Alfa Romeo | A0B0364b | Alfa 156 Alfa 156 GTA CONNECT Navigatiesysteem - Fiat

Alfa 156 Alfa 156 GTA CONNECT Navigatiesysteem - Fiat
CONNECT
Navigatiesysteem
CONNECT Nav
Al f a 156
Al f a 156 GTA
604.31.122 NL
De auto kan zijn uitgerust met het Connect Nav of het Connect telematica-infosysteem, waarin is opgenomen: een mobiele telefoonmet handsfree-systeem die uitstekende prestaties levert, een zeer betrouwbaar audiosysteem en een CD-wisselaar.
Bovendien kan de auto zijn uitgerust met een in het audiosysteem geïntegreerd satelliet-navigatiesysteem.
Het Connect Nav, het Connect en het satelliet-navigatiesysteem zijn aangepast aan de specifieke eigenschappen van het interieur en sluiten
aan bij het ontwerp van het dashboard.
Deze systemen hebben een ergonomische opstelling voor de bestuurder en de passagier en met de grafische afbeeldingen op het display kunt
u de bedieningsknoppen snel herkennen.
Hierna zijn de bedieningsinstructies van het Connect, het satelliet-navigatiesysteem en het Connect Nav opgenomen; het verdient aanbeveling
deze zorgvuldig te lezen en altijd onder handbereik te bewaren (bijv. in het dashboardkastje).
Veel leesplezier en goede reis.
CONNECT
ALGEMENE INFORMATIE ..................................................
5
TIPS EN AANWIJZINGEN ..................................................
VERKEERSVEILIGHEID ..............................................................
RADIOFREQUENTIE..................................................................
VERZEND-/ONTVANGSTOMSTANDIGHEDEN ..............................
VOORZORGSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ..........................
COMPACT DISC........................................................................
6
6
6
6
7
7
BEDIENINGSKNOPPEN ......................................................
8
WERKING ............................................................................
9
9
9
10
10
AUDIOSYSTEEM ZONDER TELEFOON ........................................
AUDIOSYSTEEM MET TELEFOON................................................
TAAL SELECTEREN....................................................................
SIM-KAART VERWIJDEREN ......................................................
RADIO..............................................................................
BESCHRIJVING VAN HET BEDIENINGSPANEEL ............................
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET STUURWIEL ..............................
AUDIOBRON SELECTEREN ........................................................
RDS-FUNCTIE ..........................................................................
AF-FUNCTIE ............................................................................
REG-FUNCTIE ..........................................................................
GOLFBANDKEUZE....................................................................
AFSTEMMING ..........................................................................
11
11
17
18
18
19
19
20
20
FREQUENTIE DIRECT INVOEREN................................................
STATIONS OPSLAAN ................................................................
TRAVELSTORE-FUNCTIE ............................................................
OPGESLAGEN STATIONS BELUISTEREN ......................................
REGELING ONTVANGSTGEVOELIGHEID ......................................
FUNCTIE MONO/STEREO ........................................................
EON-FUNCTIE..........................................................................
TA-FUNCTIE ............................................................................
CD-WISSELAAR CDC
(indien aanwezig)................................................................
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN ..................................................
CD SELECTEREN ......................................................................
MUZIEKSTUK SELECTEREN........................................................
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN ..................
MUZIEKSTUKKEN IN WILLEKEURIGE VOLGORDE WEERGEVEN ....
PROGRAMMEERBARE FUNCTIES ................................
SETUP-MENU INSCHAKELEN ....................................................
RADIO-MENU INSCHAKELEN ....................................................
TELEFOON ..............................................................................
ALGEMEEN..............................................................................
PIN- EN PUK-CODE..................................................................
SIM-KAART PLAATSEN..............................................................
20
21
21
21
22
22
22
23
24
24
27
27
27
27
28
28
31
36
36
36
36
PIN-CODE INVOEREN ..............................................................
SIM-KAART ONTGRENDELEN ....................................................
UITGAAND BELLEN ................................................................
NOODOPROEP ........................................................................
BESCHRIJVING VAN HET BEDIENINGSPANEEL ..........................
TELEFOON ..............................................................................
SNEL TELEFOONNUMMER ZOEKEN............................................
NUMMERHERHALING ..............................................................
TELEFOONGESPREK AANNEMEN/WEIGEREN..............................
OPROEPSIGNAAL ....................................................................
WACHTSTAND/WISSELGESPREK................................................
AGENDA ................................................................................
BELLEN NAAR HET BUITENLAND ..............................................
MENU TELEFOONLIJST ............................................................
PROGRAMMEERBARE FUNCTIES................................................
SETUP-MENU INSCHAKELEN ....................................................
TELEFOONMENU INSCHAKELEN ................................................
37
37
37
38
39
43
43
46
46
47
48
49
49
50
56
56
62
TARGASYS-DIENSTEN ..................................................
73
74
75
79
79
82
82
84
MENU INSTELLINGEN INSCHAKELEN ........................................
CONNECT INSCHAKELEN ..........................................................
GEBRUIK VAN HET CONNECT ....................................................
“MEDISCHE ASSISTENTIE”........................................................
”TECHNISCHE ASSISTENTIE” ....................................................
INFOMOBILITY-DIENSTEN ........................................................
FUNCTIE “CONNECT” ..............................................................
FUNCTIE “FOLLOW ME” ..........................................................
BEWAARDE BERICHTEN OPROEPEN ..........................................
84
87
DIEFSTALBEVEILIGING ......................................................
89
89
90
CODE INVOEREN ....................................................................
AFSCHRIKLAMPJE TEGEN DIEFSTAL ..........................................
TECHNISCHE GEGEVENS ..............................................
VERSTERKER ..........................................................................
RADIO ....................................................................................
TELEFOON ..............................................................................
TECHNISCHE ASSISTENTIE ........................................................
91
91
91
91
91
VERKLARENDE WOORDENLIJST ....................................
92
Het Connect-systeem met geïntegreerde
autoradio en telefoon is confor m de wettelijke veiligheidsnor men en aanbevelingen.
De werking van de in de autoradio geïntegreerde telefoon is gebaseerd op de
GSM standaard voor mobiele telefonie.
Deze standaard is ontwikkeld voor het
gebruik van mobiele telefoons in Europa
en in andere landen, en is verspreid in vele landen in de wereld (bijv . VDE DIN
0848).
Met deze telefoon kunnen dezelfde telefoonverbindingen worden gemaakt die
met een draagbare mobiele telefoon mogelijk zijn. Om te kunnen telefoneren
moet u in het bezit zijn van een SIMkaart, d ient u z ich b innen h et d ekkingsgebied v an h et GSM 900 netwerk
te bevinden en moet de sterkte van het
ontvangstsignaal voldoende zijn.
Noodoproep
CONNECT
A L G E M E N E I N F O R M AT I E
Om maximale veiligheid te garanderen
kan met de telefoon altijd een noodoproep (112) worden ver zonden, ook zonder SIM-kaart.
U kunt bellen en gebeld worden als het
Connect-systeem is ingeschakeld, u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900 netwerk bevindt en de sterkte van
het ontvangstsignaal voldoende is. Om
deze redenen kan een verbinding niet onder alle omstandigheden gegarandeerd
worden. Vertrouw niet uitsluitend op het
gebruik van de telefoon voor het ver zenden van noodoproepen die van levensbelang zijn, zoals een ver zoek om medische hulp.
5
CONNECT
TIPS EN AANWIJZINGEN
VERKEERSVEILIGHEID
Voordat u gaat rijden, raden wij u aan
om ver trouwd te raken met de verschillende functies van het Connect en in het
bijzonder van de autoradio (bijv . het opslaan van stations).
Houdt u strikt aan de wettelijke bepalingen die gelden voor het gebr uik van telefoons in de auto. Bel indien noodzakelijk
handsfree: Wij raden u in ieder geval aan
de auto te parkeren en stil te zetten voordat u belt.
RADIOFREQUENTIE
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Wij raden u dan ook aan om het
volume altijd zo te regelen dat
geluiden van buiten (claxons, sirenes van ambulance, brandweer, politie e.d.) hoorbaar blijven.
6
De telefoon is goedgekeurd voor de
GSM standaard en voldoet aan de veiligheidslimieten m.b.t. de bescher ming tegen radiostraling.
De werking van de telefoon kan gestoord worden door medische apparatuur
(bepaalde protheses, pacemakers, enz)
die niet voldoende beschermd zijn.
Zet de telefoon altijd uit als het gebr uik
ervan verboden is of in gebieden met een
hoog explosiegevaar zoals tankstations,
chemische fabrieken en in de nabijheid
van explosieve stoffen of ladingen.
ONTVANGST-/VERZENDOMSTANDIGHEDEN
Tijdens het rijden wisselen de ontvangstomstandigheden (voor de radio) of
de ontvangst-/zendomstandigheden
(voor de telefoon) voor tdurend. De ontvangst kan gestoord worden door de aanwezigheid van bergen, gebouwen, tunnels of br uggen, vooral als u ver ver wijderd bent van de zender waar naar u luistert of van de zender voor de telefoonverbinding.
Zonder dat er speciale voor zorgsmaatregelen nodig zijn, is een lange levensduur
van het systeem gegarandeerd. W endt u
bij storingen tot de Alfa Romeo-dealer.
Maak het bedieningspaneel alleen met
een zachte, droge en antistatische doek
schoon. Schoonmaak- en glansmiddelen
kunnen het front beschadigen.
Behandel het display met zorg. Als
er scherpe voor werpen worden gebruikt kunnen er krassen en beschadigingen op het display ontstaan.
Maak het display alleen met een zachte, schone en droge doek schoon.
Schoonmaak- en glansmiddelen kunnen
het display beschadigen.
Oefen geen druk op het
display uit tijdens het reinigen. Als er scherpe of
harde voor werpen worden gebruikt, kunnen er krassen en beschadigingen op het display ontstaan. Raak het display niet met
de vingers aan. Raak bij breuk
de vloeistof die kan wegvloeien
niet aan; als deze vloeistof in
contact komt met de huid, moet
de huid onmiddellijk worden gewassen met water en zeep.
COMPACT DISC
Als u de CD-speler gebruikt, houd er dan
rekening mee dat door de aanwezigheid
van vuil of vingerafdr ukken op de CD er
een onderbreking in de weergave en een
slechte geluidskwaliteit kan ontstaan.
Hetzelfde gebeur t als per ongeluk de CD
wordt gebogen.
Voor een perfecte weergave geven wij u
de volgende tips:
– Gebruik alleen CD’s met het merkteken:
– Verwijder eventuele vingerafdr ukken
en stof van het CD-opper vlak m.b.v. een
zachte doek. Houd de CD bij de randen
vast en reinig de CD vanuit het midden
naar de randen.
CONNECT
VOORZORGSMAATREGELEN
EN ONDERHOUD
– Gebruik voor het schoonmaken nooit
chemische producten (bijv . antistatische
sprays of thinner) omdat hierdoor het oppervlak van de CD kan worden beschadigd.
– Berg na het beluisteren de CD weer
op in het doosje om te voorkomen dat er
vlekken of krassen ontstaan die de weergave kunnen verstoren.
– Stel de CD’ s niet bloot aan war mtebronnen, zonnestraling of vochtigheid om
te voorkomen dat de CD’s vervormen.
– Op het weergave-opper vlak van de
CD mag niets geplakt en geschreven
worden.
7
CONNECT
BEDIENINGSKNOPPEN
A0B0238b
fig. 1
8
AUDIO-SYSTEEM
(ZONDER TELEFOON)
AUDIO-SYSTEEM
MET TELEFOON
Druk om het apparaat in te schakelen
op de draaiknop ( ON/OFF) ( 1-fig.
1). Op het display verschijnt het ver zoek
om de houder van de SIM-kaar t te plaatsen.
Als een geldige SIM-telefoonkaar t wordt
ingevoerd, kan de telefoon gebr uikt worden en de functies worden bereikt.
BELANGRIJK Als de houder van de
SIM-kaart niet in de betreffende zitting
(17-fig. 1 ) is geplaatst, schakelt het
apparaat na 15 seconden automatisch
uit. Plaats de kaar thouder dus binnen 15
seconden in de zitting om te voorkomen
dat het apparaat uitschakelt.
Als het apparaat voor de eerste keer
wordt ingeschakeld of nadat de accu losgekoppeld is geweest en weer is vastgekoppeld, verschijnt op het display het verzoek om de code in te voeren: ga te
werk zoals beschreven is in de paragraaf
“Code invoeren” in het hoofdstuk “Diefstalbeveiliging”.
SIM-KAART INVOEREN
Ga als volgt te werk:
– dr uk licht op de buitenrand van de
SIM-kaarthouder en laat de houder los
zodra u een lichte weerstand voelt; de
kaarthouder wordt uitgeworpen;
– plaats de SIM-kaar thouder in de zitting ( 17-fig. 1 ) totdat u een lichte
weerstand voelt en de houder vastklikt;
CONNECT
WERKING
– het apparaat schakelt in; als de kaar t
op de juiste wijze is ingevoerd, verschijnt
het verzoek tot het invoeren van de PINcode van de SIM-kaar t (zie de paragraaf
“PIN-code invoeren” in het hoofdstuk “Telefoon”) als het ver zoek tot het invoeren
van de PIN-code is ingeschakeld.
– plaats de SIM-kaar t op de houder
met de chip aan de bovenzijde en
naar het apparaat gericht;
9
CONNECT
TAAL SELECTEREN
Normaal gesproken worden de teksten
in het Engels op het display weergegeven.
De teksten kunnen ook in een andere
taal worden weergegeven. Ga als volgt te
werk:
– druk bij ingeschakelde “Radio” op de
toets OK/MENU (13-fig. 1 ); het
programmeermenu “DSC – Radio” verschijnt;
– in het menu staat de cursor ˙ op het
menupunt “Setup”;
– bevestig de keuze door de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ) in te dr ukken;
– in het menu Setup staat de curso r
˙ op de functie “ Taal”; bevestig de
keuze door de toets OK (13-fig. 1) in
te drukken;
ª
– selecteer met de toetsen ì $ (7º
fig. 1) de gewenste taal en bevestig de
keuze door de toets OK (13-fig. 1) in
te drukken;
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het programmeermenu af te sluiten.
SIM-KAART VERWIJDEREN
Druk licht in de rijrichting op de houder
van de SIM-kaar t ( 17-fig. 1 ) en laat
de houder los zodra u een lichte weerstand voelt; de kaar thouder wordt uitgeworpen waarna de SIM-kaart kan worden
uitgenomen.
BELANGRIJK Probeer de houder van
de SIM-kaart niet uit de zitting ( 17-fig.
1) te ver wijderen door er aan te trekken! Kans op beschadiging.
SIM-kaart reinigen
Om een per fecte werking van de kaar t
te garanderen, moeten de contacten altijd
schoon zijn. Raak de contacten niet met
de handen aan en reinig de contacten zonodig met een in alcohol gedrenkt watje.
Stel de kaart niet bloot aan directe zonnestraling.
10
BESCHRIJVING VAN HET
BEDIENINGSPANEEL (fig. 1)
1.
ON/OFF VOLUME
Druk op de knop om het systeem in
of uit te schakelen. Om de autoradio in te schakelen moet binnen 15
seconden na het indr ukken van de
knop de lege kaarthouder (17-fig.
1) of de houder met SIM-kaar t in
de zitting worden geplaatst.
Als de hier voor beschreven procedure niet cor rect is uitgevoerd binnen
de vastgestelde tijd (15 seconden),
schakelt het apparaat uit.
In-/uitschakelen
met SIM-kaarthouder
Als het apparaat is ingeschakeld
met de draaiknop ( 1-fig. 1), kan
het apparaat worden uitgeschakeld
en weer ingeschakeld door de SIMkaarthouder te plaatsen.
In-/uitschakelen
bij het starten/uitzetten
van de motor
Bij bepaalde uitvoeringen kan de
autoradio automatisch worden in/uitgeschakeld bij het star ten/uitzetten van de motor . Als de motor
wordt uitgezet, hoor t u twee bieps
om aan te geven dat de kaar thouder of de SIM-kaar t moet worden
verwijderd voordat u de auto verlaat. Als de functie “Timer” is ingesteld, blijft de autoradio na het uitzetten van de motor nog een bepaalde tijd ingeschakeld.
Als de motor tijdens een telefoongesprek wordt uitgezet, blijft het apparaat ingeschakeld totdat het gesprek
beëindigd is. Na het uitzetten van de
motor (SIM-kaar thouder geplaatst)
kan het apparaat op de volgende
manier ingeschakeld blijven. Dr uk na
de twee bieps op de draaiknop ( 1).
Het apparaat schakelt in. Na een uur
schakelt het apparaat automatisch
uit om te voorkomen dat de accu
ontlaadt.
Werking met timer
CONNECT
RADIO
Als de functie “Timer” wordt ingeschakeld in het programmeer menu,
blijft de autoradio na het uitzetten
van de motor nog een vooraf ingestelde tijd (van 0 tot 90 minuten)
ingeschakeld (zie de paragraaf
“Programmeerbare functies - Tijdgeschakelde uitschakeling”).
Volumeregeling
Draai de draaiknop (
1)
rechtsom/linksom om het volume
te verhogen/verlagen.
Het ingestelde volumeniveau
wordt op het display weergegeven.
Bij het inschakelen van de autoradio kan het volume het niveau hebben dat was ingesteld voor het uitschakelen of het geprogrammeerde
niveau (zie de paragraaf “Programmeerbare functies - Vast volume”).
11
Extra functie
Travelstore
CONNECT
2. SRC
Keuzetoets werking: Radio, CD-wisselaar en AUX (exter ne audiobron,
indien geïnstalleerd).
Om met T ravelstore de negen stations met het sterkste signaal op te
slaan: dr uk op de toets BND totdat u een geluidssignaal (“biep”)
hoort, of totdat “ TRAVELSTORE” knipperend op het display verschijnt.
Als de telefoonfunctie is ingeschakeld kan een audiobron gekozen
worden mits er geen gesprek wordt
gevoerd of een telefoonverbinding
tot stand wordt gebracht.
3.
TA
Als op het display “T A” (Traffic Announcement = V erkeersinformatie)
verschijnt, kan alleen worden afgestemd op stations die verkeersinformatie uitzenden.
5.
Met deze toets kan op het display
een nieuw ontvangen SMS-bericht
worden weergegeven.
6.
BND/TS
Met deze toets kan gewisseld worden tussen geheugenniveaus/golfbanden FM, FMT (Travelstore), MW
en LW.
12
•
Met deze toets krijgt u toegang tot
de Telematica-diensten van Targasys.
Druk om de functie in of uit te schakelen op de toets TA.
4.
SMS
7.
Multifunctionele toetsen
Radio
ª/º Automatisch zoeken
naar stations
ª
op hogere frequentie
º
op lagere frequentie
ì/$ stapsgewijs op hogere/lagere frequentie
(op FM alleen met AF
uitgeschakeld).
Alleen voor FM:
ì/$ Doorlopen van de stations
als AF is ingeschakeld
bijv. NDR 1, 2, 3, 4,
N-joy, FFN, ANTENNE...
CD-wisselaar
ì/$ CD selecteren
$
volgende CD
ì
vorige CD
Muziekstuk selecteren
ª volgend muziekstuk: druk kort
op de toets;
- vooruit zoeken (toon hoorbaar): houd de toets ingedrukt.
º vorig muziekstuk: druk twee of
drie keer kort na elkaar op de
toets;
muziekstuk herhalen: druk kort
op de toets.
d) AF
Met de multifunctionele toets ( 7)
kunnen ook andere functies worden
uitgevoerd als de toets AUD (16)
of de toets OK/MENU (13)
wordt ingedrukt.
8.
Display Radio (fig. 2)
a) AAA
- Naam
van het station
b) FM
- Golfband
c) LD
- Versterken
van de bassen
bij een laag volumeniveau
(niet beschikbaar
bij een Bose hifisysteem)
A0B3106i
fig. 2
-Alternatieve frequentie met RDS
e) TP
- Verkeersinformatie
(beluisteren)
f) TA
- Voorrang voor
verkeersinformatie
g) lo
- Ontvangstgevoeligheid radiostations
h) ó
- Mailbox (alleen voor
telefoonfunctie)
i) 19/T9 - Voorkeuzetoets
(1 - 19)/
Travelstore (1 - 9)
l)⁄
- Verbinding met
GSM-netwerk
m) ê- Weergave van de
sterkte van het GSMsignaal
n)
è
o) 5
-
p) REG
-
Satelliet
Aantal ontvangen
satellieten
Regionaal programma
9.
Keuzetoetsen
Radio
Frequentie direct invoeren
CONNECT
Andere functies
Met de voorkeuzetoetsen kunt u direct een frequentie invoeren:
Druk bij ingeschakelde “Radio” op
“0” en voer vervolgens de gewenste frequentie in (begin bij het eerste cijfer). Het is alleen mogelijk
frequentiewaarden tussen 87,5 en
108 MHz in te voeren. Bij het invoeren kan de komma worden
weggelaten. Dr uk om het invoeren
te onderbreken op de toets CLR
(15); druk voor bevestiging op de
toets OK (13).
Stations opslaan
Op de verschillende golfbanden
(FM, FMT, MW en L W) kunt u
maximaal het volgende aantal stations opslaan:
FM
19
FMT (FM-Travelstore)
9
MW
9
LW
9
13
CONNECT
Houd tijdens het beluisteren van de
radio een voorkeuzetoets ingedrukt, totdat u een geluidssignaal
(“biep”) hoort.
10.
Alternatieve frequentie met RDS:
Als bij ingeschakeld RDS “ AF” op
het display verschijnt, wordt automatisch gezocht naar een betere
ontvangstfrequentie van het beluisterde programma.
Om een nummer met twee cijfers
op te slaan, moet u eerst kor t de
toets “1” indrukken en daarna binnen 2 seconden de tweede toets indrukken, totdat u een geluidssignaal (“biep”) hoort.
Functie in-/uitschakelen
Druk ongeveer 2 seconden op de
toets #/AF (10-fig. 1), totdat u
een geluidssignaal (“biep”) hoort.
Stations oproepen
Selecteer de golfband (selecteer
voor de frequentiemodulatie “FM”
of “FMT”) en druk op de betreffende toets.
Druk voor het oproepen van de stations van 10 tot 19, eerst op “ 1”
en daar na binnen 2 seconden kor t
op het tweede cijfer.
CD-wisselaar
U kunt de CD’ s in de CD-wisselaar
direct selecteren.
#/AF
Op het display verschijnt de status
van de functie:
“REGIONAL ON ”: functie
ingeschakeld
“REGIONAL OFF” : functie
uitgeschakeld
11.
£
Overschakelen naar de telefoonfunctie, zie “Beschrijving van het
bedieningspaneel” in het hoofdstuk
“Telefoon”.
12.
*/MIX
Radio
Gevoeligheid selecteren voor
het automatisch zoeken naar
stations
Druk om de functie in te schakelen kor t
op de toets */MIX (12-fig. 1 ). Op
het display verschijnt het opschrift “ Io”
als de nor male gevoeligheid is geselecteerd. Er wordt alleen gezocht naar stations met een goede ontvangst.
Als “ Io” niet verschijnt, is er een
hoge gevoeligheid geselecteerd en wordt
er ook naar stations gezocht met een
minder goede ontvangst.
MIX CD (willekeurige weergave
van muziekstukken op CD)
De muziekstukken op de CD worden in
willekeurige volgorde weergegeven.
De CD’s worden op nummervolgorde geselecteerd.
MIX OFF
De functie MIX is uitgeschakeld.
14
Druk meerdere keren op de toets MIX
totdat de gewenste functie op het display verschijnt.
14. MEM
16.ØI/AUDIO
DSC (Direct Software
Control)
Radio
Hoge-tonenregeling
(Treble)
Met de toets OK/MENU kunnen de
programmeerbare standaardinstellingen
gewijzigd en ver volgens opgeslagen
worden.
Programmeermenu oproepen :
druk kort op de toets (13-fig. 1).
Functie selecteren: druk op de toets
ª/º (7-fig. 1).
Weergave van de ingestelde
waarde: dr uk op de toets ( 13-fig.
1).
Waarde wijzigen : dr uk op de toets
ì/$ (7-fig. 1).
Opslaan: dr uk op de toets ( 13-fig.
1).
Programmeermenu afsluiten :
druk op de toets CLR (15-fig. 1).
Als het programmeer menu wordt afgesloten door op de toets CLR (15-fig.
1) te dr ukken, en niet eerst de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ) is ingedrukt, dan worden de gewijzigde waarden niet opgeslagen.
Zie voor meer infor matie de paragraaf
“Programmeerbare functies”.
Lijst met opgeslagen stations oproepen.
CD-wisselaar
Lijst met geplaatste CD’s oproepen.
Telefoon
Menu “Telefoonlijst” oproepen. Zie “Beschrijving van het bedieningspaneel” in
het hoofdstuk “Telefoon”.
15.CLR
Met de toets CLR (15-fig. 1) kunt u:
– een menupunt in het programmeermenu afsluiten. Dr uk om het programmeermenu af te sluiten nogmaals op de
toets;
CONNECT
13.OK/MENU
Ga als volgt te werk:
– d r u k o p d e t o e t s ØI/AUDIO
(16-fig. 1);
– druk kort op de toets ª/º (7-fig.
1).
Bassen regelen
Ga als volgt te werk:
– d r u k o p d e t o e t s ØI/AUDIO
(16-fig. 1);
– druk kort op de toets ì/$ (7-fig.
1).
– een telefoongesprek beëindigen
(functie telefoon) als alternatief voor de
toets £.
Als u bij geopend programmeer menu op
de toets CLR drukt, worden de gewijzigde waarden niet opgeslagen.
15
CONNECT
Balansregeling (Balance)
Faderregeling
Loudness
Ga als volgt te werk om de geluidsverdeling tussen de rechter en linker luidspreker te regelen:
– dr uk op de toets ØI/AUDIO
(16-fig. 1);
– dr uk twee keer op de toets ( 7fig. 1);
– druk op de toets ì (7-fig. 1 )
om het volume van de linker luidspreker te versterken;
Ga als volgt te werk om de geluidsverdeling tussen de luidsprekers
voor en achter te regelen:
– dr uk op de toets ØI/AUDIO
(16-fig. 1);
– dr uk twee keer op de toets ( 7fig. 1);
– druk op de toets ª (7-fig. 1)
om het volume van de luidsprekers
voor te versterken;
– druk op de toets º (7-fig. 1)
om het volume van de luidsprekers
achter te versterken.
Loudness in-/uitschakelen: druk ongeveer 1 seconde op de toets
ØI/AUDIO (16-fig. 1 ), totdat
u een geluidssignaal (“biep”)
hoort.
– druk op de toets $ (7-fig. 1 )
om het volume van de rechter
luidspreker te versterken.
Op het display verschijnen de ingestelde waarden. De laatste instelling wordt automatisch opgeslagen.
Druk kort op de toets om de geselecteerde functie uit te schakelen.
Als geen instelling wordt uitgevoerd, dan wordt de geselecteerde
functie na ongeveer 8 seconden automatisch uitgeschakeld.
16
Op het display verschijnt kort de geselecteerde status:
“LOUDNESS ON ”: loudness
ingeschakeld
“LOUDNESS OFF ”: loudness
uitgeschakeld
Zie voor meer infor matie het onderdeel “Loudness” in de paragraaf
“Radio-menu inschakelen” in dit
hoofdstuk.
17. SIM-kaarthouder
Het apparaat kan pas gebr uikt worden
als de SIM-kaarthouder is geplaatst.
Druk op de kaar thouder totdat deze
ontgrendelt. Laat de kaar thouder los,
steek de SIM-kaart op de juiste wijze
in de houder en duw de houder in de
zitting totdat deze vastklikt.
De bedieningsknoppen van de belangrijkste functies van de autoradio zijn ook
op het stuurwiel geplaatst, zodat u de autoradio nog eenvoudiger kunt bedienen:
1. Toets voor verhogen volume
2. Toets voor verlagen volume
3. Toets voor Mute-functie
4. Keuzetoets voor golfband (FM, FMT,
MW, LW) o f b eschikbare a udiobron (Radio – CD-wisselaar – Externe audiobron)
6. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
– CD-wisselaar: vorige CD/vorig muziekstuk selecteren.
Door telkens kor t toets ( 4) in te dr ukken, kunt u kiezen uit de beschikbare
golfbanden en audiobronnen.
De beschikbare golfbanden/audiobronnen zijn: FM, FMT, MW, LW, CDC.
Toetsen voor volumeregeling
(1), (2) en (3)
De toetsen voor het regelen van het volume (1) en ( 2) en voor het in/uitschakelen van de Mute-functie (3) werken op
dezelfde wijze als de toetsen op de autoradio.
5. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
Multifunctionele toetsen (5) en
(6)
Met de multifunctionele toetsen ( 5) en
(6) kunt u de opgeslagen stations oproepen, de volgende CD/het volgende muziekstuk of de vorige CD/het vorige muziekstuk zoeken tijdens het luisteren naar
de CD-wisselaar.
Druk op toets ( 5) om de opgeslagen
stations in oplopende volgorde te selecteren of de volgende CD/het volgende muziekstuk te beluisteren.
– CD-wisselaar: volgende CD/volgend
muziekstuk selecteren.
A0B0357b
fig. 3
Keuzetoets voor golfband
en audiobronnen (4)
CONNECT
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET
STUURWIEL
(indien aanwezig) (fig. 3)
Druk op toets ( 6) om de opgeslagen
stations in aflopende volgorde te selecteren of de vorige CD/ het vorige muziekstuk te beluisteren.
17
CONNECT
AUDIOBRON SELECTEREN
Met de toets SRC (2-fig. 1 ) kunt u
een van de volgende bronnen selecteren:
– Radio
– CD-wisselaar (indien geïnstalleerd)
– externe bron (indien geïnstalleerd).
Als u op de toets SRC drukt, wordt van
het telefoongesprek overgeschakeld naar
de laatst geselecteerde audiofunctie.
De telefoongesprekken hebben voorrang boven iedere andere functie; daarom
kan alleen naar een audiofunctie worden
overgeschakeld als er geen telefoongesprek wordt gevoerd.
Druk meerdere keren op de toets SRC
(2) totdat de gewenste functie op het
display verschijnt.
18
De functie CD-wisselaar kan alleen worden ingeschakeld als de houder in de CDwisselaar is geplaatst.
RDS-FUNCTIE
Als een houder zonder CD’ s of met een
onleesbare CD’s is geplaatst, verschijnt op
het display “NO CD”.
Dankzij het Radio Data System wordt
de geluidsweergave van stations op de
FM-band (frequentiemodulatie) verbeterd.
Er kan alleen naar een exter ne audiobron worden overgeschakeld als er geen
CD-speler is aangesloten; voor het overschakelen moet op het display “ AUX
ON” staan.
(RADIO DATA SYSTEM)
Een steeds groter aantal stations zendt
als aanvulling op het programma RDS-informatie uit.
Zodra de uitzendingen worden herkend,
verschijnt op het display de naam van de
zender en eventueel ook het regionale
herkenningsteken. Bij RDS worden de
voorkeuzetoetsen toetsen voor de verschillende programmatypes. Op deze manier weet u exact naar welke soor t programma’s u luistert en kunt u ook het gewenste programma direct selecteren.
Handmatig afstemmen op een alternatieve frequentie
REG-FUNCTIE
(REGIONALE PROGRAMMA’S)
Als de AF-functie is ingeschakeld, wordt
automatisch afgestemd op de optimale
frequentie van het geselecteerde programma. Deze functie is ingeschakeld als
op het display “AF” verlicht is.
Om het geselecteerde programma te
kunnen blijven ontvangen als u in een ander ontvangstgebied komt, moet al minstens één keer op dit programma zijn afgestemd en de AF-functie zijn ingeschakeld (opschrift AF weergegeven op het
display).
Enkele nationale stations zenden op bepaalde uren van de dag regionale programma’s uit die in elke regio verschillend zijn.
Ga als volgt te werk om deze functie te
gebruiken:
Om de REG-functie in te schakelen,
moet op een FM-golfband zijn afgestemd.
Ga als volgt te werk:
AF-functie in-/uitschakelen: druk kort op
de toets #/AF (10-fig. 1).
Tijdens het zoeken naar de optimale frequentie van een programma, wordt het
volume uitgeschakeld.
Als u het apparaat inschakelt of een opgeslagen frequentie oproept, verschijnt op
het display het opschrift “ ZOEKEN”; dit
betekent dat er automatisch naar een alternatieve frequentie wordt gezocht.
“ZOEKEN” verdwijnt als er een alternatieve frequentie is gevonden of als het
einde van de golfband is bereikt.
Als het vooraf geselecteerde programma
niet meer goed ontvangen kan worden,
wordt op een ander programma afgestemd.
– dr uk 2 seconden op de toets BND
(4-fig. 1) zodat de negen stations met
het sterkste signaal worden opgeslagen
(Travelstore);
– dr uk op de toets #/AF (10-fig.
1);
– zoek met ì/$ (7-fig. 1 ) het gewenste programma.
CONNECT
AF-FUNCTIE
(ALTERNATIEVE FREQUENTIE)
Functie in-/uitschakelen
– druk ongeveer 1 seconde op de toets
#/AF (10-fig. 1 ), totdat de status
van de functie op het display verschijnt:
“REGIONAL ON ”: functie ingeschakeld
“REGIONAL OFF ”: functie uitgeschakeld
Als de functie is ingeschakeld, verschijnt
rechts op het display het opschrift
“REG”.
BELANGRIJK Als de functie is uitgeschakeld (REGIONAL OFF), wordt, via de
tabel met alter natieve frequenties, automatisch afgestemd op de optimale frequentie van het geselecteerde station.
19
CONNECT
GOLFBANDKEUZE
Handmatige afstemming met ì/$
U kunt de volgende golfbanden selecteren:
Om handmatig te zoeken moet de AFfunctie (de opschriften “ AF” en “ REG”
mogen niet op het display zijn weergegeven) zijn uitgeschakeld. Schakel zonodig
de AF-functie uit zoals hier voor is beschreven.
FM 87,5 - 108 MHz,
MW 531 - 1602 kHz en
LW 153 - 279 kHz.
– Selecteer de golfband door meerdere
keren op de toets BND (4-fig. 1 ) te
drukken.
AFSTEMMING
Zoeken naar stations ª/º
Druk op de multifunctionele toets ( 7fig. 1):
ª
op hogere frequentie
º
op lagere frequentie
ì/$ stapsgewijs op lagere/hogere
frequentie (alleen op “FM” als
AF is uitgeschakeld).
Als u op ª/º drukt, wordt automatisch afgestemd op het volgende station.
Als u de toets ì/$ (links/rechts) ingedrukt houdt, wordt er snel naar stations
gezocht op hogere en lagere frequentie.
20
Handmatig afstemmen: dr uk op de
toets ì /$ (7-fig. 1 ): de frequentie
wijzigt stapsgewijs omhoog/omlaag.
Als u de toets ( 7-fig. 1) ì/$ rechts
of links ingedrukt houdt, krijgt u een snelle frequentiewijziging.
FREQUENTIE DIRECT
INVOEREN
Op de FM- en FMT -golfband kunt u direct de frequenties invoeren.
Frequentie invoeren bij ingeschakelde
“Radio”:
– druk op de toets “0”;
– voer de frequentiewaarde in en begin
bij het eerste cijfer . De komma hoeft niet
te worden ingevoerd.
De invoer wordt gewist als u op de toets
CLR (15-fig. 1) drukt en bevestigd als
u op de toets OK/MENU (13-fig. 1)
drukt.
Als u een station wilt opslaan onder een
geheugenplaats met dubbele cijfers:
Op iedere golfband kunt u maximaal
het volgende aantal stations opslaan:
– druk kort op toets “1” en daarna binnen 2 seconden op de tweede toets, totdat u een biep hoort.
FM
19
FMT (FM-Travelstore)
9
MW
9
LW
9
Ga voor het opslaan van stations als
volgt te werk:
– selecteer de golfband met de toets
BND/TS (4-fig. 1);
– met toets ( 7- fig. 1 ) (automatisch
ª/º of handmatig ì/$) kunt u op
een station afstemmen;
– houd de toets van het gewenste station ongeveer 1 seconde ingedr ukt, totdat u een biep hoort.
Het station is opgeslagen.
Op het display is te zien welk nummer
aan het station is toegekend.
BELANGRIJK Als wordt afgestemd op
een station dat al opgeslagen is, gaat op
het display kor t het nummer van het station en het geheugenniveau knipperen
(als u op hetzelfde geheugenniveau zit).
TRAVELSTORE-FUNCTIE
De negen sterkste FM-stations in het betreffende ontvangstgebied kunnen worden opgeslagen in volgorde van afnemende sterkte. Deze functie is vooral nuttig
tijdens langere reizen.
Functie inschakelen
De negen sterkste FM-stations worden
automatisch opgeslagen op het geheugenniveau “ T” (Travelstore). Als de procedure voltooid is, wordt automatisch afgestemd op het sterkste FM-station.
CONNECT
STATIONS OPSLAAN
De stations kunnen zonodig ook handmatig worden opgeslagen op niveau T ravelstore (zie vorige paragraaf).
OPGESLAGEN STATIONS
BELUISTEREN
De opgeslagen stations kunnen als volgt
worden oproepen:
– dr uk een of meer keren op de toets
BND/TS (4-fig. 1) totdat de gewenste golfband op het display verschijnt;
– druk kort op de betreffende voorkeuzetoets.
Als u een station wilt oproepen met een
geheugenplaats van twee cijfers (bijv. geheugenplaats 19), druk dan eerst op “1”
en daarna binnen 2 seconden op “9”.
Druk ongeveer 2 seconden op de toets
BND/TS (4-fig. 1 ): op het display
knippert het opschrift “TRAVELSTORE”.
21
CONNECT
U kunt de stations ook op de volgende
wijze oproepen.
REGELING
ONTVANGSTGEVOELIGHEID
– dr uk een of meer keren op de toets
BND/TS (4-fig. 1) totdat de gewenste golfband op het display verschijnt;
U kunt de ontvangstgevoeligheid voor
het automatisch zoeken naar stations wijzigen, dr uk ongeveer 1 seconde op de
toets */MIX (12-fig. 1 ): op het display verschijnt het opschrift “lo”.
– dr uk op de toets MEM (14-fig.
1): op het display worden alle op de geselecteerde golfband opgeslagen stations
weergegeven;
– selecteer het gewenste station met
de toets ª/º (7-fig. 1);
– bevestig de keuze door de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ) in te dr ukken.
Als de functie “lo” is ingeschakeld,
wordt alleen gezocht naar stations met
een optimale ontvangst.
Als de functie “lo” is uitgeschakeld,
dan wordt ook gezocht naar stations met
een minder goede ontvangst.
Zie voor het instellen van de gevoeligheid de paragraaf “Programmeerbare
functies - ontvangstgevoeligheid” in het
hoofdstuk “CD-wisselaar- CDC”.
WISSELING MONO STEREO (ALLEEN FM)
Als u het apparaat inschakelt, dan is de
geluidsweergave automatisch in stereo.
Bij een minder goede ontvangst, wordt
de functie Mono geselecteerd.
22
EON-FUNCTIE
Met de EON-functie (Enhanced Other
Networks) kunt u automatisch op radiostations afstemmen die verkeersinfor matie uitzenden.
Vele FM-programma’s zenden regelmatig verkeersinfor matie uit die betrekking
heeft op hun ontvangstgebied.
Programma’s met verkeersinfor matie
zenden een herkenningssignaal uit dat
door uw radio wordt geanalyseerd.
Zodra dat signaal herkend wordt, verschijnt op het display de afkor ting “ TP”
(Traffic Program - programma met verkeersinformatie).
Naast deze stations zijn er stations die,
hoewel ze de ser vice verkeersinfor matie
niet hebben, met RDS-EON de mogelijkheid bieden deze ser vice te ontvangen
via een ander station van hetzelfde netwerk.
Als er verkeersinfor matie wordt uitgezonden, wordt er automatisch afgestemd
op het programma dat verkeersinfor matie
uitzendt. Na de verkeersinfor matie, schakelt de autoradio automatisch ter ug naar
het programma dat u daar voor beluisterde.
TA-FUNCTIE
(VERKEERSINFORMATIE)
Functie in-/uitschakelen
Druk op de toets TA (3-fig. 1).
Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het opschrift
“TA”.
Als u op de toets TA (3-fig. 1) drukt
als er verkeersinfor matie wordt uitgezonden, wordt de TA-functie alleen onderbroken voor deze uitzending van verkeersinformatie.
Hierna wordt teruggekeerd naar de vorige status. De TA-functie blijft echter ingeschakeld.
BELANGRIJK Tijdens de verkeersinformatie zijn enkele toetsen niet beschikbaar.
Volumeregeling TA
U kunt het waarschuwingssignaal op
twee manieren uitschakelen:
1) Stem af op een ander station dat
verkeersinformatie kan uitzenden, dr uk
op de zoektoets ( 7-fig. 1 ) of dr uk op
een voorkeuzetoets waaronder een TAprogramma is opgeslagen.
of
Het volume wordt door de fabrikant ingesteld. Het volumeniveau kan echter
worden gewijzigd in het Radio-menu (zie
de paragraaf “Radio-menu inschakelen”
in het hoofdstuk “Programmeerbare functies”).
2) Dr uk op de toets TA (3-fig. 1 )
(“TA” verdwijnt van het display).
Waarschuwingssignaal
Als u naar een CD luister t en u het ontvangstgebied verlaat van het station dat
verkeersinformatie uitzendt, wordt automatisch afgestemd op een ander station
dat verkeersinformatie uitzendt.
Als de TA-functie is ingeschakeld (“TA”
op het display), hoor t u na ongeveer 30
seconden een waarschuwingssignaal
(“biep”) als u het ontvangstgebied van
het betreffende station verlaat.
CONNECT
Als op een dergelijk station is afgestemd
en u de voor rang voor verkeersinfor matie
wilt inschakelen, moet op het display
“TA” verlicht zijn.
Automatisch zoeken naar TA-stations
(tijdens de werking van de CD-wisselaar)
U hoor t ook het waarschuwingssignaal
als op een voorkeuzetoets wordt gedr ukt,
waaronder een station is opgeslagen zonder TP-signaal.
23
CONNECT
CD-WISSELAAR - CDC (indien aanwezig)
CD PLAATSEN/
UITWERPEN
CD-wisselaar vullen (Sedanuitvoeringen) (fig. 4)
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
1) Trek aan het hendeltje ( A) om een
van de tien compar timenten van de houder te openen.
2) Plaats de CD en zorg er voor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet.
Houder in de CD-wisselaar
plaatsen
Houder uit de wisselaar
verwijderen
Plaats de schuifklep ( B-fig. 5 ) helemaal naar rechts totdat hij blokkeert.
Plaats de schuifklep ( B-fig. 5 ) helemaal naar rechts en dr uk op de uitwerptoets EJECT (E-fig. 8 ) op de CD-wisselaar: de houder wordt gedeeltelijk uitgeworpen.
Plaats d e h ouder ( A-fig. 6 ) m et d e
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de schuifklep ( D-fig. 7), om te voorkomen dat er voor werpen of stof in de wisselaar kunnen dringen.
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
Sluit de schuifklep.
3) Sluit het compartiment.
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
A0B0343b
24
fig. 4
A0B0344b
fig. 5
A0B0435b
fig. 6
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en ver wijder een voor een de
CD’s.
A0B0364b
CD-wisselaar vullen (Sportwagon-uitvoeringen) (fig. 9)
Houder in de CD-wisselaar
plaatsen
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
Laat de klep (B-fig. 10) zakken zoals
door de pijl is aangegeven.
1) Trek aan het hendeltje ( A) om een
van de tien compar timenten van de houder te openen.
Plaats de houder ( A-fig. 11 ) met de
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
2) Plaats de CD en zorg ervoor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet.
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de klep ( D-fig. 12 ) zoals aangegeven
door de pijl , om te voorkomen dat er
voorwerpen of stof in de wisselaar kunnen dringen.
3) Sluit het compartiment.
CONNECT
CD’s uit wisselaar verwijderen
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
fig. 7
A0B0347b
fig. 8
A0B0343b
fig. 9
A0B0441b
fig. 10
25
CONNECT
Houder uit de CD-wisselaar
verwijderen
CD’s uit wisselaar verwijderen
Laat de klep ( B-fig. 10 ) zakken en
druk op de uitwerptoets EJECT (E-fig.
13) op de CD-wisselaar: de houder wordt
gedeeltelijk uitgeworpen.
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
Sluit de schuifklep.
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en ver wijder een voor een de
CD’s.
Druk voor weergave van de CD’ s in de
wisselaar meerdere keren op de toets
SRC (2-fig. 1 ), totdat de functie CDwisselaar is geselecteerd.
Telefoongesprekken hebben voor rang
boven iedere andere functie; daarom kan
alleen naar de functie CD-wisselaar worden overgeschakeld als er geen telefoongesprek wordt gevoerd.
A0B0444b
26
fig. 11
Tijdens het luisteren verschijnt op het
display het nummer van de geselecteerde
CD (bijv. “CD 02” = tweede CD), het
nummer van het muziekstuk dat wordt
weergegeven (bijv. “T: 11” = elfde muziekstuk) en de speelduur vanaf het begin van het muziekstuk dat beluisterd
wordt (bijv. “02.32” = 2 minuten en 32
seconden).
Als er geen specifieke functies zijn ingeschakeld, star t de weergave vanaf het
eerste muziekstuk op de eerste CD in de
wisselaar.
A0B0443b
fig. 12
A0B0442b
fig. 13
MUZIEKSTUK SELECTEREN
Er zijn drie manieren om een CD te selecteren:
Ga als volgt te werk om van het ene
naar het andere muziekstuk op een CD te
gaan:
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
om de volgende/vorige CD te selecteren;
– druk op de toets ( 9-fig. 1) met het
hetzelfde nummer als dat van de CD die
u wilt selecteren;
– dr uk op de toets MEM (14-fig.
1): op het display verschijnt een menu
waarin de CD’ s ver meld staan die in de
speler zitten:
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
om de gewenste CD te selecteren;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen en de
gewenste CD weer te geven.
– dr uk op de toets $ (7-fig. 1 ) om
het volgende muziekstuk te selecteren;
– dr uk op de toets ì (7-fig. 1 ) om
het vorige muziekstuk te selecteren.
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN
Ga als volgt te werk om een muziekstuk snel vooruit of terug te spoelen:
– houd de toets $ (7-fig. 1 ) ingedrukt om snel vooruit te spoelen;
– houd de toets ì (7-fig. 1 ) ingedrukt om snel terug te spoelen.
WILLEKEURIGE WEERGAVE
VAN DE MUZIEKSTUKKEN
(MIX-FUNCTIE)
Druk kor t op de toets */MIX (12fig. 1): alle muziekstukken op de geselecteerde CD worden in willekeurige volgorde weergegeven.
CONNECT
CD SELECTEREN
Daarna worden de muziekstukken van
de volgende CD in willekeurige volgorde
weergegeven en zo verder totdat alle
CD’s in de CD-wisselaar zijn weergegeven.
Als alle CD’ s in de CD-wisselaar zijn
weergegeven, begint de willekeurige
weergave opnieuw.
Druk opnieuw op de toets */MIX
(12-fig. 1) om de willekeurige weergave te onderbreken.
27
CONNECT
PROGRAMMEERBARE FUNCTIES
Dit apparaat biedt de mogelijkheid om
enkele instellingen naar wens aan te passen en op te slaan.
Instellingen opslaan
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om de instellingen op te slaan.
Zo krijgt u toegang tot het programmeermenu “DSC-Radio”(fig. 14).
Druk op de toets CLR (15-fig. 1) om
terugkeren naar het vorige scherm zonder
de wijzigingen op te slaan.
om het menupunt te selecteren dat u wilt
wijzigen;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
Ga als volgt te werk:
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig.1)
om de instelling te wijzigen.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1): de cursor ˙ staat op het menupunt “Setup” (fig. 14);
Instellingen annuleren
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om te bevestigen;
Druk op de toets CLR (15-fig. 1) om
een instelling te annuleren. De nieuwe instelling wordt niet opgeslagen.
Druk op de toets SRC (2-fig. 1 ) om
het programmeermenu af te sluiten en terugkeren naar de functie Radio.
Instellingen wijzigen
A0B3107i
Ga voor het wijzigen van de standaardinstellingen als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– druk op de toets ª of º (7-fig. 1)
28
SETUP-MENU INSCHAKELEN
(fig. 15)
fig. 14
of
– dr uk op de toets CLR (15-fig. 1 )
om het menu af te sluiten en ter ug te keren naar het programmeermenu “DSC-Radio”.
Belangrijke instellingen in het programmeermenu kunnen alleen gewijzigd worden na het invoeren van de toegangscode
(zie de paragraaf “T oegangscode wijzigen”).
fig. 15
CONNECT
A0B3108i
29
CONNECT
Taal selecteren
(“biep”).
Lichtsterkteregeling display
Met deze functie kunt u de taal instellen waarin de teksten op het display worden weergegeven. Als geen enkele SIMkaart is geplaatst en op het display “AUTOMATIC” verschijnt, worden de teksten op het display in het Engels weergegeven.
Met deze functie kunt u het volume van
dat geluidssignaal instellen op een waarde tussen 0 (volume uitgeschakeld) en
9.
Met deze functie kan de lichtsterkte
traploos worden aangepast aan de dag
(D) of nacht (N), afhankelijk van de verlichting van het instrumentenpaneel.
Toontoetsen
Leesbaarheid van het display
(invalshoek)
Als wel een SIM-kaar t is geplaatst, worden de teksten op het display weergegeven in de taal die met de SIM-kaar t is ingesteld.
Afschriklampje tegen diefstal
Met deze functie kunt u het apparaat
zo instellen dat de SIM-kaar thouder knippert als afschrikking tegen diefstal.
U kunt kiezen tussen On en Off. Voor
nog meer veiligheid raden wij u aan On
te selecteren, zodat het lampje onder de
zitting van de kaar thouder ( 17-fig. 1 )
knippert als het apparaat is uitgeschakeld
en de kaarthouder niet in de zitting is geplaatst.
Volume
geluidssignaal instellen
30
Als u langer dan 1 seconde een toets
op het frontpaneel indrukt om een functie
op te roepen, hoor t u een geluidssignaal
Als u een toets indr ukt, hoort u een bevestigingstoon.
Het volume kan worden ingesteld tussen 1 en 9 (Off = uit).
Met deze functie kan de leesbaar heid
van het display geoptimaliseerd worden
door de invalshoek (gezichtspunt van de
gebruiker) te wijzigen.
Tijdgeschakelde uitschakeling
(inschakeltijd)
Met deze functie kan de autoradio zo
geprogrammeerd worden dat hij nog
maximaal 90 minuten ingeschakeld blijft
na het uitzetten van de motor.
0 = functie uitgeschakeld.
Met de toegangscode krijgt u toegang
tot de belangrijkste menupunten van het
menu “DSC Radio” ( fig. 14 ). Deze code wordt door de fabrikant ingesteld op
de waarde “0000”.
BELANGRIJK Vergeet bij wijziging
van de code de nieuwe code niet. Het is
raadzaam niet vier dezelfde cijfers te kiezen (bijv. “1111”) of een opeenvolging
van cijfers (bijv. “1234”).
Ga voor het wijzigen van de code als
volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
– selecteer met de toets ª/º (7fig.1) het menupunt “Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets ª/º (7fig.1) het menupunt “ Code wijzigen”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 )
de nieuwe code in;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 )
nogmaals de nieuwe code in;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) de
vereiste toegangscode in;
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) de gewenste instelling;
Terugkeren naar standaardinstellingen (reset)
Dit menupunt wordt alleen weergegeven als de houder van de SIM-kaar t in de
zitting is geplaatst.
Met deze functie kunt u alle instellingen
die zijn uitgevoerd voor de Radio, T elefoon of SIM-kaar t weer instellen op de
waarden die door de fabrikant waren ingesteld (Reset).
Ga voor de reset-procedure als volgt te
werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
– selecteer met de toets ª/º (7fig.1) het menupunt “Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
CONNECT
Toegangscode wijzigen
– dr uk twee keer op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
RADIO-MENU INSCHAKELEN
(fig. 16)
Ga als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio”;
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “Radio” ( fig.
14);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets CLR (15-fig. 1 )
om het menu af te sluiten en ter ug te keren naar het programmeermenu “DSC-Radio”.
– selecteer met de toets ª/º (7fig.1) het menupunt “Reset”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
31
CONNECT
32
A0B3118i
fig. 16
Radiotext is een service die door enkele
RDS-stations wordt geleverd. Deze functie
levert niet alleen de naam van het radiostation maar ook infor matie over het uitgezonden programma of geeft de titel
aan van het weergegeven muziekstuk.
Volumeregeling verkeersinformatie (TA-volume)
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig. 1 )
of draai de draaiknop ON/OFF VOLUME (1-fig. 1) voor het instellen van
het gewenste volume bij het inschakelen
van het apparaat;
Met deze functie kan het volume van
de verkeersinfor matie ( TA) en het geluidssignaal (“ biep”) als er geen verkeersinformatie kan worden ontvangen,
worden ingesteld tussen “00” en “63”.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
Ga voor het instellen van het volume als
volgt te werk:
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
On/Eng.Off: functie alleen actief na
het uitzetten van de motor.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
Bassen versterken
(Loudness)
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “ Radio” ( fig.
14);
De verkeersinfor matie wordt altijd op
dit volumeniveau uitgezonden, als het
volume, tijdens het luisteren onder normale omstandigheden, is ingesteld op
een lager niveau.
Off: functie uitgeschakeld
On: functie ingeschakeld
Versterking van de lage tonen bij een
laag volumeniveau
– NIVEAU 1 - minimale versterking.
– NIVEAU 6 - maximale versterking.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer het menupunt “ Volume
TA”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
CONNECT
Radiotext
Volume instellen
bij inschakeling van het apparaat
(Vast Volume)
Met deze functie kan het volume bij
het inschakelen van het apparaat worden
ingesteld op een waarde tussen “ 00” en
“63”.
Ga voor het instellen van het volume
als volgt te werk:
33
CONNECT
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
– druk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “ Radio” ( fig.
14);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer het menupunt “ VAST V olume”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig. 1 )
of draai de draaiknop ON/OFF VOLUME (1-fig. 1) voor het instellen van
het gewenste volume bij het inschakelen
van het apparaat;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
BELANGRIJK Als u het menupunt
“Last V olume” selecteer t, wordt het
volumeniveau ingesteld dat geselecteerd
was op het moment van uitschakeling.
34
Regeling ontvangstgevoeligheid
om de gewenste instelling te selecteren
(Hoog/Gemiddeld/Laag);
Met deze functie kunt u de gevoeligheid voor het automatisch zoeken naar
stations aanpassen.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
Ga voor het aanpassen van de ontvangstgevoeligheid als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “Radio” ( fig.
14);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer het menupunt “ Gevoeligheid”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer DX (zwak) of LO (sterk);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig. 1 )
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
Externe audiobron aansluiten
Met deze functie kan een exter ne audiobron op het apparaat worden aangesloten, zoals: por table CD-speler, MiniDisc-speler, MP3-speler.
Voor het aansluiten van een exter ne audiobron is een specifieke kabel nodig. In
het Alfa Romeo Lineaccessori-programma
zijn CD-spelers, MiniDisc- of MP3-spelers
en de bijbehorende aansluitkabels opgenomen.Ga voor het in-/uitschakelen van
de externe audiobron als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer het menupunt “Aux”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig. 1 )
om de gewenste instelling te selecteren
(On of Off);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
Als de exter ne audiobron eenmaal is
aangesloten, kan de bron worden geselecteerd met de toets SRC (2-fig. 1).
Equalizerinstellingen
muziek/stem
Met deze functie kunnen automatisch
de equalizerinstellingen van de tonen
(bassen en hoge tonen) worden gekozen
en ingesteld op de gewenste waarden,
als is afgestemd op een RDS-station dat
verschillende equalizerinstellingen heeft
voor muziek- en praatprogramma’ s (alleen stem).
Off: geen enkele aanpassing van het
geluid;
Niveau 1: Lineaire werking (geen enkele versterking/ver zwakking van de
bassen/hoge tonen, loudness);
Niveau 4 : Verschillende instellingen
van volume, bassen en hoge tonen met
loudness uitgeschakeld.
Voer een luisterproef uit om de instelling
te selecteren die u het best lijkt.
Verkeersinformatie wordt altijd uitgezonden met de instelling “Voce”.
Ga als volgt te werk voor het instellen
van de equalizerinstellingen
muziek/stem:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Radio” (fig. 14);
CONNECT
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “ Radio” ( fig.
14);
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
selecteer het menupunt “ Radio” ( fig.
14);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ª/º (7-fig. 1 )
en selecteer het menupunt
“Muziek/Stem”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig. 1 )
om de gewenste instelling uit te voeren;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets SRC (2-fig. 1 )
om het menu “DSC-Radio” af te sluiten.
35
CONNECT
TELEFOON
ALGEMENE INFORMATIE
PIN- EN PUK-CODE
SIM-KAART PLAATSEN
Met deze telefoon kunnen dezelfde telefoonverbindingen worden gemaakt die
met een mobiele telefoon mogelijk zijn.
Om te kunnen telefoneren moet u in het
bezit zijn van een SIM-kaar t, dient u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900 netwerk te bevinden en moet de
sterkte van het ontvangstsignaal voldoende zijn.
Met de SIM-kaar t kan alleen gratis toegang worden verkregen tot het telefoonnet via het persoonlijke identificatienummer (PIN-code). Deze code wordt samen
met de PUK-code (Personal Unlock Key)
aan u bekend gemaakt op het moment
dat u de SIM-kaart aanschaft.
Druk op de draaiknop ( 1-fig. 1 ) om
het apparaat in te schakelen. Dr uk licht
op de kaar thouder (17-fig. 1) totdat u
een lichte weerstand voelt. De kaar thouder wordt uitgeworpen; plaats de SIMkaart op de houder met de chip aan de
bovenzijde en naar het apparaat
gericht.
BELANGRIJK De diensten van het
netwerk die in dit deel beschreven worden (bijv. het oproepsignaal) worden
door de telefoon geregeld maar de beschikbaarheid hangt af van het netwerk
en van het soor t contract dat is afgesloten met de service provider.
BELANGRIJK Als de voedingsspanning onder een vooraf ingestelde minimumwaarde komt, kan de kwaliteit van
de telefoonverbinding niet gegarandeerd
worden. Als de motor tijdens een telefoongesprek wordt gestart, kan de verbinding worden verbroken.
36
U kunt de PIN-code wijzigen of het verzoek tot invoeren van de PIN-code uitschakelen (zie “PIN-code” in de paragraaf “Setup-menu inschakelen”).
Druk licht op de achter zijde van de
kaarthouder totdat u een lichte weerstand
voelt en de houder hoorbaar blokkeert.
Als op het display “ PIN INVOEREN”
verschijnt, ga dan als volgt te werk:
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) de
code in en begin met het eerste cijfer;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) of #/AF (10-fig. 1 ) als de
code i s i ngevoerd: tijdens het invoeren
van de PIN-code verschijnen op het display de symbolen “****”.
Als de PIN-code op de juiste wijze is ingevoerd, verschijnt op het display het opschrift “ CODE OK ”, schakelt het apparaat in en wordt afgestemd op de laatst
geselecteerde bron (Radio, T elefoon, CDwisselaar).
Als u een verkeerde PIN-code hebt ingevoerd, verschijnt op het display het opschrift “ PIN-CODE ONJUIST ” en
vervolgens “PIN INVOEREN”.
SIM-KAART ONTGRENDELEN
Om de SIM-kaart te ontgrendelen, moet
u de 8-cijferige PUK-code (Personal Unlock Key) invoeren.
Als u een geblokkeerde SIM-kaart in het
apparaat plaatst, verschijnt op het display
het opschrift “PUK INVOEREN”. Ga in
dat geval als volgt te werk:
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) d e
code in en begin met het eerste cijfer;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) of #/AF (10-fig. 1) als de code is ingevoerd.
UITGAAND BELLEN
Om te kunnen telefoneren moet:
– op het display het symbool ⁄ zichtbaar zijn (vast, niet knipperend);
CONNECT
PIN-CODE INVOEREN
(Personal Identification Number)
– de SIM-kaar t in de daar voor bestemde houder zijn geplaatst.
Druk om in dit geval te bellen op de
toets £ (11-fig. 1 ): op het display
verschijnt het geselecteerde netwerk.
Als het apparaat nog niet gereed is om
te kunnen telefoneren, ga dan als volgt
te werk:
– dr uk kor t op de toets
1);
£ (11-fig.
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) het
telefoonnummer in en dr uk ver volgens
opnieuw op de toets £ (11-fig. 1): de
verbinding komt tot stand.
BELANGRIJK Als drie keer achter elkaar een verkeerde code is ingevoerd,
wordt de SIM-kaart geblokkeerd; Zie voor
het ontgrendelen van de SIM-kaar t de
volgende paragraaf.
37
CONNECT
Druk kort op de toets £ (11-fig. 1)
of CLR (15-fig. 1 ) om de verbinding
te verbreken.
BELANGRIJK Voor telefoongesprekken via het GSM-netwerk moet altijd het
netnummer worden ingevoerd. Alleen de
servicenummers van uw provider en de
telefoonnummers van het spraakveld
kunnen worden ingetoetst zonder netnummer.
NOODOPROEP
Met dit apparaat kunt u op ieder moment en overal ter wereld een noodoproep verzenden door het nummer 112 in
te toetsen.
Noodoproepen kunnen ook zonder geldige SIM-kaar t worden ver zonden: u
dient zich wel binnen het dekkingsgebied
van het GSM 900 netwerk te bevinden.
Als u 112 intoetst, wordt een verbinding tot stand gebracht met de dichtstbijzijnde hulpdienst.
Ga voor het tot stand brengen van de
verbinding als volgt te werk:
– schakel het apparaat in en plaats de
kaarthouder of de SIM-kaart;
38
– dr uk op de toets £ (11-fig. 1 ):
als de geplaatste SIM-kaar t niet herkend
wordt, verschijnt op het display het opschrift “SIM-kaart ongeldig”;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) het
nummer 112 in;
– druk op de toets £ (11-fig. 1).
Geef bij een noodoproep zo nauwkeurig
mogelijk alle belangrijke gegevens door.
BELANGRIJK Verzend alleen een
noodoproep in echte noodgevallen. Oneigenlijk gebruik kan strafbaar zijn.
1.
ON/OFF VOLUME
Druk op de draaiknop voor in-/uitschakeling van het apparaat.
Draai de draaiknop voor:
– volumeregeling bij handsfree bellen;
– volumeregeling van de TA-berichten
tijdens handsfree bellen;
– volume van het belsignaal tijdelijk
wijzigen.
2.
SRC
Druk kor t op de toets: de telefoonfunctie wordt uitgeschakeld en gelijktijdig
wordt overgeschakeld naar de audiobron die het laatst beluisterd werd (radio, CD-wisselaar of externe audiobron).
Er kan alleen naar een audiobron worden overgeschakeld mits er geen telefoongesprek wordt gevoerd en er geen
verbinding tot stand wordt gebracht.
3.
TA (Traffic Announcement)
Als u tijdens het telefoneren op de toets
TA drukt, wordt de voor rang voor verkeersinformatie gedurende het telefoongesprek uitgeschakeld.
4.
BND/TS
Overschakelen van “hoor n” naar
handsfree bellen (functies
microfoon/luidspreker).
5.
SMS
Druk op de toets voor weergave op het
display van een nieuw SMS-bericht.
7.
Multifunctionele toetsen
ª/º
Met deze toetsen kunt u:
CONNECT
BESCHRIJVING VAN HET BEDIENINGSPANEEL
(fig. 1)
– de opgeslagen telefoonnummers die
snel gekozen kunnen worden, in volgorde weergeven (doorlopen);
– bewaarde SMS-berichten selecteren;
– menupunten uit het “Menu telefoonlijst” en het “Setup-menu” selecteren;
– de cursor verplaatsen wanneer u gegevens invoert.
ì/$
6.
•
Druk op de toets voor toegang tot de
Telematica-diensten van Targasys.
Met deze toetsen kunt u:
– berichten geheel op het display weergeven;
– bewaarde SMS-berichten selecteren;
– menupunten uit het “Menu telefoonlijst” en het “Setup-menu” selecteren;
– de cursor verplaatsen wanneer u gegevens invoert.
Als u ongeveer 1 seconde de toets SRC
ingedrukt houdt, blijft de lijn bezet.
39
CONNECT
8.
Display
Op h et d isplay w ordt d e v olgende i nformatie weergegeven:
– hoofdmenu van de telefoon
(fig. 17);
– PIN-code invoeren (fig. 18).
De symbolen die op het display verschijnen hebben de volgende betekenis:
9.
d) 4 aantal ontvangen satellieten.
Keuzetoetsen
e) èsatelliet.
Kort indrukken: nummer invoeren
f) ó mailbox (postvak).
Even ingedrukt houden (ongeveer 2 seconden): snel kiezen van de eerste negen nummers die op de SIM-kaar t zijn
opgeslagen.
g) xxxxxxx naam service provider.
h)* code invoeren (een asterisk voor ieder ingevoerd nummer).
a) £ telefoonverbinding.
b) ⁄ verbinding met GSM-netwerk:
geeft aan dat de telefoon verbonden is
met een ander netwerk dan dat van de
SIM-kaart (Roaming). Als het antennesymbool knippert, is er alleen een verbinding met het netwerk maar hebt u
geen recht op toegang. U kunt echter
wel noodoproepen verzenden.
Druk hier voor op de toets */MIX
(12-fig. 1) en vervolgens ongeveer 2
seconden op de nummer toets ( 9-fig.
1) waaronder het gewenste nummer is
opgeslagen.
c) ê weergave van de sterkte van
het GSM-signaal.
A0B3161i
40
fig. 17
A0B3162i
fig. 18
Druk een of meer keren op de toetsen
(9-fig. 1) om letters of symbolen in te
voeren (zie voor meer infor matie “Invoer
beginnen” in de paragraaf “Menu telefoonlijst” in dit hoofdstuk).
10. #/AF
Druk op de toets om speciale karakters
in te voeren.
11.
£
12. */MIX
Toets kort indrukken:
Druk op de toets om:
– overschakelen naar telefoonfunctie;
– speciale karakters in te voeren;
– gesprek aannemen/beëindigen;
– telefoonnummer invoeren.
Toets even ingedr ukt houden (langer dan 2 seconde):
– telefoonfunctie uitschakelen;
Druk nogmaals op de toets £(11-fig.
1) om de functie weer in te schakelen.
CONNECT
Karakters/symbolen invoeren
– snel een op de SIM-kaar t opgeslagen
nummer te zoeken.
13. OK/MENU
Druk kort op de toets om:
– naar het menu DSC-T elefoon te gaan
en de gewenste instellingen uit te voeren;
– een gewijzigde instelling op te slaan.
14. MEM
Toets kor t indr ukken: menu “ Telefoonlijst” oproepen.
Toets even ingedr ukt houden (ongeveer
2 seconden): een nieuw telefoonnummer op de SIM-kaar t of in het telefoongeheugen invoeren.
41
CONNECT
15.
CLR
Een cijfer invoeren
Druk kor t op de toets. Dr uk nogmaals
op de toets om het laatste cijfer te wissen.
Een menu raadplegen
Druk kort op de toets om ter ug te keren
naar het vorige menupunt.
Houd de toets even ingedr ukt (langer
dan 2 seconden) om het menu af te
sluiten.
16. ØI/AUDIO
Als u tijdens een telefoongesprek op deze toets dr ukt, wordt de microfoon uitgeschakeld. Op deze manier is het mogelijk in de auto te praten zonder dat de
persoon waar mee u verbonden bent de
stemmen hoort.
17. SIM-kaarthouder
Voor het gebr uik van de telefoon moet
een geldige SIM-kaar t zijn geplaatst.
Met een geldige SIM-kaar t zijn bovendien alle telefoonfuncties toegankelijk.
Met de houder van de SIM-kaar t kunnen alleen noodoproepen worden verzonden.
De houder van de SIM-kaar t dient ook
als diefstalbeveiliging.
42
Verbinding met het GSM-netwerk
Om te kunnen telefoneren, dient u verbonden te zijn met het GSM-netwerk.
Zodra een verbinding tot stand is gebracht, verschijnt op het display het symbool ⁄ (vast). Als het signaal te zwak is,
kan de verbinding verbroken worden.
Als het symbool ⁄ knippert, kunnen er
alleen noodoproepen worden verzonden.
Als het symbool ⁄ wordt weergeven
met een omgekeerd contrast, dan betekent dit dat u verbonden met een netwerk waar van de provider verschillend is
dan die van de ingestoken SIM-kaart (Roaming).
Een cijfer/telefoonnummer wijzigen/wissen
Overschakelen naar telefoonfunctie
Ga als volgt te werk om een cijfer te
wijzigen/wissen:
Vanuit iedere audiobron kan overgeschakeld worden naar de telefoonfunctie door
op de toets £ (11-fig. 1) te drukken.
– selecteer met de toets ì/$ (7-fig.
1) het te wijzigen cijfer (het cijfer knippert);
Als u met het netwerk in verbinding
staat, verschijnen op het display de gegevens van het netwerk en de gebr uiker.
Het symbool ⁄ knippert niet.
– druk kort op de toets CLR (15-fig.
1).
Telefoonnummer kiezen
Toets bij ingeschakelde telefoon het
nummer in (toets altijd het netnummer
in) met de toetsen (9-fig. 1).
Op het display verschijnt het ingetoetste
nummer.
Om een telefoonnummer te wissen,
moet u daarentegen kor t op de toets
CLR (15-fig. 1) drukken;
SNEL EEN TELEFOONNUMMER
ZOEKEN
U kunt telefoonnummers oproepen die
met naam of nummer zijn opgeslagen.
De nummers die uit het telefoongeheugen kunnen worden opgeroepen gaan
van 1 tot 25 en die van de SIM-kaart van
101 tot 225.
Snel een nummer uit het telefoongeheugen zoeken (Versneld
kiezen)
Druk ongeveer 2 seconden op de toets
(9-fig. 1 ) (van 1 tot 9), totdat het
nummer of de naam van degene die u
wilt bellen op het display verschijnt.
CONNECT
TELEFOON
De verbinding komt automatisch tot
stand.
Snel een nummer op de SIMkaart zoeken
Druk ongeveer 2 seconden op de toets
*/MIX (12-fig. 1) en de betreffende
toets ( 9-fig. 1 ) (van 1 tot 9), totdat
het nummer of de naam van degene die
u wilt bellen op het display verschijnt.
De verbinding komt automatisch tot
stand.
De eerste negen telefoonnummers kunnen uit het hoofdmenu van de telefoon
worden opgeroepen door ze direct te selecteren m.b.v. het toetsenbord.
43
CONNECT
Snel een nummer uit de telefoonlijst zoeken
Ga als volgt te werk:
– dr uk op de toets MEM (14-fig.
1);
Op naam zoeken
Op positie zoeken
Als het menupunt “ Naam zoeken” is
geselecteerd, verschijnt op het display het
opschrift “Naam?”.
Als het menupunt “ Positie zoeken ”
is geselecteerd, verschijnt op het display
het opschrift “Positie?”.
Ga in dit geval als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª /º het
menupunt “Naam zoeken” of “ Positie zoeken”;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) de
eerste drie letters in van de naam die u
zoekt;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) het
positienummer in van het gewenste telefoonnummer in het geheugen;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om de keuze te bevestigen: op
het display verschijnt het betreffende gedeelte van de telefoonlijst. Als u een
naam invoer t die niet in het geheugen
staat, verschijnt op het display de naam
die met de volgende letter begint;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om de keuze te bevestigen: op
het display verschijnt het gewenste telefoonnummer.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) de gewenste naam;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om de keuze te bevestigen: de
verbinding komt automatisch tot stand.
44
Ga in dit geval als volgt te werk:
– met de toets ª/º (7-fig. 1) kunt
u een ander telefoonnummer selecteren.
Zie voor meer infor matie “ Op naam
zoeken” of “ Op positie zoeken ” in
de paragraaf “Menu telefoonlijst” in dit
hoofdstuk.
De laatst gebelde nummers worden
automatisch op de SIM-kaar t opgeslagen.
Als u op de toets £ (11-fig. 1 )
drukt, verschijnt de lijst van laatst gebelde nummers.
Ga om een van deze nummers te bellen
als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het gewenste nummer;
– druk op de toets £ (11-fig. 1) om
het nummer te bellen.
Snel een nummer zoeken uit de
lijst van onbeantwoorde oproepen.
De onbeantwoorde oproepen worden
opgeslagen als het nummer van de beller
bekend is.
Ga om een van deze nummers te bellen
als volgt te werk:
– druk op de toets º (7-fig. 1) voor
weergave van de lijst met onbeantwoorde oproepen;
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het gewenste nummer;
Snel een nummer zoeken uit de
lijst van ontvangen oproepen
De ontvangen oproepen worden opgeslagen als het nummer van de beller bekend is.
CONNECT
Snel een nummer zoeken uit de
lijst van laatst gebelde nummers
Ga om een van deze nummers te bellen
als volgt te werk:
– druk op de toets º (7-fig. 1) voor
weergave van de lijst met ontvangen oproepen;
– druk op de toets £ (11-fig. 1) om
het nummer te bellen.
– druk op de toets £ (11-fig. 1) om
het nummer te bellen.
45
CONNECT
Lijst met oproepen wissen
Met deze functie kunnen de in de lijsten
met onbeantwoorde opgeslagen en ontvangen oproepen uit het geheugen worden gewist.
Ga als volgt te werk:
NUMMERHERHALING
Automatisch
Het nummer wordt automatisch herhaald als in het “ Setup”-menu de functie “ Aut. herhalen ” is ingesteld op
“ON”.
– selecteer de lijst met onbeantwoorde
of ontvangen oproepen zoals hier voor beschreven;
Zie voor meer infor matie “Automatische
nummerherhaling” in de paragraaf “Programmeerbare functies” in dit hoofdstuk.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het nummer dat u wilt wissen;
Druk op de toets ( 11-fig. 1 ) om de
functie te onderbreken.
– dr uk op de toets ì of $ (7-fig.
1);
Handmatig
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
Ga als volgt te werk:
– dr uk op de toets ( 11-fig. 1 ): het
laatst ingevoerde telefoonnummer verschijnt.
Druk opnieuw op de toets ( 11-fig. 1)
om het nummer te bellen.
Als een nummer gebeld wordt of een
gesprek wordt ontvangen, verander t de
verlichting van het apparaat van kleur.
46
TELEFOONGESPREK
AANNEMEN/WEIGEREN
Bij een binnenkomend gesprek, hoor t
u een belsignaal en verschijnt op het display “Aannemen?”.
Als het nummer van de beller geregistreerd staat, verschijnt ook de naam van
de beller.
Druk op de toets £ (11-fig. 1) als u
het gesprek wilt aannemen.
Druk kort op de toets £ (11-fig. 1)
of CLR (15-fig. 1 ) om de verbinding
te verbreken.
Telefoongesprek weigeren
Druk op de toets CLR (15-fig. 1) om
het gesprek te weigeren: degene die u
belt hoort een in gesprekstoon.
Telefoongesprek automatisch
aannemen:
Met deze functie worden alle inkomende gesprekken automatisch aangenomen.
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
– druk bij ingeschakelde telefoon op de
toets OK/MENU (13-fig. 1 ): het
menu “DSC-Telefoon” verschijnt;
– selecteer het menupunt “ Setup” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “ Aut. beantwoorden”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) de gewenste optie ( On of Off)
en dr uk ver volgens op de toets
OK/MENU (13-fig. 1) om de keuze
te bevestigen;
OPROEPSIGNAAL
Met deze functie kunt u tijdens een gesprek een tweede oproep aannemen.
In dit geval wordt degene die belt in de
“wachtstand” gezet totdat het lopende
gesprek beëindigd is.
CONNECT
Telefoongesprek aannemen
BELANGRIJK Als de functie “Oproepsignaal” niet beschikbaar is, moet deze
bij uw ser vice provider worden aangevraagd.
2e gesprek aannemen
Als u tijdens het voeren van een gesprek
een tweede gesprek ontvangt, dan hoor t
u een geluidssignaal.
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om het nieuwe gesprek aan te
nemen: de eerste gesprekspar tner wordt
in de “wachtstand” gezet.
– keer terug naar het menu “Setup”.
47
CONNECT
2e gesprek weigeren
Druk op de toets CLR (15-fig. 1) om
het gesprek te weigeren: degene die u
belt hoort een in gesprekstoon.
Microfoon uitschakelen tijdens
het gesprek.
Tijdens een telefoongesprek kunt u de
microfoon uitschakelen door op de toets
ØI/AUDIO (16-fig. 1 ) te dr ukken:
op het display verschijnt het opschrift
“Mute On”.
Druk opnieuw op de toets ØI/AUDIO
(16-fig. 1) om de microfoon weer in te
schakelen: op het display verschijnt het
opschrift “Mute Off”.
WACHTSTAND/
WISSELGESPREK
Met de functie “W achtstand” kan tijdens een telefoongesprek pas verbinding
worden gemaakt met een tweede gesprekspartner als de eerste gesprekspar tner in de “wachtstand” is gezet.
Met de functie “W isselgesprek” kan
daarentegen een directe verbinding met
een gesprekspartner tot stand worden gebracht.
Gesprek in de “wachtstand” zetten
Ga als volgt te werk als u in verbinding
staat met de eerste gesprekspartner:
– dr uk op de toets MEM (14-fig.
1);
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) het
telefoonnummer van de tweede gesprekspartner in; dr uk na het invoeren van het
nummer op de toets £ (11-fig. 1).
48
Op deze manier wordt een verbinding
tot stand gebracht met de tweede gesprekspartner en wordt de eerste in de
“wachtstand” gezet.
Als tijdens een telefoongesprek de functie “wachtstand” is ingeschakeld, kan
ook een derde gesprek worden ontvangen. Dr uk op de toets OK/MENU
(13-fig. 1 ) om dit gesprek aan te nemen; druk op de toets CLR (15-fig. 1)
om het gesprek te weigeren.
Als u het derde gesprek aanneemt,
wordt de verbinding met de huidige gesprekspartner verbroken.
Wisselgesprek
inschakelen
Druk op de toets MEM (14-fig. 1 )
om tussen twee gesprekken te wisselen.
Via de conferentieverbinding kan gelijktijdig met twee gesprekspar tners gesproken worden.
Om een conferentieverbinding tot stand
te brengen als u in gesprek bent met de
eerste gesprekspar tner en de tweede gesprekspartner in de wacht staat, moet u
op de toets OK/MENU (13-fig. 1 )
drukken.
De conferentieverbinding is tot stand gebracht en u kunt gelijktijdig met de twee
gesprekspartners spreken.
Tijdens de conferentieverbinding kunt u
nog een telefoontje ontvangen. Na het
geluidssignaal is het mogelijk:
Het gesprek te weigeren: druk op
de toets CLR (15-fig. 1).
Het gesprek aan te nemen: druk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1 );
de gesprekspartners waarmee u een conferentieverbinding hebt, blijven in de
wachtstand.
Met de toets MEM (14-fig. 1) kunt
u wisselen tussen conferentieverbinding
en de nieuwe gesprekspartner.
Gevoerde gesprek beëindigen:
druk op de toets CLR (15-fig. 1 ) of
£ (11-fig. 1).
Alle gesprekken gelijktijdig
beëindigen: druk langer dan 1 seconde
op de toets CLR (15-fig. 1).
AGENDA
Tijdens een telefoongesprek kan met de
toetsen (9-fig. 1) een telefoonnummer
worden ingevoerd.
Als de verbinding is verbroken, verschijnt het ingevoerde nummer op het display en kan later gebruikt worden.
OPMERKING Als tijdens een gesprek
het star t-/contactslot in stand “ STOP”
wordt gedraaid, schakelt het apparaat na
beëindiging van het gesprek automatisch
uit en wordt het nummer in de agenda
gewist.
BELLEN NAAR HET
BUITENLAND
De internationale standaard GSM maakt
het mogelijk om internationaal te bellen.
CONNECT
Conferentieverbinding
Ga bij de ser vice provider na of de SIMkaart ook gebr uikt kan worden onder roaming-omstandigheden.
De ser vice provider kan u de lijst van
landen ter beschikking stellen met de lokale providers en de verschillende tarieven.
Voor het tot stand brengen van de verbinding, moet u het telefoonnummer
vooraf laten gaan door het inter nationale
toegangsnummer. U kunt de eerste twee
cijfers van het inter nationale toegangsnummer ver vangen door het teken “ +”
door ongeveer een seconde “ 0” in te
drukken op het toetsenbord (9-fig. 1).
49
CONNECT
Als u zich in het buitenland
bevindt
MENU TELEFOONLIJST
(fig. 20)
Degene die u opbelt vanuit uw eigen
land moet het nummer intoetsen zonder
internationaal toegangsnummer.
In het menu telefoonlijst kunnen telefoonnummers worden opgeslagen, gewijzigd, gewist of gebeld.
Degene die u opbelt vanuit een ander
land moet het inter nationale toegangsnummer van uw land intoetsen.
De registraties worden opgeslagen in
het telefoongeheugen of op de SIM-kaar t
en kunnen snel worden opgeroepen.
Als u n aar i emand i n e en a nder l and
belt (ook naar iemand in uw eigen land)
moet het inter nationale toegangsnummer
worden ingetoetst.
Het apparaat kan maximaal 25 registraties opslaan.
Als u naar iemand belt in het land waarin u zich bevindt, is het niet nodig het internationale toegangsnummer in te toetsen.
Het aantal registraties op de SIM-kaar t
hangt af van het type SIM-kaar t dat gebruikt wordt.
Menu van de telefoonlijst oproepen:
– dr uk op de toets º (7-fig. 1 ) en
plaats de cursor ˙ op het menupunt
“Tel. lijst”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
In het menu kunt u met de toets ª/º
(7-fig. 1 ) de weergegeven menupun ten van boven naar beneden of omgekeerd doorlopen.
Als u o p d e t oets CLR (15-fig. 1 )
drukt, kunt u ieder menupunt afsluiten en
naar het menu van de telefoonlijst gaan.
Als u nogmaals op de toets CLR (15fig. 1 ) dr ukt, verschijnt het hoofdmenu
van de telefoon.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1).
Op het display verschijnen de functies
van het DSC-menu (hoofdmenu van de
telefoon) (fig. 19):
A0B3131i
– Setup
– Menu
– Tel.lijst
50
fig. 19
CONNECT
A0B3135i
*
fig. 20 (*) De weergave van dit menupunt hangt af van de gebruikte SIM-kaart
51
CONNECT
Namen/teksten invoeren m.b.v.
het toetsenbord (9-fig. 1)
Met verschillende menu’ s kunnen namen en teksten m.b.v . het toetsenbord
worden ingevoerd.
Het invoeren is alleen mogelijk als hier
op het display om verzocht wordt.
Met de toets ª/º (7-fig. 1) kan gekozen worden of de invoer in het telefoongeheugen of op de SIM-kaar t moet
worden opgeslagen.
Namen mogen maximaal uit 16 karakters bestaan en teksten uit maximaal 160.
Invoer beginnen
Als op het display “ Naam?” of
“Tekst invoer.” verschijnt: dr uk dan
het noodzakelijk aantal keren op de toets
(9-fig. 1) voor de eerste letter.
Bij nieuwe namen moeten alle letters
ingevoerd worden.
Letters/symbolen
Hoofdletter/kleine letter:
Bijvoorbeeld “ O” = dr uk drie keer op
toets 6.
Houd de geselecteerde lettertoets langer
dan 1 seconde ingedrukt.
Iedere toets selecteer t op volgorde verschillende symbolen/letters; na het laatste teken verschijnt opnieuw het eerste
teken.
De gekozen optie (hoofdletters of kleine letters) geldt ook voor de volgende
letters die ingevoerd worden.
Met de toetsen kunnen de volgende letters of tekens ingevoerd worden:
1
_ (spatie) . , ! ? : ’ “ ( ) % & 1
2
A
B
C
Ä
à
3
D
E
F
É
3
4
G
H
I
ì
4
5
J
K
L
5
6 M
N
O
Ñ
ö
ò
7
P
Q
R
S
ß
7
8
T
U
V
ü
ù
8
9 W
X
Y
Z
9
0
#
X
0
*
@
/
+
$
Wissel zonodig opnieuw.
Invoerveld verplaatsen
Als u letters van verschillende toetsen invoert, verplaatst de cursor zich automatisch verder.
2
6
Als u letters invoer t met dezelfde toets,
druk dan op $ (7-fig. 1 ) om het invoerveld een spatie verder te plaatsen.
Verplaats voor cor recties het invoer veld
met de toets ì/$.
Symbolen invoeren
=
ì
Ga als volgt te werk:
– selecteer met de toets ì/$ (7-fig.
1) de invoerpositie; het symbool voor de
knipperende cursor wordt ingevoerd;
– druk op de toets die bij het in te voeren teken hoort.
52
U kunt zowel een enkel karakter als de
gehele invoer wissen.
Een karakter wissen:
– s electeer m et d e t oets ì/$ (7-fig.
1) het karakter dat u wilt wissen (knippert).
– dr uk kor t op de toets CLR (15-fig.
1).
Een tekst wissen:
– dr uk ongeveer 1 seconde op de
CLR (15-fig. 1).
toets
Op naam zoeken
Op het display verschijnt een naam die
met deze eerste drie letters begint, of de
naam in alfabetische volgorde met het telefoonnummer.
Noodzakelijke voor waarde: ten minste
één geheugenplaats moet bezet zijn.
Doorloop e ventueel d e n amenlijst m et
de toets ª/º (7-fig. 1 ), totdat u de
gewenste naam hebt gevonden (met telefoonnr.). Met de toets ì/$ kunnen alle geregistreerde gegevens worden weergegeven.
Telefoonnummer automatisch selecteren:
– druk op de toets £ (11-fig. 1).
Registratie wijzigen, wissen, verplaatsen
of kopiëren:
Registratie selecteren:
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) de functie “ Naam zoeken ” en dr uk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– voer de eerste drie letters in van de
naam die u wilt zoeken en dr uk vervolgens
op de toets OK/MENU (13-fig. 1).
– zoek de naam/de registratie zoals
hiervoor beschreven;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ); op het display verschijnt “ Wijzigen?”;
– selecteer de gewenste functie met de
toets ª/º (7-fig. 1 ) en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
Wijzigen:
– u kunt na elkaar een naam en een telefoonnummer wijzigen.
CONNECT
Teksten wissen
Wissen/bevestigen:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
Verplaatsen:
– de registraties kunnen naar een andere positie verplaatst worden.
De pijl geeft de huidige positie aan.
– S electeer m et d e t oets ª/º (7fig. 1) een nieuwe positie en druk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
Kopiëren:
De registraties kunnen gekopieerd worden, bijv. van de SIM-kaart naar het telefoongeheugen.
De pijl geeft de huidige positie aan, bijv.
210.
– S electeer m et d e t oets ª/º (7fig. 1) een nieuwe positie, bijv. 023, en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1).
53
CONNECT
Op positie zoeken
Afhankelijk van het aantal opgeslagen
sectoren is het mogelijk een registratie in
de telefoonlijst te zoeken, te wijzigen, te
wissen, te verplaatsen of te kopiëren.
Registratie wijzigen, wissen, verplaatsen
of kopiëren:
Ga indien nodig te werk zoals beschreven bij het punt “Op naam zoeken”.
Geheugen toevoegen
Registratie selecteren:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) de functie “ Positie?” en dr uk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1 ):
op het display verschijnt ” Positie invoeren”;
Het aantal dat op de SIM-kaart kan worden opgeslagen, hangt af van het type
kaart.
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1) het
sectornummer in en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Als u een registratie wilt toevoegen of
wijzigen (overschrijven), druk dan de volgende toetsen na elkaar in:
Op het display verschijnt het sector nummer, de ingevoerde naam en het telefoonnummer.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) de functie “ Toevoegen” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
Telefoonnummer automatisch selecteren:
– druk op de toets £ (11-fig. 1).
54
In het apparaat kunnen maximaal 25
namen en telefoonnummers worden opgeslagen.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het invoerpunt, bijv.:
“SIM-kaart 101-225” of “Apparaat 125” en dr uk op de toets OK/MENU
(13-fig. 1);
– voer het nieuwe telefoonnummer in
en dr uk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) de
naam in en druk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
– selecteer de geheugenplaats en dr uk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Als geen enkele geheugenplaats geselecteerd is, wordt de nieuwe registratie op de
volgende vrije plaats opgeslagen.
Als de geselecteerde geheugenplaats al
bezet is, verschijnt op het display
“Overschrijven?”
Als u op de toets OK/MENU (13fig. 1) drukt, wordt de vorige registratie
overschreven (gewist).
Registratie toevoegen: dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
“Blokkering opheffen”
De blokkering van het apparaat en van
de SIM-kaart worden opgeheven.
Met deze functie kan het telefoongeheugen beveiligd worden tegen gebr uik
door derden.
Selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) “ Toegang” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Voor iedere geselecteerde mogelijkheid:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– voer de toegangscode in en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
Selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) een van de volgende mogelijkheden:
– selecteer of wis de nummers met de
toets ì /$ en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
“Apparaat”
Capaciteit controleren
De telefoonnummers die in het telefoongeheugen zijn o pgeslagen, kunnen niet
worden opgeroepen.
“SIM Card”
De telefoonnummers die op de SIMkaart zijn opgeslagen, kunnen niet worden opgeroepen.
“Alles”
De telefoonnummers die op de SIMkaart en in het telefoongeheugen zijn opgeslagen, kunnen niet worden opgeroepen; er kunnen geen nieuwe telefoonnummers worden opgeslagen.
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) “SIM Card ” of “Apparaat” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1).
CONNECT
Toegang blokkeren
Bij het menupunt “ Vrije plaatsen ”
verschijnt op het display het aantal vrije
plaatsen.
Als alle plaatsen bezet blijken te zijn,
verschijnt o p h et d isplay “Namen
PLMN geheugen vol”.
Weergave eigen nummer
Uw eigen nummer kan worden weergegeven als het is opgeslagen.
Met deze functie kunt u vaststellen hoeveel vrije geheugenplaatsen er nog op de
SIM-kaart en in het telefoongeheugen
zijn.
Ga als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het menupunt “ Capaciteit” en
druk op de toets OK/MENU(13-fig.
1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het menupunt “ Eigen nr.” en
druk op de toets OK/MENU(13-fig.
1).
Als u meerdere nummers hebt, kan een
van die nummers met de toets ª/º geselecteerd worden.
55
CONNECT
PROGRAMMEERBARE
FUNCTIES
Ook voor de telefoon kunnen, via de
functies die ingeschakeld kunnen worden
met de toets MENU/OK (13-fig.1),
enkele instellingen worden gewijzigd en
aan de eigen wensen worden aangepast.
De standaardinstellingen worden door
de fabrikant van het apparaat ingesteld.
Instellingen wijzigen
Ga voor het wijzigen van de standaardinstellingen als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ): op het display verschijnt het
menu “DSC-Telefoon” (fig. 19);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets ì/$ (7-fig.1)
om de gewenste instelling te wijzigen;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
56
Een instelling selecteren
Ga voor het selecteren van een standaardinstelling als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ): op het display verschijnt het
menu “DSC-Telefoon” (fig. 19);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) de gewenste instelling;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
SETUP-MENU INSCHAKELEN
Ga als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Telefoon” (fig. 19);
– de cursor ˙ staat op het menupunt
“Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets CLR (15-fig. 1 )
om het menu af te sluiten en ter ug te keren naar het programmeer menu “DSC-Telefoon”.
CONNECT
A0B3132i
*
*
*
*
*
fig. 21(*) De weergave van dit menupunt hangt af van de gebruikte SIM-kaart
57
CONNECT
Gespreksvolume regelen
U kunt het v olume van de gesprekstoon, van de luidspreker of van de eventuele telefoonhoorn regelen met de draaiknop (7-fig. 1). Draai de knop linksom
om het volume te verlagen en rechtsom
om het te verhogen.
Handsfree
Het volume van de luidspreker kunt u
regelen met de toets ì/$ van 0 tot en
met 63.
Volume hoorn
Dit menupunt verschijnt alleen als het
systeem is uitgerust met een telef oonhoorn.
Bovendien kunt u het gespreksvolume
regelen via een functie in het menu Instellingen.
Het volume van de hoor n kunt u regelen met de toets ì/$ van 1 tot en met
8; voor de volumeregeling moet de
hoorn van de haak zijn.
Plaats met de toets º (7-fig. 1 ) de
cursor op:
Automatisch beantwoorden
– Belsignaal
– Handsfree.
Belsignaal
Het volume van de beltoon kunt u regelen met de toets ì/$ van 0 tot en met
9 (0 = uit).
De waarde 0 kan niet worden ingesteld
als een gesprek automatisch wordt aangenomen.
Het volume van de beltoon kan niet
worden ingesteld op “0”.
58
Een gesprek kan automatisch worden
aangenomen a ls d it m enupunt i s i ngesteld op “On”.
Het gesprek wordt automatisch handsfree gevoerd.
Off – automatisch beantwoorden uitgeschakeld
On – automatisch beantwoorden ingeschakeld.
Automatische nummerherhaling
Bij een in gesprekstoon wordt het nummer automatisch her haald als dit menupunt is ingesteld op “On”.
U kunt de nummer herhaling onderbreken door op de toets £ (11-fig. 1) te
drukken.
Off - nummerherhaling uitgeschakeld
On - nummerherhaling ingeschakeld.
Het a antal k eren d at h et n ummer
herhaald wordt, hangt af van het gebruikte telefoonnet.
Met de toets ª/º kunt u het belsignaal op de volgende wijze selecteren:
– Hoger en lager
– Octaaf
– Rinkelen
– 2 x octaaf
– 2 x rinkelen
– Drieklank
– Off
De instelling “ Off” komt overeen met
“Volume beltoon 0”.
Het ingestelde belsignaal wordt meerdere keren weergegeven.
Telefoonnummer/nummer mailbox invoeren
AOC-parameters
(Advice Of Charge)
Met deze functie kunt u maximaal drie
telefoonnummers en het nummer van de
mailbox invoeren.
Deze functie hangt af van het type SIMkaart. De telefoonkosten worden bepaald
door de service provider.
Het nummer van de mailbox is noodzakelijk voor het direct kiezen via het telefoonmenu.
Met deze functie kunt u de telefoonkosten en een beltegoed instellen. Zodra het
beltegoed op is, moet om te kunnen bellen het tegoed worden opgewaardeerd.
Druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1): op het display verschijnt “Eigen nr.”.
Selecteer met de toets ª/º de positie
waaronder u h et te lefoonnummer w ilt i nvoeren.
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ), voer het telefoonnummer in en
druk nogmaals op de toets OK/MENU
(13-fig. 1 ). Op het display verschijnt
“Nummer opgeslagen”.
Selecteer met de toets ª/º de volgende positie, en zo verder.
CONNECT
Belsignaal “Belsignaal”
Als de ser vice provider niet voor ziet in
de AOC-functie, wordt de impulsfrequentie
op een minuut ingesteld. V oor de berekening wordt de ingestelde waarde gebruikt. De beltegoedfunctie is echter uitgeschakeld.
Als u dit menupunt selecteer t, wordt u
na het indr ukken van de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ) ver zocht om
de P IN2-code o f d e 4 -cijferige t oegangscode in te voeren.
59
CONNECT
Na het invoeren van de PIN-code kunt u
de k osten p er t ik e n een b epaald b eltegoed instellen.
Als de kosten per tik en het beltegoed
al zijn ingesteld, verschijnt het laatste karakter knipperend op het display.
M.b.v. het toetsenbord (9-fig. 1) kunt
u het bedrag en de valuta wijzigen.
Ga als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– druk op de toets CLR (15-fig. 1):
het menupunt wordt afgesloten en de wijziging wordt op de SIM-kaart opgeslagen.
OPMERKING Als het beltegoed
wordt ingesteld op “ 0.00”, wordt de
beltegoedfunctie uitgeschakeld.
Gesprekskosten instellen
Als u geen gebr uik kunt maken van de
AOC-functie, hebt u de mogelijkheid om
een inter ne teller te gebr uiken voor de
berekening van de kosten. U kunt bijvoorbeeld kosten per minuut instellen.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– voer de toegangscode in;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) “ Lokaal netwerk ” of “ Buitenl. netwerk ” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
– voer m.b.v . het toetsenbord ( 9-fig.
1) kosten en beltegoed in;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
BELANGRIJK Aangezien de gesprekskosten afhangen van verschillende factoren (netwerk, type contract dat is afgesloten, tijdstip waarop gebeld wordt, enz.),
is de aanduiding van de gesprekskosten
slechts een schatting.
60
Akoestische controle
U kunt k iezen of u tij dens een telefoon gesprek een geluidssignaal met vooraf
vastgestelde inter vallen wilt horen; deze
functie is nuttig om de kosten in de gaten
te houden.
U kunt he t inter val tussen de geluidssignalen variëren van 15 tot en met 300 seconden. Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
– druk bij ingeschakelde telefoon op de
toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer in het menu “DSC-Telefoon”
het menupunt “Setup”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “Akoest. timer”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het m enupunt “ Off” o f “ Timer” e n
druk vervolgens op de toets OK/MENU
(13-fig. 1) om de keuze te bevestigen.
Als u “ Off” selecteer t, keer t u ter ug
naar het menu “Setup”.
Als u “ Timer” selecteer t, kunt u de
duur van de inter vallen tussen de geluidssignalen instellen.
PIN-code
Met deze functie kunt u het ver zoek tot
het i nvoeren v an d e P IN-code i nschakelen/uitschakelen en de PIN-code wijzigen.
Verzoek tot invoeren PIN-code
in-/uitschakelen
Als de gebr uikte SIM-kaart deze functie
ondersteunt, kunt u het verzoek tot invoeren van de PIN-code in- of uitschakelen.
Ga als volgt te werk:
– druk op de toets £ (11-fig. 1);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ): op het display verschijnt het
menu “DSC-Telefoon” (fig. 19);
– selecteer het menupunt “ Setup” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1) om de keuze te bevestigen;
– selecteer met de toets ª/º de PINcode die u wilt in-/uitschakelen (meestal
PIN1);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
CONNECT
– na het opschrift “ Timer” wordt in seconden de duur van het ingestelde inter val
aangegeven;
– selecteer met de toets ì /$ (7fig.1) de gewenste instelling ( On of
Off);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1).
Om de wijziging te bevestigen, moet u
de PIN-code als volgt invoeren:
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) de
PIN-code in en begin met het eerste cijfer;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ): op het display verschijnt het
menu PIN 1;
– dr uk meerdere keren op de toets
CLR (15-fig. 1 ) o m t erug t e k eren
naar het hoofdmenu of houd de toets
langer dan 1 seconde ingedr ukt om naar
het menu “DSC-Telefoon” te gaan.
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “PIN-code”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
61
CONNECT
PIN-code wijzigen
TA tijdens telefoongesprek
Ga als volgt te werk:
– roep het menu PIN 1 op zoals hiervoor beschreven;
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het menupunt “Wijzigen”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– voer met de toetsen ( 9-fig. 1 ) de
nieuwe PIN-code in en begin met het
eerste cijfer;
Ga als volgt te werk:
Met deze functie kunt u verkeersinformatie (TA - T raffic Announcement) ontvangen tijdens een telefoongesprek.
Na het indr ukken van de toets
OK/MENU (13-fig. 1), v erschijnt o p
het display de status van de instelling.
Off - TA blijft uitgeschakeld tijdens een
telefoongesprek
– bevestig de keuze door de nieuwe
PIN-code nogmaals in te voeren;
On - TA ingeschakeld tijdens een telefoongesprek
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
Selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) de gewenste instelling.
– d ruk m eerdere k eren o p d e t oets
CLR (15-fig. 1 ) om ter ug te keren
naar het hoofdmenu.
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
Als u op de toets CLR (15-fig. 1)
drukt, keert u altijd terug naar het vorige
menu.
Druk zonodig het vereiste aantal keren
op de toets CLR (15-fig. 1) of houd de
toets langer da n 1 seconde in gedrukt om
terug te keren naar het menu “DSC-T elefoon”.
62
TELEFOONMENU INSCHAKELEN
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om toegang te krijgen tot het
menu “DSC-Telefoon” (fig. 19);
– plaa ts met de toets º de cursor ˙
op het menupunt “Menu”;
– dr uk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
– dr uk op de toets CLR (15-fig. 1)
om het menu af te sluiten en terug te keren naar het programmeermenu “DSC-Telefoon”.
*
CONNECT
A0B3133i
*
*
*
*
(zie volgende pagina)
fig. 22 (*) De weergave van dit menupunt hangt af van de gebruikte SIM-kaart
63
CONNECT
64
A0B3134i
fig. 23
Berichten
Bericht selecteren
Ga als volgt te werk:
Een mailbox is een elektronische “postbus” voor gesproken berichten. De mailbox is vergelijkbaar met een antwoordapparaat.
Om de mailbox te kunnen gebruiken,
moet een inkomend gesprek worden
doorgeschakeld naar het nummer van de
mailbox. Als er nog geen enkel nummer
is opgeslagen en u de functie mailbox inschakelt, wordt u ver zocht een telefoonnummer in te voeren.
Selecteer “ Opvragen” om de inhoud
van de mailbox op te vragen en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Met de korte berichtenservice (SMS Short Message Ser vice) kunt u geschreven berichten met een lengte van maximaal 160 karakters ver zenden of door
anderen verstuurde berichten ontvangen.
De nieuwe berichten worden op het display aangegeven met het symbool ó.
Bovendien klinkt er een geluidssignaal als
u een nieuw bericht ontvangt.
“Toegang”
In het menupunt “Toegang” kunt u de
ontvangen berichten lezen en bewerken.
Als er een bericht binnenkomt, wordt dit
op de SIM-kaar t opgeslagen. Als het
kaartgeheugen vol is, brandt op het display het symbool ó. U moet nu een of
meerdere berichten wissen om andere berichten te kunnen ontvangen.
– selecteer “Toegang” en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1): op het
display wordt het aantal “ Nieuwe” en
“Oude” berichten aangegeven;
CONNECT
Spraakveld (mailbox)
“Oud” betekent dat het bericht is gelezen en opgeslagen:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– selecteer het bericht met de toets
ª/º (7-fig. 1).
De letter “ N” op de eerste positie van
de eerste regel geeft aan dat het om een
nieuw bericht gaat.
Als de eerste positie leeg is, betekent
dat zich daar een gelezen en opgeslagen
bericht bevindt.
De afzonderlijke berichten worden gerangschikt op datum en ontvangsttijd. Op
de tweede regel verschijnt het nummer of
de naam van de zender.
Bericht lezen
Na het i ndrukken van de toets SMS
(5-fig. 1 ), kan het bericht worden
weergegeven met de toets ª/º (7fig.1).
65
CONNECT
Bericht wissen/bewaren
Bericht wissen:
– druk op de toets CLR (15-fig. 1):
op het display verschijnt een keuzemogelijkheid: u kunt het bericht wissen of bewaren;
– selecteer de gewenste optie en dr uk
op OK/MENU (13-fig. 1).
“Verzenden”
Bericht verzenden
Met dit menupunt kunt u berichten versturen en de bijbehorende parameters instellen.
Ga als volgt te werk:
Telefoonverbinding met de zender of
met een ander nummer
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) “ Uitgaande berichten ” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
Als u wilt bellen met de zender van het
SMS-bericht, druk dan tijdens de weergave van het bericht op de toets £ (11fig. 1).
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) het menupunt “ Nieuw” en
druk op de toets OK/MENU(13-fig.
1).
De telefoonverbinding komt automatisch tot stand. Als in het SMS-bericht een
telefoonnummer staat “tussen aanhalingstekens”, wordt naar dat nummer gebeld. Als er meerdere nummers op deze
wijze zijn aangegeven, wordt er naar het
eerst aangegeven nummer gebeld.
U kunt nu een tekst invoeren die maximaal uit 160 karakters mag bestaan. Zie
het punt “Namen/teksten invoeren met
het toetsenbord” in de paragraaf “Menu
telefoonlijst”;
– druk na het invoeren van de tekst op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– voer het telefoonnummer van de ontvanger in en dr uk op de toets OK (13fig. 1);
– kies met de toets ª/º of u het bericht wilt ver zenden of bewaren, of verzenden en bewaren.
66
Config.
Met deze functie kunt u enkele voorgeschreven teksten gebr uiken. Selecteer
met de toets ª/º (7-fig. 1 ) de volgende menupunten:
– Opbellen
– Vertraging
– Ontmoeting
– Afspraak
– Bevestigen.
Als u na het selecteren van een menupunt op de toets OK/MENU (13-fig.
1) dr ukt, verschijnt er een voorgeschreven tekst die hoor t bij het geselecteerde
menupunt.
Selecteer voor weergave van de ontvangen en bewaarde berichten met de toets
ª/º (7-fig. 1 ) het menupunt “Bewaren” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ). De ontvangen berichten worden aangegeven met
datum, tijd en nummer van de zender.
Als u de zender wilt bellen, dr uk dan op
de toets £ (11-fig. 1).
Druk na het lezen van het bericht op de
toets CLR (15-fig. 1).
“Broadcast”
Broadcast is een ser vice voor kor te berichten die ver zonden worden via genummerde “kanalen”.
Via de kanalen worden verschillende
soorten specifieke berichten verzonden.
Wendt u voor meer infor matie tot uw
service provider, die u ook een lijst met
beschikbare kanalen kan leveren.
Als u Broadcast “ On” selecteert na het
indrukken van de toets OK/MENU
(13-fig. 1 ), moet u het nummer van
het kanaal invoeren waarover u infor matie wilt ontvangen.
“Parameters”
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) de gewenste functie en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Geldigheid:
Met deze functie kunt u bepalen hoelang de ser vice provider moet proberen
een beric ht te ver zenden. De standaar dwaarde is 1 dag; m.b.v . het toetsenbord
(9-fig. 1) kunt u een waarde selecteren
van 0 tot 7.
Na het instellen
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
Servicenr.:
Het bericht wordt ver zonden naar het
servicenummer van de service provider en
van daaruit naar de ontvanger . Als u wilt
weten wat het ser vicenummer is, wendt
u dan tot de ser vice provider en registreer
het hier.
Netwerk kiezen
CONNECT
“Bewaren”
In gebieden met verschillende netwerken kunt u een bepaald netwerk kiezen.
Ga als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) “ Netwerk kiezen ” en dr uk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) een bepaald netwerk en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
“Beschikbare netwerken”
Selecteer het menupunt “ Beschikb.
netw”: op het display verschijnt het opschrift “ Zoeken” en na kor te tijd verschijnen de beschikbare netwerken op het
display.
Op de eerste regel worden aangegeven:
Positienr., * en code ser vice provider. Op
de tweede regel verschijnt de naam van
de service provider.
* op dit net kunt u telefoneren met de
gebruikte SIM-kaart.
67
CONNECT
Met de toets ª/º (7-fig. 1) kunt u
andere netwerken selecteren en ver volgens bevestigen met de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ). Op het display verschijnt “ Nu inschrijven?”. Onderbreek met de toets CLR (15-fig. 1)
of bevestig met de toets OK/MENU
(13-fig. 1).
“Zoekmethode”
U kunt kiezen voor automatisch of
handmatig zoeken (netwerk kiezen). Selecteer het menupunt “ Zoekmethode”
en bevestig ver volgens met de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ). Selecteer
met de toets ª/º (7-fig. 1) “Automatisch” of “Handmatig”.
Automatisch zoeken:
Het lokale netwerk heeft altijd voorrang. Als u zich in een gebied bevindt
waar uw lokale netwerk niet beschikbaar
is, wordt automatisch verbinding gemaakt
met het volgende beschikbare netwerk.
Het kiezen van een netwerk gebeur t op
basis van de prioriteit die door u aan een
netwerk uit de lijst is gegeven.
Handmatig zoeken:
68
Bij handmatig zoeken bepaalt u het netwerk.
De actuele status wordt aangegeven
door een pijl.
Wissel met ì/$ en bevestig met de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
Het antennesymbool geeft aan op welk
netwerk het apparaat is aangesloten.
– Verbinding met lokaal netwerk.
– Verbinding met een buitenlands netwerk.
Netwerk toevoegen:
– Netwerklijst
Selecteer in de lijst met ser vice providers het gewenste netwerk en ken de gewenste prioriteit toe.
– Nieuw netwerk
U kunt een nieuwe ser vice provider aan
de lijst toevoegen (hier voor is de code
van de service provider noodzakelijk).
Als het antennesymbool knipper t, is er
alleen een verbinding met een netwerk
maar heeft men geen toegang. Het is alleen mogelijk noodoproepen te ver zenden.
Wijzigen van de registraties in de voorkeurslijst:
“Netwerklijst wijzigen”
– selecteer het netwerk met de toets
ª/º (7-fig. 1);
Met dit menupunt kunt u de voorkeurslijst van netwerken wijzigen.
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen;
Selecteer het menupunt “ Lijst wijz. ”
en bevestig ver volgens met de toets
OK/MENU(13-fig. 1).
– voer de toegangscode in en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) een mogelijkheid en dr uk vervolgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1).
Netwerken wissen/verplaatsen:
Ga als volgt te werk:
Weergave netwerklijst:
Met de toets ª/º (7-fig. 1) kan de
voorkeurslijst worden weergegeven.
Druk om af te sluiten op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
De telefoo n is uitger ust met een teller
waarop de gesprekskosten, de gespreksduur en het nummer dat gebeld wordt,
kan worden weergegeven.
Het apparaat is door de fabrikant ingesteld op weergave van de gespreksduur.
Ga als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) “Teller” e n d ruk o p de t oets
OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) een van de beschikbare mogelijkheden en dr uk op de toets OK/MENU
(13-fig. 1).
Laatste gespr.
– Duur of kosten van het laatste gesprek.
Alle gespr.
– Duur of kosten van alle gesprekken.
Lokale gespr. (functie hangt af van de
SIM-kaart)
– Duur of kosten van al le lokale gesprekken
Internat. gespr. (functie hangt af van de
SIM-kaart)
– Duur of kosten van alle internationale
gesprekken
BELANGRIJK Als de SIM -kaart ook
geschikt is voor AOC, zijn de menupunten
“Lokale gespr.” en “ Internat.
gespr.” niet aanwezig.
Op nul zetten
– De teller voor gespreksduur of telefoonkosten wordt op nul gezet.
Verbonden
– In-/uitschakelen van de weergave
van de gespreksduur of de telefoonkosten
van h et gesprek dat gevo erd wordt. Selecteer het betreffende menupunt met de
toets ª/º (7-fig. 1 ) en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1 ) om te
bevestigen.
Gesprek doorschakelen
CONNECT
Teller
Onder diverse omstandigheden kan een
inkomend gesprek naar een ander telefoonnummer worden doorgeschakeld.
Stel in het menu de doorschakelwijze in.
– selec teer met de toets ª/º (7-fig.
1) het menupunt “ Doorsch. gesprek ”
en druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) een van de mogelijkheden en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Totaal
– Ieder inkomend gesprek wordt doorgeschakeld.
Bezet
– Het gesprek wordt doorgeschakeld
als de lijn bezet is.
Onbeantwoord
– Het gesprek wordt doorgeschakeld
als het niet wordt aangenomen.
Niet bereikbaar
– Het gesprek wordt doorgeschakeld
als d e t elefoon i s u itgeschakeld of a ls u
zich buiten het dekkingsgebied van het
GSM-netwerk bevindt.
69
CONNECT
Annuleren
– Het doorschakelen van een gesprek wordt geheel opgeheven.
Selecteer met de toets º (7-fig. 1 )
of het doorschakelen alleen moet gelden
voor telefoongesprekken, het opvragen
van gegevens, faxberichten of voor alle
vermelde diensten.
Opvragen van de doorschakelstatus
Ga te werk zoals tot nu toe is beschreven in deze paragraaf en selecteer ver volgens het menupunt “ Status”; de doorschakelstatus wordt voor de gekozen mogelijkheid weergegeven.
Registratie van gesprek doorschakelen
Ga te werk zoals tot nu toe is beschreven in deze paragraaf, selecteer ver volgens het menupunt “ Registreren” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1). Voer het nummer in waarnaar het gesprek moet worden doorgeschakeld met
de toetsen ( 9-fig. 1 ); druk nogmaals
op de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Gesprek doorschakelen inschakelen
Ga te werk zoals tot nu toe is beschreven in deze paragraaf, selecteer ver volgens het menupunt “ Inschakelen” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1). U keer t ter ug naar het menu “Gesprek doorschakelen”.
Gesprek doorschakelen uitschakelen
Alleen gesprek doorschakelen annuleren
Ga te werk zoals tot nu toe is beschreven in deze paragraaf, selecteer ver volgens het menupunt “ Annuleren” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1). Alleen het doorschakelen van een gesprek wordt opgeheven.
Ga te werk zoals tot nu toe is beschreven in deze paragraaf, selecteer ver volgens het menupunt “Uitschakelen” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1).
Gesprekken blokkeren
Onder verschillende omstandigheden
kunt u inkomende/uitgaande gesprekken
blokkeren of doorschakelen naar een ander telefoonnummer. Stel in het menu de
doorschakelwijze in.
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) het menupunt “ Blokkeren
gespr.” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) d e m ogelijkheid “ Uitgaand”,
“Inkomend” of “ Password” en dr uk
vervolgens o p d e t oets OK/MENU
(13-fig. 1).
Uitgaande gesprekken blokkeren
– selecteer met de toets o/p (7fig. 1 ) een van de mogelijkheden en
druk vervolgens op de toets OK/MENU
(13-fig. 1).
Alle gespr.
– U kunt zelf niet meer bellen.
Het blijft mogelijk noodoproepen te verzenden.
70
– Alleen lokale verbindingen zijn mogelijk.
Buitenl. netwerk
– Alleen lokale verbindingen zijn mogelijk.
Als u zich in het buitenland bevindt, zijn
er verbindingen met uw eigen land mogelijk.
Kies met de toets º (7-fig. 1) of het
blokkeren van de telefoongesprekken alleen voor telefoongesprekken en data- en
fax-verkeer moet gelden of voor alle vermelde diensten.
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) en selecteer de status “ Ingeschakeld”; voer het password in, dat u
door uw provider is geleverd, met de numerieke toetsen ( 9-fig. 1) en druk vervolgens nogmaals op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Inkomende gesprekken blokkeren:
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) een van de mogelijkheden en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Alle gespr.
– Over het algemeen kunt u geen enkel
gesprek ontvangen.
Buitenl. netwerk
– Als u zich in het buitenland bevindt,
kunt u geen gesprekken ontvangen.
Kies met de toets º (7-fig. 1 ) of het
blokkeren van de gesprekken alleen voor telefoongesprekken en data- en fax-verkeer
moet gelden of voor alle vermelde diensten.
Druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1) en selecteer de sta tus “ Ingeschakeld”; voer het password in, dat u door uw
provider is geleverd, met de numerieke toetsen ( 9-fig. 1 ) en dr uk nogmaals op de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
Password
U kunt het geldige password voor het
blokkeren van het netwerk wijzigen. Voer
het oude password in met de alfanumerieke toetsen ( 9-fig. 1 ) en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1 ); voer
het nieuwe password in en bevestig het
door nogmaals op de toets OK/MENU
(13-fig. 1) te drukken.
Telefoon blokkeren
CONNECT
Internation.
Met deze functie kunt u de telefoon beveiligen tegen het gebr uik door onbevoegde personen. Indien noodzakelijk:
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) het menupunt “” Tel. geblokkeerd” en dr uk ver volgens op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) een van de mogelijkheden:
Alles
– E r k unnen g een g esprekken w orden
gevoerd, maar het blijft mogelijk noodoproepen te verzenden.
Off
– Alle blokkeringen worden opgeheven.
Alleen snel
– U k unt alleen de telefoonnummers
van de geheugenplaatsen 1 - 9 van het
apparaat en de SIM-kaart kiezen.
71
CONNECT
Alleen snel + versneld kiezen
– U kunt alle opgeslagen nummers kiezen (in het apparaat en op de SIMkaart).
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen.
Voer de toegangscode in en druk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1).
Vaste nummers
Dit menupunt wordt alleen weergegeven als de SIM-kaart deze functie ondersteunt.
U kunt het gebr uik van de telefoon beperken tot bepaalde telefoonnummers
(vaste telefoonnummers). Deze nummers
kunnen op de SIM-kaart worden geregistreerd.
Ga als volgt te werk:
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) het menupunt “Vaste nr’s.” en druk
vervolgens op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) een van de mogelijkheden:
72
Lijst
– De lijst met vaste nummers wordt
weergegeven.
Nieuw nummer
– U kunt een nieuw vast nummer toevoegen.
Inschakelen
– Functie On/Off.
Groep gebruikers
Dit is een speciale functie die u door uw
service provider kunt laten installeren.
Met deze functie kunt u het gebruik van
de telefoon beperken tot directe gesprekken met een bepaalde groep gebruikers.
BELANGRIJK Wijzig geen enkele instelling als de functie niet is geactiveerd
door de service provider. Er kunnen storingen in de werking ontstaan.
Selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) het menupunt “ Groep gebruikers” en dr uk ver volgens op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Kies met de toets º (7-fig. 1 ) of u
alleen gesprekken wilt voeren met een
bepaalde groep of met een groep met
een vast nummer . Dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Voer eventueel met de numerieke toetsen (9-fig. 1) de toegangscode van de
groep in en dr uk ver volgens op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Het Connect biedt een aantal functies
waarmee, via een verbinding met de Targasys-centrale, nuttige informatie kan
worden ontvangen (bijv. een hotel vinden,
het dichtstbijzijnde tankstation) en waarmee om hulp kan worden gevraagd in situaties die dit vereisen.
Via deze functies wordt automatisch de
geografische positie van uw auto aan de
hulpdienst doorgegeven. Voor een nauwkeurige bepaling van uw positie moeten
ten minste drie GPS-satellieten worden
ontvangen. Het aantal satellieten dat ontvangen wordt, wordt op het display aangegeven.
Bovendien kan met de functie “Follow-me” verkeersinformatie worden
ontvangen over uw traject.
De voorwaarden die noodzakelijk zijn
om gebruik te kunnen maken van de telematica-diensten van Connect zijn de volgende:
– aanwezigheid van een SIM-kaart
waarmee verbinding kan worden gemaakt
met het Contact Centre Targasys
– geldig abonnement op de Targasysdiensten (Infomobility, Medische assistentie, Technische assistentie).
BELANGRIJK Als de gebruiker zich
nog niet aangemeld heeft voor de diensten van Targasys, dan kunnen de betreffende functies in het menu niet worden gebruikt. Tijdens de aanmelding
wordt de in- en uitschakelprocedure van
de Telematicadiensten door Targasys
aan u uitgelegd.
BELANGRIJK Voor toegang tot de
Telematica-diensten van Targasys moet
het apparaat geschikt zijn en het profiel
van de operator van de in het apparaat
gestoken SIM-kaart zijn geactiveerd. Als
SIM-kaarten worden gebr uikt van een telefoonoperator waarvan geen profiel is geactiveerd, moet aan Targasys gevraagd
worden om de functies opnieuw in te
schakelen. Connect beheert maximaal 5
verschillende profielen.
BELANGRIJK “112” is het alarmnummer in alle landen waar deze ser vice
beschikbaar is. Het alar mnummer “112”
kan altijd worden gebeld, ook als er geen
telefoonkaart aanwezig is. U kunt ieder
moment een noodoproep via “112” verzenden ook door de telefoon te gebruiken. Het zenden van een noodoproep is
afhankelijk van de werking van de mobiele telefoon en de cor recte elektrische voeding. Deze functie kan daarom na een ongeval of beschadiging van de auto niet beschikbaar zijn. Bovendien moet u zich binnen het dekkingsgebied van het GSM
900 netwerk bevinden en moet de sterkte van het signaal voldoende zijn.
CONNECT
TA R G A S Y S - D I E N S T E N
A0B3127i
Als er geen enkele SIM-kaar t is ingestoken en u op de toets • (6-fig. 1 )
drukt, wordt de mogelijkheid geactiveerd
om hulp aan te vragen bij de alarmcentrale 112. Als daarentegen een geldige SIMkaart is ingestoken maar u geen toegang
hebt tot de Targasys-diensten, en u op
de toets • (6-fig. 1) drukt, kunt u de
functie bellen naar “Persoonlijk nummer”
activeren.
fig. 24
73
CONNECT
A0B3128i
BELANGRIJK Roep “112” alleen op
als dit echt nodig is. Oneigenlijk gebruik
kan strafbaar zijn.
Als de dienst is geactiveerd en u drukt
op de toets •(6-fig. 1 ), krijgt u toegang tot het hoofdmenu Targasys met
de volgende menupunten (fig. 24):
– Instellingen
– Infomobility
– Med. assist.
– Techn. assist.
MENU INSTELLINGEN INSCHAKELEN
In het menu “ Instellingen” van het
“Connect” kunt u het apparaat aan uw
eigen wensen aanpassen.
Plaats de cursor op het menupunt “ Instellingen” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ): de beschikbare functies staan in ( fig. 2 5) vermeld.
fig. 25
74
Als u het apparaat voor de eerste keer
inschakelt en u wilt gebr uik maken van
de Telematica-diensten, dan moet u de
Targasys-centrale ver zoeken om deze
diensten te activeren.
Houd bij het ver zoek om de diensten in
te schakelen de volgende gegevens binnen handbereik:
– het serienummer van het apparaat
(zie de volgende paragraaf “Opvragen
functie Connect-code”);
– het telefoonnummer van de SIMkaart die u voor de diensten van Targasys wilt gebruiken.
BELANGRIJK Voer de procedure uit
als u zich binnen het dekkingsgebied van
de telefoon bevindt.
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– als het apparaat nog niet is ingeschakeld en geen enkel profiel voor de SIMkaart is ingevoerd, verschijnt op het display het ver zoek om het “Persoonlijk
Nummer” of het alar mnummer “112” te
bellen; dr uk op de toets CLR (15-fig.
1) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de Telematica-diensten;
– plaats in het hoofdmenu van de diensten van Targasys de cursor ˙ met de
toets ª (7-fig. 1 ) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) het menupunt “ Nieuw prof. ”
en dr uk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– op het display verschijnt het ver zoek
het nummer van de Targasys-centrale
in te voeren (dat bij aankoop van de auto
aan u bekend wordt gemaakt) met de
numerieke toetsen (9-fig. 1);
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1); vervolgens wordt u gevraagd of
er een verbinding tot stand moet komen
met het ingevoerde nummer; dr uk nogmaals op de toets OK/MENU (13fig. 1);
CONNECT
CONNECT INSCHAKELEN
– als u eenmaal met de Targasyscentrale verbonden bent, dient u de instructies te volgen van de operator (die
aan u het nummer van de Connect-code
vraagt en het nummer van de SIM-kaart);
– na enkele seconden worden de
menu’s “ Infomobility”, “ Med. assist.” en “ Techn. assist. ”; geactiveerd; dit betekent dat alle diensten van
Targasys voor Connect met succes zijn
geactiveerd.
Als al eerder het nummer van de Targasys-centrale was opgeslagen, verschijnt, op het moment dat de functie
“Nieuw prof.” wordt geselecteerd, het
opgeslagen nummer op het display; dit
kan gewijzigd worden:
75
CONNECT
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) en voer ver volgens het nieuwe
nummer in met de numerieke toetsen
(9-fig. 1);
– u wordt gevraagd of er een verbinding tot stand moet worden gebracht met
het ingevoerde nummer; dr uk nogmaals
op de toets OK/MENU (13-fig. 1 )
om de verbinding tot stand te brengen of
op de toets CLR (15-fig. 1) als u het
opgeslagen nummer niet wilt wijzigen;
– op het display verschijnt de vraag of
de verbinding tot stand moet worden gebracht met het oude opgeslagen nummer; dr uk voor bevestiging nogmaals op
de toets OK (13-fig. 1).
Functie
“Connect-code” oproepen
Tijdens de inschakelprocedure van het
Connect wordt verzocht om het codenummer van het apparaat. Ga voor weergave
van het nummer als volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) het menupunt “ Codenr.” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
Functie oproepen die betrekking
heeft op de “status” van het apparaat
Om er achter te komen of het apparaat
geschikt is om toegang te krijgen tot de
diensten van Targasys, moet als volgt
te werk worden gegaan:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) het menupunt “ Status” en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het codenummer van het apparaat;
– op het display verschijnt de status
van het apparaat:
– dr uk om het scher m af te sluiten en
terug te keren naar het menu “ Instellingen” op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) of op de toets CLR (15-fig.
1).
INGESCHAKELD : het apparaat is
geschikt voor toegang tot de diensten
van Targasys
UITGESCHAKELD: het apparaat is
niet geschikt voor toegang tot de diensten van Targasys.
– dr uk om het scher m af te sluiten en
terug te keren naar het menu “Instellingen” op de toets OK/MENU (13-fig.
1) of op de toets CLR (15-fig. 1).
76
De in het apparaat geregistreerde SIMprofielen kunnen worden weergegeven
met de betreffende kaartnummers; ga als
volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7-fig.
1) het menupunt “ SIM-profielen” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– op het display verschijnen de geregistreerde SIM-profielen. Het profiel dat op
het moment actief is, wordt aangegeven
door de cursor ˙;
– dr uk om het scher m af te sluiten en
terug te keren naar het menu “ Instellingen” op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) of op de toets CLR (15-fig.
1).
BELANGRIJK Het activeren van het
profiel geldt niet alleen voor de SIM-kaar t
waarmee de procedure is uitgevoerd,
maar voor alle SIM-kaar ten die tot hetzelfde GSM-netwerk behoren. Als u meer
dan één SIM-kaar t van dezelfde provider
hebt, hoeft de procedure voor het activeren van het profiel niet opnieuw te worden uitgevoerd.
Functie
“PERSOONLIJK NUMMER”
Het “Persoonlijk nummer” is het nummer dat gebeld wordt als u op de toets
• (6-fig. 1) drukt en aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
CONNECT
Functie oproepen die betrekking
heeft op de weergave van de bestaande SIM-profielen
– SIM-kaart in apparaat gestoken
– ser vice Targasys niet beschikbaar
of geen enkel profiel dat overeenkomt
met de SIM-kaart
Als er geen enkel persoonlijk nummer is
ingevoerd, verschijnt op het display een
foutmelding.
Ga voor het invoeren van een persoonlijk nummer als volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
77
CONNECT
– selecteer met de toets ª/ º (7fig. 1 ) de functie “ Persoonlijk nr.”
en dr uk op de toets OK/MENU (13fig. 1);
– op het display verschijnt de volgende
indicatie “ Persoonlijk nr. – Nr . invoeren”;
– voer het persoonlijke nummer in met
de numerieke toetsen ( 9-fig. 1 ) en
druk vervolgens op de toets OK/MENU
(13-fig. 1);
Als al een persoonlijk nummer is opgeslagen, verschijnt dit nummer op het display; druk om het nummer te wijzigen op
de toets OK/MENU (13-fig. 1), voer
het nieuwe nummer in met de numerieke
toetsen (9-fig. 1) en druk nogmaals op
de toets OK/MENU (13-fig. 1).
Druk als u het persoonlijk nummer niet
wilt wijzigen op de toets CLR (15-fig.
1).
Druk als het nummer is ingevoerd of gewijzigd op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) of op de toets CLR (15-fig.
1) om ter ug te keren naar het menu
“Instellingen”.
78
Functie “LOKALE TIJD”
Via het GPS-systeem ontvangt het apparaat de gestandaardiseerde wereldtijd
(Greenwich Mean Time). Om de tijd in te
stellen die wordt weergegeven als er een
bericht wordt ontvangen en de tijd gelijk
te stellen met de lokale tijd (van het land
waarin u zich bevindt), moet een “offset” worden ingesteld, d.w .z. een gewijzigde waarde ten opzichte van de gestandaardiseerde wereldtijd (G.M.T . of
U.T.C.).
Bijvoorbeeld als u zich in Italië bevindt,
moet u de volgende waarden instellen:
+1 uur ten opzichte van de G.M.T . (als
de wintertijd van kracht is):
+2 uur ten opzichte van de G.M.T . (als
de zomertijd van kracht is).
Ga voor het instellen van de gewijzigde
waarde ten opzichte van de G.M.T . als
volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) de functie “ Lokale tijd ” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– op het display wordt de W est-Europese tijd aangegeven en staat de cursor ˙
op de waarde die de afwijkingen aangeeft ten opzichte van de W est-Europese
tijd;
– voer om de afwijkende waarde te wijzigen de nieuwe waarde in met de toets
ì/$ (7-fig. 1) en dr uk vervolgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– als de afwijkende waarde juist is en u
de waarde niet wilt veranderen, dr uk dan
op de toets CLR (15-fig. 1).
Als de afwijkende waarde is ingevoerd
of gewijzigd, dr uk dan op de toets
OK/MENU (13-fig. 1 ) of de toets
CLR (15-fig. 1 ) om ter ug te keren
naar het menu “Instellingen”.
Als de auto van eigenaar verander t,
moet alle infor matie op het apparaat op
nul worden gezet, zodat de standaardparameters van de fabrikant weer kunnen
worden ingesteld.
BELANGRIJK Als u de functie “ Reset” gebr uikt, worden alle SIM-profielen
gewist, het apparaat uitgeschakeld en
gaan alle eventueel ontvangen telematica-berichten verloren.
Ga als volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1 ) de functie “ Reset” en dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het volgende
bericht “ CONNECT wordt opnieuw
ingesteld. Doorgaan?”
– dr uk om het apparaat weer in te
schakelen op de toets OK/MENU
(13-fig. 1); als u het apparaat niet opnieuw wilt instellen, druk dan op de toets
CLR (15-fig. 1);
– na de “reset”-procedure verschijnt het
bericht “ CONNECT is opnieuw ingesteld”.
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) of de toets CLR (15-fig. 1 )
om het apparaat wel of niet opnieuw in
te stellen en ter ug te keren naar het
menu “Instellingen”.
U kunt het apparaat ook opnieuw instellen door gebr uik te maken van de dienst
Targasys. In dat geval worden alle SIMprofielen gewist en het apparaat uitgeschakeld. De ontvangen Infomobility-berichten kunnen echter handmatig worden
gewist.
Om het apparaat volgens deze laatste
methode opnieuw in te stellen, dient u
contact op te nemen met de Targasyscentrale en aangeven dat u de standaardinstellingen van het apparaat opnieuw
wilt instellen.
GEBRUIK VAN HET CONNECT
Als het apparaat en de b ijbehorende
SIM-kaart eenmaal door de Targasyscentrale zijn geactiveerd volgens de hiervoor beschreven procedure, kunt u gebruik maken van alle T elematica-diensten
van Connect.
CONNECT
Functie “RESET”
“MEDISCHE ASSISTENTIE“
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een serviceprofiel.
De functie “ Medische assistentie ”
van het Connect verbindt u niet, zoals
normaal het geval is, met de dichtstbijzijnde alarmcentrale via “112” maar wel
direct met de Targasys-centrale. Op deze manier wordt een ver zoek om medische assistentie verzonden samen met de
positie van de auto, zodat de auto snel
gelokaliseerd kan worden. De operator
van Targasys kan de noodzakelijke
werkzaamheden starten.
Deze functie is vooral nuttig als u de
plek niet kent waar u zich bevindt en u
dus niet de juiste positie kunt vaststellen.
79
CONNECT
BELANGRIJK Om de juiste positie
van de auto door te geven, moeten er ten
minste drie GPS-satellieten worden ontvangen. Het aantal satellieten dat ontvangen wordt, kan op het display worden afgelezen bij het satellietsymbool. Als de
sterkte van het signaal op het moment
dat het verzoek wordt verzonden te zwak
is, wordt de laatst vastgestelde positie
van de auto doorgegeven.
BELANGRIJK Gebruik de functie
“Medische assistentie ” alleen in
noodgevallen. Gebr uik voor andere situaties zoals een verzoek om technische assistentie, de specifieke functie.
Afhankelijk van de status van het apparaat en de SIM-kaar t kunnen zich op het
moment van het ver zoek om “Medische assistentie” de volgende situaties voordoen:
– diensten van Targasys niet geactiveerd of SIM-kaart niet herkend: de noodoproep wordt direct naar het inter nationale alarmnummer “112” gezonden.
– diensten van Targasys geactiveerd
maar SIM-kaar t niet geregistreerd: de
noodoproep wordt naar het persoonlijk
nummer gezonden dat opgeslagen is volgens de procedure die hier voor beschreven is in de paragraaf “Functie Persoonlijk Nummer”.
80
BELANGRIJK U kunt op ieder moment een noodoproep ver zenden via
“112” ook door de telefoon te gebr uiken. “112” is het alar mnummer in alle
landen die deze dienstverlening ondersteunen. “112” kan altijd worden opgeroepen, ook als de SIM-kaar t niet aanwezig is ( 17-fig. 1 ). Het ver zenden van
de noodoproep is afhankelijk van de functie van de mobiele telefoon en de cor recte elektrische voeding. Bovendien moet u
zich binnen het dekkingsgebied van het
GSM 900 netwerk bevinden en moet de
sterkte van het signaal voldoende zijn.
BELANGRIJK Roep “112” alleen op
als dit echt nodig is. Oneigenlijk gebr uik
kan strafbaar zijn.
Afhankelijk van de gekozen instelling
(zie de volgende paragraaf) kan de functie op de volgende wijze worden geactiveerd:
Handmatig
Ga voor het inschakelen van de functie
“Medische assistentie ” als volgt te
werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Med. assist. ” en dr uk ver volgens op
OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het volgende
bericht: “Verzoek om medische assistentie verzenden?”;
– dr uk als u daadwerkelijk medische
hulp wilt op de toets OK/MENU (13fig. 1), waarna u verbonden wordt met
de Targasys-centrale; druk als u geen medische hulp wilt op de toets CLR (15fig. 1).
Als u onder “ Instellingen” de functie
automatische medische hulp hebt geselecteerd, zoals hier na is aangegeven, dan
kan het ver zoek eenvoudig worden verzonden door op de toets • (6-fig. 1)
te dr ukken, zonder dat de functie gekozen hoeft te worden.
Als de automatische oproep medische
hulp is geactiveerd, hebt u na het indr ukken van de toets 20 seconden de tijd om
de oproep te onderbreken, om te voorkomen dat per ongeluk een ver zoek wordt
verzonden.
Als de automatische wijze is ingeschakeld, moet voor het activeren van de
functie “ Med. assist. ” als volgt te
werk worden gegaan:
– druk op de toets • (6-fig. 1)
– op het display verschijnt het volgende
bericht: “ Na 20 sec. wordt het
verzoek om medische assistentie
verzonden”;
– de resterende tijd wordt op het display
weergegeven; na het verstrijken van deze
tijd, wordt het ver zoek automatisch naar
de Targasys-centrale verzonden;
– als u het ver zoek wilt onderbreken,
druk dan binnen het verstrijken van de
weergegeven tijd op de toets CLR (15fig. 1).
Als het verzoek om “Medische assistentie” wordt geactiveerd, wordt er een
SMS-bericht naar de Targasys-centrale
gezonden. De centrale zal u zo snel mogelijk terugbellen en op het display verschijnt
het volgende bericht: “ Bericht ver zonden, u wordt teruggebeld”.
Wijze selecteren waarop het
verzoek om “Medische assistentie” moet worden verzonden
Ga als volgt te werk om de manier te
selecteren waarop het verzoek om “Medische assistentie” moet worden verzonden:
CONNECT
Automatisch
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– druk als ‘automatisch’ is geselecteerd
op de toets CLR (15-fig. 1 ) voordat
de weergegeven tijd is verstreken om het
verzoek te onderbreken en terug te keren
naar het hoofdmenu van de diensten van
Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Instellingen” en dr uk ver volgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/ º (7fig. 1) het menupunt “ Wijze” en dr uk
op de toets OK (13-fig. 1);
– selecteer met de toets ª/ º (7fig. 1 ) “ Automatisch” of “ Handmatig”;
– bevestig de keuze met de toets
OK/MENU(13-fig. 1).
81
CONNECT
“TECHNISCHE ASSISTENTIE”
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een serviceprofiel.
Als u deze functie selecteer t en activeert, wordt er naar de Targasys-centrale een bericht met het ver zoek om
technische assistentie ver zonden, samen
met de positie van de auto om deze te
kunnen lokaliseren.
Ga voor het activeren van het ver zoek
om technische assistentie als volgt te
werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– plaats in het menu de cursor ˙ met
de toets ª (7-fig. 1) op het menupunt
“Techn. assist.” en druk vervolgens op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt de volgende
vraag: “Verzoek om technische assistentie verzenden?”
82
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om het verzoek te bevestigen.
(*) In dit geval is de centrale niet meer
in staat de auto te lokaliseren.
Als het ver zoek om “ Technische assistentie” wordt geactiveerd, wordt er
een SMS-bericht naar de Targasys-centrale gezonden. De centrale zal u zo snel
mogelijk ter ugbellen en op het display
verschijnt het volgende bericht: “ Bericht
verzonden, u wordt teruggebeld”.
(**) Het bellen naar de centrale is in
de meeste gevallen gratis. In enkele situaties zijn, afhankelijk van de gebr uikte
operator en de roaming-omstandigheden,
de kosten voor rekening van de cliënt.
VERZOEK OM MEDISCHE
OF TECHNISCHE ASSISTENTIE
Als de ver zending van het ver zoek om
Technische assistentie of Medische assistentie niet goed verloopt,
verschijnt op het display een waarschuwing en wordt gevraagd of de Targasys
-centrale (*) gebeld moet worden om
aan te geven dat u hulp nodig hebt (u
kunt de centrale alleen bellen als u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900-netwerk bevindt)(**).
INFOMOBILITY-DIENSTEN
Druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys; plaats in het
menu de cursor ˙ op de functie “ Infomobility” en dr uk op de toets
OK/MENU (13-fig. 1).
Er verschijnt een scher m waarin een
aantal diensten en infor matie tegen betaling kan worden gevraagd (bijv . dichtstbijzijnde hotel of restaurant). Een operator van Targasys verzendt een bericht
met de gevraagde infor matie en verstuurt
zonodig ook een bericht met de routeaanwijzing om de bestemming te bereiken.
A0B3129i
CONNECT
De beschikbare functies zijn:
– Connect
– Follow me
– Berichten.
De d iensten z ijn a lleen b eschikbaar a ls
u zich hebt aangemeld. Als u zich niet
heeft aangemeld of de overeenkomst
met Targasys is v erlopen, d an z ijn d e
functies niet beschikbaar en verschijnt op
het display het bericht “ Optie niet
mogelijk”.
U k unt te lefonisch co ntact o pnemen
met de operator van Targasys voor informatie over de overeenkomst en zonodig de dienst weer activeren.
Als het T argasys-contract is verlopen,
kan n og a ltijd d e o pgeslagen i nformatie
worden geraadpleegd.
fig. 26
De functies van “ Infomobility” zijn
hierna vereenvoudigd weergegeven ( fig.
26).
83
CONNECT
FUNCTIE “CONNECT”
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een serviceprofiel.
Ga voor het aanvragen van infor matie
bij de Targasys-centrale als volgt te
werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– in het menu staat de cursor ˙ op de
functie “ Infomobility”; dr uk ver volgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– er verschijnt een nieuw menu waarin
de cursor ˙ op de functie “ Connect”
staat; dr uk ver volgens op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het volgende
bericht: “Verzoek verzenden?”; druk
voor bevestiging op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het volgende
bericht: “Dienst geactiveerd” en daarna “ Verzoek ver zonden. U wordt
teruggebeld”.
Na het ontvangen van het ver zoek
brengt Targasys een telefoonverbinding
tot stand. Als de verbinding tot stand is
gebracht, kan de gebr uiker aan een operator de gewenste informatie vragen.
FUNCTIE “FOLLOW ME”
Met de functie “ Follow me ” kunt u
verkeersinformatie ontvangen over het
traject dat u aflegt en tijdig op de hoogte
worden gehouden door de Targasyscentrale over eventuele filevor ming op
dat traject. Het is bovendien mogelijk, indien gewenst en als de aanpassingsfrequentie is ingesteld, om het Contact Center automatisch te infor meren over de
voortgang in het traject, zodat de selectie
van de van toepassing zijnde verkeersinformatie wordt verbeterd.
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een serviceprofiel.
Ga voor het activeren van de functie
“Follow me” als volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– in het menu staat de cursor ˙ op de
functie “ Infomobility”; dr uk ver volgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
84
– op het display verschijnt “ Start” of
“Stop” afhankelijk of de functie daarvoor was in-/of uitgeschakeld; dr uk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het bericht of
het ver zoek daadwerkelijk ver zonden
moet worden; dr uk om door te gaan op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het bericht:
“Service geactiveerd ” en daar na
“Verzoek ver zonden. U wordt
teruggebeld”. Na het ontvangen van
het ver zoek, brengt Targasys een telefoonverbinding tot stand.
Ga voor het uitschakelen van de functie
“Follow me” als volgt te werk:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– in het menu staat de cursor ˙ op de
functie “ Infomobility”; dr uk ver volgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
de functie “ Follow me” en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt de vraag of
u de functie daadwerkelijk wilt uitschakelen; dr uk om door te gaan op de toets
OK/MENU (13-fig. 1);
CONNECT
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
de functie “ Follow me” en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het bericht
“Service uitgeschakeld”.
BELANGRIJK Als bij het inschakelen
van het apparaat de functie “ Follow
me” is geactiveerd, en u op de toets •
(6-fig. 1) drukt, verschijnt automatisch
de vraag of u de functie wilt uitschakelen.
– selecteer het menupunt “ Stop” en
druk op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
85
CONNECT
Frequentie waarmee de informatie over het afgelegde traject
wordt doorgegeven instellen
Voor het regelen van de frequentie
waarmee de infor matie over het afgelegde traject aan de centrale wordt doorgegeven terwijl de functie “ Follow me” is
ingeschakeld, moet als volgt te werk worden gegaan:
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– in het menu staat de cursor ˙ op de
functie “ Infomobility”; dr uk ver volgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
de functie “ Follow me” en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
het menupunt “Frequentie” en druk op
de toets OK/MENU (13-fig. 1);
86
– selecteer met de toets ª/º (7fig. 1) een van de volgende instellingen
(die betrekking hebben op de afstand
waarop de positie van de auto wordt
doorgegeven):
NOOIT: de positie van de auto wordt
nooit doorgegeven;
LAAG: de positie van de auto wordt iedere 130 km doorgegeven;
NORMAAL: de positie van de auto
wordt iedere 70 km doorgegeven;
VAAK: de positie van de auto wordt iedere 35 km doorgegeven;
– druk na het selecteren van een instelling op de toets OK/MENU (13-fig.
1).
Weergave/wissen van de ontvangen informatie
Als u een bericht ontvangt van de Targasys-operator, verschijnt op het display
het volgende bericht: “ Nieuw bericht!
Lezen?”
Druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) als u het bericht direct wilt lezen;
druk op de toets CLR (15-fig. 1) als u
het bericht later wilt lezen; het bericht
wordt bewaard.
Alle berichten worden bewaard (maximaal 20) tenzij ze worden gewist. Als in
het bericht een telefoonnummer staat vermeld (bijv. van een hotel), kunt u dit
nummer direct bellen; als in het bericht
de plaats van een bestemming is opgenomen, wordt de richting naar en de afstand tot de bestemming aangegeven.
BELANGRIJK De berichten met ser vice-informatie die door de Targasys-centrale zijn ver zonden, worden alleen op
het display weergegeven en niet bewaard.
– plaats de cursor ˙ met de toets
ª/º (7-fig. 1 ) op het bericht dat u
wilt lezen;
Ga voor weergave van de bewaarde berichten als volgt te werk:
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om het gewenste bericht geheel
te kunnen lezen; dr uk om de tekst snel
te doorlopen op de toets ª/º (7-fig.
1).
– druk op de toets • (6-fig. 1 ) om
toegang te krijgen tot het hoofdmenu van
de diensten van Targasys;
– in het menu staat de cursor ˙ op de
functie “ Infomobility”; dr uk ver volgens op de toets OK/MENU (13-fig.
1);
– selecteer met de toets º (7-fig. 1)
de functie “ Berichten” en dr uk op de
toets OK/MENU (13-fig. 1);
– de bewaarde berichten worden op de
volgende wijze weergegeven:
op de bovenste regel : de tijd en
datum waarop het bericht is ontvangen;
op de onderste regel : weergave
van de eerste 12 karakters van de titel
van het bericht voor een snelle identificatie;
Als in het bericht een telefoonnummer
of een positie ver meld staat, verschijnen
onder aan het bericht de menupunten
“Tel.nr.” en/of “Positie”.
Druk na het lezen van het bericht op de
toets CLR (15-fig. 1) om ter ug te keren naar de lijst met berichten.
BELANGRIJK Bij inschakeling van het
Connect worden de ontvangen berichten
met verkeersinfor matie na 24 uur automatisch gewist.
Bericht wissen
Ga voor het wissen van een bericht als
volgt te werk:
– roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die in de vorige paragraaf is aangegeven;
CONNECT
BEWAARDE BERICHTEN OPROEPEN
– plaats de cursor ˙ met de toets
ª /º (7-fig. 1 ) op het menupunt
“Wissen?” onder aan het bericht en
druk op de toets OK (13-fig. 1);
– op het display verschijnt het bericht:
“Bericht wissen?”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de keuze te bevestigen en
terug te keren naar de lijst met berichten, of druk op de toets CLR (15-fig.
1) als u het bericht niet wilt wissen.
BELANGRIJK Bij inschakeling van het
Connect worden de ontvangen berichten
met verkeersinfor matie na 24 uur automatisch gewist.
87
CONNECT
Telefoonnummer uit een bericht
bellen
Weergave plaats van bestemming uit het bericht
– op het display verschijnen de volgende aanduidingen (fig. 27):
Ga als volgt te werk om een telefoonnummer uit een bericht (bijv . een nummer van een hotel of restaurant) te bellen:
Ga als volgt te werk voor weergave van
de plaats van bestemming uit het bericht
(bijv. van een hotel of restaurant):
Afst.: d e a fstand tot d e g ewenste b estemming;
– roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die is aangegeven in de
paragraaf “Bewaarde berichten oproepen”;
– p laats d e c ursor ˙ met d e t oets
ª /º (7-fig. 1 ) op het menupunt
“Tel.nr.” onder aan het bericht en druk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die is aangegeven in de
paragraaf “Bewaarde berichten oproepen”;
– p laats d e c ursor ˙ met d e t oets
ª /º (7-fig. 1 ) op het menupunt
“Plaats” onder aan het bericht en dr uk
op de toets OK/MENU (13-fig. 1);
– op het display verschijnt de vraag of
u het gekozen nummer wilt bellen;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1 ) om het nummer te bellen of op
de toets CLR (15-fig. 1 ) als u het
nummer niet wilt bellen.
A0B3130i
88
fig. 27
Richt.: de richting, aangegeven door
een pijl, naar de gewenste bestemming.
Druk om het menupunt “ Plaats” af te
sluiten op de toets CLR (15-fig. 1) op
het moment dat u de infor matie ontvangt
van Targasys.
De autoradio is uitger ust met een diefstalbeveiliging die bestaat uit:
– een geheime 4-cijferige code;
– een afschriklampje.
De diefstalbeveiliging zorgt er voor dat
de autoradio onbr uikbaar wordt als deze
bij diefstal uit het dashboard wordt weggenomen.
Geheime code
De geheime 4-cijferige code staat vermeld op de card die u bij de auto overhandigd krijgt.
Bewaar de geheime code op een veilige
plaats (bijv. bij de autopapieren) maar
nooit in de auto.
CODE INVOEREN
Het invoeren van de geheime code is
noodzakelijk:
a - na aflevering van de auto door de
dealer;
b - nadat de voedingsspanning van de
accu onderbroken is geweest (bijv. bij onderhoudswerkzaamheden door de Alfa
Romeo-dealer).
Als bijvoorbeeld de code op uw card
4613 is, dan moet de volgende procedure worden gevolgd:
– schakel de autoradio in door de toets
“ON” (1-fig. 1) in te drukken;
– plaats de houder van de SIM-kaar t
binnen 15 seconden in de betreffende zitting ( 17-fig. 1 ) nadat de toets ON is
ingedrukt;
– op het display verschijnt het opschrift
“CODE” (u wordt verzocht de code in te
voeren)
– dr uk één keer op toets “4” van het
numerieke toetsenbord; op het display
verschijnt het opschrift “4 - - -”;
– dr uk één keer op toets “6”;
op het display verschijnt het opschrift “4
6 - -”;
CONNECT
D I E F S TA L B E V E I L I G I N G
– dr uk één keer op toets “1”;
op het display verschijnt het opschrift “4
6 1 -”;
– dr uk één keer op toets “3”;
op het display verschijnt het opschrift “4
6 1 3”;
– druk op de toets OK/MENU (13fig. 1) om de invoer te bevestigen.
Als er tijdens het invoeren van de code
een fout wordt gemaakt, dr uk dan op de
toets CLR (15-fig. 1) om het laatst ingevoerde cijfer te wissen.
BELANGRIJK Als er een verkeerde
code is ingevoerd, wordt de autoradio opnieuw in de wachtstand gezet voor het invoeren van een nieuwe code (op het display verschijnt opnieuw het opschrift
“CODE”).
Als de radio eventueel wordt uitgeschakeld tijdens het invoeren van de code,
dan wordt dit beschouwd als een foutieve
invoer van de code.
89
CONNECT
BELANGRIJK Als er drie keer achter
elkaar een verkeerde code wordt ingevoerd, verschijnen op het display 4 horizontale streepjes “- - - -”, blijft de autoradio geblokkeerd en kan gedurende
ten minste een uur geen enkele code
meer worden ingevoerd. Omdat het mogelijk is de automatische uitschakeltijd
van het apparaat vanaf het moment dat
de contactsleutel in stand STOP wordt
gedraaid, te programmeren, moet gecontroleerd worden of de ingestelde tijd 60
minuten of meer bedraagt (zie “Tijdgeschakeld uitschakelen” in het Setup-menu
van de Radio).
Na een uur wordt de radio weer uit de
wachtstand gezet en kunt u de code invoeren (op het display verschijnt opnieuw
het opschrift “CODE”).
De tijd dat de radio geblokkeerd blijft
(beveiliging tegen diefstal), wordt alleen
geteld als de radio is ingeschakeld. Als de
voeding wordt onderbroken wanneer de
radio geblokkeerd is (beveiliging tegen
diefstal), wordt de verstreken tijd op nul
gezet en gaat bij het weer inschakelen de
wachttijd opnieuw in (u moet opnieuw
een uur wachten).
90
Verzoek tot invoeren code
in-/uitschakelen
Iedere keer nadat de voedingsspanning
van de accu onderbroken is geweest,
moet de toegangscode opnieuw worden
ingevoerd.
Het apparaat beschikt over een mogelijkheid om het ver zoek tot het invoeren
van de code in of uit te schakelen. Ga als
volgt te werk:
– houd bij uitgeschakeld apparaat gelijktijdig de toetsen 1 en 4 van het alfanumerieke toetsenbord ( 9-fig. 1 ) ingedrukt;
– schakel het apparaat in door de toets
ON (1-fig. 1) in te drukken of door de
houder van de SIM-kaar t in de zitting
(17-fig. 1) te plaatsen;
– op het display verschijnt het ver zoek
om de code in te voeren: voer de code in
m.b.v. het alfanumerieke toetsenbord
(9-fig. 1).
Afhankelijk van de vorige instelling,
wordt via deze procedure het ver zoek tot
het invoeren van de code in- of uitgeschakeld als de voeding van het apparaat onderbroken is geweest (loskoppelen van
de accu).
BELANGRIJK Als het ver zoek tot invoeren van de code wordt uitgeschakeld,
is het apparaat niet tegen diefstal beveiligd.
AFSCHRIKLAMPJE
TEGEN DIEFSTAL
Het lampje van de SIM-kaarthouder knippert
Na het ver wijderen van de SIM-kaar t,
kan het lampje onder de zitting (17-fig.
1) van de kaar thouder gaan knipperen
als beveiliging tegen diefstal.
Het lampje gaat knipperen als in het
Setup-menu “ Card LED ON ” is ingesteld.
Zie voor meer infor matie de paragraaf
“Programmeerbare functies - Afschriklampje”.
Afschriklampje uitschakelen
Om het afschriklampje uit te schakelen,
moet u de houder van de SIM-kaar t in de
zitting plaatsen totdat deze vastklikt; stel
vervolgens in het Setup-menu “Card
LED OFF” in.
VERSTERKER
TELEFOON
Uitgangsvermogen: 4 x 23 W att sinusoïdaal DIN-nor m 45
324 bij 14,4 V
Standaard:
maximaal ver mogen:
4 x 35 Watt
Ontvangstbereik:
GSM
Golfband:
Zenden
890 - 915 MHz
Ontvangen
935 - 960 MHz
Zendprestaties:
RADIO
TECHNISCHE SERVICE
Gevoeligheid:
CONNECT
TECHNISCHE GEGEVENS
Wendt u voor technische ondersteuning
voor het Connect tot de Alfa Romeodealer.
Klasse 2/8 Watt
–108 dBm
FM
87,5 - 108 MHz
Impedantie:
MW
531 - 1602 kHz
Antenne-aansluiting: 50 Ohm
LW
153 - 279 kHz
Telefoonmicrofoon: 660 Ohm.
FM-gevoeligheid:
0,9 µV met een signaal/ruisverhouding
van 26 dB
FM-golfband:
30 - 16 000 Hz
91
CONNECT
VERKLARENDE WOORDENLIJST
AF (Alternative Frequency)
Met deze functie blijft de radio afgestemd op het gekozen FM-station ook als
u in een ander gebied komt met andere
zendfrequenties.
Het RDS-systeem controleer t de sterkte
en de kwaliteit van het ontvangen signaal
en zoekt automatisch naar het station
met het sterkste signaal.
AOC (Advice Of Charge)
Met deze functie kunnen de kosten per
tik en een bepaald beltegoed worden ingesteld, waardoor onbeperkt bellen wordt
voorkomen.
AUD (Audio)
Met deze functie kunnen de hoge en lage tonen en de geluidsverdeling via de
luidsprekers rechts/links en voor/achter
ingesteld worden.
92
Oproepsignaal
Het oproepsignaal is een laag geluidssignaal dat klinkt als tijdens het voeren
van een telefoongesprek, een ander telefoontje binnenkomt.
BND (BAND)
Met deze functie kan van golfband worden gewisseld.
CD-wisselaar
Speler voor meerdere CD’s.
Cell Broadcast
Service voor het ver zenden/ontvangen
van korte tekstberichten die via specifieke
kanalen ver zonden worden (zie ook het
punt SMS). De netwerkprovider kan u
meer infor matie en een lijst met de beschikbare kanalen leveren.
CLR (Clear)
Met deze functie kan ter uggekeerd worden naar een vorig menu en worden de
wijzigingen niet bewaard.
Connect
Informatie- en hulpdiensten geleverd
door Targasys, zie de paragraaf “Gebruik van het Connect” in het hoofdstuk
“Targasys-diensten”.
DSC (Direct Software Control)
Met deze functie kunnen enkele door
de fabrikant ingestelde standaardinstellingen worden gewijzigd en aan de eigen
wensen worden aangepast.
EON (Enhanced Other Networks)
Met deze functie kan automatisch worden afgestemd op een ander station dan
dat beluisterd wordt, op het moment dat
het andere station verkeersinfor matie uitzendt.
Met deze functie kan het gebr uik van
de telefoon beperkt worden tot een bepaalde groep gebr uikers. Neem voor
meer informatie contact op met de ser vice provider.
G S M (Global System for Mobile
communication)
Systeem voor mobiele telefonie gebaseerd op digitale technologie.
Met dit communicatiesysteem bent u
verzekerd van betrouwbaar heid en hoogwaardige kwaliteit omdat de transmissies
via een automatisch coderingssysteem
verlopen.
Handset
Telefoonhoorn compleet met houder.
IMEI (International Mobile Equipment
Identity)
Internationale identificatiecode voor mobiele telefoons.
De IMEI-code vermeldt het serienummer
van het apparaat, de code van de fabrikant en van het land.
De IMEI-code wordt tijdens de fabricage
ingesteld en staat op de Card ver meld die
bij het apparaat wordt geleverd.
Local/Distant (seek loc/dx)
Hiermee kan de ontvangstgevoeligheid
op twee niveaus worden aangepast.
1) Distant (maximum gevoeligheid)
voor het afstemmen op alle stations
waarvan een signaal kan worden ontvangen.
2) Local (minimum gevoeligheid) voor
het afstemmen op stations waar van het
signaal sterk is, zoals lokale stations.
Mailbox
Elektronische postbus bij de ser vice provider waarin gesproken berichten worden
geregistreerd. De mailbox kan worden
vergeleken met een antwoordapparaat.
MEM (Memory)
Met deze functie kunnen opgeslagen
gegevens worden opgeroepen, bijv. radiostations, telefoonnummers.
MIX
Met deze functie kunnen CD’ s/muziekstukken op een CD in willekeurige volgorde worden weergegeven.
CONNECT
Groep gebruikers
Mute
Als deze functie is ingeschakeld, wordt,
bijvoorbeeld als een mobiele telefoon
aanwezig is, het geluidsvolume tijdens
een telefoongesprek naar nul ter uggebracht.
PIN1 (Personal Identification Number)
Geheime persoonlijke code die het gebruik van de SIM-kaar t door onbevoegde
personen verhindert.
Iedere keer als u de SIM-kaar t plaatst,
wordt verzocht de PIN-code in te voeren.
PIN2
Code voor speciale functies.
BELANGRIJK De codes PIN 1 en PIN
2 worden bij de SIM-kaar t geleverd en
kunnen worden gewijzigd.
93
CONNECT
PUK (Personal Unlock Key)
Code met 8 karakters waarmee de blokkering van SIM-kaar t kan worden opgeheven.
Het gebr uik van de PUK-code is noodzakelijk als de SIM-kaar t geblokkeerd wordt
als drie keer achter elkaar een verkeerde
PIN-code is ingevoerd.
Radiotext
Extra RDS-infor matie van stations, bijv .
over het uitgezonden programma.
RDS (Radio Data System)
Dit is een informatiesysteem dat gebruik
maakt van de 57 kHz draaggolf bij normale FM-uitzendingen.
Met deze functie kan diverse infor matie
worden weergegeven, zoals verkeersinformatie en naam van het station. Bovendien wordt er automatisch afgestemd op
een sterker station dat hetzelfde programma uitzendt.
94
Andere RDS-functies zijn:
AF:
Alternatieve frequentie
EON:
Enhanced Other Network
RT:
Radiotext
TA:
Verkeersinformatie
TP:
Verkeersprogramma.
Internationale roaming
Met deze functie kan uit het buitenland
gebeld worden via de verbinding met een
netwerk waar van de provider verschilt
van die van de ingestoken SIM-kaart.
Scroll
Regels van een lijst snel doorlopen
Verkort kiezen
Met deze functie kan een opgeslagen
nummer worden opgeroepen door slechts
één toets in te drukken.
SIM (Subscriber Identification Module)
De SIM-kaar t (SIM card) is een gebr uikers-identificatiemodule in de vor m van
een creditcard.
Op de SIM-kaar t zijn alle gegevens opgeslagen die noodzakelijk zijn voor:
– de identificatie van de gebruiker;
– de toewijzing van telefoonnummers;
– de persoonlijke telefoonagenda.
De SIM-kaar t kan bij iedere mobiele
GSM-telefoon gebruikt worden.
Wisselgesprek
Met deze functie kan een tweede telefoongesprek gevoerd worden zonder het
gevoerde telefoongesprek te verbreken;
het is mogelijk te wisselen tussen twee
gesprekken. Tijdens een telefoongesprek
kan een ander gesprek beantwoord worden als u het oproepsignaal ontvangt.
Met deze functie kunnen, via een
GSM-telefoon, kor te tekstberichten
verzonden en ontvangen worden en
op het display worden weergegeven.
Als de telefoon is uitgeschakeld of niet
bereikbaar is, wordt het bericht tijdelijk
bewaard totdat de gebruiker het oproept.
SRC (Source)
Wisselen tussen de beschikbare bronnen: Radio, CD-wisselaar en Aux; overschakelen van de Telefoon naar de Radio.
TA (Traffic Announcement)
Met deze functie kunt u verkeersinformatie ontvangen.
Het opschrift “T A” op het display geeft
aan dat de functie is ingeschakeld.
Targasys
Dienstencentrum van de Fiat-groep.
Telematica
TS (Travelstore)
Met deze functie kunnen automatisch
de radiostations met het sterkste signaal
worden opgeslagen.
CONNECT
SMS (Short Message Service)
Woord dat voortkomt uit de telecommunicatie- en infor matica; de telematica beschrijft de verbinding van diensten ten opzichte van posities (bijv . de automatische
bepaling van de plaats bij een ver zoek
om hulp) via een communicatiemiddel (in
dit geval: GSM-telefoon).
TP (Traffic Program)
Met deze functie kan op stations worden afgestemd die verkeersinfor matie uitzenden.
Het opschrift “TP” op het display geeft
aan dat is afgestemd op een station dat
verkeersinformatie uitzendt
95
NAVIGATIESYSTEEM
TIPS EN AANWIJZINGEN ............................................
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK
EN DE VEILIGHEID IN HET VERKEER ........................................
VOORZORGSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ..........................
COMPACT DISC ......................................................................
98
98
99
99
BEDIENINGSKNOPPEN ................................................ 100
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET STUURWIEL .............................. 102
WERKING ...................................................................... 103
NAVIGATIESYSTEEM IN-/UITSCHAKELEN ..................................
KEUZEMOGELIJKHEID WERKING ............................................
VOLUMEREGELING ..................................................................
DISPLAY ................................................................................
KLANKKLEURREGELING ..........................................................
103
103
104
104
105
RADIO ............................................................................ 106
NAAR DE RADIO LUISTEREN ....................................................
GOLFBAND SELECTEREN ..........................................................
AFSTEMMING OP FM-STATIONS ................................................
STATIONS OPSLAAN ................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
RDS-FUNCTIE ........................................................................
REG-FUNCTIE ........................................................................
PTY-FUNCTIE ..........................................................................
TA-FUNCTIE ............................................................................
TMC-FUNCTIE ........................................................................
SHARX-FUNCTIE ....................................................................
R-TXT-FUNCTIE ......................................................................
106
106
106
107
109
110
111
111
112
113
114
114
TIM-FUNCTIE .......................................................................... 115
CD-SPELER (CD) ............................................................ 117
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN ..................................................
CD-WEERGAVE ........................................................................
CD-SPELER INSCHAKELEN ......................................................
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN ..................
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN ..................
MIX-FUNCTIE ........................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
REPEAT-FUNCTIE......................................................................
PROGRAM-FUNCTIE ................................................................
CD NAME-FUNCTIE ..................................................................
117
118
118
119
119
119
119
120
120
122
CD-WISSELAAR-CDC (indien aanwezig) .................... 124
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN ..................................................
CD-WEERGAVE MET CD-SPELER ................................................
CD-WEERGAVE MET CD-WISSELAAR (indien aanwezig) ..............
CD-WISSELAAR INSCHAKELEN (indien aanwezig) ....................
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN ..................
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN ..................
MIX-FUNCTIE ........................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
REPEAT-FUNCTIE......................................................................
PROGRAM-FUNCTIE ................................................................
CD NAME-FUNCTIE ..................................................................
124
126
127
127
129
129
129
130
131
131
133
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM .................................. 135
135
136
143
146
147
NAVIGATIESYSTEEM INSCHAKELEN .......................... 148
NAVIGATIE STARTEN ................................................................
NAVIGATIE ONDERBREKEN ......................................................
VAN AUDIOBRON WISSELEN ..................................................
FREQUENTIEMODULATIE ........................................................
NAVIGATIE NO MAP ................................................................
DYNAMISCHE ROUTEBEGELEIDING ..........................................
TOERISTISCHE INFORMATIE ....................................................
WEERGAVE TRAJECT ................................................................
BESTEMMINGEN OPSLAAN ......................................................
OPGESLAGEN BESTEMMINGEN ARCHIVEREN ............................
OPGESLAGEN GEGEVENS WISSEN ............................................
KORTE NAAM INVOEREN EN WIJZIGEN ....................................
WEERGAVE GPS-STATUS EN POSITIE ........................................
FILES VERMIJDEN TIJDENS DE NAVIGATIE ................................
ONDERDELEN VAN HET TRAJECT UITSLUITEN ............................
TRAJECT AANPASSEN ..............................................................
POSITIEBEPALING VAN DE AUTO ..............................................
ONTVANGST VERKEERSINFORMATIE TIJDENS NAVIGATIE ..........
GESPROKEN AANWIJZINGEN IN-/UITSCHAKELEN ....................
OPSLAAN LAATSTE 10 BESTEMMINGEN
IN-/UITSCHAKELEN ................................................................
INFORMATIE OVER TRAJECTDUUR
IN-/UITSCHAKELEN ................................................................
148
149
150
150
150
151
152
153
153
154
155
156
157
157
158
159
160
162
162
162
163
HANDMATIGE WEERGAVE POSITIE .......................................... 163
TRAJECT SIMULEREN .............................................................. 164
STANDAARDINSTELLINGEN REGELEN ........................ 165
MENU INSTELLINGEN INSCHAKELEN ........................................ 165
DISPLAY INSTELLEN ................................................................ 165
VOLUMEREGELING BIJ INSCHAKELING, TA-INFORMATIE, BERICHTEN
EN SNELHEIDSAFHANKELIJKE VOLUMEREGELING SVR .............. 167
KLOKJE INSTELLEN ................................................................ 169
TAAL SELECTEREN .................................................................. 171
APPARATUUR IJKEN ................................................................ 172
SYSTEEM CONTROLEREN ........................................................ 172
IJKEN .................................................................................... 174
GPS-INFO .............................................................................. 175
BEVEILIGING .......................................................................... 176
TERUGKEREN NAAR STANDAARDINSTELLINGEN ........................ 177
NAVIGATIESYSTEEM
NAVIGATIE STARTEN ................................................................
BESTEMMING INVOEREN ........................................................
SPECIALE OF VERRE BESTEMMINGEN INVOEREN ......................
GEBRUIK VAN OPGESLAGEN BESTEMMINGEN ..........................
POSITIE VAN DE AUTO OPSLAAN ............................................
DIEFSTALBEVEILIGING .................................................. 180
ALGEMENE INFORMATIE .......................................................... 180
CODE-CARD .......................................................................... 180
CODE DIEFSTALBEVEILIGING INVOEREN .................................. 180
TECHNISCHE GEGEVENS .............................................. 182
RADIO ..................................................................................
CD-SPELER EN CD-WISSELAAR ................................................
AUDIOSYSTEEM ......................................................................
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM ................................................
TECHNISCHE GEGEVENS ..........................................................
182
182
183
183
183
97
NAVIGATIESYSTEEM
TIPS EN AANWIJZINGEN
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
VOOR HET GEBRUIK
EN DE VEILIGHEID IN HET
VERKEER
Het satelliet-navigatiesysteem is een
geïntegreerd systeem dat eenvoudig bediend kan worden.
Om gevaarlijke situaties voor u en de
andere weggebr uikers te voorkomen,
moet bij het gebr uik van het satelliet-navigatiesysteem op de volgende punten
worden gelet:
– het navigatiesysteem mag alleen worden gebr uikt als u de volledige controle
over de auto kunt behouden; bij twijfelgevallen dient u eerst te stoppen voordat u
de verschillende handelingen uitvoert;
– er nstige ongelukken kunnen veroorzaakt worden door onoplettendheid of
doordat de verkeersstroom niet is gevolgd;
– zorg dat u bekend bent met het navigatiesysteem en de bedieningsknoppen
voordat u vertrekt;
– voer de bestemming alleen in als de
auto stilstaat;
98
– sluit het frontpaneel tijdens de rit.
Met het navigatiesysteem kan het reisdoel worden bereikt; het geeft route-aanwijzingen met behulp van het op de navigatie CD opgeslagen traject. Het systeem
houdt bij het berekenen van het traject
rekening met alle infor matie met betrekking tot de berijdbaarheid, zodat het optimale traject wordt aanbevolen. Er wordt
echter geen rekening gehouden met de
verkeersomstandigheden, onver wachtse
onderbrekingen of ander ongemak.
Het navigatiesysteem is een hulpmiddel
voor de bestuurder tijdens het rijden; het
geeft door middel van gesproken en grafische aanwijzingen het optimale traject
aan om de ingevoerde bestemming te bereiken.
BELANGRIJK Bij het uitvoeren van elke door het navigatiesysteem aanbevolen
handeling ligt de verantwoordelijkheid
voor het rijden met de auto in het verkeer
volledig bij de bestuurder die ook de verkeersregels alsmede andere verkeersvoorschriften nauwkeurig in acht moet nemen. De verantwoordelijkheid voor de
verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij
de bestuurder van de auto.
Houdt u bij het uitvoeren van een handeling aan de verkeerswetgeving, ongeacht de adviezen van het navigatiesysteem. Als u van de aanbevolen route
moet afwijken, wordt een andere route
berekend en aanbevolen.
Zonder dat er speciale voor zorgsmaatregelen nodig zijn, is een lange levensduur
van het systeem gegarandeerd. We ndt u
bij storingen tot de Alfa Romeo-dealer.
Maak het bedieningspaneel alleen met
een zachte, droge en antistatische doek
schoon. Schoonmaak- en glansmiddelen
kunnen het front beschadigen.
Behandel het display met zorg. Als er
scherpe voorwerpen worden gebruikt kunnen er krassen en beschadigingen op het
display ontstaan.
COMPACT DISC
Als u de CD-speler gebruikt, houd er dan
rekening mee dat door de aanwezigheid
van vuil of vingerafdr ukken op de CD er
een onderbreking in de weergave en een
slechte geluidskwaliteit kan ontstaan.
Hetzelfde gebeur t als per ongeluk de CD
wordt gebogen.
Voor een perfecte weergave geven wij u
de volgende tips:
– Gebr uik alleen CD’ s met het merkteken:
Maak het display alleen met een zachte, schone en droge doek schoon.
Schoonmaak- en glansmiddelen kunnen
het display beschadigen.
Oefen geen druk op het
display uit tijdens het reinigen. Als er scherpe of
harde voor werpen worden gebruikt, kunnen er krassen en beschadigingen op het display ontstaan. Raak het display niet met
de vingers aan. Raak bij breuk de
vloeistof die kan wegvloeien niet
aan; als deze vloeistof in contact
komt met de huid, moet de huid
onmiddellijk worden gewassen
met water en zeep.
– Gebruik voor het schoonmaken nooit
chemische producten (bijv . antistatische
sprays of thinner) omdat hierdoor het oppervlak van de CD kan worden beschadigd.
– Berg na het beluisteren de CD weer
op in het doosje om te voorkomen dat er
vlekken of krassen ontstaan die de weergave kunnen verstoren.
NAVIGATIESYSTEEM
VOORZORGSMAATREGELEN
EN ONDERHOUD
– Stel de CD’ s niet bloot aan war mtebronnen, zonnestraling of vochtigheid om
te voorkomen dat de CD’s vervormen.
– Op het weergave-opper vlak van de
CD mag niets geplakt en geschreven worden.
– Verwijder eventuele vingerafdr ukken
en stof van het CD-opper vlak m.b.v. een
zachte doek. Houd de CD bij de randen
vast en reinig de CD vanuit het midden
naar de randen.
99
NAVIGATIESYSTEEM
BEDIENINGSKNOPPEN
100
fig. 1
A0B0304b
2 - Keuzetoets ù §. De functie van
de keuzetoets hangt af van het betreffende menu en van de manier waarop het
systeem werkt
3 - Toets AUD: menu geluidsinstellingen openen
4 - Toets TA: RDS-TA (Traffic Announcement) in-/uitschakelen
5 - Display
6 - Toets Info i:
a) als tijdens de routebegeleiding op
deze toets wordt gedr ukt, wordt de laatste gesproken mededeling van het navigatiesysteem her haald en wordt de ingevoerde bestemming getoond
b) weergave van alle onderdelen van
het menu die eindigen met “…”
A0B0307b
7 - Toets k: “FILE VERMIJDEN” (alternatief traject) inschakelen
12 - Toets NAV: navigatiesysteem inschakelen
8 - Toets T: TIM (T raffic Infor mation
Memory) en TMC (T raffic Message Channel) inschakelen
13 - Multifunctionele toetsen §;
de functie van deze toetsen hangt af van
de inhoud van het menu
9 - Toets ESC:
a) menu afsluiten zonder de wijzigingen op te slaan
b) naar het vorige scher m/menu terugkeren
10 - Toets MEN: menu instellingen inschakelen
11 - Draaiknop/toets
De draaiknop/toets heeft de volgende
functies:
a) draaien: selecteren van onderdelen
die op het display getoond worden
b) indrukken: keuze bevestigen (OKtoets)
c) langer dan 2 seconden indr ukken:
keuze tussen 2- of 3-dimensionale weergave van de pictogrammen bij ingeschakeld navigatiesysteem en bevestigen
ingevoerde gegevens
14 - Multifunctionele toetsen §;
de functie van deze toetsen hangt af van
de inhoud van het menu
NAVIGATIESYSTEEM
1 - Toets T: frontpaneel openen
15 - CD-C: CD-speler (als al een audioCD is geplaatst) of CD-wisselaar inschakelen
16 - Draaiknop/toets
De draaiknop/toets heeft de volgende
functies:
a) draaien: volumeregeling en overschakeling naar Mute
b) even ingedrukt houden (ongeveer 2
seconden): navigatiesysteem in-/uitschakelen
c) kort indr ukken (minder dan 2 seconde): Mute
17 - TUN: Radio inschakelen
18 - CD-lade
19 - CD-uitwerptoets
20 - Knipperend lampje CD-lade (audioof navigatie-CD)
fig. 2
101
NAVIGATIESYSTEEM
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET
STUURWIEL (indien aanwezig)
(fig. 3)
De bedieningsknoppen van de belangrijkste
functies van de autoradio zijn ook o p het
stuurwiel geplaatst, zodat u de autoradio
nog eenvoudiger kunt bedienen:
1. Toets voor verhogen volume
2. Toets voor verlagen volume
3. Toets voor Mute-functie
4. Keuzetoets voor golfband (FM1, FM2,
FMT, FMC, MW) of beschikbare audiobron
(Radio, CD-speler of CD-wisselaar)
5. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
– C D-wisselaar ( indien a anwezig): kort indrukken : volgend
muziekstuk selecteren even ingedrukt houden: weergegeven
muziekstuk snel vooruitspoelen
6. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
– CD-speler: kort i ndrukken: vorig
muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden : weergegeven muziekstuk snel terugspoelen
– CD-wisselaar (indien aanwezig)kort
indrukken: vorig muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden : weergegeven muziekstuk snel terugspoelen
– CD-speler: kort indrukken : volgend muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden : weergegeven muziekstuk snel vooruitspoelen
A0B0357b
Toetsen voor volumeregeling
(1), (2) en (3)
De toetsen voor het regelen van het volume (1) en (2) en voor het in/uitschakelen
van de Mute-functie (3) werken op dezelfde
wijze als de toetsen op de autoradio.
Keuzetoets voor golfband
en audiobronnen (4)
Door telkens kort toets (4) in te drukken,
kunt u kiezen uit de beschikbare golfbanden
en audiobronnen.
De b eschikbare g olfbanden/audiobronnen
zijn: FM1, FM2, FMT, FMC, MW,CDC.
Multifunctionele toetsen (5) en (6)
Met de multifunctionele toetsen ( 5) en
(6) kunt u de opgeslagen stations oproepen, de volgende CD/het volgende muziekstuk of de vorige CD/het vorige muziekstuk
zoeken tijdens het luisteren naar de CD-wisselaar.
Druk op toets ( 5) om de opgeslagen stations in oplopende volgorde te selecteren of
de volgende CD/het volgende muziekstuk
te beluisteren.
102
fig. 3
Druk op toets ( 6) om de opgeslagen stations in aflopende volgorde te selecteren of
de vorige CD/ het vorige muziekstuk te beluisteren.
NAVIGATIESYSTEEM IN-/
UITSCHAKELEN
In-/uitschakelen
bij uitgezette motor
KEUZEMOGELIJKHEID
WERKING
Druk ongeveer 1 seconde op de draaiknop/toets ( 16) om het navigatiesysteem in te schakelen. Het systeem geeft
de laatst beluisterde audiobron weer op
het vooraf ingestelde volumeniveau.
Het navigatiesysteem kan ook gebr uikt
worden als de motor uitstaat (contactsleutel in stand STOP).
Ga als volgt te werk om de gewenste
bron te selecteren:
BELANGRIJK Als u het systeem uitschakelt en ver volgens weer inschakelt,
wordt de bron weergegeven op het volumeniveau van voor de uitschakeling. Als
het volumeniveau echter hoger was dan
het ingestelde niveau, wordt de audiobron weergegeven op het ingestelde volumeniveau.
Om het apparaat in te schakelen, moet
u ongeveer 1 seconde de draaiknop/toets
(16) indrukken.
BELANGRIJK Als de contactsleutel
in stand STOP staat, schakelt na ongeveer 1 uur het apparaat automatisch uit
om te voorkomen dat de accu van de auto ontlaadt. Als u de motor star t, wordt
de tijdslimiet opgeheven.
– druk op de toets TUN ( 17) om de
Radio in te schakelen;
NAVIGATIESYSTEEM
WERKING
– dr uk op de toets CD-C ( 15) om de
CD-speler of CD-wisselaar (indien aanwezig) in te schakelen;
– dr uk op de toets NA V ( 12) om het
navigatiesysteem in te schakelen.
Als een bron is geselecteerd, verschijnt het bijbehorende hoofdmenu/hoofdscherm.
Zie voor het instellen van het volume bij
inschakeling “Volumeregeling bij inschakeling, TA-informatie, berichten en snelheidsafhankelijke volumeregeling (svr)”
in het hoofdstuk “Standaardinstellingen
regelen”.
103
NAVIGATIESYSTEEM
VOLUMEREGELING
Volume verhogen : draai de draaiknop/toets (16) rechtsom.
Volume verlagen : draai de draaiknop/toets (16) linksom.
Tijdens het instellen van het volume,
wordt het volumeniveau grafisch op het
display weergegeven (deze grafische
weergave verschijnt alleen bij het hoofdmenu van de audiobron) (fig. 4).
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Wij raden u dan ook aan om het
volume altijd zo te regelen dat
geluiden van buiten (bijv
.
claxons, sirenes van ambulance,
brandweer, politie e.d.) hoorbaar
blijven.
DISPLAY fig. 5
Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld, schakelt de nachtverlichting in (omgekeerde kleuren)( fig. 6). Als u overdag de koplampen hebt ingeschakeld,
kunt u de nachtverlichting uitschakelen,
zie de paragraaf “Display instellen” in het
hoofdstuk “Standaardinstellingen regelen”.
BELANGRIJK Als u naar een gesproken bericht van het navigatiesysteem luistert, kan het volume onafhankelijk van
het standaardvolume van de audiobron
gewijzigd worden.
A0B3021i
104
fig. 4
A0B3095i
fig. 5
A0B3222i
fig. 6
U kunt de “bassen” en “hoge tonen”
voor iedere audiobron gescheiden instellen. De Balans, Fader en Loudness kunnen niet gescheiden worden geregeld.
Stel het geluid als volgt in:
1) Selecteer de gewenste audiobron
(Radio, CD-speler of CD-wisselaar , indien
aanwezig) met de toetsen TUN ( 17),
CD-C (15).
2) Druk op de toets AUD ( 3) op het
display verschijnt het audio-menu voor
het instellen van het geluid (fig. 7).
3) Draai de draaiknop/toets ( 11) totdat het gewenste menupunt is geselecteerd.
De gewijzigde waarden kunt u opslaan
door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Druk de draaiknop/toets ( 11) in
om h et g eselecteerde m enupunt ( “BASSEN”, “HOGE TONEN”, enz.) te bevestigen (fig. 8).
Als u de gewijzigde waarden niet wilt
opslaan en u terug wilt keren naar het vorige menu, moet op toets ESC (9) worden gedrukt.
5) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de gewenste instelling te regelen.
BELANGRIJK Als de auto is uitger ust
met het Bose hifi-systeem, kan de waarde van de Loudness niet geregeld worden
(fig. 9).
A0B3096i
fig. 7
BELANGRIJK Als u op geen enkele
toets dr ukt, verschijnt na 30 seconden
automatisch het vorige menu op het display.
A0B3097i
fig. 8
NAVIGATIESYSTEEM
KLANKKLEURREGELING
(MENU AUD)
A0B3223i
fig. 9
105
NAVIGATIESYSTEEM
RADIO
NAAR DE RADIO LUISTEREN
GOLFBAND SELECTEREN
Als u de toets TUN ( 17) indr ukt, verschijnt het hoofdmenu van de radio ( fig.
10) en wordt afgestemd op het laatste
station dat u beluisterde voor het uitschakelen. Op de bovenste regel van het display w ordt h et v olgende w eergegeven:
het station waarop was afgestemd voor
de uitschakeling van het audio/navigatiesysteem en de 6 beschikbare stations op
de g olfband. O p de o nderste r egel v an
het display wordt altijd, behalve bij het
AUDIO-menu, het volgende weergegeven:
de aanwezigheid van een audio- of navigatie-CD, de golfband waar op is afgestemd (bijv. FM1), de T A-status of de
TMC-status.
U kunt programma’s op de FM- of MW golfband (middengolf) ontvangen ( fig.
11). Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN ( 17) om de gewenste golfband te selecteren.
Radiostations selecteren
Met de multifunctionele toetsen §
(13 en 14) kunt u de opgeslagen stations selecteren (kor t indr ukken) of
andere stations opslaan (even ingedrukt houden).
A0B3095i
106
fig. 10
AFSTEMMEN OP FM-STATIONS
Automatische afstemming
1) Druk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen (fig.
12).
2) Druk op de toets ( 14) bij het opschrift SEARCH totdat de indicatie “ $” of
“§ ” (de standaardinstelling is “ § ”)
verschijnt.
3) Druk op de keuzetoets § of ù
(2) om het zoeken naar stations te starten.
A0B3000i
fig. 11
A0B3102i
fig. 12
Handmatige afstemming
Ga voor het handmatig afstemmen als
volgt te werk:
1) Schakel de RDS-functie uit (zie de
paragraaf “RDS-functie” in dit hoofdstuk)
zodat de frequentie zichtbaar wordt.
2) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
12).
STATIONS OPSLAAN
Er kunnen maximaal 24 FM-stations
verdeeld over vier golfbanden (FM1,
FM2, FMT en FMC) en 6 MW -stations
worden opgeslagen.
Handmatig opslaan
Ga voor het handmatig opslaan van
stations als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio (fig. 13).
2) Selecteer de gewenste FM-golfband
(FM1, FM2, FMT, FMC) of MW -golfband
met toets ( 13) of 14). Na de keuze
wordt automatisch ter uggekeerd naar het
hoofdmenu van de radio.
3) Stem af op het station door de keuzetoets § of ù (2) in te drukken.
4) Druk op de toets ( 13) of ( 14) die
overeenkomt met de geselecteerde golfband en houd de toets ingedr ukt totdat
het volume wordt onderdrukt (het signaal
dat het station is opgeslagen). De frequentie of de naam van het opgeslagen
station verschijnen op het display op de
vooraf ingestelde positie.
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Als de T A-functie is ingeschakeld, worden alleen de stations opgeslagen die verkeersinfor matie uitzenden (opschrift TP op het display).
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SEARCH totdat de indicatie $ verschijnt.
4) Dr uk op de keuzetoets § of ù
(2) om het handmatig zoeken naar stations te starten.
A0B3000i
De frequentie wisselt trapsgewijs met
100 kHz op de FM-golfband en met 9
kHz op de MW-golfband.
fig. 13
107
NAVIGATIESYSTEEM
Automatisch opslaan
T-STORE
Ga voor het automatisch opslaan van stations (T-STORE) als volgt te werk:
AUTOMATISCH OPSLAAN
TMCSTORE
Op de FMT -golfband kunnen automatisch de 6 stations met het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin u rijdt,
worden opgeslagen.
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN ( 17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio.
Het navigatiesysteem kan op de FMCgolfband automatisch de 6 stations met
het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin u rijdt, opslaan.
Met de T A-functie (Traffic Announcement) worden alleen de 6 stations met
het sterkste ontvangstsignaal opgeslagen
die verkeersinformatie kunnen uitzenden.
2) Druk op de toets ( 13) bij het opschrift
PAGINA 2.
BELANGRIJK De opgeslagen stations
worden ver vangen als stations worden
opgeslagen met de functie T-STORE.
3) Druk op de toets ( 14) bij het opschrift
T-STORE (fig. 14).
Als de functie T ravelstore is ingeschakeld,
dan wordt op de bovenste regel van het display de voor tgang van de procedure, uitgedrukt in procenten, weergegeven.
Als de stations zijn opgeslagen, wordt automatisch afgestemd op de FMT -golfband en
wordt gevraagd of u de zojuist opgeslagen
stations kort wilt beluisteren.
A0B3004i
BELANGRIJK De op de FMC-golfband
opgeslagen stations worden ver vangen
als nieuwe stations worden opgeslagen
door middel van TMC STORE.
BELANGRIJK De functie TMCSTORE
kan alleen worden ingeschakeld als reeds
eenmaal een navigatie-CD is geplaatst
van het land waarin wordt gereden. Deze
CD moet de TMC-informatie ondersteunen
(op het etiket van de CD staat TMC vermeld).
Ga voor het automatisch opslaan van
stations (TMCSTORE) als volgt te werk:
A0B3005i
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio (fig. 13).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PAGINA 2.
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift TMCSTORE (fig. 15).
108
fig. 14
fig. 15
Als de stations zijn opgeslagen, worden
alle op de FMC-golfband opgeslagen stations enkele seconden weergegeven.
Daarna wordt automatisch afgestemd op
het eerste opgeslagen station.
BELANGRIJK Het automatisch opslaan van stations met de functie TMCSTORE kan enige tijd in beslag nemen
omdat alle op de FMC-golfband te ontvangen TMC-stations worden afgezocht.
SCAN-FUNCTIE
Als de SCAN-functie is ingeschakeld,
wordt er over de gehele golfband naar
stations gezocht die te ontvangen zijn. Ieder station wordt 10 seconden weergegeven; de SCAN-functie schakelt automatisch uit als de gehele golfband is doorlopen. Bij ingeschakelde TA-functie wordt er
alleen naar stations gezocht die verkeersinformatie kunnen uitzenden. Als op een
van deze stations wordt afgestemd, verschijnt op de onderste regel van het display het symbool TP of T A als de functie
Traffic Announcement is ingeschakeld.
Ga voor het inschakelen van de SCANfunctie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PAGINA 2.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SCAN ( fig. 16 ); het zoeken begint en op het display verschijnt het opschrift SCAN zolang er gezocht wordt
(fig. 17).
Druk op de toets ESC ( 9) om de SCANfunctie uit te schakelen; de SCAN-functie
wordt onderbroken bij het laatst ontvangen station.
A0B3006i
fig. 16
NAVIGATIESYSTEEM
Als de functie TMCSTORE is ingeschakeld, dan wordt op de bovenste regel van
het display de voor tgang van de procedure, uitgedrukt in procenten, weergegeven.
A0B3008i
fig. 17
109
NAVIGATIESYSTEEM
TMC-SCAN FUNCTIE
Met deze functie wordt er over de gehele FMC-golfband naar stations gezocht die
te ontvangen zijn.
Ga voor het inschakelen van de TMC
SCAN-functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio (fig. 13).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PAGINA 2.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TMC-SCAN ( fig. 18); het zoeken
begint en op het display verschijnt het opschrift TMC-SCAN zolang er gezocht
wordt.
Druk voor het uitschakelen van de TMC
SCAN-functie, of om te blijven luisteren
naar een station dat tijdens het zoeken gevonden is, op de toets ( 9); de TMC SCANfunctie wordt onderbroken bij het laatst
ontvangen station.
RDS-FUNCTIE
(RADIO DATA SYSTEM)
Dankzij het Radio Data System wordt
de geluidsweergave van stations op de
FM-band (frequentiemodulatie) verbeterd.
Met het RDS wordt automatisch op de
optimale frequentie van het door u beluisterde station afgestemd (alter natieve frequentie). Dit systeem werkt alleen bij stations die deze functie ondersteunen. Hierdoor kan altijd naar hetzelfde station geluisterd worden, zonder dat opnieuw
moet worden afgestemd als u in een andere regio komt. Uiteraard moet het station ontvangen kunnen worden in het betreffende gebied.
Bij ingeschakelde RDS verschijnen op
het display de naam van het station
(maximaal 8 tekens) waarop is afgestemd (Program Ser vice) en de status
van de verkeersinfor matie. Het navigatiesysteem zal de optimale ontvangstfrequentie zoeken van het gewenste station.
In-/uitschakelen
A0B3007i
A0B3001i
Ga voor het gebr uik van het RDS als
volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
19).
110
fig. 18
fig. 19
FIX
Radio RDS inschakelen. Aangezien bepaalde stations RDS niet
alleen gebr uiken om hun naam
in beeld te krijgen, maar ook
voor reclameteksten, kunt u het
systeem zo instellen dat alleen
de naam van het station op het
display verschijnt.
VAR Standaardinstelling waarbij de
functie Radio RDS volledig is ingeschakeld. Ook reclameteksten
worden op het display weergegeven.
OFF
De functie Radio RDS wordt uitgeschakeld. De stations worden
onderscheiden door middel van
de frequentie-aanduiding op het
display (bijvoorbeeld: 87.5). Bij
deze instelling blijft ook de T Afunctie uitgeschakeld.
REG-FUNCTIE
Op bepaalde uren van de dag zenden
enkele stations regionale programma’ s
uit. Als de functie is uitgeschakeld en u
hebt afgestemd op een regionaal station
dat in een bepaald gebied uitzendt, dan
zult u als u in een ander gebied komt,
het regionale station van dat nieuwe gebied ontvangen.
In-/uitschakelen
Om de REG-functie in te schakelen,
moet op een FM-golfband zijn afgestemd.
Ga als volgt te werk:
PTY-FUNCTIE
(PROGRAM TYPE)
De PTY-functie is verbonden met het
RDS. De stations maken via PTY de inhoud (POP, ROCK, enz.) van hun programma’s bekend, waardoor een keuze
kan worden gemaakt.
Als u bij ingeschakelde PTY -functie een
nieuw station selecteert, verschijnt enkele
seconden de inhoud van het programma
op het display . Als het station daarentegen de PTY-functie niet bezit, wordt de inhoud niet weergegeven.
NAVIGATIESYSTEEM
2) Druk meerdere keren op toets ( 14)
bij het opschrift RDS om een van de hierna beschreven menu-onderdelen (V AR,
FIX of OFF) te selecteren (de standaardinstelling is VAR):
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
20).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift REG; op het display verschijnt ON of
OFF. De standaardinstelling is OFF (functie
uitgeschakeld). Bij ingeschakelde functie
wisselt de frequentie alleen als het station
niet meer op de huidige frequentie is te
ontvangen.
A0B3001i
fig. 20
111
NAVIGATIESYSTEEM
In-/uitschakelen
Alarmberichten ontvangen
Ga voor het in-/uitschakelen van de
PTY-functie als volgt te werk:
Bij ingeschakelde PTY -functie kunnen er
alarmberichten worden ontvangen (bijvoorbeeld: smogalar m). In dat geval zal
op het display een gevaarindicatie verschijnen en wordt de alar mmelding weergegeven op het volumeniveau dat is ingesteld voor de verkeersinformatie.
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen (fig.
20).
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift PTY; op het display verschijnt ON
(functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld). De standaardinstelling is
ON.
Bij ingeschakelde PTY -functie verschijnt
PTY op het display ( fig. 21) als u op
een radiostation afstemt.
A0B3003i
Als u de alar mberichten wilt onderbreken, moet de toets MEN ( 10) of E SC
(9) worden ingedrukt.
TA-FUNCTIE
(TRAFFIC ANNOUNCEMENT)
In-/uitschakelen
De functie kan alleen worden ingeschakeld als op een FM-golfband is afgestemd.
Als naar de CD-speler of de CD-wisselaar
(indien aanwezig) wordt geluisterd of het
navigatiesysteem is ingeschakeld, en de
toets TA (4) wordt ingedrukt, schakelt de
radio over naar de FM-golfband en schakelt de T A-functie in: de audiobron verandert niet en op het display verschijnt het
opschrift “TA”.
Bij ingeschakelde T A-functie kan ook
verkeersinformatie worden ontvangen als
de CD-speler of CD-wisselaar (indien aanwezig) of het navigatiesysteem is ingeschakeld. Als e r ve rkeersinformatie
wordt uitgezonden, wordt er automatisch afgestemd op het programma dat
verkeersinformatie uitzendt. Na de verkeersinformatie schakelt het navigatiesysteem automatisch terug naar de bron
die u beluisterde.
Druk om de T A-functie uit te schakelen
op toets TA (4).
112
fig. 21
Verkeersinformatie
onderbreken
Als u bij ingeschakelde TA-functie de verkeersinformatie wilt onderbreken, moet
de toets TA (4) of MEN ( 10) worden ingedrukt, of op een ander station worden
afgestemd.
A0B3009i
TMC-FUNCTIE
(TRAFFIC MESSAGE CHANNEL)
Weergave opgeslagen TMC-berichten
Met d e T MC-functie k an verkeersinformatie worden ontvangen. Het navigatiesysteem a nalyseert de i nformatie e n
“leidt” de bestuurder naar de vooraf ingevoerde bestemming.
Ga v oor w eergave v an d e T MC-berichten
met verkeersinformatie als volgt te werk:
Niet alle stations ondersteunen de TMCfunctie waardoor het kan gebeuren dat er
in bepaalde gebieden geen verkeersinformatie wordt ontvangen.
Als de functie “Dynamische routebegeleiding” is ingeschakeld (zie “Dynamische r outebegeleiding” i n h et h oofdstuk
“Navigatiesysteem inschakelen”), stemt
het navigatiesysteem automatisch af op
een TMC-station.
1) Druk op de toets T (8).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift T-INFO (fig. 22).
Op h et d isplay v erschijnt h et l aatste b ericht. Op de bovenste regel van het display
wordt het aantal weergegeven berichten
getoond en het aantal opgeslagen berichten. Het laatste bericht krijgt nummer 1
toebedeeld.
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Als u met ingeschakelde TA-functie naar de radio luister t en u
het ontvangstgebied verlaat van het station dat verkeersinformatie uitzendt of dit
station is niet meer te ontvangen, hoor t u
een waarschuwingssignaal (een “biep”);
in dit geval wordt de TP-functie (T raffic
Program) automatisch ingeschakeld.
3) Selecteer m et de draaikno p/toets
(11) een van de berichten.
Als u naar een TMC-station luister t, verschijnt op de onderste regel van het display het opschrift “TMC”.
4) Druk na het lezen van het gewenste
bericht of de gewenste berichten op de
toets T (8) of ESC ( 9) om het raadplegen te beëindigen.
U k unt m aximaal 6 T MC-stations o pslaan in het FMC-geheugen (zie de paragraaf “Automatisch opslaan TMCSTORE”).
BELANGRIJK TMC-berichten die betrekking hebben op verkeerssituaties op
100 km of meer van de auto worden niet
door de TMC-functie verwerkt.
Met deze functie is het dus mogelijk de
6 stations met het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin u rijdt, op te
slaan.
fig. 22
113
NAVIGATIESYSTEEM
SHARX-FUNCTIE
R-TXT-FUNCTIE
Als u op een FM-station hebt afgestemd, kan het ontvangstsignaal zo nu
en dan gestoord worden. Dit wordt veroorzaakt door nabij gelegen stations. Met
de SHARX-functie kunnen de storingen
worden verminderd.
R-TXT (Radiotext) is een ser vice die
door enkele RDS-stations wordt geleverd.
De functie Radiotext lever t niet alleen de
naam van het station maar ook infor matie over het uitgezonden programma of
geeft de titel aan van het weergegeven
muziekstuk.
In-/uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van de
SHARX-functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN ( 10) op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
23).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SHARX; op het display verschijnt
ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie
uitgeschakeld). De standaardinstelling is
ON.
A0B3001i
114
fig. 23
In-/uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van de
Radiotext-functie als volgt te werk:
1) Druk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN ( 10); op het display verschijnt het menu voor de radio-instellingen (fig. 23).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift R-TXT; op het display verschijnt
ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld). De standaardinstelling is OFF.
Als op het display het opschrift“ Radiotext” verschijnt en u wilt bijvoorbeeld
op een ander station afstemmen, ga
dan als volgt te werk:
1) Druk bij ingeschakelde radio op de
toets TUN (17) of op de toets ( 13) of
(14); op het display verschijnt het
functiemenu van de radio met uitzondering van de Radiotext-functie.
2) Op een ander station afstemmen:
in dit geval verschijnt de Radiotext-functie, indien beschikbaar, op het display.
Het systeem is voor zien van een digitaal spraakgeheugen waarin automatisch
maximaal 14 berichten met verkeersinformatie (met een totale duur van maximaal 4 minuten) worden opgeslagen.
Afhankelijk van de lengte van de nieuwe berichten worden eerdere berichten
gewist.
BELANGRIJK Berichten die langer
dan 4 minu ten duren worden n iet helemaal o pgeslagen. I n d it g eval v erschijnt
op het display het opschrift OVERFLOW.
Als tijdens het luisteren naar een TIM-bericht nieuwe verkeersinformatie wordt uitgezonden, d an w ordt h et e erste b ericht
onderbroken en het nieuwe bericht uitgezonden.
Berichten met
verkeersinformatie opslaan
De verkeersinfor matie wordt automatisch opgeslagen (maximaal 14 berichten) tijdens het beluisteren van stations
die verkeersinfor matie kunnen uitzenden
of als de TIM-functie is ingeschakeld en
het systeem is uitgeschakeld.
A0B3009i
fig. 24
De berichten kunnen 1 uur of 12 uur in
het geheugen blijven opgeslagen (zie de
volgende paragraaf “ Keuze registratietijd
van berichten met verkeersinformatie”).
Als wordt geluisterd naar een station dat
geen verke ersinformatie uitze ndt en het
systeem w ordt uitgescha keld met ingeschakelde TIM-functie, dan wordt, als het
systeem weer wordt ingeschakeld, automatisch gezocht naar een station dat wel
verkeersinformatie uitzendt.
Keuze registratietijd van berichten met verkeersinformatie
NAVIGATIESYSTEEM
TIM-FUNCTIE
Ga als volgt te werk om bij ingeschakeld apparaat de registratietijd te kiezen
van berichten met verkeersinformatie:
1 ) Dr uk op de toets T ( 8): op het
display verschijnt het Traffic-menu ( fig.
24).
2) Druk op de toets (14) bij het opschrift TIM, totdat de gewenste tijd verschijnt: 1H = het bericht blijft 1 uur opgeslagen; 12H = het bericht blijft 12 uur opgeslagen of OFF (functie uitgeschakeld).
115
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Als op het display
het Traffic-menu is weergegeven, dan
kan de TIM-functie ook worden in/uitgeschakeld door de toets T ( 8)
langer dan 2 seconden in te drukken.
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
verschijnt het opschrift “GOODBYE” op
het display en de registratietijd van de
eerder opgeslagen berichten.
Opgeslagen berichten met verkeersinformatie beluisteren
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
berichten met verkeersinfor matie op te
vragen:
1 ) Dr uk op de toets T ( 8): op het
display verschijnt het Traffic-menu ( fig.
24).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TIM-INFO: het laatst opgeslagen bericht krijgt het hoogste nummer (nummer
14) toegekend en wordt het eerst weergegeven; daar na worden in aflopende
volgorde de andere berichten weergegeven. Het display toont de tijd waarop
het bericht dat beluisterd wordt, ontvangen is.
116
Na het beluisteren van het laatste bericht schakelt het systeem automatisch
over naar de laatst geselecteerde audiobron (Radio, CD-speler of CD-wisselaar).
Ga als volgt te werk om te blijven luisteren naar de laatst geselecteerde audiobron (Radio, CD-speler of CD-wisselaar)
zonder weergave van alle berichten met
verkeersinformatie:
– Druk op de toets T (8) of ESC (9).
U kunt een audio-CD in de ingebouwde
speler of in de CD-wisselaar beluisteren
(indien aanwezig).
Tijdens de CD-weergave verschijnen op
het display het nummer van het muziekstuk en de speelduur of alleen het nummer van het muziekstuk (afhankelijk van
de gekozen instelling, zie “CD-functie inschakelen” in dit hoofdstuk.
In het hoofdmenu van de CD-speler
(fig. 25 ) staan alle nummers van de
muziekstukken op de CD en wordt het
beluisterde muziekstuk aangegeven. Onder het muziekstuk staat een grafisch
symbool dat de speelduur aangeeft.
A0B3010i
Op de onderste regel van het display
verschijnt een symbool dat aangeeft dat
er naar een audio-CD wordt geluisterd en
wordt aangegeven of de CD’ s in een geprogrammeerde volgorde worden afgespeeld. Tevens worden de huidige audiobron (CD) en de TA- en TMC-status aangegeven.
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN
Ga voor het plaatsen van de CD als
volgt te werk:
1) Dr uk op de toets T (1) om het
frontpaneel te openen.
2) Druk op toets ı (19) om een eventueel geplaatste CD te verwijderen.
3) Plaats de audio-CD, met de bedr ukte
zijde naar boven, in de opening aan de
rand van het geopende frontpaneel.
4) Dr uk de CD voor zichtig in de opening, totdat de CD automatisch in de speler wordt getrokken.
5) Sluit het frontpaneel.
fig. 25
Zodra u een audio-CD hebt geplaatst,
wordt de weergave automatisch gestar t.
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de CD-speler (fig. 25).
Ga voor het ver wijderen van de CD als
volgt te werk:
NAVIGATIESYSTEEM
CD-SPELER (CD)
1) Dr uk op de toets T (1) om het
frontpaneel te openen.
2) Dr uk op de toets ı (19) aan de
binnenzijde van het frontpaneel (zie het
hoofdstuk “Bedieningsknoppen”); de CD
wordt voor de helft uitgeworpen.
3) Pak de CD vast bij de opening in het
midden en neem de CD geheel uit de zitting.
4) Sluit het frontpaneel.
BELANGRIJK Open het frontpaneel
alleen voor het plaatsen en ver wijderen
van de CD. Als het frontpaneel langer dan
30 seconden geopend is, klinkt er een
geluidssignaal. Sluit het frontpaneel om
dat signaal te onderbreken.
117
NAVIGATIESYSTEEM
CD-WEERGAVE
(BIJ INGEBOUWDE SPELER)
CD-SPELER INSCHAKELEN
Zodra u een audio-CD hebt geplaatst,
wordt de weergave automatisch gestart.
Als u naar een andere bron luistert en er
zit een CD in de ingebouwde speler , druk
dan op de toets CD-C ( 15). Op het display verschijnt het hoofdmenu van de CDspeler (fig. 25) en de weergave van de
CD wordt gestart.
Als de laatst beluisterde CD-bron de CDwisselaar (indien aanwezig) was en in de
CD -wisselaar zit ten minste één audioCD, ga dan als volgt te werk:
1) Druk op de toets CD-C ( 15) om het
CDC-functiemenu te openen; op het display
verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 26).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CD. Op het display verschijnt het
hoofdmenu van de CD-speler ( fig. 25)
en de weergave van de CD wordt gestart.
BELANGRIJK Als er geen CD in de
speler zit of als er per ongeluk een navigatie-CD-ROM is geplaatst, zal op het display een waarschuwing verschijnen.
A0B3011i
118
fig. 26
Weergave speelduur/nummer
van
muziekstuk in-/uitschakelen
Ga als volgt te werk voor weergave van
de speelduur en het nummer van het beluisterde muziekstuk:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-speler.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TIME ( fig. 27); op het display
verschijnt ON (ingeschakeld) of OFF (uitgeschakeld). De standaardinstelling is
ON.
BELANGRIJK Als de ingebouwde CDspeler geen enkele audio-CD bevat, verschijnt op het display het symbool S
voor het opschrift CD van het functiemenu van de CD-speler.
A0B3012i
fig. 27
Om de verkeersinfor matie in of uit te
schakelen (zie “T A-functie” in het vorige
hoofdstuk) tijdens de werking van de CD,
moet kor t de toets T A ( 4) worden ingedrukt: op de onderste regel van het
hoofdmenu van de CD-speler verschijnt
(functie ingeschakeld) of verdwijnt (functie uitgeschakeld) het symbool TA.
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN
Als u een volgend muziekstuk wilt selecteren, moet u kort de keuzetoets § (2)
indrukken; als het laatste muziekstuk is
bereikt en u opnieuw de keuzetoets §
(2) indrukt, wordt het eerste muziekstuk
op de CD geselecteerd.
Als u het muziekstuk wilt her halen of
een vorig muziekstuk wilt selecteren,
moet u kor t keuzetoets ù (2) indrukken; als het eerste muziekstuk is bereikt
en u opnieuw de keuzetoets ù (2) indrukt, wordt ter uggekeerd naar het laatste muziekstuk van de CD.
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN
Als u een bepaald gedeelte van het beluisterde muziekstuk opnieuw wilt beluisteren, kan dit geselecteerd worden: dr uk
tijdens de weergave op de keuzetoets
ù of § (2) en houd de toets ingedrukt; het muziekstuk wordt hoorbaar
vooruit-/teruggespoeld.
SCAN-FUNCTIE (alle muziekstukken op CD kort beluisteren)
Ga als volgt te werk als u het begin van
alle muziekstukken op een CD wilt beluisteren:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 29).
MIX-FUNCTIE (willekeurige
weergave van de muziekstukken)
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SCAN.
Ga voor de willekeurige weergave van
de muziekstukken op de CD als volgt te
werk:
Druk opnieuw op de toets ( 14) bij het
opschrift SCAN om de functie uit te schakelen.
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 28).
De SCAN-functie schakelt automatisch uit
als de MIX-functie wordt ingeschakeld.
NAVIGATIESYSTEEM
Verkeersinformatie ontvangen
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift MIX.
A0B3013i
Druk om de MIX-functie uit te schakelen
op de toets ESC (9).
De MIX-functie schakelt automatisch uit
als de SCAN-functie wordt ingeschakeld.
fig. 28
119
NAVIGATIESYSTEEM
REPEAT-FUNCTIE (muziekstukken op CD herhalen)
Met de functie REPEAT kan een muziekstuk worden herhaald.
Ga voor het inschakelen van de REPEA Tfunctie als volgt te werk:
1) Selecteer bij ingeschakelde CD-speler
het gewenste muziekstuk met de keuzetoets ù of § (2).
2) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 30)
Het muziekstuk wordt her haald totdat
de functie REPEA T wordt uitgeschakeld.
Op de onderste regel van het hoofdmenu
van de CD-speler verschijnt het opschrift
RPT.
Om de REPEA T-functie uit te schakelen,
moet u de bij punt 2) en 4) beschreven
handelingen herhalen.
De REPEAT-functie schakelt automatisch
uit als de MIX- of SCAN-functie wordt ingeschakeld.
PROGRAM-FUNCTIE
(muziekstukken op volgorde
programmeren)
U kunt uw favoriete muziekstukken op
volgorde programmeren en de weergave
van andere uitsluiten.
Gewenste volgorde instellen
Ga om de gewenste volgorde in te stellen als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 31).
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift REPEAT (fig. 30).
4) Druk op de toets CD-C (15) om terug te keren naar het hoofdmenu van de
CD-speler (fig. 25).
A0B3014i
120
fig. 29
A0B3015i
fig. 30
A0B3019i
fig. 31
3) Selecteer het eerste muziekstuk dat
u wilt invoeren met de keuzetoets ù of
§ (2).
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift ADD om het eerste muziekstuk in
te voeren.
5) Selecteer het volgende muziekstuk
met de keuzetoets ù of § (2) en
druk op de toets ( 13) bij het opschrift
ADD.
Herhaal deze procedure voor alle in de
volgorde op te nemen muziekstukken. De
geprogrammeerde volgorde blijft gehandhaafd, ook als de CD wordt uitgenomen.
BELANGRIJK De muziekstukken kunnen alleen oplopend geprogrammeerd
worden (voorbeeld: 1, 4, 7, enz. en niet
3, 1, 4, enz.).
Geprogrammeerde muziekstukken wissen
Ga voor het wissen van geprogrammeerde muziekstukken als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 31).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang tot het
CD-programmeermenu (fig. 32).
A0B3020i
Geprogrammeerde volgorde afspelen/onderbreken
Nadat de gewenste muziekstukken zijn
geprogrammeerd, moet u de toets ( 13)
bij het opschrift RUN (fig. 32) indr ukken.
Het laatst geprogrammeerde muziekstuk wordt als eerste weergegeven en op
het display verschijnt TPM.
Om de geprogrammeerde volgorde te
onderbreken maar niet te wissen, moet u
de toets ( 13) bij het opschrift RUN indrukken.
Een geprogrammeerde volgorde
wissen
Ga als volgt te werk om de geprogrammeerde volgorde te wissen:
3) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het muziekstuk dat gewist moet
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 31).
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SKIP.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang tot het
CD-programmeermenu (fig. 32).
worden.
NAVIGATIESYSTEEM
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM; op het display verschijnt het CD-programmeer menu ( fig.
32). Als geen enkel muziekstuk is gekozen, kunnen de functies CLR PRG en RUN
niet geselecteerd worden (bij de functies
staat het symbool S).
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR PRG.
fig. 32
121
NAVIGATIESYSTEEM
Alle geprogrammeerde volgordes
wissen
CD NAME-FUNCTIE
(naam aan CD TOEKENNEN)
Ga om alle geprogrammeerde volgordes
uit het geheugen te wissen als volgt te
werk:
Met deze functie kunnen CD’ s van een
naam (met een lengte van maximaal 7
karakters) worden voorzien.
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-speler op
de toets CD-C ( 15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-speler
(fig. 31).
Bij de Sedan-uitvoeringen, waar voor
een Blaupunkt 10-CD-wisselaar is voorzien, blijft de naam die aan een CD is
toegekend in het geheugen opgeslagen,
ook als de CD wordt uitgenomen.
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen: de letter
wordt in de bovenste regel ingevoerd.
Ga voor het toekennen van een naam
als volgt te werk:
3) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
1) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler.
Als de volledige naam is ingevoerd,
moet u de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden ingedr ukt houden of het
symbool ¯ selecteren en de
draaiknop/toets ( 11) indr ukken. De
naam wordt op deze wijze opgeslagen en
vervolgens wordt het CD-functiemenu opgeroepen. De naam van de CD verschijnt
in het gebied van de functies van het
hoofdmenu van de CD-speler.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang tot het
CD-programmeermenu (fig. 32).
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL.
4) Er verschijnt een vraag op het display; selecteer JA met de draaiknop/
toets (11).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
122
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift N AME (fig. 33 ); op het display
verschijnt het menu CD Name.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift EDIT (fig. 34 ); op het display
verschijnt de speller (fig. 35).
Naam invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de eerste letter van de naam te selecteren die u aan de CD wilt geven: de geselecteerde letter wordt rechts op het display getoond (fig. 35).
Als u tijdens het invoeren van de naam
een letter wilt wissen, moet u op de toets
ESC ( 9) dr ukken of het symbool ¯
selecteren en de draaiknop/toets ( 11)
indrukken.
Namen van alle CD’s wissen
Naam van geselecteerde CD
wissen
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
namen van alle CD’s te wissen:
Ga als volgt te werk:
1) Roep het menu CD Name op zoals
hiervoor beschreven.
1) Roep het menu CD Name op zoals
hiervoor beschreven.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR NAME; de naam wordt gewist,
ook als u opnieuw de speller oproept.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL; op het display verschijnt
de vraag om te bevestigen. Als u de namen van de CD’ s wilt wissen, selecteer
dan JA met de draaiknop/toets (11).
Om het menu te verlaten, moet u het
symbool ¯ selecteren of langer dan 2 seconden de draaiknop/toets ( 11) indrukken.
fig. 33
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen. Als u daarentegen de namen niet wilt wissen, druk
dan op de toets ESC (9).
A0B3248i
A0B3224i
fig. 34
NAVIGATIESYSTEEM
Letter wissen
A0B3018i
fig. 35
123
NAVIGATIESYSTEEM
CD-WISSELAAR - CDC (indien aanwezig)
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN
Houder in de CD-wisselaar plaatsen
Houder uit de CD-wisselaar verwijderen
CD-wisselaar vullen (Sedan-uitvoeringen) (fig. 36)
Plaats de schuifklep ( B-fig. 37 ) helemaal naar rechts, totdat hij blokkeert.
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
Plaats de houder (A-fig. 38 ) met de
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
Plaats de schuifklep ( B-fig. 37 ) helemaal naar rechts en dr uk op de uitwerptoets (EJECT E-fig. 40 ) op de CD-wisselaar: de houder wordt gedeeltelijk uitgeworpen.
1) Trek aan het betreffende hendeltje A
om een van de tien compar timenten van
de houder te openen.
2) Plaats de CD en zorg er voor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet.
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de schuifklep ( D-fig. 39 ), om te voorkomen dat er voor werpen of stof in de
wisselaar kunnen dringen.
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en ver wijder een voor een de
CD’s.
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
A0B0343b
fig. 36
Sluit de schuifklep.
CD’s uit wisselaar verwijderen
3) Sluit het compartiment.
124
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
A0B0344b
fig. 37
A0B0435b
fig. 38
Houder in de CD-wisselaar plaatsen
Houder uit de CD-wisselaar verwijderen
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
Laat de klep zakken zoals door de pijl is
aangegeven (B-fig. 42).
1) Trek aan het betreffende hendeltje A
om een van de tien compar timenten van
de houder te openen.
Plaats de houder (A-fig. 43 ) met de
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
Laat d e k lep ( B-fig. 42 ) zakken
zoals door de pijl is aangegeven en dr uk
op de uitwerptoets ( EJECT E-fig. 45 )
op de CD-wisselaar: de houder wordt
gedeeltelijk uitgeworpen.
2) Plaats de CD en zorg er voor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet.
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de klep zoals aangegeven door de pijl
(D-fig. 44 ), om te voorkomen dat er
voorwerpen of stof in de wisselaar kunnen dringen.
3) Sluit het compartiment.
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
NAVIGATIESYSTEEM
CD-wisselaar vullen (Sportwagon-uitvoeringen) (fig. 40)
Sluit de schuifklep (D-fig. 44).
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
A0B0364b
fig. 39
A0B0347b
fig. 40
A0B0343b
fig. 41
125
NAVIGATIESYSTEEM
CD’s uit wisselaar verwijderen
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en ver wijder een voor een de
CD’s.
CD-WEERGAVE MET CD-SPELER
(met cd-wisselaar,
indien aanwezig)
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt de laatst ingeschakelde
CD-bron.
A0B0441b
3) Dr uk op de toets (13) bij het opschrift CD.
BELANGRIJK Als u naar een CD wilt
luisteren die niet aanwezig is, dan wordt
automatisch de volgende CD weergeven.
2) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar.
fig. 42
A0B0444b
126
fig. 43
A0B0443b
fig. 44
A0B0442b
fig. 45
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt de laatst ingeschakelde
CD-bron. Als de ingebouwde CD-speler
een audio-CD bevat, druk dan opnieuw op
de toets CD-C ( 15). Op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CDC.
CD-WISSELAAR INSCHAKELEN
(INDIEN AANWEZIG)
Als de laatst beluisterde CD-bron de CDwisselaar was, ga dan als volgt te werk:
druk op de toets CD-C ( 15); de weergave van de laatst beluisterde CD of de
eerst beschikbare CD in de CD-wisselaar
wordt automatisch gestart.
Ga als volgt te werk als er een audio-CD
in de ingebouwde CD-speler zit:
1) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 46).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CD.
Het hoofdmenu van de CD-wisselaar
(fig. 47) verschijnt. Op de bovenste regel wordt het nummer van het muziekstuk en de speelduur getoond en in het
midden de namen van de eerste 5 in de
CD-wisselaar geplaatste CD’ s. Bovendien
verschijnt een menupunt waar mee u naar
de tweede pagina van het menu kunt
gaan.
BELANGRIJK Als in de CD-wisselaar
geen audio-CD aanwezig is, of als de geplaatste CD’s verkeerd geplaatst of onleesbaar zijn, en u wilt deze beluisteren,
dan kunnen deze CD’ s niet worden weergegeven; op het display verschijnt het opschrift SCAN of een waarschuwing als na
inschakeling van het apparaat de CD-wisselaar is ingeschakeld met een lege houder of een houder die tenminste een audio-CD bevat.
A0B3022i
NAVIGATIESYSTEEM
CD-WEERGAVE
MET CD-wisselaar
(indien aanwezig)
A0B3023i
BELANGRIJK Als de laatst beluisterde
CD-bron de ingebouwde speler was, en de
audio-CD nog in de speler zit, wordt automatisch die CD weergegeven
fig. 46
fig. 47
127
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Als de CD-wisselaar niet
is aangesloten of niet werkt, verschijnt op
het display naast het opschrift CDC het
symbool S en wordt de keuze die met de
toets (13) gemaakt is, niet uitgevoerd.
U kunt de aanduiding van de speelduur
uitschakelen. Zie hier voor “W eergave
speelduur/nummer v an h et m uziekstuk
in-/uitschakelen” in dit hoofdstuk.
Op het display vindt u naast de toetsen
(13 en 14) de nummers van de eerste
vijf CD’s van de CD-wisselaar.
Op de onderste regel van het display
verschijnen:
– een symbool dat aangeeft of er een
audio-CD of navigatie-CD in de ingebouwde speler zit;
– een symbool voor de ingeschakelde
functies (MIX, SCAN, RPT);
– een symbool v oor d e b eluisterde a udiobron;
– een symbool voor de status van de
TA-functie (verkeersinformatie);
128
– een symbool voor de status van de
TMC-functie.
Functiemenu CD-wisselaar (indien aanwezig) openen
Om van het hoofdmenu van de CD-wisselaar naar het functiemenu van de CDwisselaar te gaan, moet u de toets CD-C
(15) indrukken. Op het display verschijnt
het functiemenu van de CD-wisselaar
(fig. 46).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
Instellingenmenu van de CD-wisselaar (indien aanwezig) openen
Als b ij i ngeschakelde C D-wisselaar m et
meer dan 5 CD’s de gewenste CD niet op
het d isplay w ordt w eergegeven, m oet u
de v olgende p agina v an h et h oofdmenu
openen door de toets ( 13 of 14) bij de
indicatie CD6-CD10 of CD1-CD5 in te
drukken.
BELANGRIJK Als de ingebouwde CDspeler geen audio-CD bevat, verschijnt op
het display het symbool S voor het opschrift CDC van het functie menu van de
CD-wisselaar, en kan de CD-wisselaar niet
worden ingeschakeld.
Om bij ingeschakelde CD-wisselaar het
instellingenmenu v an d e C D-wisselaar
(fig. 48 ) t e o penen, m oet u d e t oets
MEN (10) indrukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
A0B3103i
CD selecteren
Ga voor het selecteren van een CD als
volgt te werk:
1) Dr uk op de toets CD-C ( 15);
op het display verschijnt het hoofdmenu
van de CD-wisselaar.
2) Druk op de toets ( 13 of 14) bij de
gewenste CD-indicatie.
fig. 48
Ga voor de weergave van het nummer
van het beluisterde muziekstuk als volgt
te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien a anwezig) o p d e t oets M EN
(10); op het display verschijnt het instellingenmenu v an d e C D-wisselaar (fig.
49).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TIME; op het display verschijnt ON
(functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld).
Verkeersinformatie tijdens het
beluisteren van een CD
schakeld) of verdwijnt (functie uitgeschakeld) het symbool TA.
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN
Als u een volgend muziekstuk wilt selecteren, moet u kort de keuzetoets § (2)
indrukken; als het laatste muziekstuk is
bereikt en u opnieuw de keuzetoets §
(2) indrukt, wordt het eerste muziekstuk
op de CD geselecteerd.
Als u het muziekstuk wilt her halen of
een vorig muziekstuk wilt selecteren,
moet u ko rt keuzetoets ù (2) indr ukken; als het eerste muziekstuk is bereikt
en u opnieuw de keuzetoets ù (2) indrukt, wordt het laatste muziekstuk van
de CD geselecteerd.
Om de verkeersinfor matie in of uit te
schakelen (zie “T A-functie” in het hoofdstuk “ RADIO”) tijdens de werking van de
CD-wisselaar (indien aanwezig), moet
kort de toets T A ( 4) worden ingedr ukt:
op de onderste regel van het hoofdmenu
van de CD-speler verschijnt (functie inge-
A0B3028i
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN
Als u een bepaald gedeelte van het beluisterde muziekstuk opnieuw wilt beluisteren, kan dit geselecteerd worden: dr uk
tijdens de weergave op de keuzetoets
ù of § (2) en houd de toets ingedrukt; het muziekstuk wordt hoorbaar
vooruit-/teruggespoeld.
NAVIGATIESYSTEEM
Weergave speelduur/nummer
van
muziekstuk in-/uitschakelen
BELANGRIJK Na ongeveer 30 seconden verdwijnt het functiemenu van de CDwisselaar (indien aanwezig) als er geen
enkele handeling wordt uitgevoerd, en
keert u ter ug naar het hoofdscher m van
de CD-speler.
MIX-FUNCTIE
(willekeurige weergave van
de muziekstukken)
Met de functie MIX kunt u alleen de
muziekstukken van de huidige CD of alle
muziekstukken van alle CD’ s in de CDwisselaar (indien aanwezig) op willekeurige volgorde afspelen.
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets CD-C ( 15); op het display
verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
fig. 49
129
NAVIGATIESYSTEEM
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het
opschrift MIX ( fig. 50); op de onderste
regel van het display verschijnt het
opschrift MIX.
3) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-wisselaar (fig. 51).
4) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift MIX om de gewenste optie te selecteren:
– CD voor de willekeurige weergave
van de muziekstukken op de CD die
u op het moment beluistert;
– MAG voor de willekeurige weergave
van alle muziekstukken van alle CD’ s
in de CD-wisselaar.
Druk opnieuw op de toets ( 14) bij het
opschrift MIX om de functie uit te schakelen.
SCAN-FUNCTIE (alle muziekstukken op CD kort beluisteren)
Als de SCAN-functie is ingeschakeld, worden alle muziekstukken, vanaf het muziekstuk dat op het moment beluisterd wo rdt,
kort (ongeveer 10 seconden) weergegeven.
Ga als volgt te werk als u alle muziekstukken op de CD kort wilt beluisteren:
1) Druk bij ingeschakelde CD-wisselaar (indien aanwezig) op de toets CD-C ( 15); op
het display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar.
2) Druk op de toets ( 14) bij het opschrift
SCAN; op de onderste regel van het display
verschijnt het opschrift SCAN (fig. 52).
3) Dr uk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu van
de CD-wisselaar (fig. 51).
De MIX-functie schakelt automatisch uit
als de SCAN- of REPEA T-functie wordt ingeschakeld.
4) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SCAN om de gewenste optie te selecteren:
– CD voor het kor t beluisteren van de
muziekstukken op de CD die u op het
moment beluistert;
– MAG voor het kor t beluisteren van alle muziekstukken van alle CD’s in de
CD-wisselaar.
Druk opnieuw op de toets ( 14) bij het
opschrift SCAN om de functie uit te schakelen.
De REPE AT-functie scha kelt automatisch
uit als de MIX- of SCAN-functie wordt ingeschakeld.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
A0B3024i
A0B3026i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
130
fig. 50
fig. 51
Met de functie REPEAT kan een muziekstuk of een CD worden herhaald.
Inschakelen
schakelen op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-wisselaar (fig. 51).
PROGRAM-FUNCTIE
(muziekstukken op volgorde programmeren)
5) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift RPT om de gewenste optie te selecteren:
U kunt uw favoriete muziekstukken op
volgorde programmeren en de weergave
van andere uitsluiten.
1) Selecteer tijdens het beluisteren van
de CD het gewenste muziekstuk of de gewenste CD met de keuzetoets ù of §
(2)
– TRK voor her haling van het muziekstuk dat op het moment beluisterd
wordt;
– CD voor herhaling van de gehele CD.
2) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets CD-C
(15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
Ga om de gewenste volgorde in te stellen als volgt te werk:
Het muziekstuk of de CD wordt herhaald totdat de functie REPEA T wordt uitgeschakeld. Op de onderste regel van het
hoofdmenu verschijnt het opschrift RPT.
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift REPEAT (fig. 53); op de onderste
regel van het display verschijnt het opschrift RPT.
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets CD-C
(15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
Uitschakelen
4) Dr uk om de REPEA T-functie in te
A0B3025i
Gewenste volgorde instellen
NAVIGATIESYSTEEM
REPEAT-FUNCTIE (muziekstukken op CD herhalen)
Druk om de REPEA T-functie uit te schakelen op de toets ESC (9).
De REPEAT-functie schakelt automatisch
uit als de MIX- of SCAN-functie wordt ingeschakeld.
A0B3027i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 52
fig. 53
131
NAVIGATIESYSTEEM
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM ( fig. 54 ); op het display verschijnt het CD-programmeermenu.
Als geen enkel muziekstuk is gekozen,
kunnen de functies CLR PRG en RUN niet
geselecteerd worden (bij de functies staat
het symbool S).
3) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het eerste muziekstuk dat u wilt
invoeren.
BELANGRIJK De muziekstukken kunnen alleen oplopend geprogrammeerd
worden (voorbeeld: 1, 4, 7, enz. en niet
3, 1, 4, enz.).
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CD.
5) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het volgende muziekstuk en
druk op de toets ( 13) bij het opschrift
ADD om het muziekstuk toe te voegen.
Herhaal deze procedure voor alle in de
volgorde op te nemen muziekstukken. De
op deze manier geprogrammeerde volgorde blijft gehandhaafd, ook als de CD
wordt uitgenomen.
132
BELANGRIJK Als de CD weer in het
apparaat wordt geplaatst, verschijnt in
het hoofdmenu van de CD-speler een asterisk naast de aanduiding van de naam
van de CD.
Geprogrammeerde muziekstukken wissen
Ga voor het wissen van geprogrammeerde muziekstukken als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets ( 15); op
het display verschijnt het functiemenu
van de CD-wisselaar.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM (fig. 54). U krijgt toegang tot het CD-programmeer menu (fig.
55).
3) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het muziekstuk dat gewist moet
Geprogrammeerde volgorde afspelen/onderbreken
Nadat de gewenste muziekstukken zijn
geprogrammeerd, moet u de toets ( 13)
bij het opschrift RUN (fig.55) indr ukken.
Het laatst geprogrammeerde muziekstuk wordt als eerste weergegeven en
op het display verschijnt TPM.
Om de geprogrammeerde volgorde te
onderbreken maar niet te wissen, moet u
de toets ( 13) bij het opschrift RUN indrukken.
BELANGRIJK Bij ingeschakelde TPMfunctie is het niet mogelijk om een andere CD te selecteren. Om een andere CD te
selecteren, moet de TPM-functie worden
uitgeschakeld.
worden.
A0B3029i
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SKIP (fig. 55).
fig. 54
Ga als volgt te werk om de geprogrammeerde volgorde te wissen:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets CD-C
(15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM ( fig. 54 ) om het programmeermenu van de CD-wisselaar te
openen (fig. 55).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM ( fig. 54 ) om het programmeermenu van de CD-wisselaar te
openen.
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL.
4) Er verschijnt een vraag op het display; selecteer JA met de draaiknop/
toets (11).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift RUN (fig. 55).
CD NAME-FUNCTIE
(naam aan CD toekennen)
Met deze functie kunnen CD’ s van een
naam (met een lengte van maximaal 7
karakters) worden voorzien.
Bij de Sedan-uitvoeringen, waar voor
een Blaupunkt 10-CD-wisselaar is voorzien, blijft de naam die aan een CD is
toegekend in het geheugen opgeslagen,
ook als de CD wordt uitgenomen.
NAVIGATIESYSTEEM
Een geprogrammeerde volgorde
wissen
Ga voor het toekennen van een naam
als volgt te werk:
1) Druk op de toets CD-C ( 15); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar (fig. 54).
4) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR PRG (fig. 55).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift N AME (fig. 56 ); op het display
verschijnt het menu CD Name.
Volgordes en namen van de CD’s
uit het geheugen wissen
Ga als volgt te werk om alle geprogrammeerde volgordes en de namen van de
CD’s uit het geheugen te wissen:
A0B3032i
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift EDIT ( fig. 57 ); op het display
verschijnt de speller (fig. 58).
Naam invoeren
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets CD-C
(15); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar.
fig. 55
Ga als volgt te werk:
1) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de eerste letter van de naam te selecteren die u aan de CD wilt geven: de geselecteerde letter wordt rechts op het display getoond (fig. 58).
133
NAVIGATIESYSTEEM
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen: de letter
wordt in de bovenste regel ingevoerd.
3) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
Als de volledige naam is ingevoerd,
moet u de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden ingedr ukt houden of het
symbool ¯ selecteren en de
draaiknop/toets ( 11) indr ukken. De
naam wordt op deze wijze opgeslagen en
vervolgens wordt het CD-functiemenu opgeroepen (fig. 54). De naam van de CD
verschijnt in het gebied van de functies
van het hoofdmenu van de CD-speler.
Letter wissen
Namen van alle CD’s wissen
Als u tijdens het invoeren van de naam
een letter wilt wissen, moet u op de toets
ESC ( 9) dr ukken of het symbool ¯
selecteren en de draaiknop/toets ( 11)
indrukken.
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
namen van alle CD’s te wissen:
Naam van geselecteerde CD wissen
Ga als volgt te werk:
1) Roep het menu CD Name op
(fig. 57) zoals hiervoor beschreven.
2) Druk op de toets (14) bij het opschrift
CLR NAME; de naam wordt gewist, ook als
u opnieuw de speller oproept.
1) Roep het menu CD Name op
(fig. 57) zoals hiervoor beschreven.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL; op het display verschijnt
de vraag om te bevestigen. Als u de namen van de CD’ s wilt wissen, selecteer
dan JA met de draaiknop/toets (11).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen. Als u daarentegen de namen niet wilt wissen, druk
dan op de toets ESC (9).
Om het menu te verlaten, moet u het
symbool ¯ selecteren of langer dan 2 seconden de draaiknop/toets ( 11) indr ukken.
A0B3247i
134
fig. 56
A0B3017i
fig. 57
A0B3018i
fig. 58
Met het satelliet-navigatiesysteem kunt
u snel en in alle veiligheid uw bestemming bereiken. Als het systeem is ingeschakeld, begeleiden de gesproken aanwijzingen de bestuurder naar de bestemming. Op het display worden de routeaanwijzingen, de afstand en de geschatte
tijd tot de bestemming weergegeven.
De positie van de auto wordt bepaald
met behulp van de elektronische signalen
van de snelheidsmeter en de gyroscoop,
en door de signalen die uitgezonden worden door de satellieten van het GPS (Global Positioning System).
Het navigatiesysteem vergelijkt de gegevens met het op de navigatie-CD-ROM opgeslagen cartografische materiaal en berekent
de route tot aan de bestemming.
NAVIGATIE STARTEN
Ga als volgt te werk om het systeem op
te starten:
1) Plaats de CD-ROM van het land
waarin u rijdt.
2) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 59).
3) Als een CD-ROM is geplaatst en het
hoofdmenu van het navigatiesysteem actief is, verschijnt op het display de mededeling die in (fig. 60) staat.
De mededeling kan ook worden weergegeven als de contactsleutel in stand
MAR wordt gedraaid, de CD-ROM is geplaatst, het NA VIGATIE-menu ( fig. 59 )
actief is en het systeem wordt uitgeschakeld.
4) Voer de bestemming in (zie de volgende paragraaf).
A0B3245i
A0B3033i
fig. 59
BELANGRIJK De weergaveduur van
de mededeling hangt af van de tijd d ie
nodig is om de CD-ROM te lezen ( tussen de 6 en 8 seconden). Als een CDROM is geplaatst en het navigatiemenu
actief is, dan is de mededeling de gehele
periode zichtbaar ter wijl de mededeling
ongeveer 2 seconden zichtbaar is als de
contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid. Deze manier van weergeven
komt overeen met de voorschriften.
fig. 60
NAVIGATIESYSTEEM
S AT E L L I E T- N AV I G AT I E S Y S T E E M
A0B3034i
fig. 61
135
NAVIGATIESYSTEEM
BESTEMMING INVOEREN
De bestemming kan zijn:
– een stad;
– het centr um van de stad of stadsdelen in grote steden;
– een straat of hoofdstraat;
– een huisnummer (indien aanwezig op
navigatie-CD);
– een kruising;
een bestemming kan ook worden ingevoerd als een speciale bestemming:
– verkeersknooppunten;
– stations;
– vliegvelden;
– ziekenhuizen, enz.
Ga voor het invoeren van een bestemming als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 61) en bevestig de keuze door de draaiknop/toets in te dr ukken.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het opschrift ST AD en bevestig de
keuze door de draaiknop ( fig. 62) in te
drukken. U krijgt toegang tot het invoermenu voor het invoeren van de naam van
de bestemming.
fig. 62
Het invoermenu bestaat uit 5 delen:
1 - lijst met symbolen, alle letters, spaties, speciale karakters en cijfers
2 - invoerlijst met het eerste onderdeel
van de alfabetische lijst dat voor het
grootste deel overeenkomt met de in het
invoerveld ingevoerde letters
3 - invoerveld (schrijfveld)
4 - zoomveld waarin het geselecteerde
karakter wordt vergroot
5 - besturingssymbolen
A0B3035i
136
Bestemming invoeren met behulp
van het invoermenu
(Speller) (fig. 63)
A0B3036i
fig. 63
Ga als volgt te werk om een naam in
het invoermenu in te voeren:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
2) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoerveld weergegeven 3.
Als een karakter wordt geselecteerd,
bijv. de letter O 4, dan toont het display
automatisch het eerste onderdeel van een
lijst met bestemmingen die met die letter
beginnen. Als meerdere letters van de
naam van de bestemming worden ingevoerd, kan het zoeken worden versneld.
Plaats om direct inzage in de lijst te krijgen, de cursor op het symbool j en druk
de draaiknop/toets ( 11) in of houd de
draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt.
Als echter na het invoeren van de naam
in veld 2 het gewenste onderdeel uit de
invoerlijst wordt weergegeven, dan kunt
u de cursor op het symbool j plaatsen en
de draaiknop/toets ( 11) indr ukken of
de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2
seconden ingedr ukt houden. Op het display verschijnt de alfabetische lijst met
bestemmingen.
Speciale karakters invoeren
Ga als volgt te werk als het nodig is om
voor het invoeren van de naam van de
stad speciale karakters (Ä,Ö,Ü) te gebr uiken, die niet op het display worden weergegeven:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het symbool
(pijl omhoog/omlaag).
Karakters wissen
Ga als volgt te werk voor het wissen
van foutief ingevoerde karakters:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het symbool
¯.
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
of op de toets ESC (9).
NAVIGATIESYSTEEM
Naam van bestemming
invoeren (fig. 63)
Bestemming uit lijst selecteren
Schakel de gewenste keuze als volgt in:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming.
2) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
2) Druk op de draaiknop/toets (11).
Iedere keer als u op de draaiknop/toets
(11) drukt, wordt een nieuw speciaal karakter getoond.
137
NAVIGATIESYSTEEM
Lijsten raadplegen
(fig. 61)
Lijsten pagina voor
pagina raadplegen
Omdat op het display maar 5 regels verschijnen, zijn enkele lijsten verdeeld over
meerdere scher men. Bij dit soor t lijsten
verschijnt rechtsonder op het display de
pijl Í om aan te geven dat de lijst doorloopt.
Om bij lange lijsten snel een bestemming te vinden, kunt u de lijsten pagina
voor pagina raadplegen.
Om de lijst te raadplegen, moet u de
draaiknop/toets ( 11) in de gewenste
richting draaien.
Op de voorlaatste regel (aan de onderof bovenkant) bevindt zich een pijl Í of
È. Als u de draaiknop/toets (11) verder
draait, worden de andere regels van de
lijst weergegeven.
Ga voor het raadplegen van de lijsten
als volgt te werk:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op de pijl die rechtsonder op het display wordt weergegeven.
2) Druk de draaiknop/toets ( 11) in om
de volgende/vorige pagina te raadplegen;
op deze wijze wordt de volgende of vorige
pagina van de lijst weergegeven en blijft de
cursor op de pijl staan.
3) Als de gewenste pagina is bereikt, kunt
u de gewenste bestemming selecteren en
bevestigen door de draaiknop/toets ( 11)
in te drukken.
A0B3037i
138
fig. 64
Bestemming “STAD” invoeren
A0B3038i
fig. 65
Ga voor het invoeren van een stad als
volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 61).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STAD (fig. 65).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
Druk op de draaiknop/toets ( 9) als u
de stad als gewenste bestemming niet
wilt bevestigen; op deze manier keer t u
terug naar het invoer menu (Speller)
(fig. 63).
7) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
Na het selecteren van de stad gaat de
invoer door en kan een keuze worden gemaakt uit de volgende opties: STRAA T,
CENTRUM, OMGEVING BEST.
8) Tijdens het invoeren van de naam
verschijnt in de invoerlijst ( 2-fig. 63 )
de naam uit de lijst van bestemmingen
die voor het grootste deel overeenkomt
met de ingevoerde letters.
9) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk op de draaiknop/toets ( 11) en
houd deze langer dan twee seconden ingedrukt. Op het display verschijnt een alfabetische lijst met bestemmingen.
10) Draai de draaiknop/toets ( 11)
om in de invoerlijst de naam van de gewenste stad te zoeken.
11) Bevestig de geselecteerde bestemming door de draaiknop/toets (11) in te
drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
“STRAAT” Het is mogelijk de gewenste straatnaam in te voeren. Het selecteren van een straat als bestemming is afhankelijk van de grootte van de geselecteerde stad en van de gegevens die op de
navigatie-CD zijn opgeslagen.
Na het bevestigen van de straat gaat de
invoercyclus verder met de volgende opties:
– DOORGAAN: na het selecteren van deze optie volgt;
– KRUISING: door het selecteren van dit
onderdeel is het mogelijk om als bestemming de kruising van de hier voor geselecteerde straat met een dwarsstraat te kiezen; in dit geval verschijnt een alfabetische lijst waarin de gewenste kr uising
kan worden geselecteerd;
NAVIGATIESYSTEEM
6) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoer veld weergegeven ( 3-fig.
63).
– HUISNUMMER: door het selecteren
van dit onderdeel is het mogelijk om het
huisnummer van de hier voor geselecteerde straat als bestemming in te voeren.
“CENTRUM” Het is mogelijk om het
centrum van een stad of een stadsdeel
(bij een grote stad) te selecteren.
139
NAVIGATIESYSTEEM
“SPECIALE BEST.” Het is mogelijk
om direct speciale bestemmingen, zoals
verkeersknooppunten, stations, industrieterreinen, enz. in de omgeving van de gekozen stad te selecteren.
Na de selectie keer t het systeem automatisch ter ug naar het hoofdmenu van
het navigatiesysteem.
Selecteer voor het star ten van de routebegeleiding het onderdeel ROUTEBEGELEIDING ( fig. 59 ) en bevestig de keuze
door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Het systeem berekent in kor te tijd het
traject en begint met het geven van visuele (pictogrammen) en gesproken routeaanwijzingen.
“STRAAT” invoeren
Als er al een bestemming is ingevoerd,
kan een straat in de betreffende stad als
bestemming worden opgegeven. Ga als
volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 61).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STRAA T ( fig. 66 );
op het display verschijnt het invoer menu
voor het invoeren van de naam van de
straat (fig. 67).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
6) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoerveld weergegeven.
7) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
8) Tijdens het invoeren van de naam
verschijnt in de invoerlijst de naam uit de
lijst met bestemmingen die voor het
grootste deel overeenkomt met de ingevoerde letters.
A0B3039i
140
fig. 66
A0B3042i
fig. 67
10) Draai de draaiknop/toets ( 11)
om in de invoerlijst de naam van de gewenste straat te zoeken.
11) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“HUISNUMMER” invoeren
Ga voor het invoeren van een huisnummer als volgt te werk:
1) Voer de straatnaam in zoals hiervoor
is beschreven.
A0B3040i
A0B3041i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HUISNUMMER ( fig.
68); op het display verschijnt de lijst met
beschikbare huisnummers (fig. 69).
3) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
nummer.
4) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het geselecteerde nummer.
NAVIGATIESYSTEEM
9) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk op de draaiknop/toets ( 11) en
houd deze langer dan twee seconden ingedrukt; op het display verschijnt een alfabetische lijst met bestemmingen.
5) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets ( 11) langer dan twee
seconden in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 68
fig. 69
141
NAVIGATIESYSTEEM
“KRUISING” invoeren
Ga voor het invoeren van een kr uising
als volgt te werk:
1) Voer de straatnaam in zoals hiervoor
is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KRUISING fig. 68 ;
op het display verschijnt de lijst met kr uisingen (fig. 70).
BELANGRIJK Als er in het geheugen
meer dan 5 kr uisingen beschikbaar zijn,
kan het zoeken versneld worden (zie
“Naam van bestemming invoeren” in dit
hoofdstuk).
3) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op de gewenste
kruising.
4) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“CENTRUM OF STADSDEEL“
invoeren
Ga voor het invoeren van het centr um
als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 71).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CENTRUM
(fig. 72); op het display verschijnt het
invoermenu voor het invoeren van de
stad (zie “Stad invoeren” in dit hoofdstuk).
A0B3043i
142
fig. 70
A0B3034i
fig. 71
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
stadsdeel.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het geselecteerde stadsdeel.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
SPECIALE OF VERRE
BESTEMMINGEN INVOEREN
Het betreft hier alfabetisch gerangschikte r ubrieken met speciale bestemmingen
zoals verkeersknooppunten, stations, industrieterreinen, tankstations, parkeergarages, enz.
De speciale bestemmingen kunnen op
vier verschillende manieren worden gezocht:
A0B3044i
fig. 72
– VERRE BEST . (ver re bestemmingen):
weergave van bestemmingen die geen
betrekking hebben op de vooraf geselecteerde bestemming. De beschikbare r ubrieken zijn verbonden met het land dat
op de CD staat opgeslagen;
– OMGEVING BEST . (omgeving van de
bestemming): weergave van speciale bestemmingen (bijvoorbeeld: stadions,
enz.) die aanwezig zijn in de omgeving
van de vooraf geselecteerde bestemming;
NAVIGATIESYSTEEM
4) Voer de stad in en bevestig de keuze
door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de lijst met
centra en stadsdelen.
– OMG. ACT . POS. (omgeving actuele
positie): weergave van speciale bestemmingen dicht bij de actuele positie van de
auto.
BELANGRIJK Om toegang tot de lijsten met deze r ubrieken te krijgen, moet
al een bestemming zijn ingevoerd zoals:
STAD of STRAAT, CENTRUM of KRUISING.
– STAD (in de richting van de bestemming): weergave van speciale bestemmingen die betrekking hebben op de
vooraf geselecteerde bestemming;
143
NAVIGATIESYSTEEM
“STAD” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 73).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 74); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STAD (fig. 75).
A0B3034i
144
fig. 73
“VERRE BEST.” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 73).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 74); op het display verschijnt het
menu SPECIALE BEST . (speciale bestemmingen) (fig. 75).
A0B3045i
fig. 74
A0B3046i
fig. 75
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“OMGEVING BEST.” invoeren
Ga als volgt te werk:
“OMG. ACT. POS.” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 73).
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 73).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 74); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 74); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
NAVIGATIESYSTEEM
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VERRE BEST . ( fig.
76).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OMGEVING BEST .
(fig. 77).
A0B3047i
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
A0B3048i
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 76
fig. 77
145
NAVIGATIESYSTEEM
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OMG. ACT . POS.
(fig. 78).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
GEBRUIK VAN OPGESLAGEN
BESTEMMINGEN
Het is mogelijk om eerder opgeslagen
bestemmingen te gebruiken; hiervoor zijn
drie geheugencategorieën beschikbaar:
– LAATSTE 10: de laatste 10 bestemmingen worden opgeslagen. De bestemmingen worden automatisch in het geheugen LAATSTE 10 opgeslagen als de
optie LAATSTE 10 in het hoofdmenu van
het navigatiesysteem wordt geactiveerd.
Zie de paragraaf “BESTEMMINGEN OPSLAAN” in het hoofdstuk “Navigatie starten”;
ACT. POS. INV .: de positie van de auto
wordt opgeslagen en kan worden geselecteerd als gewenste bestemming;
– ALFAB. VOLG. (alfabetische volgorde): de bestemmingen worden in alfabetische volgorde opgeslagen;
– HANDMATIGE VOLG.: de opgeslagen
bestemmingen worden weergegeven in
de volgorde waarin ze zijn ingevoerd.
Ga als volgt te werk om een vooraf opgeslagen bestemming te gebruiken:
1) Druk op toets NAV (12); op het display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) h et onderdeel GEHEUGEN BEST.
(fig. 79).
A0B3049i
146
fig. 78
A0B3050i
fig. 79
4) Selecteer met draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming.
5) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
POSITIE VAN DE AUTO
OPSLAAN
Ga om de huidige positie van de auto
op te slaan als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets (11) het onderdeel GEHEUGEN BEST. (fig. 79).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
A0B3051i
fig. 80
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT . POS. INV .
(fig. 81).
4) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Deze procedure is alleen mogelijk als de navigatie-CD in het
apparaat zit.
NAVIGATIESYSTEEM
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 80).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
A0B3052i
fig. 81
147
NAVIGATIESYSTEEM
N AV I G AT I E S Y S T E E M I N S C H A K E L E N
NAVIGATIE STARTEN
Voor het star ten van de navigatie moeten de bestemming (zie “Bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”) en de opties voor het traject zijn ingevoerd.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 82).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ROUTEBEGELEIDING.
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt het menu routebegeleiding (fig. 83).
Het traject wordt berekend. De berekening kan enkele seconden duren afhankelijk van de afstand tot de bestemming; op
het display wordt gedurende deze periode
BEREKENING of HERBEREKENING (als de
bestemming daar voor al was ingevoerd)
weergegeven. Onder de tijdsindicatie
wordt de afstand tot de bestemming
weergegeven.
Op de bovenste regel van het
menu routebegeleiding verschijnt
de naam van de straat waarin u
op dat moment rijdt of de naam
van de straat waar moet worden
afgeslagen.
A0B3053i
148
fig. 82
BELANGRIJK Als het door het navigatiesysteem aangegeven traject wordt verlaten, verschijnt op het display OFF ROAD
of OFF MAP (onvoldoende positiegegevens).
Op het display worden de route-aanwijzingen naar de bestemming weergegeven.
Er kan gekozen worden tussen een 2(fig. 83) of 3-dimensionale ( fig. 84)
weergave.
Voor het maken van een keuze moet
ongeveer 3 seconden de draaiknop/toets
(11) worden ingedr ukt totdat de weergave wijzigt.
A0B3054i
fig. 83
A0B3055i
fig. 84
Op het display verschijnt bovendien de
status van de verkeersinformatie (TA-functie) en de status van de TMC (Traffic Message Channel).
Als de Mute-functie van de mobiele telefoon is ingeschakeld, verschijnt “PHONE”
op het display.
Tijdens de navigatie NO MAP is het bovendien mogelijk naar een audio-CD te
luisteren door gebr uik te maken van de
ingebouwde CD-speler. In dit geval verschijnt op het display het nummer en de
speelduur van het muziekstuk waarnaar u
luistert.
Het display geeft aan welke audiobron
is ingeschakeld en geeft de naam of de
frequentie van het gekozen station weer
(zie de paragraaf “RDS-functie” in het
hoofdstuk “Radio”).
NAVIGATIE
ONDERBREKEN
Ga als volgt te werk om de navigatie te
onderbreken:
1) Dr uk op de toets ESC ( 9) of voer
een nieuwe bestemming in of voer de
procedure uit om de positie van de auto
te bepalen (zie de paragraaf “Positiebepaling van de auto” in dit hoofdstuk). Als
op de toets ESC ( 9) wordt gedr ukt, verschijnt op het display de vraag of de navigatie moet worden onderbroken ( fig.
85).
NAVIGATIESYSTEEM
Op het display wordt op grafische wijze
de afstand tot het punt waarop moet worden afgeslagen weergegeven en de tijd
die nodig is om de bestemming te bereiken of de geschatte aankomsttijd (zie de
paragraaf “Infor matie tijdens het traject
in-/uitschakelen” in dit hoofdstuk).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als de CD-wisselaar (indien aanwezig)
is ingeschakeld, verschijnt op het display
het nummer van de huidige CD, het nummer van het muziekstuk of het nummer
dat daaraan is gegeven, en de speelduur
van het muziekstuk.
A0B3056i
fig. 85
BELANGRIJK Als het apparaat tijdens
de navigatie wordt uitgeschakeld, blijven
de gegevens voor de navigatie gedurende
30 minuten in het geheugen opgeslagen.
Gedurende deze periode is het mogelijk
de navigatie te hervatten. Na 30 minuten
moeten de gegevens opnieuw worden ingevoerd om de routebegeleiding te hervatten.
149
NAVIGATIESYSTEEM
VAN AUDIOBRON WISSELEN
FREQUENTIEMODULATIE
NAVIGATIE NO MAP
Bij ingeschakeld navigatiesysteem kan
op ieder moment van audiobron worden
gewisseld door het indr ukken van de
toets TUN ( 17) of de toets CD-C ( 15).
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de radio, de CD-speler of de CD-wisselaar (indien aanwezig).
Bij ingeschakeld navigatiesysteem kunt
u direct de frequentie van het radiostation
dat u beluister t veranderen door een van
de toetsen (13 of 14) in te drukken.
De navigatie NO MAP wordt ingeschakeld als na het invoeren van de bestemming en het star ten van de navigatie, de
navigatie-CD wordt uitgenomen. Tijdens
de navigatie NO MAP is het mogelijk de
ingebouwde CD-speler te gebr uiken voor
audio-doeleinden.
Selecteer een ander station of een ander muziekstuk.
BELANGRIJK Het is niet mogelijk om
de CD-speler te gebr uiken als het navigatiesysteem is ingeschakeld.
Druk op de toets NAV (12) om terug te
keren naar het menu van het navigatiesysteem.
150
BELANGRIJK Voor het selecteren van
stations met de multifunctionele toetsen
(13 of 14) moeten de stations eerst
zijn opgeslagen (zie de paragraaf “Stations opslaan” in het hoofdstuk “RADIO”).
Bij ingeschakelde navigatie NO MAP verschijnt op het display NO MAP en de afstand (hemelsbreed) tot de bestemming.
BELANGRIJK Als de navigatie-CD
weer wordt ingestoken, kan het enige minuten duren voordat het navigatiesysteem de parameters met betrekking tot
de positie van de auto weer heeft ingesteld; gedurende deze periode verschijnt
op het display OFF ROAD of OFF MAP (bij
onvoldoende positiegegevens). Op plaatsen met veel gebouwen en een dicht wegennet kan de positie van de auto foutief
worden weergegeven, totdat het systeem
de juiste positie heeft bepaald.
4) Dr uk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) totdat op het display
het opschrift DYNAMISCH verschijnt.
Tijdens de “Dynamische routebegeleiding” analyseert het navigatiesysteem de
verkeersinformatie en ver werkt deze bij
de berekening van het traject.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het opschrift DOORGAAN.
De verkeersinfor matie wordt uitgezonden door RDS-stations met TMC (T raffic
Message Channel).
Ga als volgt te werk om de functie “Dynamische routebegeleiding” in te schakelen:
6) Druk op de draaiknop/toets (11).
Het systeem keer t ter ug naar de status
“Routebegeleiding” (zie de paragraaf
“Navigatie star ten” in dit hoofdstuk) en
de instellingen blijven ongewijzigd totdat
er een andere instelling wordt doorgevoerd.
BELANGRIJK Om de “Dynamische
routebegeleiding” in te schakelen tijdens
de “Routebegeleiding”, stemt het navigatiesysteem af op een TMC-station. Als er
nog geen TMC-station op de FMC-golfband is opgeslagen, dan worden de TMCstations gezocht. Dit kan lang duren omdat alle banden worden doorlopen. Gedurende deze tijd kan er niet naar de radio
worden geluisterd.
NAVIGATIESYSTEEM
DYNAMISCHE ROUTEBEGELEIDING
(indien aanwezig)
1) Dr uk tijdens de “Routebegeleiding”
op de toets MEN ( 10); op het display
verschijnt het instellingemenu van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OPTIES TRAJ. ( fig.
86).
A0B3060i
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het onderdeel TRAJECT te selecteren
(fig. 87).
fig. 86
A0B3059i
fig. 87
151
NAVIGATIESYSTEEM
TOERISTISCHE
INFORMATIE
(indien aanwezig)
Als u een navigatie-CD met toeristische
informatie gebr uikt, is het mogelijk om
toeristische infor matie op te vragen over
de bestemming.
De informatie is onderverdeeld in de volgende r ubrieken: over nachtingen, restaurants, toeristische infor matie, amusement, enz…
Als alleen een toeristisch traject aanwezig is, verschijnt op het display in het
hoofdmenu van het navigatiesysteem de
naam van het traject (bijv . MERIAN
scout).
A0B3068i
152
fig. 88
Ga als volgt te werk om toegang te krijgen tot deze informatie:
4) Open de rubriek waarover u informatie wenst.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
Druk de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden in om de navigatie naar
een geregistreerd onderdeel te star ten.
Op het display verschijnt een nieuw
menu; selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel ROUTEBEGELEID.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het toeristische traject (bijv . MERIAN scout) in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 88).
Als op de navigatie-CD meerdere trajecten staan, verschijnt op het display de lijst
met mogelijke trajecten. Ga als volgt te
werk:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste toeristische traject.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Geef met behulp van het invoermenu, bij het onderdeel ST AD SELECTEREN, de naam van de stad aan waarover
u toeristische infor matie wilt ontvangen
(zie de paragraaf “Bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Op het display kan een weergave gegeven worden van het traject (WEERGA VE
TRAJ.) dat berekend is door het navigatiesysteem.
Ga als volgt te werk om toegang te krijgen tot deze informatie:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WEERGA VE TRAJ.
(fig. 89).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de lijst met beschikbare trajecten (fig. 90).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 92).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
4) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . OPSLAAN
(fig. 92).
BESTEMMINGEN OPSLAAN
Het is mogelijk de huidige of voorgaande bestemming met een kor te naam op
te slaan.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Als
naam wordt de volledige naam van de ingevoerde bestemming voorgesteld.
Ga als volgt te werk om de gewenste
bestemming in het geheugen op te slaan:
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
NAVIGATIESYSTEEM
WEERGAVE
TRAJECT
1) Dr uk op de toets NA V ( 12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 89).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 91).
A0B3057i
fig. 89
A0B3058i
fig. 90
A0B3050i
fig. 91
153
NAVIGATIESYSTEEM
Naam van bestemming
invoeren en wijzigen
Ga als volgt te werk om in het geheugen van de bestemmingen een naam te
wijzigen of in te voeren:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 88 ).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 91).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 92).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NAAM WIJZIGEN
(fig. 93).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het invoermenu.
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
7) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoer veld weergegeven. Her haal de
laatste twee handelingen tot de volledige
naam is ingevoerd.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) langer dan 2 seconden
in te drukken of selecteer het symbool j
en druk op de draaiknop/toets (11).
fig. 92
Het is mogelijk de lijst met bestemmingen in het geheugen te ordenen. Deze
lijst kan worden opgeroepen als er een
bestemming wordt ingevoerd.
Ga voor het ordenen als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST.
(fig. 94).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
A0B3104i
154
OPGESLAGEN BESTEMMINGEN
ARCHIVEREN
A0B3098i
fig. 93
A0B3050i
fig. 94
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . ORDENEN
(fig. 95).
5) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming die verplaatst moet
worden.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
8) Verplaats de bestemming naar de
nieuwe positie met de draaiknop/toets
(11).
A0B3101i
9) Bevestig de nieuwe positie door de
draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
OPGESLAGEN GEGEVENS
WISSEN
Het is mogelijk om de laatste 10 opgeslagen bestemmingen, een enkele bestemming of alle bestemmingen, uit het
geheugen te wissen.
BELANGRIJK Om de gegevens uit
het geheugen te wissen is het noodzakelijk dat de navigatie-CD zich in de CD-speler bevindt.
3). Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 95).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . WISSEN ( fig.
96) en bevestig de keuze door de knop
in te dr ukken; op het display verschijnen
de volgende opties:
NAVIGATIESYSTEEM
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST.
– LAATSTE 10 WIS.: laatste 10 bestemmingen wissen;
– ENKELE BEST .: een enkele bestemming wissen;
– ALLE BEST .: alle bestemmingen wissen.
Ga voor het wissen als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
A0B3099i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 94)
fig. 95
fig. 96
155
NAVIGATIESYSTEEM
5) Maak een keuze uit de opties: LAA TSTE 10 WIS., ENKELE BEST . en ALLE
BEST. en bevestig de keuze door de
draaiknop/toets (11) in te dr ukken. Als
u de laatste optie kiest, worden de bestemmingen automatisch gewist. Als u
een van de eerste twee opties kiest,
moet u als volgt verder gaan:
KORTE NAAM
INVOEREN EN WIJZIGEN
Ga als volgt te werk voor het wijzigen
van een kor te naam van een opgeslagen
bestemming of voor het geven van een
korte naam aan een bestemming:
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming die u wilt wissen.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
2) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST.
8) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WISSEN (wissen) of
ANNULEREN (niet wissen).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
7) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
8) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; het geselecteerde karakter verschijnt in het invoerveld.
9) Voer dezelfde procedure uit voor de
andere letters van de naam.
10) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk langer dan twee seconden op de
draaiknop/toets (11).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BESTEMMINGEN
WIJZ. (fig. 97).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een lijst met op alfabetische volgorde alle bestemmingen die in
het geheugen zijn opgeslagen.
A0B3100i
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming waar van u de
naam wilt wijzigen; op het display verschijnt het invoer menu (speller).
156
fig. 97
FILES VERMIJDEN
TIJDENS DE NAVIGATIE
Ga als volgt te werk voor weergave van
het huidige aantal te ontvangen GPS-satellieten en de positie van de auto:
Tijdens de navigatie kunnen files of geblokkeerde weggedeeltes ver meden worden.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
2) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFO GPS.
3) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
LE; op het display verschijnt het menu
FILE en de cursor staat dichtbij het punt
SLUITEN (fig. 99).
3) Druk op de draaiknop/toets (11).
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op het punt VANAF.
5) Geef met de draaiknop/toets ( 11)
aan op welke afstand vanaf uw positie de
omleiding moet beginnen.
NAVIGATIESYSTEEM
WEERGAVE GPS-STATUS
EN POSITIE
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het punt SLUITEN.
1) Dr uk op de toets k (7); o p h et
display verschijnt het menu INSTELLINGEN ( fig. 98).
2) Plaats de cursor met de draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel FIA0B3064i
fig. 98
A0B3065i
fig. 99
157
NAVIGATIESYSTEEM
7) Geef met draaiknop/toets ( 11) aan
op welke afstand vanaf uw positie de omleiding moet beëindigen.
8) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op OK en bevestig
de keuze door de draaiknop/toets ( 11)
in te drukken; op het display verschijnt het
menu routebegeleiding en het nieuwe traject wordt berekend: tijdens deze fase verschijnt op het display het opschrift NIEUW
BEREK.
Ga voor het uitschakelen van deze functie als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets k (7); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN
(fig. 98).
ONDERDELEN
VAN HET TRAJECT UITSLUITEN
Het is mogelijk enkele delen van het berekende traject uit te sluiten. Dit is vooral
nuttig als u verkeersinfor matie ontvangt
waarin melding wordt gemaakt van zeer
druk verkeer of werk in uitvoering op het
berekende traject dat u wilt afleggen.
Ga voor het uitsluiten van onderdelen
als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets k (7); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN
(fig. 98).
BELANGRIJK Lange trajecten, die niet
onderverdeeld kunnen worden in kor te
trajectgedeeltes, worden aangeduid met
het symbool “ +”. Voor weergave van deze kor te trajectgedeeltes, moeten de onderdelen geselecteerd worden met het
symbool “ +” en de draaiknop/toets langer dan 2 seconden worden ingedrukt.
Korte trajectgedeeltes, die niet worden
onderverdeeld, worden aangeduid met het
symbool “-”.
2) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel
FILE; op het display verschijnt het menu
FILE en de cursor staat dichtbij het punt
SLUITEN.
A0B3077i
3) Druk op de draaiknop/toets.
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het punt VERWIJDEREN.
5) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets (11) in te dr ukken. Het
traject wordt opnieuw berekend.
158
2) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel
TRAJ. WIJZIGEN ( fig. 100 ): op het display verschijnt de lijst met trajecten waarin u het traject dat u wilt uitsluiten, kunt
selecteren.
fig. 100
De trajectgedeeltes die niet uitgesloten
kunnen worden (bijv. omdat geen alter natief traject berekend kan worden), worden
aangeduid met het symbool S.
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11):
op het display verschijnt een cirkel voor
het geselecteerde gedeelte.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het laatste trajectgedeelte dat u uit
de lijst wilt ver wijderen (het is raadzaam
een lang trajectgedeelte te verwijderen).
6) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11):
op het display verschijnt het hoofdmenu
van het navigatiesysteem, het traject
wordt opnieuw berekend en op het display verschijnt het opschrift NIEUWE BEREK.
Verwijderen/wijzigen van het
trajectgedeelte
Ga als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets k (7); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN (fig. 98).
2) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel
TRAJ. WIJZIGEN ( fig. 100): op het display verschijnt de vraag of het trajectgedeelte ver wijderd of gewijzigd moet worden:
– als u een trajectgedeelte wilt ver wijderen, selecteer dan VER WIJDEREN; op
het display verschijnt het hoofdmenu van
het navigatiesysteem. Het traject wordt
opnieuw berekend en op het display verschijnt het opschrift NIEUWE BEREK.
– als u een trajectgedeelte wilt wijzigen, selecteer dan WIJZIGEN en her haal
de handelingen die ver meld zijn bij punt
3), 4), 5) en 6).
TRAJECT AANPASSEN
Het is mogelijk het traject op ieder moment aan uw eigen wensen aan te passen, ook bij ingeschakelde navigatie.
Voer hiervoor de volgende parameters in:
– TRAJECT: het is mogelijk het snelste
of het kor tste traject te selecteren of te
kiezen voor “Dynamische routebegeleiding” (DINAMIC) met TMC (zie de paragraaf “Dynamische routebegeleiding” in
dit hoofdstuk). Als deze optie wordt gekozen, worden alle andere mogelijkheden (SNELWEG, VEERPONTEN en TOLGELDEN) niet meer op het display getoond.
Het navigatiesysteem berekent het snelste traject waarbij rekening wordt gehouden met de verkeersinfor matie en stemt
automatisch af op een TMC-station.
NAVIGATIESYSTEEM
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het eerste trajectgedeelte dat u uit
de lijst wilt ver wijderen (het is raadzaam
een lang trajectgedeelte te verwijderen).
– SNELWEG: tijdens de navigatie kan
gekozen worden om gebr uik te maken
van snelwegen;
– VEERPONTEN: keuze om gebr uik te
maken van veerponten;
– TOLWEGEN: keuze om tolwegen voor
de navigatie uit te sluiten.
159
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Als u bijv . het onderdeel SNELWEG VERMIJDEN ( fig. 102 )
kiest, en u door het ver mijden van de
snelwegen veel langere afstanden af
moet leggen, dan programmeer t het systeem toch de snelwegen. Hetzelfde geldt
voor de VEERPONTEN en TOL WEGEN. Ga
als volgt te werk voor het kiezen van de
opties voor het traject:
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op de optie die u
wilt instellen.
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
1) Dr uk op de toets ESC ( 9), op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem, of plaats de
cursor met de draaiknop/toets ( 11) op
DOORGAAN (fig. 102).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OPTIES TRAJ. ( fig.
101).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu OPTIES TRAJ.
(fig. 102).
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de instelling te wijzigen.
Ga als volgt te werk om het menu voor
het selecteren van opties voor het traject
af te sluiten:
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; als de
“Routebegeleiding” niet actief is, verschijnt op het display het hoofdmenu van
het navigatiesysteem.
A0B3060i
160
fig. 101
BELANGRIJK Als de opties voor het
traject tijdens de routebegeleiding worden
gewijzigd, berekent het navigatiesysteem
automatisch het nieuwe traject. De opties
blijven geactiveerd totdat ze opnieuw
worden gewijzigd.
POSITIEBEPALING VAN DE
AUTO
Met deze functie kan de huidige positie
van de auto (bijvoorbeeld: naam van de
straat waarin u rijdt) worden weergegeven met een ver wijzing naar het NOORDEN. Als deze functie is ingeschakeld,
wordt de routebegeleiding onderbroken.
A0B3066i
fig. 102
A0B3069i
fig. 103
Positie opslaan
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
Ga om de huidige positie van de auto
op te slaan als volgt te werk:
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel POSITIE ( fig.
103).
3) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC (9) om de functie
uit te schakelen en ter ug te keren naar
het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT. POS. INV. (fig.
104).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken en selecteer met dezelfde draaiknop/toets het onderdeel NAAM om deze op te slaan; op het
display verschijnt het invoer menu
(fig. 105) voor het invoeren van de
naam van deze positie.
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
A0B3067i
A0B3070i
5) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Het geselecteerde karakter wordt in het invoerveld weergegeven
6) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets (11) langer dan 2 seconden
in te dr ukken en voer de overige karakters op dezelfde wijze in.
7) Bevestig de naam door de draaiknop/toets (11) langer dan 2 seconden
in te drukken of selecteer en bevestig het
symbool j.
NAVIGATIESYSTEEM
Ga voor het bepalen van de huidige positie als volgt te werk:
BELANGRIJK Deze procedure is alleen mogelijk als de navigatie-CD in het
apparaat zit.
De zojuist ingevoerde naam wordt automatisch in het geheugen opgeslagen.
Ga als volgt te werk als u geen naam
aan de huidige positie wilt geven:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) niet het onderdeel NAAM (zoals
hiervoor is beschreven) maar het onderdeel DOORGAAN.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het hoofdmenu en er
wordt geen enkele naam opgeslagen.
fig. 104
fig. 105
161
NAVIGATIESYSTEEM
VERKEERSINFORMATIE
ONTVANGEN TIJDENS
DE NAVIGATIE
GESPROKEN AANWIJZINGEN
IN-/UITSCHAKELEN
Het is mogelijk tijdens de navigatie verkeersinformatie te ontvangen; de mogelijkheid om verkeersinfor matie te ontvangen kan, onafhankelijk van de beluisterde
audiobron, worden in-/uitgeschakeld.
Druk voor het in-/uitschakelen van deze
functie op de toets T A (4); de T A-functie
wordt ingeschakeld.
Bij de routebegeleiding wordt gebr uik
gemaakt van gesproken aanwijzingen.
De gesproken aanwijzingen leveren informatie over de af te leggen afstand tot de
punten waar moet worden afgeslagen.
Gesproken aanwijzingen in-/uitschakelen:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TAAL (fig. 106).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (gesproken
aanwijzingen inschakelen) of OFF (gesproken aanwijzingen uitschakelen). De
standaardinstelling is altijd ON.
OPSLAAN LAATSTE 10
BESTEMMINGEN IN-/
UITSCHAKELEN
Het is mogelijk de functie voor het opslaan van de laatste 10 bestemmingen in
te schakelen: met deze functie worden de
laatste 10 bestemmingen automatisch
opgeslagen.
Ga als volgt te werk om de functie voor
het opslaan van de laatste 10 bestemmingen in of uit te schakelen:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LAA TSTE 10 ( fig.
107).
A0B3071i
162
fig. 106
A0B3072i
fig. 107
4) Dr uk op de toets ESC ( 9) om het
navigatiemenu te verlaten.
INFORMATIE OVER TRAJECTDUUR IN-/UITSCHAKELEN
Met deze functie is het mogelijk te kiezen tussen de infor matie over de resterende rijtijd tot de gewenste bestemming,
de geschatte aankomsttijd en de exacte
tijd.
Ga als volgt te werk om deze infor matie
in of uit te schakelen:
HANDMATIGE WEERGAVE
POSITIE
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
Met het navigatiesysteem kan handmatig de huidige positie van de auto bepaald
worden als er geen GPS-signaal ontvangen kan worden.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDINFO ( fig.
108).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de indicatie Q (resterende rijtijd),
X (exacte aankomsttijd op de ingevoerde bestemming) of R (geschatte aankomsttijd op de ingevoerde bestemming)
te selecteren.
Druk op toets ESC (9) om de functie uit
te schakelen en ter ug te keren naar het
hoofdmenu van het navigatiesysteem.
A0B3073i
fig. 108
A0B3074i
fig. 109
Ga als volgt te werk om handmatig de
huidige positie aan te geven:
NAVIGATIESYSTEEM
3) Dr uk op draaiknop/toets ( 11); op
het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld).
De standaardinstelling is ON.
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT . POS. HANDM.
(fig. 109).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het invoer menu met de
vraag de huidige positie van de auto in
de volgende volgorde aan te geven: stad,
straat, kr uising (zie “Naam van bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”).
163
NAVIGATIESYSTEEM
Als de positie volledig is aangegeven,
moet u de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden indr ukken of het symbool (j) selecteren en bevestigen; op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
BELANGRIJK Bij enkele kr uisingen
(bijv. kr uisingen van rechte straten met
ringvormige straten) is het niet mogelijk
om de positie van de auto aan te geven.
TRAJECT SIMULEREN
Met het navigatiesysteem kan een traject gesimuleerd worden. Het apparaat simuleert het traject en geeft op realistische wijze zichtbare en gesproken routeaanwijzingen en akoestische signalen.
Ga voor het star ten van de simulatie als
volgt te werk:
1) Druk in het hoofdmenu van het navigatiesysteem of in het scher m routebegeleiding op de toets MEN (10); op het display verschijnt het instellingenmenu van
het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DEMONSTRA TIE
(fig. 110).
A0B3075i
A0B3076i
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken; de simulatie wordt geactiveerd.
4) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
TOER. TRAJ. of ENKELE BEST.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
6) Voer de bestemming in (zie “Bestemming invoeren” in het hoofdstuk
“Satelliet-navigatiesysteem”); op het display verschijnt het scher m routebegeleiding met het onderdeel “DEMO” (fig.
111).
BELANGRIJK De simulatie wordt automatisch beëindigd als de ingestelde bestemming bereikt is of als u een werkelijke navigatie start.
BELANGRIJK Als er geen GPSsignaal kan worden ontvangen,
moet de positie van de auto
handmatig worden ingevoerd. De
navigatie NO MAP is niet mogelijk tijdens de simulatie.
164
fig. 110
fig. 111
In het menu INSTELLINGEN kunnen de
standaardinstellingen van het navigatiesysteem aangepast worden aan de persoonlijke wensen. Bovendien kunnen de
functies die specifiek betrekking hebben
op het audio/navigatiesysteem in het instellingenmenu van de verschillende bronnen, geregeld worden.
MENU INSTELLINGEN
INSCHAKELEN
Om het menu INSTELLINGEN te activeren, moet eerst het hoofdmenu van de
verschillende functies met de volgende
toetsen worden geopend:
Als het hoofdmenu van een van de verschillende bronnen op het display wordt
weergegeven of als u al in een functiemenu zit, druk dan twee keer op de toets
MEN ( 10): op het display verschijnt het
menu INSTELLINGEN (fig. 112).
Als het menu INSTELLINGEN van een audiobron of als het menu NA VIGATIE al
was ingeschakeld, dr uk dan één keer op
de toets MEN ( 10); op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
Op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN met een lijst opties
(fig. 112)
• druk op de toets TUN ( 17) voor het
hoofdmenu van de radio;
• druk op de toets CD-C ( 15) voor het
hoofdmenu van de CD-speler of CD wisselaar (indien aanwezig);
A0B3078i
Ga voor het selecteren en instellen van
een menu-onderdeel als volgt te werk:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel
dat u wilt instellen.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11 in te drukken.
NAVIGATIESYSTEEM
S TA N D A A R D I N S T E L L I N G E N R E G E L E N
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
DISPLAY INSTELLEN
In het menu INSTELLINGEN van het display kan de automatische aanpassing van
het display aan het donker worden uitgeschakeld door de lichtsterkte en het contrast voor de dag en nacht gescheiden te
regelen. Bovendien kan de invalshoek
voor de route-aanwijzingen op het display
worden ingesteld.
• druk op de toets NA V ( 12)
voor het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
fig. 112
165
NAVIGATIESYSTEEM
Display automatisch
aan het donker aanpassen
Ga als volgt te werk om de automatische aanpassing van het display aan het
donker uit te schakelen (bijvoorbeeld als
u altijd met ingeschakelde koplampen
rijdt):
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLAY.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DAG/NACHT ( fig.
113).
5) Dr uk de draaiknop/toets ( 11) in
om ON of OFF te selecteren. De standaardinstelling is ON.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INV ALSHOEK
(fig. 113).
Herhaal de procedure als u de automatische aanpassing weer wilt inschakelen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
6) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de invalshoek in te stellen.
Invalshoek instellen
7) Bevestig de instelling door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Ga als volgt te werk om de invalshoek
van het display in te stellen:
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLAY.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3082i
166
fig. 113
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Overvloei-effect
Ga als volgt te werk om de lichtsterkte
van het display te wijzigen:
Ga als volgt te werk om het over vloeieffect te regelen:
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig.112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLAY.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLA Y ( fig.
112).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LICHTSTERKTE ( fig.
113).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op DAG of NACHT
om de lichtsterkte te regelen.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIAL ( fig.
114).
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om een van de 3 verschillende over vloeieffecten te kiezen. De standaardinstelling
is 0 (geen effect).
7) Bevestig de instelling door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken.
VOLUMEREGELING BIJ INSCHAKELING, TA-INFORMATIE,
BERICHTEN EN SNELHEIDSAFHANKELIJKE VOLUMEREGELING (SVR)
Vanuit het menu INSTELLINGEN kunt u
het volume regelen bij inschakeling van
de apparatuur (INSCHAK.), het min. volume instellen voor de verkeersberichten
(TA-MIN), de gesproken aanwijzingen en
de akoestische signalen (NA V-MIN), en
de basiswaarde instellen van de snelheidsafhankelijke volumeregeling (SVR).
NAVIGATIESYSTEEM
Lichtsterkteregeling display
BELANGRIJK Het geluidsvolume
van het systeem heeft voorrang
boven het in het menu INSTELLINGEN ingestelde volume als de
waarde er van hoger is dan het
minimum volume.
A0B3083i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 114
167
NAVIGATIESYSTEEM
BELANGRIJK Het minimum volume is bedoeld als grenswaarde:
als bij het uitschakelen van het
apparaat het geluidsvolume lager
was dan het minimum volume,
wordt, als het apparaat weer
wordt ingeschakeld, het in het
menu INSTELLINGEN ingestelde
niveau gehandhaafd; als het volume bij uitschakeling hoger was,
wordt als het apparaat weer
wordt ingeschakeld, het minimum volume ingesteld.
Ga voor de volumeregeling als volgt te
werk:
– NAVI-MIN (min. volume route-aanwijzingen);
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
– SVR (snelheidsafhankelijke volumeregeling);
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VOLUME ( fig.
115).
– TELEFOON (min. volume telefoon)
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste optie (fig. 116):
– INSCHAK. (volume bij inschakeling);
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Daarom moet het volume altijd
zo geregeld zijn dat geluiden van
buiten (bijvoorbeeld claxons, sirenes van ambulance, politie,
e.d.) hoorbaar blijven.
168
– TA-MIN (min. volume verkeersinformatie TA);
5) Bevestig de gekozen optie door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Stel de waarde in door de draaiknop/toets (11) te draaien.
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
A0B3085i
fig. 115
A0B3084i
fig. 116
Tijdsaanduiding selecteren
Met het onderdeel klokje in het menu
INSTELLINGEN kan de zomer tijd, de tijdsaanduiding (12/24 uur) en de tijdzone
(Midden-Europese tijd) worden in-/uitgeschakeld. Deze instellingen zijn noodzakelijk omdat het navigatiesysteem het
verschil tussen de tijd van het systeem en
de tijd afkomstig van de GPS-satellieten
kan berekenen, en dus de werkelijke
duur van de navigatie.
Ga als volgt te werk om de tijdsaanduiding in 12 of 24 uur weer te geven:
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Dr uk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) om een keuze te maken tussen de 12- of 24-uurs-aanduiding.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) langer dan twee seconden in te drukken.
NAVIGATIESYSTEEM
KLOKJE INSTELLEN
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDSAANDUIDING
(fig. 117).
A0B3087i
fig. 117
169
NAVIGATIESYSTEEM
Tijdzone selecteren
Zomertijd in-/uitschakelen
Ga voor het wijzigen van de tijdzone als
volgt te werk:
Als u de zomertijd in-/uitschakelt, wordt
de tijd van het systeem automatisch aangepast. Ga voor het in-/uitschakelen van
de zomertijd als volgt te werk:
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDZONE ( fig.
117).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de tijdzone in te stellen (bijvoorbeeld -2, 1, 0, +1, +2, enz.).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
170
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ZOMER TIJD (fig.
117).
6) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld).
Gebruikersklokje in-/uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van het
gebruikersklokje als volgt te werk:
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig.112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEBRUIKERSKLOKJE
(fig. 118).
5) Dr uk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11); op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF
(functie uitgeschakeld).
A0B3086i
De tijd van het systeem wordt automatisch aangepast en op het display verschijnt afhankelijk van de gemaakte keuze ON of OFF.
fig. 118
Exacte tijd instellen
TAAL SELECTEREN
Ga voor het in-/uitschakelen van het
statusklokje als volgt te werk:
Ga voor het handmatig instellen van de
exacte tijd (bijv. als er geen signalen van
de GPS-satellieten worden ontvangen) als
volgt te werk:
U kunt de taal van het display instellen.
Voor de Engelse taal bestaan de varianten “metrisch” (afstandsaanduiding in kilometers) en “imperial” (afstandsaanduiding in mijlen).
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig.112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WEERGAVE.
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld)
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig.112) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SYSTEEMTIJD.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken: de uren
wordt in diapositief weergegeven.
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
112) zoals hiervoor is beschreven.
NAVIGATIESYSTEEM
Statusklokje in-/uitschakelen
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TAAL.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de lijst met beschikbare
talen.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste taal.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Stel met de draaiknop/toets ( 11)
de uren in.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken: de minuten worden in diapositief weergegeven.
9) Stel met de draaiknop/toets ( 11)
de minuten in.
10) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
171
NAVIGATIESYSTEEM
De nieuwe taal wordt geladen. Als de
taal geladen is en de navigatie-CD is geplaatst, hoor t u een gesproken bevestiging.
APPARATUUR IJKEN
SYSTEEM CONTROLEREN
In het menu INSTALLATIE kunt u het apparaat ijken: U heeft de volgende mogelijkheden:
Het is mogelijk het systeem te controleren. Tijdens deze controle wordt de GPSantenne, de cor recte signaal-overdracht
van de achteruit en de correcte verbinding
van het systeem op de auto gecontroleerd.
Het apparaat keert terug naar het menu
INSTELLINGEN.
– SYST. CONTR.
BELANGRIJK In enkele landen
(Denemarken, Zweden en Portugal) worden de gesproken routeaanwijzingen in de Engelse taal
gegeven, ter wijl de visuele aanwijzingen op het display aan ieder land afzonderlijk zijn aangepast.
– GPS. INFO
– IJKEN
BELANGRIJK Het is niet mogelijk het
systeem te ijken als het symbool S voor
het opschrift INSTALLATIE staat.
1) Open het menu INSTELLINGEN zoals
hiervoor is beschreven (zie de paragraaf
“Menu instellingen inschakelen” in dit
hoofdstuk).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE ( fig.
119).
Laat het systeem door
een Alfa Romeo-dealer ijken.
172
A0B3080i
fig. 119
IJken na het verwisselen
van de banden
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SYST . CONTR. ( fig.
120).
Na het ver wisselen van een band kan
het nodig zijn het navigatiesysteem opnieuw te ijken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel IJKEN.
5) Kies tussen SENSOR TEST, INTERNAL
TEST en GEGEVENS IJKEN; op het display
verschijnen de onderdelen en de betreffende testresultaten.
Na de controle verschijnt automatisch
het installatiemenu.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Ga voor het ijken als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
7) Voer de gevraagde handelingen uit.
2) Dr uk op de toets MEN ( 10); op
het display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE ( fig.
119).
A0B3088i
fig. 120
6) Selecteer en bevestig het onderdeel
BAND VERWISSELEN (fig. 121).
NAVIGATIESYSTEEM
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3089i
fig. 121
173
NAVIGATIESYSTEEM
IJKEN
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
het traject af te leggen. Ga voor het ijken als volgt te werk:
Systeem handmatig controleren
Op het display verschijnt het invoermenu waarin u de lengte van het traject
moet invoeren (fig. 122).
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel START.
U kunt het systeem handmatig controleren. Om deze handeling uit te voeren
moet een afstand van 100 meter worden
afgelegd bij een snelheid van maximaal
30 km/h. Let op de exacte lengte van
het traject.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE ( fig.
119).
1) Selecteer het eerste cijfer van de afstand met de draaiknop/toets (11).
2) Bevestig het cijfer door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Voer de overige cijfers op dezelfde
manier in.
4) Bevestig de afstand door de cursor
op het symbool j te plaatsen met de
draaiknop/toets (11).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnt de vraag om
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3092i
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel IJKEN (fig.120).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HANDM.
174
fig. 122
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Leg de 100 meter af volgens de
hiervoor beschreven aanwijzingen.
4) Stop na 100 meter, selecteer en bevestig BEVESTIGEN met de
draaiknop/toets ( 11) of ONDERBR. om
de procedure te onderbreken of ESC ( 9)
om te annuleren.
Ga als volgt te werk voor weergave van
het huidige aantal te ontvangen GPS-satellieten en de positie van de auto:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu INST ALLATIE
(fig. 124).
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFO GPS.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE ( fig.
123).
“NIEUWE INSTALL.” ijken
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
NAVIGATIESYSTEEM
GPS-INFO
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE ( fig.
123).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer en bevestig het onderdeel
IJKEN.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3080i
A0B3088i
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUWE INSTALL.
(fig. 125).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
9) Dr uk na het uitvoeren van de gevraagde handelingen op de
draaiknop/toets (11).
fig. 123
fig. 124
175
NAVIGATIESYSTEEM
Ga voor het onderbreken van de procedure als volgt te werk:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ANNUL.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken: het voorgaande onderdeel van de INST ALLATIE
wordt weergegeven.
Het systeem zal een test uitvoeren.
Hiervoor moet een afstand tussen 8
en15 km worden afgelegd en de GPSontvangst goed zijn.
Voordat het ijken wordt gestar t, vraagt
het apparaat of eventueel oude ijkresultaten moeten worden ver wijderd en om de
verwijdering van die resultaten te bevestigen.
BELANGRIJK Tijdens de eerste 25%
van de controleprocedure van het systeem of als de optie NIEUWE INST ALL. is
geselecteerd, kan de navigatie niet worden geactiveerd.
BELANGRIJK De afstand die voor het
ijken moet worden afgelegd hangt af van
verschillende factoren, zoals de GPS-ontvangstkwaliteit en de navigatie. De kilometeraanduiding is slechts een gemiddelde waarde. Deze kan lager of hoger zijn
bij slechte ontvangstomstandigheden.
BEVEILIGING
Diefstalbeveiliging in-/uitschakelen
Na het selecteren van het onderdeel
VEILIGHEID in het menu INSTELLINGEN,
kan de diefstalbeveiliging worden in-/uitgeschakeld. Als de diefstalbeveiliging is
ingeschakeld, kan het systeem, als de accu losgekoppeld is geweest, alleen worden ingeschakeld als de beveiligingscode
wordt ingevoerd (zie “Code invoeren” in
het hoofdstuk “Diefstalbeveiliging”).
BELANGRIJK Het navigatiesysteem
beschikt niet over een andere diefstalbeveiliging: wij raden u aan de code te activeren.
Ga voor het in-/uitschakelen van de code als volgt te werk:
A0B3091i
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Dr uk op de toets ( 10); op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
176
fig. 125
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CODE.
6) Dr uk de draaiknop/toets ( 11) in
om ON of OFF te selecteren. De standaardinstelling is OFF (beveiligingscode
uitgeschakeld). In ieder geval wordt om
de code gevraagd.
7) Selecteer het symbool j met de
draaiknop/toets (11).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Afschriklampje in-/uitschakelen
In het menu CODE-SETUP kan het afschriklampje worden in-/uitgeschakeld. Ga voor
het in-/uitschakelen van het lampje als volgt
te werk:
1) Druk op de toets NAV (12); op het display verschijnt het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN (10); op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN
(Setup).
3) Selecteer met de draaiknop/toets (11)
het onderdeel VEILIGHEID (fig. 126).
4) Bevestig de keuze door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets (11)
het onderdeel LED (fig. 127).
6) Druk op de draaiknop/toets ( 11) om
ON of OFF te selecteren. De standaardinstelling is ON (afschriklampje ingeschakeld).
A0B3081i
fig. 126
A0B3246i
fig. 127
TERUGKEREN NAAR
STANDAARDINSTELLINGEN
(RESET)
Het is mogelijk naar de standaardinstellingen van het navigatiesysteem ter ug te
keren:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
NAVIGATIESYSTEEM
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VEILIGHEID ( fig.
126).
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel RESET (fig. 128).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnen de volgende
schermen afhankelijk van de situatie
A, B of C:
Situatie A) Als een navigatie-CD is geplaatst, verschijnt op het display de vraag
of u alle waarden van het navigatiesysteem wilt wissen (reset); alle opgeslagen
bestemmingen en opties worden gewist.
177
NAVIGATIESYSTEEM
Ga als volgt te werk om het gehele geheugen te wissen:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NEE.
Situatie B ) Op het display verschijnt
de vraag of u de instellingen van de CDspeler wilt wissen.
Ga als volgt te werk om het gehele
geheugen te wissen:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt om de keuze te bevestigen.
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11 het onderdeel SLUITEN.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt om de keuze te bevestigen.
Situatie C ) Op het display verschijnt
de vraag of u alle geselecteerde opties in
het menu INSTELLINGEN en alle volumeinstellingen van alle audiobronnen wilt
wissen.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Ga als volgt te werk om het gehele geheugen te wissen:
Als er geen navigatie-CD is geplaatst,
verschijnt op het display onmiddellijk de
volgende vraag.
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt om de keuze te bevestigen.
A0B3079i
178
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
fig. 128
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NEE.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt om de keuze te bevestigen.
BELANGRIJK Als de optie JA, ook in
een van de drie fases, wordt geselecteerd, wordt het gehele geheugen gewist
(reset), schakelt het apparaat automatisch uit en wordt opnieuw gestart.
BELANGRIJK Als de optie NEE in alle
fases wordt geselecteerd, wordt automatisch teruggekeerd naar het menu INSTELLINGEN.
Gevoeligheid instellen voor het
automatisch zoeken naar stations
U kunt de gevoeligheid instellen voor
het automatisch zoeken naar stations.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
BEST: het automatisch zoeken wordt alleen onderbroken bij stations met een
goede ontvangstkwaliteit (bijv . ontvangst
zonder storingen). Kies deze instelling als
u reist in een gebied waar zich veel stations bevinden.
SENS.: het automatisch zoeken wordt
onderbroken bij stations met een minder
goede ontvangstkwaliteit. Kies deze instelling als u in een gebied rijdt waar zich
niet veel stations bevinden.
NAVIGATIESYSTEEM
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FM-SEEK
(fig. 129).
4) Dr uk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) om het onderdeel
BEST. of SENS. te selecteren.
De standaardinstelling is BEST.
A0B3090i
fig. 129
179
NAVIGATIESYSTEEM
D I E F S TA L B E V E I L I G I N G
ALGEMENE INFORMATIE
CODE-CARD
CODE INVOEREN
Het apparaat is uitger ust met een diefstalbeveiliging die bestaat uit een geheime 4-cijferige code.
Dit document ( fig. 130) is het eigendomsbewijs van het apparaat.
Als het navigatiesysteem wordt ingeschakeld nadat de voeding onderbroken
is geweest (accu of apparatuur losgekoppeld, doorgebrande zekering, enz.), verschijnt op het display de vraag om de geheime code in te voeren (fig. 131).
De diefstalbeveiliging zorgt er voor dat
het navigatiesysteem onbr uikbaar wordt
als het bij diefstal uit het dashboard
wordt weggenomen.
Op dit document staan het model, het
serienummer en de geheime code aangegeven.
BELANGRIJK Bewaar d it d ocument
zorgvuldig, z odat u b ij d iefstal v an h et
systeem de g egevens a an d e b evoegde
instantie kunt overleggen. Het document
is noodzakelijk bij werkzaamheden waarbij de accu of de voeding wordt losgekoppeld. Als de accu of de voeding weer
wordt aangesloten, vereist het audio/navigatiesysteem d at de g eheime c ode
wordt ingevoerd.
A0B3093i
180
fig. 130
A0B3094i
fig. 131
1) Selecteer het eerste cijfer van de code met de draaiknop/toets (11).
2) Bevestig het eerste cijfer door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Voer de overige drie cijfers van de
code op dezelfde wijze in.
Ga als volgt te werk als u een verkeerd cijfer hebt ingevoerd:
BELANGRIJK Als er een verkeerde
code is ingevoerd, kan de code opnieuw
worden ingevoerd. Om de voorkomen dat
de code ach terhaald kan worden do or
middel van verschillende pogingen, blokkeert het systeem een uur na de derde
foutieve invoer. B ij een vol gende poging
moet het navigatiesysteem een uur ingeschakeld blijven. Als het systeem tijdens
deze wa chttijd word t losgekoppel d van
de accu, gaat de wachttijd opnieuw in en
is altijd gelijk aan een uur.
Diefstalbeveiliging uit-/inschakelen
Het is mogelijk de diefstalbeveiliging uit
te schakelen; zie “Beveiliging” in het
hoofdstuk “Standaardinstellingen regelen”.
NAVIGATIESYSTEEM
Ga voor het invoeren van de code als
volgt te werk:
1) Plaats de cursor op het symbool ¯
(fig. 131) met de draaiknop/toets
(11).
2) Bevestig het wissen door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als de gehele code is ingevoerd, moet
de cursor op het symbool j worden geplaatst en bevestigd worden met de
draaiknop/toets ( 11). Hier na schakelt
het systeem in en wordt afgestemd op de
radio.
181
NAVIGATIESYSTEEM
TECHNISCHE GEGEVENS
Het navigatiesysteem heeft een max.
vermogen van 4 x 20W. Hierna worden
de functies en de technische gegevens
vermeld.
RADIO
– SHARX-functie: ver minderen van storingen op de FM-golfband.
– PLL-tuner (Phase Locked Loop) voor
de golfbanden FM/MW.
– SCAN-functie: kort beluisteren van alle te ontvangen stations op de geselecteerde golfband.
– RDS (Radio Data System) met de
functies TA (Traffic Announcement), EON
(Enhanced Other Network), Radiotext (informatie o ver h et p rogrammatype o f
weergave uitgezonden muziekstuk) en
REG (Regionale Programma’s).
– TIM-functie (T raffic Information Memory): automatische opslag van 14 gesproken berichten met verkeersinfor matie
met een totale tijdsduur van maximaal 4
minuten.
– Alternatieve frequentie zoeken in RDS
(Radio Data System).
– Automatische/handmatige afstemming op stations.
– Handmatig opslaan van 30 stations:
24 op de FM-golfband (6 op FM1, 6 op
FM2, 6 op FMT , 6 op FMC) en 6 op de
MW-golfband.
– Voorkeuzestations kort beluisteren.
182
– PTY-functie: weergave, indien door de
stations uitgezonden, van de inhoud van
hun programma’s (POP, ROCK, enz.).
– TMC-functie (T raffic Message Channel): luisteren naar verkeersinformatie
– AUTOSTORE-functie: automatisch opslaan van 6 stations op de gekozen FMgolfband.
CD-SPELER EN CD-WISSELAAR
(indien aanwezig)
– Muziekstuk selecteren (voor uit/achteruit).
– Snel vooruit-/terugspoelen.
– MIX-functie: willekeurige weergave
van de muziekstukken.
– SCAN-functie: eerste 10 seconden
van alle muziekstukken op CD weergeven.
– REPEAT-functie: muziekstuk herhalen.
– Programmeren van de weergavevolgorde van de muziekstukken.
– CD Name-functie: naam toekennen
aan de CD.
– Automatische stereo/mono-weergave.
– T-STORE-functie (Travelstore): de zes
stations met het sterkste ontvangstsignaal kunnen automatisch op de FM-golfband worden opgeslagen.
dealer.
Wendt u voor het inbouwen en aansluiten uitsluitend tot de Alfa Romeo-
AUDIOSYSTEEM
– Gescheiden regeling bassen/hoge tonen.
– Balansregeling kanalen rechts/links
en voor/achter.
– LOUDNESS-functie instellen.
– Mogelijkheid om speciale of ver re bestemmingen in te voeren.
– Mogelijkheid om bestemmingen op te
slaan.
Bose hifi-systeem (indien aanwezig)
Het systeem bestaat uit:
TECHNISCHE GEGEVENS
– 2 coaxiaal geplaatste tweeweg luidsprekers voor (A-fig. 134) met een ø van 165
mm en een geïntegreerde tweeter;
Standaarduitrusting
– 2 full-range luidsprekers achter
(A-fig. 133) met een ø van 165 mm;
Het systeem bestaat uit:
– 2 tweeter luidsprekers voor ( Afig. 132 ) met elk een piekver mogen
van 30W;
– 2 luidsprekers voor (B-fig. 132) en
2 achter ( A-fig. 133) met een diameter van 165 mm (2 voor en 2 achter) en
met een vermogen van 40W.
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM
– Gesproken aanwijzingen over het te
volgen traject.
A0B0387b
NAVIGATIESYSTEEM
Op multimedia-CD’s zijn
naast audiosporen ook
gegevens opgeslagen. Tijdens het afspelen van dit type
CD’s kunnen er piepgeluiden ontstaan die een zodanig volume
hebben, dat niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar komt,
maar waardoor ook de eindversterker en de luidsprekers beschadigd kunnen worden.
– 1 subwoofer met een ø van 225 mm
onder de hoedenplank (Sedan-uitvoeringen);
– 1 subwoofer met een ø van 130 mm
links in de bagageruimte (Sportwagon-uitvoeringen) .
Het systeem bestaat verder nog uit een
versterker (onder de hoedenplank bij de Sedan-uitvoeringen en geïntegreerd met de
subwoofer in de bagager uimte bij de Spor twagon-uitvoeringen) met 5 kanalen en een
maximaal ver mogen van 200W met hogeresolutie-equalizer.
A0B0237b
– W eergave op het display van routeaanwijzingen, van de afstand en van de
geschatte tijd die nodig is om de ingevoerde bestemming te bereiken.
fig. 132
fig. 133
183
NAVIGATIESYSTEEM
CD-wisselaar
(indien aanwezig)
De auto kan zijn uitger ust met een CDwisselaar voor 6 CD’ s (Clarion),
die zich in het aflegvak links in de bagageruimte (Spor twagon-uitvoeringen) bevindt ( A-fig. 135 ), of voor 10 CD’s
(Blaupunkt, met CD NAME-functie), die
zich links in de bagager uimte (Sedan-uitvoeringen) (A-fig. 136) bevindt.
GPS-satellietantenne
A0B0435b
fig. 136
A0B0444b
184
fig. 135
Het n avigatiesysteem w ordt b eschermd
door een zekering van 10A. Deze staat
afgebeeld in (fig. 138).
Het navigatiesysteem wordt gecompleteerd door een GPS-satellietantenne (afgebeeld in fig. 137).
A0B0312b
fig. 134
Zekering
A0B0356b
fig. 137
A0B0309b
fig. 138
ALGEMENE INFORMATIE ...................................................... 188
TIPS EN AANWIJZINGEN ............................................
VERKEERSVEILIGHEID ..............................................................
RADIOFREQUENTIE ..................................................................
VERZEND-/ONTVANGSTOMSTANDIGHEDEN..................................
VOORZORGSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ..............................
COMPACT DISC ......................................................................
189
189
189
189
190
190
BEDIENINGSKNOPPEN ................................................................ 191
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET STUURWIEL .............................. 193
WERKING ..............................................................................
IN-/UITSCHAKELEN VAN HET CONNECT Nav ............................
KEUZEMOGELIJKHEID WERKING ............................................
VOLUMEREGELING ................................................................
DISPLAY ................................................................................
KLANKKLEURREGELING ..........................................................
195
195
195
196
196
197
RADIO ....................................................................................
NAAR DE RADIO LUISTEREN ..................................................
GOLFBAND SELECTEREN ........................................................
AFSTEMMING OP FM-STATIONS ................................................
STATIONS OPSLAAN ................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
RDS-FUNCTIE ........................................................................
198
198
198
199
199
201
203
REG-FUNCTIE ........................................................................
PTY-FUNCTIE ..........................................................................
TA-FUNCTIE ............................................................................
TMC-FUNCTIE ........................................................................
SHARX-FUNCTIE ....................................................................
R-TXT-FUNCTIE ......................................................................
TIM-FUNCTIE ..........................................................................
204
204
205
206
207
207
208
CD-SPELER (CD) ....................................................................
CD PLAATSEN VERWIJDEREN ..................................................
CD-WEERGAVE ........................................................................
CD-SPELER INSCHAKELEN ......................................................
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN ..................
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN ..................
MIX-FUNCTIE ........................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
REPEAT-FUNCTIE......................................................................
PROGRAM-FUNCTIE ................................................................
CD NAME-FUNCTIE ..................................................................
210
210
211
211
212
212
213
213
213
214
215
CD-WISSELAAR-CDC (indien aanwezig) ............................
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN ..................................................
CD-WEERGAVE MET CD-SPELER ................................................
CD-WEERGAVE MET CD-wisselaar ............................................
CD-WISSELAAR INSCHAKELEN ................................................
217
217
219
220
220
CONNECT Nav
CONNECT Nav
185
CONNECT Nav
186
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN ..................
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN ..................
MIX-FUNCTIE ........................................................................
SCAN-FUNCTIE ......................................................................
REPEAT-FUNCTIE......................................................................
PROGRAM-FUNCTIE ................................................................
CD NAME-FUNCTIE ..................................................................
222
223
223
224
224
225
227
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM ..........................................
NAVIGATIE STARTEN ..............................................................
BESTEMMING INVOEREN ........................................................
SPECIALE OF VERRE
BESTEMMINGEN INVOEREN ....................................................
GEBRUIK VAN OPGESLAGEN BESTEMMINGEN ..........................
POSITIE VAN DE AUTO OPSLAAN ............................................
229
229
230
NAVIGATIESYSTEEM INSCHAKELEN ..................................
NAVIGATIE STARTEN ..............................................................
NAVIGATIE ONDERBREKEN ......................................................
VAN AUDIOBRON WISSELEN ..................................................
FREQUENTIEMODULATIE ........................................................
NAVIGATIE NO MAP ................................................................
DYNAMISCHE ROUTEBEGELEIDING ..........................................
TOERISTISCHE INFORMATIE ....................................................
WEERGAVE TRAJECT ................................................................
BESTEMMINGEN OPSLAAN ......................................................
OPGESLAGEN BESTEMMINGEN ARCHIVEREN ............................
OPGESLAGEN GEGEVENS WISSEN ............................................
KORTE NAAM INVOEREN EN WIJZIGEN ....................................
242
242
243
244
244
244
245
246
247
247
248
249
250
237
240
241
WEERGAVE GPS-STATUS EN POSITIE ........................................
FILES VERMIJDEN TIJDENS DE NAVIGATIE ................................
ONDERDELEN VAN HET TRAJECT UITSLUITEN ..........................
TRAJECT AANPASSEN ..............................................................
POSITIEBEPALING VAN DE AUTO ............................................
VERKEERSINFORMATIE ONTVANGEN
TIJDENS NAVIGATIE ................................................................
GESPROKEN AANWIJZINGEN IN-/UITSCHAKELEN ....................
OPSLAAN LAATSTE 10 BESTEMMINGEN
IN-/UITSCHAKELEN ................................................................
INFORMATIE OVER TRAJECTDUUR
IN-/UITSCHAKELEN ................................................................
HANDMATIGE WEERGAVE POSITIE ..........................................
TRAJECT SIMULEREN ..............................................................
TARGASYS-DIENSTEN............................................................
ALGEMENE AANWIJZINGEN ....................................................
APPARAAT/SIM-KAART ACTIVEREN ..........................................
NUMMER TARGASYS INVOEREN ..............................................
PERSOONLIJK NUMMER INVOEREN ........................................
TERUGKEREN NAAR STANDAARDINSTELLINGEN ......................
GEBRUIK VAN HET CONNECT Nav ............................................
“MEDISCHE ASSISTENTIE” ......................................................
“TECHNISCHE ASSISTENTIE” ....................................................
INFOMOBILITY-DIENSTEN ........................................................
FUNCTIE “FOLLOW ME” ..........................................................
CODE VAN HET APPARAAT OPROEPEN ....................................
FUNCTIE OVER “STATUS” VAN HET APPARAAT OPROEPEN ........
WEERGAVE BESTAANDE SIM-PROFIELEN ..................................
251
251
252
254
255
256
257
257
258
258
259
260
260
261
262
263
264
264
265
267
268
269
274
274
275
276
276
276
276
277
278
278
279
281
282
283
284
288
290
STANDAARDINSTELLINGEN REGELEN ................................
MENU INSTELLINGEN INSCHAKELEN ........................................
DISPLAY INSTELLEN ................................................................
VOLUMEREGELING BIJ INSCHAKELING,
TA-INFORMATIE EN SNELHEIDSAFHANKELIJKE VOLUMEREGELING
(SVR) ....................................................................................
KLOKJE INSTELLEN ................................................................
TAAL SELECTEREN ..................................................................
APPARATUUR IJKEN ..............................................................
SYSTEEM CONTROLEREN ........................................................
IJKEN ....................................................................................
GPS-INFO ..............................................................................
BEVEILIGING ..........................................................................
TERUGKEREN NAAR STANDAARDINSTELLINGEN (RESET) ..........
295
295
295
DIEFSTALBEVEILIGING ..........................................................
ALGEMENE AANWIJZINGEN ....................................................
CODE-CARD ..........................................................................
CODE DIEFSTALBEVEILIGING INVOEREN ..................................
310
310
310
310
TECHNISCHE GEGEVENS ......................................................
RADIO ..................................................................................
CD-SPELER EN CD-wisselaar ....................................................
AUDIOSYSTEEM ......................................................................
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM ................................................
TARGASYS-DIENSTEN ..............................................................
TELEFOON ..............................................................................
TECHNISCHE GEGEVENS ..........................................................
312
312
312
313
313
313
313
314
CONNECT Nav
TELEFOON ..............................................................................
ALGEMENE AANWIJZINGEN ....................................................
TELEFOONFUNCTIE INSCHAKELEN ............................................
PIN-CODE INVOEREN ..............................................................
PIN-CODE WIJZIGEN ..............................................................
SIM-KAART ONTGRENDELEN ..................................................
VOLUMEREGELING ................................................................
TELEFOONNUMMER KIEZEN ....................................................
TELEFOONNUMMER UIT TELEFOONAGENDA KIEZEN ..................
INKOMENDE TELEFOONGESPREKKEN ......................................
BELLEN NAAR HET BUITENLAND ..............................................
NETWERK KIEZEN ..................................................................
TELEFOONAGENDA ................................................................
BERICHTEN (SMS) ..................................................................
297
299
301
302
302
304
305
306
307
187
CONNECT Nav
A L G E M E N E I N F O R M AT I E
Het Connect Nav met geïntegreerde
autoradio en telefoon is confor m de wettelijke veiligheidsnor men en aanbevelingen.
De werking van de in de autoradio geïntegreerde telefoon is gebaseerd op de
GSM standaard voor mobiele telefonie.
Deze standaard is ontwikkeld voor het
gebruik van mobiele telefoons in Europa
en in andere landen, en is verspreid in
vele landen in de wereld (bijv . VDE DIN
0848).
188
Met deze telefoon kunnen dezelfde telefoonverbindingen worden gemaakt die
met een mobiele telefoon mogelijk zijn.
Om te kunnen telefoneren moet u in het
bezit zijn van een SIM-kaar t, dient u zich
binnen het dekkingsgebied van het Dual
Band netwerk te bevinden en moet de
sterkte van het ontvangstsignaal voldoende zijn.
Noodoproep
Om maximale veiligheid te garanderen
kan met de telefoon altijd een noodoproep (112) worden ver zonden, ook zonder SIM-kaart.
U kunt bellen en gebeld worden als het
Connect-systeem is ingeschakeld, u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900/1800 netwerk bevindt en de sterkte van het ontvangstsignaal voldoende is.
Om deze redenen kan een verbinding niet
onder alle omstandigheden gegarandeerd
worden. Vertrouw niet uitsluitend op het
gebruik van de telefoon voor het ver zenden van noodoproepen die van levensbelang zijn, zoals een verzoek om medische
hulp.
VERKEERSVEILIGHEID
Voordat u gaat rijden, raden wij u aan
om ver trouwd te raken met de verschillende functies van het Connect Nav en in
het bijzonder van de autoradio (bijv . het
opslaan van stations).
Houdt u strikt aan de wettelijke bepalingen die gelden voor het gebr uik van telefoons in de auto. Bel indien noodzakelijk
handsfree: Wij raden u in ieder geval aan
de auto te parkeren en stil te zetten voordat u belt.
RADIOFREQUENTIE
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Wij raden u dan ook aan om het
volume altijd zo te regelen dat
geluiden van buiten (bijv
.
claxons, sirenes van ambulance,
brandweer, politie e.d.) hoorbaar
blijven.
De telefoon is goedgekeurd voor de GSM
standaard en voldoet aan de veiligheidslimieten m.b.t. de bescher ming tegen
radiostraling.
ONTVANGST-/VERZENDOMSTANDIGHEDEN
Tijden het rijden wisselen de ontvangstomstandigheden (voor de radio) of
de ontvangst-/zendomstandigheden
(voor de telefoon) voor tdurend. De ontvangst kan gestoord worden door de aanwezigheid van bergen, gebouwen, tunnels
of br uggen, vooral als u ver ver wijderd
bent van de zender waar naar u luistert of
van de zender voor de telefoonverbinding.
CONNECT Nav
TIPS EN AANWIJZINGEN
De werking van de telefoon kan
gestoord worden door medische apparatuur (bepaalde protheses, pacemakers,
enz) die niet voldoende bescher md zijn.
Zet de telefoon altijd uit als het gebr uik
ervan verboden is of in gebieden met een
hoog explosiegevaar zoals tankstations,
chemische fabrieken en in de nabijheid
van explosieve stoffen of ladingen.
189
CONNECT Nav
VOORZORGSMAATREGELEN EN
ONDERHOUD
Zonder dat er speciale voor
zorgsmaatregelen nodig zijn, is een lange levens duur van het systeem gegarandeerd. W endt
u bij storingen tot de Alfa Romeo-dealer.
Maak het bedieningspaneel alleen met een
zachte, droge en antistatische doek schoon.
Schoonmaak- en glansmiddelen kunnen het
front beschadigen.
Behandel het display met zorg. Als er scherpe voor werpen worden gebr uikt kunnen er
krassen en beschadigingen op het display
ontstaan.
COMPACT DISC
Als u de CD-speler gebr uikt, houd er dan
rekening mee dat door de aanwezigheid van
vuil of vingerafdr ukken op de CD er een
onderbreking in de weergave en een slechte
geluidskwaliteit kan ontstaan. Hetzelfde
gebeurt als per ongeluk de CD wordt gebogen.
Voor een perfecte weergave geven wij u de
volgende tips:
– Gebruik alleen CD’s met het merkteken:
190
– Berg na het beluisteren de CD weer op
in het doosje om te voorkomen dat er
vlekken of krassen ontstaan die de weergave kunnen verstoren.
– Stel de CD’ s niet bloot aan war mtebronnen, zonnestraling of vochtigheid om
te voorkomen dat de CD’s vervormen.
– Op het weergave-oppervlak van de CD
mag niets geplakt en geschreven worden.
Maak het display alleen met een zachte,
schone en droge doek schoon. Schoonmaaken glansmiddelen kunnen het display beschadigen.
Oefen geen druk op het
display uit tijdens het reinigen. Als er scherpe of harde
voorwerpen worden gebruikt, kunnen er krassen en beschadigingen
op het display ontstaan. Raak het
display niet met de vingers aan.
Raak bij breuk de vloeistof die kan
wegvloeien niet aan; als deze vloeistof in contact komt met de huid,
moet de huid onmiddellijk worden
gewassen met water en zeep.
– Gebruik voor het schoonmaken nooit
chemische producten (bijv . antistatische
sprays of thinner) omdat hierdoor het
oppervlak van de CD kan worden beschadigd.
– Verwijder eventuele vingerafdr ukken en
stof van het CD-opper vlak m.b.v. een zachte
doek. Houd de CD bij de randen vast en reinig de CD vanuit het midden naar de randen.
A0B0490b
CONNECT Nav
BEDIENINGSKNOPPEN
fig. 1
191
CONNECT Nav
1 - Toets T: frontpaneel openen
2 - Keuzetoets ù §. De functie van
de keuzetoets hangt af van het betreffende menu en van de manier waarop het
systeem werkt
a) menu afsluiten zonder de wijzigingen
op te slaan
3 - Toets AUD: menu geluidsinstellingen openen
10 - Toets MEN: menu instellingen
inschakelen
4 - Toets TA: RDS-TA (Traffic Announcement) in-/uitschakelen
5 - Display
6 - Toets Info i:
a) als tijdens de routebegeleiding op
deze toets wordt gedr ukt, wordt de laatste gesproken mededeling van het navigatiesysteem her haald en wordt de ingevoerde bestemming getoond
b) weergave van alle onderdelen van
het menu die eindigen met “…”
7 - Toets •: toegang tot de telematica-diensten van Targasys
8 - T oets T: TRAFFIC-menu oproepen
met de functies TIM (T raffic Infor mation
Memory) en TMC (T raffic Message
Channel) (tips om de files te ver mijden)
192
9 - Toets ESC:
b) naar het vorige scher m/menu terugkeren
11 - Draaiknop/toets
a) draaien: selecteren van onderdelen
die op het display getoond worden
b) indrukken: keuze bevestigen (OKtoets)
c) langer dan 2 seconden indr ukken:
keuze tussen 2- of 3-dimensionale weergave van de pictogrammen bij ingeschakeld navigatiesysteem en bevestigen ingevoerde gegevens
12 - Toets NAV: navigatiesysteem
inschakelen
13 - Multifunctionele toetsen §;
de functie van deze toetsen hangt af van
de inhoud van het menu
14 - Multifunctionele toetsen §;
de functie van deze toetsen hangt af van
de inhoud van het menu
15 - T oets £: inschakelen van de
Telefoonfunctie en toegang tot de beschikbare functies:
a) een inkomend gesprek aannemen
b) een gesprek beëindigen
16 - Draaiknop/toets
a) draaien: volumeregeling en overschakeling naar Mute
b) even ingedrukt houden (ongeveer 2
seconden): apparaat in-/uitschakelen
c) kort indr ukken (minder dan 2 seconde): Mute
17 - T oets SRC: keuze audiobron:
Radio, CD-speler of CD-wisselaar (CD-C)
(indien aanwezig)
19 (fig. 2) - CD-uitwerptoets
20 (fig. 2) - Knipperend lampje CDlade (audio of navigatie)
21 (fig. 3) - GSM-module met opening
(A) voor plaatsen SIM-kaar t ( C). Voor het
bereiken van de GSM-module moet het dashboardkastje aan passagierszijde worden geopend. Voor het verwijderen van de SIM-kaart,
moet met een daar voor geschikt voor werp
op het knopje ( B) worden gedr ukt. Op de
GSM-module zit een sticker waarop staat
aangegeven hoe de SIM-kaar t moet worden
geplaatst/verwijderd.
A0B0500b
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET
STUURWIEL
(indien aanwezig) (fig. 4)
De bedieningsknoppen van de belangrijkste functies van de autoradio zijn ook
op het stuur wiel geplaatst, zodat u de
autoradio nog eenvoudiger kunt bedienen:
CONNECT Nav
18 (fig. 2) - CD-lade
1. Toets voor verhogen volume
2. Toets voor verlagen volume
3. Toets voor Mute-functie
4. Keuzetoets voor golfband (FM1,
FM2, FMT , FMC, MW) of beschikbare
audiobron (Radio, CD-speler of CD-wisselaar)
5. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
– CD-speler: kort indrukken : volgend muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden: weergegeven muziekstuk snel vooruitspoelen
– CD-wisselaar (indien aanwezig):
kort indrukken : volgend muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden: weergegeven muziekstuk snel vooruitspoelen
A0B0307b
fig. 2
fig. 3
193
CONNECT Nav
6. Multifunctionele toets:
– Radio: opgeslagen stations oproepen
– CD-speler: kort indrukken : vorig
muziekstuk selecteren
even ingedrukt houden : weergegeven muziekstuk snel terugspoelen
– CD-wisselaar (indien aanwezig):
kort indrukken : vorig muziekstuk
selecteren
even ingedrukt houden : weergegeven muziekstuk snel terugspoelen
Toetsen voor volumeregeling
(1), (2) en (3)
Multifunctionele toetsen (5) en
(6)
De toetsen voor het regelen van het
volume ( 1) en ( 2) en voor het in/uitschakelen van de Mute-functie ( 3) werken op dezelfde wijze als de toetsen op
de autoradio.
Met de multifunctionele toetsen ( 5) en
(6) kunt u de opgeslagen stations oproepen, d e v olgende C D/het v olgende
muziekstuk of de vorige CD/het vorige
muziekstuk zoeken tijdens het luisteren
naar de CD-wisselaar.
Keuzetoets voor golfband (4)
Druk op toets ( 5) om de opgeslagen
stations in oplopende volgorde te selecteren of de volgende CD/het volgende
muziekstuk te beluisteren.
Door telkens kor t toets ( 4) in te dr ukken kunt u kiezen uit de beschikbare
audiobronnen (Radio, CD-speler of CD-wisselaar).
A0B0357b
194
fig. 4
Druk op toets ( 6) om de opgeslagen
stations in aflopende volgorde te selecteren of de vorige CD/ het vorige muziekstuk te beluisteren.
IN-/UITSCHAKELEN VAN HET
CONNECT Nav
In-/uitschakelen
bij uitgezette motor
KEUZEMOGELIJKHEID WERKING
Druk ongeveer 1 seconde op de draaiknop/toets (16) om het Connect Nav in
te schakelen. Het systeem geeft de laatst
beluisterde audiobron weer op het vooraf
ingestelde volumeniveau.
Het Connect Nav kan ook gebr uikt worden als de motor uitstaat (contactsleutel
in stand STOP).
Ga als volgt te werk om de gewenste
bron te selecteren:
BELANGRIJK Als u het systeem uitschakelt en ver volgens weer inschakelt,
wordt de bron weergegeven op het volumeniveau van voor de uitschakeling. Als
het volumeniveau echter hoger was dan
het ingestelde niveau, wordt de audiobron
weergegeven op het ingestelde volumeniveau.
Zie voor het instellen van het volume bij
inschakeling “V olumeregeling bij inschakeling, T A-informatie, berichten en snelheidsafhankelijke volumeregeling (svr)”
in het hoofdstuk “Standaardinstellingen
regelen”.
Om het apparaat in te schakelen, moet
u ongeveer 1 seconde de draaiknop/toets
(16) indrukken.
BELANGRIJK Als de contactsleutel
in stand STOP staat, schakelt na ongeveer 1 uur het apparaat automatisch uit
om te voorkomen dat de accu van de auto
ontlaadt. Als u de motor star t, wordt de
tijdslimiet opgeheven.
CONNECT Nav
WERKING
– druk op de toets SRC ( 17);
– selecteer met de draaiknop/toets
(16) de functie Radio, CD-speler of CDwisselaar (indien aanwezig).
Druk op de toets NAV (12) om het navigatiesysteem in te schakelen.
Als een bron is geselecteerd, verschijnt
het bijbehorende hoofdmenu/hoofdscherm.
Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
Druk op de toets • (7) om toegang te
krijgen tot de diensten van Targasys.
195
CONNECT Nav
VOLUMEREGELING
Volume verhogen : draai de draaiknop/toets (16) rechtsom.
Volume verlagen : draai de draaiknop/toets (16) linksom.
Tijdens het instellen van het volume,
wordt het volumeniveau grafisch op het
display weergegeven (deze grafische
weergave verschijnt alleen bij het hoofdmenu van de audiobron) ( fig. 5).
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Wij raden u dan ook aan om het
volume altijd zo te regelen dat
geluiden van buiten (bijv
.
claxons, sirenes van ambulance,
brandweer, politie e.d.) hoorbaar
blijven.
DISPLAY fig. 6
Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld, schakelt de nachtverlichting in
(omgekeerde kleuren) ( fig. 7 ). Als u
overdag de koplampen hebt ingeschakeld,
kunt u de nachtverlichting uitschakelen,
zie de paragraaf “Display instellen” in het
hoofdstuk “Standaardinstellingen regelen”.
BELANGRIJK Als u naar een gesproken bericht van het navigatiesysteem luistert, kan het volume onafhankelijk van
het standaardvolume van de audiobron
gewijzigd worden.
A0B3021i
196
fig. 5
A0B3222i
A0B3095i
fig. 6
fig. 7
U kunt de “bassen” en “hoge tonen”
voor iedere audiobron gescheiden instellen. De Balans, Fader en Loudness kunnen
niet gescheiden worden geregeld.
Stel het geluid als volgt in:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het SRC-menu.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste audiobron (Radio, CDspeler of CD-wisselaar, indien aanwezig).
3) Druk op de toets AUD (3); op het display verschijnt het audio-menu voor het
instellen van het geluid (fig. 8).
4) Draai de draaiknop/toets (11) totdat
het gewenste menupunt is geselecteerd.
5) Druk op de draaiknop/toets (11) om
het geselecteer de menupunt (“BASSEN”,
“HOGE TONEN”, enz.) te bevestigen (fig.
9).
6) Draai de draaiknop/toets (11) om
de gewenste instelling te regelen.
Als u de gew ijzigde waarden n iet wilt
opslaan en u terug wilt keren naar het vorige menu, druk dan op de toets ESC (9).
BELANGRIJK Als u o p geen e nkele
toets dr ukt, v erschijnt na 30 se conden
automatisch het vorige menu op het dis play.
BELANGRIJK Als d e a uto i s u itgerust
met het Bose hifi-systeem, kan de waar de
van de Loudness niet geregeld worden.
(fig. 10).
A0B3096i
fig. 8
Druk op de draaiknop/toets (11) om de
zojuist gewijzigde waarden op te slaan.
CONNECT Nav
KLANKKLEURREGELING
(MENU AUD)
A0B3097i
fig. 9
A0B3223i
fig. 10
197
CONNECT Nav
RADIO
NAAR DE RADIO LUISTEREN
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de Radio (fig. 12) en er wordt afgestemd op het laatste station dat u beluisterde voor het uitschakelen.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de audiobron Radio (TUNER)
(fig. 11) of druk, als er een CD in de CDspeler of CD-wisselaar zit, op de toets ESC
(9).
Op de bovenste regel van het display
wordt het volgende weergegeven: het station waarop was afgestemd voor de uitschakeling van het apparaat en de 6 op
de golfband opgeslagen stations.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op de onderste regel van het display
wordt (behalve bij het AUDIO-menu) het
volgende weergegeven: de aanwezigheid
van een audio- of navigatie-CD, de golfband waarop is afgestemd (bijv. FM1), de
TA-status of de TMC-status.
A0B3163i
198
fig. 11
GOLFBAND SELECTEREN
U kunt programma’s op de FM- of MW golfband (middengolf) ontvangen fig.
13. Om de gewenste golfband bij ingeschakelde radio te selecteren, moet u de
toets SRC (17) indrukken.
Radiostations selecteren
Met de multifunctionele toetsen § (13
en 14) kunt u de opgeslagen stations
selecteren (kort indrukken) of andere stations opslaan (even ingedrukt houden).
A0B3095i
fig. 12
A0B3000i
fig. 13
Automatische afstemming
1) Druk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen (fig.
14).
2) Druk op de toets (
14) bij het
opschrift SEARCH totdat de indicatie “ $”
of “§” (de standaardinstelling is “§”)
verschijnt.
3) Druk op de keuzetoets § of ù
(2) om het zoeken naar stations te starten.
BELANGRIJK Als de TA-functie is ingeschakeld, worden alleen de stations opgeslagen die verkeersinformatie uitzenden
(opschrift TP op het display).
Handmatige afstemming
Ga voor het handmatig afstemmen als
volgt te werk:
1) Schakel de RDS-functie uit (zie RDSFUNCTIE in dit hoofdstuk) zodat de frequentie zichtbaar wordt.
2) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen (fig.
14).
STATIONS OPSLAAN
Er kunnen maximaal 24 FM-stations verdeeld over vier golfbanden (FM1, FM2,
FMT en FMC) en 6 MW -stations worden
opgeslagen.
CONNECT Nav
AFSTEMMEN OP FM-STATIONS
Handmatig opslaan
Ga voor het handmatig opslaan van stations als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets SRC (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio (fig. 15).
3) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift SEARCH totdat de indicatie $ verschijnt.
A0B3102i
4) Dr uk op de keuzetoets § of ù
(2) om het handmatig zoeken naar stations te starten.
A0B3000i
De frequentie wisselt trapsgewijs met
100 kHz op de FM-golfband en met 9
kHz op de MW-golfband.
fig. 14
fig. 15
199
CONNECT Nav
2) Selecteer de gewenste FM-golfband
(FM1, FM2, FMT, FMC) of MW -golfband
met toets ( 13) of ( 14). Na de keuze
wordt automatisch ter uggekeerd naar het
hoofdmenu van de radio.
3) Stem af op het station door de keuzetoets § of ù (2) in te drukken.
4) Druk op de toets ( 13) of ( 14) die
overeenkomt met de geselecteerde golfband en houd de toets ingedr ukt totdat
het volume wordt onderdrukt (het signaal
dat het station is opgeslagen). De frequentie of de naam van het opgeslagen
station verschijnen op het display op de
vooraf ingestelde positie.
Automatisch opslaan T-STORE
Op de FMT -golfband kunnen automatisch de 6 stations met het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin u rijdt,
worden opgeslagen.
Met de T A-functie (T raffic Announcement) worden alleen de 6 stations met
het sterkste ontvangstsignaal opgeslagen
die verkeersinformatie kunnen uitzenden.
Als de functie T ravelstore is ingeschakeld, dan wordt op de bovenste regel van
het display de voor tgang van de procedure, uitgedrukt in procenten, weergegeven.
Als de stations zijn opgeslagen, wordt
automatisch afgestemd op de FMT -golfband en wordt gevraagd of u de zojuist
opgeslagen stations kort wilt beluisteren.
BELANGRIJK De opgeslagen stations
worden ver vangen als stations worden
opgeslagen met de functie T-STORE.
Ga voor het automatisch opslaan van
stations (T-STORE) als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets SRC (17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio.
2) Dr uk op de toets (
opschrift PAGINA 2.
13) bij het
3) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift T-STORE (fig. 16).
200
A0B3004i
fig. 16
Het apparaat kan op de FMC-golfband
automatisch de 6 stations met het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin
u rijdt, opslaan.
BELANGRIJK De op de FMC-golfband
opgeslagen stations worden vervangen als
nieuwe stations worden opgeslagen door
middel van TMC STORE.
BELANGRIJK De functie TMCSTORE
kan alleen worden ingeschakeld als reeds
eenmaal een navigatie-CD is geplaatst van
het land waarin wordt gereden. Deze CD
moet de TMC-infor matie ondersteunen
(op het etiket van de CD staat TMC vermeld).
Als de functie T ravelstore is ingeschakeld, dan wordt op de bovenste regel van
het display de voor tgang van de procedure, uitgedrukt in procenten, weergegeven.
Als de stations zijn opgeslagen, worden
alle op de FMC-golfband opgeslagen stations enkele seconden weergegeven.
Daarna wordt automatisch afgestemd op
het eerste opgeslagen station.
BELANGRIJK Het automatisch
opslaan van stations met de functie TMCSTORE kan enige tijd in beslag nemen
omdat alle op de FMC-golfband te ontvangen TMC-stations worden afgezocht.
SCAN-FUNCTIE
Als de SCAN-functie is ingeschakeld,
wordt er over de gehele golfband naar stations gezocht die te ontvangen zijn. Ieder
station wordt 10 seconden weergegeven;
de SCAN-functie schakelt automatisch uit
als de gehele golfband is doorlopen. Bij
ingeschakelde T A-functie wordt er alleen
naar stations gezocht die verkeersinformatie kunnen uitzenden. Als op een van
deze stations wordt afgestemd, verschijnt
op de onderste regel van het display het
symbool TP of T A als de functie T raffic
Announcement is ingeschakeld.
CONNECT Nav
Automatisch
opslaan TMCSTORE
Ga voor het automatisch opslaan van
stations (TMCSTORE) als volgt te werk:
A0B3005i
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets TU ( 17); op het display verschijnt
het functiemenu van de radio ( fig. 17).
2) Dr uk op de toets (
opschrift PAGINA 2.
13) bij het
3) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift TMCSTORE (fig. 17).
fig. 17
201
CONNECT Nav
Ga voor het inschakelen van de SCANfunctie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets SRC (17); op het display verschijnt
het hoofdmenu van de radio ( fig. 15).
2) Dr uk op de toets (
opschrift PAGINA 2.
13) bij het
3) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SCAN ( fig. 18); het zoeken
begint en op het display verschijnt het
opschrift SCAN zolang er gezocht wordt
(fig. 19).
TMC-SCAN FUNCTIE
Met deze functie wordt er over de gehele FMC-golfband naar stations gezocht die
te ontvangen zijn.
Ga voor het inschakelen van de TMC
SCAN-functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets SRC (17); op het display verschijnt
het hoofdmenu van de radio ( fig. 15).
2) Dr uk op de toets (
opschrift PAGINA 2.
13) bij het
3) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift TMC-SCAN (fig. 20).
Het zoeken begint en op het display verschijnt het opschrift TMC SCAN zolang er
gezocht wordt.
Druk voor het uitschakelen van de TMC
SCAN-functie, of om te blijven luisteren
naar een station dat tijdens het zoeken
gevonden is, op de toets ESC (9); de TMC
SCAN-functie wordt onderbroken bij het
laatst ontvangen station.
Druk op de toets ESC ( 9) om de SCANfunctie uit te schakelen; de SCAN-functie
wordt onderbroken bij het laatst ontvangen station.
A0B3006i
202
fig. 18
A0B3008i
fig. 19
A0B3007i
fig. 20
Dankzij het Radio Data System wordt de
geluidsweergave van stations op de FMband (frequentiemodulatie) verbeterd.
Met het RDS wordt automatisch op de
optimale frequentie van het door u beluisterde station afgestemd (alter natieve frequentie). Dit systeem werkt alleen bij stations die deze functie ondersteunen.
Hierdoor kan altijd naar hetzelfde station
geluisterd worden, zonder dat opnieuw
moet worden afgestemd als u in een andere regio komt. Uiteraard moet het station
ontvangen kunnen worden in het betreffende gebied.
Bij ingeschakelde RDS verschijnen op het
display de naam van het station (maximaal 8 tekens) waarop is afgestemd
(Program Ser vice) en de status van de
verkeersinformatie. Het audio/navigatiesysteem zal de optimale ontvangstfrequentie zoeken van het gewenste station.
2) Druk meerdere keren op toets ( 14)
bij het opschrift RDS om een van de hierna beschreven menu-onderdelen (V AR,
FIX of OFF) te selecteren (de standaardinstelling is VAR):
FIX
In-/uitschakelen
Ga voor het gebr uik van het RDS als
volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
21).
VAR Standaardinstelling waarbij de
functie Radio RDS volledig is
ingeschakeld. Ook reclameteksten worden op het display
weergegeven.
OFF
A0B3001i
fig. 21
Radio RDS inschakelen.
Aangezien bepaalde stations
RDS niet alleen gebr uiken om
hun naam in beeld te krijgen,
maar ook voor reclameteksten,
kunt u het systeem zo instellen
dat alleen de naam van het station op het display verschijnt.
CONNECT Nav
RDS-FUNCTIE
(RADIO DATA SYSTEM)
De functie Radio RDS wordt uitgeschakeld. De stations worden
onderscheiden door middel van
de frequentie-aanduiding op het
display (bijvoorbeeld: 87.5). Bij
deze instelling blijft ook de T Afunctie uitgeschakeld.
203
CONNECT Nav
REG-FUNCTIE
Op bepaalde uren van de dag zenden
enkele stations regionale programma’ s
uit. Als de functie is uitgeschakeld en u
hebt afgestemd op een regionaal station
dat in een bepaald gebied uitzendt, dan
zult u als u in een ander gebied komt, het
regionale station van dat nieuwe gebied
ontvangen.
In-/uitschakelen
Om de REG-functie in te schakelen, moet
op een FM-golfband zijn afgestemd. Ga
als volgt te werk:
PTY-FUNCTIE
(PROGRAM TYPE)
In-/uitschakelen
De PTY -functie is verbonden met het
RDS. De stations maken via PTY de
inhoud (POP, ROCK, enz.) van hun programma’s bekend, waardoor een keuze
kan worden gemaakt.
Als u bij ingeschakelde PTY -functie een
nieuw station selecteert, verschijnt enkele
seconden de inhoud van het programma
op het display. Als het station daarentegen
de PTY-functie niet bezit, wordt de inhoud
niet weergegeven.
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
22).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift REG; op het display verschijnt ON
of OFF. De standaardinstelling is OFF (functie uitgeschakeld). B ij ingeschakelde functie wisselt de frequentie alleen als het st ation niet meer op de huidige frequentie is
te ontvangen.
204
Ga voor het in-/uitschakelen van de PTYfunctie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10) ; op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen (fig.
22).
2) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift PTY; op het display verschijnt ON
(functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld). De standaardinstelling is ON.
Bij ingeschakelde PTY -functie verschijnt
PTY op het display (fig. 23) als u op een
radiostation afstemt.
A0B3001i
fig. 22
A0B3003i
fig. 23
Bij ingeschakelde PTY -functie kunnen er
alarmberichten worden ontvangen (bijvoorbeeld: smogalar m). In dat geval zal
op het display een gevaarindicatie verschijnen en wordt de alar mmelding weergegeven op het volumeniveau dat is ingesteld voor de verkeersinformatie.
Als u de alar mberichten wilt onderbreken, moet de toets MEN (10) of ESC (9)
worden ingedrukt.
TA-FUNCTIE
(TRAFFIC ANNOUNCEMENT)
De functie kan alleen worden ingeschakeld als op de FM-golfband is afgestemd.
Als naar de CD-speler of de CD-wisselaar
(indien aanwezig) wordt geluisterd of het
navigatiesysteem is ingeschakeld, en de
toets TA (4) wordt ingedrukt, schakelt de
radio over naar de FM-golfband en schakelt de T A-functie in: de audiobron verandert niet en op het display verschijnt het
opschrift “TA”.
Bij ingeschakelde TA-functie kan ook verkeersinformatie worden ontvangen als de
CD-speler of CD-wisselaar (indien aanwezig) of het navigatiesysteem is ingeschakeld. Als er verkeersinfor matie wordt uitgezonden, wordt er automatisch afgestemd op het programma dat verkeersinformatie uitzendt. Na de verkeersinformatie schakelt het navigatiesysteem automatisch terug naar de bron die u beluisterde.
BELANGRIJK Als u met ingeschakelde
TA-functie naar de radio luister t en u het
ontvangstgebied verlaat van het station
dat verkeersinformatie uitzendt of dit station is niet meer te ontvangen, hoor t u
een waarschuwingssignaal (een “biep”);
in dit geval wordt de TP-functie (T raffic
Program) automatisch ingeschakeld.
CONNECT Nav
Alarmberichten ontvangen
Verkeersinformatie
onderbreken
Als u bij ingeschakelde TA-functie de verkeersinformatie wilt onderbreken, moet
de toets T A ( 4) of MEN ( 10) worden
ingedrukt, of op een ander station worden
afgestemd.
Druk om de T A-functie uit te schakelen
op de toets TA (4).
205
CONNECT Nav
TMC-FUNCTIE
(TRAFFIC MESSAGE CHANNEL)
Weergave opgeslagen TMCberichten
Het laatste bericht krijgt nummer 1 toebedeeld.
Met de TMC-functie kan verkeersinformatie worden ontvangen. Het apparaat
analyseert de infor matie en “leidt” de
bestuurder naar de vooraf ingevoerde
bestemming.
Ga voor weergave van de TMC-berichten
met verkeersinformatie als volgt te werk:
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) een van de berichten.
Niet alle stations ondersteunen de TMCfunctie waardoor het kan gebeuren dat er
in bepaalde gebieden geen verkeersinformatie wordt ontvangen.
Als de functie “Dynamisch routebegeleiding” is ingeschakeld (zie “Dynamische
routebegeleiding” in het hoofdstuk
“Navigatiesysteem inschakelen”), stemt
het navigatiesysteem automatisch af op
een TMC-station.
1) Druk op de toets T ( 8).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIM/TMC (fig. 24).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift T-INFO (fig. 25).
6) Druk na het lezen van het gewenste
bericht of de gewenste berichten op de
toets T (8) of ESC (9) om het raadplegen
te beëindigen.
BELANGRIJK TMC-berichten die
betrekking hebben op verkeerssituaties op
100 km of meer van de auto worden niet
door de TMC-functie ver werkt.
Op het display verschijnt het laatste
bericht. Op de bovenste regel van het display wordt het aantal weergegeven
berichten getoond en het aantal opgeslagen berichten.
Als u naar een TMC-station luister t, verschijnt op de onderste regel van het display het opschrift “TMC”.
U kunt maximaal 6 TMC-stations
opslaan in het FMC-geheugen (zie
paragraaf “Automatisch opslaan
TMCSTORE” op de volgende pagina’s).
A0B3214i
A0B3212i
Met deze functie is het dus mogelijk de
6 stations met het sterkste ontvangstsignaal in het gebied waarin u rijdt, op te
slaan.
206
fig. 24
fig. 25
R-TXT-FUNCTIE
Als u op een FM-station hebt afgestemd,
kan het ontvangstsignaal zo nu en dan
gestoord worden. Dit wordt veroor zaakt
door nabij gelegen stations. Met de
SHARX-functie kunnen de storingen worden verminderd.
R-TXT (Radiotext) is een service die door
enkele RDS-stations wordt geleverd. De
functie Radiotext lever t niet alleen de
naam van het station maar ook informatie
over het uitgezonden programma of geeft
de titel aan van het weergegeven muziekstuk.
In-/uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van de
SHARX-functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
26).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SHARX; op het display verschijnt
ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie
uitgeschakeld). De standaardinstelling is
ON.
In-/uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van de
RADIOTEXT-functie als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu voor de radio-instellingen ( fig.
26).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift R-TXT ; op het display verschijnt
ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie
uitgeschakeld). De standaardinstelling is
OFF.
Als op het display het opschrift
“Radiotext” verschijnt en u wilt bijvoorbeeld op een ander station afstemmen, ga
dan als volgt te werk:
CONNECT Nav
SHARX-FUNCTIE
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets ( 13) of ( 14); op het display verschijnt het functiemenu van de radio met
uitzondering van de Radiotext-functie.
2) Op een ander station afstemmen: in
dit geval verschijnt de Radiotext-functie,
indien beschikbaar, op het display.
A0B3001i
fig. 26
207
CONNECT Nav
TIM-FUNCTIE
Het systeem is voorzien van een digitaal
spraakgeheugen waarin automatisch
maximaal 14 berichten met verkeersinformatie (met een totale duur van maximaal
4 minuten) worden opgeslagen.
Afhankelijk van de lengte van de nieuwe
berichten worden eerdere berichten
gewist.
BELANGRIJK Berichten die langer
dan 4 minuten duren worden niet helemaal opgeslagen. In dit geval verschijnt
op het display het opschrift OVERFLOW.
Als tijdens het luisteren naar een TIMbericht nieuwe verkeersinfor matie wordt
uitgezonden, dan wordt het eerste bericht
onderbroken en het nieuwe bericht uitgezonden.
Berichten met
verkeersinformatie opslaan
Keuze registratietijd van berichten met verkeersinformatie
De verkeersinfor matie wordt automatisch opgeslagen tijdens het beluisteren
van stations die verkeersinfor matie kunnen uitzenden of als de TIM-functie is
ingeschakeld en het systeem is uitgeschakeld.
Ga als volgt te werk om bij ingeschakeld
apparaat de registratietijd te kiezen van
berichten met verkeersinformatie:
De berichten kunnen 2 uur of 24 uur in
het geheugen blijven opgeslagen (zie de
volgende paragraaf “Keuze registratietijd
van berichten met verkeersinformatie”).
Als wordt geluisterd naar een station dat
geen verkeersinfor matie uitzendt en het
systeem wordt uitgeschakeld met ingeschakelde TIM-functie, dan wordt automatisch gezocht naar een station dat wel verkeersinformatie uitzendt.
1) Druk op de toets T ( 8); op het display verschijnt het TRAFFIC-menu ( fig.
25).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIM/TMC ( fig. 27)
en druk vervolgens op de draaiknop/toets
(11) om de keuze te bevestigen.
A0B3214i
208
fig. 27
BELANGRIJK Als op het display het
TRAFFIC-menu is weergegeven, dan kan
de TIM-functie ook worden in-/uitgeschakeld door de toets T ( 8) langer dan 2
seconden in te drukken.
Als het systeem wordt uitgeschakeld,
verschijnt het opschrift “GOODBYE” op
het display en de registratietijd van de eerder opgeslagen berichten.
Opgeslagen berichten met verkeersinformatie beluisteren
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
berichten met verkeersinfor matie op te
vragen:
1) Druk op de toets T ( 8); op het display verschijnt het TRAFFIC-menu ( fig.
25).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIM/TMC ( fig. 27)
en druk vervolgens op de draaiknop/toets
(11) om de keuze te bevestigen.
Na het beluisteren van het laatste bericht
schakelt het systeem automatisch over
naar de laatst geselecteerde audiobron
(Radio, CD-speler of CD-wisselaar).
Als u wilt blijven luisteren naar de laatst
geselecteerde audiobron (Radio, CD-speler
of CD-wisselaar) zonder weergave van alle
berichten met verkeersinfor matie, dr uk
dan op de toets T ( 8) of ESC (9).
CONNECT Nav
3) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift TIM (fig.28) totdat de gewenste tijd verschijnt: het bericht blijft 2 uur
opgeslagen; 24H = het bericht blijft 24
uur opgeslagen of OFF (functie uitgeschakeld).
3) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift TIM-INFO: het laatst opgeslagen
bericht krijgt het hoogste nummer (nummer 14) toegekend en wordt het eerst
weergegeven; daarna worden in aflopende
volgorde de andere berichten weergegeven. Het display toont de tijd waarop het
bericht dat beluisterd wordt, ontvangen is.
A0B3212i
fig. 28
209
CONNECT Nav
CD-SPELER (CD)
U kunt een audio-CD in de ingebouwde
speler of in de CD-wisselaar beluisteren
(indien aanwezig).
Tijdens de CD-weergave verschijnen op
het display het nummer van het muziekstuk en de speelduur of alleen het nummer van het muziekstuk (afhankelijk van
de gekozen instelling, zie “CD-functie inschakelen” in dit hoofdstuk.
In het hoofdmenu van de CD-speler
(fig. 29 ) staan alle nummers van de
muziekstukken op de CD en wordt het
beluisterde muziekstuk aangegeven. Onder het muziekstuk staat een grafisch
symbool dat de speelduur aangeeft.
A0B3010i
Op de onderste regel van het display
verschijnt een symbool dat aangeeft dat
er naar een audio-CD wordt geluisterd en
wordt aangegeven of de CD’ s in een geprogrammeerde volgorde worden afgespeeld. Tevens worden de huidige audiobron (CD) en de TA- en TMC-status aangegeven.
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN
Ga voor het plaatsen van de CD als
volgt te werk:
1) Dr uk op de toets T (1) om het
frontpaneel te openen.
2) Druk op toets ı (19) om een eventueel geplaatste CD te verwijderen.
3) Plaats de audio-CD, met de bedr ukte
zijde naar boven, in de opening aan de
rand van het geopende frontpaneel.
4) Dr uk de CD voor zichtig in de opening, totdat de CD automatisch in de speler wordt getrokken.
5) Sluit het frontpaneel.
210
fig. 29
Zodra u een audio-CD hebt geplaatst,
wordt de weergave automatisch gestar t.
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de CD-speler (fig. 29).
Ga voor het ver wijderen van de CD als
volgt te werk:
1) Dr uk op de toets T (1) om het
frontpaneel te openen.
2) Dr uk op de toets ı (19) aan de
binnenzijde van het frontpaneel (zie het
hoofdstuk “Bedieningsknoppen”); de CD
wordt voor de helft uitgeworpen.
3) Pak de CD vast bij de opening in het
midden en neem de CD geheel uit de zitting.
4) Sluit het frontpaneel.
BELANGRIJK Open het frontpaneel
alleen voor het plaatsen en ver wijderen
van de CD. Als het frontpaneel langer dan
30 seconden geopend is, klinkt er een
geluidssignaal. Sluit het frontpaneel om
dat signaal te onderbreken.
CD-SPELER INSCHAKELEN
Bij ingeschakelde radio
Zodra u een audio-CD hebt geplaatst,
wordt de weergave automatisch gestart.
Bij ingeschakeld navigatiesysteem
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets ESC (9).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het opschrift CD-C.
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de CD-speler ( fig. 29 ) en de CD
wordt weergegeven.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC (17).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CD-C (fig. 30).
Als de laatst beluisterde CD-bron de CD wisselaar (indien aanwezig) was en in de
CD -wisselaar zit tenminste één audio-CD,
ga dan als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar (fig. 31).
CONNECT Nav
CD-WEERGAVE
(BIJ INGEBOUWDE SPELER)
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CD. Op het display verschijnt het
hoofdmenu van de CD-speler ( fig. 29)
en de weergave van de CD wordt gestart.
BELANGRIJK Als er geen CD in de
speler zit of als er per ongeluk een navigatie-CD-ROM is geplaatst, zal op het display een waarschuwing verschijnen.
A0B3216i
fig. 30
A0B3011i
fig. 31
BELANGRIJK Als de ingebouwde CDspeler geen enkele audio-CD bevat, verschijnt op het display het symbool S voor
het opschrift CD van het functiemenu van
de CD-speler.
211
CONNECT Nav
Weergave speelduur/nummer
van muziekstuk in-/uitschakelen
Ga als volgt te werk voor de weergave
van de speelduur en het nummer van het
beluisterde muziekstuk:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-speler.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TIME ( fig. 32); op het display
verschijnt ON (ingeschakeld) of OFF (uitgeschakeld). De standaardinstelling is
ON.
A0B3012i
212
fig. 32
Verkeersinformatie ontvangen
Om de verkeersinfor matie in of uit te
schakelen (zie “T A-functie” in het vorige
hoofdstuk) tijdens de werking van de CD,
moet kor t de toets T A ( 4) worden ingedrukt: op de onderste regel van het
hoofdmenu van de CD-speler verschijnt
(functie ingeschakeld) of verdwijnt (functie uitgeschakeld) het symbool TA.
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN
SELECTEREN
Als u een volgend muziekstuk wilt selecteren, moet u kort de keuzetoets § (2)
indrukken; als het laatste muziekstuk is
bereikt en u opnieuw de keuzetoets §
(2) indrukt, wordt het eerste muziekstuk
op de CD geselecteerd.
Als u het muziekstuk wilt her halen of
een vorig muziekstuk wilt selecteren,
moet u kor t keuzetoets ù (2) indr ukken; als het eerste muziekstuk is bereikt
en u opnieuw de keuzetoets ù (2) indrukt, wordt ter uggekeerd naar het laatste muziekstuk van de CD.
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN
Als u een bepaald gedeelte van het beluisterde muziekstuk opnieuw wilt beluisteren, kan dit geselecteerd worden: Dr uk
tijdens de weergave op de keuzetoets
ù of § (2) en houd de toets ingedrukt; het muziekstuk wordt hoorbaar
vooruit-/teruggespoeld.
Ga voor de willekeurige weergave van
de muziekstukken op de CD als volgt te
werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 31).
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift MIX (fig. 33).
Druk om de MIX-functie uit te schakelen
op de toets ESC (9).
De MIX-functie schakelt automatisch uit
als de SCAN-functie wordt ingeschakeld.
SCAN-FUNCTIE (alle muziekstukken op CD kort beluisteren)
REPEAT-FUNCTIE (muziekstukken
op CD herhalen)
Ga als u het begin van alle muziekstukken op een CD wilt beluisteren als volgt
te werk:
Met de functie REPEAT kan een muziekstuk worden herhaald.
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 31).
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SCAN (fig. 34).
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 31).
Druk om de SCAN-functie uit te schakelen op de toets ESC (9).
2) Selecteer bij ingeschakelde CD-speler
het gewenste muziekstuk met de keuzetoets ù of § (2).
De SCAN-functie schakelt automatisch uit
als de MIX-functie wordt ingeschakeld.
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift REPEAT (fig. 35).
A0B3013i
fig. 33
Ga voor het inschakelen van de REPEA Tfunctie als volgt te werk:
A0B3014i
fig. 34
CONNECT Nav
MIX-FUNCTIE
(willekeurige weergave van de
muziekstukken)
A0B3015i
fig. 35
213
CONNECT Nav
Het muziekstuk wordt her haald totdat
de functie REPEA T wordt uitgeschakeld.
Op de onderste regel van het hoofdmenu
van de CD-speler verschijnt het opschrift
RPT.
4) Dr uk op de toets SRC ( 17) om terug te keren naar het hoofdmenu van de
CD-speler (fig. 29).
Om de REPEA T-functie uit te schakelen,
moet u de bij punt 2) en 4) beschreven
handelingen herhalen.
De REPEAT-functie schakelt automatisch
uit als de MIX- of SCAN-functie wordt ingeschakeld.
PROGRAM-FUNCTIE (muziekstukken op volgorde programmeren)
U kunt uw favoriete muziekstukken op
volgorde programmeren en de weergave
van andere uitsluiten.
Gewenste volgorde instellen
Ga om de gewenste volgorde in te stellen als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 31).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het op-
schrift PROGRAM; op het display verschijnt het CD-programmeer menu ( fig.
37). Als geen enkel muziekstuk is gekozen, kunnen de functies CLR PRG en RUN
niet geselecteerd worden (bij de functies
staat het symbool S).
3) Selecteer het eerste muziekstuk dat
u wilt invoeren met de keuzetoets ù of
§ (2).
BELANGRIJK De muziekstukken kunnen alleen oplopend geprogrammeerd
worden (voorbeeld: 1, 4, 7, enz. en niet
3, 1, 4, enz.).
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift ADD om het eerste muziekstuk in
te voeren.
5) Selecteer het volgende muziekstuk
met de keuzetoets ù of § (2) en
druk op de toets ( 13) bij het opschrift
ADD.
A0B3019i
214
fig. 36
A0B3020i
fig. 37
Herhaal deze procedure voor alle in de
volgorde op te nemen muziekstukken.
De geprogrammeerde volgorde blijft gehandhaafd, ook als de CD wordt uitgenomen.
Een geprogrammeerde volgorde
wissen
CD NAME-FUNCTIE
(naam aan CD toekennen)
Ga voor het wissen van geprogrammeerde muziekstukken als volgt te werk:
Ga om de geprogrammeerde volgorde
te wissen als volgt te werk:
1) Druk in het functiemenu van de CDspeler (fig. 31) op de toets ( 13) bij
het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang
tot het CD-programmeermenu (fig. 37).
1) Druk in het functiemenu van de CDspeler ( fig. 31 ) op de toets ( 13) bij
het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang
tot het CD-programmeermenu (fig. 37)
Met deze functie kunnen CD’ s van een
naam (met een lengte van maximaal 7
karakters) worden voorzien.
2) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het muziekstuk dat gewist moet
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR PRG.
worden.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SKIP.
Geprogrammeerde volgorde afspelen/onderbreken
Nadat de gewenste muziekstukken zijn
geprogrammeerd, moet u de toets ( 13)
bij het opschrift RUN (fig. 37) indr ukken.
Het laatst geprogrammeerde muziekstuk wordt als eerste weergegeven en op
het display verschijnt TPM.
Om de geprogrammeerde volgorde te
onderbreken maar niet te wissen, moet u
de toets ( 13) bij het opschrift RUN indrukken.
Alle geprogrammeerde volgordes
wissen
Ga om alle volgordes uit het geheugen
te wissen als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM. U krijgt toegang tot het
CD-programmeermenu (fig. 37).
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL.
3) Er verschijnt een vraag op het display; selecteer JA met de
draaiknop/toets (11).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Bij de Sedan-uitvoeringen, waar voor
een Blaupunkt 10-CD-wisselaar is voorzien, blijft de naam die aan een CD is
toegekend in het geheugen opgeslagen,
ook als de CD wordt uitgenomen.
CONNECT Nav
Geprogrammeerde muziekstukken wissen
Ga voor het toekennen van een naam
als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 31).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift N AME (fig. 38 ); op het display
verschijnt het menu CD Name.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift EDIT (fig. 39 ); op het display
verschijnt de speller (fig. 40).
Naam invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de eerste letter van de naam te selecteren die u aan de CD wilt geven: de geselecteerde letter wordt rechts op het display getoond (fig. 40).
215
CONNECT Nav
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen: de letter
wordt in de bovenste regel ingevoerd.
3) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
Als de volledige naam is ingevoerd,
moet u de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden ingedr ukt houden of het
symbool ¯ selecteren en de
draaiknop/toets ( 11) indr ukken. De
naam wordt op deze wijze opgeslagen en
vervolgens wordt het CD-functiemenu opgeroepen. De naam van de CD verschijnt
in het gebied van de functies van het
hoofdmenu van de CD-speler.
Letter wissen
Namen van alle CD’s wissen
Als u tijdens het invoeren van de naam
een letter wilt wissen, moet u op de toets
ESC ( 9) dr ukken of het symbool ¯
selecteren en de draaiknop/toets ( 11)
indrukken.
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
namen van alle CD’s te wissen:
Naam van geselecteerde CD wissen
Ga als volgt te werk:
1) Roep het menu CD Name op zoals
hiervoor beschreven.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR NAME; de naam wordt gewist,
ook als u opnieuw de speller oproept.
1) Roep het menu CD Name op zoals
hiervoor beschreven.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL; op het display verschijnt
de vraag om te bevestigen. Als u de namen van de CD’ s wilt wissen, selecteer
dan JA met de draaiknop/toets (11).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen. Als u daarentegen de namen niet wilt wissen, druk
dan op de toets ESC (9).
Om het menu te verlaten, moet u het
symbool ¯ selecteren of langer dan 2 seconden de draaiknop/toets ( 11) indrukken.
A0B3248i
A0B3224i
216
fig. 38
fig. 39
A0B3018i
fig. 40
CD PLAATSEN/VERWIJDEREN
Houder in de CD-wisselaar plaatsen
Houder uit de CD-wisselaar
verwijderen
CD-wisselaar vullen (Sedan-uitvoeringen) (fig. 41)
Plaats de schuifklep ( B-fig. 42 ) helemaal naar rechts, totdat hij blokkeert.
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
Plaats de houder (A-fig. 43 ) met de
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
Plaats de schuifklep ( B-fig. 42 ) helemaal naar rechts en dr uk op de uitwerptoets EJECT (E-fig. 45 ) op de CD-wisselaar: de houder wordt gedeeltelijk uitgeworpen.
1) Trek aan het betreffende hendeltje A
om een van de tien compar timenten van
de houder te openen.
2) Plaats de CD en zorg er voor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet.
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de schuifklep ( D-fig. 44 ), om te
voorkomen dat er voor werpen of stof in
de wisselaar kunnen dringen.
CONNECT Nav
CD-WISSELAAR - CDC (indien aanwezig)
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
Sluit de schuifklep.
CD’s uit wisselaar verwijderen
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en verwijder een voor een de CD’s.
3) Sluit het compartiment.
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
A0B0343b
fig. 41
A0B0344b
fig. 42
A0B0435b
fig. 43
217
CONNECT Nav
CD-wisselaar vullen (Sportwagon-uitvoeringen) (fig. 46)
Houder in de CD-wisselaar plaatsen
Houder uit de CD-wisselaar
verwijderen
Ga voor het plaatsen van de CD’s in de
wisselaar als volgt te werk:
Laat de klep zakken zoals door de pijl is
aangegeven (B-fig. 47).
1) Trek a an het b etreffende h endeltje
(A) om een van de tien compar timenten
van de houder te openen;
Plaats de houder (A-fig. 48 ) met de
pijl aan de bovenzijde geheel in de wisselaar.
Plaats de schuifklep ( B-fig. 47 ) helemaal naar rechts en dr uk op de uitwerptoets EJECT (E-fig. 50 ) op de CD-wisselaar: de houder wordt gedeeltelijk uitgeworpen.
2) Plaats de CD en zorg er voor dat de
bedrukte zijde zich aan de juiste kant bevindt: als dit niet het geval is, dan werkt
de CD-wisselaar niet;
Druk de houder in de wisselaar en sluit
de klep zoals aangegeven door de pijl
(D-fig. 49 ), om te voorkomen dat er
voorwerpen of stof in de wisselaar kunnen dringen.
3) Sluit het compartiment;
Trek de houder voor zichtig uit de wisselaar.
Sluit de schuifklep (D-fig. 49).
4) Herhaal de procedure voor de andere te plaatsen CD’s.
A0B0364b
218
fig. 44
A0B0347b
fig. 45
A0B0343b
fig. 46
Trek met het hendeltje de compar timenten uit en verwijder een voor een de CD’s.
CD-WEERGAVE MET CD-SPELER
(MET CD-WISSELAAR, INDIEN
AANWEZIG)
BELANGRIJK Als u naar een CD wilt
luisteren die niet aanwezig is, dan wordt
automatisch de volgende CD weergeven.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC (17).
CONNECT Nav
CD’s uit wisselaar verwijderen
2) Selecteer met draaiknop/toets
(11) het onderdeel CD-C.
A0B0441b
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
fig. 47
A0B0444b
fig. 48
A0B0443b
fig. 49
A0B0442b
fig. 50
219
CONNECT Nav
CD-WEERGAVE MET CD-wisselaar
(indien aanwezig)
Bij ingeschakeld navigatiesysteem
Als tijdens de navigatie een audio-CD in
de CD-wisselaar zit, ga dan als volgt te
werk om de weergave van de CD te starten:
1) Druk op de toets SRC (17).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CD-C (fig. 51).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen.
Bij ingeschakelde radio
Als bij ingeschakelde radio een audio-CD
in de CD-wisselaar zit, ga dan als volgt te
werk om de weergave van de CD te starten:
1) Druk op de toets ESC (9).
fig. 51
BELANGRIJK Als de laatst beluisterde CD-bron de ingebouwde speler was,
en de audio-CD nog in de speler zit,
wordt automatisch die CD weergegeven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CD-C (fig. 51).
Ga als volgt te werk als er een audio-CD
in de ingebouwde CD-speler zit:
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen.
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-speler (fig. 52).
Als de ingebouwde CD-speler de laatst
ingeschakelde bron was en er nog een
audio-CD in de speler zit, dat wordt deze
CD weergegeven. In het tegenovergestelde geval wordt de laatst beluisterde CD
weergegeven of de eerste beschikbare CD
in de CD-wisselaar.
A0B3216i
220
CD-WISSELAAR INSCHAKELEN
(INDIEN AANWEZIG)
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift CD.
Het hoofdmenu van de CD-wisselaar
(fig. 53) verschijnt: Op de bovenste regel wordt het nummer van het muziekstuk en de speelduur getoond en in het
midden de namen van de eerste 5 in de
A0B3022i
fig. 52
A0B3023i
fig. 53
BELANGRIJK Als in de CD-wisselaar
geen audio-CD aanwezig is, of als de geplaatste CD’s verkeerd geplaatst of onleesbaar zijn, en u wilt deze beluisteren,
dan kunnen deze CD’ s niet worden weergegeven; op het display verschijnt het opschrift SCAN of een waarschuwing als na
inschakeling van het apparaat de CD-wisselaar is ingeschakeld met een lege houder of een houder die tenminste een audio-CD bevat.
BELANGRIJK Als de CD-wisselaar niet
is aangesloten of niet werkt, verschijnt op
het display naast het opschrift CDC het
symbool S en wordt de keuze die gemaakt is met de toets ( 13) niet uitgevoerd.
U kunt de aanduiding van de speelduur
uitschakelen. Zie hier voor “W eergave
speelduur/nummer v an h et m uziekstuk
in-/uitschakelen” in dit hoofdstuk.
Op het display vindt u naast de toetsen
(13 en 14) de nummers van de eerste
vijf CD’s van de CD-wisselaar.
Op de onderste regel van het display
verschijnen:
– een symbool dat aangeeft of er een
audio-CD of navigatie-CD in de ingebouwde speler zit;
– een symbool voor de ingeschakelde
functies (MIX, SCAN, RPT);
– een symbool voor de beluisterde audiobron;
– een symbool voor de status van de
TA-functie (verkeersinformatie);
– een symbool voor de status van de
TMC-functie.
Instellingenmenu
van de CD-wisselaar (indien
aanwezig) openen
Om bij ingeschakelde CD-wi sselaar het
instellingenmenu v an d e C D-wisselaar
(fig. 54 ) t e o penen, m oet u d e t oets
MEN (10) indrukken.
CONNECT Nav
CD-wisselaar geplaatste CD’ s. Bovendien
verschijnt een menupunt waar mee u naar
de tweede pagina van het menu kunt
gaan.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
CD selecteren
Druk op de toets ( 13 of 14) bij de
gewenste CD-indicatie.
Functiemenu CD-wisselaar (indien aanwezig) openen
Om van het hoofdmenu van de CD-wisselaar naar het functiemenu van de CDwisselaar te gaan, moet u de toets SRC
(17) indrukken: op het display verschijnt
het functiemenu van de CD-wisselaar
(fig. 54).
A0B3103i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
fig. 54
221
CONNECT Nav
Als b ij i ngeschakelde C D-wisselaar m et
meer dan 5 CD’s de gewenste CD niet op
het d isplay w ordt w eergegeven, m oet u
de v olgende p agina v an h et h oofdmenu
openen door de toets ( 13 of 14) bij de
indicatie CD6-CD10 of CD1-CD5 in te
drukken.
BELANGRIJK Als de ingebouwde CDspeler geen audio-CD bevat, verschijnt op
het display het symbool S voor het opschrift CDC van het functie menu van de
CD-wisselaar, en kan de CD-wisselaar niet
worden ingeschakeld.
Verkeersinformatie tijdens het
beluisteren van een CD
VOLGENDE/VORIGE MUZIEKSTUKKEN SELECTEREN
Om de verkeersinfor matie in of uit te
schakelen (zie “T A-functie” in het hoofdstuk “radio”) tijdens de werking van de
CD-wisselaar (indien aanwezig), moet
kort de toets T A ( 4) worden ingedr ukt:
op de onderste regel van het hoofdmenu
van de CD-speler verschijnt (functie ingeschakeld) of verdwijnt (functie uitgeschakeld) het symbool TA.
Als u een volgend muziekstuk wilt selecteren, moet u kort de keuzetoets § (2)
indrukken; als het laatste muziekstuk is
bereikt en u opnieuw de keuzetoets §
(2) indrukt, wordt het eerste muziekstuk
op de CD geselecteerd.
Weergave speelduur/nummer
van muziekstuk in-/uitschakelen
Ga voor de weergave van het nummer
van het beluisterde muziekstuk als volgt
te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
(indien aanwezig) op de toets ( 10); op
het display verschijnt het instellingenmenu van de CD-wisselaar (fig. 55).
A0B3028i
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift TIME; op het display verschijnt ON
(functie ingeschakeld) of OFF (functie
uitgeschakeld).
222
fig. 55
Als u het muziekstuk wilt her halen of
een vorig muziekstuk wilt selecteren,
moet u kor t de keuzetoets ù (2) indrukken; als het eerste muziekstuk op de
CD is bereikt en u opnieuw de keuzetoets
ù (2) indr ukt, wordt het laatste muziekstuk op de CD geselecteerd.
Als u een bepaald gedeelte van het beluisterde muziekstuk opnieuw wilt beluisteren, kan dit geselecteerd worden: Dr uk
tijdens de weergave op de keuzetoets
ù of § (2) en houd de toets ingedrukt; het muziekstuk wordt hoorbaar
vooruit-/teruggespoeld.
MIX-FUNCTIE (willekeurige
weergave van de muziekstukken)
3) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-wisselaar (fig. 57).
Met de functie MIX kunt u alleen de
muziekstukken van de huidige CD of alle
muziekstukken van alle CD’ s in de CDwisselaar (indien aanwezig) op willekeurige volgorde afspelen.
4) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift MIX ( fig. 56 ) om de gewenste
optie te selecteren:
BELANGRIJK Na ongeveer 30 seconden verdwijnt het functiemenu van de CDwisselaar (indien aanwezig) als er geen
enkele handeling wordt uitgevoerd, en
keert u ter ug naar het hoofdscher m van
de CD-speler.
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets SRC (17); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 57).
– CD
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift MIX. Op de onderste regel van het
display verschijnt het opschrift MIX.
voor de willekeurige weergave
van de muziekstukken op de
CD die u op het moment beluistert;
– MAG voor de willekeurige weergave
van alle muziekstukken van alle
CD’s in de CD-wisselaar.
Druk opnieuw op de toets ( 14) bij het
opschrift MIX om de functie uit te schakelen.
A0B3024i
fig. 56
CONNECT Nav
MUZIEKSTUKKEN SNEL VOORUIT-/TERUGSPOELEN
A0B3026i
fig. 57
223
CONNECT Nav
De MIX-functie schakelt automatisch uit
als de SCAN- of REPEA T-functie wordt ingeschakeld.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
SCAN-FUNCTIE (alle muziekstukken op CD kort beluisteren)
Als de SCAN-functie is ingeschakeld,
worden alle muziekstukken, vanaf het
muziekstuk dat op het moment beluisterd
wordt, kor t (ongeveer 10 seconden)
weergegeven. Ga als volgt te werk als u
alle muziekstukken op de CD kort wilt beluisteren:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets SRC (17); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 57).
A0B3025i
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SCAN ( fig. 58 ); op de onderste
regel van het display verschijnt het opschrift SCAN.
3) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-wisselaar (fig. 57).
4) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift SCAN om de gewenste optie te selecteren:
– CD
voor het kort beluisteren van de
muziekstukken op de CD die u
op het moment beluistert;
– MAG voor het kort beluisteren van alle muziekstukken van alle CD’ s
in de CD-wisselaar.
REPEAT-FUNCTIE (muziekstukken
op CD herhalen)
Met de functie REPEAT kan een muziekstuk of een CD worden herhaald.
Functie inschakelen
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer tijdens het beluisteren van
de CD het gewenste muziekstuk of de
gewenste CD met de keuzetoets ù of
§ (2).
2) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets SRC (17); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 57).
Druk opnieuw op de toets ( 14) bij het
opschrift SCAN om de functie uit te
schakelen.
De SCAN-functie schakelt automatisch
uit als de MIX- of REPEAT-functie wordt ingeschakeld.
A0B3027i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige scherm.
224
fig. 58
fig. 59
4) Dr uk om de REPEA T-functie in te
schakelen op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van de CD-wisselaar (fig. 57).
5) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift RPT om de gewenste optie te selecteren:
– TRK voor her haling van het muziekstuk dat op het moment beluisterd wordt;
– CD
voor her haling van de gehele
CD.
Het muziekstuk of de CD wordt her haald
totdat de functie REPEA T wordt uitgeschakeld. Op de onderste regel van het
hoofdmenu verschijnt het opschrift RPT.
Functie uitschakelen
Druk om de REPEA T-functie uit te
schakelen op de toets ESC (9).
PROGRAM-FUNCTIE (muziekstukken op volgorde programmeren)
4) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het eerste muziekstuk dat u wilt
invoeren.
U kunt uw favoriete muziekstukken op
volgorde programmeren en de weergave
van andere uitsluiten.
5) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift ADD.
Gewenste volgorde instellen
druk op de toets ( 13) bij het opschrift
ADD om het muziekstuk toe te voegen.
Ga om de gewenste volgorde in te stellen als volgt te werk:
Herhaal deze procedure voor alle in de
volgorde op te nemen muziekstukken. De
op deze manier geprogrammeerde volgorde blijft gehandhaafd, ook als de CD
wordt uitgenomen.
1) Selecteer de CD waar van u de afspeelvolgorde wilt programmeren.
2) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar (fig. 57).
6) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het volgende muziekstuk en
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM; op het display verschijnt het CD-programmeer menu ( fig.
60). Als geen enkel muziekstuk is gekozen, kunnen de functies CLR PRG en RUN
niet geselecteerd worden (bij de functies
staat het symbool S).
CONNECT Nav
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift REPEAT (fig. 59); op de onderste
regel van het display verschijnt het opschrift RPT.
A0B3029i
De REPEAT-functie schakelt automatisch
uit als de MIX- of SCAN-functie wordt ingeschakeld.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 60
225
CONNECT Nav
BELANGRIJK De muziekstukken kunnen alleen oplopend geprogrammeerd
worden (voorbeeld: 1, 4, 7, enz. en niet
3, 1, 4, enz.).
BELANGRIJK Als de CD weer in het
apparaat wordt geplaatst, verschijnt in
het hoofdmenu van de CD-speler een asterisk naast de aanduiding van de naam
van de CD.
Geprogrammeerde muziekstukken wissen
Ga voor het wissen van geprogrammeerde muziekstukken als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets SRC (17); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 57).
Geprogrammeerde volgorde afspelen/onderbreken
Een geprogrammeerd volgorde
wissen
Nadat de gewenste muziekstukken zijn
geprogrammeerd, moet u de toets ( 13)
bij het opschrift RUN indr ukken (fig.61)
indrukken.
Ga om de geprogrammeerde volgorde
te wissen als volgt te werk:
Het laatst geprogrammeerde muziekstuk wordt als eerste weergegeven en op
het display verschijnt TPM.
Om de geprogrammeerde volgorde te
onderbreken maar niet te wissen, moet u
de toets ( 13) bij het opschrift RUN indrukken.
BELANGRIJK Bij ingeschakelde TPMfunctie is het niet mogelijk om een andere CD te selecteren. Om een andere CD te
selecteren moet de TPM-functie worden
uitgeschakeld.
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM; op het display verschijnt het programmeermenu (fig. 61).
A0B3032i
3) Selecteer met de keuzetoets ù of
§ (2) het muziekstuk dat gewist moet
worden.
4) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift SKIP (fig. 61).
226
fig. 61
1) Star t de geprogrammeerde afspeelvolgorde die u wilt wissen.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR PRG (fig. 61).
CD NAME-FUNCTIE
(naam aan CD toekennen)
Naam invoeren
Ga als volgt te werk om alle geprogrammeerde volgordes en de namen van de
CD’s uit het geheugen te wissen:
Met deze functie kunnen CD’ s van een
naam (met een lengte van maximaal 7
karakters) worden voorzien.
Bij de Sedan-uitvoeringen, waar voor een
Blaupunkt 10-CD-wisselaar is voorzien, blijft
de naam die aan een CD is toegekend in
het geheugen opgeslagen, ook als de CD
wordt uitgenomen.
Ga voor het toekennen van een naam
als volgt te werk:
1) Druk op de toets SRC ( 17); op het
display verschijnt het functiemenu van de
CD-wisselaar (fig. 57).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift N AME (fig. 62 ); op het display
verschijnt het menu CD Name.
3) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift EDIT (fig. 63 ); op het display
verschijnt de speller (fig. 64).
1) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de eerste letter van de naam te selecteren die u aan de CD wilt geven: de geselecteerde letter wordt rechts op het display getoond (fig. 64).
1) Dr uk bij ingeschakelde CD-wisselaar
op de toets SRC (17); op het display verschijnt het functiemenu van de CD-wisselaar (fig. 57).
2) Dr uk op de toets ( 13) bij het opschrift PROGRAM; op het display verschijnt het programmeermenu.
3) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL (fig. 61).
4) Er verschijnt een vraag op het display; selecteer JA met de draaiknop/
toets (11).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Ga als volgt te werk:
A0B3247i
fig. 62
CONNECT Nav
Volgordes en namen van de CD’s
uit het geheugen wissen
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen: de letter
wordt in de bovenste regel ingevoerd.
3) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
Als de volledige naam is ingevoerd,
moet u de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden ingedr ukt houden of het
symbool j selecteren en de
draaiknop/toets ( 11) indr ukken. De
naam wordt op deze wijze opgeslagen en
vervolgens wordt het CD-functiemenu opgeroepen (fig. 60).
De naam van de CD verschijnt in het gebied van de functies van het hoofdmenu
van de CD-speler.
227
CONNECT Nav
Letter wissen
Als u tijdens het invoeren van de naam
een letter wilt wissen, moet u op de toets
ESC ( 9) dr ukken of het symbool ¯ selecteren en de draaiknop/toets ( 11) indrukken.
Naam van geselecteerde CD wissen
Ga als volgt te werk:
Namen van alle CD’s wissen
Ga als volgt te werk om de opgeslagen
namen van alle CD’s te wissen:
1) Roep het menu CD Name op zoals
hiervoor beschreven.
1) Roep het menu CD Name op
hiervoor beschreven.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR NAME; de naam wordt gewist,
ook als u opnieuw de speller oproept.
2) Dr uk op de toets ( 14) bij het opschrift CLR ALL; op het display verschijnt
de vraag om te bevestigen. Als u de namen van de CD’ s wilt wissen, selecteer
dan JA met de draaiknop/toets (11).
Om het menu te verlaten, moet u het
symbool j selecteren of langer dan 2 seconden de draaiknop/toets ( 11) indrukken.
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de keuze te bevestigen. A ls u daarentegen de namen niet wilt wissen,
druk dan op de toets ESC (9).
A0B3017i
228
fig. 63
zoals
A0B3018i
fig. 64
Met het satelliet-navigatiesysteem kunt
u snel en in alle veiligheid uw bestemming bereiken. Als het systeem is ingeschakeld, begeleiden de gesproken aanwijzingen de bestuurder naar de bestemming. Op het display worden de routeaanwijzingen, de afstand en de geschatte
tijd tot de bestemming weergegeven.
De positie van de auto wordt bepaald
met behulp van de elektronische signalen
van de snelheidsmeter en de gyroscoop,
en door de signalen die uitgezonden worden door de satellieten van het GPS (Global Positioning System).
Het navigatiesysteem vergelijkt de gegevens met het op de navigatie-CD-ROM opgeslagen cartografische materiaal en berekent de route tot aan de bestemming.
NAVIGATIE STARTEN
Ga als volgt te werk om het systeem
op te starten:
1) Plaats de CD-ROM van het land
waarin u rijdt.
2) Druk op de toets NAV (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van
het navigatiesysteem (fig. 65).
3) Als een CD-ROM is geplaatst en het
hoofdmenu van het navigatiesysteem
actief is, verschijnt op het display de mededeling die in (fig. 66) staat.
De mededeling kan ook worden weergegeven als de contactsleutel in stand
MAR staat, de CD-ROM is geplaatst,
het NAVIGATIE-menu actief is ( fig. 65)
en het systeem wordt uitgeschakeld.
A0B3033i
fig. 65
BELANGRIJK De weergaveduur van
de mededeling hangt af van de tijd die
nodig is om de CD-ROM te lezen (tussen
de 6 en 8 seconden). Als een CD-ROM is
geplaatst en het navigatiemenu actief is,
dan is de mededeling de gehele periode
zichtbaar terwijl de mededeling ongeveer
2 seconden zichtbaar is als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid. Deze manier van weergeven komt overeen
met de voorschriften.
4) Voer de bestemming in (zie de volgende paragraaf).
A0B3034i
A0B3245i
fig. 66
CONNECT Nav
S AT E L L I E T- N AV I G AT I E S Y S T E E M
fig. 67
229
CONNECT Nav
BESTEMMING INVOEREN
De bestemming kan zijn:
– een stad;
– het centr um van de stad of stadsdelen in grote steden;
– een straat of hoofdstraat;
– een huisnummer (indien aanwezig op
navigatie-CD);
– een kruising;
een bestemming kan ook worden ingevoerd als een speciale bestemming:
– verkeersknooppunten;
– stations;
– vliegvelden;
– ziekenhuizen, enz.
Ga voor het invoeren van een bestemming als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 67) en bevestig de keuze door de draaiknop/toets in te dr ukken.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het opschrift ST AD en bevestig de
keuze door de draaiknop ( fig. 68) in te
drukken. U krijgt toegang tot het invoermenu voor het invoeren van de naam van
de bestemming.
fig. 68
Het invoermenu bestaat uit 5 delen:
1 - lijst met symbolen, alle letters, spaties, speciale karakters en cijfers
2 - invoerlijst met het eerste onderdeel
van de alfabetische lijst dat voor het
grootste deel overeenkomt met de in het
invoerveld ingevoerde letters
3 - invoerveld (schrijfveld)
4 - zoomveld waarin het geselecteerde
karakter wordt vergroot
5 - besturingssymbolen
A0B3035i
230
Bestemming invoeren met behulp
van het invoermenu
(Speller) (fig. 69)
A0B3036i
fig. 69
Ga als volgt te werk om een naam in
het invoermenu in te voeren:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
2) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoerveld weergegeven 3.
Als een karakter wordt geselecteerd,
bijv. de letter O 4, dan toont het display
automatisch het eerste onderdeel van een
lijst met bestemmingen die met die letter
beginnen. Als meerdere letters van de
naam van de bestemming worden ingevoerd, kan het zoeken worden versneld.
Plaats om direct inzage in de lijst te krijgen, de cursor op het symbool j en druk
de draaiknop/toets ( 11) in of houd de
draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden ingedrukt.
Als echter na het invoeren van de naam
in veld 2 het gewenste onderdeel uit de
invoerlijst wordt weergegeven, dan kunt
u de cursor op het symbool j plaatsen en
de draaiknop/toets ( 11) indr ukken of
de draaiknop/toets ( 11) langer dan 2
seconden ingedr ukt houden. Op het display verschijnt de alfabetische lijst met
bestemmingen.
Karakters wissen
Ga als volgt te werk voor het wissen
van foutief ingevoerde karakters:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op symbool ¯.
2) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
of op de toets ESC (9).
Speciale karakters invoeren
Bestemming uit lijst selecteren
Ga als volgt te werk als het nodig is om
voor het invoeren van de naam van de
stad speciale karakters (Ä,Ö,Ü) te gebr uiken, die niet op het display worden weergegeven:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming.
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het symbool
(pijl omhoog/omlaag).
CONNECT Nav
Naam van bestemming
invoeren (fig. 69)
Schakel de gewenste keuze als volgt in:
2) Bevestig de geselecteerde bestemming door de draaiknop/toets (11) in te
drukken.
2) Druk op de draaiknop/toets (11).
Iedere keer als u op de draaiknop/toets
(11) drukt, wordt een nieuw speciaal karakter getoond.
231
CONNECT Nav
Lijsten raadplegen
(fig. 70)
Lijsten pagina voor
pagina raadplegen
Omdat op het display maar 5 regels verschijnen, zijn enkele lijsten verdeeld over
meerdere scher men. Bij dit soor t lijsten
verschijnt rechtsonder op het display de
pijl Í om aan te geven dat de lijst doorloopt.
Om bij lange lijsten snel een bestemming
te vinden, kunt u de lijsten pagina voor pagina raadplegen.
Om de lijst te raadplegen, moet u de
draaiknop/toets ( 11) in de gewenste
richting draaien.
Op de voorlaatste regel (aan de onderof bovenkant) bevindt zich een pijl Í of
È. Als u de draaiknop/toets (11) verder
draait, worden de andere regels van de
lijst weergegeven.
Ga voor het raadplegen van de lijsten als
volgt te werk:
1) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op de pijl die rechtsonder op het display wordt weergegeven.
2) Dr uk de draaiknop/toets ( 11) in om
de volgende/vorige pagina te raadplegen;
op deze wijze wordt de volgende of vorige
pagina van de lijst weergegeven en blijft de
cursor op de pijl staan.
3) Als de gewenste pagina is bereikt, kunt
u de gewenste bestemming selecteren en
bevestigen door de draaiknop/toets (11) in
te drukken.
A0B3037i
232
fig. 70
Bestemming “STAD” invoeren
A0B3038i
fig. 71
Ga voor het invoeren van een stad als
volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STAD (fig. 71).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de stad.
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
7) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
8) Tijdens het invoeren van de naam
verschijnt in de invoerlijst ( 2-fig. 69 )
de naam uit de lijst van bestemmingen
die voor het grootste deel overeenkomt
met de ingevoerde letters.
9) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk op de draaiknop/toets ( 11) en
houd deze langer dan twee seconden ingedrukt. Op het display verschijnt een alfabetische lijst met bestemmingen.
10) Draai de draaiknop/toets ( 11)
om in de invoerlijst de naam van de gewenste stad te zoeken.
Druk op de toets ESC ( 9) als u de stad
als gewenste bestemming niet wilt bevestigen; op deze manier keer t u ter ug naar
het invoermenu (Speller) (fig. 69).
Na het selecteren van de stad gaat de
invoer door en kan een keuze worden gemaakt uit de volgende opties: STRAA T,
CENTRUM, OMGEVING BEST.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
“STRAAT” Het is mogelijk de gewenste straatnaam in te voeren. Het selecteren van een straat als bestemming is afhankelijk van de grootte van de geselecteerde stad en van de gegevens die op de
navigatie-CD zijn opgeslagen.
Na het bevestigen van de straat gaat de
invoercyclus verder met de volgende opties:
– DOORGAAN: na het selecteren van deze optie volgt;
– KRUISING: door het selecteren van dit
onderdeel is het mogelijk om als bestemming de kruising van de hier voor geselecteerde straat met een dwarsstraat te kiezen; in dit geval verschijnt een alfabetische lijst waarin de gewenste kr uising
kan worden geselecteerd;
CONNECT Nav
6) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoer veld weergegeven ( 3-fig.
69).
– HUISNUMMER: door het selecteren
van dit onderdeel is het mogelijk om het
huisnummer van de hier voor geselecteerde straat als bestemming in te voeren.
“CENTRUM” Het is mogelijk om het
centrum van een stad of een stadsdeel
(bij een grote stad) te selecteren.
11) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
233
CONNECT Nav
“SPECIALE BEST.” Het is mogelijk
om direct speciale bestemmingen, zoals
verkeersknooppunten, stations, industrieterreinen, enz. in de omgeving van de gekozen stad te selecteren.
Na de selectie keer t het systeem automatisch ter ug naar het hoofdmenu van
het navigatiesysteem.
Selecteer voor het star ten van de routeaanwijzingen het onderdeel ROUTEBEGELEIDING en bevestig de keuze door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Het systeem berekent in kor te tijd het
traject en begint met het geven van visuele (pictogrammen) en gesproken routeaanwijzingen.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“STRAAT” invoeren
Als er al een bestemming is ingevoerd,
kan een straat in de betreffende stad als
bestemming worden opgegeven. Ga hiervoor als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig.67).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STRAA T ( fig. 72 );
op het display verschijnt het invoer menu
voor het invoeren van de naam van de
straat (fig. 73).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
6) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoerveld weergegeven.
7) Voer de overige letters van de naam
op dezelfde wijze in.
8) Tijdens het invoeren van de naam
verschijnt in de invoerlijst de naam uit de
lijst met bestemmingen die voor het
grootste deel overeenkomt met de ingevoerde letters.
A0B3039i
234
fig. 72
A0B3042i
fig. 73
10) Draai de draaiknop/toets ( 11)
om in de invoerlijst de naam van de gewenste straat te zoeken.
11) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“HUISNUMMER” invoeren
Ga voor het invoeren van een huisnummer als volgt te werk:
1) Voer eerst de straatnaam in zoals
hiervoor is beschreven.
A0B3040i
A0B3041i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HUISNUMMER ( fig.
74); op het display verschijnt een lijst
met beschikbare huisnummers ( fig.
75).
3) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
nummer.
CONNECT Nav
9) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk op de draaiknop/toets ( 11) en
houd deze langer dan twee seconden ingedrukt; op het display verschijnt een alfabetische lijst met bestemmingen.
4) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het geselecteerde nummer.
5) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets ( 11) langer dan twee
seconden in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 74
fig. 75
235
CONNECT Nav
“KRUISING” invoeren
Ga voor het invoeren van een kr uising
als volgt te werk:
1) Voer eerst de straatnaam in zoals
hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KRUISING ( fig.
74); op het display verschijnt de lijst met
kruisingen (fig. 76).
BELANGRIJK Als er in het geheugen
meer dan 5 kr uisingen beschikbaar zijn,
kan het zoeken versneld worden (zie
“Naam van bestemming invoeren” in het
huidige hoofdstuk).
3) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op de gewenste
kruising.
4) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“CENTRUM OF STADSDEEL“
invoeren
Ga voor het invoeren van het centr um
als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 77).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CENTRUM ( fig.
78); op het display verschijnt het invoermenu voor het invoeren van de stad (zie
“Stad invoeren” in dit hoofdstuk).
A0B3043i
236
fig. 76
A0B3034i
fig. 77
5) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
stadsdeel.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het geselecteerde stadsdeel.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van
de op de navigatie-CD beschikbare gegevens. Als de gegevens van een onderdeel
van de bestemming ontbreken, verschijnt
op het display het symbool S naast het
betreffende onderdeel en kan het niet
worden geselecteerd.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
SPECIALE OF VERRE
BESTEMMINGEN INVOEREN
Het betreft hier alfabetisch gerangschikte r ubrieken met speciale bestemmingen
zoals verkeersknooppunten, stations, industrieterreinen, tankstations, parkeergarages, enz.
De speciale bestemmingen kunnen op
vier verschillende manieren worden gezocht:
A0B3044i
fig. 78
– VERRE BEST . (ver re bestemmingen):
weergave van bestemmingen die geen
betrekking hebben op de vooraf geselecteerde bestemming. De beschikbare r ubrieken zijn verbonden met het land dat
op de CD staat opgeslagen;
CONNECT Nav
4) Voer de stad in en bevestig de keuze
door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de lijst met
centra en stadsdelen.
– OMGEVING BEST . (omgeving van de
bestemming): weergave van speciale bestemmingen (bijvoorbeeld: stadions,
enz.) die aanwezig zijn in de omgeving
van de vooraf geselecteerde bestemming;
– OMG. ACT . POS.(omgeving actuele
positie): weergave van speciale bestemmingen dicht bij de actuele positie van de
auto.
BELANGRIJK Om toegang tot de lijsten met deze r ubrieken te krijgen, moet
al een bestemming zijn ingevoerd zoals:
STAD of STRAAT, CENTRUM of KRUISING.
– STAD (in de richting van de bestemming): weergave van speciale bestemmingen die betrekking hebben op de
vooraf geselecteerde bestemming;
237
CONNECT Nav
“STAD” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 79).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 80); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STAD (fig. 81).
A0B3034i
238
fig. 79
“VERRE BEST.” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 79).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 80); op het display verschijnt het
menu SPECIALE BEST . (speciale bestemmingen) (fig. 81).
A0B3045i
fig. 80
A0B3046i
fig. 81
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
“OMGEVING BEST.” invoeren
Ga als volgt te werk:
“OMG. ACT. POS.” invoeren
Ga als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 79).
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
BEST. INV. (fig. 79).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 80); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIALE BEST .
(fig. 80); op het display verschijnt het
menu speciale bestemmingen.
CONNECT Nav
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VERRE BEST . ( fig.
82).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OMGEVING BEST .
(fig. 83).
A0B3047i
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
A0B3048i
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 82
fig. 83
239
CONNECT Nav
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OMGEVING BEST .
(fig. 84).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de in de r ubriek aanwezige lijst.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste bestemming in de
lijst.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
GEBRUIK VAN OPGESLAGEN BESTEMMINGEN
Ga als volgt te werk om een vooraf opgeslagen bestemming te gebruiken:
Het is mogelijk om eerder opgeslagen
bestemmingen te gebruiken; hiervoor zijn
drie geheugencategorieën beschikbaar:
1) Dr uk op de toets NA V ( 12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
– LAATSTE 10: de laatste 10 bestemmingen worden opgeslagen. De bestemmingen worden automatisch in het geheugen LAATSTE 10 opgeslagen als de
optie LAATSTE 10 in het menu BEST . INV.
van het navigatiesysteem wordt geactiveerd. Zie de paragraaf “BESTEMMINGEN
OPSLAAN” in het hoofdstuk “Navigatie
starten”;
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 85).
– ACT. POS. INV.: de positie van de auto wordt opgeslagen en kan worden geselecteerd als gewenste bestemming;
– ALFAB. VOLG. (alfabetische volgorde): de bestemmingen worden in alfabetische volgorde opgeslagen;
A0B3049i
240
fig. 84
– HANDMATIGE VOLG.: de opgeslagen
bestemmingen worden weergegeven in
de volgorde waarin ze zijn ingevoerd.
A0B3050i
fig. 85
4) Selecteer met draaiknop/toets ( 11)
de gewenste bestemming.
5) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
POSITIE VAN DE AUTO
OPSLAAN
Ga om de huidige positie van de auto
op te slaan als volgt te werk:
1) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets (11) het onderdeel GEHEUGEN BEST. (fig. 85).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu voor het invoeren van de bestemming.
A0B3051i
fig. 86
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT. POS. INV. (fig.
87).
4) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu geheugen
best. (fig. 86).
BELANGRIJK Deze procedure is alleen mogelijk als de navigatie-CD in het
apparaat zit.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
A0B3052i
fig. 87
241
CONNECT Nav
NAVIGATIESYSTEEM INSCHAKELEN
NAVIGATIE STARTEN
Voor het star ten van de navigatie moeten de bestemming (zie “Bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”) en de opties voor het traject zijn ingevoerd.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 88).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ROUTEBEGELEIDING.
Het traject wordt berekend. De berekening kan enkele seconden duren afhankelijk van de afstand tot de bestemming; op
het display wordt gedurende deze periode
BEREKENING of HERBEREKENING (als de
bestemming daar voor al was ingevoerd)
weergegeven. Onder de tijdsindicatie
wordt de afstand tot de bestemming
weergegeven.
Op de bovenste regel van het menu routebegeleiding verschijnt de naam van de
straat waarin u op dat moment rijdt of de
naam van de straat waar moet worden
afgeslagen.
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11):
op het display verschijnt het menu routebegeleiding (fig. 89).
A0B3053i
242
fig. 88
BELANGRIJK Als het door het navigatiesysteem aangegeven traject wordt verlaten, verschijnt op het display OFF ROAD
of OFF MAP (onvoldoende positiegegevens).
Op het display worden de route-aanwijzingen naar de bestemming weergegeven.
Er kan gekozen worden tussen een twee(fig. 89) of driedimensionale ( fig. 90)
weergave.
Voor het maken van een keuze moet
ongeveer 3 seconden de draaiknop/toets
(11) worden ingedr ukt totdat de weergave wijzigt.
A0B3054i
fig. 89
A0B3055i
fig. 90
Op het display verschijnt bovendien de
status van de verkeersinformatie (TA-functie) en de status van de TMC (Traffic Message Channel).
Als de mute-functie van de mobiele telefoon is ingeschakeld, verschijnt “PHONE”
op het display.
Tijdens de navigatie NO MAP is het bovendien mogelijk naar een audio-CD te
luisteren door gebr uik te maken van de
ingebouwde CD-speler. In dit geval verschijnt op het display het nummer en de
speelduur van het muziekstuk waarnaar u
luistert.
Het display geeft aan welke audiobron
is ingeschakeld en geeft de naam of de
frequentie van het gekozen station weer
(zie “RDS-functie” in het hoofdstuk”Radio”).
NAVIGATIE ONDERBREKEN
Ga als volgt te werk om de navigatie te
onderbreken:
1) Dr uk op de toets ESC ( 9) of voer
een nieuwe bestemming in of voer de
procedure uit om de positie van de auto
te bepalen (zie de paragraaf “Positiebepaling van de auto” in dit hoofdstuk). Als
op de toets ESC ( 9) wordt gedr ukt, verschijnt op het display de vraag of de navigatie moet worden onderbroken ( fig.
91).
CONNECT Nav
Op het display wordt op grafische wijze
de afstand tot het punt waarop moet worden afgeslagen weergegeven en de tijd
die nodig is om de bestemming te bereiken of de geschatte aankomsttijd (zie
“Informatie tijdens het traject in-/uitschakelen” in dit hoofdstuk).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als de CD-wisselaar (indien aanwezig)
is ingeschakeld, verschijnt op het display
het nummer van de huidige CD, het nummer van het muziekstuk of het nummer
dat daaraan is gegeven, en de speelduur
van het muziekstuk.
A0B3056i
fig. 91
BELANGRIJK Als het apparaat tijdens
de navigatie wordt uitgeschakeld, blijven
de gegevens voor de navigatie gedurende
30 minuten in het geheugen opgeslagen.
Gedurende deze periode is het mogelijk
de navigatie te hervatten. Na 30 minuten
moeten de gegevens opnieuw worden ingevoerd om de routebegeleiding te hervatten.
243
CONNECT Nav
VAN AUDIOBRON WISSELEN
FREQUENTIEMODULATIE
NAVIGATIE NO MAP
Bij ingeschakeld navigatiesysteem kan
op ieder moment van audiobron worden
gewisseld. Ga als volgt te werk:
Bij ingeschakeld navigatiesysteem kunt
u direct de frequentie van het radiostation
dat u beluistert, veranderen door een van
de toetsen (13 of 14) in te drukken.
De navigatie NO MAP wordt ingeschakeld als na het invoeren van de bestemming en het star ten van de navigatie, de
navigatie-CD wordt uitgenomen. Tijdens
de navigatie NO MAP is het mogelijk de
ingebouwde CD-speler te gebr uiken voor
audio-doeleinden.
1) Druk op de toets SRC (17).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste audiobron (Radio of
CD-wisselaar) ( fig. 92 ); op het display
verschijnt het hoofdmenu van de geselecteerde audiobron.
BELANGRIJK Voor het selecteren van
stations met de multifunctionele toetsen
(13 of 14) moeten de stations eerst
zijn opgeslagen (zie “Stations opslaan”
in het hoofdstuk “Radio”).
3) Selecteer een ander station of een
ander muziekstuk.
BELANGRIJK Het is niet mogelijk om
de CD-speler te gebr uiken als het navigatiesysteem is ingeschakeld.
Druk op de toets NAV (12) om terug te
keren naar het menu van het navigatiesysteem.
A0B3163i
244
fig. 92
Bij ingeschakelde navigatie NO MAP verschijnt op het display NO MAP en de afstand (hemelsbreed) tot de bestemming.
BELANGRIJK Als de navigatie-CD
weer wordt ingestoken, kan het enige minuten duren voordat het navigatiesysteem de parameters met betrekking tot
de positie van de auto weer heeft ingesteld; gedurende deze periode verschijnt
op het display OFF ROAD of OFF MAP (bij
onvoldoende positiegegevens). Op plaatsen met veel gebouwen en een dicht wegennet kan de positie van de auto foutief
worden weergegeven, totdat het systeem
de juiste positie heeft bepaald.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OPTIES TRAJ. ( fig.
94).
Tijdens de “Dynamische routebegeleiding” analyseert het navigatiesysteem de
verkeersinformatie en ver werkt deze bij
de berekening van het traject.
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het onderdeel TRAJECT te selecteren
(fig. 95).
De verkeersinfor matie wordt uitgezonden door RDS-stations met TMC (T raffic
Message Channel).
4) Dr uk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) totdat op het display
het opschrift DYNAMISCH verschijnt ( fig.
95).
Ga als volgt te werk om de functie “Dynamische routebegeleiding” in te schakelen:
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het opschrift DOORGAAN.
1) Dr uk tijdens de “Routebegeleiding”
op de toets MEN ( 10); op het display
verschijnt het instellingenmenu van het
navigatiesysteem (fig. 94).
Het systeem keer t ter ug naar de status
“Routebegeleiding” (zie de paragraaf
“Navigatie star ten” in dit hoofdstuk) en
de instellingen blijven ongewijzigd totdat
er een andere instelling wordt doorgevoerd.
6) Druk op de draaiknop/toets (11).
A0B3033i
fig. 93
BELANGRIJK Om de “Dynamische
routebegeleiding” in te schakelen tijdens
de “Routebegeleiding”, stemt het navigatiesysteem af op een TMC-station. Als er
nog geen TMC-station op de FMC-golfband is opgeslagen, dan worden de TMCstations gezocht. Dit kan lang duren omdat alle banden worden doorlopen. Gedurende deze tijd kan er niet naar de radio
worden geluisterd.
CONNECT Nav
DYNAMISCHE ROUTEBEGELEIDING
(indien aanwezig)
A0B3060i
fig. 94
A0B3059i
fig. 95
245
CONNECT Nav
Ga als volgt te werk om toegang te krijgen tot deze informatie:
TOERISTISCHE
INFORMATIE
(indien aanwezig)
Als u een navigatie-CD met toeristische
informatie gebr uikt, is het mogelijk om
toeristische infor matie op te vragen over
de bestemming.
De informatie is onderverdeeld in de volgende r ubrieken: over nachtingen, restaurants, toeristische infor matie, amusement, enz…
Als alleen een toeristisch traject aanwezig is, verschijnt op het display in het
hoofdmenu van het navigatiesysteem de
naam van het traject (bijv . MERIAN
scout).
A0B3068i
246
fig. 96
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 96).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het toeristische traject (bijv . MERIAN scout) in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 96).
Als op de navigatie-CD meerdere trajecten staan, verschijnt op het display de lijst
met mogelijke trajecten. Ga als volgt te
werk:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste toeristische traject.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Geef met behulp van het invoermenu, bij het onderdeel ST AD SELECTEREN, de naam van de stad aan waarover
u toeristische infor matie wilt ontvangen
(zie de paragraaf “Bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”).
4) Open de rubriek waarover u informatie wenst.
Druk de draaiknop/toets ( 11) langer
dan 2 seconden in om de navigatie naar
een geregistreerd onderdeel te star ten.
Op het display verschijnt een nieuw
menu; selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ROUTEBEGELEID.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Ga als volgt te werk om toegang te krijgen tot deze informatie:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WEERGA VE TRAJ.
(fig. 97).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de lijst met beschikbare trajecten (fig. 98).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
BESTEMMINGEN OPSLAAN
Het is mogelijk de huidige of voorgaande bestemming met een kor te naam op
te slaan.
Ga als volgt te werk om de gewenste
bestemming in het geheugen op te slaan:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 97).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Als
naam wordt de volledige naam van de ingevoerde bestemming voorgesteld.
CONNECT Nav
Op het display kan een weergave gegeven worden van het traject (WEERGA VE
TRAJ.) dat berekend is door het navigatiesysteem.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 99).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 100).
A0B3057i
fig. 97
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . OPSLAAN
(fig. 100).
keren naar het vorige menu.
WEERGAVE TRAJECT
A0B3058i
fig. 98
A0B3050i
fig. 99
247
CONNECT Nav
Naam van bestemming
invoeren en wijzigen
Ga als volgt te werk om in het geheugen van de bestemmingen een naam te
wijzigen of in te voeren:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem (fig. 99 ).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 99).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NAAM WIJZIGEN
(fig. 101).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het invoermenu.
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
7) Bevestig het geselecteerde karakter
door de draaiknop/toets (11) in te drukken. Het geselecteerde karakter wordt in
het invoer veld weergegeven. Her haal de
laatste twee handelingen tot de volledige
naam is ingevoerd.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) langer dan 2 seconden
in te dr ukken of selecteer het symbool j
en druk op de draaiknop/toets (11).
fig. 100
Het is mogelijk de lijst met bestemmingen in het geheugen te ordenen. Deze
lijst kan worden opgeroepen als er een
bestemming wordt ingevoerd.
Ga voor het ordenen als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST.
(fig. 102).
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
A0B3104i
248
OPGESLAGEN BESTEMMINGEN
ARCHIVEREN
A0B3098i
fig. 101
A0B3050i
fig. 102
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . ORDENEN
(fig. 103).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming die verplaatst moet
worden.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
8) Verplaats de bestemming naar de
nieuwe positie met de draaiknop/toets
(11).
A0B3101i
9) Bevestig de nieuwe positie door de
draaiknop/toets ( 11) langer dan 2 seconden in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
OPGESLAGEN GEGEVENS
WISSEN
Het is mogelijk om de laatste 10 opgeslagen bestemmingen, een enkele bestemming of alle bestemmingen, uit het
geheugen te wissen.
BELANGRIJK Om de gegevens uit
het geheugen te wissen is het noodzakelijk dat de navigatie-CD zich in de CD-speler bevindt.
3). Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST. (fig. 103).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEST . WISSEN ( fig.
104) en bevestig de keuze door de
knop in te dr ukken; op het display verschijnen de volgende opties:
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST.
– LAATSTE 10 WIS.: laatste 10 bestemmingen wissen;
– ENKELE BEST .: een enkele bestemming wissen;
– ALLE BEST .: alle bestemmingen wissen.
Ga voor het wissen als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
A0B3099i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST .
(fig. 102)
fig. 103
fig. 104
249
CONNECT Nav
5) Maak een keuze uit de opties: LAA TSTE 10 WIS., ENKELE BEST . en ALLE
BEST. en bevestig de keuze door de
draaiknop/toets (11) in te dr ukken. Als
u de laatste optie kiest, worden de bestemmingen automatisch gewist. Als u
een van de eerste twee opties kiest,
moet u als volgt verder gaan:
KORTE NAAM
INVOEREN EN WIJZIGEN
Ga als volgt te werk voor het wijzigen
van een kor te naam van een opgeslagen
bestemming of voor het geven van een
naam aan een bestemming:
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming die u wilt wissen.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
7) Bevestig de bestemming door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGEN BEST.
8) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WISSEN (wissen) of
ANNULEREN (niet wissen).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu GEHEUGEN
BEST.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
7) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
8) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; het geselecteerde karakter verschijnt in het invoerveld.
9) Voer dezelfde procedure uit voor de
andere letters van de naam.
10) Plaats de cursor op het symbool j
en dr uk op de draaiknop/toets ( 11) of
druk langer dan twee seconden op de
draaiknop/toets (11).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BESTEMMINGEN
WIJZ. (fig. 105).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een lijst met op alfabetische volgorde alle bestemmingen die in
het geheugen zijn opgeslagen.
A0B3100i
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de bestemming waar van u de
naam wilt wijzigen; op het display verschijnt het invoermenu (speller).
250
fig. 105
FILES VERMIJDEN
TIJDENS DE NAVIGATIE
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FILE VERMIJDEN.
Ga als volgt te werk voor weergave van
het huidige aantal te ontvangen GPSsatellieten en de positie van de auto:
Tijdens de navigatie kunnen files of geblokkeerde weggedeeltes ver meden worden.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
BELANGRIJK Dit is afhankelijk van de op
de navigatie-CD beschikbare gegevens.
Als de gegevens van een onderdeel van
de bestemming ontbreken, verschijnt op
het display het symbool S naast het betreffende onderdeel en kan het niet worden geselecteerd.
3) Op het display verschijnt het menu
INSTELLINGEN ( fig. 107 ); selecteer
met de draaiknop/toets ( 11) het onderdeel FILE.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFO GPS.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
1) Druk op de toets T ( 8); op het display verschijnt het TRAFFIC-menu ( fig.
106).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu FILE en de
cursor staat dichtbij het punt SLUITEN
(fig. 108).
5) Druk op de draaiknop/toets (11).
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het punt V ANAF.
A0B3213i
fig. 106
CONNECT Nav
WEERGAVE GPS-STATUS
EN POSITIE
A0B3064i
fig. 107
251
CONNECT Nav
7) Geef met de draaiknop/toets ( 11)
aan op welke afstand vanaf uw positie de
omleiding moet beginnen.
8) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op het punt SLUITEN.
9) Geef met de draaiknop/toets ( 11)
aan op welke afstand vanaf uw positie de
omleiding moet beëindigen.
10) Plaats de cursor met de draaiknop/toets ( 11) op OK en bevestig de
keuze door de draaiknop/toets ( 11) in
te dr ukken; op het display verschijnt het
menu routebegeleiding en het nieuwe traject wordt berekend: tijdens deze fase
verschijnt op het display het opschrift
NIEUW BEREK.
3) Op het display verschijnt het menu
INSTELLINGEN ( fig. 107 ); selecteer
met de draaiknop/toets ( 11) het onderdeel FILE.
ONDERDELEN
VAN HET TRAJECT UITSLUITEN
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu FILE ( fig.
108).
Het is mogelijk enkele delen van het berekende traject uit te sluiten. Dit is vooral
nuttig als u verkeersinfor matie ontvangt
waarin melding wordt gemaakt van zeer
druk verkeer of werk in uitvoering op het
berekende traject dat u wilt afleggen.
5) Selecteer het onderdeel VER WIJDEREN.
Ga voor het uitsluiten van onderdelen
als volgt te werk:
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken. Het traject wordt opnieuw berekend.
1) Dr uk op de toets T ( 8); op het
display verschijnt het TRAFFIC-menu ( fig.
106).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FILE VERMIJDEN.
3) Op het display verschijnt het menu
INSTELLINGEN (fig. 107).
Ga voor het uitschakelen van deze functie als volgt te werk:
4) Selecteer met de draaiknop/toets
1) Druk op de toets T ( 8); op het display verschijnt het TRAFFIC-menu ( fig.
106).
A0B3065i
A0B3077i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FILE VERMIJDEN.
252
fig. 108
fig. 109
BELANGRIJK Lange trajecten, die
niet onderverdeeld kunnen worden in korte trajectgedeeltes, worden aangeduid
met het symbool “ +”. Voor weergave
van deze kor te trajectgedeeltes, moeten
de onderdelen geselecteerd worden met
het symbool “ +” en de draaiknop/toets
langer dan 2 seconden worden ingedrukt.
De kor te trajectgedeeltes, die niet worden onder verdeeld, worden daarentegen
aangeduid met het symbool “-”.
De trajectgedeeltes die niet uitgesloten
kunnen worden (bijv . omdat geen alternatief traject berekend kan worden), worden aangeduid met het symbool S.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het eerste trajectgedeelte dat u uit
de lijst wilt ver wijderen (het is raadzaam
een lang trajectgedeelte te verwijderen).
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11):
op het display verschijnt een cirkel voor
het geselecteerde gedeelte.
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het laatste trajectgedeelte dat u uit
de lijst wilt ver wijderen (het is raadzaam
een lang trajectgedeelte te verwijderen).
8) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11):
op het display verschijnt het hoofdmenu
van het navigatiesysteem, het traject
wordt opnieuw berekend en op het display verschijnt het opschrift NIEUWE BEREK.
Verwijderen/wijzigen van het
trajectgedeelte
Ga als volgt te werk:
1) Druk op toets T ( 8); op het display
verschijnt het TRAFFIC-menu (fig. 106).
CONNECT Nav
(11) het onderdeel TRAJ. WIJZIGEN
(fig. 109); op het display verschijnt de
lijst met trajecten waarin u het traject dat
u wilt uitsluiten, kunt selecteren.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FILE VERMIJDEN.
3) Op het display verschijnt het menu
INSTELLINGEN.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TRAJ. WIJZIGEN
(fig. 109 ) op het display verschijnt de
vraag of het trajectgedeelte ver wijderd of
gewijzigd moet worden:
– als u een trajectgedeelte wilt verwijderen, selecteer dan VERWIJDEREN; op het display verschijnt het hoofdmenu van het navigatiesysteem. Het traject wordt opnieuw berekend en op het
display verschijnt het opschrift NIEUWE
BEREK.
– als u een trajectgedeelte wilt wijzigen, selecteer dan WIJZIGEN en herhaal de handelingen die ver meld zijn bij
punt 3), 4), 5) en 6).
253
CONNECT Nav
TRAJECT AANPASSEN
Het is mogelijk het traject op ieder moment aan uw eigen wensen aan te passen, ook bij ingeschakelde navigatie.
Voer hiervoor de volgende parameters in:
– TRAJECT: het is mogelijk het snelste
of het kor tste traject te selecteren of te
kiezen voor “Dynamische routebegeleiding” (DINAMIC) met TMC (zie de paragraaf “Dynamische routebegeleiding” in
dit hoofdstuk). Als deze optie wordt gekozen, worden alle andere mogelijkheden (SNELWEG, VEERPONTEN en TOLGELDEN) niet meer op het display getoond.
Het navigatiesysteem berekent het snelste traject waarbij rekening wordt gehouden met de verkeersinfor matie en stemt
automatisch af op een TMC-station.
BELANGRIJK Als u bijv . het onderdeel SNELWEG VERMIJDEN ( fig. 111 )
kiest, en u door het ver mijden van de
snelwegen veel langere afstanden af
moet leggen, dan programmeer t het systeem toch de snelwegen. Hetzelfde geldt
voor de VEERPONTEN en TOL WEGEN. Ga
als volgt te werk voor het kiezen van de
opties voor het traject:
Ga voor het kiezen van de opties voor
het traject als volgt te werk:
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu OPTIES TRAJ.
(fig. 111).
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op de optie die u
wilt instellen.
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de instelling te wijzigen.
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel OPTIES TRAJ. ( fig.
110)
– SNELWEG (snelweg): tijdens de navigatie kan gekozen worden om gebr uik te
maken van snelwegen;
A0B3060i
– VEERPONTEN: keuze om gebr uik te
maken van veerponten;
– TOLWEGEN: keuze om tolwegen voor
de navigatie uit te sluiten.
254
fig. 110
1) Dr uk op de toets ESC ( 9), op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem, of plaats de
cursor met de draaiknop/toets ( 11) op
DOORGAAN (fig. 111).
POSITIEBEPALING VAN DE
AUTO
Met deze functie kan de huidige positie
van de auto (bijvoorbeeld: naam van de
straat waarin u rijdt) worden weergegeven met een ver wijzing naar het NOORDEN. Als deze functie is ingeschakeld,
wordt de routebegeleiding onderbroken.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; als de
“Routebegeleiding” niet actief is, verschijnt op het display het hoofdmenu van
het navigatiesysteem.
Ga voor het bepalen van de huidige positie als volgt te werk:
BELANGRIJK Als de opties voor het
traject tijdens de routebegeleiding worden
gewijzigd, berekent het navigatiesysteem
automatisch het nieuwe traject. De opties
blijven geactiveerd totdat ze opnieuw
worden gewijzigd.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel POSITIE (fig.112).
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
Positie opslaan
Ga om de huidige positie van de auto
op te slaan als volgt te werk:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT. POS. INV. (fig.
113).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3066i
fig. 111
Druk op de toets ESC (9) om de functie
uit te schakelen en ter ug te keren naar
het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
CONNECT Nav
Ga als volgt te werk om het menu voor
het selecteren van opties voor het traject
af te sluiten:
A0B3069i
fig. 112
A0B3067i
fig. 113
255
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken en selecteer met dezelfde draaiknop/toets het
onderdeel NAAM om deze op te slaan; op
het display verschijnt het invoer menu
(fig.114) voor het invoeren van de
naam van deze positie.
4) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het gewenste
karakter.
5) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken. Het geselecteerde karakter wordt in het invoerveld weergegeven
6) Bevestig het karakter door de draaiknop/toets (11) langer dan twee seconden in te drukken.
A0B3070i
256
fig. 114
7) Voer de overige karakters op dezelfde wijze in.
8) Bevestig de naam door de draaiknop/toets (11) langer dan 2 seconden
in te drukken of selecteer en bevestig het
symbool j.
BELANGRIJK Deze procedure is alleen mogelijk als de navigatie-CD in het
apparaat zit.
De zojuist ingevoerde naam wordt automatisch in het geheugen opgeslagen.
Ga als volgt te werk als u geen naam
aan de huidige positie wilt geven:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) niet het onderdeel NAAM (zoals
hiervoor is beschreven) maar het onderdeel DOORGAAN.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het hoofdmenu en er
wordt geen enkele naam opgeslagen.
VERKEERSINFORMATIE
ONTVANGEN
TIJDENS DE NAVIGATIE
Het is mogelijk tijdens de navigatie verkeersinformatie te ontvangen; de mogelijkheid om verkeersinfor matie te ontvangen kan, onafhankelijk van de beluisterde
audiobron, worden in-/uitgeschakeld.
Druk voor het in-/uitschakelen van deze
functie op de toets T A (4); de T A-functie
wordt ingeschakeld.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TAAL (fig. 115).
OPSLAAN LAATSTE 10 BESTEMMINGEN IN-/UITSCHAKELEN
Bij de navigatie wordt gebr uik gemaakt
van gesproken aanwijzingen. De gesproken aanwijzingen leveren infor matie over
de af te leggen afstand tot de punten
waar moet worden afgeslagen.
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (gesproken
aanwijzingen inschakelen) of OFF (gesproken aanwijzingen uitschakelen). De
standaardinstelling is altijd ON.
Het is mogelijk de functie voor het opslaan van de laatste 10 bestemmingen in
te schakelen: met deze functie worden de
laatste 10 bestemmingen automatisch
opgeslagen.
Ga als volgt te werk om de gesproken
aanwijzingen in of uit te schakelen:
CONNECT Nav
GESPROKEN AANWIJZINGEN
IN-/UITSCHAKELEN
Ga als volgt te werk om de functie voor
het opslaan van de laatste 10 bestemmingen in of uit te schakelen:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LAA TSTE 10 ( fig.
116).
3) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld).
De standaardinstelling is ON.
A0B3071i
fig. 115
A0B3072i
fig. 116
4) Dr uk op de toets ESC ( 9) om het
navigatiemenu te verlaten.
257
CONNECT Nav
INFORMATIE OVER TRAJECTDUUR IN-/UITSCHAKELEN
Met deze functie is het mogelijk te kiezen tussen de infor matie over de resterende rijtijd tot de gewenste bestemming,
de geschatte aankomsttijd en de exacte
tijd.
Ga als volgt te werk om deze infor matie
in of uit te schakelen:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDINFO ( fig.
117).
3) Dr uk op de draaiknop/toets( 11)
om de indicatie X ( exacte aankomsttijd
op de ingevoerde bestemming) Q (resterende rijtijd) of R (geschatte aankomsttijd op de ingevoerde bestemming)
te selecteren.
Druk op de toets ESC (9) om de functie
uit te schakelen en ter ug te keren naar
het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
A0B3073i
258
fig. 117
A0B3074i
fig. 118
HANDMATIGE WEERGAVE
POSITIE
Met het navigatiesysteem kan handmatig de huidige positie van de auto bepaald
worden als er geen GPS-signaal ontvangen kan worden.
Ga als volgt te werk om handmatig de
huidige positie aan te geven:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ACT . POS. HANDM.
(fig. 118).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het invoer menu met de
vraag de huidige positie van de auto in de
volgende volgorde aan te geven: stad,
straat, kr uising (zie “Naam van bestemming invoeren” in het hoofdstuk “Satellietnavigatiesysteem”).
BELANGRIJK Bij enkele kr uisingen
(bijv. kr uisingen van rechte straten met
ringvormige straten) is het niet mogelijk
om de positie van de auto aan te geven.
TRAJECT SIMULEREN
Met het audio/navigatiesysteem kan
een traject gesimuleerd worden. Het apparaat simuleer t het traject en geeft op
realistische wijze zichtbare en gesproken
route-aanwijzingen en akoestische signalen.
Ga voor het star ten van de simulatie als
volgt te werk:
1) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het instellingenmenu
van het navigatiesysteem.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DEMONSTRA TIE
(fig. 119).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken; de simulatie wordt geactiveerd.
A0B3075i
fig. 119
A0B3076i
fig. 120
4) Selecteer in het hoofdmenu van het
navigatiesysteem met de
draaiknop/toets ( 11) het onderdeel
TOER. TRAJ. of ENKELE BEST.
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om de simulatie van de routebegeleiding
te star ten; op het display verschijnt het
scherm routebegeleiding met het onderdeel “DEMO” (fig. 120).
CONNECT Nav
4) Als de positie volledig is aangegeven, moet u de draaiknop/toets ( 11)
langer dan 2 seconden indr ukken of het
symbool ( j) selecteren en bevestigen;
op het display verschijnt het hoofdmenu
van het navigatiesysteem.
6) Voer de bestemming in (zie de paragraaf “Bestemming invoeren” in het
hoofdstuk “Satelliet-navigatiesysteem”).
BELANGRIJK De simulatie wordt automatisch beëindigd als de ingestelde bestemming bereikt is of als u een werkelijke navigatie start.
BELANGRIJK Als er geen GPS-signaal
kan worden ontvangen, moet de positie
van de auto handmatig worden ingevoerd. De navigatie NO MAP is niet mogelijk tijdens de simulatie.
259
CONNECT Nav
TARGASYS-DIENSTEN
ALGEMENE INFORMATIE
Het Connect Nav biedt een aantal functies waarmee, via een verbinding met de
Targasys-centrale, nuttige infor matie
kan worden ontvangen (bijv . een hotel
vinden, het dichtstbijzijnde tankstation)
en waar mee om hulp kan worden
gevraagd in situaties die dit vereisen.
Via deze functies wordt automatisch de
geografische positie van uw auto aan de
hulpdienst doorgegeven. V oor een nauwkeurige bepaling van uw positie moeten
ten minste drie GPS-satellieten worden
ontvangen. Het aantal satellieten dat ontvangen wordt, wordt op het display aangegeven naast het satellietsymbool.
Bovendien kunt u met de functie
“Follow me ” verkeersinfor matie ontvangen over het traject dat u aflegt.
De frequentie waar mee de infor matie
wordt doorgegeven kan worden gewijzigd
(zie de paragraaf “Frequentie waar mee
de infor matie over het afgelegde traject
wordt doorgegeven instellen” in dit hoofdstuk).
Alle ver zoeken om Targasys-diensten
(INFOMOBILITY, MEDISCHE ASSIST .,
260
TECHNISCHE ASSIST .) komen tot stand
via een gesproken verbinding.
Na een gesproken verzoek, wordt er een
SMS-bericht naar de Targasys-centrale
gezonden, die u direct zal ter ugbellen. Zo
ontvangt de operator alle vereiste informatie (eventueel via een SMS-bericht).
Deze gegevens (maximaal 20) worden
opgeslagen in het geheugen van het apparaat en zijn beschikbaar zolang ze niet
gewist worden.
De voor waarden die noodzakelijk zijn
om gebruik te kunnen maken van de telematica-diensten van Connect zijn de volgende:
– aanwezigheid van een SIM-kaar
t
waarmee verbinding kan worden gemaakt
met het Contact Centre Targasys
– geldig abonnement op de Targasysdiensten (INFOMOBILITY , MEDISCHE
ASSISTENTIE, TECHNISCHE ASSISTENTIE).
BELANGRIJK Als de gebr uiker zich
nog niet aangemeld heeft voor de diensten van Targasys, kunnen de betreffende functies in het menu niet worden
gebruikt. Tijdens de aanmelding wordt de
in- en uitschakelprocedure van de
Telematicadiensten door Targasys aan u
uitgelegd.
BELANGRIJK Voor toegang tot de
Telematicadiensten van Targasys moet
het apparaat geschikt zijn en het profiel
van de operator van de in de SIM-module
geplaatste SIM-kaart zijn geactiveerd. Als
SIM-kaarten worden gebr uikt van een
telefoonoperator waar van geen profiel is
geactiveerd, moet aan
Targasys
gevraagd worden om de functies opnieuw
in te schakelen. Het apparaat beheer
t
maximaal 5 verschillende profielen.
BELANGRIJK Voordat u het apparaat
inschakelt, is het raadzaam alle andere
functies te leren kennen zoals de werking
van de Radio, de CD-wisselaar (indien aanwezig), het navig atiesysteem en de telefoon.
Als daarentegen een geldige SIM-kaart is
ingestoken maar u geen toegang hebt tot
de diensten van Targasys, en u op de
toets • (7) drukt, kunt u de functie bellen naar PERSOONLIJK NUMMER activeren.
hoofdmenu Targasys (fig. 121 ) met
de volgende menupunten:
– Infomobility
APPARAAT/SIM-KAART
ACTIVEREN
Als u het apparaat voor de eerste keer
inschakelt en u wilt gebruik maken van de
diensten van Targasys, dan moet u de
Targasys-centrale ver zoeken om deze
diensten te activeren.
– Med. assist.
– Techn. assist
CONNECT Nav
Als er geen enkele SIM-kaar t is ingestoken en u op de toets • (7) drukt, wordt
de mogelijkheid geactiveerd om hulp aan
te vragen bij de alar mcentrale 112.
Iedere SIM-kaart moet geactiveerd worden om toegang te krijgen tot de
Targasys-diensten. Dit om onbevoegd
gebruik van het apparaat en deze diensten te voorkomen. Als u een SIM-kaar t
van hetzelfde netwerk gebr uikt, hoeft
deze niet opnieuw te worden geactiveerd.
BELANGRIJK “112” is het alar mnummer in alle landen die deze dienstverlening ondersteunen. “ 112” kan altijd
worden opgeroepen, ook als de SIM-kaart
niet in de GSM-module aanwezig is. U
kunt ieder moment een noodoproep via
“112” ver zenden ook door de telefoon
te gebruiken. Het verzenden van de noodoproep is afhankelijk van de functie van
de mobiele telefoon en de cor recte elektrische voeding. Bovendien moet u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900 netwerk bevinden en moet de sterkte van het signaal voldoende zijn.
Om de SIM-kaart te activeren, moet u in
het bezit zijn van de volgende gegevens:
– het serienummer van het apparaat
– het telefoonnummer van de SIM-kaart
die u voor de diensten van Targasys wilt
gebruiken
A0B3166i
BELANGRIJK Roep “112” alleen op
als dit echt nodig is. Oneigenlijk gebr uik
kan strafbaar zijn.
Als de dienst is geactiveerd en u drukt op
de toets • (7), krijgt u toegang tot het
fig. 121
261
CONNECT Nav
Het serienummer van het apparaat
bevindt zich in het menu CONNECT -CODE
(fig. 122) (zie de paragraaf “Code van
het apparaat oproepen (serienummer)” in
dit hoofdstuk).
BELANGRIJK De verkoper zal de
nummers van de
Targasys-centrale
samen naar het apparaat zenden.
NUMMER TARGASYS INVOEREN
Ga als volgt te werk om de functies te
activeren voor het activeren van het apparaat:
1) Druk op de toets • (7): aangezien
het apparaat nog niet geactiveerd is en
aan de SIM-kaart geen enkel profiel is toegekend, verschijnt op het display de indicatie om een noodoproep naar het nummer 112 te verzenden.
2) Druk op de toets ESC (9); op het display verschijnt het menu INFOMOBILITY
(fig. 123).
3) Druk op de toets MEN ( 10).
A0B3167i
262
fig. 122
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUW PROFIEL ( fig.
124).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken: op het display verschijnt het ver zoek het nummer in
te voeren (nummer Targasys) om naar
de Targasys-centrale te bellen.
6) Voer het nummer met de speller in.
7) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de vraag of er een verbinding
tot stand moet worden gebracht met het
ingevoerde nummer.
A0B3168i
fig. 123
A0B3170i
fig. 124
Zodra de verbinding tot stand is
gebracht, zal de operator
van de
Targasys-centrale u ver zoeken om het
serienummer van het apparaat en het
telefoonnummer van de gebr uikte SIMkaart.
Op deze wijze wordt het apparaat door
de operator geactiveerd.
Ga voor het invoeren van het persoonlijke nummer als volgt te werk:
PERSOONLIJK NUMMER
INVOEREN
Het PERSOONLIJK NR. is het nummer
dat door het apparaat gebr uikt wordt als
een van de diensten van Targasys is
geactiveerd maar het profiel van de
gebruikte SIM-kaar t of dat van de
betreffende telefoonoperator nog niet
geactiveerd is. Het PERSOONLIJK NR. kan
ook gebruikt worden als de diensten van
Targasys niet geactiveerd zijn maar nog
een geldig profiel van de geplaatste SIMkaart aanwezig is.
Dit kan gebeuren als de d iensten van
TARGASYS door de gebr uiker worden geactiveerd, uitgeschakeld of opgezegd. In dit
geval is kunt u altijd nog naar het PERSOONLIJK NR. bellen.
A0B3169i
1) Druk op de toets • (7).
2) Druk op de toets MEN ( 10).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel PERSOONLIJK NR.
(fig. 125).
CONNECT Nav
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken; er wordt
een verbinding tot stand gebracht met de
Targasys-centrale.
4) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het verzoek om het persoonlijke nummer in te voeren.
5) Voer het nummer met de speller in.
6) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als al een persoonlijk nummer is opgeslagen, verschijnt dit nummer op het display. Ga om het nummer te wijzigen als
volgt te werk:
1) Druk op de draaiknop/toets ( 11).
2) V oer het nieuwe nummer met de
speller in.
Druk op de toets ESC ( 9) als u het persoonlijk nummer niet wilt wijzigen.
fig. 125
263
CONNECT Nav
TERUGKEREN NAAR STANDAARDINSTELLINGEN (RESET)
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel RESET ( fig.126).
GEBRUIK VAN HET CONNECT
NAV
Als de auto van eigenaar verander
t,
moet alle infor matie op het apparaat op
nul worden gezet, zodat de standaardparameters van de fabrikant weer kunnen
worden ingesteld.
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken: op het
display verschijnt de vraag of alle parameters van het apparaat daadwerkelijk
opnieuw moeten worden ingesteld.
BELANGRIJK Als u de functie RESET
gebruikt, gaan alle eventueel ontvangen
berichten van Infomobility verloren.
5) Als u daadwerkelijk het apparaat
opnieuw wilt instellen, dr uk dan op de
draaiknop/toets ( 11); in het andere
geval druk u op de toets ESC (9). In beide
gevallen verschijnt na het indr ukken van
de toetsen, opnieuw het functiemenu van
het Connect (fig. 126).
Als het apparaat en de bijbehorende
SIM-kaart eenmaal door de Targasys centrale zijn geactiveerd volgens de hiervoor beschreven procedure, kunt u gebruik
maken van alle T elematica-diensten van
het Connect Nav.
Ga voor het inschakelen van deze functie als volgt te werk:
1) Druk op de toets •(7).
U kunt het apparaat ook opnieuw instellen door gebr uik te maken van de dienst
Targasys.
2) Druk op de toets MEN ( 10).
A0B3171i
In dat geval worden alle SIM-profielen
gewist en het apparaat uitgeschakeld. De
ontvangen Infomobility-berichten worden
echter niet gewist.
Om het apparaat volgens deze laatste
methode opnieuw in te stellen, dient u
contact op te nemen met de Targasyscentrale en aangeven dat u de standaardinstellingen van het apparaat opnieuw wilt
instellen.
264
fig. 126
De status van het apparaat en de SIMkaart worden aangegeven in het menu
(zie de paragraaf “Functie over status van
het apparaat oproepen” en “ Weergave
bestaande SIM-profielen” in dit hoofdstuk).
Alle diensten kunnen bij de Targasyscentrale worden aangevraagd, zonder
extra telefoonkosten voor de telefoonverbindingen.
Deze functie verbindt u niet, zoals nor maal het geval is, met de dichtstbijzijnde
alarmcentrale via “112” maar wel direct
met de Targasys-centrale. Op deze
manier wordt een ver zoek om medische
assistentie verzonden samen met de positie van de auto, zodat de auto snel gelokaliseerd kan worden. De operator van
Targasys kan de noodzakelijke werkzaamheden starten.
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een ser viceprofiel.
Deze functie is zeer nuttig als u de plaats
niet kent waar u zich bevindt, waardoor
de exacte positie niet bepaald kan worden.
BELANGRIJK Om de juiste positie van
de auto door te geven, moeten er ten minste drie GPS-satellieten worden ontvangen. Het aantal satellieten dat ontvangen
wordt, kan op het display worden afgelezen bij het satellietsymbool. Als de sterkte
van het signaal op het moment dat het
verzoek wordt ver zonden te zwak is,
wordt de laatst vastgestelde positie van
de auto doorgegeven aan de Targasyscentrale.
U kunt de noodoproep zo instellen dat
deze automatisch 20 seconden na het
selecteren van het onderdeel MEDISCHE
ASSIST. (fig. 127) wordt ver zonden of
handmatig via de draaiknop/toets
(11). Als in het laatste geval het onderdeel MEDISCHE ASSIST . wordt geselecteerd, bevestigt het apparaat dat het
mogelijk is een noodoproep te ver zenden
door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK U kunt op ieder moment
een noodoproep ver zenden via “ 112”
door de telefoon te gebr uiken. “ 112” is
het alar mnummer in alle landen die deze
dienstverlening ondersteunen.
“Alarmnummer 112” kan altijd worden opgeroepen, ook als de SIM-kaar t niet
in de aanwezig is in de GSM-module (21fig. 3), in het dashboardkastje aan passagierszijde, of als het apparaat niet geactiveerd is.
CONNECT Nav
FUNCTIE “MEDISCHE
ASSISTENTIE”
(NOODOPROEP VERZENDEN)
BELANGRIJK Het ver zenden van de
noodoproep “112” is afhankelijk van de
functie van de mobiele telefoon en de correcte elektrische voeding. Bovendien moet
u zich binnen het dekkingsgebied van het
Dual Band netwerk bevinden en moet de
sterkte van het signaal voldoende zijn.
BELANGRIJK Gebruik de functie
MEDISCHE ASSIST . alleen in noodgevallen. Gebr uik voor andere situaties zoals
een verzoek om technische assistentie, de
specifieke functie.
265
CONNECT Nav
Afhankelijk van de status van het apparaat
en de SIM-kaart kunnen zich op het moment
van het ver zoek om MEDISCHE ASSIST . de
volgende situaties voordoen:
Functie handmatig activeren
– diensten van Targasys niet geactiveerd of SIM-kaart niet herkend: de noodoproep wordt direct naar het inter nationale
alarmnummer “112”gezonden;
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel MEDISCHE ASSIST .
(fig. 127).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel MEDISCHE ASSIST .
(fig. 127).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een vraag.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken: op het
display verschijnt een bericht dat aangeeft
dat na 20 seconden de noodoproep wordt
verzonden. De resterende tijd wordt op
het display weergegeven; na het verstrijken van deze tijd, wordt het verzoek automatisch naar de Targasys-centrale verzonden.
– diensten van Targasys geactiveerd
maar SIM-kaart niet geregistreerd: de noodoproep wordt naar het persoonlijk nummer
gezonden dat opgeslagen is volgens de procedure die hiervoor beschreven is in de paragraaf “Persoonlijk nummer invoeren”;
– diensten van Targasys niet geactiveerd maar SIM-kaar t geregistreerd: de
noodoproep wordt naar het persoonlijk nummer gezonden dat opgeslagen is volgens de
procedure die hier voor beschreven is in de
paragraaf “Persoonlijk nummer invoeren”;
Ga als volgt te werk:
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets • (7).
1) Druk op de toets • (7).
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het ver zenden van de noodoproep
te bevestigen: op deze wijze komt er
een verbinding tot stand met de
Targasys-centrale.
5) Druk op de toets ESC (9) om het verzoek te onderbreken.
Afhankelijk van de gekozen instelling, kan
de functie “Automatisch” of “Handmatig”
worden geactiveerd (zie de volgende paragrafen).
A0B3172i
BELANGRIJK Roep “ 112” alleen op
als dit echt nodig is. Oneigenlijk gebruik kan
strafbaar zijn.
266
Functie automatisch activeren
fig. 127
4) Als u het ver zoek wilt onderbreken,
druk dan binnen het verstrijken van de
weergegeven tijd op de toets ESC ( 9).
BELANGRIJK Als de noodoproep
wordt geactiveerd, wordt er een SMSbericht naar de
Targasys-centrale
gezonden. De centrale zal u zo snel mogelijk terugbellen.
Ga om de wijze te selecteren als volgt te
werk:
Met deze functie kunt u bepalen of de
noodoproep alleen moet worden ver zonden na bevestiging met de
draaiknop/toets (11) (“Handmatig activeren”) of na 20 seconden (“Automatisch
activeren”).
De standaardinstelling is “handmatig
activeren”.
1) Druk op de toets • (7).
2) Druk op de toets MEN ( 10).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WIJZE ( fig. 128).
4) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op
het display verschijnt de huidige instelling
en de vraag of u de instelling wilt wijzigen.
5) Dr uk op draaiknop/toets ( 11) om
de instelling te wijzigen, of dr uk op de
toets ESC ( 9) als u de instelling niet wilt
wijzigen.
“TECHNISCHE ASSISTENTIE”
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een ser viceprofiel.
Als u deze functie selecteert en activeert,
wordt er naar de Targasys-centrale een
bericht met het ver zoek om technische
assistentie verzonden, samen met de positie van de auto om deze te kunnen lokaliseren.
CONNECT Nav
Wijze selecteren
waarop de noodoproep moet
worden verzonden
De operator van Targasys neemt direct
contact met u op en regelt de noodzakelijke hulp.
Ga voor het activeren van het ver zoek
om technische assistentie als volgt te
werk:
1) Druk op de toets • (7).
A0B3173i
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TECHNISCHE ASSIST.
(fig. 129).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een vraag.
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
als u het ver zoek om technische assistentie daadwerkelijk wilt verzenden; als u het
verzoek om technische assistentie daarentegen niet wilt verzenden, druk dan op de
fig. 128
267
CONNECT Nav
toets ESC (9).
Afhankelijk van de status van het apparaat en de SIM-kaar t kunnen zich op het
moment van het verzoek om TECHNISCHE
ASSIST. de situaties voordoen die al
beschreven zijn bij het ver zoek om MEDISCHE ASSIST. (zie de vorige pagina’s).
BELANGRIJK Als de noodoproep
wordt geactiveerd, wordt er een SMSbericht naar de Targasys-centrale gezonden. De centrale zal u zo snel mogelijk
terugbellen.
Verzoek om medische of
technische assistentie
Als de verzending van het verzoek MEDISCHE ASSIST of TECHNISCHE ASSIST aan
de Targasys-centrale niet goed verloopt,
verschijnt op het display een waarschuwing en wordt gevraagd of de Targasyscentrale (*) gebeld moet worden om aan
te geven dat u hulp nodig hebt (u kunt de
centrale alleen bellen als u zich binnen het
dekkingsgebied van het GSM 900/1800
-netwerk bevindt)(**).
(*) In dit geval is de centrale niet meer
in staat de auto te lokaliseren.
(**) Het bellen naar de centrale is in de
meeste gevallen gratis. In enkele situaties
zijn, afhankelijk van de gebruikte operator
en de roaming-omstandigheden, de kosten voor rekening van de cliënt.
INFOMOBILITY-DIENSTEN
Ga als volgt te werk om toegang te krijgen tot de INFOMOBILITY-diensten:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFOMOBILITY
(fig.130).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CONNECT (
fig.
131).
5) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het ver zenden van het ver zoek te
bevestigen.
A0B3174i
268
fig. 129
A0B3166i
fig. 130
De beschikbare functies zijn (
131):
fig.
– Connect
De diensten zijn alleen beschikbaar als u
zich hebt aangemeld. Als u zich niet heeft
aangemeld of de overeenkomst met
Targasys is verlopen, dan zijn de functies niet beschikbaar en verschijnt op het
display een waarschuwingsbericht.
U kunt telefonisch contact opnemen met
de operator van Targasys voor informatie over de overeenkomst en zonodig de
dienst weer activeren.
Als het Targasys-contract is verlopen, kan
nog altijd de opgeslagen informatie worden
geraadpleegd.
– Follow me
– Berichten
De functies van INFOMOBILITY zijn in de
volgende paragrafen beschreven.
FUNCTIE “FOLLOW ME”
Met de functie FOLLOW ME kunt u verkeersinformatie ontvangen over het traject
dat u aflegt en tijdig op de hoogte worden
gehouden door de Targasys-centrale
over eventuele filevor ming op dat traject,
zonder dat een nieuw ver zoek moet worden verzonden.
CONNECT Nav
Een operator van Targasys zal u zo
snel mogelijk terugbellen en u de gewenste infor matie geven (bijv . dichtstbijzijnde
hotel of restaurant). Zonodig wordt ook
een bericht gestuurd met de gevraagde
informatie en de route-aanwijzing om de
bestemming te bereiken.
Het is bovendien mogelijk, als de aanpassingsfrequentie is ingesteld, om de
Targasys-centrale automatisch te informeren over de voor tgang in het traject,
zodat de selectie van de van toepassing
zijnde verkeersinformatie wordt verbeterd.
Deze functie is alleen beschikbaar als de
diensten van Targasys zijn geactiveerd
en als de gebr uikte SIM-kaar t cor rect is
geconfigureerd met een ser viceprofiel.
Ga voor het activeren van de functie
FOLLOW ME als volgt te werk:
A0B3175i
fig. 131
269
CONNECT Nav
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFOMOBILITY
(fig.130).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FOLLOW ME ( fig.
132).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel START (fig. 133).
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een vraag.
8) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het ver zenden van het ver zoek
FOLLOW ME te bevestigen; als u het verzoek wilt onderbreken, dr uk dan op de
toets ESC ( 9). Als het ver zoek is ver zonden, wordt u zo snel mogelijk teruggebeld
door een operator van Targasys.
BELANGRIJK Als bij het inschakelen
van het apparaat de functie FOLLOW ME
is geactiveerd en u op de toets • (7)
drukt, verschijnt automatisch de vraag of
u de functie wilt uitschakelen.
A0B3176i
270
fig. 132
Frequentie waarmee de informatie over het afgelegde traject
wordt doorgegeven instellen
Met deze functie kunt u de frequentie
regelen waar mee de infor matie van de
functie FOLLOW ME door de Targasyscentrale wordt doorgegeven.
Ga voor het regelen van de frequentie
als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFOMOBILITY
(fig.130).
A0B3225i
fig. 133
A0B3226i
fig. 134
NORMAAL: de positie van de auto wordt
iedere 70 km doorgegeven
Weergave en wissen van de ontvangen informatie
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FOLLOW ME ( fig.
132).
VAAK: de positie van de auto wordt iedere 35 km doorgegeven
Als u een bericht ontvangt van de
Targasys-operator, verschijnt op het display een bericht dat u direct kunt lezen
door op de draaiknop/toets (11) te drukken.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(16) het onderdeel FREQUENTIE ( fig.
134).
9) Druk na het selecteren van een instelling op de toets ( 11) om de keuze te
bevestigen of op de toets ESC ( 9) om
terug te keren naar het scherm dat is afgebeeld in (fig. 134).
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als u het bericht later wilt lezen, dr uk
dan op de toets ESC ( 9): het bericht
wordt bewaard.
Alle berichten worden bewaard (maximaal 20) tenzij ze worden gewist. Als in
het bericht een telefoonnummer staat vermeld (bijv. van een hotel), kunt u dit nummer direct bellen. Als in het bericht de
plaats van een bestemming is opgenomen, wordt de richting naar en de afstand
tot de bestemming aangegeven.
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
8) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) een van de volgende instellingen
(fig. 135 ) (die betrekking hebben op
de afstand waarop de positie van de auto
wordt doorgegeven):
NOOIT: de positie van de auto wordt
nooit doorgegeven
LAAG: de positie van de auto wordt iedere 130 km doorgegeven
A0B3227i
fig. 135
BELANGRIJK De berichten met ser vice-informatie die door de Targasys-centrale zijn verzonden, worden alleen op het
display weergegeven en niet bewaard.
271
CONNECT Nav
Bewaarde berichten oproepen
Ga voor weergave van de bewaarde
berichten als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 127).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFOMOBILITY
(fig.127).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FOLLOW ME ( fig.
136).
Op het display verschijnt de lijst met
bewaarde berichten: op de bovenste regel
verschijnen de tijd en de datum waarop
het bericht is ontvangen; op de onderste
regel worden de eerste 12 karakters van
de titel van het bericht (fig. 134) weergegeven.
6) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste bericht.
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; het
bericht verschijnt geheel op het display.
Met de draaiknop/toets (11) kunt u de
berichten snel doorlopen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als in het bericht een telefoonnummer of
een positie ver meld staat, verschijnen
onder aan het bericht de menupunten
TELEFOONNR. en/of POSITIE.
Druk n a h et l ezen v an h et b ericht o p
de t oets E SC ( 9) o m t erug t e k eren
naar d e l ijst m et d e be waarde be richten.
Bericht wissen
Ga voor het wissen van een bericht als
volgt te werk:
1) Roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die in de vorige paragraaf is aangegeven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WISSEN onder aan
het bericht.
A0B3228i
A0B3229i
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een vraag.
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om het wissen van het bericht te bevestigen; op het display verschijnt opnieuw de
lijst met bewaarde berichten.
Druk op de toets ESC (
bericht niet wilt wissen.
272
fig. 136
fig. 137
9) als u het
Weergave plaats van
bestemming uit het bericht
AFSTAND: de afstand tot de gewenste
bestemming;
Ga als volgt te werk om een telefoonnummer uit een bericht (bijv. een nummer
van een hotel of restaurant) te bellen:
Ga als volgt te werk voor weergave van
de plaats van bestemming uit het bericht
(bijv. van een hotel of restaurant):
RICHTING: de richting, aangegeven door
een pijl, naar de gewenste bestemming.
1) Roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die is aangegeven in de
paragraaf “Bewaarde berichten oproepen”.
1) Roep het betreffende bericht op volgens de volgorde die is aangegeven in de
paragraaf “Bewaarde berichten oproepen”.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TELEFOONNR. onder
aan het bericht.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste bericht.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt een vraag.
Druk op de draaiknop/toets (11) of op
de toets ESC ( 9) om terug te keren naar
het vorige scherm.
CONNECT Nav
Telefoonnummer uit een bericht
bellen
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 138).
4) Dr uk op de draaiknop/toets ( 11)
om naar het geselecteerde nummer te bellen. Als u het nummer niet wilt bellen,
druk dan op de toets ESC ( 9).
A0B3235i
fig. 138
273
CONNECT Nav
CODE VAN HET APPARAAT
OPROEPEN (serienummer)
Het serienummer van het apparaat is
noodzakelijk voor:
– het activeren van het apparaat;
– het activeren van de SIM-kaar t.
Ga voor weergave van het serienummer
als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CONNECT-CODE (fig.
139).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het serienummer
(fig. 140).
Druk op de draaiknop/toets (11) of op
de toets ESC (9) om het scherm af te sluiten en ter ug te keren naar het menu
Connect (fig. 139).
A0B3167i
fig. 139
Om er achter te komen of het apparaat
geschikt is om toegang te krijgen tot de
diensten van Targasys, moet als volgt
te werk worden gegaan:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
2) Druk op de toets ESC ( 9) en ver volgens op de toets MEN ( 10).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel STATUS (fig. 141).
2) Druk op de toets ESC ( 9) en ver volgens op de toets MEN ( 10).
274
FUNCTIE OVER “STATUS” VAN
HET APPARAAT OPROEPEN
A0B3230i
fig. 140
A0B3178i
fig. 141
INGESCHAKELD: het apparaat is
geschikt voor toegang tot de diensten van
Targasys;
UITGESCHAKELD: het apparaat is
niet geschikt voor toegang tot de diensten
van Targasys.
Druk op de draaiknop/toets (11) of op
de toets ESC (9) om het scherm af te sluiten en ter ug te keren naar het menu
Connect (fig. 139).
WEERGAVE BESTAANDE
SIM-PROFIELEN
De in het apparaat geregistreerde SIMprofielen kunnen worden weergegeven
met de betreffende kaar tnummers. Er
kunnen maximaal 5 verschillende profielen worden opgeslagen.
Ga voor weergave van de SIM-profielen
als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets • (7) om toegang te krijgen tot het hoofdmenu van de
diensten van Targasys (fig. 130).
4) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op
het display verschijnen de geregistreerde
SIM-profielen. Het profiel dat op het
moment actief is, wordt aangegeven door
de cursor §(fig. 144):
Druk op de draaiknop/toets (11) of op
de toets ESC (9) om het scherm af te sluiten en ter ug te keren naar het menu
Connect (fig. 139).
2) Druk op de toets ESC ( 9) en ver volgens op de toets MEN ( 10).
A0B3231i
fig. 142
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SIM-PROFIELEN (fig.
143).
CONNECT Nav
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de status van het apparaat (fig.142).
A0B3179i
fig. 143
A0B3232i
fig. 144
275
CONNECT Nav
TELEFOON
ALGEMENE INFORMATIE
Met deze telefoon kunnen dezelfde telefoonverbindingen worden gemaakt die
met een mobiele telefoon mogelijk zijn.
Om te kunnen telefoneren moet u in het
bezit zijn van een SIM-kaar t, dient u zich
binnen het dekkingsgebied van het GSM
900/1800 netwerk te bevinden en moet
de sterkte van het ontvangstsignaal voldoende zijn.
BELANGRIJK De diensten van het
netwerk die in dit deel beschreven worden
(bijv. het oproepsignaal) worden door de
telefoon geregeld maar de beschikbaarheid hangt af van het netwerk en van het
soort contract dat is afgesloten met de service provider.
TELEFOONFUNCTIE INSCHAKELEN
Om de telefoon in te schakelen, moet
een geldige SIM-kaart zijn geplaatst. Druk
vervolgens op de toets £ (15).
Op het display verschijnt het hoofdmenu
van de telefoon (fig. 145).
De symbolen die op het display verschijnen hebben de volgende betekenis:
De PIN-code (Personal Identification
Number) ver hindert een ongeoorloofd
gebruik van de diensten met de SIMkaart.
De PIN-code en de PUK-code (Personal
Unlock Key) worden aan u bekend
gemaakt op het moment dat u de SIMkaart aanschaft.
⁄: verbinding met GSM-netwerk
ó: mailbox (ontvangen en niet gele-
U kunt de PIN-code wijzigen (zie de
paragraaf “PIN-code wijzigen” in dit
hoofdstuk).
¿: weergave van de sterkte van het
BELANGRIJK Noteer de PIN-code en
maak hem niet aan andere personen
bekend.
zen berichten)
GSM-signaal
Als op het display het opschrift PIN-CODE
verschijnt, ga dan als volgt te werk:
BELANGRIJK Als de voedingsspanning onder een vooraf ingestelde minimumwaarde komt, kan de kwaliteit van
de telefoonverbinding niet gegarandeerd
worden. Als de motor tijdens een telefoongesprek wordt gestart, kan de verbinding worden verbroken.
276
PIN-CODE INVOEREN
A0B3180i
1) Voer met de speller de PIN-code in en
begin met het eerste cijfer.
2) Bevestig de keuze door het symbool
j te selecteren en dr uk vervolgens op de
draaiknop/toets ( 11): als u het laatst
geselecteerde cijfer even ingedrukt houdt,
wordt de invoer van de PIN-code bevestigd.
fig. 145
Als de PIN-code op de juiste wijze is ingevoerd, wordt afgestemd op de laatst
beluisterde audiobron (Radio, CD-speler of
CD-wisselaar, indien aanwezig) die werd
weergegeven voordat het apparaat werd
uitgeschakeld, en verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 145).
PIN-CODE WIJZIGEN
Ga voor het wijzigen van de PIN-code als
volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon (fig. 146).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) h et o nderdeel P IN-CODE ( fig.
146).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken: op het
display verschijnt de vraag of u de PINcode wilt wijzigen.
6) Voer de nieuwe PIN-code in (begin bij
het eerste cijfer) en plaats met de draaiknop/toets ( 11) d e c ursor o p h et
gewenste cijfer (fig. 147).
7) Bevestig het zojuist ingevoerde nummer door het symbool j te selecteren en
de draaiknop/toets (11) in te drukken.
8) Bevestig de invoer door nogmaals de
PIN-code in te voeren en her haal ver volgens de handelingen die bij het vorige
punt beschreven zijn; op het display verschijnt het Setup-menu van de telefoon
(fig. 145).
CONNECT Nav
BELANGRIJK Als 3 keer achter elkaar
een verkeerde PIN-code wordt ingevoerd,
wordt de SIM-kaar t geblokkeerd. U kunt
de kaar t ontgrendelen door de PUK-code
in te voeren (zie de paragraaf “SIM-kaart
ontgrendelen” in dit hoofdstuk).
5) Druk op de draaiknop/toets (11) als
u de PIN-code wilt wijzigen; dr uk op de
toets ESC ( 9) als u de PIN-code niet wilt
wijzigen.
A0B3181i
fig. 146
A0B3219i
fig. 147
277
CONNECT Nav
PUK-code invoeren
SIM-KAART ONTGRENDELEN
Als drie keer achter elkaar een verkeerde
code is ingevoerd, blokkeert de SIM-kaart;
u kunt de blokkering van de SIM-kaar t
opheffen door de PUK-code (Personal
Unlock Key) in te voeren.
Deze 8-cijferige code wordt aan u
bekend gemaakt op het moment dat u de
SIM-kaart aanschaft.
BELANGRIJK De PUK-code kan niet
worden gewijzigd.
Als u een geblokkeerde SIM-kaar t in de
GSM-module plaatst, verschijnt op het display een foutmelding en het ver zoek de
PUK-code in te voeren. Dr uk op de draaiknop/toets ( 11) voor het invoeren van
de PUK-code.
Ga als volgt te werk:
1) Voer met de speller de PUK-code in en
begin met het eerste cijfer ( fig. 148).
Tijdens een oproep/gesprek kan het
volume van het belsignaal en de gesprekstoon worden gewijzigd.
2) Bevestig de keuze door het symbool j
te selecteren en druk vervolgens op de draaiknop/toets (11); op het display verschijnt
het verzoek om de PIN-code in te voeren.
Ga voor de volumeregeling als volgt te
werk:
– draai de draaiknop/toets ( 16) naar
links om het volume te verlagen
3) Voer de code in en dr uk op de draaiknop/toets (11); op het display verschijnt
het volgende scherm (fig. 149).
– draai de draaiknop/toets ( 16) naar
rechts om het volume te ver hogen
4) Voer de PIN-code nogmaals in en dr uk
op de draaiknop/toets (11).
A0B3233i
278
fig. 148
VOLUMEREGELING
A0B3220i
fig. 149
A0B3085i
fig. 150
Ga als volgt te werk:
1) Dr uk bij ingeschakelde radio op de
toets MEN (10); op het display verschijnt
het menu met mogelijke instellingen (fig.
150).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VOLUME (fig. 150).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het Setup-menu voor het
volume (fig. 151).
het volume op de gewenste waarde in.
TELEFOONNUMMER KIEZEN
7) Bevestig de waarde door de draaiknop/toets (11) in te drukken; de zojuist
uitgevoerde instelling wordt opgeslagen.
U kunt op drie verschillende manieren
een telefoonnummer kiezen:
8) Druk drie keer op de toets ESC ( 9)
of op de toets £ (15).
BELANGRIJK Als het volume op het
minimum niveau is ingesteld, is het belsignaal uitgeschakeld. De inkomende telefoongesprekken worden dan alleen op het
display weergegeven.
– kiezen uit de lijst met laatst gebelde
nummers
– telefoonnummer uit telefoonagenda
kiezen
Handmatig kiezen
Ga als volgt te werk:
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TELEFOON (
fig.
151).
1) Druk op de toets (14) bij het onderdeel BELLEN ( fig. 152); op het display
verschijnt het scher m dat is afgebeeld in
(fig. 153).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de volumeregelaar.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUW NUMMER
(fig. 153).
6) Stel met de draaiknop/toets ( 11)
A0B3084i
fig. 151
– handmatig kiezen
CONNECT Nav
Belvolume regelen
A0B3180i
fig. 152
A0B3182i
fig. 153
279
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken: op het
display verschijnt de speller om het nummer in te voeren (fig. 154).
4) V oer met de speller het gewenste
nummer in en bevestig de invoer door het
symbool j te selecteren en vervolgens de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Kiezen uit de lijst met laatst
gebelde nummers
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LAA TST GEBELDE
(fig. 155).
Ga als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets (
14) bij het
opschrift BELLEN ( fig. 152); op het display verschijnt het scherm dat is afgebeeld
in (fig. 153).
Het ingevoerde nummer wordt gebeld.
Het ingevoerde nummer wordt gebeld.
A0B3182i
fig. 154
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste nummer.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
BELANGRIJK Voor telefoongesprekken via het GSM-netwerk moet het telefoonnummer altijd vooraf gegaan worden
door het netnummer, ook als een mobiel
nummer wordt ingevoerd. Alleen de ser vicenummers van uw provider en de telefoonnummers van het postvak (mailbox)
kunnen worden ingetoetst zonder netnummer.
280
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de lijst met laatst gebelde nummers (fig. 156).
A0B3183i
fig. 155
A0B3185i
fig. 156
(fig. 157).
U kunt een in de telefoonagenda opgeslagen telefoonnummer oproepen.
5) Bevestig d e zojuist ingevoerd e naam
door he t symbool j te s electeren e n d e
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op naam zoeken
6) De telefoonagenda wordt geopend bij
de ingevoerde naam.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets (13) bij het opschrift
AGENDA ( fig. 152); op het display verschijnt h et m enu van de telefoon agenda
(fig. 157).
2) Selecteer met de draaiknop/to ets
(11) het onde rdeel NAAM ZOEKEN ( fig.
157).
3) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op
het display verschijnt de s peller om de
naam in te voeren van deg ene van wie u
het nummer zoekt (fig. 158).
7) Bevestig eventueel de ingevoerde
naam met de draaiknop/toets (11).
8) Dr uk v oor bevestiging op de draaiknop/toets (11).
Het ingevoerde nummer wordt gebeld.
Namen uit de telefoonagenda
“snel doorlopen”
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets (13) bij het opschrift
AGENDA ( fig. 152); op het display ver schijnt het m enu van de telefoonag enda
A0B3186i
fig. 157
2) Selecteer met de draaiknop/to ets
(11) het onderdeel AGENDA TON EN (fig.
159).
CONNECT Nav
4) Voer met de speller de naam in.
TELEFOONNUMMER UIT
TELEFOONAGENDA KIEZEN
A0B3187i
fig. 158
A0B3189i
fig. 159
281
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken; op het display verschijnt de telefoonagenda waar van
het eerste nummer in de lijst ( fig. 160)
gemarkeerd is.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste naam en bevestig de
keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te
drukken.
Het ingevoerde nummer wordt gebeld.
Als het aantal namen niet volledig kan
worden weergegeven, plaats dan de cursor
op het symbool Z en bevestig de keuze
door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken.
Bij inkomende telefoongesprekken
klinkt er een akoestisch signaal en verschijnt er een bericht op het display.
fig. 160
Inkomende gesprekken kunnen automatisch worden aangenomen na de derde
keer overgaan.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
Handmatig beantwoorden
Druk op de toets £ (15) om handmatig een telefoongesprek te beantwoorden.
BELANGRIJK Het akoestische signaal
dat klinkt bij inkomende telefoongesprekken kan worden uitgeschakeld (zie de
paragraaf “Volumeregeling beltoon”).
A0B3191i
282
Automatisch beantwoorden
INKOMENDE
TELEFOONGESPREKKEN
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel AUT . BEANTWOORD.
(fig. 161).
A0B3188i
fig. 161
A0B3234i
fig. 162
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste instelling (ON of OFF).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
Telefoongesprek weigeren
Als u het gesprek niet wilt aannemen,
druk dan tijdens de oproep op de toets
ESC (9).
De beller hoort een in gesprekstoon.
Gesprek beëindigen
BELLEN NAAR HET BUITENLAND
Als u het gesprek wilt beëindigen, dr uk
dan tijdens het gesprek op de toets
£
(15).
De internationale standaard GSM maakt
het mogelijk om internationaal te bellen.
Automatische nummerherhaling
U kunt een nummer uit de lijst met laatst
gebelde nummers handmatig her halen
(zie “Kiezen uit de lijst met laatst gebelde
nummers” in dit hoofdstuk).
Ga bij de ser vice provider na of de SIMkaart ook gebr uikt kan worden onder
roaming-omstandigheden.
CONNECT Nav
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 162).
Een noodzakelijke voor waarde is dat er
tussen de ser vice providers een overeenkomst bestaat over inter
nationale
gesprekken.
De service provider kan u de lijst van landen ter beschikking stellen met de lokale
providers (code en naam van het netwerk) en de verschillende tarieven.
BELANGRIJK Neem voor het voeren
van inter nationale gesprekken tijdig contact op met uw service provider, voordat u
naar het buitenland reist en vergeet niet
de SIM-kaart te activeren voor inter nationale gesprekken.
283
CONNECT Nav
Ga voor het bellen naar het buitenland
als volgt te werk:
1) Selecteer het inter nationale toegangsnummer van het gewenste land.
2) Toets het netnummer in zonder de
eerste “0” in te toetsen; toets vervolgens
het telefoonnummer in.
BELANGRIJK U kunt de eerste twee
cijfers van het inter nationale toegangsnummer vervangen door het symbool “+”
Voorbeeld
Intern. toegangsnummer:
0039
Italië
Netnummer:
011
Turijn
Te bellen nummer:
12…. Kantoor
Ingetoetste nummer: +391112706..
Als u zich in het buitenland
bevindt
NETWERK KIEZEN
Handmatig een netwerk kiezen
Met deze functie kan een ander netwerk
worden gekozen dan het standaard GSM
netwerk. Hier voor moet uw provider wel
een Roaming-overeenkomst hebben met
de andere netwerkbeheerders. Uit een lijst
met netwerken kunt u uw favoriete netwerk kiezen.
Met deze functie kunt u handmatig een
netwerk kiezen uit een lijst met beschikbare netwerken.
Dit kan nuttig zijn als u met het apparaat
in het buitenland verblijft, aangezien de
tarieven van de netwerkbeheerders aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERK KIEZEN
(fig.163).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 164).
Degene die u opbelt vanuit uw eigen
land, hoeft alleen maar het telefoonnummer van uw apparaat te bellen.
A0B3190i
Degene die u opbelt vanuit een ander
land moet het inter nationale toegangsnummer van uw land intoetsen.
284
Als u naar een vast nummer belt, moet
eerst het netnummer worden ingetoetst
en ver volgens het telefoonnummer , en is
het niet nodig het inter
nationale toegangsnummer in te toetsen.
fig. 163
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 165).
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HANDMA TIG ( fig.
165).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 166).
9) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BESCHIKB. NETWERKEN (fig. 166); op het display verschijnt
de lijst met beschikbare netwerken.
10) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste netwerk.
11) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als uw ser vice provider geen enkele
overeenkomst heeft met de netwerkbeheerder, krijgt u geen toegang tot het netwerk en verschijnt op het display een
waarschuwing: selecteer in dit geval een
ander netwerk.
A0B3192i
fig. 164
Automatisch een netwerk kiezen
Met deze functie wordt automatisch het
best beschikbare netwerk gekozen.
Ga als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets £ (15) om de
telefoonfunctie in te schakelen.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERK KIEZEN
(fig.163).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 164).
A0B3194i
fig. 165
CONNECT Nav
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERKKEUZE (fig.
164).
A0B3193i
fig. 166
285
CONNECT Nav
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERKKEUZE (fig.
164).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 167).
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel AUTOMA TISCH ( fig.
167).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken; het best
beschikbare netwerk wordt automatisch
gekozen.
Een netwerk kiezen uit de lijst
met beschikbare netwerken
Met deze functie kunt u handmatig een
netwerk kiezen uit een lijst met beschikbare netwerken.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERK KIEZEN
(fig.163).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 167).
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HANDMA TIG ( fig.
165).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 168).
9) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VOORKEURNETWERK
(fig. 168).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERKKEUZE (fig.
164).
A0B3195i
286
fig. 167
A0B3196i
fig. 168
11) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste netwerk.
12) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als het gekozen netwerk niet beschikbaar is (bijv . door overbelasting of een
slechte ontvangst), verschijnt op het display een waarschuwing.
Kies in dit geval een ander netwerk.
Weergave van het gekozen netwerk
Met deze functie kan het gekozen netwerk op het display worden weergegeven.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15) om de telefoonfunctie in te schakelen.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het Setup-menu van de
telefoon.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NETWERK KIEZEN
(fig.163).
knop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het volgende scher m
(fig. 169).
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HUIDIG NETWERK
(fig. 169).
CONNECT Nav
10) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de lijst met beschikbare
netwerken.
6) Bevestig het nummer door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het netwerk waarop u
geabonneerd bent.
7) Druk op de toets ESC (9); op het display verschijnt opnieuw het menu netwerk
kiezen (fig. 169).
4) Bevestig de keuze door de draai-
A0B3197i
fig. 169
287
CONNECT Nav
TELEFOONAGENDA
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NAAM TOEVOEGEN
(fig. 172).
Namen/telefoonnummers
invoeren
Ga als volgt te werk voor weergave van
de namen/telefoonnummers uit de agenda:
4) Bevestig de keuze door
draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op
het display verschijnt de speller om het
telefoonnummer in te voeren (fig. 173).
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
5) V oer met de speller het gewenste
nummer in en bevestig de invoer door het
symbool j te selecteren en vervolgens de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift AGENDA; op het display verschijnt het menu van de telefoonagenda
(fig. 171).
6) Op het display verschijnt de speller
om de naam in te voeren ( fig. 174);
voer de naam in en bevestig de naam
zoals hier voor beschreven voor het telefoonnummer.
A0B3180i
288
fig. 170
De ingevoerde naam en het ingevoerde
nummer worden op deze wijze opgeslagen. Als de ingevoerde naam al in het
geheugen aanwezig was, wordt u
gevraagd of u de al opgeslagen naam wilt
overschrijven.
Als u wilt overschrijven, dr uk dan op de
draaiknop/toets ( 11). Als u niet wilt
overschrijven, dr uk dan op de toets ESC
(9).
BELANGRIJK De maximale lengte
van de namen die ingevoerd moeten worden in de telefoonagenda hangt af van de
gebruikte SIM-kaar t (meestal maximaal
16 karakters). Het telefoonnummer mag
daarentegen een lengte hebben van maximaal 20 cijfers.
A0B3186i
fig. 171
A0B3198i
fig. 172
Ga als volgt te werk als u een of meer
namen/telefoonnummers uit de agenda
wilt wissen:
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift AGENDA; op het display verschijnt het menu van de telefoonagenda
(fig. 171).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NAAM WISSEN ( fig.
175); op het display verschijnen de
namen die in de telefoonagenda aanwezig zijn (fig. 176).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de naam die u wilt wissen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de vraag of u daadwerkelijk de naam wilt wissen. Dr uk op de
draaiknop (11) als u de naam wilt wissen
of op de toets ESC (9) als u de naam niet
wilt wissen.
Met deze functie kan op het display worden weergegeven hoeveel vrije geheugenplaatsen er nog in de telefoonagenda aanwezig zijn.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift AGENDA; op het display verschijnt het menu van de telefoonagenda
(fig. 171).
A0B3199i
A0B3184i
fig. 173
Weergave van de capaciteit van
de telefoonagenda
fig. 174
CONNECT Nav
Namen uit de agenda wissen
A0B3200i
fig. 175
289
CONNECT Nav
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEHEUGENRUIMTE
(fig. 177); op het display verschijnt de
capaciteit van de telefoonagenda.
4) Druk op de toets ESC (9) om terug te
keren naar het menu van de telefoonagenda (fig. 171).
BERICHTEN (SMS)
Een bericht verzenden
Met dit apparaat kunnen SMS-berichten
(Short Message Ser vice) worden ver zonden/ontvangen.
Ga voor het ver zenden van een bericht
als volgt te werk:
Een nieuw bericht lezen
De inkomende berichten worden op het
display aangeduid met het symbool ó
en worden aangekondigd met een akoestisch signaal (uitschakelbaar).
Als u een nieuw bericht hebt ontvangen,
druk dan op de draaiknop/toets ( 11);
het bericht wordt op het display weergegeven.
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SMS; op het display verschijnt
het menu SMS (fig. 178).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUW BERICHT (fig.
178).
U kunt het bericht met de
draaiknop/toets (11) snel doorlopen.
Druk na het lezen van het bericht op de
toets ESC (9); het bericht wordt bewaard.
A0B3191i
290
fig. 176
A0B3201i
fig. 177
A0B3202i
fig. 178
8) V oer met de speller het gewenste
nummer in en bevestig de invoer door het
symbool j te selecteren en vervolgens de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Voer de tekst in en bevestig de invoer
door het symbool j te selecteren en vervolgens de draaiknop/toets ( 11) in te
drukken.
9) Selecteer bij punt 7) daarentegen
AGENDA (fig. 180) als u een nummer uit
de telefoonagenda wilt gebruiken.
6) Op het display verschijnt het volgende scherm (fig. 180) waarin u kunt aangeven of u een nieuw nummer of een
nummer uit de telefoonagenda wilt
gebruiken.
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUW ( fig. 180)
als u een nieuw nummer wilt invoeren.
10) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de telefoonagenda.
11) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste nummer en bevestig
de keuze door de draaiknop/toets ( 11)
in te drukken.
A0B3204i
fig. 179
Nadat het nummer is ingevoerd of het
nummer uit de telefoonagenda is geselecteerd, verschijnt op het display een vraag.
Selecteer of u het bericht wilt verzenden
(VERZENDEN) of opslaan (OPSLAAN) of
het wilt ver zenden en opslaan (BEIDE)
(fig. 181).
Als u VERZENDEN of BEIDE selecteer t,
wordt het bericht ver zonden en verschijnt
op het display het menu SMS. Als u
OPSLAAN selecteer t, wordt het bericht
opgeslagen en verschijnt het menu SMS.
BELANGRIJK De t ekstberichten
mogen een maximale lengte van 160
karakters hebben.
A0B3203i
fig. 180
CONNECT Nav
4) B evestig d e k euze d oor
draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op
het display verschijnt de speller om de
tekst in te voeren (fig. 179).
A0B3208i
fig. 181
291
CONNECT Nav
Servicenummer invoeren
Voor het ver zenden van berichten moet
het ser vicenummer van de provider worden ingevoerd.
Dit nummer is gewoonlijk op de SIMkaart opgeslagen en wordt automatisch
door het apparaat samengesteld.
Ga als volgt te werk om het servicenummer opnieuw in te voeren of te wijzigen:
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN ( fig.
182).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SMSC-NUMMER (fig.
183).
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de speller om het ser vicenummer in te voeren (fig. 184).
7) V oer met de speller het gewenste
nummer in en bevestig de invoer door het
symbool j te selecteren en vervolgens de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnt opnieuw het
menu SMS (fig. 182).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SMS; op het display verschijnt
het menu SMS (fig. 178).
A0B3205i
292
fig. 182
A0B3221i
fig. 183
A0B3207i
fig. 184
U kunt het akoestische signaal dat klinkt
bij ieder nieuw inkomend bericht in-/uitschakelen.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets £ (15); op het display verschijnt het hoofdmenu van de telefoon (fig. 170).
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SMS; op het display verschijnt
het menu SMS (fig. 182).
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SMS BEEP (
fig.
183).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Kies met de draaiknop/toets ( 11)
voor inschakeling (ON) of uitschakeling
(OFF) ( fig. 185) van het akoestische
signaal.
Berichten lezen/wissen
Ga als volgt te werk:
1) Dr uk op de toets £ (15); op het
display verschijnt het hoofdmenu van de
telefoon (fig. 170).
CONNECT Nav
Akoestische signalering
inkomende berichten
2) Dr uk op de toets (
13) bij het
opschrift SMS; op het display verschijnt
het menu SMS (fig. 178).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ARCHIEF (fig. 186).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN ( fig.
182).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3237i
fig. 185
A0B3206i
fig. 186
293
CONNECT Nav
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de vraag of u een al
gelezen bericht opnieuw wilt lezen (GELEZEN), een al ver zonden bericht nogmaals
wilt lezen (VERZONDEN) of een bericht
wilt lezen dat nog niet verzonden is (NIET
VERZONDEN) (fig. 187).
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het gewenste onderdeel.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de lijst met berichten.
A0B3211i
294
fig. 187
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het bericht dat u wilt lezen.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het geselecteerde
bericht. Door de draaiknop/toets ( 11) te
draaien, kunt u het bericht snel doorlopen.
9) Druk na het lezen van het bericht op
de draaiknop/toets ( 11); op het display
verschijnt de vraag of het bericht gewist
moet worden.
Druk op de draaiknop/toets ( 11) als u
het bericht wilt wissen of op de toets ESC
(9) als u het bericht niet wilt wissen; op
het display verschijnt opnieuw het menu
SMS (fig. 178).
In het menu INSTELLINGEN kunnen de
standaardinstellingen van het apparaat
aangepast worden aan de persoonlijke
wensen. Bovendien kunnen de functies
die specifiek betrekking hebben op het
audio/navigatiesysteem in het instellingenmenu van de verschillende bronnen,
geregeld worden.
MENU INSTELLINGEN
INSCHAKELEN
Om het menu INSTELLINGEN (Setup) te
activeren, moet eerst het hoofdmenu van
de verschillende functies met de volgende
toetsen worden geopend:
Als het hoofdmenu van een van de verschillende bronnen op het display wordt
weergegeven of als u al in een functiemenu zit, druk dan twee keer op de toets
MEN ( 10): op het display verschijnt het
menu INSTELLINGEN (fig. 188).
Als het menu INSTELLINGEN van een audiobron of als het menu NA VIGATIE al
was ingeschakeld, dr uk dan één keer op
de toets MEN ( 10); op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
Op het display verschijnt het menu INSTELLINGEN met een lijst opties
(fig. 188).
• dr uk op de toets SRC ( 17) voor het
hoofdmenu van de Radio, de CD-speler of
CD-wisselaar (indien aanwezig);
• druk op de toets NA V (12) voor het
hoofdmenu van het navigatiesysteem.
A0B3078i
fig. 188
Ga voor het selecteren en instellen van
een menu-onderdeel als volgt te werk:
1 ) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets ( 11) op het onderdeel
dat u wilt instellen.
CONNECT Nav
STANDAARDINSTELLINGEN REGELEN
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
DISPLAY INSTELLEN
In het menu INSTELLINGEN van het display kan de automatische aanpassing van
het display aan het donker worden uitgeschakeld door de lichtsterkte en het contrast voor de dag en nacht gescheiden te
regelen. Bovendien kan de invalshoek
voor de route-aanwijzingen op het display
worden ingesteld.
295
CONNECT Nav
Display automatisch
aan het donker aanpassen
Ga als volgt te werk om de automatische aanpassing van het display aan het
donker uit te schakelen (bijvoorbeeld als
u altijd met ingeschakelde koplampen
rijdt):
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
5) Druk de draaiknop/toets ( 11) in
om ON of OFF te selecteren. De standaardinstelling is ON.
4)Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INV ALSHOEK
(fig. 189).
Herhaal de procedure als u de automatische aanpassing weer wilt inschakelen.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
6) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de invalshoek in te stellen.
Invalshoek instellen
7) Bevestig de instelling door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLA Y ( fig.
188).
Ga als volgt te werk om de invalshoek
van het display in te stellen:
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DAG/NACHT ( fig.
189).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLA
Y
(fig. 188).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3082i
296
fig. 189
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
Overvloei-effect
Ga als volgt te werk om de lichtsterkte
van het display te wijzigen:
Ga als volgt te werk om het over vloeieffect te regelen:
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLA
Y
(fig. 188).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel DISPLA
Y
(fig. 188).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LICHTSTERKTE
(fig. 189).
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SPECIAL
(fig. 190).
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Druk op de draaiknop/toets ( 11)
om een van de 3 verschillende over vloeieffecten te kiezen. De standaardinstelling
is 0 (geen effect).
6) Plaats de cursor met de
draaiknop/toets (11) op DAG of NACHT
om de lichtsterkte te regelen.
7) Bevestig de instelling door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
VOLUMEREGELING BIJ INSCHAKELING, TA-INFORMATIE, BERICHTEN EN SNELHEIDSAFHANKELIJKE VOLUMEREGELING SVR
Vanuit het menu INSTELLINGEN kunt u
het volume regelen bij inschakeling van
de apparatuur (INSCHAK.), het min. volume instellen voor de verkeers berichten
(TA-MIN), de gesproken aanwij zingen en
de akoestische signalen (NA V-MIN), en
de basiswaarde instellen van de snelheidsafhankelijke volumeregeling (SVR).
CONNECT Nav
Lichtsterkteregeling display
BELANGRIJK Het geluidsvolume van
het systeem heeft voor rang boven het in
het menu INSTELLINGEN ingestelde volume als de waarde er van hoger is dan het
min. volume.
A0B3083i
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
fig. 190
297
CONNECT Nav
BELANGRIJK Het min. volume is bedoeld als grenswaarde: als bij het uitschakelen van het apparaat het geluidsvolume
lager was dan het min. volume, wordt als
het apparaat weer wordt ingeschakeld,
het in het menu INSTELLINGEN ingestelde
niveau gehandhaafd; als het volume bij
uitschakeling hoger was, wordt als het
apparaat weer wordt ingeschakeld, het
min. volume ingesteld.
Ga voor de volumeregeling als volgt te
werk:
– NAVI-MIN (min. volume route-aanwijzingen);
1) Open het menu INSTELLINGEN ( fig.
188) zoals hiervoor is beschreven.
– SVR (snelheidsafhankelijke volumeregeling);
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VOLUME (fig. 191).
– TELEFOON (min. volume telefoon).
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste optie (fig. 192):
– INSCHAK. (volume bij inschakeling);
Een te hoog volume tijdens het rijden kan zowel
uw leven als het leven
van anderen in gevaar brengen.
Daarom moet het volume altijd
zo geregeld zijn dat geluiden van
buiten (bijvoorbeeld claxons, sirenes van ambulance, politie,
e.d.) hoorbaar blijven.
298
– TA-MIN (min. volume verkeersinformatie TA);
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
6) Stel de waarde in door de draaiknop/toets (11) te draaien.
7) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC (9) om terug te keren naar het vorige menu.
A0B3085i
fig. 191
A0B3084i
fig. 192
Tijdsaanduiding selecteren
Met het onderdeel klokje in het menu
INSTELLINGEN kan de zomer tijd, de tijdsaanduiding (12/24 uur) en de tijdzone
(Midden-Europese tijd) worden in-/uitgeschakeld. Deze instellingen zijn noodzakelijk omdat het navigatiesysteem het
verschil tussen de tijd van het systeem en
de tijd afkomstig van de GPS-satellieten
kan berekenen, en dus de werkelijke
duur van de navigatie.
Ga als volgt te werk om de tijdsaanduiding in 12 of 24 uur weer te geven:
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Druk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) om een keuze te maken tussen de 12- of 24-uurs-aanduiding.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) langer dan twee seconden in te drukken.
CONNECT Nav
KLOKJE INSTELLEN
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDSAANDUIDING
(fig. 193).
A0B3087i
fig. 193
299
CONNECT Nav
Tijdzone selecteren
Zomertijd in-/uitschakelen
Ga voor het wijzigen van de tijdzone als
volgt te werk:
Als u de zomertijd in-/uitschakelt, wordt
de tijd van het systeem automatisch aangepast. Ga voor het in-/uitschakelen van
de zomertijd als volgt te werk:
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TIJDZONE ( fig.
193).
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
7) Draai de draaiknop/toets ( 11) om
de tijdzone in te stellen (bijvoorbeeld -2, 1, 0, +1, +2, enz.).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
300
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ZOMER
TIJD
(fig. 193).
6) Druk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11); op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF
(functie uitgeschakeld).
Gebruikersklokje in-/
uitschakelen
Ga voor het in-/uitschakelen van het
gebruikersklokje als volgt te werk:
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel GEBRUIKERSKLOKJE
(fig. 194).
5) Druk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11); op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF
(functie uitgeschakeld).
A0B3086i
De tijd van het systeem wordt automatisch aangepast en op het display verschijnt afhankelijk van de gemaakte keuze ON of OFF.
fig. 194
Exacte tijd instellen
TAAL SELECTEREN
Ga voor het in-/uitschakelen van het
statusklokje als volgt te werk:
Ga voor het handmatig instellen van de
exacte tijd (bijv. als er geen signalen van
de GPS-satellieten worden ontvangen) als
volgt te werk:
U kunt de taal van het display instellen.
Voor de Engelse taal bestaan de varianten “metrisch” (afstandsaanduiding in kilometers) en “imperial” (afstandsaanduiding in mijlen).
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel WEERGAVE.
5) Druk op de draaiknop/toets ( 11);
op het display verschijnt ON (functie ingeschakeld) of OFF (functie uitgeschakeld).
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel KLOKJE.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INSTELLINGEN.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SYSTEEMTIJD.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken: de uren
worden in diapositief weergegeven.
7) Stel met de draaiknop/toets ( 11)
de uren in.
CONNECT Nav
Statusklokje in-/uitschakelen
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hiervoor is beschreven.
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel TAAL.
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt de lijst met beschikbare
talen.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) de gewenste taal.
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te dr ukken: de uren
worden in diapositief weergegeven.
9) Stel met de draaiknop/toets ( 11)
de minuten in.
10) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
301
CONNECT Nav
De nieuwe taal wordt geladen.
Als de taal geladen is en de navigatie-CD
is geplaatst, hoor t u een gesproken bevestiging.
Het apparaat keert terug naar het menu
INSTELLINGEN.
BELANGRIJK In enkele landen (Denemarken, Zweden en Por tugal) worden
de gesproken route-aanwijzingen in de
Engelse taal gegeven, ter wijl de visuele
aanwijzingen op het display aan ieder
land afzonderlijk zijn aangepast.
APPARATUUR IJKEN
SYSTEEM CONTROLEREN
In het menu INSTALLATIE kunt u het apparaat ijken: U hebt de volgende mogelijkheden:
Het is mogelijk het systeem te controleren. Tijdens deze controle worden de
GPS-antenne, de cor recte signaal-overdracht van de achter uit en de cor recte
verbinding van het systeem op de auto
gecontroleerd.
– SYST. CONTR.
– IJKEN
– GPS. INFO
BELANGRIJK Het is niet mogelijk het
systeem te ijken als het symbool S voor
het opschrift INST ALLATIE staat.
1) Open het menu INSTELLINGEN
(fig. 188) zoals hier voor is beschreven
(zie de paragraaf “Menu instellingen inschakelen” in dit hoofdstuk).
2) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE
(fig. 195).
Laat het systeem door
een Alfa Romeo-dealer ijken.
302
A0B3080i
fig. 195
IJken na het verwisselen
van de banden
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SYST . CONTR. ( fig.
196).
Na het ver wisselen van een band kan
het nodig zijn het audio/navigatiesysteem opnieuw te ijken. Ga voor het ijken
als volgt te werk:
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel IJKEN (fig. 196).
5) Kies tussen SENSOR TEST, INTERNAL
TEST en GEGEVENS IJKEN; op het display
verschijnen de onderdelen met de betreffende testresultaten.
Na de controle verschijnt automatisch
het installatiemenu.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
7) Voer de gevraagde handelingen uit.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE
(fig. 195).
A0B3088i
fig. 196
6) Selecteer en bevestig het onderdeel
BAND VERWISSELEN (fig. 197).
CONNECT Nav
3) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3089i
fig. 197
303
CONNECT Nav
IJKEN
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Voer de overige cijfers op dezelfde
manier in.
Systeem handmatig controleren
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel HANDM.
4) Bevestig de afstand door de cursor
op het symbool j te plaatsen met de
draaiknop/toets 11).
U kunt het systeem handmatig controleren. Om deze handeling uit te voeren
moet een afstand van 100 meter worden
afgelegd bij een snelheid van maximaal
30 km/h. Let op de exacte lengte van
het traject.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnt het invoermenu waarin u de lengte van het traject
moet invoeren (fig. 198):
1) Selecteer het eerste cijfer van de afstand met de draaiknop/toets
(11).
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnt de vraag om
het traject af te leggen. Ga voor het ijken
als volgt te werk:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel START.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Leg de 100 meter af volgens de
hiervoor beschreven aanwijzingen.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE
(fig. 195).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3092i
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel IJKEN (fig. 196).
304
5) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
fig. 198
4) Stop na 100 meter, selecteer en bevestig BEVESTIGEN met de
draaiknop/toets ( 11) of ONDERBR. om
de procedure te onderbreken of ESC ( 9)
om te annuleren.
Ga als volgt te werk voor weergave van
het huidige aantal te ontvangen GPS-satellieten en de positie van de auto:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets ( 11) in te dr ukken; op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN (fig. 200).
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INFO GPS.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Druk op de toets ESC ( 9) om ter ug te
keren naar het vorige menu.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE
(fig. 199).
“NIEUWE INSTALL” ijken
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
CONNECT Nav
GPS-INFO
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel INST ALLATIE
(fig. 199).
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer en bevestig het onderdeel
IJKEN.
6) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
A0B3080i
A0B3088i
7) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NIEUWE INST ALL.
(fig. 201).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
9) Druk na het uitvoeren van de gevraagde handelingen op de
draaiknop/toets (11)
fig. 199
fig. 200
305
CONNECT Nav
Ga voor het onderbreken van de procedure als volgt te werk:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel ANNUL.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken: het voorgaande onderdeel van de INST ALLATIE
wordt weergegeven.
Het systeem zal een test uitvoeren.
Hiervoor moet een afstand tussen 8
en15 km worden afgelegd en de GPSontvangst goed zijn.
Voordat u de handelingen voor het ijken
gaat uitvoeren, wordt gevraagd of
eventuele oude ijkwaarden moeten worden gewist en om het wissen van die
waarden te bevestigen.
BELANGRIJK Tijdens de eerste 25%
van de controleprocedure van het systeem of als de optie NIEUWE INST ALL. is
geselecteerd, kan de navigatie niet worden geactiveerd.
BELANGRIJK De afstand die voor het
ijken moet worden afgelegd hangt af van
verschillende factoren, zoals de GPS-ontvangstkwaliteit en de navigatie. De kilometeraanduiding is slechts een gemiddelde waarde. Deze kan lager of hoger zijn
bij slechte ontvangstomstandigheden.
BEVEILIGING
Diefstalbeveiliging in-/uitschakelen
Na het selecteren van het onderdeel
VEILIGHEID in het menu INSTELLINGEN, kan
de diefstalbeveiliging worden in/uitgeschakeld. Als de diefstalbeveiliging
is ingeschakeld, kan het systeem, als de
accu losgekoppeld is geweest, alleen
worden ingeschakeld als de
beveiligingscode wordt ingevoerd (zie
“Code invoeren” in het hoofdstuk
“Diefstalbeveiliging”).
BELANGRIJK Het navigatiesysteem
beschikt niet over een andere diefstalbeveiliging: wij raden u aan de code te activeren.
Ga voor het in-/uitschakelen van de code als volgt te werk:
A0B3091i
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
306
fig. 201
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel CODE.
6) Druk de draaiknop/toets ( 11)
in om ON of OFF te selecteren.
De standaardinstelling is OFF (beveiligingscode uitgeschakeld). In ieder geval
wordt om de code gevraagd.
Afschriklampje in-/uitschakelen
In het menu CODE-SETUP kan het afschriklampje worden in-/uitgeschakeld.
Ga voor het in-/uitschakelen van het
lampje als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN (Set-up).
7) Selecteer het symbool j met de
draaiknop/toets (11).
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel BEVEILIGING
(fig. 202).
8) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
5) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel LED (fig. 203).
A0B3081i
fig. 202
6) Druk op de draaiknop/toets ( 11)
om ON of OFF te selecteren.
De standaardinstelling is ON (afschriklampje
ingeschakeld).
TERUGKEREN NAAR
STANDAARDINSTELLINGEN
(RESET)
Het is mogelijk naar de standaard instellingen van het apparaat en de audiobronnen terug te keren:
1) Druk op de toets NAV (12); op het display verschijnt het hoofdmenu van het navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel RESET (fig. 204).
A0B3246i
fig. 203
CONNECT Nav
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel VEILIGHEID ( fig.
202).
A0B3079i
fig. 204
307
CONNECT Nav
4) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Op het display verschijnen de volgende
schermen afhankelijk van de situatie
A, B of C:
Situatie A) Als een navigatie-CD is geplaatst, verschijnt op het display de vraag
of u alle waarden van het navigatiesysteem wilt wissen (reset); alle opgeslagen
bestemmingen en opties worden gewist.
Ga als volgt te werk om het gehele geheugen te wissen:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NEE.
2) Bevestig de keuze door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als er geen navigatie-CD is geplaatst,
verschijnt op het display onmiddellijk de
volgende vraag.
308
Situatie B ) Op het display verschijnt
de vraag of u alle opgeslagen instellingen
van de audiobronnen wilt wissen.
Ga als volgt te werk om het gehele geheugen te wissen:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11)
langer dan 2 seconden ingedr ukt om de
keuze te bevestigen.
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel SLUITEN.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11)
langer dan 2 seconden ingedr ukt om de
keuze te bevestigen.
Situatie C ) Op het display verschijnt
de vraag of u alle geselecteerde opties in
het menu INSTELLINGEN en alle volumeinstellingen van alle audiobronnen wilt
wissen.
Ga als volgt te werk om het gehele geheugen te wissen:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel JA.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11)
langer dan 2 seconden ingedr ukt om de
keuze te bevestigen.
Waarden in het geheugen onveranderd
houden:
1) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel NEE.
2) Houd de draaiknop/toets ( 11)
langer dan 2 seconden ingedr ukt om de
keuze te bevestigen.
BELANGRIJK Als de optie NEE in alle
fases wordt geselecteerd, wordt automatisch teruggekeerd naar het menu INSTELLINGEN.
Gevoeligheid instellen voor het
automatisch zoeken naar stations
U kunt de gevoeligheid instellen voor
het automatisch zoeken naar stations.
Ga als volgt te werk:
1) Druk op de toets NA V (12); op het
display verschijnt het hoofdmenu van het
navigatiesysteem.
2) Druk op de toets MEN ( 10); op het
display verschijnt het menu INSTELLINGEN.
BEST: het automatisch zoeken wordt alleen onderbroken bij stations met een
goede ontvangstkwaliteit (bijv . ontvangst
zonder storingen). Kies deze instelling als
u reist in een gebied waar zich veel stations bevinden.
CONNECT Nav
BELANGRIJK Als de optie JA, ook in
een van de drie fases, wordt geselecteerd, wordt het gehele geheugen gewist
(reset), schakelt het apparaat automatisch uit en wordt opnieuw gestart.
SENS.: het automatisch zoeken wordt
onderbroken bij stations met een minder
goede ontvangstkwaliteit. Kies deze instelling als u in een gebied rijdt waar zich
niet veel stations bevinden.
3) Selecteer met de draaiknop/toets
(11) het onderdeel FM-SEEK ( fig.
205).
4) Druk meerdere keren op de draaiknop/toets ( 11) om het onderdeel
BEST. of SENS. te selecteren.
De standaardinstelling is BEST.
A0B3090i
fig. 205
309
CONNECT Nav
DIEFSTALBEVEILIGING
ALGEMENE INFORMATIE
CODE-CARD
CODE INVOEREN
Het apparaat is uitger ust met een diefstalbeveiliging die bestaat uit een geheime 4-cijferige code.
Dit document ( fig. 206) is het eigendomsbewijs van het apparaat. Op dit document staan het model, het serienummer en de geheime code aangegeven.
Als het navigatiesysteem wordt ingeschakeld nadat de voeding onderbroken
is geweest (accu of apparatuur losgekoppeld, doorgebrande zekering, enz.), verschijnt op het display de vraag om de geheime code in te voeren (fig. 207).
De diefstalbeveiliging zorgt er voor dat
het navigatiesysteem onbr uikbaar wordt
als het bij diefstal uit het dashboard
wordt weggenomen.
BELANGRIJK Bewaar dit document
zorgvuldig, zodat u bij diefstal van het
systeem de gegevens aan de bevoegde
instantie kunt overleggen. Het document
is noodzakelijk bij werkzaamheden waarbij de accu of de voeding wordt losgekoppeld. Als de accu of de voeding weer
wordt aangesloten, vereist het satellietnavigatiesysteem dat de geheime code
wordt ingevoerd.
A0B3093i
310
fig. 206
A0B3094i
fig. 207
1) Selecteer het eerste cijfer van de code met de draaiknop/toets (11).
2) Bevestig het eerste cijfer door de
draaiknop/toets (11) in te drukken.
3) Voer de overige drie cijfers van de
code op dezelfde wijze in.
Ga als volgt te werk als u een verkeerd cijfer hebt ingevoerd:
BELANGRIJK Als er een verkeerde
code is ingevoerd, kan de code opnieuw
worden ingevoerd. Om de voorkomen dat
de code achter haald kan worden door
middel van verschillende pogingen, blokkeert het systeem een uur na de derde
foutieve invoer. Bij een volgende poging
moet het navigatiesysteem een uur ingeschakeld blijven. Als het systeem tijdens
deze wachttijd wordt losgekoppeld van
de accu, gaat de wachttijd opnieuw in en
is altijd gelijk aan een uur.
Diefstalbeveiliging uit-/
inschakelen
Het is mogelijk de diefstalbeveiliging uit
te schakelen; zie “Beveiliging” in het
hoofdstuk “Standaardinstellingen regelen”.
CONNECT Nav
Ga voor het invoeren van de code als
volgt te werk:
1) Plaats de cursor op het symbool ¯
(fig. 207) met de draaiknop/toets
(11).
2) Bevestig het wissen door de draaiknop/toets (11) in te drukken.
Als de gehele code is ingevoerd, moet
de cursor op het symbool j worden geplaatst en bevestigd worden met de
draaiknop/toets ( 11). Hier na schakelt
het systeem in en wordt afgestemd op de
radio.
311
CONNECT Nav
TECHNISCHE GEGEVENS
Het apparaat heeft een max. ver mogen
van 4x20W. Hier na worden de functies
en de technische gegevens vermeld.
– PTY-functie: weergave, indien door de
stations uitgezonden, van de inhoud van
hun programma’s (POP, ROCK, enz.).
RADIO
– SHARX-functie: ver minderen van storingen op de FM-golfband.
– PLL-tuner (Phase Locked Loop) voor
de golfbanden FM/MW.
– RDS (Radio Data System) met de
functies TA (Traffic Announcement), EON
(Enhanced Other Network), Radiotext (informatie over het programmatype of
weergave uitgezonden muziekstuk) en
REG (Regionale Programma’s).
– TIM-functie (T raffic Infor mation Memory): automatische opslag van 14 gesproken berichten met verkeersinfor matie
met een totale tijdsduur van maximaal 4
minuten.
– Alternatieve frequentie zoeken in RDS
(Radio Data System).
– TMC-functie (T raffic Message Channel): luisteren naar verkeersinformatie
– Automatische/handmatige afstemming op stations.
– AUTOSTORE-functie: automatisch opslaan van 6 stations op de gekozen FMgolfband.
– Handmatig opslaan van 30 stations:
24 op de FM-golfband (6 op FM1, 6 op
FM2, 6 op FMT , 6 op FMC) en 6 op de
MW-golfband.
– Voorkeuzestations kort beluisteren.
312
– SCAN-functie: kor t beluisteren van alle te ontvangen stations op de geselecteerde golfband.
CD-SPELER EN CD-WISSELAAR
(indien aanwezig)
– Muziekstuk selecteren (voor uit/achteruit).
– Snel vooruit-/terugspoelen.
– MIX-functie: willekeurige weergave
van de muziekstukken.
– SCAN-functie: eerste 10 seconden
van alle muziekstukken op CD weergeven.
– REPEAT-functie: muziekstuk herhalen.
– Programmeren van de weergavevolgorde van de muziekstukken.
– CD Name-functie: naam toekennen
aan de CD.
– Automatische stereo/mono-weergave.
– T-STORE-functie (Travelstore): de zes
stations met het sterkste ontvangstsignaal kunnen automatisch op de FM-golfband worden opgeslagen.
dealer .
Wendt u voor het inbouwen en aansluiten uitsluitend tot de Alfa Romeo-
SATELLIET-NAVIGATIESYSTEEM
TELEFOON
– Gesproken aanwijzingen over het te volgen traject.
– Handsfree inclusief (gebr uikmaking
van de luidsprekers in de auto)
– W eergave op het display van routeaanwijzingen, van de afstand en van de
geschatte tijd die nodig is om de ingevoerde bestemming te bereiken.
– Mogelijkheid om speciale of ver re bestemmingen in te voeren.
AUDIOSYSTEEM
– Mogelijkheid om bestemmingen op te
slaan.
– Gescheiden regeling bassen/hoge tonen.
TARGASYS-DIENSTEN
– Balansregeling kanalen rechts/links
en voor/achter.
– LOUDNESS-functie instellen.
– Telefoonagenda
– Tekstberichten ver zenden/ontvangen
(SMS)
CONNECT Nav
Op multimedia-CD’s zijn
naast audiosporen ook
gegevens opgeslagen. Tijdens het afspelen van dit type
CD’s kunnen er piepgeluiden ontstaan die een zodanig volume
hebben, dat niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar komt,
maar waardoor ook de eindversterker en de luidsprekers beschadigd kunnen worden.
– Toestaan lezen SIM-kaart
– Toegang tot Targasys-diensten.
• “Infomobility” (Connect, functie Follow me, Berichten)
•”Medische assistentie”
•”Technische assistentie”
313
CONNECT Nav
Bose hifi-systeem
(indien aanwezig)
TECHNISCHE GEGEVENS
Het systeem bestaat uit:
Standaarduitrusting
Het systeem bestaat uit:
– 2 tweeter luidsprekers voor ( Afig. 208 ) met elk een piekver mogen
van 30W.
– 2 luidsprekers voor (B-fig. 208) en
2 achter ( A-fig. 209) met een diameter van 165 mm (2 voor en 2 achter)
met een vermogen van 40W.
– twee coaxiale tweeweg luidsprekers
voor ( A-fig. 210 ) met een diameter
van 165 mm en een geïntegreerde tweeter;
Het systeem bestaat verder nog uit een
versterker (onder de hoedenplank bij de
Sedan-uitvoeringen en geïntegreerd met
de subwoofer in de bagager uimte bij de
Sportwagon-uitvoeringen) met 5 kanalen
en e en m aximaal v ermogen v an 2 00W
met hoge-resolutie-equalizer.
– 2 full-range luidsprekers achter
(A-fig. 209 ) m et e en d iameter v an
165 mm;
– 1 subwoofer met een diameter van
225 mm onder de hoedenplank (Sedanuitvoeringen) ;
– 1 subwoofer met een diameter van
130 mm links in de bagager uimte
(Sportwagon-uitvoeringen) .
A0B0387b
314
fig. 208
A0B0237b
fig. 209
A0B0312b
fig. 210
De auto kan zijn uitger ust met een CDwisselaar voor 6 CD’ s (Clarion), die zich
in het aflegvak links in de bagager uimte
(Sportwagon-uitvoeringen) bevindt ( Afig. 211), of voor 10 CD’s (Blaupunkt,
met CD NAME-functie), die zich links in
de bagager uimte (Sedan-uitvoeringen)
(A-fig. 212) bevindt.
GPS-satellietantenne
Zekering
Het Connect Nav wordt gecompleteerd door een GPS-satellietantenne
(afgebeeld in fig. 213).
Het Connect Nav wordt bescher md door
een zekering van 10A. Deze staat afgebeeld in (fig. 214).
CONNECT Nav
CD-wisselaar
(indien aanwezig)
A0B0435b
fig. 212
A0B0444b
fig. 211
A0B0356b
fig. 213
A0B0309b
fig. 214
315
NOTITIES
Copyright by Fiat Auto Nederland B.V.
Druknummer 604.31.122 NL - 1e editie - 07/2003
Gedrukt door Drukkerij Hoogcarspel Beemster B.V.
SERVICE
Reproductie van tekst of afbeeldingen is verboden zonder
schriftelijke toestemming van Fiat Auto S.p.A.
Eindredactie Satiz - Turijn
SERVICE
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising