Vax | VZL-901 | Bekijk het PDF bestand.

Bekijk het PDF bestand.
DIE
BOTIC VAN SEIJEN .
EEN MIDDELNEDERLANDSCH ZEDEKUNDIG LEERDICHT,
NA KAUSLER,
VOLGENS HET COMBURGER HANDSCHRIFT
OPNIEUW UITGEGEVEN EN TOEGELICHT
DOOR
W . H . D . SURINGAR .
LEIDEN,
GEBROEDERS VAN DER HOEK .
1891 .
DlE BOPC Yl5 8EDES.
LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.
D 1E
B0Pf VA X 8E9EX.
EEï 1lggELïEgEsLàïg8Cë/EgEàgïglCLEEZZICLT,
N A KA U SLER ,
Y O LR E N S H E T CO M B U R G E R H A N D SO H R IF T
OPNIEUW UITGEGEVEN EN TOEGELICHT
DOOR
W . H . D. S U R I N G à R,
L E ID E N ,
GEBROEDERS VAN DER H OEK.
1891.
Istdat ic yetscrive hier in
Dat den enen of oec den anderen
Nieten ghenoecht,die mach gaen wanderen
Ende latentanderen luden lezen,
Dien dit donct bequamelic wesen.
DER MINNEN LO> 111,14.
Bi
j de intrede van mijn zes-en-tachtigste levensjaar
heb ik het nog eens gew aagd
en dit zaldan OOk w e1
de laatste maal zijn dat ik zulks durfOndernemen een gedeelte van de letterkundige Onderzoekingen,w aar-
mede ik mij in den laatsten tijd heb bezig gehouden,
door den druk bekend te maken; daarbij gemoedelijk
vertrouw ende dat het lezend publiek aan dezen arbeid
geen naindere goedkeuring zou willen schenken dan aan
mijne vroeger uitgegevene geschriften istebeurtgevallen.
Daartoe zou ik echter thans niet hebben durven beslui-
ten: hadde ik mij niet voorafnaogen verzekerd houden
dat het mij niet Ontbreken zOu aan den bijstand van
'
bevriende letterkundigen, w elken ik Op mi
jnen leeftijd
en bij mijn sedert lang verzwakt gezichtsverm ogen,alte
zeer gevoelde te zullen noodig hebben.
Zoodanigen bijstand!als ik meest behoefde,heb ik tOt
mijne blijdschap: gereedelijk gevonden bij een viertal
mijner daartoe aangezochte vrienden ; t.w . de heeren
Dr.J.VERDAM,hoogleeraar te Am sterdam ,Dr.W .N .ou
Rlzu en Dr. S. G. DE VslEs, bestuurders der Leidsche
Universiteits-bibliotheek: benevens Dr. L. J.SURINGAR?
leeraar aan het Gym nasium te Am sterdam , hebben m iJ
m et de m eeste bereidvaardigheid hunnehooggewaardeerde
diensten bewezen : deels door mededeeling van m enige
belangrijke opmerking en terechtwijzing;deels door bezorging van zeldzam e boeken en handschriften uitbinnenen buitenlandsche bibliotheken ;deels doorhetverbeteren
der drukproeven: waarvan de terugzending m eestal van
goede w enken vergezeld ging. VOOr dit alles betuig ik
gaa
be
wus
rnetoaolksi
hi
ker
betnerda
pt
la
,ait
ndi
see
mi
njdi
netngve
esc
rh
sc
rh
if
ul
tdi
va
gn
demi
nj
dama
nkg;
W
bevonden w orden niet zonder verdienste te zi
jn:deze
voor een gedeelte aan die heeren m oetw orden toegekend.
De uitvoering der taak: die ik Ondernom en heb, heeft
ondershands eenen grooteren om vang gekregen dan ik
mij had voorgesteld - te groot misschien als men eene
vergelijking wi1maken m et andere bewerkingen die tOt
dusverre Op dit gebied geleverd zijn.Het is mij daarbij
Opnieuw gebleken:hOe moeilijk het is zich niet door de
liefde voorzijn werk te laten meesleepen en luisterende
naar het H eus fv: manum de JJ5'
lII@,zich enkel tOt eene
voldoende keuze te bepalen uit hetgeen m en m et zorg
in zijne Adversaria had bijeengebracht.
W anneer ik dus nu mijnen arbeid:zooals die gedrukt
V00rmijligt:met00n Onparti
jdig O0g doorloop - alzOu
men mij willen geruststellen met de verzekering dat in
de bewerking van een stuk van beperkten omvang:gelijk
het hier behandelde, eene grootere uitvoerigheid zonder
bezw aar kan geduld worden:en dat er wellicht genoeg
lezers zullen gevonden w orden die niets m inder zouden
verlangd hebben - dan witik toch echter nietOntveinzen dat ik zeer goed gevoel: dat veelvan mijne aanteekeningen voor m enigeen zonder schade had kunnen
worden weggelaten. Doch hOe dit zijn moge: daar nu
toch eennaaal gedane zaken geen keer kunnen hebben en
evenm in in een gedrukt w erk kan geschrapt worden,
zOo blijft mi
j niet anders over dan den geleerden lezer,
die hier te veel vindt Opgedischt, te mijner verschooning tOe te voegen - w at Ook Vader CATSgedaan heeft,
toen hij Ontwaarde datde Verzameling zijnervan heinde
en verre te zam en gebrachte Spreekwoorden wel wat al
te groot w as uitgevallen
M eynt yem ant desen boeck te langh of grootte w esen,
Die maghjinden hy wil,alleen maer weyigh lesen.
IN L E ID IN G.
In hetvermurde C om bu rger H andsch rift,dat thans
in deOpenbareKoninklijkeBibliotheekteStuttgartberust,zijneene
groote m enigte Y ddelnederlandsche gedichten bewaard gebleven,
die,vroegermeerendeelsonbekend,nu ruim 40jarengeleden,door
KAcslaKa werden in het licht gegeven.Daaronder bevindt zich een
m oraliseerend leerdicht zonder opschrift,doch wat de dichter zelf,
wiens naam onbekend is,in den aanhefgenoemd heeft D en B ou c
van Seden. Ditgedicht,dat mij reedsbijde eerste kennisneming in meerdan één opzichtvrijbelangrijk toescheen?heeft
mi
j weldra tot eene opzettelijke behandeling aangelokt;nlethet
minst daarom,dewijl ik vermoedde de bronnen te kunnen aanW i2
-zen, w aaruit deze dichter geput heeft. De bewerking alzoo
door mijondernomen en nietzondergunstige uitkonlsten,zoo ik
vertroum ten einde gebracht,wordt thans den Lezer aangeboden.
W ie de vervaardiger geweest is van dit leerdicht,is geheel
onbekend, doordien geenerlei, noch inw endige noch uitwendige
M nduiding voorhanden is, die tot eene gerechtvaardigde gissing
zou kunnen lei
den.We1heb ik mijeen oogenblik gevleid,datik
op weg w as den nM m des dichters te kunnen opsporen,toen ik
was gewaargeworden!datin de A naleeta van MATTHAECSeen gedeelte van dit leerdlcht was m edegedeeld.Daar toch staat afge-
drukteen historisch gedichtje van 24 regelsDeD:IJ6NWV- rebellïpn: contra Dvc:- A lbertum :
M s men c1a.œ c schreef
Ende Lvm .so bedreeF
Dat Hertoch Aelbrecht wert gecoren
Ruwaert, a1s ghi mocht horen
M s van Hertûch W o ms w eghen e.z.v.
waarop dan onmiddellijk eenige verzen van ditleerdichtvolgen
met het opschrift: Eiundem dvpfA uotorh SAyf-fquidegvvpfvr.
Nu meen'
de ik langs dien weg den naam van onzen dichter te
zullen vinden, zoo ik slechts kon te weten kom en llitwiens pen
dat voorafgaan; gedichtje gevloeid was.Doch ditheeftmi
jniet
mogen gelukken,en evenmin mi
jnen desungundegerudpleegden
vrienden. Bi
j nader inzien echteris mij die teleurstelling niet
zoo bi
jzonder groot voorgekomen,daar ik berekende datuitdie
ontdekking niets m eer zou kunnen bewezen worden dan wathet
gevoelen van M ATTHU CS geweestis,hetgeen toch ook we1 geen
anderen grond zou kunnen gehad hebben dan dathijbeide stukken gevonden had in hetzelfde handschrift,wellicht op eenzelfde
bladzijde,achtereenvolgend geschreven;waarom alzoo mochtvermoed w orden, dat alleen om die reden de genoemde inlichting
boven die verzen door hem zou geplaatstzi
jn.En datditvermoeden met den werkelijken toestand overœnstemt,zalblijken,
wanneerik laterditFragmentopzettelijk zalbespreken.
Bi
j hetvolslagen gemisvan aanwi
jzingen zaldusdenMm van
onzen Moralistvooreerstonbekend blijven in afwachting datwellicht te eeniger tijd een afdoend bewijsuiteen ofander thans
nOg Onbekenden hoek voor den dag komt;zoodatwijons intusschen zullen moeten behelpen met hem, in stede zijns naams,
slechts te noemen onze Dichter, onze A prclfdf, onze Zedemeeuter.
Doch hoezeer de nM m des vervu rdigers onbekend is, en m en
evenmin den juisten leefti
jd des dchters bepien kan a1shet
gewest waarin hi
jgewoond heeft,toch heeftditleerdichtgenoep
zame waarde in zich zelf.zonder dat het die aan de verm aardheid van den maker behoeft te ontleenen.Hierin im mers vindt
men belangwekkende Lessen van levenswljsheid vooronderscheidene toeshnden, in grooteren gehle dan ergens eldersbi
jeengebracht, die ons in menig opzicht kunnen bekend maken met
de maatschappelijke denkbeelden in de veertiende eeuw en de
hoogte aanwijzen van de'destijds heerschende beschaving,geli
jk
ook van detoen gebruikelijkemaniervan hetopvoeden derjeugd.
Daarbi
j heeft het ook deze verdienste,datonder alle deze voorschriften niets gevonden wordt wat met de algemeene m oraalvan
eenige natie in strijd isofiemand eenigen aanstootgeven kanen
dat verreweg het meeste ook thans n0g als eene welmeenende
wumchuwing voor hetkwaad,ofalseenevaderli
jke opwekking
totde deug; beschouwd mag worden en door iedereen betracht:
ofschonn er som s een en ander onderdoorloopt?watinonzedagen,
bij de meerdere ontwikkeling des volksj nlet noodig geweest
te worden voorgeschreven.
Dat intusschen in een dichtstuk van dien ti
jd en waarin zoodanig onderNzerp behandeld Nzordt,geen hooge vlucht ofh1 van
s/aro
dichterlijke schoonheden kunnen verwachtworden)behoehnauweli
jks gezegd. Daarom mag het dan ook reeds,om genoegzum
geachtteworden,volkomen voldoende zi
jnjindien hetblijkt,dat
de dichter,om zjne denkbeelden medetedeelen,eenegoedekeus
van Azoorden heeft gedaan en die in vloeiende verzen saulengevat
en daarbij geenebastaardwoorden qebezigd heeftdan slechtsdie
welkeindespreektaalvan zijnentljdalgemeen ganjbaarwaren;
dat hij voorts spaarzaam geweest is in het gebrulk van stopwoorden,die elders in Mnl.gedichten zoo m ei gvuldigvoorkom eng
en zi
jn werk nietontsierd heeftdoorhetinlasschen van dlerlel
noodrijmen,wurin toch meestalnietsgezegd wordt;en eindeli
jk
door genoegzame afwisseling van stMnde en sleeponderi
jmen de
eentonigheid vermeden heeft.
Kan nu ook alin deze opzichten de wèlverdiende lofaanonzen
dichter niet worden ontzegd, zoo is er evenwel in diens werk
het een en ander NTat ienaand gaarne anders zOu geNienscht hebben. N% r het oordeel toch van den vorigen uitgever,die dit
gedicht overigens voor een wè1 geslaagd Azerk verklaart, ZOM
de vervaardiger hier en daar te weinig zorg gedragen hebben
VOOr de vereischte zuiverheid van het r
ijnz. In hoeverre rzen
*
die nietverder omschrevene aanti
jging - zie hierbeneden
bl.xx - za1 kunnen berusten,moge uitdevolgende bi
jzonderheden blijken.
1.Vooreerstdan isonze dichternietvrijtepleiten zichmeermalen veroorloofd te hebben onzuivere rijm en voort te
brengen. Deze toch, hoezeer zi
j meestalsdichterlijke vrijheden
verontschuldiging vinden, kunnen niet vri
j loopen van de verdenking dat zi
j aan onachtzaamheid of aan onmacht van den
dichter te wijten zijn: indien zi
j althans nietop rekening der
Overschri
jverskunnen gesteld worden.Van zulkeonzuivereri
jmen
m
of z.g. A n,
notaneen - w elke dan ontstaan, als de slotwoorden
van twee regels die behoorden te rijmen,we1nagenoeg dezelfde
vocalen hebben,maar die van andere consonanten vergezeld zi
jn,
dan welke noodig waren om den overeenstemmenden klank te
leveren - worden in ditdichtstuk de volgende voorbeelden >ngetroFen :
v.l55:sparen - aermen.
Ql5:roem - doen.
453 :machte - lachter.
483: anderen - standen.
503:bewachten - lachter.
55l:doen - toe.
v.589:steden - neder.
635:drinct-- twint.
76l:vergeten - betren.
859:laten - dwater.
931:twint- brinct.
1099:nemene - gheuene.
Zonder twijfelzi
jn zulke afwijkingen van den algemeenenregel
thans wel als fouten te beschouwen; doch indien men onzen
dichter daarom wi
lde veroordeelen,dan zou welbijnageen dichtstuk van dien ti
jd den toets van zuiverheid kunnen doorsfMn.
Voorbeelden van Assonance in den Diet8eheDpcfripcl:worden door
JONCrRLOET Opgegeven in de Inleidng bl. L= e.v. en in den
Reinaert, zie Inleiding bl.xv v e.v.; in D er M innen Zpe, door
LEENDERTZ bl. n vIIl; in den Ferguwt door VERDAM in de Inl.
bl.x= v.Zie voorts HcvoEc.Op Stoke Ily266.
2.In geen m inderen getale worden hier voorbeelden gevonden
van hetz.g.r#ker#m - hetwelk CLARISSE op Heim.d.Heim.
bl.240 terechtmeentdatdoorgaanseenbewijsisvanarm r#> -
b.v. wanneer twee oy elkander volgende regels met hetzelfde
woord eindigen, hetztl beide Goorden dezelfde of eene verschillende beteekenis hebben,of welhet eene een eenvoudig,het andere een sam engesteld w oord is.Zie:
v.l35:verwinnen - gewinnen.
157:dade - dade.
3Q5:niemen - sniemen.
415:ghedinc - dinc.
507:niemen - sniemen.
557:tontsiene - te siene.
639:eten - eten.
691:gheualle - ontfallen.
v.707:dinghen - dinghen.
7l7:diens - verdiens.
719#houde - onthoude.
7Q5:dinc - ghedinc.
731: tgherechte - rechte.
939:dade - mesdade.
1051:si
jn - si
jn.
0ok dit m ag onzen dichter niette zwaar worden toegerekend,
dewijlditzelfdeverschijnselin veleoudedichtstukken voorkomt,
wuruit dus blijkt dat zulksin dien tijd geen aanstootgegeven
heeft en daarom ook niet met kracht is vermeden geworden.
Voorbeelden vindt men 0.a. in het derde boek van Der Leken
Szfe#:I c.4,3655 c.6,71; c.16,47;c.17, 15;c.18,17.Voortsin berM innenZpe 1)1257;II,1787;111,7039W ,1429,in E8opetXTV, 7;XVII,39XXXT,11;XXXV,9;XXXW ,11;
LTTT,35j- in Floris en Blaneepoer 1294.- in Maerl.zl6z.
II,1079. - Bij alle welke voorbeelden moetworden in 'toog
gehouden dat dit slechtsgeoorloofd is,wanneerde beide geli
jkluidende woorden ongelijksoortig zijn en dus in beteekenisverschillen.
XI
3.Insgelijks zou men het onzen dchterte onrechte a1s een
bewijs v>n onachtzaamheid nageven,dat hij enkele malen vier
achtereenvolgende regels met dezelfde rijmklanken heeft laten
eindigen; t.w .:
v. 47-- 50: sin -- main -- tbeghin -- sin.
Ql1-- Ql4:zinnen -- binnen -- kinnen -- zinnen.
Q87-- Q90:scaden -- laden -- onghestade -- dade.
963-- 966:gone -- ontwonen -- trone -- lonen.
1007--1010:goet-- gheuroet -- gheuroet -- goet.
Zulk een verschijnselim mers komt in 't Mnl.meerm alen voor.
In het derde boek van Der Leken Sz1#:I vond i
k dergelijke
voorbeelden c.2,129;c.3,3259c.4,179;3859449;c.6,87;
c.9,81;c. 11,41;c.12,195.W at van dien aardindenReinaert
voorkomt,geeft JONCKBL.in de Inleiding b1.xxvenM ASTIN bl.435,
waarditverschijnselR eim hâufung genoemd w ordt.Zie ook
een voorbeeld in Aleœ.IX,223 en in den D.Dpcfr.II,14559TR
657; Walew.5971. Hierbi
j wi1ik echteropmerkzaam maken,
datalthanssommige van die plaatsen alleszins den schi
jn hebben
dat ze door de afschrijvers zijn geïnterpoleerd, zooalsditwe1
stellig het geval is in Caerl en Eleg.93- 95 en 1340- 1342,
waar echter slechts drie regels met hetzelfde ri
jm op elkander
volgen,en dus slechts één m oet worden geschrapt.
Aan deze zonde van vier regelsmetgeli
jk rijm op elkaarte
laten volyen - indien hetzonde mag genoemd worden - heeft
zich welllcht niem and meer schuldig gemaakt dan de dichter van
Esopet; zie diens Prologus 31 en voorts Fab.IV,25;W II,9;
IX, 11; XH,17 en 25; XIV,19; XW ,3; XVIH,5;XX,29;
XXTV,19XXXTX:9; XL,25; LII,1:21 en 29;LTR 33.Van eenigszins anderen aard is het gedlcht '
P'
czl der Zielen ende
p@p den Lichame (uitg.van BLOMMAERT achter Theophilus)dat
344 verzen bevat en verdeeld is in vierregelige strophen,waarvan
de eindklanken dezelfde zi
jn.Bli
jkbaartoch heeftdie dichtergemeend op die wijzeeen kunstwerk te leveren.
4.Eindelijk verdienthetnauwelijksa1seene bijzonderheid van
onzen dichter te wordenopgegeven,dathij evenalszi
jnetijdgenooten - de gewoonte heeft in de sleepende ri
jmen desluitletter N buiten rekening
te laten en alzoo te schrijven:
*
v.3:bediede - lieden.
5:auenturen - scrifture.
v.l39:hellen - bedwelle.
l5l:paradise - grisen.
Zie voorts 165, 169, 173,191,195,329,353,385,387,437,
439,443,475,515,561,563,611)667,677)691,701,711,769,
785,963,965, 1017, 1043.
Hetzelfde toch vindt men - ofschoon op veae na niet z0o
menigvuldig - in Florh en flcscd#p:r 605,744,1156,11981
1253; Caerl ende Elega8t 108,1106,1160, 1312;Enopet W ,9;
XT:
W ,11; LX,25.; LXI,63 en nagenoeg in alle Middelnederlandsche dichtstukken.
Over deze en de vorige ,R eim ungenauigkeiten''
, die in
grooten getale in den Reinaertvoorkom en,mogenOgverwezen wor-
den naarMARTIN'SGrundzûgedermnl.Ferq
sàlAldfb6,geplMtstachter
diens zeerverdiensteli
jkeuitgaafvan datgedicht(Paderborn1874).
En hiermede m een ik onzen dichter genoegzaam gerechtvaar-
digd te hebben tegen hetverwijt van KAUSLER,waarhijzegtdat
ditgedichtten opzichte van hetRijm hier en daarblijkendraagt
van minder zorgvuldige bearbeiding,daar hiertochslechtsdezelfde
vrijheden gevonden worden, die zich ook anderen en zelfs de
besten veroorloofd hebben.
W at het door onzen dichter behandelde onderwerp betreft,zoo
ontbreekt het der Middelnederlandsche Letterkunde niet aan der-
gelijke dichtstukken, waarin,èfopzettelijk èfmeeringewikkeld,
deels alqemeene deelsbi
jzondere voorschriften van Moraliteitgegeven ziln,en die meest alle reeds door hunnetitelsaanduiden dat
zi
jtotditgedeeltederdidactischelitteratuurbehooren.Voorzooverre
deze mijzi
jn bekend geworden,heb ik gemeend dathet<etonbelangrijk zijn zou dedooranderen gegeven zedelessen metdie
van onzen Moralistte vergelijken.Laatik die dichtstukken hier
kortelijk opnoemenj de plaats waarzijgedruktstaan aanwijzen
en voor zooveel noodig toelichten.
Onder allen komt hiertoe het meest in aanmerking het derde
boek van DER LEKEN SPIEGHEL;doch,dewijlikdaarovermeer
uitvoerig wensch te spreken,mogen hier voorafvermeld zijn:
1.DIE DIETSCHE DOCTRINALE
een in drie boeken verdeeld en gezamenlijk 6600verzenbevattend
leerdicht uit het midden der 14deeeuw,dat aan J a n D eck ers
wordttoegekend,uitgegeven doorJONCKBLOET('
sRravenhage1842).
2.DIE NIW E DOCTRINAEL
ofjzooals de dichter (v.68)zegtdatzi
jn geschriftheeten mag,
SPIERIIEL DER SONDEN,
een gedicht van 2670 verzen,doorJan de W eert vervaardigd,
MH
Nzaadn Icen de verkeerde handelingen van Reestel
ijkheit Adelen
Remeente nlet de sterkste trekken geteekend vindt,uitgegeven
door Blz
oa uaT (Oudvlaemsche Redichten 111,75- 105)volgens
hetbekende Hulthemsche Hs.thansin deKoninklijkeBibliotheek
te Brussel N0.15642.Doch het Leidsche Hs.is veel uitvoeriger,
bli
jkens de bijvoegsels,diemetdevarianten doorBODELNsnnvrms
duruitopgegeven,medegedeeld zijn bl.149- 157.
3.ZEDELESSFUN
een gedicht van 586 verzen, uit hetzelfde Hs.uitgegeven door
BLOMVADT (Ibid.IG 113- 119) die dat in de Voorrede b1.=1
noem de:Eene Terzameling tlcs goede spreuken en rdgel: over den
Ies:ndstlcs#dl en de zed:n, in denzelfden trant cI.
s deDietsche
Catoen,doeh ïzl't algem een Y@f breeder vïfg- rpc/lfen nietpnper-
dienutelgk behandeld.De uitgeverwistalzoo niet,datditgeschrift
geen oorspronkelijk werk is;en velejaren heeftmen algemeen
in die onkunde verkeerd.Doch dat m en hier slechts te doen heeft
met eene Verzameling van aaneengeregen uittreksels van het
achtste boek der eerste partie van den Spiegel Historiael is door
DE VmEsen W Rwlzsin 1879aangewezen bijdeverschijningder
tweede partie.Zie hunne Nalezing opdegeheeleuitgaveb1.522e-v.
Uit eene ingesteldevergelijking blijktduidelijk datde Verzamelaar zeer dikwijls de woorden van Maerlanteigendunkelijk veranderd heeft.
4.DIT SIJN SENEKA LEREN
is het opschrxï van een gedicht van 780 Verzen,uithetHulthem -
scheHs.N0.192uitgegeven doorBLOMMURT(0vl.Red.1,73- 83)
en Niordt gezegd eenevertali
ng tezija vaneenLati
jnschgeschrift,
getiteld Eœcerpta quaedam e !f5rfd Senecae, doch in dien vorm
overgegoten dateen vaderzijn zoon onderwijsten hem vertroosdng u nbiedt Onder de wederwaardigheden des levens.- W u r-
schijnlijk zou hetnietonbelangrijk wezen,en deaan te wenden
moeite we1 beloonen, indien iemand bi
j eenen herdruk van dit
gedicht de Latijnsche woorden dier Ezeerpta vilde Opgeven en
tevens deplaatsen aanwi
jzen in degesckiften van Senecazelven.
5. VIN VELE EDELE PIRABELEN ENDE W ISER LEREN
is een gedicht van 546 verzen, in strophen van 6, 8 of meer
regels verdeeld, die m eest m et eene zedeles eindigen!hetwelk
door Sa svaE in 1858 uithet Hulthemsche Hs.werd ultgegeven
(
Vaderl.Mus.1) 176-195).Boveniederestrophestaatdenaam
van eenen schnjver; doch demeeste van die namen zijn èfge-
MV
heel onbekend:ôfzoo verhaspel; datzijbijna onkenbaargeworden zi
jn: en vermoedt men dan ook al daarin den naam van
eenen bekenden Laujnschen of Rriekschen schrijver te raogen
zien, dan za1m en zich toch meestal teleurgesteld vinden,indien
men meendede betrekkelijke plaatsin diensgeschriften tezullen
kunnen aanwijzen. Waarschijnli
jk heeft hi
j, die deze strophen
vervurdigde - of misschien slechts uit andere gedichten verzam elde - in het denkbeeld verkeerd dat de verm elding van
autoriteiten meer gewichtofalthanseenigedeftigheid Mn zi
jnen
arbeid zou kunnen bijzetten.Doch hetisook lichtmogelijk dat
de bijvoeging van die namen hetwerk isvan den afschrijver.
6.S.BERNAERDUS EPISTELE TOTE RAYMONDE
een gedicht van 290 verzen,uit het Comburger Hs.itgegeven
doorKACSLER (Denkm.111,1-13h In ditgedichtwordt(
Raymont
Xdie ruddere, heere van Am brosis, dat casteel'' voorgesteld als
hebbende den heibgen Bernaerd geraadpleegd
Hoe een man sijn huus met(hleeren
Regeren sal,ende oec berechten
Si
jn wijf,zijn kindere ende sijn knechten;
wM rop algemeene zedelessen tot antwoord gegeven worden.Het
gedichtisnietoorspronkeli
jkllederlandsch,nlaareenedoorzekeren
M eester F ran s vervu rdigde vertaling van eenen in proza geschreven brief D e cura et r6.çïmïs:rei Jc-ïl
ïcrfd,welke echter
niet M n den Heiligen Bernardus - over wien later zalgesproken worden - moet worden toegekend,m aar aan B ern a rd u s
Sy lvester, die in 't begin der twaalfde eeuw zich in Nederhnd een grooten naanz verNzorven heeR doorzi
jn onderwi
js in
de Wi
jsbegeerte en Qodgeleerdheid.Zie hetdoor KAVSLD p.397
Mngehaalde berichtvan 0voIN,Commentarçusdedcrv/fprïùldeeoledfcdfïcfd, col. 1005 sqq. - Aangaande den persoon,die de ver-
fnling geleverd heeft,bestan geenerlei berichten.
7.DIT ES DOCTRINV L SAUAGE.
Z00 luidt het opschriftvan een kort gedicht van 130 verzen,uit
hetComburger Hs.doorK aus1er (Denkm.HI,177- 181) uit-
qegeven,datdoor BERNASDINLESACVAGEwaarschijnlijk vertaald
zs uit een ofanderin Latijnsche hexameters geschreven Doctri-
nale,verprl-, van welk soortvan geschriften gezeyd wordtin
dedertiendeeeuw eeneçrootemenigtevervaardigdtezljn.Rrootendeels bestaat het ook m 't Fransch en werd in 1842 uiteen
XV
Pari
jsch Hs.(7218)uitgegeven door J'ubina1,Nouvea. Secueïl
de G sf6d,ditn,fllîïclz etc.T.II,150- 161.
8. MELIBEUS
is de naanl van een gedicht van Ongeveer 4300 verzen,wu rvan
de vervaardiger zich ten doel gesteld heeft eenige zedekundige
lessen te Ontwikkelen naar aanleiding eener waarschi
jnli
jk slechts
verzonnen gebeurtenis.Hijlaatnamelijk zekeren Melibeustegenover zijne vrouw Prudentia - die bij zijne afwezigheid door
aanvallers zou zijn mishandel; geworden - betoogen dathet de
plicht van den m an is zich op zi
jne vijanden tewreken;hetgeen
door de vrouw w ordt afgeraden, di
e,onderverwijzing naareenige
bijbelsche vrouw en, beNzeert dat de vrou.z de nleest geschikte
persoon is Om goeden raad te geven.-- In nleer dan één Opzicht
verdient in ditgedichtde groote overeenkomst met Die Dietsche
Doctrinale te w orden opgenlerkt: in beide NTerken toch Azorden
de lessen in geli
jken trant,in dezelfde taalen metaanhalingvan
dezelfde autoriteiten voorgedragen,ja zelfsvindtmen soms iets
dat beide deze dichters in weinig verschillende uitdrukkingen
hebben i
ngekleed.- Hetjedichtwerd in 1869 uiteenOxfordsch
Hs. door Sn e1laert mtgegeven in Nederl. Ge#ïc/lfep uit de
X JF'eeuw,b1.1- 136.
9.DE SPV REL DER D NGERS
doorLAvuzaTcsRoETvAw 1488
(herluktin 1860 door deMaetsch.derVlaemscheBibliophilen).
Aangaande ditgeschri
ftschrijftSXRURRX,die hettoezichtover
den herdruk gehad heeft,hetvolgendein de Voorrede b1.= :,,De
8'1#eJder ./àng:r.
sDchnnthoofdzakelyk fpfonderrieht'der/:v##
be8temd tez#l geweest.HetïdimmerseeneTerzameling Tan zedele8::s PJ Toorsehriften, ocdrtlcs dev6d.
sf:,hetzy aen Ai.
g door
de pl& rd,hetzy p' sohool4ppr de v:e.
sfdr,
:konden wpprgd/lpv& n
en geleerd Ypr&n, terwql 6dske voor persoonen tlcs ryperen
ouderdom ge8chreven Z%
)
**
%. d Il6: ï,
s rerdeeld ïs 124 Tçerregelçge
dfrp/es van gekrvïdf: verzen: zpp dat hetgeheel 496 regelsbedraegt.'' M s eene eigenaardlgheid in dit dichtstuk had. er Op
kunnen gewezen worden,datvan iedere strophehetri
jm vanden
laatsten regelterugkeertindeneerstenregeldervolqendestrophe;
hetgeen de dichter evenw elnietvolgehouden heeftm debehande-
Eng van de X Reboden (v.165--204).
De dichter erkent dat hi
j zijne lessen uit andere schri
jvers
ontleend heeft;hi
jzegtnameli
jk v.9:
XW
Een ma%rie heb ick gheheuen
Voor ionghe kinderen sonderDnghe,
Ende wten latijn in duytschebescreuen,
Rod gheue dat icse mach volbringhen.
en als zoodanigen noemt hij: David (v. 440),Senex (v.36%
Chato (v.293),Augustinus (v.402);behalve welkein de Voorrede van den Antwerpschen druk bi
jGoijuaertBack(welkeechter
in dien van Her ick Eckert van H omberch en dien van W illem
Vorsterman is weggelaten)ook nog a1sbronnen genoemdworden:
Rregorius, Iheronimus, Sabmon, Sinte Pauwels, Sinte Matheus,
Aristotiles,Boecius en Eneas Sildus.0m ditechtervoorwaarheid
te mogen M nnemen, z0u saen de Nzoorden van die schri
jvers
moeten zien bi
jgebracht.
Dat deze Moralist hier of daar met den onzen zou overeen-
stemmen,lietzich we1uitden titelvan âi
jn geschriftvermoeden,
wMrom ik gemeend heb ditnietvan mijn onderzoek te mogen
uitsluiten,al is het ook van veeljongeren ti
jd dan de overige
shlkken die doormijvergeleken zi
jn.
Ditgeldtevenzeervan een drietalLatijnsche gedichten,in den
vorm van Brieven geschreven,waarin ôfeen vaderun zijn zoon
èfeen leermeester aan zi
jn leerling zedelessen geeft,welkehier
en dnxr metdievan onzen Moralistovereenstemmen.Hetzijn:
10.ARAELARDUS.
PE= & AxT,AnnIVersuseleqiaciad Astralabium fliumj
de moribus et vlta pia et proba.
Dit geschrift van 268 verzen,dat ook tot opschrih heeft:D octrina A lgidfrï Petri A baelardi, is uiteen p> r Engelsche Hss.
het œ rst uitgegeven in : Reliquiae cnfïgvcd, editae Zpndïpï
1841- 1843,2 voll.T.1,p.15- 21 en achtjaren laterherdrukt
door Vzœoa Covsw in: P etri A bae1ardi opera,hactenus
seorsim edik, nunc primum in unum collecta, 2 voll. Parisiis
1849- 1859, 40.T.1,p.340 sqq. Zonder deze lutste ultgaaf te
kennen,sprak ik over deze Epistola,aan wier echtheid we1 mag
getwijfeld worden,in de Voorrede van mijnen Erasmus b1.XXT.
11.TM
CIUS.
Avo= T= cu (Wc)Monasteriensis,Carmen elegiacum multi-
iugis optimisque sententiis apprime refertum de honesta vita et
studiiordine praeclarisque scholasticorum moribus.LEpistola(274
Ternuumjadyrceclcrv- optimaeLuefpelïdadoleucentulum litterarl> imprimin dfl#ïpdvm Paulum flvd,Eolczaciennem?
XVH
Dit boekje, dat PA<ER nietschi
jntgekend tehebben,isverschenen nçneïndfcfp annb Ipcïvelfgzpgrcm/lï.Een exemplaarwellicht het eenige datn0g voorhanden is- werd mi
jten ge-
bruike verleen; uit de Mûnstersche Bibliotheek.Daarin vond ik
in margine schrifteli
jkeaanteekeningen,meestvan grammatischen
of prosodischen Mrd,die mijtoeschenen vervaardigd te zijn met
het doel om M n eene E ditio repetita cu- N otin te worden toegevoegd.
12.BLOCOIUS.
PETm BLOœ II Praeceph formandis puerorum m oribus perutiliaj
LEphtola (518 veruuum) ad #Iï?
zm 8uum J'
ccpsv- Blocciumj,
Leydae. Excudit Joannes Mattbiae in fossa S.Pancratiihabitans.
Anno 1559.
M ea zie wat ik over dit geschrift,waarvan nog slechts één
enkelexempiu r bestaat,heb medegedeeld in de Voorrede van de
doormi
j bezorgde uitgaafvan Glandorp's Disticha 1I,xvl.
In e1k van dit twaalftalgedichten - en waarschi
jnli
jk geldt
dit nog van vele anderen - kom en in grooter ofkleiner aantal
ze elessen voor, welke met die van Onzen Moralistovereenstem m en of althans denzelfden geest ademen ;doch verreweg de meeste
overeenstem ming vindt men in een gedeelte van
13.DER LEKEN SPIEGHEL.
Van ditvelerlei onderwerpen omvattend dichtwerk,datin vier
boeken verdeeld is en door DE VslEs in 1844 e.v.j.meteen
voor de M nl. studie nog steeds hoog te waardeeren Glossarium
werd uitgegevenj is het voornamelijk het derde 5p:k,dathier
m oet besproken worden. Daarin toch komen lessen van levens-
wjsheid voor,nietslechtsin bijna gelijkluidende taal,maarsoms
ook wel in dezelfde volgorde medegedeeld.Welmogen wij uit
die twee bi
jzonderheden nog nietbesluiten datde een hetwerk
des anderen gekend heeft,doch stellig kri
jgen wij daaruitde
zekerheid dat beide die dichters uit dezelfde bron geput hebben,
welkeraanwijzing dus zoowelvoorheteenealsvoor hetandere
gedichtgeldende is.En van dat derde boek komen hier vooralin
u nmerking:
Capittel 111, met het opschrift: H oe hem 4ï: m enuohe houden
:clonder #ïdliede,endealrehande -#8A6&.
en CapittelIIII,met het opschrift: Fcn hovesneheden ende wJn
andren #0:#el zeden.
XW H
In het œrstgenoemde wordt wp heiten in hetandere hoves-
dc/l6ïf Ontwikkeld, zooals de dichter zelf opgeeft in den aanhef
van c.4:
lEer voren hebdighehoort
Van wijsheden nlenich Nzoort;
Nu Millic u van hovescheden
Segghen ende van sconen zeden.
En dit zi
jn juist ook de twee hoofdpunten - Ofschoon nietin
capittels verdeeld - die onze M oralist behandeld heeft volgens
zi
jne eigene opgaafv.9:
Dese bouc spreect van houeschede
Ende biwilen van vroedscap nlede.
Doch Ook buiten die twee genoemde capittels vindt men soms
eene les van onzen Moralist,in andere gedeelten van dat derde
boek,w elks algemeenen inhoud de dichter aldus opgeeft:
Die derde boec gaethier ane,
Die u sal doen te verstane
Scone zeden ende manieren,
Die dat volc sa1 hantieren ;
W atmen m innen sal ende haten,
W atmen doen salende laten,
Hoemen ghenoech doen sa1
Gode ende den saensch overal;
W ant m oraliteit salt m eest wesen
Dat ghiin desen boec sult lesen,
Dat zielen ende live m ede
Sa1in bringhen salichede.
welke passage hier in haar geheelwordtopgegeven,omdatzij
ongeveer zou kunnen gelden voor eene inhoudsûpgave van D ie
B ouc van S eden.Hier toch zoowelals daar,vindtmenzedo
lessen die OP onderschei
denetoestanden van hetmutschappelijk
leven toepasseijk zi
jn;doch zi
jn die dVrdikwi
jlstusschen lan-
gere of kortere gesck edverhalen ingelaschten als onder groote
uitweidingen verschol
en, hier zi
jn die Jessen ieder op zich zelf
staande en meestalin weini
g regelsafgerond,terwi
jlde dichter
slechts enkele malen aan eene uitweiding heeft toegegeven;o. a.
waar hi
j spreektoverde buigzaamheid van hetkinderhaG over
de onverzadeli
jkheid van den gierigaard,over de machtvan het
geld, over de kwadegevolgen derliheid ofhetwederrechteljk
gedrag van den machtige jegens den arme,enz.En heeftdan
Qok ieder van deze dichters zi
jneeigene maniervan behandeling
des onderwerps gevolgd, toch is de overeenstem ming van denkbeelden en de geli
jkheid van taal en uitdrukking zoo groot,dat
beiden moeten gerekend worden uitdezelfde schoolte zi
jnvoortgekomen en waarschijnli
jk we1tijdgenooten zullen geweestzijn.
Bijzi
jnonderwijs richtonze Zedemeester hetwoord ôftotden
knup die in de leerjaren is,öftotden jongeling die eene reis
mukt, èf tot den volwassen man,gehuwd ofnoj eene vrouw
zoekende;kortom.tote1k lid dermaatschappi
j,hetzljhi
jknechtis
Ofmeester,gastofgastheer.Aan ieder,wienhijmeestmetrvrient''
of Xgoetman''ofrjonc man'',of,zoode1esvoorjongerenbestemd
is,ook welmet ?cnape''Of slieve kint''opgemeenzamentoontoe-
spreekt, geefthi
Jden welmeenenden rud,wathi
j doen oflaten
moet om een onberispelijk leven te leiden en doorzijne mede-
m enschen voor verstandig en wellevend gehouden te worden :
waarbij ook soms,ter nadere overtuiging een algemeen bekend
spreekwoord door hem is te pas gebracht;van welken greep de
meeste Moralisten!zoowel van vroegere a1s latere tijden,zich bediend hebben. H1
j leert alzoo wat de Franschman Davoir pïtlr:
noemt; waarom dit leerdicht zou kunnen genoem d worden W e 1le v en d h e id slee r of W el1ev e n sk u n st: welke laatste
benaming reeds doorVERDAM in hetTi
jdschriftvoorNederl.Taalen Letterkunde 1, 67 gebezigd werd.
M le deze zedelessen geeft onze dichter niet als voortbrengsels
van eigen vinding,maarhijerkentze van elderstehebbenovergenomen;immers zegthijin de Voorrede:
Ende wet wel,dat ic hier bediede
Es niet ghetrocken vut W alschen lieden,
Noch vter W alscher auenturen;
Soe es ghetrect vter Scrifture
Harentre, daer ict sochte
Ende hetm ighenoeghen m ochte.
Trouwens dit is ook het geval met den dichter van Der Leken
Spieghel,die toch op gelijke wijze verklaart:
Dat ic dese dinghen nem en can
Uut mi selven,en verst nieman;
M aer ic hebt ghesocht voorwaer
Uten boeken,hier ende daer,
Die de w ise wilen screven
0p ditcrankemenscheli
jcleven.
Het zi
jn dus,zooals onze Moralistzelfgetuigt,geen WcldcA:
lieden of W alsche aventuren,datis Franschegedichten ofFransche
geschiedverhalen,waaruithi
j geputheeft- watanderengedaan
hebben en wellichtook hi
jzelfin vroegerti
jd - maarals zijne
bron noemthijde Scrifture.Doorditwoord za1welindeeerste
plaats te versfmxn zi
jn de Bi
jbel,zooalswijdien thans hebben,
nevens de Apocriefe boeken en daaronderbi
j uitnemendheid het
geschrift van Jesus Sirach;doch ook kan welieder ander boek
daardoor bedoeld Nvorden, waaruit hijduszoohier en daar een
greep deed onz het een en ander over te nemen,wat hem dien-
stig voor zi
jn onderwerp toescheen.Hierbijisechter op te merken dat onze dichter zijne Bi
jbelsche lessen waarschi
jnli
jk niet
alle uitden Bijbelzelven,maar veledaarvan voetstootsuiteene
tweede hand heeftovergenonlen,zoodatzi
jn Nzerk Nzezichtnleer
Bi
jbelsch geworden is,dan hi
j zich zelven bewustwas.
Buiten den Bijbel heeft onze Moralist nergens zi
jne bronnen
genoemd en haalt geen enkele autoriteitaan tOt bevestiging van
de deugdelijkheid zi
jner leer;in welk opzichthijdus zeerveel
verschilt van de dichters van DerLeken Spieghelen DieDietsche
Doctrinale, die algedurig hunnen zegsman met name noemen.
M zoo wist m en tot dusverre niet,welke andere geschriften Onze
Moralist gebruikt heeftbijhetvervaardigen van zijn leerdicht1).
'
Toevallig is het mi
j mogen gelukken die totdusverre onbekende bronnen te ontdekken in een drietalLatijnscheleerboeken
uit de M iddeleeuwen. Een daarvan heeh Onze Moralistin het
eerste jedeeltevan zi
jnleerdichtnagenoeg op den voetgevolgd,
waar hl
j,somsietsin zi
jn geheel,somsslechl gedeeltelijk)overneemt: terwi
jleenedoorloopende vergeli
jking van beide stukken
aantoont dat hijook we1eensalleen naaraanleiding van enkele
1)KAUSLER (Denkm.111,337) verklaart:j,Ti6 Q?
4:&,di6#i-,rTevfa&ner
âdz
i#/zfd, vermocâte ïcâ lf,jetztr,icJ/aufgujnden.Denn #44,devnelbe,fr/f:
der Ferdicl:/.
vxg,nein Wvcâ n6éda va# dortâerJf4.
fders&rl/vre''gegogen,
dpcâ woâlw''
rJ/auf #ieursprgnglioâen Qttellen &einerd#/ze%nd Zelelzregels
nurûekgegvi
yen,4/l#,rl &icâ Jf/ eçn oder dïaïg: Werkezp:ï/drKand,x/rb:
&i6 dïcâ in zzldâ/'fortlaufender A:ïJ: zunammengestelltfanden,l:,cârJlâ/,,
&câeint4v, &einer,izl Z rigen Y/Jf
#:&zl
#,l'l,wenn Jzlcl âin und W :A r(in
dem A:fZ
//,Jetwa&minder#pr#/#f/#:> ârbeitzd/r/l<â âerrorzugenenw''
=
Nzoorden van dezen zegsulan een voorsckdft gegeven heeft.Doch
uit de beide andere leerboeken is slechts hier en daar een greep
door hem gedaan.
Buiten dit drietalheefthi
j waarschi
jnlijk oOk nog andere dergeli
jke geschriften terhand genomen,die ik echternietmetname
kan aanwi
jzen,doch waarvan een gedeeltedesinhoudsgerekend
m ag worden te schuilen in eene omw erking van eenen lateren
Latijnschen Rnomoloog.(Zie hierbeneden bl.u vIu.)
Voeg hiernu bij,dat onzen Moralist,bi
jhetvervaardigen van
zijn leerdicht,waarschijnli
jk nog veelvoorden geestza1gezweefd
hebben van hetgeen hi
jinzijnejeugdqeleerd had uitdedestijds
algemeen als schoolboekje gebruikte D1sticha Catonis1).Dat
toch ditboekje grooten invloed gehad heeftopdedenkbeeldenvan
sommige Mnl.dichters,waar zijaan hetmoraliseeren zijn,blijkt
overtuigend, zoo men ook slechtsenkele bladzijden opslaat van
Die Dietsche Doctrinale en van hetderde boek van Der Leken
Spieghel,waardie schri
jver ontelbare malen genoemd wordt.
Behalve de Disticha Catonis werden in vroegereeuwen bi
j het
onderwi
jseene menigte V ersusLeonini,R hythm ivulgares en P roverbia Com m unia aan deleerlingen opgegeven Om
door hen tewordenvanbuitengeleerd,waartoezi
jdoorderijmklanken bi
jzonder geschikt zi
jn.En daarnu deze,evenalsdieDisticha,
m eesh l een praeceptum m orale bevatten,mag men we1aannemen,
datzi
jmenigen leerling op zi
jn volgend levenspad a1seenwachtwoord zullen zi
jn bijgebleven.Kwam nu iemand erdan latertoe
Om a1sschrijveroptetreden,danza1hetgeenverwonderingkunnen
baren,indien zi
jn letterarbeid,zoo zich daarin althansdegelegenheid M nbood, hier en daar een spoor draagt van de indrukken
1) Bij IOANNES SARISBERIENSIS (i 1180) L.vI1.DenugisCurial.c.9,
p.373 heeten deze Disticha: Libellun,guowcrpf
/liLnitiantur,vfrir/vfi: ipstruotio et vavd tenevh :lili/fz: anniso/kcï
f:nequeatJlpl:ri. Datzijdienst
gedaan hebben bi
j hetleeren van hetLati
jn,blijkto.a.uitde aanteeke-
ningen,waarlnede zedoor ROBERTUS DE EUROMODIO zi
jn uitgegeven onder
den naam van Cato m oralissim us cum elegantissim o comm ento. Colonie per Martinum de W erdena.Anno Mcccccvl.- De ver-
vaardiger der Middelnederlandsche vertaling (uitg.BEETS)zegtdaarvan in
den Proloog v.Q3:
Allen die vroet willen wesen
Een boec es dattie clercken lesen,
Alsi eerst ter scolen gaen,
Diehem wi
jsheitdoetverstaen
Vele meer dalleenich doet.
die hi
j in zijnejeugd bekomen had uitdiemiddeleeuwschepoBzie.
En wat dan nog betreft dat in zoodanig geschrift som s eene
klaarblijkeli
jke overeenstemming met passages uit de klassieke
schrijvers wordtaangetrosen,zoo behoeftmen zulks nog nietals
een gevolg van des schrijversgenleenzaanlheid naetdiebronnen
te beschouNzen,daar henl toch zeer lichtheteen en anderdaaruit
dooreene tNzeede hand kan zijn bekend geworden.
De drie middeleeuwsche gedichten,waaruithetmijgebleken is
dat onze Moralist geput heeft, welke ik onder verkorte namep
heb aangeho d,zijn de volgende:
1. F A C E T U S.
(Geciteerd bi
jdedoûr mijbi
jgeschrevenenummersder Disticha).
M et dezen enkelen naam wi1ik hetgeschriR hebbenaangeduid,
waaruit onze M oralistm eer dan uit eenig anderwerkgeputheeh.
Waarschi
jnlijk behoorde hettOtde leerboeken,waaruithi
jinzi
jne
jeugd deLati
jnsche taalgeleerdheeft;wantdathetindevroegste
eeuwen toen men hetLati
jn wederbeqonnen was aan te leeren,
daartoe is gebruikt geworden - eerstm geschrevene en laterin
gedrukte exemplaren - mag m en gerust verm oeden uit de omstandigheid dat aan deze middeleeuwsche verzen door een onbo
kende zulke kinderachtige en veelalnietsbeduidendeophelderingen
zijn toegevoegd a1s voorgeen anderdan slechtsvooreerstbeginnenden kunnen zijn bestemd geweest.0ok zou andersnietwel
teverklaren zijn,waartoe ditgeschriftin kortop elkaarvolgende
jaren zoo menigmalen isgedruktgeworden1).
Thans mag men di
tboekje welvoor een merkwaardig gedenkstuk houden, waaruit zoo duidelijk blijkthoeellendig de hulpmiddelen geweest zi
jn, waarvan men zich,bijgebrek Mn beter!
bedienen moest bij het onderwijs in de Latijnsche tul.Hierbi
l
komtnog,datin ditleerboekje,voordathetgedruktwerd,jaren1) In het Repevtor.Wilfior.1,Q,p.35Q sqq.heeftHAINdertienuitgaven
vermeld Nis 6883-68959 waarvan dezesjongste tevensde Duitsche vertaling vaK SEBASTIAN BRANT bevatten,di
eook zi
jn opgegevendoorGOEDEKE,
Gvundrhz zur Jadcâiclf: der Dazl/acâ:s Dichtung, Bd.1,S.388.Buitendien
staat Facetus o0k in de Octo Jff</pr:: Morale&,editiLugduni1488,1496,
1507,1540.
1- in handschrift gebrllikt geweest zi
jnde,door herhuldelijk
overschrijven on/lbre fouten zijn ingeslopen.
De door mijgebezigde uitgaaf,die in mijn bezitis,zijndeeen
boekje van 30ongenummerdebladzi
jden,inklein40,heeRtotti%l:
LIBER FACETI docens mores homino. Precipue
iuuenum in supplementW illorum quia moralissimo
Catone erant om zssi.iuuenibus perutilis.
(metditdaaronderstaandetetrastichnn):
Moribun vtzllcec.
s morosi dppz?ll Faceti
Perlege.etïp clncfï.
gindeJcccff4: erh.
Svc iwuenh prpyerl post4gfïc/lc Daora Ccfppf,
:.
Ne fïùfruntidtas g?fcsfuîccusgu: siet.
Voorts staatMn hethoofd van iedere bladzi
jde:
Ethica Faceti m orosi.
Ea overeenkomstig durmede luidt de Colophon,wurin de naam
der plaats en des uitgevers genoem d w ordt.
'
Explicit Ethica m orosi Faceti cum notabili glosuls
Impressa Colonie apud Quentell,
terwijl het jaar der uitgaaf nietvermeld stat;waarvoor HAw
N0.6885 meentte kunnen Opgeven:Omstr. 1470.
Ditgeschrm bevat 272 rijmende verzen,in 129 strophen afgedeeld,die voor 'tgroots/ deelDisticha zi
jn en iederop zichzelf
staande eene zedeles bevatten in den trant van de zoo algemeen
bekende DistichaDion.Catois,- doch nietin evenzuiverLatijn
gegoten - waartoe de schri
jver door dezen zijnen arbeid een
supplement heeft willen leveren, gelijk hijzelfverklaarfin de
eemte regels:
cum SfAïIvtilçus hwmane crd#p Daluté
Quam rerum npidd:modo8 etvprïsu,
svti
Q$fp# minus6z6glfflr morosidogma ccfppf:
Supplebo #rp non e -6p monitu rcfïpnïd.
Dat onze Moralist uitdezebronjeputheeft,behoeftnietoyzet/lijk te worden aanqetoond,dewlllzulksgenoegzaam daarult
blijkt dat hij meestalzl
jne lessen in dezelfde orde geeftwaarin
ze in Facetus voorkomen.
Door wien en wanneer dit geschrift vervaardigd is,kan ikniet
met zekerheid opgeven.De beoordeeling der uiteenloopende m ee-
ningen wilik liefstaan bekwamerhanden overlaten;ook zouzi
j
hier,a1s nietvolstrektnoodzakelijk,teveelruimtemoeteninnemen,
XM V
evenals een behoorlijk Onderzoek naar de gegondheid der bewering van ZARNCKE dat er eene naamsverwisseling heeftplaats
gehad tusschen de twee onderscheidene dichtstukken Facetun en
Moretun1).
Doch ik mag nietonvermeld laten dater onder den naanl van
Facetus meer dergeli
jke geschriften bestaan,die echter,zoo ver
ik weet,nog nietdoorden druk zi
jn bekend gemaakt.Een daarvan heb ik leeren kennen uit een oud Hs. datmi
j uitdeBibliotheek van het Rymnasium te (b tha welwillend ten gebruike is
verleend geworden.W at ik daaruit heb m eegedeeld,is ter onderscheiding aangeduid door den naam van:
FACETUS GOTRANUS.
(Geciteerd bi
j de nummersder Disticha).
De kennis van het bestaan dezer verzen ben ik verschuldigd
aan H abich, die eene uitvoerige inimudsopgave van dit Hs.
gegeven heeft,toen hijdaaruiteenen verbeterden afdruk van den
Phagifacetus leverde in het Schoolprogramma van 1860.Daarin
zegthijp.15 - na overden vorigen Facetus gesproken teheb-
ben - het volgende: sFacetus in codice nostro (cum versione
Rermanica etglossis fol.256- 262)prorsusalius est.Incipit:
Moribusetvita glïdguï: rult:#::faoetun
Intente pï#6cfgle legat 'rddencïl letun,
et explicit:
Tempore fdlïcïm'
ultouwl-drc??fdamioo8,
Tempora dïfuerintsvùfll solu8erïd.
nequecongruitcum Faeetoclerfcclï/vr:n:inEndlicherCatal.p.160,
fol.86- 92 quanquam hic primum versum eundem habek''
Bi
jmijn onderzoek is mijgeblekenjdatditgeschriftgeen oorspronkelijk werk, maar eene Bloemlezing isvan moraliseerende
Disticha, die uit dichtstukken van anderen zijn samengebracht.
Het zijn nameli
jk 67 Disticha,waarvan 47 genomen zijn uitde
Anonymi Fabulae Aesopicae en 6 uitde FabulaeAviani,terwijl
1) In 'tkort had ZARNCKE deze meening reeds geopperd in hetLLtt.
Oex/r/fl/.van 1854,S.335,doch later heefthi
j die uitvoerig ontwikkeld
in: Berinâte der fJzl. 8âcn&. ::,,lf4:J.der Fi44:@,nJ.Philol--Hist.Classe
1863, S.73- 78.
,
xxv
de overigen - deels in andere,deels in Leoninischejversmut-
van eldersontleend zi
jn1).
FAOETUS PARISIENSIS.
(Geciteerd bi
jde nummersder verzen).
Van gansch anderen M rd is een in de Middeleeuwen vervaar-
digd Lati
jnsch carmen van ruim 500 verzen,datik,terOnderscheiding van de beide voorgaande stukken,gem eend heb F ace-
tus Parisiensis te mogen noemen,dewijlhetin een p>r
Parijsche Hss.is bewaard gebleven.Sedert1866 ishet(voorafgegaan door eene in Castalaansche taalovergebrachte en tot1743
verzen uitgebreideomwerking)uitgegeven in hetti
jdschriftRomanik door A.Morel-Fatio,die den titelF asset d.i.Faeetun vertolkt heeft door Le If,r: de Cpvrfpïdïe.Het begin luidt aldus:
Moribu8 etKffc quisquh sxlfe8se Jcc6fu:
M e legatet#idccfquod mea >v,
:@ notat.
Cldrïcvd et lcïcvd,Denior,zuer atque ïvsepfld
h tio ïndfruïfvr, milen et ïpd:peden.
Blijkens dezeinhoudsopgave moetdus ditgedichteene Onderwijzing bevatten voor allerlei toeshnden des mutschappeli
jken
levens;doch grootendeels(v.131- 384)bevathetjzooalsde uitgeverzegt:lbênumkation de8crfï#cd,
gqubemploiera lejeunehomme
ypvr ne cpscïlër le8 p p4ur: dela bellelen isdushoofdzakeli
jk
eene Ars amatoria in den trantvan Ovldius,waarvan de navolging hieren daarvrijduidelijk in 'tOOg valt.Het behoeft alzoo
nauweli
jks gezegd, dat dit gedicht met den eigenlijken Facetus
niet veel meer dan den daaraan ïeïeven Franschen titel gemeen
heeft. Intusschen komen daarin toch ettelijkedisticha voor,die
hier wel verdienden te worden 0Pg0g0V0n.
2. F L 0 R E T U S.
(Geciteerd bi
j de nummersderongenummerde bladzi
jden).
De volledige titel van ditgeschrift,w aaruitonzeMoralistklu r-
1)Hetzou,mi
jnsinziensalthans,geen onverdienstelijk werkzi
jn,indien
iemand deze kleine Bloemlezing door den druk wildebekend maken.Hi
j
zou dan de foutieve lezingen gemakkeli
jk kunnen verbeteren doorvergeli
jking metdedoormi
j opgenoemde bronnen,terwi
jlwederkeerigvoordeze
meer dan ééne betere lezing zou voor den dag komen.W ellichtdato0k de
Ternéo Jdr-cliccj die tusschenin staat, niet van belang ontbloot is,doch
ditheb ik nietkunnen beoordeelen,dewijldie versjesvoor mijn verzwakt
gezichttefljn en teklein geschreven waren,evenalsdetoegevoegdeGlosula,
uit welker onbeduidendheid wel we er mag vermoed worden datditge-
schriR insgeli
jksvoor schoolgebruik za1hebben dienstgedaan.
XXW
blijkeli
jk ofschnon niet zooveelals uitden eersteli
jk genoemden
Facetus,geputheeh luidtaldus:
FLORETUS SA N CTI BER NA RDI in se continens
saere theologie et canonum Sores ad gaudia paradysi
M aliter eos qui se in illis exercitsverint perducentes.
(in Fne):
Divi Bernardi Floretus om nibus cuiusque conditio-
nis et status ad dei laudem amoremiue Mervenire
(Xuino tramite) volentibus vtilis et necessarm s Colonie im pressus explicit feliciter.Anno dom inice incar-
nstionis M cccccj.
De H.Bernardus,die tot aan zi
jn dood toeAbtgeweestisvan
het door hem in 1115 gestichte M onasterium Claraevallense fp
dmeeesi Zflgpnes,
W et cp-ïfcf
v Campaniae apud Albam #v,ïl%
werd volgens SAXR onom.Zff.II,212 geboren in 1091 en stied
in 1153. Door hem is een grootM ntalgodsdienstige geschriRen
vervaardigd in ûnderscheidene,meeshlrijmende,versmaten1).
Onder deze iszijn Floretuswe1hetmeestbekend,waarin
Mj in ri
jmende hexametersde plichten van den Christen behandeld heeft? voornameli
jk we1zooverre die tothetbetrachten van
godsdienstplechtigheden en kerkorde behooren, doch w M ronder
hier en daar ook dezulke vermeld worden die inhetmaatschappo
lijk leven door iedereen, van welken rang ofstand hijwezen
m oge, behooren te worden in acht genomen.
Waarom Mj dit werk F1oretus genoemd heeft,vertelthij
in de eerste strophe, wM ruit ik op bl. 53 een driehlverzen heb
medegedeeld;en daarop gaathijaldus voort:
Collegi#predno. 0-.6,
98ed v6lïprd.
g
Quos ïs virgultis 4p>ïpï vidi bene cvlff.
s
Quisp4 mareesount Derrando dcn#pgve ere8cunt.
Het
blijkt alzoo dat dit jeschrifteenebloemlezing isvan de
voornumste kerkelijke verphchtingen,voor degeloovigen opjo
steld. Mag men nu Ook vertrouwen dat deze arbeid indertljd
goede vruchten zal gedragen hebben, toch mag niet Ontveinsd
worden,dathetpoëtisch talentvan den schrijverthans we1niet
lichtgroote ingenomenheid bij den lezerzal kunnenopwekken,al
heeftook LEvsym ditstukeen carmeneleganterco-yodïfffm genoemd.
Dat overigens deze Abt een vroom man,een groot geleerde en
een welsprekend prediker moetgeweestzi
jn,getuigen detalrijke
1)ZieLEYSER,Ilintoriaw/df.etpoemat.mediiJepi,p.419- 424.- OnlangsheeftHAURAAU te Pari
jseen boek geschreven L6&poëm68ZlslzattriJVJ,
Và :.Bernard de clairvaux, waarin hijaantoont,datalle onderzi
jn
naam bekendegedichten verkeerdeljk aan hem worden toegeschreven.
u O
lofspraken van tijdgenooten en nakomelingscupjwurvan hetgenoeg zij hier slechts deze te vermelden: nBernardu8 pfrfuit
melleae elpgvdnfïle, admirandae #pcfrïscq piique et 4ci Dennun
dcr:
/fpr)ïp quo ïfJ Dumma rdlïgïp etyrpsïfc.
:cum dvgn-lerudiffpp: eteloquentia cpsïvzlcfl fuit,lfa splplllïd ApontolunXII1
Jyp:llcfl:8it1).
3. P H A R IFA C E T U S.
(Geciteerd bijde nunanaersderverzen).
Tot de zedelessen van Onzen Moralistbehooren ookeenigevoor-
schriften hoe men zich un tafelbi
jhetgebruik van denmultij;
te gedragen hebbe; welk Onderwerp reeds in vroeger eeuwen
behandeld was.Immersvindtmen desaangaande een en anderbij
Jesus Sirach XXX, 12, e.v. nevens welke verzen in de Nederlandsche vertaling als inhoudsopgave op den rand geplaatst is
het woord D hnhtuoht;en in de oudere Duitsche litteratuur vindt
men meer dan één geschrift over de Tischzucht,waarin vooral
aan kinderen de noodige voorschriften gegeven worden9).
Het M er te bespreken geschrift? geheelaan dat onderwerp go
wi
jd, is een gedichtvan 440 Latl
jnsche hexameters,waarvan de
oudste uitgu f,die bekend is,dezen titeldraagt:
Libellus pulcherrim us m etrice com positus tractans
de facecia et m oribus m ense qui et faglaeetus appellatur.
(8.1.a.ettyp.- 0p de laatste bl.dfccf):
Explieit libellus qui Fagifacetus appellatur.
(en daaronder dittetrastichon):
1)THOM.POPE BLOUNT,Cennura Ol:lriprz/w âutâorum,p.373.
Q)ZieGOEDEKE,orundro,d.D:vfdcldl Diehtung 1,480,14 (QeAuû.)Tot dit onderwerp behoort ook: JOANNIS SULPITII VERULANI de v/rilld
puerorum f. menna yr:cï,v: nevvandh 6'
lr-dl Elegiacum,waarvan het begin
aldus luidt:
Quondecetiz menna movenJ:rplr,donemwn
Ffr/v/iut 4fv#eJ# litterulémue .,f-f/î.
Quezrïf/:admoneo-i/ipuerizl#o?:nerva
Trnçv: tuh pcf/fïd â6n mea ïf4d,lc tene.
Van ditzeldzamegeschrift,datslechtsuitachtbladzi
jden k1.40.bestaat
en geenerleiaanduiding van plaats,jaartalofdrukkerbevat,iseen exemplaar aanwezig in de Kon.Bibliotheek te 'sHage,welkerverdienstelijke
Directeur Dr.CAMPBELL,die zoo bekwame,thans helaas overledenjkenner
van incunabelen,vermoedde dathet te Deventer door J.deBredaomstreeks
1505 is uitgegeven.- ln de lQQ verzen,waarin de Dischtucht behandeld
wordt - het overige behoort niet tot dit onderwerp - heb ik echterniets
gevonden,watmet onzen Moralistovereenstemt.
XXVW
NonceregW menni8 Acpri Dint lecfpr honoren
Sïoupin Jufmore8,dogmata ppdfrl legan.
Grdcïl legiferecdrdrï8ua fkd-py/lprïl
Indidit.atz:r no8 fA::-@ A@#f@ patet.
In sommige handschriften wordt dit gedicht ook T h esm ophagia genoem d,en met dien naam werd het bestempeld door
SEBASTTAN BRANT toen hij in 1499 eene Duitsche vertling in
verzen te Basel uitgaf, welke herdrukt is door ZAnxcu in 2p-
hang z.Srcsf: Narren8cldn,p. 147- 153.In onzen ti
jd is de
Lati
jnsche tekst van Phagifacetus viermaal,telkensmeteenige
verbeteringen,in druk verschenen,t.w.door F.JACOB te Lûbeck
in 1838, e Cod.Lubecensi;door ElcHsTo T te Jena in 1839,ex
edit. Jacobi;door H.HAmcH te Rotha in 1860)e Cod.Rothano;
en eindelijk doorHCGOLEMcxE,e Cod.Stetinensi,Onderdentitel
van:Reineri#Ac#ï/cc4Jv#sivedeJcc:fïf:oomedendiZïl:Ilv#,addita wdrdïpn:Seba8tianéBrantii.Stetini1880,80.(pp.53),voorafgegun Van eene zeer verdienstelijke Inleiding.
Aangaande den nM m des vervaardigers van ditgedichtkan wel
geen twi
jfelbesfan,
n,dewijlde eerste lettersder 15eersteverzen
ditacrostichon geven:R eineru s m e fecit;m M r verdervalt
van dien man niet veel meer te zeggen dan dathij,blijkens
menigvuldige nabootsingen, een goed kenner geweestis van de
meeste oude Lati
jnschedichters,voornameli
jk van Horatius,doch
dat hij meermalen,evenalsde meeste der middeleeuwsche dichters,tekortgeschotenisinhetbetrachtenvan deregelsderprosodie.
Uit deze drie - vooral uit de twee eersten - heeft Bc- ,
ER
onderscheidene Disticha, doch in betere verzen overgegoten, in
zi
jne Gnomologia opgenomen;waaruitmag worden vermoed dat
durin buitendien nog zeer veelschuiltwatop gelijke wi
jze zal
geschreven zijn naar aanleiding van hetgeen een paareeuwen
vroeger in m inder goede verzen gezegd was door anderen?wier
geschriften thansonbekend zijn.Hetboekje draagtdezen tltel:
PNn M OA OFIA, 8ev Sententiarum Yd-pre ïlïv-, eum
yrïmï: Ger- csïccd, Gallioaeque Iïp#v@e, brevi8 et lperfc,
Latino carmine, ïpedrq
sï: rhythmh J6dfïsfddfmïd, facta dedcrïyfïp,per IOEANNEM Bucc Eaa A RLAnsAcw Iurisdietionis
Wicradanae Prcd/6cfsf-.- Editio quarh ab auctorerecogni< etlocupleth.ColoniaejAnno M.naxxxm 120.(pp.515.)
(Geciteerd bi
j denummersderbladzi
jden).
De voorafgeplutste Epistoladedicatoria,waarmedewurschi
jnlijk
de eerste uitgufza1verschenen zi
jn,isgedagteeken;:Eœ Avpï-
XXIX
cz
yfp Wkradienuç.Apppper P/lrfdfym re8titutaedllvfï.
qGa.lacvl,
doch toen was BccuT,ER,die later tot de Magistratuur overging,
n0ï Scholae W icradanae Moderator - W ickrath is een Pruisisch
dorp nabi
j Gladbach - zooals hij zich noemtop den titelvan
zi
jne 1l1 1600 verschenen Proverbialzum S:nfesfïlrv- Syntaœh,
gelijk ook op dien van zi
jnen herhaaldelijk herdruktenThenauru'
*
proverbialium q
sdnfdsffcrvm uberrimus,waarvan eene vierdeuitgaaf
het jaartal 1623 draagt.Totdatti
jdvak van 'smans leven moet
dusde bewerking derGnomologiagebrachtworden,diewelschijnt
te mogen beschouwd worden als vrucht van zijn Qymnasiaal
onderwijs. Vermoedeli
jk had deze Rectordepractische gewoonte
die oude z0o smakelooze verzen uitde middeleellwen aan zijne
leerlingen op te geven om door hen in betere verzen te w orden
overgebracht.Uit hetgeen hem dan door de leerlingen werdinge-
leverd za1hijheteen en anderhebben uitgekozen om dit,hetzij
onveranderd hetzi
j hier of daarverbeterd,in deGnomologia op
te nemen.Alduszou het teverklaren zijn,datmen in dezeGnOmologia zoo telkens tw ee- en driemaal hetzelfde in andere woorden aantreft.
WateindelijkdieoveroudeRhqthmi,VersusLeoninien
P
roverbia vulgaria betreft,d1e in vroeger eeuwen algemeen
*
l1l zwang waren en dus ook onder de bronnen behooren waaruit
onze Moralistgeputheeft- dezezijn deelsbi
jBVfnTr,
ERdeelsin
andere paroemiologische geschriften vermeld,doch,nu juistdrie
eeuwen geleden,in vrij grooten getle totéén bundeltje bi
jeengebrachtdoorMlc1TA=,NEA=ER in zi
jne
Ethice vetusetsapiensveterum Latinorum sapientum ,
Dçre Praeeepta wdfdrv- Dapientum - de tlïrfvffhvd, Titiç.
h et
vprïùv.
gadmonitionen pcrïce, - desorIàta et.
geldcfl elpôddrTationibun,Idcfïpnïùtf:etspflffpnïùv:varih MlcHu rulsNEA= RI.
Lipsiae 1590,80.(pp.351),
waarvandeTertia pars(p.Q47-3Q0)dezenbi
jzonderentitelheeft:
VersusveteresproverbialesLeonini,%bifereDententia
cc doetrota Yelfpr e8tp:rdv,praeoepta de'fefcfejetdesfflj
et vprfùffd eldusquet Aïnc inde >ulfprl- annorum pl8:r,@-
tçone,cfglenotatlone cpll6cffatkue#edcrl
/fï1).
(Geciteerd bij denummersderbladzi
jden).
1)Men lette op dewoorden:f
zlifernzel/elfil ao#/cfrïl/melçotezfretnu,
waarmede de Verzamelaar heeftwillen aanduiden dathethem bewustwas,
dat in deze verzen somti
jdsde regelsderProsodienietbehoorli
jk zi
jn inachtgenomen.- Eene opmerking die voor vele Latijnscheverzen geldt,
welkein de Middeleeuwen vervaardigdzi
jn.
m
De bronnen, waaruit NEANDER dezen schat heeft opgezameld,
behooren tot de oudste middeleeuwsche geschriften,die thanswel
zeer zelden Of nooit m eer gelezen wordeh en wier barbaarsche
namen zelfs weinig bekend zijn.DeVerzamelaar heeftze opgenoemd in zi
jne Voorrede,waaruit ik het meestmerkwurdige
heb meegedeeld in deInleiding opmi
jnenE rasm u s overN ederlandnoheSyrdeksnppr#ep,bl.L= e.v.Daarheen teverwi
jzenmoge
hiervoldnende zi
jn1).
HetMnwi
jzen van de opgenoemde en nog eenige anderedergelijke geschriften,waaruitonzeMoralist,hetzijonmiddelli
jkhetzijals
uit eene tweede hand,zijne zedelessen ontleend heeft,behoorde
tot de tuk, die ik mij gesteld had bijde bewerking van dit
Leerdicht.Ik deed dit echter geenszins m et het doelom den ver-
vaardiger alle oorspronkelijkheid te ontzeggen en zi
jn werk te
doen voorkomen als eene loutere vertaling uithetLatijn.Aan
hem toch m oet de verdienste w orden toegekend vele nuttige
Lessen van levenswijsheid,die heinde en verre verspreid lagen,
in éénen bundel te hebben bijeengebrachten op eene waardige
wijzevertolkt,ondertoevoeying van menige heilzame vermaning,
die aan eigen vinding schljntte moeten worden toegeschreven.
Met welken arbeid hi
jgeen andere bedoeling kan gehad hebben
dan om zijne tijdgenooten tot brave burgerste vormen en der
algemeene beschaving naarzijn vermogen bevorderli
jk te zi
jn.
Of nu dit gedicht onder dedestijds levenden veelofweinig
opganj gemukt hgeft!kan nietworden aangewezen,omdatnergens m latere geschrlften eenige vermelding daarvan gevonden
Azordt.Doch dathetvoorOns,alhebben wi
j,ten gevolgevan de
m eer algemeene beschaving, minder behoefte aan vele van de
1)Thansbestaatereene veelgrootere Verzameling vanzoodanigeLati
jnscheverzen,vervaardigd door Nvi
jlen mai
jn onvergeteli
jken vriendDr.JvLlvs
W EGELER in zi
jne Pàilonopâia #JJrvw,ver&ibunprl-:rfi- Leoninin,râyfâwf:
Germanicin 4#1:/9, iuventuti zJv#ip,J: tradita.Editio tertia,Conûuentibus
1814. Van dit zeer verdienstelijk geschrift verscheen reedsin 1877 eene
véerdeuitgaaf(zonder datditop dentitelwerdaangeduid)methumoristische
prentjes opgeluisterd(î); waarop nog in 1879 gevolgd zi
jn Nanâtvâge,?rgöl
.gungen,Zv:#/z,und Agëfdr,eindigendemethetci
jfer3762.- Vroeger
bad we1 FRANC.SWEERTIUS in zi
jneâthenaeBelgieaep.Q57beloofd eene
zoManige Verzameling te zullen uitgeven onder den titelvan Proverbialia
yfcf,rïl etg-fdafil, Ternibun f,plàlf:perlnc/,communen;dochdezeiswaar-
schijnli
jk nimmer in druk verschenen.
XXM
hier gegeven voorschriften, toch groote waarde bezit Om de
zuiverheid van fnal,waarinallesOnberispelijk isvooyesteld,dat
mag niet worden betwijfeld. Wanneer toch de schattlng van de
meeste geschriften lzit dien ti
jd grootendeels beheerscht wordt
door de bevinding van het meerdere of mindere nut wat du ruit
voor de studie der Middelnederlandsche Taalkan getrokken worden, dan kunnen de tallooze cih ties in hetM kddelnederlandsoh
H'oordenboek reeds ten bewi
jze strekken,datditgeschriftin be-
lanri
jkheid geenszins tekortschiet,maarin verhouding vanzijnen
betrekkelijk gedngen omvang, in dit opzichtgeli
jkstatmetde
beste stukken uitdien ti
jd:immersworden ook hierinnietslechts
zeldzaam vnorkomende woorden aangetroFen,m M rookweldezulke
die elders nog nietontdektzi
jn.In waarheid mag alzoo van dit
gedicht verklaard worden, dat het eene niette versmaden bi
jdrage levert zoowel ter verrijking van den woordenschat der
Mnl. Taal, als tot toelichting van duistere uitdrukkingen in an-
dere gedichten van dien tijd.
De bekendmaking van ditgedicht,dat m eer dan vier eeuwen
in het stof der bibliotheek is verscholen geweest,zi
jn wi
j verschuldigd aan Dr. Fuocu o K ACSLER, den W ûrtembergschen Archiegaad te Stut
tgart,die zich zeerverdiensteli
jk gemaaktheeft
door de uitgaaf van talri
jke meest vroeger onbekende Middelnederlandsche gedichten,die,evenalsonsLeerdicht,zijn bewaard
gebleven in
HET COMBURGER HANDSCHRV T.
Dit vri
j li
jvige Hs.dat op 347 perkament-bladen in kl.-folio
een veertigtalgrootere en kleinere Mnl.dichtstukken bevat,wordt
aldus genoem d,omdat het afkomstig is uitde Bibliotheekvanhet
voormalige ridderstift Comburg a.d.rivier Kocher,nawelksophef-
:ng het in 1805 is overgebrachtnaar de Openbare Koninkli
jke
Bibliotheek teStuttgart,alwaarhetthansonderhetbibliotheeksmerk
Ms.Poet.etPhil.F0.22 bewaard wordt.Van ditHs.datdooranderen reeds genoegzaam beschreven is, beslaat ons gedichtslechts
een zeer klein gedeeltq loopende van P.102c- 110b in twee
kolom men, m eest alle van 36 verzen?met eene nette en duide-
lijkehand geschreven,die tothetbegln der 15deeeuw schi
jntte
moeten gebrachtworden.Ongetwi
jfeld heeftereen OuderHs.bestan ; want dat dit slechts een M schriftis,datkan genoegzu m
ATorden beNzezen.
XXXII
Bij de lectuurvan ditafschriftza1men zich we1nieternstig
bonsmaken datde vervaardigerzich in de schrijfwijze derwoorden zoo weinig is gelijk gebleven,zoodatmeermalen hetzelfde
woord op onderscheidene wi
jze geschreven wordtaangetrofen?a1s
b.v.neden en zeden,tlrpe#dcc' en vroetnoap,enz.,dewijlzulkeonshndvastige orthographie in alle Mnl.geschriftengevonden Niordt;
die niet uitsluitend aan den afschrijver,nlaar evenzeer aan den
auteur zelven moet geweten worden.Doch mindergereedza1men
hetden afschri
jverkunnen vergeven dathi
j somwi
jlen een regel
heeft ûvergeslagen, zooals datuit de onvolledigheid van den zin
bli
jkten zelfsdoorhetontbrekende ri
jm terstondin hetO0gvalt.
Dit heeft KACSLER wel meestal,waarhijzulkshadOpjemerkt,
door een blinden,d.i.m et....aangevulden regelaangeduld;doch
het blijkt dat dit nietoveraldoor hem isOpgemerktgeworden.
Uit het Hs.kan niet bewezen worden dat daarin slechts fm g-
menten vooronszi
jn bewaardgeblevenen jeenszinseenvolledig
gedicht. En wilde m en tot die onvolledigheld besluiten op grond
dat de dichter zeer veel meer zedelessen hadde kunnen geven,
voornameli
jk dezulke die hiernoode gemistworden,dan zouzoodanig beweren toch telkens kunnen herhaald w orden,al werden
die lessen in dubbelen getale geleverd:zoo ri
jk,oflievergrenzeloos is ditonderwerp.Intusschen isde mogelijkheid evenmin te
ontkennen a1s de werkelijkheid daaruit mag worden afgeleid;
van alles toch, dus ook hier geldt het A #pd.
9: ad #d8: non
valet cpsdegt/elfll.
AUDENAERDSCH HANDSCHRDQ .
Een ander Hs. drage den nM m naar de plaats waar het gevonden w erd en zich 0ok thans nOg bevindt. Doch dit bestaat
thans niet m eer in zi
jn geheelen bevatslechts 383verzen,die
zelfs niet een doorloopend gedeelfe van ons gedicht uitmaken,
m> r onderscheidene stukken O arvan bevatten,zoodathier eigen-
lijk gœn sprake zijn kan van een Handschrift,maarslechts van
onsamenhangende Fragmenten. Dezedan werden,een paarjaren
na K AcsLEs's uitgaaf,ontdekt op eenige bladen perkament,dieals
omslagen ofschutbladen dienden van banden in destdsarchieven
van de Belgische stad Audenaerde.Nadat die bladen waren losgenaaakt van debanden zijn deze verzen uit hun schuilhoek aan
't Echt gebracht door Dr. D.J.VANDES llEERscH achterde uitgaaf
van het op dezelfde plaats door hem gevonden Boeo Tan Ccfps:
U =
voor rekening der W aemsche Bibliophilen (Gent
1846).
Het is we1 jammer dat op die bladen juistanderepassages
en gedrukt
voorkomen, en - m et uitzondering van eene enkele - niet die
waarin het Comburger Hs., zooals wij zagen, een regelM st,
waardoor alsdan veelzou gewonnen zijn voor den tekst,die nu
slechts door vergelijking 0? enkele plaatsen heeR kunnen ver-
beterd worden. Waarschijnlljk zouden uit ditHs.nog we1hier
en daarbeterelezingen zijn aan den dag gekomen,ware hetniet
dat hi
j die dit afschrift vervaardigde zich veroorloofd had in
sommige V0rZQn zooveel veranderingen te makenjdatzi
jn werk
bijna vooreene omwerking van den tekstmoetgehoudenworden.
En zelfsisde afschrijverzoo verre gegaan,dathijhier en daar
eenige verzen heeft ingelascht,waarvan althans in hetComburger
Hs.geen spoor gevonden wordt.0ok moetnog wordenopgemerkt
dathier de lezer welsomsmet j,vrient''(41,55,127,157)mMr
meestal(63,181,201,215,283,285,289,340,362)metszoon''
wordt toegesproken, terwi
jl dit in hetComb.Hs.geheelanders
is (zie b1.x=),waaruitbli
jktjdathijdie deze omwerking vervaardigde, zkh heeft voorgedaan a1s een vader die zijn zoon
onderwi
jst.
De van het Comburger Hs.afwijkende lezingen zi
jn in deze
Fragmenten zoohlrijk datzijkwali
jk onder den tekstzouden te
plaatsen zijn geweest.Evenmin kon daargenoegzame ruim/ gegeven worden aan de opneming van de ingelaschte verzen ofhet
aanduiden van de uiteenloopende volgorde.Om die redenen ishet
mijraadzaam toegeschenen de Fragmenten van hetAudenaerdsch
Hs.,zooalsdie doorVANDER m ElkscH bezorgdzi
jn,in hun geheel
als Bijlage te laten overdrukken,te eerder daartoe Mngespoord
doordewetenschap datvan ditboèkjeslechtsweinigexemylaren
in den handel gebracht zijn en hetalzoo zeermoeielijk lseen
exem plaar m achtig te worden. In dien over& uk is gezorgd dat
de ingelaschte verzen,metcursievelettersge/ukt,dadeljk zouden kunnen herkend w orden.
Om duidelijk te doen zien,hoezeer de lezingen derbeide Hss.
uiteenloopen, moge het voldoende zijn een paar passagesnaast
elkur te pu tsen.
C 0m b. H s.7Ql- 7Q4.
ln allen dinghen wes ghetrouwe
Dinen heere ende diere vrouwe.
Ganc haestelike daer men disent,
Ende cortelike weder went.
A uden.Fragm.131-134.
In allen dinghen wes ghetrowe
Dien du dins,eisthere,eist vrowej
Endeganchaestelikejdatesdi
jnerej
Dar men di sent,ende weder kere
XXXW
C om b.H s.793- 798.
A u den. F ragm.181- 186.
Ghi heeren,die de werelt berecken Sone,die de warelt recken
Entie die lieden sult betrecken,
Ente lieden domen ende bestrecken,
W edewenjweesen moetu ontfarmen; W edewen ende weesen moetsiont-
gfarmen,
Ende doetalsewelrechtden aermen, Ende alse we1doenrechtden aermenj
Alse ghiwilt dat men hu dade;
Also siwilden dat men hem dade:
Ne laetd0r vrome,no dor scade.
Doensiandersydatsharresielenscade.
C om b.H s.973- 980.
Ledichede die es quaet,
So vronaet selden, maer so scaet.
So hayet tauerne ende boelrie.
Soe volghet wiuenjso draghet vrie,
Soe doetquaet gheselscap iaghen
Enten man in dogheden traghen
A udén. Fragm. Q75- Q8Q.
Ledechede es sere quaet
Henaœ dier naede onanae gaet:
S0e uolgt tauarnen ende ribaudrie;
S0e uolgt wiuen ende draghetvrie;
Soe doetquaetgheselscepiaghen loes,
Endekertdenmanvanduegdenaltoes;
Endedulleke verdoen si
jn goet.
Ende hem verteren doetsi
jnghoetj
Datmen mindert ende niet toe doet. W e1dulleke dicken in onspoet.
HAAGSCH FRAQMENT.
Een ander fragment, - dat reeds in de eerste helft der vorige
eeuw aan 'tlichtwas gebrachtdoorANTONIVSMATTHAECSinzijne
Veteris cdsï Analeeta .
:8v Vetera A pnl-6sfc hactenus .0n#l>
Tha,T.1)p.65 sq.(ed.sec.Hagae Comitum 1738),zonderdat
m en wist tot welk gedicht het behoorde,- heeft een veel gerin-
geren omvang dan het voorgaande fragment,en is mijo0k gebleken van veel minder waarde te zi
jn dan hetbijden eersten
opslag Z0R kunnen schi
jnen. Het bevat 72 verzen, waarvan
1--22 en v.43--64 spoedig konden herkend w orden als behoorende tot D ie Apuc van ,%eden;terwi
jlde rest- metuitzondering van het Raadsel, in de vier laatste regels vervat- wel
V.
schijnen moesteene hoog tewaardeerenaanwinstvoordatgenoemd
dichtstuk te zullen zi
jn. Dat echter die verwachting volkomen
wordt teleurgesteld,zal ik straks aantoonen,als ik eerstza1heb-
ben meegedeeld vanwaarMATTHAEVSvermoedeli
jk in 'tbezitvan
ditfragment gekom en is.
We1heeftdeze ijverige verzamelaar van oude stukken dieher-
kom st niet opgegeven, doch het is zoo goed als zeker, dat dit
fragm ent ontleend is uit een in de Kon.Bibl.te 'sHage aan-
wezig Handschrift (n0. 77 S. 40.) inhoudende de Kroniek van
XXXV
Beka. Daar toch vindt m en deze verzen op een paarvan deeerste
bladzijden (F 7 en 8), die gedeeltelijk niet beschreven waren,
teboekgesteld,en weldoor dezelfde hand dieook hetvorenstaande
(f03) historisch ,fragment geschreven heeft,waarover ik Vr00g0r
(b1. vII) gesproken heb.Door die omstandigheid is MATTHAEUS
waarschijnli
jk op de gedachte gekomen dat beide die fragmenten
voor het werk van een en denzelfden dichter moeten gehouden
Nzorden, waarom hi
j boven het laatste deze woorden schreef:
Eiusdem dsfAlfAuotori'S/lyfznfqui .
s:g?
xf4Alff
xr.En daartoe za1hi
j
wellichtte eerdergebracht zijn,indien - hetgeen dooreene geleerde hand op de schutbladen van het Hs.staat aangeteekend -
indiell hi
j niet zelf het Hs.gehanteerd heeft,maar slechts een
afschrift van de eerste bladen gehad heeft, hem door den vroe-
geren eigenaar WITSEN bezorgd1).Isditzoo,dan laathetzichook
gemakkeli
jk verklaren hoe ditfragment,zoo onvolledig alshetnu
bli
jkt, en met een talvan afwijkende lezingen,doorMATTIIAEUS
in de wereld heeh kunnen gezonden worden.
Na MA.
TTHAEUS zija deze verzen ntlOnlangsweder ter sprake
gebracht door Dr. A. BEETS, di0 Ze achter zi
jne uitgaaf van
D e D ï,
sfïcAc Catonin ïAl het M iddelnederlandsch (Groning.1885)
m et gebruikm aking van het Haagsche H s. opnieuw heeft laten
afdrukken, doch niet verder dan hem zulks voor de bewerking
van zi
jnen Cato te paskwam,en dus slechtsgedeeltelijk.
Voor mi
jn doel scheen hetmijraadzaam toe hetfragment in
zi
jn geheelmedetedeelea zooals hetin hetHaagsche Handschrift
gevonden wordt,waarvan hetgebruik mi
j door de bekende welwillendheid van Dr. CA- BELL is verleend geworden. Met dezen
volledigen afdruk (als Bijlagehierachtergeplaatst)heb iknamelijk
bedoeld om duideli
jk te doen zien datdie voor den dag gekomene
V0rZ0n
niet Dl0g0n beschouwd worden als eene aanwinst voorons
dichtstuk - waarin zij grootendeels,watinhoud,taalen versiâcatie betreft, vrij goed zouden passen - maardat zi
jeen ge-
deelte uitmaken van eene Bloemlezing, die uit de werken van
onderscheidene dichters te zamen gebracht is.Zoodanige Bloemlezingen bestaan er m eer, waarvan de vervaardigers onbekend
zijn,omdat zi
j,wellichtuitbesefvan de geringe verdienste van
zoodanigen arbeid, hunne namen verzwegen hebben.Het is dus
1) Hetis, zooik meenyrde hand van VAN W IJN,diedaarschreef:pTis
niet te denken,dat Mattllaeus dit Handschrift zal voor zich gehad hebben,
maar wellicht dat de Hr. W itsen (dezelfde diebi
j Matthaeusin Dedicatione T.Igeprezen wordt)hem een afschriftvan 'teersteblad dezerChro-
nijkj door Scriverius ofeen andergemaakt,za1hebben terhand gesteld''
U
W
wel bij uitzcndering dat wij den nMm kennen van hemjdocr
wien deze Bloemlezing gemaakt werd;deze toch heeftgem eend
in de door hem vervaardigde slotstrophe zijn naam aan de late
naknnzeEngschap te zaogen mededeelen. Daarbi
j vertrouwde hij
misscMen wel,dat men hetvoorzi
jn werk zOu willen aanzien,
wat hi
j van anderen had overgenomen,zoo hijslechtsverzweeg
uit welke gaarden hi
j zijne bloemen geplukthad.Tevensheeft
hi
j, zoo 't schi
jnt, met doel Om den lezerop 'tdwaalspoorte
brengen, boven sommige strophen de antieke autoriteiten van
Seneœ,Abbacuc,Homerus,Thobias en Catho geplaatst,welkezullen hebben m oeten dienen om aan het geheel een glimp van
deftigheid bij te zetten.- Deze namen zi
jn doorMA.
TTHucsniet
vermeld, en waren wellicht Op hetdoor hem ontvangen afschrift
weggelaten.
Vru gt m en nu hoe een afschrift van deze Bloemlezing heeft
kunnen aanlanden in een Hs.van de Kroniek van Beka,w aar-
mede zi
jvolstrektniets gemeenheeft,dan moetik,om dievraag
te beantw oorden, het vroeger gezegde herhalen,dat in genoem d
Hs.fo7 gedeelteli
jk enF 8 geheelonbeschreven waren gebleven,
waarschijnli
jk methetdoelom later tewordenMngevuldmeteen
of ander toevoegsel dat d enen zou tot verklaring van den tekst
van Beka,- beston; er w ellichthetplanom opdeopen geblevene
vakken een pM r teekeningen of platte gronden te plaatsen? Toen
echter datlater aanvullen in de pen gebleven w asjheeftiemand,
0nz den M sstnd van die twee 0P0n0 Vakken wegtenemen,zeaangevuld met iets wat daar,mits m et kleinere letter dan die van
den tekst geschreven,juist zou kunnen staan.Men behoeftdan
alzoo de reden niet te zoeken in gebrek aan papier; eerder zou
ik willen zeggen,dathi
j!die zich een afschrift van deze Bloemlezing wilde maken,ze hefst in een gereed liggend Hs.,waar ze
nog kon geplutst worden, heeftwillen overschri
jven om alzoo,
beter dan op een 1os blad,tegen veri eling te w orden beveiligd.
D>rhetmi
j methetoverdrukken van dezeBloemlezingalleen
% doen was om hetgeen du rin uit Die Wpvcran Sedenwasovergenomenjheb ik het overige,w aarvan geen zweem daargevonden
wordt, ook hier weder duidelijkheidshalve met cursieve letters
h ten drukken.
Aan deboven Onderscheidenestrophengeplu tste aut0riteiten
heb ik mijweinig laten gelegen liggen,omdatzijmijtoeschenen
even Ectiefte zi
jn alsdiewaarmedededoorSxssvu uitgegevene
Parabelen (zie b1.vm)zijn uitgedost.
XXXVH
DE X GAAF VAN KAUSLER.
LDenkmöler dlfwf,#,rlt
ïl#ïzcl:: 8praoâe und Nff:rlfvr,BëII,S.561- 599,
en dedaaropgeschreveneânmerkungen,Bë111,S.331-345).
Al m oge de rechtm atige dank aan KACSLER nietkunnen ont-
houden worden, wurop hi
j aanspraak gekregen heeft door de
verdienstelijke uitgaafvan ditvroeger onbekende Leerdicht,toch
is deze van dien aard datzijgenoegheeftovergelaten vooreenen
volgenden bewerker, vooral indien deze de gelegenheid m ocht
hebben het Comburger Hs.zelfte onderzoeken.In diegelegenheid
ben ik gesteld geworden door de steeds hulpvaardige hand van
Dr.Dc RzEp dieditkostbare Hs.voormijn gebruik uitStuttgart
te leen gevraagd en bekom en heeft.
Ilit dedoormi
jinqesteldevergeli
jkingvan hetHs.ismijgebleken,dat de teksthler en daarniet volkom en getrouw isterug-
gegeven in de uitgaaf,hetzijten gevolge datKACSLER somsminder nauwlettend geweest is of welverkeerd heeftgelezen.Voorts
m ocht ik totde ontdekking komen,dat in de uitgaaftwee malen
een regelwas Overgeslagen,waarvan weléen (v.775)laterin de
1Anmerkungen''is opgegeven,dochdeandere(v.576)onopgemerkt
is gebleven.Nu zou ditreeds bijeenenieuwe uitgaaf- waarin
toch de overgeslagene regels behoorden opgenomen te worden verwarring gegeven hebben in de nunanlers der Verzen, doch die
zou nog grooter worden door eene andere verglssing van KAVSLER
welke hij bi
j de telling van v.550-560 begaan heeft.Daarenboven zou ook nog een paar m alen meer, waar het vers in het
Hs.ontbreekt (v.318,820)ditdoor.. .a1s een blinde regel
hebben moeten aangeduid zi
jn.Doch datdie blinderegelsdoor
KAUSLER bi
jde telling nietzijn meegerekend,daarvan zouikhem
geen verwi
jt willen maken,omdatin zulkegevallen iederzi
jne
eigenemeening mag volgen.Dewi
jlze echter naarmi
jnemeening
welhadden behooren meegeteld te worden,heb ik nietgeaarzeld
zulks te doen:en ben alzoo van af v.275 meteenebeteretelling
begonnen. Daarnevens heb ik hetevenizelraadzaanl geacht ook
deoudetellinqderverzenoptegeven,dewijlvolgensdezebereids
menig versgeclteerdisgeworden,zoowelinhetM nl.W db.alselders.
Van de door VANDER M lEwscl bekend gemaakte Fragmenten
heeftKAvsraEs welverslag gegeven in zijnejyânmerkungen'',doch
dnnmvan niet zooveel voordeel getrokken als er voor de verbetering van den tekst ware te trekken geweest.
sran het Anragnlent door IIATTHAEVS nledegedeeld heeh KAUSLM
geen kennls gedragen.
XU VIU
DOEL VAN DEZ; DITRAAF.
W ie tot dusverre verstoken bleef van de gelegenheid kenniste
kunnen maken methetmerkwaardig geschriftDieWpvcvan & & p,
omdat het slechts voor weinigen toegankelijk was, als zi
jpde
nagenoeg verscholen in een zeer uitvoerig en dus kostbaar boekwerk, dat buitendien thans uitverkocht is - die zou het waar-
schijnlijk reeds als eene welkome verschi
jning begroethebben,
indien hijhetzich gemakkeli
jk zou kunnen aanschalen,alware
het ook maar in eenen eenvoudigen overdruk van den bestaanden
tekst. Daarbi
j echter heb ik gemeend mi
jne bemoeiing niette
m ogen beperken,maar deze ook verder te m oeten uitstrekken en
de ondernomene uitgaafzoo in te richten datzi
j althanseenigszins z0u kunnen voldoen aan den eisch die thans aan de studie
der Middelnederlandsche geschriften gesteld wordt.
Ten eerste alzoo heb ik beproefd in hoeverre detekst,doorver-
geli
jking methetHandschriftbehoorde verbeterd te worden;hoe
de daarin ontbrekende verzen zollden kunnen w orden aangevuld,
deels uit het Handschrift, doch meer nog door aannemeli
jke
gissing - in welk opzicht het bewonderenswaardig vernuft van
Prof.VERDU mi
j zeer te stade is gekomen - ;en hoe eindelijk
ook nog de lectuur gemakkelijker ware te maken doorhetaanbrengen van meer insnijdingen in den druk terplaatse waareen
nieuw voorschrift begint.
Ten andere heb ik getrachthet onderwerp,datbehandeldwordt,
toe te lichten, deels door vermelding der bronnen waaruit de
dichter klaarblijkelijk geputheeft,deels door aanwijzing van-en
vergelijking met andere, geli
jktijdige en jongeregeschriften,die
daartoe schenen te kunnen bi
jdragen,wanneerdezelfdestofhetzij
opzettelijk,hetzi
j slechtsterloops door hen was behandeld.
Eindelijk heb ik gemeend aan ditwerkje ook nog eea Glossarium te moeten toevoegen,waarmede ik mi
jten doelstelde om
den geleerde de meest m erkwaardige woorden en uitdrukkingen
aan te wi
jzen, die in dit gedichtvoorkomen,maartevens nog
iets meer te leveren wat tot opheldering van de gebezigde hal
zou kunnen strekken ten gerieve van andere lezers,zooalsikmi
j
die had voorgesteld.
In hoeverrede Kak?die ik ondernamjbehoorli
jk door mi
jvolbrachtis,daaroverbli
lfik hetbillijk oordeelvan e1k deskundige
met een gerustgeweten afwachten.We1wi1ik eerlijk erkennen
dat dit werk door menigeen veel beter zou hebben kunnen ver-
richtworden,dan hetdoormi
jgedaan is;doch w anneer gou m en
hebben kunnen verwachten dat zulksdoor een ander Ondernomen
Nierd? hroor 't oogenblik derhalve stelle de lezerzichtevredenmet
den arbeid van iemand,di
e - evenalsHlEaoxvr s (Comment.in
Epist.ad Ephes.VIIjp.539)van zich zelven verklaartMe@:v>
tantum Acôvi maghtrum en daaraan niet zonder leedwezen m oet
toevoegen quonque ïn Apc guidem dfuiprvm genere àc5:0 m utos
magistros,ii eiz#vm uniunplutei cp-zl:nfdzmçdium - met den
arbeid alzoo van eenen autodidact,die,met geringe hulpmiddelen
toegerust, deed wat hij doen k0n om naar zijn vermogen de
studie derMiddelnederlandscheLitteratuurbevorderlijk te wezen.
Is daer Ooc iet in misset,
Diet beteren can die m aket bet.
Ic weets hem danc.Wie in si
jn maken
Sijn bestdoet,enis niettelaken.
Mer wie alle dinc wi1berichten,
W ie soude hem iet te wille dichten?
RXTNAEST II, 7785.
ISIIOPD Y1N DE IXLEIDISQ.
BlaGz.
Plaatsvan waarditdichtstuk te voorschijn kwam
Onbekendheid van den vervaardiger . . . . . . .
W aarde van dit Leerdicht voor de Geschiedenis deralgemeene beschaving en de Taalkunde .
Gewaande onnauwkeurigheden:
VII.
VII.
V1II.
Onzuiver ri
jm (â&nonanoej, ri
jk ri
jm (RLm6'i,JM,vierregelig
ri
jm (Reimââufungj
11(.
Middelnederlandsche moraliseerende dichtstukken :
Die Dietsche Doctrinale, Die niwe Doctrinael ofSpieghelder
Sonden,Zedelessen,Seneka Leren,Parabelen endewiseLeren.
Bernaerdus Epistele, Doctrinael Sauage, Melibeus, Spiegelder
Jongers. *
@
1111.
XlV.
Lali
jnsche Epistolaemorales:
Abaelardus,Tunnicius,Bloccius.
. .
.
Overeenstemming van dit Leerdichtmet Der Leken Spieghel.
Inkleeding waarin hier de zedelessen worden voorgesteld.
XVI.
XVII.
XIX .
Bronnen waaruit onze dichter geput heeft:
DeBi
jbel,Disticha Catonis,VersusLeonini,Rhythmi,Proverbia.
LIBER FACETI.
Facetus Gothanus .
Facetus Parisiensis.
FLORETUS STI BERNARDI
PHAGIFACETUS REINERI.
Buchler's Gnomologia .
. . . .
Neanders Versus veteres proverbiales Leonini.
Het Comburger Handschrift .
Audenaerdsch Handschrift . .
Haagsch fragmentvan Matthaeus .
Uitgaafvan Kausler . . . .
Doelvan deze uitgaaf . . .
xlx.
xxll.
xxlv.
xxv.
XXV.
XXVII.
XXVIII.
XXIX.
.
.
.
XXXI.
XXXII.
XXXIV.
XXXVII.
XXXVIII.
D IE BOU C V A N SED EN *t
.'
5
15
20
*
Nv verstaetjal hier ter steden
Beghinne ic den B Ou c van S ed en ;
Ende w et wel, dat ic hier bediede
Es niet ghetrocken vut W alschen lieden,
Noch vter W alscher auenturen ;
Soe es ghetrect vter Scrifture
llarentare, daer ict sochte
Ende het nai ghenoeghen m ochte.
Dese bouc spreect van houeschede
Ende bi Niilen van vroedscap naede:
Ende onanae dat dusghedane Niort
Ter werelt seden al behortj
S0 dinct m i recht bi w aerheden,
Dat naen heet den B ouc van Zeden.
Nv weten bidden alle gader
Gode,onsen lieuen vader!
Dat hi alle onse dinghen
Ten goeden ende raoete bringhen.
A1 die vroedscap die naen can,
Entie gheleesten m ach die m an,
Ende al dat wisen mach die w ise,
Com t van Gode van paradise.
*)In â:/j
'
Com burgerHandschrift,noortaanJïdrdoorHs.aangeduid,
#r4l#/dit#:#ïrâfgeen oy4dlri/'
/.DoorKausler,rerderdoorK1.aangeduih
Yw'
d in g#z'e uitgaaf #4lrJope> geplaat&t:De Bouc van Seden.- lt Hs.
dine ghedane.- IQ Kl.weerelt.- QQ Hs.vanden paradise.Zoo ook 151.
f
25
30
Die m an, dien God die vroedscap sent,
H i es alse een instrum ent,
Daer God? Onse heere, m ede w erct,
Die die dlnc te rechte nzerct.
H ier Omm e radic elken m an
Dat hi die vroedscap:die hi can:
Den lieden vort w ise ende leere:
Dus mach hi vrucht in onsen Heere
M aken: ende daer com en Of
Conste:prijs,eere ende lof.
Ouer w aer segghic hu datte:
Die vroedscap es ghelijc den scatte;
35
40
45
Die vroedscap heelt ende deluet scat,
Daer heuet niem en of te bat,
Noch en m ach niem en com en
Noch te nutscap, noch te Vrom en ;
svant si hebben sulken aert:
Toghet m ense ende Openbaert:
Scat gheuet vrome ende neeringhe;
Vroedscap! sin ende leeringhe.
W at pelnsen dan vele lieden
Die hare conste niem en bedieden ?
Ilet schijnt dat het henl es leet
Dat yem ene dan si hiet w eet.
W at helen si
jt in haren sin?
A1wisen sijt vort,sine hebbens te min.
50
55
lTan rechter vroetscap es tbegin
Dattu vrees Gode in dinen sin :
Die Gode m int ende hem ontsiet,
Hem en m ach ghebreken niet.
Teersten so souc Gods rike
Dat gheduert eewelike,
S0 sa1 God: Onse heere:di gheuen
Al datti nutte es in dit leuen.
Gheloof vastelik: an Gode
Ende hout gherne sine gebode.
Q3 Hs.Dien man die.- Q4 Hs.instumentt.- 47 Hs.si. - 49K1.recht.
60
65
Em m er eere die heleghe kerke:
Bisscoppen: papen ende clerke.
Dune m oets Oec niem en achtren
Noch m et quaden worden lachtren.
Alstu in die kerke stapsj
W achti dattu ne ruuns no claps:
Maer les ende bit ghenaden
Gode van dinen naesdaden.
Eere m oeder ende vader:
SO es dijn lijfghelangt algader.
70
75
80
85
Ne d0e dinen euenkerstin niet,
Dattu niet w ilts dattighesciet.
Van alte groter m enderhede
W achti: m en wertre Onwert m ede.
W es recht m an, ende in rechtheit bliue
Toten hende van dinen liue:
Scrifture seit, dat dOr noot
H are kindere nemm er bidden broot.
W es snel ende verstandel m ede,
W es traech te telne vort quaethede.
Alse m en di m esdoet, wrec node,
Ne m aer vergheuet dor Gode.
Ne w es den aerm en niet fel,
Al gheuestu hem niet: andw ort hem wel.
Diene gherne den lieden wel,
Al lonet een niet,een ander sel.
Alse di dienen ghehuerde cnapen,
Ne laet haer loen niet Onder di slapen ;
W ant die w ise Salem oen
Begrijpt die ghene die dit doen.
90
Ne m ac gheene langhe riote
Van dire tale, no fabele grote:
Corte ende w arachteghe tale
Sit in elken meinsche wale.
Dune m oets Oec niet lieghen
Noch dinen euenkerstin bedrieghen :
70 Hs.wilds. - 76 K1.brot. - 82 Hs.gheuest du.- 84 Hs.sal.88 Kl.gheene.
95
100
105
Loghene es onwert ende sonde groot,
W ant so slaet die ziele ter doot.
0ec en lache niet alleene,
Dat m ent niet in quaetheit m eene:
Bi vele lachene, ende tonstede,
Begrijpt men int.herte domphede.
W es in dinen zin ghestade!
Beede in sprekene ende in dade:
Die es in Onghestadichede
Hi beiaghet quade name daermede.
W erc alle dine dinc bi rade:
Sone berouw et di niet dire dade,
Ende ofti daer af Oec quaet ghesciet
Men darft di alleene w iten niet.
Dune moets man no wi
jf die leuen
110
115
Beheeten dinc: dune w ilt hem gheuen.
Oftu yem en m et beheete verhoghes
Ende hem stappans gheuen m oghes!
Sone laet niet langre biden:
Dune gheuest hem in dien tiden.
Die vele beheet, hine goude welj
Hihoutmetten lieden sjel;
Gheloef sulken lieden twlnt:
W ant sisijn loser dan die wint.
A1si dat sake dat wast dijn goet,
120
125
130
Dine atent ende dinen naoet
lle leechgre niet an te seere:
Dattu vergheets Godej Onsen heere;
W ant men m ach niet dienen te m oede
Gode ende des duuels goede.
Dune m oets oec niet doen pine
0na rike oft arenl te sine;
Die tusschen den tNieen begheret goet
Te nuttene, die naan es vroet.
Ghelt den heleghen di
jn belof,
Eer God wrake sent daer Of.
95 K1.Loghe.- l00 Hs.Begri
jp.- l06 Hs.dine.- lQ7Hs.begheren.
K1.begheeren.
1Q9- 130 Haag.Fragm.55- 56.
135
140
145
150
Vrient: hout ieghen alle dinc vrede,
Sonder ieghen die quaethede:
Daer ieghen m oetstu di verrechten
Ende alle w eghe ieghen hare vechten ;
W ant du m oets drie cam pe verwinnen,
Sultu hem elrike ghewinnen.
Drie viande vechten met crachte
Ieghen di bi daghe ende bi nachte.
Deen es die viant vter hellenj
Die pinet hOe hi di bedwelle
Ende h:e hi di m et sinen strecken
Van goeden gheNierke naoghe trecken.
Tander es dat broossche vleesch:
Dat alle Nieghe doet den heesch
0nl Niel heten ende Onl Nvel drincken
Ende niet en laet Om die ziele dinken.
Die weerelt es die derde viant,
Die den m ensche doet m eneghen pant.
M achtu verwinnen desen drien,
Sone doruestu niet Ontsien.
Peins om die bliscap van paradise
Ende Om die helle daer w i af grisen,
Ende wattu si
js,ende wattu waers:
155
160
Ende w aer du suls alstu henen vaersj
Ende Om die doot die niet can sparen
Noch den riken noch den aerm en.
Die dit alle wile dade!
Hi soude te m in doen quade dade.
Ondec dinen Nviue niet
V erholne dinc: die di es ghesciet,
Ofer dijn lijf Of eere an leghet:
165
Die m an es Onbehendich: dies pleghet.
W oekeraers dochter ende am mans,
Papen dochtren ende spelem ans
Ende predecaers dochtren nem niet te wiue;
W ant selden sietm en hem becliuen
l33 Hs.verechten.- 135Hs.iij.- 15lHs.vandenparadise,eêenal&QQ.l66 K1.siet men.
159- 16Q Haag.Fragm.51-54.
170
175
180
185
Tgoet,dat qualike es ghew onnen,
Ende dat si niet verdienen connen.
Oftu iem ene sies vallen of glidenj
Ne lache niet:en w es niet blide:
W attan, al valt die ghene die sneuet?
Een paert valt dat vier voete heuet.
Vele runen stille ende dicke
Ne can ic niet in houescheit m icken:
Noch en w as noit gem aect dOr goet,
Ende niem en ne pleghets:die we1 gevroet.
Dinen m eester m oetstu Ontsienj
Sultu der leeringhen plien ;
Ende wilture bi com en te eeren,
Du m oets ghewillike leeren.
W ant vroetscap es van sulker zede:
Sone w ille den ghenen niet m ede
Dien sOe Onghewillich ziet
Of die quader zeden pliet.
Laet di ghenoeghen:dattu heues,
Eist lettel, eist vele:daer du bi leues:
So wien so tsijn ghenoeghet wel:
190
195
200
Hi es rikej ende niem en e1.
Ne stec in ander m ans coren
Dine sickele niet, w ant du m ochts toren
Ende lachtre daer af ghewaghen
Of bi auenturen corten dine daghe.
Oftu ghem oets eenen sot:
Ne hout m et hem spel no spot.
Sotte sijn Oec van tween manieren:
Deen es fel, dander goedertiere.
Die sot es ende goedertiere m ede,
Saltu verdraghen in elke stede;
Die beede sOt es ende fel,
Dien saltu scuw en:doestu wel.
Goede dachvaert doeti:w ete God,
Die hem teliuereert van den sot.
169 Hs.yemene.- l70 K1.enlde).- 190 Hs.machts.- l95 Hs.van
manieren.- Q0Q Kl.te liuereert.
185- 188 Haag.Fragm.47- 50.
205
210
Vlie terninghe ende quade wi
jf:
Leet in tauernen niet dijn lijf;
Diere vele hem houden an:
Sietmen dicken arem man.
H out di sim pel in cuuschede
Ende decker gheene houerde m ede.
Dit so segghic dor die ghone,
Die te heelne si
jn ghewone
ln cuusscheit hare herheit van zinnen
Die si draghen int herte binnen :
(Tghelaet van buten doet ons kinnen
Die houerde van haren zinnen)
215
220
Nochtan seghsi dat si
jt dOr roena
Noch dOr houerde niet en doen.
Sine m oghen Gode bedrieghen niet,
Diet in die herte binnen ziet.
Nochtan w eetic w el datte:
Men mach Onder eene m atte
Draghen grote houerdichede
Ende Onderpurper (hlomoedichede.
225
H ouerde leit in die cleedere niet,
M aer in die herte diere pliet.
Ghef dine aelm oesene stillej
Ghew illike, dOr die Gods wille:
Of openbare, m oghestuse bieden
In goeden exem pelen anderen lieden.
Ghefdat dijn es!ende dien ment gheuet,
230
235
Moetstu wanen dats noot heuet.
Om oede:die es harde goet,
Alse m ense niet gheveinst en doet;
Scuwe, alse doet die vroede,
Van alte grotre Onaoede;
Int gheuouch ende int ghem ate
Draechse,dat es caritate.
Oftu Gode wilt we1 anebeden,
SO bidt hem in verholne steden,
Q* Hs.Siedmen.K1.Sietmen.-.Q08lls.deckegherne-- Ql1 Hs.vanbYnen.- Ql4Hs.onsen.- QQ0 Hs.Nen.- QQ3K1.cleedre.- Q37Hs.anebeden.
Q03-QX Haag.Fragm.43-46.
240
Dat hi di van sonden quite;
Ne doe niet alse die ypocrite,
Die buten toghet dat hi we1 leuet,
Ende binnen dies een tw int niet heuet.
Datsi
jn dievalsche propheten,
245
Die Ons Scrifturen scuw en heten,
Die de werelt al bedrieghen,
Ende bi haren abite ons lieghen.
Sislachten den beelden,die schijn
Van buten dat siguldin sijn,
Die nochtan coperijn sijn binnen:
250
Suldi dusghedane kinnen,
Dat salsi
jn biharen daden,
255
260
265
270
Die altoes henden in quaden.
Dese quade ypocrisien
M oete God verm alendien.
Eer du spreecx,besie dine wort,
Dat niet begripe die ghene diet hort;
W ant verlopene tale doet
Dat die m ensche heet quaet ghem oet.
Ende dicken wert den m ensche leet
Dat hise seide so ghereet.
Ieghen di
jn eerscap ende dijn prelaet,
Daer di Onder te doene staet;
Ghemoetstuse Of wiltuse spreken:
Du m oets caproen ende hoet afsteken.
Oftu sprekes van iem ene hietj
SO sie noch w ise vp hem niet:
H et es eene dorperhede!
Men doetre m eneghen scam en mede.
Alse een beter Of vroeder naan
Dan du best: di spreket an,
Swi
jch die wile dattispreket.
H et es onhouesch dat m en breket
Ofte scuert iem ens tale,
V0r hise heuet ghehendt Fale.
Q44 Hs.scrifture.- Q45 Kl.weerelt.- Q47 Hs.beelde.- Qb0 Kl.dus
ghedane.- Q53 Hs.ypycrosien.- Q64 Kl.afsteken.- Q66Hs.wijs.Kl.
wies.- Q74 Kl.ghehent.
275
Oftu iew eren bodscap drv hes,
W acht datture niet af beie hes
*
280
285
290
295
@
@
*
:75
@
Bi staden ende verstandelike.
Vele verm eten es harde quaet:
Verm et diniet van eenegher daet,
580
Die du niet m et dire cracht
Vulleesten no vulbringhen macht.
Vrient,te m eer verhef di niet:
A1 si dat sake dat ghesciet
Di een gheluc of goet gheual:
g85
Du m oghes dàer na verliesen a1.
Dune naoghes Oec niet dor eenighe scaden
Alte groten rou';e laden;
svant dauenture es Onghestade
Ende Tiandel sere in hare dade:
Sone gheuet haer goet:so leenet den lieden ; '90
Bidi mach m en hare niet verbieden
Te Niedertreckene, of soes verian,
Dat soe gheleent heuet den naan.
Ontdec dinen viant niet
Scade die di es ghescietj
:9:
Ofdinen commer:Of dijn leet;
W ant hiverblijt,als hijt weet.
Dinen viant, dien du toren
300
Of quaet doen wils,dreech yiet te voren;
W ant die ghene, die des pleghenj
Si bewarense daer ieghen.
305
Die sinen viantlanghet sijn lijf,
An den welken es gheen blijf,
Hine soudene doden:haddijs stede!
Hicort sijns selues lijf daermede.
300
30:
Q75 Ta% âlraf J,#IJdt
lJkl/er'
e telting #ernet'
zen.- Q17H6tolflr,-
kende p,r,gou 4î:zf: kunnen morden Jcp.::rvl#:
Lachter,ende sprec cortelike
Q80 K1.Vermeet die.- Q84 Hs.Alsi.- Q89 Hs.dauentuere.- Q90 Hs.
sere onttr. -- QM Hs. So gheuet. - Q93 Hs.veryan.- 305 Hs.Hi3* Hs.Ende cort.
kklse ienaene spreect van anderen quaet:
Teersten nzerc oft hine haet,
(Vte viands mont gaet selden goet)
310
Ofmerc Ofhijtbinide doet.
Die nideghe es harde fe1:
Selden sprect hi van ienaene Nvel;
H i siet vp hem m et fellen oghen:
Of hine m ach niet ghedoghen
315
Te siene daer hi ni
jt vp heuet.
IL es die naet tornlente leuet.
Hine rust nem m er in sinen sinnen
@
320
*
*
@
*
H i es rouw ich: a1s hi siet
Dat eenen anderen goet ghesciet.
Vrient,stec nijt huut dinen sinne
325
330
335
Ende doere caritate inne.
S0 naoghestu leuen naet ghenaden:
Ende di van grotre sorghen Ontladen.
Caritate nidet niem en:
Alesdoet naen hare: sOe vergheuet snieuaen.
Soe es oenaoedich ende goedertiere:
Ende ghedoghich in naenegher naaniere;
SOe es rauwich!a1st m esualt den lieden,
Niet anders daent hare ghesciede.
Soe heuet vele ander dogheden an hare,
Die m i te lanc te telne w are.
Ofdijd vrient eene ghifte heuet
Ende hise di te dancke gheuet,
kk1 es s0e niet te dinen w illej
(lroetere afscone,zwi
jch alstille:
Ne hebse Onm are niet een twint,
Danc hem dat hise di heuet ghesint:
3:0
395
380
33:
308 Hs. merct. - 31Q Hs.yemene.- 3l8 DatJidr een 18,.
4 ontbreekt,
ï: doov flvzl,r niet opgemevkt,J?dâ/zlz nietJ4a#e#vi#. H6t zpv aldu âvlpel
vorden JJIN - I#J
Hine can hem nietghesaten binnen,
d.i. J#'ka% niet bedaren, zich kalmeeren. ZéeMnl. W#l.op ge%ten.3Q4 K1.die.
11
340
345
350
355
360
365
370
Hets recht:die cleene ghiften vliet:
Dat hi die grote hebbe niet.
Men sal ghegheuen paert niet zien
In den m ont: no tusschen die dien.
Dune m oets Oec niet om cleene saken
V an dinen vrient dinen viant m aken.
Ghetrouw e vrient helpt ter noet,
H ine vliet dor vreese! noch d0r doet.
Die vrient es van auenture,
A lse langhe alsti wel gaet ter cure,
S0 volghet hi di; ne ware hi vliet,
Alse di m esuallet Of m essciet.
Als iem en spreket ieghen di:
340
345
In sijn ansichte so sie,
350
Ende m erc vaste in dien stonden
Die wort, die gaen vut sinen m onde.
Onderwint di van gheere daet,
Die te di w aert niet ne gaet;
W ant du m ochts varinghe m aken:
Dat al vpti soude becraken.
Boden, die te di ghesint com on:
Eist te scaden Of te vrom en:
Laet hem segghen haren w ille:
35$
Vploep diniet:maer zwijch alstille.
360
Men seghet int ghem eene diet:
Bode en m ach men Ontsegghen niet.
Vrient,ne loep niet harentarej
Om te horne quade niem are.
Slach loghene talre stonde
Ende quade niem are van m onde.
Tusschen tween dinghen:die sijn quaet,
36:
Kies dat mindste:dats mijn raet;
Men seghet int ghem eene soet:
llets beter quaet dan argher doen.
Die huw en sal, Of in Ordine gaen:
Of Ouer zee die cruce Ontfaen,
370
35l Hs. die. - 359 Hs. ghesent. - 360 Hs.ofte.- 364 Hs.men
ontbr.- 370 Hs.dats.- 37Q Hs.ordinen.
345-350.De,6z:4 verzen â
'/lJzlin een oud Sr?
:q
rd:lacâ E&.van & Kon.
#ïlJï//â,4.Zie##/,;:C.- 355= 58 Haag.Fragm.57* 0.
375
380
Eer hijtbejripe,bepense hem wel.
Ne w ese nlem ene te fe1:
Sulc m an doet dinc in haesticheden,
Dat hem berouw et: a1st es leden.
Vrient, oftu dochtren hubaer heues,
lc rade dattuse te m anne gheues,
87;
Of dattuse ieweren pijns te doene
Met nonnen in religioene.
Die ripe pere valt also verde
In die linghine a1s vp die scone erde.
385
380
Vrient,hout di
jns heerscaps vrede.
Begrijpsg niet van haren zeden
Vp auenture Of si vergram en
Ende di.quaet daer naer af quam e:
38:
W ant sisijn some quaet ende fel:
390
395
Si doen den laten selden w el.
So wee den w iue entien m anno,
Die leuen onder sulke tyranne:
Si nem en hem al dat si m oghen:
Eist m et crachte: eist m et loghen.
390
Simoetrn hem sijn onderdaen
Ende te haren dienste staenj
Ende sijn ghereet alse ment ghebiet;
400
Anders en hebsi een twint nietj
Noch ander loen noch ander goet,
Dan dat die keyti
jfdienen m oet.
Dus heuet hi sinen dienst verloren
Ende bliuet keytijfals te voren.
405
39i
Dat gaderen m ach die arm e man:
Dat heuet al die rike dan.
N7anen conat hena scat of Nieelde naede:
Dan vander aerm er lieder lede?
Al dat si winnen ende Ontsparen,
Dat m oet al die rike taren.
400
405
Die spaert die roede,hiaet sijn kint:
410
Vrient,ne spare niet een tw int:
383 Hs.werde.- 39l Hs.entie.- 406 K1.van der.- 407 Hs.Aldat.
377-418 Haag.Fragm .6l- 6Q.
Dune scelds dijn kint,a1s het mesdoet:
Of slaet, of bluwet:het es hem goet.
Lieue kint,oftu gaes te leerne,
S0 vrach dicken ende lere gherne;
W es vernemel ende ghedinc?
Ende leere vort gheleerde dlnc :
Dus m oghestu alle slotele ghewinnen
hrander vroedscap in dinen zinnen.
2(1st euel Niast, so soude nlent Tieeren
Int beghin: eer het naach deeren;
s7ant en Niert naent niet bi tide
Ende het verhoudert bilanghe bide,
Teuel naach den naensche doden
Of bringhen in sulken noden:
Dat naen henl nlet groter piûe
Ne naach ghehelpen gans tsine.
llier onlnle soude nzen int beghin saen
415
420
425
410
4:0
4:$
Quade ghewoenten wederstaen,
Entie kindre in die ionchede
Ontwennen hare quade zede.
W ant het leert ons die scrifture:
GheTioente dat es snaans nature;
Eist in neerenste,eist in scerne,
Dat m en w int, dat hout m en gherne.
Ouer waer segghicjw ete God:
430
435
430
Tkint ghelijct den nieuwen pot.
Nieuw e pot Onthout langhe
Die roke, die hi heuet Ontfanghen :
Ghiet m er eerst Olye inne:
Hiblijfter langhe vet af binnen;
440
M en machene nem m er so ghescouden:
H ine sa1 der vetheit hiet behouden ;
Ghiet nler eerst in zeec of yekej
H ine salre langhe qualike af rieken ;
440
Ghiet mer in claereit of wijn,
Hi sa1 van goeder roken sijn.
445
-
43:
*
414 Hs. leerne. - 4l9 K1. soude ment.- 4Ql Hs.werc.- 4Q6 Hs.
Ne ontbr.- * 6 Hs.Tlant.- 445 Hs.claerhoit.
14
Also eist tkint in sire ioghet:
445
Ghelijc machment wennen ter doghet
450
455
Entie ghelike quade seden leeren,
Die hem langhe daerna deeren ;
M en m aghet bugen harentare:
Alse oFet ghelaw et ware.
Vrouwen eere na dine m achte,
Ne sprec van hem no quaet no lachter;
Dune nloetse niet nzet quaetheit donzen,
450
W ant wisijn alle van vrouwen comen.
Goet man:Oftu m oghes verstaen
455
Dat di dijn wijfes Onderdaen,
Doe hare v0r die liede (hleere,
460
465
470
475
Ilebse N7ert ende nainse zeere.
Oftu cnapen Onder di heues,
Dien du dranc ende spise gheues:
Houdse Onder di bedw onghen ;
460
Ende Ofsi sijn van quader tonghen,
Sone laet hem niet verstaen
Verholne dinc, die du heues ghedaen.
W es binden huus houesch ende rechte,
Dat van di gheene quade knechte
Buter doren segghen nloghen
Dan al goet ende dinc die doghen:
Doestuut niet, si sullen di donlen
Buter dore, daer si conaen.
Heefstu stiefm oeder Of vader,
W es Onderdanich hem algader,
Ende pine bi nachte ende bi daghe
HOe du hare hulde m oghes beiaghen.
Eere dijn stiefkint ende ghefhem prijs,
SQ nloghestu in diere Nii
js
465
470
47$
Der nloeder hulde hebben daer Of,
480
Ende vander werelt prijs ende lof.
Oftu sies tw ee broederen vechten,
Dune m oets no w eder verrechten,
480
448 Kl.mach ment. - 455 Hs. doemen.- 459 Kl.voer.- 464 K1.
ofsi.- 47l Hs.doemen.- 473 Hs.moeder ofstiefvader.- 477 Hs.stief
kint.- 480 Kl.van der weerelt.
453- 456 Haag.Fragm.63- 66.- 451- 460 Haag.Fragm.67- 70.
485
490
Noch den eenen noch den anderen
Ne naoetstu nlet vechten in hulpen standen.
Castise ende sceldse beede,
Dus houdstu harer beeder vrede.
485
W aerscepe selden die vriende dine,
goet
ni
et
zeer
e
dw
i
ne
;
Dat dijn
Sulc es vrient, die wile dattu hem geues,
Hine rouct niet dijns a1s du niet heues.
In w at ghelaghe so du valles,
W acht dattu te vele niet ne calles,
490
Ende dattu dijn ghelach we1gelds,
495
Ende dattu ieghen niem en scelds.
In sceldene dinct m i behendichede
Dat men een deelkijn smeeke mede.
W achti! vrient,van achtersprakej
Dattu niem ene dor wrake
500
505
510
515
49;
Noch dor nijt ne spreecx lachter,
Daer scande hera naach conaen achter.
Ne laet di niet te scerne driuen
N0 van naanne,no van Niiuej
Daer duus di nloghes beNrachtenj
svant hets scande ende lachter.
Nauonds salm en louen den dach:
Alse m en nemm er scouwen m ach.
Vrient, dune m oets oec niem en
Lachtren, no prisen te sniem en :
H ets lachtre dattu scande gheues,
Dien du te voren ghepri
jst heues.
Ne ghefOec niet in gheere wi
js
Van dinen doene di seluen pri
js:
Prijs ne dinct miniet goet
500
505
510
In sgheens m ont: diese selue doet;
Laet di andere liede prisen
Van dinen doene; dus doen die w ise.
493 Kl.ghelts.- 497 Hs.achter sprake.- 505 Kl.salmen.- M 0 Hs
heuet.- 5l3 Hs.Prisen.- 5l4 K1.sgeens.- 514 Hs.diene.
487- 490 M6t#:z:nteopâe l:#ilx:ld6FragmentenvanJ,fAudenaerdxhe
Hs.1- 4.
520
525
530
Vrient,verhef di niet te zeere,
A1 heuestu van onsen H eere
M eer gracien dan een ander doet,
Eist conste: eist ionste, eist ander goet.
Dune m oets gramscepe niet vpheuen,
Die langhe te voren es vergheuen.
Die weldaet, die m en heuet ghedaen,
Pleghet naen te verghetene saen;
Viandscepe ende quade dade
Die vergheetnaen harde spade.
Ne ghanc ter maerct niet vp hopen
Dattu Vp anders borse sult C0P0n ;
W ant wi sien met onsen Oghen,
540
520
I95
Dies pleghen,sisi
jn dicken bedroghen.
Dune m oetsti niet vorder strecken
Dan dine cleedre moghen recken :
Naer dien dattu neeringhe heues:
SO bedaerf di dattu leues.
535
$1I
58Q
Van niemens goede dan van dijn
Ne wes milde,so waert mach sijn:
Dune m oets vut ander m ans siden
Ne gheene breede rienaen sniden.
svachti: vrient:van quader zede
Ende van quaden gheselscepe naede:
Van quaden ghesellen com t al quaet,
53:
Quade namen ende quade daet.
540
Vrient: Oftu wilt huwen wel,
Nem di
jn ghenoet ende nienaen el;
545
Nem die es van goeden zeden,
S0 leedestu dijn li
jfmet vreden.
Men seghet,dat sijn viere saken
$4:
Die den m ensche ouerdich m aken :
Vorbaer gheslachte ende Nietenthede,
550
Rjcheitvan goede ende scoenhede,
5Q4 Kl. Plwhet men. - 5Q6 Kl. vergheet men. - 540 Hs.gheselschepe.- 544 K1.dien.- 549 K1.Voerbaer.
517- 5Q0 Auden.Fragm.5- 8.- 5Q1- 5Q6 Auden.Fragm.9- 14.5Q7- 530 Auden.Fragm.15--18.- 531- 534 Auden.Fragm .l9- QQ.535- 538 Auden.Fragm.Q3- Q6.- 543-546 Auden.Fragm.Q9- 3Q.547- 554 Auden.Fragm.33- 40.
555
560
565
Die hem hier Om me Ouerdich doen:
Si hebber ieNiet redene toe;
Alaer hi es dora die hena verheuet,
Die gheen van desen vieren heuet.
Cranc gheen anabacht naet quader cure
Ende verwerre niet dine ghebure:
Een quaet ghebuer es zeere tontsiene:
Ende zw are dinc elcx daghes te siene;
Diene heuet: leuet m et sorghen:
Ende elcx daghes heefti quade m orghen.
A lse vrem de gaste tote di tiden:
Ontfancse w el ende macse blide;
W inne an hem redelike vronae:
Ende dOe so dat si '7eder conlen.
Ende Of dijn vrient comt Onuersien,
H ore, wattu dan sals plien :
Ghef blidelike dattu heues:
A1 eist so dattu hem niet ne gheues
570
Also vele a1st dijn wille w are;
570
Toech blide ansichte Openbare:
Avant negheene w ersceep doghet
575
580
Daer men gheen blide anscijn toghet.
575
Dat es dbeste:dat es dm eeste:
Dat vulm aect al die feeste.
Vrient, oftu goet borghen sult,
SO ghelt gherne dine scult.
Het es eene houeschede
W el te gheldene ende vrom e m ede.
Die w el ghelt heden:com t hi m orghen,
Men sal hem vele te houder borghen.
Vrient, nv willic di bedieden,
W at w e1 sit an die lieden,
580
HOe si moghen,eist man Ofwijf:
Met houescheden leden tlijf:
585
55Q Hs. yewet. - 5% Ils.verwerret.- 566 Hs.wat du dan salt.
576 Dezere#efï, door Kausler overgentagen,,'zlater liefopgegeven.
561- 564 Auden.Fragm.41- 44.- 565- 574Auden.Fragm.45- 49.581- 588 Auden.Fragm .55.-6Q.
Q
585
590
595
Eer du in die dore sult gaen,
Die du vints besloten staen:
Saltu hoesten Ofte spreken,
Niet m etter druust die dore vpsteken.
lonc man:die com s in vrem der steden:
Sit vp die suuer erde neder.
Of m en di ter tafle biedt
Den ap: ne w edersegghe niet;
Ontfankene ende drinc lettelike
Ende gheuen weder houeschelike.
Bestu Oec arem man Of neder:
Ne biet dijns drancs gheblijf niet weder:
Daer grote liede ter tafle sijn;
Ghiet vut ofdrinc al vut den wi
jnj
600
600
Ende coele den nap ende settene w eder
Alghecoelt ter taie neder.
Vrient:hout suuerlijc ende cuus
Dine hallam e binnen huus.
Dwach zuuerlijc in die morghinstont
605
610
615
Handen, Oghen ende m ont;
Ne dwach niet hogher dan hi dw aet:
Die m et di te dw ane staet.
Ne droech Oec niet dine Oghen beede
Met hemde, sleppe of m et cleede.
610
Dune sult m et scolaken wriuen no droghen
Vule tande ende zeere Oghen.
Oftu te Nverscepe Tvaers ghebeden:
Niet ne kies te sittene stede:
615
Vor dat hi die stede gheuet,
Die w ert, die di ghebeden heuet:
Ende hi di dus spreket an :
))Vrient, nv sit bi desen m an.''
Ende oftu sits Ongheheeten m ede:
620
Ganc sitten in die vterste stede,
590 Kl.eerde.- 59l Hs.biet.- 59Q Hs.Deap,met:,zlkrom t
r/l'epj:
boven de e.- 597 Hs.tafele.- 598 Hs.drinct.- 600 Hs.ghecoete. Kl.
ghecoegllte - 605 K1.dwaech.- 6l7 Hs.neder.
589-594 Auden.Fragm.63- 68.- 595- 600Auden.Fragm.69- 74.611- 616 Auden.Fragm.75- 80.- 617- 6Q4 Auden.Fragm.81- 88.
Dat dinen w ert, die di bat:
620
Alse hijt siet:vernoye dat
Ende segghe: llvrient,hier sitti nietj
Gaet bet vp sitten:ic ghebiet-''
Dan saldi grote eere ghescien
VOr die lieden,die dat sien.
625
630
625
Ende ofdie spise niet te tijt
Ghereet si,so zwijch ende Ontbijt.
H elp Oec ghereden die capoene
Of andere spise! daers es te doene.
H etestu m et vrouwen, so diene hare:
Ende vander spisen harentare
630
Snijt suuerlike die morseele
Ende lechse vOr hare tharen deele.
W es Oec gheliker wijs ghereet
635
635
Te dienne hem die m etti eet;
Entie wile dat hi drinct,
Sone et selue niet een twint.
Als du etes,in ghere w ise
Ne m oetstu lachtren dine spise.
Ne blaes oec niet in dijn eten:
640
645
650
Laet coelen: eer du beghints m et eten.
Hef vp m etten handen dine
*
Ter m iddew aert den cop m et W 1n0 :
Ne heFene m etten borde niet.
Ende eer du selue drincs, so biedt
Der vrouwen, Of die es gheseten
Te dire scotele m etti eten.
Men pleghet nochtan te m enigher stede
Te drinkene ente settene m ede.
645
Oftu Oec eenich quadekijn
Vlieten sies in dinen wijn,
H ets houescher dattuut vteghies
Dan duut m et dinen monde vutblies.
630 K1.van der.- 634 Hs.etet.- 640Hs.begintseten.- 64QHs.metten
wine.- 6$4 Hs.drinc.- 647 Hs.nochten.- 65lHs.vteghies- vutblies.
6Q5-6Q8 Auden.Fragm.89-92.- 6Q9-63Q Auden.Fragm.93- 96.633- 636 Auden.Fragm.97- l00.- 637- 640Auden.Fragm.101-104.641-648 Auden.Fragm.105-l1Q.- 649-65QAuden.Fragm.113- 116.
20
655
Alstu etes, ne crauw e niet
No hooft, no hant: daert iem en ziet.
Eere houeschede m akic di cont:
Die wile dat spise es in dinen m ont,
SO drinc! no suup:w ant inden coppen
*
660
665
670
675
680
65;
*
Ne lene m et hellenboghe niet
Vptie tafle: daer m ent ziet.
Sit rechte ende diene dinen gheselle:
Dat hi doghet van di telle.
Ieghen heerscap m oetstu vpstaen
Ende blidelike ieghen hem gaen,
Ende sit neuen hem niet, dat besie,
En w are Of m ent hiete di.
Oftu sits bi betren lieden,
Hore: w at ic di bediede:
Ghesatelike m oetstu di houden:
Niet teen knie Ouer tander vouden.
Nv m erc vort: wat ic di telle:
Alstu gaes bi dinen gheselle?
Ganc neuen hem : ende Of hl wille
660
Voren gaen:ghedoech ende swi
jch stille.
675
Vort willic dattu m i verstaes:
Oftu m et vorbaren m ensche gaes,
Bachten hem ganc tallen tiden,
Hine hiete di gaen neuen sire zide.
M et wien dattu dachvaert wends
Ende dien du niet en kens,
s65
670
680
656 K1.spijse.- 657 Kl.in den.- 659 Hs.hellen boghe.Kl.hellenboghen.- 663 Hs.vp staen.- 666 Hs.die.- 674 Hs.swi
jc.
658 D6 onttrekende regetzpv aldu& kunnen xdrAzl aangevuld:
Ne machsta nietdijn eten soppen.
ln â:/ Auden. Fragm.(lQQ)ontbreektJidrmelgeen rd#el
,dooh dedaar
aaivenige i: van eene glx,:cl andere redaotie en kan #v4nietg,lré âfvotden
fer aanvulling.
653- 654Auden.Fragm.117- 118.- 655-658Auden Fragm.1l9- 1QQ.659.
-66Q Auden Fragm.1Q3- lQ6.- 663- 666Auden.Fragm.Q55-Q58.667- 670 Auden.Fragm.Q59- Q6Q.- 671- 674Auden.Fragm.Q63- Q66.675--678 Auden.Fragm.Q@7-Q70.
685
690
695
Vrach! w aer hi wille ende wanen hi com t
Ende hoemen sinen nam e noem t.
Al si lanc Of cort die dach:
Ganc nem m eer!dan hi gaen m ach
Dien du te gheselle te voren,
Eer du porres, hads vercoren ;
Ende dat hi w ille: dat wille m ede:
S0 m oghestu houden sinen vrede.
Ende daer du heues gherust neder:
Alstu vpstaes, so sie weder
Dattu vphefs bi gheualle
Eeneghe dinc: die di es Ontfallen.
Soekestu in w eghe verden:
Hen voeghet niet:gaestu di derden :
A lse dat iOc drie Ossen draghen:
Selden trecsi w el den waghen.
Bestu m an die om me coep vaert:
585
690
695
Ofclerc die vaert te Parijs waert,
700
705
710
715
Sone vare niet bi nachte:
Dat men di
jn goet niet roue bi crachte.
Stant tiliken vp ende vant beiaghen
Herberghe bi sconen daghe.
Ende gheuallet dattu gaes slapen
Bi dinen gheselle of betren cnapenj
Vrach hem eerst: lude Of stille:
An welcke zide hi ligghen w ille.
Oftu coeps spise Of ander dinghen,
Du m oetse houeschelike dinghen ;
Handelse niet Onhouescheleke:
Dat m en gheen quaet daer af ne spreke.
Danc dinen wert der houescheden:
Of hi di sauons eeneghe dede.
svacht achter Nieghe daer du gaeq
Dattu hont no steecs no slaes:
H out in allen dinghen m ede
Na dire m acht der lieder vrede.
700
690 Hs. vp staes. - 691 Hs.,vp hefs.- 69Q K1.Eneghe - didi.705 K1.welche.- 709 Hs.onhoueschelike.- 7l0 K1.Dat men.
22
720
725
730
Cnape, oftu dinen heere diens,
Diene hem so dattu verdiens
Sine gracie ende sine houde:
So dat hi di gherne Onthoude.
In allen dinghen wes ghetrouwe
Dinen heere ende diere vrouw e.
Ganc haestelike daer m en di sent,
Ende cortelike weder w ent.
W es snel te doene alle dinc,
Datm en di seghet, dat ghedinc.
Diene houeschelike dinen heere:
Ende pine di vele te m eere
Dattu in dienste prijs beiaghes;
Ende alstu dijn gherechte draghes:
725
730
Drach in die luchtre hant tgerechte,
Entie saeuse in dandre: ende ganc rechte.
Set vorden vorbaersten eerst deten
Die ter taflen es gheseten.
735
Den wijn moetstu neder scincken
ln den nap, daer m:n vut sa1 drincken.
740
Als du kniels, dan saltu houden
Deen been vp! ende dander vouden ;
Maer vOr Gode, eist heere: eist cnape:
Eist coninc: eist bisscop: clerc of pape,
S0 m oetm en met beeden beenen cnielen
DOr die salichede vander zielen.
740
Alse dijn vrouwe Ofdijn heere
745
750
Es vp di verbolghen zeere:
Antw oert hem een tw int niet weder,
V0r die granascap es ghesonken neder.
Noch hore vort, wat ic di leere:
Bestu cnape,vrouw e of heere,
Ganc achtrew eghe niet alleene:
Ghetordene w ech ganc ende ghem eene:
74ö
7Q6 Hs.ghedinct.7Q6 K1.Dat men.- 13Q Hs.Ende.- 733Hs.vorden
vorden vorbaersten.- 740 Hs.co,met6en ârp- ztreepjel/roz#eo.741 K1.moet men.- 74Q K1.van der.- 749 K1.achtre weghe.
717- 7Q0Auden.Fragm.1Q7- 130.- 7Q1-7Q6kuden.Fragm.131- 136.7Q:- 736 Auden.Fragm.137- 146.- 737- 74QAuden.Fragm.151- 156.743- 746 Auden.Fragm.157- 161.
755
760
765
770
775
780
Laet houden wech d0r nieuw en niet
Vp auentuere of di m essciet.
Groet die lieden gherne in weghen:
Eist vrient Of vrem de, die di com t ieghen.
Den houden bestu sculdich te 00rn0,
Niet te bespottene m et scerne.
Die houde es lustich ende vroet:
Volch sinen rade,w ant hi es goet.
760
Ende scuwe dat hi di heet vlien ;
Alse hout hont bast, salm en wtsien.
Dune salt niet vergeten
Den Oudren enten betren:
Dan du best, te m akene stede
Bi di te sittene;dats w etenthede.
765
Horstu,vrient,Of gheuallet sake
Dattu w ilt vrienden werscap m aken,
Sdaghes te voren laet henA N7eten:
Dat si snlarghins nletti eten.
770
Ende Of cnapen m et hem tiden,
Ghef henl ghenouch ende naacse blide:
Dat si der feesten niet spreken lachter:
Ne m aer dat sise prisen achter.
Die tote di com en, ontfancse wale,
Ende antw oert hem m et scoenre tale,
775
W ant scone tale sone cost niet;
Gherne wert hi wert, diere pliet.
V rient,hets vele beter bliuen
Binnen huus m et hu boden ende m etw iuen,
Dan du harentare gaes,
Daer du qualike dijn goet verdwaes:
780
Du m ochtese alle blide maken daer mede
Dattu verdoes in vrem der stede.
75Q K1.auenture.- 759 Hs.vliet.- 760Kl.sa1men.- 76QHs.ouden.764 Hs. Bidi. - 765 Hs. saken.- 769 Hs.knapen. - 778 K1.lieden,
docâ â,fHs.âee
ftwr# duidel#k boden.
715 Leze rvd/ va& Apr Kauslerovo'
genlagen,Acâmerd llf:r(Denkm.
111,34Q)doovâ:> opgegeven.
773--776 Aaden.Fragm.163--166.-- 717--18: Auden.Fragm.l67- l7Q.
24
785
Vrient,swijch ende sprec te tijt,
Ende wachti van hem die di nijt:
Die nijt es argher stille,te waren:
790
Dan die m en dreghet Openbare.
0ec ontdec no m anne no wiue
Dattu w ilt dat verholen bliue;
W ant m i dincket dOm die m an,
Die selue helen niet en can:
785
Dat hijt anderen man beuele
Dat hisijn verholen hele.
795
800
805
810
815
Ghi heeren, die de Nverelt berecken
Entie die lieden sult betrecken:
W edewen: weesen m oetu Ontfarmen:
Ende doet alse w el recht den aermen!
Alse ghi w ilt dat m en hu dade;
Ne laet dOr vrom e: no dOr scade,
NO dOr neue: no d0r nichte:
Noch d0r bede:noch d0r gichte.
Ghifte die verdullet den m an
Dat hi recht doen no roect, no Can '
Miede die verdoem t die ziele:
Al w are dat sake dat gheuiele
Dat arem m an hadde rechte saken,
Miede sout al Onrecht m aken.
Vrient: oftu hout heerscapie
Bouen dinen ghenoot: of balgie,
Na dire m acht berechtene wel,
Doe hem 00r0: ne wes niet fel.
2kl dincti dattu heues naacht,
Ne dOe daer Onanae nienlen cracht
Noch ouerdaet: Of gheuiele sake
Dat m en di noch daer af stake,
Dat niem en m ochte van di claghen
Of eenich wanconst vpti draghen.
800
815
786 Hs.men ontbr.- 789 Kl.duncket.- 809 Hs.berechtse.- 81lHs.
cracht.
I
783- 786Auden.Fragm.173-176.- 787--79QAuden.Fragm.177-180.793- 800 Auden.Fragm.181- 194.- 801- 806Auden.Fragm.195- Q00. 807- 810 Auden.Fragm.Q01-Q04.- 811- 8Q0 Auden.Fragm.Q05-Q14.
H eerscaps hulde es niet gestade,
Ende dicken endet so in quade.
H ets beter clem m en ende w eder vallen
820
@
*
825
Dinen vrient pri
js Openbare
V 0r die lieden harentare!
Ende stillekine scelt sine dulhede
Ende lachtert sine quade zede.
Men kent den vrient niet: vOr m enneproeuet
Ende alse men si
jns behoeuet:
825
Die inden noot vrient bekinnen
Si draghen Nvarachteghe nainne.
Vrient, alse m en ieghen di m esdoet:
830
k(lverNiast didi
jn nloet,
835
lle Tirec di niet stappans ter steden,
sror die granascap es al leden :
Alen doet dat:a1s de nloet es heet,
Dat den m an daer na wert leet.
Die niet en heuet es Onw aert:
Pine di:vrient: eist in coepuaert,
830
835
Eist m et am bachte:te ghenerne
840
Ghenendeleke: ende winne gherne:
A1 w erdet di te suere tgoet;
W ant die niet ne zueret: niet ne zoet.
Vrient,te tijt d0e dine tere!
Ende spare te tijt:so heuestu eere;
845
850
Ende hout dien penninc m enich waerf
Dat m enne vint als het bedarf.
svant die penninc,hi es heere:
Hi coept:hi w int! hi heuet eere.
H i coept m ans hals:dats iam m er groet,
Hi doet den viant slaen te doet,
Hi versoentene daer na w eder ;
Hihuwet hoghe:hihuwet neder,
8Q3 Hs.dine.- 8Q7 K1.in den.- 8Q7 Hs.bekinne.- 8Q8 Kl.Sie.8Q9 K1.die.- 837 Hs.tieghen erne.
8Q0 0.6t. den /x/lr4:l#,zlregelzi: de Aanteekening.Zoo ook over 837.
8Q1- 8Q4Auden.Fragm.Ql5-Ql8.- 8Q5--8Q8àuden.Fragm.olg-QQQ.8Q9--834 Auden.Fragm.QQ3--QQ8.
26
855
860
865
870
875
880
885
Hi trect te m aghe sulken m an
Die hem niet gaet ten tienden an ;
H i slaet,hi vlaet, hi conquereert
Al dat des m enschen herte beghert.
Onw ert die ghene talre stont:
Die tw ee tonghen draghen inden m ont:
Si prisen vor di dine daden,
Ende bachten, m ochten si di verraden:
Sine soudens niew et laten.
Sisijn die ghene die draghen dwater
ln deene hant:ende in dander tûer:
Gheloef hem niet daer no hier.
lc prise m eer die hedelhede
Van herten ende van goeder zede,
Dan hedelhede van gheslachten
Die der doghet lettel achten.
Du waers m i lieuer eens lodders S0n0!
Indien du Nvaers der doghet geTvone,
Ende Nvel gheseedt ende Niel ghenaoet,
Behendich!houesch ende vroet,
D an du Nzaers eens grauen kint
Enter doghet en hads een tN7int.
lrrient, of di een arena naan
Of Onghedeghen spreket an:
2kl staet hi niet N7el ghecleet vOr di
Ne hebbe niet Onw ert sine wort bidl:
Alachode dat hi bet ghevroet
Dan sulc die bonte cappe an doet.
An sm ans w ort m achm en bekinnen
Die vroetscap die hi draghet binnen:
hrroetscap leghet niet int cleet,
Alaer in die herte diese sveet.
Vrient, ontsie niet aerm oede:
Die niet en heuet, van sinen goede
Machm en calengieren niet.
W at dinghe eist dat hi ontsiet!
860 Hs.Si
j si
jn.. 868 Hs.in dien.
860
865
870
885
27
890
895
900
905
910
9I5
W ant hine darf hem niet w achten,
Dat dief hem stelen sal bi nachte.
lndien hem ghenoughet dat hi heuet,
Hi es die sonder sorghe leuet.
Die niet en heuet: mach gaen boude
Vorden scakere inden w oude:
Ende singhen! hoesten ende niesen :
Hine draghet niet dat hi m ach verliesen.
W es verduldich ende blide
Met dattu heues, in allen tide;
Ende Oft so gheuallet sake
Dat die lieden met di m aken
Ghile ende spel, so ghile Oec mede
Ende neem t al in verduldichede.
hrergranae di niet daer OnAnle een t'iint;
Die ghedoghet:hi verw int.
890
89â
900
Die keytijf is,hem tornet meer
Bespotten,dan sijn grote seer.
Vrient,dronckenscap scuw e begene,
W ant so es vul ende Onrene.
90;
Oueraet ende ouerdranc
M aect der lieder quale lanc.
A n droncken m an ende ionghe kinden
Machm en waerheit ondervinden.
Eere es beter danne gout:
Ic rade den naan dat hire hen: an hout.
Ende oftu goeden nanae heues
S0 bestu du1 Oftuse begheues,
Ende duse verlies bi dinen sonden,
Die de aerm e zielen w onden.
H euestu Ontfanghen goeden nam e,
S0 behoudse sonder blam e,
Ende beware dijn goet met dire macht;
920
W ant hine doet niet m inder cracht
888 Kl.nachten.- 889 Hs.ln dien.- 89Q K1.in den.- 899Kl.ende
ontbr.- 897 Hs.saken.- 899 Kl.Ghilespel.- 901Hs.1twint.- 906Hs.
onneeren.- 908 Hs.den lieden.- 910 K1.Mach men.- 9l6Hs.vonden.
895- 904 Auden.Fragm.QQ9- Q38.
28
No minder doghet: die beuredet
Dat hi w e1 beiaghet heuet,
Dan hi dede, eist wi
jf,eist man,
925
Vptie wile dat hijt wan.
M en vallet lichte in sonden neder,
Maerhets pijnlijc vpstaen weder.
930
935
940
945
950
955
Vrient:du m oets die sonden sorghenj
Ende leuen: alse te steruen m orghen:
Ende altoes wel doen: dies es noet;
W ant niet es zekerre dan die doet,
Ende oec en es onsekerre twint
Dan die wile die s0e brinct.
So du hogher best Of vroeder:
S0 men di hout Ouer goeder,
S0 meer m essit in di quaethede:
Lachtre ende dorperhede.
Meer m essit in bisscop Ondaet,
Die lachterlijc es ende quaet,
Dan het in eenen pape dade
Die in diere ghelike m esdade.
Ende m eer in papen, dan in clerken,
Sulw i die dinc te rechte m erken.
Ende m eer naesdoet een Nzi
js nlan!
Dan die der wi
jsheit lettel can.
'
W es den lieden al ghesprake:
Ende volghe gherne rechte sake.
Scuw e quaetheit, m esdoe node
Purelike dor Gode.
M enich ontsiet quaet tsine
Dat m enne daer om me soude doen pine.
Een ander dade quaet,en w are
Dat hi Ontsiet quade niem are.
Die goede ontsiet te doene quaet
D0r die doghet daer hi in staet.
Al w istuut dat GOd soude vergheuen,
Ende ghene lieden wisten die leuen,
930
935
940
9;0
955
935 Hs.die.- 94Q K1.di dinc.
943- 944Auden.Fragm.Q39- Q40.- 945-948Auden.Fragm.Q4l- Q44.951-954 Auden.Fragm.245- Q48.
29
Du souds vlien quaetheit tallen stonden
DOr die vuulheit vanden sonden.
S0 w ie so laet te doene quaet:
960
965
970
975
Die Heere:daer hijt dore laet
Ende duer den welken hi doet wel,
H i saelt hem lonen ende niemen e1.
Hier Omm e dinct m i dul die gone:
Die hem 1er quaetheit niet Ontw onen;
Sine dadent dor Gode van den trone,
Die alle weldaet wel m ach lonen.
Ionc m an, scuwe ledichede;
Soe beulect alle goede sede:
SOe doet Ontfanghen dom m e minne
Den m eneghen in sinen zinne,
Die hi ne volghede noch en sochte:
Avare hi besich ende hi Nirochte.
Ledichede die es quaet,
So vronlet selden: Iaaer so scaet.
SO hayet tauerne ende boelrie:
S0e volghet wiuen, so draghet vrie,
Soe doet quaet gheselscap iaghen
Enten m an in dogheden traghen
950
965
970
975
Ende dulleke verdoen sijn goet.
980
Datm en'mindert ende niet tOe doet:
Al w are die man van scatte rike:
Hi mocht verdw asen cortelike!
SO dat hi stelen of bidden m oet,
980
Alse hiheuet verdwaest sijn goet.
985
Milde hant ende node doen pine
Es vray teekin arem te sine;
985
Die vele pijnt ende vele spaert
990
Hets teekin dat hi vele gaert.
D0e dat di raden vroede lieden!
Ende laet te doene dat si verbieden,
964 K1.nit.- 968 Hs.beulet.- K1.beulelcqt.
957-96Q Auden.Fragm.Q49-254.- 967- 970Auden.Fragm.Q71- Q74.973- 979 àuden.Fragm.Q75- Q8Q.- 985-988Auden.Fragm.Q85- Q88.989- 994 Auden.Fragm.Q89- Q94.
30
995
1000
Ende wandele m et hem in elc lant,
Ende wat si di w isen, dat verstant.
Ende wachti oec, so doestu wel:
leghen den ghenen die es fel.
Minne den ghenen in dinen m oet
Die goedertiere es ende vroet.
Die fel es ende Oec vroet m ede:
Dien ontsie in elke stede.
Van den ende,hoe soet quam e,
Soude die dinc Ontfanghen nam e:
Hens niemen salich vOr sijn endenj
1005
1010
SO m enichsins m ach tgheluc wenden ;
W ant tw iel vander auenture
Es Onghestade ende Onghedure.
Die hoghe eS: hi m ach vallen neder,
Die neder valt,m ach clem m en weder.
Ghem ate es tallen spele goet.
Die ghem ate es, hi gheuroet.
Negheen nlensche,die gheuroet,
1000
1005
Nes alte milde Ouer sijn goet.
Onghem ate scadet zeere,
Ende milde tsine dats grote eere.
Die ghene es milde:die so ghebi
jt:
Dat higheuet ende hout te tijt
1015
1020
Ende gheuet dat te gheuene es.
Die vrecke m an en doet niet des:
Hi houdet dat hi gheuen soude ;
Al dat hi pinet dats Om houden ;
Sine ghiereghe herte m ach niet versaden!
A1 haddi also vele scats gheladen:
Alse inde Scelde ende inden Rijn
Menich dropelwaters sijn.
Die ghierighe mensche es ghelijc
Den ghenen die es ydropi
jc,
99Q Hs.watontbv.-- 999 Hs.Van ende.- 10Q4 Hs.ypocri
jt.
1020
995-998 Auden. Fragm. Q95- Q98. - l007-10lQ âuden. Fragm.
Q99- 304.- 1013-1019 Auden.Fragm.305.-311. - 1023-1033 Xuden.
Fragm.313-3Q3.
1025
Dats die ghene die dw ater laet,
Die bi drinckene niet versaet:
SO hi naeer drinct, so hi naeer nlach,
llen vergaet henl nacht no dach,
Hi es Oec ghelijc der zee,
1030
Die veruullet nem m erm ee.
Hi peinst altoes Om sinen scat,
Ende cum e dat hi etet sat,
1030
Om dat sijn scat daer Ofmochte minderen
1035
Sinen wiue ende sinen kinderen.
Of heuet hi dies niet een twint
Ende hi steruet sonder kintj
So heuet hi sinen scat ghebroet
1035
Eenen andren:dien ghebuert sijn goet,
1040
Diet m ach lichte al verdwasen:
Ende bi gheualle niet en lase
Een pater noster ouer die ziele,
Al wiste hi dat so int pec viele.
Die auenture helpt den coenen
Dicken,daer hijs heuet te doene.
1045
1050
1055
Coenheit, dats vordeel groot
In steden: daer m ens heuet noot.
Dul coene tsine, dats donlphede:
llenich naan es doot daer naede.
lc prise coenheit anden raan
Die wijs es ende hem wachten can.
Drie manieren van lieden sijn
Die keyti
jf ende Onsalich sijn:
1045
1050
Dats een wel Onsalich m an:
Die niet wille leeren ende niet en Can ;
Die ander, die Onsalich heet,
Dats die vele vroetscepen w eet:
Diere negheene hem m ach comen
Noch te nutscap noch te vrom en ;
103: Hs.eten.- 1035 Hs.nie.- 1040 Hs.lasen.- 1049K1.an den.-1056 Kl.vroetscapen.
1040-104Q Auden. Fragm. 33Q-335. - 1043- 1050 kuden. Fragm .
341- 349. - 1051-1064 Auden. Fragm.350- 363.- 1051- 1064 Haag.
Fragm .1- 14.
32
1060
Die derde onsaleghe es de gone
Die anderen lieden es ghewone
Recht te leerne ende goet,
Ende dies selue niet en doet.
1:60
W achti:vrient:so bestu wijs:
Dattu gheen van desen drien en sijs.
1065
1070
1075
1080
Bedecthede es harde goet
In allen dinghen:daer nlense spoet.
W es bedect in dinen dinghen.
Dune m oets Oec niet vort bringhen,
N0 dire quade daet berom en
N0 van quaetheit niem en dom en.
Die selue pleghet te doene quaet,
Hi waent dat alsulke daet
Pleghet een ander man te doene
Dan hi selue es ghew oene.
Die vele biddet es Onwaert
Ende onghemint in sinen aert:
Ic rade den ghenen, dies staet tonzberne:
Dat hi nemm er en bidde gherne.
M enich es die gherne nam e:
Durste hi nem en van groter scam e.
Menich scaem t hem ende biddet nodej
Die wel nam e,diet hem bode.
*
lline soude
1085
1090
1065
1070
1075
1080
* * @ * @ @ *
eens anders niewet sijn.
W ant vrihede die es groot,
Soe es beter dan gout root.
W ant die es si
jns selues n:an:
e
Die sijn goet nde hem beureden Can,
Ende w el ghenoeghet dat hi heuet
Ende bi anders goede niet en leuet;
1085
1069 lls.dine.- 1076 Hs.onghemindert.Kl.ghemindert.
1065-1070 Auden. Fragm. 364- 369. - 1075-108Q Auden. Fmgm.
37:- 379. - 1075- 1076 Haag. Fragm. QI-QQ. - 1079- 108Q Haag.
Fragm.15-18.- 1083- 1086 Auden.Fragm.380-383.
1083 De/p/lreâ,.#,vegelkan vï/âetAuden.Fragm.(380)aldunmorden
Jlpyepzld.
Dieso leeftdathileuen mach optsi
jn.
33
Hi es vri ende w eeldich m ede,
Hileet een lijf van salichede.
Gheuen es een eerlijc wort
1095
1100
1105
1110
Ende we1 com en ende w e1 gehort.
Dune m oets Oec nem en niet
A11e dinc die m en di biet;
W ant het m i niet nutte dochte
A l te nemene dat m en m ochte.
Het estijt Oecte nemene
Ende tijt weder te gheuene:
Alle dinghen hebben tijt.
Ghef,dattu gheues,sonder edwi
jt.
Som e w ile m oetmen nem en
DOr vriendscap hoelenen ende tem en :
Die niet dar nem en: datm en hem biet:
H ine dar wedergheuen niet.
Ghef w illike,ne m aect niet lanc,
S0 heuestu vele te m eerren danc.
Ghef dat goet,ende ghef bequam e!
Sone heefsture af negheene blame.
Die rechtelike gheuet ende w el,
Hi gheuet te dancke ende niet el;
W ant die om w edergheuen hopen
1095
1100
1105
1110
Sisijn die hare ghiften vercopen;.
1115
Die gheuet Om wederhebben also goet,
Hi es die coep Of wissel doet;
Die gheuet ûm w eder te hebbene hauej
1116
Het scijnt Oft hi op wouker gaue.
1091 K1.vri
j.- 1095 Hs. niemen.- 1115 Hs.gheuen.- 1118 Hs.
op ontbr.
1095-1+ Haag.Fragm.19- Q0.
B IJ L A G E N .
A.
FRIGXESTES
VAN DEN
B 0 U 0 V A N
SE D E N
ult een Au4enaerisch Han4schrift
MEDEGEDEELD DOOR
Dr.D .J.V A N D E R M E E R SOH .
Cnmb.llB.
Datdijn ghoette sere dwine iet,
No gr
oete bûrgtucht,no doe niet:
#
10
15
Sulc es dijn vrientalsdu ietgheefs,
Die nietroectdijns,a1s du nietheefs.
487--490
No ne verheftinoch niet te sere,
M heefstu gratie van onsen here,
Meer dan een ander doet,
Eist cûnste,eist ionste,ofander ghoet.
517--590
Rramscep ne ophele oec niet,
Die langhe te voren es ghesciet:
W ant weldaet die men heeft ghedaen,
Die pleghemen te verghetene saen.
Dies wachti oec viantscep ende quade dade
Die vergheet naen harde spade.
$21--526
Ende neganc niet ter marct,op hopen
om dattu op anders (borsejsalscopen:
35
Cnmb.H:.
W i sient dicken metten oeghenj
Dies pleghen datsisijn bedroghen.
20
25
Dune moesti niet voerder strecken
Dan dine cleder moghen recken:
Nadien dattu neringhe heefs
So bedaerftidattu leefs.
597-530
581--534
Ende van niemensgoede dan van den dijn
S0 ne wes milde,ofhetmach si
jn:
Dune moets niet vte anders m ans siden
Eneghen breden rieme sniden.
535-588
Nvzdndnoeh na desen raet-#n,
Sfcmanediddr:ghoet:cI8#n.
30
Eist sake dattu huwen wils wel,
Nem dinen ghenoet ende niemen el;
Endenem een wi
jfvan ghoeden seden,
So saltu leeden di
jn li
jfmetvreden.
543--546
Afen secgtdathetsi
jn viere saken,
Die den nlenssce houerdech saaken:
35
Voerbaer ghesclachte ende wetenthede,
40
Die hier onzbe henl houerdech naaect,
Bi rechter redenen hiere toeghenaect,
sfant hi es domp die henl verheft
Ende niet van desen vieren beseft.
Ri
jchede van ghoede ende sconede.
Vrient,alse vremde gaste tote di comen,
W inne an hem redenleke vromen,
So datsien andertijtte di
45
W eder dan comen; ende bedi,
Verstantwattu dan sals plien:
Oftijn vrientdicomtonversien,
Rhefblideleke dattu heefs;
M eist so dattu niet ne gheefs
Alse velealse dijn wille ware,
50
Toech hem blide aensichte openbare.
Q4 w es Hs.wel.- 39 verheft Hs.verheeft.- 48 gh eefs Hs.beefs.
Q7 D6<vr4i#-gedrukter,rz,l ntaan lf,/in â:/ComburgerS4.
36
Comb.Hg.
Neghene waerscepe ne doech niet,
Daer men ghene blide ansichte ne siet:
Dat eist dbeste,dat eistdmeeste,
Dat vulmaectalde feeste.
55
661--674
Vrient,nv willic di bedieden,
W at wel sit an de liedenj
H0e e1c mnet,eistman,eistwijt
Afet hoefsceden leden si
jn ljf:
60
65
70
Er du in yemens dore sals gaen,
Die du vins besloten,saen
Daer saltu hoesten ofte spreken,
Niet met hurtte de dore opsteken.
Zone,als du cnms in vremder stede,
Sit neder op die aerde mede;
Ende ofmen di ter taflen bied tervaert
D0n n&P?noDlne d&L alOnuervaod,
Ende drlnc dan we1lichteleke,
Ende ghe/ene weder hûefsceleke.
Bestu aerem man,dan ofte neder,
Nebietdijns drancsgheblifnietweder,
Daergroete lied.
e ter taGen si
jnt
Maergketalvtofdrinc den wl
jn;
Ende cole den nap,ende settene neder
M ghecoelt ter taGen weder.
75
80
85
581--188
589--600
Oftutewersceyen werdsghebeden,
Niet ne kies te szttene steden,
Vor dat hi distede gheeft
De waert,die dighebeden heeft,
Ende hididus dan spreket an:
11Vrient,sitM er bidesen man.
Ende sidtstu ongheheten mede,
Qanc sitten in de vterste stede,
Sn datdine waert,die di bat,
Alse hijtsiet,vernoie dat:
1VrientjMerne sitti
jsniet,
Gaet sitten bet op,Mc ghebiet.
* Foor besloten,>en ga1fdpâ vel-::/:> g616,6% =/r#:l G sloten staen.
& dine Hs.dinen.
37
Dan sal didaer groet ere ghescien
Vnr die liede diet sullen sien.
90
Ccmb.HK
611-694
Ende of die spise nietes ghereetj
'Rhelaet tiblideleke,ghodeweet,
Endehelpjhereden diecapoene,
Of ander dlnc,daer eistte doene.
Bets tu nzetvrowen,so diene hare,
Ende van der spise,haer en irej
95
100
105
110
115
120
69:--6:8
S0 snijtmlnleke die morcele
Ende lechse voer hare tedele.
Wes in elkerwjsjdatradic é,
lhereet hem te dienne ende niet di.
Ende al de wile dat hidrinct yet
So ne drinct en twint selue niet.
Ende alse du eets,in neghere wise
S0 ne lachtre niet dine spise;
619-6::
Ne blaesoec nietop dijn eten,
6:7--689
Het Ycre onnere,vpcàfmentYefep.
Ende hef op metter hant dine
Ter M ddewart den c0p met wine,
Ende hefene biden boerde niet;
Ende er du dr:acs selue,so biet
Der vrûw en,ofdie es gheseten
Te diere scotele m ettieeten.
M en plegt in mengher stede,weder
Den cop nochtnne te settene neder.
641--648
683--636
Oftu oec enech quadeki
jn
Woten sies in dinen wi
jn,
He1 houesscher dattut sturtes vt
Dan dqt metten monde blies vt.
649--61:
M s du ets so ne crauwe niet
No hoeft,no hant,dart yemen siet.
Ene hoefscede makic dicont;
Die w ile datspise es in dinen mûnt,
So ne drinc,none spuwejdat es erq
Daet8tut 0:c hetYlr: onnere:
Ne lene met ellenboghe 0ec niet
Op te taie daert yemen siet.
6:8--657
95 Hs.die minleke morcele.- 99 hiHs.soe.
38
Comb.H:.
125
130
Sit rechte,ende diene dinen gheselle,
So dat hi duegt van diertelle.
659-66:
Vrient,alse du dinen here diens,
Dien hem so,dattu verdiens
Sine gracie ende sine hulde,
Dat hidiontfa,bi dier sculde.
717--7:0
Inallendinghenwesqhetrowe
Dien du dins,eist here,elst vrowe,
Ende ganchaestelike,dates di
jn ere,
135
140
Dar men di sent,ende weder kere.
W es scnelte doene alle dinc;
Dat m en di sech,dat welghedinc.
Ende diene houesscheleke vOr dinen here;
791--7:6
Ende pijndiharde vele,te mere
Dathem dijn dinstdan welbehaghe.
Msdudraegsjherechten,alledaghq
Drach in de sllnke hant tgherechte,
Ente sause in dandre,ende ganc rechte,
Set vor den vorbaersten tersten teten,
Die ter K;e daer es gheseten.
145
150
Den wi
jn moetstu neder scinken
In den nap,dar rlen vtsa1drinken;
llnde den èvlc kere nederwaert
Van den lc#I:, al pppdrlcdrf,
Ende e fdr, dat dcfpc ran hoeghen;
Du8 vpdfdfv doen,f
'f
rlf-ï.
sgltelouen.
Ende a1s du kniels,dan saltu houden
Teen been 0p,ende tander vouden:
727--736
l33 In een Hs. van de Middelnederl. Disticha Catonis vond Dr.Beets
(Proefschriftbl.5Q)deze aldus sterk bedorven verzen:
Gaethaestelick daer men versaemt,
En snellike s0e weder went.
W eestree te doen alle dinck,
En wes men dyn doer dat gedenct
Dattu metpinebejage heves,Amen.
141- 149 Flzz deze Terzen, waarvan #,:s npoor ïa '/comô.Jp.t6 w1&>
i.
4,z:#/Kausler (Denkm.111,34Q)terecât:jjsolcheVqsekönnen doch nur
aus der Feder eines Abschreibers stammen.''- Totfperâfcril,ranJe/moord
laghe = groote flesch,citeert V.d.M.Kiliaan 336 laeghelin 'tLat.lagena.
FolgennOudem.komtlaghele in#,s B#belvan1477 voor,Ji'JosuaIX :l3,
vaat#,z:i. laterer:zfllil#dl ledere wi
jnsacken â6et6n.
39
Comb.H:.
155
Maer vor Rhode,eist here,eist cnape,
Eist coninc,bisscop,clerc of papej
Hi moet m etbeden beenen cnielen,
Vor de salechede van siere sielen.
Vrient,alsdijn vrowe ofdijn here
Sijn verbolghen op tizere,
160
En twint antworde wedernietj
om #A::s rernoz dat fïghesdet,
Voer es digram scep leden bleuen,
llan dcdlfïwerden ere ghegheuen.
*) .
165
,..
737--74$
743--741
746
..
Die tûticomen ontfancse wale,
Ende antworthem met scoenre hle;
W antscone tale ne cost niet?
W aer warthi garne diere phet.
773--776
Hets vele beter bin huus bliuen,
Methuwen qieden)ende metwiuen,
Dan dattu haer en taere gaes
170
Dardu dulleke tijn verdwaes:
Du m oegse maken blide dor mede,
M et dattu souts verdoen in vremder stede.
175
180
Hoer ende swijgh ende sprec terti
jt,
Ende wachtivan hem die dinijt:
Wantstillenijtesargherouerware
777--78:
Daa die m en draght al openbare.
783-786
0ec hi es sekerleke dul die man
Die hem seluen decken niet ne can,
Ende sinen wiue beueelt dan mede
Sine groete behoelnehede.
789--797
Sone,die de warelt recken
*)oIn hetHs.ontbreektde tweede kolom roen deeerstev@,wezendehet
blad CCLV ten halve weggesneden.''V.d.M.
168 lieden 64 in â,f #z.nétgelaten,en door V.d.M.aaniecld naar #:
uitiave van Kausler.
177-180 Dezezp/'evà âeft in '/Comt.Az.z6&rgdlz,waavva. de/w,4
eer&ten âi,r ,#n xegpdllf:l;vandaardatV.d.M.voor Want(d.i.goodat,
:1 daaromj, =J/in of11&.ntaat,#:4:Jl'
:,,l âeftoec,maarmede#, eernte
#:r weggelaten r:#:l4 begint.
l8l- Q00 D6,6yJ:4J#:,#i8én 'J Comb.#4.nlecht&14 r6;6l&l4vlf,Q /:/Q0
regelnwïf#:#iW.Ditf:doot.V.d.M.nietJ4>#:Y:z,p.
40
Comb. H:.
185
Ente lieden domen ende bestrecken,
W edewen ende weesen m oetsiontfarmen,
Ende alse we1 doen recht den aermen,
Also si wilden dat men hem dade:
Do6n df andru, #cf: harre W:I:p Deade,
10 dor prp- ne moetent:#t laten
# p dor -f:& ,bi clrïfcfep:
793--797
Laten ##foeo,hem dceldberowen
190
195
200
205
210
a15
I pcA hier S@, bç#Ap8#:r troœen)
No dor bede,no dor ghichte,
No dor neue,no dor nichte,
& ne -p#A:n W gaen te Yclkd,
W illen W Ghode #fel6zlte danke;
siant ghichte soe verblent den saan
Dat hirechtdoen,no recht ne can.
Ende miede zo verdrinctde siele,
M waer dat sake dat gheviele
Dat aerem m an hadde rechte saken,
Miede sûutalonrechtm aken.
Sone,oftu houts herscappie,
Bouen dinen ghenoet,ofbaelgie,
Na dine macht berechtene wel;
Verheftiniet ende wes niet fel.
M dinctidattu heues macht,
Ne doe daer ombe niemen cracht,
N0 ouerdaet,no valsce sake,
Of men di daer naer afstake
Datniem en m ochte van diclaghen,
J0fwanconste em mer uptidmghen:
Herscaps hulde noites ghestde
Ende dicken 0ec endet in quade:
Hets beter clemm en ende weder vallen
Dan alte hoeghe
799--800
801--806
807--810
811-819
Zone,dine vrientpri
jsOpenbare,
Voer t
le liedenjhare en tare,
Ende lachtren stillekine sine quade sede,
196 K6ti4duidel#kdatâf,rmoent#flll:no roect,no can.
Q06 E6t llJ# van â,/ H&. 14 âier #:'
::â:l#:p. be lJJf4f: voorden r4l
Q06-QQ8 en #deevntewJl QQ9-Q54 z#n #p/l'V.d.M.aangevuld m6tâ=l,
van Kausler's uitgave.
Ql4 D6:6re,lontôreêkt1# Kauslergeâe6l.
41
Cnmb.H:,
220
Ende sceldene van sine dulhede.
lfen kent den vrient v:r saenne prceft,
In groeter noeden als mens behouft:
Die in de noet vrient bekinne,
Die si
jn altoesvan wareminne.
225
230
Vrient,a1s m en ieghen dimesdoet,
M verwast ti dinen moet,
Ne wrec diniet stappans ter steden,
Vor es di gramscap al leden :
M en doet dicken als de m oet es heet
Dat hetden m an dar na wert leet.
W es gheduldech ende blide,
Van dattu heefs in allen tide,
0ft ghevallet in engher saken,
Dat de liede m etti maken
821--8:8
8:9--834
Rhileendesqel,soghilemede,
235
240
> de neemtm verduldechede;
hiant die ghedoecht,hiverNzint,
Dar osabe ne granldiniet en G int:
lfaerdie keyti
jfes,henltorentnzeer
Bespottan,dan sijn grûete seer.
Endenzeeruaesdoeteen Nzijse nlan
Dan die derwijsheitnietnecan.
895--904
948--944
W es den lieden we1 ghesprake,
Ende volghe gherne rechte sake;
Scuwe quaetheit,mesdoe noede,
@
245
250
.
.
.
ijnsan Rhode.
Een ander doetquaet,dites ware,
Ende hiontsiet quade niemare,
De goede ontsiet te doene quaet,
Dor die deucht dar hi in shet;
Du sals quaet scuwen in allen stonden,
DOr die vuulheden van den sonden.
So wie so laette doene quaet,
945--948
9:1--914
Die heere,daer hijtdorlaet,
% 8 s0p dezen regelvolgen by Kausler nog 38 regelen,die in ditHs.op
deze plaets zyn weggelaten. De twee volgende regels Q39-40 bhx ren t0t
de laetste ontbrekende spreuk.''V.d.M.
Q44 De eerste woorden zyn uitgesleten.By Kausler:948puv6lLke dor
:0#:.Daer volgen dan twee regelen,in ditHs.weggelaten''V.d.M.
Q48 pBi
j Kauslervolgen twee regels,(955,956)ook in ditHs.nietvoor-
komende-''V.d.M.
42
Comb. Hs.
Ende dor den weIken hi doet weI,
Hi salt hem lonen ende niemen el.
*) • • • . . . . . •
255
260
265
270
275
280
Jeghen herseep moetstu op staen,
Ende blideleke der ieghen gaen;
Neuen hem ne sitte niet, maer der bi,
Het ne ware of ment danne hiete die
Sitstu bi betren lieden danne du,
80 onthout wat hie di segge nu:
Ghesateleke moetstu di houden,
Niet teen lmie ouer tander vouden.
Nv maere noeh wat hie di telle:
Oftu ghaes met tinen gheselle,
Gane neuen hem, ende of hi wille,
So gane vor hem ende swieh al stille.
Noeh willie dattu mi verstaes:
Als du met vorbaren mensse gaes,
Baehten hem gane in allen tiden,
Hine hitu gaen neuen siere siden.
Ende seuwe aile ledeeheden,
Want si beuellen goede seden;
Ledeehet doet ontfanghen dulle minnen
Den meensehen in dommen sinnen.
Ledeehede es sere quaet
Hem dier mede omme gaet:
80e uolgt tauarnen ende ribaudrie;
80e uolgt wiuen ende draghet vrie;
80e doet quaet gheselscep iaghen loes,
Ende kert den man van duegden altoes;
Ende hem verteren doet sijn ghoet,
Wei dulleke dicken in onspoet.
957-962
663-666
667-670
671-674
675-678
967-970
973-979
Zone, nocb so moetti na mi hoeren,
Wildi leuen sender toeren.
*) Het hier ontbrekende, soaarover V. d. M. ket stilzwijgen lJewaard heeft,
kan niet meer dan 4 regels beslaan : want na de volgende16 verzen (255-270),
die in !let Comb. Hs. 300 versen oroeger staan (663-678), vcrvolgt dit Hs.
met 271. oerder 't OomfJ.
s».
in 967.
272 go e de Hs. ghode, - 277 so e Hs. so. - 278 so e Hs. so. w el Hs. vel. - 284 wildi Hs. wilde.
282
43
Comb.H:.
285
290
Sone,milde te sine altoes in scine
Es en vray tekin vrecke te sine.
Die vele pint ende vele spart,
Hets tekin dat hivele begaert.
Sone,doe dattiraden vroede lieden,
Ende laette done dat si verbieden;
981--988
Endejancmethem,endeverstant,
295
300
Hoe sldiwisen,dat doe te hant.
Ende wachti oec,so doestu wel,
Jeghen den ghenen die es fel.
989--994
V 'nne den ghenen in dinen m oet,
Die ghoedertiere es ende vroet.
Die fe1 es ende wret oec m ede:
Dien ontsie in elker stede.
995--998
Die ghema% es, die es vroet;
W ant m ate es tallen spele ghoet.
Neghene lid en die ghevroeden
Si
jn alte milde van haren ghoeden:
W ant onghemate scadet sere,
Ende milde te sinq dats groet ere.
305
1006--1017
De gheneesmilde die ghebi
jt
Dathiheeftende houtte tijt,
Ende gheue dar te gheuene es;
Wantden vrecken (sic)ne dinctnietdes;
310
315
Hi hout dat hi gheuen soude,
Haer en h re, aldaer saen Nzoude;
W ant de gM reghe can versaden niet,
0m gheds gheluo dat hem g/lddcfef.
1013--1019
De ghireghe man,hiesghelijc
Den ghenen die esverdropijt,
Dates de ghene diet water laet,
Die bidrinkene niet versaet;
So himeer drinct,so hi mer mach:
Dorst ne vergaet hem nacht no dach,
10:3--10:8
Wanthiesghelijc altoesderze,
320
Die ne versaet es hember nie;
Q95 m oetHs.moer.- 30Q ghoeden Hs.ghoden.
308 Meto,lâ doelW.d.M.ltier(sic)geplaat&tJ,'//,i:m# wi:/duidel#k.
310 w oude Hs. woende.- 3lQ Door #ezdl enkelen regel x/r#f de g6-
dacâte .
vl-ex#eplf, 6e ïx âet&-1.11&.fs dri6 regefz (10Q0-10QQ)14vf/gem onnen.
44
Comb.Hg.
Hipenst altoes,daer hi eS,
0m sinen sœt,diessi
jsghewes;
Datsijn scatyetmendren mach,
Datnd#p ghepenn.sccAfendedach;
325
10:9--1033
Ende Jl,
:: al#ï6 Doatgegaderted,
Dan cp-fde4p4f,dien8#dghewen,
Die niemene e crfjgrauepp qonino,
> : alverkert dan dene 4ïnc.
330
335
Gheburt#f8 éono dd ende pnsrpef,
Ende diet vertertharde dulleke
allnonder spdf,in elke Y4àe,
Ende nietne lase,ingheualle,
In engher maniere almet Jll:,
Enen pater noster ouer de ziele
M w istidatsoe in pecke viele.
1040--1042
Fcdr toegadertyemen dan #08f,
Dat > ander qualeke wer#pef?
So
vp
#nYe#erjbiecyen rade,
Mae
rc
àAef
r48
#f
df:I: hebben ghenade.
340
MarctY:l nooh,8ps:,ende Nerdfcef
Na 4e84dino,datd.
vm#n raet:
345
Auenture helpt daers es te done
W e1 dicken dar de m an es coene:
Coenede es en vordeelgroet,
In skylen dar naens heuet noet;
lfaer onl coene te sine dats donaphede;
s/antnlenech es bleuen doet der nlede:
Hic pdse de conede van den saan,
Die stout es ende henz wachten can.
1048--1050
324 dats Hs.dat.- 3Q5 a1die Hs.aldi.Tan#,z:uitmeidingop:rdendood
44in '/comô.#:.geen edprtepï.#,l.Ditâ:F/V.d.M.néet,u.#d#vi#.3Q6 sijsHs.sijt.
3Q9 nllier is een rymregel achtergelaten,luidende mogelyks in dezen zin :
Dat hi te dele heeft vele goet''
V.d.M.
H6t D -J. S4. gee
ft op Az,plaatn :,1: anderel:zïl#.Terecâtz:Jr#//
Kausler (Denkm.111.344): pDer beiV.d.M.fehlende VersistaberTor
und nicht nacâ 3Q9 ausgefallen.'Esbeginnt m it diesem letzteren kein neuer
Abschnitt, sondern er steht genau in Zusammenhang mit 3Q8.Es ist die
ungelâhr so lautende Reimseile ausgefallen:
Ende eenen andren dan si
jn goet-''
V 5 vie1e Hs.wiele.- 340 verstaet Hs. verstaer.
45
Cemb.Hg.
350
355
Drie manieren van lieden sijn
Diecaitijfende onsalech si
jn:
Dat es een onsalec m an,
Die niet leeren wille ende nietne can.
Die ander onsaelghe,ghodeweet,
Dats die vele vroescepen weet,
Daer neghene af mach comen
Niemen te nutscepen,no te vrûmen.
10i1--10;4
1051--1058
Dederde onsaelghe,diessi
jtghewes,
360
365
370
375
380
Dats die ander lieden ghewone es
Recht te doene ende groet goet,
Ende <es hem seluen niet ne doet:
W achti,sone,oft mach ghescien,
Dattu ghen werdts van desen &ien.
1019--1064
siant bedecthede es harde ghoet
In azen dinghen daer nlense doet,
llv sibedect van dinen dinghen:
sTant dune nzoets niet vortbringhen
Dine quade daet,no daer af beromen,
No van quaetheden yemene doemen.
1066--1070
Ende llerk: na mïp: wort
Dï6 Mer na s, volghen pp:rf.
'
Dats die vele bidt hies onwaert,
Ende onghem int in allen aert:
Hic radem dies omberen m ach,
Dathi nietbidde op eneghen dach:
W ant m enech es die gaerae name,
Dorstiwe1dor de scame;
Ente meenghe scamt hem ende bid node,
No garne name,diet hem bode.
Die so leeftdathileuen mach 0pt si
jn,
Die ne soude ens anders niewetsi
jn:
W ant vrihede die es groet
W e1vele beter dan gout roet.
107;--1086
354 ghodew eet Hs.ghodewert. - 313 aert Hs.raet.- 380 pDeze
regel is by Kausler open gelaten.''V.d.M.
.381
- 383 oDe laetste woorden van deze drie regels zyn in dit Hs.uitgesleten en hier naer het Comb.Hs.aangevuld.V.d.M.
H.
FRIGMESTEN
VAN DEN
B 0 U 0 V A N SE D E N
Mlt een Haaggch Han4schrll
van de K ûnink1i
jke Bibliotheek (N0.77.S.40.)
VROEGER GEDEELTELIJK MEDEQEDEELD
D00R
AN TONIU S M ATTR AMU S
Veterin cdpi Analeeta T. T, p. 65 8q.
Edit.Sec.Hagae Comitum 1738.40.
Cnmb.Hs.
10
Drie maniere van luden siin,
Die katiifende onqalich siin.
Die niet wi1 leren ende niet en kan
Dats m ettien een onsalich man.
Die ander,die onsalich heit,
Dats die veelvroetsm p weit,
Dair hem ghene af mach comen
Noch te nutscap noch te vrom en.
Die derde onsalich es diegone,
Die ander luden es ghewone
Recht te leren ende goet,
Ende dies zelue niet en doet.
W acht di,vrient,datraed ic di,
Dattu ghene van desen en si.
'
1051--1064
1--4 De slredraf: regeln:#l aangeâaald f> #e aant6ekenkngen ,4l Van
Hasselt op Kiliaan bl. 438 tot K'râllril: van J,f woord onsaeligh;doeâ
Je<â/:onderw,rwikil; naarMatthaeus.
47
Ccmb.H:.
15
20
Menich is die gherne name,
Durste hinemen van groter scame:
Menich scaemt hem ende bid node,
Diet wel name diethem bode.
Du en m oetst ooc nem en niet
M le dinc die men dibiet.
Die veel bid,es onwaert
Ende onghemint in sinen aert.
1079--1089
1095--1096
1076--1076
Trechte rdecf,dair ïc pp roere,
Dat4f8 zede Tander Ap:r:
25
Veelarghr (:ïc)is bekent
Dan eicA veniint serpent.
SExECA.
Sp wie dat e: van zinne erpdf,
10 z:##:j dat Aïzetten moet
Elcken #ccA in dïdr ghebare,
30
2l: oftdïïp leste#cc/lware.
19 Matthaeus teekent hierbi
j aan:uvetus proverbium est:O6recJvTœ,
o:m: ràvrcre, nrcv rxik clvrxp.L.6.j3,t1'
.deoF.Procons.(D.1.16)
waar Ulpianus zegt,dat de keizers Severus en Antoninus daarmede,in een
sierli
jk geschreven brief,debestuurdersder wingewesten hebben aanbevo-
len bescheiden te wezen in het aannemen der hun aangeboden geschenken.
Q3-Q6 Deze vier regels staan ook in de Bloemlezing genaamd Fan p:l:
edele 'JrllJ:r
z ende oid:r leren,uit het Hs.CXLVIII door Serrure uitge-
geven in Vaderl.Mus.IIj176-195,alwaar zi
j metn0g vierregelsonder
den naam van Juvelales aldus luiden v.489 e.v.:
't Rechtseit daer ic op roere,
Dat de costume van der hoere
Vele aerchere es bekent
Dan enech ghevenenijntserpent.
De cursiefgedrukte verzen staan nletin het Comburger Hs.
Q7-30 Deze verzen zi
jn overgenomen uit den Sp. Hist.1.VIII,3Q,
v.25-31 waarzi
jaldus luiden:
W ie so es van zinne vroet,
Ic segge u,dat hisitten moet
Alden dach indiere ghebare,
Alse ofdatsijn lesteware.
Maerlant verklaart deze gedachte ontleend te hebben uitSeneca.W ellicht
heeft hi
j dus bedoeld de woorden die gevonden worden in Epist.1% j 8:
Itague 4fc ordinandttn ::/dies Jzzzai'y,tamguam cogatJ#w:l etcpzgdv--e/atgue
:z,l:lf nitam. Anders zou men lichtdenken aan Horatius Epist.1,4,43:
0mn6m crede diem tïlï diluxisse zfzyr:zzzvzz,,
ofaan de woorden van Beda Proverb.Liber p.295.omnin#i,,velutultimu&
fr/</ul#vz,ofaan die van Janus Anysius Sent.v.79:
8ic wive,tamLuam ozzlaiz nupremua 4ï/ di6&.
48
Comb.Hs.
ABBAK C.
Die W- p kneoht ml6cf sln6n Aerd,
Hem cpplfer dlck afonnere:
D1 in diehantàpsq datAfleecht
onder ppef,ïd zeer ontweeoht.
35
Hou scs.
En zecA van nge-en: quaetheit gucef,
oftu lïdfin cldllckerdaet:
S ï18 #uljdie blameert andern d-ef,
K entAïan hem 4ï6 zelve let.
40
45
THOBY .
Die m eer çerteertdan #f Termoghe,
Fdf,
:recht datAï armoede #p#A::
Die meer verteert dan hem betaemt,
Sefd rechtdat hiA:- dairna dcc:mf.
CATHO.
Vlie herninge ende quade wiif,
Leed in tauerne niet diin liif;
Diere hem vele hout 2n1
Hi sterG r om een
arm m an .
208--:06
33 Bi
jna geli
jkluidend staat in de Middelnederlandsche Disticha Catonis
(Beets,Proefschr.bl.40):
Hyssot,die in si
jn hantheeftgoet
Endeleytdatonder zijnen voet
datalsvertaling moetzi
jn van Dist.lI,Q6:
Rem,/ilïquam wpzce, aptam,#iwf/f:l.: nolé.
35 De twee eersteregelsluiden bi
j Matthaeus aldus:
Ea sech van niemants gecheit iet,
Of du bist ein alsulcken diet.
De twe laatste regels geven de gedachte terug van Cato Dist.1,30.
Turpe estdoctori,cum culpa redarguitipsum.
39u 2 Gedeelteli
jk komt dezestropheovereen metdestraksgenœmde
Pambelen ende wise leren v.513:
Trecht seit:
Scnder rjcheitteringhen groet
Eischt ermoede vore de doot:
Die meer verteertdan hi vermach
Doot hem selven sonder slach.
V ln een Hs.van de MiddelnederlandscheDisticha CatonisvondDr.Beets
b1.5Q deR twee regelsaldus verminkt:
Scouwet toorn en quade wive
Ende toe verne by dine live.
49
Cemb.m .
50
55
60
65
70
CATHO.
Laet dighenûeghen dattu heuesj
Istluttel ofveel dair du bileues;
Z0 wie dat tsine ghenoecht wel,
Hies rike ende niement e1.
181--188
CA> o.
Ondec dlnen wive niet
Verholen dinc,die di es ghesciet,
Oser diin liif ofere an leghet;
W antdie man es dom dies pleghet.
159--16:
Doch den heilighen hoir belof
Eer g0d êc.
199--130
CATHO.
Onderwint diniet van gheenre daet,
Die tot diwaert niet en gaet:
W antdu moochstvaringe maken,
Dat al op di zoude becraken.
Zulc man doet dinc in haestichede,
Dat hem berout alst is gheleden.
355--358
377--878
Qoede vrouwen eer na diinre macht
Ende sprec van hen gheen quaet; dat w acht:
DtI en moochse niet mit quaetheit dom en,
W ant wisiin alle van vrowen comen.
458-456
Goed man,oftu m oochs verstaen,
Dattidiin wiif is onderdaen,
Doch hair voir die lieden ere,
Hebse waerd ende m inse zere.
457--460
Die Neïdfdr in van Wïlr: tonghen
Endedïnen zin heeft$t):Jbedwonghen,
54 Voor dom staat bi
j Matthaeusdein,hetgeen toch we1een schri
jFout
za1zi
jn.
55 Bi
j deze anderhalve regels schri
jft Dr.Beetsb1.85:Het-04/nt#
niet gelukken ix Boun van seden, Belg. #F
zJ. 1 en 6, Fad.Av.
r.Q,nonh
Zâ@.ffl i:fzovereenkomntk'te Wl#8>.Hetisdusaan desschrijversoog
ontglipt, dat hier bedoeld worden de regels van het Comb.Hs.129- 130:
Gheltden heleghen dijn belof
Eer God Nvrake sent daer of.
4
D2e vcc/lwelm reken ende Yeddp ooen,
Zpwair ende4cfr hçh heeft te#p:s.
75
80
Vrese -ff ontrouwen,
Ende zelden te dcpvsnel,
Ende nemmel'meer geùrlàep,
Dat dfïs nmerten
Dïd der vfss6n herten
D oen rpusfl4s beluken.
Datclfpp: roertendewïdfen I::Jf,
Ende-ïl#:es endenieten ##e:J(
Ende prpp- es zonder manlike daet,
Fcf en #cf,gheselle,wp raet.
85
90
Dét hgz4l,dat#fhoortAïer,
Dichteen Eerhalt,hiet Jan Ffdïer,
H en allen dïef horen te lcfdj
E nde z:dc/lf, dat na reohte dfgfe
Ker8tenheit fd Dere p/l:lr:ddf
Bi & ::> i'
iizaken alre -66.
9/.
Jonge kinder p-l4#$f)
ps#A:l,
Ende frdcAfrter W fghenpronghen,
Ende hrcc/lfdrd zachter dan dï zouden,
Doet al kerstenheit in glcdf/ldïf houden.
75-80 Het is welbi
jna onnoodig te zeggen,dathetverschilvan versmaat in deze strophe bewi
jstjdatzijuiteene gansch andereVerzameling
Van Spreuken is Overgenom en.
81- 84 De oplossing van dit raadsel moet wellicht in de fplg gezocht
worden.
Van deze vri
j onbeduidende Rhapsodie- welkervervaardigerhetnoodig
geachtheefthier tevermelden,dathijeen Eerhaltd.i.een Herautwaszi
jn slechts 7Q regels door Matthaeusmedegedeeld;t.w.aldaarontbreken
43-46;55-56;75- 80;85-94.
0ok worden daar de namen nietgenoemd van de schrijversjdiehier,
boven sommige strophen,gepl
aatstzi
jn.
De afwi
jkende orthographie heb ik nietnoodig geacht hier tevermelden.
U.
F RI GM E N T
vaarkemendein een eud BrusselsellHs.#an de Ken.Bibliath.
@iblioth.#llfA.7I,192).
Ghekouwe vrienthulp ter noet
Hine vliet doer vrese no doer doet.
Die vrient es vander avontueren,
M soe langhe a1st u gaetter cuere
Soe volghet hi u, maer hi vliet
M st u mesvaltofte m esciet.
Het Hs.waarin deze zes verzen voorkomen,bevat eene Bloemlezing van
onderscheidene passages,deelsuit bekende deels uitnognietherkendedicht-
stukken verzameld,waartusschen een groothonderdtalRijmspreuken geplaatst zijn, waarvan het gebleken is dat zijvertaald zi
jn uitFreidanks
Bescheidenheit.
DezeBloemlezinjjdiein184QdoorWillemsinhetBelg.Mus.VI,184-QlQ
werd uitgegeven,ls, zoo verre zi
j Freidank betreft,in 1885 doormi
j bewerkten uitgegeven onderden titelvan:MiddelnederlandscheRi
jmspreuken
1I. (overgedrukt uit de Handelingen en Meded.van de Maatschappijder
Nederl.Letterk.1885-1886.
)
De hier opgegeven verzen staan in het Comburger Hs.345--350 en
leveren slechts een zeer onbeduidend verschil van lezing.
A A N T E E K E N IN G E N ;
fs ltet Cp>5. S.
:.heeftditgediohtgeen p'dc/lrï/f.Naar cc>
leiding wcp den tweeden regelheeftK auslerin z#s:uitgaaf
daarboven gdylccf,
gfDe Boucvan Seden,waarvoorïkliever:CAr::J
Die Bouc van Seden, om in overeenntemming tez#s metandere
fïfdld, zooals: Die Rose, Die Dietsche Doctrinael, Die Lucidarius,
Die Dietse Catoen.En zpp vLndtmen ù# M aer1anttelkennïp
znnen Aleœander:Diederde bouc gaethier uut.Aldusbeghintdie
vi
jfte bouc,gelgk ppk in den Spiegelffïdfprfcelop ontelbareplaatd4s die bouc staat.
1 0p gelqke Y#z: heeft Diederic van A ssenedede
aandaeht z#
'-r lezers ïngerpe6l,waar A# dege.
gcàïd#ezlï:gaat
vertellen pcp Florin ende BlanceFoer.
Nu hoort na mi! ic sal beghinnen
Ene aventure tellen van minnen.
0ok hdgïsfde Adfd van Sïnf: Brandane cl#l:.
Nu verneemt hoe over lanc
Een heere was in Yerlant.
3 Dat de eerste reeld,d2e den aard eener Fpprre4: hebben,
veel ps:r::pkpm:Al met de Fpprr:#: van hetderde lp:à van Der
Leken Spiegkel, 18 ïs de Inleiding aangewezen.
9 Eene tl6ràlcrïs.g van den fif:l,zooal' Aïdrgenonden Yor#t
hebben ppà andere #ïcAferd in den aanvang hunner werken laten
voorafgaan.De Fpprre#: wJJr den Frplpgv.
gnan heteernte boek
wcs L k sp. luidt cI#u# v. 21:
Ende wantdatlekeisdiezake Daeromme icditboecskijnmake,
So salditboecskijn sijn welGenaemtden Leken Spieghe1.
Zie ppk Die Dietsche Doctrinale 1,40 en DieRose 31.- Vroeger
53
werd hetwpprl4dl# gegeven e pr Sanctus B ernardus,waar
A# zegt,Yccrp- h# z#n g:dcArï/fgenoemd heeftFloretns:
Hic liber,extractus de pluribus, est vocitatus
Recte F loretus, quia f1o s est inde receptus
Et breviter textus fragrat virtute repletus.
15 N v weten bidden al1egaderG ode,d.t laten
wi
j nu gezamenlijk God bidden (Zée het Glpddcrïvm op weten).
EenedergelnkeTrome ppfùodzd-fpp rindtmen ppà elderu)zieb.v.
L k sp.3e.B.Prologus63. D ie tsch e D oc tr.1,52.S p 1eg h e1
der Sonden (Ov1.Ged.111.75)Theophi1us 1847.
19 Jesu s Sirach 1,1: Omnis sapientia a Domino Deoest.
22 Het#:.heeftA9r,zooal'ppk w.l51vandenparadise;dooh
h# dit Yppr# pleegt ïl 'fMnl.hetbep.lidw.te Ypr46p weggelaten) z0p ù.m.Seghe1.v.Jheru s.5244:
Ditheetu God van Paradi
js.
Zoo p0k L im b. 1,435 en L even o.H.3004,in Ydlk gedicht
meermalenNpprb-fJhesus van paradi
js;ziev.3100,3276,4740,
4814.- Fcp paradise geldt#l:hetzelfde JI#Tan ertrikeen
hemelrike; welke Yppr&n oudtqds e:nïg,
szïp:al8eigennamen bedc/lplY# werden.
23 W elloht ï.
sin deze Ypprps eene zf
'
wdpdlïsg te zï:p op de
taak 4ï: God aan de èpltfl-ddq
sfdr: Tan den Tabernakelheeftpp-
gedragen. Zie Exodus XXXI, 3- 6. XXXV, 30- 35.
27 Eenep'-ekkïs.
ç om z#s:wetensohap cgn anderen medete
deelen,pïp#fmen :# M aerlant,Sp.Hist.1,vIII,36,2l5:
Dattu wets dat salstu leren Gherne hemj dies andi keren.
Insgelnks ïzl 't ù:#ïp ran H eim e1. der H eim e1. en ïp
Zede1essen 221. (Overgen.uitSp.Hist.1,vIII,56,55- 58):
N a oec de ghenen die di ghenaken Dat siaen dileren goedesaken;
Wanta1seen enen anderen leert,Hiwijsthem selven endeeert.
VergeWk ppà den later ontdekten N ovus A vianus(ed.Em.
* 0::d,Königsb.ïs #r.1868,40.
)1,7,1:
Plurima scire iuvat, si, qui scit, dicere curat:
Scire suum vilet, qui sapit atque silet,
welken dcAr#pdr waarnohgnlnk poprden #68dfzweefdendeYpprden
van P ersiu s 1, 27:
Scire tuum nihil est, nisi te scire hoc sciat alter.
35 JesusSir.XX,3g:sapientiaabsconsaetthesaurusinvisus:
quae utilitas in utrisque ?
54
F acetu s G othanus Dist.52:
In mundo duo sunt,que ni1 abscondita prosunt:
Fossus humo census,clausus sub pectore sensus.
met een paar Teranderingen ïs den tweeden regel&#:#:s:p @
B uchler 148:
In mundo duo sunt,quae ni1abscondita prosunt:
Fossus agro census,latitans sub pectore sensus.
diexk nog dewpJ#es& omwerkçng #:8Jf:
N ummus agro, tacito doctrina recondita corde,
Ni1 prosunt, latebris sint nisi mota prius.
L ksp.111,4, 387:
Twee dinghe men in e?trike vint Die verborghen en doghen twint,
Diemen begherttemenegherstat:Deen eswijsheit,dander scat.
D iet.D octr.II, 971:
W et datmen twee dinghe vint Die verborghen en doghen twint,
Ende diere nieman en heeftte bat:Deen esconste,endedanderscat.
D iet. D o ctr. II, 2939:
Twee dinghen men in ertrike vint,Dieverborghen en doghen twintj
Datsijn wijsheitende scat;Wanjen heuesniemen te bat.
H oratius Carm.II,2, l en Sat.1, 1, 41 Dpreektdl:cAf:van
een merhpryes schat,docltïs de pv4df:Duçtsohedv'
c/lfdfskàeswordt,
fp navolg1'
s# Tan Jesus Sirach, ook van verborgen wijsheid
gem roken) zpp leeut men : K ro n e ll:
Verborgen schatz und wistuom Diu sint ze nutze cleine frum.
en ïl F reidanks Besch.147,9, 10:
Begraben schatz, verborgen sin,Deist verlust Ane gewin,
velkeTerzen ïp deMn1.Rijmspr.1,38aldunYor&pteruggegeven:
Begraven schat,verborgeu min,Daer ofen haet nyemant gewin,
alwaar fk nw pppr min liever sin zou Yïlles lezen.
48 Lksy.111,l4,262vordtTan Clergiegezegddatz#pder
zonnen slacht'
Die haer licht sprayt op al dat leeft,
Ende lichts nochtan niet te min en heeft.
Vgl.ook 111, 14,173,en den R hy thm us vu1garis:
Discere siquaeris?doceas;sic ipse doceris,
Et studio tali tibl proderis atque sodali.
49 Psa1m.CX.10:Initium sapientiaetimorDomini.
P rov.Sa1om.1,1:Timor Domini,principium sapientiae.
J esu s S ir. 1, 16: Initium sapientiae timor Domini.
L ksp.111,achterd.Prologhe bl.l4j23:
David,dieprophete,ooc seit:Godsvreseisbeghin derwijsheit.
Hiseitwaer,GodsvreseesBeghin der wi
jsheit,si
jtghewes.
D iet.D octr.II,3635:
DiewiseSalomon ditwoertseit:Godsvreseesbeghin derwijsheit.
D iet. D octr.111, 615:
Salomon,diewise man,seit':Godsvrese esbeghin alderwijsheit.
51 Jesussirach XXXII,28:QuicreditDeo,attenditman-
datis; et qui conâdit in illo, non minorabitur.
53 Facetus ::
Primum regna dei queres et in omnibus horis
Et sic omne bonum tibi plenius adiicietur.
E v an g. M a tth. VI, 33: Quaeri
te ergo primum regnum Dei,
et iustitiam eius; et haec omnia adiicientur vobis.
L ksp.111,achter den Prol
ogheb1.13,v.jl3:
Salomon seit dus properlike: Alre eerst soect Gods rike,
Ende alle dinghen sullen u toe W orden gheworpen alsoe...
Wantsijn rikeeweli
jcstaet.
57 P acetus 3:
Solum crede deum ; quem credis semper adora,
Et quicquid facias, quod ad ipsum spectat,honora.
D euteron.VI, 17:Custodi praecepta DominiDeitui,actestimonia et ceremonias quas praecepit tibi.
T u n n ic. Carmen elegiac. de honesta vita 35:
Inprimis cupido sum mum reverere Tonantem,
M olliaque illius iussa tenere stude.
59 F acetus 4)
Ecclesiam clerumque dei decorare labora
Et laudes utriusque tuo pro posse decora.
B uch1er 254:
Templa, sacerdotes merito venereris honore:
Accedat per te maius utrisque decus.
Tel: Fac venerere pius templum, templique ministros:
His decet ut cumules,quod meruere, decus.
Jesus Sirach VII,31:In tota anima tua time Dominum et
sacerdotes illius sanctiâca. VII,33: Honora Deum ex tota anlma
tua, et h.onorifca sacerdotes.
L k sp.111, 4, :3:
Ghi sult u altoos daer toe keeren,Datghipapen endeclerken sulteren
Ende algader also voort Datter kerken toe behoort.
56
61 Exod.XX,16:Non loqueriscontraproximum tuum falsum
testimonium.
63 Facetus 6:
Quam cito templa subis,recolascursishosao natus:
Aut lege, aut canta) ve1 christo funde precatus.
B uch1er 254:
Addecet inprimis simul ac sacra templa subisti,
(Niformetmores concio sacra tuos)
Ut contenta legas sacris oracula libris,
Ve1 celebres precibus carminibusque Deum.
B uchler 320:
Cur sis natus homo,casto fac corde volutes,
Ingressus precibus tecta sacrata piis;
Vel cane, ve1 preculas imo de pectore funde,
Ve1 lege divinos,ut moveare,libros.
67 #acetus9:
Semper utrique tuo parere memento parenti:
Sic erisin vita longevus honore fruenti.
E xodusXX,1:: Honora yatrem etmatrem tuam,utsislon-
gaevus super terram,quam Domlnus Deus tuus dabit tibi.
Jes.S1r.111,1:Quihonoratpatrem suum,vita vivetlongiore.
B uchler 238:
Nestoris annosi vives feliciter annos,
Auctores vitae si reverenter amas.
L k sp.111, 4, 113:
W ilt vader ende moeder eren:So moghedigaen ende keren
Langbe op dit aertrike,Ende dan hebben hemelrike.
D ie t. D o ctr. II, 1585:
Oec soe es dat Gods beuelen, Dat wi vader ende moeder selen
Eren metherten fjn,Soeselen wilancliuech sijn.
T unnic.Carm.elegiac.de honesta vita 49:
Inde pater materque simul tibi suntperamandi,
Nestoris ut vivas tempora longa senis.
69 Facetus 10:Non faciasaliis,tibiquod feriminimevis.
F 1oretu s 9: Non facias aliis, que non tibi eëci velis.
Tobias IV,16:Quod ab alio oderisferitibi,vide netu ali-
quando alterifacias.
A lex.Severu s ap.&e1.eLamprid.in vita c. 51:
Quod tibiferinon vis,alterinefeceris.
B u ch 1er l23: Si tibi quod factum nolis, neque feceris ulli.
C arm in.P roverbia1.LociCommunes 287:
Quod sibiquisuolitferi,non inferatulli:
Quin aliisfaciat,ceu cupitipse sibi.
J ac. B en e ven t. C, 2:
Quod tibitu non vis,illud nefecerisulli;
Sed facias aliis,quod cupis ipse tibi.
A b ae1ard.ad Astralab.de M oribus ll3:
Quaetibitu non visferi,nefecerisulli;
Quae feritibivis,haecquoquefac aliis.
B loccius Praecepta de M oribus 260:
Quod tibinon âerivis,ne alicuifacito.
L u cid ariu s 1848:
Doetstu dijn evenkersten yetDan du wiltsdattigesciet,
Dat sa1God an di wreken,Daer di 't herte onttwe sa1breken.
71 Facetus11:
Sis humilis mediante m odo;nimium fugiatur:
Quinimis esthumilis,hicstultusadesseputatur.
HetzelfdewpprdchrïffgeeftL ksp.111,4,l4l:
Sijtootmoedich in die mate...Alte ootmoedich iszotheit.
D iet.D octr.II, 607:
Oec en seldi,als wi lesen,Alsoe oetmoedech niet wesen,
Dat v grote oetmoedecheitGhekeert werde inder soth.eit.
73 Facetus13:
Sis iustns:quiiusticie fnaliterheret,
lpsius semen nunquam panem sibi queret.
B u chle r 154:
Virginis Astraeae si sis bonus usque satelles,
Non tua vicatim stirps alimenta petet.
vel: Nulla tuos,nec te rerum cruciabit egestas,
Rectum iustitiae si gradiaris iter.
75 P sa1m.XXVI, 25:Non vidiiustum derelictum,necsemen
eius quaerens panem.
L k sp. 111, 4, l45:
Dientdergerechticheie,Daerbli
jfdibehouden mede,
Ende u oor,spreectDavid albloot,En sal nietbidden broot.
L ksp.111,1s,157:
David doet ons bekintjDathi des gherechts mans kint
Noit en sach soeken broot.
11 F a cetu s l5:
Sis celer ad quem vis sermonem percipiendum ;
Sis piger ad quevis tu verba relata loquendum .
L k sp.111, 4, 149:
Sijthaestich teverstane Dinc diemen u spreketane,
Marte sprekeneen sijtnietsnel,Voren datghiu bepeinstwel.
58
79 Facetus 16:
Ad veniam curras,ad vindictam pigriteris;
Ad pacem properes,ad iurgia ne gradieris.
B u ch ler 328:
Sisceler ad veniam,tardus sis sumere poenas,
Pax tibi sit cordi, bella ciere cave.
Tel. Iurgia devitanspacis tenearis amore,
Sis veniae largus, vindicis arma fuge.
L k sp.111,4, l57:
M aer hebt terwraketraghe den voetVan dinghen diemenumisdoet.
81 Facetus l7:
Omnitu tribue pro christilaude petenti:
Sitibi res desit,da verba benigna querenti.
B uchler 245:
Nomine sub Christi promptus largire petenti:
Si nummi desunt, ne bona verba neges.
çelt Dextera pauperibus tua sit propensa iuvandis:
Verbis,argento defciente,iuva.
Poemaquod diciturSa1utaris(ap.Leyser,p.2058sqq-)v.77:
Da cito, da gratis, da munera congrua cuique:
Dum dare non poteris munera, verba dabis.
de lllfdf: regelïs navolging wJs O vid ius A.A.I1, l66:
Cum dare non possem munera, verba dabam.
83 F acetus 19:
Obsequium yrestaretuum siscuique yaratus:
Retribuet qula pro meritis aliquis tibl gratus.
B u ch 1er 230:
Obsequium praestaretuum siscuiqueparatus:
Invenies grates qui feret inde tzbi.
De0ssplà0-4w:rnmklank we1- sal,zoo cl:çn hetffd.gelezen
Yor#f,laatzfcA op fYcdlkldfwqze,:rA6l,:p,door IJ heteersteïs
a1, bf het tweede ïs se1 te veranderen; waarvan hetlaatstede
wpprkdvr Terdient.En zpp vindt men ïs R einaert II, 1375:
Ghi behoeft u te wachten wel.Grimbaert sprac:Heer,ic sel.
85 Facetus 20:
Sitibi servierit aliquis,sua premia tecum
Ne retinere diu cures, si diligis equum.
59
B u ch ler :94 :
Non decet ut merita servus fraudetur ab ulla
M ercede,iniunctum qui bene fecit opus.
vel: M ercedem prompte servo numerare fdeli
Iam pridem dominos Biblia sacra monent.
L k sp. 111, 1, 61:
Die rike man en sa1 ooc niet Tote des anders daghes,watsghesciet,
Des arbeiders loon houden,Opdathine eyschtonvergouden.
87 Hetbedoeldewppr.
sc/lrflfntaatsïdfçneenTan Salom o's
gesohriften,zpp al8plzeMoralhtp'yde/f- waarom K aus1er
(Denkm.111,339) hem yynichtganz bzbelfest''noemt- maar het
dfclfelderu ïzlhetO.T.ù# herhalçng.Zï:Levit.icusXIX,l3:
llon morabiturogus mercenariituiapudteusquemane.D euteron.
XXIV, 14:Non negabismercedem indigentisetpauperisfratristui:
sed eadem die reddes ei pretium laboris sui ante solis occasum.
T obiasIV,l5: Quicunque tibialiquid oyeratusfuerit,statim ei
mercedem restitue; et m erces mercenarii tu1 apud te omnino non
remaneat.
89 Facetus22:Sermo brevisverusque tuo procedatab ore.
L k sp. 111, 4, l63:
M et corten redenen ende met waren Suldi alle u redene baren.
D ie R o se :l8l:
W ant die worde vernoyen min Alsmen cortelike seit dien sin:
W ant vernoylec es lange tale.
93 C ato Brev.Sent.44:Ni1mentiridebes.
95 P acetus :::Osmendax animam malevitaeprivathonore.
B uch ler 33l:
Sermo tuo falsus nunquam procedat ab ore:
Os m endax animam cogit adire necem.
Telt Pro veris non vera loqui turpissima res est?
Interimitque animam quae super usque manet.
L ib.Sapient.1, 11:0sautem,quodmentiturtOcciditanimam.
B eda Prov.Lib.296:0s,quod mentitur,animam lugularerefertur.
L ksp.111,3, 1017:
Ghi en selt niet lieghen Noch oec niemene bedrieghen.
Dscrifture zeeght albloet:Loghene slaet die ziele doet.
. L k sp. 1
11, 4, 165:
W ant die loghene,sonder waen,Beide ziele ende ere verslaen.
L k sp. 111, 15, 113:
Die heilighe scrifture seit albloot Dat loghenen die zieleslaen tedoot.
60
N iw e D oc trin. 1696 :
Derlogheneesvele(1.verre)die meestesonde.
B 1occius Praecepta de M oribus 42l:
Impia ne vano mendacia profer ab ore,
Nam perim unt animam,mollis ephebe,tuam.
97 Facetus :4:
Ne
rideas (l.ride)solus,quiarisussolinsoris
Pravus,velstultus reputatur in omnibus horis.
B uch 1er 270:
Saepius et solus sua risibus ora resolvens
Velbonus estnequam,velrationis inops.
Tel. Quisese solo recreatcrebroque cachinno,
Vel ni1 mentis habet, ve1 mala corde fovet.
99 Facetus23:
Risus ab ore tuo pius et rarus videatur:
Per crebros risus levitas in corde notatur.
B uch1er :;8:
Risus sit rarus, nec sit prolixior aequo:
Immodicus sophia pectus inane notat.
çel: Risibus esto modus;quodsimodus optimus absit,
Pectoris argumenta insipientis erunt.
in Y:làdp laatnten regel Kppr argumenta - dat dan Y:I zou -p:-
ten gelezen Ypr&p als argmenta - beter zpv genohreren z#p
indicio.
F 1oretu s 89:
Non sis ad risum pronus, nisi sit tibi visum
Quod bene couveniatettunc tibi;athoneste;
H unc homo deridet, qui multum ve1 cito ridet.
waar hetr#- vordertte lezen:ethonestetunctibifat.
101 A baelard.ad Astralab.deMoribus21l:
In verbis pavidus semper laetare fuisse,
In factis audax sis,aliquando licet.
waar ïk Toor siszou Yïîlds lezen sic,om if met de fz:e laatnte
Yppr& p te Terbinden.
105 JesusSirach XXXII,24:Fili,sineconsilionihilfacias,
et post factum non poenitebit.
B uchler 60:
Consultatio lenta et cum melioribus esto:
Praeceps consilium poenituisse facit.
vel: Sit mora consiliis,nam,si moderamine tractes,
Prosunt; at nimium praecipitata nocent.
109 E cc1es.V, 8:Siquid vovisti? ne moreris reddere;displicetenim Deo infdelis et stulta promissio:sedquodcunquevoveris,
redde - multoque melius est non vovere, quam post votum promissa non reddere.
# 1o retu s :4 : Nunquam promittas, nisipromissum darecredas.
F a c.R a t. 1, 532:Solvere qui nolit,melius non vota voveret.
B u ch 1er 269 :
Festinus nimium cave des promissa cuïquam,
Pollicitisque semel,dum potes, adde fdem.
B loccius Praecepta de M oribus 87:
Ne supra vires aliquid promiseris unquam :
Promittit fatuus plurima,non sapiens.
111 cato.Dist.1,25:
Quod praestarepotes,nebis promiserisulli:
Ne sis ventosus, dum vis bonus ipse videri.
J a c. B en eve n t. c. 20:
Cum spondes aliquid, manus ilico verba sequatur:
Auget enim meritum, qui cito solvit idem.
115 H oratius Epist.II,2,10:Multaâdem promissalevant.
123 Evang.M atth.VI,24:Nemo potestduobusdominis
servire- non potestisDeo servireetmammonae.Zoo ppk L u c.XVI)l3.
B u ch 1er 2l4 :
Haec duo non animum possunt intrare sub unum ,
Vauus amor mundi, verus amorque Dei.
D iet.D octr.111,1:77:
M en mach niet dienen, dat wetwale,Godeendederwerelttenen male.
D iet. D o ctr. 111, 1863:
Die ewangelie doet ghewach,Datmen tween heren nieten mach
Te hulden dienen ghelike.
L ksp. 111, 3, 713:
W ant God ende aerdsche dinge Houden node sameninghe:
Niement en mach na Cristus leren,Te pointe dienen twee heren.
125 Pacetus 32:
Ne cupias feri dives ve1 inops; utriusque
Agectes medium ; sic tutus habeberis usque.
F 1oretu s 79 :
Sis largus parcusy non vastator nec avarus:
Stat medio virtus,extrema tenet loca virus.
62
127 Buchanan.Epigr.1,k1:
Vere etenim sapiens estis,qui certum adhibere
Novitavaritiae luxuriaeque modum.
129 #acetus:9:
Sitibicontigerit aliquid promittere sanctis,
Solve libens, ne te feriat vindicta tonantis.
131 LiberdeM oribus34:Pacem cum h.ominibushabebis,
bellum cum vitiis.
E pist. ad. R om an. XII, 18: Siferipotest, quod ex vobis
est,cum omnibus hominibus pacem habentes....
F 1oretu s s8 :
Esto paciûcus etpacis semper amicus:
Cum cunctispacem teneris(#ïc)haberetenacem.
137 P acetus :5:
Nocte dieque tuis tria sunt adherentia costis:
Immundus mundus, curiosa caro, ferus hostis.
P loretu s :8 :
Triplex est hostis hominis: demon,caro, mundus;
Non faveas istis, ut sis a crimine mundus.
Demon agit tumidum, mundus cupidum,caro fedum ;
Ut non tenteris caveas; nec decipieris.
B u ch ler 214:
Sunt tria, quae quavis hominem comitantur in hora,
Quaeque bonisomnisuntfugienda modo:
Gaudia pellacis multos frustrantia mundi,
Deliciosa caro,multisciusque Satan.
S p ieg. H ist. II, vll, 8, 125:
W ant haren vrienden es so fel Die werelt, tqeesch ende die duvel.
W ap en e R og ier 2l0:
Maerdrievianden zi
jn tezvare Elken,waerhibelent:
Dat vleesch, dathem cleeftso nare,Dieweerelt,diehaertoghetvorbare,
Ende telsche serpent. W ie es er ter weerelt, hare of dare,
Die dese drie heeft so onmare,Hine werter biverblent?
M elib eu s 2833:
Deen esdiewerelt,dandertqeesch,Terdedieduvel,endesi
jnheesch.
Ditsijn drie viande we1dan Die anevechten elken man.
In k fdoor B 1om m aertuitgegeven #6& cAf V an der Zie1en en v.d. L ic h am e zegt het Lichaem v. l2l:
Metmihaddictweeqhesellen,Dewereltenten ûantfellen;
Die pinden hen hoe sl ons bedwellen M ochten,entaer neder vellen.
63
151 F acetus 27:
Oelum, mors, orcus, et quicquid denique possint
Ante tue mentis, quocunque meas, oculos sint.
B u c h1er l91:
Quisquisesaeternae cupidusveraeque salutis,
Quattuorhaec perpende:beataegaudia vitae,
lnferni poenas, mortem cum iudicis ira.
153 Facetus:8:
Quid sis,quid fueris,quid eris,sempermemoreris:
Sic minus atque minus peccatis subiicieris.
waar ïk voor mem or eriszou Yfl
l:p nehrnven mediteris of Iïeedr
memoreris,Termitn hetp.de
p.memorariinhet-ï#&I:4vY:cALatù'
n
gevonden Ypr#f,nolgenn Du Cange,in de beteekenh nanmeminisse.
L k sp.111, 4, l67:
Peinsaltoesin thertedijn Wattu waersende du soudszijn
So saltu in allen stonden Di te bet hoeden van sonden.
R in c1u s l09:
Om drie dinge,mensche,ic die (1.di)vrage:
W anen quaemstu van iersten dage?W aerbestu?endewaerselstu henen?
155 Der#m-pprpn bewqzen,datAïdr een psffi8.om 4ï:te
verhel
pen zpv men achter aermen kunnen plaatsen twaren;dooy
een n$
':f,
s beduidend dfpmznppr: in een tldr.
g aantebrengen,per#ïesf
weinig aanbeveling. Opà ï.
s het znppr# can hier m-eemd.fk vermoed
dat vpef gelezen Ypr#ezl.
'
Ende om die doet, die pliet ontfaermen
Noch den riken noch den aermen.
159 F acetus 34:
Quicquid agasnon pandetua(l.tue)secreta marite,
Unde tibi nasci possint discrimina vite.
B uch 1er 364:
Ne tua committas sociae secreta iugali,
Vivere si laetos vis sine lite dies.
Immo tegas tacito quidvis in pectore clausum,
Postea quod vitae possit obesse tuae.
Jac.B enevent.c. 42:
N on bene secretum mulier tenet; immo revelat.
L ksp.111,4,181:
Dinc die u te heelne staet, Die u an u ere gaet,
En ontdectuwen wive niet:U mochter ofcomen groot verdriet.
L ksp.111, 4,277:
Daerom ensiniementteghereetTesegghenden wivealdathiweet.
Hele haerdatteheelnesi:Dats wi
jshezt,ghelovetsmi,
64
D ie R ose 13729:
S0e wie dat sine heimelicheit Sinen wive algader seit,
H imaecse vrouwe van sinen live.Niemenne en soude sinen wive
A1seggen sinen nausten raet Noch stucken die te heelne staet.
B rant Narrensch. 51,1:
Der ist eyn narr,der heymlicheyt Synr frowen,oder yemans seyt.
163 Facetus 31:
Usurarorum,predonum,presbyterorum,
Castigatorum: mymorum , canonicorum
Natam vel vlduam ne ducas:his quia dantur
Res male quesite, que iustius annihilantur.
H et Terband fvddch6s de 46rdf: en de laatstere#6I,
swordtïnhet
Aïer bngevoegde glossema aldu8w6r#vï4:l#kf.nam omnesistinon
possunt assignare dotem suis fliabus,nisi de rebusmaleacquisitis,
de quibus tertius non gaudebit heres.- Voor heteerste Yppr:
zalmen usurariorum moeten .
sc/lrge:p,doohJfvqfsylbçgSfffer:kep.
B uchler 18l:
Uxorem ducas viduam,prolemve danistae,
Praedonis,monachi,presbyterive cave:
Quippequibusdanturperfascorrasa nefasque,
Consuevere brevi quae superesse,bona.
N iw e D o ctrin ae1 achter v. 1820 :
M en placht der papen kinder te scuwen,
Ende niement en wouder gherne an huwen.
welkeYppron een :#,p6#:6Iz#n vïfhetZdf4.
:c/l:S8.ZieBlomm.
Ov1. Ged. 111, bl. 154c.
L k sp. 111, 4, 175:
W eduwen oftedochtren van wisseleren,M eyeren,papenoftedobbeleren,
Van canoniken, ofte van persemieren, Van taelmanne,ofte ostelieren,
Scuwettewive,datsmijn raet,Wantonrecht goet gherne te gaet.
16T P1autusPoen.IV,2,:2:Male partum,maledisperit.
Poeta ap.Ciceron.Phil.lI,27,65:M aleparta,maledilabuntur.
R ein a rd u s V ulpe s l:3:
Quaemale quaeruntur,male perduntur....
P ro v. C om m. 598:Quali
c ghewonnen,qualicverloren.
Quod malelucratur,male perditur et nihilatur.
V ersu s 1eo n.: Res male transibit male parta, citoque peribit.
J a n u s A nysiu s Sentent. 382 :
Ut comparantur opes, ita expendi solent.
169 # acetus 33:
Si videris aliquem casurum sive cadentem,
Non ride,sed eite prebe compatientem.
65
B u ch1er 44:
Alterius casus,risûs tibinullics unquam,
Comm unis potius caussa doloris erit.
171 P hagifacetus l66:
Quid mirum,sirescecidit,que non pede fdit?
Quadrupesin planoquandoque caditpede sano:
Non mirere bipes,silabitur ergo tibipes.
B eb e1 241:Equus aliquando quatuor pedum in plano cadit,
waar 'andere parallelle plaatsen 4p0r m#' z#n'
.&#4#:,ep b1.67
en 338,waarb# nog zpv tepp:#4p z#n.
A grico1aSprw.68l (Ausl.):Esschnabeltwo1einpferd,hatvier
fuesse. Ich geschweig denn ein mensch das nur zween fnesse hat.
Door B eda,Excerpt.Patr.(Migne)94,543 wordthetdfrlfàdldp
van den v dAldcA genomen ïs de beteekenin w@s zich verspreken:
Dum cadit equus, zegt A#, sub quo suntquatuor pedes,yuanto
magis homo,quiunalingua loquitur,potestcaderenequesuam relterare
sententiam, dum cecidit!En zpp ook P ecund a R atis 1,:00:
Quadrupesoccumbit- quid,situ labereverbis?
173 Facetus 38:
M utis et tacitis uti nolito susurris,
Nam raro fundatur in his fdei bona turris.
P h a giface tu s 305:
Si tamen es mense socius, potes esse loquendi,
Sed modice, licitumque tibi tecumque sedenti
Verborum conferre vices; ast nulla susurris
Esse loquenda scias:igitur quodcunque loquads,
Propatulum fuerit.
177 C ato Brev.Sent.11:Magistrum metue.
T u n n ic. Carm. elegiac. de honesta vita 59 :
H inc praeceptores digne venerare benignos,
Laudibus hos summis aëciasque velim.
180 F acetusParisiensis 89:
Scire quidem frustra contendit quisque quod horret:
Quod natura negat,discere nemo potest.
185 Cicero Parad. V1,3,51: Contentum rebussuisesse,
maximae sunt certissimaeque divitiae.
# 1oretu s 22:Cum contentus eris, dives tunc eëcieris.
B e d a Prov. 288 :Dives dicendus, cui parvus suëcit usus.
V etus prov.:Cui satisestquodhabet,satisillum constathabere.
S p ieg. H ist. 1, vnl, 36, 13:
H i es gheboren in rike ghevouch, Die hem selven es ghenouch.
L k sp. 111, 3, 285:
Ende wien dat sine dunct groot, H1 is rike, al waer hi bloot;
Wantdien ghenoechtdathiheeft,Hiis dieri
jcstedieleeft.
5
66
L ksp.111,5, l04:
W antnieman rikeen es die leeft,Dan dien dunctdathignoechheeft.
D iet. D oc t. II, 3001:
Wantdien ghenoechtdathiheeft,Datsderrlcstereen dieleeft.
D ie R ose 4777:
0ec sone maect den man niet rike Have,no scat,no dierreghelike;
Maerdien genougetdathihevet,Hiesdie rijcste die levet.
D ie R ose 4823:
Goet en maect den man niet rike,N o scat:no have des gelike;
M arw wient genoget dathihevet, Hies rlke xor aldat levet.
189 D euteronom.xxlll,:5:Siintraverisinsegetem amici
tui,franges spicas,et manu conteres:falce autem non metes.
F acetu s 90 :
Alterius noli in messem mittere falcem,
Inque thorum caveas alienum ponere calcem.
waar men èf nolito zalmoeten lezen,)/tu achtermessem invoegen.
193 Prov.Com m.473:
Cum fatuis,caripueri,nolite iocari.
T unnic.M onost. 663:
Cum stolidis risu durum verbisque iocari.
195 In deDoctrinaelSauagev.75- 82vordt,csviernoorten
Tan vdsdchen gemroken #f:van wdrdcAïllepdep aard z#p,dpchelk
fYe:hoedanigheden ïs zïcA rereenigen)t.Y.z# z#n:JJ vroed en
fel;IJfelen zot;5f goedertieren en zot;bfgoedertierenenvroed:
Men salden vroeden fellen man Ontsien,om dat hi deeren can;
Den fellen zot sal men haten, Ende sine wandelinghe laten;
Den goedertieren zotverdraghen Endein spelesijnsghewaghen;
M en sa1 den goedertieren vroeden M innen ende sire eere hoeden.
201 G oede dachvaertdoeti,d.t A# komt#::# Tan
derdfd,A# ondervindteen grppf#dIuk,A# kan vangelukdyrdkep.
Zie M nl.W db.pp dachvaert.
P rov.C om m .2l3:
Die van een quade wive scheyt,doet een grote dachvaert.
Linque malam Gretam,facis altam sicque dietam.
B uchler l92:
Vincla me'
retricis si quis disrumpat, eatque
Liber, revera grande peregit iter.
Telt Dicere se potis est iter absolvisse molestum,
Femineo quisquis liber it absque iugo.
67
M elibeus 1748:
Men spreect daereen ghemeynewaert,Dathidoeteengoededachvaed,
Die hem des sots telivereert.
N at.B 1oem e 111,1451:
Himachtvoergoededachvaerttellen,Diehem maectquitevan den fellen.
203 Tegen & hier gdzg-4pl#k genoemde 0>#:v#&p wordt
afzonderlqk g- ccrdcAfv: door Cato Brev.Sent.$::Vino tempera. - 25 M eretricem fuge.- 37 Aleam fage.
F ace tu s 101:
H ec fugias: fastum,talos,lupamque, tabernam,
Sidecus et vitam tibiqueris habere supernam .
B uch1er 194:
Thaida quifovet,ac cuiluditur alea pernox,
Paupertate dies fniet ille suos.
B u chler 174:
Cuilusus mulierque placet mercabilis aere,
Dedecoristandem labe notatus abit.
V eter.V ersus 1eonini(Neander :77):
Dives eram dudum ;me fecerunt tria nudum :
Alea, vina, Venus; tribus his sum factus egenus.
Liber D e contem ptu m undi:
Alea, Bacchus, amor mulierum reddit egenum :
Nunquam, qui sequitur haec tria, dives erit.
L ksp. 111, :5, 107:
Die haren tijtgaerne Versliten in tavaerne
Ofte ooc mitdobbelspele,Daer archs of coomt vele.
T unnic.Carm.Eleg. de honesta vita 175:
Turpis et ebrietas vigili tibi mente cavenda:
Corporis haec vires ingeniique rapit.
191 : Alea delectet, cave, tet nam lusor avarus
Est fur, ve1 dives slve laboris amans.
B 1o:cius, Praecepta formand.pueror.morib.perut. :1:
Ebrietas fugienda tibi,namyue ebri
a corda
Sunt manifesta magis rasllibus foribus.
%1: A scorto reici praestat quam admittier,est nam
Pernicies iuvenum,perniciesque senum.
65: Alea? quae reddit mendicos atque rapaces,
Vltetur pueris gorgoneo angue magis.
Jacobus B en eventan usc. 1:
QuisequiturBacchum,taxillosetmeretrices,
Infamis semper,semper egenus erit.
68
207 H outdisim pe1 in cuu shede d.f.praal nietmet
uwe kuischheid, maak daarmede geen uiterlijk vertoon; Ende
d ecker gheene houerde m ede d.t laat het vertoon daarvan nimmerde dekmantelzi
jn van een trotsch hart.Voorgherne,
dat het S:. heeft, vp:df alzoo spp#-dp#ï,
g gheenegenohreçen
Ypr#8p.- Deaanleidçng fpfditspprdcArï/fgaf YdllïcAf.
F 1oretus 68:Cuiusque status quis sit,debet fore castus,
waar pppr cuiusque zalmoeten gelezen YprAp cuiuscunque.
213 Lksp.111,3,17:
W anttaensichte toontgherne dat Datter binnen is intvat.
218 Den diohter
Toor den geddfgezweefd hebben de
Ypprps,dieherhaaldelqkppprkp-:pù.p.b#'Jerem iasXI,:0:Tu
autem, Domine, qui iudicas iuste et probas renes et corda. XVII,
l0; XX, 12., of wel 4ï: uit1 Sam uelXVI,7:Homo autem
videtea,quae parent,Dominus autem intueturcor.Vgl.ppk Jesus
Sirach XXXIII, 28.E pist.ad H ebr.IV,13.
D iet. D octr.111, 301:
Die alle herten binnen kintRnde dien verborgen nes twint.
111, 1883:
Hem en es verborgen twint,W ant hialle herten kint.
N iw e D octrin. 2351:
Dat can God van binnen scouwen,
A1en toechtmen'tnietvan buten,W antmen machvoorGodenietsluten.
222 Foor de 4vï&l#kA:ï: ï# hier (hlomoedichede gedrukt,
even cl# 459 (hleere.
223 B uch1er282:
Non toga talaris M onachum capitisve corona,
Sed pietas constans integritasque, facit.
225 Facetus l04:
Des tacitejque das pro christi nomine;sivis
Exemplum dandi, spectando potes dare cuivis.
E v a n g.M atth. V1,3 :Te autem faciente eleemosynam,nesciat
sinistra tua quid faciat dextera tua - ut sit eleemosyna tua in
abscondito.
229 F1oretus 61:
Hic,cui das munus,sit ve1 videatur egenus:
Res, quam das,propria tibi sit, Christus tibi causa.
D iet.D oct.II,2855:
Ende ouer vreemt goet, wats ghesciet, En salmen melde wesen niet;
Maerouer ons selfsgoetselen wiMeldesi
jn metherten vri.
69
H eim e1ijkh.derH eim e1.70:
Ghet heere,goetna dinemacht,Endeemmermettermatenbewacht,
Endeghefdijn goetalsulken man,Daerhetwe1besteetes an.
233 Facetus 12:
Noliprivatus nimis aut afabilis esse:
Quinimisestprivatus,eum vitarenecesseest.
vaàr hetlaatnteYèpr#/:est,dathetr#> verbreekq moetYpr44l
weggelaten.
B uch1er 137:
Esto demissus;cave sis demissior aequo,
Ne sisridiculus dum minor esse studes.
vel. Pectore sis humili,modus attamen optimus adsit;
Esthominis stulti se extenuare nimis.
L ksp.111,4, 141:
Sijtoetmoedich in die mate:Daerofcoomtu grotebate;
W ant Aristoteles seit:Alte oetmoedich is zotheit.
D iet.D octr.II,607:
Oec en seldi,als wi lesen,Alsoe oetmoedech niet wesen,
Dat v grote oetmoedecheit Ghekeert werde inder sotheit.
236 'D raechse.Grammatçoaalz:v hetyvïdf:rz#ntedcArg-
T- Drachse,zoo cI.
: in 731;dooh :0à draechse 68nietonmogelgk)
Ycc
rp- M er h8Apv#6p ïd wat ïp het e #.Dtaat.
*
237 #acetus 102:
Si bene vis orare deum,thalamum tibi claude,
&st illi, qui cuncta videt, tacita prece plaude.
E va ng. M a tth. VI, 5: Et ccm oratis, non eritis sicut hypo-
critae,quiamantin sïnagogisetin angulisplatearum stantesorare,
ut videantur ab homlnibus.- Tu autem cum oraveris, intra in
cubiculum tuum,etclauso Qstio,ora patrem tuum in abscondito.
L ksp.111,b1. 22:
A1sghijwiltmetinnicheden Uwen sceppereaenbeden,
Soedoet den raetterselver tijt,0p datgkijmueght)datghij si
jt
M leene,daer mentniet en zie.
240 Jes.Sir.1,37:Nefuerishypocritainconspectuhominum.
C icero de OE 1, l3, 41: Totius autem iniustitiae nulla capitalior estquam eorum,qui,quum maxime fallunt,id agunt,utviri
boni esse videantur.
L auterbach ius,Eleg. 1:
Dum malusest,speciem probitatishypocrita ângt.
244 Jerem iasXXIR ls:Noliteaudireverbaprophetarum,
qui propbetant vobis,et deciplunt vos.
70
E vang. M atth. VII, 1.5: Attendite a falsis prophetis, qui
veniuntadvosinvestimentisovium,intrinsecusautem suntlupirapaces.
Voortn behooren sp# totdeplccfdds çn den 1#581,waar tegen
dewlldcA: profeten Yor#fgewaarsohuwd:D euteron.XIII,3;
Jerem.XXVII,9;C o1oss.II,8;1 Joh. IV, 1.
245 Juvena1isXIV,109:
Fallitenim vitium specie virtutis et umbra,
Cum sit triste habitu vultuque et veste severum,
Nec dubie,tamquam frugilaudetur....
24T bee1;en,die schijn.Deesk:I,pv##8vorm pc> het
=-. zat Alr weleoor hetmeerv.(scinen)moeten :814:1,evenaln
A io1. 803: Twee kinder die ter maeltijt dien d.t dienen;op
Yelk: plaatn (Tijdschr. v. Nederl. T. en Lk. II,b1.241)meer
epprà::l46p van ## reruohgnuel Aor Verdam z9n &#e#6,6n;
waarbg'># zo* te *0d#e4 z9n:
C ar1.e.E 1eg.1022 :
Die coninc es te mi so gram ,Om dat ic hem eens nam
Van sinen scatte sulke scaerden,Dat cume ghedroech twe paerden.
Zie 0pk Jonckb1. Aant. op W alewein 4853.- overçgenn z4v
met :614geringe 18r@N#4rïl# 00k kunnen gddchrdpdp wordent
Sislachten den beelden,die schinen
Van buten datsisi
jn guldine.
:55 Jesus Siraoh IV, 34:Noll cltatus esse ln llnguatua.
LiberdeM orib.105:Quicquid dicturuses,antequam aliis,
tibidicito.
B uch1er 167:
Ante,locuturus quidnam sis,mente voluta,
Praecurrat mentem ne tua lingua tuam.
F 1oretus 15:
Nolilaxare linguam,quoniam revocare
Non poteris Ferbum,quo; dicis forsan acerbum.
F acetu s Parisiensis 127:
'
Intermaiores caveatne multa lojuatur:
M ente diu teneat,quod putet zpse loqui.
Prov.vu1g.:Quibene vultfari,benedebetpraemeditari.
P a1ingen.1V, 78l:
@*@@Kge rogas aliquem,seu forte roganti
Eesponsurus eris,prius ipsam consule mentem,
Quam vox exiliat:quae,mstquam estedita,retro
Haud remeare potest.
L k sp.111, 3, :9:
Alse ghi van desen ofte dien Spreken wilt,so suldi sien
W ie dat daer omtrent staet Dien u redene ane gaet;
W anteen woort iszaenontvloghen,Daermqnlangheom moetdoghen:
Te sprekene hoortgrote hoede.
25T verlnpeneta1e,d.i.onbedacbtzaam gesprnken wonr-
den. Dr.Beets (Proefschr. l13) wilgelezen hebben verlopende,
onder eero#zfsg naar ReinaertII,1755.
261 Facetus 109:
Pilea vel quicqui; geris in capitis regione,
Si magno loquerisque deo servis, cito pone.
Uçt 4: woorden ,cp onzen AprclfdfIeghen dijn eerscap ende
pre1aetmag Ypr&s vermoef fcfhqhl
'
ergelezenheeft:magno...
deiservisfnat.zlvr.).- Zoo ï:IatsïefopgevatApr
B uchler 204:
Tegmiue sit nudum,quoties afare precando
Coelicolas,homines conspicuosque,caput.
çelt Sive precere Deum,seu homines aferis honestos,
Possideatvertex pilea nulla tuus.
L ksp.111,4,101:
Ghisult ooc uwen caproen Jeghen den betlen of doen.
B 1occiu s,Praecepta formand.pueror.morib.perut.371:
Si senior te compellarit municipesve,
Nudus sit vertex, pone genuque tuum.
265 #acetus 105:
Rem,dequa loquerls,digto monstrarecaveto,
Nec, dum ft sermo de ovibus, ad ovile videto.
çoor welken lccfdfdp regel B u ch1er 171,- f behoud wJp den
eedf-,dezenyepfJ-efer geeftt
Nec ad ovile vide,dum de ove verba facis.
269 F acetus99:
Sipar velmaior fuerit tibi forte locutus,
Donec fnierit sua verba,sile quasi mutus.
B uch1er 318:
Vis sapiens dici totlus tem pore vitae,
Inter - cuiusquam - rumpere verba cave.
L ksp.111, 3,79:
M seghieensmenschenredenehoort,Soenspreectdaerinnieteenwnort
Vcor &t hi a1heeft gheseit; Dat is grote hovescheit.
Seba1dusH eiden Paedonomia Scholastlca j3$1:
Rogatus ab aliquo, tum demum respondeat,cum fnem dicenii
fecerit interrogator;non interrnmpetsermonem .
B 1occiusPraec.formandis Pqer.morib.perut. l17:
Colloquium alterius noliinterrumpere verbis
Intempestivis ridculisque iociB.
72
2T5 Facetus l17:
N uncia situleris coram magnate,fer eque
Jussa,loquens tacite,breviter,docte,lepideque.
2T9 Cato Dist.111,14:
Quod potes,id tempta,operis ne pondere pressus
Succumbatlabor et frustra temptata relinquas.
Poema quod Salutarisdicitur 69:
Non assume iugum,quod vis tua ferre recusat:
Pondere sub modico tutius ire potes.
V eter.%ersusleonini(Neander 284):
Hoc attentabis,feri quod posse putabis.
B uchler 159:
Viribus aggrediare tuis maiora caveto,
Ne sit omittendumjquod prius orsus,opus.
Tel: Non humeris patiaris onus,quod ferre recusent,
Imponi,ne sub pondere deâcias.
Jan.A nysiusSent.585:Caveaggredi,quaeperfcereviresnegant.
M ich.V erinus;82(overgenomeninOweniDist.Eth.II,26):
jàuaeferinequeunt,prorsustentarerecuses:
lngen; debes pondus habere tui.
L ksp.111,3, 489:
Ic rade u dat ghi niet en bestaet Dinc die boven u macht gaet;
W ant hets scande den man Dat hi niet volbringhen en can
Dinc die hi begonnen heeft, In wat state dathi leeft.
H usem ann 10:
Dat is ein Narre de sick nimpt wes an,
Dat he doch nichtvullenbringen kan.
283 Facetus 113:
Non extollaris,sisors tibi prospera cedat,
Nam deus ingrato cito tollit munera que dat.
B u ch1er 137:
Turgida ne demens extollat pectora fastus,
Sors ubi terrenas accumulavit opes:
Praecipitem faciet ventosa superbia lapsum ;
Nam premit instabiles lubrica Diva rotas.
L ksp.111, 3, 299:
Daer omme en salhem nieman Te zere verhefen van
Enen ghelucke dathiheeft,W antdavonture dicke sneeft.
287 Facetus 1l5:
Nx tristare velis(1.Netr.nimis),sisorsadversa tibisit:
Nam deus hos tentat,quos diligit,et cito visit.
73
A nth.Lat.(Meyer)928,2:
N on laeta extollant animum,non tristia frangant.
L ksp.111, 3, 1229:
Ist dat u scade gheschiet,Daer omme en droevetniet.
C ato Dist.IV, 35:
Ereptis opibus noli moerere dolendo.
289 Eenezeer sïfspdrk:be,
nohrqvzng s@> de-i#:eI,cII#A84
der Fprfvïs vindtmen fs Florh en Bl. 3159- 3196.
291 JacobusBeneventanusc.53:
Prestat!non tribuit,vitam Deus omnibus:ergo
Credlta cum repetit,nemo dolere velit.
295 Facetus 114:
Quicquid agas,hostinunquam tuadamnaloquaris,
N eque tua cuiquam de paupertate queraris.
V etu s p ra ecep tu m :
Infortunium tuum celato,ne voluptate aëcias inimicns.
LvœrvXav xpdrrh ;9x ,4 robl Jxlp,ùç eèsêxvqç.
M n1.Rijm spreuken Il,1l6:*
Wat men valschen vrienden claghet Dat bleve beter onghesaghet.
S p ieg. d. J o ng. 305 :
Enwiltnietclaghenvverdriet,Dantrouwevrienden,dietmetvdraghen;
Ghimocht den sulcken claghen vghesciet,Dietgaernesoudehoren ghe-
299 Facetus 89:
Iwaghen.
N i1 super hoste tuo tua lingua minando loquatur:
Hostem namque suum munit quicunque minatur.
P ub1.Syrus 1:7: De inimico np loquaris male,sed cogites,
velke Yppr& p E rasm us aldun rerklaart: ,,Si cogitas nocere
inimico,cave loquaris male,cavebit enim il1e.''
803--306 Dezfp Tan dezeverzen laatzfch aldwnomnnhrv--w- :plemandjdieeen vijand in 'tleven laat,bi
jwien geen twi
jfel
(gheen b1i
j9 bestaat,d.i.van wien nietanderstewachtenis,dan
dat hijhem zou dooden,indien hi
jin degelegenheid was,verkort
daarmede (d.i. door dat sparen) zi
jn eigen leven''.Een Duitsch
Distichon zegt:
W erseins Feinds Leben hat wöllen frommen,
Ist oft umb sein selbst Leben kommen.
hetgeen àprfYdg in 'tZlf#p wordtfdrvggeg:Kdp door
A lb ert. Stad e n sis, Troilus II, 42l:
Nam sibi,quiparcit hostibus,hostis erit.
A esopus L atin us 111, 14:
Unde perire queas,hostem munire cavetn:
Quidat,quo pereat, quem iuvat,hoste perit.
G alter.Alex.II,474;
Ipse sibi esthostis,vitam qui prorogat hosti.
welk pdr: door M aer1ant Alex.II,955 aldun Ypr#f vertaald:
Diesdnsviantsleven spaertyHiheeftsi
jn selveslijfonwaert.
307 Vetus distichon:
Siquis te reprobat,discernere te decet,utrum
Hostis an invidus an ambitiosus adest.
309 Fragm.v.d.M a1egljs366:
Hets een out bispel:Viants mont seit selden wel.
P rov.C om m.:66:
Viants mont sprect selden goet.
Os hostis raro loquitur bona non sibicaro.
B ebel 76:H ostis hostiraro bene loquitur.
B9 de aldaar door -# opgegeven zlccfd- zouden wp# kgnnen
#:,p4## worden:
F reidank s:, S:
M înes vlendes munt Lobet mich ze keiner stunt.
spruchd.desXV Jhrh.opgegenen e pr Zingerlein:Zeitsckr.f.
deutsche Philol.IX,87, n.30:
Os hostisnunquam penitus mihicara loquatur.
M eins veintes munt Redt mir gutz zu chainer stunt.
H usem ann :7:
M ercke,mynes Vyendes mundtLavet my tho nener stundt;
Wenhescb nmywatlauesgiR ,Datkumptdochvthsynem hertennicht.
311 H orat.Epist.1,:,57:
Invidus alterius macrescit rebus opimis.
F loretu s :0 sq.:
Invidus est tristis,aliorum cum bona cernit,
Gaudetde damnis,bona non noceant sibiquamvis Languet, marcescit homo invidus atque senescit,
Corpore marcescit,cernens quod res mea crescit.
waar men ïn den derden regelleze:Languetetarescit.
R inc1us 1387:
Nidecheitbrouwet ende drinct Druefheit,alse si hare bedinct
Dat enen anderen goet geschiet.
321 F loretus 51:
Criminibuslotis de mente tuaque remotis
lnsere virtutum semen,quae sunt tibi scutum .
325 I E pist. ad C orinth. X1II,4- 7:Charitas patiens
est, benigna est: charitas non aemulatur, non agit perperam, non
inoatur, - non est ambitiosa,non quaerit quae sua sunt,non irritatur, non cop'tat malum ; - non gaudet super iniquitateycnngaudet autem veritati;- omnia sufert,omnia credit, omnia sperat,
omnia sustinet.
333 Cato Dist.1,20:
Exiguum munus cum dat tibipauper amicus,
Accipito placide,et plene laudare memento.
F acetus 118:
Sitibiquis dederitgratis bona,sumito grate,
Et data cum dante laudentur plenius a te.
B 1occius,Praecepta formand.pueror.morib.perut.323:
Oiertur si quid lautum minus,atque palato
Insuave,hau; dicas:M e haud cibus ille iuvat.
B u ch 1er 218:
Nullius exiguum munus spernatur amici.
vel: M unera parva sui nemo contemnat amici.
L k sp. 111, 3, 315:
Alse R u mate vrient Van eenre cleinre ghiften dient,
Dieontfaetdanckelike,Hoe grootghisijtofhoerike.
Vermochtehijtbat,lichteHigaveu beterghichte.
D iet.D octr.Opëragt 15 (b1.321):
So wanneeriou v matevrient Van eere cleenre phiften dient,
So ontfaet die dankelike:H igave v bet,ware hz rike.
389 B uchler 173:
Quale - lucrum quisquisfastidit- cunquepusillum,
H ic nunquam largas accumulabit opes.
Tet: Immensos nullus nummûm congessit acervos,
Quisquisneglexitlucra minuta prius.
J an u s A n y siu s Sent. 589 :
Amittes maxima,minima sicontempseris.
H orat.Epist.1y 10,41:Servietaeternum,quiparvo nescietuti.
341 Prov.Com m.480:
M en en sa1den ghegeuen peerden niet nauwe in den mont sien.
Sitibido mannos,numeres ne dentikus annos.
76
E rasm us Adag.IVj5, 24:
Equidentesinspicere donati(non oportet).
vaar fs mgnen Erasmus 113- 116een Teertlgtalplaatsen z#pop#:#* 4G than8p0#terdr-ddr#erepmet.F ecunda R atis 1,l28:
Gratis equo oblato non debes pandere buccas.
Ibid.1,845:Gratisequo oblato necontemylerisin ore,
Ut numeres dentes,matris qulbus ubera suxit.
343 Facetus 126:
Pro modico tibinon est osendendus amicus:
Nullus amicicie rem perdit ni sit iniquus.
L ksp.111, l7, 101:
Wantdiezinen vrientberheeftOm een lutteldathiheeft
GhedaenJeghen sijn ghenef,En heeftden vrientnietherde lief.
D iet.D octr.II, :437:
Endewilten (uwen vrient)nietlatenOm eenclein dinc,nochhaten.
345 R einaertII,4555:
EentrouwevrientsellijfendegoetVorsinenvrientseiten,a1stnootdoet.
347 Zede1essen :48(overgen.uitSp.Hist.1,vlu,s0,48):
Maerdiearmoede saldu (l.di)we1
Doen verstaen diewijsheitdasWiedijn ghetrouwevrientwas;
Die van disceiden hies onghetelt,Hienvolghetdinietdanom ghelt.
D istichon vetus L atinum :
Non estpersonae,sed prosyeritatisamicus,
Quem fortunatenetdulcls,amara fugat.
351 #acetus 94:
Si tibi quis loquitur, vultum tu cerne lnquentis
Et sua verba tue secretis insere mentis.
L k sp. 111, 3, 13:
Opten sprekere salhizien,Hi sa1 vele te bet van dien
Beide woortende sin verstaen,Die uten sprekere dan gaen.
855 Facetus 1:5:
Non intromittas te de qua re nihilad te
Pertinet,ne stultum ve1nequam quisque probet ie.
waar kf çn pertinetgenehonden vdfrl- alnun tenerheben ï#.
*
Pertineat, stultnm ne quis nequamve probet te.
P laut. Stich. II,zy 48: Tua quod nihil refert,ne Cures.
B u ch ler 318:
Ne te sollicitent aliena negotia quicquam,
Illis iudicium noli adhibere tuum.
77
L ksp.111,4, 383:
En onderwintuniet,datsmijnraet,Dierdinghedierunietenbestaet;
W ant die hem alles onderwint,W ordter dicke bi ghescint.
111, 4, 5:3:
Daer bien onderwindehem nieman Van dinghen diehem nienegaen an.
D iet.D o ctr. lI, 804 :
Om dinc dieqhinietseker en wet,
Ofdie v nietane en gaet,Soeen stri
jdtnlet,datsmijn raet;
W ant hies sot,die hem stort Om dinc die hem niett0e en hoert.
IIIy 1117:
Diemeestewi
jsheitdiemenvint,Datsdathem .i.mannienonderwint
Parlaments die hem nien bestaet,Ende des hem twint ane en gaet.
Segh.v.Jher.7332:
Die hem onderwindet dinghes,
Dat hem niet een twintbestaet,Hets recht,dat hiscade ontfaet.
Spieg.d.Jong.373:
Laetalledinck also ghijtvint,Ghiwortghemint,sijtdeswelvroet:
So wie hem alle dinck onderwint, Int eynde doet hem selden goet.
359 Facetus123:
A quocunque viro missus quicunque tibi sit?
Docte sustineas quodcunque malum tibi diclt.
364 B ode en m ach ontsegghen niet.DezeYppr& p,
dieeen algemeen erd6k-pprd (ghem eenediet)moetenlercff:pj
z#nïpditverbandpstldrdfccxhlcrjtenzg ermenwordeïw#:pp:#$ dat
ïs 'fH8.ontbreekt;en dan zaldeùefd:à:sï:dezez#s.
-,yMenmag
niet weigeren een bodeaan te hooren,hetzi
jhijietsgoeds ofiets
kwaads te zeggen heeft, bedaard en met verstand moet men hem
laten uitspreken (doctedvdfïp:c.
:)en dusnietafsnauwen ofonvriendeli
jk behandelen-',welkelefe6àenï: aan ontsegghen mag Yprden toegekend.
365 Cato Dist.1,1::
Rumoresfuge,ne incipias novus auctor haberi.
F acetu s l22:
Rumoresfugias;tu g.cave)nunciusessesinistri,
Nec sine re cupias tu nomen habere magistrt
B u chler :29:
Festinus nimium cave nuntius esse sinistrae
Ingrataeque rei: grata repente refer;
Et sine re titulum nunquam sectere magistri:
Sedulus in studiis esto, magister eris.
78
Lk sp.111,3, 93:
Alse ghinuwe maren hoort,Die en moghedi niet zegghen voort...
Soist scandedatghi
jtvoirtbracht:Menmachwanendatghijtdacht.
369 Cicero de O;.IIIy 1, 3: Sic ab hominibus doctis
accepimus,Ex malis eligere minima oportere.
N o v u s A via n u s 111,8, :1:
Si cui dampnorum superest fortuna duorum,
Vitet deterius, sustineat levius.
V etus proverbiu m :E duobusm alis minus eligendum.
B uch1er 178:
Si duo concurrunt mala,nec spes ulla cavendi,
Elige quod minus est:eiuge grande magis.
371 Het-p0r4 soetï:onverstaanbaar en zldfzelfnliefin
'tr#>.Mœ zps kunnen dcAr#pep:
Alen seghet intghemeene doen:
d.ï.ïs 'fdagel#kselt1*:/1,
H ets beter quaet dan argher doen.
e
e
ne
à
YJ
&
b
ehandeling ï.
g beter dan eene #ï8 l0# Dleehter ï:.
d.f.
D pch al
zoo zpl men hetgetalflcs methetz.g.ri/k:r#' eindigende
regel',#ï: Mer fpcA reedn te veel pppràp-ep,m et een pïdvY pporbeeld vermeerderen, Ycfbwiten Appgdp nood Np6fTermedenf'prdep.
Beter z0. hetdaarom Yellïc/lfz#p,roor soettedcAr#tlensermoen
d.t vat 363 genoemd Ypr#f ghemeen diet.- M inderTerandering
e0u so en Torderen; Yelk woord popràp-f in Fragm. 1,v,S Tan
Josap h at, in de beteekeni8 1@p stenz, geluid,
B ar1a:m
k.
* J@r D e V ries (
in De Jager'sTTa
analh
efMa
La
gt.
nn
IV,
8ohe
5l
s)
onhuest.Ne
Ypp
er
mt
d
soen houdt wppr eene wdrl> ferflg
m en #ff aan, dan zpv in t g h em een e so en beteekenen: in 't
algemeen geroep, in de uitspraak van het volk.Een tweede ppor-
beeld van dit Yppr# zou al8dan cllYezfg zgn, Ylcrpclr D e
VriesvergeefngdzpcAfhad.- #ïl#:l#k kan opà,om dedfellk
foutieve lez1
'p# van het ed.te verbeteren,ïl bedenking gdlp-dp
worden cl#l# te dcAr#s:p.
M en seghet int ghèmeene doen:
Hets beter quaet dau argher loen.
d.ï.beter Yeïp# loon,dan geheelgeen) beter ïefd,dan lïefd.
3T3 Pub1.Sy ru s 132:Deliberandum estsaepe,statuendum
est semel, welke Yoprdds E rasm us aldus verklaart: jyDe qun
non potes nisi semel statuere, velut de matrimonio de sacerdotio,
de hoc diu deliberandum est, priusquam aggrediaris.,;
B ebe1Prov.Germ.94:Nulliconsulendum est(utvoluntseniores
nostri):ducereuxorem,trausmarinam facerepereprinationem etsequi
militiam ;quoniam eorum eventus dubius est et Incertus.
H arrebom 4e Spwb.1, 135/: Drie dingen moetmennietaanof afraden, zei de wl
zsgeer: naar het beloofde land te trekken, een
huweli
jk aan te gaan en oorlo: te beginnen.
<f:dieYgeddr fd,wordtnI
'etopgegeven.
876 P 1oretus 62:
Consilio tracta maturo propria facta:
N am cito peccabis,quando nimis accelerabis.
Eet Yopr: niem ene f: hier cld nominatief teùddcApvœep,zoodat
de zfp 68:olaatniemand (in een derdrieopgenoemdetoestanden)
tefe1,d.i.tedriftig,tehaastig zi
jn''. Fdlk:beteekenin aan fe1
mag Ypr&p toegekenh Yccrp- het sïdf noodig fddaarvoor te
lezen sne1,waartoe K aus1er weloverhelde.
879 Facetus l:1:
Filia si tibi sit, cum vernat nubilis etas,
Claustri sive viriproperes huic iungere metas.
A bae1ard.ad Astralab.f.de M oribus :23:
Ne sis natarum sic coecus amore tuarum,
Ut non corrumpi posse rearis eas:
Quam citofassit,eas festina traderenuptum ;
Vilescit mulier suspicione cito.
381 Het ïd moeielnk teù:8I9.
s:p ofAfdr pi
jnsd.i.moeite
doet,dan w:lpeinsd.i.biju zelven overlegt,deYcr:lezingï#.
Voor de eerdfe opvatting yl:ïf het properes Tan # acetu s en àef
festina van A b aelard u s.
383 P roverbia C om m . 92:
A1s die pere ri
jp es,valtsivanden boom.
Dum sunt matura pira sunt breviter ruitura.
J ov ia n. P o n ta n us: Ni matura legas,postmodopomaoadunt.
C ats,Spiegel v. d.0.en N .T., D. 1, 438 B :
Siet! a1s de peere bloost, dan placht se licht te vallen,
En a1sde vrl
lsterri
jpt,soo wi1se veeltijdsmallen.
Dus,wiltgijvan verdrieten schandezijn bevrijt,
Vent,ventditweekefruyt,en datte rechtertjt.
385 B uchler :96:
Siquem nactus herum es,famulare fzeliter,eius
De fama loquitor semper honorifce.
393 In D erLeken S p iege l 111, 4, 533 e.v.rlndt- >
eene4:r#:I#k: afsohuwel#keDohilderîng ran een 11mechtech man'':
Die rike ende onwettech es, Vrec, fel, ghierech ende stuur...
W ant hi
jtal te quiste maect,Op dat hi can,dat hem ghenaect.
Desarms mans hof,pertendeploech,Esalgadersijn ghevoech;
Endecan hi
jtnietghewinnen Metscalcheiden oftmetminnen,
Soe dreighthi den armen man Ende heves sinen wille dan.
80
399 P aeetusGothanus:5 (Pabulae Aesop.XXVII,17):
Se misere servire sciat,quiservitiniquo:
Parcere subiectis nescit iniquus homo.
403 Terent.Phorm.1,1:1:
Quam iniquecomparatum est!hi,quiminushabent,
Ut semper aliquid addantdivitioribus.
AntNo1.Lat.(Meyer)938,27:
Semper pauperies quaestum praedivitis auget.
Poeta N escio Q uis:
Interdum locuples a paupere multa petivit.
Jesus Sirach X1II, :3: Pascua divitum sunt pauperes.
F ecu n d a R atis 836:
Pascua maiorum sunt semper et esca minores.
Ibid.58:
Inplet et extendit locupletum curta supellex.
D iet.D octr.l1, 663:
Alse die rike man siet Dat die mate heuet iet
Dat scone es ofte goet,Soe peinsthiin sinen moet:
Watsalden ghenen dat?Hetware di
jn gheuoech bat!
409 Prov.Sa1.XIII,24:Quiparcitvirgae,oditflium suum.
Jes.Sir.XXX,1:Quidiligitâlium suum,assiduatilliqagellum.
lna cetu s 44 :
Si tibi sit natus, peccantem corrige natum,
Neve suum gratis dicare fovere reatum.
L k sp.111, 4, :85:
So wanneeru kintmisdoet,So castijttetmitterspoet,
So datghiin gheenre ti
jtOccusoen sire quaetheiten si
jt.
Op & aangehaalde ylclfd uétde Spreu ken wordt#:4peW çn
L ksp.111,l0, 30:
DiewiseSalomonseeghtditwaert:Hihaetsi
jnkintdiederoedespaert.
M uretuslnstit.puerilis(edit.Ruhnk.)p.808:
Peccantem puerum quisquis non corrigit, odit.
B uchler 45:
Sitibisit natus,virgae ne parce,sub annis
Pubertatis adhuc,dum mala vita sua est;
Quem sipermittis vetitisafectibusuti,
Falleris et poenas experiere graves.
nelt Filiolum genitor, virga quem negligit, odit.
zn Yelk4p regelfà lçener zpv lezen:virgam quinegligit,odit.
81
T u nn ic.Carm.elegiac.de h.onesta vita :l9:
Diligit ipse pater natum,quem corripit,aequus;
Quem non castigat sedulus,odit eum.
F ecunda R atis 1, 438:
Quiparcitvirgae,sua pignora protinus odit.
B 1occius Praecepta formand. pueror. morib. perut. :39:
Quizuerum qagrissontem castigatamaris,
Dillgithunc,animae et gaudia multa parat.
412 Jesus Sirach VII, 25:Filii tibi sunt? erudiillos,et
Curva
illos a pueritia illorum. Ibid.XXX, 12 : Curva cervicem eius
(sc. flii tui) in inventute, et tunde latera eius dum infansest.
D eze laatnte Yppr#el luiden ïp de Fdrfclfpg aldun:j,Blouwethem
den rugge,dewi
jldathet(sc.kind)nochkleynis.''Voorblouwen
PJbluwen (datplz:MoralintNer bezigt),zpv men nu z:##:p.
ranselen,afrossen. Zie M nl.W db.op blouwen.- De h8W :woorden
slaet en b1uw et moeten Mer @l8imperatiefgenomen Ypr#ep.
413 Facetus :0:
Disce puer sitiens,qnem dat sapientia fontem,
Clausum quinque seris.tenet hunc celsum prope montem.
Doctorem reverere tuum ; sapientia primam
Sic tibi dat clavem ; linguam quam dicis opimam
Quere,recordare,retine,lege sepe relecta:
'
Sic omnes clakes tibi dat sapientia recta.
waaronder deze Terklaring dflcf.Quinque assignanturesse claves
sapientie. Prima est: honorare doctorem suum cum timore et amore.
Secunda:.discere loqui et assignare diferentiam inter dictionem et
dictionem, aliquando ratione orthographie, aliquando rationeaccentus.
Tertia est: frequenter querere ea quae ignorantur.Quartaest:memorie comt
nendareea quequisscivit.Quinta est:indefesserelegere
et frequentare in usum continuum et convertere ea quae quis scivit.
Et ille quinque claves fnguntur a poetis fnisse in pede equi pegasi,
qui erat perseo militi, dum ipse equus percussit pede suo montem
Heliconem ; ex qua percussione ortus est fons musarum, de quibus
fonte et monte non cessant loqui poete.
Die dlevfel:, waarmele de Y:# naar deYf#Aef# heet#:& ep#
te l
o rden,z#'
n afzonderl#k behandeld ïp een Zlf#sdcà gedinltt,
dat ïp hand8chrift #:,pp#> wordtïn debibliotheek te c:epdp
qzîe Endlicher's Catalogusp.161)waarnan het:ïn& aldun lvï#f:
Clavis prima datur, si lectio continuatur,
M ente ligans funda quicquid legis ecce secunda,
Tertia que sequitur stimulando frequenter aditur,
Pandit quarta fores doctorisemper honores,
Quinta Oducarum despectio diviciarum.
H ec claves quinque dicuntur phylosophye.
Welloht ïd dit hetzelfde Y@fonder hetedcArïffQuinque claves
6
82
Sapientiae geçonden wordt ï's twee perkl- sfds @ doen, Yfer
gan8ehe fnA0u# ï: pp#e#e:el door H ettem a in. De Jager's
Taalk.Magazi
jn D.lI,bl.227en229.- Laat8teln'
kïdaanhetIïchf
gebracht een zedregelïg carmen van Egbert v. Lûttich in : Fecunda
Ratis II.410- 415,alwaar de rdr#ïdndfel#k:uét
gever ErnstVoigt
mededeelt datde oudnt
e nermelding nan de&:lf:l.
9derc@ A6f#e cA 8leehtn ten getale van eïer - genonden Yprdfin defzceryfl
nan B eda (Migne 94, 541). 0ok Ypr#faldaar verwezen naar
eeneZcf#Wdck Grammatioa vïfdeXllIe:6lY,diepplcs#,
9(Paris
1886)uitgegeven ïd door Pierville.- Nog z;hier,vermeld,dat
Buch1er283 ook dlecAfdvan pïersleutelsdpreekfjwaarA# zegt.
Such!gedenck,bekalt,leszjederzeit,
So glbt ihre Schlûsseldir die W eiszheit.
Quaere,recorderisqretine,librosquerevolve,
lndngrediSophlae sipenetrale volep.
nel: Ut tibi dia suas tribuat Sapientia claves,
Quaere,stude,retine,moxque petita feres.
Een ander Yd :r gewaagt dlechf: van een drietal:
Discere, quaerere, saepe revolvere sit tibi cura:
Haec tria sunt via,qua sapientia ft valitura.
415 ghedinc.0f 4ïf een Kpw-.ïdmetde ùefeekelï: nan
nadenkend,gedachtig,dan -4I een imperat.Tan hetYY.ghedinken,
zooaln w. 7:6, i.
% s@,g nzethedllf. Zie M nl.W db.op gedenc.
419 O vidiusRem.Am.91 sq.:
Principiis obsta:sero medidna paratur,
Cum mala per longas convaluere moras...
Vidi ego, quod primo fuerat sanabile, vulnus
Dilatum longae damna tulisse morae.
423 Dezin der wpI#:s& nerzen ïd:nDekwaalkandenmensch
dooden of hem in zulken nood brengen,dat men hem met groote
moeiteerniettoebrengen kan gezond tezi
jn (ganstsine)''.De
weglff: ne kan #v8 in p.426 nietgemïdfwc den en ï: ook ree#:
noorgenlagen ïn M nl.W db.op gans 1,@.
432 B# de per-el#ïpp van diterdekYppr# wordtdezelfde
cufprïfeïf aangehaald ïl
D iet.D octr.lI, 263:
w ant langhe gewoente,seit scrifture, Can maken ene ander nature.
4pch in den ##ùeIkan zpp#lpïgeplaatnsïefworden aangewezen.
Nclrdchï/sl#k d%8 dat men Aïer door die Scriftureniette
denken hebbe aan de H .S.,zopll.
seldern ïp dit #:#ïcAf,maar aan
dewporop van een OJ ander dc/lrller der 0.4A:ï4;en dclrppor
zo% -:l in cls-erkïsg komen t
()iceroTusc.Qu.II,17,40:Oonsuetudinismagna visest.
83
C icero de Finib.V,:5,74: Voluptarii...dicunt,consuetudine
quasialteram quamdam naturam eëci.
A u g u stin. de M usica VI, 14, 28 : Consuetudo quasi secunda
natura dicitur.
434 d at m en w i1t. Uit het èdfppg der ppprglcn#: nerzen
llï
-j
kf1 dat w innen lder niet beteekentadipisci,noch lucrariof
mereri,zppcl
8ed
we
d.i.zicme
ha
nd s.563,maar hetzelfdeï:inalp
rdnne
dpdfn,
e--Gg
tad
e
wennen. E n dan ï: het Aier gezegde
lïfe rlck van anderen; zpp zegt:
C a tu 11.LXXVII,13:Diëcileestlongum subitodeponereamorem.
C icero ad Q.fr.1,2.l:Diëcile est mutare animum et)si
quid est penitns insitum moribus, id subito evellere.
Seneca Troad.634:Dediscit animus sero,yuod didicitdiu.
B ed a Proverb. Liber p. 288 : Diëcile corrigltur nequitia, quam
concipit quis in pueritia.
V ersusV et.proverb.leonini(Neander 303):
Quod puerassuescit,leviterdimittere nescit.
B u ch ler 6l :
Se quibus assuescit primo sub Qore iuventae
Pusio, vix unquam deserit illa senex.
P a1in g en. Zodiac. Vitae X, 80:
I11a diu durant,animisque tenaciter haerent,
Quaecunque aprimis nascenteshausimus annis.
Zedelessen 179(overgenomen uitSpieg.Hist.1,vlll,49,9):
Elken dunct sine costume best, Daer hi langhe in es gbevest.
M n1.R ijm spr.1,88:
Die zededen man quali
jckelaet,Die hiinderjoeghetgheleerthaet.
43T H orat. Epist.1,2,69:Quo semelestimbuta recens,
servabit odorem Testa diu.
V ersusV eter.proverb.1eonini(Neander 306):
Quod nova testa capit,inveterata sapit.
N escio Q uis:
Quod priusimbuerintvasa diu sapiunt.
B uch1er 213:
Liquoris primireferent nova vasa saporem,
Ex his donec erit testa ve1 una super.
Tel: Vascula principio quocunque replentur odore.
Hunc post hinc prorsus lotio nulla feret.
R in clus 1083 :
Den potte alte noede ontsinct Den gore,daer hi ierst af drinct;
Ghelike en es mensche, die leeft,
Die indbegin om quaet doen dinct, En werdehem metpinen ontminct
Alse diemen sceedt daer hi an cleeft.
84
F reidank 108,15:
Den niuwen vazzen niemen mac Benemen wo1 ir êrsten smac:
Den siteein man unsanfte lât.Deservnn jugentgewonetbât.
B rant Narrensch. 6,15:
Was manjn nqwehâfen schitt Den selben gsmack verlontsie nit.
447 Tunnic.Carmen elegiac.de honesta gita 21:
Est puer a tenero generosis moribus aevo
Artibus et claris instituendus iners.
Urna velutpriscum,prius est quo tincta,saporem
Amittit nunquam,sed tenetusque,nova.
0 8 Seneca deIra II,l8,2:Facileestenim tenerosadhuc
animoscomponere;diëculterrecidunturvitia,quaenobiscum creverunt.
Seneca Consol.ad Helviam XVIII,8: Altius praeceptadescendunt,quae teneris imprimuntnr aetatibns.
458 Facetus40:
Femineo nunquam de sexu prava loquare,
Sed,quamcunque vides,pro posse tuo venerare.
B uchler :10:
Femina nulla tibi verbis temnatur iniquis,
lllam sed meritis laudibus usque feras.
D ie R o se :061 :
Eertaltoesvrouwen endejoncfrouwen,
Endepi
jnttedienne hem mettrouwen.
Hetpszufsv:r#m m achte- 1achterkan YeIverhol
pen-:rden Apr de Iezïng Tan hetHaagsche Fragm.63 (bi
j Matth.57):
na diinre m acht- (1atwacht;4:cA hetfd deprxg of
clzp: deYcre kzing z@lhernteM z#>.
455 Facetus 4::
Rusticus est vere,quiturpia de muliere
Dicit;nam vere sumus cmnes de muliere.
B uchler :10:
De grege femineo quisquis non fatur honeste,
Ille mihi rursus non sat honestus erit.
B uch1er :79:
Omnishonestatislaudisyue videturegenus,
Quivultfemineum vltuperaregenus.
velt Quimoliebregenusmeri
to defraudethonore,
Plus satis in sese rusticitatis habet.
pel.
- Rusticus estjmulier cui fastiditur honesta,
Amittitque sui nominisomne decus.
85
H i1degaersb. 73, 18:
Die arch van goeden vrouwen seide,
Hy waer welwaert,datmen hem dade
Lachter ende onwaerdicheide.
45T F acetus41:
Sitibi sit coniunx semper parere parata,
Excolat hanc, veneretur, amet tua gratia grata.
459 Toor & duidelqkheid ïd hçer (k)eeregedrwkt)o:sgI#
::: (h)op oedichede.
L k sp. 111, 4, 4:9:
Vrouwen endejoucfrouwen,A1gaensibuten trouwen
Oftalsijnsiwandelbere,Nochtan soe doethen altoes ere,
Daer ghimoght,lude ende stille,Omder goeder vrouwen wille.
Want dergoeder vrouwen,wats ghesciet, Bn machmen te vele eren
461 Facetus 45:
(doen niet.
Si tibisit servus,hunc sub pede semper habeto,
Ne nimis elatus moveattibidamna caveto.
B u cN ler :95:
Si tibi forte suam servus condixit opellam,
Eëce praeceptis subsit utille tuis:
Cui si plus satis indulgesj mox eFeret hie se,
Atque tibi damni caussa frequenter erit.
L k sp. 111, 4, :89:
Als ghi hebt goede knechte Die u dienen wel te rechte,
Die en verheft niet te zaen W anthaer goede dienst waer ghedaen.
4T3 F acetus 47:
Si qua noverca tibi fuerit vel vitricus,esto
Gratus, ut allicias ipsos cum corde modesto.
De weryllcfdfxg Tan stief wa8 rddd door K aus1er aanbevokn,
:- het & elk ,cp depvddr: toepanel#k temaken.- 0ok had
hetïn beide Yoor& p W nnen herhaald oorp p,zooau ïp:
L ksp.111,4,297:
Hebdi stiefmoederoftesti
efvader,Dieso suldibeiderader
Smeken in allen zinnen Ende met duechden hem verwlnnen.
4TT Facetus 48:
Sitibiprivignus sit,tu sibiconfer honorem ;
Sic populi laudem matrisque mereris amorem .
L k sp. 111, 4, 30l:
H ebdi ooc een stiefkint,
Doethem goetlijc:ets we1ghedaen.Des seldigroeten 1ofontfaen.
86
481 Facetus49:
Si videas fratresinter se bella gerentes,
Neutriconfer opem,sed eorum corrige mentes.
B uchler 123:
Sifratres videas verbis certare minisve,
Armatave inter se coiisse manu,
Adfer opem neutri,dirimas sed proelia voce,
Et sis fraternae suasor amicitiae.
L ksp.111,4, 305:
Alse twistofte stri
jtesgheheven Tusschen broedereoftgheneven,
Soeen sijdsmetharre engheen;Maervaltin datghemeen,
Ende scheldseom datsijtdeden,Ende,oftghimoeght,zetsetevreden.
483 Uçtdepw,pl&:s& rnmwoorden anderen en standen
blnkt,datdeze rdgeld nçetfp ordez#s;dooh hoe&:moeten nerùefv# worden,Y:dfik niet te z:##:s.
487 Cato Brev.Sent.18:Conviva raro.Waar ïphet&-m.
gezegd Ypr#f.
-Quoniam bursam evacuat etpaupertatem inducit.
>'ac etu s 50 :
Raro conviva,ne consumptis cito rebus
In brevibus fas mendicus inopsque diebus.
D iet.D o ctr. lI, l5l :
Ende al eest vore die werscap Goede minne ende vrienscap,
Nochtan en sal men die niet Dicke hanteren, wats ghesciet...
Oec mindert daer met goet Daer af te menegher stonde.
J a cob u s B en e ve n ta n u s c. 34 :
Raro donato; celebra convivia raro:
Ex his paupertas sepe venire solet.
M et deze ntrophe à:gfsfhetFragmentvanhetdvpsc:r4dcAHand-
dchri/f, 1- 4,welks c/dchr@ er hetYppr# w aerscepen heeft
opgevat ïp de &fdekesï: Tan borgtucht doen,die e pr K i1iaen
779 daaraan Yor#f fp:#:k4s#, evenaln aan het.MàW.werschaR
(Brant Narrensch.48,2s).<:lzow zpp4cnfg:opvattçng aanneme-
Wk z#G op #r># dat het onthalen van vrienden ter maaltqd
pc# later, p.7s5 e.r.opzettel#k ledzrpkes wordt.Dpc/ldatppk
hier aan maaltijd houden - en pfefaan borgstellen moetge#ccAfworden,àl#kf3dtFacetus,bq vlfep ditwppr.
scArïffjul
'df
in deze ppI#0r#:gevonden Ypr#f. - Intunchen f: tegen hetborgblijven welge-lcrdcàv-# én
F acetu s 100:
Raro âdeiussor ve1 nunquam creditor esto:
M ultis huius enim geritur res fne molesto.
87
489 PacetusGothanus 23 (Fabul.Aesop.XXVII,1l):
Nullus amor durat,nisifructus servatamorem :
Quilibetesttanti,muneraquantafacit.
491 Cato Br.Sent.5l:Pauca in convivio loquere.
C ato Dist. 111, 19: Inter convivas fac sis sermone modestus.
waar ïs het 5##:pp:#& commentum vff Cato N ovusvordt
aangehaald
Dum convivaris,caveas ne multa loquaris.
Distatab urbanis vir garrulitatis inanis.
B 1occiusPraecepta formand.pueror.moribus perut.343:
In mensa loquitor,site rogaverit alter:
M ulta loqui puero turpe viroque bono.
L ksp.111,3, 9:9:
Ter tuen,daer ghivremdesi
jt,So sprectlutteltalretijt.
Spieg.d.Jong.353:
Over tafelen brenct niet voortLanghe prologhe,hetwarevschande.
495 De zïn ïd.
- nWanneer men iemand berispt ofhem iets
verwijt, dan schi
jnt het mi
j verstandig toe,datmen ereen enkel
vriendeli
jk woord aan toevoegt.''En z0p ntaatïs een Tan dePrp-
verbia onder de Sdsf4lfïl: %an
P ub1.sy rus30:Obiurgationisemyerblanditiaealiquidadmisce.
A b ae1a rd.ad Astralab. f. de M orlbus 259:
Quo plusprofciat,tua sitcorreptio blanda:
Aspera perversos non capit, immo movet.
497 Facetus 81:
Obliquo nullum debescorrodere dente
Et ltvoris acu nunquam tu punge latente.
L ev itic. XIX, 13: Non facies calumniam proximo tuo.
L ksp.111,471:
Scuut altoes achtersprake; W ant dat es die quaetste wrake
Entie scandelecste,waerlike,Diemen doet op edrike.
505 R einaertlI,4853:
M en se1 den dach te seer niet Loven noch laken, eer men siet
Dat hiten avont is ghecomen.
ReinardusV u1pes(Mone)11,596:
Vespere laudari debet amoena dies.
A 1b ert.S tad en sis Troilus II, 120:
Laudamus tandem sole cadente diem.
88
G aufridu s in Poetria c.30:
A casu describe diem,non solisab ortu.
A baelard.ad Astralab.f.de M oribus 37:
Occasum sapiens,stultus considerat ortum :
Finis quoque rei cantica laudis habet.
E rasm us Adag.1,vll,5:Nescis quid serus vespervehat;*--:Ih voorden wp# Tek andereplaatnen z#p pgeger- in m#nen
Erasmus bl. :55- :59.
506 A 1s m en nem m erscouwen m ach,d.i.salsmen
hem niet meer zien kan'',aln dedag ppprl-'ih en de@,p< ï#
ingetrk .
50T Cato Dist.lV,:5:
Laudaris quodcunque palam, quodcunque probaris,
Hoc vide, ne rursum levitatis crimine damnes.
511 Facetus 8::
Siquem praecellas super probitatis honore,
Ne iactes, quia laus proprio sordescit in ore.
P rov.Sa1om.XXVII, ::Laudet te alienus,etnon os tuum ;
extranecs, et non labia tua.
FacetusGoianns61 (Avianus XIV,17):
N olo velis rerum quicquam laudare tuarum,
Ni sint al/rius ore probata prius.
F ac etu s Parisiensis 13:
Alterius laudes moderate dicere laudo,
Sed proprias nemo, si sapit, ipse refert.
M ich.V erin.ll4(opgen.onderOweniDist.Eth.p.l15.n.83):
De te alii narrent; proprio sordescit in ore
Gloria: si taceas, plus tibi laudis erit.
Idem :81 (opgenomen onder Oweni Dist.Eth.p.l18.n. :5):
Omnibus invisa est stolidae iactantia mentis;
Dum de te loqueris,gloria nulla tua est.
B ucN ler 16l:
Sordescit propriis lans quaelibet edita labris:
Sola,peregrino quae venit ore,placet.
çel: Sis virtute licet multis praestantior unus,
Non tamen illius te meminisse decet.
çel: Sibene quid facias,ne te laudaveris ipse:
0s te fac verum praedicet alterius.
L k sp. 111, 3, :53 :
Is u ere of doghet gheschiet, Dat en suldi voort segghen niet;
W ant 1of in eyghenen mont W art onsuver talre stont.
89
D iet. D o ctr. 1I, :425 :
Diehem seluen pri
jstdats een sot,Wanttfolcmaectermetsijnspot.
Lofende prijsin eyghenen montWortonstinert(.
?)talre stont.
waar -> onsuuerz@lmoeten ldzel cenaln ïp L ksp.t.a.pl.
515 SenecadeBenef.II,l1,2:Quideditbenefcium,taceat;
narret, qui accepit.
Zede1essen l59 (overgenomen uitSp.Hist.1,vIII,46,31):
Die waeldoen,swighen saen; Laet hem seggken,die hevet ontfaen.
51T P acetus 113:
Non extollaris, sisorstibiprospera cedat.
Jesus Sirach X1,4:In vestitu ne glorieris, nec in die honoris tui extollaris.
F a cetu s Gothanus 62 (Avianus XV,15):
Siquadam virtute nites,ne despice quemquam.
F acetus Parisiensis 17:
Ut placeatcunctis,nullum decetesse superbum :
Quisiciniatur,deseritomne bonum.
B 1occius Praecepta formand.pueror.moribus perut. 255:
Doctus ubievasti,ne cristas tollito in altum,
Sed te submittas hoc magis atque magis.
Parab.e.Leren (Vaderl.Mus.1l,l79)91:
Eest dat u 1of ende ere ghesciet, Dan suldi ane u trecken niet,
Noch metworden noch metwille;DanctGodeende swijch stille,
Ghevet hem te male den lof, Ende verhoeverdet u niet daer of.
V an der Zie1e.v.d.L ich. (Blomm.Tbeoph.enz.4l):13:
ln die Scrifture es gheschreven:Dien meestgratien esghegheven,
Es meest ghebonden in dit leven, Hem te houden sonder sneven.
Waarnch#nl#k Yprdfhier gedoeld &
L uc. Xl1. 48: Omni autem cui multum datum estjmultum
quaeretur ab eo.
520 Eist co11ste,eist ionste, eist ander g oet.
Dçt48een ser:met-f4&Ir#- - ook Y:lslagri
jm genoemh d.ï.
waarin Ypprp s binnen den regelrqmen :,:scI# p.853:
H i slaet, hi vlaet, hi conquereert.
Zoodanzge Terzen pïp#f m en sïef zeer w::I in de M nl.ge#ïcAfep.
Ziehor e- in M aer1an ts Alex.VIII,984:
W at sa1 di tgoet, dat emmer doet Becommert wesen dinen m oet?
en H eim 1. d. H eim 1. 119 :
W e1ghehaerd en wel ghebaerd Ende welghescepen neder waert.
90
Menégvuldçger wïs#f men ze ù; de Af##eleevwdc/le Latqnsche
dïcàferd; zooaln:
Vita brevis,velut umbra levis,sic annihilatur,
Sic vadit, subitoqce cadit,dum stare putatur.
en: Ludens taxillis,bene respice quid sit in illis:
Spes tua,res tua,sors tua,mors tua pendet in illis.
Zie0pà den WàyfA-v: opgegeven h# p.811:
521 Cato Dist.II,15:
Litis praeteritae noli maledicta referre:
Post inimicitias iram meminisse malorum est.
waar kfCommentum dezeV ersus 1eoniniopgeeft.
Quisquesitoblitus litisiam factusamicus:
Nam memor irarum m alus est homo praeteritarum.
F acetus 85:
Nec moveas iram post tempora longa latentem.
B uch1er l50:
N on refricanda vetus,modo sit bene sana,cicatrix,
Et super antiqua lite tacere bonum est.
L k sp. 111, 3, 1143:
klse veete of discoort'versoent es,En sal niement vermanen des
In arghe,in gheenre wisen,W ant die veete mochte weder risen.
523 D ie w eld aet, die m en heuetghedaen,d.ï.
die een ander aan ons gedaan heeft. H et ï.
s daarom sïdf noodig te
lezen:dieonsis ghedaen ofdiem en heuet ontfaen,
ofncltoon daardoor dezfs wel4v;
'&I#k:r z#n zov.- MetdePA
m erking p@s onzen A prclfdf Dtemt psdreds:
A ntho1.Lat.(Meyer)938,32:
Labitur ex animo benefactum, iniuria durat.
Publi1.SyrusProv.(interSent.)84:
Re vera memoria benefciorum fragilis est,iniuriarum tenax.
D iet. D o ctr. II, :300:
Goetdoens es ierst vergheten Ende args doens men nien verghet.
527 onder de Breves Sent. Catonis stond weleer (Yclr nw
ïdf: anderngelezen -pr#f)Foro tepara.En Ape men dievlppr&s
opvatte,hl#kfu2tdeïpfdrlïsdcïr:TerklaringïsCatoM oralissim.:
Impedit omne forum defectus denariorum.
welk pdrd ook #*pl#:n Mmrdtin de P rov.C om m .729 en & 4r
T u n niciu s M onost. c. German. interpret. 1078, aldus ï: p>
g- erkt.
Sunder gelt is quaet to marckede gaen.
Re sine diëcile est mercatum vadere pisces.
91
Hetspprdchriffontle-deonzeSprllfdfw-rnch#nlqk Wf
:3acetus 87:
In proprie speres,fora dum petis,era crumene:
Fallitur ad fora spes,dum burse suntaliene.
B ucN1er 19l:
Si vis mercari,propriae confde crumenae;
Aeris quantum in ea, tanta futura Edes.
Institor egrediens,loculis confsus alius,
M ercibus absque domum saepe redire solet.
L k sp. 111, 3, :3l:
Die op anders beloftiet Ter merct om te copene yet,
M oet dicke keren onghecocht:Dits dicke ter waerheit ghebrocht.
531 Facetus91:
Ultra quam vestis non extendas tua crura,
Nec nimis expendas,si vivere vis sine cura.
B uchler 198:
Frigora ne laedant,ultra tua stragula nunquam
Crura manusve velis exseruisse tuas.
Sisumytuscensumyreditusque impendia vincant
Laetltiam luctus vi
taque claudet inops.
M n 1. D ist.C ato n is lV, 33:
Hi
jssotdievorder hem wille strecken
Dan sine cleedre hem moghen recken.
noorYelk denkbeev f'
w deLatijnscbeDistichageen#Ix f#tepl&s>.
535 Facetus 57:
In propriis rebus laus est si largus haberis;
Dedecus,alterius res large dando,mereris.
S en ec a de Clementia 1, :0, 3 :N on est magni animi, qui de
alieno liberalis est, sed ille,qui, quod alteri donat, sibi detrahit.
D iet. D octr. II, 2855:
Ende ouer vreemt goet, wats ghesciet,En salmen melde wesen niet,
Maerouerons selfsgoetselen wiMeldesijn metherten vri.
537 Prov.0om m.116:
Wtvremderhuytsnijtmen breederiemen.
Scindo corrigias ex pelle tua mihi latas.
Ecumf
rae
srt
mur
ua
spud
Ada
:sDnon
e aabs
1iie
nle
oh
1ui
ucd is co ri0.
Cir
ng.
ostrI
a1:
tlum:,v88
ulgu
mi
proverbium :
E x a1ieno tergore 1atasecari1ora.B# vl:lk adaglum
ïs m#n Y6rk over Erasmusp.75 e.v.een grppf40fcIparallelle
ylclfd- ï# opgegeven, Yccrïs m eest wcs leer,dooh fp 8ommige::k
Tan huid PJruggenproken Ypr4fjen éfflaatnteï#jwatAïer side
geno- d Yprdf,zoodatpï:faan zijde(soie)tedenken fd.- <@f
92
door nlz- M oralhtw&*& #:s wordt,ïd Ln deF ecunda E atis
1, 27l voorge8chreren; daar fpcA staat:
Corrigias excide alieno in tergore largas.
539 Prov.Salom.lV,14:Ne delecterisin semitis impiorum,nec tibi placeat malorum via.
F lo re tu s 99:
Quibeuevultagere,viliaque(1.quivilia)facta cavere,
Pravorum fugere debet consortia vere:
Si sanctos sequeris, sanctus sic eëcieris,
Sed perverteris,siperversos comiteris.
B u ch 1er 30::
Te quibus adiungas,etiam atque etiam circumspice,turpi
Crimina ne damno sint aliena tibi.
Tel: Nemo malis iunxit se impune sodalibus unquam.
Turpe sodalitium maximi origo mali.
Tel: Surgit origo mali de turpi saepe sodali.
543 #acetus 61:
Duc tibi comparem (l.comparium)morum sponsamque VenuBtam,
Sicum pace velis vitam dedqcere iustam.
O vid.H eroid.IX,3::
Siqua voles apte nubere,nube pari.
J esu s S irach XIII! 20: Omnis caro ad similem sibi coniungatur et omnis homo simlli sui sociabitur.
B uc h le r 181:
Ducere tranquillum si vis sine litibus aevum,
(Nicoelebs tibi sit vita probata magis)
Consortem tibi iunge tori, generlsque probati
M oribus excultam, divitiisque parem .
364 : Duc non dissimilem sponsam virtute venustam ,
Si cum pace velis vitam traducere iustam.
L ksp.111,4, 327:
Wilditrecken tehuwelike,Soenemten wi
jfu ghelike.
D iet. D o ctr- II, 1855:
A1sden man lustdathihuwet,Endewettelec een wàjftruwet.
Soe sa1 hi - hebben ene maghet Die gheseed es ende behoedt,Ende onder die goede op gheuoedt.
547 >aacetus 58:
Luxus opum,proles generosa, scientia, forma
Bis duo sunt, quibus extollit se quis sine norma.
V etu s d istich o n :
Quattuorextollunthominem faciuntquesuperbum :
Forma, genus, probitas, magnus acervus opum.
93
B uch1er ::5:
Quattuorhaecanimosfastu mortalibusimplent:
Nobilitas generis, magnus acervus opum ,
Denique multarum perfecta scientia rerum,
Formaque, quae grato membra colore notet.
L k sp.111. 4, 331:
In vier dinghen, alsmen zeeght, Hem die mensche tehefenepleeght:
In gheboerte endein ri
jcheit,In wive (?)ende oec in scoenheit.
Maerwi
jsheiten ghebiedtnietIn desen te verhefene iet.
Spieg.d.J ong.205:
En wilt niet draghen hoghen moet
Op schoonheyt,ri
jcheitofstercheytmede,
Sizi
jn ghereyst,sijtdes welvroet,
Die hier besaten borch ende stede.
551 De pnspI4p:n& rqmwoorden doen en toe- waarin
- fpcA geen #epprlppJ& anonance zien mag - bewnzen dat
Aï> ietn Alyerf; doch A0: ditkan hernteld Snprp sjweet fk néet
& te geven.En de ldzïsg ran hetAuden.Fragm.(37- 38)Y#kf
zoo rerre< ,datdaaruit#e:s heilkan geyvfworden.
552- 557 (bi
jK aus1er550- 560).InhetnummerenA z:r
Terzen had de W fgepdr zïcA vergist,Yccrpper A#-in z#'
ne2Jsteekeningen (Denkm. 111,341) zegt: jyDurch ein Verseben ist in
unsrem Abdrucke 560 statt 555 u.s.f.gezëhlt worden, so dass am
Schlusse fiinf Verse weiter herauskommen, als kirklich vorhanden
sind-'' H et dyredkf Tan z6l
J, datdezeJplfïeeetelling - edf rerbetrd worden.
553 >'acetus 59:
Si nihil ex istis te cognoscis decorare
Non te magniâces ne pro stulto teneare.
556 F acetus 46:
Usque tuis facias vicinis tu quod ameris:
Sic tibi mane bono,dum queris habere, frueris.
Cognatus(interErasmiAdagia ed.Grynaeo p.l27:):
Vulgare proverbium est apud Juris interpretes:
Cui bonus non est,autmalus est vicinus,infelix contingit maue.
met s0# een achttal parallelleplaat8en #pprmq aangehaald &
Bebel'sProv.Germanicap.227,waarbn sp# tepp:#:p %'
n.
Jac.B enevent.c. 12:
Dilige vicinos ut sis dilectus ab ipsis:
Vicino melius ni1 credo fore bono.
L k sp. 111, 4, 293 :
H outin allen uren Te vriende uwe gheburen;
W ant willen sire hem toe keren, Si moghen u eren eude onteren.
94
D iet.D octr.II,917:
Ende scuwetaltoesghebuerenquaet.Diefransoi
jsseeght,datverstaet:
Chçun ki a malwodys A dpuenf malmatyn.
Dats:wies ghebueren si
jn quaet,Heeftdicke quadedagheraet.
verw erre nietdin e geb ure d.i.pbreng uwe buren niet
in Leroering. zet ze niet tegen elkaar op'';%'
n welke lefeekelï: dit
#ezegd Ypr#fTan & nquade tonghe'' ïp D iet.D o ctr. II, 7:6 :
Siverwerretoude enjonghey
Man endewijt kind endevader,Endedaertoedieghemeintealgader.
Doc/l -#Imen :# zulk pzdfpkep zelf ùifes nchothl#ff,ï: voor
dezeplccf:zeer @csse- I#àde4ppr K ausler noorgenlagen I:zfsg
vererre d.ï. maak niet dat uwe buren op u vertoornd worden.
Zoo verklaart K i1iaan 705 vererren door:iratum reddere.
561 Pacetus 83:
H ospitibus letum debes ostendere vultum,
Vultus enim dandi multum duplicat tibi cultum.
Toor Yelkep laatnten regel-:Izalf8 lezen z#>.
-
Vultus enim letus dandi duplicat tibi cultum.
565 carm en dePaulino et Polla P.393:
Jocundus vultus magis invitantis amici.
Quam cibusappositus,nosrecreare solet;
M ultiplici sit mensa licet dape splendida, vultu
Deâèiente bono gratia tota perit.
A n t.H u sem an n 49 :
Kometdy ein fromet Gast,GiJ eme frolicken wat du hast,
Gebuth eme dynen willigen moet,Is he from, he nimptdatvorgoet.
568 FacetusRothanus 7 (Fabulae AesopiaeX11,3):
In tenui mensa satis est immensa voluntas:
Nobilitat viles mens generosa dapes.
L k sp. 111, 4, 459:
W aertdat u vrient over R quame A1st u niet en ware ghename,
Nochtan toent hem goet ghelaet Ende doet hem ere na sinen staet,
Na dien dat ghi vermoghet dat.
5T0 >'acetus 18:
Si dare vis placide,daudo tua munera ride;
Si des plorando,perdis tua munera dando.
J es. S irach XXXV, 11: ln omnidatohilarem fac vultum tuum.
11 E pist.a(1 C orinth.IX,7:Hilarem enim datorem diligit
Deus.Vgl.Schulze,die Bibl.Sprichw.n.:70.
D ist1chon vetusexCodicesec.XIV(MoneAnz.1835,S.363):
Da facie laeta, cum laetitia faciei
Nidederis,perdis rem meritumque rei.
95
R einardus V ulpes (Mone) 111,l553:
Largum laeta decet facies, et lingua suavis,
Ne rear iratum dona dedisse mihi.
P ecu n d a R atis 1, 423 :
Diligit omnipotens hilarem Deus ipse datorem,
M ich.V erinus 206(opgenom.onderOweniDist.p.11:,n.47,1:
M unera des laetus; corrumpunt taedia donum :
ln quo censendum est quid,nisi dantis amor?
B uch1er :l6:
Quod daturinvite munus,sibinomen habere
M uneris indignum,quod mereatur,erit.
B rant Narrensch.96, 11:
Dann wer miteren schencken wellDerlach,vnd syg eyn guotgesell....
Dan Gott sicht ouch des gab nitan Dernitmitfreûden schencken kan.
575 Facetus 88:
Est tibi summus honor cito solvere; solve libenter,
Si mihi credis, emes, vendes, vivesque decenter.
F 1oretus 77:
Debita solve cito, ne damnum detur amico.
Si cito non solvis, te sponte crimine volvis.
Solvere si tardas,feritibigrata retardas.
B u ch 1er :86:
Hosges utapposito potuqueciboquereplesti
Vlscera, quam solvas, non decet ire prius.
579 Vetusproverbium :
Creditor huic praestat,qui solvere debita curat.
589 F acetus 64:
In quamcunque tibi non notam veneris edem,
M unda superfcies terre donet tibi sedem.
Ret opzlïper: r#m steden-nedervervalh ïldïesdel
ezingTan
het Auden.Ils.stede- m ede wordt aangenomen.
591 F acetus68:
Siquis dignetur oferre ciphum tibi,lete
Accipias,modice bibas,reddasque facete.
B u ch ler 260:
Te si quando scyphi quisquam dignetur honore,
Accipe, sed modice, quod latet, inde bibe.
Mox reddaturovans(p
.)primo tibicontigitunde,
Addantur grates, crureque ;at honos.
592 D en ap.Deze Idzïsg wordtïs 'fM n1.W db.1,434
gehandhaafd onderpdr-#zïsg naarD eV ries'aanteek.& Hoofts
96
W arenar bl. 90, waar aangeœezen wordt datde Yegllffsg der n
ïp den > .p@p# van meer andere woorden heeft'l
x fdgehqd.0pk
dflcf Tol
genn dat < e ., Ln den Del
ftnchen #,11van 1477bn
Jerem ias XXV, 15: Neem den ap wi
jns,waar delateremdrtalçngen beker geven.- Dooh ïk zow-# ueverYfIIepvereenigenmet
het w:r-pe&. çan K aus1er (Denkm.111,341), datden toewJll# Mer dcA#sftez#p Wtgcallen;spprclook omdatA:fK8.ïp
p.599 ,r# duidelqk nap geeft.
595 Facetus 69:
Pauper et indignus si sis, efundito totnm
Etvacuum tp reide cipbum prius undique lotum.
L ksp.111,4, 32l:
Alse enen groeten here gkeniedt Dat hi u sinen nap biedt,
Soedrincth.oefschelec endeghietdatDaerin blijftineenandervat,
Ende spuelt den nap al onghelet Eer ghine weder vore hem zet.
601 Facetus l20:
Sittua munda domus,etin ipsa quicquid habetur;
Dens,manus,os,oculus,nares tibi mane laventur.
B uchler 87:
Facsint,quashabitas.sempersine sordibus,aedes;
0s,ocull,dentes, mane laventnr aqua.
605 N e d w ach n ie t h o g h er dan. De le#pelfs# van
## Toor8chrift kan niet -eIandernz#sjdan:nNeem geen hoogeren rang in bij hethanden wasschen,dring u daarbijnietnaar
voren.'' Dock YellïcAf dat rppr h o g h er v pef gelezen Ypr#en
1angher;waqrdoor aps bedoeld Ypr#es. jjMaak,datgijmethet
poetsen even spoedig gereed zi
jta1suw makker.''Gedeeltelqk >.
men dan Afer terugvinden -cf noorgenehreven ï: çn
Ph &gifa cetu s 60:
Non sit opus longo multumque morante lavacro.
607 Facetus 56:
Qua tergerisnon veste manussiccato madentes,
Nec mappa tergas dentes oculosque quentes.
waar eopr tergeris moetgelezen Ypr#ep:tegeris.
B u ch 1er 204:
Immundos nitidae ne mucos illine vesti,
Nec sicca impuras hac madidasve manus:
N eve oculi quxum mensae superaddita mappa
Sistat, nec dentes tergeat illa tuos.
611 # acetu s 95:
Si te forte domus aliena vocavit ad escas,
Donec preceperit mense loca nulla capescas.
waar kfmetrum vrdertf:lezen:precepitofprecipitur.
97
; uange1.L ucae XIV,8: Cum invitatus fceris ad nuptias.
non discumbas in primo loco, ne forte honoratior te sitinvitatusab
illo, et veniens is quite etillum vocavit,dicattibi: PDa huic
locum''ettunc incipias cum rubore novissimum locum tenere.
617 Eetnsziwdr: r#m neder- stedeïdin 'fAuden.Hs.
eçen Jld çroeger (v.589) nerbeterd &0r m ede- stede. O ngheheeten zal Afer welv efep beteekenen :pzonder dat de
voor iederen gast bestemde zitplaats is aangewezen'';%'
mmern zpu de
àdfedkepïd nan ongenoodigd nolkomen in dfr#: z#n metcum voca-
tus fueris zn:
E uan ge1. L ucae XIV, 10: Sed cum vocatus fueris,vade,
recumbe in novissimo loco: ut, cum venerit qui te invitavit, dicat
tibi: jjAmice, ascende superius.''Tunc erit tibigloria coram simul
discumbentibus.
B uchler 133:
Sitibivis contingat honos,loca prima sedendi
Sponte tua nunquam sume,coactus adi.
R hyth m us vulgaris:
Tu capias imas sedes,aliis dato primas,
Sic citius prima donabere ductus ab ima.
Spieg.d.Jong. 383:
Ms ghitegastesi
jtghebeden,
Daer goet gheselschap is versaemt,
En wilt niet klesen die hoochste stede,
Ghi mocht daer worden in beschaemt.
Die weert mocht segghen ongheblaemt:
1Staet op, ghi moecht v van hier saten,
Hier moet een sitten diet bat betaemtI''
Dan moet ghi die stede met scande laten.
621 Prov. salom. XXV, 7: Melius est enim utdicatur
tibi: nAscende huc'',quam ut humilieris.
625 Facetus97:
Si videas opus esse,cibns succurre parando:
Sinecesse foretymense famulabere stando.
vaar odllïckf beter z:. g6l6zen eprdep:
Sique necesse foret mense,famulare secando.
Z33 @lfà4> luzdth6tepprdcArf/fdat#:#:,d> wordtApr
PNagifacetus 92:
Post Cererem quecunque volunt allata secari,
Obsequium prestabis idem.
uit Y:lk: woorden men zïef wat hier metg hereden bedoeld
Y:r#f t.w. gereed maken 0- gebruikt te kulsep worden; #ld:
ontleden,voorsnijden.
98
685 Facetus98:
Simaior tecum comedens pntaverit,esce
Non appone manus, sed ei mantile tenesce.
Indien psze diohter hetglxdc/l:voorsohrift,cp Facetusheeft
*ïlIes Tertolken,dan zal dat diennen Mer de ùefeek4pï:moeten
hebben van pbehulpzaam zijn in hetgebrnik zijnerservet''.En #@f
voor8ohrlftgeeftppk
P h ag ifac etu s 258:
@ . . . . . . . Sed.quid ? cum pocula sumpta
Libat herus,perstabis edens sicut prius? Absit.
Summis namque tibi digitis mantile levandum
Inque sinqm domini iuncta ratione trahendum.
686 Eetppzvfsere r#m drinct-twinto lfcAfte4wî:l.
Zie e.9s1 cen @I# ghinct-dinc in c.- El. 956.
63T Facetus 1:l:
Noliculpare dapes, quas sumere speras)
Si quis prepnnat cnram te,nilsibiqueras.
B uchler 135:
Hosyitisadiunctusmensaedum fercula sumis,
Nl1tibidispliceat,sit modo velle bonum.
689 F acetus 11l:
In potum suëare tuum nolito cibumque,
Ne sputo maculare tqo videads utrumque.
P hagifacetu s 148:
Sunt,quiVolcano nondum dimissasequente(cnquente?)
Fercula degeneri perturbant turpiter ore
Aeoleosque cient,Satyri miracula,folles,
Indomiti perferre moram, que fercula parvo
Temperet articulo.Sed tu,quncunquelocorum
Veneris,infamem fuge consuetudinls usum.
641 Facetusk::
Sicque(l.Sique)ciphqm capiaB,utraque manu O pia: tu,
Et per utrumque latus, non per ripam, teneas tu.
Hetzelfde'oprdcArïffgeeftSebaldus H eyden in z#- Paedonomia Scholastica (Norimb. 1546)94:4 sq.,dooh daar yeldfhet
lïef den mede aanzittenden /pn#:lïl#,maar den puermlnistrans
convivantibus.Hettlppr.
schrl
yflul'
dfdaar cI4u.
::Alicuiporrecturus
poculum,ipsum medium,aut paulo inferius,trium digitorum extremis
articulis teneat.- Non summas poculi oras,quae labiis admoveri
solent,digitisattrectare,auttotamanu?morelaniorum esitia(insicia?)
intestinis infarcientium,complecti,nimisrusticum est.
99
645 die esgheseten te direscote1e.Zulk een heet
conscutellio kn Phagifacetus v.64,of ppk weldiscipateraeque sodalis ibid. v.304. - M en lette 0, hetgeùrufk van 4ïe
tqden.Zf8de4ppr JonckbloetaangehaaldedcAr#tlerdop Walewein
l152. F#l.nog Xiwe Doctrin.1323.
647 M en pleghetnochtan.0p Yelk:indpm-fg:plaat#:p heernohende geoppsf: de A prclfdf hl
'
:r gedoeld A::J/,%.
s sfef
duidelqk;ppk hetAuden.Hs.geeftgeen &A4I&rfn#,ofnohoondat
beterer#>Yp
- pr4:p heeft.
649 Phagifacetus 154:
ldem, sicasu positos iniurïa potus
Attigit,inque ciphos aliquid,quod pocula tnrbet,
Veneritjut iaciant,ventis utuntur eisdem.
H0c tu ve1calamo ve1mundifragmine panis
Eicis.
651 dattuut d.f. dat du't, enenaln fp den w:I#4s44s
regeldan (
1uut d.f.dan du't.B6 4fflaatute f:datweggelaten eAf4r dan,evenaln 779 en 871.Ditgeùrvïkwordtvffrperfg
benproken e pr Franck,Aant.e Maerl.Alexander b1.404.
653 F acetus l10:
Dum comedis,manus incedat mense tua soli;
Aut caput, aut aliud membrum tibi scalpere noli.
P 11ag ifacetus 126:
Sed neque sulcandis manus est prestanda capillis
Nec intromittenda sinum, quam colluit ante
Hac ratione Thetis, ne sordida deroget escis.
655 Facetus 52:
Dum cibus extat in ore tuo potare caveto:
In vasis ofare decet non ore repleto.
P h ag ifa ce tu s 345:
Nulla tamen,nisicum vacuo pausaverit ore,
Pocula prebebis,sed enim tibiprebita sumes.
Nec tamen invades,douec quod adhuc teris ore,
Traicias ventri.
L ksp.111,4,311:
En drinctoec niet die stont Dat ghibroet hebtinden mont.
In den nap oec, des bedinct, Daer een ander met u uut drinct,
En soptniet;wantsi
jdsghewesDatdatonhoefscheites.
65T So drinc,no suup.DeI:zfp# nan 4ïflaatnteYdnr:
ï: wele:pfgdzï- vreemd,fdnz# men supen opvatteïn de è:f6:-
100
kenh ,@n slurpen. Nog ereee er ï# & kzçng ,@p het Audeu.
Fragm. spuwe. Waarnohqnlqk moet gdlezep worden n o sop,
even @l# in de @@s#4 @@l& plaatn %an L ksp.diepeere6pdfe-fmet
B uch ler*26l:
Atquecibusmansusc/athum labaturin ipsum,
Etpotus âat pingnlsut ofa,cave.
659 F acetus 11:
M ensa tibi cubitum nunquam sustentet edenti,
Sed recte sedeas;tecum servito sedenti.
B uchler 188:
Mensa
9 tibicubitum nunquam sustentet edenti:
Appositos recto corpore sume cibos.
De quibus ut tribuas aliisjqui forte verentur
Sumere sponte,domisis memor usque tuae.
663 # acetus63:
Magnati vultu debes assurgere leto,
Nec couiunctus ei,nisi iusseritipse,sedeto.
667 Facetus6::
Si tibicontigerit te cum meliore sederej
Versus eum nolito genu sub crure tenere.
6T1 F aeetus 65:
Cum pare instanti, Bi vis, potes ire licenter;
Quod te precedat tamen hunc permitte libenter.
F0e instanti.dat i ef tewdrdflgp ï:jm oetYellïcAfgelezenYprdest
tu lustrans.Fppr hinc1 in den fYee#- regeltedcAr#penhuic.0ok golfde eer8teregel cI#.: kunnen gedcAreeep wordent
Cum pare lustranti, si vis, licet ire lubenter.
675 F acetus 66:
Sitibicontingatutcum meliorevarerisy
Post pergas,donec latu: eius adire luberis.
6T9 Pacetus 16:
Cum quocunque tibiprope ve1procul accidat ire,
Nomen et esse suum,quo,quis sit,et unde,require.
683 #acetus75:
Cum quocunque placet peregre tibi ducere gressus,
Si potes,hos teneas, quos es pro posse professus.
68T .
'
Pacetus 76:
Cum tibisitpare ve1pergas meliore perege,
Quo; velitipse,velis;tibisiccapietnihllegre.
vqar z@Imoeten #4kz4> worden: Si tibicum pare.
101
C icero p. Plancio :, 5: Vetus est 1ex illa iustae veraeque
amicitiae ut amici semperidem velint.
Sa11ust. Catil. :0: Idem velle atque idem nolle,ea demum
frma amicitia est.
L ksp.II,79:
Wesden enen doncketgoetDatprijstdieanderin sinen moet:
W es deen den anderen nieten gan Dairenwildieanderoicknietan.
Si en hebben nymmermeer geschil:W es deen begheert danderwil.
F acetqs Parisiensis 4:7:
Diligitet spernit socius bonus omne qund alter:
Unum velle duosJungitetunus amor.
693 Pacetus 67:
Siperegre pergas,nunquam te iunge duobus:
Disparibus currus nunquam trahitur bene bobus.
698 clerc die vaert teParijsw aert,d.t wanneer
## al8 dfvdepf naar Pcr#: reht Ter scolen om clergie leren,
zooaln fp Lksp.111,l0,65 gezegd Ypr#fjd.C om fpfgee8telijke
f: worden pzgeW #.
699 Facetus13,
Siperegre pergas,semper de nocte quieecas:
Surgas mane: sed hospitium de luce capescas.
T03 laacetus 78:
Cum pare si debes 7el cum meliore iacere,
In qua parte thori velit ipse quiocere quere.
B uch1er 9::
Sede torove, minor si sisy qsurus iisdem
Cum quoqqam,loca eiprima tenenda dabis.
T0T Pacetus 89:
Siqua velis emere,taxabis emenda modeste,
Necmagis aqtminusiures(?)instabishoneste.
T11 #acetus 84:
Nocte dieque mane cubiturus vespere laudes,
Hospitibusqne tuis, dum discedis,dato laudes.
De :erdf: regelt &e deerl#k eerAceel# ï8,wordtf> deGlosula
aldus verklaard: Tu debes ad minus ter in die reddere laudes
deo ; sc. quando surgis a somno, quando surgis a mensa et quando
vadis ad lectum. W ellicht dat er #l# moet gelezen Yprdes t
M ane dieque deum cubiturus vespere laudes.
102
T13 Facetus 8::
Irritare canem nnlidormire volentem.
y zeAprclïdfgaf z#p çprsehriltnaar aanlezding der #rï:eernte
Yppr#dz,,welkeA# in :#6ll#k:lzçnp'elffe.Facetusçntunnchen
had ïAl overdraohtel#ken zin gderoàdpJn<ïIgeen Dlapende A0nden wakker maken,d.ï., 1geenpl#:vqandnehap Yedertererlke
brengen,#e4p oudeàoels l%
'tde:I00fhalenb';I'
mmer8 A# lieter
& volgen. Nec moveas iram post tempora longa latentem.
715 F1oretus 68:
Esto paciâcus etpacis semper amicus:
Cum cunctispacem teneris(?)haberetenacem.
W ellohtte lezen:tentabis.
T17 B uchler:96:
vel.:
Siservire velis,humilis sis atque âdelis,
Providus et comptus, patiens et ad omnia promptus.
Siquem nactus herum es,famulare fdeliter,eius
De fama loquitor semper honoriâce.
Hoc quod habet serves, nulli sua facta reveles,
Demissoque illicorde placere stude.
T23 B loccius Praec.formand.pueror.morib.perut.3:3:
Si curanda negocia sint, ne haereto platea
In vicove, aut haec praecipitanter agas.
725 Jes.Sir.XXX,:7:In omnibusoperibustuisestovelox.
T3T Facetus7:
Quando deo servis,utrumquegenu sibiqecte,
At homini solum,reliquum teneas tibirecte.
B u ch ler 294:
Sifamulare Deo,poplitem cnrvabis utrumque,
Sin homini,iexo sat facis alterutro.
Tel: Cultus ubique genu Superis praestatur utroque,
Terricolis uno summus habetur honos.
L k sp.111, 4, 85:
Gode,uwen sceppre,dien Suldidienen op beide u knien,
Ende den mensche mar op een.
T43 Facetus 116:
In te si domina dominusve tuus moveatur,
Dum cadit ira, nibil in eo tua lingua loquatur.
103
L k sp. 111, 4, 4:5 :
Alse ghiiemene siet ghestoert,S0e en andwerd hem nieteenwoert,
M aer beid, alse die vroedepleghen,Totdattiegramscapesgheleghen.
T unnic.Carm.eleg.de honesta vita :17:
Cum domino fueris reprehensus sive magistro,
Irasci noli,sed pia verba refer.
T49 Reeds Pythagorasgaf4ffToorngrift.rpfzqne% w
à:I@ behoort:'ExTèç uunhov14pxtllsv.zïeErasm.Adag.
1, Ij l:Extra publicam viam ne deoectas.
751 1aet houden wech niet d.t verlaatden ouden,
den . bekenden Y:# nietwppr eenen sï4vmds; vp auentuere
ofd im essciet,d.t pp rïdfcp datv kwaadpseràp-f.Zoozegt
A 1anusParab.c.1,13 (ap.Leyser.1065):
Saepe viatorem nova,non vetus,orbita fallit.
753 Saluta libenter behoort pp#er de ppprdcArfffes, d2eJId
BrevesSententiaeaanhetAp:/4vandeDistichaCatnnisstaan.
D ie R :se :046:
Ende alse gigaet achter straten,
So hebtvan seden,wienginntmoedt,Datgineemmerirstwaerfgroedt.
L ksp.111,4, 97:
Als ghy yemene ontmoet, Ket dat ghine teerst groet,
Alware himinderdan ghizi
jt;Datsu eerli
jctalreti
jt.
T55 L ksp.111,4,117:
Ghidiejonc sijtvan daghen,Sultden ouden verdraghen,
Eren, wiken ende maken stede:Dat sa1 van rechte sl
ln u zede:
W ant wilen so was hi Sterc ende lustich alse ghi.
Jesu s Sirach VIII, 11:N on te praetereatnarratio seniorum,
ipsienim didicerunt a patribus suis.
T60 FecundaR atis1,5l1:
Vera soletcanisinterdum gannire senilis.
E rasm us Ad.1,3,8:Prospectandum vetulo latrante cane.
vaarb# ruï- 30paralklleplaatnenz#sopgegevenb1.118- 1:1)4...
P rov.C om m.16:
A1s die oude bontbast,so salmen wtsien.
Latrans annosus foris aspice, quaeso, molosus.
waar de drie sp-ïxcfïsf zn clllfïpï zullen moeten %eranderd Yprden) eseslb in :8 omwerking p@n
T u n n ic. M onost. 29 :
Suy wailto,a1s der olde hunt blecket.
Prospice rite tibi, veteri latrante molosso.
104
M innen L oep 1, 1711:
Alsghidenoudenhonthoertbassen,S0ehoertendesiettotallengassin.
T61 Levitic.XIX,3::Coram canocapiteconsurge,ethonora
personam senis.
Juvena1is XIII, 54:
Credebanthoc grande nefas et morte piandum,
Siiuvenis vetulo non assurrexerat.
C ato BreF.Sent.10:Maioricede.G ccrhetCommentum d6*&-
klarçng geeft:In etateetscientia locum da.
L ksp.111,4,l07:
Laetden betren voren gaen,Voren staen,sitten,drincken endedwaen.
770 Jesussirach xxxl,:8:splendidum inpanibusbenedicentlabia multorum,ettestimonium veritatisilliusâdele!neyuissim o in pane murmurabit civitas, et testimonium nequitlae zllius
verum est.
TT5 W antscone ta1e sone costniet.So= soed.t
z#,F#l.818 en 974.- Eetdenkbeeld dateen wrfepdel#k woord
geen geld kpdf, vzndt men ::k çn L ksp.111,l:, 87;vaar #heeren ghestade ende hoefsche tale wordt cce epplepl
Nochtan soe en costet twint.
T77 Pub1.SyrusSent.falso receptae 10::
Domi manere virum fortunatum decet,
hetgeen exd vertaling f: nan de 44:r D iogen.V11,35 opge-
#:w- : paroemia O)
'
x:l plpffp tg T)p xxzxç 'btxlmovx. w4lk:
leefregelr-#d aanbevolen Y@:door H esiod.0.etD,365:
O/x:Jpiâviov Jpzf,1r:)pu peitv T) /JJ.4Jp.
Vergelnk E rasm.Adag.IIIy1,13 en 111,9,44.
T81 De zï> ïd deze: ,,Methetgeld,datgijbuitenshuis(in
vrem der stede)verteert,zoudtgijalle uwe huisgenooten kunnen verblijden,op lekkernijtracteeren-''
T@5 Cicero in Verrem Act.Il,L.V,11,18::Tacitaemagis
et occultae inimicitiae timendae sunt,quam indictae atque apertae.
B ed a Proverb. Liber p. 301: Tecta odia peiora sunt quam
apta.(1.aperta).
A m brosius de Oëciis 111,16:Inimicus vitaripotest;amicus
non potest, si insidiari velit.
D iet.D octr.II, 2055:
Verborghen haetes vele quader Dan die openbaer es algader.
D iet. D oc tr. 111, 583:
Wantverborghen nijtesnoch alsoe swaerA1snijtdiezaen draeght
(openbaer.
105
T87 SenecaHipp.s76:
Alium silere quod voles,primus sile.
P ub1. Syrus Prov. (i
nterSent):5:Quod tacitum essevis?
nemini dixeris, quia non poteris ab alio exigere silentium, sitibi
ipse non praestas.
Liber de M orib us 16:Quod taci
tum velisesse,nemlnidixeris.
Sitibiipsi non imperasti,quomodo ab aliis silentium speras?
M uretus Instit.puerilis p.809:
Quod reticere volesalios,prioripse taceto.
D iet.D octr.II, 1135:
Een wijsman seit,datverstaet,Datwionsen heymelikenraet
In onsen herten sluten selen,Ende nieman anders beuelen.
Oft ghi v seluen niet bedwinghen En cont te heelne v dinghen,
Hoe seldidaer t0e dan Ghedwinghen enen anderen man?
H u sem ann Spruchsammlung 44:
Beholstu nicht heimlicheit by dy,De du hefstgeredet yegen my,
W atbegerstu dan tho schwygen Fanmy,Datdu nichtkanstverschwy-
Egen by dy?
Seb.H eyden,PaedonomiaScholasticaj379:Quicquidtacitum
velit, id nemini credat.Ridiculum enim est,ab aliis sllentii fdem
expectare, quam ipse tibi non praestes.
*'
T93 L iber sapientiae 1,1:Diligite iustitiam,quiiudicatis terram.
C a esaris Oratio ap.Sal1ust.Catil.5l:Omnishomines,quide
rebus dubiis consultant, ab odio? amicitia, ira atque misericordia
vacuos esse decet. Haud facile anlmus verum providet ubi illa oëciunt,neque quisquam omnium lubidini simul et usui paruit.
<:Ik8 woorden erfccld z#n dppr Seb.Brant,medegehelde pr
Zarncke, knhang z.N arrensch. p. 172J.
B u ch le r 151:
Vos quibus in populos summa est permissa potestas,
Etius ab alta sede plebidicitis,
Iustitiae memores, recti de tramite mentem
N eque lacrymae, nec ulla Qectant munera.
T95 E6n I1J&r#k gedrag/:#:.: wedwwen,Yeezep en armen
Ynr#fjofnohoon sfefin dezelfdewplgprp,den recAf:rdaanbenolen
l pr Jesus Sirach 1V, 8 e.p.:Declina pauperisine tristitia
aurem tuam ....In iudicando esto pupillis misericors ut pater, et
pro viro matriillorum.
T96 E uang.M atth.VII,1::Omniaergoquaecunquevultis
ut faciant vobis homines, et vos facite illis.
E uang. L ucae V1, 31: Et prout vultis, ut faciant vobis
homines, et vos facite illis similiter.
106
B uch1er 1:3:
Hoc praestes aliis,tibiquod praestarier ipse
Expetis; et .nulli non adamatus eris.
L ksp.111,3, 1::1:
W at ghi laet ofwat ghidoet,Altoos peinstin uwen moet,
Datghieenandren,vroechendespadeDoet,a1sghiwoutdatmen udade.
D iet.D octr.II,:435:
Doet uwen vrient vroech ende spadeAlsoe ghiwoudtdat hivdade.
T98 D euteron.XVI,19:Non accipiespersonam,necmu-
nera;quiamuneraexcaecantoculossapientum etmutantverbaiustorum.
Jesus Sirach XX,31:Xeniaetdonaexcaecantoculnsiudicum,
etquasi mutusin ore avertit correptiones eorum.
V ersus1eoninus(Neander :87):
Judicis est recti nec munere nec Prece qecti.
F loretu s 55:
Turbant saepe metus,odium,dilectio,munus
Iudicium rectum ;curestutrumque(1.utcunque)cavendum.
G a1ter. Alex. 1, 104:
Si1is incideritte iudice,dirige libram
Iudicii,nec iectat amor, nec munera palpent,
Nec moveat stabilem personae acceptio mentem ;
M uneris arguitur suscepti censor iniquus:
M unus enim a norma recti distorquet acumen
Iudicis, et tectam involvit caligine mentem.
Zçe0:kdewerfllïp; dezererz- in M aer1antsAlex.1,565- 584.
B ebe1 1l0:
Pinruia dona,odium,favorettimorexitio sunt
Iudlciis, per quae iudex corrumpitur omnis.
D iet. D octr. lI, 505:
W antdie ghiften altoes gheertEs selden gherecht,oftweert;
W antghiften den man keren W t alre doeght ende eren.
804 Buch1er *
15::
Caussa inopis,quoties coram tractaturiniquo
Iudice,quin cadat haec,est dubitare nefas.
807 Seneca de Clem.1,18,1: Servisimperaremoderate,
lausest;etin mancipio coritandum est,non quantum illu;impune
pati possit, sed quantum tlbi permittat aequi bonique natura. quae
parcere etiam captivis et pretio paratis iubet.
#acetusGothanus 11 (Pab.Aesopiae XVIII,23):
Tu qui summa potes, ne despice parva potentem :
Nam prodesse potest, si quis obesse nequit.
107
811 FloretuB57:
Quanto pluspoterisin cunctistemodereris.
Quanto maiorerismoderatioresseteneris.
B u ch 1er 26: :
Quitibisubiectostractes,quibusinsuperobsis,
Aspice:'vita brevis, sors cito praesto mala est.
R hythm usvu1garis (apud eundem):
Vir videas,quidnam iubeas,dum magnus haberis;
Respicias,quem despicias,dum laedere quaeris;
Provideas, ne forte cadas,dum stare videris:
Dat varias fortuna vias;mox ire iuberis.
N ovusA vianus 1, 16,19:
Ne quis membrorum confsus mole suorum
Parvos despiciat; plurima posse sciat.
817 Prov.Com m.388:
H eeren hulde en es gheen erue.
Gratia multorum non constans estdominorum .
T unnicius Monost.575:
Heren hulde ys nyne erue.
Gratia non multos heroum permanet annos.
G a1ter. Alex. IX, 8:
Amicitias regum non esse perennes.
welkeYdprdep M aer1antAlex.IX,20 teruggeeftApr:
Conincs hulde en es gheen erve.
820 K au s1er 8ohrqft:pNach 8l9isteinVersûbersprungen,
von dem aber bei V. d. M . auch nur die Anfangsworte D an a1
te hoeghe ûbrig geblieben sind. Beinahe möchte ich aber vermuthen, es sei in 8l9 der Anfang und der Schluss von zwei Zeilen
zusammengefallen.'' overeenkomnt# dit vermoeden,datzeer Yclrnchnnlv-'
kïd,zoudendebeideregel8Jl#vdkunnenYprddpgeredçgeerd:
H ets beterclemmen nietmetallen
Dan al te hoghe ende nedervallen.
welke gdeAf: ook #*pp#:> wordtïn M aer1ants Alex.1X,760:
Ooc es beter sonder waen Niet clemmen, danne vallen van hoghen.
P u b 1i1. S y ru s 162:
Ex celsis multo facilius casus nocet,
welke Ydnr& n E ra sm u s aldw' Terklaart: Ex alto cadentibus
periculosior est ruina. 1ta periculosius deicimur ex alta fortuna.
108
821 Pub1i1.Syrus,ProverbiainterSententiasmixta 103:
Secreto admone amicos,palam lauda.
A usoniusin VIISapientum sententiis (So1on àthen.4):
Clam coarguas propinquum,propalam laudaveris.
F acetus Parisiensis 4:9:
Cum socius peccat?saplenter corrigat alterj
Etcum delinquit,quod moneatur,amet.
Zede1essen 133 (overgenomen uitSp.Hist.IjvIII,4l,41):
Dinen vrientsoutu heimelikewisen,Ende niet(l.int)openbaerprisen.
D iet.D octr. II,:035:
A1sghiden vrientwiltcorrigeren,Endesi
jn ghebrechem blameren,
Datseldidoen soetelike,Tusschen v tween hemelike.
825 E nnius(ap.Ciceron.deAmic.17,61):
Amicus certus in re incerta cernitur.
P 1autus Epid.1j:,10:
Is est amicus, qui in re dubia re iuvat,ubi re estopus.
P rov.C om m.4:9:
In armoeden leertmen vrienden kennen.
In paupertate,quisamicusjnoscitur a te.
B eb e1 :49 :
In adversis et paupertate cognoscitur amicus.
vaar een z-er- parallelleylccfddp door-# ï:opgegeven.
S p ieg. d. J o n g. 245:
Opuwenvrientensijtniettevri,Menkentghenenvrientdanindernoot,
Staethi v dan metherten bi,So ist v vrient,ick segt v bloot.
831 Cato Dist.1,37:
Servorum ob culpam cum ie dolorurgetatl iram,
Ipse tibi moderare,tuis ut parcere possis.
Cicero Tusc.IV,36,78.(Irati)rogandiorandique sunt,ut,si
quam habent ulciscendi vim,diFerant in tempus aliud,dum defervescat ira, waar de kalme Acndelïl.y Termel
d Ypr#fTan Archytas,
qui, quum vi
llico factus esset iratlor,Quo te modo,inquit,accepissem, nisi iratusessem?ook Termeldù# Valer.Max.IV,1,Extr.1.
6n Plutarcb. de pueror.educat. c. 23.
In een Augnburger H8.te A#l4:p (sec.XIII)vond M one
(Anz.1838,S.506 n.130)ditwer:.
Vindictam difer, donec pertranseat hora,
dat klaarblnkelnk #:np>:l ï:u2tG alteriAlex.1,180,waar
wpprhorabeter dfllfira.En #ïfheeft0:k N eander269:
Cesset vindicta, donec pertranseat ira.
109
888 B uc111er l50:
Res loquitur diras cum quis fervescit ob iras.
835 Ovid.Fast.1,2l8:Pauperubique iacet.
P a1ingen.Zodiac.vitae II,305:
Quam raro egregiospaupersortitur honores!
Veteres V ersus P ro ve rb. leonini:
Nullicarus eris,sicopia defcit aeris.
Pauper ubique iacet,dum sua bursa tacet.
Si tibi defcit aes, miser es, praepinguia n0n es.
837 De Idzfp: çan het Hs. tieghen erne fd get el 0>-
verntaanbaar.Z:> vernuftzg heeftV erdam (Tijdschr.v.Ndl.T.
en Lk.Jg.VI,L1.57)te ghenerne bedacht,d.t nw broo;teverdienen (generen);zoodatdeIe#!diede Moral1
'
8fgeefq Af:rp' neerkomtt jjDoe uw Lest,om,hetzljalsgijhandeldri
jft,hetzija1sgij
een bedrijfuitoefent,iink en onverschrokken vooruwen kosttewerken, al moet gi
j erook velemoeiten en gevaren voordoorstaan-''
Hoe wplkp-dxjuhtdezew6rù6fdrïl.
g ï#,d18alleszlnnwer#f4s& Ln
&p teknt te Ypr& n opgenomen,blgkf
-- %it pl&rdckf#epeplaat8en
wcx L ksp.111, 2,85; 111, 3, 326; 111,l0,75,vaar#> ouder'
Ypr4fgeraden Avlp: kindern zJJ op te ,0:4ep
Dat si hare ambocht leren
Also dat si henzgheneren Ende winnen selve datsi verteren.
Ook -# wordtWfww.generen g6b6zig4 fl deh#s@ g6Wkl%F
* #:plaat8 van D ie R ose 9075:
Mijn raetso esgpade ende vroe,Dathem e1cknape settedaertoe,
Dathiemmereen ambochtlere,Heefthijstedoene,dathiretoekere,
Ende hem ende sine vriendinne mede Generen moege telker steede
Msesivan node sijn verladen.
840 Dit dzr-kopnrs waarran 4: beteekenh fdt ,Watmen
niet bezuurd heeft,d.t waar wppr men geen vp:ïf:gedaan A::Jf,
daar smaakt men ook het zoete niet van'',Tindtmen gI#vd* M aer1ant Alex.1,1323:
Die niet besuert,niet besoet,
alnsdrfllfsg %an & Latgnnohewdrgdp van G a1ter.Alex.1,505:
Blanditiis indignus erit,mollique potiri
Portuna,quidura pati ve1 amara recusat.
Inngelqkn Yar#f%etNederl.erdek-ppr:gevondenfp Lim borch
lI, 616 > én D ie R o se 2612 :
W ant niet en suetnieten suert.
Zie edrpr nog andere Tlclfdep, dçe &#:#:,:p z#n fn m#nen
Erasmusbl.353- 356,waar.p#zoudenkunnen5##:r:e##wordent
C arm in.P roverb. Locicommunes:04:
Dulcianon meminit(1.meruit)quinon gustavitamara.
110
A 1b.StadensisTroilus 111,l23(
deeu prergep.vanGalterus):
Blanditiis indignus erit mollique potiri
Fortuna, si quis nescit amara pati.
J an u s A n y siu s Sent. 604:
Utperfruare dulci,amari aliquid feras.
845 E cc1esiastes X,19:Pecuniae obediunt omnia.
P'
u b 1.S y ru s 458: Pecunia una regimen est rerum omnium.
œ er de manht s@l den #m pïp# hebben veledohternWf
geo:ïs op
hetwporleeld Tan H orat1us Epist.1, 6, 36:
Scilicetuxnrem cum dote:fdemque etamicos,
Etgenus,et formam,reglna Pecunia donat.
Zi6 Ok Sat. 1I, 3, 94 en P ropert. 111, l1,49.- In de
C arm ina B urana p. 43 8taat een gddïchf%an 38 regelh ïp
u - inhohe verzen:
In terra Nummus rex est hoc temporesummus.
N ummum mirantur reges, proceres venerantur. eu .
:4 4:1orergenomen e pr Bezzenb.çn z#s:Aant.p,Freidankp.438.
Bgna e,:pIcp# wovdtnser den Dencrfv: uitleweid fp hetCl- ep
d e P au1ino et Po11a (
ed.Xddl.du Mér11),p.378 sqq.
Denarius bonus est socius;quicquid petisi
lli(1.inde),
Dat tibi; denario cuncta patrare potes,enz.
Z1 Toortn P a1ingenius Zodiac. Vitae II, 3::- 331 en k f
Duifdch: gedioht R enner 13838- 67. - Over%kenq s'
pr:fT6el
Tan 't #e:s de Penning vermag, 0pk aan de M ilthelt toegekend
& 0r den dcAr#ver van derLekenspiegel111,c.23,gelnk
ook ïp M a erlan ts Alexander 1, 659 e.p.) welke pdra8p met
eençgelïfhreï#ïpg rertaaldz#>%itG a1teri Alexandreia1,155e.m
849 F ecunda R atis 999:
Spes nummisolet iratum placare ministrum,
Nobiliumque thorns ascendere trudit inertes.
855 A vianusFab.XXIX,:3:
Quibenecolloyuiturcoram,sed postea prave,
Hic erit invlsus,bina qund ora gerat.
FacetusGothanus : (Fabul.Aesop.111.8):
Omne genus pestis superat mens dissona verbis.
B uch1er :99:
Nil homine invenit natura nncentius illo,
Qui,secusacsentit,disseritore suo.
L k sp. 111, 13, 10:
Die met twee tonghen spreken
Ende den here volghen al sire daet, W eder si goet si ofte quaet,
Ende hoers selfs bate mere M innen dan hoers heren ere.
111
E rasm us noemt bilingues,d2e ïl de 04#184 genoemdYpr#:p
duplicesviri(ldag.111,1,l2)en eldern(Adag.1,8,30)zegt##
dat ze #:l#k z#'
p aan hen #ï8de.
çdsnppsf:hebben ex eodem ore
calidum et frigidum eë are.Bdde d:
': adagça heb ïk toegelicht ïp
m#n Y4rk ErasmusoverNederl.Sprw.bl.102- 105.
860 E rasm us Adag. IV, 4,74: Altera manu fertaquam,
altera ignem,inngelgkn 4pprm# fpegelfcAf1.c.bl.12 e.T.
862 Buchler 83:
%
Ne praebe placidas horum sermonibus aures,
In quorum latitat gutture lingua duplex.
Niet ppccr#ï; G wat Albert. Stadensis zegt ïn znnen
Troilus VI, 109:
Siquis in ore duas aliquo fert tempore linguas,
Altera praecidiforcipe debet ei.
863 V eter.VersusProv.leonini(Neander :91):
Nobilitas morum plus prodest quam genitorum.
B u ch 1er ::5:
Non pater et mater dant nobilitatis honorem ;
M oribus et vita nobilitatur homo.
86T V eter.VersusProverb.leonini(Neander:83):
Filius ancillae moratus plus valet ille,
Quam regisnatus,quinon estmorigeratus.
Carmen de P au1in o et P o11a 4l0:
Non attendatur carnis sed mentis origo !
Ex animo potius nobilitatur homo.
Natus, ab arce poli veniens, dum sis sine mente,
Jam tua nobilitas est reputata nihil.
Econtra, si natus homo de faece lutoque,
Praeditus ingenio, nobilitate nitet.
Non genusingenium,penerissed nobilitatem
Ingenium superat;s1c generosus homo.
Denklfden geddfqdemen :pk deverzen ïs Rinc1us0:7:
Nemmeren werdemiverweten Mijn vader,ic laetelken weten;
Beter waric een goet herde Dan quaetvan hoger aert gespleten.
Zie :pk hoe drfdfpfele: znnen /4.###:p leerling ser-x pf in
M aer1ants Alex.1,543- 564.
873 V eter.V ersus Proverb.leonini(Neander293):
Non sit neglecta servi sententia recta.
L k sp. 111, 3, 1185:
Crachtnoch wi
jsheitvan Enen onghedeghenen man
En suldiversmaden niet;W antmen daghelike siet
Die cleine sule van zinnen, Datsi die grote dicke verwinnen.
112
8TT Caeci1iusStatiusFragm.:56,(ap.Cicer.Tusc,
111,:3,55):
Saepe estetiam sub palliolo sordido sapientia.
P 1autus Captivi 1,:,6::
Ut saepe summa ingenia in occulto latent!
881 V eter.M ersusProverb.leonini(Neander :87):
In vestimentis non est sapientia mentis.
B uchler 33::
Esto memor,dilecte puer,tegumenta superba
Virtutinullum conciliare deccs.
884 SenecaEp.59,18:Quodnon deditPortuna,noneripit.
% ersus proverbia1es:
Quini1pauperhabet,nihilestqund perderepossit.
Quinihilaerishabet,nihilaeris perdiditunquam.
891 Juvena1isX,:::Cantabitvacuuscoram latroneviator.
welke wppr& p M aerlantSp.Hist.1,vII1, 11,43aldu'Tertaalt:
Die niet en heuet mach openbare Singen vorden mordenare.
S eneca Epist. 14, 9:Nudum latro transmittit;etiam inobsessa
via pauperipax est.
L ib er d e co n tem p tu m u n d 1:
Hunc timor exagitat,quem gaza suy riua ditat,
Sed nihil hic dubitat,quicuncta supe/ ua vitat:
Vivit securus: paupertas est sibi murus.
D ie R ose 5081:
W ant sekerlekermach een ribaut,
W aer hiwilt,gaen ende keren Allene vor die mordeneren,
Ende vore hem dansen ende singen
SonderBorge teneger stont,Dan die gene die dragen bont.
W apene M artijn 1,11*:
Aermnedeprijstmen menicbfout,Men seghet:Soeessekerendebout
Vor rovers sonder Noede.
902 D ie ghedoghet,hiverwint.Hetfde6nllge-eep
bekende e revktVincitquipatitur,vaarran fk deneernten zdgdmlp
-# niet heb kupsep ontdekk-. <elwordtcI:zoodan% Cato
g-oemd ïp de D iet.D octr.111,1107:
M en hoert Catoene ghewaghen W iltu verwinnen, lere verdraghen,
& cA Ln dfdp.
g Disticha Tçndt - p die Ypnr#en nçet) alleen 4ffwat
eenkdzïpd,maar pïefgenoegzaam dllreoorpant1,38:
Potes,interdum vince ferendo:
Quem superaremo
rum estsemper patientia virtus.
M axima enim
113
U2tlcfe f##œcdt,@neenenAnonymusdit#ïdfïcàppopgegeven#*r
B uchler 24::
Nobile vincendigenus estpatientia: vincit
Quipatitur;sivisvincere,discepati.
903 V eter.V ersusProv.1eonini(Neander :70):
Bstmisero peius derisio quam dolor eius.
B uch1er :79:
Riderisaevae medio sub pnndere sortis
Non minus aëictosquam dolor ipse gravat.
L ksp.111, 3, 957:
M ethem die in armoede leeftEnëe onghevalende ranspoet heeft
En seldispotmaken no sceren; W antdat soude hen meer deren
Ende quetsen in horen moet Dan al hoer ranspoet.
90T Jesussirach XXXVII,3::Noliavidusesseinomui
epulatione, et non te efundas super omnem escam :in multis enim
escis erit inârmitas,et aviditas appropinquabit usque ad choleram.
Liber de contem ptu m undi:
Scitur in om ne latusnocivus cibus immoderatus:
Et nimius potus Veneris solet edere motus.
nocivus zal v dfen ntaan nocuus, - wellkht Fertur
To# Scitur.
# ab rid e W erdea 5l9:
Quibibitetcomeditplusquam sibicongruit,idem
Se gravat et corpus debihtare solet.
L k sp. 111, :4, 19 :
W ant over aet ende over dranc M aect den lichame ziec ende cranc.
D iet. D o ctr. 111, 1041 :
Spise te uele ghenomen Doet dicke wile siecheit comen.
D iet.D octr.111, 1067:
M aer ouertollech ate ende dranc Maet sin ende lich me cranc,
Ende bedeerftdie ziele mede;Dits van rechte hare zede.
Spieg.d.Jong.469 :
So wiehierzjn lichem queltMetBpijseofdranckbouen maten,
Diedootdievolchthem metghewelt,Gheen medecijnen machhem
(baten.
909 Facetus 26:
Sisecretarum seriem vis noscere rerum,
Ebrius,insipiens,pueri dicunt tibi verum.
B uch1er :88:
Si secreta voles serie cognoscere vera,
Potores,pueros, stqltiloquosque roga.
velt EbIrnfc
iusie
tfatuus(pueriiungantur iisdem)
o produnt abdita saepe suo.
8
114
B u ch ler 289 :
Nec pueris committe,nec insipientibus,emnes
Et celes bibulos,quod tacitum esse voles.
Quippe quod hipnssint,veterum utmonumentafatentur,
Usus etipse docet,ni1reticere diu.
L ksp.111,4, 281:
Driemanieren sijn van lieden Die de waerheit gherne bedieden:
Die zot,die dronkene endedatkint,W antdeseenveinsen hem twint.
Spieg.d.Jong. l3;:
Droncken lieden ende ionghe kinderM aken dicwils openbaer
Verholen dinghen,daergrotenhinderDenmenighenisgheuolghetnaer.
J a nu s A n y s. Sent. 60::
Hi vera dicunt: ebrii,fatui, pueri.
E rasm us Adag. 1, 7, 17: ln pïsp veritan. Durat et hodie
vulgo proverbium :Non audiriverum,nisia tribushominum generibus,
pueris, ebriis et insanis. Kelk advium ïk mete:s#8parallelle
plllfdep toegeloytheb fp mgnen Erasmusb1.183- 185.
911 P rov.Balom onis XXII,1:M eliusestnomenbonum,
quam divitiae multae;super argentqm et aurum,g atia bona.
Public.Syr.62:Bona opinio hominum tutior pecunia est.
11
83:Bene audire alterum patrimonium est.
11
:17: Honestus rumor alterum est patrimonium.
V eter.VersusProv.1eonini(Neander 3:4):
Dulcius est aere pretiosum nomen habere.
V etu s d ictu m : Honesta fama praeterit pecuniam.
D iet. D o ctr. 111, 1:35 :
Goetname es beter menechfout Dan siluer,stene of gout.
T unnicius M onost.435:
Etr geitbouen al golt vnd edel steyn.
Fulvum praestat honor gemmas et Caesaris'aarum.
912 Floretus 9::
Vir bone,semper ama quod sit tibisplendida fama:
Nomen habere bonum fertcr dominifore donum :
Quishabensvitam non debetspernerefamam.
Hetmetrum Tordertfp den laat8ten regelfe kzen:Quisquis.
914 # abrideW erdea 151:
Crudelis dicar, propriam si negligo famam :
N i1 melius fama creditur esse bona.
91T Jesussirach XLI,15:Curam habedebononomine.
C ato Brev.Sent.4::Existimationem retine.
115
l bae1ardus ad Astralab.f.de Moribus 79:
Detrimenta tuae caveas super omnia famae,
Utmultis possis et tibiprofcere.
B 1occius Praecepta formand.pueror.morib.perut.13:
Defamasitcura bonatibimaqna,fragranti
Unguento haec praestat divitusque Midae.
Spieg.d.Jong. 77:
Totgheenen tijden,watvgheschiet,En wiltveerenietouerghbuen.
920 Publi1.Syrus 158:
Fortunam citius reperias,quam retineas.
waarbv
--E rasm us aanteekent. Diëcillimum estretinerefortunam,
ne mutetur; et maior virtus est tueriparta,quam parare. W elke
lllfdf:woorden ppfledl# z#n aan Ovid.A.A.II,13:
Non minor estvirtus,quam quaerere,parta tueri.
C 1audian.de laud.Stil.Il,326:Plus est servasse repertum
Quam quaesisse novum.
F acetus Parisiensis 4:4:
Quaerere resbrevisest,sed retinerelabor.
D ie R ose 778::W anthens gene meerre doegt,
Dan dat die liedebehouden connenDiedingediesihebbengewonnen.
W illen sire bliscap af ontfaen ; W ant die virtut es soe gedaen,
Datmerees,sijtsekerdes,Tehoedene datgewonnen es,
Dan esdatwinnen nodatbejagen.
925 Welliat 4=AfdedcArp er aan de- e&s van Jerem ias L,3::Et cadetsuperbusetcorruet,etnoneritquisusciteteum.
927 FaceiusGothanus57:
Disce vacans studio,quasi nunquam sis moriturus.
Vive vacans vicio,quasi vita cras cariturus.
V etus distich on:
Vive carens vitio,tamquam sis cras moriturus,
Intendens studio quasi vita non cariturus.
B ebe1 243: Laborandum est, et rebus necessariis studendum
citra pravitatem,qtvivendum sitperpetuo:vivendum autem,tamquam
crasmoriaris.Alwaarmeer'Ilcfdep door># z9n vermeld b1.341.
B uchler 353:
Tamquam perpetuo victurus,adito laborem ,
Et vitam, veluti cras moriturus, age.
Agrico1aSprichm 98 (3.:1.):
Du soltmiterbeytnachgutestreben,Gleichalswoltestuhieewigleben;
Vnd doch stehen ynn steten sorgen,A1s soltestdu sterben heutvnd
(morgen.
116
D iet.D octr.1,130:
M ensa1leuenendedaerommesnrghen,Msofmensteruensoudemorghen,
Ende oec leren ernstelike A1s te leuene euwelike.
930 Cicero de Senect.:0, 74:M oriendum cer/ fst,et id
incertumjan eo ipso die.
Pseudo-A ug ustin.de Spiritu et anima c.31:N ihilenim morte
certius,et nihil hora mortis incertius.
F 1oretus :9:
Scisquod obibis,homo,nescis ubi,quomodo,quando.
F abride W erdea 629:
Mors estcerta tamen,ni1 estincertius ipsa
Hora mortis,et hanc noscere nemo potest.
B uch1er :07 sq.:
M ortenihil certum mage, nilincertius hora.
nel: M ors certa est,incerta dies,hora agnita nulli.
vel; M orste certa manet,sed,qua ventura sit hora,
Incertum,ve1quae sit tibi eqnda via.
931 Hetnpzvfserer#m twint- brinctkan IfcAfgeduld
-0r4- ,enenaln prdep r p. 635 drinct - tw int.
933 L iber Sapientiae VI,1sq.:Exiguoconcediturmisericordia:potentesautem potentertormentapatientur.Fortioribusfortior instat cruciatio.
A u cto r a(1 IT eren n iu m IV, 47, 60: Si quis in excelso
loco et 1@n magnis ac locupletibus copiis collocatus fortunae muneribus et naturae commodis omnibus abundabit; si virtutis et artiumy
quae virtutis magistrae sunt, egebit; quo magis ceteris rebus erit
copiosus et illustris et exspectatus,eo vehementius derisus et contemptus ex omni conventu bonorum eiicietur.
Caesarap.Sa11ust.Catil.c.51,j 13:In maxima fortuna
minima licentia est.
J u v en alis VII1, 140 :
Omne animi vitium tanto conspectius in se
Crimen habet,quanto maior,quipeccat,habetur.
welkeYppr&n MaerlantToor den #::8fzweefden,fpep A# nohreef
Sp.H ist.1,vIII, 77,37:
Alle mesdaet,so meerre persone Daer an slaet,so meer onscone.
Vollediger en meer -0pr&J#k Dohreef#ccrsppr
B ra n t Narrensch. :1, 25:
Eyn yedeslasterdasseschiehtSo vi1schynbarerman dassieht,
So vzl a1s der wurt hoher geacht Der sollichs laster hat volbracht.
937 B eda Prov.liberp.30l:Tanto peiorasuntvitia,quanto
magis virtutum specie celantur.
D iet. D octr. II, 3341:
Endedie clerke,dienieten wercken Nadatsiintdscrijfturemerken,
Mesdoen meer,des sijtvroet,Dan dieleekemenschedoet.
M innen L oep 1,3120:
Wantsoe een menschebetersi
j,Soehem betbetaemtdaerbi
j
Dathireckelicsijende edel.Doethiloesheita1seen snedel,
So is hiso veel meer gheschant Alshi hogher is becant.
B o ec v. d. W rak e n 1, 889:
W antGod,voer waer ghesproken,Laet gheen dinc onghewroken,
Ende so hogheres die man SoetGod starker wreken Can.
N iw e D octrin.1050:
Endemoniken ofpapen doen hieran (n1.adulterium)
Dobbelsonde,a1ssi
jthantieren...Hierommeeestmeervanhenmesdaen
Dan van andren leeken lieden; W ant sisouden 't ons verbieden
Ende goede exempelgheven.
945 D ieR ose 2043:
Sijthovesch mede,datradic wale,Ende hebtaltoesgereetu tale
Beide ten riken ende ten gematen.
Spieg.d.Jong.20::
Gh
S
ijtimi
enltsvualt
n'n
wo
ieoma
rdn
en
tsei
j
nn
de
teggee
of
ettaRe
ntd
wo
enor
tt
esgoheetu
,S
en
ovandatmenvvraecht;
hebdipri
jsendedanck
949
B u ch ler 249:
Oderunt Peccare maliformidine Poenae.
(beiaecht.
Waarnchnnlnk f:d2tw:rdreednïs vroeger eev- gemaakt.
953 H orat.Epist.1, 16,5::
Oderunt peccare boni virtutis amore.
955 Dezelfde gdccAf: Tçndt men 1# den lp# nteedspp&-
kenden zegnman fs deM n1.Ri
jm spr.lI,9:
Lisemuschs seit al oppenbaer: A1 waert datsondegeen sondeen waer,
EndeGod geensondeen wrakeyEndeniemantquaetvansondenensprake,
Nochtan soude men scuwen sonde,W antsicomtutesoequaden gronde.
welke Yppr#es gedeeltelgk Tertaald z#n '
uit FreidanksBescheidenheit 40,5- 8.
956 ghene1ieden dieleuen,d.t niemand terwereld,
geen levend schepsel.EenedergelnkepmdcAr#pfsg bevatten dep,
bl.1l4aangehaaldeYppr&puitF1oretus:Quisquishabensvitam.
965 Sine-dadent,d.t tenzijzi
jhetdoen,ofa1szi
jhetniet
doen.Dech Yccrdch#sl#kzqn def-::laatster:gdl:geïnte3poleerh
zppll: wel- :rgebleken ï: bn pfergelnkel#k rgmdn4:regels.
118
96T.Ovidiusex Pont.1,5,5:
Cernis,ut ignavum corrumpant otia corpus.
C ato Dist.111,5:
Segnitiem fue-to,quaevitaeignavia fertur;
Nam cum am mus languet,consumitinertia corpus.
F lo retus 15:
Otia devita,sivisbona sit tibivita;
Otia quisequitur,sine crimine vix reperitur.
L ksp.111,3, 167:
Ghine sult u niet ledich maken,Maer onledich in goeden Mken
Suldiwesen vrooch ende spade,So werctibi'Cathoens rade;
Wantledicheit,sijtsghewes,Van alrequaetheitvoetseles.
F acetus Parisiensis :3:
Ocia nullus ametnisisintconiuncta labori;
Nam nimia requie mortifcatur homo.
T unnicius Carm.eleg.de honesta vita 190:
Otia fac spernas,summum quiposcis hnnorem,
Sed modicus gratus sit labor usque tibi.
968 Voor beu1et,zoo cl#het##.heeft,-flK aus1er,
door ïpdchvfdlg der c, gelezen hebben beu1ect,datpplkp--
voldoet, pfdcAppp men 0pk wel, #ppr in8ohuççzng eener u,zou
kxpnes lezen b eu u 1et, zooals 958 genproken Yor#fran dievuulheit vanden sonden.- Het 2v#ep.H8.heeftbeue11en d.C
belemmeren,tegenwerken.ZieMnl.<#ù.1,1184,3).
973 Jesu s Sirach XXXIII, :9: M ultam enim malitiam
docuit otiositas.
C o 1u m el1a R.R. XI, 1) 26: Verum est M .Catonisoraculum :
Nihilagendo homines male agere discunt.
B u ch ler 235:
Otia materiam vitiis causasque ministrant,
Etmultis grandiMepe fuere m alo.
F abri de W erd ea 893:
Otia,crede, solent vitiis conducere multis:
Hinc operi semper deditus eBse velis.
M aer1an t Alex.V1j 53:
W antneghene dinc en doet So verkeren des menschen moet
End.
e begheren onsuverhede,Alse dronkenscap ende ledechede.
980 >'acetus9::
Quiplus expenditquam rerum summa rependit,
Non ammiretur,si paupertate gravetur..
F 1oretu s 93:
Quinimisezpendit,alienum peteaprendit.
119
B uchler l03 sq.:
Quaerere,lucrarivenihil,consumere multum,
Vicatim faciunt post rogitare cibum .
çel: Si,cui sunt nulli reditus,expendere large
Res velit usque suas,illico pauper erit.
Zçe xk de 5848 utrophen onder den naam wJp T h obias en
T recht boven -:#:#8& el# op bl.48.
983 Cicero deO;.II,l5,54:Cum egerecoeperint,alienis
bcnis manus inferre coguntur.
Cato Distich.111, 21:
Quisua consumunt,cum deest,aliena sequuntur.
F ïoretus 79:
Quisuaconsumit,egetetpostundiquesumit.
# ecund a R atis 1, 57:
Quifrustra sua consumunt,aliena catillant.
985- 988 De zïp van dezeverzen f#: pEenekwistige hand,
en onwillig arbeiden (nodedoen pine)is een voorteeken van
naderende armoede; maar vlijtige arbeid (die ve1e pijnt) en
doorgaande spaarzaamheid iseen voorteeken van toekomstigen rijkdom (dat h1vele gaert).Vermoedelgk edrfccl& onzedfcàfer
de 0v& door Buch1er 239 opgegeven Versusleoninijofnohoon
4ïe in omgekeerde splgprd: staan:
Parca manus,labor assiduus,designat habere;
Larga manus, labor insolitus, desistit habere,
welkedppr Buch1er1.c.in dezeR dffcàl z#n overgebracht?
Ingentes modico parcus componit acervos
Tempore, continui mole laboris, opum.
Prodigus,etyuisquisconsumitmulta,lucratur
Pauca, nihllve, brevi decoquit hoc quod habet.
In kf Auden.Fragm.heeftdeJ/dchr#eer p.285- 288eengeheel
anderen zïp g6leverd.
989 T obiasIV,19: Consilium sempera sapiente perquire.
F 1o retus 62:Consule maîores,prudentes etseniores.
F acetu sParisiensis 1:9:
Ad loca prudentum tendat vestigia sepe
Etnptet attente que recitantur ibi.
W a1ew ein 6965:Eens vroetmans raet es dicke goet.
F abri de W erd ea 489:
Rebus in ignotis debemus consulere illosy
Quires noveruntcognitione mera.
11 569 : Omnibus in factis auctores cousule certos:
Estquia multa salus,multa ubiconsilla.
120
992 De Idzfsg van Aef Comb.Hs.Endesidiwisen f#
-nrntaanbaar,fewz# men dcAr#p:E ndesie;ie wisen #.t
1etopdeverstandigen (die vroede1ieden)en volghunvoorbeeld. Liever heb ik het Yxr4/e watingelasoht,dat-# meer
l:sï:Idan hoe,zooaln ïp 'fAuden.Fragm.staat.
997 D ie fel es ende oec vroet m ed e,D ien ontsie.Indien dez: lezing sïdfbedorçen f:,dan zal vroet Mer fs
eene ppgundfïge beteekeni8 moeten #:s0>:p worden,zpodcf dezï4
i8: W acht u voor dengenen die boosis en tevensslim om ukwaad
te doen.D och lïo er zou ïk uithetAuden.Fragm.deIezfsg w rat
d.ï. wreed,willen aannemen,zonder J/geq
schrïkfteYpr&p %or
degedachte aan tautologie.- 0Jz0vmenAïerwelléchtmoetenkz>
vrec,al8 eenefeg:sdfellïsg Tan hetpppr@J#@cp& goedertiere?
999 D iet.D octr.1,9l1:
Men seit dat,ende dat es waer,
Dat alle lof,voerwaer geseit,Inden ende altoes leit.
Ede1eParabe1en ende1eren (Vaderl.Mus.II,177)33:
Men M1van gkeenredaetberoemenVoredendedbeghenmachdoemen.
C o1m :0, 1:
Ich spriche ez nAch den wlsen,Man so1 kein dinc niht prlsen.
Biz man besiht wie ez ein ende welle geben.
F abrid e W er;ea 15:
Ensaliquod mundinunyuam laudabisab ortu,
Sed ânis nomeu laudzs habere solet.
11327:Quodlibetensmundisapiensa fne vocabit;
Res a principio nemo vocare velit.
11919:Quodlibetensa fne suo debet vocitari,
Rem quia principium notifcare nequit.
1001 Jesus Sirach XI,30: Ante mortem ne laudes hominem quemquam.
O vidius M etam .111, 135:
. . . . . . . Sc
ilicet ultima semper
Exspectantla dies homini,dicique beatus
Ante obitum nemo supremaque funera debet.
Juven a1is X,:73:
Festino ad nostros,et regem transeo Ponti?
Et Croesum,quem v0x iustifacunda Solonis
Respicere ad longae iussit spatia ultima vitae.
Erasm u's Adag. 1, 3, 37:F inem vitaespecta.Qnin
hodieque passim omnibus est in ore: A b ex itu rem sp e-
ctandam esse.Zie -#p> Erasmusb1.140 e.p.
1003 De pns:dfesig/lef: der Fnrfsbs werd hg dekudw:k:
nchr#ver8 & tweeërleiYgz: voorgesteld,t.w.bf gppr een w6nf:-
121
lenden 501, VGGYOZ +dl moetsclcx>e6l))/dooe :ep draaiend
rl#j waarop de mennohen beurtel
inln0,#4:,:p eFn l6dryeorien
Ypr#:p.Zie@@Jacobs lnimadv.in Calllstr.p. 701. Jl be%deeoorDtellçngen Znn ##pr8l ïgl de gesehrzft
en der #f##:le:lY>,& cA
Y:l A:f n%ee8t #ï: van het draaiende rad; zooals Aïdr.- Uitço6r# Ypr#fdaarover Wfge-eï# ïl F lor.en B 1anc.3168--3196
der Aventure heet:
en in #ï: R ose v.3977,waar hetvan de wil
Die dicke werc menich wonder;Siwerp tfolc boven ende onder,
Si maecse blide ende mat;W ant dAvonture keert een rat,
Ende die gone,diere setboven,M ach we1davonture loven,
0y dathire bleveemmermeer;Maersibrincttesaen den keer,
Dlene werp van boven neder Ende den ondersten verheft weder.
Zie seder W ackernagel, das Glûcksrad und die Kugeldes Glûks.
(Haupt,Zeitschr.f.d.Alterth.VI,134 e.,.)
1005 M aer1antAlex.VIII,1031:
En mercstu niet int herte dine
Hoemen daventure bescrivet Met enen rade,daer soe drivet
Dien enen up,dien anderen neder?
1007 F1oretus:5:
Optima res modus est,nam semper ad omnia prodest.
L k sp.111,3,505:M ate isgoet tallen spele.
D iet.D octr.II,3056.en 111,1656:M ate esgoettallenspele.
11 111, 1071: En es gheene meerre bate Dan middelbeitendemate.
P erg u u t 4531: Van alle spelen is goet die mate.
P ro v. C o m m. 469: M ate is goet tot allen dinghen.
Fertur:in omne quod est mensuram ponere prot
lest.
vaarvoor ïp de Carm ina B urana p. l69 gelezen Yordf:Semper ad omne eet; dooy fertur 18 zx eelal8 diciturmet& beteekenh
w@s proverbium est.
B ebe1 :92:M ensura omnium rerum optima.
alwaar een aantal#:l#àlW&l& plaatsen Aprmn z#s opgegeven
bl.83 en 379,evenalnprpeger in -#p:s Erasmusbl. 92- 95.
1009 A ugust.Sceepk.(Ovl.Ged.111,108):18:
W ie hem met gheven maect soe bloet
Datbeidesi
jnhandeydelbliven,Menmachhem we1vorghecbescriven.
1013 Buch1er l03:
Situa desoyportune,teneasque,frueris,
Dum fruerls vita,conditione pari.
M n1.R ijm spr.1,16:
Soe wye can houden ende gheven Te recht mach hi mit eren leven.
A ugust.Sceepk. 226:W ie met eren wilt voertgaen,
Himoet houden ende gheven,Salhiredeliken leven.
122
1016 F1otetus 79:
Prodigus estdando nimium,cupidus retinendo:
Largus dans danda,parcus retinens retinenda.
M n1.R ijm spr.1,24:
Een vreckman nieten vondeGoet,endehi
jtwegh gheven konde.
1019 Ecc1esiastes V,9:Avarusnon implebiturpecunia.
H oratius Ep.1,:, 56:Semper avarus eget.
S en eca Consol. ad H elv.X, 11: Cupiditati nihil est satis.
Seneca Epist.94,43:Avarus animus nullo satiatur lucro.
J u v en a 1is XIV, l39:
Crescitamor nummi,quantum ipsa pecunia crevit.
P ub1i1.Syr.6:7;
Tam deest avaro quod habetyquam quod nnn habet.
1020 DezeYopr4ds herinneren aan hdfg:ep overexdsrqken
dcAl
ysreukelïsg gezegd Ypr#fdoorJuvena1isXIV,:08:
-
Cuius votis modo non suiecerataurum,
Quod Tagusetrutila volvitPactolusarena.
1024 zrerechf heeftreed:K aus1er(Denkm.111,344)oplemerktdatypocri
jt,vathetComb.Hz.heeft,fpvfiefi8,endatverdropljt,
zooals fs het Auden.Fragm.ntaat,Y:Iietn beter,vllr fpch niet
pplkp-es rohtig ï8.S# sloeg daarom wopr - en ïk heb wï:f#6twqfeld dit@I:de::i#juhteIdzïsg overtesd- n - tedchr#pdp
ydropyc,hetgeen nietdlechf.
sdoorhetr#m geëhohtYpr4fjmaar
:0k overeenkomt met de à:#p6I1 # de8 dichteru. f--erd was de
wer#el#Np# Tan den gferïgccr4,d:'
:,hoemeer A# bezit,zppre:lte
meer naar r#kdpm haakt,metden Ycf6rzvcàfke(hydropicus),die,
Ap: meer à# drinkt, zppp6el temeer A pr dornt#:ks,:I# wordt,
een zeer #:lï:Jkpp:# denkbeeld 5# dedïc/lfer: der*ï##:l:euY:p.
H un Yc8 daarin ppprgdgccAldoor O vid ius;doch srpeg6r reedn
door H oratius Carm.lI,2, 13:
Crescit indulgens sibidirus hydrops,
Nec sitim pellit,nisi causa morbi
Fugerit venis et aquosus albo
Corpore languor.
O vidiu s Fast.1,:11 sq.:
Creveruntet opeset opum furiosa cupido,
Et, quum possideant plurima, plura volunt...
Sic,quibus intumuit sufusa venter ab unda,
Quoplussuntpotae,plussitiunturaquae.
1025 Cassiod.orus decharitate Deic.5:Hydropicimore,
qui plus bibendo plus sitit, pecuniae cupiditas ex multiplicatione
grandescit.
123
Auctor librl q.d.P am phi1us in Epilogo:
Dum bibit hydropicus, magis etsititet cupit undam,
Sic magis exardet semper avaritia.
Jacobus B eneventanus c.11:
Hydropico similis nunquam satiatur avarus.
Auctor libri quiincipit A stro1abi:
Hydropico similis nemo nisi dives avarus.
Auctor libri de M oribus m e(
1icorum c. 21:
Hydropico similis omnis avarus adest.
De lxfdfgelp- #: plaatnen ppn# ik cJ#v,
9opgegeçen h# H ierem ias Compend. Moral.notabil.p.95% dochderegelWfnAstrolabi''
(Yccr#por A# andernd6n lr1/çan Petr.Abaelardusad.
Astralabium
flium aanduidtjï: Wetfp m#n zypgrcz/lv- aanwez%.
L ksp.1,:8,39:
Also en macàjverstaet we1dat,
Die vrecke man rike Niet comen in hemelrike
Ende also die twater laedt,Drinckens nieten wort versaet
Ende so die des waters volsiSo si
jn dorstmeerwastdaer bi
Also is die ghiereghe.
L ksp.111,4, 397:
Soemeerwastdieri
lcheit,Soe meer wastdieghierecheit:
Dats alse die dwater laedt, Drancs niene werdt versaedt;
W ant soe hi swaters meer in heeft,Soe die dorstmeeran hem cleeft.
1028 H en vergaet hem d.t ,Het(dekwaal)gaatniet
over,verlaathem niet.''Decpcàr#eer van kfNuden.Hs.Deh#nt
#ïf niet verutaan tehebben en gaf daarvoor terwer4lïpl#kïsg:
D orst 11e v erg aet h em. - M et mçnder wo'lsA rfn: had
H s- s genchreven =pr& p.
.H in e v ersaet h em.
1029 # reidank 41,18:
Die giregen und die rlchen So1 man dem mere gellchen:
Swie vi1zem mere wazzers gê,Ez hete doch gerne wazzers mê.
Diu wazzersuht und daz mer Hânt Rr durst keine wer.
Y ersus proverb.leoninus:
Orco sive mari mens aequiparatur avari.
1030 E cc1esia'stes 1,7:Omniaqumina intrantin mare,
et mare non redundat.
1032 Fc> den gf4rfgccr: wordtïs 'fComb.Hs.gezegd:
Ende cume d at hi eten sat.
Daarvoor p'z:rfDr.Beets(Proefschr.bl.113)t6kzen:
Ende cume laet hieten sat,
124
dat zou dan zijn: hij gunt anderen, zijnen huisgenooten nauwelijks
voldoende spijs. Mij kwam het beter ooor te schrijven:
Ende cume dat hi e t e t sat,
d. l. dat hij zich zelven het noodige onthoudt, en zich denkelijk te
meer verheugt hoe meer hij van zijn maal heeft uitgespaard. En
zoo wordt de gierigaard geteekend door
Pal i n g e n ius Zodiacus Vitae II, 92:
(Avarus) Si forte epulis accumbit, iniquae
Morsus avaritiae stimulat, vix uUa palata
Esca placet, properatque ingratas linquere mensas:
Abstrahit inde illum exigui spes dira lucelli.
L k s p. III, 21, 21:
Donsalichste dine die leeft, Dats hi die ghenoech heeft
Ende niet en toont dathi daer ave Sinen licbame ghenoech gave,
Maer jammerlijc dat verspaert Teens anders behoef, diet vertaert.
Minnen Loep 111,110:
Het sijn rechte ghieren van aerde,
Goet te gaderen taUen tijden Ende hongher groot daer om te lijden.
1037 J e sus Sir a c h XIV, 4: Qui aeervat ex animo suo
iniuste, aliis congregat, et in bonis illius alius luxuriabitur.
H 0 rat ius Carm. II, 3, 19:
.... Exstructis in altum Divitiis potietur haeres.
L k s p. III, 23, 215:
Die ghene ooc dien ghi laten selt U lant, u huse, u renten, u geldt,
Sullen blidelic daer mede leven Ende luttel voor uwe ziele gheven.
Fa 0 e t us Parisiensis 501:
Cui sua non prosunt, aliis conservat habenda,
Heres post mortem perdet amore suo.
1043
En n ius Annal. VII, 59 (ap, Macrob. Saturn. VI, 1, 62):
Fortibus est fortuna viris data.
T ere n t. Phorm, I, 4, 26: Forteis fortuna adiuvat.
C i 0 e r 0 'Iusc, II, 4, 11: Fortes fortuna adiuvat, ut est in
vetere proverbio.
V erg i 1. Aen. X, 284: Audentes Fortuna iuvat,
o v i d. A. A. I, 608: Audentem Forsque Venusque iuvant.
L i v ius VIII, 29, 5: Eventus docuit fortes fortunam iuvare,
F a b rid e W e r d e a 362:
Quemlibet audentem fallax Fortuna iuvabit,
Quamvis instabili volvitur ipsa rota.
" 485: Audentes Fortuna iuvat, ridetque timentes;
Hinc age, quicquid agas, absque timore, precor,
125
R einaert IIj4386 :
Den coenen helptdie aventure.
De eerdf: zeg8man w@p deze later z:4 algemeene dzrevk zpu
Sim onidesgeweentz#G & Griek8olteIïer#fcAferçanC:pd,indien
-> althann de c@n#W#ï># volgt ,cp
C laudian us Epist.IV,9:
Forsiuvat auëentes,Cei sententia vatis.
&cA de GrïekdcA:woorden z#4 Wetmeer eoprAlW dp;onder de
fragmenten w@> Simnnidesçn de PoetaeLyriciGraecivanTh.Bergk
wordt #> bg #:>fd van hetGrïekdcA)p.804,p.3:7 alken het
perd Tan Claudianus opgegeçen.
1051 Carm in.Progerb.LociCommunes 19:
Infelix,qui mqlta sapit, nescitque docere:
Infelix,qui pauca sapit,spernitqqe doceri:
Infelix,caius prodest sapientia nulli.
Voor &p laatnten regelefl#f men :I#:rd:
Infelix,qui,recta docens,operatur inique.
B uch1er 85:
Turpequidem bonascire,rudesnec posse docere;
Turplus at multo est discere nnlle rudem.
1059 C ato Dist.1, 80:
Quae culpare soles,eatu nefecerisipse:
Turpe est doctori,cum culpa redarguit ipsum.
L k sp.IIIy15, :30 :
Hetsden lerareleelli
jc zere,
Dathi selve niet en hanteert Doghet, die hi enen andren leert,
Alse Cathoen,(lie wise man,In sinen boec we1 spreken can.
D ie R o se 4940 :
Ende die meestre van divinen mede,
Die predeken gaenvan stedetestede,0m eretehebbeneenderi
jchede,
Ende om vordeel van den heren,S0 gaen si den volke leren
Endeseggenwe1goedepredecaden,Diehem selvencleinestaentestaeden.
1065 K au'
s1er (Denkm. 111, 345) wennchte Mer te lzdp
b
hedaechthed e en bed aecht;welloht p-#cfA# în bedectede en bedectnleohtn de ùdfddkdnfd zag van verborgenheid en ge-
heimzinnig. Docb Az: Teranderinl ï,
g volntrektpsspp4kjdewg
-J
d2e Yppr& p evenzeer bedachtzaamhezd en omzichtig beteekey n. Zf8
M nl. W db.1, 6:0.
1066 In a11en dinghen, daer m ense spoet.De
lefeekdsfd der Ix fdf: woorden ïd.
-y
jindien men ze wil doen slagen
qf gelukken.'' D6 lezïe Tan het Auden.Fragm.daerm en se
126
d oet zou ief meer dan een dfpyll, geçen, 6n Yprdf door
K aus1er tereohtnzu bedeutungslos''geyemd)fer-#lA# meeni
dat> flurl#k4rzou z#> tedcAr#s4p:gNeeft soespoet.
1068 B uchler :50:
Res mala peccatum,duplo iactantia maius
Eëcithoc;potius poenituisse decet.
R hythm us V u1garis:
Dupliciterpeccat qui se de crimine iackt.
Parabe1en e.w ise 1eren (Vaderl.Mus.II,195)534:
Augusti
jn seit:
Die hem beroemta1s hidoet quaet,Valt in dobbelmesdaet.
L ksp.111,4,437:
Ghi en selt in ghenen stonden Beroemen u van uwen sonden.
H u sem a n n Spruchsamml. 1: :
Datysvorwareenvnwyszman,Desyneschandenichtverschwygenkan.
A 1bert.Sta;ensisTroilus II, 21::
Dedecus estpropria prodere saepe probra.
waar popr saepe te l:>p 48 voce.
10T1 Liber(
1eM oribus35:Hochabetomnisadfectus,
ut in quot
l ipse insauit, in idem etiam ceteros putet furere.
V eter.V ersusProverb.1eonini(Neander:66):
Autumat hnc in me quo; novitperâdus in se.
G a 1ter. Alex. II, :36:
Quinotatinnocuum sceleris,quiproditionis
Arguit insontem, merito non creditur insons.
w6lke Y:e & s aldun wv fccl# worden A pr
M aer1a n t Alex. II, 569:
W ant wie so gherne quaetheit doet, Hiwaentdat niemanensigoet.
1075 D ietsce Catoen :99:
Lieve snne,oec wachti dies,Dattu biddens nieten plies;
Ic segdi,hoetint lant nu steet:Die vele biddet.hi esleet.
Dew#lrppr dezeserzep geen- :rvolkendeFlxfdin& Latijnsche
Disticha kanYorpnaangewezen,wer-pdfB eets(Proefschr.b1.70)
nQtf- onreohtedatz# eene&pr den Vertaler gemaakteWflreïding z#> van Dist.111, 21:
Quisuaconsumunt,cum deest,aliena sequuntur.
1076 O nghem intin sinen aertd.t debedelaarisin
z4n lan; nietbemind,nietgezien,veracht.Aan & klïe onghem int, do ïp 't Auden.Hs. 373 nt'm.
b en ïn àtFragm.bij
127
Matthaeus:2 beçentigd Ypr4t aarzeltK aus1er - mnnn&#lp-
kenh z:> ten pprdcAf: - de spprk:vr tegeven Ip,dp de#pprhgemaakte verandering ghem indert.
1083 Lksp.111,:0,41:
In een boec hebbic ghelesen:Hine salniet eens anders wesen,
Diesi
jn selfswe1wesen mach.
Waarnoh#nlnk Yprdfhier bedoeld deZlf#-ck pentaw ter,/4Ik#
Tervaardiger -# echter onbekend fd.
Alteriusnpn Gt(aliinsit),quisuusesse potest.
Men wfs#f die Ypprp l gebezigd ïp F acetu s Gothanus D.16
(Fab.Aesop.XXII2l);Toortnppà çn den Troilusvan A 1bertus
Stadens1s V,932;laternp# bg Ow enusEpigr.adHenricum
principem 1,13,en fphetdfrcàdaantehalen#fdffcApnTan B uch1er.
1085 V eter.Vers.Proverb.1eonini(Neander :93):
Non bene pro toto (clïï# fulvo)libertas venditurauro.
B uchler 1s4:
Optima libertas nullivendatur ob aurum,
Nec sit is ulterius, qui suus esse potest.
1092 V a1er. M ax. IV,4, l:Omnia nimirum habet,qui
nihil concupiscit.
Seneca Ep.XIV, 17:Is maxime divitiis fruitur, quiminime
divitiis indiget.
1093 O vidius Amor.1,8,62:
Crede mihi,res est ingeniosa,dare.
V etus distichon:
Est dare res sancta,res nobilis et veneranday
o snimis ingenua,nec ab hoc minusingeniosa.
Aliud d istich o n v etu s:
Est dare laetitiae vox, verbum nobile,verbum
M elliouum,dantis gloriajdantis honor.
D ie R ose 1754:Geven maect den gevre goetman:
Geven pri
jstden gevre sereEndeden nemeredoetonnere.
1095 Poeta N escio Q uis:
Nonnunquam fuge,quod dabitur:susceptio doni
Arbitriivenditliberioris oyes.
Venditur arbitrium,dum vivltur ex alieno
Sumptu:pane tuo vescere,liber eris.
P ub1i1.Syrus 48:Beneâcium acciperelibertatem est vendere.
1097 B uch1er 215:
Ecquisamore suo possit complectier illum,
M unera quigaudet prendere,nulla dare.
128
B uch1er :l7:
Ve1tq reëde vices,ve1desine cuncta rogare:
Dedecusestsempersumere nikqe dare.
Tel: Qqisquis habere studes,iterum dare dona libenter
Te decet,autnqnquam verusamicus eris.
1099 D iet.D octr.II,:323:
En esaltoesniettijtVan ghevene,desseker sijt,
Noch van nemene daertoe mede.
D iet.D octr.111, 1193:
Altoes nemen ende gheuen niet Es grote scande,waer mens pliet.
1101 Cicero ad Att.VIII,3,6:Est necesseserviretempnriet non amittere tempus,cum sitdatum.
P lin.H .N .XVIII, 6,44:Suo quaeque tempore facienda.
Seneca M edea 175:Temporiaptari decet.
1103 Diet.D octr.II,207:
Nemen ende weder gheven Doet vriende tsamen vas/ cleven.
P rov.C om m .365:
Gheuen ende wedergheuen heltdie vrientschap te samen.
Alternando boninos munere sumus amici.
T unnicius Monost.5:5:
Geven unde wedder geven helt die vruntschap.
Servat amicitiam gratum cum foederemunus.
B ebe1 486:M uneribus et remuneratione consolidatur amicitia.
1105 V et.V ersus Proverb.1eonini (Neander 31:):
Spernens omne datum non se facit esse ligatum .
P rov. C o m m. 305 :
Die nietnemen en < 1en darf niet gheuen.
Nolens accipere, nilsoletille dare.
T unnicius M onost.458
Die nichtentfenckt,die darf nicht wydder gheven.
Quinihilaccepit,non restituisse coactus.
B uch1er l64:
Sorte sua quicunque fruens aliena recusat,
Non erit ullius subditus ille iugo.
1107 G hefwi1like,nem aectniet1anc,d.2.maak
het nietlang,geefspoedig,praater verder niet over.Zoo
R ein. :93
'3: W at holpt, dat ict u maecte lanc?
L anc.II, 22577:W at hulpet datict lanc makede?
W a1ew ein 1140:W at holpe ëat ic langhe tale maecte?
129
A u so n. Epigr. 82 :
Gratia,quae tarda est, ingrata est; gratia namque
Quum âeriproperat,gratia grata magis.
P u b 1.S y r. 235:
Inopibenefcium bisdat,quidatceleriter.
V et.V ers.proverb.1eonini(Neand.306):
Quicitodat,bisdat,quiterdatmunera,ni1dat.
waar wlfvxrl#k tardatmoetgelezen Ypr&p.
B uchler 218:
M unera sinceri sunt pectoris argumentum,
Si cito, si prompta dantur et illa manu.
R h y th m u s v u 1g aris:
Danditolle moras,dando cito munus honoras.
V etu s d istich on :
Denigrat meritum dantis mora,sed data raptim
M unera plus laudis plusque favoris habent.
1109 Lksp.111,23,8:
Dat e1c man, wie hisi,
Altoos met maten gheven sal Ende ooc te tide groot ende smal,
Also den persoon betaie:So is sine miltkeit zonder blame.
D iet. D octr.l1, :317:
Soewie sijn ghiftegheuen sal,Sa1ti
jtende stede wachten oueral,
Ende wiet oec sien salende horen! Ende versien oec welte voren
Datden persoenebetaemt,Soeessl
jn gheuen ongbeblaemt.
1111 1)ie rechtelike g11euet,higheuet te dancke,
#.i. ,Wie zoo geeft als hetbekoort,zoodathetwerkeli
jk een geschenk is,diegeeftzijnegiftom nietLgratinj,zonderdathi
jeenige
vergelding wacht-''
C a to Dist.IV, 8:
Quod donarepotes,gratisconcede roganti.
A b ae1a r;. ad Astralab.f.de M oribus l43:
Si non subvenias donec te exoret amicus,
Qqaedarete credis,vendere crede magis.
1113 die om wedergheuen hopen,d.t odie hopen
dat een ander,de door hem begiftigde,iets zalteruggeven''.N aar
den zïp 18 #u# w edergheuen hetzelde cld wat 1115 w ederh eb be n genoemd Yprdf. En zpp wordt #ïf ww. :pk gebrwikt fp
P rq v. C o m m. 534 :
M en en sal niet gheuen om weder gheuen.
Dans ut reddatur sibi,iuste decipiatur.
7
130
T u n n ic.M onost.763:
M en sal nicht geven vmme wedder geven.
Dona quis exhibeat,rursus ut m unera captet?
M ich.V erinus Dist.deMoribusll8(overgenomenïlOweni
Dist. p. ll5 n. 84 :
Ille Deo similis, qui dat bene munera laetus;
Quirepetit,fructusfoenorisoëcio est.
Kl
qarbl#kelnk dc/lrde/ V erinus alzoo naar ccnldf#ïe van de
Yppr#ep Tan Seneca de Benef. 111, 15,4:Quidatbenefcia,
deos imitatur;quirepetit,foeneratores.
1115 Dezen en den volgenden regelYflDr.Beets(Proefschr.
b1.113)aldus#:Y#z## hebben.
Die ghevet om weder te hebbene goet,
Hijsalse diecoep oftwisseldoet.
welke w:ryllcfdïly Tan also totccs4vf4fsg der t):r#:I#kïp# mn
fpedcA#sf onnoodig te z#>; immernYpr#f datSnppr#y:ook niet
gesdzïg# bq dezevdevergel#
'k1# in ll14.Mqnnù6#lnkdp.
gheeft
also g o et de beteekenin pcs J exenveel goed,een wederkeerig geschenk van geli
jkewaarde.
B ed a Proverb.liber p.298:
Quitibidatmultum,dete quoquequaeritid ipsum.
P u b li1. S y ru s 60 :
Benefcium saepe dare, docere est reddere.
1117 # ** de tegenwoordige ldzïsg zo34 ïs ditpdr.
gdezelfde
gedachteWfg6#rl/cfz'
jn JI,
9in lll5 en fpcA aan de#:î#k#:.
9f:l&
personen f-depleï hoedanigheid f
zlprp s toegekend. Dïf kan onze
Aprllïdfnietbedoeld hebben.*#s.
sbedunkens ps&r.
:c/ldl#fA# in
delaatstedfrpw/l:(1l11- 1ll8)dep6rdpsel?dieaan cs#6r- een
gedcksk geven, in fsfge uoorten; t.Y.het z#AlY dezulken #ïe
geven zonder ppg-drà iets te Yï!J:Al terug psftlc/l
gdlj d ie te
danckegheuen:)/dezulken dieplpz?dl datde begiftigdeïdf.
s
zal fdrtfgp sds, d ie h are g h iften v erco pen. En deze laat-
dfep z#s
' Tan fYd6Frl6f aard; t.Y.z# bedoelen V een gddc/lesk
Tan #:l#à: waarde fdrvg te kr#g6p,en datz#> z# diecoep
of w issel doen: bfïefdvan grppfdr waarde,en datz#p zv
die op w ouker gheuen.Doeh alndan opdf %
'
n 1117 w eder
én m eerre veranderd Ypr& p.
G L O S S A R IU M .
'
Woorden die in ()geplaatstzi
jnjbehooren t0tdeAkden.Fragm.
,, ,,
,, ,, , Haagsche Fragm.
,,
,, p E1
A.
Ab%t Q46:bi haren abite,d.i.in hunne houdingalsofze profeten zijn.Abi
jtofhabi
jt(Fr.nabitbbeteekentin'talgemeen 6enâfde#,
d
œh in 'tbi
jzondereen kloonterkleeh en overdrachteli
jk hetnitmendigpdprkomen.MLoep 1,Q95:
Ten lestequam dievrouwe schoen Mltri
jcken abi
jttoegemaect.
Beatr.Q8:
Siplach tewesen langhen ti
jtIntcloester,daersidroech abi
jt.
abitevan simpelheiden,marbinnensyntgripendewolue.(uitMatth.VI1,15.)
Lev.v.Jezus.c.49: Hudt u vor de.ualsche profetenjdie comen tu in
Achten 866 metden Qëen nv. zicl om ï:/4 bekreunen,zfrl gelegen laten
/##:w,vooralin ontkennenden zin,metniet,/vf/,l,clene.Mnl.Wdb.1,1Q.
Theoph.356:
Ende hoe luttelmen nu achte si
jns.
Rein.lI,4386:
Dieluttelschinen mijnsteachten.
Achtqr 77Q bi
jwoord van tijd, acâterna.l,#erâ4l#.Hildeb.9l,lD,
welke dlchter daarvoor menigmaal gebruikt ach terdien,waarvan dien
de 3denv.is <an het onz.dat.Zie Mnl.W db.1,l8.Men zou anders licht
vermoeden:datdaarbi
j hetw.f#fverzwegen wasjofwe1#JcJ,zoo alsdat
voorkomtln Limb.II,148:acâter #:,,p dack.
Achteren 6l,acâtevuitzetten,l:lJ#::l:l.Theoph.19:
Hine salmidit niet lachteren Noch minen name daer bi nietachteren.
A chtersprake 497acâterklap,?44f8r.Franc.41759Mnl.Dist.Caton.1,IQ:
Niemaren ende achtre spraken,Die de liede te scande maken,
Saltu scuwen ende laten.
Elders vindt men daarvoor ach tertale.Zie Theoph.33.AmandlI,5189:
Ne spreect van niemende gheen achtertale.
132
Aehe- ech 749. %en 4:âf:rJ/ gelegen en Yaïxk neganeY,J.Hier..
twenover staatde algemeen betreden (ghetordene)weg.
Aengsen 85Q, in l:/reââix; ataan, totde/J-fl1 beâqoren.Vad.Mus.
1,5% 40:
Die haer van maechsope gingen an.
Zie Mnl.W db.1,95,5,a.
Aert1016:in sinen aert,d.i.Ln z#l land,isg#nelll#afrd/.Nat.
B1.II,60Q:
Dateen kemellevetC jaerEistdathiin sinen aertblivet.
d.i.én z#lgeboovteland.Walew.10861.Mlzoep 111,1008.Mnl.W db.1,104.
A et 907.Zie ouerae't.
l noofddeknelJ/>-:>,afgetten,alsbewi
js
Afsteken (den hoet)Q64,zi'
van beleefdheid ofeerbied.Mnl.Wdb.1,Q75.DanderMarti
jn 46:
Doch willics mighenenden Ende wille afsteken minen caproen.
In dezelfde beteekenis staat eldersafntriken,Lksp.111,23,l80 en afdoe
Lksp. 111,4,106. - 00k heeft afstek en de beteekenis van verntooten,
p,rjl-l;zoo 8l4ofgheuie1e sakedatm en di noch daer af
stake,d.i.alwarehetook,datmen u nietverjoeg ofafzette.
(A11e daghe 140.
)Hier een stoplap voor hetri
jm ;doch kan beteekenen alt#d.
Alle gader 15,alle t6 zl-dljLev.o.H.3061:
Dit doechde hiom ons algader Onser alre euwelike vader.
F10r.en Bl.1054:
Higroete sire m oeder ende sinen vader Ende daer na dandre alle gader.
Van geli
jkebeteekenisisaltem ale.W alew. 767Q,9Q64.
Alle weghe 134,144,oveval,1#elk6#&,#:xJ:i#.998:in elke stede.
Alle wile 157 teallen f##:.aanâoudend.855:ta1re stont.
(A1met alle 333)meteeneontkenning,vol&trektniet,j
'l 'tgeâeellï,f.
Ri
jmb.31653:
Maer sine mxhten al met allen Den muur met hem niet doen vallen.
Also goet 1115,eren veel.
Alsulc - dan 107Q,zulk,:/:#lli#,au.- A 1iseene versterking van
su 1c, Mnl. W db. 1,368.- Opmerking verdient datdan hier gebruikt
wordt voor aln, even 4&,daarwe1vergelijkender wi
jzegesproken wordt,
doch zonder voorafgaanden comparatieven vorm.Rein.IIj7608:
Ende u alsulken raet gheven,Als is betaemlic uwer eren.
Ambacht 555. Dit woord had oudti
jdsnietslechtsde tegenwoordige
Lev. v.Jezus c.Q (van Zachariasjdie) si
jnsambachtssoude pleghen in
beteekenis van nering,lrpoyoilpïlg,837.maar ook die van ambt.Zoo b.v.
den temple.Lksp.111,11,65:
Tullius sprect oec ditwoert:Tot rechters ambachte behoert
Dat hidat rechtaltoes voert steke.
welke woorden.eenigszins veranderd,ook voorkomen in D.Doctr.111.715.
Doorbeidedichters wordtdenkeli
jk bedoeld de plaatsuitde01tII,14j51:
Judici':af,&emper frzoauno p:rv- zeé?zi.
Am man 163.Eig.hi
j dieeen alnbtin dienstvan zi
jn heerbekleedt,
dienaav,JAzlJ/:zl4lr;doch bepaaldeli
jk gezegd van den landsheerljken amb-
133
tenaar,wien de uitœfening der rechtsmacht was txvertrouwd.HuYDEc.op
Stoke IIIj 3Q3. Mnl.W db.1,399.Dat zoodanige ambtenaren zich menigmaalschuldig maakten aan afpersing om de inkomsten van hunne heeren
en alzoo ook de hunnete vergrooten,bli
jktuitD.Doctr.IH,707.
Ander 1084:Eensanderssi
jn.Eig.eenen ander toebehooren.Vd.
afnanket#k z#s Tan ee'lander.- 1090:bi a11ders goede 1euen,
door een ander t
lriyerâovo z morden,uit eens anders ruifeten.- Hiertegen-
over staat1087:sijnsse1uesm an sijn,zb'
n ,i
pes meento.wezds,wat
1091 en in Lksp. 111, 3,1Ql gezegd wordt een priman 4iW.0p geli
jke
wi
jzezegtmen in 'tLatijn:alteviun:.
ç,
f:en &uiïf
zrï.
çene.
Ansck*n 57Q,aangezicht,gelaat,a1suitdrukkingvanhetinwendiggevoel:
een blide anscijn toghen,e6n.
prpp/#âgeniolttzetten.Mnl.W db.op
aenno#n Ij137,b.
Ansicht 35Q,570.Van geli
jke beteekenisalshetvoorgaande.Ferp ut
3991.Stat.-vert.van het boek Daniël1,4:Jongelingen,schoon van aenslcht.
Ap 59Q,nap.l/dr.Zie de Aant.b1.95.
Arem 1Q6,Q06,595,805,873,986,arm.Mnl.Dist.Caton.1,Ql,IV,35.
0ok aerm 91.6,en aerm oed e 883,en erm Vaderl.Mus.IV,Q3Q,39.
Argher 785,erger,zfeclfdr.Comparatiefvan den - en veelmeer voor-
komendedan de - positiefavcn.Mnl.Ri
jmspr.1,79:
Men sa1goet ende arch verstaen,Datgoede doen ende tarchste laen.
Hildegb.Gloss.
Aten 40% haten,waarvan de â isweggelaten.Z0o vindtmen ditww.
ook in S.Bern.epist.(Denkm.111,6),13l:
Cledere m0y buten maten,Dat es dat dine ghebuere aten.
Ibid.171:
Dieinstrumentedergokelaren Aetd God endesijn hemelschescaren.
Meer voorbeelden van woorden,waarin de J is weggevallen,zie onder letter H. Zoo ook adde W alew.8Q8,975,1178,addic Q715,addi 3684.
Atent IQO. Verkorte vorm voor atente.Mnl.W db.attente 1,483,lunt,
v,r&l#:>, nin.Sine attenteleggen ofsetten,g#n6zïll,l op i:f:
,6tt6n,gùn
'e4lzl#>câJventùen.
Auent
ur
.a
Ei
Wa
lew.11
03e1:5d
vg.geneurtenh,voorval;Vd.deJ:4câr#pïl;eenerpel,vefelïa.
entureseghet,deJïz//rï:vermeldt.Duszi
jn W a1-
sch e au entu 1*en, Frannohe p-câie#,drzc/p. romann; in ieder geval
geschriften in proza,a1s staande tegenover Fransche lieden,d.i.#:#ïcJ-
ten.- 0ok beteekentauenture 1043 watwi
j noemen defortuin,â,/
lot(Lat.fatum,fortunaj Mnl.W db.1,493,Q.Vd.deonzekerheid ofeene
zaak goed of kwaad zal uitvallen.Dus beteekentvp auen ture of,387,
75Q, zooveel a1s mi&&câien dat, voor âefonzekerepat
llldat;waarvoorwij
thans zeggen op r'
ï.
vïr/.- B iauenturen 19Q wellécktb4/?
a.
v,Mnl.W db.
1,1Q33,Franc.533Q,5463,even a1s bigh eu a11e 1040.
H.
BR hten 617:858,acâter,JnFlfer d6n rv#.Rijmb.33934:
Twisidivor mine ogen smeker Ende bachten valsch alse verrader?
Ovl.Lied.en Ged.487,Q61:
Datwisi
jn vrienden vordenoghen,Endealzowelvriendenbachtenrueghe.
Vd. Mnl.Dist.Caton.1I,Q7:beede voren ende bachten, goo*6lpp/rxïf
134
al&17
>,JCL
/,rI
xi/E
.T
La
uj
td
rr
n.
mq
u4
e,@:
el
/,
t Luod f--I:Jet2v4#nequL
*
GN
T,t.Bi
37
Mn
.rW:.deb.
tur.W alew.
1, 510.
Bslgie 808,macât,â:e4,â4,,#,kentuur.Mnl.W db.op baelgie,1,514,4,
Lanc.111,1Q849:
W alewein,hebdi in uwe baelgie Enege vriendinne,enege amie,
Dier ghi getrouwet eneger dinge?
V.D.MEERSCH (Q0Q)verstond ditwoord niet:hijvoegdetezamen dinen
gh enoetj of bae1gie en vermoedde in dit laatste de beteekenis te
zien van ondevâoorige; doch hi
j had moeten samenvoegen h eersaapie
of baelgie.
Bassen 76% blafen,van honden.Caerle.Eleg.788,Prov.Comm.746,
EsopetXXVII,11 en aldaarCLIGNETTb1.l57.0oknogbi
jCATS,Sin-spreucken D.1,b1.557:
àls oude honden bassen,Men dient er op te passen.
In de op b1.103 door mi
j aangehaalde spreuk uitdeProv.Comm.16hee:
IIOFFMANN de verkeerde lezing blaftgegeven in plaats van bant,zooalsinde
uitgaafvan Delf,die de beste is,gevonden wordt.
Bat (impf.van tiddenq619,uitnoodkgen.Zie bidden en ghebeden.
Bst 36 en bet 6Q% 877,bet6r.Beide vormen van gelijkebeteekenis.
Theoph.Q79:
Ic mane u biuwer wet,Dat ghiu bepensetbet,
Bepeinst u bat op dese sake.
D aer h enet niem en ofte bat,daarvan 54 néemand :r betev4,> toe,
âeffni-and po/r#:,/.ZieMnl.Wdb.1,1133.
Bedserf (3demrs.teg.t.van bedavrenj534:so bedaetfdi,,oo4
âe/ noodçg w/oe 1, goo Jdfx zafRet u.Fl.en Bl.Q09l,Mnl.W db-,1,633.Ook onpers. als h et bedarf 844,ala âe/ noodip i:jMnl.W db.1,63Q,
CLIGNETT,Bjdr.jbl.333.
Bedect (als deelw. van het ww. âem l,#::â,l) 1067, omzicâtég.
Bedectheit 1065,omzicâtigâeid.Mnl.W db.,1,6Q0.
Bedieden % 44,581,O8, vevklaren,vifl,ggdp.Mnl.Dist.Caton.,1,1.
Lksp.Il,4l,9:
Mar ic willeu,leeken lieden,Den Pater Noster eerst bedieden.
Mnl.Wdb.Ij64% CLIGNETT,Bi
jdr-,b1.8.Hildegb.Gloss.
Bedw ellen 140. Eig. éemand r4l zù'
ne l,:faia# terooven.Figuurli
jk
Lemand m1,1:%'den. pdrl:i#e.. 0ok elders, waar van den Duivel gesproken
wordt,is dit ww.gebezigd;zie W alew.3955:
Vrient,nelaetj0u nietbedwellen Den groten duvel uter helle.
Hildwb.10% 16:
Hijdonctmisotter dan een kint,Laethiden bosen hem le wellen.
en de op b1.6Q aangehaalde verzen uitVan der Zielen e.v.d.Lichame.
Beede l0% 199,485,G07,741,ôet
'
de.HUYDEC.op Stoke 1,65.B eede
gevolgd door en de neemtde kracht aan van zoovel,4&.Mnl.W db.1,765.
Vooral heeft dit plaats,als twee woorden volgen,die van eene tegenover-
gesteldebeteekeniszi
jn.
Begene 905, (als versterkend toevoegDl)vooral,ïl â6tJ#z/aor.Mnl.
W db.1,607,Q.Franc.4954:
Dat vroomt andren lieden clene Ende miselven niet beghene.
Dit woordj dat vroeger niet verstaan werdj is uitvoerig besproken door
IoNcu L.Aant.op W alew.IIjQ95 e.v.
135
Begheuen 914, opgeven, nalaten,laten Taren.Mnl.W db.1,699,Q,b.
Begripen 88, Q56, 386, laken, J./'
&v:-, bevémen (Lat.repveâenderh,
Mnl.Wdb.1,71% Theoph.4QjSp.Hist.1,vIII,36,1Q9 (Zedelessen 63):
Begri
jpt diiemenevan dine mesdaet, Hine doetdidaer an geen quaet.
Een gedicht uit de XIVe eeuw,door BLOMM.uitgegeven in de D.W ar.1,
134, heeft tot opschrift: jjvan dat niemen en can ghedoenjhien es be-
grepen'',d.i.Niemand kan ietsdœn ofhijwordtdaarom berispt,ieder
ander maaktdaarop zi
jneaanmerkingen.En zoo ook onbegrepen niet
J,ried bi
j Goedthals Spreekw. b1.lQ1:Di6onbegrepen miltll#wel,moet
w:z:l enz.Zie voortsnog mijneAanteek.op hetSprwb.van HARREBOMtE,
aldaar opgenomen in D.111,b1.cxLl.
Begripen 375,aanvatten, ter JJ># nemen.Overdrachteli
jk ondevnemen.
Mnl.Wdb.1,717,Q,b,Claghe47 (Gelre W apenb.58):
Hibegreep een bedevaert Over tmeer ten heiligen grave.
Beqripen l00: be4rijpt m en int herte dom phede.De bezi
j,ofschoon met een vraagteeken,aldusomschreven:pdoor veelen ongepast lachen wordt men stomp van geest''.B egripen wordt alzoo genoteekenls dezer woorden ls niet helder.ln het Mnl.W db.1,718,3 worden
men in de bet. van aannemen, fx zïcl opnemen, en beantwoordt aan het
Lati
jnsche mente cplcy,rd, door Ovidius gebezigdjwaarhi
j Met.II,6*
van eenewaarzegster zegt:vatédno&cplc,zi/menteZf/rprdd.
Behe t1.
11,bel@te,f/:z:##ip#.Z0oheetin Lucid.1787 tnoetelantvan
S:âdf,hetland derbelofte,waarheen Mozeszi
jn volk geleidde.
Beheeten 110,115,beloven,J0,z,##:>.Mnl.Dist.Caton.1,l3:
Dat men dibeheeten heeft....Ne saltu niet beheeten vort.
Ibid.1,Q5,IV,37jFlor.e.B1.65Q (van Paris):
Endehoehem Iunobehietrijcheitvele....Venusbehiethem datscoonstewi
jf.
Mnl.W dbj1,739,3.
Behendich 87% scârander,â=#i#,1# deâ4.# (in goeden zin).Limb.
Diejonfrouwe,die utermaten Behendich wasendevroet.
XIj986:
Mnl.W db.1, 735.
Behendieheit495,noârandetâeid,4lïzlJ,i#(ingoedenzin).EsopetLVI,19:
Dus siet men dat behendichede Beter esdan sterchM e.
Mnl.W db. 1,736,CLICNETT,Bi
jdr.b1.311.- In ongunstigen zin van
lhtstaatditwoord o.a.in Flor.en Bl.Q355.Mnl.Ri
jmspr.II,36.
(Beholenheit= Behoolneheit) 180.Ditwoord staatnietin 'tMnl.
Wdb.Hetverband,waarin hetv/o
orkomt,wi
jstop debeteekenisvanverh o1en h eit, geheim, #:J,iwâof
#il#, dat in Lksp.1,5,17,lI,Q,4Q en
Hildegb.138,153 voorkomt.- W e1 heefthet Mnl.W db.1,73l b eh e1en
verbergen,gdâ:izzlâouden.
Beide.Zie bi'de.
Beiaghen.Eig.ietsnajagen,trachten tebereiken.Vd.vermerren9QQjietsgoednvoor zich winnen,a1shulde 476,pri
js7Q9.Hildegb.Q4l,84,
W alew.6833.- iets kmaadê zich zelven berokkenen,als quade n am e
104.(1achterQ77).- herberghebeiaghen 701,eenxcâfperllif
opzoeken.Mnl.W db.1,770.
136
Beklnnen 8Q7,Qmand l-rdskennen.Mnl.Wdb.1,77% Hildegb.5% Q7Q:
Ic rade des elck hem daedoe reyde,Dat hiMkenne sinen vrient.
Beeliuen (met den dat.van den persoonl166,iemand 1#11#,:1,3ezf,xi, Qmantdnd6elz#x.Mnl.Wdb.1,799,x.Hildegb.l3,IQ:
D* Ryde ic:Commer sa1 A liven Menighen mensche behalven u.
Zie Glœtq.xk dat op Lksp.
Beerlken 358,op 1-J># neerkomen,ï,-4l# tvf.en.Mnl.W db.1,817:
Met het onderw.&nad% :l#*J( ofeeneandere ongunstigezaak,en eene
lpaling met op (vp), ter aanduiding van den peaoon,dien hetongeluk
treR-''W alew.7914:
W ant allene up hem W raecte Tongeval.
Ik denk hierbj aan deweeklachtvan Parmenoin den EunuchusII,3,89:
ât
-b- ùtaecG m.cv#:fvrfata,door Erasmusopgegeven in zijneAdagia
1.1.84.- Elders ook craken over en en ,b.v.Lksp.IIIy4,5Ql:
Alse quaellec gaen die zaken,Datsiover den nedersten craken,
d.i.datzi
jop hethxfd van den zwakkerenMerkomen.
o
ldf
60zlulâ
i6em
nvul,f
o/o#eMe
jgmb
6Q
6t4.wa
ar
,
vxBe
rl
gf
h e1Q
1%
del
n,
,
o:
o,
kdh
ded
n
ne
l4
d
nf
gt
e.
bRi
ezl
d.
wo
rd
Mn
l.
W db.Ij859.
(Beblken 80),innlniten,vd.in zich opnemen.
hem Bepeneen 375,1# zlâ gelven oeerolâ:s,$ôepeinzen./,:rl,##:>.
Bequsme 110% nenoâikt,z-zex#,velg6vall%.CLIGNETT,Bi
jdr.b1.Q00.
Hildegb.Gloss.
Berechen 80% ricâten,zfrlyea.Mnl.Wdb.1,9O.
Bereehter.Zie *brach ter.
9 Berecken 793, lezfvre. (vooral van land gesproken).Mnl.W db.1,
3% Q.Sp.Hist.II,45,15:
HiM s te sinen gexlle Valente Sinen bruederjdat hi Oriente
Berecke.
Beromen (metQëennv.
)1069,zoâJyéet.
nl:r::w,l.Mnl.Wdb.opberoemen.
(BegeFenK)ondervénden,drelrez.Mnl-W db.Ij1016,Q.Sp.Hist.III,55,53:
Hi
jsmeerverdoemt,diehem verheR,AlsehidieghiRen GodsbeseR.
ln hetComb.HS.554,wordt voor teneftgebezigd âe%et;waarom aan dat
ww.de algemeene beteekenis van l,zif/ex mag worden toegekend.
Besien 665,onerveq
n,overdenken.Q55:besie dine w ort ooverweeg
-e
erstwatgi
jzeggen wilt,voordatgi
jbeginttespreken-''Mnl.Wdb.1,1043,9.
Begpotten % 4,de spot dien iemand ondervindt;dushierbemotwprde..
du Begt763,933,(914,1063:bestu)jg# z#/,Qdepers.van icbem.
0vl.Ged.1,54,Q09:
Sech,sprac hi9wie bestu danî
Ic M m die de heidine Faymoen Heeten,ochte Saytiroen.
Bet,zie bat.
Beter 667, 76Q, die betre, de verddre, dée ânnp,r ix rla: ataat.
Lksp.111,4,107.Zie de Aant.op bl.104.- Zooook 597:grote liede.
137
Betreeken 794,neieeren,l bedman; J:v#8*.Mnl.W db.1,1164,4.
Bet vp 6QQj hooger @ . G aet bet v p sitten,n66m eene âoop:r,
plaatn aan #- dinclt.Mnl.W db.Iy1138.Alex.VII,1Ql6:
Nilus hevet alom bevaen,Die bat up ooc Ganges heet.
(Beuellen Q7Q), belemmeren,/8#:l=,r&p.Mnl.W db.1,1184,3,Brab.
Dieni
jtbevelthierin ditleven Name,
Yeest.VI.107:
d.i.werkt de reputatie tegen.
Beureden 9Q1,1088,beveili
gen,J:Y4rt
?l.Mnl.W db.1,1193,4.W alew.
3645,Lksp.111,1,l4Q:
Datsiu bewareeudebevrede àen zieleende aen li
jf.
hem Bewaehten (metQdennv.van hetobject)503,zïcâ ergennr/pr
manâten,hoeden.Mnl.W db.1,1199,Amand lI,438Q:
Gode dienen tallen stonden Ende ons bewachten van sonden.
Zie het later op te geven scu w en.
hem B ew sren 30Q,zicl inaolttnemen,zï/ âoeden.Mnl.W db.1,1Q07,Q,
MLoep 1, Q089 (waar Oenone, die onkundig gebleven wasvan de aanzienlijkeafkomstvan Paris,zegt):
Had ic ghekent den hoghen aertjIc hadde mianders wailbewaert.
Bigheualle 104% meltioât,doz
lz;evenals biauenturen l9Q.
Bi rade 105,met np:rf,#,mèl&r,#:l.Mnl.W db.1,1Q33,Rein.II,4Q60 :
Men moet wel lieghen a1st doet nont,Ende daer na beteren birade.
Bi w aerheden l3, Ln wz
zsrâei#, indevdaad. Mnl.W db.1,1Q36.Die
Rose 5119.Limb.XII,1079.- Voor zoodanige verzekering vindtmen ook
we1bitrou w en ,Rein.Ql08.Alex.IV,Q8l.
Bidden 611, 614,61% ltétnoodi
gen,b.v.ter maaltijd.Mnl.Wdb.1,
1%0,5.Rjmb.Q4616:
Oftu ter brulocht wordsghebeden.
Ziemi
jneaanteekening op Mnl.Ri
jmspr.II,57.
Bidden 983,1075,1018,1081,bedelen,eenelïeN giffntagen.Mnl.W db.
1,1Q3% Q. Mnl. Dist.Caton.111,QQ (vervolg,datin hetoorspronkeli
jke
niet met zekerheid kan worden aangewezen,doch veelovereenkomt met
onzen Moralist1075-1078):
Lieve sone,wachtidies Dattu biddens niet en plies:
Ic segdi,hoet intlant nu steet,Die vele biddethiesleet.
broot b idden 76,liefdegaven vragen voor het koopen van de nood-
zakeli
jke levensbehoeften.Lksp.111,10,89.Beatr.W4.D.Doctr.II,Q546.-
0ok vindt men daarvoor om brootgaen,D.Doctr.lI,Q697.Kar.de
Gr.1,l88 en 1oopen om broot,MLoep lI,55.
Bide en beide 4QQ,hetv7ccJ/:r,Tevtoqf,vi/afrl.Mnl.W db.1,tQ4O.Vd
sond er b ide,son der beide,Flor.1353.Lksp.lI,8,Q9.W alew.QIQO
Langhe beide nes hier nietgoet.
Biden of beiden 113,vachten. Sone 1aet niet 1angre biden,
d-i.lat6J8/(hetissubj-)néetfclgdrmanâten.CaerlenEleg.1161,Rein.1095:
Ende hetdinctmibetghedaen,Dat wi noch tavont te hove gaen,
Dan wi tote morghin beiden.
138
Bidi Q9% daarom,om #f:reden.Meestalwordtgeschreven bedi. Mnl.
W db.Ij635.Rein.Q89Q.Flor.en B1.476,1994.EsopetXLI,11:
Du nemest a1,du doest mi scade,Bedi en doe ic dighene ghenade.
HUYDEC.op Stoke1,QQ8.CLIGNETT,Bi
jdr.bl.Q10,CLàRlsssopH.d.H.bl.Q53
(Bin 167) in,J1l:s.Ditvoorz.wordtmeermalen methetlidwoordden
en der t0t éen woord vereenigd.Mnl.W db. 1,1Q58.dus:
Binden huus 467,in âf/i#,binnensnuin.Zoo W alew.1351 binden Ypv#:
comen;binden J/f
?:Q7'
17,45099èinden c4#/t,
:l'10Q66.Rein.1979:
Hine vermaende nichten ende neven, Ende alle die binden hove bleven
Aldusin deuitgaafvan JONCI
(BL.)doch MARTIN schri
jftbinnen.denâppd.Zie ook b uter.
in-Binnen QIQ,Ql8,binnen il.Nat.B1.111,Q887:
W ildiu selve wel bekinnen,Ghivindtin uwer herten binnen
Ghenoech dat ghi u moghet scamen.
Meermalen volyt binnen op een znw.met een voorz. (te ofin)ter
nadere aanduidlng van Jjaatsofvan richting;indemeestegevallenkan
h
etbi
j'onsonvertaald bhgven;vgl.onzeuitdrukking binnen in.Mnl.W db.
Ij1Q65.Ietsdergeli
jksgeldtomtrentw aert.
(Bispel85),zedeleh moralinatie,zedepveek.Mnl.Wdb.1,l
73.Sp.Hist.
6Q
.
1,vlll,4Q,39:
Siet hier een reene bispel,Dat lantsheren betemet wel.
Blam e 918,1110,nmet,â=J#: naam.Mnl. W db.1,1Q85,Q.
(Blsmeren 3:1,laken,l8:i@:l,i6t&t6z:##:lâebben@.Mnl.W db.1,1Q86,Q.
Blidelike 567,664.Bi
jw.metlfïz'
#4câlp,m6tprefe#'.Lev.v.Jezusc.93.
Belg.Mus.VI,Q07,685.Mnl.W db.1,1Q95.
Blkf304: an den w e1ken es gheen b1i
jf,hine soudene
doden,d.i.#iegonder /-9/:1- eigenli
jk,zonder uitbli
jven,zondermissen (zieLksp.Gloss.
)- zoodanig iz,datâ#'enz.
Bluwen 41Q,rannelen,J/r/zz:p.Zieaant.b1.8l.Mnl.W db.opblouwen,
1,1324.Lksp.111,3,475:
Nemm er meer so en ghetrout Knecht dien ghieensblout.
Rein.Q51.Alex.II,73Q.Hildegb.57,109;1Q7,37.Zie HUYDEC.opStokeIj
bl.17Q.CLIGNETT,Bijdr.b1.118.Beide vormen blouwen en nluwen vindt
men in Ferg.394,Q980.- Een dergeli
jken dubbelen vorm ontdektmenin
m umen nevens m ouwen;l:z.fzvg8w nevens berouwen;Jfzzndzl nevens âoumen.
Bode 778,dienntbode.Hierdievanhetmanli
jkgeslacht,dushuénkneeâten,
als staande tegenover w iuen d.i.dien stw iuen.Mnl.W db.1,13Q1,Q.
Lksp.111,3,46l:
Als u bode heeft misdaen,S0 en suldine nietslaen.
Boelrie 975,ohgeoorloofd wizkgdzkt?/.(Hd.Buhlerei).Mnl.Wdb.Ij1338.
Bont 878.W aar van kleedingstukken gesproken wordt,heeftditwoord
de algemeene beteekenisvanprachtig,Jcgi//errl#vankleuren.Hildegb.QQ3,61:
Betdan of sideden m aken Bonte cleder ende rootschaerlaken,
Ander verwen menichertieren.
Borghen 575,:cJ?
zf#i# nlù'ven.Prov.Comm.Q48:
Die waelbetaelt,mach weder borghen.
139
580.t6#p:# âouden,vïfzf:l van lafllipg geven.Belg.Mus.Ix,148,58:
Lange borghen en is niet quyt ghescouwen.
waarvoor in de Prov.Comm.1Q1:
Beyden en es niet quite schelden.
Mnl.W db.1,1380.
(Borgtucht doen %, borgntellin; ieven,l/rp bl#ven.Hetwoord had
moeten worden geschreven borch tu ch t.Zie Mnl.W db.1,l31Q.Lanc.
IIIj20630:
Dus heeft hiborchtoch daer gedaen
Ende sette daer in conincshande Alsijn lanttenen pande.
Bort 643, boord, vand, b.v. de bovenrand van een beker.Mnl.W db.
op boort1,1364,1.
Boude 891,ra&tég,#:rvt
y/,kalm,ple,r4clrpââdz
l.Mnl.W db.1,1399.Leven
o.H.Q308 (waar Petruszegt):
Ic wasdeerste die seideboudeDaticsijnslochenen nieten soude;
Nu benic deerste dies gelochent heeft.
Bouc Q,9,14,boek.In hetMnl.wordtditwoord nagenoeg alti
jd in 't
Ook CATS schreef desen lp:c in de Voorrede van zi
jnen Spiegelvan den
0.en N.ti
jd.
*lBrachters932,reenter8,ezinâ/ard,Men lezeberechters;deaza1
wel door die van hetvolg.woord zi
jn veroorzaakt.Zie Mnl.W db.op b6m1.geslachtgebezigd,Mnl.W db.op toeo 1,1334.Zie ook de Aant.b1.5Q.
r,râdzr: 1,925.
Breken (iem enstale) Q7Q!iemand ïx hetzwreâeldoenozlof
zleldoor
hem in de rede te vallen.Sp.Hlst.1,vIII,36jQ09 (waar hetzelfde voorschriftgegeven wordt):
Maer alse andere lieden spreken,Ne salstu hare tale niet breken.
MLoep.IV,1707:
Die woerden,diehivan minnen sprac,Suverli
jck si
jaltoesbrack
Ende brachtander woerden int spel,Die hem enghenoecbedenauwelicwel.
Broeden 1037, koentevest, âvldedl, vergotyen. Mnl. W db. 1, 1447,Q.
Rinclus 584:
E1c vint nu dat hiheeft gebroedt,
d.i.wathi
j metvoorliefdegedaan heeftjwaanoorhi
j gezorgd heeft.
Broot bidden.Zie op bidd en.
Bugen 451,bulgen,van richting doen veranderen (Lat.#ectove,tenevum
ïvp,sff4fïzanémum </ra,ps,rM.Mnl.W db.1,1473,Q.
Buter 469,41Q,buter doren buitennâuh )eig.bu te der doren,
d.i. buiten de dfdvr. Het voorz. bute vindt men meermalen metden
34en nv. van het lidwoord samengesmolten tot bltten en buter,Mnl.W db.
Iy1481.- Evenzoo uter,b.v.Caerl e.E1.1l8 uter dcf'.Prov.Comm.Q75:
Die coop dri
jftdie coewterhueren.
en u ten ibid.76j166,3Q8,391.D.Doctr.II,Q167:
W antdinc dievten oghen es,Esvterherten,si
jdsghewes.
Zie ook bin den.
140
D .
De letter D,aan een woord vastgehecht,staatvoor'/ofhet,namelijk
v6ôr klinkers of zachte medeklinkers; zoo b.v. deten 733, dbeste.
dm eeste 573,dw ater 860.Een groot aantal voorbeelden in hetgedicht
Limborch is door V.D.BERGH opgegeven in het Gloss.Zienog VAN W ICN,
Aant.op Heelu b1.Q5;HUYDEG.op Stoke 111,150,Q17.
Dachvaert, reia van dezz dag, #J#r,iz,679:dach vaert w enden
m et enen, met iemand refzdl,eene r:i.
rmaken.Mnl.W db.II,l5,waar
hetdenkbeeld geopperd wordt of hier niet w ens van w inn en moetge-
schreven worden.- Figuurli
jk Q0l: goede dachvaert doen,een
goede r,iz maken. goed van de reï: komen.d-i.geluk ondervinden,er goed
alomen.Mnl.W db.II,15,3.Zie Aant.bl.66.
D ade 797, 939, 951, 965, impfs van d oen, waarvan de vervoeging
Wordt opgegeven in Mnl.W db.II,Q34.
Daent330,dan (datjâ:f.
Daer schter 500.Deze tweewoordjes,ofschoon van elkander verwj-
derd staande, moeten samen verbonden worden: daer scande hem
m ach com en ach ter,d.i.waarna 4cJcl#e noorâ- komenkan,waaruit
schande voor hem kan voortvloeien.
Dan 1074,voor als.Zie alnulc.
te D ancke gheuen 334, 11lQ, ten gdzcâ,lâ: geven,voor xi:fgeven.
Thans gebruikt men veelalhetLat.grato dat samengetr.is uitgrlfiï#,eig.
voor 6en l:#= *.j:,d.i.voorni
etmetal,zonderloon.
(teDanke dienen Ghode 194),Godizzopveontneid#e4hartenwereerdl.
Danne 911. Vergelijkende conjunctie na een comparatief,thansdan.
Zoo ook W alew.34Q5:
Soe es scoonre vele sonder sparen Danne die twalefvrouwen waren.
Rijmb.4350:Beterdannemanna;1Q435:ârgâerdanne ca:râ eoninc.Mnl.
W db.l1,5l.
Dar 1105, 1106. Het eerste is de 3depers.van dorren durren,den
moed Jellel.Het tweede is de 3depers.van dorven beâoenen,w/o#f# âebben. Beide verba,waarvan de vervoe
-gingen in het Mnl.W db.worden op-
g
egeven, zi
jn in 'tMnl.dikwi
jls verwisseld.zoodathetsomsnietuitte
maken is, welk ww.men voor zich heeft.Zie Mnl.W db.II,360.- Tot
dorven za1 we1behooren 108:m e11 darftjd.i.men darfhet.Zo0ook
450:doru estujd.i.du dorfs.
Datte 33,Ql9,aanw.vnw.dit.Een zeldzame,vooralin hetri
jm voor-
komende vorm voor dat,zooals H.d.H.60Q.F1.en Bl.1475,38Q6.Ve1th.65.
D.Doctr.lI,Q874.Door hetvolk hoortmen thans nog we1dien vorm gebruiken! vooral in Vlaanderen.Zie W ILLEMS,Verh.II,b1.337.- Op ge-
ljkewi
lze vindtmen ditte voor #iJ.Alex.VII,732.Rein.Q597.
DattuutQ76,651,dat##er,â:f.ZieAant.bl.99.Mnl.Dist.Caton.111,19:
Daer du af twifels,datsaltu lesen, So langhe dattuus vroet mogs wesen.
Lev.v.Jezus c.lQ9:Here,ic gheloeue dattus macht hefs.
D beste 573,âetl:#f,.Zie letter D.Vad.Mus.II,189,363 :
Hidunctmi we1 wesen vroet Die na der scade dbeste doet.
141
Ibid.II,191,443:
Die dbeste weet ende daerchste doet En mach nergent heeten vroet.
Limb.5/1,Qi89.Mnl.Ri
jmsp.1,19.ll,3.
Deelkk-n 496,klein.
y:oelf:;een deelkijn,bijwoordeli
jke uitdrukking,een J,:(#,een w:iz
lz
g
'.
#.Walew.7693.- DeuitgangKlzNgeefteeneverkleinende beteekenis;zoo b-v.in W alew.354Q:be1lekijn.kleineJ:f;
5109:portki
jn,kleinepoort)3547:voghe1ki
jn,kleinerogel.D.Doctr.
111,8l5 e.<.
Ouidius maect ons ghewes....
Datdicwileeen clein hondekijn Houdet.1.groeteuerswi
jn.
welke woorden devertalingzi
jn van ovid.Rem.Am.4QQ:
A cane non magno saepe tenetur aper.
D eeren 4Q0, 450, &câaden, benadeelen, zcâl#: toetrengen. Mnl. W db.
II,1Q9,3.
*lDein 54),foutieve lezing voordom.
(hem Decken 178),zïcl verbergen,zcl/
/iîâouden)flguurlijk,#n#:J:iZ
A
tewaren.Mnl.Wdb.II,109,6 (Fr.se<4<âdr).
D elven 35,bedelven,metclr#, tedekken,ldgrcedx.Mnl.W db.IIjlQl,Q.
Nat.B1.II,Q470 :
Hidelvet proie die hi niet wille.
Derde 694: gaestu di derden,d.i.gaat## al&#:r#, man,met
twee anderen.Z* ook Flandr.Ij643:
Ic quam ghegaen miderden tote fonteinen.
Het gebruik van dezen absoluten naamvalvan een pers.vnw.meteen
nv.van eellranggetalisuitvoerig behandeld door VERDAM in:Ti
N
jdschr.v.
ederl.T.en Lk.II,b1.494. Zie ook Mnl.W db.ll,lQ6.
D es 1016,daatvan,nan dat) Qdenv.van dat. Mnl.W db.II,75.
D eten 733,âeteten.Zie letter D.
EDiehten 86),vervaardigen,een dichtstuk ofook we1een werkinproza
schri
jven.Mnl.Wdb.Il,146.
Die 34Q,## (Lat.femur) Mnl.Wdb.II,151,Rein.II,6986:
Ende sloech hem driewonden wide Mitsinen tanden in sijn die.
W alew.6767:
An ene die van enen hoene Proefdioft hiiet mochte eten.
Van een gebraden âoen sprekende,zou menthanszeggenôout:in welkebetee-
kenisdit woord ook reedsin 'tMnl.gebruiktwerd.ZieMnl.W db.1,140% 3.
D iet 363,volk,wol;4lc4.
v:,âetgemeen.Alex.VIl,300:
W acht datghighewapent vaert!
Dat u dat moordadeghe diet En moghe ghescaden niet.
int ghem eene diet, in 'tlf#- ::v,ondo.'/volk.Mnl..W db.II,181.
CLIGNETT,Voorr.Op den Teuthon.b1.XXXV,15.HUYDEC.opStokeII,b1.314.
gDiet 35 aant-),a1s êén persoon uithetvolk,meestmetminachting,
kèrel.Mnl.W db.lI,182,Q,Lanc.lI)4Q85Q:
M se m enne m aketgram ?
Dan eshi'
tfreeseli
jcstedietjDatGod nie gewerden llet.
D%n QQ9!535:dan van di
jn (goede),70% 780:dan wJl um ,i#:.
goed.Zie Tl
jn.
142
Dicke 173,dçkvëln.D.Doctr.II,1597:
Selden ghedi
jt,datwet,Die plante,die men dickevezset.
waardedichter op 'toog had dewoorden van Seneo Epist.II,b3:Non
d/lf
l/îdv
rcff planta gF
zl: naepe frlzd.
g
/:ê/fzr,welke ErasmusAdag.IlIj4,74,
b
i
j
v
e
r
g
i
s
s
i
n
g
a
l
s
v
a
n
Qui
nt
i
l
i
a
nu
s aanhaalt,bj de verklaring van 8axum
w/JZ//V- non @J#v8/>r mt
uco.- Van dit adv.vindtmen eensuperl.dicst,
Lksp.IIIjl3,Q0,Prov.Comm.Q9l.
Dinghen 708? dingen, J./'
#is#:>, een îJ#:l' ôod doen.KILIAAN,lio6rç,
dhceptare depretIo.Mnl.W db.II,199,4,Prov.Comm.743:
W atsaltghedinct als ment niet copen en willez
Dinc znw.vr.160,10* .Z0o o0k D.Doctr.II,Q167:
Wantdinc,dievten oghen es,Esvterhertenjzi
jdsghewes.
Zedelessen Q64:
Sine weten wat die dinc bediet.
377: din c doen , ietn doen. - Dit woord heeftin 't mv.dingh en,
3
7% 707,715,1101,doch ook we1dincQ6,105,131,466,47% 7Q5,1096.D.Doctr.111,176:
Elc mensche in sinen daghen Salom twee dinc vrese draghen.
Zedelessen 48Q:
Alledincsi
jn voerGodebloet.
W alew.6*3,9065,109669CLIGNETT,Bijdr.bl.185.Evenzooin '
tMhd.
alle 4JcJ.Brant,Narrensch.XX,3:
Der isteyn narr vnd vngeert Der alle sach zum bösten kert.
waar ZARNCKE uit Murner citeert:
So dapfer sindt frouw Venus sach.
Zie op w ort, woorden.
Dinken 146,denken,#:#J<J/# zù'
n,zovgen.Vd.hem bedincken,
Mnl. Dist. Caton.1l,4.- Over de verwisseling van ïen e zie op ninden.
Dinken,dunken,f/ezcâ#lu'
l.m idinct495,513,811,9639Rein.1397.-
m idu nck et 789;Rein.4673.- m idoch te 1097;Rein.6197;Mnl.
W db.op dunken.
(Diwaert 681.Zie w aert.
Dm eeste 573,âet ->.
rd8.Zie letter D.Zoo ook Limb.VII,4:
Aleistcleine,hets pi dmeeste.
M eeste is te nemen in de beteekenis van grootnte. Zoo ook Maerlant
Alex.VII,16Ql:
Daer es een lant,heetLibia,Dat meeste lant van Alrrica.
Elders IX, 357 spreekt die dichter van den pmeesten oliphant'',d.i.den
grootsten.Zooo0k Alex.VII,753;Flor.enB1.Q375;CLIGNETT,Bi
jdr.b1.Q67.
(Doch 55,69j,imperat.van doen;Hildegb.89,65:
Doch vrede ende maech zoen.
Lev.v.Jezus c.47,157,Q08;Lksp.II,36j1709,173Q:
W ie bistu - doch ons hier bekint W ie bistu dan - datdochonsverstaen.
Devervoe/ngvan doen wordtopgegevenin'tMnl.Wdb.Il,Q34.- Evenzoo
sich van nien; slach van &taen) dw ach van dwaen.Zie DE JAGER,
Verscheid.bl.198.
Doen - dat Q57, mak-, pdrpnrzlà:l.- hem ou erdich d0en
vervangend hulpww.van h ebb en ;zoo is te verklaren m eer gracien
dan een ander doet 519,d.i.dan een ander heelt.Melib.368:
Ghihebtvolx vele mere Seker dan u viantdoet.
W alew.34Q4:
S0e hevet meer scoonhede tharen dele Danne Venus doet,die godinne.
551,zicl hovaavdig aan&tellen,zicâ frpfzcâ roovdoen.- Somti
jdsisdoen.
Limb.VIIIj1446:
Inne hebbe conincriken niet mer Dan u here die coninc doet.
Deze bijzonderheid wordt uitvoerig besproken door FRANCK, Aant. op
Alex.IIIjl09Q.
teDoene s%n 628,noodi
g z#r.W alew.6355.- te doenehebben
1044, noodk J:ll,zl.Grimb.Oorl.1,31069Hildegb.Q4,:37 e.e.;W alew.
8539 CLIGNETT,Bi
jdr.b1.306;Mnl.W db.II,Q17,10.- onderenen
tedoene staen 261,én i,zlJl#4diennt:#a.
gDoghen 40q,dulden,ps#:rgJJl,b.
v.hongher,pine,verdriet.Rein.Q8l,
370, 4032; Lksp. Ij1Q,41; Ferguut Q063; Lev.o.Heren 3964; W alew.
4936,5964,7700.Zie ook VERDAM,Tekstcr.b1.90.
Doghen 571,deugen,goed zYl in z#l:noort.Rein.I1,Q335,4Q85:
Die blode en dooch tot gheenre ure.
Prov.Comm.647,6$89CLARISSE,Aant.op H.d.H.b1.167;Hildegb.Gloss.
Doghet448,s6Qj866,enz.deugd.Mnl-Dist-caton.1,34.- mv.dogheden
978,goede,prp-: daden.
Dom en 455, 471, 1070, retoordeelen. Mnl.W db.op doemen II,Q3Q,Q.
DE VR:ES,Taalk.Mag.IV,b1.94.
Dompheit 100,1047.Zoo,voordom bheit,werd ditwoord oudtijds
dom heitin 'tMnl.nog nietschi
jnt voorte kornen.
geschreven; en in het Mnl. W db. I1,Q79 wordt opgemerktdat de vorm
D or, D ore, ten g6
'ptdff: vant om den vgïîf, van;d or G ode 80j948,
960,965,om Gt
)#.
,wille.Mnl.Dlst.Caton.IV,38;Mnl.W db.oy dore IIy
311.- dor vrientscap 1104,uitgenegenheid,om wgilfedevtlrz:zz#dc/icy.
D.Doctr.lI,Q337:
Maer sunderlinghe seldi weten,Dat ghitgoetdoens sult vergeten
Dat ghidore uwen vrient doet.
Van geli
jke beteekenisisduer961.- HUYDEC.ProeveII,3459CLIGNETT,
Bi
jdr.bl.3189HOFFM.Gloss.op Flor.en B1.
Dore 469 47Q,588,deur.Zoo oek D.Doctr.II,Q798;Beatr.Q5l,677;
CarlenEl.i40.
Dorperheit Q67,936, onbelefdheLd, nll:flAzdal#ââei#.Onderscheidene
beteekenissen van dorper, dorpern ie en dorperh eit bespreekt
HUYDEC.op Stoke 1,53Q.
Draghen, iets fprt
vc/lel,iet& p:rrfc/if:r maartoev4dr o
f zz
?fl#erçnman-
xïa# noodég ï4; b.v. 860: die dragh en d w ater.- Q75 botsca p
draghenjt#ding Jperlrdlg:l,nood.
îeltap #p:x.Ri
jmb.17589:
God heeft mighesent te diDat ic draghe bodscap te di.
In 'talgemeen heeftdraghen debeteekenisvan bezitten,1: ziclâebben.
Zoo 894 de arme dragh et niet dath im ach ver1iesen,d.i.heeft
niets bi
jzich,watenz.- Van hoedanigheden desgeestesgesyroken h%R
draghen de eenvoudige beteekenis van hebben.Zoo 8Q8 m 1n ne dra-
ghen,tiefdetoedragen,jï:fâdlldl.- 785 ni
jtdraghen,nb'dâ/:zfdr,l,
n#dig zib.- Q36 om oede draghen,ootmoedJellex,ootmoedù z#l.880 vroetscap draghen,rerntand J,JI./,ver&tandqqziW.- (waarmede mag vergeleken worden conde d1*agh en in August. Sceepk.
(0v1.Ged.111,408)Q63 en onzetegenw.uitdr.kennin p4s ietadragenj.816:w anconst draghen,mangun8tig zi'l.- Zooook van lichaamsdeelen, a1s 856: die tw ee ton ghen dragen inden m on t,Mnl.
Wdb.lI,377.- Deimper.isdrach (evenalsvrach van vraghen)
731,doch ook weld raech Q36.
D raghen, andere vorm van tragen 978,d.i.vevtranen,Kzrdllpz-,
moede wprddw.Rein.lI,6845:
Tot dathieen deelis vermoet Hem sa1traghen saen die voet.
976:Ledichede draghet vrie,zë f
per#flpf âen #ï:(van nature)
6de1 -Jr:s.Deze verklaring geeft 't Mnl.W db.II,375.
Drqeeh imperat.van dreghen,dreigen,in deminofmeerafwi
jkende
opvattlng van maarsonumen) dreech niet te voren 300, laat li,f
Toorafi:f:van vw roornemen ll#&s.
Drooehimperat.vandroghen607,609,afdvogen.droog-lâ:l.
W a1ew.
991:
Men gafhem water endehighincdwaenDoebrochtemen hem diedwalesaen,
Daer hisine hande mede droghen soude.
D ruust 588, gemeld,#er4J#, lamaai. W alew. 5Ql0;HUYDEC.op Stoke
111,1l0;Mnl.W db.II,446.- m etter druu st,dat meermalen voorkomt,kan steeds door m etter vaert worden weergegeven.ZieVERDAM,
Tekstcr.b1.73.
Duer 961,om -ïl?e van)hetzelfde a1s dor,dore.W alew.431.Q:
Laet milevende,lieve here,Dor GM ende duer uwe ghenade!
Du1 914,063, dmaan. - d ulh eit 823,dmaanheid,olclzïl.- d u1-
leke 979,dvaael#k,op #wlzew#ge.- du1coen 1047,overdreven,onv,#'4/4.#k koen,w,#'
-,/,f.CLIGXETT,Bi
jdr.b1.70.
Dusghedaen 11,% 0,noodanig.W alew.8330;Flor.en Bl.580:
Maer des en hatsinietvernomen Datdvsghedane tale om haer was.
CLIGNETT, Bijdr.b1.Ql5.- Van gelijkebeteekenisishetin Flor.en B1.
zeerdikwjlsvoorkomendenognedaen.
Duut 65Q.Zie dattuut en de Aant.b1.99.
Dw ach 603,605,imperat.van)dw aen,mancâen.Levenv.Jezusc.f79:
Ende Jhcspracaldus:Gancende àwaçh ditLgoer)auein dieriuiereSyloa
(uit Joann.IX,7).- Ditww.wordtveelalgezegd van hetYczznâel der
l
tanden vôôr
den maalti
jd,ook zonderdatdielichaamsdeelengenoemd worden.Zoo bv.W alew.991,8790.Fergnut1Q17:
Men hietse dwaen endegaen eten;Sidwoegen endesi
jn geseten.
CLIGNETT, Voorr. v. d.Teuthon.XXXIV,l3;HUvDEc. op Stoke,b1.1789
Mnl.W db.II,488.
Dwater 860, het mater.Zie letter D.Zoo ook:St.Brand.(0vl.Ged.
II,7)347.Mnl.Rijmspr.1,1.
Dwinen 488.Thans slechts over in hetcompositum verdw ijnen,
Termindeven,zfir*el,athemen.Alex.lI,Q53:
Die berghe dochten hem van pinen Te stucken breken ende dwinen.
Mnl.W db.lI,50Q.
145
M .
Edwkt 1l0Q.Een woord,dateldersnog nietgevonden'is;volgens DE
VRTES (Ti
jdschr.v.Nederl T.en Lk.1,303)heefthetdezelfde beteekenis
a1svevwb'tballeen metditonderscheid datedw i
jtsterkeriseneenverwi
jt
te kennen geeft datmetsmaad of hoon gepaard gaat W anneer alzoo onze
Zedemeester zegt:Ghef,dattu gheues,sonder edwijt,bedoelde
hijniets andel'
sdan:uGeefuwe giftzonderhoonendverwi
jt,zondersmadeli
jke bejegening.''Mnl.Wdb.II,5QQ.
EerlVc 1093:gheuen eseen ee1-1i
jc w ortjnietslechtsdedaad
zelve,maar o0k hetvg//r# geven f,
rsehoon.welgevallig,lieflijk.heerli
jk.
Op geli
jke wi
jze zeide Cicero Phil.II,44,ll3 van den Vrede: Etnomen
ylcf.
gdulce :.
vf,etïygc l.
e&dlfz
f/lrï..Vergeli
jk de Lati
jnsche distichain de
Aant.b1.lQ7 opgegeven.
Eerscap Q6l.Zie h eerscap.
Eist - eist186,394,433,enz.âetz: - âetzg'
,somsdriemaal,zooals
754.- Gelijkebeteekenisheeftist- ist.Nat.Bl.X,567:
5Q0,en zelfs viermaal,zooals 739.- 00k vindtmen eist- of360,583,
Istbeen,ist arm,ist yete1.
E1 meestalverbonden met eene ontkenning:niem en e1188,544,962:
niemand Jl#:r.
9.Theoph.96Q9D.Doctr.1,873.- n iet ell11Q né6t4r#:r4.
Limb.1,2Q64:
Dit salmen doen ende niet el.
Elcx daghes 558,560,éederen dag,alle dagen.Flor.en Bl.Q9:5:
Sidienden te gader den ammirale,Dene droech twater,de ander dedwale,
Elcs daechs in siere kamenade.
Ende 999,1001,eùtde.
Enten 76Q,978 samengetrokken voor ende den.
Enter 87Q,en van de.
Entie Q0,389,4Q9, 635,73Q,samengetrokken voor ende#ï,.VAN W IJN,
Aant.op Van Heelu,bl.17.
En w are 666,951,ware J:J nietdat,t6n xlr,.Mnl.W db.II,633.
*Erne 837,foutieve lezing.Zie Aant.b1.109.
(Ertellen lQ6), Tertellen.Een zeer zeldzaam voorkomende vorm,vgl.
Mhd.evgeln.waarvoor thans evgâhlen.Mnl.W db.II,723.
E uel 419,4Q3, âetkmaad,dekwaal.Rein.5484;HUYDEC.opStoke1,568.
Euenkerstin 69.93,medemenneh,œJJ#f8'
,jegenswien men dedoorhet
Christendom opgelegde plichten heeft te vervullen.Hildegb.1Q,595:
Soe wyesijn evenkersten doet,Dathiselvenaem voer goet,
Die houdt die thien gheboden reen.
lbid.83,78:
W y moeten broederlijcke min
Bewisen onsen evenkersten,0F dbeste deel sa1 ons ontborsten.
D.Doctr.lI,17:
W ie nien mintsinen euenkersten, Hem moetGods minne ghebersten.
10
x'à
146
r.
Fe18l,196,311,313,994,997,mreed,onmeedoogend,JJ:#p:cJf#,nard,
r
f
z
w,
gevoelloon.- De woorden fe1 en goedertieren staan dikwi
jls
tegenover elkander om de verschillende geaardheid,niet slechts van menschen,maar ook van beesten aan te duiden.Heim.der Heim.1891:
Felna des lewen maniere,Alse die tortelduue goedertiere.
Esopet,Prol.5:
Elke beeste heefthare manieren,Deene s0e es fel,dander goedertieren.
G .
Gader l5.Zie al1e g ader.
Gaderen403,vevgaderen,vevzamelen,l#8:=Jr,.g,l,opmaren.MLoep111,111:
Goette gaderen tallen ti
jden Ende honghergrootdaerom te li
jden.
Lksp.111,Q,46:
Sigadren rente ende scat.
Ganc 684, 7Q3, 73Q, 740, 750.imperat.van gaen (ganghen).Zie
DE JAGER,Versch.b1.197; Sp.Hist.1,vIII,69,39 (Zedel
essen 365):
Ganc te di selven in dinen sin,Merc wat dogeden vinsture in.
Zoo ook Esopet X,99 Beatr.756.- Den vorm gangh en vindt men in
Rein.II,65889 Mlzoep lV,Q309:
Laatboesheit ganghen om haer broot.
00k isdezebli
jkbaarin ontganghen,ontgaan,ontvlucâten.Walew.9176:
W anthier en es gheen ontganghen.
Gans 4Q6,gegond.B.v.d.Houte 4339W alew.904:
A1s hi weder up wilde staen,So wari gans ende ghesont.
CLIGNETT, Bi
jdr.b1.301.0ok thans zegt men onganszi
jn voor niet
volkomen gezond,vooralna hetovermatig gebruik van spi
jzen:zich ongans eten.
Garen 988,begeeren,frlcl/,z
lte p'rârik,l.MLoep II,Qll6:
Merelck een si
jn ghenuechtegaert.
B.v.d.Houte 594;Hildegb.189,42:
W ille dat is een weldich slot
Van smenschen sinne hier op eerde;W ant wat die wille niet en gaerde,
Dat waer den sinnen onbequaem.
GE E. Deze onscheidbare partikel wordt in 't M'
nl.meermalen weggelatenjvooralin verleden deelwoorden;z0o a1s 456: com en voorgekomen;
378, 83Q: 1eden voor geleden. - Daarentegen vindt men ze als vormmiddelvan zeer veelwoorden,waarin ze thans wordt weggelaten;zoo a1s:
gh ebu erj gh edu eren , gh eh e1pen, g hem ate, gh ew erk e.
Beidebjzonderheden worden uitvoerigbesproken in Mnl.W db.opg6II,639.
(Ghebaer Q%, âouding, wi
jze van zich voor te doen (eontenancej.
Mnl.W db.II,948;W alew.86659 F1.en B1.9Q8; Rein.176Q:
Reinaertghinc in dien ghelate
Ende in also bouden ghebare,Als ofhisconinx sone ware.
dat hizetten (sitten)m oetin dier ghebarebeteekentdus:dat
â# zïcâ zoo moet aanstellen,d.i.dathijvre&en moet,zoo alsde schrdver
der D.Doctr.111,143Q zich uitdrukt,waarhi
j doeltop debl.47 aange-
haalde plaats van Seneca:
Een ander wise heeR bescreuen,
Dat men elken dach sa1vresen Als Oftdie leeste soude wesen.
147
Ghebeden 611.6l4 (ter maalti
jd),genoodLgd,verl.dlw.van bidden.
Ziebidden.Mnl.Ri
jmspr.II,57:
Hethevetselden vroedemuusDen vosghebeden in si
jn huus.
G hebiden 1013,ôewaeen,leJpv#rx,welke beteekenis nog nietdooreen
tweede voorbeeld bevestigd is.Mnl.W db.II,965,3.
Gheblkf 596,de r-f,âetp'
Jdrlfï
jpdf;hier:watvan den drank overbli
jftin den beker.Mnl.Wdb.II,974,Q.- In hetLeven vanJezusworden de overbli
jfselsder spi
jzen reliefgenoemd;ziec.1* jlQljevenals
in D.Doctr.1,799.
Ghebreken 5Q,ontbreken,li8faanmetig zi'
a (metden 3(
lennv.vanden
persoon).Mnl.Wdb.II,1005,39Theoph.11499Lksp.1,Q1.,96;D.Doctr.III,173:
Ende wien een ghebrect van desen En mach in eren nietwesen.
0ok nog in de Stat.-vertal.Matth.XIX,Q0: W at ghebreeckt my nochf
?
Ghebuer 556,557,ôuuvman,zlllvf
zr.
Ghebueren 1038 (met den 3den nv.van den persoon)toekomen,ten
deele vallen volgens recht.Mnl.W db.op geboren lI,988,39Rein.II,5708:
Ende mien mach andersnietgheburen Dandistel,netelendescherpekaerden.
G hedinc 415.Zie Aant.bl.8Q.
Ghedinken 7Q6 gedachtig z#l aan.Rein.30559Heim.d.Heim.1785:
Dat hiwe1ghedinke,Ende dathem niet een wort ontwinke.
D.Doctr.II,Q340:
Maer doetv v vrient goet,Dat ghedingtemmermere.
-
Ghedoghen 902,verdl'
anen,f##'f#â z#n.eeneJ#Af#'
â: rol4,,1:1.Mnl.
W db.II,1070.- ghedoech (imperat) 614.- Van daar:
Ghedoghich 3Q8,Wdzaam,#,#vl##.
Ghedueren 54, tl#ven l:#fJJl,in Ydzdl bl#ven.Mnl.Wdb.lI,10869
EsopetXXVII,16:
Dateweli
jc sa1gheduren.
Ghehelpen 4:6,â6lp6n,Jdâf
zyz/c- z#n.Walew.59639Lksp.1I,41j174,
lI,6% 98.
Ghethlendt Q74, geëindigd (zie letterH)jpartic. van enden.Mnl.
W db.II,65Q; Flor.en Bl.1480:
Floris heeft sine tale gheent.
Limb.XIl,534:
Soe ware onse orloghe oppenbare
Gehent,ende andersniet En werdet gehent,wats gesciet.
Ghelnnh 493,de âpzfdl voorgemaaktew,rfeïlp:l (Lat.nymbolaj.Mnl.
W db.lI,1185,7;Hildegb.Q,69:
Die ludesi
jnherwaertendeginsghedwaelt,Dietgelaechdickehebbenbetaelt.
Ghelaghe 49l (verbogen nv. van ghe1ach), vvool#ke l#,x&-4J
(Lat.nompotatioj.Mnl.W db.II,,
1187,9;Mluoep IIjQ65:
Ghistichtetymmer een ghelach,Daer ghimede verdri
jftden dach.
Ghelangt68 (verl.deelw.van 1inghen)jvevlengd,îlxgdvriggemaakt.
Alex.IV,857:
God hilinghdehem si
jn leven Dore sine doochtvijftienejaer.
Mnl.Ri
jmspr.lI,Q,4;Van Heelu 638;StBrand.(0v1.Ged.lI,14.)1004.
148
(hem Ghelat#n 90),zicâ betoonnn,zïcâ aanntellen.Zoo:hem droeli
jcghelaten Hildegb.Q2Q,33.
velic,hem vrlen de1ic ghe1aten.Rein.3058,3898; ook m isse-
Ghelaw et 45Q, gelooid, evenals leder dat daardoor zacht geworden,
zich laat buigen.Het isdeelw.van 1ou w en = looien.KIL.steltloeven
geli
jk aan tanen,tannen en verklaartditb1.66Q doorp'
'epavaz'
e77/3
//,.
,,per/<,/'ecoriapvlpdr:corticum çvdrciaprffzz.In het Mnl.Wdb.II,1203 wordt
verwezen naar1ooi
jen.
Ghelden lQ9,493,576,578,betalen.Mnl.W db.II,lQ04;Hildegb.66,66:
W at willic verder dan begheren,
Dan televen n.chtende dach 0m we1te ghelden mi
jn ghelachî
Prov.Comm.13Q:
Borghen plegen node te ghelden.
Gheleegten Q0,tot,/Jl# brenlen,vooralmetinspanningvankrachten;
op allemogelijkewi
jzen trachten letste verrichten;KIL.facere.zrc-/lrd.
(Hd.lehten),Mnl.W db.II,lQ1l,l;Ferguut3383;Franc.5Q53:
Dat die vrient Gods die doet sochte Met aldat higeleesten mochte.
STEENw.op Sp.Hist.1,bl.16.
Ghelkc 34,10Q3,l0Q9,evenals.Hetis volgensDE VRIES,Gloss.Lksp.
de bestendige gewoonte der Ouden bi
jditadv.den dat.te plaatsen.Alzoo
vindt men b.v.in W alew.3660:
Sàjn paertwasdapperendesnelEndevlooch gheli
jcenen voghele.
6513:
Hivachtgheli
jcenen lyoene.
9738: Die vosliep voren dapperlikeGhelijc enen hasediemen jaghet.
Sp.d.Jong.bl.16:
Spi
jsende dranck dieneemtbimaten...
Ende wiltnietslocken gheli
jc den vraten.
Op dien grond za1in Flor.e.Bl.1437:
Icsalvaren gheli
jceen coman
moeten gelezen worden enen of den c.- Een grootaantalvoorbeelden van
deze constructie w ordtopgegeven in 't Mnl
.W db.II,1Q46,waarbi
jbijzondereopmerking verdientghelijc m i,evenals fâ.Rincl.1041:
Du salssterven,ghelijc mi,die ben arm.
Zoo ook N.Doctr.8Q7:
Nochtan eestmi
jn onghevoech
Ende een benidendewanhagen Datsigheli
jc miwillen draghen.
Metdezeconstructieistevergeli
jkenhetLat.idemmetdendat.Horat.A.P.467:
Invitum qui servat,idem facit occidenti.
Z0oookLucret.111,1050;Cic.ad Fam.lX,6,3;Ovid.Am.1,4,1;Justin-ll,4,10.
Ghem ate (bnw.) 1008,maat âd4#:z
,#:, deJ'
fdfdf:maat&z
lzl:l#,.Mnl.
W db.II,13Q7.
Ghemate (znw.,onz.)Q35,1007,maat,-4/#J:f#.Mnl.$Vdb.II,13Q8.
Ghemoqt (bvnw.) Q58,dat die m ensche heet quaetghem oet, d.1. dat â# gezegd wordtâft
llf#; geztemd te z#x.- 869 w e1
gh em oet,goed #,â'
/:-#,welgezind.Mnl.W db.II,1373.. Zoo ook blide
ghem oet,Lksp.II,3% 1915;gram ghem oet,D.Doctr.111,475;
te betgh em oet,Rein.II,6870.
149
Ghem oeten 193,Q63,ontmoeten,za.i/lân/z/dz/.KIf,.obviaî.e,oôviam p,vir:
Rein.11039 Ferguut 5148; Esopet LXIV,1:
Int wout gemoete .
1.wolf.1.hont.
CLIGNETT,Bi
jdr.bl.QQ8.
Gbenade 65,ghenade bidden,vergf
,eli:nmeeken.Theoph.1045.-
3Q3 1euen m et ghenaden, in w/
':#,,met rvz/ leven,in eene aangename stemming.Bein.3466:
Dit biedtu de coninc lioen.Dit neemt,ende leeftmit ghenaden.
Mnl.W db.II,1379,'
1.
*
(Ghenaken 38),ergenntoekomen;birechter redenen hiere
toeghenaect,J# mag er om grondigeredenen toekomen (nm.trotsch
tezijn op eeneofmeer van dieviergenoemde eigenschappen).
G hene lieden die leuen 956, niemand /'r mereld; in W alew.4772
wordtdaarvoorgezegd:gâeen v:ldc: dief9T àevet.
Ghenendeleke 838,kloek,:/nvfz?/:##,onvernaagd.Mnl.Wdb.II,1404,
bv. nw. van gh en en de, stoutmoedigneidt zdf
/barfr/f/vgé
'p. HUYDEC. op
Stoke Il,bl.3309Lksp.Gloss.- Over den ultgang -1ek e voor -1ike zie
onh ou esch gelek e.
Ghenoeghen (ghenoughen) 185,187,889,1089,qenoeg zik,noldoen,f'pr:#8
'zgb'
n metietn.Lksp.111,Q3,99;Hildegb.70,k73:
Hiheeft den alre besten coop,Die hem mitreden laet ghenoeghen.
Ghenoot (ghenoet)544,807,çemandn #&ï7
'
â:,ookinandereopzichten
b1. 5559CLIGNETT,Bi
jdr.bl.197.
Ghere (samengetr. van gheenre,gheerre); 637: in ghere
w ise,opgeenerlei#J#'
z'.Rein.687:
Dathimetliste nometcrachte In ghere wi
jsne can ontgaen.
dan door geboorte. Mnl. W db. op genoot II,1447; HIJYDEC.op Stoke II,
Ghereden 627, gereed maken, klaarmaken. Zie de Aant.bl.97;Mnl.
W db.op gereiden.lI,15Q3.- W at hier metgh ereden bedoeld is)heet
in W alewein 10270 die 'z
d/rt
çâ
'dfd aniden.
Ghereqt Q60,gereedelëk, mett/t?
dr#fiz
?.
g;sinetale ghereetseg-
gh en,zi
gne woorden spreken zonder zich langtebedenken,onôedacâtzaam,
voortvarend en zonder omwegen.Mnl.W db.II,1517.
Ghesatelike 669,fatnoenl#k.Mnl.Wdb.II,1582.
Ghescien (met den dat.van den pel'
s.),70,107,Q84,Q96,3Q0,330,
6Q3,overkomen, tc Jdvr/vatteu.Mlz
oep.Hildegb.Gloss.
Ghescouden 441,met kokend water â@z
'
d/ezs,broeien.KIL.sch ou den,
caltda agua Apré//z/#tv',catida atluere.Mnl.W db.II,1614.
w el Gheseedt 869, wèl
pemanierd, van #/:#: zeden, J:,
vcJJ/z/'
#. Mnl.
Wdb.I1,16Q0;D.Doctr.II,1863 (enemaghet)
Die gheseed es ende behoedt,Ende onder die goede op gheuoedt.
Van geli
jkebeteekenisis:w e1gheraectin a1len seden.ZieW alew.
7.1Q9 en Rose 737. Hettegenovergestelde is onyhestedt,Rose5053.--Zoo
gebruikt Plautus ztul.II,Q,62 moratpn ryc/:en Most.1,3,132moratvazzd/fe.
Zie ook Cicero de Orat.II,43, 1847de Finib. 1, 19,63,
'Ovid.Met.XV,95.
.
e
Ghesprake 915, vê'iendelùk, voovkomend, gaal'
ne te woord staande
(ayatilis).Ml11.Wdb.lI,1681,Q.
150
Ghestade 101, kalm,le#J4r#,zï/ gnlfl,â::l'4cJ:x#,,verv.vréend6li
jk,
voovkomend.Lksp.111,1% 87:
W ant enen here voeght wale Gestade ende hoefsche tale.
Mnl. W db. II, 1687, 3.- Gestade 817,ntandvantig,J:z/:l##,voortdurend,zicâ g6lven#:l#â bl#vende (Lat.conntannj.Limb.111,551:
Vore alle man die ic kinne Blivic u ghestade vrient.
Rein.613,Hildegb.Gloss.
Ghetorden (verl.deelw.van terden,fredenj.G hetordene w ech
750,de algemeen begane weg (via frï/4).
Ghetrect 6,getrokken; hier:ontteend aan,dp:rg,p/wzl zzit.Buiten den
vorm ghetrocken 4, verl. dlw.van ghe tre cken.vindt men ook
dien van gh etrect;zie W alew.178,831,4110;Alex.VIlI, 653:
DatmidesemoortwasontectQuam ic metswaerde uutghetrect.
Gheuallen 703:gh eu al1et dat = gh eual1e h et dat,yebeuvt
â:fdat.Lev.v.Jezus c.133:Gheualletdatdidynvoetochtedinehantschandalizeert.- Zoo ook Rose6841;Flor.en Bl.1471;Heelu5495.- Despreek-
wi
jze gheualletsakedat165,813,897 iseeneomschri
jvingvanhet
ww.datvolgt;(Lat.quodsérazitacadat,fz/.)Zooookàlex.II,730,lV,l08Q.In dezelfde bet.wordt ook gebruiktcom en ,Mnl.Dist.Caton.1,l8.
Gheuen 509: enen scan de gh eu en , iemand laken,zcâlso van
â- mreken. Zoo ook enen 1of gh even,Mnl.Dist.Caton.1,14.-
h
em seluen pri
js gheuen 511,zfcâ z6lfpr#z:x,zïcâ zelven de eev
van ï:/: toekennen.
Gheuouch 235:intgheuouch,gevoegl#k,z0overrehetvoegzaam
is!op prt
vzezzde goù.
ze, Mnl. Dist.Caton.1,18;Lksp.II,17,IQ; 111,16,7;
Dlet.Doct.1,484,574.
Gheuroeden 176,1008, w#: z#l,verstand hebben.Lksp.II,1l,36;
W ap.Mart.1,757;Mnl.W db.lI,1843.- bet gh euroeden 877,ver-
4/Jv#z
#erzi'z
'.
G hew aghen 191: du m och ts toren ende lach tre daer af
ghew aghen,g# â'
zz
lfdaarvan w:r#ri:/6n ledrlïzœil; beloopen.- G hew aghen,wagen,ïz de -,:##cJ4JJntellen,(riskeeren).Flor.el1B1.3628;
Hildegb.Q,15Q:
Ghisietdie gierigegewagen Sielendeli
jfom dateertschegoet.
Mnl.W db.II,1856.
Ghew erke 14Q,werken,daden.Mnl.W db.op gewerc II,1899,3.
Ghew illike 180, QQ6, gewillil,vzif einen l:=:#ip#.Mnl.W db.op.
9e-
witlelike,ll,1909.Hetzelfde als w l11ike.
G ichte 800,gift,#,JcJ:l1.Van Heelu 563:
En wert scoenre gichte nie Ghegeven tenen male,dan die
Heinric sinen broeder gaf.
Z0o ook Flor. 3193; Alex. 1V, 819, IX, 8Q1; Parab.(Vaderl.Mus.lI,
176), Q0; Lev. v.Jezus c.48; HIJYDEC. oy Stoke II,539.- De vel'wisseling van câ metf vindtmen eveneensln geruclttengeruftqingracht
en gratt;in krackten kraft;in lucnteniuft)ingekoclttengekott.HUYDEC.
op Stoke IlIj370,zoodat gich te volkom en hetzelfde is als:
Ghifte 333,'801. Mnl.W db.lI,1958.
151
Ghile 899:m etenen ghile m aken,metiemand den eofdrqven,
iemand l,ep//:l.Alex.IV, 754:
.
Sistaken uyt sine ogen bede Ende maecten mettien haer gile.
W alew.8571:
Dieandersprac:Houdiju sceren?Houdimetmijuwe ghileî
Elders heet het spot h ouden m et enen. Zoo D. Doctr. II,606;
HUYDEC.op Stoke II,bl.Q08; Mnl.W dh.II,1968.
Ghilen 899 (ww.van ghi1e) npotten.Rein.lI,4249:
Ic ensech niet,men moetwelbiwilen Spotten,boerten,lieghen,ghilen,
In cleinen misseliken saken.
waar MARTIN dit woord in hetGloss.verkeerd vertolktheeftdoorLéntC/J:ZI;
zie Mnl.W db.II,1969.
Goede 535,550,bezitténg,#nz#.Zieréke.- lQ4:des du u elsgoede,
âet#:f#,r#kdom.0ok zouden deze woorden kunnen gelden voor eene om-
schri
jving van den Duivel,dus geld-duivel,Mammon.Zie Mnl.W db.II,
Q047 en den aldaar geciteerden T.en Letterb.II,149 en 153.
G oeder 934 (comparat.van goet)in zedeli
jken zin eerwaardig,vroom,
&raaf Mn1.W db.II,Q034,Q,waar een voorbeeld van dezenzeldzaam voorkom enden comparativus wordt opgegeven uit St.Lutgardis Ij186:
So wart se van da
'ge te dage vast goeder.
Een ander voorbeeld levert W alew.l015Q:
N7at Nvaren daer goeder swaerde.
Goedertieren 196, 906,taoâtaardig,#p:#4Jr##.Zie fel,dateene
tegenovergestelde beteekenisheeft.
die Gone (ghone) 20% 963,1059, die.
::.:.Lksp.Gloss.op gone.
Mnl.W db.op gene,lI,4304;B.v.d.Houte 75Q;EsopetXLVIII,39:
Dezefavele souden horen die gone,Die ter quaetheitsi
jn ghewone.
Goade 1l5 (impf.conj.van ghelden)betalen,voldoen.Lksp.Gloss.
Mnl.Wdb.lI,1Q04;Lev.v.Jezusc.1379Ri
jmkron.vanBrab.(0v1.Ged.1)
161,waar van Karelden Gr.gezegd wordt:
LXXIIjairwashioutDoen hy goutder natueren scout.
d.i.toen hijden toldernatuurbetaalde.- D ie velebeheet,hine
goude w el,al&iemand (= siquis)veelbelooften J# g#nebeloften niet
(betaalde)âield.
Gracie 519,gunnt, door G0d aan den mensch verleend.W alew.3238:
Eistdatjou G0d diegracie ghevet.
a1 heuestu van 0n sen H eere m eer gracien dan,alz#/gb'
door God 1/,:,1 anderen bevoorvecât.Lanc.111,Q889:
Bedieheefthi(ood)u v0r desen Milderdan anderen lieden gewesen,
Diessuldihem danken (l.gedanken)nu.
Mnl.W db.II,Q0899Hildegb.50,177:
Die nieten bidtom salicheit,Graciis hem onbereyt.
0ok isgracie 719 dank,door den eenen menschaandenanderen betoond.
(Gram en) 236, g1.am di niet,maak z/nietJf
g/â
'.In hetMnl.Wdb.
II,Ql02 wordtgezeg'
d:nG1-am en (gral
zlnAen)komtslechtsvoorinsamenstelling t.w. verg1*am m en''. Zie 901.- OIJDEMANS ll,73l geeftwe1
twee voorbeelden;doch die zi
jn uitlateren tijd.
152
Grisen 15Q,een 6&r#'
z,x van ïd/.
vhetben,.
grvvp8'
x van ie/:(Lat.kotrerej,
Vd.ons griezelen.Mnl.W db.II,Q148; Hildegb.Q36,Q4:
Die vuyle patan dander zyde
Ter hellen waertheb icbewi
jst,Hoe zeerden goeden daerofgri
jst.
Groeten 336,tegroeten,aannpreken; groetere af scone,mreek ,r
h
e
m
(dieu eene geringe gift;doch naar zi
jn vermogen,schonk)bel66fdpr:r
aan,d.i.bedank er hem beleefd voor.Lev.o.H.3276:
So groettesihaerkintvan paradi
js:Lievekint,twihancstu hierî
Mnl.W db.II,Q150.
Grote liede 597,aanzienl#ken,zi
j die hoogerin rangzijn.Ziebeter.
Guldin Q48,gouden.van#pf/#.Mnl.Wdb.op goud#n,lI,Q080.Zo0o0k
Segel.v.Jher.10889-95:ntalb'
n,4i/p:2'9'z
,,#f
fl##a.
H .
Deze letter staat menigmaal vôôr woorden,die meteen vokaalbeginnen.
Vohorabe
elden,diein ditgedichtgevonden worden,zi
jn:
llam 60Q; hede1h eit 863, 865; hee1*e 4599 h eesch 144;
he1len bogen 659; hende 74; henden metgehen dt Q5Q,Q74;
heten 145,6Q9;hiet 46,Q65,44Q;h oeffen en 1104; hom oedich eit QQQ; hou d 751, 757,760 met verh oudert 4QQ;h u = u 33,
7979h u = uw 7789h u ut 3Q1.
Bi
j de woorden heere en hom oedicheitheb ik voordeduideli
jkheid de J in () geplaatst.- De voorbeelden,die in MaerlantsSp.Hist.
voorkomen,zi
jn door CLIGNETT besyroken in deAant.op D.1,b1.15- 18.
Overdiein ReinaerthandeltJ0NcKBL.lndeInleidingbl.xxvllljenMARTINbI.X.
Omgekeerd wordt soms - doch nietzoo menigvuldi
g - deâweggelaten;
zooals:aet409;(wellichtbehoorthiertoe ook eerli
lc1093);eerscap
Q61; ou erdich 548, 551. De zoodanige woorden die in Sp.Hist.voorkomen,besprak CLIGNETT in de Aant.op D.ll,b1.IQQ- IQS.Zievoortsde
schri
jversdiezi
jn opgegeven in 'tMnl.W db.IIIj1.
H ayen 975, begeeven, tla/'
/z
œez
s. Mdl. W db. 111, Q8. KfL. verklaart
haeyen doorfovere,coleve;doch geeftook haeyte1,deniderave,optare,
ez/pscre en voegtdaarbi
j Gall.âaiter,,
v/z/ltzï/er.Indien ditverbum werke-
lijk mochtgevonden worden - waaraan hetgemisin 'tMnl.W db.twi
jfe1wekt- z0u men hier wellicht beter lezen h aeytet.
Hallame 60Q, l
tuhvaad, Jvï.
yânf
xdd
?lf
/â: benoodiqdâeden; hetzelfde als
a11am e,Mnl.W db.1,343 en 111,46;Ri
jmb.1l8t5:
Scotelen,nappe,stope,alte samen Die vate,ende ander allamen
W aren goudin.
Uitvoerig wordtdit woord besproken in de Aant.op Sp.Hist.111,b1.4Q.
Hals 847,in flguurli
jke opvatting voorhetf'?
pdz
c,zooalsmen ook thans
n0g zegt: iemand om lz/,
rôrengen,iets met den Jlf,
ytekooyen.Mnl.W db.
111,519Nat.B1.111,8Q8:
Himoet mettellhalse betalen S0 wie datdoot den odevare.
die pen11in c coept m an s hals, htttgeld koopt ï/?zltdaz./,xteeen, d.i.
met geld,door om kooping,kan men ielnand het levelllaten bgllcmen.
Harde Q79,311,5Q6,1065,zeer,in xf
//
?g:mate(Lat.valdeuitvalidej.
CLIGNETT,Bi
jdr.bl.3Q7;Rein.6561:
.
Des was Reinaert harde blide.
153
Tot meer versterking vindt men ook h arde zere, Melib. 1566:
Goeden raetheeft altoes eere Ende vroemt 0ec harde zere.
E arentare 365, 451, 779, her en #:r,in alle rïcâfilgel,overal â:8l,
Mnl.W db.111,155.- 0ok zonder het denkbeeld van richting,7.630,8QQ,
&i6r en daar,op p,rt
çcâffîdp#: plaatnen.Mnl.W db.111,156;Lksp.Gloss.âaer.
Haue .
1117,benétting,geld,z'
#â#pzl.Lev.o.H.4045:
Daer en helpt have no gout.
Mnl.W db.111,181.Vd.haveloos,arm,zonder middelen.
Hebsi398,âebbenz#.W alew.9319:
Daer hebsiten selven stonden Viere ridders slapende vonden.
Zoo ook seghsi Q65,zeggen zi';trecsi696,trekken z#.Dezegesyncom erde vorm van het ww.als het met een pron.samensmelt,is uitvoerig
behandeld door VERDAM op Theoph.b1.lQ9.
H edelheit 863,865.Zie letter H.
H eefsture af 111.
0,âebt.:# daavvan.
Heerscap Q61,385,663,deJu'
drdiep'
Jdrandeven tezeggen J::/J(Lat.
dominuh. DP
Jn eerscap ende di
jn p1.elaet,uw wereldl#keen#,::telb'keâedr,in wiensdienstgi
j zi
jten onderwienstoezichtgijstaat.Mnl.
W db.111)Q27.
Heesch 144,,iJcl,verlangen,>:z3JcJ.(Zieletter H.
) Mnl.W db.111,Q36,
en vooralop eiscj1I,6009Lanc.II,4869:
Datesmi
jn heesch datgiDes ridders paertwiltgeven mi.
Men vindtook eesch geschreven D.Doctr.II,Q7549Ferg.i88;Rein.3073:
Ghine doet neghenen eesch No om broot no om vleesch.
Heet 833 (in flguurli
jke opvatting,van een gemoedstoestand),drLftig,
door Jlr/#//clf geprikkeld of beheerncht.Mnl.W db.111,238,Q; Sp.Hist.1,
vill,40,38;Rein.II,7Q75:
M enich dwaes van heten moede Verhaesthem dicwile in onspoede.
(Heiten 5),noemen, eenen naam g:zp
dzzaan ïd-cld ofçet&.Mnl.Wdb.
op heeten,111,Q40,Q;Brab.Y.,1,lG71:
Carle,die men groot heit.
Evenzoo w eite11,weten.
Helen 47,W athelen si
jtin haren'sinîw44r//,houden zy âet
(1vz
sz
,:kunstjvet.
borgen.
Pwaaroln willenzjhetnietaananderenmededeelenî
(Hem ber nie 3Q0),nimyler meer,f
J/lz/2':â/niet(Hoogd.jedenfatlsz
licJ,
d).
Alzoo nemtermer Lanc.II,43304,IV,12181.- Zonderdenegatie,em ber,
in id#dr geval.Mnl.Dist.Caton.II,Q5:
Ember so hebbe ghoeden waen,Datti ten beste salvergaen.
Ibid.IV,39; Mnl.W db.op emmer,II,6Q8,Q;Rein.(Q59:
Alse Tibeert datghesach,Dat hiemmer sterven soude.
Hemelrike 136, de Jdzz
lyf, de verbli
jfplaatsdergelukzaligen.Meestal
zonder lidwoord gebruikt, evenals pai.
ad#,
s.Zie Aant.bl.63.- Die weglating heeft geen plaatsbi
j hettegenovergestelde hel1e 45Q,hetrf
g'
l vat
den #?zl
'
p:/en zp'
z,e engeten.
Hen 694,heten.Mnl.Ri
jmspr.II,37:
Stake elc eet a1senen doren,Hen worde cume soe vele ghesworen.
154
Henden Q5Q (= enden, zie letter H.),eindlgen. Hildegb.94,1899
Rein.450:
Doe die vigilie ghehent was.
Ste Amand II,5609:
Mochte Gods gracie in eenigher stond Endenjso ware 0ns wee ghesciet.
H ens 1001,het :/
1i4,er fJ.Leven v.Jezus c.53:Hen esenghene dinc
so verborghen.
H eten 145,6Q9,eten.Zie letter H.
Eeten Q44,666,678,759,ôevelen,#&J#f8a,voov&chrb'ven.Mnl.Wdb.111,
Q
4
0j 3vc
.vv
-p-,M6
6t den daarbij staanden inflnitivuswordtTE weggelaten:
neten t
heten gaen,Je/,> vlien. Z0o b.v.Ferg.Q979; Alex.IV,1157;
VI,75Q;VIII,307.- 00k bi
j andere ww.vindtmen dit,als:bi
j beginnen
(Rein.146,6839 Walew.5104,8510);denken (W alew.Q46);ncinen (Ferg.
1635,l67Q);wanen (Rose 7045,9467;Walew.7956)en eenigeandereww.
Hiet 46,265,442,iets.(Zie letterH.)Zoo ook Mnl.Dist.Caton.IV,3:
A1eistdatsake,dattihietln engher sake wi
jsmessciet.
waarBEETSzeerjuistverbetert:In :v#J'rJ=z
2#: w#n.
Rogher 933,aanzienlù'
ker,van J//gerezz &tand. Mnl.W db.111,5639
Mluoep.1,3133:
So is hiso veelmeer gheschant Als hihogher is becant.
Vergeli
jk de verklaring van 850 huwethoghe.- Hettegenovergestelde
is neder.
Eom oedicheit QQQ,ootmoed,l,#:r#J:i#.(ZieletterH.)D.Doctr.II,563:
Endewaeresoetmoedecheit,Datdaeresaltoeswijsheit.
H oude 719,gunst,#8l:#:r;J,i#.KIL.:favor etrprlifld.Limb.Vj1374:
W aendic metdoghene ofmet pinen
Vercrigen miere vrouwen houde,Siitdies seker,dat ic soude
Noch hopen eneghen troesttontfane.
HuYoEc.op Stoke 1,b1.366, 111,bl.l9; CLIGNETT,Bi
jdr. b1.147.Ilet tegendeelis on houd e,d.i.ongenade.Esopet5/1,l2.
H ouden 843,1014,bel
touden,l,=Jr:>,opnparen.- 1016,1017,va&thou-
den,1# zicl houden.
teHouder 580,teliever,meergenegen,g:wïflzker.Van Heelu 1798:
Maer die grave was dien geslechte Van Limborch houder meer.
Het is de comparat.van h ou t,datKIL.verklaart doorlearen&bl:l:,0fv4.
D.Doctr.II,1574;Mnl.Ri
jmspr.Il,1l0:
W ie gherne minen wille doet,Dien dragic emmer houden moet.
hetgeen bi
j Freidank luidt:dem trage ich iemerholdenmuot.- Dievorm
holdtstaatin de Gemeene Duytsche Spreckw.(Campen1550)b1.8l,n.1416
(Meijer bl.37). Iletes tweedï:rev,dieden zkdl,
ycl:l holdtzyp,een Jp1#/
ende eenz::r#/,aldus woordelijk vertaalduitAgricola'sSprichwörtern.687.
Houerde Q08,Q14,Q16,QQ3,âoogmoed,/ro/:cJJ:i#.Rijmb.3126;Van
Heelu 1249,51429D.Doctr.lI,56l:
Soe waerdates hoeuerde,Daersi
jn twisteende onwerde.
St.Bern.Epist.(Denkm.111,5)95:
Ouerdeieghen di
jn ghebueren Eslasterlich in elke hure.
155
H ouerdich,zie ouerdich.
Houerdicheit QQl, hetzelfde a1s hetvoorgaande h 0u erd e.Zie Mnl.
W db.111,669 op âovaerde.
H oueseh 467, m l16n6nd,-&#:-4.f,l'
#.- Compar.h ou esch er 65l.
Houescheit9,114,577,vell6vendâeid(Fr.courtoiniej.- 711,belefdâeid,
l,w,>s dienzt.
Houeschelike 594,708,7Q7 op wellevendewfzd.
H out 751,757,760,oud.Zie letter H.
(Eurt 6Q),waarvoor in '
t Comb. Hs.588 druustjneveldt
be .
9/d//.
KIL.verklaart hort door pul&u8,yf
zJ:lfi/.Thans zegt men nog:metâpr/pzz
en 4/pp/,> iets verrichten,neerzetten.
H uut 3Ql,uçt.Zie letter H.
H uw en 850,6en ltuvlel#kaangaan.Hi(die penninc)huw ethoghe,
h ih u w et n ed er,de zin is:Het geld maakt vooreevnt: dat iemand,die
veelmiddelen heeft,doch van yeringere afkomstis,een huweli
jk sluitmet
een die van hoogereyeboortels.Zie Mnl.Wdb.op Eooch,Il,563.- ten
andere:dat iemand d1ezonderfortuin is,doch t0tden aanzienli
jken stand
behoort, zich vernedert orn met iemand uit de mindere klasse,doch die
rijk isjtetrouwen.
1, 1& , Y .
Dat deze drie lettersgeli
jkeli
jk a1senkele iwerden uitgésproken,blijkt
uit de ri
jmen van de in deDiet.W ar.lI,406 voorkomende verzen van
Den Grimb.Oorlog 43:
VallGrimberghen,die sekerlike
Machtig waren ende rijcke
Van grote lande in dien tyde
Dat omtrenthem wide ende side
Met sconen heempden was gheleghen.
Ydrop%c l0Q$,e6n aan -J/:zzf
/<JJWdende(Lat.hydtopicuh.Zie Aant.
b1. IQQ.
Y eke 443. KIL.verklaart. iecke door:mel wffivq,,6x apum #8li/vrJ e/
mellénfaece ezzz'
ezzvzzl,d.i.de slechtstesoortvan honig,die uithetzaad
(sperma)en den afvalder bi
jen wordtuitgeperst.Hijlaatdaarop volgen:
jecke nuccuncl immundae/114nelteredemptu&;#f
z#sr nordenquef/z
ii.
yovéum
l#âler:lfe.
v, d.i.het kleveriye vocht en de overige vuiligheden,dieaan
schapevachten zi
jn bli
jven zltten.Het eerste schl
lntwe1hetmeestvoor
o
n
z
e
p
l
a
a
t
s
t
e
pa
s
s
e
n,
de
wi
j
l
di
t
j
h
0
e
s
l
e
c
ht
d
a
n
o
o
k,
nog we1- doch het
andere niet - pleegt te worden ingezameld.In ieder geval wordt hier een
sterk riekend vochtbedoeld.- Ofmoetmen hier denkenaan eec,azb'
n(
?
Yemene (alsnominatief)46,307,iemand.Zooook Sp.Hist.1,vlll,36,lQ9:
Begrijptdiiemene van dire mesdaet,Hine doet didaer an geen quaet.
W aar echter in Zedel.63,iemant staat.Mnl.Dist.Caton.1,14:
Alse diiemene ghevet lof,Ne wes te blider nietdaerhof.
Zoo o0k IV?36.- Anders is iem ene accusat.Zie 1699 ofdatiefyzooals
W alew.8578 :
Hetsa1yemene an sine rebben Van ons tween sekerlike gaen.
156
Iewerey Q75, 380, ergens âadzl,naar eene of 4w#:r:plaat..Daarvoor
vindtmen ln Lksp.yewern en yewer& vM2.
f.Zie Gloss.
Iew et 55Q,eenigazinn,idfwtd/.Rein.IQQ,Q376:
Ende van den scatte,die ic begheerde,Gherne iewet hadde vernomen.
(In elker w:s 97),op geliikef
zJg'
zd,eventoo.Hettegenovergestelde is:
(In neghere wise 101),op pd:l:z./piwb'
z6.Zieghere.
Ypocrisie Q53, âuichelarb'
, g:::izl,#J,i#, vermomméng (Gr.ixlx/fœfl,
Matth.XXIII:Q8).
Ypocrite Q40, huichelaar, #:t):il.
?#6'(Gr.qwcHitréç.Matth.XXIII:13;
Luc.VI:4Q);Mtzoep.II,3944,40739Lev.v.Jezusc.47.
J.
Jaghen 917, begeeven,JJtI
JJ maken pz éets,najagen.Ziebeiaghen.
W alew.1853:
Wetwe1datdiescone maghetE1en genedinc en jaghet
Dan tedrivene harejolyt.
Jeghen 13Q, 138, 494, 829, 994, tegen, tegenover,J*
,#d1.
r.- E nen
iegh e1
4 gaen 664,iemand te gemoet#J4s.- E n en ieghen com en
754,ivmand ontmoeten,tegenkomen.
(JofQl0),of.Walew.6171,66559Ri
jmb.1Q0lQ:
God sendde* sinen propheteNathan Te hem,jofenen andren man.
Joghet447,jeugd.Jbzcâlef#.Lksp.II,3,83;111,Q,19:
Diejoghetdieheeftzelden in W i
jsheitofte subtilen zin.
Esopet LXllI,19:
Men soudeden kinderen in diejoghetDwinghen endeleren doghet.
Jonste 5Q0,gunst,#:z)eg,aâ:i#.Meestalgeschreven onste.Lksp.111,3,3Ql:
En aensiet niet wathi u gheeft Maer die onste die hituwaertheeft.
U , TI.
Calengieren 885,aanranden. irlbeslag nemen.zicl toeëigenen.KIL.siôi
Jz,
yardrr,.
IïJiretinere,vendicare.Limb.IV,981,1755.
Callen 492,praten,lJll:/:z
).KIL.nermoninati,fabulari.ZieVanHass.ald.
Rein. II,6739.Vooral in berispenden zin,evenals thans:kletnenensnappen.
Hildegb.176,197:
Des bid ic u mit rechter minnen,Ofmen souder veel ofcallen.
Cam p 135,rtri
jd,w&#J.
fr##.Prov.Comm.l41:
Beter camp dan hals ontwe.
Est melius bellum pro collo sive duellum.
W elk spreekwoord ook voorkomtin Rein.lI,6796àW alew.6939Caerle.
El.1Q34;Theoph.1lQ8,en,meteenekleineveranderlng,bi
jHildegb.'
lQ4,18:
Tessienre (d.i.schooner)camp dallhalsverloren.
Capoen 6Q7. Hier voor ieder gevogelte of stuk vleesch,dat.li
jden
lnaaltld moet worden kleingemaakt.
157
Cappp 878, kap, v?
4fd; hier een prachtig hoofddeksel.Elders o0k wel
een monn'
-.
l
kskap.Zie Hildegb.153,5l.
Caproen 264,kaper,âoofddeksel,Jp,#,mats(Fr.câaperon,waaruithet
het voorgaande capj)e van capa.ZieDUCANGE).Beatr.169;Lksp.111,4,
middeleeuw-luat.caparo.Zie DURANGEI,dat van eaput afkomstig is,evenals
10l;111,Q3,1809Reln.944; Heelu 1415.
Caritate 3QQ, 3Q5, liqtne. z
a,l,cJS:p:a#J:5#; o0k we1 eene daad van
6'
Jr1/df9
.'
kefi(/'
#e.In hetleerdichtDie D.Doctr.1,6!4 e.v.vindtmeneen
b
i
j
z
o
nd
e
r
ho
o
f
d
stuk met het opschrift: yvan caritaten,ende watcaritate
esj
''dat met de uitweiding van onzen Moralistverdientteworden vergeleken.
Keyttjf400,40Q,903,1052,ellendig,Jrzzzlîù ;meestalkatb'
f,l/f/j.-/of
ketgf geschreven (Fr.chett
f van 'tLat.oalttivlts,duseig..
qevangene).HuvoEc.
op Stoke1,bl.511;CLIGNETT,Bijdr.b1.Q9l.- Van ditwoord,datzoowel
zelfstandig alsbi
jvoegli
jk gebruiktwordt,vindtmen o0kden comparativus
keytiver.Zie Esopet XXXVIII,Q6.
(Kerdkt weder 338), tekeerde J# zicl,kwam hi
j van zi
jn verzuim
terugyna afgelegde biecht.
gKerstenheit 89,94), Oâvhtendom,G rid/,zlf
zldrd/d.Hildegb.140,137.
Kinden (mv.van kint)909.Zooo0k EsopetXIlI,39Flor.enBl.4Q9:
Seldine ter Montorien ter scolen sinden,Daer te leerne metandrenkinden.
Niwe Doctr.1Q89:
Ic kende die kinden,die van hem bleven.
Claereit 4*,clavet;een drank uitwi
jn en honig en eenige sterk riekende kruiden bereid.Zie mi
jneAant.op Mnl.Ri
jmspr.lI,90;Ferg.Q6:6;
W alew.10284; Flor.en Bl.1643,Q196:
Tuschen die goudenecoppeentiesilverineSchincten sidenclareitmettenwine,
Moraet ende andren dieren dranc.
Die Rose 1807 (waarsprakeisvan den ouden tijd,waarover Boëthiusde
Consol.Philos.1I,m.5 uitroeot:Feliz nimium prior 4ef44...
NeeWlcclirl mune'a noratzigvidtpconfunderemellej:
Sinedronken wi
jnsnv claerheitjW anthiwashem onghereit.
Clappqn 64,praten, lJJ1,pl. KIL.k1appeyen,fabulari,#Jrrf,':,
in&tar zz
?vfz,rvw.Hlldegb.161, 38Q:
W at souden wy loven ander temen,
Die die dwasen ofdie doren Malcander clappen voerden oren
Ofdoen verstaen in nauwen radeî
Clerc 698, leerting, ntudent. Van het Lat.elerintts,dat o0k voor diso'
i-
,wlv: gebruikt wordt;zie de bi
j DUCANGE aangehaaldewoorden uitCapi-
tula W alteriiEpiscopiAurelian.c.6: Utvz
lz#zvggv, Prentyter suum Jllelf
Cleroum,gfzdylreligione educave procuret.
Cnapen,dien du drancende spise gheues461.W aarschijnli
jk worden hierzulkebedienden bedceld,diebi
j iemand in den kost zi
jn
en in 'tMnl.heeten brodig he k n ech ten ,Mnl.W db.1,1447;ofook
we1brootaten,Mnl.W db.1,1458.
Coelen 599,600, .
voelen,/w@/,l:a,door water verfrisschen.Rijmb.
10Q73.- 1aet coe1en 640,laatafkoelen,koud worden.
Coen 1043,1047,moedi
g,#ri'#/taudax).
(Coenede 344,348),coenhede,moed,Jri,z/âei#.Theoph.13Q9,3Q:
W anen comt u die coenhedeî - W aer hebstu die coenheitvondenî
158
Coenheit 1045,1049,hetzelfde a1s het voorgaande C oen ede.
Coep doen 1116, kandel, â/ozzlllzcll, dr#ven. - om m e c0ep
vaeren 697,voor den âandet z:iz,l.
Coepuaert836,koopvaavd#.In Lksp.111,l0,69 heethet:Coemanscap
hanteren
Endedaeromme varen ende keren.
Conquereren 853, bemachtigen, overmee&teven, frarâfdr te tlarâr#gzw.
(Lat.conguz
'rer:).Reynoldt(in Bilderd.N.Taal-en Dichtk.Versch.1)l73:
Dit swoeren alle gemeenlike Die kerstine,arme ende rike,
Datsi,sonder enich sparen,Te Jhruslem souden varen
Ende conckereren datheilege lant.
Conste 5Q0,kennén,l,âYJczaJ:i#,kunst.
Cont m aken 655,bekend maken.Zoo ook St.Brand.889,1950.Elders
ook con t doen.Ibid.17;Stat.-vert.Luc.lI,15.
Cop 64Q, 657, nap, dvinkbekev. Alex.IV,13459Ferguut 8039 Flor.en
B1.164Q
Daer ghinghen die guldene coppe entie silverine
Beide met clareite ende met wine
Onder heren ende cnechte ghemeenlike.
Coperkn Q48,van âpy,z'.Zieguldin.
Cortelike 7Q4,98Q,moedig,w:l#rtz,én âpr/,l fi'
#.
Corten 19Q: sine dagh e corten , z#n îdpdr
z vetkorten,door zich
den dood ofde doodstrafop den hals te halen.
Cracht 8lQ,geweld,plwd/fk gebl'
uik wl,lmacht.D.Doctr.lIj3714:
Maer cracht ende ouerdadecheit
Salmen rechten,wats ghesciet,Des en mach men laten niet.
Cranken 555,krenken,Jpfzdazfwdl;cran c gh een am bach t m et
quader cure,Tergmak lf:wcl##handwerk,lr:ay geen 18z./@ @ Jr/o#-
minnéng ïl minacâting door vw, vevkeevde l:wp:ï,l#. Hildegb. l7, 1Q3;
Karelde Gr.1,89:
So selen wihare heersop minder Maken ende cranken mede.
die Cruce ontfaen 374, ter lrz
fidfprlfpaan,a1s kruisvaardernaar
'tHeiligelandtrekken methetteeken deskrulzesopdellmantela1sbewi
js
van deelneming aan dien tocht.Cèuoem J'
vzv-:re,zegtDUCANGE,dicebantur,
g?
zfad 4c<r4 bella Arpf:c/vrïCvuch zy-lpllvlpalléén4.1 a&nuebantetcy#:nantil nlgnum pofïru: illiun ::ry:#ifï/lfd.
Cume 103Q,naumelb'
k& (Hd.kaumj,D.Doctr.II,1141:
Van honderden es cume een man Die we1te poente helen can.
Parab.e.Leren (Vad.Mus.II,180),l03:
Ghetrouwen vrient eest goet dienen, Men venter cume een van tien.
1ljYDEc.op Stoke II,l86 en deschri
jvers door mj aangehaald op Mnl.
Rl
lmspr.II,37.
Kunnen= kennen, t
?:rzf/ll l9j Q8:vr0edscay,die m en can,
metenzcâap,w/lrrls men rerzfla# âeft.- 944: dle der w i
jsheit
1ette1canjdo 4l,4f4mdné; w,r4f4l# heft.
159
Cllpe 348:a1sti w elgaet ter cu re, manneer â,/ w ,oo goed #JJ/
al&## menncâenkunt.D.Doctr.II,997:
Die uele vriende ghemaect heeft,W et,dat hisekerlike leeft
Ende bewaert en weltercure.
Limb.V,1416:
Her Echites sliep wel ter cure.
W alew.95029Stoke lXjQ9:
De wint wasgoetter cuere.
Zie de Aant.van HUYDEC.111,b1.186;CLIGNETT,Bi
jdr.bl.74.-'m et
q uader cu re 555,metsprâ:rr#: bemoeiing.- Hildegb.167,Q87;180,159,
schrijft:w e1tercore,evenalsLksp.Zie Gloss.
Cuus 601, nuiver,rhl (van zaken gesproken).Het tegenwoordige kuhcâ
wordtmeer van geden gezegd,evenals Q07 en Qll cu u sch eit.
r.
Lachter 191, 504, 509, 936, laater, :câJl#:, oneer. - 1ach ter
sp1
-eecken 454, 499, 771, ncâande ,
vyr:âdz,,amaden. CLIGNETT,Bjdr.
b1.86; Lksp.Gloss.
. Lachteren 6Q,508,8Q4,l
anteven,laken,J'r/pda.
Lachterlgc 938,ncâandelb'
k,J::i@fxgYJcr##.HUYDEC.op Stoke111,
4Q59CLIGNETT,Bijdr.b1.86;VAN WIzN,Aant.op Van Heelu bl.lQ4.
Laden 10Q0. Eig. inladen b.v. *ln
een
schip ofschaur; Vd.opâoopen,
verzamelen. Zie Gloss. Hildegb.
alte groten rou w e 1aden 288,
te Zee? bedroe
fd z#n,te z't
?r aan #r/(/'
J:f# toegeven.Eigenli
jk isrouw e
laden , COZ/?T in zicl opnemen en kom t dus overeen m et het Lat.dolorem
nu,
qciyere door Cicero gebruikt Tusc.V,33,95.- die ghene die dw a-
ter1aet10Q5,Ji'dieâefvaterïzzzicâ opneemt,#ï:aan wl/:z'
zvcl/liidt.
De verklaring door DE VRIES gegeven in het Gloss.op Lksp.laden,die
hem bi
j nader inzien bleek verkeerd te zi
jn,isverbeterd in de Bijvoegsels bl.698.
(Lagle 148).Ziede aant.op b1.38.
Langhen tlkf 6% 303, het leven p:r?8l#aa, lanlerdoen pnprf#f/r,a;
(hettegenovergesteldevan slne daghecorten).Rl
jmb.715:
Int lantvan Seres wast,seggic u,Een dinc an bome,die es alru,
Daermen mede langettli
jf.
Hildegb.149,5Q:
Wi
jen moghensecorten nochte langhen.
Lanc m aken 1111, veelvoorden g,lrzfiâ:s,over l/z uétmeédên.Buiten
de bl.fQ8 opgegeven plaatsen.vindt men deze uitdrukking nog meermalen
in W alew.b.v.Q546,4394,7356,10779.
Laten 146, toelateu,gedoogen.- laten 859 en laten te doene
959, 990 nalaten.- 1aet h ou d en w ech dor niew en n iet 751,
rerlaat den ouden, den u bekenden, veg,zli:f voor eenen wi,f-px,welken
gijnietkent.
Laten 390, ondetloorçgen, ,JcJ/:r#. KIL. verklaart 1aet door colonu,
dllf<,
/#,nonduotorrillae::?fundi.ZieVan Hasseltaldaar.
160
Leden 378, 83Q,geleden,#vc4::,r# (deelw.van 1iden noovbëgaan,
Fr.panq
tel.
j.Flor.en B1.1995:
Icweetwe1datcul
ne leden es Datvierendeelvan enen jare.
D.Doctr.111,1Q94 ;Lksp.111,Q5,17:
W antden ledenen ti
jten can Nemmermeer verhalen man.
(Leden bleuen 161).Dezewoorden moeten beteekenen:roor.
kp:#geJ?J.
v.
y::r#,verdwenen;(in den Comb.tekst746staatghesonken neder).
W aarschi
jnli
jk heefthierde afschri
jvergeknoeid.Dezelfderegelkomtterug
QQ6,doch zonder b1euon.
Leden tltjf Q04,546,581,109Q, het leven leiden,#pprlrdz
/dr,l6v6n.
Mnl.Dist.Caton.1,4:
W anten esman no wijfDiesonder sonde leetsi
jn li
jf.
Ledicheit 967,9:3,werkeloo&âeid,onthouding f?JI avbeid,lviâ:ï#.
Leet 834. Zoowelzelfst.als bvgl.nw.gebruikt,evenals thans: het doet
zz
d# leed en het ï: m# leed.Rein.Ql4Q, 30109 Ferg.1307.- Dezelfde
eigenschap heefthetsynonieme woord seer.
Leghen (an iet),aan f:/,
r gelegen ff##t
> oflaten gelegen à#g8l 16l:
o
ffer di
jn 1i
jf an1eghet,indien er vf?p leven mede #:zz?5:i# ï,.Transitief 1Q1: dinen m oet
n e 1eechgre n iet an te seere,
zetfzvJ, ginnen daavop niet te zddr,laatu daaraan nietteveelgelegen liggen.
D.Doctr.IIjQ469:
Ri
jcheitmach men hebben waleIn dien,datmen altemale
Therte daer an nien leght te sere.
Lenen 294,te î:'zlgeven.
Lenen 659, leunen. KIL. veclénare. illïf/,incumbere.Vd. zegt hi
j:
leen estoe1 nella r'clilafpril.
(Let382,fout,tl
ero:r#l:i#.Van Vr.en M.(Verwijs b1.4l):
Tiseen hardegroetlet,Dateen si
jn hertedairtoe set
Te doene dathilaten m oet.
Sp.Hist.lI,vll,Q,67:
S0 dat hi en weet van geenre letten Daer pine af comt of enege smette.
Lettel 866, 944, meinig, luttel, il gevknge mate. Rein. QQ6, 780.-
lette1ikedrincken 593,1# beet
jen,metkleLne/:?
z#,>.Daarvoorheeft
het Auden.Fragm.67,1ich telek e.
Lieden (mv.van 1iet)4,liederen.- Evenzookinden 909,kindel'
s.
Lieghen Q46, bedriegen, door een vermomd kleed of valsche woorden
misleiden.Rein.485:
Reinaert es fe1ende quaet,Hisa1u smeken ende lieghen.
ln de beteekenis van tedriegen heeftlieghen den datiefbi
j zich.Mn1.
Ri
jmspr.IIjQ8:
Miheeft menech m an gheloghen.
MLcep IVj 1730:
Ic soud u lieghen harde node.
Hildegb.lQ3,ll6;Q34,Qll:
Is dat nietbiechte van bedrieghen,Daer si hem selven mede lieghenî
4
161
L:f68,74,161,303,âet/*zl.Qbss.op Flor.en B1.jGloss.op Lksp.,
D.Dodr.111,14O :
Seneka seitjdathiqualec leeR Die den hoep op lange li
jfheeR,
a
l
wa
a
r
d
e
nk
e
l
i
j
k
b
e
d
o
e
l
d
wo
r
d
e
n
d
e
wo
o
r
d
e
n
v
a
n
S
e
n
e
c
a
Ep
ist.4,94:
Nulliy/fe#/necura t.i/J contingere.(videprodunenda 11-64 cogitat.- Eene
merkwaardige uitdrukking is li
jfhebben voorleven.Men vindtdiein
W alew.477Q:
Hen mach gheen mensce cornen daerDieli
jfhevet.
d.
i
.
g
e
e
n
l
e
-w
#
,
:
J
:
,
4
:
l
,
ni
e
ma
nd
t
e
r
Y8
r
:
l
#.
Bi
j
o
nz
e
n
Moralistheetdat
9K :ghene lieden die leuen.Zie ook nog W alew.5Q65.
Linghine 384, vuil, modder,#r,â.KIL.1in ghen e,limu&.Lanc.II,
40959lIj16666:
.
Ende slepx daer mede Doer goer ende door lingine mede.
Ibid.II,Q5833:
Si worpen na hem alle ghemene Linghene,stocken ende stene.
Hetzelfde is 1in ge.Lucid.801.
h em Liuereren. Zie te1iuereren.
Lodder 867,léederlëkekerel,4>:8r&,,deugnéet.KIL.&nurra,J0>0Ten6in den ghilde''wezen,zoo min a1sdedaarbi
j genoemden:t.w.moerd-
revz.neortator.Lanc.II,40939Limb.111,954.- Zoodanigpersoon mochtniet
branders, dief, moerdenaer, zeerovers,verradere,boerssniders,die alle met
1odders genoemd worden in:Van Vrouw.ende van Minne,bl.1.
* ,Q19.
Loghene 95,367,leugen.Lksp.111,l5,l40:
GM die ghevehem onlanghelijf,Diedeseloghenedachte.
111,15j173:
Ondanc heb% n sidiet peinsen Ende dusdane loghene veinsen
Luchter (hant) 731,linker âand.Caerle.Eleg.lQ90:
Metdathidietale seide,Sathiop in si
jn ghereide
Ende hinc den schiltter luchterside.
St.Franc. 7449;Rein.1054;Alex.V,13l:
Die rechtere scare vacht aldus,An de luchtere vachtClitus.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.316.
Lude of stille 705, in elk #8p4l,in ,îâ opziat.Die Rosej
'8Q46;St.
Franc.81409 Gloss.op Lksp-; Hildegb.
Lustich 757, opgeruimdb prp/l#;, aangenaam in den omgang.KIL.
delectabilinjz,z/fwv4,taetun.Lksp.lIIj4,IQQ.- In ongunstigebeteekenis,
dusvoerlutig,staathetbi
j Maerlant,aangehaald in Stoke II,1l6:
Hiwas lustich ende sere loos.
M .
M ach lichte 103% mincâien, w:l/iM/,het mag licht gebeuren,dat.
St.Franc.* 19:
Ma
ch lichtedebrœdersmi
jn,Die in armen steden zi
jn,
Alsivan mihoren tale Dat ic bem onder de cardenalej
Sullen wanen datic enz.
11
162
Flpr.e.Bl.4ll:
MachlichteFlorisheeftghemintS0jhestadelike,dathnofschekint
Blancefloere,die scone es,Dat ic ml sere ontsie des.
Zoo ook Sp.Hist.1,vlll,34,55.. In beteekenis heeft het veeloverœnkomst
met bi au en tu ren 19Q.
.
M achodg 877,mhncâien,=8lîïcJf.Ditwoord komtzeldzaam voor;men
vindthetbi
p MaerlantSp.Hist.II,1,10,43,waar deuitgeversnaar deze
plaats verwljzen,en dit woord in beteekenisgelijk stellen methetvoord.i.gaarne,îi<â/:l#;.In diebeteekenisstaatode bi
j StokeIVj1492:
gaande m ach lichte. - M ach ode is zooveel a1s: 't m ach ode,
Ghimoghetdat ghemaken ode.
en Sp.Hist.1,lI,6,Q8:
Ende vandertafle ende vanden brode,Daer men Godemetdienensoudeode,
waar CLIGNETT,Aant.1,bl.35 verklaart het woord ode nergenstehebben
aangetrolen buiten die twee opgegevene plaatsen.Zie 00k HUYD:C.op de
aangehaalde woorden van Stoke II,bl.Q88.
(M aercken Q63,340)mevken,opmevken.Zie m erken.
teM aghe treeken 851 totùlp,#v:r=4x/rekenen,totz/a:faméléelr,xgen. De zin is: whetgeld maaktdatiemand een ander,die ri
jk is,doch
hem volstrektnietaangaat,gaarne a1s1id zi
jnerfamilie beschouwt-''Prov.
Salom.XIV,Q0:âmioè#i,z
'/vw multé. Rein.II, 7409:
Dietwe1gaet,diecri
jchtveelmaghen.
Een Qrieksch spreekwoord (in Menander'sMonost.510)zegt:
TJp ebrvxo6vrœv xJvT:4 :27)= yy:v:74.
Zie ERASM.Adag.111,1,88:Felicium -vl/ïcognatien BEBEL'SProv.Germ .
38l metde aldaardoormi
j opgegevene schrijvers.
M acse 770,maakJ:a.M acisimperat.vanmaken.sp.Hist.1,vIII,3% 167:
Mac dielken mensche gelikejEs hiaerm,es hirike.
M anier 195,1051,noovt.Lksp.IIIj17, 33:
W antdie vriende,alsghihierziet,En si
jn van eenremanieren niet.
MLoep Gbss.;Lucidar.(0vl.Ged.111)386Q:
Drie manieren si
jn van onvreden lieden.
te M anne gheuen 380,uitâumelb'
ken.Thanszegtmenwe1:g#n6&:Jter aan #:,1 man Ir,z
e:zl.Zooals men o0k reeds oudti
jdssprak;zie Sp.
Hist.1,111,55, 7:
Dat hibringen wilde temanneSiere eygi
jnredochterendemaken danne
Grde werscap ende grote feeste.
Op geli
jke wi
jze vindtmen ook tew ive gheven)Flor,e.B1.1409 en
te w ive n em en,Mnl.Dist.Caton.111,l3.
M atte QQO, een 4câczz,; d6k of kleedingntuk.KIL.tegen sfspr ez ïvxl,
autdfrc-dpfïd.
M ede 496,578,648,687,1091,tevenn,ïz
lag,î#â4,iel#ktb'
dig.
M ede willen l8Q, genegen z#., iemand YN mill6n;in 'tLati
jn bene
llic?
zl
' velle. Zie Plautus Trin.II,4,37;Terentius Ileaut.V,Q,6.- Van
geli
jke beteekenis is enen m ede si
jn in Flor.en B1.3176.- doch
m ede com en 405,beteekent t6 l,xrfTallen..,#:rr4r:>.
163
M eerre 1108,meêv,-:4:#:r,gvoqter.Hildegb.89,64;Q33,1449Q5lj5%
D.Doctr.IIIj10:1:
En es gheene meerre bate Dan middelheit ende mate.
Deuitgang RE diende oudti
jdsvoor comparativus.Zoo Mluoep II,1057:
Sihilthoirstilredan een mui
js.
En zoo za1 in Rein.II,6$80 moeten gelezen worden:
D0e begond hiseer te creten,Ende seide,hienmochtniet verre gaen,
wa
ar MARTIN heeh laten staan Merdergaen.Opgeli
jkewijze zou ik in
Caerl e. E1.807 voor eootder willen geschreven zien coenre.- - Zoo ook
hier:930 gekerre en 93l on&ekerve.
M eeste.Zie dm ees1e.
M einsch 9Q, menncâ.Z0o ook geschreven in Denkm.1I,bl.137)Q0Q9
en 111,bl.1Q6,9 waarhetrijmtop mein&nâe.
M enderheit 7l.ln het Gloss.op Ferpuut hee: VERDAM ditwoord
v
e
r
tolkt
dooruitgelatenâeid;doch de vergelijklngvan hetLati
jninFacetus:
81,
% âf
z-ffï: toont dat onze Zedemeester bedoeld heeftgeringnohatting van
Hcâ zelven,x,orig gedrag j:#:x4 anderen;hetgeen in Lksp,en D.Dodr.
wordt uitgedrukt door ootmoedicâ.- Het is dus hier een wisselvorm van
m in derheit.
(M endren 3Q3),minderen,par-ilpr,l.
M er 439,443,samengetr.uitmen :r;oflieveruitm6(voor menj ,r.
alse M enieh dropqls%n (methetmv.van hetww) 10QQ:al&er
vele, oxf,Jl4r: droppel& zfl.Eene zeergewoneuitdrukking om hetontelllr, aan te duiden.Vad.Mus.1,391,73:
Alsoevelegoederjaren a1sdropelwaterssi
jn indiezee.
M erken Q6,94Q,opmerken,gade&laan.EsopetXXXII,13:
Die merket op eens anders pine,Te min vernoyt hem die sine.
M esdade 940,impf.van
M esdoen 943,947,mésdoen,zpp#k,s,revkeerd âandel6n.Rein.3419:
Es daer mesdaen, men saelt soenen.
M esuallen 3Q9,350(onpers.ww.metdendat)ovevkomen,vanietskwaads
A 1se di m esua11et,aln â:f u zl,,âfgaat,Jl.
,u een olgdff
z: (m esva1Alex.VII,3869Rein.401,II,6866)oveekomt.Lksp.1,5,36;Rein.3250:
ofeen ongeluk,alst m esua1t den 1ieden,al&7l:fâun fdg:lînpzf.Ic waende hem iet mesvallen ware.
di
E
le
deo
r0
skmmie
ss
cv
oa
meernenLkgse
pb.
Il
!i
I 41,
Q,Ql
84;.Ferguut46909EsopetXLYIII,lQ,
ru
11
M esscien 350,75Q (van geli
jken aarden beteekenisa1shetvoorgaande).
KIL. male ep,lïr:, ninintve o,rï#era. Mnl.Dist.Caton.1,Q3;111,18; Hildegb.179,19D.Doctr.1,Q00:
Ende soe wie spreect onuersien,Hem moetere dicke afmesschien.
CLIGNETT,Bi
jdr.bl.3679CLARISSE,Aant.op H.d.H.bl.1559Lksp.Gloss.
DE JAGER,N.VerKh.b1.Q87.
M essitten 935,937,mintaan,âw/l#ântaan.Sp.Hist.1,II,4l,Q6:
Hibeterde so hogelike
Sine mesdaetjdat men vergat Aljdat wilen an hem messat.
164
Mex.VIII,68Q:
Ende dat ic ooc tallen tiden
Dien coninc seide dat hem messat,Dat maecte mi methem ghehat.
Elders niet w elsitten,RoseQ175; en qu a1ic sitten, Bern.epist.
tote Raym.(Denkm.111,10)Ql9.#gl.va16ziff,l.
(M ettien 4q,(uitm etdien)daardoor,ten#:,:1#:daayvan.Levsnvan
Jezus c.l79:Ende mettin ui1 l1i neder ende anebeddene op sine knle.
M iddew aert 64Q, âet 0ai##:l, middelnte #,#:&f:;h efvp den cop
ter m iddew aert,nêem den leâ,r op ïl '/midden (Lat.perfzfrv?
zkçw,
latuh,nietboven bi
j den rand (Lat.non ,:rrç
pam).Flor.en B1.Q584:
Enefonteinesprinctdaerin demiddewaert,In diescoonstestatvandenbogaert.
Alex. V,19l; St.Franc.8351,9601;W alew.lQ80,waar ook 3740,5030,
m edew aert van der rivie1-en gebezigd wordt.HuyoEc-opStokeII,35.
M iede 803, 806, beloonçng, vooral wanneer die strekken za1 tot 0m-
kooping (donum c/rrv,fïolio.Hildegb.IQO,37:
Nochhn si
jn sijintharteblint,Die om myederechtversmoren.
Lksp.II,34j36;IV,7,59D.Doctr.II,5409CLIGNETT,Bi
jdr.b1.5Q.
M icken 174,gewaarfz
Jp:#:>,temewven.Senekaleren (0vl.Ged.1)58i:
lc si
: onse leven ende micke Ende vinde onze weghe alvolstricke,
voor welke woorden ik nog geen betere plaatskan aanwi
jzen dan in Di&1.
VIIde Vita beata c 1,Q: n tae tritinima guaeque pï4 etd:fel:rri-l maxime
A/zif.- 00k wordt m ecken geschreven,zooals Lksp.111,10,101:
Ende wie in hem selven mectDathem wi
jsheiden veleghebrect,
Hiesvan naturen wijs.
HrYDEc.op Stoke 111,bl.306; CLARISSE op H.d.H.446;Hildegb.Gloss.
M inderen 980, êermknde3.
en, minder Aalâex,verteren.- 1033,vermin& e:l,m-'der morden.
M inderheit.Zie m enderh eit.
(M inleke95).HetComb.Hs.631heeR suuerlike,n6#6&,zondervdrz-.
M inne ontfangen in sinen zinne 969,lie
fde,w:#1# Lnzfcl op-
nemen.Walew.7387 van b111nen on tsteken w erden van m in ne
(Lat.conci
pere amorem,amoreis<,a#ï).
M oet lQ0jlQ3j995,gemoed,âlrf.Rein.1896:
Doe peinsdi in sinen moet.
Troj.Oorl.(0vl.Ged.1,6)43l:
Men heeft gheseit te menegher stont,Datesin den moede,datsindenmont.
Die Rose 6$01; Mnl.Ri
jmspr.IIj5,4;CLIGNETT,Bjdr.bl.Q889Lksp.
MLoep Gloss.
M oghen Q17,98Q,1006,1098,kunnen,t/
drwpg:s.EsopetXXI,15:
Die luttel mach ende beroemt velejHets rechtdatmen met hem spele.
N.Doctr.Q445:
W antdie nieten heeften mach niet gheven.
M oghen 10Q7,lunten,Je#eerde Jellel,tot eten of drinken.Rein.1115:
W at sechdi,moochdishonichs ietî
Belg.Mus.(l84Q)b1.184,Q9:
Tes quaet met hem drincken ghelach Die qualec geldtende vele mach.
165
van M onde slR n 367,ontk-not,/,#:-,r,â:..Eig.nanzi,âafmerpnn.
Hildegb.154,lQ4; Lksp.lIj38,89:
Sislaen die waerheitvan den monde Mids den valschen orconde.
111,% I4Q:
Alseide yement van hem quaet,Een ander dat van monde slaet.
M orseel 631,ntuk,lêpl,bete.(Fr.morceauj.D.Doctr.111,1008:
Die wi
jn ende vette morselemintEn mach nietworden rike.
111,l0Ql:
Die mint leckere morsele Moet armoede hebben uele.
Rein.134,9Q39Parab.endeLeren (Vad.Mus.IIjb1.t78)59;Walew.8050.
N.
N ap 736, beker - elders ook c0p geheeten - Ferguut 8039Rose
59489D.Doctr.111,14759Walew.67639Levenv.Jezusc.55;Ri
jmb.Q5937:
Daer na hihem den nap gafjEnde seide:Drinct alle hier af.
Zooook:napvan goude, gouden la,r.Alex.IV,134% die daar1348
ook cop genoemd wordt.
N auonds 505, aan #:r
l avond, na & f eindigen van As dag. Rose
Q403.- Zoo ook naven s.W alew.10306.
N eder 595,gering,1:#:8# van ntaat.D. Doctr.ll,637:
Daer om sal,sekerlike,E1csoeken si
jn ghelike,
Die hem te mechtech niet en sijNoch oec te neder daer bi.
Rose 6085:
Daten mach hare niemene verbieden Van hogen,no van nedren lieden.
CLARISSE, Aant. op H.d.H.b1.184,Q77;Lksp.Gloss.- Het tegenovergestelde is h ooch.Zie h ogher.
Neder scinken (den wi
jn in den nap)735, laa; 14:â,e,>,zoo dat
men de kan nietin dehoogte houdt,maar dichtbi
j den bekerbrengt.
N eerenst 4> , ernnt; tegenover scern e of spele, &câevtn.Lksp.
111,3, 6Q0:
Dat ghinemmermeer voortan En lieghet,in aernste noch in scherne,
waar in de var. staat neernste.Zie Gloss.op aernst.Borchgr.van
Vergi(0v1.Ged.1,bl.6Q)l81:
Die miere doet s0e vele,W illic in erellste no in spele
Nemmermeer verraderesijn.
W alew.8574:
ln weetofghi
jshoutin spele,SpracW aleweinjhetsnerenstmetmie.
HUYDEC.op Stoke111,bl.QQ8;CLIGNETT,Bi
jdr.b1.276.
N egheene 571,1057,Totntrekt :,:1:,nQt :,a, 6nkel6.Hildegb.103,Ql:
Verdienen ridderen ende knapen Neghenen loF in horen wapen,
Soe mach hem sarbeits we1verdrieten.
Ne mler dlt 77% maarilfegzx#ze?dai.
166
Nemmeer 506,684,nQt-::'.ni6tl4l#:r.Rein.6579Ri
jmb.3Q5Q:
Doe hiwiste dat hinemere Leven soude,heeR highesint
Omme Joseppe.
Van veelvuldiger gebruik is nem m erm eer,waarvoor hier 1030 staat
n em m erm ee. - 0ok elders komen m ee en m eer naast elkander
voor; zie Rein.II,4717,7Q4Q.
Ne w are 349,maav,daarentegen.Eein.95;EsopetXXXVII,9:
Dusat die vos; ne ware Daer bleef.1.hongerich odevare.
W alew.47QQ:
Daericdiejoncfrouwesoudewreken
Stackene midore een rudder fel;Ne ware ic wmc mi selven we1
Over hem ende brac minen scacht ontwee.
Ibid.9465 en new aer930% 9343.
N eue - nichte 799,retve llp,#- en aannerœant6n.Rein.1979:
Hine vermaende nichten ende neven,
wa
arbj MARTIN aanteekent:ndieVerbindung bezeichnetauch diefernsten
Verwandten-''
N iemare 366,368,953,gerucât,lidvo@,geptaatvanâ:fvolk.CLARISSE
den wordtbi
j* Hildegb.6,1:
op H.d.H. bl.366. Hetzelfde wat in twee woorden nu w e m aer gevon-
Ic heb vernomen nuwe maer,A1 seg ic nuwe,tis openbaer,
Siheeftlangetijtgeweest.
N iem ene (als nominatieg 376,niemand.Rein.1349:
Ic wane,hier niemene en es so sot.
Sp.Hist.1,v1lI,36,76:
Dats hem niemene en scame daer achter.
Rose 6085:
Dat en maach hare nienaene verbieden.
W alew.6961:
Niemene latene hem ontgaen.
Ibid.9333:
Niemene ne wart ontwaken daer.
Andersgeldt deze vorm voor accusatief.Zic yem en e.Rein.l23:
Dan was biniemene dan bimi.
Niewer 85% n'rgenn.W alew.87Q8:
Sine saghen Osteelno huus,No niewer daer si mcchten varen.
N iew et 1084,nooit;het negatief van iew et,dat enkele malen voorkomtmet de beteekenis van ooit.
Nochtan 647, daarenboven. F10r.en Bl.Q0959 Lksp.111,19,79;Hildegb.Q4,QQ5 e.e.Zie deGloss.opdiegedichten en HUYDEC.opStokeIIjb1.538.
Noot 9Q9: dies es n?et, dat i, noodig,daaraan ï, tnâofte.Dit
woord heeftden genitivus biJ zich;evenals het ww.
Noot hebben Q3% 1046,noodi;â4ll,x.Hildegb.170,107;Lanc.II,Q458:
Si hadden noet van rusten.
D.Doctr.1,3l0:
Houtsilentie toter stontDatghisprekens hebt noet.
167
Flor.en B1.3887t
Daer ne haddeniemen wenschens noot,
d.i. op dit feest was alles z00ri
jkelijk aangerecht,datervoorniemand
ietste wenschen overbleet - Uitde aangehaalde voorbeelden bli
jkt,dat
no0t hebben steeds den genit.bi
j zich heeft.ln de door HOFFMàNN
uitgegeven Prov.Comm.604:
Rechtheeftdicwi
jlhulpenoot
za1 dush u 1pen moeten staan,zooals in de uitgaaf van Delf,die debeste
is. En z00 staat ditspreekwoord ook verkeerd in Rein.IIj4576:
W anttrechtheeftdicwi
jlhulpenoot.
N utscap 38, 1059, nut,voordeel.Mnl.Dist.Caton.IV,l;Hildegb.l5,
104,e.e.;Lpcid.801,3610;Ri
jmb.Q4780:
Duspropheterde hite voren
Dat den volke nutscap groot Ghelaghe an ons Heren doot.
Z
ie CLIGNETT, Bjdr. b1. Q37, waar hi
j doet opmerken dat de uitgang
scap zich vroeger bi
j meer andere woorden voegde,welke wi
jthans
zonder dien uitgang gebruiken,a1s h aetscapjech tscap,e.a.
Nutte 56,1097,nuttk.Rein.2597:
Verstaet we1 ditte,hets u nutte.
Qrimb.00rl.1,3106:
Dies men mochte te doene
Hebben,ende dair t0e gescutte,Dat oirbelec ware ende nutte.
N utten lQ8,gebruiken, #:li,/:l, zieâ t6n lvffe maken.De meest voor-
kcmendebeteekenisisnuiti
gen,:/:>. Ferguut33009Mnl.Ri
jmspr.IIjl8.
o .
O en OE op elkanderri
jmende iy doem pn- com en 455,471 en
in com t- n oem t 681.Zoo ook Reln.IIj4557:
W e1 is die vrient ende tgheltverdoemt Daer niemen troostofbaetofcoomt.
Caerle.Eleg.47Q:
Ic *1 u segghen,hoet cûomt,Als ghi miuwen name noemt.
waarbi
j HOFFMANN aanteekent:nRaro,/:fl no&terzip:/ettorum :zifvA v
negligit,z:rxf tamen â:c locotvf aléifvpfl, OE 6tO confundunt,falna
for&itan ,rdllllfilfipl,commotç.
'
Of Q9% 565,673,676,717,76% 82% 91% indien.CLIGNETT,Bi
jdr.b1.
335; Hildw b.1Q8,13:
W atbaetdan yemlnts hoghe vesten,0/ die maten mitten besten
Sterven moeten ende varen?
W alew.6416:
Nu peinstom derwereltere Ende verweertju ofghimoghet.
Om beren 1017.Eig.ont36r6n;vd.nalaten.Troyen 5159:
Sy moesten sterven ofbestaen;
Hem te wrekene ofte werne:Dies en stûnt hem niett'onberne.
Doctr.Sauage Q9:
A1sghihoerteeneghen man Messpreken,diet nietbet en can,
Nebegri
jpten nietin scerne,Maer radeshem tomberne.
HUYDEC.op Stnke II)b1.5489CLIGNSTT,Bjdr.bl.69.
168
Omoede (0em oede)Q3l,%4,ootmoed.St.Brand.1*5:
D0e sprac die heere gœ de Met grooten oemoMe.
CLIGNETT,Bijdr.b1.80.Vd.hetvolgendebvnw.
Omoedieh (oem oedich)327,nederlg,ootmoedi
g.
Onbehendich l6Q,onverntandù,dom.Ziebehendich.
Ondset 937, modaad, wandaad, K4l'â,ar#âef#. KIL. malejcium,>:N:,
#agitkum.Zie VAN HAss.aldaar.Rein.II,5Q44;Mnl.Dist.Caton.111,16:
Daer du weets ghedaen ondaet,Helestu dat,du dœs quaet.
Hildegb.149,35:
Ghien seltaltoes ondaet wreken.
D.Doctr.II,3494:
Om donnosele te beurien
Ende te bescermene van ondadejDie hem doen soude die quade.
Caerl e.Eleg.900:
Hipensdejhi sout brenghen vonrtDie ondaet ende die valsche moort.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.Q3Q.
Ondec
ke
n l59 (elders ontdecken;zie 295,787),opentaven,mededeelen.De weglating der tvan ont vindtmen insommige Hss
. me
ermalen.
Z0o werd die door MARTIN opgemerkt in Rein.II,4886 on spranc en
76Q5 onscoot; zie diens Einleit.bl.XII.Vergel.Troyen 5161.
(Onder voet legghen 33.
) De bedoeliny van deze verzen is:pHijdie
in dehand houdt(ofkon houden)datw>th:jonderden voetlegt(toteen
,rpdfnoor ladero:maaktl,iseen dwaas.M Wi
j zouden lieveromkspren en
zeggen: pHij àie wegwerpt hetgeen hij in dehand k0n houden.
''Zie de
aanteekening op b1.48.
hem Onderwinden (met den genit.van persoon ofzaak)355,goâ
metïefz bemoeien,zll in fe/.vinmengen.KIL.447,ze interponere,zeimmocere
cllvireç.Mnl.Dist.Caton.IIjQ0;Lev.o.H.Q46Q,Q665;Leven vanJezus
c.QQ8;Lksp.111,3,156; 111,4,509:
Aldus sa1arm ende rike W andelen met sinen gelike
Ende hem niet onderwinden van Dingen die hem nie
,ne gaen an.
Zie ook de plaatsen aangehaald in de Aant.b1.77 en Prov. Comm.458:
Luttelonderwindes brenghetvele vrienden in.
Pauca gubernare pacem solet h0c generare.
Pauca multipliœm facitintermissio pacem .
alwaar voor vrien den za1 moeten gelezen worden vreden. - Voorts
moet in den laatsten regel pauca, dat het metrum schendt door een
ander woord vervangen worden, b-v.door como,paiz, mito ;lie,fst zou ik
willen schri
jven sim p1ex,en Lntermo&ioveranderen in introm issio
ofin term ixtio.
Oyghedeghen 814.Eig.onvolgroeLd,dsrd&l44el;vd.klein,#:r1#,ondiën9 (Hildegb.97, Q5; Q46,16),groeon,grpnf,r vorden.MLoep 1987;
j
l:#vz#,a#.Lksp.111,3,1186.- G h edegh en ishetpartic.van digh en
Mnl.W db.op diën IIj158.
Onghedure 1004,onntandvantzg,J/-izzeldld.
Ongheheeten 617.Zie de Aant.bl.97.
Onghemste 1011,onmatkgâ6id,lxff-eprkz,id.Elders0m m ateLksp.
IjQ9jl3Q;D.Doctr.111,16339Mnl.Dist.Catûn. IV,10;Prov.Comm.K Q.
169
Onghemint 107% nL6t1:-1#,neracât.Diet.Doctr.1I,1031,1111;Lksp.
Hi
jsonwertendeonghemint.
Onghestade Q89,1004,onge&tadç
g,W4,,l/vr#,onntandvantk.Zieghe-
111,5,5Q:
stade.
Onghestadicheit 103, mimelturigâeid.
Onhouesch 27Q,onâ@el#k,0pl:f::f#,onvellevend.Dezelfde bet.heeft:
Onhouescheleke 709.Deuitgang -1ekevoor-1ikevan adject.en
adv.komtmeestalslechtsvoorin hetri
jm.Zie VERDàMopTheophil.bl.33.
0ok buiten hetri
jm staathierb.v.838 ghenende1eke.
Onmare hebben 337,âekelaan,Jfâ,,rvan i,/,âebben,-rJ,â/-.Brab.
Yeest.IIjQ064:
A1s die griexe Keiser wertgheware Dat Karle hadde onmare
Tontfane gifte oRe goet,W onderde hem in sinen moet.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.81 en Voorr.v.d.Teuthon.bl.XLIV,9;Gloss.opLimb.
Onsalich l05Q en v.jongelukkzg,:&s##.KIL.438 moer,1/,lïz.
Onsekerre 931, onnekerder.Zie m eerre.
Ontberen.Zie om beren.
Ontbiden 6Q6,manâten,Focc7l/:p,verbeiden.Caerle.El.846:
Dœn wilde Carelvan danen riden,Elegast die hiet hem ontbiden.
Sp.Histor.1,vIII,58j1.(Zedelessen Q35):
S
alech eshi,si
jtseker des,9iesijnsselvesso meesteres,
Dathidar den dach van maorgen NVelontbeiden sonder sorghen.
Ontfaerm en 155,zïcl erbarmen,-4#el##d> âebb6n;vd.maten.In de
b1.33 voorgestelde vemndering zou ik nu willen lezen:
Ende om die doetjdie hem plietontfaermen
Noch des riken noch des aermenj
dewi
jlditww.alzoo pleegtteworden geconstrueerd.Rein.3510:
Ontfermtu derclaghen mijn!
Ibid.72:
Voor al dandre ontfaerme u dies.
Onthouden 720,Ji'zïel âouden,is dkenntJ/fz#,>,Flor.e.B1.39Q8:
Dammirael hatse onthouden gherne,
Ende bat vriendelike,datsibleven,Hisoudehem al.
,dessibehœfden,gheven.
Brab.Yeesten V,99:
Die rike mochten onthouden Alsoe vele dienars alse wouden.
Hildegb.Q49,168,var.;Ferg.64% 709,7lQ.
hem Ontladen 3Q4,zidâ ontdoen,pri'
zalâdl,ontlanten.Hildegb.Q%)15:
Marwyehem truerenscan ontladen,Die iswiseli
jcberaden.
OntseggheF 36$.ZiedeAant.b1.77:- Datontsegghen debet.heeft
van >/=vg
''en,xvefvillen 4JxJ//r:>,bli
lktuitMnl.Dist.Caton.111,11,waar:
Hies sot die raet ontseyt,- So wien gaf - daer doghetan leyt
devertaling isvan hetoorspronkeli
jke:
Util. xpdlfvw domlnun ., demice z,rvi.
170
Ontgien M,177,rreenen,in de beteekenisvan eeren,:,:11##:1.- 150,
883,886,998:bang,l:wr::4# g#n.- 949,95Q:uLtpr::#zfcâroorïdf,vanâten.- 557:zfcâ deemoedQ .
#g:lzçemand#e#r4#,> om in goedeverstandhouding met hem te bli
jven;doch hier zou xk geschreven kunnen zi
jn
tontfliene d.i.t6t/,rzliW,l,teolft/lvdlf:l.- Overdeondeacheidenebe-
teekenissen van dit ww.ziemen CLICNETT,Bijdr.b1.Q39.
Ontsparen 407, opmaren, door zuinig leven tkênôrenien.Mnl.Dist.
Caton.IV,36;Lksp.111,3,145:
W ant het is herde zaen vertaert Datmen lanphe heeft ontspaert.
(Ontweecht 34.) Eig. Tan den -8# af,/, d6n w,râd:rd:l m6g,0, â6t
d-llf4woor getranât. KIL. deviun.Vd.dmaan.Stoke VII,Q6Q;W ap.Rogier
13859Rein.Q516:
Die Coninc sprac:Ic ware ontweghet W ildic Reinaerde vele gheloveà.
Lksp.111,6,80:
Die es harde sere ontweeght,Dat hihem selven verteertalsoe.
Van glli
jke beteekenis is buten w eghesijn,afgndmaald zil.Rein.
1681, waarvoor Theoph. b uten pade, buéten of mo& ; zie VERDAM
b1.143. Hiertoe behoort ook den w ech ver1i!sen Ferg.5139insgeljks:herw aertendeginsghedw aeltbi
J Hildegb.Q,60.
hem Ontwonen 964,zf/ ontwennen,de#:Y0prf,ran lfza#eggen.Dit
wederk.ww.heeR den Qden nv.bi
jzich even a1shem gew enenjzicâ
aan i,/4gewennen.Zie Mnl.W db.1I,1886.
Onuersien 565,onvêrmacât.Eig.nietvpdrvi/iegien.KkL.kmprovoe,il@ 14/:.
(Onvervaert66.
)onbencâroomd,wr#-/4##,onvernnâvokken.%ekn.II,6866:
Vooralmisvalsi
jtonvervaert.
Onw ert 7Q,95,835,855,876,gehaat,w:rlclf.Lksp.111,3,387;111.5,
5Q.KIL.bl.413: onw eerd indùnun,wilfz,nonrlff4z.D.Doctr.II,659:
Salomon seit: Die arme man Ghenen vrient vinden en can
Ende es onwerttelker stedej
waar we1za1bedoeld zi
jn Prov.XIV,Q0:Etçam pr/xf-:&uowll,:rodkonu&
:rï/.- ieton w erth ebben 876,gevin;ccâfdp,vermaavloonen.CLIGNETT,
Bi
jdr.b1.145,196.
Op.Zie vp.
in Ordinen gaen 372,tot::1:geentelëke :r#8offdfâ6tâld:4f:rl,,:>
D0e Isingri
jn in sduvelsname
overgaan,monn1
'â vorden.Rein.Q7lQ:
In de ordine ghinc hier te voren Ende hite monke waert bescoren.
Elders vindt men daarvoor h em in ord in en doen.Rein.94l:
Seghtmi,yriester?soete vrient,Biden heredien ghidient,
In watordlnen wlldiu doen,Dat ghidraghetroot capproen2
Zoo ook enen in oerden sen den,MLoep lV,49.
Oueraet ende ouerdrane 907,onmati
gâeid is etên 6n dHlâ,l.Heim.
d.H.9139Ilildegb.6% 1Q5;Leven v.Jezusc.l98;Lucid.Q935:
Des lichamen genoechte,Dat soe vergeet haers selfs behoefte
ln overate,in overdrancke,Die stinctboven alle stancke.
In den D.Doctr.111)1067heethet ou ertollech ate en de dran c.-
Het niet samengestelde aet en a te vindt men 0ok in Lksp.111,Q6,97
Lanc.II,5078;W alew.8798:
Hovescelike diende men hem doejBede van ate ende van dranke.
Zie Mnl.W db.op ate.
Ouerdaet 813,geveldenat#,ape#vl
ïf,overmoedigeJ:JJ.#elfp# (insolentia).
juist beschouwtKIL.overdaetalseen anderen vorm van ove1daet,
malfactum, zc,lf
zz, iniuvia. - In de D.Doctr.lI,3714 heethetouerCLARISSE,Aant.op H.d.H.bl.Q70;Lksp.Gloss.;Hildegb.G1oss.- Minder
dadech eit.
Oujrdieh 54% koovaardig,frpf4cl.Zie op h0uerde. Ferg. 5077;
Sp.Hlst.1,111,l6j33:
Inttiendejaervan Dariusrike Sowartverdreven sekerlike
Die overdeghe Tarquinius.
55l:hem oaerdich doen,zi/ âoovaavdLg 4=#J:îl:l,ttotncltzyl.
Ouergaen 664, overkomen,f:beurtvallen,lej:#,>:s.Flor.e.Bl.1697:
Hine wiste,wat hem overghinc.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.175.
Ouer w aer 33, voormaar. 0 uer is zoo veel als Toov; dus ou e1
*
w aer pt'
o p::/ d.i. vere,naav =J4l'J:i#.Flor.e.B1.1115,1800,34Q0,
3670.De zinswending ouerw aer segghicu datwaszeergeliefd bi
j
de Mnl.dichters; zie o.a.Rein.1378;Alex.VI,405;lX,36,134;X,48.
In de Staten-vert.der Evangel.wordtdezespreekwijzegebezigdvoorhet
Grieksche 'hmèvyàpAJy? fKtv.
M.
Psnt doen 148,ncâade fn,lrewgdl,leed,oe:rlldfaandoen.StokeII,1180
E1c die dede op anders lant Scade,roofende groten pant.
W alewein 567:
Dusdede hem tserpent groten pant.
Rein.1Q639Limb.VI,43Q,XII,618;Ferg.133.
Parad%s Q% 151,deJd-,l.Segh.v.Jher.5Q44:
Ferg.Q656:
Ditheetu G:d van Paradi
js.
Also helpe miG0d van Paradise.
W aarvoor elders 965:0od w4l den frnr
l:en 0od vanâ- dlrib.W alew.2980.
een Pater noster lesen ou er d ie ziele,1040,een ::1:#preve-
l6n voor â:fteâoud #,z,163van den J/g,#Jnrp:l:l.Rein.1737:
Laetmidoch lesen een pater nooster '
Der hoenre sielen van den clooster
Ende den gansen te ghenaden,Die ic dicke hebbe verraden.
int Pee vallen l04Q.De zin moetwe1zi
jn:pA1wisthij,datdeziel
v
a
n
z
i
j
ne
n
e
r
f
l
a
t
e
r
i
n
he
t
v
a
g
e
v
u
ur
z
o
u
k
o
me
n.M Van he1sch pecis
sprake in Rein. II, 6538.- Eene andere voorstelling van de He1 vindt
.
men in Flor.e.B1.1Q56:
Du saltdijn woninghekiesenelrejEndevaren terhelleindendonkrenkelre,
evenals Brant zegt in Narrenschil 3,4:,umlz
zafeelkelterZlârel.- Bj
EsopetLXVI,17 wordtvan den rijken vrek gezegd:
Bedisa1hi
jinden keteldriven.
172
0ok wordt in Alex.VIIj665 gesproken van den
. . .ke
teljdaer hiin wallet 9ie quaede die in de helle vallet.
Eene zeer uitvœrige beschri
jving van detoestanden in de Helvindtmen
in Vanden Lev.o.Heren3931-409% waarin ook van datpecew e1ike
gesproken wordt3965.
Peinsen,meestpensen geschreven,151,éetn:,:l.
-8#:x,gedanâtù :##
(Fr.pennervan '
tLat.p6n&ar6,wegen).Caerle.El.9* ;EsopetXLIII,3:
Dieliebartpensdeendedochte,Hoehi
jtbestghecrighen mochte.
Lanc.IIj7311:
Nu laetons pensen tavont mere Hem te diennen ende te doen ere.
Pennine 845,âet:,1:9evenals het Lat.nummun voor pecunia.
Pinen 14% (381 zie Aant) 475,1018,mo6it6#p>.Bein.1634:
Men moet we1pinen omme ghewin.
hem pinen 7%,836,gicâ l:pl#/F#,x.Hildegb.Ql6,Q56;Lev.o.H.
Q758; Prov. Comm. Ql4. Dezelfde beteekenis heeft pine d0en lQ5.doch enen pinedoen 950 beteekentiemand 4/rJy,>.
-
Plien 566,doen.pdrv.
iclf,l.Limb.VIII,48l:
W antghetrouwe herte en waent niet Dat iemen valscheiden pliet.
metden genit.178,184,776,plegen,#- p/l g#n.HUYDEC.op Stoke111,
bl.Q97;CLIGNETT,Bi
jdr.bl.31.;Gloss.op Lksp.en Hildegb.
Porren 68% optrekken,op alrznâgaan,v,l'
#,rreizen.Limb.1,1561:
-
Bigode sone,u es ghereet Parde,cnapen,gode weet;
Nu porretmorghen ofghiitgheert.
In hetGloss.aldaar worden veelplaatsen uit dien Roman aangewezen.Zie
verder ne Flor.e.B1.193% 1948,1952;Heelu 1Q7Q,4VQ;Alex.1,873,
IX,3339W alew.8509,8519,9Q79;HUYDEC.opStokeII,39% 5859Lksp.Gloss.
Predecser 165,predikev, Dd-izliclll.Hildegb.179,Q7.
Prelaet Q6l, d aer d i on der te doen e staet,ovevârid.dedrzf:,
geestelijk heer,onderwiensmachten toezichtiemandstaat.Hildegb.7Q,50.
Proeuen,enen vrient8Q5,iemandnrri:ldz/l, op #,pro@-4f:llzl,
36proeê6n,pzloreïldfl; daavran âell:a.
)
Prks,lof,J//@rJJâ.Alex.VII,153;Lksp.Gloss.- prijsbeiaghen
7Q9,naan lof âlâ,l,lof najagen.- se1ue pri
jsdoen 514,zicâ zelven
yr#z:>.- pri
js gheuen 477,prhen,lo
f toekennen.Rein.Q945.p
ri
js hebben 480,geprezen f/prd:l,lo
f inoog&ten.llex.IX,7509Mnl.
Dist.Caton.IV,17.
n xrelike 948,louter,alleen.Hildegb.97,17;Lksp.111,Q3,85:
Hierbimergtdatalle dinghen Puerli
jsuutGodsmiltheitspringhen,
Endedatmlltheit,si
jtsghewes,Puerli
gcuutG*eghecomen es.
&
Qusdekkn 649: een of ander verkeerd pndrodr, datergensnietbehoort.b-v.een vuiltle,een stukjekurk in eenwi
jnglas;aliquid,évp#,/,vl,
fvrl,f,zooals in de aangehaalde qlaatsvan Phayifacetusstaat.- Over de
verkleinende beteekenisvan den ultgang KIJN,zle opdeelki
jn.
173
in Quaden henden Q5Q,818,nlenât J#f)@:>, ln J/pzâeïd eindken.
Het tegenovergestelde is:1nt goede eyn den.MLoep II,Q155:
W es men an heR mittie vroede Dat eyndet gaerne al intge e.
Quiten Q39 (met genit-),Terlonnen,l:pr##:l.KlL.qui
jtm aeckenj
quitare,çvi,flr:,q.d.quietum r:#Ar:6t4l4pl@:r,a#:1%
'to;dus:éet&â/#fncnelden,âYi'
/z:l,l#i.# geren van 1/4.Rein.II,755Q:
Lev.o.H.4465:
Daer van wi1 ic ons allen quiten.
Ic hebbe gegeven vleesch ende bloet
Mi
jnsselfslichame,om haren wille,Dus quiticse alle vander hillen.
R .
(tRecht Q3). Waarschi
jnli
jk het een of ander geschriR. Onder dien
naam vindt men ook elders eene autoriteit aangehaald.Zie de plaats uit
Parabelen meegedeeld op bl. 48.- Ofdit nu hetzelfde is als watin den
D.Doctr.II,3178 e.e.L 0ey genoemd wordt,kan nietmetzekerheid gezegd worden. In het genoemde leerdicht wordtII,3593 daarvan gezegd:
Tselker statpleeght naen te gheuen Vonnessen na recht bescreuen
IntLoey,ende in andren boekenjDaer naen dat recht in >1soeken.
Rechtelike 1111,m6teen o,rddlfsart,zondereenig bi
joogmerk.
Recken 53% reiken, f/,rdâ-# of voldoendez#l.Transitief:ntrekkên,
vifafr,âkl.Leven van Jezus c.58:Ende Jhs recte sine hant.
(Recken 181),Comb.tekst793,berecken,bentuven.
(Ribaudrie Q77)meergewoon ribaudie,ncnurker#,;4,l-4fvâ.Rose
65QQ;W ap.Mart.I1,163:
Dit woert minne ende datter toe hoert En was met sonden noytbegœrt,
N x h m etribaudien.
Het woord is afkomstig van ribaut (Ital. ribaldo) zclve, d'ugnéB.
Rein.938,5116.
Rkcheit 560,vb'
kdom.D.Doctr.II,Q981:
Die ri
jcheiten leeghtnietaen 'tgoetMaersileeghtin den riken mœt.
Het tegenovergestelde heet arm h eit.D.Doctr.1l,Q985:
Den wisen horen widusghewaghen: Men sa1armheit blidelec draghen.
waar we1za1bedoeld zi
jn CatoDist.1,Ql:
Paupertati&Jxldpatontev/e,.
r:memento.
Rike van scatte 981,t'
#k aan 4<J4//el.Zoo Esopet6l,Q,rijc van
haven.Mnl.Dist.Caton.1,Qljarem m an van h aven.Vaderl.Mus.
I
V,Q3% 39: e1*m van haven.- 550:ri
jcheit van 4oede.Zoo
ook D. Doctr. 111, 1313, 1406. Het tegenovergestelle is gh lerich eit
van den goede,Lksp.111,14,Q5l.
Riote 89,lawaab &ï#r4cJ/#â:f#,drukte(Eng.viot,zie E.MûllerjEtym.
Eng.Wdb.op riotj.Lanc.IVj4161:
Daeraf*1comen grote riote,Doetmen enech vernoy Lancelote.
ERoeren Q3), Trecht, dair ic op roere,d.i.âet#,z:J8f/,de
geschreven wet,waarop iâ m# l,rnv.Hildegb.153,39:
àldese heilighe goedelyede,Die ic roerin mijn kdiede.
In ds beteekenis van vermeld6n,aanvoeren,van 1/4npreken,heeR ditww.
van b:jzich.Lksp.II,53,1;Hildegb.45,56.
174
Roke 438, 446, rnuk, #dvr.Fbr. e.Bl.9:$ (van den boom ebênun
ofeblnboom):
Sine lover gaven ooc Den soetsten roke,dien ie man rooc.
Belg.Mus.V,b1.361,69:
Cypressus es hiernaerde hoechste;Si
jn rokeduergaetden boemgaertal.
CLIGNETT,Bijdr.b1.Q99.
R oot gout 1086.Het verdient opmerking,dat in de Middeleeuwen gesproken wordt van root gou t,waardoor t'ozachtig Jrfzïl moetverstaan
worden, welke kleur van datmetaalin die ti
jden bi
jzondergeliefd werd.
Troj.00rl.(0v1.Ged.II)IOQQ;W alew.Q999,7893;Maghetv.Ghend 71;
St.Brand.QW ;Alex.Il,99l;Seghel.v.Jher.4Q56;Mnl.Ri
jmspr.II,6l.
Roucken 490,80Q,acâtslaan op lfz,ergenn om #:pdl,zfcâ laten#ef:#:s
Caton.II,31:
Ne rouke di niet watdi droemt.
Esopet IV,Q9:
Die niet en roeken wat sisweren,Moghen si .1.andren onteren.
lùgen aan ï:f4.KIL.r()ecken curare,attendere.Heelu 5017;Mnl.Dist.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.Q8.
Rou< ch 319,3Q9,bedrofd,fr:wrk.KIL.montun,lv#:l4.Rose1Q653:
Des en œnste siniet genesen,Soe rouwich es hare therte binnen.
Runen 64,173,#uinteven,za/f m6telkander @rdâdp.KIL.ruynen
&u&urrat'
e,G auvem -v4ziflrd.Lev.v.Jezas c.53;Rein.Q858:
Hi ruunde toter coninghinne.
Lksp.111,3,139:
W antdie quade waentaltoes desjW at men ruunt,dat van hem es,
waar den dichter voor den geest zweefde de les van Cato Dist.1,1.
7:
Ne cures,si quistacito sermone loquatur:
Consciusipse sibide se putat omnia dici,
waarvan de Mnl. vertaling volkomen overeenstemt met de aangehaalde
verzen uit Lksp.- Over ditww.handelen HUYDEC.op Stoke II,b1.3lQ;
CLIGNETT, Voorr. v. d. Teuthon. b1. XXXV, l6; CLxRIssE)Aant.op H.
d.H.b1.481.
9 ,X .
Saen 4Q7 5Q4,moedig,w:ldrl.HuvnEc.op Stoke II,bl.Q40; Gloss.op
Lksp.en Hilkegb.
alsidatSake dat119,Q84,alï4 'fhetgevaldat,-pclfâetfp:rlîàk
#8l:vr- dat; knrter: indien. Lksp. 1,8, 34;IIIj3,1109àlex.IV,3Ql;
W alew.7845:
Endealsidatsakedatsijtweten.
Lev.v.Jezus c.166:Al es dat sakejdat ic Gode nin onssie,d.i.indien ïâ
ook alGodnietJafzi..- Eigenli
jkstaatsake overtollig,evenalsin'tLati
jn:
quodnk rez2ta cadat,ut.Zie gheu a11en.
Sat eten 103Q.Eig.nenoeg ,/:.jin beteekenisgelijk aan onszicâ zat
efex, zoâ v:rz4#:
#,a.Mnl. Wdb.II,739 op eten.Zoo ook Rein.II,40Q4,
4463,6589.
175
Scsker 892,dleh rddtpe.Leven van Jezusc.173:Ende onderweghen
so quamen schaekeren ane hem ,diene beroefden ende diene wpniden.
Limb.1,43% Q699:
Vort voeren wi bore verre,Ende vonden skakeren,die ene kerre
Brachten,die sie hadden gheroeft.
Scam e 1080,ncâaamte.Rein.97Q,6604:
Dat nam ic in groter scame.
Scam en Q68,zicâ ncnamen; en en scam en doen,maken datf:-Jl#
'
zlâ &chaamt,iemand ldzcâxzad,verlegen maken.
Seelden 411,485,8Q3,bevçmen,4frc
ydl.Lksp.111,4,309;111,9,17;
Ri
jmb.8486:
Ende wetdathi
jtsereontghaltjDathisine kinderniene solt.
Zie Gloss. op Lksp. en Hildegb. - 494: iegh en iem en sce1den,
âe
ftk fg,l iemand vff,lr-,ltem vïf,câ:l#:w.
Sceln (sceren),znw.433,756,&câet'tn,@n/.KIL.ludébvéum,f0:v4,nanna.
Mnl.Dlst.Caton.IVj18:
Dune saltj sonejmetten ouden W ederscop no sceeren houden.
Limb.111,96$:
Maer inne segt nietin scerne,lc segt in goeder trouwen.
Ferguut 430:
Aldatghiseit nemic in scerne,
enen te Sserne driuen 501, éemand voordengekJ:v#>l,bnpotten,
#,l mot m6t s:>=# dr#ven.Rein.5459Theoph.6Q3;Lksp.II,Q$,1* ;
Rose 7384:
Mies beter dat icse drive tscerne Dan simite scerne dreven.
Esopet IX,17:
Die algheloeftjdat hihoert- W ortdicke te scerne ghedreven.
CLIGNETT,Bi
jdr.b1.10;Lksp.en Hildegb.Gloss.En alzoo beteekent hem
te scerne laten driuen.zf<â laten lezyoffel.- In dezespreekwi
jze
moet scerne gehouden worden voor dat.sing.van hetsubst.ncevn,en
niet voor dat.van den inf.&eeren.Zie VERDAM op Theoph. b1.137.
Schkn Q47.Vorm van den 3enpers.enk.,gebruiktvoor3enpers.meerv.
ncâ#nen.ZieAant.b1.70.
Seolaken 609,tafellaken.Mex.X,789;W alew.6119:
Here,icsie daer binnen cnechte Dragen scolakene ende gherechte.
W alew.31Q9:
Ende als men gheten adde daer
So heeft men scolakene up ghedaen Vor die herenjende men lietstaen
Die taflen.
Elders ook scoonlak en geschreven, zie Flnr.e.B1.l9Q0. - Dezelfde
beteekenis heeft am e1aken.W alew.4631:
Als sider spisen hare ghevouch Hadden gheten ende ghenouch
Hevet men die amelaken up ghedaen.
,
Seone tale 775,66n eri:a#dl#â,vleiend Ypprd.Rein.1075:
W at cost Reinaerde scone tale?
Zi
ook op sm eeken.- 70Q biscon en dagh e, J# â6l
liceâte
r6nZi
,@;&J
rn dag. Limb.1,8359 Karel de Gr.II,35789W alew.67d7e
4.
VxN
176
HgLTEN,Tijdschr.v.Nederl.T.en Lkunde 111,ll5jwaareenaantalvoqrbeelden wordtopgegeven.- 336 gr0etereafscone,begvoet(dieg'
lR)
mêt:,sJl#rzfcâf,neem zemetwelgevallenaan,heetzewelkom.Rein-ll,3870:
Grimbaertgroetsemetsoeter taelSi
jn moeien endehaer kinder.
Scoren.Zie scueren.
Seouw en 506,zien,J4l44:wY8l.Lksp.lI,3,133:
Sisa1verbliden menichfout Also zaen a1s siu scout.
ScriRnre 6, 75,Q44, de #:ff#, 8ohr@t,de#i'
l:l.0ok wel,zo0 als
431,ge% zlgd voor ieder geschrift uit de Oudheid.Zie Aant.b1.8Q.
Scueren (Bcoren) iemens tale Q73.KIL.geeftdaarvoornnâêut'
en
zdx, andern veden met de verklaring: Lnterfat'
i,ixfzry:îflrz,intervnmpere
er-/azw alicuiun; thans zegt men %
'
emand il de r,#e Tatlen,waardoor de
andertotzwi
jgen gebrachtwordt.
Scywen Q33,Q44,947,967,ncâum6n,p:rw##:>.Hetverdientopmerking
dat dlt ww.op de eerstgenoemde plaats met den genit.of eene dezen vervjngendebepaling,metvan geconstrùeerd is,evenalshetMhd.&chiuhen en
mj thans zeggen afscàum â:Il:l van i:/d.Een tweede voorbeeld van die
constructie vindt men in Ferg.Q979:
Maer Keyen hiet hivan hem scuwen.
Dezelfde constructie heeft hetboven opgegeveneh em b ew ach ten.
Zede 181, aavd, âp:#Jrf
#â:f#..Men merke op,datditwoord oudtijds
van veel ruimeren omvang geweest is dan thans;dus niet slechts gezegd
werd van menschen, maar ook van dieren,zaken en zelfseigenschappen,
zooalshiervan vroetscap.opgeli
jkewi
jzestaatinMnl.Dist.Caton.1,38:
Ick segge dy,dat ghestadichede Hevet menige guede sede.
lbid.II,43;Lksp.111,Q,166:
Gherechticheitheeftden zede
Datsielken gheeft tsine;Dus leestmen in Latine,
alwaargedœld za1zi
jn op de definitievan Justinianus,Institut.1,1,pr.
ouerZee 374,in 'tS,iîk, land.Rein.Q7Q3:
Morghin,a1s die sonne up gaet, W illic te Rome om aûaet.
Van Rome willic over se.
Zoo ock op vele plaatsen in datgedicht;zie hetGloss.van MARTINop se.Elders vindt men daarvoor over tm eer;zie de hier boven uit Claghe
aangehaalde woorden onder begripen.
Zeek 443.KIL.seyck e lotéum,vr1l.Belg.Mus.II,Q43:
Liefmeester,wilt0nsheeren Kyckebesien svatpestilentiedathem mach falen.
Rein.II,6968:
Slœch sinen ruwen staert,dien hiVo1had gheseict,in si
jn aenschi
jn W ant die seike ghinc hem in de oghen.
Seer (znw.
) 904, v6rdréet, #r:,
/J:ï#. Walew. 80X ; Rein.II,7331;
Flor.e.B1.3705:
Siweenden ende hadden grootseer.
St.Bmnd.14069waar van d6 :,lgezegd wordt:
Daer esdat eewelike zeer.
Lksp.en Hildegb.passim.Ziemjneaant.op Mnl.Ri
jmspr.lI,Q4,alwaar
177
isaangewezen,datseer o0k alsbvnw.gebruiktwordt,bli
jkensRein.754:
Die voete waren hem so seer, Dat hi tbpen niet conste ghedoghen.
Zoo ook hier 6l0:zeere ogh en.- Ten opzichte van deze tweevoudige
beteekenis komtseer overeen met leet; zie b1.160.
SeghsiQl5,,6g;6nzi'
.Zie hebsi.
Zekerre 930,zekerder.Zie m eerre.
Settene 648î
Sgheene514:in sgheen s m ont diese se1ue doet,çnli- ,l#z
mond :1,z: (den pri
js)z,1 aanâft,die zi
jn eigen 1ofverkondigt.
Side 537, rug, J4i#, leer. W e1 hee: ditwoord op zich zelf die beteekenis niet,maar moet alzoo verklaard worden uithet verband,waarin het
voorkomt. Zie de Aant.op bl.9l.En toch mag hierbij gewezen worden
ophetreedsdoorKIL.opgegeveneenthansnoggebruikeli
jke si
jde specks.
Skns seluesm an 1087,zi'
. eù6n --zf,r.Zieop ander.
Sim pel Q07, eenvoudig, nxl:wllfdld,nondet.-l4â,r.Prov.Comm.394:
Hischi
jntseersimpeljalessijn manteldobbel.
cut6 4>l anguina latetmen& 4J@, lupina.
Aslk Latjnsch versdeerli
jk geschonden isen aldus zalte lezenzi
jn,zooals
bv Neander p.300 staat:
Pelte ,>J agnina latitat-,sz name fvpïlc.
Sinden 338,359,zenden.Heim.d.H.600;Heelu 571;Ql40;Alex.IX,
793,e.v.- Hetparticipium isghesint.Lksp.1,37,5Q.Zie Gloss.op
sen den. - De verwisseling van ï en e ziet men ook in dinken voor
denken; bréngâen voor nrengen;omgekeerd in venden voor vinden. Parab.e.
Ler.(Vaderl.Mus.II,180)104;Zedelessen 343:
Cume es yemantdie 't kent,W aer men ghestade bliscap vent,
waarvoor echter in Sp.Hist.1,vIII,68,17 staat: k in t - vin t.
Binken 746,nakkên.4lïaâ,>,mçnderen.Vd.1aten sin ken.Mnl.Dist.
Caton.1,37; Alex.1,705:
Laet sinken dinen grammen sin.
Rein.1.Q88 :
Ende laet sinken desen rauwe.
w a1e Sitten 9Q, 58Q, vè1zflll,goed ,J#.
#8. - thans nog wel gebezigd a1s er sprake is van een kleedingstuk.- Mnl.Dist.Caton.1,3;1,10;
II,14;IV,<3;MLoep IVj1945 :
Elcgqetwi
jl
ryroeveditIn horen sin ofrdatwe1sit
Als sv sulke dlnghen plyen.
Rose Q138:
Dat orsse springhenjdat sit wale.
In dezelfde beteekenis wordt daarvoor gezegd w a1e v0eg hen;zie Lksp.
111,lQ,87; Rein.II,4851,5741.Vgl.m essitten.
Slach (imperat.van slaen)367,. Deze imperatief-vorm isuitvoerig% sproken door DE JAGER,Versch.bl.197.
Slsehten :47,gelëken.Eig.van hetzelfde slach ofgeslachtzi
jn.Heim.
d.H.668:
Rein.1418:
EsopetV1l,19:
Sislachten ghemeenen wiven.
Ic hope dathi mi slachten sal.
Die kinder selen haren vader slachten.
IQ
178
Bleppe 608,$1*,vif:rzf,gedeelte van een ofanderkleedingstuk,nleep.
Ferguut QQ5:
Met sire sleppen drogedisinen hont.
Segh.v.Jher.5608:
Dienaen droechdemetsi
jnre sleppen Si
jn aensichtalvanden bloede,
waar echter,volgens VERDAM (zieNalez.181),om hetri
jm op letten,za1
moeten gelezen worden sletten,datnagenoeg dezelfde beteekenis heeft.
Slotele vander vroetscap 417,nleuteln #:rmpâeid,middelenwaar-
door men tot geleerdheid komt.Zie Aant.b1.8l.
Smarghins (= des morghens) 768, morgen, op d6n volgenden dag.
W alew.76689Mlaoep 1,1Q40:
Alspreken zi
jhuden misseli
jck,Desmorghenszi
jn zi
j andersghesint.
In dit woord vindt men dikwi
jls de o met a verwisseld.Zoo b.v.Mnl.
Dist.Caton.1,18:
W antheden es de man rike Ende marghin staet hem armelike.
Ri
jmb.Q505:
Desmarghinsalsehi
jtvernam.
smeeken 496, vleéen, d:r liejb'
k Ypprd mveken. (Hd.schmeicheln).
D.Doctr.II,1Q61;Rein.485,309Q:
Reinaert ghinc met scoonre tale So smeken ende losengieren.
Rein.II,6QQ5; Mnl.Dist.Caton.111,5:
Jegen die gene die connen smeken Ende scone tale vnortreken
Saltu dy wachten.
Hildegb.4,65; 8l,32;151,155; HUYDEC.op Stoke II,3lQ.
Bneuen 171, ntvuikelen.KIL.vacillare,c,ei/lrd,nutare.De onderscheidene beteekenissen van ditww.- die meest alle hetdenkbeeld van vallen
tot grondslag hebben - worden besproken door CLxRlssEj Aant.op H.
d.H.bl.456.
Bniden die morseele 631, âet pld-eâ én zfvâhl &nbden.Zooook
W alew.10Q70.Zie gh ereden.
Sniem en 3Q6, 508, npoedég, rJ,.Rein.3378,5Q26;Flor.e.B1.lQ03;
W alew.8Q05,9496,10Q50;Limb.1,1663:
Hibidthem om alverdienen Dathjthem lateweten alsoesniemen.
CLIGNETT,Bjdr.b1.59 en Aant.op Sp.llist.1,b1.40.
So,bi
jw. ,oo;aankondiger van hetonderwerp in den hoofdzin 576.-
Met de ontkenning n e verbonden, sone: 106,113,150,465,636,699.
So,vnw.z#,l8Q,Q9l,775,906,974,975,104Q,hierbi
jafwisselinggebezigdvoor hetgebruikeli
jk soey
zi',% 183,Q94,3Q7,3Q9,331,335,968,
969,976,977.ZieHuYosc.op Stoke Ij65;CLIGNETT,Bijdr.b1.3Ql;Rein.
QQ5,Q45,Q56,11489 Flor.e.B1.3349.
Zoeten 840.Zie de Aant.b1.l09 en verder op zu eren.
Some (= som)389,&oma,adzxf/da.Rein.1018;Ferguut3%3:
Hi sloech hen afvoete ende handen,Som cloefdise toten tanden.
Vandezelfdebeteekenisis1103som ew i1ejnomw#lot.Rein.Q587.Ziewile.
Sonder 13Q,behalve, met vi/zpl#dril; ran.B.v.d.Houte 653:
Alle die doren groet ende dene Vanden tempel,sonder ene.
179
HUYDEC.op Stoke 111,l:l;Mluœp Gloss.- Vaak staatdan ncg daarbi
j:
al1ene. Leven v. Jezus c.68: W ie mach die sunden vergheuen sonder
alleneGotqLksp.1,QQ,6;Flor.e.B1.14159Sp.Hist.1,vIIIj36,63(overgenomen onderdeZedelessen 109):
Hautalle dinc over cleene Sonder ghierecheitalleene.
Soppen (voorgesteldeaanvulling)658,brood ofanderespi
js indenwijn
of in de soep meeken, éndoopen. KIL. éntingere ,41:11 in ïv4,naneil iv4
immerno w-ci. Zoo z% t Hildegb. QQ, 68: op ten k etelsopp en,d.i.
meteen stuk brood in den ketelsoppen ofstippen,instippen.
Sorghen die sonden 927,de zdlddl ontgien,daarop ,J4.
Ml,ninh#JJr-
roorâpd#:a.KIL.geeftbi
j anderebeteekenissen van sorghen 0ok vereri,
d.i.bangzijn,en bi
jgevolg:een J/zcâvw âebben.
Spel houden metenen 116,194,den 4,pJmetb- 4w# dr#oen,hem
voorden gek houden,(Lat.lud@cari4îiçv:>).Ri
jmb.Q9107:
-
die Romeyne die t0them quamen,Ende met hem haer spelhouden,
Mslke plaats dqor CLIGNETT aangehaald wordt op EsopetXXI,16 onder
bvvoeging dat ln die beteekenis ook voorkomt mel maken en npelen.Voprts is spe1een woord van zeerruimetoepassing;b.
v.ta11en spele
1007 beteekent li'6lke#,l,#:>â:ï#,1: alYJfmen doet.MLoep 1,Q399:
Der vroukijn sijn op deserti
jtvele,Die hem gaernevueghen tallen spele
Ende maken den meyster over al.
Hetspreek&voord:G hem ate es ta11en spele goet,1007,vindt men
ook in Rein.67Q en de op b1.1Ql opgegeven plaatsen.
Spelem an 164,muikant.KIL.spê1m an,auloedunn filfc:l.
Spoeden (iet)1066,ietsmetèwr verricâtenom hette doen gelukken,
ldâlrfn
'
gen.Hildegb.Gloss.op sp0en.
#lnPREEKW
,d
hga
,16h6e,tzli
j7Qwo
o0rd
i
l
'3k9v,h3e4tz
ij3me
ger
ge veranderPORDE
lng. nog ;
ln
gi
ee
bro
u?
lk
kt
zl
nn:s
,3
9e
,l
3
1,
63t
,
36% 37Q,383,409,419,434,437,531,533,537,5$1,557,571:579,695,
1
70
64
05,81
443
0 8,5l
5ù8to6,0i0
8983
1,,18t
90
li,91
Ol
Qô59.07,%9,911,9Q5,930,99%1003,1007,
bi StM en Q78, kalm en nedaard.Zie VERDAM,Tekstcritiek b1.9;Mnl.
Wdb.op bi,alsvoorz.1,1Q33.Meestalm etstade!!:Lksp.1,33)80;
1,46,4Q;D.Doctr.II,QQ7l.Uitvoerig is deze spreekwllze behandeld door
DE VRIES in Taalk.Mag.IV,57- 59.
Stsen in die doghet 954,evenalsçn pr8:4,kn fo#/dlntaan,voor:zicb
daarin bevinden, daarin verkeeren.In het Lati
jn kan men zeggen vernari
én Jligl r6in debeteekenis van ezercere; wellicht dat we1 eens gezegdis
vernar% f. vlrtute; althans Cicero heeft meermalen gezegd in arte wprdlrï
vooravtem :zdrcdr,(0l
r.Ij4Q,150;ad Famil.IV,3,4).En alzoo za1onze
Moralist bedoeld hebben: pEen braaf mensch ontzietzich iets kwaads te
doen dor die doghetdaer h iin staet,d.i.ter Yilf: van de#:f
/##,
dieâ: beoe
fent.''
Standen 484,ntaan.KIL.en aldaar v.HASSELT.W alew.40Q:
Higreep den scachtmit beden handen Ende ghinc vor die scuere standen.
De imperat.is stant;z0o 70l:stant vp,&ta @ .Leven v.Jezusc.17:
Stant op ende nem dat kint ende sire moeder ende vlie met hen in
Egypten.- Zie verstant.
180
Stsppans 1lQjtetAtond.KIL.&tatim.Limb.1,998:
Ende sihadde die Griexe tale Stappans geleert,dies was siblide.
EsopetXLVII,11;CLIGNETT,Bi
jdr.bl.Q50.- A1s versterkte uitdrukking
vindtmen 83l:stappanstersteden,dadelëk:.p:rY#/#.Ferg.408;
Stoke b1.1Q0:
De Grave sende also houde TotSirixe staphans ter stede.
Stede 1,198,78Q,998,1046,plaatn.- en en stede m aken,plaatn
D.Doctr.II,1651:
Die vremden van gherechten scouden Selen verdraghen den ouden,
wdpr iemand lrvizl:l, met het nevendenkbeeld van iemand ::' bem#gen.
Ende stede maken ende eren,A1s ons die wise leren.
Bj
Aelke woorden deze dichter waarschijnli
jk zalgedachthebben aan het
loFehlk gedrag van de Spartaansche gezanten,die te Athene in een eivol
theatereeneplaatsinruimden vooreengri
jsaard.ZieCicerodeSenect.l8,63.
Stede hebben 305,d6#:l:#:>â8# âebben.Prov.Comm.664:
Stede ende stonde doen den dief stelen.
Opgeli
jkewi
jze zi
jn S tedeen stonded.i.gencâikteplllfzen f#$ vereenigd bi
j Hildegb.179,11:
W antheymeli
jcke stede endestonde Bringt menich man totsulkerzonde.
De woorden ntat, 4f4#G ntede, welkergrondbeteekenisisjuhteplaat&,#:legenâdd,zi
jn uitvoerigbehandeldinhetGloss.opLksp.Zieook tonstede.
Steken 714, ntooten,welke beteekenis ditww.o.a.ook thans nog wel
heeh.- enen hont steken, ncnoppen.- 3Q1: stec ni
jt huut
dinen sinne,laat den l## naren,ontdoev daarran,zetdien uituwe
gd achten.- Elders:van h em stek en.Rein.ll,5Q44:
Can hidie ondaet van hem steken,
Die men seitdathiheeR ghedaen,Iclaten ghern qui
jtgaen.
Voor steken staatook we1(ghe)w erpen,D.Doctr.II,36l:
Niemen en O11 die minne Ghewerpen ute sinen sinne.
Dezelfde beteekenis heeft v ter h erten drin gen en v ter h. s1ut
en. D.Doctr. 111, 18049 111, 18Q8. - en en daeraf steken 814,
'
%
emand ,r uit p:rJ'
< :l, hem er van berooven. - of gheuie1e sake
d at m en di n och daer afstake,d.i.al Ylre n6t ook,datmen v
ni6tw,rj/eg ofafgette.Lanc.111,83Q9:
Ende histacse uten paradyse doe.
Stelen 888, be&telen,iemand van zi
jn gœd berooven.Ri
jmb.Q4530;
Caerl.e.E1.613:
A1s die cnninc seghet,Dattihem selven stelen wille.
Hildegb.l0,b9Q:
Die dieven en hebben gheen vernoy,Dat sistelen horen vrient.
StilleQQ5,âeçmel#k,zonderdathetdooranderengegienw0rdt.Rein.II,
6Q45:
Hi heeft den coninc tot sinen wil,Die hem viant was openbaer ende stil.
Stillekine 8Q3,ntil, Jeïwdîâ,zonder dat het door anderen geâoord
wordt.KIL.sti11ick tadte.Mnl.Dist.Caton.Ij17:
Ne roeke dinietdat eenich man Stillekine gherunen can.
Rein.3Q15:
Doe ghinc hi ute tote Beline Ende sprac al stillekine.
181
Zueren - Zoeten 840, zvf
:' mot.
dên- zpdf voyden.Lksp.111,l1,57:
Dese vrienscap onlanghe duert,W antsiint einde gherne zuert.
Sule 377, 489, 878, menégeen. W alew.6519, waar de uitslag van een
gevechtwordtmedegedeeld:
0ecmoesten sierelaten dieren pantjSplcenen voet,sulc enehant,
Sulcsinen aerm,sulc si
jn die,Sulcsi
gn been bneden den cnie,
Ende sulc dat hoeftvan sinen buke.
Suuer 590:vp die suuererde,op den Jl0:/:l,kalengrond.(Lat.
nuda Jvw/, Ovid. Her.XIV,f00). - 60l:suuerli
jc ende cuas,
reùt :> ltelder.
suuerlike631,n6#&,z/l#:r-@rz:l.(Auden.Fr.95:m inleke)Rein.4l4:
So suver heeR se die onghiere Reinaert in sinen mont verslonden.
W.
(Tae- ing 43).Zie terning.
Tsle 775.Zie scon e ta1e.
Tallen spele 1007.Zie spe1.
Talre stont 835,957,alt#d,4f::#J.Zie a11e daghe.
Taren 408,verteren.Elders vertaren.Lksp.111,3,145:
W ant het is harde zaen vertaert Datmen langhe heeft ontspaert.
Tauerne Q04,975,âernerg, âr/g.Lat.tabernq.Hoeer in dekroegen
geleefd werd,is uitvoerig beschreven ln Niwe Doctr.1709-174Q.
TM bi
j werkwoorden en daaraan vastgehecht.Zieover ditvoorvoegsel
op teliu ereren.
TE (inflnitiefzonder-).Zie op heten.
TE vôôr den inEnitief. In de Aanteekeningen op hetLeven van Jezus
schreefMEIJER b1.Q75:sWanneerhetwoordje tev'
oôrdeonbepaaldewi
jze
van een werkwoord moest gebezigd worden,dan beschouwden onze oudste
d
ui
d
d
e
n
d
e
z
e
l
v
e
o
o
k
a
a
n
d
o
or
schri
jvers ditaltijd als eenevervoeging,en
de verlenging met ,.'' Zoo vindt men hier:te bespottene 7569te
dien ne O 4;te drin ken e 648; te doene 7Q5,953,959,9% e.e.;
te dw an e 606; te eerne 755; te ghelden e 578;te gheuene
1015; te h ee1n e Ql0; te h orne 366; te 1eerne 413, (061; te
m akene 763,; te nem en e 1099; te n utten e lQ8;te on tsiene
557; te sien e 315,558;te settene 648;te sittene 61Q,764;te
te1ne 78; te v ergh etene 5Q4; te w edertreckene Q93.Alzoo
kan ook van ditgedichtverklaard worden:uDezen regelheeftonzeschrijver volstandig in acht genomen.''
Te doet slaen 848, dood nlaan.Ferguut 693; W alew.8636;Limb.1,
394; IV, 977; Rose 6109; Flor.869; Lksp
z 111,l5,114;Alex.lI,Q8Q;
111,410.Zoo o0k in Mhd.zu dot :r;,J&#:'?.Braut Narrensch.XIIj18:
Vndjn erschlug darnach zu dot.
W olfdietrich Q99,Q (HauptIV,435):
Die helde sint alle ze tod erschlagen.
182
Teeken,te kin 986,988,1-*.
4;eenebeteekenis.diehetwccrd cok
nu n0g heeft,o.a.in de uitdr.ten teeken (dat)ten I-iz..Hildegb.
8)Q08; VERDAM op Theoph.bl.150.
Teelsten 53,allereernt, il deerzf:plaatn.Elders vindtmen tierst
z
ooals ln Mnl.Rijmspr.I1,3Q en in Zedelessen 555,waarechterbijvergissing trientgedruktstaat.DeplaatsisovergenomenuitSp.Hist.l,vIIIj77,Q9.
(Te hant Q9Q),dadet#k,f:rzfol#.Rein.983:
Die Brune bekende te hant.
Ibid.QQ91:
Daer ic was ende s0e mi vant, So telde soet mi te hant.
Teliuereren QOQ,1:-**
#:1,ontdoen van ï,fz(Lat.liberarh Melib.1750;
Ve1th.VIII,7 (JONCKB.Specim.p.Q7);W alew.787% 108559Lksp.II,61,33:
Maeren sijtniettebarenteertGhiwertvan hem telivereert.
He
t
v
o
orvoegsel te bi
j werkwoorden heeftdekrachtvan ver (Hd.zar);
zooals in tebreken Hildegb. 7, 1049 5Q, 10Q;tegaen 0vl.Ged.lI,
79,343;testoren Flor.e.B1.l0Q,371.- Eene menigte werkw. die in
't Mnl. met dit voorvoegsel konden worden samengesteld,heeftVERDAM
i
nderti
jd in T.en Letterb. VI,9Q opgegeven,wier aantallaterreedstot
50 gebracht is.Zie Gloss.op Ferguutbl.197.
Tellen 33Q,optellen,p,4p>w,>.Alex.V,657:
Die coenheit,diemen ghinder dade, Dat ware te telne alte lanc.
78:w es traech te te1ne (= tellene)vortjweenfrllg én Jefvetder
p/pr/ vevtellen. Zie vort. - Algemeen is de beteekenis van te1len
verhalen,vertellen;Flor.e.Bl.3145,3803:
Florisbegon si
jn gheschien te tellen Voorden ammiraelendesineghesellen.
Zoo ook D.Doctr.I1,Qf80;111,57Q;Heelu58749Alex.IX,189;W alew.8473.
Tem en 1104. Dit woord is niet helder. W ellicht moethetgenomen
worden voor gh etem en,zicâ fe/z taten K,l#epllJ:w,ietn o,,rgicn kunnen
w,râr9#,x, néet beneden zie acâten. In die beteekenis vindt men ghetem en b.v.W alew.8565:
Lietic midiejoncfrouwenemen:Hoesoudictmoghen ghetemenf?
en 9426:
0wi!endehoe soudi
jtghetemen!
Mnl.W db.lI,1136. Indien men dit aanneemt,dan zou onze Moralist be-
do
elen: o0m de vriendschap te bli
jven aanbouden moetmensomti
jdseen
aangeboden geschenk aannemen, en zich daartoe verwaardigen,alis zulks
minder welgevallig-''
Tere 841, Tertetingq evenals nere nering,inkomst.Lksp.111,3,141:
Ghi sultwelte voren mecken,H0e verre datu renten strecken,
Oftehoe grootmach sijn q nere,Endedaernasetdan u teere..
Mnl.Dist.Caton.111,IQ:
Alstidine tiden naken,Saltu dine theere maken.
Cats,Sp.v.d.0.e.
-N.ti
jtbl.419,A:
Reck nae deck.Teer naer neer.Maet houdtstaet.
Terning Q03,dobôel&teen,fdprlïze,dobbelmel.
(Tervaert 65), terntond. Lksp.II,1l,13Q;111,l5,3Q3.- Z0oook:
v1ien m ettier vaert,m6td6r âll4f vlucnten, Mex.V,542.
183
T: siene 315,558,t6 zi- ,W alew.97739Heelu 6344:
Dat was ontfermelike dinc Ende te siene ialier groet.
Te sine 1Q6,t6z#x.Lksp.111,lQ,1j3;D.Doctr.II,3004.Meestalin
één w oord tsin e 4Q6,949,10lQ,1047;D.Doctr.II,QlQ5:
Een wi
jsman seit:hetsgrote pineMetdroeverherten blide tsine,
waarwe1zalbedoeld zijn Tibullus111,6,34:
BW cile:4ffrfzfifngerem6nt61:w-.
Teuel 4Q3.Zie eue1.
Tner 861, het vuur.Deze vorm van dit woord is in 't Mnl.W db.niet
opgegeven.Degewone schrijfwi
jzeisdan ook vier;zieRein.1Q4Qj5370e.e.
Thayen deele 63Q,totJllrdeet,voot'âlr,portée.W alew.34Q4.Z00
ook ts1n en de1e,W alew.3461.
Tiden 561, 769,gaan,âp-,l,zfcâ tegeven.KIL.ti
jden,tendere,zr:jcintd,ïr,.Lksp.lI,l3,IQ:
W anen comdi: wat zoectiî
Dat ghidus zonder vermiden In mine herberghe wilt tidenf?
HUYDEC.op Stoke 111,1909 Lksp.Gloss.
*Tieghen erne 837,foutieve lezing; zie b1.109.
ten Tienden 85Q,in den Jfdldel,d.i.den meer dan den meest verwijderden,graad vanverwantncâap.Rein.Q537:
Doet hi meer erchede,Alle die hem ten tiende lede
Si
jn belanc,sullentbecopen.
alwaar MARTIN b1.380 aanteekent:sGrimm RA 468 Anm .sagt: Mehr a1s
sieben Grade der Verwandtschaft finde ich nichtinden Gesetzen,abersonst:
frûnde lï# tom neggedem lede,Hofrechtvon Loen,und eilfStufen hatder
Parz.lQ8,30.
''- Zieaengaen en vergelijk neue- nichte.
(Ti97),pers.vnw.= di,u,Limb.lI,97:
M ine welvaertvoerdim etti.
(T%n vrient.46),uw wriezl#.- (Ti
jn 170)= hetdi
jn;âetvx:,uw
#0:#,wat 780:di
jn goetheet.Mnl.Dist.Caton.111,QQ:
Sone,oftu vroetwiltsijn,So terein goeder maten tdi
jn.
Ook thansnogspreektmen van hetm ijn en hetdi
jn,watin'tLati
jn
heet meum et f'
zwzzkbijPseudo-seneca de Moribus98:Hominen,dfmeum
tuumque tollerent, gzïezrerdx/; en in de Prov. inter Sentent.Publ.'Syri
73: Quietinsime viverent âpwfsed,&i#vpvevba tollerentur:meum ettuum.
W elke beidewoordjes bedoeld zijn in hetdistichon van eenen Anonymus:
diduo del/g/ri, tolla&pvonomLna relfu,
Proelia c-#lr-f,paz zix:létefovet.
te T%t 6Q5, 783,841,1014,op z#s t#d,1* t#h,op denjvïzf:at#d.
Limb. 1, 39Q; D.Doctr.lI,Q674,3391.- Het tegenovergestelde is ton-
tide,teongelegener/##.D.Doctr.lI,863.
Tiliken 701,rvoeg,f###,bbs
tb'
dn.Ferguut1377:
Hi vaert tilec wegh lnetten daghe.
Flpr.e.Bl.Q596 ;
Merghen tilicso si
jtghereet.
W alew.10842:
Tsmorghens tileke metter sonnen Es W alewein toten hertwhe comen.
184
Toedoen 98% aanvull-.KIL.:addere,J#ïvwp,r..0.T.(St.-Vert.
)Levit.
VI,59Q Sam.XII,8.
(Toeren 284),ziet0ren.
d.(He
Toghe
im.Mn:40,Q4l,57Q),toonen,#::. nien,f:voornnâb'
n Jr:l#>.Heim.
Nu sulwiv hier doen verstaen Ende toghen wat miltheit si.
Velth. Q4Q; Alex. VIII, 1064.- De imper.is toech 570. - Zie Gloss.
op Lksp.en Hildegb.
Tom beren 1077.Z0o o0k W alew.Q783.Zie om beren.
Tonstede (= te onstede)99,t6 onpa',op eenep8râ,,r#,,l#J/,,waarhet
niet te pas komt.Zie stede.Mlzoep IV,164Q var.
Tontsiene 557.Zie ontsien.
Toren 190, Q99.Terdriet. leed,'nmavt.Mnl.Dist.Caton.1,36;II,Q1;
IV,36;Rein.9139Heelu 6Q0;Lksp.111,3,1118;Alex.111,8839V,6869
Flor.e.Bl.44;W alew.7108:
In dromedatju groottoren Staettenakene endeswaer verdrkt.
Doctrin.Sauage 60:
A1moghen sieen waerfverbliden, Sihebben .
xx.toerne ieghen.
Zie tornen.- In de Auden.Fr.Q84 staat ook toeren.
Torm ent 316,kmellingb;-Jr/.Hildegb.QQ8,Q05;MLoep IIjQ5QQ;St.
Franc.43489EsopetX,10:
Twidaestu misoe groettormentz
Vd. torm enten,n#nken,zJr4y:l.Lksp.111,zz,73,83 (Fr.tourment,
f/vrw-f:r).
h em Tornen 903,'Lcâ drg:r.l,vevdréet over fef:Jallew,zf# vertoovnen.
Leven v.Jezus c.88:Alse dat hoerden die phariseuse,so tornden syshen.
Ibid. c.141: Alse dat sach de prinche van der synagoghenjso tornde hi
hem .Zie toren.
Tote 561,tot.Flor.e.B1.Q471;W alew.108439Rein'
.645:
Reinaert(quam)metsinen gheselle Brune Tote Lamfroitsbiden tune.
Traghen 978,vertragen,frll;vovden.KIL.traeghen,p%t6&c6t'6,J4r-
dencere.Hildegb.110,66:
IIi en se1traghen ende moeden Ende van arbeiden warden cranck.
Een andere vorm van dit ww.is dragh en.Zie b1.144.
Trecsi696,trekken z*.Ziehebsi.
Tsïn 187,h6tz#1l,.D.Doctr.111.97:
Wantgaue men elken tsi
jn Hetsoude selden twi
jstsijn.
Ziedijn en ti
jn.
Tsine 4Q6,949,10lQ,1047,t6 z9%.Zie te sine.
Tw int. eene 1le1ï#â,f#, weinig, zof
ype'î al8 nietn. Men merke op,dat
slechts op twee plaatsen (117,931)hetlidwoord een isweggelaten,zooals
datin den D.Doctr.meestalplaatsheeft.Overigensvindtmen hieraltijd
een tw int Q4Q,337,398,410,636,745,87Q,901.Ditwoordjeis Der
uitvoerig besproken door Ds JAGER,Versch.b1.Q5l--Q60 en vroeger door
HUYDEC.op Stoke 1)l65en CLIGNETT,Bi
jdr.b1.353.
185
U.
Vp heuen 641,opâfen in de gewonebeteekenis van ietsmetd6âJl#
opnemen.Vd.tev//rz/#. ôrengen en iguurlijk 5Q1,oprakelen,Toor#,lda;
zlîds, w6d6r dzâcl- (Lat.ef6rr6,r:/,rrM.- 691:opnemen watgevallen
is(Lat.nuntollerej.
hem Vploepqn 36Q,zïcâ dr@tçg maken;in hehigewoordenlosbarsten,
oploopend zv
''
n.Bz
J KIL.op1oo1)en,tumenêere.Hiertœ behoorthetmet
den dativus gebruikte op lopen ln Lksp.111,Q6,149:
Binnen vesten si
jn sistoutIn haren woorden menichfout
Ende connen vreemden lieden wale Op lopen mit harder tale.
Vpsteken die dore 588, d6 deur pz,l ntooten.KIL.heeft op100-
pen de deure,foren r'riagdre6tin 4,#:zçeruere,waarbijvooralaan
dieven en inbrekers te denken is. Voor onze plaats past meer het later
voljendeopstooten,pulnandoaperire.- HetMnl.steken iso.a.ook
gehlk aan het Ndl.ntooten.
Vpti358,81% op v.
Vptie wile 9Q4,op #f:> /i'
#,op datdp#-&fâ.Ziew i1e.
Vterste stede 618,laagntezf/,lJ4f4.Eigl.de meestverwi
jderde,Lat.
ultimun, zooals Cicero de Senect. c.14,48, zegt in V/Jf-J nanea 4,#,rG
achteraan in den bak zitten.
V utsteken 3Ql.Zie stek en.
V ter 5,6,uitde.
Vutbliej 653,Qe pers.impf.(metdebet.van hetpraes.om opvteghiestemlmen)van vutb1asen,wegblazen,doorademtochtverwlderen.
Y.
Van 66,aangaande,wegozz,watJefel/,ten &zfrâfevan.W alew.54Q4:
Mi
jn vader seide:Ic weetsu danc,Vrouweyvan deserscoonretale.
lbid.10845:
Daer bathem van sinen mesdaden Die hertoghe sere ghenade.
Vant 701 immrat.van vanden,willnn,alti
jd meteen inûn.verbonden om een immrat.te omschri
jven.Walew.40Q4:
Ibid.4Q43:
Vant miene bede gestaden.
Nu situp endevantverdraghen Jou seer,ende laetj0u nietversaghen.
Seghel.v.Jher.7010:
Laet varen diene wanlovichede,Ende vantGods metherten plien.
Zie Gloss.aldaar;HUYDEC.op Stoke II,557,589.
V aren 697 e.v., reizen. Volstrekt niet te denken aan een schip;zie
W alewein 4943,vergeleken met 49659Rein.1397:
Nochtan dinctmibeter wesen,Dat ic met u ten hove vare.
186
V aringhe 357,npoedLg,-al#rJ.Ferguut340Q:
Averecht vielhiter neder,Varingen spranc hiop weder.
F10r.e.Bl.1Q86:
Ghiselt varinghe sien,dat hisa1 Siere serecheitvergheten al.
W alew.11034:
Dieconinc- endesijn sone waren gram Dathiso varincorlofnam.
HUYDEC.op Stoke II,586;CLIGNETT,Bi
jdr.b1.61;Hildegb.Gloss.
(harde Vele 138). Het adverbiale gebruik van velein '
tMnl.is
met voorbeelden gestaafddoorVERDAM op Theoph.b1.136.Zooook Rein.3l58:
Reinaert antwoorde vele saen.
Alex.VI,910:
Dat esons ere vele groot.
Doch in deze pl
aats ware waarschi
jnlijk in den nadruk van deAuden.
Fragm.voor:
Endepi
jndiharde vele,temere,
door V.D.MEERSCH beter geschreven geworden:
Endepijndihardejvele temere.
(Ven%nt Q6)j vevgA
,ti
g.Eldersghevenijnd.Leven van JezusQ45:
Ende al drinken si oc it dat ghevenynt es, hen sal hen nit schaden.
St.Franc.10117;Alex.V,37,VlII,5539Limb.VIII,363.
V erbieden Q9Q,het r:cJ/ ontzegnen,l,/>Jï.
,/:l.In overeenstemmingmet
onzen Moralist wordt van ,ydie Avonture''in Die Rose 6083 gezegd:
W ant sikeren moethaer rat W aer siwilt,te wilker stat:
Dat en m ach hare niem ene verbieden Van hogen,no van nedren lieden.
V erbliden Q98,zicâ revbl#den.verheugd z#l.Caerle.E1.1156:
Dat hem die collinc beval,Seiden si Elezastal,
Die sere verblide van den woorde.
alsoVerde 383.Hetwoordjeverdeschijntweltemoetengehouden
worden vooreen in 'tMn1.meer voorkomendebi
jvorm van verre.Liever
althans dan het geli
jk te stellen met gheverde,datop slechtsééne
plaats (Renout 1109) voorkomt en met detwi
jfelachtigebeteekenisvan
nneh Jcâfdl/;verklaard wordt.ZieMnl.W db.lI,1887 opgewerde.
V erde 693,vrede.Ferguut 3528,4691;Limb. 111,QQ9:
Salic heden u here werden,W antmet payse ende met verden
Sa1ic u houden altoes.
In 't Mnl.W db.op derde lI,1Q6 wordtvoor verden aanbevolen verde
te lezen. - Dezelfde verplaatsing van de letter r vindt men in &cevde
(Ferguut3544)en nchrede.
Verdoem en 803, m iede die verd oem t die ziele.De gewone
beteekenis van verdoem en veroordeel
en,onzalig maken schi
jntmi
j toe
hiernietbesttepassen.Deafschri
jvervan hetAuden.Fràgm.(197)heeft,
wellicht juist daarom,verdrinct gebezigd.Lieverzou ik willen lezen
verdoert,dat in beteekenis hetzelfde is als heteen paar regels vroeger
gebruikte verd ullet; zoodat de Moralist alsdan zegt: pW anneer een
rechter geschenken aanneemt en zich daardoor laatomkoopen,dan wordt
zijn verstand verdwaasd,te zeerbeneveld om de waarheidtekunnenzien.''
KIL.verklaart verdooren door ver8otten,infatuare,d.i.fatuum,dfvffvvz
reddere. En zoo vindtmen dit gebruiktin Lksp.111,3,1163;111,9,119.
A1s grond voor deze emendatie mag gewezen worden op de uitdrukkingen
187
in de b1.l06 opgepeven parallelplaatsen: Munun erlelf o-lon iv#f:v-.M. fvrll/ iudioium r:c/v-.- M .lwofd/caligéne aepfe-.En daaruitlaat
zich verklaren datde afschri
jvervan de Auden.Fragm.voor verdoem t
geschreven heeft verdrin ct,d.i.vernmoort.
Verdoen 78Q,919,verkmoten,w:elrc44,>,z#n:,1# nlenât l,4f:&..Mnl.
Dist.Catonk111,99Lksp.IIIjQ1jl5:
Ten is gheen meer verloren goet Dan datmen bovenmate verdoet.
D.Doctr.II,Q893:
W
ant alse die menschesottelecverdoetSi
jn patrimonie endeanderegoet,
Soe volghen hem vroech ende spade Armoede,breken,scande ende smde.
Van geli
jkebeteekenisisverdw asen.
(Verdrincken 197),isde variantvan hetstraksafgekeurdeverdoem en,en zalwelmoeten beteekenen vernmoren en (van den geestgesproken)uitdooven.
*tverdropyt 314).Zie de àant.op b1.lQQ.
Verduldich 895,geduldig,l##zclzz'.Lksp.111,3,5Q9:
Alse ghiplaghe hebt ofongheval,Suldipeinsen datu datal
Biuwerverdienten coomttoe,Ende sultverduldich sijn alsoe.
Verduldicheit 900,geduld,l##z4,-â:i#.Hildegb.QQ3,59.
V erdullen 801,revblLnden,ï:-Jl#, venntand 1:.:f
?,1:.;verderverdvagen,
#w4J, maken. Eig. iemand do1 of krankzinnig maken. KIL.ad Gzlxla
redigere.Gloss.op MLoep.Zie op rerdoemen.
Verdw asen sVn goet 780,98Q,984,103% g#n#:,# doen per#wg'
a:l,
opmaken.Van geli
jke beteekenis als verdoen.Niwe Doctr.1734 (waar
van hetbezoek dertaverne op feestdagen gehandeld wordt):
Dus verdwasen si ende verrinnen Mer dan siter weken winnen.
V ergrsm en 387, toornl
k w/r#,l.- h em vergram en 901,zïM
toorqt$'# maken.Zie gram en.
hem Vgrhevey 553,zïeâvetheyen,J/p#-d,## morden.Sp.Hist.111,v,55,
53.Vergelilk daarbllhetLat.eferre,,d.i.nupevbire,methetpartic.elatun.
Verhoghen 111,verlteugen,11/#:maken.Lksp.111,Q0,81:
Die hem selven mint,bimintdoghet Ende aldat sine ziele verhoghet.
Hildegb.690,l3Q;Q07,l5:
W antdiehoop verdri
jfteta1,Dattie zomercomen sal,
Die die werlt zeer verhoghet.
Verholen. Eig. partic.van verâelen,doch alsznw.si
jn verho1en
79Q, z#s geâeim.Vd.verh0e1ne saken,Mnl.Dist.Caton.II,QQ en
verh o1en heit van den rike gods,Leven v.Jezusc.9Q.Zie beh o1enheit.
Verhoud#ren 4QQ,v6voud6n (zie letter11.
)doch nietin debet.van
6:4,maarin debet.van duurzaam,:/
lq
vf:plfg t#n.Mnl.Rijmspr.ll,59:
Diescalcheitleertin sierejoghetjln hem veroudtselden doghet.
W aarvoorhetbijFreid.143,6,heet:
vsrgwakken,zvlne kracht verliezen ten gevolge van ouderdom ,zooalsH.d.H.
Der hâtvi1selten staete tugent.
188
Veriln Q93,isdevorm van hetimpf.van nerjonnen ofTeronnen,met
de bet.van het praes.Zoo zegt Lksp.111,14,37:
W ant van dichtene salic u mere Hier na segghen,ans mions here.
W alew.4091:
Icconaergherne,hebbiesde naacht,EndejaensnaidieGodscracht.
Ibidz
Hihevetonrecht,dies he1 verjan.
V erjonnen beteekentgunnen,w8rgvrxep,doch kan 0ok in negatieven
zin worden opgevat en dus beteekenen nietgunnen, misgunnen,(zoodathet
gelijk staatmetwanconnen,Segh.v.Jher.1610).Rein Q60:
W iesa1Reinaerdedatverjonnen Ofhighestolen goetghincan2
Ferguut1Q37:
Ic wi1niet dats miyemen veronste.
Onze Moralist zegt alzoo te dezer plaatse:pDe fortuin is niet bestendig
in haredaden;zi
j geeftonsharegaven niet,maarleent zeons;menmag
haaralzoonietkwali
jk nemen,hetrechtnietontzeggen,zeteruytenemen
ofsoes verian d.i.indien z#'on&zvfâzniet#wlf'';waarvoorln Flor.e.
B1.3169 staatFovtuneJ,l#'
/4:den.
G erkeren 3Q8),omkeeren,p,rcsddr,l.Esmor.481:
Icplach tesegghen suster mijn,Maerdatmoetic nu verkeren.
Verliesen sinen dienst 401,vergeefncâw,râdoen.KIL.verliesen
den arbeyd,fruntravifrlor,-,oleum etoperam ,,ror..- Van gelijke
beteekenis is pine ver1iesen , Lksp. 111, 3, 483, en cost ende
pine ver1i'esenjD.Doctr.111,1486.
V erlopene tale Q37,een ozll,dlcâ/zll- voord,wat met overhaasting
gesproken werd. (Hd.noreçli
gevp/rfa,Lubben V,398).In beteekenisbijna
gelijk aan onuersien spreecken,D.Doctr.1,Q00.
V erm alendien Q54,vervloeken.Rein.490:
So moete migod vermalendien.
Alex.I5T,447:
Caym slouch Abelle dootEnd god vermalediden aldaer.
Ferguut3164;Lksp.IlIj19,76; Flor.en Bl.7559D.Doctr.lI,35lQ.
Verm eten Q79, met zdfftldrfr/vvl
ev ietn ondernemen. - hem ver-
m eten ,met den genit.der zaakjQ80,zicn toti:/4 in,/4c/acâten.Hildegb.
93,lQQ:
Dus moetmenich hem vermeten
Saken,die hiaventuert,Die hiswaerliken besuert.
V ernem el 415, leergzeeig, vlug in zich opnemende wat onderwezen
wordt,go6d wc. aanl
temen.Door OUDEM.VIlj4Q6 verkeerd opgegeven.
Vernoyen 6Q0,verdrieten (Lat.taedere).EsopetXXXII,l3:
Die merket op eens anders pine,Te min vernoythem die sine.
Rein.13649Rijmb.5687,33113.
h em V errechten 133,zfcâ verweren,zfcâ verdedigen.EsopetXX,33:
Hi es sot die daer begint vechten Daer hihem nieten can verrechten.
Enen verrechten 482,rooriemandz4z'
/f
# kiezen,hetvooriemand in
rechte opnemen,iemand verdedigen.
189
Verssden 101% 1026,verzadùd wdr#:>.Evenalsvervullen.
V erstandel 77,verntandég.Lksp.111,Q,84;Mlzoep 111,4Q:
Den verstandelen istghenoech Geseit mit corten overlope.
met welke woorden bedoeld wordt wat bi
j Plautus Pers.IVj7,19 en
Terentius Phorm.111,3,8 heet:Diotum zlzï:pfï&at :z/.
Verstant 992,imperat.van verstanden (ziestanden: verntaan,
Jerv
-pen.Brab.Yeest II,3,88:
A1s dit grave W illem hadde verstanden.
Vervullen1030,vervuld,pp;morden,(evenalsversaden).Ri
jmb.289Q6:
Dœ mochtemen horen vervullen A1die stat met groten weene.
Verwassen 830:al verw ast didijn m oet,alnoelt#i'uw Jlrf
opzwelten, u te machtig worden, d.i. uw toorn opkomen;eig.toenemen,
gr/pfer wovden. KIL. verw asse1,
1, excî'e&cel.
e, z:rcr-cdr', adole&cere.
Lanc.6667:
Miverwies mine herte,ende ic gafAlerre antworde daer af.
Verw erren 556,tegen elkander ez:/fds,Ln f-idfen vdrwlrrilgbrengen.
KIL.t
'
ntricœ'e,,:,'
/xr&r,.Ohd.rervirren.Brant,Narrensch.VII,1:
Mancher der hat grosz freiid dar an Daser verwirret yeder man.
D.Doctr.II,7Q6,waar van de oquade tonghe''gezegd wordt:
Siverwerretoudeendejonghe,
Man ende wi
jf,kind endevader Ende daer toedie ghemeinte algader.
KAUSLER wi1hier gelezen hebben vererren: ôoo& maken.W alew.9145
Dat seidiom hem te vererren.
Zie de Aant.b1.94.- Nog eene andere lezing verdientvermeldteworden,
t.w.verw ercken,(d.i.van zïrl afkeeri
g maken,#egwn&tp,rlidzdl van,
zieD.Doctr.lI,694;111,790,1444;Hildwb.Q35,17.
)- die voorkomtin
de Mnl.Dist.Caton.IIjQ9:
Die verwerct siin ghebueren Het wert hem dicken tsuere.
waardeAntw.uitgaafverw ecketgeeft,datdusa1seenevierdelezingte
beschouwen is. Eene ruime keus, voorwaar, uit vier ww.die e1k blna
evenzeer zouden kunnen geduld worden.
V isnt vter hellen 139, de #vf
'weî;die ook we1alleen d ie vian t
genoemd wordt. D.Doctr.111,1956;Rein.II.QQ88; St.Franc.1547 e.e.
HUYDIC.op Stoke111,37 en 46Q9W alewein 3956 noemt'
ùem :
Den groten duveluter helle.
Viere 541, 554, gewone vorm van het telwoord vier,zoowel in,a1s
buiten hetri
jm.Zie Mnl.Ri
jmspr.II,n.18;Lucid.4903;Rose7lQ4.0ok
nog gebezigd in de Stat--vert,Spreuk.XXX,18.
V laen 853,rWlen.KIL.deglukere,ydfl,- detraâeve.W alew.8568:
Eer soudic milaten vlaen; Eer ict ghedoghede motictverweren.
Gœdthals,Prov.anc.Flam.etFr.p.56 (Mei
jer oudeNederl.Spr.bl.7Q):
So vele heeft hy die tbeenken haudt,als die tschaepken vlaedt.
âutant/Ji</dlé?
:ftient16,i8#,g cff9ui:#:pr:J,.
welk sprlekwoord bsteekent dat beide, èn hi
j dieeen (gestolen)schaap
vilt,èn hz
j die daarhjbehulpzaam isen de pooten vasthoudt,dezelfdestraf
verdienen, of, zoo alsditdoor Jo.Xegid.Nucer.in de vertaling der Prov.
Gallic.p.10,gezegd is:
Pel16m vellentizJrpoena ,,#,-gv, t6nenti.
190
V lien 3461 3491 vlunâten, vlieden. - Q03, :59, 957,ontv
'lveâ/:>,.6r-
m#den.- 339,van zicâ afmeven.afnlaan,weigeren ietsaantenemen.
V olghen 976:1edichede vo1gh et w iuenjd.i.maaktdatmen
vrouwen gaatnaloopen.Zie Mnl.W db.op dragen II,375.
Vorbaer 549,676,voornaam,JJ.zJ:rkJ#:;superlat.vorbaerste 133.
I
n
den Ri
jmb.Q9749,Q9879,heeten de aanzienli
jksteinwonerseener stad
die voorbaersten vander stede. HUYDEC.op Stoke II,bl.1169
Limb.IIj773:
Here,so doet dan ontbieden Die vorbaerste van uwen lieden.
Vor di 857,voovvo: oogen,G ume f:#8xY//r#kJ:i#.Hettegenovergestelde isbachten,in vot
,afmenigâeid,Jcâfdrv- t'ug.
Voren gaen 67$ Tooraangaan.Flor.e.Bl.3Q36:
Blanceûoer hietse omtwater gaen,Siscude voren gaen metter dwale.
Prov.Comm.l9Q,433:
In diepe voeren moet die knape voer gaan.
Pevvadapvo
funda z,rrv:precedatïl unda.
V ort= Toot.td.i.verder;met verba samengesteld,b.v.:
V ort bringhen 1067,verder lr:sgal, voortvevtellen,aan anderen mede-
deelen.Sp.Hist.1,vIII,3% 187:
Goede mare soutstu vortbringen,Maer niet van dinen dinghen.
Spieg.d.Jong.371 :
En brenctnietvoorteensandersquaet,Si
jtaltijthoesch endesiendeblint.
Van geli
jkebeteekenisalsvoortzegghen,Lksp.111,3,116:
Heimelicheit,die u gheschiet,En suldivoortzegghen niet.
Vort leeren 416, vevder, 4JxJpv#,l# voort leeven. - leere vort,
&entudeerp,rdez hetvroeger geleerde.
V ort tellen 78,vevder vevtellen,aan anderen mededeelen.
Vortwisen Q9,48jverder,aanJa#,r,l mededeelen,onderwijzen.
Vouden.E'.vouven,#vJJ:lleggen (Lat.plécarej;Vd.buigen.- 738:
deen been uden,m6tJ#. 366nknielen(Lat.#dc/,regenu,ïwcfillrd).-
670: teen k n ie ouer tan der vouden,de eene knie over #: andeve 1:#::,1.
V raeh 414, 681, 705,imperat. van v rag h en;evenals drach van
dragh en.
Vrsy 98% œaar,,câ/,geloofmaavdig (Fr.rvat
'
j.
Vr
i
1
0
9
1
,
v
r
#
-J
r,
z
i
j
n
e
i
g
e
n
me
e
s
t
e
r
,
o
n
a
f
h
a
nkeli
jk.Lksp.111,3,lQl.
Zie ander.
Vroet 1Q8,wë&,edr4flldig. HUYDEC. Pr. 111, 4l. - De comparat.
vroeder Q69,Terntandkgev. Esopet XXXIII,fl:
Tkint es te beter ende vroeder,Horet na vader ende na moeder.
Het tegenovergestelde daarvan is onvroeder, onnoogeler.W alew.9011.
Vroetseap Q3, Q8, 35 e.e. wùàâeid,p:r:/=#,wet6nnchap.- vele
vroetscepen 1056,v,:lm#âeidn.
191
V rom e 38,41
'j360,563 e.e.voovdeel,JJ4/,nut.Hildegb.3Q,163 e.e.;
Rose 4984:
Niemen mint dan om sine vrome Ende hoe hite groten goede come.
CLIGNETT,Bijdr.90;Lksp.Gloss.- Hettegendeelisonvrom e,ncâade,
nadeel.D.Doct.II,30179Lksp.111,Q0,5Q.
Vromen 974,nutti
g z#p,baten,totvoordeelntrekken.Lksp.111,3,679:
Dat ghivroedelike leeft Van dien dat u G0d gheeft,
Dat moet u ehmer vromen.
Ibid.IIIjl@,146;Rein.96Q;CLARISSE,Aant.op H.d.H.bl.lQ5;Hildegb.Gloss.
VrouEe 7QQ,743,748,meesteres,#8J9#J/,2'
.(Lat.dominaj,hetvr.van
âeer,terwl
llm#f hetvr.is van man.Hildegb.88,70:
W aer om soe doestu onbescheit...Die heer den knecht,dieknechtdenheer,
Die vrouwe der maecht,die maechtder vrouwen?
Caerlen El.67:
Icben herejmi
jn wijfesvrouwe.
V rucht m aken 30, vr6e& en ::rlfe# inboelemenbgpdt
rwrvrlf opmekken.
V ru ch ten vrocht werd vroeger veelgebruiktvoorvr66&,Jlpf.W alew.
9Q9:9 Alex.111,IQ;D.Doctr.II,3Q69:
Menich es gestoruen van vruchte 0m dat hide doet te zere duchte,
doch isthansalleen overig in godnvvuoht.ZieMnl.Ri
jmspr.1,34;II,Q0.Geheelin onbruik isgeraakthetww.vruchten (Hd.fûrnhtenj,rreezen.
Men vindt het in.Walew.10551,in Demaghetvan Ghend (0v1.Ged.II,
105)l8;Alex.VI,304:
O0c vruchtic in minen sinne Dats den coninc iets vernoie,
Sp.Hist.1,vlll,58,31 (Zedelessen Q39):
Hope niet velejvrucht niet te sere,Oftu wilt bliven in dine ere.
V ulleesten Q8Q,voleindigen,p/flr,agel;meestalgeschreven vo11eysten,van het znw.vo11eist,nulp.Zie CLTGNETT,Voorr.v.d.Teuthon.
b1.XXXI,1;MLoep 1I,1648;Limb.Vj1965:
Siet her coninc,nu ben ic hier,Alse goet ridder ende fier
Te volleistene miin gelof.
00k vindt men daarvoor leysten.MLoep IV,1888 :
Hi
jen salleysten si
jn begheren.
Vuul (vu1)X6,vuilî44Jl&l#â,leel#k.Hildegb.Q6,98;160,3Q6.-
V uu 1h eit958,ruilâeid.
W .
W achten 492,713,zfcl in JcJ/ nemen,FrJ van l/zontâouden.- h em
w ach ten 887, 1050,zinn J/:#:zl,vooraluit vrees.- hem w ach ten
van iet(metgenit) 53% zicâ voori:/,âoeden.
W aer 681,waarâeen,>:rwJ,r/:.Rein.1660:
Oom,dat encan ic niet verstaen,W aer ghidese tale keert.
W aerscepon 487, tracteeren.op een feest ofmaalti
jd onthalen.Zie
w erscap.
192
te W sert.Eenbi
jwoord,datachtereen doortegeregeerdwoordpleegt
gezette rorden om derichtingnog naderaan te duiden;356:gheere
daet, dle te d i w aert n iet ne gaet,geene JJ/I#,die v néetJJxgaat; eig. die niet totu komt,die u niet raakt.- 698:die vaertte
Parijs w aert, die naar P.r,i4f.Z0o ook te Frcacriâemaertin Lksp.
II,48j1069. Op geli
jke wi
jze wordtin 'tLati
jn depraep.versusgebruiktj die ook achter den casus moet gezetworden; zooals ad Oceanum
wdrzv,bi
j CaesarB.G.IV,3Q;in ItalLam tvrzv:bi
jServ.Sulpic.in Cicer.
E
pe.lvul
addigFearm.
lVj
1t;
ducnffiilszahv
n
i
jk*
Svaallnuswt.aCeat
lt.5
b$
i
4e.Do
ch.
ve
dan
he1
tQj
La
.i
vn
ern
ee
te
gu
en
brb
ui
ri
Jd
Mnl
dichters;z0o toch vindt men o.a.te G ode w aert, D.Doctr.111,1518;
te1
*he1len w aert,Hildegb.Q36,*Q5;te h ove w aert?Theoph.6759
ten h onde w ert, Esopet XVII,4; th uu sw ert, lhldegb.6l,Q3;
ter sa1ew aert,W alew.806% 110Q3;ten serpentw aert,Alex.
V,550.- In meer dan één ogzichtkanditte-w aertvergeleken worden met het vroeger besproken ln -binn en.- 0ok thansnogzegtmen:
tnuinwaaru gaan.
(zo W air ende dair 74).Vermoedeli
jk beteekentditoveralollr.
W alsch 4,5,Franncâ.Rein.7:
Dathidie vite dede soeken Ende hise na den walschen boeken
ln dietsche dus heeftbegonnen.
W alew.11141:
0ns orcontdie walsce tale.
W an 9Q4,imperf.van w innen,vevkrh en.#::l4dâ/# worden.Evenzoo
gew an van gew in nen.Stat.-Yert.Genes.V,3,4,6,enz.
W andel Q90j onntandçq&tk, w,rlaorfi'
â. Mnl.Dist. Caton.111, 59
Alex.VII,165:
svie wandele es die aventure.
Ibid.II,4Ql:
W andelre dan een wint.
W andelen 991,vevkeeren,/-#Jl# J:Jle>.Lksp.IIIj4,509:
Aldus sa1 arm ende rike W andelen met sinen ghelike.
Rein.II, 5919. Elders in datgedicht ook w and eren geschreven 6567:
W ant ghi wandertonder die goede.
W anen Q30j l07Q,vetmoeden,p,rpn#,r,f:fî:l,meenen.Ferg.876,Q889;
Mlaœp 1,8Q6:
Datsuldiweten ende niet wanen.
W snen 681,van -4,r.Ferg.1Q9l; Kar.de Gr.1,1007:
Die hertoge seide:Nu segt mi,Lieve kinderjwanen comdiî
Limb.IV,1304:
'
Dandre seide:W anen quam hi hier.
Rein.Ql39.- Zoo ook danen ,van #JJr.Beatr.Q49,8039B.v.d.Houte
4449W alew.8064.
(te W snke gaen 193),on&tandva.
qtk.
qri'
l,aan hetwankelen gebracht
wjrden, tm#felmoedi; âJl#&-.- Dezelfde beteekenis heeft w ancke1
sIJn.9.Doctr.111,1707:
E1cman sa1si
jn herte maken Vromeende manli
jcin sinen saken,
Endenietwanckelsi
jn daerinne,Maerghestadech si
jn van sinne.
Hetwoordw anc,weVeling,en w ancken,m6@el6n,isuitvoerig besproken in Gloss.op Lksp.
W snconst draghen 816,mangunnt â/:.
:/,r,
's, 1# ziok â:lJ,.,van#vldJ# zi'
l.Mnl.Wdb.op draghen.W apene Rog.1384:
Die den vraghene wanconst dreghet,Leeringhe es in hem ontweghet.
n e W are 349,daaventegen.
te W aren 185, maarlb'k,izi maarheid; eene weinig beduidende verstopwoord,om het ri
jm te hulp te komen.HUYDEC. op Stoke 1,3589
Aant.op Mnl.Rijmspr.II,9Q.
zekering.- Aan heteinde van het vers staande is het niet m eer dan een
W assen 119,groeien, #ro/J:r worden, irt macht of aanzien toenemen.
Rl
jmb.Q2504;(Joann.111,30)9Rein.7663:
Hiheeft ghelaten een grootgheslachtjDie altoos wassen enderiseninmacht.
W at dinghe eist dat 886,matreden ï:evdat,wclr/zsï4 net.(Lat.
Luid r:ient,d.Ji.g'
uae clf/.
îcent,éf/lr, e&tçvp#).
W attan l7l)een uitroep: F-elnu,JJ:goo?watYpl#er.
8KIL.w atist
dan,guéd tum . Rein.:45,lQ90;wlex.vIII,38t; Limb.111,570.
W edergheuen 1106, teruggeven, vergelden. - 1113: om w eder-
g
heuen hopen!(nameli
jk van een ander,dus:terugâr#p&l),vergolden
vp/rypzl.
W ederhebben 1115,terugkrh en,vevgolden wgprol.D.Doctr.IIjQ343
Soe wie sinen vrient doet verstaen Dathidore hem heeft ghedaen,
Endedathem toent,lude oftstille,Datseen teken,dathijtwille
W eder hebben,alsictversta.
W edersegghen 592.Eig.tegen,
vreken;vd.meigeren,vandeJ,l#w#sen.
Lksp.lV,4,45;Rein.QQ83;Esopet XXV,l3:
Hets recht,die w ederseget tgoede,Dat hi hebbe arm oede.
CLIGNETT Bi
jdr.bl.186;Hildegb.Gloss.
W edertrecken Q93.Dit ww.beteekentelders wel onttrekken, onthou-
den (zie b-v. Lksp.111,8,Q9),doch hierbli
jktuithetverband,dat het
m oet opgevat worden in de bêt. van terugnemen (eig.ietsterugtrekkenq;
im mers zegt onze Moralist: 1)De Aventure geeft niet hare giften aan de
m enschen,m aar leentze hun slechts;daarom m ag m en het haarnietontzeggen het geleende terug te nem en-'' Zoo wordt 'sm enschen leven beschouwd bi
j Cicero Tusc.1,39,93; Natuva gz/ïtsdzzàdeditu8uram wz/,etamguam peouniae,zzf/ffr praestj'/v/J #ï
'.Quid 'dfigitur,çf
/t
?# îueraye,:irepetit,
gltum nult.? Ea :lizz?sonditione Jccvdrlt
ç.Vergeli
jk o0k Lucret.111,983 en
Consolatio ad Liv.Aug.369:
Tita datae#futenda:data d:fninefenoreI/Jï,
r
M utua,nec rdr/l pernoluenda die.
W ederw enden 7Q4,tevugkeerenèin deAuden.Fr.l34,w eder keren.
W eeldich 1091,kraohtig,=:îrJr'
:l#e,in weelde p,râ,prdl#,;vd.gelukkig.
Hildegb.Gloss.op w eldich.Lev.o.Heren 105:
Dat deen weent en dander lacht,Deen weeldich ende dander onmacht.
Esopet XXV, IQ:
N
Dus hebben die pude ghevaren,Die te voren weeldich waren.
Deze vorm van het woord isnog behouden in deSt.-vert.Psalm CXXIII,49
JesajaXLVII,8.
W eeren 419,4Ql,afmeren,J:keergaan.
13
(W eiten 6),meten,evenals heiten,&
6t-.W alew.4718:
*6
Maer weit ghi watic name gherne.
W e1 eomen ende we1gehort1094,melkom 6n çlcz'
l:geâootd.Het
eerste woord,dat menigmaal voorkomt,vindtmen bk
J Hildegb.113,161
w e1 gh ecom en,en elders w il1ecom en geschreven,in Rein.10739
Caerl e.Eleg.1193; W alew.10Q53; Theoph.677,7Q3.Zie VEROXM aldaar
bl.139.- Het andere, w e1 geh ort,dat zeker niet veelza1voorkomenj
heeft eenie overeenkomst methetLati
jnsche b6neJv#if,d.i.ktinktgoed,
J,I/'
Jeen goeden klank,vppr#/ algemeen poregdl.
W enden 100Q,zïclvenden,omkeeren,reranderenranriclfilg.MLoep1,7Q6:
Als daventuir ten quaetsten went,Dats een haestich anevanc
Ter minnen.
a1so W erde 383. OUDEMANS VIl,9QQ geeftaan deze uitdrukking de
beteekenisvan evengoed,welkewe1aannemeli
jk z0u zi
jn,kon zemaar bevestigd worden door opgave van eene of meer andere plaatsen buiten de
verzen van onzen Moralist,die aldaar abusieveli
Di
jk - a1sbehoorden zi
j tot
eRose- geciteerd zi
jn.Zie also Verde.
der W erelt seden lQ,al
gemeene zeden,gedragsli
jn diein hetmaats
chappelijk leven door ieder behoort gevolgd te worden.Zoo spreektde
D.Doctr.11van goeder 1iede sede.
W ersceep 571,611,feentvieving.W aarin deze bestaat,leertmen uit
den D.Doctr.1,133:
Minne oec ende vrienscap Vergaderen dicke in werscap,
Dats,tsam en drincken ende eten.
St.Brand.1340;MLoep 111,1082:
Ende op sulken dagen m eest Hilden siwerscap ende feest.
Enen w erscap m aken 766,vooriemand een/::#f,een maatt#d aanrïcl/:l.Zie w aerscepen.
W ert hebben 460, in wlcro nouden, âoogacâten,l:-iss,p.Kar.de
Gr.1,1976:
W ant hiheeft die vrouwe wert.
EsopetXVIII,3:
Om dathi(diri
jcman)haddeden hontsoe wert,
Droech deselni
jtten hondewert.
W alew.5334:
Liefhebben ende waert.
W ert w orden 776, geëerd vorden. - Het tegendeel 7Q onw ert
w orden en 835 onw aertsijn,veracâtworden,li:/in telz#l.
W ert 619, 711, gantheer, Jedr des âvizdz. Flor. e. Bl. 16389Esopet
XXXVII,lQ.Zoo ook w aert,W alew. 4748,1055% waar di
epersoon een
paar regels vroeger genoemd wordt die caste1ein.
m en W ertre 7Q,m6n xpr#Jer.
W ete God Q0l,435, God mogeâ:fveten,:o# z# m#ng'ftïipa.Eene
nadere bevestiging van 'tgeen gezegd is.Hetisdusbijwijze vaneed:ik
verzeker het u,lk bezweer hetu.- Elders vindt men :G od w eet. Zie
Mnl. Dist. Caton. II,13; Rein.1143,Q9l5; M ex. II,500,V,583;Limb.
II,999,!035,X,303,XI,777;Rose98599St. Franc.4341;Mnl.W db.lI,Q0l6.
195
W eep,gevolgd dooreen ww.in den ininitief,heeftin'tMnl.dekracht
beteekent laten Y# bidden,welaan.datvf
l# gaan Ji##:l/ZieHUYDEC.op
van den lmperatiefofhortatiefvan dat ww.,zoodat15:w eten b idden
Stoke II,b1.330.Zoo ook Seghel.v.Jherus.Q765:
W eten maken den man ende ymagineren Na onse ghelike,sprac die Here.
welke woorden de vertaling zi
jn van de beidevoorafgaande verzen:
Faciamus ânzzîix,ra ad ymaginem A/neeundum lpd/rl- similitudinem.
Meer voerbeelden van deze spreekwi
jze worden aldaarin 'tGloss.door
VERDAM opgegeven,waarbi
j n0g zouden te voegen zijn:Alex.lX,l84:
W iwillen doch watdoen te waren !
W eten varen in dit eylant,Daer in es menech viant.
en een zestalplaatsen uit W alewein,t.w.:
6409:
W eten peinsen om die ere!
6875:
W eten hen volghen sondersparen!
7090:
W eten senden enen bode binnen.
80Q8:
Dander sprac:Here,weten gaen !
9Q99:
W eten nu gaen al te hant.
9388:
W eten varen,icbidsju sere.
W eten 88Q:vroetscap leghet - in die h erte diese w eet.
De beide laatste woorden kunnen beteekenen: ùf, als men ze weet,d.i.
al&zddlzel:zf/;ôf,in hethartjdatdiewijsbeid heeft.
W etentheit 549,w#nheid, le?
zJt,t,z2J8i#,wetennchap.St.Franc.10480;
Ferguut Q153
Hare wetenthede,hare hovescheit groetjHebben hem brochtin groternoet.
d
ats w etenthede 764, dat i.
çverstandég, een bewijs datmen weet
h0e het behoort. Zoo ook in Die Rose 7140,dates vroetheide.Thans is metendneid niet m eer in gebruik;doch welonweteltdheidbonkunde.
W ile 93Q,tb'd,/###f%,uur.STEENw.Aant.op Maerl.Sp.Hist.II,bl.65.
Daarvan de spreekwi
jzen:bi w ile 10,Jï/m#len,J/z//#yd,eenigemalen.
Heelu 1867.- diew i1e dat489,635,terulùl,zoolang ats.Limb.II,1Q1;
Heelu 470;D.Doctr.1,863.- (a1de w ile dat99).- vptie w i1e
dat 924,op dat fp'
##/?
y toen.- som e w ile 1103,8omw#'
ten,#t?
zz?J9'#d,
nu en dan. Mnl.Dist.Caton.II,Q8.- Hiertoe behoort ook de adverbiale
aitdrukking w ilen,weleer,ïzzvroegerf9W.Sp.Hist.1,II,4l,Q8;Beatr.
Q99 Lksp.111,3,1135:
En verwitooc niemene das Dathi wilen een quaetmensche was.
Thans zegt men nog w i
j1enjals van een overledene gesproken wordt'
D.Doctr.1,43:
Met autoriteyten al beweuen,Die de wise meestre wilen screuen.
W illike 1107,gewillig,rr#vpilli;;hetzelfdea1sghew il1ike.
(W iltmis ghelouen 150)= w i1tm ides,wilmi
j denaangaande,ïl
détmzfcâ/,vertrouwen.
W innnp 838,door Jrl:id d.n â/,
v/verdienen.
W innen 434,hetzelfde alsâ48:w enn en, zicâ ï:/.
vaanwennen,de#:voonte w4s iets aannemen.Zie de Aant.bl.83.- Het tegenovergestelde is
430:ontw ennen,a#eeren;ook ontw onen geschreven;zie 964.
W isen Q1,992,aanvi
jzen,os#,rf
zl#zdl.Zieookvortw isen.Rein.Q067:
Nochtan horet alle,ghi heren:Laet u wisen ende leren.
Lev.o.H.105Q,11lQ;Lev.v.Jezus c.19,QQ.
196
W issel doen 1116,vuithandel#r#w,1,%66 handelen datmen eenegeli
jke waardeterugkrijgt.
(W it9%,KIL.w it,met,lex.Hildegb.5,Q08:
0mt recht te houden na der wit.
De verwisseling der beide vokalen vindtmen ook in w in nen,wennen;
h i1le,nette Lev.o.H.lI,4467.en omgekeerd in 1et,lid.W alew.9704,
98Q79 Ferg.3l8:
Een 1et en dorstiniet verroeren.
W iten 108,wëten,ten ft
Jt
yf,leggen,toerekenen(Lat.émputare,cuf/zc-mali
ïl aliLuem rdfcdrd). Mnl.Dist.Caton.1,Q3;Rein.II,191.;Rijmb.1Q964:
Dat m oeghen si siere quaetheid witen.
Flor.e.B1.l10Q; V.d.Zielen e.L.1l9:
Maerdatghi
jtalsoutwiten mi,Datware onrecht,seggicdi.
W iuen 778, dien&tmaagden, (in tegenstelling van boden, d.i. het
manneli
jk dienstpersoneel des huizes. Zie bij bode). ln die beteekenis
vindtmen veeld1enstw ijf.W alew.3716,3896;Limb.111,11.04:
AnemiV bdiemmermereEen dienstwiif waer ghivaert.
Zie Mnl.W db.II,168.00k we1ion c w iu e.D.Doctr. 111,1461:
Knechte ende ionc w iue,twaren,Die te m inen dienste waren.
W ort (meerv.)354,woovden;evenals din c,dingen.Alex.VII,393:
Qlzalike bequamen desewoort Dien ghonen,die se hebben ghehoort.
Ibid.VllI,643:
Dussijn diesaermsmenschen woort,A1si
jn sigoetjluttelghehoort.
Lksp.1,Q5,98;Limb.VllI,1lQ8;Ferg.1739; B.v.d.Houte QQl;Esopet
IV,16,IX,18; Theoph. 1783. - Er waren vroeger veelm eer woorden
dan thans, die een meervoud hadden,aan het enkelvoud geli
jk.Hetis
thans vooral in gebruik bi
j woorden die maatbeteekenen,a1s:jaar,vvr,
duim, noet,yt
/zl#,kan enz.Zie CLIGNETT,Bi
jdr.bl.1839VAN W IJN,Aant.
op Heelu b1.l3;Gloss.op Prov.Comm.v.pturalis.
op W ouker geuen 1118,woekerhandel#r#pes,zich voorstellen meer
geschoten geld w oeker nem en, buétengewone,ongeoortoofde F:ZCJ:I àeJïzeev.Ri
jmb.Q5099:
te zullen terugontvangen dan men gegeven heeft.Zoo zegt men van voor-
W ant die wet verboot ooc mede Dat gheen Joede woeker name
Van den andren.
waar gedoeld wordt op Levit.XXV,36;Deuteron.XXIII,19 e.v.
W roehte 97Q,impf.van w erken,i6t.
grarricé/:z
l.Rein.1332;Lksp.
ljlQ,78; 1,Q5,68;MLoep IV,15139W alew.QQQO:
Jc wane men nietin boeken ne 1as Daer W alewein alsulcwonderwrochte.
Hildegb.184, 91:
Wanticblevehem gaerne by,W rochtehinaedie wille mijn.
Elders ook w rachte.Alex.VII,10899Limb.V1,Q4449 Flor.e.B1.Ql0.
Zie VERDAM op Theoph.b1.1Q8.
Door den Schrijver dezes is op 't gebied van
Spreuken- en Spreekwoorden-litteratuur
vroeger uitgegeven :
Recensie van Dr. W i l h . Binder's Novus Thesaurus Adagiorum Latinorum. Stuttgart, 1861 . Voorafgegaan door eene List van 250 Geschriften over de Latijnsche Spreekwoorden . Eene bijdrage voor de
Bibliographic
f 0.50
Overgedrukt uit het Tijdschrift voor de Nederlandsche Gymnasien voor 1861 .
Verhandeling over de Proverbia Communia, ook Proverbia Seriosa
geheeten, de oudste verzameling van Nederlandsche Spreekwoorden .
Leiden 1864 . 40
f 2 .Glossarium van de oud-Hollandsche en middeleeuwsch-Latijnsche
woorden, voorkomende in de Proverbia Communia . Gevolgd door
omstreeks twee honderd Emendaties in den Latiinschen tekst van dat
geschri ft . Leiden 1865 . 80
f 1 .Uit bovengenoemde Verhandeling overgedrukt als Bijlage tot het negende
deel der florae Belgicae van H o f f m a n n v o n r a l l e r s l e b e n .
Erasmus over Nederlandsche Spreekwoorden en spreekwoordelijke uit-
drukkingen van zijnen tijd, nit 's mans Adagia opgezameld en nit andere, meestal nieuwere geschriften opgehelderd. Utrecht 1873 . 80. f 12.lfoannes Glandorpius in zijne Latijnsche Disticha als vertaler van
A g r i c o 1 a' s Sprichworter aangewezen. Leiden . Eerste gedeelte 1874,
Tweede gedeelte 1876
f 3.Heinr . Bebel's Proverbia Germanica bearbeitet . Leiden 1879 .
f 8.-
Levensbericht van P. J . H a r r e b o m e e (schrijver van het Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal). Leiden 1881 . . . . f 0.30
Overgedrukt nit de Levensberichten van de Maatschappij der Nederl.
Letterk . 1880-1881 .
Middelnederlandsche Rijmspreuken (I) . Uit een oud I3 a a g s c h
Handschrift van de Koninkl . Biblioth. als vertaalde verzen van F r e id a n k s Bescheidenheit aangewezen en toegelicht . Leiden 1885 . f 0 .50
Overgedrukt nit de Handel . en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl .
201582025
bou006bouc02
Die Bouc van Seden . Een middelnederlandsch zedekundig leerdicht
ruserzen
eiden
1-
federl .
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising