 (11732)•
Més esgardes cum de deniers
Ont usurier en for greniers,
Faussonnier et termineour,
Baillif, prevoz, bediaus, maiour.
186
A. fol. 51. c.
Penninge diere hebbic oec .gnoech,
Ende dunct mi oec mijn gevoech, [10650]
10815 Dat ic wille maken ene nuwe zale,
Om mi daer in taysierne wale,
Dat mijn begeren es algader ;
Want het raed mi mijn vader,
[10655]
Dat ic aldus levee soude,
10820 Dan comen die lieden, die menechfoude
Mi toegeven goede muken :
Dus winne ic altoes ane mijn smuken ;
Want ane tbejach sijn mine attenten,
Want beter vele dan mijn renten [10660]
10825 Es mijn bejach, dat weet wale ;
Want al mijn gaen opentale
Dats al omdat ic wille winnen. 1
C. fol. 64 b. c.
Ic biechte keysere ende keyserrinne, 2
Coninge, hertogen ende graven, [10665]
10830 Ende die rike sijn van haven,
Ende mi vollen minen crop ;
Mar in. achte twent daer op
Wat dat doen die arme kaytive :
[10670]
Die wisic al bi minen live,
10835 Dat si te haren pape gaen :
Hare biechte en willic niet verstaen ;
Want mine baecht niet, dat verstaet,
Arme lieden noch hare gelaet.
Dese coninge, dese keyserrinnen, [10675]
10840 Dese gravinnen, dese hertoginnen,
Dese grote vrouwen, dese prelatessen,
Dese nonnen ende dese abdessen,
10813 Penninghen dier ic hebbe ghenouch. 14
E. dinct. 15 m. niewe z. 20 li de m. 21 Mi te
glicvene g. m. 22 winnic a. an m. s. 23 an t es
m. antente. 24. mine rente. 25 dat ontbr., wet. 26
W. wat ic ga up ende tale. 28 brochte keyser
e. keyserinnen. 29 Coninghen. 30 Entie. 31
Die m. vullen. 32 Maer i. a. niet d. up. 33
W. doe: 34 al ontbr. 35 . tharen. 36 Haer. 37
W. mi en behaghen n. v. 38 Aerme liede n.
haer. 39 coninghen. 40 D. hertoghinnen d:
gr. 41 D. g. v. palestinen. 42 D. abdessen d.
beghinen.
Tuit vivent presque de rapine,
Li menus pueples les encline,
Et cii comme leus les deveurent.
Trestuit sor les povres gens queurent,
West nus qui despoillier n'es vueille ;
Tuit s'afublent de for despueille,
Trestuit de for sustances hument,
Sans eschauder tons viz les plument.
11 plus fors le plus fieble robe;
Mes ge qui vest ma simple robe,
Lobans lobes et lobeors,
Robe robes et robeors.
Par ma lobe entasse et amasse
Grans tresors en tas et en masse.
lloewel de vertaling verre bij het oorspronkelijke ten achter staat, is de zin toch tamelijk wel
weergegeven. De tavernieren, kroeghouders, zullen wel voor de termineurs, terminarii, in de .plaats
gekomen zijn, in het Mnl. voorcopers (LSp. Gloss.)
Zie over de terminarii Du Cange (Ed. Henschel.) VI.
547. Vs. 10808-9, die Kausler (t. a. p. 271)
uunverstandlich” noemt, moeten de vertaling zijn
van vs. 6 en 7 der aangehaalde plaats.
Deniers me vienent h resours :
Ne fais-ge bien tumber mes hours ?
En aquerre est toute m'entente,
Miex vaut mes porchas que ma rente.
S'en me devoit tuer ou batre,
Si me voil-ge par tout embatre.
Is nu muken in vs. 10821 het in de Teuth.
voorkomende lot, muycke, sors, sortiuncula, in
den zin van fortuintjens? Of moet men denken
aan den stam muuk, Mhd. milche, heimelijk, nog
bekend in het Friesch te muuk , clam? Zie Benecke,
MM. Wtb. II 226. Muke zoude dan zijn een heimelijk verstrekt stuk, bij uitbreiding : buitenkansjen.
Over smuken, buigen, kruipen, zie Dr. de Jager,
Arch. I. 402. De verklaring van Kausler, t.
a. p. 271 komt ons ten eenenmale onaannemelijk
voor.
1 Vs. 10815-27 zijn in het origineel gedeeltelijk anders.
Rose, II. 28, 12483 (11753) :
Car, se g'en fais palais funder,
Et acomplis tons mes deliz
De compaignies en deliz,
De tables plaines d'entremez
(Car ne voil autre vie mes),
Recroist mes argens et mes ors ;
Car, ains que soit vuis mes tresors,
2 De overgang is in de vertaling geheel verdwenen. In de Rose, II. 28, 12495 (11765),
zegt Amours op het voorgaande :
Tu sembles sains lions,
en is het antwoord :
Certes voire.
Ordener me fis h provoire,
Sui le cure de tout le monde
Si cum it dare a la reonde.
Par tout vois les ames curer,
Nus ne puet mes sans moi darer,
Et preesehier et conseillier,
Sans jambs de mains traveillier ;
Dc l'apostole en ai la bole,
Qui ne me tient pas por entitle.
187
A. fol. 51 c.-52 a.
Dese vrouwen, dese joncfrouwen, 1
Ende begginen, diemen scone mach scouwen, [10680]
10845 Dese begeric sekerlike
Te biechtene, opdat sie sijn rike;
Maer om haer ziele Goede te gevene
Vragic hem van haren levene,
Den groten heren, hets mijn sede, [10685]
10850 Ende al haren maisniden mede ;
Ende swere hem bider crune mijn,
Dat alle hare papen beesten sijn
Jegen mi ende mine gesellen,
Diere ic hebbe menegen fellen,
10855 Ende dien ic der liede heimelicheide
Segge, ende sie mi weder meide,
Want ic en hele een twent hem niet,
Noch si mi van dies men pliet. 2
Omme te toenne hare quaetheit
10860 Hort wat die Ewangelie seit
[10690]
Sinte Matheus oppenbaer,
— In XXIII capiteel, dats waer,
Daer binnen gescreven steet
Die dus spreect, Godeweet :
10865 Op den setel Moyses sal al in een 3 [10695]
Sitten Scriven ende Phariseen,
Dat sin die quade, die God verdoeme,
Dien ic ypocriten nome.
Dese seggen tgoede, dat verstaet,
10870 Ende werken tselve alle quaet. [10700]
C. fol. 64 c. d.
Werct na dat sie u leren,
Ende nemmeer en wilt u keren
Ane hare werke no an hare daet ;
Want sie sijn vor Gode quaet.
10875 Si leggen op u bordenen swaer,
Maer selve en doensire niet haer ;
Maer sie hurtens alle wege
Met haren minsten vingere wege. 4
Sie hoeden hem van goeden werke, [10705]
10880 En sie daert die lieden merken;
Ende geen dine en gerense bat
Dan tire taflen die irste stat
Ende in die mare die gruettinge
)10710]
Van den lieden sonderlinge,
10885 Ende dat voren staen in die kerke,
Dat alle sijn des duvels werke,
Ende wille meester geheten wesen ;
Mare, na dien dat wi lesen,
Sone souden sijs doen meer no min ; [10715]
10890 Want dEwangelie spreect jegen hem.
Noch hebben wi enen andren sede,
Daer sijn alle gebonden mede ;
Want so wien wi jegen ons sien,
[10720]
Altemale so haten wi dien
10895 Bi accorde ende oec bi rade,
Ende beraden hem altoes scade,
Waer wie moegen, bedectelike.
Siewi dat hi sal werden rike
Met provenden ocht met gichten, [10725]
10843 D. poertigghen d. j. 44 Dese nonnen
d. s. m. s. 46 updat si. 47 hare. 49 dats m.
s. 50 E. hare meisnieden alle m. Vs. 10851 —56
ontbr. bij C. 53 A. mire. 57 W. sine helen
mi n. 58 N. ic hem d. m. p. 59 Om te wetene
h. q. 60 Hoort w. dewangelie s. 61 Sente M
openbaer. 62 Int XXIIIste capitel. 63 Dat in
sire Ewangelien steet. 64 Daer seiti in God
weet. 65 Up M. s. al i. e. 66 S. scriben ende. A. een
P. 67 sijn de. 68 Die. 70 E. sijn selve binnen q.
Vs. 10870 —74 ontbr. bij C. 75 up hu bordene.
76 M. s. doen si n. een h. 77 hurtense. 78
vingheren. 79 werken. 80 si d. de. 1. 81
gheene d. e. gheeren si b. 82 ter t. d. eerst s. 83
maerct d. groetinghe. 85 -voerstaen. 86 Maer
dit s. al sduvels w. 87 willen meesters. 88
Mare. 89 ' S d. sijt m. n. m. 90 gaet j. him.
91 eene andere. 92 D. wi a. s. g. 94 so
ontbr. 95 oec ontbr. 97 wi. 98 Sien wi oec d.
h. s. r. 99 Werden m. p. ende m. g.
1 De lezing bij C komt weder meer met het
oorspronkelijke overeen. Rose, II. 29, 12517
(11787):
Ces hautes dames palasines,
Ces abeesses, ces be'guines,
Ces baillives, ces chevalieres,
Ces borgoises cointes et fibres,
Ces nonains et ces damoiselles.
2 Rose, II. 29, 12524 (11794) :
Et por le sauvement des ames
J'enquiers des seignors et des dames
Et de trestoutes for mesnies,
Les proprietes et les vies,
Et for fais croire et mez es testes
Que for prestres curez sunt bestes
Envers moi et mes compaignons,
Dont j'ai moult de mauves gaignon,
A qui ge suel, sans riens celer,
Les seer& des gens reveler ;
Et eus ausinc tout me revelent,
Que riens du monde ne me celent.
3 Verg. Maerlants Wap. Mart. vs. 781 vlgg.
(in mijne Uitg. 37.).
4 Rose, II. 30, 12553 (11823) :
Il lient as gens decevables
Gries faiz qui ne sunt pas portables,
Et sor for espaules for posent ,
Mais o for doi movoir n'es ()sent,
188
A. fol. 52 a. b.
10900 Enen raet gaen wi dan dichten,
Hoe wi weten moegen gereet,
Bi wat trappe dat hi opgeet,
Dan lachterwine heimelike
— So leet waer ons waer hi rike ! —[10730]
10905 Emmer ane die hulpe sine ; 1
Ende dat doen wi so stillekine,
Dat niet en wart geopenbaert.
Dan valt hi weder nederwart
Vanden grade, daer hi op stoet, [10735]
10910 Ende tumelt weder ondervoet ;
Mare wisti dat van ons quame,
Hi soude lachtren onse name.
Waert oec dat hem iemenne daeden
Vordeel, dat hem quame te staeden, [10740]
10915 Van goede, van eren, ende tebaten,
Dan soe souden wi ons gelaten,
Ocht wijt al hadden gedaen,
Ende souden wie hem seggen saen,
Ende andren lieden openbare,
[10745]
10920 Dat hi bi ons geholpen ware,
Om te hebbene der liede prijs.
Oec pinen wie ons in alre wijs
Loselic ane dese heren,
Die vol sijn der werelt eren,
[10750]
10925 Dat si ons hare lettren geven
Ende orcontscape, dat ons leven
Goet ende harde helich si,
Waer wi wandelen, na ocht bi ;
Ende altoes maken wie ons arm mede, [55]
10930 Mare hoe wi clagen onse lede,
Wie sijn die gene, ine logens niet,
Diet al hebben sonder te hebbene iet.
Ic warde selc tijt een makelare,
Ende make paixs, ho soet geware ; [10760]
10935 Huwelic vergadert wel bi mi ;
Ic doe oec waers te doene si
C. fol. 64 d.-65 b.
Excecutien, hets wel mijn sede,
Ende bem oec procurerre mede ;
Ic bem messagier ende bode,
[10765]
10940 Dat mi nochtanne mesteet, bi Gode ;
Want swaer ambocht es ter core
Te doene anders liede orbore.
Ende hebbedi enege sake te doene,
Seggese mi ende sijs dies cone, [10770]
10945 Dat si sal comers te goeden inde,
Sint dat ics mi onderwinde,
Ende gi mi hebt dan so gedient,
Dat ic wesen mach u vrient.
Ine minne niemene nocht en prise, [10775]
10950 Die mi castijt in eneger wise ;
Ine wille gecastijt niet sijn
Noch geblameert int herte mijn ;
Nochtan willict blameren al,
Dat ic sie ocht sien sal.
[10780]
10955 Ic wille lachtren dat ic sie,
Want mijn sede wast oit ende ie.
Ine roke niet der hermitagen,
Der woestinen noch diere bosscagen:
Ic laetse Sinte Jhanne Baptisten; [10785]
10960 Want ic ware vander kisten
Te verre, daer die morsele in sijn
Ende oec mede den • goeden wijn,
Ende vanden borge ende vanden staeden,
Daer ic mi wel in can beraden. [10790]
10965 Ic make mi daer in ere stede,
Daer ic in hebbe mine heimelichede,
Ende segge daer ic ga achter straten,
Dat ic die werelt hebbe gelaten,
Dat ic leve in ermoeden groet, [10795]
10970 Dies ic en hebbe engenen noet ;
Want ic mi ligge ende aisiere
Met groten rasten bi den viere,
Ende bade mine lede in warm water :
10900 stichten. 1 Dat. 2 B. w. grade hi up g. 4
ware o. ware. 5 an. 7 wert. 9 up. 10 Valt hi w.
o. 11 Maer wiste hi. 12 onsen. 13 wie yemene d. 14
Vordernessen ofte stade. 15 Die hem teeren ofte
baten. 16 Quame wi s. o. g 17 Of. 18 wie ontbr.
20 verheven. 21 lieder. 22 in ander w. 23 Loselike an d. grote h. 24 vul. 26 orconscepe d.
onse 1. 57 G. e. helich mede s. 23 verre of bi.
29 wi. 30 Maer. 31 in loechens. 32 hebene. 33
Alse nu so werdic m. 34 So makic coep hoe s.
ware. 36 oec wel. 37 h. mine s. 38 Ic b. o. procureirre m. 40 nochtan messit. 41 ambacht eist
t. core. 42 , ander lieder orbure. 43 hebdi. 44 So
seghtse m. e. weset c. 45 si ontbr., ende. 46 Eist
d. i. m. onderwende. 47 dan so hebt g 48 moet.
49 Maer in m. niemen no p 51 In. 52 No.
53 wille ict. 54 Wat i. s. ofte. 55 wat. 56 W.
mine s. so waest hie. 57 In rouke n. d. hermitagien. 58 Dier wostinen no dier bosscagien. 59
Sente. 61 de goede morceele s. 62 die goede w.
63 borghghen. 64 in can wel b. 65 Ende m m.
dan i. eene s. A. ere. 66 Mine zale ende m. h.
67 Ic s. ic g. a. s. 68 Om dat ic de w. 69 Ende
i. 1. i. aermoeden. 70 gheene. 71 W i. 1.
mi ende a. A. en. 72 grotcr feesten. 73 waermen.
1 Rose, II. 31, 12582 (11852) :
Se nous veons gull puist conquerre
Par quelque engin honor en terre,
Provendes ou possessions,
A savoir nous estudions
Par quele eschiele it puet monter,,
Et por li miex prendre et donter,
Par traisons le diffamons
Vers ceus, puis que nous ne l'amons.
189
A. fol. 52 b. c.
Dus bem ic ayser dan een cater. 1 [10800]
10975 Ic bem gerechts Ankerts bode, 2
Die verstoten sijn van Gode ;
Ic bem een van dien dieven,
Daer dEwangelien ave brieven,
[10805]
Die alse een lam buten geet,
10980 Ende binnen es een wolf wreet.
Dos gaen wi omme water ende lant,
Ende settent al na onse hant,
Waer wi gaen ocht waer wi comen ;
Want ic hebbe orloge genomen [10810]
10985 Jegen die werelt altemale ;
Want ic wilse op entale
Berespen van haren dingen,
Ende te mi wart altoes bringen,
Ende die nine keren ane mijn bort, [10815]
10990 Van hem seggic altoes vort,
Dat buggeren ende cattren sijn ; 3
Mar die bort ter geselscap mijn,
Dat sijn altoes goede liede ;
Van hem hebbic mine miede : [10820]
10995 Coptine, plumieren, te minen dele,
Ende goede leckere morsele ;
Conine, hasen ende pertrisen 4
Gevense mi te mire spisen ;
Ende den wensch van goeden wine [10825]
11000 Bringen si mi altoes, die mine.
C. fol. 65 h. c.
Dese a,bsolveric ende geve pardoen;
Want wat quade dat si doen,
Eist rovere, eist dief, eist persemart,
Dese hebbic alle lief ende wart. [10830]
11005 Wat si mesdoen nerve ic op mi,
Sint ic van hem iet wennende si ;
Ende wie ons tsins nine wilt geven,
Moegen wi, hi wart verdreven,
Ocht wie doene levende bernen ; [10835]
11010 Sine geven ons, wie sullense ernen,
Ochte penitensie setten so swaer,
Dat hem beter ware, yore waer,
Dat si ons penitentie gaven 5
Van haeren goede, van haerre haven, [10840]
11015 Daer wi met haren vrienden bliven ;
Want niemenne en weet tquaet dat wi driven.
Maer en daet die grote wachte, 6
Die ons bi dage ende bi nachte
[10845]
Doet die Universiteit,
11020 Wie hadden ene andre wet geleit ;
Want ic segge , u seker waer,
Dat was in ons Heren jaer
M. CC. L ende
[10850]
Gebannen was vanden live
11025 Een boec, dat was sere opcomen, 7
En hadde ons dat niet genomen
Geweest, dat wet bi mire eren,
10975 gherecht Antkerste. (bode ontbr.) A.
gerech. 76 bem. 77 deen. 78 af. 80 als I.
vulf. 81 Dus. 82 soner. 83 ende w. 85 de.
86 up ende t. S8 waert. 89 Entie niet k.
an m. boort. 90 voort 91 Dat buggers e. catters s. A. Die. 92 Maer die hoort. 93 lieden,
94 mieden. 95 Capoene plumeren. 96 En g. andere 1. m. 97 C. limoghen e. pertrise. 98 Gheven
si. 99 Weinsch van ate ende van w. 11000 si
ontbr., de. 1 Ende d. absolvere ic wel. 2 Wat
si doen, eest quaet of fel. 3 E. r. d. of p. 4 D.
h. a. waert 5 nemic up. 6 S i. v. h. ghevullet
s. 7 E. w. o. dies niet wille g. 8 wert. 9 Of wi
doense 1. berren. 10 S. gevent o. wi doense erven. 11 Of. 12 vor waer. 13 pitance gaven. A.
gave. 14 haren h. 15 hare vriende. 16 W.
tq. weet niemen d. w. d. 17 daet. A. doet.
21 u ontbr. 23 M. L. e. v. 24 G. w. als
keytive. 25 d. s. was upcomen. 26 Ende. 27
weet.
1 Rose, II. 33, 12650 (11920):
Et
aese et baigne et noe
Miex que nus poissons de sa noe.
2 Vs. 10975-11016 hebben het origineel zeer
bekort, en wijken ook somwijlen geheel er van
af. Verg. Rose, II. 33, 12652 (11922)-12724
(11994).
8 Over de bougres, bulyari, en catters, cathari
zie men vooral Du Cange (Ed. Henschel), I.
800 ;
240.
4 Limoyhe bij C. is bij Kul. Fland. Phasianus,
Phasiaca avis.
5 Lees met C. pitancie.
Rose, II. 35, 12723 (11993) :
Ou li donrons tel penitence
Qui vaudra pis que la pitance.
Verg. bl. 129, aant. 1.
6 De gebeele nitweiding over de rol der Pa-
rijsche Universiteit, die in de vertaling slcchts
eenige verzen beslaat, loopt in de Rose van vs.
12725 (11995)-12834 (12104).
7 Rose, II. 36, 12734 (12004) :
En l'an de 1'Incarnacion
Mil et dens tens cinc et cinquante,
(N'est hons vivans qui m'en demente)
Fu baffles, c'est bien chose voire,
Por prendre conmun exemploire,
Uns livres de par le deable :
C'est l'Evangile pardurable.
Dit werk, waartegen zich Guillaume de SaintA mour krachtig verhief, werd gezegd verre boven het Evangelie verheven te zijn, en was door
• de bedelorden opgesteld. Zie Meon, IL 369, Michel, II. 36, en vooral von Raumer, Gesch. der
Hohenst. III. 318, ffg.; Schlosser, Vincent von
Beauvais, II. 143, ffg.
190
A. fol. 52 c. d.
Wie hadden geweest die meeste heren,
[10855
Die nu in dese werelt sijn,
11030 Dat sere dert der herten mijn ;
Dat dUniversiteit van Faits
Onse boec benam in alre wijs.
Wat soudic hieraf vele maken ?
[10860]
Het worde mi te lange saken.
Maer hoert een deel van minen geslachte,
11035
Dat in die werelt es van machte,
Ondancs hebs die Helege Kerke, I
Daer ic altoes jegen werke.
Baraet mijn wader blijft keyser ende here
[10865]
11040 Van der werelt emmermere,
Ende mijn moeder Ypocrisie
Blijft keyserrinne, wats gescie.
Wie regneren in elc rike,
Alst wel es recht ende mogenlike ; [10870]
11045 Wie connen der liede raet ontecken
Heimelike, die ane ons trecken.
Men hout ons over soe goet,
Dat elc ane ons comen moet,
Ende wie castiense van sonden sere; [108751
11050 Maer wie en geren nemmermere
Van hen gecastijt te sine :
Daden sijt dat ware onse pine.
Segt, wat lieden soudemen eren
Dan ons, die yore die grote heren [10880]
C. fol. 65 c. d.
11055 Ende vor ons lieden altoes beden ? 2
Mare wie sijn van andren seden,
Alse wie hem hebben gekeert den rugge:
Dan siwi take quaetheit vlugge.
Welc es meerre verwoedthede
[10885]
11060 Danne tanteerne ridders sede, 3
Ocht die edele lieden te minnene,
Ende daer ane niet te winnene ?
Ware een man van selken sede,
Dat hi hilde yore wardichede
[10890]
11065 Ende sijn gelof al oppenbare,
Ende en twent daer jegen en ware,
Ende altoes scuwede Ypocrisie,
Dits vole dat ic vermaledie !
Mar desen langen caperoen,
[10895]
11070 Dese gerunste gebondene scoen,
Dese lange, wide tabbarden,
Dese cappen van graeuwen arden,
Ende lieden van simplen gedanen,
Dese souden die princhen ane hem tanen,[9 00]
11075 Ende geven hem al onderhanden
Die orboren van haren landen,
Wart in paise, wart in onvreden, 4
Sie soudent hem in geestelijcheden
Berechten, want si hebbes name : [10903]
11080 Derre est dierre ic mi niet en scarce.
Twaren, mine roect wat ic doe
Om minen wille te bringenne toe.
11028 Wi hadden g. de. 29 de w. 30 D.
deert mi int herte m. 32 Ons benam dat bout
fatijs. 33 hier of. 34 werden. 35 Nu h. 37
Ondanc. 40 deser. 42 keyserine. 43 Want w.
r. in elke r. 44 A. w. r. es m. 45 lieder r.
ontdecken. 46 an. 48 an. 50 wine. 51 hem.
52 ons. 53 souden men. 54 D. o. d. grote vor
de h. 55 voer de liede. 56 anderen. 57 Als wi
h. keeren d. r. 58 So sijn wi ter q. v. A. sie wi. 59
werdichede. 60 Dan te antierne rudders s. 61
Of d. edel liede te minne. 62 an n. t. winne.
Vs. 11063-66 bij C :
Ende dat een man houdet mede,
Wat hi ghelooft ende te wat steden,
Ende vorwaerdich tsine openbare,
Ende niet te spaerne dat ware.
67 te scuwene. 68 tvolc. 69 Maer. 70 D. verroeste ghebonden. 71 tabbaerde. 72 aerde. 73
liede v. simpelre. 74 Dese ontbr., an. 75 E. g.
h. onder die hande. 76 Den orbore v. den lande.
77 Waert i. p. of. 79 hebbens. 80 Deser eist dat
i. m. niet s. 81 En trauwen m. rouc. 82 bringhen.
I Rose, II. 39, 12838 (12108) :
Maugre qu'en ait Sains-Esperis.
2 Rose, II. 40 12861 (12131) :
Quex gens doit-l'en done honorer,
Fors nous qui ne cessons d'orer
Devant les gens apertement,
Tout soit-il darriers autrement.
Lees in vs. 11055 met C : die liede.
3 Rose, II. 40, 12865 (12135) :
Est-il greignor forsenerie
Que d'essaucier chevalerie
Et d'amer gens nobles et cointes,
Qui robes ont gentes et cointes ?
S'il sunt tex gens cum it aperent,
Si net cum netement se perent,
Que for diz s'acort it for fail,
N'est-ce grans duels et grans sorfais,
S'il ne vuelent estre ypoerite ?
Tes gens puist estre lit maudite !
4 Rose, II. 40, 12882 (12152) :
A ceps doivent princes baillier
A governer eus et for terre,
Ou soit par pais, ou soit par terre.
Tanen moet hier in den zin van trecken, verbinden voorkomen, in welke beteekenis het bij
Kil. niet gevonden wordt. Tanen, tannen is looien,
en tanen, tenen, irritare zooals het ook in Maerl.
Rijmb. 29533 voorkomt. Verg. bl. 55, aant. 2.
191
A. fol. 52 d.-53. a.
Niet en seggic u daerbi,
11110
[10910]
Dat ic wille dat versmaet si
11085 Oetmoedich abijt, diet hout wale;
Maer is mene anders altemale,
Ende dat lachtert God oec mede,
Dat die minsce teneger stede
Hem geeft toetmoedichgen abite, [10915] i11115
11090 Ende der werelt nine werd quite,
Sint hise metten monde begeft.
Dese slacht den roden, die heeft
So vele geslonden tenen male,
Dat. hijt en can gedragen wale, [10920]
11120
11095 Ende moet utespuwen neder,
Ende alse hem hongert, et hijt weder. 1
Here, ine dar u liegen niet;
Mar mochtic gevolen iet,
Dat gijs niet en wort geware, 11125
11100 Gine hadt die logene oppenbare [10930]
In u hant van mi gereet,
Ende u bedriegen, Gode weet,
Dan soudic laten om gene sonden." 2
Die God van Minnen doe begonde 11130
11105 Te lachene van groten wondre, [10935]
Ende elc so logre om besondre,
Ende seiden : ,Dit es een scone seriant
Om wel te getrouwene in dit lant !"
11083 segghict. 84 v. mi. 85 Oemoedich h. diet.
A. dien. 88 D. eenich meinsche. 89 ghevet toemoedeghe. 90 Enter w. niet es q. 91 begheeft. 92 rueden. 95 huut s. 96 E. als h. h. so keert hi weder. In
plaats van vs. 11096-98 bij C. de volgende verzen :
Ende hetet weder sinen spu.
Weet wel, heere, dorstic hu
Wel doen dies ghelike,
[10925]
Ic daet hu zekerlike ;
Maer is en dars niet bestaen.
Maer mochtic, heere, dat verstaen.
1 Rose, II. 41, 12905 (12175)
C'est li n2astins qui gloutement
Retorne h son vomissement.
Rode, rude, AS. rot, roth-hund, a mastiff, bij
Kil. reud, reud-hond, canis mas. Verg. Dr. Halbertsma, Aant. op Maerl. 27.
2 Rose, II. 41, 12907 (12177) :
Mesh vous n'ose-ge mentir ;
Car se ge pelisse sentir
Que vous ne l'aparceussies,
La menchoigne ou poing eussies,
Certainement ge volts boulasse.
3 Rose, II. 4 4, 12933 (12203) :
Car, it tesmoing vous en apel,
L'en ne puet oster de sa pel
Le leu, tant qu ell soit escorchies,
Ja tant n 'iert batus ne torchies.
C. fol. 65 d.— 66 b.
Die God van Minnen seide: ,Valsch Gelaet,
Sint dat gi sint in selken staet [10940]
In mijn hof, ende hebt gewelt,
Dat gi coninc wesen selt
Van den Ribauden in mijn hof,
Seldi mi houden mijn gelof?"
,Jaie, ende swere u, wat ic mach, [10945]
Dat uwen vader noit dien dach
Getrouwer en was te gere stede,
Noch oec uwen oudervader meede."
— ,Hoe ! het es jegen u nature."
ySet u jegen die avonture,
[10950]
Want sochtijs borghe, wel besiet,
Sone waerdijs twent te sekerre niet.
Al gavics lettren ende pande,
Ic appeleret in selken lande
Met oreontscape, dat weet wel, [10955]
Vor selken rechtre, dat hi te fel
Laten soude met ongemake
Ende verliesen sonde al sine sake. 3
Waendi, dat ic nine can liegen
Ende die liede wel bedriegen
[10960]
Onder tsimple cledre, die ic drage,
Daer ic ondre alle dage
Werke mort, dat verstaet ? 4
Al es simpel mijn gelaet,
99 wert. A. wout. 11100 Ghi h. d. 1. openbare.
1 I. die h. 2 God. 3 sonde. 4 A. begonden. 6
E. e. loucher omme b. 7 seide dits I. 8 betrauwene int 1. 9 der M. 10 S. g. sijt sulken s.
14 Suldi. 15 zweerent hu dat. 16 hu v. n. den
d. 17 Getrauweren vant. 18 N. hu houder v. m.
19 H. dat e. j. mine n. 20 Sette hu in d. a. 21
boorghe. 22 Ghine wares te zekere n. 24 sulken.
25 orconscepen. 26 sulken r. d. si tfel. 28 E.
v. hare z. 29 niet en. 30 Entie lieden. 31 elect
dat. 32 A. ic ontbr., C. onder. 33 Werken moet.
Bij Chaucer, 264 a:
For though ye borowes take of me,
The sikerer shall ye never be
For hostages, ne sikernesse,
Or chartres, for to Beare witnesse :
I take your selfe to record here,
That men ne may in no manere
Tearen the wolfe out of his hide,
Till he be slaine back and side,
Though men him beat and all defile.
In beide teksten is van den zin van het origincel niets te herkennen, en deze 6f door den
vertaler niet begrepen, bf z(5.5 door den afschrijver bedorven dat er niets van te maken is. Misschien is ook een pear regels uitgevallen.
4 Rose, II. 42, 12938 (12208):
Por ce se ge vest simple robe,
Sous qui j'ai maint grant mal ovre.
192
A. fol. 53 a. b.
11135 Van quaet te doene en werdic sat ; [10965]
Want mire amien es te bat,
Ende heves dicke groten noet.
Sie ware lange van hongere doet,
Hadde sijt allene moeten herden :
11140 Lates mi ende hare gewerden. " [10970]
Die God van Minnen seide, „Dat si !”
Ende mettien so knielde hi,
Ende dankede hem utermaten sere,
Alse sinen God ende sinen here.
11145 „Nu nes niet el dan ons gereiden [10975]
Tien asaute al sonder beiden,"
So sprac die God van Minnen.
Doe gingen si hem wapenen in alien sinnen ;
Ende alsi alle gewapent waren,
11150 Doe gingen si hare lieden scaren, [10980]
Ende ordeneerden hem in vieren,
Om dat si wouden assaelgieren
Die viere porten ende winnen ;
Maer die gene, diere waren binnen,
[10985]
11155 Sine waren trage no lat
Ommc te hoedene wel hare stat.
Nu willic u seggen sonder gilen
Van Valsch Gelaet ende sire amien,
Alse ic int Walsche hebbe gelesen,
[10990]
11160 Soe heten si Bedect Wesen. 1
Jegen Quade Tonge dat si quamen.
Onder hem beiden si raet namen,
In wat manieren si gaen wouden,
Ende ocht si hem kennen laten souden.
[10995]
11165 Doe vonden si in haren raet C. fol. 54 b.
Over tbeste, dat verstaet,
Alse pelegrime te gane.
Gevenst Wesen dede doe ane
Graeuwe cledre alse ene beggine ;
11170 Si gerde in hare abijt te sine, [11000]
Ende want hare met gecrouwen doken,
Daer si onder wel conste loken. 2
Enen ommedoec hinc si om hare ;
Si sceen beginne doe openbare.
11175 Haren soutre en vergat si niet, [11005]
Daer si dickent binnen siet,
Daer paternostre hingen ane
Met enen witten snore, ic wane,
Dat van gerne was geweven,
11180 Dat hare een bruder hadde gegeven, [11010]
Die hare geestelike vader was.
Ic wane sise harde selden las,
Maer dicke quam hise visenteren
Ende goede sermoene recorderen.
11185 Dan liet hi niet dore Valsch Gelate, [11015]
Hine biechte dese dore karitate,
Ende met so groten devogione,
Dat II hoefden in enen caprone
Waren, daer hise absolveerde
11190 Ende hare sepline te nemene leerde. 3 [11020]
Van scoenre tale so wassi, 4
Maer tanscijn hadde soe bleec daer bi,
Ende geleec wel ere puterlisen,
Ende den parde van Pocalisen,
11195 Dat men beteekent bi quadien, [11025]
Die men heet Ypocrisien.
11135 V. q. d. werdic niet s. 36 eis. 37 dic
ken. 33 So. 39 Hadsoet. 40 Laet. 41 der M. 42
hi. A. knielden si. 43 dancte. A. dankeden. 44 Als.
45 N. es el d. o. g. 46 Ten a. s. beide. 47 Nu toe seide
d. G. der M. 48 Men ghinc wapinen in alien s.
49 als si. 50 Doe ontbr. 51 ordineerden. 52 wilde.
56 Om t. h. h. s. 57 N. segghic hu in corter
wilen. 58 V. V. G. sonder ghilen. 59 Ende
siere amien Bedect Wesen. A. hebbe. 60 Daer
ic have hebbe ghelesen. 61 dat ontbr. 62 beeden.
63 souden. A. woude. 64 E. hoese h. k. niet
1. wouden. 66 Over dbeste. 68 Gheveinst. 69
cleedere als. 71 haer m. gersemen douken. 72
soe o. w. c. louken. 73 soe. 74 Soe s. beghine
o. 75 souter ende v. soe n. 76 soe dicken.
77 Haer paternoster hincker a. 78 snoere. 79
gaerne. 80 haer e. broeder. 82 soene s. 1.
83 dicken. 84 ricorderen. 85 D. lieti n. dor
Valsch Ghelate. A. Valschelate. 86 berechtese
niet dor k. 88 hoefde. 90 E. h. discipline t.
nemen 1. 92 taenscijn adsoe. 93 puterlipse. 94
paerde in Apocalipsen. 95 D. men b. A. men ontbr.
I De lezing van C in vs. 11157-60 is boven
die van A te verkiezen.
2 Rose, II. 44, 12983 (12253) :
Et s'atorne comme beguine,
Et of d'un large cuevrechief
Et d'un blanc drap covert le chief.
3 Beter bij C.: discipline.
4 Rose, II. 44, 13002 (12272) :
De belle taille la devis,
Mes un poi fu pale de vis ;
El resembloit, la pate lisse,
Le cheval de l' Apocalipse,
Qui senefie la gent male
D'ypocrisie tainte et pale.
In vs. 11191 is taille, houding, figuur, verkeerdelijk door tale vertaald. .Puterlice is zonder
verstaan te gijn overgenomen. il Lisse, lice, leisse,
signifie une chienne, et surtout celle qui est en
chaleur,” hier : uprostituee." Zie Meon, IV. Gloss.
404 ; Du Cange (Ed. Henschel), VII. 215, i. v.
leisse, 217 i. v. lisce. In vs. 11194 is bij A het
woord Apocalipse met C. te lezen.
193
A. fol. 53 b. c.
Dat part dat es varweloes,
Ende doede varuwe heeft het altoes.
Al selke varuwe, al selke gedane,
11200 So was gevaruwet, na minen wane, [11030]
Ende anders niet Gevenst Wesen,
Die in hare hant nam mettesen
Van dieften enen starken staf,
Die hare Baraet wilen gaf.
11205 Valsch Baraet was oec gereet, [11035]
Ende hadde broeder Soyrs cleet
Ane gedaen ende sine gewaden. I
Sijn anscijn sceen al vol gewaden,
Simpel ende sonder hoverdichede,
11210 Ende oec harde vredeleke meede. [11040]
Ane sinen hals dat hi droech
Ene bible na sijn gevoech,
Ende nam ene crucke openbare,
Alse ochte hi harde crane ware,
11215 Ende die hi vaste ane hem saect, [11045]
Ende die van Veraetnessen was . gemaect.
In sine mouwe stac hi tiere stede
Een seers van harder scarper sneden, 2
Dat hi smeden dede gewesse
[11050]
11220 Te Copegule in die smesse.
Doe si beide bereet waren,
Gingen si henen sonder sparen,
Also lange dat si quamen,
Daer si Quade Tonge vernamen,
11225 Die yore sine porte was geseten, [11055]
Om dies hi niemare woude weten
Van den genen die daer leden :
C. fol. 66 c.-67 a.
Dit so waren altoes sine seden.
Die pelegrime versach hi saen,
1123U Die herde moede quamen gegaen. [11060]
Sie negen hem oetmoedelike,
Ende Bedect Wesen sekerlike
Gruettene irstwarf, dat was waer,
Ende Valsch Gelaet daer naer,
11235 Ende hi hem weder, alse die hem niet [65]
Van hem ontsach, alse hise siet :
So helege lieden scenen si
Ende soe oetmoedich daer bi,
Dat hem dochte wel in desen,
11240 Dat hi wale kinde Wesen.
[11070]
Maer Gevenst en kendi niet,
Die hare diefs leven te heelne pliet ;
Mare waende dat si van gebede
Comen ware, dore genede
11245 Van sonden, die si hadden gedaen. 3 [11075]
Gelate, die hi vor hem sach staen,
Hadde hi gesien ter meneger stoat.
Dat hi was valsch, was hem oncont.
Valsch was hi, mar met valcheiden
11250 En haddene niemen connen beleiden,[11080]
Soe heimelic wrachte dat gelaet,
Dat al decte die valsce daet ;
Mar, dicke haddine kinnen moegen,
Hadde hine gesien metten ogen
[11085]
11255 In sine cledre alse te voren,
Gi hadt ten helegen wel gesworen,
Dat die gene, die te sine plach
In die feeste nacht ende dach,
11197 dat ontbr., verweloos. 98 E. heeft eene
d. verve a. 99 Van sulker verwe van g. 11200
Was gheverwet. 1 Gheveinst. 2 met desen. 3 sterken. 4 Dien haer. 5 oec ontbr. 6 broeders Soyers.
A. broede. 7 Anghedaen. 8 S. ansichte s. vul g.
9 ende ontbr. 10 rustelijc. 11 An sine. A. Nane.
12 E. b. simpel ghenouch. 13 cricke al o. 14 Als
of h. h crepel w. A. crane. 15 Ende ontbr., an.
16 E. van Terranessen. 17 ter s. 18 van seerper s. 19 Coupe Geule. 20 beede. 21 wech. 25 voer
s. poerte. 26 0, dat h. n. wilde w. 28 so ontbr.
30 herde ontbr. 31 oemoedelike. 33 Groeten eerst
waerf dats w. 35 als. 36 0. van h. een twint
iet. 38 oemoedich. 39 D. h. wale d. d. 40 kende.
41 Gheveinst. 42 D. haers d. wesen. 43 Maer
waendi d. s. v. ghelade. 44 dor ghenade. 46 dien
h. vor 47 Addi g. te. 48 Maer d. h. v. was.
49 maer m. valscheden. 50 E. addemen niet
moghen beleden. A. , nien. 51 So heymelike
52 sine v. d. 53 Maer dicken hadde hine ken.nen m. w. G. 55 cleedere alte v. 56 Hi. 57.
de g.
I Rose, II. 45, 13019 (12289) :
Faulx-Semblans, qui bien se ratorne,
Et aussi cum por essoier,
Vestuz les dras frere Sohier.
Zoowel Won als Michel zwijgen er over wie
deze Sohier is.
2 Rose, II. 45, 13030 (12300) :
Et fist en sa manche glacier
Un bien trenchant rasoir d'acier.
Seers, bij Kil. schaers, sdheers, scheer-mes, novacula.
3 Rose, II. 46, 13046 (12316) :
Car quant v6us les of au vis,
Bien les conut. Ce li fu vis,
Qu'il conoissoit bien Astenance,
Mes n'i sot riens de contraignance.
Ne savoit pas que fust contrainte
Sa larronesse vie fainte :
Ains cuidoit qu'el venist de gre.
Mes el venoit d'autre degre;
Et s'ele de gre commenca,
Failli-li gres des Tors en ca.
De woordspeling is in onzen tekst niet kunnen
gevolgd worden. Astenance (abstinence) toch heeft
een gansch andere beteekenis dan Wesen. Contrainte-Astenance is huiehelarij.
13
194
A. fol. 53 c.-54 a.
Ende van dien danse die scone Robijn,
[11090]
11260 Es nu worden Jacoppijn ;
Maer sekerleec, hets wel in seine,
Dat goede lieden sijn Jacoppine.
Si souden qualec hare ordenen houden,
Waren si selke menestreerre gescouden.
11265 Minderbrudere ende Scriptenneren [11095]
Si gaen alle vetter danne beren,
Ende alle ordenen oec, wattan !
Daer en es engeen hive seine goet man. 1
Wat help dat icker meer af seide ?"
[11100]
11270 Doe die pelegrime beide
Te Quade rrongen waren comen,
So hebben si hare malen genomen
Ende hebbense neven hem gelegt.
Quade Tonge die hem doe segt,
[11105]
11275 Die bi hem geseten waren:
„Ic soude gerne van uwen maren
Weten, ende wat u bringt te mi."
Gevenst Wesen seide : ,Here, wi
Comen bier tu om af to doene
[11110]
11280 U sonden al met . parodoene.
Wie sijn pelegrime, die gaen
Nalics altoes, sonder waen. 2
Achterlande sijn wi gesent
Om sonderen, diemen vent,
11285 Hem te leerne goede exemple ; [11115]
Wie gaen predecken in menege temple.
Here, wine jagen ander dine;
Maer om Goede, dien coninc,
Bidden wie u herberge tameer;
11290 Maer wie wouden u seggen eer [11120]
Een tort sermoen ende vertien."
Quade Tonge sprat met dien :
C. fol. 67 a. b.
,Die herberge, die gi hier siet,
Sine werd u gewerent niet.
[11125]
11295 Wat gi begert, dat segt al : Ic bem diet gerne Koren sal."
„Dane hebt !" seide Gevenst Wesen
Ende begonste die tale met desen.
,Here," seit hi, usijt seker des,
11300 Die scoenste virtut, die enege es, [11130]
Ocht die mensche hebben mach,
Dat es dat hi nacht ende dach
Breidele vaste altoes sine tonge :
Des souden hem pinen oude ende jonge ;
[11135]
11305 Want hets beter, dat verstaet,
Tswigenne dan te sprekenne quaet ;
Ende diegene, diet herne hort,
Ic segge, dat hi te goede nine hort,
Noch en mach goet man wesen ;
[11140]
11310 Ende, here, boven alien desen
Sonden, die gi hebt. gedaen,
Soe siedi met deser meest bevaen,
Want gi seit, lieve here,
Ene truffe, daer gi mesdaet an sere,
11315 Van enen knape, die bier plach tegane, [45]
Die gi aneteecht dat Suetonfane
Bedriegen woude, ende daerna stoede
Beide met herten ende met moede,
Daer gi ane loecht, dat verstaet ;
11320 Want hi hier en coemt no gaet. [11150]
Ende wel, mochte oec dat gescien,
Gine soudtene nemmermeer hier sien.
Daer omme vaste legt gevaen
Die scone jonchere Suetonfaen,
[11155]
11325 Die met u speelde alien tijt,
Ende toende bliscap ende delijt
11259 van den d. 60 jacopijn. 61 sekerlike h. w.
aenscine. 62 liede. 63 qualijc haer ordine. 64 Waer
si sulke meesters. 65 M. broeders e. Predekeeren.
66 alle ontbr., dan die b. 67 ordene ja w. 6g
D. nes g. h. scijnt. 69 holpt, of. 72 Hebsi h.
male. 74 Q. T. doe seit. 75 Doe si neder g. w.
78 Gheveinst. 79 tu ontbr. 80 Al huwe s. m.
paerdoene. 81 Wi s. pelegrine. 82 Nalijcs. 84
Omme zondaren. 85 Omme h. 86 meneghen. 88
Dan omme G. den c. 90 wi souden. 92 seide
mettien. 94 Diene. 97 Gheveinst. 98 mettesen.
99 seit soe. 11301 Of d. Pen meinsche h. m.
2 Dats d. 3 B. a. wel s. t. 4 Dit s. doen o. e. j.
6 Te zwighene d. t. spreken q. 7 Entie. 8 Segghic
d. te G. niet en h. 9 oec g. 10 Ende ontbr. 12 Soe
ontbr. 14 Eene t. A. En. 16 Dien g. up teecht
datti Scone 0. 18 Beede. 19 an. 21 oec ontbr. 22
G. souten. 23 leghet. 24 Dat soete kint Scone 0.
I Rose, II. 46, 13070 (12336) :
Mauvesement l'ordre tendroient,
Se tel menesterel estoient ;
Si cunt cordelier et barre,
Tout soient-il gros et quarre,
Et sachent tuit li autre frere,
N'i a eel qui prodons n'apere.
De volgende verzen uit het oorspronkelijke,
die de slotsom juist inhouden:
Mks jl ne verres d'aparence
Conclurre bonne consequence
En nul argument que Fen face,
Se defaut existence esface:
Tous jors i troveres sofime
Qui la consequence envenime,
Se vous ayes sotilite
D 'entendre la duplicite.
ontbreken in de vertaling.
2 Rose, II. 47, 13096 (12362) •
Presque toils jors h pie alons,
Moult avors poudreus les talons.
195
A. fol. 54 a. b.
Sonder gepens van dorperheiden ;
Ende den cnape, die in hovescheiden
Hier plach te wandelne dicke ende saecht,
[11160]
11330 Dien hebdi en wech gejaecht.
Wat rurde u te hem so sere
Om te nemene sine werelt ere,
Anders dan u quade gedachte,
Die bi dage ende bi nachte
11335 Logene penst, dats seker waer, [11165]
Ende gevesse vort dan openbaer ?
IT quade tonge die rurt dit al,
Die roept ende crijt ende maect gescal,
Ende brinct der liede scande vort,
11340 Daer gi hare ere met testoi t.
Hets al te grote sonde, dats waer,
Te trachene logenen oppenbaer,
Dat weetti selve harde wel.
Gi hebt den knape ende niemen el
11345 Belogen, dies wel luttel acht,
Dat gine tallen staeden wacht: [11170]
Arch no quaet en heft hire toe.
Hi soude hier gaen spade ende vroe
Dies en soude hi laten niet,
11350 Hadde hire therte an liggende iet.
Ende gi, die sijt altoes wijchgere, [11175]
Ende in u hant hout vaste u spere,
Vore dese porte, sonder verdrach,
So muest die musard nacht ende dach,
11355 Ende doeget pine ende swaer verdriet,
Ende wat gi pijnt es al om niet. [11180]
Jalosie, die daer na wacht,
Es harde sottelike bedacht,
Dat si bederft dus Suete Onfane,
11360 Ende tiet hem grotene logenen ane,
Ende houttene vaste in prisoen [11185]
Sonder redene ende mesdoen,
Daer hi in quelt ende maect groet seer.
Al en haddi mesdaen nemmeer
11265 Dan dit selve, gi waert wale
[1]190]
Werdich, datmen u altemale
C. fol. 67 b.—d.
Jagede ende bien uten lande,
Ocht datmen u bonde in yserrinen banden,
Ocht worpen in karkere alse een hont ;
11370 Ocht gi vart inder hillen gront,
Gi en hebbes groet berouwen." [11195]
,Gi lieget!" sprat Quade Tonge, uentrouwen ,
Wet kerst! ter quader tijt siedi comen.
Hebbic die herberge u *genomen,
11375 Om mi te seggene dese onnere ?
Maect u wech in tsduvels ere [11200]
Herbergen elre dan met mi,
Die segt dat ic een logenare si,
Ende wilt mi van mire eren deren.
11380 Gi sijt beide twee gokeleren,
Die mi blameren hier comen sijt, [11205]
Ende mi logene vaste anetljt ,
Dies ic weet die waerheit wale.
Den duvel gevic mi altemale,
11385 Ochte onse here make mi ontert,
Sint dese casteel was gefondert, [11210]
Sone waren X dage leden niet,
Men seide mi, vorwaer, nu besiet,
Dat hi die Rose custe tuwaren.
11390 Heeft hi vorder ane hare gevaren,
[11215]
Sekerlec, dats mi oncont ; Maer ic seit vort tier selver stont
Sonder beiden also saen.
Waeromme soudemen mi doen verstaen
11395 Stucke, die niet waer en waren?
Ic seitse, ende sal sonder sparen [11220]
Seggen noch ende blasen mede
In mine busine telker stede,
Sonder vieren ende geduren :
11400 Het sal weten al mine geburen
Hoe dat hi hier gine ende quam. " [11225]
Valsche Gelaet tale doe nam
Ende seide :
wats u gesciet ?
Gine souds dus lichte geloven niet:
11405 En sijn niet ewangelien al,
[11280]
Batmen segt ende seggen sal.
11327 ghepeins v. dorperheden. 28 Die c. d.
van hovesscheden. 29 Dien ghi hier te ziene
plaeght. 30 Hebdi alte male verjaeght. 31 roerde.
32 nemen sijn. 35 peinst. 36 gheefse dan voert.
Vs. 11337-42 ontbr. 45 lettel. 46 stonden. 47 Erch
n. q. heeft h. in no t. 50 therte ontbr. 51 altoes
sijt. 52 vaste hout. 53 vor. 54 muusdi musaert.
55 dooght. 56 E. w g. p. dats om n. 57 na
ontbr. 59 bederfs d. Scone 0. 60 So t. h. g. loghene
a. 61 prisoene. 62 van mesdoene. 64 nemmermeer. 65 dat s. 67 jaechde of biene. 68 Of met
ysere b. hu hande. 69 Of worpe kaerkere als.
70 Ghi vaert d. hellen. 71 Ghine hebbets. 72
lieght seide. 73 En trauwen t. q. t. sidi c. 74
H. hu te herberghene benomen. 76 sduvels. 78
Ghi s. 79 van ontbr. 80 beede. 82 E: m. 1. up
tijt. 83 D. i. de w. w. w. 85 Of, onteert. 86 ghefondeert. 87 En w. 89 twaren 90 H. hier v.
an g. 91 Sekerlike. 92 voert ter. A. vor. 95
Sticken. 99 dueren. 11400 sullen w. miju g.
1 hi hier. A. hi ontbr. 2 Valsch. 4 G. sout hu
dus hoghe moyen n. 5 A. Ende. 6 seit.
1 Rose, II. 50, 13157 (12422) :
Si r'est *hies de controver
Chose qui fait h reprover,
Lees : trachtene, bij Kil. concipere matte, cogitare.
196
A. fol. 54 b.— d.
En hebt u oren niet toegedaen,
Ic wille u proven ende doen verstaen,
Dat dit algader logene es;
11410 Want niemenne en mint, sijt seker des,
Den genen die van hem seit quaet;' [11235]
Ende oec eist waer, dat verstaet,
Dat die mint, gerne geet
Tier stat, daer hi sijn lief weet.
11415 Dese heeft u wert ende duet u ere,
[11240]
Ende es u onderdanich sere,
Ende hout u over sinen vrient ;
Ende al en hebdijs niet verdient,
Ontmoet hi u, so waer gi gaet,
11420 Hi gruet u ende doet goet gelaet.
Wat perssen, here, doet hi u nu? 2 [11245]
Gine siettene gaen noch comen tu,
Van hem sone siedi twent bevaen :
Hier comen andre meer gegaen.
11425 Maer, wet wel, pensede sine herte iet
Ter Rosen wart, hine lietes niet [11250]
Te gane ocht te comene hier,
Al soudemen bernen in een vier.
Hine es twent met hare bevaen,
11430 Sone es twint oec Suete Onfaen,
[11255]
Al heft hijs te doegene sere;
Ende woudense beide nochtan, here,
Ane uwen danc so souden si
Die Rose plucken. Ende waerbi
11435 Hebdi so vele van hem messeit,
Beide logene ende onwaerheit, [11260]
Die u soe mint, spade ende vroe ?
Sekerleke, hadde hire iet toe,
Hi en minde u nemmermeer ; 3
11440 Maer soude waken ende pensen eer
Om te winne die borch met crachte, [11265]
C. fol. 67 d.-68 b.
Waert waer dat hire iet omme dachte.
Hierbi moegedi merken wale,
Dat al logene es die tale,
11445 Die gi van hem hebt geseit,
Daer gi verdient hebt, en waerheit, [11270]
In die hille tsine eminermeer,
Daer altoes sonder inde es seer."
Aldus so proefde hem Valsch Gelaet,
11450 Ende hine antworde goet no quaet;
[11275]
Maer was comen harde naer
In berounessen daer,
Ende seide te hem : ,,Het mach wel sijn,
Gevenst Wesen, die herte mijn
11455 So hout u beiden over vroet :
Nu raet mi wat u donket goet [x.1280]
Dat ic doe : ic saelt bestaen."
,,Dats dat gi selt te biechten gaen
Hier op tstat van dierre sonden,
11460 Ende op stat selt vermonden
[11285]
Ende belien jegen mi ;
Want ic van ordenen een priester si,
Ende dhogeste meester, diemen weet
Om te biechtene: alse verre alse geet
11465 Die werelt al ende, gedure,
[11290]
So es algader in mine cure.
Dese macht en hadde noit prochiaen,
Noch monec, noch pape so gedaen ;
Ende ic neemt, bi onser Vrouwen,
11470 Dat mi meer u sonden rouwen
C. werf meer, dan doen uwen pape : [11295]
Des neme ic Gode torcontscape.
Ic hebbe vordeel groet ende goet,
Prelate en sijn niet alse vroet,
11475 Noch geleert oec alsoe hoge
[11300]
Alsic bem, want ic toge
11407 In hebbe. A. Ende. 8 proeven. 10 W.
niemen m. 14 Ter s. 15 doet e. 19 Ghemoet h.
hu w. g. g. 20 II. groet e. d. 22 no keeren t.
23 V. h. en sidi twint b. 24 andere .m. ende
gaen. 25 weet w. pijnde hem sijn h. i. 26 lietem.
27 no t. c. 29 een twint m. hem b. 30 Noch
met hem weder Scone 0. 31 heeft. 32 wouden
si beide. 33. An. 35 gheseit. 36 Loghenen 39
Hine. 40 peinsen. 41 de b. 42 Waer dat h. i.
o. achte. 46 D. g. an v. h. w. 47 belle te sine.
48 ende. 49 A. proeveden V. G. 52 berauwenessen. 54 En trauwen W. 55 Hout hu beeden
o. goet. 56 N. r. m. na huwen moet. 57 Wat i.
best d. i. salt b. 58 sult. 59 H. ende staet v.
huwen s. 60 E. met rauwen suit v. 61 een
ontbr. 62 Entie hoechste. 64 alst. 65 al ontbr.
66 So ontbr. 67 en ontbr. 68 alse g. 69 bi miere
trauwen. 70 huwe s. 71 C. waerven dan u. p.
72 Dies nemic Goede orconscape. 74 also. 75 G.
noch a. h. 76 A. A. ic b.
I Rose, II. 51, 13215 (12480) :
Sire, tout n'est pas evangile
Quanque l'en dit aval la vile :
Or n'aies mie oreilles sordes,
Et ge vous pruef que ce sunt bordes.
Vous saves biers certainement,
Que nus n 'aime enterinement,
Por taut qu'il le puisse savoir,
Tant ait en li poi de savoir,
Home qui mesdie de lui.
3 Rose, II. 52, 13232 (12497) :
Si ne vous fait pas ci grant presse.
3 Rose, II. 52, 13249 (12514):
Sachies, s'il i east beance,
A n'en soles en mescreance,
James nul jor ne vous amast.
197
A fol. 54 d. 55 a
Al dat ic segge bi divinen. I
Mijn meesterscap doe ic seinen,
Alse ic come ter disputatien;
11480 Ic hebbe van Goede so vele gracien,
Dat ic biechtre ben gecoren
[11305]
Van alden besten uutvercoren,
Bider vroetheit die ic can.
En es in die werelt man,
11485 Die u bat raet sal geven.
Wildi der sonden begeven
[11310]
Ende vort nemmermeer gewagen,
Soe moegedi aflaet van mi dragen." 2)
Quade Tonge knielde doe daer
11490 Voer hem neder, dat was waer,
Ende biechtene vanden sonden. [11315]
Die gene gegrepene doe tien stonden
Bider kelen met beiden handen,
Ende verworgedene daer te handen,
11495 Ende benam hem tclappen daer,
Ende sneet hem sine tonge, dats waer, [20]
Met sinen scerse uten monde,
Gelijc enen quaden honde,
Ende worpene beide met haerre cracht
11500 Daer besiden in ene gracht,
Daer hi te clappe lettel ghert: [11325]
Aldus bereidense haren waert. 3
Nu hebben si dat si begeren,
Ende wonnen die porten sonder weren,
11505 Ende gingen daer in, sonder sparen,
Tsoudiren, diere binnen waren, [11330]
Waren dronken ende sliepen vaste. 4
Te hem so quamen beide die gaste
C. fol. 68 b. C.
Ende verworchdense alle saen,
11510 Sodat hare clappen was gedaen.
Mijn vrouwe ver Hoefscheit ende Melt heide [11335]
Gingen ter porten inne beide,
Ende vergaderden alle viere
Verborgenlike. Dies wart sciere
11515 Geware die quene, diet al sach,
Die Suete Onfane te hoedene plach; [11340]
Si was van dien torre gegaen.
Doe sise sagen, si liepen hare saen
Met talen op sonder verdragen.
11520 Die quene en woude niet sijn geslagen,
Ende sprac te hem oetmoedelike [11345]
Ende seide : ,,Bi Gode van hemelrike,
Gi dinct mi van goeden affere;
Wat brinct u in dit vangnesse, here,
11525 Hebbic hoede tsine gevaen?" 5
y Gevaen ? moeder, dat ware mesdaen! [50]
Wiene comen hier to maer omme sien,
Alse die gene die sijn indien,
Pat tuwen gebode es lijf ende goet.
11530 Gine wart anders noit dan goet
Ende goedertieren alle tijt,
[11355]
Waerde moeder, dore God, nu sijt
Gereet te doene bi ure duecht
Onse bede, so dat werde verhuecht
11535 Daer bi die scone Suetonfaen,
Ende gine laet uten prisoene gaen [11360]
Met ons hier een luttel si)elen ;
Want hi te lange hier heeft liggen quelen
Ocht neen, so wilt gedogen,
11477 Wat i. s. al b. d. 78 Als. 81 biechtheere ben vercorem 85 bet r. soude. 87 voort
nemmermeer. 88 mochti. 89 doe ontbr. 90 dats
w 91 biechtem van sinen s. 92 D. g. nammene
t. s. 93 beeden. 94 verworghden. 96 E. s. sijn
t. 98 beede m. harer. 11500 B. daer. 1 clappen
vele ghert. 2 bereiden si h. wert. 3 hebsi. 4
porte. 5 ghingher in. 6 Soudeniere. 8 so ontbr.,
beede. 9 verworchdense. A. verwordense. ]1 M.
v. Miltheit e. Hovesschede. A. Melteihde. 12 in
bede. 14 Verbolghelike dis. 15 de q. 16 Scone
Ontfaen t. hoeden p. 17 Soe w. van den. 18 D.
s. 1. si haer s. 19 up. 20 D q. wilde. 21 oemoedelike. 24 ghevanghen h. 25 Hebdi node te sine g.
27 Wine c. h. te hu m. om s. 28 Als de g. 29
T g. altoes ghereet. 30 Want g. waert noit zuur
no wreet. 31 Maer goedertiere talre t. 32 Werde
m. dor God. 33 Gheret t. d. dor hu doghet. 34
verhoghet. 35 d. zoete Scone 0. 37 lettel. 38
hier ontbr., ligghe. 39 Ofte neen. A. nien.
I Rose, II. 54, 13288 (12552) :
Si r'ai-ge un moult grant avantage,
Prelat ne sunt mie si sage
Ni ne letre de trop com gie.
J'ai de divinite congie,
Voire par Dieu pieta l'eu.
2 Hier eindigt Chaucers vertaling, die of niet
verder is voortgezet, of waarvan het overige is
verloren gegaan.
3 Rose, II. 54, 13307 (12171) :
Ainsinc chevirent de for oste.
4 Rose, II. 55, 13312 (12576) :
Si troverent leans dormans
Trestous les sodoiers normans,
Tant orent beu h Guersai
Du yin que ge pas ne versai ;
Eus-meismes l'orent verse
Tant que tuit furent enverse.
5 Rose, II. 55, 13335 (12529) ;
Par foi, dist-ele, vows sembles
Bone gent, vaillant et cortoise :
Or me dites, sans faire noise,
Si ne me tiens-ge pas por prise,
Que queres en ceste porprise ?
198
A. fol. 55 a. b.
11540 Dat hi desen knape salt moegen
Een wort spreken sonder meer : [11365]
Het sal doen haerre beider seer
Mindren utermaten sere.
Het sal u vrome sijn ende uwe ere,
11545 Ende gine mesdoetter twent niet an ;
Want hi sal sijn u eigijn man, [11'370]
Daer gi met selt, also helpe mi God,
Doen algader u gebot.
Het doet goet winnen enen vrient,
11550 Die altoes met trouwen dient.
Siet hier dese broke, dit vingerlin, [11375]
So wilt die knape dat uwe sijn ;
Ende goede cledre, die wel staen,
Die sal hie u geven harde saen.
11555 Hi es hovesch ende wel beraden,
Gine selt van hem niet sijn verladen. [80]
Hi es die melste diemen vint,
Ende van hem soe siedi sere gemint ;
Helende es hi ende harde vroet ;
11560 U mach gescien van hem al goet.
Wie bidden u dat gi dit draecht [11585]
In u allene, ende nine gewaecht
Menscen en genen, die nu leven,
Soe hebbedi hem alle vroude gegeven.
11565 Nu siet, neemt hier dit hoedekin,
Daer scoenre bloemen vele an sijn, [11390]
Lieve moeder, draechtene heme
Van sinen wege ende neme."
Die oude quene seide doe :
11570 ,Mochtic dit gebringen toe
Met consten ochte met listen,
[11395]
Dat Jalosie niet en wiste,
Ic sout harde wel toebringen,
En haddics blame van genen dingen ;
11575 Maer alte clappende es Quade Tonge.
Ic ben seker • dat sijt songe
[11400]
In hare busine ende bliset,
C. fol. a" ---69 a.
Want Jalosie heeftene geset
Hare wachte te doene overal,
11580 Hi roept ende crijt ende maect gescal
Van dat hi weet, ende penster mede [11405]
Groete logene, dats sine sede ;
Ende des en soude hi twint niet laten,
Al soude menne slepen achter straten ;
11585 Ende seide hijt danne Ver Jalosien,
[11410]
Si soude mi vermaledien."
Valsch Gelaet met sinen conrote
Seide : ,Gine dorret gene grote
Sorge hebben van hem, dat hi
11590 Van u een tweent meer clappende si,
Ocht dragen niemare harentare ; [11415]
Want hi doet legt op die bare."
Doe seide die queue : , Es dit waerheit,
Sone wart u bede niet ontseit;
11595 Nu segt hem, dat hi si bereet.
[11420]
Alsoe saen als hi weet,
Dat ic iemene om hem sende,
Dat hi dan come met genende
So stifle ende soe verholenlike,
11600 Dats niemenne en weet in erterike.
[11425]
Ic sal wel vinden die passage,
Maer en pense gene outrage,
Dat hi sine gedochte segge al ,
Want ic hem stade maken sal." 1
11605 ,Vrouwe, " seit hi, Valsch Gelaet,
„Gine dorst ontsien engeen bara&t : [11430]
Also gi segt, also saelt wesen."
Die quene maecte hare wech met desen, 2
Ende trac te Suete Onfane wart,
11610 Die si te sprekene sere begart.
Si haeste hare dat si mochte : [11435]
Van cameren te cameren dat sine sochte
Updien torre, daer hi lach
Tere venstre, daer hi uutwart sach,
11615 In swaren gepense, in droefven moede,
11510 sal. 42 harer beeder. 44 hu e. 45 twent
ontbr. 46 Wi sullen s. hu eyghin m. 47 D. g.
mede a. help. 48 A. doen sult hu g. 51 hier
ontbr. 52 Wilt dese k 54 Die ontbr. 56 Ende
suit. 57 miltste. 58 Van h. so. 59 harde ontbr.
60 Hu m. van h. g. al g. 62 Met hu a. e. niet
g. 63 Meinschen gheen. 61 So haddi h. alien.
65 hier ontbr. 66 scone b. ane s. 67 L. m. ende
draghet h. 61 Dat hijt v. s. w. n 71 M eenigher
conste of 1. A. listen. 72 A. wisten. 75 M. a. quaet.
76 hijt. 77 In hoornen ende in businen met. 78
Jalousie heftene. 80 roupt h. crijst hi m. g A.
roep. 81 Van ontbr., peinst der m. 82 sijn s. 83
E. dies e. soudi t. 1. 84 soudemen. 85 hijt dan.
A. sijt. 86 Soe s. m. vermalendien. 88 dort. 89
hem ontbr. 90 E. twent meere c. s. 91 Of n. te
d. h. 92 leecht up. 93 Die q. s. e. dat w. 94
94 wert hu h. n. wederseit. 97 zinde. 98 Dan
so c. m. gheninde. 11600 Dat niemen w. up erderike. 1 I. s. hem v. 2 peinzegheen. A pensen.
3 Dan h. sijn ghedachte s. a. A Dat. 5 V.
seide V. G. 6 dort o. gheen. 7 ghijt s. so. s. w.
9 street t. Scone Ontfane w. A. tree. 10 Dien
soe t. s. s. gaert. 11 Soe haest h. wat soe m.
12 t. c. soene s. 13 Upten t. 14 Ten torre u.
ende s. 15 ghepeinse.
1 Rose, II. 58, 13421 (12653) :
Et gart sor tors et sor avoir
Que nus hons ne s'en apareoive,
Ne riens n'i face qu'il ne doive,
Bien die sa volente toute.
2 Het gesprek van Faulx-Semblant en den
minnaar, die hem beluistert, dat in het origineel
van vs. 13425-13481 (12688-12743) voorkomt,
is in de vertaling weggelaten.
199
A. fol. 55 b.—d.
Gruet u C. warf met mi.
11645 Ili quam gender in mijn gemoet, Ende sent a met mi desen hoet, [11470]
Ende sonde u harde gerne sien
Ende spreken, mocht hem gescien. Hem dochte, hem ware gelingt sijn leven,
11650 Woudi hem die gracie geven, Dat hi u enewarf spreken mochte. [11475]
C. fol. 69 a.— c.
Ic weet wale dat hem en rochte
Wat hire om dade, indien dat hi
Enegen dienst mochte doen, dien gi
11655 Begeret dat hi dore u daede :
Hi wares blide vroe ende spade." [11480]
Suetonfaen doch vragede hare
Om dien knape, *wie dat hi ware,
Eer hi ontfaen woude dat prosent ;
11660 Want hi van daer mochte sijn gesent
Ende van seiken wege comen,
[11485]
Hi en haddene niet genomen.
Doe seide hem die oude queue,
Dat sekerleke ware die gene,
11665 Daer si omme lage gevaen,
Ende daer die tale ware afgegaen, [11490]
Dat Quade Tonge brachte al toe,
Die menegen goeden man onvroe
Heeft gemaect. ,Die nu legt doet : 1
11670 Dat es bliscap harde groet.
Wie sijn sinen clappene ontferen! [11495]
Ine gave om hem niet II peren,
Al waert oec dat hi levende ware ;
Want ic can meer openbare
11675 C. werven dan hi dede. 2
Nu neemt dien hoet, hets hoveschede, [500]
Ende draechtene, het es welgedaen ;
Want hi a mint, ic hebt verstaen,
Met herten utermaten sere.
11680 Eist oec dat u die jonchere
Vorder anesoect dan hi soude, [11505]
So ontseggene alse houde ;
Maer ic bem seker, dat hi u niet
Anesoeken en sal, wat ‘sijns gesciet,
11685 Stucken die jegen u ere waren,
Want hi es een die getrouweste, teware, [10]
Die in al dese werelt leeft :
11616 inz o. 17 doe ontbr. 18 die ontbr. 19
Ende es tebarteert so zeere om hu. 20 0. tghepeins.
21 wilt. 22 so hu t. 23 Scone 0. ende d. 24
ghepeinse ontdecken. 25 loechendes haer. 26 alte
ontbr 27 Dies las hi eene valsche lesse. 28 Want
hi duchte verranesse. 29 E. hilt haer woert haer
g. 30 toeghde haer. 33 T. hets o. 35 L. m. en
es niet el. 36 D. om u. 37 tuwaert. 38 Met goeder herte e. m. s. 39 hebdi. 40 Dat segghe ic hu
s. 41 hoveschte d. s. d. i. minne. 42 Entie vulmaecste. 43 Die in dese w. A. Di, di. 44 Groet
hu ondertwaerf 45 ghinder. 47 soudu. 50 Wildi
mi huwe g. 52 wel. 54 E. d. ghedade. 55 Be-
ghert d. h. dor. 56 waers b. vroech. 57 Scone
Ontfaen v. h. 58 dat ontbr. 59 E. h. wilde o.
tprosent. 60 W. van d. mochti s. g. 61 sulken.
62 Hine. 65 D. hi omme leeght so g. 66 of w.
ghegaen. 67 al brochte toe 68 goeden ontbr. 69
H. g. hi leeght nu d. 70 Dats b. alte g. 71 Wi
s. zeere clappinghen ontfaren. 72 In, paren. 73
A. w. dat h. oec 1. w. 75 waerven 76 den h.
dats h. 77 draechten dats w. 78 Datti hu m.
hebbic wel v. 80 de j. 82 ontsegghet hem also
h. 84 Ansonken s. wats g. 85 Sticken. 86 W.
h. e. so ghetrauwe twaren. A. es en. 87 Dat
niet sijns ghelike en 1.
Dies hi soe leefde met ongoede. [11440]
Die quene seide doe : „Lieve kint, Mijn herte, die u met trouwen mint, Es sere tebarenteert om u,
11620 Om tsware gepens, dat gi hebt nu. Nu willet mi seggen altemale,
[11445]
Ic salre toe geraeden wale."
Suete Onfaen en dorste hare niet
Van sinen gepense ontecken iet,
11625 Ende logende hare, wat hi mach, Want hi die quene alte sere ontsach, [11450]
Ende oec duchte hi verraetnesse
Ende tswaren van gevangnesse, Ende hal hare al sine gedachte,
11630 Ende toende hare goet gelaet met crachte, Ende seide : „Lieve moeder mijn, [11455]
In hebbe om ander dine gesijn
Tongemake dan om u merren :
Mi ware leet, woendi mi verren. 11635 Lieve moeder, mine was el
Dan u merren, dat weet wel;
[11460]
Want tuwart dragic grote minne,
Beide met harten ende met sinne. Waer hebbedi mi dus lange begeven?"
11640 il Waer ? ic segt u, sem mijn leven !
Die hoefste, die scoenste, die ic kinne, [65]
Ende die volmaecste in alien sinne, Die in al die werelt si, 1 De lezing van C. is verre boven die van A.
to verkiezen :
Hi leght nu doet.
2 Rose, II. 63, 13565 (12828) :
A tons jors en somes defivre ,
Et s'il pooit ores revivre,
Ne vous porroit-il pas greyer,
Taut vous gust blasme eslever :
Car ge sai plus qu'il ne fist onques.
200
A. fol. 55 d.-56 a.
Dat seggen diegene, daer hi met heeft
Altoes gehadt sine wandelinge,
11690 Ende ic oec selve sonderlinge
[11515]
Orconde, dat hi noit en dede
Quaetheit noch onhoveschede,
Al waest dat Quade Tonge seide
Van hem selke dorperheide,
11695 Daer si valscelike an loech :
Hine was niet dirste die hi bedroech , [11520]
Ende hadt den knape te voren gecomen,
Hi hadde hem sijn lijf genomen :
Des en haddi niet gelaten,
11700 Want hi es stout utermaten :
[11525]
Sine gelike sone vintmen niet.
Hi es gemint van wine sift,
Daertoe melde alse Alexanders,
Noch oec prinche en geen anders,
11705 Opdat hi alse rike ware;
[11530]
Hi heeft therte wel openbare
Te gevene al eens conincs goet.
Lieve kint, neemt desen hoet,
Ic raedt u in goeden rade :
11710 Gi mochtene nemen sonder mesdade."
h Moeder, wart dat ickene name, [11535]
Ic duchte het soude mi wesen blame,"
Seide doe te hare Suetonfaen,
Ende waert bleec ende sere ontaen,
11715 Ende verloes sine varuwe te hant.
[11540]
Mettien so stacsoe in die hant
Dat hoedekin, dat soe daer brachte,
Ende wont hem nemen doen met crachte;
Hine dorste sine hant bieden niet,
11720 Dies si mochte mespensen iet ;
Nochtanne haddine gerne genomen, [11545]
Haddi gedurren der ane comen,
C. fol. 69 c. d.
Doch seidi :
! hoe scone es hi ;
Mare vele beter so ware mi,
11725 Dat al mine cledre verloren waren,
Dan ickene van heme name to waren. 2 [50]
Mar ic sette soe, dat ickene neme,
Ende Jalosie danne verneme,
Wat soudic danne seggen moegen ?
11730 Si en worde meer in hogen
Ende sonde verwoeden in haren moet, [55]
Ende daertoe op mijn hoet dien hoet
Te stucken scuren altemale,
Ende mi doeden, dat weet ic wale.
11735 In saels niet nemen." „Gi selt entrouwen !
Want ic neemt, bi onser Vrouwen, [11560]
Gine seles hebben onraste no blame ;
Ende vragense u wane hi quame,
Gi hebt tantworde vele ende gnoech,
11740 Ja, meer dan XX na u gevoech."
H Alle wege, als hi mi vraget,
[11565]
Waer dat ickene hebbe bejaget,
Wat antworden sal ic hare geven ? 3
Dat segge mi, vrouwe, selp u leven."
11745 „Gi selt seggen, wel lieve kint,
Dat ickene u gaf, en heles twint, [11570]
Sone seldi hebben niet mesdaen,
Ic sals wel in baten staen;
Want ic bem wel van selken name,
11750 Dien goeden lieden es wel bequame."
Suete Onfaen nam doe den hoet,
Ende settene op thoeft, die doe wel stoet.
Die quene swert hem, wat si mach, [11575]
Dat si hem noit hoet en sach
11755 Dragen, die hem stoet so wel.
Die quene wachte dat niemen el
Dan si twee allene waren,
11688 daer hi heeft. 91 A. Orconden. 92 oncuuschede 94 sede. 94 sulke dorperhede. 95 ane
1. 96 Hine w. n. deerste dien hi b. A. Sine, si.
97 E. wart d. k. t horen comen. 99 Dies e.
hadde hi. 11701 Sijns g. en v. n. 2 wiene. 3
Ende d. milder dan Alexander. 4 Ofte eenich p.
ander. 5 Updat h. alsoe. 6 hevet. 7 alse een
coninc g. 9 raden. 10 mochten n. s. scade. 11
waert d. icken. 12 seamen. 13 S. to h. Scone 0.
14 wart b. e. onghedaen. 15 sijn verwe ten h.
16 stac hem in de h. 17 wilt hem. A. hare. 19
hande. 20 soe m. mespeinsen. 21 Nochtan had-
dijt 22 Haddire ghedorren toe c. 23 Soe seide
dus h. s. e. h. 24 so ontbr. 25 mijn cleeder verberrent 26 hem. 27 Maer micke s. d. icken
n. 28 Ent dan ver J. v. 29 dan 30 Sone. 31
Maer. 32 up m. hooft den h. 33 Te sticken
scoren. 35 sals n. n. g. suit. 37 sulles h. onruste.
38 vraecht, hu yemen wanen h. q. 39 andwoerden
mee dan genouch. 40 J. ghi. 41 Ja ende of soe
m. v. 43 andwoerden s. haer. 44 seght. A.
seggic 45 suit s. 1. k. 46 helets. V. 11747 — 48
ontbr. 49 W. i. b. v. sulker n. 51 Scone 0. 52
up t. d. hem w. s. 53 so m. 54 A. ende s. 55 stont.
1 Rose, II. 64, 13606 (12869) :
Il sormonteroit de largece
Le roi Artus, voire Alixandre,
S'il Bust autant 4 despendre
D'or et d'argent comme cil orent.
Onques cil tant doner ne sorent,
Que cil cent tans plus ne donast ;
Par dons tout le monde estonast,
Se d'avoir Bust tel plante,
Tant a bon crier en soi plante.
2 Rose, II. 65, 13630 (12893) :
Mes miex me vendroit mes drapiaus
Avoir tons ars et mis en cendre,
Que de par li l'osasse prendre.
3 Rose, II. 66, 13654 (12916) :
Toutevois s'el le me demande,
Quo puis-ge dire it sa demande ?
201
A. fol. 56 a. b.
Doe gine si sitten sonder sparen [11580]
Neven heme, ende begonste
11760 Een sermoen, alse si wel conste :
„Ha, lieve kint Suetonfaen,
Hoe scone siedi, hoe welgedaen !
Mijn jolijs tijt es al leden :
[11585]
Ic hebbe gesien so menegen heden,
11765 Dat mi gaet sere mijn leven af;
Ine can gegaen niet sonder staf.
U tijt es te convene toe,
Gi sijt een kint, ende gine weet hoe [11590]
Gi selt bestaden uwen tijt ;
11770 Mar ic bem serer, dat gi sijt
Die gene, die emmer liden moet
Die vlamme, die al verbernen doet
Algader al dat hare genaect. [11595]
Venus heeft een bad gemaect,
11775 Daer gi in selt moeten baeden ;
Maer eer gi baedt, so sijt beraden
Te doene dat ic u leren sal :
Het sal sijn u vordeel al.
[11600]
Haddic geweest alse vroet, teware,
11780 Doe ic was van uwen jaren,
Van minnen spele, alse ic nu ben,
Het hadde geweest mijn groet gewen ;
Want ic was scone utermaten,
[11605]
Die mi nu heeft, weet God, gelaten.
11785 Nu bem ic out in al mijn wesen,
Crane, verrunst ende sere gelesen,
Dat mi sere van herten deert,
Want ic lief was ende harde weert. [11610]
Om mine scoenheit volgeden mi
11790 Knapen, die mi gerne bi
Waren ende daeden hoveschede,
Die ic alte crupen dede.
In mijn huus dat gaen, dat comen, [11615]
Dan was niewerinc noit vernomen, 1
11795 Noch dat geclop op mine dore,
Datter was altoes yore
C. fol. 69 d.---70 b.
Ic dede hem menich swaer torment,
[11620]
Alsic hem loech hare covent,
Dat mi menichwarf gesciede,
11800 Alse ic onthaelde ander liede.
Daer was menich sotheit gedaen,
Ende dicwile groet gevecht bestaen,
Daer ic om hadde grote onraste. [11625]
Mijn dare en was noit so vaste
11805 Besloten, sine wart ontwee geslagen
Vanden vrienden ende vanden magen
Der gere, diere binnen vochten,
Diet some alte diere becochten ; 111630]
Want si daer lieten Kant ocht voet ,
11810 Alsmen met stridene dicwile doet;
Ende selke blevenre doet geslegen,
Ende op berien en wech gedregen.
Doe wasic stare ende wel gesont ; [11635]
Ic hadde meer gehadt dan M. pont
11815 Ingelscer penninge dan ic nu doe,
Maer ic voerre alte doerlec toe ;
Want ic was scone, jone, kintchs ende sot,
Ende inne was noit, al selp mi God, [11640]
Comen in stolen vander minnen :
11820 Pratique heeft mi leren kinnen,
Ende experimente gemaect vroet,
Daer ic algader minen moet
Hadde ane genet al mijn leven ; 2 [11645]
Ende ic en sal u niet begeven
11825 Van alder const, die ic weet,
Sie en sal u sijn altoes gereet,
Sonder twifelen ende faelien,
Want ic caent al toter bataelien. [116501
Hi doet wel, die jongen lieden
12830 Altoes ten haren besten riede.
Sonder twifel, hens geen wonder,
Al en kendi pat no yonder,
[11655]
Daermen te rechte overgeet, Want u die bee so geel noch steet ;
11835 Maer so vele es daertoe,
1758 ghinc soe s. A. gingen. 59 hem. 60
alsoe w. c. 61 Ay 1. k. Scone 0. 62 Sidi. 63
Mine jolise. 64 menich. 65 sere ontbr. 66 In c.
niet gaen s. s. 67 Huwe t. 68 e. en w. h. 69
salt besteden. 70 Maer i. b. s. wel d. 72 De v.
die v. d. 73 A, wat h. g. 75 D. g. hu in suit b.
78 Dat. 79 H. g. so v. twaren. 80 Alse. 81 als.
82 groet ontbr. 84 wet G. 86 Gherompelt grau
e. s. g. 88 W. i. was 1. ende w. 89 scoenhede
volghede. 93 tgaen ende c. 94 En w. noit n. v.
95 No d. g. voer m. d. 96 voren. 11800 Als.
1 menighe zothede. 2 dicken menig g. b. 3 on-
ruste. 4 Mine dore. 5 Ghesloten sone was. 8
sona a. d. becochte. 9 W. siere 1. h. of v. 10
in stride dicken d. 11 E. sulke worder d. g.
12 E up eene berie w. g. 13 staerc e. g. 14
Ende h. m. dan. 16 M. i. v. zottelike t. 17 W.
i. jonc was kintsch e. s. 18 in. 20 Maer aert
h. m. doen 1. k. A. Pratque. 21 Bi expermenten ende g. v. 23 an g. ende a. m. 1. 25 Vander consten. 26 Sone s. hu altoes s. g. 27 twivel
e. faelgie. 28 W. i. en can al de betaelge. A. batelien. 29 Si daden w. 30 te. A. rieden. 33 met
o. 34 de b. te ghelu nu s. 35 esser toe.
1 Rose, II. 68, 13716 (12978) :
Tele ale avoit en ma meson,
C'onques tele ne vit mes hon.
2 Rose, II. 69, 13743 (13005) :
N'onc ne fu d'Amors h escole
Oil l'en leust la teorique ;
Més ge sai tout par la pratique,
Experiment m'en ont fait sage,
Que j'ai hante tout mon sage.
202
A. fol. 56 b.–d.
Dat ic meesteresse bem alsoe,
Dat ic in settele lesen mach. 1
Men soude onwarden engenen dach [11660]
Oude lieden, wantmen in hen
11840 Vint wijsdoem ende sen;
Ic hebbe sin ende vroethede,
Usage ende const der mede,
Die ic nine hebbe sonder scade. [11665]
Menegen vroeden man van rade
11845 Hebbic bedroegen, sonder waen,
Also ickene in strecken hadde gevaen ;
Maer ic was tirsten oppenbare
Bedrogen, eer ics wart geware. [11670]
Het was te spade, onsalich wijf !
11850 Want leden was mijn jonge lijf.
Mijn dure si ginc op en toe
Dach ende nacht ende smargens vroe ;
Nu ne coemter niemene no ne geet: [11675]
Mijn dure met gemake nu steet.
11855 Met rechte magic mi wel seamen.
Die behagele cnapen diere camen,
Die mi eerden ende weerden,
Ende die mi so sere begerden,
[11680]
Dat si van mi en sceden en conden,
11860 So minneden si mi in alien stonden,
Die mi nu al laten liden
Sonder spreken, ende gaen besiden,
Die mine lieve gaste waren, [11685]
Ende die mi minden meest, te waren,
11865 Op mi entwent sone achten si,
Verrunste quene hetense mi,
Ende seggen daertoe quaets vele meer.
Lieve kint, men mochte u tseer [11690]
Vertellen noch geseggen niet,
11870 Nochten rouwe, noch tverdriet,
Dat ic droech int herte binnen,
Alse gepens mi dede kinnen
Die grote bliscap, die vriendelichede, [95]
Dat helsen ende dat cussen mede,
C. fol. 70 b.—d.
11875 Dat saen en wech was gevloegen;
Gevloegen, ja ! ende die nine moegen
Wedercomen alse te voren :
Ic was te tileke vele geboren !
[11700]
Deus ! in wat vernoie hilt mi
11880 Die grote gichten, alse saen alsi
Mi faelierden, ende meer en gaven;
Ende van dien dat hen van haven
Jet bleven was, dat was mi leet. [11705]
Lieve kint, bi Gode, ine weet
11885 Dat ic mi iet bet mochte wreken,
Dan u te leerne van minen treken.
Lieve kint, ware ic alse jonc
Ende alse wel op minen spronc, [11710]
Alse gi nu sijt, ic soude mi wreken.
11890 Men souder emmermeer of spreken
Over die quade ribaude, dat si
Soe luttel prisen ende eren mi.
Ic soude doen sinkers haren overmoet, [15]
Want hen no bleve have no goet :
11895 Alsoe nauwe soudicse plumen,
Dat si hare erve souden rumen,
Ende al vercopen ende liggen in stroe.
Ende dirste die quamen soudic alsoe [20]
Voren, biden Helegen Geest,
11900 Ende daertoe die mi minden meest,
Ende weerden ende daeden ere,
Hem soudic anegaen so sere
Thare te nemene, dat si en souden [11725]
Enen penninc niet behouden,
11905 In soudene hebben, waer ict mochte,
Hoe na dat ict ane hen sochte,
Ende soutse bringen uut haren goede,
[11730]
Ende doen vallen in ermoede,
Ende soutse alle na mi doen lopen,
11910 Ende die quaetheit sere doen copen,
Die si mi dicke hebben gedaen,
Haddicse na minen wille gevaen.
Mare, weet God, en mach niet dragen [11735]
11836 meesterigghe. 37 zetelen. 38 onwerden
up gheenen d. 39 liede. 40 Altoes v. vijshede.
42 Usagie e. c. daer m. 43 niet. 45 Hebbe ic.
A. Hebbickene. 46 Alsickene int strec. 47 teersten
openbare. 48 ic was. 49 H. es t. s. onzalic w. 50
es. 51 Mine dore g. up. 52 Nacht e. d. e. smorghins v. 53 N. en c. niemen in no g. 54 Mine
dore. 56 behaghel c. die daer quamen. 57 werden.
58 Entie. 59 niet s. ne c, 60 minden s. m. tallen
s. 63 liefste. 64 Entie m. meest m. twaren. 65
Up m. een twint en a. s. 66 Verroeste q. heeten si
m. 67 daertoe ontbr. 68 mochtu. 69 versegghen.
74 Noch den. 71 draghe. 72 Als mi mijn ghepeins doet k. 73 D. bl. entie v. 75 D. nu al w.
es g. 76 Ja e. d. nu niet m. 77 als. 78 vele
ontbr. 79 hilden. 80 D. ghiften also. 81 faelgierden e. niet g. 82 hem hare h. 84 in. 85 Hoe
i. mi b. m. w. 86 nu. 87 also 88 also w. up.
89 Als. 92 So lettel. 91 Hem en soude bliven
h. n. g. 97 al ontbr., int. 98 deerste. 99 Voeren.
11901 werden. 2 Dien. 3 nemen, 5 souden h. of
ic m. 6 H. n. ickene an hem s. 8 aermade. 10
Entie quaethede met becopen. 11 dicke ontbr. A.
hebbe. 13 Maer wet G. nu maeght n. d. A . in in.
1 Rose, II.- 69, 13755 (13017) :
Car vous ayes trop le bee jaune.
Mes tant a que ge ne find,
•Que la science en la fine,
Dont puis bien en chatere lire.
203
A. fol. 56 d.-57 a.
Weenen, suchten ende clagen :
11915 En coemt niet weder dat leden es 1
Ine salre negenen na mijn getes 2
Hebben, na den wille mijn,
Soe verrunst es mijn anscijn,
[11740]
Dat si mijn dreigen nine ontsien,
11920 Die quade ribaude, die van mi vlien ;
Nochtan dore al dat verdriet,
Dat mi van hen es gesciet,
Aisle noch pense om dien tijt
[11745]
Ende om die feeste ende tgroet delijt,
11925 Dat ic te hebbene plach met hen,
So verblijt mi al die sen,
Ende doet verlichten al mine lede ;
Poch haddic altoes feeste mede, [11750]
Eer ic was van hem bedrogen.
11930 -Ene jonge vrouwe, die es in hogen
Ende met joie hare leven pliet,
Bi Gode ! sone es ledich Diet,
Namelec diegene die begert
[11755]
Te winne tgoet, dat si vertert. 3
11935 Lieve kint, mi dede hicr comen
U vrouwe, ende heeft mi genomen
Om u te hoedene nacht ende dach.
God onse here, diet al vermach, [11760]
Moete geven dat ic die hoede
11940 Doen moete alsoe, dat mi te goede
Verga, alst sal, God weet ;
Want gi sijt altoes gereet
U selven te hoedene openbare, [11765]
Dat anders harde sorgelic ware
11945 Om die scoenheit, die u gegeven
Heeft Nature, die u es bleven,
Ende daertoe sen ende wijsheit groet,
Dat niet en leeft uwes gnoet.
[11770]
Op dies wi hebben staede ende stonde,
11950 Datmen betre en gene en vonde,
C. fol. 70 d.-71 b.
Al te sprekene dat wi begeren ;
Om u te radene ende bulpen weren
Van alien lachtre, bem ic gereet. [11775]
Eist dat u soe van herten steet,
11955 Dat gi trecken wilt ter minnen,
Ic sal u al die wege doen kinnen,
Ende oec die pade doen verstaen,
Aldaer ic selve soude sijn gegaen, [11780]
Eer leden was mine joncheide,
11960 Mine bliscap ende mine scoenheide ;
Maer en houdet niet in dien,
Dat ic u wille ter minnen tien."
Doe sweech die oude queue al stille [85]
Een lettel, omdat si horen wille
11965 Wat seggen soude Suete Onfaen.
Si beidde onlange, sieve nam saen
Die tale weder daer sise liet ,
[11790]
Want si merct wel ende siet,
Dat hem wel behagede dat si seide,
11970 Ende pensecle, datse hem sonder beide
Haren wille al seggen soude,
Ende begonste doe alse houde
Ende seide: ,,Sone, wildi u keren [11795]
Ane die minne, ic wille u leren
11975 Den art van minnen altemale,
Dat gine selt connen alsoe wale,
Dat gi niet sijn en moeget bedroegen.
[11800]
Nadat ic u den art sal togen,
Ende gire u toe wilt formeren ;
11980 Want niemenne en mach minne anteren,
Noch die passage geliden moegen,
Hine hebbe den art altoes vor dogen,
Hine sal lant ende scaep vercoepen, [11805]
Wilt hire sottelec toe loepen. 4
11985 Nu hort wat ic u seggen sal,
Want ic can distorie al.
Lieve kint, die van minnen
11914 Dan w. 16 In s. gheenen, 17 II. no n.
18 verroest. 19 D. mijn d. niet o. 20 quade ontbr.,
van ontbr. 21 dor a. dit v. 22 hem. 23 peinse o.
den t. 24 e. omt jolijt. 26 mijn s. 27 E. oec
v. a. mijn I. 28 feeste altoes. 30 was. 31 haers
levens. 33 Namelike de g. 34 Tg. te. wetene.
36 Hu vrauwen. 37 Omme. 38 God ontbr. 40 So
m. d dst. 44 Dat. A. Die. 47 sin e. wijshede.
48 ghenoot. 50 D. b. gheere e. v. 51 gheren.
52 u ontbr., helpen. 53 lachtren ben, 54 soe ontbr.
56 alle de w. 57 paden. 58 Die ic. 59 mijn joncheden. 60 M. b. e. scoenhede. 62 D. i. u. t.
minne w. t. 63 D. zwech d. q. st. 64 soe. 65
Scoen 0. 66 Soe b. langhe soene. 67 die soe 1.
68 soe. 69 Wel behaghedem d. soe s. 70 peinsde
dat soe. 72 E. b. alsoe h. 74 An d. m i. sal.
75 aert. 76 suit. 77 D. g. n. mocht s. b. 80
niemen m. 81 liden. 82 aert voer oghen. 83 Of
h. 84 Wille h. zottelijc. A. sottele. 85 hoert.
86 distorien.
1 Rose, II. 73, 13865 (13127) :
Mes riens n'i vaut le regreter
Qui est ale, ne puet venir.
Dragen is hier in den zin van baton.
2 Over getes, hier smaak, genoegen, zie men
Dr. de Jagers Versch, 274 vlgg, en Dr. Brill in
Dr. de Jagers Arch, II. 72 vlgg.
8 Rose, II. 73, 13886 (13148):
Jone dame n'est pas oiseuse,
Quant el maine vie joieuse,
Meismement cele qui pense
D'aquerre 4 faire sa despense.
4 Rose, II, 75, 13946 (13208) :
Solon mon art vous conformes,
Car nus, s'il n'est bien enformes,
N'es puet passer sans beste vendre
204
A. fol. 57 a. b.
Joie ende bliscap wille gewinnen, [11810]
Hi moet weten hare gebode,
11990 Die ic u niet en seide, bi Gode,
En wistic niet hi scrifturen,
Dat gi hebt bi naturen
Van elken al u voile gemet
[11815]
Van dat gi hebben sout, dat wet. 1
11995 Tiene gebode soe sijn daer,
Daer dachterste twee sijn al te swaer.
Ic orlove u dachte altemale,
Maer vanden II soe hoedt u wale; [11820]
Want wiese volget, hi es in dole :
12000 Hine soude oec lesen niet in scole,
Want het verlaetd tsere minnaren.
Si wilden dat si milde waren,
Ende tiere stat hare herte leggen, [11825]
Ende elre overal ontseggen :
12005 Dit es valsch ende niet scone,
Hier lieget die God, Venusen sone,
Want soe wire hem hout ane,
Hem stater scade groet of tonfane. [11830]
Lieve kint, en sijt niet milde :
12010 Hi ware verloren there hem an hilde.
Hebt u herte in vele staeden,
Sone saelt niet sijn tsere verladen ;
Maer tier stat, wat uwes gesciet, [11835]
Sone seldijt leggen niet ;
12015 Noch niemenne geven ochte lenen,
Maer vercope diere altenen,
Ende verdieret alle dage
In lane so meer, van slage te slage, [11840]
C. fol. 71 b. c.
So dats man en geen die leeft
12 20 Van u goeden coep en heeft.
Dese poente hout al u leven :
U hant hout tuwe, alse gi sout geven,
Te nemenne open, hoet henegeet, [11845]
Daertoe siedi altoes gereet.
12025 Geven es alte grote sotheide,
Hen ware een lichtelic scoenheide
Om liede te haelne meer ane hen,
Ende geven tcleine omme meerre gewen. 4 [50]
Selke gichte es gegeven goet,
12030 Die meer dan dobbel winnen doet._
Die hallinc es een goet gewin,
Die den penninc bringet in :
Selke gichtcn lovic altemale.
Wie dat geeft, hi boeft wale
[11855]
12035 Te siene waer hi geven sal,
Want nine bestaet es overal.
Vanden boge ende vanden vleiken,
Die menege hoge herte doet weiken,
Ende die wonden heimelike,
[11860]
12040 Daer met so condi sekerlike
Vroedeliker scieten mede
Dan noit die God van Minnen dede :
Soe goet een scottre soe een siedi,
Gi sciet dicke verre ende bi;
12045 Nochtanne soe es u dickent oncont, [11865]
Wien u scieten heeft gewont ;
Want alsmen sciet ter voleien,
Selo ontfa etna sijn greien
Den scote in sijn herte binnen,
11991 wistijt. 93 V. e. man hu vul g. 95 X
gheboden s. s. claer. 96 al ontbr. 97 gheorlove
u van de VIII wale. 98 Vanden II maer h. hu
te male. 99 W. wie hem volght es
d. 12000
Ende s. o. 1. wel s. 1 Ende het verlaet zeere
den minnare. 2 Soe wilde d. hi m. ware. 3 teere
s. haer. A. tiere. 4 E. dander. 5 Siet dits v.
6 loegh de G. Venus s. 7 so wiere. 8 H. s. of
grote s. tontfane. 11 Leght hu h. te v. s. 12
S. salt hu n. te zeere v. 13 teere s. A. tier.
14 En suldi 1. hu herte n. 15 Of yemen g. ofte
1. 16 Maer vercopen. 17 verdierent. 18 Int 1. s.
m. v. daghe te daghe. 19 S d. gheen m. d. 1.
20 A. ende h. 21 pointe. 22 Hu h. h. toe als.
23 nemene hoe dat gheven g. 21 D. so sijt even
g. 25 zothede. 26 En w. eene lichtelike scoen hede. 27 0. te h. die 1. an h. 28 tcleene om.
29 Sulke ghifte. 30 dobbele. Vs. 121131-32
ontbr. 33 Sulke ghiften love ic. 34 Maer w.
d. gheft behoeft w. 36 niet. 37 boghen e. vlieken. 38 D. smeinschen h. h doen wieken.
39 Entie. 41 Vroedelike. 43 So g. scottere
so sidi. 44 dicken verren. 45 Nochtan es hu
dicke o. 47 vleien. 48 Sulc. 49 Dies.
1 Rose, II. 75, 13956 (13218) :
Et ci trestous les vous deisse,
Se certainement ne veisse
Que vous en ayes par nature
De chascun, Is comble mesure,
Quanque vous en deves avoir.
2 Rose, II. 76, 13969 (13231) :
L'en n'es doit pas lire . en escole.
Trop malement les amans charge,
Qui vent qu'amans ait le cuer large,
Et qu'en un seul leu le doit metre.
C'est faus texte, c'est fauce letre.
3 Rose, II. 76. 13989 (13251) :
A doner aies clos les poins,
Et 4 prendre les mains overtes.
Lees in vs. 12022 met den tekst van C, die
beter is :
U hant hout toe.
4 Rose, II. 76, 13991 (13253) :
Doner est grant folie certes,
Se n'est un poi por gens atraire,
Quant l'en en cuide son pre p faire.
5 Rose, II. 77, 14002 (13264) :
Apres de l'arc et des cinq fleiches,
Qui tant sunt plains de bones teiches,
Et tant flbrent soutivement, cet.
205
A. fol. 57. b.—d.
12050 Dies die scottre en can bekinnen, [11870]
Noch geweten, noch werden geware. 1
Ic merke ende sie openbare
Ane u manieren ende ane u wesen,
Dat gi comen sijt te desen,
[11875]
12055 Dat gi die beste scuttre sijt, Diemen vonde verre ende wijt,
Ende selc mach binnen den scoete comen,
Dat u harde sere soude vromen. 2
Ende van u te leerne vort
[11880]
12060 Van parmente, dat u bort, Van cledren ende van andren saken,
Daer gi u mocht met behagel makers,
Om tscinen tsine van hogen state :
— Ane bagel tsine legt al u bate —
[11885]
12065 Gi cont te core u pareren, Sone darf men u nemmerme leren.
Lieve kint, verstaet ende hort
Wat is a sal leren vort,
Gi moegeter exempel nemen ane.
[11890]
12070 Hebdi wille minne tanegane, Gi moecht bet kiesen niewerinc el
Dan dengenen, dien gi weet wel,
Ende die u dunct so hovesch, so goet :
Mar hout uwe herte ende uwen moet ,
12075 Dat gise nine legt ane hem te vaste: [11895]
Gestaede minne es grote onraste.
Mint altoes gesonnichlike , 3
Ende ane die gene, die sijn rike,
Eist goet begonnen, dats wel inscijn,
[11900]
12080 Opdat si niet te vrec en sijn,
Es iemene diese wel can plecken
Ende heimeleke hare goet ontrecken.
C. fol. 71 c.-72 a.
Wel lieve kint, Suete Onfaen,
Men sal u met minnen sere angaen.
[11905]
12085 Elken so toent goet gelaet,
Ende segt, dat u herte al staet
Getrouwelike ane hem allene,
Ende dat si niet en es gemene.
Noch om wennen, noch om verliesen,
12090 En seldi anders gien lief kiesen ; [11910]
Ende swert bi genen ende bi desen,
Haddi willen laten lesen
Die Rose, diemen heeft so wart,
Ende die so sere es begert,
12095 Een andren dan hem, gi wart so rike, [11915]
Men vonde came uwe gelike ;
Maer hem soe getrouwe waerdi,
Dat die Rose niemen dan hi
Plucken en sonde van haren stele. 4
[11920]
12100 Al quamer C. ocht alse vele,
Elken geloefse even sere,
Ende segt: „Gi selse hebben, here,
Alleine sonder deilen vort."
Dit salve trecken ane u bort.
12105 Dit sweert hem met dieren ede, [11925]
Ende geeft hem u trouwe daermede.
Al eist dat gi u verswert,
Weet wel dat een tweet niet en deert
Al sele sweren ; God onse here
[11930]
12110 Laches utermaten sere,
Jupiterre ende alle die Gode gelike
Sie logen alle hogelike,
Alse hem versworen die minnaren;
Ende die Goede selve, te waren,
12115 Versworen hem dickent sonder verdragen, [35]
12050 D. de scottere niet c. b. 51 N. w. niet g.
52 Ic sie e. m. o. 53 An hu maniere e. an h a w.
55 scottere. 56 v. of w. 57 sulc mochte in die s. c.
28 D. u. s. mochte v. 59 Nu willic hu leeren
voort. 60 V. pareringhen d. u. behoort. 62 mede
mocht b. 63 0. te scijnne v. h. s. 64 An behaghel te sine. 65 G. c. utermaten wel p. 66
So dats hu niemen darf 1. 69 G. mochter e.
leeren a. 71 Ghine moght b. k. niewer el. 73 E.
dien. ghi dinct. 74 Maer h. hu h. 75 D. g. an
h. niet legghet v. 76 gherne o. 77 ghesinnelike.
78 Entie g. 79 beghinnen d. w. anscijn. 80 Updat. 81 iemen. 82 heymeliker haer g. of trecken.
83 Scone 0. 84 anegaen. 85 tooght. 86 al ontbr..
87 G. ende h. a. 88 E. seght d. stie n. es g.
89 winnen. 90 En suldi anderen gheenen k. 91
bi den g. 92 wesen. 93 die es s. waert. 94 Entie
s s. e. begaert. 95 Eenen a. g. waert s. r. 9 6
vonde c. hu g. 97 sidi. 12100 A. q. CC of also v.
1 ghelonft. 2 sultse h. eere. 3 Alleene s. deelen voort.
4 Dus suldine t. an u boort 5 Ende zweerent. 6
E. ghevens h. hu t. m. 8 Wel w. d. e. twint n. e.
dert. 9 sulc s. want o. h. 10 Jupiter lachter omme s. 11 Ende a. d. g. ghemeenlike. 12 lachen
a. hoghenlike. 13 Als h. verzweeren. 14 E. oec
d. selve Gode twaren. 15 Verzwoeren h. dicken.
1 Rose, II. 77, 14012 (13274) :
Car quant l'en tret h la voles,
Tex past recevoir la colee,
Dont l'archier ne se done garde.
2 Rose, II. 77, 14018 (13280) :
Wen repuet estre tiex navres,
Dont grant preu, se Dieu plest, aures.
De lezing von C. is boven die van A. te verkiezen, even als ook in vs. 12059.
3 Rose, IT. 78, 14043 (13305) :
Ames des autres sagement.
4 Rose, II. 78, 14053 (13315) :
Et jurt que s'il east volu
Soffrir que par autre fast prise
La Rose qui bien ert require,
D i or fast chargies et de joiaus ;
Mais taut est ses fins suers loiatts,
Que jit nus la main n'i tendra
Fors cil seas qui lors la tendra.
206
A. fol. 57 d. — 58 a.
Die tijt dat si te minne plagen.
Jupiter swoer Juno sinen wive,
Dat si soude hebben te haren live
Tpaleis vander Killen sekerlike,
12120 Daer hi ane loech valscelike. 1 [11940]
Dit soude versekeren die minneren,
Alsi hen jegen hare lief versweren,
Alle santen ende sentinnen,
Alse hen die Goede doen bekinnen,
12125 Dit exsempel, dat si versweren [11945]
Beide Gode ende alle martelaren. 2
Hi es dom ende harde sot,
Die hem geloeft, alselp mi God,
Want jonge lieden sijn ongestade
12130 Ende onlange durende in enen rade. [11950]
Die oude hebben oec dien sede
Te liegene trouwe ende eed daermede.
Nu verstaet ende willet mi horen :
Diegene die here es vander foren,
[11955]
12135 Hi soude van elken over vol
Altoes nemen sinen tol ;
Die tere molen gemalen en can,
So ga tere andere malen dan. 3
Die mu es, die waer een hol en weet,
12140 Ic segge u dat hare sorgeleke steet. [11960]
C. fol. 72 a. b.
Van elken wive aldus so eest,
Dat si vander mare vrouwe weest. 4
Elke soude nemen, waer si mochte,
Have ende goet datmen daer brochte,
12145 Ende si ware sere uut haren sinne, [11965]
En leide si ware tere stat hare minne ;
Want die sine herte tere stat geft,
Ic segge u dat hi niet• en heeft
Vri ende quite te sinen wille,
12150 Mar maket eigin, lude ende stille. 5 [11970]
Alselc wijf heft verdient te sine
In doegene ende in groter pine,
Die hare selven soe mesan,
Dat si hare hout an enen man.
[11975]
12155 Gevalt dat si verbolgen es,
Sone es man, sijt seker des,
Diese iet mach geconforteren :
Dat sijn diegene die irst faelieren,
Die leggen hare herte in ene stede.
12160 Nochtan in dinde, het es hare sede, [11980]
Willense alle, alse hen vernoiet,
Ende si worden te sere vermoiet ;
Ende noit en gewanre of vrouwe
Dan verdriet ende groten rouwe. 6
12165 Dat mochtemen ane Dido wel verstaen, [85]
12116 D. wile. 18 D. hi s. houden. 19 Tpalais.
21 D. s. peinsen. A. louden. 22 Als si hem jeghen
haer 1. v. A. Alse, tseggen. 23 zantinnen. 24 Als
hem. 25 Dits e. daer si bi v. 26 Die G. e. a.
maerteleren. 27 harde "ontbr. 28 also help. 29 liede.
30 E. dueren o. 31 houde h. o. den s. 32 Ende
lieghen t. e. e. m. 33 wilt. 34 van den f. 37
D. t. m. niet malen c. 38 Hi g. t. andere d.
39 maer. 40 segghu d. haer zorghelijc. 41 Aldus
eist van elken wive. 42 Sijn si vrauwen van haren
live. 43 so m. 44 d. hem b. 45 soe 46 Ende leidsoe
w. t. s. haer m. A. leiden. 47 Maer d. sijn h. maer
teenen gheeft. 48 hise niet h. 49 Weder ghereet te
haren w. 50 Maer make eenighen 1. of s. 51 suit
w. heeft. 52 Altoes i. d. e in p. 53 haer s. s.
mesian. 54 D. soe haer. 55 soe. 56 des sijt ghewes. 57 iet ontbr. 58 Dit s. de g. d. meest faelgeren. 59 teere s. 60 int ende eist haer s. 61
Willen die man alst hem v. 62 sijs t. s. sijn v.
63 Verdriven van hem die vrauwen. 64 Ende
dan blijft hem verdriet en trauwen. 65 machmen an D.
I Door den vertaler is hier van den Franschen tekst niets begrepen. Rose, II. 79, 14072
(13334) :
Quant Jupiter asseuroit
Junon sa fame, ii li juroit
Le pale d'enfer hautement
Van Jupiters zweren bij den Styx (le palu
d'enfer, het moeras der hel) maakt onze dichter
een paleis. Verg. Ovid. Artis Amatoriae 1. I. 631.
2 Rose, II. 79, 14076 (13338) :
Ce devroit moult asseurer
Les fins amans de parjurer
Saintes et sains, moustiers et temples,
Quant li Diex for donent exemples.
8 Rose, II. 79, 14087 (13349) :
Cil qui sires est de la foire,
Doit par tout prendre son tolin;
Et qui ne puet It un molin,
Alit l'autre trestout le cors.
4 Rose, II. 80, 14094, (13356) :
Tout ainsinc est-il de la fame,
Qui de tons les marchies est dame
Que chascuns fait por li avoir.
5 Rose, II. 80, 14101, (13364) :
Qui s'amor en un sol leu livre,
N'a pas son cuer franc ne delivre,
Ains l'a malement aservi.
6 Rose, II. 80, 14108 (13370) :
S'el faut h cell de confort,
Et n'a nulli qui la confort;
Et ce sunt cil qui plus i faillent,
Qui for cuer en un sol leu baillent.
Tuit en la fin toutes les fuient,
Quant las en sunt et s'en enuient ;
N 'en puet fame h bon chief venir.
Lees in vs. 12161: Vlien sise.
207
A. fol. 58 a. b.
Die scone was ende wel gedaen,
Ende van Cartage coninginne,
Hadde geleit al hare minne
Ane Eniase, diese hadde ontfaen
12170 Waerdelike ende groet ere gedaen, [11990]
Die te hare quam arm ende bloet
Met scepe in tempeeste groet,
Die van Troien was ontfaren,
Ende sine gesellen die met hem waren,
[11995]
12175 Die si groete hovescheit dede.
Haer selven gafse Eniase mede,
Die hare swoer wel menichfoude,
Dat hi nemmermee en soude
Van hare sceden noch begeven
12180 Al dien tijt, dien hi soude leven ; [12000]
Maer lange en duret niet alsoe,
Want die verradre hare ontvloe
Met sinen scepe, wat hi mochte,
Die hi daer met hem brochte.
12185 Dit soe coste diere scoenre vrouwen [12005]
Hare leven, want so starf van rouwen,
Ende doede haer selven met enen swerde,
Daer si in viel tote op die erde. 1
Selc gelijc, selc ongevoech
12190 Heeftmen vonden ane vrouwen gnoech, [10]
Die is genomen al en can ;
Maer sekerleke wet, dat alle man
Sijn ribaude ende groete bedriegere,
Ende putire ende daertoe liegere.
12195 Si doen elken wive verstaen,
[12015]
Dat sise minnen sonder waen,
Ende proven wat sire ane venden mogen, 2
Daeromme soudensi weder pogen,
Waer si mochten, wel te hoenne,
C. fol. 72 b. – d.
12200 Om bare quaetheit wel te loenne. [12020]
Dat wijf es te dom van sinne,
Die ane enen man leit minne.
Si souder hebben vele ende gnoech :
Dat soude sijn bat hare gevoech,
12205 Ende doe soe vele datse elken bage, [12025]
Maer houtse tonder alle dage ;
Ende en heft si niet gracie, si soutse maken
Ende bejagen met eneger saken,
Ende souden sijn fier in haren sinne
12210 Jegen diegene, die hare minne [12030]
Dragen meest, wat haers gesciet;
Mar der gere en roke niet
Harre minnen, groet ocht clene,
Die salse feesteren al gemene
12215 Ende halen ane hare, wat si mach, 3 [12035]
Ende scuwen ende vlien nacht en dach
Onraste, gescelt ende vechtinge.
En es niet scone oec sonderlinge,
Soe bestrike hare met selken saken,
[12040]
12220 Diese scone moegen maken. Sage si oec ontfallen hare haer,
Dat. si hadde blont ende goutvaer,
Ochte moeste afsniden van ongesonden,
Ochte dat haer bi enegen stonden
[12045]
12225 Bi bolgenscape gevallen ware,
Datse hare ribaut metten hare
Hadde genomen ende utegetogen,
Ende soe gescoert, sine hadt moegen
Ontwerren, wat hare mochte gescien,
12230 Dan salse na andre vlechten sien, [12050]
Die gelu, blont sijn ende groet,
Van enen wive die es doet,
Ochte blonde siden ende maken borele
12167 Cartaengen. 68 Soe h. g. a. heer m.
69 An Enease die soe. 70 Werdelic e. grote. 71
haer q. arem. 72 Doe hi v. T. w. ontfaen. 75
Dien soe g. feeste d. 7 6 gaf see Eenease. 77 haer.
79 no. 80 Den dach dat hi mochte 1. 83 scepen.
85 der. 86 Haer 1. w. s. sterft. 88 soe i. v. t.
up de herde 89 Sulc mesval sulc o. 90 II. an
v. vonden ghenouch. 91 D i. g. niet en c. 92
zekerlijc weet. 93 S. rebaude e. b. 94 putertiere
e. 1. 95 alien wiven. 97 proeven w. s. an winnen
m. 99 weder te h. 12200 Ende weder h. q. te I..
2 an e. m. leeght m. 3 soudenre h. v. e. ghenouch. 4 D. s. bet s. haer g. 5 doen so dat soe
e. behagbe. 6 M. soudsoe hare t. houden a. d.
7 E. niet en heeft gracien, sout soe m. 9 sonde
10 haer. 12 Maer die ghene die hen rouken n.
13 Hare m. g. no c. 14 sal soe minnen. 15 E.
an h. halen waer soe m. 16 E. maken n. e. d.
17 Onruste ghevecht e. sceldinghe. 18 Nes soe
n. s. s. 19 zulken 20. moghen. 21 Sach soe o.
o. haer. h. 22 Dat soe b. h. 23 Of m. sniden bi
o. 24 Of d. hare teenighen s. 25 Bi gramscepen
uut ghetroct w. 26 Daerse haer ribaude biden h.
27 Adden g. e. nut g. 28 ghescuert sone adde
m. 29 haers. 30 D. sal soe om ander v. s. 31
ront. 33 Of b. zide e. make b.
1 De overige voorbeelden, door den Franschen
dichter van vs. 14152-14203(13414-13465) aangehaald, zijn in de vertaling achterwege gelaten.
2 Lees met C.: winnen. Verg. Rose, II. 84,
14206, (13468) :
Briement, tuit les lobent et trichent,
Tuit sunt ribaut, partout se fichent,
2 Rose, II. 84, 14214 (18476)
S'el n'â graces, si les aquiere, ,
Et soit tons jars vers ens plus fibre
Qui plus, por s 'amor deservir,
Se Oneront de li servir;
Et de ceus acoillir s'esforce
Qui de s'amor ne feront force.
208
A. fol. 58 b. c.
Ende steken vol haren forele,
12235 Ende maker ave home groet; I [12055]
Ende heeft si bestrikens noet,
Men vent van crude waters gnoech
Hare te bestrikene na hare gevoech,
Mare doet alsoe dats engeen man
12240 Ane hare geware en worden en can, [60] Noch gesien ane hare gedane ;
Want groet verlies lage haer daer ane.
Heeft si hare kele wit ende ront,
Soe doe hare hoeftslope talre stont
12245 Soe sere uutsniden ende soe wale, [12065]
Datmen sien mach altemale
Hare witte kele : si sals wesen
Te bedriegeleker vele van desen.
Eist datse heeft hare scoudren groet,
[12070]
12250 Soe doe maken hare surcoet
Ende al hare andre cledre met
Van cleinen lakene, si saels, dat wet,
Gescepen wesen vele te bat,
Waer si coemt in elke stat.
12255 Heeft si oec hare handen seer, [12075]
Si salse oec decken vele te nieer
Ende houden ane hare hantscoen
Ende salse dicwilen sieren doen.
12260
12265
12270
12275
12280
C. fol. 72 d.-73 a.
Heeft si die mammen weec ende lane,
[12380]
So salsi houden in bedwanc
Gebonden vaste in linijn lakes,
Dat soe sal daer toe doen maken :
Soe selense wesen hart ende ront;
Ende emmer houde reine in alre stont
Venus camere, dat si nine hebbe [12085]
Gestubbe en geen no spinne webbe ; 2
Ende heeft si niet scone die voete,
So houtse gescoit, dat es die boete ;
Ende dunne cousen te groten beenen
Die soe soudemen dragen altenen. [12090]
Heeftse over hare smette oft vlecke,
Ic rade hare wel dat sise decke ;
Heeft si oec den adem quaet,
Soe wachte hare, dats mijn raet,
In nuchterne te sprekene jegen liede : [95]
Het soude vallen dat hare maisniede ; 3
Ende als soe sal spreken enichge stont,
Soe houde soe verre haren mont,
Dat hi den lieden nine come te bi.
[12100]
Es oec dat gevalt, dat si
Lachge, soe en lachge niet
Alsoe sere, dat si hare iet
Daer met ontsetten, want vrouwen souden
12234 E. make v. hare f. 35 maken hare
hoornen g. 36 so. 37 vint v. e. w. ghenouch.
38 Om te bestriken na haer ghevouch. 39 Maer
doent soe dat g. m. 40 An h. ghewerden niet
e. c. 41 Gheware no g. an haer g. 42 W. grote
v . lather a. 43 soe 44 h. hooft smal t. s. 45
also. 46 moghe. 47 soe. 48 bedriegheliker. 49
E. dat soe h. de s. g. 50 haer sorcoot. 51 andre
ontbr. 52 clenen 1. so sals. 54 soe es in elker
s. 55 soe o. haer. 56 Soe s. d. 57 an. 59 Heft
soe oec de m. 60 Soe salse: 62 D. s. hare d. t.
sal m. 63 So sullen si werden. 64 houden reene
te a. s. 65 soe ne h. 66 Ghestof ne gheene n.
67 soe n. s. de v. 68 dats de b. 69 dinne. 70
Die soe ontbr. 71 Heeft soe o. haer s. of v.
72 I. r. w. d. soese d. 73 soe. 75 In ontbr.,
spreken 76 haer messciede. 77 slapen teenigher
s. 78 so vaste h. m. 79 D. soe d. 1. niet. 80
Ende eist o. 81 Lachen moet sone lachen n.
82 Al te s. d. soe. 83 Ontsette.
1 Bose, II. 85, 14236 (13499) :
Ou de soie blonde borriaus,
Et boute tout en ses forriaus.
Sur ses oreilles port tex comes,
Que sers ne buds ne unicornes,
S'il se devoient esfronter,
Ne puist ses comes sormonter.
De borriaus, bourrelets, zijn haarwrongen, die
aan de forriaus, het gevlochten haar, werden bevestigd, even als de chignons der hedendaagsche
schoonen.
De hoornen, ook thans niet onbekend bij het
dameskapsel, geven Jan Boendale in zijne Teesteye mede gelegenheid er tegen uit te varen :
Dat wijf boven al scoenheyt begheert,
Dat moghedi merken, want si smeert
Haer aenschijn ende hare . ghedane
Anders dan God maecte daer ane;
Ende maken hoerne twee,
Ghelijc enen stommen vee.
Zie mijne Bloonlezing, II. 165, vs. 59 en
verg. Du Cange, (Ed. Henschel) II. 609, i. v.
cornua.
2 Rose, II. 86, 14276 (13538):
Et comme bone baisselette,
Tiengne la chambre Venus nete ;
S'ele est preus et bien enseignie,
Ne lest entor nule iraignie
Qu'el n'arde ou ree, errache ou houtse.
3 Rose, II. 86, 14286 (13548);
S'el set qu'el ait mauvese alaine,
Ne Ii doit estre grief ne paine
De garder que ja ne jeune
Ne qu'el ne parole jeune.
Lees in vs. 12276 met C : messciede.
209
A. fol. 58 c. d.
Alsi loegen den mont toehouden ;
12285 Want hen steet niet vrouwen wale, [12105]
Dat si hare kele altemale
Ontoe ende gaepe alsi lacht :
Sine daeds niet waer si wel bedacht ; '
Ende hadse hare tande niet welstaende
12290 Ende oneffene uut ende innegaende, [10]
Ende tone sise met lachgene dan,
Het soutse ontwerden vor elken man.
Ane weenen oec soe behoeft manire :
Weenen es enen wive niet diere;
12295 Sie hebben trane altoes gereet; [12115]
Maer haer weenen saen vergeet.
Ere vrouwen steet oec wale •
Scone spreken ende suete tale,
Ende heblec to sine overal
12300 Ende hOvesch : dat maecse liefgetal. [20]
Alsmen ten etene wart sal tien,
Salse hare laten wel besien
Ende achter huse een luttel gaen,
Eer dat si sal willen dwaen. 2
[12125]
12305 Alsi ter tafle geseten es,
So salsi sniden ende nemen dmes
Vor den genen die eet met hare,
C. fol. 73 a. b.
Ende sijns wel nemen ware ; 3
Ende emmer wachten hare, alsi eet,
12310 Dat si haren mont nine make vet,
Sine makene scone wel gereet,
Want vette lippe sere mesteet ; [12140]
Ende wachte hare, alsi edt bruetd,
Datse hare vingre over dledt [12130]
12315 Daer in en steke, het ware mesdaen,
Want het soude hare sere mestaen ; 4
Ende wachte hare in alre stont,
Dat si en steke in haren mont
Grote morsele, Nets giricheide
[12135]
12320 Ende daertoe grote onhovescheide.
Hare morsele salse sniden clene,
Vore met hare vingeren allene
Nemen gestadelike ende sachte ;
Ende dat si hare altoes wachte,
12325 Datse nine bedrupe vor hare sleet, [12145]
Want sekerleke niet wale en steet.
Men sal oec soe hovesscelike drinken,
Ende niet so vol en laten scinken,
Dats een dropel en storte op hare,
12330 Dies men worden mochte geware ; [12150]
Want over ongenoechtich ende runt
12284 Al loughen si haren in. t. 85 en staet.
86 so. 87 als soe. 88 Sone d. n. ware soe. 89
hadsoe. 90 in. 91 toghet soese. 92 H. soude veronwerden e. m. 93 Ant w. so b. in. 94 Want
w. e. den wiven n. d 95 tranen. 96 hare. 97
staet. 98 zoete. 99 hebbelijc..12300 E. h. so wert
so 1. 2 Sal soe 3 lettel. 4 soe. 5 Als soe t.
taeflen. 6 Sal soe s. e. n. tmes. 7 A. hare d g.
9 E. e. hoede also e. Vs. 12310-23 bij C.:
Dat soe hare vinghere over tlet [12130]
Daer in en steke, het ware mesdaen,
Want het soude zeere mestaen;
Ende wachte in alre stont,
Dat soene steke in haren mont
Groete morseele, Nets ghierichede[l 2135]
Ende groete oncuusscheit mede.
Ende emmer hoede, also bet,
Dat soe hare mont niet make vet,
Sone makene scone wel ghereet,
Want vette leppen zeere mesteet. [12140]
Hare morseelen sniden also cleene,
Ende voren met haren vingheren alleene.
24 Ic rade d. soe h. aldus w. 25 Ende voren
niet b. haer c. 26 W. s. het mesteet. 28 vul 1.
29 en ontbr., up. 30 werden mach g. 31 onghenuchtert.
1 Rose, IL 86, 14292 (13554) :
Et s'il li prent de rire envie,
Si bel et si sagement rie,
Qu'ele descrieve dens fossetes
D'ambedeus pars de ses levretes.
Ne par ris n'enfle trop ses joes,
Ne ne restraingne pas ses moes ;
Jii, ses lenses par ris ne s'uevrent,
Mes repoignent les dens et cuevrent.
Fame doit rire k bouche close,
Car ce n'est mie bele chose
Quant el rit h geule estendue :
Trop semble estre large et fendue.
2 Rose, II. 88, 14328 (13590) :
Mes gins qu'el s'i noise seoir,
Face-soi par l'ostel veoir,
Et a chascun entendre doingne,
Qu'ele fait moult bien la besoingne.
Rose, II. 88, 14336 (13598) :
Et . quant ale iert h table assise,
Face, s'el puet, b tons servise.
Devant les autres doit taillier,
Et du pain entor soi baillier ;
Et doit, por grace deservir,
Devant le compaignon servir
Qui doit mengier en s'escuele.
De vertaling is in deze geheele passage veal
korter dan het oorspronkelijke. Bij A. staat verkeerdelijk : Vor hare den genen.
4 Rose, II. 88, 14349 (13612):
Et bien se gart qu'ele ne moille
Ses dois es broez jusqu'as jointes.
Het door den vertaler overgenomene bratd,
het Fr. brovet, beteekent saus.
3
14
210
A. fol. 58 d.-59 a.
Mochtse iemen houden ende trecken nut,
Dat si ware hare ongeleert. 1
Eer si den nap ten monde keert
12335 Om drinken, si en sal niet drinken, [12155]
Si en sal tirst laten sinken
Dmorseel tote dat sijt heeft geten : 2
Dit sonde elke vrouwe weten ;
Ende oec soe soude si hoeden hare,
[12160]
12340 Dat hare mont vet en ware ;
Want ware hi vet ende dronke si,
Die wijn hi worde vet daer bi ;
Ende cleinlic salsi drinken mede,
Het steet wale, het es hovesscede ,
12345 Ende hoede hare wel van dronkenscape.
[12165]
Men vint bescreven bi orcontscape
Van meestren, die seggen openbare,
Dat niemene en es die dronken ware,
Dat hi helen mach een twent.
12350 Die vrouwe sere haer selven scent, [12170]
Datse hare verwinnen laet dien wijn ,
Want alle wijf die dronken sijn,
Siene en connen hem niet geweren
Jegen diegene diese begeren ;
12355 Maer clappen algader dat si weten. [12175]
Des moegen si hem alien wel vermeeten,
Dat si sijn van diere naturen. 3
Oec sullen si hem wachtea tallen uren,
Ter taflen alsi sijn geseten,
12360 Van slapene, alsi souden eten ; [12180]
Want hets scande ende grote onnere,
Ende sins min to prisene sere.
Erse vrouwe en soude niet lange beiden,
C. fol. 73 13.—d.
Sine sonde ter minnen hare gereiden ;
12365 Want si soe lange webbeiden mochte, [85]
Datmen op hare twent en rochte.
Sie sonde soeken die joie van minnen
Overal ende leren kinnen
Die wile datmen acht op hare,
12370 Ende A jonc van dagen ware ; [12190]
Want als outheit den wive anegeet,
Ende hare anscijn tebroken steet,
Soe verliest si in alien sinne
Die joie ende dat asaut van minnen.
12375 Die vrocht van minnen sal si lesen [12195]
Alsi in hare joeget sal woen,
Want si verlieset harde vele,
Beide van joien ende van spele,
Van dien tiden, die si laet Iiden
12380 Sonder minnen ende hare verbliden ;
[12200]
Ende en doesse niet desen raet,
Haer saire af comen al quaet,
Alse outheit asseilieren sal;
Maer ic gelove dat si mi al
12385 Hier of geloven sullen, hoet gaet, [12205]
Ende houden hem ane minen raet,
Ten mensten die gone, die vroet wesen,
Ende paternostre connen lesen
Vore mine siele, alse ic doet ben,
12390 Dore die wijsheit, die ic hen
[122101
Hebbe geleert met goeder onste.
lc bem seker dat dese conste
Met wiven sal sere verheven wesen,
Ende noch in menege stole gelesen.
12395
Lieve kint, ic sie harde wale, [12215]
12332 daer uut. 33 soe w. o. 34 soe. 35 Sone
s. soe n. d. 36 Maer s. teerst 1. sinken. A.
scinken. 37 Tmorseel t. soet in h. , gheheten.
39 E. o. soutsoe wachten h. 40 D. haer m. niet
v. 42 D. dranc w. 43 E. suverlijc -sal soe. 44
staet wel hets h. 45 haer w. v. dronkenscepe.
46 met orconscepe. 47 meesters. 48 niemen es.
49 een ontbr., twint. 50 stint. 51 Die haer v. 1.
den w. 53 Sine c. 56 D. m. s. h. alle. 57 diere
manieren. 59 Van slapene a. s. g. 60 Ter tafelen
daer si s. e. 62 sijns. 63 en ontbr., lange ontbr. 64
Sone s. t. m. haer bereiden. A. gereide. 65 W.
soe so 1. beide m. 66 D. een twint up h. e. r. 67
Soe s. souken. 69 up. 70 soe. 71 dontheit d. w.
angheet. 72 E. haer tanscijn. 73 soe. 74 e. al
tassaut v. minne. 75 vrucht v. minne s. soe 1.
76 Alsoe i. h. juecht. 77 soe verliest alsoe v.
78 Beede. 79 tide dien soe sal laten 1. 80 S.
van m. haer v. 81 E. doetsoe n. d. r. 82 II. s.
comen af. 83 assaelgieren. 85 af. 86 E. Kier af
h. m. r. 87 T. minsten d. v. willen w. 88 meenen 1. 89 Vor m. s. als i. d. bem. 90 Dor, hem.
91 jonste. 92 wel s. 93 Sullen s. v. w. 94 E. in
stolen noch ghelesen. A. lesen. 95 harde ontbr.
1 Rose, II. 89, 14361 (13623) :
Et si gentiment redoit boirre,
Que sor soi n'en espande goute ;
Car por enfrume ou por trop glonte
L'en porroit biers aucuns tenir,
• Qui cell verroit avenir.
Lees in vs. 12333: horde.
2 Rose, II. 89, 14366 (13628) :
Et Bart que jh henap ne touche
Tant cum ele ait morsel en bonche.
De lezing bij A: scinken, moet natuurlijk door
die van C vervangen worden.
3 Rose, II. 90, 14393 (13655) :
Car puffs que fame est enyvree,
Il n'a point en li de desfense,
Ains jangle tout quanqu'ele pense,
Et est h tons abandonee,
Quant h tel meschief s'est donee.
gl1
A. fol. 59 a. b.
Dat gi mine leringe altemale
Vaste in u herte bescrijft,
So datter twent buten en blijft,
Waer bi gi mocht, bi minen orlove,
12400 Coenlike lesen in alien hoven, 1 (12220]
Sonder rusten ende vieren,
Ondancs alien cansellieren,
Beide in cameren ende in spenden,
In salen, in kelren, waer gijt cont venden,
12105 Daert scone ende delytabel si. [12225]
Lieve kint, aldaer seldi
Informeren al uwe scoeliere,
Ende wisen ende leren die maniere,
Ende hoet u, data scole niet vaste
12410 En si gesloten jegen die gaste ; [12230]
Want soe men u liede sagen,
Soe men u scoenheit ware uutgedragen; 2
Van lieden diemen niet en siet,
Op hem en plechmen tachtene niet,
12415 Noch oec besocht ende begert. 3 [12235]
Dicke geet ter hoger kerken wert,
Ende doet daer u visitasien
Ten outre enter prosessien ;
Ten feesten, ten dansen ende ten reien
12420 Daer seldi gaen u vermeien ;
[12240]
Want u stolen liggen meest daer,
Ende daer sinct messe openbaer
Die God van Minnen ende die Goddinne
Haren dissiplen met bliden sinne ; 4
C. fol. 73 d.-74 a.
12425 Ende ere there gaet, seldi u maken [12245]
Behagel met al selken saken,
Die u ten besten siren mogen,
So dat gi alder lieden ogen
Na u doet capen, 5 waer gi gaet.
12130 Op strate sijt van scoenre gelaet, [12250]
Ende gaet rechte ende niet te sere :
Het steet wel ende oec eist ere ;
Ende gingedi tsachte, het sonde mestaen.
Mare gi selt soe cuescelike gaen,
12435 Ende tarden soe moielee die cassiede, 6 [55]
Dat u merken al die -liede.
Feitise, nauwe, gerene scoen
Die seldi dragen ende maken doen,
Want nouwe gescoite steet wel vrouwen,
12440 Die moieleke gaen in rechter trouwen. 7 [60]
Sloit u iet te lane u elect,
So dat u verre op derde geet,
So heffet op, en lates niet,
So datmen uwe voeten siet.
12445 Effene ende lichtelike seldi gaen, [12265]
Gi sulles prijs te meer ontfaen.
Eest dat ere vrouwen baecht,
Dat si enen mantel draecht,
Siene sal hare alsoe decken niet,
12450 Datmen hare anseijn niet en siet. [12270]
Dien mantel sal si met beiden handen
Houden, bets sede in vele landen,
Ende sal selcwile hare arme ontpluken,
12397 int. h. 98 S. d. een twint b. niet b.
99 moghet bi minen o. A. binnen o 12400 alle
hove. 2 cancelieren. 3 Beede, spenden. 4 kelres
w. ghi c. vinden. 5 delectabel. 6 daer suldi 7 In
formen. 8 al de m. 9 niet ontbr. 10 Niet si g. j. alle
g. A. sijn. 11 W. so hu min lieden s. 12 So huwe
s. wert min u 13 Want liede d. n. s. 14 Up h.
pleecht men t. n. 15 No werden ghesocht no b.
16 Gaet dicken t. h. k. waert. 17 E. d. d. uwe
ghebede. 18 T. o'itare ende processie mede. 19
Te f. te d. te r 20 D. suldi hu g. v. 21 W. hu
scole leeght. 22 D. singhet huwe messe o. A.
singmense. 23 Den G. v. M. e. ziere Godinne.
2 Ende siren jonghers. 25 E. eer ghire g. suldi.
26 sulken. 27 D. hu best verchieren m. 28 Ende
d. al der lieder o. 29 Up hu gapen. 30 Hebt up
die straten scoen g. 82 II. staet w. e. bets grote
e. 33 Ghingdi te sachte oec waert mesdaen. 34
Ghi suit oec so cuusschelijc g. 35 terden so moylijc die coutsiede. 36 alle. 37 Fatijtse n. gheriede
s. 38 So soudi. 39 staet. 40 moylijc g. in goeden
t. 41 Sleept hu t. langhe. 42 S. d. te v. up d.
g. 43 heffet up ende. 45 zuldi. 47 Eist d. e. v.
behaecht. 48 soe e. manter. 49 Sone s. haer so.
50 haer. 51 Den m. saut soe m. beeden h. 52
van den lande. 53 E. sulken tijt haer armen o.
1 Rose, II. 91, 14444 (13706) :
Et quant de moi departires,
Se Diex plest, encor en lires,
Et en seres mestre cum gie.
Ge vous doing de lire congie.
2 Rose, II. 92, 14459 (13721) :
Car quant plus h l'ostel repose,
Mains est de toutes gens veue.
8 De lezing van C is boven die van A te verkiezen. Lees mede in vs. 12413 met C : Want.
4 Rose, II. 92, 14467 (13732) :
Car en tex lens tient ses escoles
Et chante h ses disciples messe
Li diex d'Amors et la deesse.
De tekst van A is geheel bedorven, en naar
de goede lezing bij C. verbeterd.
5 Lees met C: gapen.
Cassiede, bij Kul. kassije, kassij-wegh, via
strata, Fr, chaussee. In Brabant is het woord
kassaai-weg nog zeer gebruikelijk.
7 Rose, II. 92, 14481 (13743 :
Et marche jolietement
De ses biaus soleres petis,
Qui faire aura fait si fetis,
Qui joindront as pies si h point,
Que de fronce n'i aura point.
Gereen is Kier een contractie nit geregen. Verg.
/A 34, vs. 2098, en aant. 3.
212
A. fol. 59 b. c.
Ende niet so saen den mantel luken,
12455 Maer pensen om den sconen steert [12275]
Vanden paeu, die hi heeft weert,
Ende maken vanden mantele den haren, 1
Die gevodert es altewaren
Met cleinen bonten harde wale,
12460 Ende tonen hare selven altemale [12280]
Den genen, die comen in haer gemoet,
Ende diese op hare musen doet.
Ende heeftse niet scone haer anscijn,
Soe saelt meer te deckene sijn.
12465 Grote vlechten van sconen hare, [12285]
Ende die gedragen openbare,
Dat steet vrouwen harde wel.
Ene vrouwe en sonde pensen el
Danne te slachtene der wolvinnen,
12470 Die scape gaet stelen ende gewinnen.[12290]
Om een, dat sire hebben wilt,
Sal siere hondert op een velt
Lopen op ende assallieren,
Om dat si niet en wilt faellicren,
12475 Ende niet en weet welt si hebben sal,
Vor dat sijt heeft te hare wart al.
Dus souden wiven hare netten slaen [12295]
Bi liste ende die manne vaen,
Dies si geweten niet en can
12480 Den welken, die hare sire minnen an:
C. fol. 74 a. b.
Ten minsten omme te hebbene enen,
Souden si hare netten slaen altenen [12300]
Om al te vane ; sine sonde niet messen,
Siene soude enen wander kermessen
12485 Hebben ochte meer bi avonturen ;
Want daer help sere der naturen, 2
Die hare sere soude maken den nodinnay, 3
Daer si of wesen soude gay. [12305]
Waert dat sire meer na hare toge,
12490 Die werken woude in hare boge, 4
Hoede hare dat soe spade no vroe
[12310]
Tere uren comen doe :
Sie souden hen bedroegen houden,
Alsi hen te gadre vinden souden,
12495 Ende souden hen daer bi verleden,
So dat si souden van hare sceden,
[12315]
Datse lachtren soude wel sere.
Ene vrouwe verliest lichte hare ere,
Ende selke mochte hare ontfaren :
12500 Het soude hare rouwen sere te waren.
Men soutse smeken ende lecken,
Ende al hare goet van hem trecken, [20]
Ende bringense in scoude ende in ermoede; 5
Ende selve dun waren alse die vroede,
12505 So dat si MiNe van haven rike,
So dat si namaels niemenne en wike.
En armen man en salse niet
[12325]
12455 peinsen, stert. 56 paeuwe dien h. h. so
wert. 58 ghevoedert. A. altemale. 59 cleenen b.
al te male. 60 E. toghe haer zelven harde wale.
62 E. die soe up h. merken d. 63 heeft soe,
anescijn. 64 te meer. 66 Entie draghen. 67 staet.
68 niet peinsen. 69 Dan, wulvinnen. 70 scapen
g. s. e. beghinnen. 71 Winnen o. e. d. soere h.
welt. 72 soere C. up dat v. 73 up e. assaelgie
ren . 74 soe n. e. wille faelgieren. Vs. 12475-76
ontbr. bij C. 77 die wijfs haer. 78 liste entie.
A. luste. 79 Omdat soe niet g. c. 80 Dien welke
soe hare m. jan. 81 om t. hebben. 82 Soude soe
haer nette s. alleene. A. tente. 83 sone. 84 Sone
louder. 85 Ofte meer h. b. a. 86 W. die aert
helpt s. d. n. 87 D. haer soude slaen d. nodenay.
88 D. soe soude w. -g. 89 soere m. dan eene
natoghe. 90 wilde in Karen. 91 Hoe dat. 92 T.
u. niet c. d. 93 S. s. hem hover b. h. 94 Als s.
hem t. g. vonden. 95 Soe soudso hem. 96 S. d.
siere omme s. sc. 97 D. 1. s. wee s. 98 haer.
99 sulc hi m. haer. 12500 haer r. s. twaren. 1
soudse. 3 brincse i. scouden e. i. aermoeden. 4
ware als de v. 5 soe. 6 Ende niemene daerna
e. w. 7 Eenen aermen m. sal soe n.
I Rose, II. 93, 14509 (13771) :
Et li soviengne de la roe
Que li paons fait de sa queue :
Face ausinc du mantel la seue.
2 Rose, II. 94, 14532 (13794) :
Car por ce qu'el ne puet savoir
Des quiex el puist la grace avoir,
Au mains por un it soi sachier,
A tons doit son croc atachier :
Lors ne tardera h venir,
Qu'el n'en doie aucun pris tenir
Des fox entre taut de milliers,
Qui li frotera ses illiers,
Voire plusors par aventure.
Cet art aide moult 11, nature.
Lees in vs. 12486 met C : die aert of daert.
3 Het origineel kan geen licht verspreiden over
vs. 12487-88, daar onmiddelijk na de verzen in
aant. 2 die van aant. 3 volgen. Kausler teekent
hierop aan : „nodenay, loll noch heute der Name
eines Tanzes sein." 1k vermoed eerder dat er
een obscoeniteit achter schuilt.
4 Rose, II. 94, 14542 (13804) :
Et s'ele plusors en acroche
Qui metre la veillent en broche.
5 Rose, IT. 94, 14550 (13812) :
Car au mains li eschaperoit,
Ce que chascuns aporteroit,
Et ne for doit jh, riens lessier
Dont it se puissent - engressier ;
Mais metre h. si grant povrete,
Qu'il muirent las et endete.
213
A. fol. 59 c.-60 a.
Minnen, so wat dat haers gesciet
Hets al verloren dat men mint
12510 Den genen, die en mach geven twent.
Sine sal hare herte niet leggen vaste
An en gene vremde gaste :
[12330]
Alsoe alse hi sine herte legt,
Neemt hijt weder ende ontsegt.
12515 Gelijc dat hi te herberge es
In menege herberge, sijt seker des,
So es sijn herte oec ongestade [12335]
Ende van harden onvasten rade ;
Mare alle wege, alse hi quame
12520 Ende hare iet brachte, dat sijt name
Ende sluten in hare coeffre vaste :
Men sal nemen altoes van gaste. [12340]
Hoede hare oec dat si nine minne
Noch en doe in haren sinne
12525 Dese behagalerde, diemen vint,
Want si en minnen nemmer twint.
[12345]
Wat si der ere laten verstaen,
Dat selve seggen si ere andre saen ;
Ende wat si seggen, alle sie lieges,
12530 Want si doent al om bedriegen,
Ende hen te rovene alle daghe. 1
[12350]
Ic hebs gehort menege clage
Van mageden, die si dus bedroegen
Ende met logenen ane hem togen.
12535 Coemt iemene met gelove vort,
Die hare gerne trocke ane sijn bort
Met sinen gelove, ende bidt hare minne,
[12355]
Si sal hem metten selven sinne
Weder doen een goet beheet ;
12540 Maer hoede hare dat si niet en geet
In stat, daer hi heeft gewelt,
Si en hebbe tirsten tgelt.
[12360]
Ontbiet hi hare met lettren iet,
Sie salse besien, en latens niet,
12545 Wat dat daer in gescreven staet ;
C. fol. 74 b.—d.
Ende ochte si es sonder baraet
[12365]
Gescreven al, ende op trouwd,
So sal hem weder scriven die vrouwe ;
Mar dat en sal niet sijn gedaen
12550 Sonder beiden, alsoe saen ;
Want beiden stoect, sijt seker des,
Den minneren, daert te lane nine es; [12370]
Ende alsi hoert van die bede,
En haeste hare niet to sere daer mede
12555 Hare minne tonthetenne altemale,
Mar salse houden in die wegescale.
Met sconen worden, die nine letten, [12375]
Salsiene in goeder hoepen settee.
So hise meer besoect van minnen,
12560 Ende sie hem niet en laet gewinnen,
Hi salse minnen vele meer
[12380]
Dan hi dede te voren eer.
Maer dat die vrouwe emmer wachte,
Dat sine houde met worden sachte,
12565 Ende sinen hope meerren doe.
Gevalt dat si coemt daer toe,
[12385]
Dat hi acordert met hare,
Si sal hem sweren openbare
Die doet van Goede menichfoude, 2
12570 Dat si hare minne noit yen woude
Niemen geven noch en onste,
[12390]
Die so wale bidden conste,
//Dan u allene, wel lieve here,
Want mi dwinct u minne sere,
12575 Dat ic mi selven u geven moet,
Dat ic en daede om en geen goet
En genen man, die es so geboren. [12395]
Menich heeft sine bede verloren
Ane mi, die ic hebbe ontseecht
12580 Ende altoes van mi geweecht ;
Ende, bi Gode, ic wane dat gi
[12400]
Algader hebts betovert mi." Dan es wel tidich sekerlike
Helsen ende cussen vriendelike ;
12508 dat ontbr. 10 Die niet gheven m. een
twint. 11 Sone. 12 eenen vremden. 13 Also als
h. sijn h. leeght. 14 en ontseeght. _15 herberghen.
16 sijts ghewes 18 harden ontbr. 19 Maer a.
weghen als. 20 E. yet brochte d. soet n. 21
haren confer. 22 M. s. altoes bloten g. 23 haer
o. d. so niet m. 25 behaghelaerde. A. bahagalerde. 26 nemmer. 27 Want s. d. e. doen v. 28
selve ontbr., der a. 29 si. 30 Sine d. maer. 31
E. hem te wriene. 32 ghehoort m. daghe. 34 an.
35 Comt iemen m. ghelovene voort. 36 D. gherne
quame an haren boort. 37 haer. 38 Soe s. m. s. s.
40 M. h. dat soe. 41 I. die s. 42 Soene h. teersten. 43 Ombiet h. h. bi 1. 44 So. 45 Ende
watter in. 46 of soe e. s. beraet. 47 G. e. al up
t. 48 de v. 49 Maer dan s. 50 zaene. 51 steect
des sijt gewes. 52 minre d. t. 1. niet e. 53 also
h. v. hem d. b. 54 Ende h. 55 tondecken. 56
Maer salne h. i. de w. 57 niet. 58 Sal soene. 60
E. diese h n. 1. g. 61 te m 62 D. h. te voren
d. e. 63 dat ontbr. 64 soene. 65 E. soene emmer
hopen d. 66 G. d. soere comet toe. 68 Soe s.
soe s. o. 69 D. d. die passie m. 70 soe. 71 Iemene
g. no en jonste. 72 wel. 73 Wan hu a. 1. h. 76
om g. g. 77 Gheenen, so ontbr. 78 M. man
h. sijn b. v. 79 Altoes d. 80 E. emmer v.
mi ontweeght. 82 H. al to male b. m. 83
tijt.
1 Rose, II. 96, 14584 (13846) :
Et pluseurs en revet lober,
eus despoillier et rober.
2 Rose, II. 97, 14621 (13882) :
Et qui taut set de guiles faintes,
Dieu doit jurer, et sainz et saintes,
214
A. fol GO a. b.
12585 Maer salsi doen minen raet,
Dats datse na tgoet emmer staet.
Sijs sot die hare lief nine pluemt [12405]
Van sinen goede ende scuemt ;
Want wiene meest geplumen can,
12590 Sake doegt meest .vinden an.
Sine geve hare niet goet penewert :
Datmen coept diere, dats wert; 1 [12410]
Want men prijst harde luttel iet
Die dine, diemen heeft om niet.
12595 Verliest went oec, men achtes twint,
Diesmen goeden coep gnoech vint :
Daeromme soutse hare vercopen diere.
[12415]
Maer ane tplumen soe legt maniere :
Si sal doen comen haerre joncfrouwen,
12600 Haren cnecht ende haerren vrouwen;
Hare voestre die ware quaet vergeten.
[12420]
Om dat si die stucke weten,
Ende hem condech sijn die saken,
Selense alle uut hem maken
12:;05 Cledren, pelsen, vedren ende gelt,
Na dien dat elc hebben welt.
[12425]
So selen sijt hem al ontien,
Tote dat sine in dermoede sien ;
Want proie vele teer tegeet,
12610 Datmen in menege hant ontfeet.
Daerna sal comen die cameriere,
Ende hare tale beginnen sciere [12430 j
Ende seggen : ,Here, bi wat saken
En doedi niet mire vrouwen maken
12615 Cledre ? — gi siet sire breke heeft, —
Hoe coemt dat gise hare nine geft?
C. fol. 74 d.-75 b.
Woude sijt doen dore selke, die gi [12435]
Wel kent ende hier woent bi,
Sie ware gecleedt in allen sinne
12620 Alse wel alse ene coninginne,
Ende soude met sambusen riden. 2
Vrouwe, gine sout u niet vermiden [12440]
Hem cledre te eischene, gi hebter breke ;
Hets om sine ere dat ics hem spreke,
12625 Want u scamelheit es so groet,
Dat gijs sout alto groten noet
Hebben, eer dat gijs hem claeget." [12445]
Hoe wel dat hare diere tale behaget,
Si salse heten swigen stille.
12630 Bi avonture, es hi tonwillen
Om tgoet dat hi hare heeft gegeven,
Ende hem selven so luttel es bleven, [50]
Ende si ane heme wart geware,
Dat hi en wilt leggen meer an hare,
12635 Dan sal si hem ernstelike bidden altenen,
Dat hi hare X T wille lenen :
Si salse hem weder geven saen. [12455]
Dat salsi sweren ende doen verstaen ;
Mare hets jegen mijnt gebot,
12640 Gevent weder, sepmi Got ! 3
Alse coemt hare ander lief te hare,
Diere si heeft vele binnen den jare, [12460]
En genen en salsi trouwe dragon,
Maer sal hem met rouwen clagen,
12645 Dat hare beste cledre staen
Te persseme, ende si sullen saen,
Staen si lange, verpersemt wesen : [12465]
Des en conste si niet genesen,
Soe rouwich es hare therte binnen,
12585 M. alsoe d. 86- dat soe. 87 Soe es s.
d. haer 1. [niet p.] 88 sinen. A. baren. 89 wie
so. 90 Daer sal soe meest dogheden v. a. 91 Ne
g. haers n. goede penewaere 92 D. diere c. heeft
men waert. 93 wel lettel. 95 men. 96 ghenoech.
97 soudsi hem. 98 ant pl. gaet m. 99 Soe, hare
joncfrauwe. 12600 Haer joncwijf of hare vraawe.
1 die ontbr. 2 hare sticken. 3 E. si hem kenlijc
s. de s. 4 Sullen si. 5 Cleedre p. voederse. 7
sullen s. h. alle. 8 in der aermoede. 9 teer vele
tegaet. 10 Diemen i. menigher h. ontfaet. 12
woort. 15 Cleeder g. s. dat soere. 16 comt d.
ghire haer niet en gheeft. 17 Wilde soe d. der
sulkers dien g. A. Wouden. 18 w. bier b. 19 Soe,
zinnen. 20 Ghelijc eere coninghinnen. 21 sambuwen. 23 cleeder teesschene g. hebt. 24 omme
sijn e. d. is s. 25 huwe scamelhede. 26 grote.
A. sout hebben. 27 H. heere d. ghijt. 28 H. w.
haer der talen b. 29 Soe s. 30 Masscien hine
heves gheenen wille. A. si. 31 Ende torent hem
d. hi h. g. A. hem. 32 E. h. es s. lettel b. 33
E. alsoe an hem wert g. 34 D. h. wille I. an h.
35 soe neerenstelijc b. alleene. A. si hare. 36 pont.
37 Soe. 38 D. sal soe segghen. 39 Maer het es.
40 Gheeft merit w. alselp mi God. 41 Als c.
haer. 42 Dier soe h. v. binden j. 43 Gheenen e.
sal soe. 46 persemen e. dat s. 48 Dies e. can
is n. g. 49 So rauwich es haer herte b.
1 Rose, II. 97, 14641 (13209) :
Car qui miex plumer le saura,
C'iert cele qui mieldre l'aura,
Et qui plus iert chiere tenue,
Quant plus chier se sera vendue.
2 Rose, II. 98, 14678 (13934 :
Comme roine fust venue
Et chevauchast k grant sambue.
Sambue is paardedek, en ook een ,,sorte de
char k l'usage principalement des dames, litiere."
Zie Du Cange (Ed. Henschel) VII. 296, en ook
Rom. v. Limb. Gloss.
2 Rose, II. 99, 14698 (13945) :
Mes Men est par moi desfendu
Que jambs riens n'en soit rendu.
Lees met C: Gheeft mew weder.
215
A. fol. 60 b. c.
12650 Ende hi en mach van hare gewinnen
Stucken, die hi ane hare begert,
Hine quite die cledre, die si heeft so wert.[70]
Die knape, hi en si al te vroet,
Ocht hem en si ontfallen sijn moet,
12655 Hi sal quiten haren pant
Op die stat aldaer te hant,
Ochte hi sal elre tgelt finieren, [12475]
Daer hise met sal dilivereren ; 1
Maer alsi heeft van hem dat gelt,
12660 So mach si met hem doen dat si welt.
Den derden sal si dus voren mede
Ende eischen hem cledre ende scoenhede,
[12480]
Ende gelt dat si verteren moet,
Ende om sinen wille verdoet.
12665 Eist dat hi hare nine geeft,
Ende seit dat hijs daer nine heeft,
Ende hi hare sweert wat hi mach, [485]
Dat hijt hare op den andren dach
Bringen sal, hets al gelogen :
12670 Geloeft sijs hem, si blijft bedroegen ;
Want si maken alle haer sceren,
Wat si geloven ende vat si sweren; [490]
Namelic die gene, die sijn putiere,
Hebben menichwerven diere
12675 Meer sante versworen, valscer wijs,
Dan daer nu es int paradijs.
Gevalt dat hi mach geven niet, [12495]
Van hem so trect emmer iet ;
Ten mensten doettene al te hant
12680 Om wijn senden sinen pant,
Ochte ga elre clinken slaen, 2
—Daer en mach hi niet langer staen—[500]
Ende gaen en wege sire straten.
C. fol. 75 b. c.
En gene en sal hare bloedelike laten,
12685 En ware alsi hare lief ontfingen:
Dan soutsi beven sonderlinge
Met alden leden, ende doen verstaen, [505]
Dat sine met ancsten heeft ontfaen
Dore haren man ocht dore hare mage,
12690 Dat si alte sere ontsage ;
Want wisten sijt, si ware verloren.
Sie salve inlaten ter venstre voren [510]
Al heimelic met groten vare,
Alse ochte soe in groten ancsten ware,
12695 Ende sweren, hine mach daer bliven niet
Om dine negene, die hare gesciet,
Ende salve emmer van hare weren : [515]
Hi salse alse vele to meer begeren.
Ende als sine wel te hare wert heeft,
12700 Dat hi hare grote gichten geeft,
Dan so radic wel, bi Gode,
Dat soe blive te sinen gebodc ; [12520]
Maer altoes gedunke des,
Alse hare lief te hare comen es,
12705 Dat si tirsten wachten sal
Die strate voren ende over al,
[12525]
Ende alsi niemene can gesien,
Diese wachten mach ochte spien,
Dan salsine bloedelike laten inne,
12710 Ende sal hem met erren sinne
Lopen op met talen sere,
Ende sal seggen : ,Waer hebbedi, here, [30]
Dus lange gemerret ? nu wetic wel,
Dat gi elre hebt gehadt u spel
12715 Met ere andre dan met mi,
Die ic nine weet wie sie si,"
[12535]
Ende dat hi sere es ondeert,
Sint hi sine herte heeft gekeert,
12650 hine m. v. haer. 51 Sticken d. h. van
haer b. 52 de cleeder d. so h. w. 53 hine. 54
Of, goet. 56 Up. 57 Ofte s. ander ghelt f. 58
mede s. telivereren. 59 Ende alsoe. 60 S. m.
soe doen d. hi w. 61 voeren. 62 heeschen. 63
soe. 64 omme. 65 niet en g. 66 hijs niet en h.
67 zwert. 68 up dien. 69 dats a. 70 roes h. soe.
72 wat si ontbr. 74 Si h. m. waerven. 75 santen
v. sijts wijs. 76 Danre nu sijn. 78 hiet. 79 minsten doetem. 81 Of elre gaen c. zaen. 83 E. ga
wech ziere s. 84 Ghene e. s. haer blodelijc ghelaten. 85 als soe haer 1. ontfinghe. 86 soudse.
88 soene heeft m. anxte bevaen. 89 Om hare
vriende ende m. 90 Die soe. 91 so w. 92 Soe
s. laten ten veinstren. 93 Ende heymelike. 94
Of s. groeten anxte w. 95 zweere. 96 0. gheene
d. 97 En. 98 H. s. vele te mee. 99 soene w.
t. haer waert. 12700 Ende hi haer ghiften g.
1 rade ic. 3 ghedincke. 4 Als haer I. t. haer.
5 soe teersten. 6 straten. 7 alsoe niemene. 8
moghe of. 9 sal soe blodelijc. 11 Loepen up.
12 hebdi. 13 ghemert. 14 hebt elre. 16 Dien i.
niet w. wien dat soe s. 17 soe s. e. onteert.
18 sijn.
1 Rose, II. 99, 14711 (13967) :
Et li vales, se moult n'est sages,
Por quoi pdcune li soit sorse,
Metra tantost main h la horse,
Ou fera quelque chevissance,
Dont li gage auront delivrance.
Finieren, OFr. finer, ML. finare, is opnemen.
tie du Cange (Ed. Henschel) III. 298 i. v.
finare; Roquefort, Gloss. I. 601.
2 Rose, II. 100, 14738 (13994):
Au mains puisqu'il n'a que poier,
Face au yin son gage envoier
Por dens deniers, por trois, por quatre,
Ou voise hors aillors esbatre.
Over de uitdrukking clinken
bl. 163,
aant. 2.
216
A. fol. 60 c. d.
Ane ene andre dan ane hare,
12720 Dies si wel worden es geware;
Ende alse dese tale hort die sot,
[12540]
Hi sal wanen, alselpmi God,
Dat hare coemt van starker minnen,
Die si te hem draecht in alien sinnen,
12725 Ende es van hem jaloser meer
Dan was Wulcanus wilen eer
Van Venuse sinen getrouweden wive, [45]
Die Marse vant bi haren live
Recht op tspel vander minnen.
12730 Die een wijf waent gewinnen
Allene ende hebben, hi es onvroet.
Venus en hadde herte no moet, [12550]
Dat si minnen mochte Wulcane :
Soe lelic soe was sine gedane
12735 Vander smesse, daer hi in wrachte.
Die vrouwe si was suete ende sachte,
Ende wiste al die conste van wiven, [12555]
Ende wat si jagen ende wat si driven.
Nu verstaet ende willet horen :
12740 Alle wijf sijn vri geboren,
Die hen die Loy heeft benomen,
Waneer dat si te huweleke comen, [12560]
Die hem nature hadde gegeven
Om te durne al haer leven. I
12745 Nature si es harde vroet ;
Waendi, dat si wassen doet
Ende leven .gevet Marione
[12565]
Allene omme Robechone,
Ochte Robbechone om Marietten,
12750 Ochte Tibaut omme Piretten? 2
C. fol. 75 c.-76 a.
Si heeft ons alien, data openbaer,
Gemeine gemaect, dat es waer, [12570]
Alle omme alle jegen welken,
Deen omden andren gereet tsine elken. 3
12755 So alsi ter wet wart tien
Met huweleke, die hem mach gescien,
Om te scuwene dorperhede
[12575]
Ende om te voedene die vrocht mede
Dan doensi grote behendicheit
12760 Om weder te convene in hare vriheit.
Sinse vrouwen ochte joncvrouwen,
Dit poent hebbense able, en trouwen, [80]
Datsi hare vriheit na harre macht
Houden willen met haerre cracht,
12765 Daer menich quaet of es comen,
Datmen hier vormaels heeft vernomen,
Dier ic meer dan hondert soude [12585]
Nomen, opdat ic woude.
Hier voren over menegen dach,
12770 Alse een man een wijf Bach,
Die hem behagede, hi namse saen ,
[12390]
Ende wart hi niet wederstaen
Van iemenne, die starker was dan hi,
So hilt hise ende lager bi.
12775 Dicke vochten sire omme ende bleven doet,
Die wijf bleven in sorgen groet,
Ende lieten hare kinder dwalen int lant. 4
[12595]
Dit duerde tote datmen huwelic vant,
Die vonden was vanden vroeden,
12780 Die altoes na wijsdoem stoeden.
Menige bataelge heeft om vrouwe
12719 An, an. 20 soe w. w. was. 21 als d.
t. hoort. 23 haer comt v. sterker. 21 Diese. 25
haer jalouser. 26 D. Vulcanus was. 27 Venus s.
ghetrauden. 29 R. up dat sp. van m. 31 Ende a. h.
33 soe. 84 soe ontbr. 35 smessen. 36 D. v. was
scone 38 Wat s. j. ende d. 39 wilt. 40 wijfs.
41 Ende dit 1. es hem ghenomen. 42 Wanneer
si te huwene c. 43 heeft. 44 duerne. 45 soe.
46 soe. 47 gheeft Mairoene. 48 Om a. R. 49 Of
R. om Maroten. 50 Of Gherberghen om Pyroten.
51 Soe h. o. a. o. 52 Ghenieene g. dats w. 53
Al om a. jeghen w. A. alle omme j. 55 als si t.
w. waert t. 58 E. o. de vrucht te voeden m. 59
behendichede. 60 comen in haer vrihede. 61 Sijn
si v. of. 62 point hebsi a. 63 vrihede met hare
cracht. 64 Willen h. met harer macht. 65 es ave
c. 66 N. wel up dat. A. opdat dat. 72 En. 73
sterker es. 74 en Lacher. 75 Dicken vochtsire.
76 wiven. 77 haer kindre dwasen. 78 Dat d. t.
men. 79 Dat. 81 betaelgie.
I Rose, II. 102, 14822 (14078) :
D'autre part, el sunt franches 'lees ;
Loi les a condicionees,
Qui les oste de for franchises,
Oh Nature les avoit mises.
Die in vs. 12741 heeft betrekking op *het
denkbeeld vriheit, dat evenwel niet in den tekst
staat.
2 Over de populaire personen van Robin en
Marion, zie Francisque Michel, Theatre frangais
au moyen age, 26-48; Dr. de Jager, Taalk. Mug.
HI. 201.
3 Rose, II 103, 14832 (14088):
Ains nous a fait, biau fibs, n'en doutes ,
Toutes por tons et tour por toutes,
Chascune por chascun commune,
Et chascun commun por chascune.
4 Rose, II. 103, 14854 (14110) :
Car quant chascuns jadis veoit
La fame qui miex li seoit,
Maintenant ravir la vosist,
Se plus fors ne la Ii tosist ,
Et la lessast , s'il Ii pleust,
Quant son voloir fait en Bust ;
Si que jadis s'entretuoient,
Et les norretures lessoient,
217
A. fol. 60 d.-61 b.
Geweest ende noch sal, en trouwe, [12600]
Alse lange asst die werelt sal duren .
Besiet die craeht van naturen,
12785 Hoe dat si werct menichfoude :
Vaet enen vogel vanden woude,
Ende doettene in ene gaiole vermaken, 1 [05]
Ende plechtene wale van alien saken,
Ende singe daer in ende es blide,
12790 Nochtan sal hi tallen tide
Weder begeren int wout te sine,
Ende sal soeken ende doen pine, [12610]
Hoe hi van dane ontfaren mach :
Dats sine begerte nacht ende dach,
12795 Om weder to comene in sine vriheit.
Dit es bi alien wiven geseit,
[12615]
Die altoes pinen ende pogen, Hoe si weder vercrigen moegen
Hare vriheit, die si hadden te voren,
12800 Daer si met waren geboren.
Aldus soe eest vanden man,
Die geet in dordenen ende doet an [12620]
Dabijt, dat hem es namaels leet ,
Ende van rouwen hem versleet ,
12805 Ende claecht ende weent nacht ende dach,
Ende penst hoe hi vercoveren mach
Die vriheit, die hi verloren heeft. [12625]
In wat ordenen hi hem begeeft,
Die wille hine sal niet tegaen,
12810 Men houdene nemmer so vaste gevaen.2
Ili slacht den sotten visch to waren,
Die inden aelcorf sonder sparen [12630]
Cruep dore die kele, ende hine can niet
Weder gekeren, wat sijns gesciet.
12815 Namelic aldus gedaen leven
C. fol. 76. a. b.
Hebben die gene die hem begeven;
Sine connen caprune so groet gemaken,
[12635]
Nature sine moet emmer waken
In elcs mans herte. Dan es hi doet,
12820 Alse hem falliert die vriheit groet,
En doe onse Here bi sire genaden,
Diene in doegeden wille beraden : 3 [12640]
Nature en lieght niet, si es so vroet,
Die hem vriheit kinnen doet.
12825 Orasius doet ons verstaen,
Dat Nature es so gedaen,
[12645]
Dat alreande creature
Trecken wille na hare .nature :
Dat en selense laten niet,
12830 So wat vernoye dat hem gesciet.
Hier bi terechte Venus soude
Onsculdich sijn, want si woudd [12650]
Hanteren ende doen hare vrihede,
Ende oec allene vromichede, 4
12835 Die hare vriheit willen plien,
Al brekense huwelic mettien ;
Want die Nature doetse wecken, [12655]
Diese ter viheit wart wil trecken.
Lieve kint, die name ene catte,
12840 Die noit ne sach mues no ratte,
Ende nauwe van muson ware gehoedt,
Ende verweindeleke ware gevoedt, [12660]
Ende worde si ere mues geware,
Dat si liepe neven hare,
12845 Si soudse sonder twifel vaen
Ende al hare gerechten laten saken :
Men mochte met en genen saken [12665]
Tusschen hem beiden den pays maken.
12782 sal sijn en trauwen. 83 Also 1. als sal
de w. d. 84 van der. 85 soe. 86 in den w. 88
pleght sijns wel. 89 singhe. A. singen. 93 daer.
94 D. s. b. alden d. 95 Dits. 99 A. hadde.
12800 Ende d. soe mede was g. 1 eist. 2 gaet
in doordine. 3 Tabijt d. h. n. es 1. 5 A. waent,
nach. 6 peinst h. h. vercoeveren. 8 ordinen. 9
D. w. en s. n. vergaen. 10 houden. 11 twaren.
12 hale coorf. 13 dor de k. e. can n. 14 keeren
vats g. 15 Namelijc dusdaen 1. 16 de g. 17 ca-
proen so goet. 18 N. en m. 19 want hi es d.
20 Als h. faelgiert sijn vrihede g. 22 in sijn
doghen wil. 23 N. lieght n. soe s. v. 24 vrihede
kennen d. 27 creaturen. 28 willen te barer n.
29 sullen si. 30 dat ontbr. 32 Ontsculdicht wesen w. soe w. 33 Antieren. 34 alien vrauwen
mede. 36 breken si. 38 waert wille. 40 en s.
A. no. 41 nauwe ontbr. 42 E. verweendelike
ghebroet. 43 E. wertse. 44 soe. 45 Soe. 47 m.
gheere s. 48 beeden.
1 Rose, II, 104, 14888 (14144):
Li oisillon du vert boscage,
Quant it est pris et mis en cage.
2 Rose, II, 105, 14923 (14179):
Car la volente ne se mue
Por nul habit qu'il puisse prendre,
En quelque leu qu'il s'aille rendre.
3 Rose, II. 106, 14955 (14211) :
Ne jh tant faire ne saura
Grant chaperon ne large aumuce,
Qup Nature ou otter ne se mute,
Lors est-il mors et mal-baillis,
Quant frans estas li est faillis,
S'il ne fait de neccessite
Vertu, par grant humilite.
4 Lees met C :
Ende oec alle vrouwen mede.
Rose, II. 107, 14976 (14232) :
Ce doit moult Venus escuser,
Quant voloit de franchise user,
Et toutes dames qui se geuent,
Combien que mariage veuen$,
218
A fol. 61. b. c.
Die oec een volen houden woude,
12850 Dat en gene merie sien en sonde,
Vor dat tsinen tide quame,
[12670]
Ende die dan merien name,
Ende daedse te hen wart gaen,
Het sonde jegen hem lopen saen,
12855 Ende soude neyen alse hise sage,
Ende dit en es noch truffe no sage, —
Niet allene jegen grisen, [12675]
Dat hise soude vor dandre prisen
Jegen hem alien loept hi gemene,
12860 Niet sonderlinge jegen ene ;
Miter loept te blassen ende te lierde,
Ende salse alle willen aneverden, [12680]
Ende alle springen ende assellieren.
En