EWYQ-DAYN_OM_4PWNL35558-1B
GEBRUIKSAANWIJZING
Bedrijfsklare luchtgekoelde
ijswaterkoelgroepen
EWYQ080DAYN
EWYQ100DAYN
EWYQ130DAYN
EWYQ150DAYN
EWYQ180DAYN
EWYQ210DAYN
EWYQ230DAYN
EWYQ250DAYN
EWYQ080DAYN
EWYQ100DAYN
EWYQ130DAYN
EWYQ150DAYN
INHOUD
EWYQ180DAYN
EWYQ210DAYN
EWYQ230DAYN
EWYQ250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde
ijswaterkoelgroepen
Pagina
Inleiding............................................................................................. 1
Technische specificaties ............................................................................ 1
Elektrische specificaties ............................................................................ 2
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel ................................ 3
Beschrijving....................................................................................... 3
Functie van de hoofdonderdelen ............................................................... 4
Beveiligingen.............................................................................................. 5
Interne bedrading - Tabel met onderdelen ................................................. 6
Voor het opstarten............................................................................. 7
Controle vóór eerste opstart ...................................................................... 7
Watertoevoer ............................................................................................. 7
Voedingsaansluiting en carterverwarming................................................. 8
Algemene aanbevelingen .......................................................................... 8
Werking ............................................................................................. 8
Digitale controller ....................................................................................... 8
Bediening van de unit ................................................................................ 9
Geavanceerde mogelijkheden van de digitale controller ......................... 12
Opsporen en verhelpen van storingen ............................................ 20
Onderhoud ...................................................................................... 24
Wat te doen bij onderhoud....................................................................... 24
Vereisten bij het opruimen ....................................................................... 24
LEES AANDACHTIG DEZE HANDLEIDING VOORALEER
DE UNIT OP TE STARTEN. GOOI DEZE HANDLEIDING
NIET WEG MAAR BEWAAR ZE IN UW ARCHIEF VOOR
LATERE RAADPLEGING.
Technische specificaties
Algemeen EWYQ
Afmetingen HxBxD
Gewicht
080
(kg)
• bedrijfsgewicht
(kg)
• in- en uitlaat voor gekoeld water
• verdamperafvoer
Intern watervolume
Expansievat (alleen voor
OPSP, OPTP en OPHP)
• volume
• voordruk
Veiligheidsklep watercircuit
Pomp (alleen voor OPSP)
(l)
(l)
(bar)
(bar)
130
1400
1415
1450
1465
1550
1567
3" Øuitw.
1/2" G
15
3" Øuitw.
1/2" G
15
3" Øuitw.
1/2" G
17
35
1,5
3,0
35
1,5
3,0
35
1,5
3,0
Verticale lijnpomp
TP 50-240/2 TP 50-240/2 TP 65-230/2
• type
• model (standaard)
Compressor
Type
Aantal x type
Snelheid
Olietype
Olievulling
(rpm)
(l)
semi-hermetische scrollcompressor
2x SJ180-4 2x SJ240-4 4x SJ161-4
2900
2900
2900
FVC68D
FVC68D
FVC68D
2x 6,2
2x 6,2
4x 3,3
Condensor
Nominale luchtstroming
Aantal motoren x
afgegeven vermogen
(m3/min)
(W)
780
780
800
4x 500
4x 500
4x 600
P120TH
P120TH
DV47HP
150
180
210
Verdamper
Type
Algemeen EWYQ
(mm)
• machinegewicht
(kg)
• bedrijfsgewicht
(kg)
Aansluitingen
Deze handleiding is samengesteld om een juiste werking en
onderhoud van de unit te verzekeren. U vindt er informatie in over het
optimaal gebruik van de unit en over de procedure bij eventuele
problemen. Deze unit is uitgerust met beveiligingen maar deze zullen
niet noodzakelijk alle problemen als gevolg van verkeerd gebruik of
slecht onderhoud voorkomen.
Veiligheidsklep watercircuit
Pomp (alleen voor OPSP)
• in- en uitlaat voor gekoeld water
• verdamperafvoer
Intern watervolume
Expansievat (alleen voor
OPSP, OPTP en OPHP)
• volume
• voordruk
(l)
(l)
(bar)
(bar)
2311x2000x2631
2311x2000x3081
1600
1619
1850
1875
1900
1927
3" Øuitw.
1/2" G
19
3" Øuitw.
1/2" G
25
3" Øuitw.
1/2" G
27
35
1,5
3,0
35
1,5
3,0
35
1,5
3,0
Verticale lijnpomp
TP 65-230/2 TP 65-260/2 TP 65-260/2
• type
• model (standaard)
Compressor
Type
Aantal x type
Vooraleer u de unit voor het eerst opstart moet u er zeker
van zijn dat deze correct is gemonteerd. Daarom is het
noodzakelijk om eerst de montagehandleiding zorgvuldig
door te nemen die is meegeleverd met de unit, evenals de
aanbevelingen opgesomd onder het punt "Controle vóór
eerste opstart" op pagina 7.
100
2311x2000x2631
Aansluitingen
Deze gebruiksaanwijzing heeft betrekking op bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen van de EWYQ-DAYN-reeks van
Daikin. Deze units zijn ontworpen voor buitenmontage en voor koelen verwarmingstoepassingen. Voor airconditioningdoeleinden kunt u
de EWYQ-units combineren met ventilator-convectoren of luchtbehandelingsunits van Daikin. Ze zijn ook geschikt voor de
watertoevoer bij industriële koeling.
Raadpleeg uw plaatselijke Daikin-dealer indien u het probleem niet
zelf kunt oplossen.
(1)
(mm)
• machinegewicht
Afmetingen HxBxD
Gewicht
INLEIDING
Gebruiksaanwijzing
Snelheid
Olietype
Olievulling
semi-hermetische scrollcompressor
2x SJ180-4 +
4x SJ240-4
2x SJ240-4
2900
2900
2900
FVC68D
FVC68D
FVC68D
2x 6,2 + 2x 6,2
2x 6,2
4x 6,2
4x SJ180-4
(rpm)
(l)
Condensor
Nominale luchtstroming
Aantal motoren x
afgegeven vermogen
(m3/min)
(W)
860
1290
1290
4x 1000
6x 1000
6x 1000
DV47HP
DV58HP
DV58HP
Verdamper
Type
(1) Raadpleeg Engineering Data voor een volledige lijst van specificaties.
Gebruiksaanwijzing
1
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Algemeen EWYQ
230
Afmetingen HxBxD
Gewicht
• machinegewicht
(kg)
• bedrijfsgewicht
(kg)
250
2311x2000x4833
(mm)
3200
3239
3300
3342
3"
1/2" G
39
3"
1/2" G
42
50
1,5
3,0
50
1,5
3,0
Aansluitingen
• in- en uitlaat voor gekoeld water
• verdamperafvoer
Intern watervolume
Expansievat (alleen voor
OPSP, OPTP en OPHP)
(l)
(l)
• volume
(bar)
• voordruk
Veiligheidsklep watercircuit
Pomp (alleen voor OPSP)
(bar)
Verticale lijnpomp
TP 65-260/2
TP 65-260/2
• type
• model (standaard)
Compressor
Type
semi-hermetische scrollcompressor
2x SJ240-4 +
4x SJ300-4
2x SJ300-4
2900
2900
FVC68D
FVC68D
2x 6,2 + 2x 6,2
4x 6,2
Aantal x type
Snelheid
Olietype
Olievulling
(rpm)
(l)
Condensor
Nominale luchtstroming
Aantal motoren x
afgegeven vermogen
(m3/min)
(W)
1600
1600
8x 600
8x 600
DV58HP
DV58HP
Verdamper
Type
Elektrische specificaties
EWYQ
(1)
080
100
130
Voeding
• Fase
• Frequentie
(Hz)
• Spanning
(V)
• Spanningstolerantie
(%)
150
• Frequentie
(A)
(A)
(A)
60
72
88
113
96
120
160
177
3x 125 gL
3x 160 gL
3x 200 gL
3x 200 gL
15 + 15
—
20 + 20
—
13 + 13
13 + 13
15 + 15
15 + 15
Compressor
(Hz)
• Spanning
(V)
• Spanningstolerantie
(%)
230
250
YN
3~
50
400
±10
• Nominaal opgenomen
amperage
• Maximaal opgenomen
amperage
• Aanbevolen zekeringen
overeenkomstig
IEC 269-2
(A)
(A)
(A)
131
144
162
181
209
233
262
290
3x 250 gL
3x 250 gL
3x 300 gL
3x 355 gL
20 + 15
20 + 15
20 + 20
20 + 20
25 + 20
25 + 20
25 + 25
25 + 25
65 + 51
65 + 51
65 + 65
65 + 65
Compressor
(pk)
(pk)
3~
50
400
• Fase
• Frequentie
(Hz)
• Spanning
(V)
• Circuit 1
Circuit 2
(pk)
(pk)
3~
50
400
• Fase
• Nominaal opgenomen
amperage
• Frequentie
(Hz)
• Spanning
(V)
• Nominaal opgenomen
amperage
(A)
(A)
Circuit 1
Circuit 2
39 + 39
—
51 + 51
—
35 + 35
35 + 35
39 + 39
39 + 39
Regel- en
ventilatormotor
(A)
(A)
Circuit 1
Circuit 2
51 + 39
51 + 39
51 + 51
51 + 51
Regel- en
ventilatormotor
1~
50
230 V
• Fase
• Frequentie
(Hz)
• Spanning
(V)
• Maximaal opgenomen
amperage
(A)
4x 1,5
4x 1,5
1~
50
230 V
• Fase
4x 1,6
4x 2,3
Pomp
• Frequentie
(Hz)
• Spanning
(V)
• Maximaal opgenomen
amperage
(A)
6x 2,3
6x 2,3
8x 1,6
8x 1,6
Pomp
(kW)
• Nominaal opgenomen
amperage
(A)
2,2
4,5
Verwarmingslint
• Voedingsspanning
(V)
• Vermogen (standaard)
(OPSP)
(OPBT)
• Lokale verwarming in optie
• Aanbevolen
zekeringen
210
Unit
• Nominaal opgenomen
amperage
• Maximaal opgenomen
amperage
• Aanbevolen zekeringen
overeenkomstig
IEC 269-2
• Vermogen
180
• Fase
Unit
• Circuit 1
Circuit 2
EWYQ
Voeding
YN
3~
50
400
±10
(A)
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
2,2
3
4,5
6,3
(OP10)
230 V ±10%
1x 300 W
2x 300 W
2x 300 W + 150 W
maximum 1 kW
2x 10
3
6,3
• Vermogen
(kW)
• Nominaal opgenomen
amperage
(A)
Verwarmingslint
• Voedingsspanning
(V)
• Vermogen (standaard)
(OPSP)
(OPBT)
• Lokale verwarming in optie
• Aanbevolen
zekeringen
(A)
4
4
4
4
8,0
8,0
8,0
8,0
(OP10)
230 V ±10%
1x 300 W
2x 300 W
2x 300 W + 150 W
maximum 1 kW
2x 10
Gebruiksaanwijzing
2
Belangrijke informatie over het gebruikte koelmiddel
Dit product bevat gefluoreerde broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen.
Koelmiddeltype:
GWP(1) waarde:
(1)
R410A
1975
GWP = Global Warming Potential (globaal opwarmingspotentieel)
Afhankelijk van de Europese of lokale wetgeving kunnen periodieke inspecties voor koelmiddellekken vereist zijn. Voor meer informatie, gelieve
contact op te nemen met uw plaatselijke dealer.
BESCHRIJVING
De luchtgekoelde EWYQ-ijswaterkoelgroepen zijn verkrijgbaar in 8 standaardgrootten.
EWYQ180+210
1000 1000
23
17
14
17
3
21
17 41
16
19
4
26
31
24
36 33 35 1
3000
20
5
6
32
1200
1200
3000
18
1000
1000
1200
1200
3000
2
EWYQ230+250
1000
1200
1000
1200
EWYQ080~150
41
23
23 2
22
11
25
13
30
37
39
7
27
15 32
2
28
24 34 21
29 38 40 10 9 12 8
Afbeelding - Hoofdonderdelen
1
Verdamper (in koelstand) of condensor
(in verwarmingsstand)
15
2
Condensor (in koelstand) of verdamper
(in verwarmingsstand)
16
17
Schakelkast
34
Buffertank (optie)
3
Compressor
18
35
Expansievat (optie)
4
Elektronische expansieklep + kijkglas
met vochtigheidsaanduiding
Digitaal display controller
(achter servicepaneel)
36
Waterafsluiter (optie)
19
Inlaatopening lokale bedrading
37
Sensor omgevingstemperatuur (R1T)
31
4-wegsklep
Droger + vulklep
32
Vloeistofreservoir
Inlaatopening voedingskabel
33
Pomp (optie)
Aftapkraan buffertank (optie)
5
Persafsluiter (optie)
20
Hoofdnetscheidingsschakelaar
38
Regelklep (optie)
6
Aanzuigafsluiter (optie)
21
Transportbalk
39
Waterveiligheidsklep (optie)
7
Vloeistofafsluiter (optie)
22
Stromingsschakelaar
40
Manometer (optie)
8
Inlaat gekoeld water
(Victaulic®-koppeling)
23
Ventilator
41
Oogbout (om unit omhoog te hijsen)
24
Veiligheidsklep
Uitlaat gekoeld water
(Victaulic®-koppeling)
25
Hogedruksensor
26
Lagedruksensor
10
Waterafvoer verdamper
27
Hogedrukschakelaar
11
Ontluchting
28
Kijkglas olie
12
Temperatuursensor uitlaatwater (R3T)
29
Waterfilter
13
Temperatuursensor inlaatwater (R2T)
30
Frame
9
Gebruiksaanwijzing
3
14
Benodigde vrije ruimte rond de unit voor
onderhoud en luchtinlaat
Zwaartepunt
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Functie van de hoofdonderdelen
16
16
17
t>
M15F
M25F
18
Y12E
14
R18T
C
18
Y22E
14
15
R38T
15
C
M23F
M13F
7
7
R16T
t>
12
7
7
12
7
7
t>
R36T
M14F
M24F
15
D
15
5
15
D9
Y11E
7 11
D
5
14
14
Y21E
15
9
11 7
6
6
B1PH
19
D
8
p>
21
D
B2PH
8
19
p>
S1PH
S2PH
p>
p>
15
15
15
15
15
4
4
M11C
( *)
(*)
R17T
R37T
R14T
4
M12C
20
21
15
R14T
15
D
R25T
15
4
M22C
R15T
M21C
R35T
20
R45T
B1PL
B1PL
p<
p<
2
PHE
13
13
24
A
D
10
25
B
13
13
D
29
22
R3T
R2T
t>
t>
23
23
27
30
32
26
31
1
D
31
33
34
3
10
28
23
35
24
Afbeelding - Functioneel schema
1
Wateruitlaat
13
Kijkglas olie
24
Aftapkraan
Stroomrichting koelen
2
Verdamper
14
Elektronische expansieklep + kijkglas met vochtigheidsaanduiding
25
Regelklep
Stroomrichting verwarmen
3
Waterinlaat
26
Pomp
4
Compressor
15
Terugslagklep
27
Vulpoort
5
Vloeistofreservoir
16
Condensor
28
Afvoerpoort
6
4-wegsklep
17
Terugslagklep
Sensor voor
omgevingstemperatuur
29
7
30
8
Aanzuigafsluiter (optie)
18
Ventilator
9
Persafsluiter (optie)
19
Hogedruksensor
10
Veiligheidsklep
koelmiddelcircuit
20
Lagedruksensor
33
Filter
21
Hogedrukschakelaar
34
Afsluiter
35
Veiligheidsklep
watercircuit
11
Droger/vulklep
22
Stromingsschakelaar
12
Vloeistofafsluiter (optie)
23
Servicepoort
■
Standaard (A) of
tweedruksveiligheidsklep (B)
Expansievat
A
Standaard
Manometer
B
Tweedruksveiligheidsklep
31
Ontluchting
C
Alleen voor EWYQ180+210-units
32
Buffertank
D
Optie
■
Compressor
De compressor (M*C) werkt als een pomp en doet het koelmiddel circuleren in het koelmiddelcircuit. Het comprimeert het
koelmiddelgas dat uit de verdamper komt tegen een drukniveau
dat de verdichting in de condensor goed mogelijk maakt.
Vloeistofreservoir
Het vloeistofreservoir voorkomt dat de plaatwarmtewisselaar in
de verwarmingsstand wordt overstroomd met vloeistof door een
groot verschil tussen de volumes van de pijpenbundel en de
plaatwarmtewisselaar.
■
Condensor (in koelstand) of verdamper (in verwarmingsstand)
De condensor zet het koelmiddel om van een gas in een
vloeistof. De warmte verkregen door het gas in de verdamper
wordt door de condensor uitgeblazen in de omgevingslucht en
de damp wordt omgezet in vloeistof.
Filter/droger
Het filter achter de condensor verwijdert kleine partikels uit het
koelmiddel om schade aan de compressor en de expansieklep
te voorkomen.
De droger verwijdert het water uit het systeem.
■
Expansieklep
De vloeistof stroomt via een expansieklep uit de condensor in de
verdamper. Deze expansieklep brengt het vloeibare koelmiddel
op een drukniveau waarbij het gemakkelijk verdampt in de
verdamper.
Naarmate het koelmiddel door de unit circuleert treden er wijzigingen
op in de toestand of conditie. Deze wijzigingen worden veroorzaakt
door de volgende hoofdonderdelen:
■
(*)
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Gebruiksaanwijzing
4
■
4-wegsklep
De 4-wegsklep draait de koelmiddelstroom in de unit om bij het
overschakelen van koelen naar verwarmen.
■
Verdamper
De verdamper moet voornamelijk warmte onttrekken uit het
water dat erdoor vloeit. Dit is mogelijk door het vloeibare
koelmiddel, dat uit de condensor komt, om te zetten in een gas.
■
Terugslagklep
De terugslagklep voorkomt dat het koelmiddel in de verkeerde
richting stroomt.
■
Aansluiting van waterinlaat/-uitlaat
De aansluitingen van de waterinlaat en -uitlaat maken een
eenvoudige aansluiting mogelijk van de unit op het watercircuit
van de luchtbehandelingsunit of de industriële uitrusting.
■
Compressor SJ240-4 en SJ300-4 elektronische beveiligingsmodules (beveiliging van het circuit)
Compressor SJ240-4 en SJ300-4 zijn uitgerust met een elektronische beveiligingsmodule voor een efficiënte en betrouwbare
bescherming tegen oververhitting, overbelasting, faseverlies en
faseomkering. De controller detecteert dat de compressor wordt
uitgeschakeld. De controller moet manueel worden gereset.
■
Fasebeveiliging (algemene beveiliging)
De fasebeveiligingen voorkomen dat de unit wordt gebruikt met
omgekeerde fase. Als de unit niet start dient u twee fasen van
de voeding om te keren.
■
Stromingsschakelaar (algemene beveiliging)
De unit is beveiligd met een stromingsschakelaar (S1L).
Als de waterstroming lager wordt dan de minimaal toegestane
waterstroming, schakelt de stromingsschakelaar de unit uit.
Zodra de waterstroming weer zijn normale niveau heeft bereikt,
wordt de beveiliging automatisch gereset, maar de controller
moet u nog altijd manueel resetten.
■
Thermische beveiligingen voor de uitlaat (beveiligingen van het
circuit)
De unit is uitgerust met thermische beveiligingen voor de uitlaat
(R*T). Deze beveiligingen worden in werking gesteld als de
temperatuur van het koelmiddel dat de compressor verlaat te
hoog wordt. Zodra de watertemperatuur aan de uitlaat weer
normaal is, moet de controller manueel worden gereset.
■
Vorstbeveiliging (algemene beveiligingen)
De vorstbeveiliging voorkomt dat het water in de verdamper
tijdens de werking bevriest.
Beveiligingen
De unit is uitgerust met drie soorten beveiligingen:
1
Algemene beveiligingen
Algemene beveiligingen schakelen alle circuits uit en leggen de
volledige unit stil. Daarom moet u nadat een algemene beveiliging werd geactiveerd de unit opnieuw manueel inschakelen.
2
Beveiligingen van het circuit
Beveiligingen van het circuit schakelen het circuit uit dat ze
beveiligen terwijl de andere circuits in werking blijven.
3
Beveiligingen van de onderdelen
■ Wanneer de temperatuur van het uitlaatwater te laag is,
schakelt de controller de compressoren uit. Zodra de temperatuur weer normaal is, wordt de controller automatisch
gereset.
Beveiligingen van onderdelen schakelen het onderdeel dat zij
beveiligen uit.
Hieronder volgt een overzicht van alle beveiligingen.
■
■ Wanneer de temperatuur van het koelmiddel te laag is,
schakelt de controller de unit uit. Zodra de koelmiddeltemperatuur weer normaal is, moet de controller manueel
worden gereset.
Overstroomrelais
■ Overstroomrelais voor compressoren (alleen voor SJ161-4)
(beveiliging van het circuit)
Het overstroomrelais beschermt de compressormotor bij een
overbelasting, fasestoring of te lage spanning.
■
Lagedrukbeveiliging (beveiligingen van het circuit)
Als de aanzuigdruk van een circuit te laag is, schakelt de
controller van het circuit het circuit uit. Zodra de druk weer zijn
normale niveau heeft bereikt, kan de beveiliging via de controller
worden gereset.
■
Drukveiligheidsklep (algemene beveiligingen)
De veiligheidsklep wordt in werking gesteld als de druk in het
koelmiddelcircuit te hoog wordt. Als dit gebeurt, moet u de unit
uitschakelen en uw plaatselijke dealer raadplegen.
■
Vermindering wegens hoge druk (circuitbeveiliging)
De vermindering wegens hoge druk voorkomt dat de hoge druk
te hoog wordt zodat de hogedrukschakelaar zou worden
geactiveerd.
Wanneer de hoge druk te hoog is, schakelt de controller de
compressor uit. De controller wordt automatisch gereset zodra
de druk weer normaal is.
■
Hogedrukschakelaar (beveiligingen van het circuit)
Elk circuit is beveiligd door een hogedrukschakelaar (S*PH) die
de condensordruk (druk aan de compressoruitlaat) meet.
Wanneer de druk te hoog wordt, wordt de drukschakelaar
geactiveerd en stopt het circuit.
Zodra de druk weer zijn normale niveau heeft bereikt, wordt de
beveiliging automatisch gereset, maar de controller moet u nog
altijd manueel resetten.
De instelling van de schakelaar gebeurt in de fabriek en mag
niet worden gewijzigd.
■
Beveiligingsfunctie van de compressor
De beveiligingsfunctie van de compressor beschermt de
compressor tegen werking buiten het werkingsbereik wanneer
hij in de verwarmingsstand draait.
Als de hoge- en lagedruktemperatuurwaarden buiten het
werkingsbereik liggen, schakelt de controller de compressor uit.
De controller wordt automatisch gereset zodra de lage- en
hogedruktemperatuurwaarden weer normaal zijn.
■ Overstroomrelais voor ventilatoren (beveiliging van een
onderdeel)
Het overstroomrelais beschermt de ventilatormotoren
overbelasting, fasestoring of te lage spanning.
bij
■ Overstroomrelais voor pomp (algemene beveiliging)
Het overstroomrelais beschermt de pomp bij overbelasting,
fasestoring of te lage spanning.
Als de overstroomrelais geactiveerd zijn, moeten zij worden
gereset in de schakelkast, waarna ook de controller manueel
moet worden gereset.
De overstroomrelais zijn ingesteld in de fabriek en
mogen niet worden gewijzigd.
■
Thermische beveiliging van de compressor SJ161-4
(beveiligingen van de onderdelen)
Compressor SJ161-4 is uitgerust met een interne beveiliging
tegen overbelasting van de motor om de unit te beschermen
tegen een te hoge spanning of temperatuur als gevolg van
overbelasting, lage koelmiddelstroming of faseverlies. De
compressor wordt uitgeschakeld en begint automatisch weer te
werken zodra de temperatuur weer normaal is. De controller
detecteert dit niet.
■
Compressor
SJ180-4
elektronische
beveiligingmodule
(beveiliging van het circuit)
Compressor SJ180-4 is uitgerust met een elektronische
beveiligingsmodule voor een efficiënte en betrouwbare bescherming tegen oververhitting, overbelasting en faseverlies. De
controller detecteert dat de compressor wordt uitgeschakeld. De
controller moet manueel worden gereset. De compressor is
intern beveiligd tegen faseomkering.
Gebruiksaanwijzing
5
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Interne bedrading - Tabel met onderdelen
Raadpleeg het intern bedradingsschema dat met de unit is meegeleverd. De gebruikte afkortingen hebben de volgende betekenis:
A01P...................... Printplaat uitbreiding
A02P.............**...... Printplaat communicatie (alleen voor optie
EKACPG)
A4P........................ Printplaat bedrade afstandsbediening
A5P...............**...... Printplaat bedrade afstandsbediening (alleen
voor optie EKRUPG)
A11P,A21P............. Printplaat hoofdcontroller circuit 1, circuit 2
A13P,A23P....**...... Frequentie-inverter circuit 1, circuit 2 (alleen voor
optie OPIF)
A71P,A72P............. Printplaat EEV-besturing
A73P...................... Printplaat EEV-besturing (alleen voor
EWYQ230+250)
B1PH,B2PH........... Hogedruksensor circuit 1, circuit 2
B1PL,B2PL ............ Lagedruksensor circuit 1, circuit 2
DS1........................ DIP-schakelaar printplaat
E1HS ............**...... Schakelkastverwarming met ventilator
(alleen voor EWYQ130~250 met optie OPIF)
E3H...............**...... Verwarmingslint (alleen voor optie OP10)
E4H...............**...... Verwarmingslint (alleen voor optie OP10, OPSP,
OPHP of OPTP)
E5H...............* ....... Lokale verwarming
E6H...............**...... Buffertankverwarming (alleen voor optie OP10 of
OPBT)
E7H...............**...... Schakelkastverwarming (alleen voor
EWYQ080+100 met optie OPIF)
E11HC,E12HC ...... Carterverwarming compressor circuit 1
E21HC,E22HC ...... Carterverwarming compressor circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
F1~F3 ...........# ...... Hoofdzekeringen
F1U........................ Zekering voor printplaat
F4,F5 ............# ...... Zekering voor verwarming
F6B ........................ Automatische zekering voor de primaire van TR1
F8B ...............**...... Automatische zekering voor
schakelkastverwarming (alleen voor optie OPIF)
F9B ........................ Automatische zekering voor secundaire van TR1
F11B,F12B ............ Automatische zekering voor compressoren
(M11C, M12C) (alleen voor EWYQ130~250)
F14B,F24B ............ Automatische zekering voor ventilatormotoren
circuit 1, circuit 2
F15B,F25B ...**...... Automatische zekering voor ventilatormotoren
circuit 1, circuit 2 (alleen voor optie OPIF)
F16B .............**...... Automatische zekering voor pomp (K1P)
(alleen voor optie OPSP, OPHP, OPSC, OPTC
en OPTP)
F17B .............**...... Automatische zekering voor pomp (K2P)
(alleen voor optie OPTC en OPTP)
F21B,F22B ............ Automatische zekering voor compressoren
(M21C, M22C)
H1P~H6P .....* ....... Indicatielampje voor veranderlijke digitale
outputs
H11P,H12P ...* ....... Indicatielampje voor werking compressor
circuit 1 M11C, M12C
H21P,H22P ...* ....... Indicatielampje voor werking compressor
circuit 2 M21C, M22C
HAP~HEP.............. Led printplaat
K1A,K2A ................ Hulprelais voor compressorbeveiliging circuit 1,
circuit 2
K1P...............## .... Pompcontactgever (alleen voor optie OPSP,
OPHP, OPSC, OPTC en OPTP)
K1R~K22R ............ Relais printplaat
K1S...............* ....... Overstroomrelais pomp
K2P...............**...... Pompcontactgever (alleen voor optie OPTC
en OPTP)
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
K3A ........................ Hulprelais voor verwarmingslint
K11M,K12M ........... Compressorcontactgever voor circuit 1
K13F,K14F ............. Ventilatorcontactgever voor circuit 1
K13S,K14S ............ Overstroomrelais ventilator voor circuit 1
K15F ...................... Ventilatorcontactgever voor circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ180~250)
K15S ...................... Overstroomrelais ventilator voor circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ180~250)
K16F ...................... Ventilatorcontactgever voor circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ230+250)
K16S ...................... Overstroomrelais ventilator voor circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ230+250)
K21M,K22M ........... Compressorcontactgever voor circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
K23F,K24F ............. Ventilatorcontactgever voor circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
K23S,K24S ............ Overstroomrelais ventilator voor circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
K25F ...................... Ventilatorcontactgever voor circuit 2
(alleen voor EWYQ180~250)
K25S ...................... Overstroomrelais ventilator voor circuit 2
(alleen voor EWYQ180~250)
K26F ...................... Ventilatorcontactgever voor circuit 2
(alleen voor EWYQ230+250)
K26S ...................... Overstroomrelais ventilator voor circuit 2
(alleen voor EWYQ230+250)
M1F........................ Koelventilator voor schakelkast
M1P.............. ** ...... Pompmotor 1 (alleen voor optie OPSP, OPHP,
OPSC, OPTC en OPTP)
M2P.............. ** ...... Pompmotor 2 (alleen voor optie OPTC en OPTP)
M11C,M12C........... Compressormotoren circuit 1
M13F,M14F ............ Ventilatormotoren circuit 1
M15F...................... Ventilatormotoren circuit 1 (alleen voor
EWYQ080+100 en EWYQ180~250)
M16F...................... Ventilatormotoren circuit 1 (alleen voor
EWYQ080+100 en EWYQ230+250)
M21C,M22C........... Compressormotoren circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
M23F,M24F ............ Ventilatormotoren circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
M25F...................... Ventilatormotor circuit 2
(alleen voor EWYQ180~250)
M26F...................... Ventilatormotor circuit 2
(alleen voor EWYQ230+250)
PE .......................... Hoofdaardklem
Q1T .............. ** ...... Thermostaat (alleen voor optie OP10)
Q11C,Q12C ........... Elektronische beveiligingsmodule compressor
circuit 1 (niet voor EWYQ130)
Q21C,Q22C ........... Elektronische beveiligingsmodule compressor
circuit 2 (alleen voor EWYQ150~250)
R1T ........................ Sensor omgevingstemperatuur
R2T ........................ Temperatuursensor inlaatwater
R3T ........................ Temperatuursensor uitlaatwater
R8T .............. * ....... Temperatuursensor voor veranderlijke analoge
input
R14T,R34T............. Aanzuigtemperatuursensor circuit 1, circuit 2
R15T,R25T............. Perstemperatuursensor circuit 1
R16T,R36T............. Temperatuursensor pijpenbundel circuit 1,
circuit 2
R17T,R37T............. Temperatuursensor koelmiddelleiding circuit 1,
circuit 2
R18T,R38T............. Aanzuigtemperatuursensor verwarming circuit 1,
circuit 2
R26T ...................... Temperatuursensor pijpenbundel circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ230+250)
Gebruiksaanwijzing
6
R28T,R48T .............Aanzuigtemperatuursensor verwarming circuit 1,
circuit 2 (alleen voor EWYQ080+100 en
EWYQ230+250)
R35T,R45T .............Perstemperatuursensor circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
R37T ......................Temperatuursensor koelmiddelleiding circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
R38T ......................Aanzuigtemperatuursensor verwarming circuit 2,
circuit 2 (niet voor EWYQ080+100)
R46T ......................Temperatuursensor pijpenbundel circuit 2
(alleen voor EWYQ230+250)
S1A~S3A................DIP-schakelaar printplaat
S1L.........................Stromingsschakelaar
S1M........................Hoofdnetscheidingsschakelaar
S1PH,S2PH ...........Hogedrukschakelaar circuit 1, circuit 2
S1S~S5S...... *........Schakelaar voor veranderlijke digitale input
S1T............... ** ......Thermisch contact (alleen voor optie OPIF)
S2M.............. # .......Netscheidingsschakelaar verwarmingslint
T1A............... ** ......Stroomtransducer (alleen voor optie OP57)
T1V............... ** ......Spanningstransducer (alleen voor optie OP57)
TR1 ........................Besturingscircuit transformator (400 V/230 V)
TR1A ............ ** ......Stroommeting transformator
(alleen voor optie OP57)
V1C ........................Ferrietkern
V1F,V2F........ ** ......Ontstoringsfilter circuit 1, circuit 2
(alleen voor EWYQ130~210 met optie OPIF)
V2C .............. ** ......Ferrietkern (alleen voor optie EKACPG)
X*A .........................Klem printplaat
X*Y .........................Connector
X1M........................Klemmenstrook printplaat
Y11E ......................Elektronische expansieklep koelen circuit 1
Y12E ......................Elektronische expansieklep verwarming circuit 1
Y13E ......................Elektronische expansieklep verwarming circuit 1
(alleen voor EWYQ080+100 en EWYQ230+250)
Y21E ......................Elektronische expansieklep koelen circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
Y22E ......................Elektronische expansieklep verwarming circuit 2
(alleen voor EWYQ130~250)
Y23E ......................Elektronische expansieklep verwarming circuit 2
(alleen voor EWYQ230+250)
Y1R,Y2R ................Omkeerklep circuit 1, circuit 2
VOOR
Controle vóór eerste opstart
Zorg ervoor dat de hoofdschakelaar op het voedingspaneel van de unit uitgeschakeld is.
Controleer na de installatie van de unit de volgende punten vooraleer
de stroomonderbreker in te schakelen:
1
Lokale bedrading
Zorg ervoor dat de lokale bedrading tussen het lokale voedingspaneel en de unit is uitgevoerd overeenkomstig de instructies
vermeld in de montagehandleiding, de bedradingsschema's en
de Europese en nationale reglementeringen.
2
Zekeringen of beveiligingen
Controleer of het type en de grootte van de zekeringen of de
lokaal gemonteerde beveiligingen overeenstemmen met de
vereisten vermeld in de montagehandleiding. Zorg ervoor dat er
geen zekering of beveiliging is overgeslagen.
3
Mogelijk als optie
Verplicht
#
##
Niet verplicht
*
**
Aarding
Zorg ervoor dat de aardkabels correct zijn aangesloten en de
aardklemmen stevig zijn vastgemaakt.
4
Interne bedrading
Controleer of er geen losse aansluitingen of beschadigde elektrische componenten in de schakelkast zichtbaar zijn.
5
Bevestiging
Controleer of de unit correct gemonteerd is om abnormale
geluiden en trillingen te voorkomen bij het opstarten van de unit.
6
Beschadigde onderdelen
Controleer de binnenkant van de unit op beschadigde onderdelen of platgedrukte leidingen.
7
Koelmiddellek
Controleer de binnenkant van de unit op koelmiddellekken.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er een koelmiddellek is.
8
Olielek
Controleer de compressor op olielekken. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er een olielek is.
9
Afsluiters
Open de vloeistofzijdige, pers- en aanzuigafsluiters (indien
voorzien) volledig.
Niet geleverd bij standaardunit
Niet mogelijk als optie
HET OPSTARTEN
10
Luchtinlaat/-uitlaat
Controleer of de luchtinlaat en -uitlaat van de unit niet
belemmerd is door papier, karton of iets anders.
11
Voedingsspanning
Controleer de voedingsspanning op het lokale voedingspaneel.
De spanning moet overeenkomen met de spanning op het
identificatieplaatje van de unit.
12
Wateraansluiting
Controleer het waterleidingsysteem en de circulatiepompen.
Watertoevoer
Vul de waterleidingen en houd hierbij rekening met het minimum door
de unit vereiste volume water. Raadpleeg de "montagehandleiding".
Zorg ervoor dat de waterkwaliteit beantwoordt aan de normen
vermeld in de montagehandleiding.
Ontlucht het systeem op de hoogste punten van het systeem en controleer de werking van de circulatiepomp en de stromingsschakelaar.
Gebruiksaanwijzing
7
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Voedingsaansluiting en carterverwarming
Om beschadiging van de compressor te voorkomen, dient
u de carterverwarming ten minste 6 uur vóór het
opstarten van de compressor in te schakelen als de unit
gedurende een lange periode niet heeft gefunctioneerd.
Procedure voor het inschakelen van de carterverwarming:
1
Schakel de stroomonderbreker in op het lokaal voedingspaneel.
Zorg ervoor dat de unit in de "OFF"-stand staat.
2
De carterverwarming wordt automatisch ingeschakeld.
3
Controleer de voedingsspanning op de voedingsklemmen L1,
L2 en L3 met behulp van een voltmeter. De spanning moet
overeenkomen met de spanning op het identificatieplaatje van
de unit. Als de voltmeter een spanning aangeeft die niet ligt
binnen het bereik vermeld in de technische gegevens, moet u de
lokale bedrading controleren en indien nodig de voedingskabels
vervangen.
4
Controleer of de carterverwarming opwarmt.
Na 6 uur is de unit klaar voor gebruik.
WERKING
De EWYQ-units zijn uitgerust met een digitale controller (achter het
servicepaneel) die een gebruikersvriendelijke instelling, gebruik en
onderhoud van de unit toelaat.
Dit gedeelte van de handleiding heeft een praktijkgerichte, modulaire
structuur. Behalve het eerste onderdeel, dat een kort overzicht biedt
van de controller zelf, behandelt elk onderdeel of subonderdeel een
specifieke instelling die u met de unit kunt uitvoeren.
Afhankelijk van de unit, bevat het systeem één of twee koel-/
verwarmingscircuits. EWYQ130~250-units bestaan uit twee circuits,
terwijl EWYQ080+100-units er slechts één hebben. Deze circuits
worden gewoonlijk C1 en C2 genoemd in de hiernavolgende
omschrijvingen. Dit betekent dat alle informatie over circuit 2 (C2)
niet geldt voor EWYQ080+100-units.
Digitale controller
Gebruikersinterface
De digitale controller bestaat uit een alfanumeriek scherm, toetsen
met een symbool om op te drukken en een aantal controlelampjes.
■
Digitale controller en digital afstandsbediening (EKRUPG)
Algemene aanbevelingen
Neem de onderstaande aanbevelingen door vooraleer u de unit
inschakelt:
1
Sluit alle servicepanelen van de unit nadat de volledige
installatie en alle vereiste instellingen zijn uitgevoerd.
2
De servicepanelen van de schakelkast mogen enkel worden
geopend in geval van onderhoud door een erkend elektricien.
3
4
Afbeelding - Digitale controller/afstandsbediening
Wanneer u vaak aan de digitale controller moet kunnen,
installeert u best een digitale afstandsbediening in optie
(EKRUPG).
œ
-toets, om de unit in en uit te schakelen.
π
-toets, om het beveiligingsmenu te selecteren of een
alarm terug te stellen.
Schakel de voeding tijdens de winter nooit uit; zoniet kan de
verdamper bevriezen (wanneer OP10 is geïnstalleerd) de lcdschermen van de digitale controller beschadigd geraken.
ƒ
-toets, om het hoofdmenu te selecteren.
fi
Ì
-toetsen, om de schermen van een menu te doorlopen
(alleen als ^, v of ÷ verschijnt) of om een instelling te
verhogen, respectievelijk te verlagen.
‡
-toets, om een selectie of instelling te bevestigen.
LET OP
Afwijking bij de temperatuurweergave: ±1°C.
Het alfanumeriek scherm kan minder leesbaar zijn in
rechtstreeks zonlicht.
Naar een menu gaan
Scroll door het hoofdmenu met de fi- en Ì-toetsen om naar het
menu van uw keuze te gaan. Druk op de ‡-toets om naar het
geselecteerde menu te gaan.
Niet gese- Geseleclecteerd teerd
Menu
ªÒµ®
†Úæ∂Ï
■
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Weergavemenu
Instelpuntenmenu
Gebruikersinstelmenu
Timermenu
Historiekmenu
Infomenu
I/O-statusmenu
Login/logout-menu
Netwerkmenu
Koel/verwarmingsmenu
=
=
=
=
=
=
=
=
=
=
º
Ò
Â
µ
®
†
Ú
æ
∂
Ï
ª
∑
Å
Ó
‚
™
Ÿ
Æ
∆
Í
De toegang tot het instelpuntenmenu (∑) en het gebruikersinstelmenu (Å) is beveiligd met een paswoord; zie
"Gebruikerspaswoord veranderen" op pagina 20.
Gebruiksaanwijzing
8
Aansluiting van een digitale afstandsbediening op de unit
De unit uitschakelen
De kabel tussen de digitale afstandsbediening en de unit mag max.
500 m lang zijn. Dit biedt de mogelijkheid om de unit vanop een
aanzienlijke afstand te bedienen. Raadpleeg "Kabel van de digitale
afstandsbediening"
in
de
montagehandleiding
voor
de
kabelspecificaties.
Als geen schakelaar AAN/UIT vanop afstand is geconfigureerd:
Druk op de œ-toets op de controller.
Het controlelampje in de œ-toets dooft.
Deze beperkingen gelden ook voor units in een DICN-configuratie.
LET OP
Wanneer u een digitale afstandsbediening aansluit op
een autonome unit, moet u het adres van de digitale
afstandsbediening op SUB instellen door middel van
de DIP-schakelaars op de achterkant van de digitale
afstandsbediening. Raadpleeg de montagehandleiding
"Instellen van de adressen op de digitale
afstandsbediening" voor informatie over het instellen
van het adres.
Bediening van de unit
Dit hoofdstuk biedt informatie voor het alledaags gebruik van de unit.
Hier vindt u informatie over routinehandelingen zoals:
■
"De taal instellen" op pagina 9
■
"De unit inschakelen" op pagina 9
■
"Actuele informatie raadplegen" op pagina 9
■
"Temperatuurinstelpunt veranderen" op pagina 11
■
"De unit resetten" op pagina 11
Als een schakelaar AAN/UIT vanop afstand is geconfigureerd:
Druk op de œ-toets op de controller of schakel de unit uit met
behulp van de aan/uit-schakelaar vanop afstand.
Het controlelampje in de œ-toets dooft in het eerste geval en
begint te knipperen in het tweede geval.
LET OP
Units in een DICN-systeem IN/UIT-schakelen
Als de œ-toets wordt ingedrukt van een unit met de status NORMAL
of STANDBY, zullen alle andere units met de status NORMAL of
STANDBY IN of UIT geschakeld worden.
Als de œ-toets wordt ingedrukt van een unit met de status
DISCONNECT ON/OFF, zal alleen deze unit IN of UIT worden
geschakeld.
LET OP
Indien gewenst, kunt u een van de volgende talen als werkingstaal
instellen: Engels, Duits, Frans, Spaans of Italiaans.
1
Ga naar het Å gebruikersinstelmenu. Raadpleeg het hoofdstuk
"Naar een menu gaan" op pagina 8.
2
Ga naar het submenu Taal van het Å gebruikersinstelmenu met
de fi- en Ì-toetsen en druk op ‡-toets om het menu te
openen.
3
Druk op ‡ tot de gewenste taal actief is om de taal te
veranderen.
LET OP
Alleen de master-unit UIT schakelen zou in dit geval
moeten gebeuren met de lokale AAN/UIT-toets op de
master-unit.
De unit inschakelen
Druk op de œ-toets op de controller.
LET OP
Als de paswoordbeveiliging op ON staat, moet het
juiste paswoord worden ingevoerd voordat u
verder kunt gaan.
Naargelang een schakelaar AAN/UIT vanop afstand al of niet
werd geconfigureerd (raadpleeg de montagehandleiding),
kunnen de volgende situaties zich voordoen.
Als geen schakelaar AAN/UIT vanop afstand is geconfigureerd,
zal het controlelampje van de œ-toets oplichten en begint de
initialiseringscyclus te lopen. De unit wordt opgestart zodra alle
timers het nulpunt hebben bereikt.
Wanneer een schakelaar AAN/UIT vanop afstand is geconfigureerd, is de volgende tabel van toepassing:
Lokale toets
Schakelaar
AAN/UIT
vanop afstand
Unit
œ led
AAN
AAN
AAN
AAN
AAN
UIT
UIT
Knippert
UIT
AAN
UIT
UIT
UIT
UIT
UIT
UIT
Raadpleeg "Opsporen en verhelpen van storingen" op
pagina 20 als de ijswaterkoelgroep na een paar minuten niet
opstart.
Gebruiksaanwijzing
9
Als de gebruiker 1 unit alleen wil laten functioneren op
zijn bevel moet deze unit worden ingesteld op
DISCONNECT ON/OFF.
Het is aanbevolen om de master-unit niet voor die
functie te selecteren. Zelfs wanneer de status van de
master-unit is ingesteld op DISCONNECT ON/OFF,
zal het nog altijd het contact zijn dat aangesloten is op
de master-unit dat de andere units IN/UIT schakelt in
de stand NORMAL of STANDBY. Daarom zou het nooit
mogelijk zijn om alleen de master-unit vanop afstand
UIT te schakelen.
De controller is in de fabriek ingesteld op Engels.
2
Wanneer een schakelaar AAN/UIT vanop afstand is
geconfigureerd, is het contact dat aangesloten is op de
master-unit het contact voor AAN/UIT vanop afstand
voor alle units met de status NORMAL of STANDBY van
een DICN-netwerk.
Voor units met de status DISCONNECT ON/OFF is het
afstandscontact op deze unit aangesloten contact.
De taal instellen
1
Raadpleeg tevens "Instellingen op maat in het onderhoudsmenu", hoofdstuk "Instellen van de veranderlijke
inputs en outputs" in de montagehandleiding.
Actuele informatie raadplegen
1
Ga naar het weergavemenu. Raadpleeg het hoofdstuk "Naar
een menu gaan" op pagina 8.
De controller geeft automatisch het eerste scherm van het
weergavemenu weer, met de volgende informatie:
_v¶¡
…
≤0U4
∞11 ∞12 ≠H
∞21 ∞22 ≠H
013$6¢
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
012$0¢
koelstand
verwarmingsstand
ventilator (H hoog of L laag)
geluidsarme stand actief (alleen beschikbaar
wanneer de optie OPIF is geïnstalleerd)
…
pomp aan
…1/2
in geval van dubbele pompbesturing: pomp 1/2 aan
∞11/12 circuit 1 compressor 1/2 aan
∞21/22 circuit 2 compressor 1/2 aan
≤
alarm en laatst voorgekomen storingscode (0U4 in
het voorbeeld)
13$6¢
actuele temperatuur (inlaat- of uitlaattemperatuur,
afhankelijk van de actieve stand)
12$0¢
temperatuurinstelpunt (inlaat- of uitlaattemperatuur,
afhankelijk van de actieve stand)
¶
§
≠
¡
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
2
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
•
TIMER BUSY: de actuele waarde van één van de compressor-
•
MANUAL MODE of COOL INLSP1/2 of COOL OUTLSP1/2 of
HEAT INSLP1/2 of HEAT OUTSP1/2: werking met manuele/
•
PUMPLEAD TIM: de compressor start pas op nadat de lead-
automatische besturing. Als de automatische besturing werd
gekozen, geeft de controller het actieve temperatuurinstelpunt
weer. Afhankelijk van de status van het afstandscontact, zal
instelpunt 1 of instelpunt 2 actief zijn.
•
•
•
•
4
5
Bij een DICN-systeem zijn de waarden voor INLET
WATER, OUTLET WATER de waarden van de individuele units, en niet die van het systeem. De temperaturen van het systeem kunnen worden geraadpleegd
in het eerste scherm van het netwerkmenu.
•
■ LP1/2: lage druk van het koelmiddel in circuit 1/2. Het
eerste getal geeft de druk weer in bar, het tweede de
verzadigingstemperatuur van het dauwpunt in graden
Celsius.
■ LOWNOISE: onderaan het eerste scherm staat de status van
de geluidsarme instelling (Y=actief of N=niet actief).
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
Het UNIT
STATUS-scherm van het weergavemenu biedt
informatie over de status van de verschillende circuits.
• C11 en C12: actuele status van circuit 1 (ON of OFF).
• C21 en C22: actuele status van circuit 2 (ON of OFF).
Wanneer de unit ingeschakeld is en een circuit OFF is, kan de
volgende statusinformatie verschijnen:
• SAFETY ACT.: een van de beveiligingen van het circuit is
geactiveerd (raadpleeg "Opsporen en verhelpen van storingen"
op pagina 20).
•
FREEZEUP
DIS: de compressor is uitgeschakeld door de
vorstbeveiliging.
•
•
•
•
•
FREEZEUP PR: vorstbeveiliging is actief.
DEFROST BUSY: ontdooien is actief op dit circuit.
COMP PR: de beveiligingsfunctie van de compressor is actief.
HP SETBACK: terugkeerfase wegens hoge druk is actief.
MIN.RUN.TIM: minimale bedrijfstijd van de compressor is
NO PRIORITY: Deze compressor start niet op omdat hij geen
voorrang heeft. Zie "De lead/lag-instellingen bepalen" op
pagina 16 voor instellen van de voorrang.
•
CAN STARTUP: het circuit is klaar om te starten wanneer extra
•
koel- of verwarmingslast nodig is.
Wanneer geen van de hierboven vermelde berichten verschijnt,
zijn geen speciale functies actief en draait de compressor.
De voorgaande berichten verschijnen in orde van belangrijkheid.
De UNIT CAPACITY verschijnt onderaan het eerste scherm.
7
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
De EXTRA READOUT-schermen van het weergavemenu bieden
de volgende informatie:
• CURRENT: actuele stroom, gemeten in Ampère (A) (alleen
wanneer OP57 is geïnstalleerd)
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
Het C1/C2 TEMP. READOUT-scherm van het weergavemenu
biedt informatie over de koelmiddeltemperatuur ( REFR) en
pijpenbundeltemperatuur van circuit 1/circuit 2.
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
Het ACT. PRESSURES-scherm van het weergavemenu biedt
informatie over de actuele drukwaarden in het circuit.
NO FLOW: er is geen stroming na pomp-lead, de unit staat in
standby.
Druk op de Ì-toets om naar het volgende scherm van het
weergavemenu te gaan.
Het TEMPERATURE-scherm van het weergavemenu biedt
informatie over de afvoertemperatuur van de compressoren
(C11 en C12/C21 en C22).
■ HP1/2: hoge druk van het koelmiddel in circuit 1/2. Het
eerste getal geeft de druk weer in bar, het tweede de
verzadigingstemperatuur van het borrelpunt in graden
Celsius.
6
timer van de pomp nul heeft bereikt.
INL WATER: actuele inlaatwatertemperatuur.
OUTL WATER: actuele uitlaatwatertemperatuur.
AMBIENT: actuele omgevingstemperatuur.
LET OP
3
timers is niet nul (raadpleeg "Timermenu Ó" op pagina 13).
•
VOLTAGE: actuele spanning (V) (alleen wanneer OP57 is
geïnstalleerd)
•
RH11/12/21/22: actuele bedrijfsuren (h)
C11/12/21/22C: actueel aantal bedrijfsuren in de koelstand
C11/12/21/22H: actueel aantal bedrijfsuren in de
•
•
verwarmingsstand
•
•
8
CS11/12/21/22: aantal keer opstarten van de compressor
RHP1/2: actuele bedrijfsuren (h) van de pomp 1 of 2
Druk op de fi-toets om terug te keren naar de andere
weergavemenu's.
Selecteren van koelen of verwarmen
In het menu "koelen/verwarmen" kan de gebruiker de unit op koelen
of verwarmen instellen.
Het COOLING/HEATING-menu
geselecteerde stand:
•
•
•
UNIT OFF: de unit is uitgeschakeld.
AREC INLET: de compressor start niet op wanneer de inlaatwatertemperatuur niet voldoende gestegen is t.o.v. het moment
dat de compressor is uitgeschakeld.
•
over
de
COOLING: koelen. De twee koelinstelpunten voor zowel
besturing van de inlaatwatertemperatuur als de uitlaatwatertemperatuur kunnen worden gebruikt.
■
HEATING: verwarmen. De twee verwarmingsinstelpunten voor
zowel besturing van de inlaatwatertemperatuur als de uitlaatwatertemperatuur kunnen worden gebruikt.
Ga als volgt te werk om koelen/verwarmen te selecteren:
1
Ga naar het menu koelen/verwarmen. Raadpleeg het hoofdstuk
"Naar een menu gaan" op pagina 8.
Als de controller al in het menu koelen/verwarmen staat,
verplaatst u de cursor naar de linkerbovenhoek van het actuele
scherm met behulp van de K-toets.
2
Plaats de cursor achter MODE met behulp van de K-toets.
3
Selecteer de gewenste instelling met behulp van de h- en
g-toetsen.
4
Druk op de K-toets om de keuze te bevestigen.
De cursor keert terug naar de linkerbovenhoek van het scherm.
LET OP
Wanneer COOLING of HEATING wordt geselecteerd
op een unit in een DICN-systeem, worden alle andere
units ook in deze stand geschakeld.
LET OP
Wanneer een remote schakelaar koelen/verwarmen is
geconfigureerd,
is
de
koel-/verwarmingsstand
gebaseerd op de staat van de schakelaar. In dit geval
kan de koel- of verwarmingsstand niet worden
veranderd in het menu koelen/verwarmen.
LIMIT: de compressor is beperkt door de beperkingsfunctie.
STANDBY DICN: wanneer in een DICN-configuratie de unit in
standby staat omdat er voldoende stroomcapaciteit is om het
ingestelde punt te behouden.
informatie
■
actief.
•
biedt
FREE COOLING: vrij koelen is actief
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Gebruiksaanwijzing
10
5
Temperatuurinstelpunt veranderen
De unit maakt bepaling en keuze van vier onafhankelijke
temperatuurinstelpunten mogelijk. Twee instelpunten zijn voorbehouden voor inlaatsturing, de twee andere voor uitlaatsturing.
■
COOL. INLSP1: inlaatwatertemperatuur koelen, instelpunt 1,
■
COOL. INLSP2: inlaatwatertemperatuur koelen, instelpunt 2.
■
COOL. OUTSP1: uitlaatwatertemperatuur koelen, instelpunt 1,
■
COOL. OUTSP2: uitlaatwatertemperatuur koelen, instelpunt 2.
■
HEAT. INLSP1: inlaatwatertemperatuur verwarmen, instelpunt 1,
■
HEAT. INLSP2: inlaatwatertemperatuur verwarmen, instelpunt 2,
■
HEAT. OUTSP1: uitlaatwatertemperatuur verwarmen, instelpunt 1,
■
HEAT. OUTSP2: uitlaatwatertemperatuur verwarmen, instelpunt 2.
De keuze tussen instelpunt 1 en 2 gebeurt met behulp van een
schakelaar voor tweevoudige instelpunten vanop afstand (door de
klant te installeren). Het actueel actieve instelpunt kan worden
geraadpleegd in het weergavemenu.
LET OP
LET OP
De klant mag ook een instelpunt definiëren op basis
van een analoge input.
Raadpleeg tevens "Instellingen op maat in het onderhoudsmenu", hoofdstuk "Instellen van de veranderlijke
inputs en outputs" in de montagehandleiding.
Als u manuele besturing selecteert (raadpleeg "Gebruikersinstelmenu Å" op pagina 12), zal geen enkele van de hierboven vermelde
instelpunten actief zijn.
2
Ga naar het instelpuntenmenu. Raadpleeg het hoofdstuk "Naar
een menu gaan" op pagina 8.
Als het gebruikerspaswoord uitgeschakeld is voor wijzigingen in
de instelpunten (raadpleeg "Gebruikersinstelmenu Å" op
pagina 12)
gaat
de
controller
meteen
naar
het
instelpuntenmenu.
Als het gebruikerspaswoord wel is ingeschakeld voor wijzigingen in de instelpunten, moet u de juiste code ingeven met de
fi- en Ì-toetsen (raadpleeg "Gebruikerspaswoordmenu Æ" op
pagina 15). Druk op ‡ om het paswoord te bevestigen en naar
het instelpuntenmenu te gaan.
standaardwaarde
limietwaarden(*)
trapgrootte
standaardwaarde
limietwaarden(*)
trapgrootte
UITLAATINSTELPUNT
KOELEN
12¢
7 ➞ 23¢
0$1¢
7¢
5 ➞ 20¢
0$1¢
INLAATINSTELPUNT
VERWARMEN
UITLAATINSTELPUNT
VERWARMEN
40¢
20 ➞ 45¢
0$1¢
45¢
25 ➞ 50¢
0$1¢
Raadpleeg tevens "Instellingen voor variabel instelpunt
bepalen" op pagina 16.
Wanneer een netwerkbeveiliging wordt geactiveerd in een DICNconfiguratie zullen de slave-units die niet door het netwerk zijn
gedetecteerd, werken als autonome units.
■
Als een slave-unit niet door het netwerk kan worden gevonden,
zal het rode lichtje in de π-toets van de master-unit oplichten
en wordt de zoemer in de controller ingeschakeld.
■
Als de master-unit niet door het netwerk kan worden gevonden,
zal het rode lichtje in de π-toets van alle slave-units oplichten
en worden de zoemers in hun controllers ingeschakeld. Alle
units werken als autonome units.
Als de unit is uitgeschakeld door een stroomonderbreking, wordt zij
automatisch gereset en herstart zij zodra de stroomvoorziening is
hersteld.
Om de unit te resetten, gaat u als volgt te werk:
1
Druk op de π-toets om het alarm te bevestigen.
De zoemer wordt uitgeschakeld.
De controller schakelt automatisch over naar het
overeenkomstige scherm van het beveiligingsmenu: unitbeveiliging, circuitbeveiliging of netwerkbeveiliging.
2
Zoek de oorzaak van de uitval en verhelp het probleem.
Zie "Geactiveerde beveiligingen weergeven en de unitstatus
controleren" op pagina 18 en "Opsporen en verhelpen van
storingen" op pagina 20.
Wanneer een beveiliging kan worden gereset, zal het
controlelampje onder de π-toets beginnen te knipperen.
3
De standaard-, limiet- en trapwaarden voor de instelpunten van
de koeltemperatuur zijn:
INLAATINSTELPUNT
KOELEN
LET OP
Wanneer een unit- of circuitbeveiliging wordt geactiveerd, wordt de
compressor uitgeschakeld. Het beveiligingsmenu geeft aan welke
beveiliging geactiveerd is. Het UNIT STATUS-scherm van het
weergavemenu zal OFF - SAFETY ACTIVE aangeven. Het rode
controlelampje in de π-toets licht op en de zoemer in de controller
wordt ingeschakeld.
Selecteer het te wijzigen instelpunt met de ‡-toets.
Druk op de fi en Ì-toetsen om de temperatuurinstelling te
wijzigen.
Wanneer een instelpunt van een unit in een DICNsysteem is ingesteld, geldt dit instelpunt voor alle
andere units.
De units zijn uitgerust met drie soorten beveiligingen: unitbeveiligingen, circuitbeveiligingen en netwerkbeveiligingen.
Een instelpunt is geselecteerd als de cursor knippert achter de
naam van het instelpunt.
Een ">" geeft het actueel actieve temperatuurinstelpunt aan.
3
LET OP
De unit resetten
Om een instelpunt aan te passen, gaat u als volgt te werk:
1
Om andere instelpunten te wijzigen, herhaalt u dezelfde
procedure vanaf stap 2.
Druk op de π-toets om de beveiligingen die niet langer actief
zijn te resetten.
Voer indien nodig het USER PASSWORD of het SERVICE
PASSWORD in. (Zie de montagehandleiding "Wachtwoord
instellen voor resetten van beveiliging".)
Zodra alle beveiligingen zijn gedeactiveerd en gereset, wordt het
controlelampje onder de π-toets gedoofd. Als één van de
beveiligingen actief blijft, zal het controlelampje onder de
π-toets opnieuw oplichten. Ga in dit geval terug naar stap 2.
4
U hoeft de œ-toets alleen opnieuw in te schakelen als zich een
unit-beveiliging voordoet.
Als de gebruiker de voeding afsluit om een beveiliging te
herstellen, zal de beveiliging na het inschakelen
automatisch worden gereset.
(*) Voor units met glycol met een OPZH kunt u de benedengrens van het
instelpunt van de koeltemperatuur aanpassen door de minimale
bedrijfstemperatuur in het onderhoudsmenu te veranderen (zie de
montagehandleiding).
4
Druk op ‡ om het aangepaste temperatuurinstelpunt te
bewaren.
Wanneer de instelling bevestigd is, gaat de cursor naar het
volgende instelpunt.
Gebruiksaanwijzing
11
LET OP
De historiekinformatie, d.w.z. het aantal keren dat een
beveiliging van de unit of het circuit is geactiveerd en
de unitstatus op het moment van de uitval, kunt u
controleren met behulp van het historiekmenu.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Geavanceerde mogelijkheden van de digitale controller
Dit hoofdstuk biedt een overzicht en een korte functiebeschrijving
van de schermen in de verschillende menu's. In het volgende
hoofdstuk leert u hoe de unit te installeren en te configureren met
behulp van de verschillende menufuncties.
Alle menu's zijn rechtstreeks toegankelijk met behulp van de
overeenkomstige toets op de digitale controller of via het hoofdmenu
(raadpleeg "Naar een menu gaan" op pagina 8). De pijl naar
beneden v op het scherm geeft aan dat u naar het volgende scherm
van het huidige menu kunt gaan met behulp van de Ì-toets. De pijl
naar boven ^ op het scherm betekent dat u naar het vorige scherm
van het huidige menu kunt gaan met behulp van de fi-toets. Als ÷
op het scherm staat, kunt u zowel naar het vorige als naar het
volgende scherm gaan.
Weergavemenu ª
_v¶
…
≤0U4
∞11 ∞12 ≠H
∞21 ∞22 ≠H
013$6¢
012$0¢
_÷COOL. INLSP1:012$0¢
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
AMBIENT:006$5¢
Actuele informatie over het totaal aantal
bedrijfsuren, het totaal aantal bedrijfsuren in de koelstand en de
verwarmingsstand en het aantal keren
dat de compressor is gestopt voor
circuit 1 raadplegen (eerste scherm) en
totaal aantal bedrijfsuren van de
pompen.
_÷
EXTRA READOUT
C12RH:00000hCS:00000
C12C:00000h H:00000h
Actuele informatie over het totaal aantal
bedrijfsuren,
het
totaal
aantal
bedrijfsuren in de koelstand en de
verwarmingsstand en het aantal keren
dat de compressor is gestopt voor
circuit 1 raadplegen (tweede scherm).
_÷
EXTRA READOUT
C21RH:00000hCS:00000
C21C:00000h H:00000h
Actuele informatie over het totaal aantal
bedrijfsuren,
het
totaal
aantal
bedrijfsuren in de koelstand en de
verwarmingsstand en het aantal keren
dat de compressor is gestopt voor
circuit 2 raadplegen (eerste scherm)
(alleen voor EWYQ130~250).
_÷
EXTRA READOUT
C22RH:00000hCS:00000
C22C:00000h H:00000h
Actuele informatie over het totaal aantal
bedrijfsuren en het aantal keren dat de
compressor is gestopt voor circuit 2
raadplegen (tweede scherm) (alleen
voor EWYQ130~250).
Actuele informatie over de status van
de pomp, de compressor en de ventilatoren en het temperatuurinstelpunt
raadplegen (afhankelijk van de actieve
stand).
Actuele informatie over de besturingsstand, de temperatuur van inlaat- en
uitlaatwater raadplegen.
Bij een DICN-systeem zijn de waarden
WATER en OUTLET
voor INLET
WATER de waarden van de individuele
units, en niet die van het systeem. De
temperaturen van het systeem kunnen
worden geraadpleegd in het eerste
scherm van het netwerkmenu.
_÷
C1 TEMP.READOUT
C11 DISCHARGE:010$1¢
C12 DISCHARGE:010$5¢
Informatie over de perstemperatuur van
circuit 1 raadplegen.
_÷
C2 TEMP.READOUT
C21 DISCHARGE:010$1¢
C22 DISCHARGE:010$5¢
Informatie over de perstemperatuur van
circuit 2 raadplegen (alleen voor
EWYQ130~250).
_÷
C1 TEMP.READOUT
C1 REFR:000$0¢
C11 COIL:000$0¢
C12 COIL:000$0¢
Informatie over de temperatuur van het
koelmiddel en de pijpenbundels van
circuit 1 raadplegen.
C2 TEMP.READOUT
C2 REFR:000$0¢
C21 COIL:000$0¢
C22 COIL:000$0¢
Informatie over de temperatuur van het
koelmiddel en de pijpenbundels van
circuit 2 raadplegen (alleen voor
EWYQ130~250).
_÷ C1 ACT. PRESSURES
HP1:019$0b = 050$8¢
LP1:000$4b = -05$2¢
FAN1:OFF
Informatie over de actuele drukwaarden
en de ventilatoren van circuit 1 raadplegen en controleren of de ventilatoren
in de geluidsarme stand werken.
_÷ C2 ACT. PRESSURES
HP2:019$0b = 050$8¢
LP2:000$4b = -05$2¢
FAN2:OFF
Informatie over de actuele drukwaarden
en de ventilatoren van circuit 2 raadplegen (alleen voor EWYQ130~250).
_÷
UNIT STATUS
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
UNIT CAPACITY:000%
Informatie over de unitstatus van
circuit 1 en de capaciteit van de unit
raadplegen.
_÷
_÷
EXTRA READOUT
C11RH:00000hCS:00000
C11C:00000h H:00000h
RHP1:00001hP2:00000h
Instelpuntenmenu ∑
Afhankelijk van de instellingen in het "geavanceerde" gebruikersinstelmenu kunt u rechtstreeks naar het "instelpuntenmenu" gaan of
met het gebruikerspaswoord.
> COOL.
COOL.
COOL.
COOL.
INLSP1:012$0¢
INLSP2:012$0¢
OUTSP1:007$0¢
OUTSP2:007$0¢
De temperatuurinstelpunten definiëren.
Gebruikersinstelmenu Å
Het gebruikersinstelmenu wordt beveiligd door het gebruikerspaswoord en maakt een volledige instelling op maat van de units
mogelijk.
USERSETTINGS MENU
>THERMOSTAT
COMPRESSOR
FAN
PUMP
FLOATING SETPOINT
LANGUAGE
TIME AND DATE
FREE COOLING
DICN
ADVANCED
DEFROST
SERVICE MENU
Scroll met de fi- en Ì-toetsen door
het menu en druk op de ‡-toets om
naar het submenu van uw keuze te
gaan.
THERMOSTAT
_v
THERMOSTAT
MODE:INL WATER
LOADUP:300s-DWN:030s
De thermostaatinstellingen definiëren.
_^
MANUAL SETTINGS
C11:OFF C12:OFF
C21:OFF C22:OFF
F1*:OFF F2*:OFF
De instellingen voor manuele besturing
definiëren.
COMPRESSOR
UNIT STATUS
SAFETY ACT.
SAFETY ACT.
Informatie over de unitstatus van
circuit 2 raadplegen (alleen voor
EWYQ130~250).
_÷
EXTRA READOUT
CURRENT:055A
VOLTAGE:023V
Actuele informatie over de stroom
(Ampère) en spanning van de unit
raadplegen.
_÷
C21:OFF
C22:OFF
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
_v
COMPR.LEAD-LAG
MODE:PRIORITY
PRIORITY:
C11>C12>C21>C22
De instellingen voor lead-lag (opstartvolgorde)
van
de
compressor
definiëren.
_^
COMPR.CAP.LIMIT
MODE:LIMIT SETTING
SET: C11:OFF C12:OFF
C21:OFF C22:OFF
De instellingen voor de capaciteitsbeperking
van
de
compressor
definiëren.
Gebruiksaanwijzing
12
FAN
Timermenu Ó
_
FAN FORCED ON
IF UNIT IS OFF THEN
ALL FANS:OFF
De actie voor alle ventilatoren definiëren voor wanneer de unit uit staat.
_v
PUMPCONTROL
PUMPLEADTIME
:020s
PUMPLAGTIME
:060s
DAILY ON:N AT:12h00
_^
DUAL PUMP
MODE:AUTO ROTATION
OFFSET ON RH
:048h
_v
GENERAL TIMERS
LOADUP:000s-DWN:000s
PUMPLEAD
:000s
FLOWSTOP
:00s
De actuele waarde van de algemene
softwaretimer controleren.
De instellingen voor de pompbesturing
definiëren.
_÷ COMPRESSOR TIMERS
GRD11:000s 12:000s
AREC11:000s 12:000s
M.RT11:000s 12:000s
De actuele waarde van de compressortimers van circuit 1 controleren.
De instellingen voor de dubbele pomp
definiëren.
_^ COMPRESSOR TIMERS
GRD21:000s 22:000s
AREC21:000s 22:000s
M.RT21:000s 22:000s
De actuele waarde van de compressortimers van circuit 2 controleren (alleen
voor EWYQ130~250).
PUMP
FLOATING SETPOINT
_ FLOATING SETPOINT
MODE:AMBIENT
MAXPOS:03$0¢ NEG:00$0¢
RF:020$0¢ SLOPE:006$0¢
Beveiligingsmenu π
Variabel instelpunt definiëren.
Het beveiligingsmenu biedt nuttige informatie voor het oplossen van
problemen. De volgende schermen bevatten basisinformatie.
LANGUAGE
_
LANGUAGE
PRESS ENTER TO
CHANGE LANGUAGE:
ENGLISH
Informatie raadplegen over de unitbeveiliging die heeft geleid tot de uitval.
_v
CIRCUIT1 SAFETY
1U1:REV PHASE PROT
Informatie raadplegen over de beveiliging van circuit 1 die heeft geleid tot de
uitval.
_v
CIRCUIT2 SAFETY
1U1:REV PHASE PROT
Informatie raadplegen over de beveiliging van circuit 2 die heeft geleid tot de
uitval (alleen voor EWYQ130~250).
_v
NETWORK SAFETY
0U4:PCB COMM.PROBLEM
Informatie raadplegen over de netwerkbeveiliging die heeft geleid tot de uitval.
_v
UNIT WARNING
0AE:FLOW HAS STOPPED
Informatie raadplegen over de unitwaarschuwing die heeft geleid tot de
uitval.
De taal op het scherm van de controller
definiëren.
TIME AND DATE
_
TIME AND DATE
TIME: 22h35
DATE FORMAT:DD/MM/YY
DATE: MON
20/03/06
_v
UNIT SAFETY
0F0:EMERGENCY STOP
De tijd en datum van het systeem
instellen.
FREE COOLING
_
FREE COOLING
MODE:AMBIENT
SP: 05$0¢ DIF:01$0¢
PUMP:ON LEAD:000s
Vrij koelen definiëren.
_÷
MASTER SETTINGS
MODE:NORMAL
OFFSET:0000h
PUMP ON IF:UNIT ON
De naam van de unit verschijnt op de
controller: MASTER, SLAVE1 ...
SLAVE3. Deze naam wordt automatisch toegekend naargelang het
ingestelde hardware-adres. Raadpleeg
"Instellen van de adressen" in
"Aansluiting en setup van een DICNsysteem" in de montagehandleiding.
DICN
ADVANCED
Samen met de basisinformatie kunnen meer gedetailleerde
informatieschermen geraadpleegd worden zolang het historiekmenu
actief is. Druk op de ‡-toets. Schermen, vergelijkbaar met de
volgende, zullen dan verschijnen. Bovendien wordt het aantal
veiligheidsonderbrekingen dat reeds is voorgekomen, weergegeven
op de eerste regel van de historiekschermen.
_v
ADVANCED
PASSWORD NEEDED FOR:
SETPOINT MENU:Y
UNIT ON/OFF:Y
Definiëren of er al dan niet een paswoord vereist is voor toegang tot het
instelpuntenmenu en om de unit in en
uit te schakelen.
_÷ UNIT HISTORY:002
0CA:OUT SENSOR ERR
22h33m00s
23/03/06
COOL INLSP1:012$0¢
Het tijdstip waarop de unit is uitgevallen
en het instelpunt van de watertemperatuur aan de verdamperinlaat
controleren.
_^
ADVANCED
MAIN MENU:GRAPHIC
LOGOUT TIMER :05min
BUZZER IF SAFETY:YES
Het uitzicht van het hoofdmenu
definiëren, de logout-timer instellen en
definiëren of de zoemer wordt
ingeschakeld bij een storing.
_÷
UNIT HISTORY:002
INLET WATER:012$0¢
OUTLET WATER:007$0¢
AMBIENT:006$5¢
De
watertemperatuur
aan
de
verdamperinlaat en -uitlaat en de
omgevingstemperatuur op het moment
van de uitval controleren.
_^
ADVANCED
BACKLIGHT TIME:05min
GRAPHIC READOUT:YES
De tijd voor de achtergrondverlichting
definiëren en definiëren of grafische
weergave actief is.
_÷ UNIT HISTORY:002
C11 DISCHARGE:010$1¢
C12 DISCHARGE:010$5¢
De perstemperatuur van de circuits van
circuit 1 op het moment van de uitval
controleren.
_v
MANUAL DEFROST
UNIT DEFROST:OFF
CIR1 DEFROST:OFF
CIR2 DEFROST:OFF
Handmatig ontdooien activeren.
_÷ UNIT HISTORY:002
C21 DISCHARGE:010$1¢
C22 DISCHARGE:010$5¢
De perstemperatuur van de circuits van
circuit 2 op het moment van de uitval
controleren
(alleen
voor
EWYQ130~250).
_^
DEFROST
MIN. TIME BETWEEN
DEFROST: NORMAL
De minimumtjid tussen twee ontdooiwerkingen bepalen.
_÷
UNIT HISTORY:002
C1 REFR:000$0¢
C11 COIL:000$0¢
C12 COIL:000$0¢
De temperatuur van het koelmiddel van
circuit 1 op het moment van de uitval
controleren.
_÷
UNIT HISTORY:002
C2 REFR:000$0¢
C21 COIL:000$0¢
C22 COIL:000$0¢
De temperatuur van het koelmiddel van
circuit 2 op het moment van de uitval
controleren
(alleen
voor
EWYQ130~250).
DEFROST
SERVICE MENU
ENTER SERVICE
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
Gebruiksaanwijzing
13
Om naar het onderhoudsmenu te gaan
(alleen een erkend installateur mag
toegang krijgen tot dit menu).
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
_÷ UNIT HISTORY:002
HP1:019$0b = 050$0¢
LP1:019$0b = -05$2¢
FAN1:OFF
De drukwaarden van circuit 1 en de
status van de ventilatoren op het
ogenblik van de uitval controleren.
_÷ UNIT HISTORY:002
HP2:019$0b = 050$0¢
LP2:019$0b = -05$2¢
FAN2:OFF
De drukwaarden van circuit 2 en de
status van de ventilatoren op het
ogenblik van de uitval controleren
(alleen voor EWYQ130~250).
_÷ UNIT HISTORY:002
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
UNITCAPACITY:000%
De status van de compressoren en de
unitcapaciteit van circuit 1 op het
moment van de uitval controleren.
_÷ UNIT HISTORY:002
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
De status van de compressoren en de
unitcapaciteit van circuit 2 op het
moment van de uitval controleren
(alleen voor EWYQ130~250).
_÷ UNIT HISTORY:002
CURRENT:055A
VOLTAGE:023V
De stroom (Ampère) en de spanning
van de unit op het moment van de uitval
controleren.
_÷ UNIT HISTORY:002
C11RH:00000hCS:00000
C11C:00000h H:00000h
RHP1:00000hP2:00000h
Het totaal aantal bedrijfsuren van de
compressor,
koelstand
en
verwarmingsstand en het aantal keer
dat de compressor is gestopt van
circuit 1 en van de pompen op het
moment van de uitval controleren
(eerste scherm).
_÷ UNIT HISTORY:002
C12RH:00000hCS:00000
C12C:00000h H:00000h
Het totaal aantal bedrijfsuren van de
compressor,
koelstand
en
verwarmingsstand en het aantal keer
dat de compressor is gestopt van
circuit 1 op het moment van de uitval
controleren (tweede scherm).
_÷ UNIT HISTORY:002
C21RH:00000hCS:00000
C21C:00000h H:00000h
Het totaal aantal bedrijfsuren van de
compressor,
koelstand
en
verwarmingsstand en het aantal keer
dat de compressor is gestopt van
circuit 2 op het moment van de uitval
controleren (eerste scherm) (alleen
voor EWYQ130~250).
_÷ UNIT HISTORY:002
C22RH:00000hCS:00000
C22C:00000h H:00000h
Het totaal aantal bedrijfsuren van de
compressor,
koelstand
en
verwarmingsstand en het aantal keer
dat de compressor is gestopt van
circuit 2 op het moment van de uitval
controleren (tweede scherm) (alleen
voor EWYQ130~250).
_÷ UNIT HISTORY:002
AI1 NONE
AI2 NONE
De status van de veranderlijke analoge
inputs op het moment van de uitval
controleren (eerste scherm).
_÷ UNIT HISTORY:002
AI3 NONE
AI4 NONE
De status van de veranderlijke analoge
inputs op het moment van de uitval
controleren (tweede scherm).
Infomenu ™
_v
TIME INFO
TIME: 22h05
DATE: WED 24/01/07
Informatie
over
raadplegen.
tijd
en
datum
_÷
UNIT INFO
UNIT:AW-CO-260 C:SCL
CIR:2 EVAP:1 COILC:2
EEV:P REF:R410A
Extra informatie over de unit raadplegen, zoals unittype, aantal circuits en
verdampers
en
het
gebruikte
koelmiddel.
_÷
UNIT INFO
FAN:ST VA:Y 2PUMP:Y
HEATERTAPE:Y
FAN DO ST:2 DO INV:2
Extra informatie over de unit raadplegen, zoals ventilatortype, Volt/
Ampère-optie, als er een tweede pomp
of verwarmingslint voorzien is en het
aantal digitale outputs dat kan worden
gebruikt bij ventilatoren zonder inverter
(ST) of inverter-ventilatoren (INV).
_^
SW INFO
MAIN:SP1710_055 V2.0
EXT :SP1559_017
REM.:SP1734_011
Informatie over de software-versie van
de controller raadplegen.
Input/output-statusmenu Ÿ
Het menu "input/output status" geeft de status weer van alle digitale
inputs en outputs en de veranderlijke digitale inputs van de unit.
_v
DIGITAL INPUTS
EMERGENCY STOP :OK
FLOWSWITCH:FLOW OK
Controleren of het noodstopsysteem
actief is en of er water stroomt naar de
verdamper.
_÷
DIG.INP/OUTPUTS
HEATER TAPE:OFF
PUMPINTERLOCK:CLOSED
PUMP:ON
De status van het verwarmingslint en de
staat van het pumpgrendelcontact en
de pomp controleren.
_÷
DIGITAL INPUTS
C1 REV.PH.PROT. :OK
C1 HIGH PR.SW. :OK
INT.L C11:OK C12:OK
De status van de hogedrukschakelaar,
de fasebeveiliging en het overstroomrelais van circuit 1 controleren.
_÷
DIGITAL INPUTS
C1 FAN OVERC.ST1:OK
C1 FAN OVERC.ST2:OK
C1 FAN OVERC.ST3:OK
De status van het overstroomrelais van
de ventilator van circuit 1 controleren.
_÷
DIGITAL INPUTS
C2 REV.PH.PROT. :OK
C2 HIGH PR.SW. :OK
INT.L C21:OK C22:OK
De status van de hogedrukschakelaar,
de fasebeveiliging en het overstroomrelais van circuit 2 controleren (alleen
voor EWYQ130~250).
_÷
DIGITAL INPUTS
C2 FAN OVERC.ST1:OK
C2 FAN OVERC.ST2:OK
C2 FAN OVERC.ST3:OK
De status van het overstroomrelais van
de ventilator van circuit 2 raadplegen
(alleen voor EWYQ130~250).
_÷
DIGITAL INPUTS
C11:ON C12:ON
C21:ON C22:ON
De status van de compressoren 11/12/
21/22 controleren.
_÷
FAN INP/OUTPUTS
C1 FANSTEP 1:CLOSED
C1 FANSTEP 2:CLOSED
C1 FANSTEP 3:CLOSED
De status van de ventilatorsnelheidsrelais van circuit 1 controleren.
_÷
FAN INP/OUTPUTS
C2 FANSTEP 1:CLOSED
C2 FANSTEP 2:CLOSED
C2 FANSTEP 3:CLOSED
De status van de ventilatorsnelheidsrelais van circuit 2 controleren (alleen
voor EWYQ130~250).
_÷CHANG. DIG. INPUTS
DI1 NONE
DI2 NONE
DI3 NONE
De status van de veranderlijke digitale
inputs controleren. (eerste scherm)
Merk op dat voor een unit in een DICNsysteem de inputs voor deze unit
gelden.
Het is echter de input vanop afstand
van de master-unit die de werking van
de unit zal bepalen.
Historiekmenu ‚
Het historiekmenu bevat alle informatie over de recentste uitvallen.
De structuur van deze menu's is identiek aan de structuur van het
beveiligingsmenu. Telkens wanneer een storing wordt verholpen en
de operator het systeem reset, worden alle relevante gegevens uit
het beveiligingsmenu gekopieerd naar het historiekmenu.
Bovendien staat het aantal veiligheidsonderbrekingen dat reeds is
voorgekomen op de eerste regel van de historiekschermen.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Gebruiksaanwijzing
14
_÷CHANG. DIG. INPUTS
DI4 NONE
DO1 SAFETY+W.(NO) :O
DO2 GEN.OPERATION :O
De status van de veranderlijke digitale
inputs en outputs controleren (tweede
scherm).
_÷CHANG.
DO3 NONE
DO4 NONE
DO5 NONE
INP/OUTPUTS
(OPEN)
(OPEN)
(OPEN)
De status van de veranderlijke digitale
outputs controleren (derde scherm).
_÷CHANG. INP/OUTPUTS
DO6 NONE (OPEN)
AI1 NONE
AI2 NONE
De status van de veranderlijke digitale
outputs en analoge inputs controleren
(vierde scherm).
_÷CHANG. INP/OUTPUTS
AI3 NONE
AI4 NONE
AO1 NONE
De status van de veranderlijke analoge
inputs en outputs controleren (vijfde
scherm).
_^
Controleren welke communicatielijnen
actief zijn.
COMMUNICATION
RS232 ONLINE:N
RS485 ONLINE:N
DIII ONLINE:N
Naar het gebruikersinstelmenu gaan
Het gebruikersinstelmenu wordt beschermd door een gebruikerspaswoord - dit is een getal van 4 cijfers tussen 0000 en 9999.
1
Ga naar het Å USERSETTINGS-menu. (Raadpleeg het hoofdstuk "Naar een menu gaan" op pagina 8).
De controller zal om het paswoord vragen.
2
Voer het correcte paswoord in met behulp van de fi- en
Ì-toetsen en druk op ‡ voor elk cijfer.
3
Druk na het laatste cijfer op de ‡-toets om het paswoord te
bevestigen en naar het gebruikersinstelmenu te gaan.
Het submenuscherm verschijnt automatisch op de controller.
Instellingen van een bepaalde functie bepalen:
1
Ga met de fi- en Ì-toetsen naar het overeenkomstige
submenu van het gebruikersinstelmenu.
2
Druk op de ‡-toets om naar het gewenste submenu te gaan.
Het gebruikerspaswoord wijzigen.
3
Ga naar het gewenste scherm met behulp van de fi- en
Ì-toetsen. Als er maar één enkel scherm is, hebben fi- en
Ì-toetsen geen effect.
De login- en logout-status van de
gebruikers definiëren.
4
Druk op de ‡-toets om de cursor naar de eerste parameter te
verplaatsen, waarna u deze kunt veranderen.
5
Selecteer de gewenste instelling met behulp van de fi- en
Ì-toetsen.
6
Druk op de ‡-toets om de selectie te bevestigen.
Gebruikerspaswoordmenu Æ
ENTER PASSWORD
Functies van het gebruikersinstelmenu
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
_v LOGIN/LOGOUT MENU
LOGIN STATUS:USER
LOGOUT? NO
_^ LOGIN/LOGOUT MENU
CHANGE PASSWORD
NEW PASSWORD: 0000
CONFIRM: 0000
Het login/logout-paswoord wijzigen.
Wanneer de selectie bevestigd is, springt de cursor naar de
volgende parameter die u nu ook kunt veranderen.
Netwerkmenu ∆
Het netwerkmenu (alleen beschikbaar bij een DICN-systeem) biedt
nuttige informatie over het netwerk.
_v
NETWORK
COOL. INLSP1:012$0¢
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
Het temperatuurinstelpunt, de watertemperatuur aan de gemeenschappelijke inlaat (inlaatwatertemperatuur van
de master-unit) raadplegen.
_^M:NORMAL
SL1:NORMAL
SL2:NORMAL
SL3:NORMAL
Het statusscherm van het netwerkmenu
geeft de toestand weer van de masterunit (M) en van de slave-units (SL1 ...
SL3).
CAP:000%
CAP:000%
CAP:000%
CAP:000%
Koel/verwarmingsmenu Í
Het menu "koelen/verwarmen" dient om de stand in te stellen.
_v
COOLING/HEATING
MODE:COOLING
De stand op koelen of verwarmen
instellen.
7
Herhaal stap 6 om de andere parameters te veranderen.
8
Na de laatste parameter keert de cursor terug naar de beginpositie en kunt u verdergaan vanaf stap 3.
9
Druk op de ƒ-toets om terug te keren naar het gebruikersinstelmenu en u kunt verdergaan vanaf stap 1.
Submenu: Thermostaat
De thermostaatinstellingen bepalen
Wanneer de inlaat- of uitlaatbesturingsstand is geselecteerd, regelt
de unit de koelcapaciteit met een thermostaatfunctie. De thermostaatparameters liggen niet vast en kunnen worden veranderd.
De standaard-, grens- en trapwaarden van de thermostaatparameters worden weergegeven in "Bijlage I" op pagina 25.
LET OP
■
Bij wijziging op één van de units in een DICNconfiguratie geldt deze instelling voor alle andere
units in het netwerk.
■
In "Bijlage I" op pagina 25 vindt u een functioneel
schema met de thermostaatparameters.
Besturingsstand bepalen en activeren
De unit is uitgerust met een thermostaat die de koel- of verwarmingscapaciteit van de unit bestuurt. Selecteer de gepaste stand:
■
MANUAL CONTROL: manuele besturing: de operator bestuurt
de capaciteit zelf met de volgende instellingen:
• C11/12/21/22
(capaciteitstrap
in
manuele
stand):
compressoren 11/12/21/22 AAN of UIT.
•
■
Gebruiksaanwijzing
15
F1*, F2* (luchtstroming in manuele stand): uit, laag, midden of
hoog van circuit 1/2.
INL WATER: inlaatbesturing: bestuurt de capaciteit van de unit
aan de hand van de temperatuur van het inlaatwater.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
■
OUTL WATER: uitlaatbesturing: bestuurt de capaciteit van de
unit aan de hand van de temperatuur van het uitlaatwater.
Submenu: Pomp
Instellingen van de pompbesturing bepalen
LET OP
Om de manuele besturing te activeren, selecteert u
MANUAL CONTROL als actuele stand. Om manuele
besturing te deactiveren, selecteert u een andere
stand.
In het PUMPCONTROL-scherm van het gebruikersinstelmenu kan de
gebruiker de leadtime en lagtime (opstartvolgorde) van de pomp
bepalen.
Voor units in een DICN-configuratie:
■
PUMPLEADTIME: voor het instellen van de tijdsduur die de
pomp moet draaien voordat de unit (of de compressor in een
DICN-configuratie indien PUMP ON IF: COMPR ON is
geselecteerd) kan opstarten.
■
PUMPLAGTIME: voor het instellen van de tijdsduur die de pomp
blijft draaien nadat de unit (of de compressor in een DICNconfiguratie indien PUMP ON IF: COMPR ON is geselecteerd)
is stilgelegd.
■
DAILY
ON: selecteer Y (ja) of N (nee). Wanneer Y is
geselecteerd, bepaal de starttijd (schaal van 24 uur).
Dit betekent dat de pomp op dat tijdstip ongeveer 5 seconden
zal draaien, zelfs wanneer de unit uitgeschakeld is.
Veranderingen in de besturing van één van de units
gelden automatisch voor alle andere units.
Manuele besturing kan alleen worden geselecteerd bij
units met de status DISCONNECT ON/OFF.
LET OP
De uitlaatstand is niet beschikbaar bij een DICN-systeem.
Submenu: Compressor
De lead/lag-instellingen bepalen
Selecteer in het COMPR.LEAD-LAG-scherm de gepaste stand en
bepaal de lead/lag-instellingen (opstartvolgorde) voor de
compressor.
■
MODE
AUTO: de voorrang hangt af van het aantal bedrijfsuren van de
•
afzonderlijke compressoren.
•
Besturing van de dubbele pomp bepalen
In het DUAL PUMP-scherm van het gebruikerinstelmenu kan de
gebruiker de besturing van twee pompen bepalen (hiervoor moet een
veranderlijke digitale output voor een tweede pomp geconfigureerd
zijn in het onderhoudsmenu). Raadpleeg de montagehandleiding.
■
PRIORITY: C11>C12>C21>C22 bij de instelling in dit
voorbeeld heeft C11 de hoogste voorrang voor het opstarten, en
C22 de laagste voorrang.
verschil in RH.
Instellingen voor de capaciteitsbeperking bepalen
In het COMPR.CAP.LIMIT-scherm kunt u tot 4 instellingen voor de
capaciteitsbeperking configureren.
Een capaciteitsbeperking kan worden geactiveerd:
■
MODE:
• NOT ACTIVE: de capaciteitsbeperking is niet actief.
• CHANG.DIG.INP.:wanneer een veranderlijke input als
capaciteitsbeperking is geconfigureerd.
LET OP
■
Raadpleeg "Instellingen op maat in het onderhoudsmenu", hoofdstuk "Instellen van de
veranderlijke digitale inputs en outputs" in de
montagehandleiding.
• LIMIT 25%/50%/75%/SET: capaciteitsbeperking activeren.
bij CHANG.DIG.INP. of LIMIT SET moet elke compressor
worden gedefinieerd (C11/12/21/ 22).
■ OFF: Deze compressoren blijven altijd uitgeschakeld
■ ON: Deze compressoren worden nog steeds gebruikt door de
thermostaat naar gelang de vereiste last.
MODE: gebruikt om het type besturing voor de twee pompen te
bepalen. Bij automatische rotatie moet u tevens het verschil in
bedrijfsuren invoeren.
• AUTO ROTATION: pomp 1 en pomp 2 wisselen af volgens het
•
•
■
OFFSET ON RH: gebruikt om het verschil in bedrijfsuren tussen
de twee pompen te bepalen. Gebruikt om te schakelen tussen
pompen bij automatische rotatie.
Submenu: Variabel instelpunt
Instellingen voor variabel instelpunt bepalen
Het instelpuntsignaal wordt "variabel instelpunt gebaseerd op
veranderlijke analoge input".
In het FLOATING SETPOINT-scherm van het gebruikersinstelmenu
kan de gebruiker het actieve instelpunt veranderen naar gelang de
omgevingstemperatuur. De bron en de instellingen van het variabel
instelpunt kunnen door de gebruiker worden geconfigureerd.
■
MODE: gebruikt om de stand van het variabel instelpunt te
bepalen.
• NOT ACTIVE: variabel instelpunt is niet geactiveerd.
• AMBIENT: variabel instelpunt wordt gewijzigd op basis van de
omgevingstemperatuur.
Instellingen: MAXPOS, NEG, RF of SLOPE.
Submenu: Ventilator
•
CH. AI SLOPE NTC: variabel instelpunt wordt gewijzigd op
basis van de veranderlijke analoge input (NTC-type).
Instellingen: MAXPOS, NEG, RF of SLOPE.
•
CH. AI SLOPE V-A: variabel instelpunt wordt gewijzigd op
basis van de veranderlijke analoge input (V-A-type).
Instellingen: MAXPOS, NEG, RF of SLOPE.
•
CH.AI MAX VALUE: variabel instelpunt wordt gewijzigd op
basis van de veranderlijke analoge input (V-A-type).
Instelling: MAXIMUM VALUE.
Instelling voor geluidsarme stand definiëren
Het FAN LOW NOISE-scherm is alleen beschikbaar wanneer de
optie inverter-ventilatoren is geïnstalleerd (OPIF). Raadpleeg de bij
de optie geleverde handleiding.
Instellingen ventilator geforceerd aan
PUMP 1>PUMP 2: pomp 1 zal altijd eerst opstarten.
PUMP 2>PUMP 1: pomp 2 zal altijd eerst opstarten.
Laat de ventilatoren draaien zelfs wanneer de unit uitgeschakeld is.
■
OFF: de ventilatoren worden niet ingeschakeld.
■
ON: de ventilatoren worden geforceerd ingeschakeld.
■
CH.DIG.INP.: de ventilatoren draaien, afhankelijk van de
instellingen van de veranderlijke digitale input.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
LET OP
In "Bijlage II" op pagina 26 vindt u een functioneel
schema met de werking van het variabel instelpunt.
Gebruiksaanwijzing
16
Submenu: DICN
Submenu: Taal
De taal bepalen
In dit scherm kan de gebruiker de taal voor de informatie op de
controller bepalen (op het eerste scherm). (Druk meermaals op de
‡-toets om de taal te veranderen).
Submenu: Tijd en datum
Alleen beschikbaar wanneer een DICN is geïnstalleerd (optiekit
EKACPG) (zie "Aansluiting en setup van een DICN-systeem" in de
montagehandleiding en de montagehandleiding van de EKACPG-kit).
Netwerkinstellingen bepalen
In het SETTINGS-scherm van het netwerkmenu kan de gebruiker de
MODE van de unit instellen, de OFFSET-tijd en de condities
waaronder de pomp moet draaien.
Tijd en datum bepalen
■
In het TIME AND DATE-scherm van het gebruikersinstelmenu kan
de gebruiker de tijd en datum bepalen.
■
TIME: gebruikt om te bepalen hoe laat het nu is.
■
DATE FORMAT: gebruikt om het datumformaat te bepalen.
■
DATE: selecteer de naam van vandaag en bepaal de datum van
vandaag volgens de instelling van de DATE FORMAT.
DD = dag van de maand (01~31),
MM = maand (01~12)
YY = de laatste 2 cijfers van het jaartal (2006 = 06).
MODE: Bepaal de stand van de unit als NORMAL, STANDBY of
DISCONN ON/OFF.
• NORMAL: De unit wordt bestuurd door het netwerk. Belasten of
ontlasten wordt bepaald door de centrale besturing van het
netwerk. Deze unit IN of UIT schakelen betekent dat ook alle
andere units IN of UIT worden geschakeld, behalve als hun
status DISCONNECT ON/OFF is. (zie verder)
Wanneer de CONTROL
SETTINGS of THERMOSTAT
SETTINGS voor deze unit worden veranderd, geldt dit ook voor
alle andere units. MANUAL CONTROL op een dergelijke unit is
niet mogelijk. Raadpleeg "Besturingsstand bepalen en activeren"
op pagina 15.
Submenu: Vrij koelen
•
Vrij koelen bepalen
STANDBY: Deze unit wordt beschouwd als een NORMAL unit en
zijn functie is bijgevolg gelijkaardig aan een unit gedefinieerd als
NORMAL, maar deze unit zal enkel in werking worden gesteld
als:
een andere unit zich in alarmfase bevindt
een andere unit in de stand DISCONNECT ON/OFF staat
het instelpunt niet werd bereikt terwijl alle andere units
gedurende enige tijd op volle capaciteit hebben gedraaid.
Als meer dan één unit werd gedefinieerd als STANDBY, zal maar
1 van de units werkelijk standby zijn. Dit zal worden bepaald door
het aantal bedrijfsuren.
In het FREE COOLING-scherm van het gebruikersinstelmenu kan de
gebruiker een 3-wegs waterklep besturen wanneer de unit in de
stand vrij koelen staat. Om dit mogelijk te maken, moet een
veranderlijke digitale input of output in het onderhoudsmenu op vrij
koelen worden geconfigureerd. (Raadpleeg de montagehandleiding.)
■
MODE: gebruikt om de stand vrij koelen te bepalen.
• NOT ACTIVE: vrij koelen is niet actief.
• CHDI: de veranderlijke digitale input activeert de stand vrij
•
AMBIENT:
•
INLET-AMBIENT: vrij koelen is gebaseerd op het verschil
DISCONNECT ON/OFF: Het IN of UIT schakelen van deze unit
zal andere units niet doen IN of UIT schakelen. MANUAL
CONTROL bij een dergelijke unit is mogelijk.
Als de unit op INLET of OUTLET is ingesteld, en de unit staat
AAN, wordt zij bestuurd door het DICN-netwerk als een NORMAL
tussen de inlaatwatertemperatuur en de omgevingstemperatuur.
unit.
•
koelen
vrij
koelen
omgevingstemperatuur.
is
gebaseerd
■
SP: instelling van het instelpunt vrij koelen.
■
DIF: instelling van het verschil vrij koelen.
■
PUMP
op
de
LET OP
■ ON: de pomp staat aan wanneer de stand vrij koelen actief is
Het is dan ook mogelijk om de unit te doen draaien in
MANUAL CONTROL.
■ OFF: de pomp staat uit wanneer de stand vrij koelen actief is
■
LEAD: tijdsduur dat de pomp draait voordat de compressor
begint te werken.
LET OP
17
Stel een unit continu in op DISCONNECT ON/OFF als
de gebruiker zelf wil bepalen wanneer deze unit moet
draaien.
In "Bijlage III" op pagina 26 vindt u een functioneel
schema met de werking van vrij koelen.
Gebruiksaanwijzing
Stel bij het uitvoeren van een onderhoud de unit in op
DISCONNECT ON/OFF. In dit geval is het mogelijk om
deze unit IN of UIT te schakelen zonder de andere
units van het netwerk IN of UIT te schakelen.
In dit geval heeft het geen zin om een andere unit van
het netwerk als STANDBY te definiëren. Aangezien er
een unit continu op DISCONNECT
ON/OFF is
ingesteld, zal de STANDBY unit continu worden
beschouwd als een NORMAL unit.
■
OFFSET: De OFFSET-tijd bepaalt het vooropgestelde verschil in
bedrijfsuren tussen twee units met OFFSET:0000h. Deze
waarde is belangrijk voor onderhoudsdoeleinden. Het verschil in
instelling tussen verschillende units moet groot genoeg zijn om
te voorkomen dat alle units gelijktijdig een onderhoudsbeurt
nodig hebben. De onder- en bovengrenzen zijn respectievelijk 0
en 9000 uur. De standaardwaarde is 0 uur.
■
PUMP ON IF: Instellen als de pomp zo lang moet draaien als
de ijswaterkoelgroep aan is (UNIT ON), of alleen terwijl de
compressor aan is (COMPR ON).
Wanneer UNIT ON geselecteerd is, blijft de pomp-output
gesloten zolang de ijswaterkoelgroep ingeschakeld is. Wanneer
COMPR ON geselecteerd is, blijft de pomp-output gesloten
zolang de compressor ingeschakeld is.
Raadpleeg
ook
de
afzonderlijke
handleiding
"Installatievoorbeelden voor een DICN-configuratie".
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
LET OP
De instellingen op dit scherm van het netwerkmenu
moeten worden uitgevoerd voor alle ijswaterkoelgroepen die op het systeem zijn aangesloten.
■
FLOWSTART (FLOWSTART –15 sec.): telt af bij een continue
waterstroming door de verdamper en als de unit in standby
staat. Tijdens het aftellen kan de unit niet opstarten.
■
FLOWSTOP (FLOWSTOP – 5 sec): begint te tellen als de
waterstroming door de verdamper ophoudt nadat de
stroomstarttimer nul heeft bereikt. Als de waterstroming tijdens
het aftellen niet opnieuw is begonnen, wordt de unit
uitgeschakeld.
■
PUMPLEAD (PUMPLEAD – raadpleeg de besturingsinstellingen
van de pomp): begint te tellen zodra de unit wordt ingeschakeld.
Tijdens het aftellen kan de unit niet opstarten.
■
PUMPLAG (PUMPLAG – raadpleeg de besturingsinstellingen
van de pomp): begint te tellen zodra de unit wordt uitgeschakeld.
Tijdens het aftellen blijft de pomp draaien.
■
GUARDTIMER (GRD11/12/21/22 – 180 sec): begint te tellen
wanneer de compressor (circuit 1/2) uitgeschakeld is. Tijdens
het aftellen kan de compressor niet opnieuw worden opgestart.
■
ANTIRECYCLING (AREC11/12/21/22 – 300 sec): begint te
tellen wanneer de compressor (circuit 1/2) gestart is. Tijdens het
aftellen kan de compressor niet opnieuw worden opgestart.
■
MINIMUM RUNNING TIME (M.RT - 120 sec) begint te tellen
wanneer de compressor is gestart. Tijdens het aftellen wordt de
compressor niet uitgeschakeld door de thermostaatfunctie.
Submenu: Geavanceerd
Paswoord voor instelpunten en paswoord voor unit aan/uit
activeren of deactiveren
In het eerste ADVANCED-scherm van het gebruikersinstelmenu kan
de gebruiker het gebruikerspaswoord om het temperatuurinstelpunt
te kunnen veranderen activeren of deactiveren ( SETPOINT MENU).
Wanneer dit gedeactiveerd is, moet de gebruiker geen paswoord
invoeren telkens wanneer hij de instelling wilt veranderen.
In het eerste ADVANCED-scherm van het gebruikersinstelmenu kan
de gebruiker ook het gebruikerspaswoord om de unit IN of UIT te
schakelen activeren of deactiveren (UNIT ON/OFF).
LET OP
Bij wijziging op één van de units in een DICNconfiguratie zal deze instelling automatisch gelden
voor alle andere units in het netwerk.
Instellingen voor de controller bepalen
In het tweede ADVANCED-scherm van het gebruikersinstelmenu kan
de gebruiker ook de instellingen voor de controller bepalen.
■
MAIN
MENU: instellen op GRAPHIC om de grafische
afbeeldingen in het hoofdmenu te tonen of op TEXT om de
namen van de menu's in het hoofdmenu te tonen.
■
LOGOUT TIMER: de tijd instellen voor automatisch uitloggen
(tussen 01 en 30 minuten).
■
BUZZER
IF
SAFETY: om de zoemer te activeren of
deactiveren ingeval van een storing.
■
BACKLIGHT TIME: om de tijd te bepalen (tussen 01 en
30 minuten) dat het licht van het scherm van de controller blijft
branden na de laatste druk op een toets van de controller.
■
GRAPHIC READOUT: om te bepalen of de grafische voorstelling
van het eerste scherm van het weergavemenu verschijnt of niet.
LET OP
Bij wijziging op één van de units in een DICNconfiguratie zal deze instelling automatisch gelden
voor alle andere units in het netwerk.
Submenu: Ontdooien
In het eerste scherm kan handmatig ontdooien worden geactiveerd
voor de unit en circuit 1 en 2.
Controleer de actuele waarde van de software-timers als volgt:
1
Ga naar het TIMERS MENU. (Raadpleeg het hoofdstuk "Naar
een menu gaan" op pagina 8.)
Op de controller verschijnt de actuele waarde van de GENERAL
TIMERS: oplaadtimer, ontlaadtimer, stroomstarttimer, stroomstoptimer (als de unit is ingeschakeld en de stroomstarttimer nul
heeft bereikt), pomplead-timer en de pomplag-timer.
2
Druk op de Ì-toets om de compressortimers te controleren.
Op de controller verschijnt de actuele waarde van de
COMPRESSOR TIMERS: de beveiligingstimers (één per circuit)
en de antipendeltimers (één per circuit).
Functies van het beveiligingsmenu
Geactiveerde beveiligingen weergeven en de unitstatus
controleren
Als de alarmzoemer is ingeschakeld en de gebruiker op de π-toets
drukt, opent de controller automatisch het beveiligingsmenu.
Alle actieve beveiligingen verschijnen: UNIT/CIRCUIT
WARNING of NETWORK SAFETY.
■
Op de controller verschijnt het UNIT SAFETY-scherm van het
beveiligingsmenu wanneer de uitval werd veroorzaakt door een
beveiliging van de unit.
■
Wanneer een beveiliging van circuit 1/2 is geactiveerd, verschijnt
op de controller het CIRCUIT 1/2 SAFETY-scherm van het
beveiligingsmenu.
■
Wanneer een beveiliging van het netwerk is geactiveerd,
verschijnt op de controller het NETWORK SAFETY-scherm van
het beveiligingsmenu.
■
Wanneer een unitwaarschuwing is geactiveerd, verschijnt op de
controller het UNIT WARNING-scherm van het beveiligingsmenu.
1
Druk op de π-toets als de alarmzoemer is ingeschakeld.
Het bijbehorende beveiligingsscherm met basisinformatie
verschijnt. Druk op de ‡-toets om rechtstreeks naar het
historiekmenu te gaan en de gedetailleerde informatie te
raadplegen. Deze schermen bieden informatie over de status
van de unit op het moment van de uitval (raadpleeg
"Beveiligingsmenu π" op pagina 13).
2
Indien meer dan één beveiliging actief is (aangegeven door ^, v
of ÷), raadpleeg ze dan met de fi- en Ì-toetsen.
In het tweede scherm kan de gebruiker een minimumtijd tussen elke
automatische DEFROST-werking selecteren:
■
NORMAL: normale tijd tussen ontdooiwerkingen.
■
SHORT: korte tijd tussen ontdooiwerkingen.
Submenu: Onderhoudsmenu
Alleen erkende installateurs hebben toegang tot het onderhoudsmenu.
Functies van het timermenu
De actuele waarde van de software-timers controleren
De software van de controller is uitgerust met meerdere afteltimers
om de unit te beveiligen en een goede werking te verzekeren:
■
LOADUP (LOADUP – raadpleeg de parameters van de
thermostaat): begint te tellen als de thermostaattrap is
gewijzigd. Tijdens het aftellen kan de unit niet naar een hogere
thermostaattrap gaan.
■
LOADDOWN (DWN – raadpleeg de parameters van de
thermostaat): begint te tellen als de thermostaattrap is
gewijzigd. Tijdens het aftellen kan de unit niet naar een lagere
thermostaattrap gaan.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
1 /2 ,
Gebruiksaanwijzing
18
Functies van het historiekmenu
Beveiligingsinformatie en unitstatus na een reset controleren
De vaste relais-outputs zijn:
■
C11/12/21/22: geeft aan of het circuit 1/2 aan of uit is.
■
C1/2
FANSTEP
1/2/3: geeft aan of de ventilators van
ventilatortrap 1/2/3 voor het circuit 1/2 al of niet aan zijn.
De informatie die beschikbaar is in het beveiligingsmenu is ook
opgeslagen in het historiekmenu. Daar wordt ze opgeslagen nadat
de unit of het circuit is gereset. Op die manier biedt het historiekmenu
de mogelijkheid om de unitstatus te controleren op het moment van
de laatste uitval.
Status van de digitale veranderlijke inputs en outputs
controleren
Gaalsvolgttewerkomdebeveiligingsinformatieendeunitstatuste
controleren:
■
NONE: geeft aan
geselecteerd is.
1
Ga naar het HISTORY MENU. (Raadpleeg het hoofdstuk "Naar
een menu gaan" op pagina 8.)
Op de controller verschijnt het laatste HISTORY-scherm met
basisinformatie op het moment van deze uitval.
■
STATUS: geeft de stand van de aangesloten schakelaar aan.
■
DUAL SETPOINT: geeft de stand aan van de schakelaar voor
het dubbele instelpunt vanop afstand: instelpunt 1 of
instelpunt 2.
2
Druk op de fi- en Ì-toetsen om de andere HISTORYschermen te raadplegen.
■
REMOTE ON/OFF: geeft de stand aan van de schakelaar aan/
uit vanop afstand.
3
Druk op de ‡-toets om de gedetailleerde informatie te
raadplegen.
■
REMOTE COOL/HEAT: geeft de stand aan van de remote
schakelaar koelen/verwarmen.
■
CAP LIMIT 25%/50%/75%/SET: geeft de positie aan van de
schakelaars
voor
het
"inschakelen/uitschakelen
capaciteitsbeperking".
■
LOW NOISE: geeft de status van de geluidsarme stand aan.
■
FREE COOLING REQ: geeft aan of vrij koelen is gevraagd.
■
FAN FORCED
geactiveerd.
Volgende instellingen voor de veranderlijke digitale inputs zijn mogelijk:
Functies van het infomenu
Extra informatie over de unit raadplegen
1
2
Ga via het hoofdmenu naar het INFO MENU. (Raadpleeg het
hoofdstuk "Naar een menu gaan" op pagina 8).
Op de controller verschijnt het TIME INFO-scherm met de
volgende informatie: TIME en DATE.
Druk op Ì om het eerste UNIT INFO-scherm te raadplegen.
Dit scherm biedt informatie over de unitnaam, het aantal circuits,
verdampers en pijpenbundels, elektronische expansiekleppen
en het gebruikte koelmiddel.
3
Druk op Ì om het tweede UNIT INFO-scherm te raadplegen.
Druk op Ì om het SW INFO-scherm (software-informatie) te
raadplegen.
Dit scherm biedt informatie over de softwareversies voor de
printplaat.
Functies van het input/outputmenu
Status van de inputs en outputs controleren
In het input/outputmenu kan de gebruiker de status van de digitale
inputs en van de relais outputs controleren.
De vaste digitale inputs zijn:
voor
deze
input
geen
functie
ON: geeft aan ventilator geforceerd aan is
Volgende instellingen voor de veranderlijke relais-outputs zijn
mogelijk:
■
NONE (OPEN): Digitale output open.
■
CLOSED: Digitale output gesloten.
■
2ND PUMP: geeft de status aan van de tweede pomp.
■
100% CAPACITY: geeft aan wanneer de unit op 100% werkt.
■
FULL CAPACITY: geeft aan wanneer de unit op maximum
capaciteit werkt, bijvoorbeeld wanneer 100% van de capaciteit
of maximum capaciteit is bereikt wegens veiligheidsbeperking.
■
FREE COOLING: geeft de status van de 3-wegs waterklep aan
wanneer de unit in de stand vrij koelen staat.
■
GEN.OPERATION: geeft aan wanneer de unit actief is.
■
SAFETY+W (NO): geeft aan wanneer een beveiliging of een
waarschuwing actief is (Normaal Open contact - NO).
■
SAFETY+W (NC): geeft aan wanneer een beveiliging of een
waarschuwing actief is (Normaal Gesloten contact - NC).
■
SAFETY (NO): geeft aan wanneer een beveiliging actief is
(Normaal Open contact - NO).
■
SAFETY (NC): geeft aan wanneer een beveiliging actief is
(Normaal Gesloten contact - NC).
■
C1/2
SAFETY: geeft aan wanneer beveiliging circuit 1/2
actief is.
■
WARNING: geeft aan wanneer een waarschuwing actief is.
■
C1/2 OPERATION: geeft aan wanneer werking circuit 1/2
actief is.
■
COOLING: geeft aan dat de unit in de koelstand staat.
■
HEATING: geeft aan dat de unit in de verwarmingsstand staat.
Dit scherm biedt informatie over de ventilatoren, volt/ampère en
of er een tweede pomp of een verwarmingslint geïnstalleerd is.
4
dat
■
EMERGENCY STOP: of de noodstopknop is ingedrukt (alleen als
er een noodstop ingesteld is).
■
FLOWSWITCH: geeft de status van de stromingsschakelaar aan
(stroming/geen stroming).
■
HEATER TAPE: geeft aan of het verwarmingslint is geactiveerd.
■
PUMPINTERLOCK: geeft de status van het pompgrendelcontact
aan.
■
PUMP: geeft aan of de pomp aan of uit is.
■
C1/2 REV.PH.PROT.: (fasebeveiliging) geeft de actuele status
aan van deze beveiliging van circuit 1/2.
■
C1/2 HIGH PR.SW.: (hogedrukschakelaar) geeft de actuele
status aan van deze beveiliging van circuit 1/2.
Volgende instellingen voor de analoge veranderlijke inputs en
outputs zijn mogelijk:
■
INT.L C11/C12/C21/22: (vergrendeling naar compressor)
geeft de actuele status aan van deze beveiliging van circuit1/2.
■
NONE: de veranderlijke analoge input krijgt geen functie
toegewezen.
■
C1/2
FANOVERC. ST. 1/2/3: (status overstroomrelais
ventilator trap 1/2/3) geeft de actuele status aan van deze
beveiliging van circuit 1/2.
■
STATUS: geeft alleen de status aan als test
■
FLOATING
SETP: variabel instelpunt
omgevingstemperatuur of analoge input
Gebruiksaanwijzing
19
Status van de analoge veranderlijke inputs en outputs
controleren
gebaseerd
op
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
■
TEMPERATURE: geeft alleen de temperatuur (bijvoorbeeld) aan
de condensoruitlaat aan
■
DI***: zie de mogelijke functies voor veranderlijke digitale
inputs. (*** kan één van de volgende zijn: STATUS, DUAL
SETPOINT, REMOTE ON/OFF, REMOTE COOL/HEAT, CAP.
LIMIT, LOW NOISE, FREE COOLING REQ of FAN FORCED
ON.)
5
De controller vraagt om een nieuw paswoord.
6
Druk op de ‡-toets om de cursor achter NEW PASSWORD te
verplaatsen.
7
Voer het nieuwe paswoord in met behulp van de fi-, Ì- en
‡-toetsen.
Communicatie-inputs en -outputs controleren (optie
EKACPG)
Voor elk van de 4 cijfers:
- Druk op de fi- en Ì-toetsen om het juiste cijfer te
selecteren.
- Druk op de ‡-toets om in te voeren en selecteer het
volgende cijfer.
Wanneer u na het laatste cijfer op de ‡-toets drukt, is het
volledige paswoord ingevoerd en staat de cursor achter
CONFIRM.
De communicatie-inputs en -outputs zijn:
■
RS232 ONLINE: geeft aan of de RS232-communicatielijn
actief is.
■
RS485 ONLINE: geeft aan of de RS485-communicatielijn
actief is.
■
DIII ONLINE: geeft aan of de DIII-communicatielijn actief is.
Wanneer de instelling voor logout op NO blijft, druk dan op de
Ì-toets om naar het tweede login/logoutscherm te gaan.
De controller vraagt om het nieuwe paswoord te bevestigen.
Ga als volgt te werk om de inputs en outputs te controleren:
8
1
2
Ga naar het I/O STATUS MENU. (Raadpleeg het hoofdstuk
"Naar een menu gaan" op pagina 8.)
Op de controller verschijnt het eerste DIGITAL INPUTS-scherm.
Raadpleeg de andere schermen van het input/outputmenu met
behulp van de fi- en Ì-toetsen.
Functies van het login/logout-menu
Gebruikerspaswoord veranderen
De toegang tot het gebruikersinstelmenu en het instelmenu is
beschermd door een gebruikerspaswoord (een getal met 4 cijfers
tussen 0000 en 9999).
Nadat het paswoord is ingevoerd, moet u geen paswoord meer
invoeren voor andere beveiligde schermen.
Om uit te loggen, ga naar het login/logoutmenu en verander de loginstatus en de logout-instelling.
LET OP
Het standaard gebruikerspaswoord is 1234.
Ga als volgt te werk om het gebruikerspaswoord te veranderen:
1
Ga naar het USERPASSWORD MENU. (Raadpleeg het hoofdstuk
"Naar een menu gaan" op pagina 8).
De controller zal om het paswoord vragen.
2
Voer het correcte paswoord in met behulp van de fi-, Ì- en
‡-toetsen.
Voor elk van de 4 cijfers:
- Druk op de fi- en Ì-toetsen om het juiste cijfer te
selecteren.
- Druk op de ‡-toets om in te voeren en selecteer het
volgende cijfer.
Wanneer u na het laatste cijfer op de ‡-toets drukt, is het
volledige paswoord ingevoerd.
3
Druk op de ‡-toets om het paswoord te bevestigen, en op de
controller verschijnt het eerste login/logoutscherm.
De login-status wordt aangegeven.
Logout staat op NO.
4
Wanneer de instelling voor logout in YES moet worden
veranderd.
-
Druk op de ‡-toets om de cursor achter LOGOUT? te
verplaatsen.
Druk op de fi- of Ì-toetsen om de instelling ni YES te
veranderen.
Druk op de ‡-toets om de instelling te bevestigen.
Het login/logoutscherm verdwijnt van de controller en wordt
vervangen door het eerste scherm van het weergavemenu.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Voer het nieuwe paswoord opnieuw in met behulp van de fi-,
Ì- en ‡-toetsen.
Voor elk van de 4 cijfers:
- Druk op de fi- en Ì-toetsen om het juiste cijfer te
selecteren.
- Druk op de ‡-toets om in te voeren en selecteer het
volgende cijfer.
Wanneer u na het laatste cijfer op de ‡-toets drukt, is de
bevestiging van het nieuwe paswoord compleet.
LET OP
Het bestaande paswoord wordt alleen veranderd als
het nieuwe paswoord en het bevestigde paswoord
dezelfde waarde hebben.
Bij wijziging op één van de units in een DICNconfiguratie zal deze instelling automatisch gelden
voor alle andere units in het netwerk.
OPSPOREN
EN VERHELPEN VAN STORINGEN
In dit onderdeel wordt nuttige informatie gegeven over het opsporen
en oplossen van bepaalde storingen die in de unit kunnen
voorkomen.
Voer altijd eerst een grondige visuele controle uit van de unit en zoek
naar voor de hand liggende storingen zoals losse aansluitingen of
foute bedrading vooraleer de procedure voor storingsopsporing aan
te vangen.
Neem dit hoofdstuk zorgvuldig door vooraleer uw dealer te
raadplegen. Het zal u tijd en geld besparen.
Schakel steeds de hoofdschakelaar van de unit uit
vooraleer u het voedingspaneel of de schakelkast
controleert.
Overzicht van beveiligingsberichten
Bericht beveiligingsmenu
UNIT SAFETY
Symptoom
0AE:FLOW HAS STOPPED
0AE:PUMPINTERLOCK
0A4:FREEZE UP
0A4:FREEZE UP C1
0A4:FREEZE UP C2
0A9:EEV PCB COMM ERR
0A9:EEV PCB ERR
0C9:INL SENSOR ERR
0CA:OUT SENSOR ERR
0H9:AMB T SENSOR ERR
0U4:EXTPCB COMM.ERR
0U4:MAINPCB COMM.ERR
0U5:PCB COMM.PROBLEM
5.2
5.3
5.1
5.1
5.1
5.5
5.5
7
7
7
9
10
11
Gebruiksaanwijzing
20
Bericht beveiligingsmenu
CIRCUIT 1
SAFETY
CIRCUIT 2
SAFETY
UNIT WARNING
NETWORK
SAFETY
153:FAN OVERC. ST1
153:FAN OVERC. ST2
153:FAN OVERC. ST3
1A9:EEV ERR
1A9:SUPERHEAT ERR
1E3:HIGH PRESSURE SW
1E4:LOW PRESSURE
1E6:COMPR 1 SAFETY
1E6:COMPR 2 SAFETY
1F3:HIGH DISCH TEMP1
1F3:HIGH DISCH TEMP2
1J3:DISCHSENSOR ERR1
1J3:DISCHSENSOR ERR2
1J5:REFR SENSOR ERR
1J5:SUCTSENSOR ERR
1J5:SUCTSENSOR ERRH1
1J5:SUCTSENSOR ERRH2
1JA:HP SENSOR ERR
1JC:LP SENSOR ERR
1U1:REV PHASE PROT
253:FAN OVERC. ST1
253:FAN OVERC. ST2
253:FAN OVERC. ST3
2A9:EEV ERR
2A9:SUPERHEAT ERR
2E3:HIGH PRESSURE SW
2E4:LOW PRESSURE
2E6:COMPR 1 SAFETY
2E6:COMPR 2 SAFETY
2F3:HIGH DISCH TEMP1
2F3:HIGH DISCH TEMP2
2J3:DISCHSENSOR ERR1
2J3:DISCHSENSOR ERR2
2J5:REFR SENSOR ERR
2J5:SUCTSENSOR ERR
2JA:HP SENSOR ERR
2JC:LP SENSOR ERR
2U1:REV PHASE PROT
0AE:FLOW HAS STOPPED
0C9:INL SENSOR ERR
1E3:HP SETBACK
1E6:COMPR PR
153:FAN OVERC. ST1
153:FAN OVERC. ST2
153:FAN OVERC. ST3
2E3:HP SETBACK
2E6:COMPR PR
253:FAN OVERC. ST1
253:FAN OVERC. ST2
253:FAN OVERC. ST3
0C9:INL SENSOR ERR
0U4:PCB COMM.PROBLEM
0U4:SW VERSION ERR
Symptoom
5.4
5.4
5.4
5.5
21
MOGELIJKE OORZAKEN
Controleer het instelpunt van de
controller.
De stroomstarttimer loopt nog.
De unit zal na ongeveer
15 seconden opstarten. Controleer
of er water door de verdamper
stroomt.
Het circuit kan niet worden
opgestart.
Raadpleeg Symptoom 4: Het circuit
start niet op.
De unit is ingesteld op manuele
besturing (alle compressoren op
0%).
Kijk op de controller.
Probleem met de voeding.
Controleer de spanning op het
voedingspaneel.
Zekering gesprongen of
onderbreking van een beveiliging.
Controleer de zekeringen en
beveiligingen. Vervang deze door
zekeringen van dezelfde grootte en
hetzelfde type (raadpleeg
"Elektrische specificaties" op
pagina 2).
Losse aansluitingen.
Controleer de aansluitingen van de
lokale bedrading en de interne
bedrading van de unit. Maak alle
losse aansluitingen vast.
Kortgesloten of gebroken draden.
Test de circuits met behulp van een
testapparaat en repareer ze indien
nodig.
5.7
5.8
5.9b/5.10
5.9b/5.10
5.11
5.11
7
7
7
7
7
7
7
7
5.12
5.4
5.4
5.4
5.5
WAT TE DOEN
De temperatuurinstelling is niet
correct.
5.6
Symptoom 2: De unit start niet, maar het werkingslampje knippert
5.6
5.7
5.8
5.9b/5.10
MOGELIJKE OORZAKEN
De aan/uit-input vanop afstand is
ingeschakeld en de schakelaar
vanop afstand is uitgeschakeld.
WAT TE DOEN
Schakel de schakelaar vanop
afstand in of schakel de aan/uit-input
uit.
5.9b/5.10
5.11
Symptoom 3: De unit start niet en het werkingslampje brandt niet
3
5.11
7
MOGELIJKE OORZAKEN
Raadpleeg
Symptoom 5: Beveiligingen zijn
geactiveerd en op het scherm staan
alarmberichten.
Eén van de volgende beveiligingen is
in werking getreden:
Raadpleeg
Symptoom 5: Beveiligingen zijn
geactiveerd en op het scherm staan
alarmberichten.
7
7
7
7
5.12
5.2
7
WAT TE DOEN
De unit staat in de storingstand.
7
• Stromingsschakelaar (S8L,S9L)
• Noodstop
Het werkingslampje is stuk.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
Symptoom 4: Het circuit start niet op
5.7
5.13
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
5.4
Eén van de volgende beveiligingen is
geactiveerd:
Kijk op de controller en raadpleeg
Symptoom 5: Beveiligingen zijn
geactiveerd en op het scherm staan
alarmberichten.
5.4
5.4
5.7
5.13
5.4
5.4
• Thermische beveiliging van de compressor
(Q*M)
• Overstroomrelais (K*S)
• Thermische beveiliging van de uitlaat
• Lage druk
• Hogedrukschakelaar (S*PH)
• Fasebeveiliging
• Vorstbeveiliging
De antipendeltimer loopt nog.
Het circuit kan pas na ongeveer
5 minuten opstarten.
De bewakingstimer loopt nog.
Het circuit kan pas na ongeveer
3 minuten opstarten.
Het circuit is beperkt tot 0%.
Controleer het afstandscontact voor
het inschakelen/uitschakelen van de
capaciteitsbeperking.
5.4
7
12
13
Als een beveiliging geactiveerd is, moet u de unit uitschakelen en
nagaan waarom de beveiliging is geactiveerd vooraleer ze te
resetten. De beveiligingen mogen onder geen beding worden
overbrugd of op een andere waarde worden ingesteld dan deze van
de fabrieksinstelling. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als u de
oorzaak van het probleem niet kunt vinden.
Gebruiksaanwijzing
Symptoom 1: De unit start niet, maar het werkingslampje brandt wel
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Symptoom 5: Beveiligingen zijn geactiveerd en op het scherm staan
alarmberichten
5.1
MOGELIJKE OORZAKEN
Symptoom 5.1: Vorstbeveiliging is geactiveerd
(0A4:FREEZE UP)
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
Te lage waterstroming.
Verhoog de waterstroming.
Inlaattemperatuur aan de verdamper
is te laag.
Verhoog de temperatuur van het
inlaatwater.
De stromingsschakelaar werkt niet of
er is geen waterstroming.
Controleer de stromingsschakelaar
en de waterpomp.
TERUGSTELLEN
5.2
5.7
Symptoom 5.7: Hogedrukschakelaar en terugkeerfase wegens hoge druk
(1E3/2E3:HIGH PRESSURE SW, 1E3/2E3:HP SETBACK)
Na een temperatuurstijging wordt de
vorstbeveiliging automatisch
gereset, maar moet de circuitbesturing nog worden gereset.
Controleer of de ventilatoren
onbelemmerd draaien. Maak ze
indien nodig schoon.
De condensor is vuil of deels
geblokkeerd.
Verwijder eventuele obstakels en
maak de pijpenbundel van de
condensor schoon met een borstel
en een blazer.
De inlaatluchttemperatuur van de
condensor is te hoog.
De luchttemperatuur gemeten aan
de inlaat van de condensor mag niet
hoger zijn dan 43°C.
De ventilator draait in de
omgekeerde richting.
Verwissel twee fasen van de voeding
op de ventilatormotor (enkel door
een erkend elektricien).
Symptoom 5.2: Stromingsschakelaar is geactiveerd
(0AE:FLOW HAS STOPPED)
MOGELIJKE OORZAKEN
Geen waterstroming of te lage
waterstroming.
TERUGSTELLEN
5.3
Nadat u de oorzaak van de storing
heeft gevonden wordt de stromingsschakelaar automatisch gereset,
maar de controller moet nog worden
gereset.
Symptoom 5.3: Pompgrendelcontact is open
(0AE:PUMPINTERLOCK)
MOGELIJKE OORZAKEN
Het pompgrendelcontact is niet
gesloten.
TERUGSTELLEN
5.4
WAT TE DOEN
Zorg ervoor dat een pompgrendelcontact juist bedraad is
wanneer de pomp begint te draaien.
Alleen als een pompcontactgever
geïnstalleerd is: Schakel de zwarte
hendel op de pompzekering in de
schakelkast en reset de controller.
Symptoom 5.4: Overstroombeveiliging ventilator is geactiveerd
(153/253:FAN OVERC. 1/2/3)
MOGELIJKE OORZAKEN
Controleer of de ventilator
onbelemmerd draait.
Er is te weinig luchtstroming in de
unit of de buitentemperatuur is te
hoog.
Reinig de luchtwarmtewisselaar
grondig.
5.5
Druk op de blauwe knop op de
ventilatorzekering in de schakelkast
en reset de controller.
Symptoom 5.5: EEV-driver werkt niet
(0A9:EEV PCB (COMM) ERR, 1A9/2A9:EEV ERR)
MOGELIJKE OORZAKEN
De EEV-driver werkt niet.
5.6
5.8
WAT TE DOEN
Controleer de voeding naar de EEVdriver.
Controleer of de adresinstelling
met de DIP-schakelaar
overeenstemt met het
bedradingsschema.
MOGELIJKE OORZAKEN
MOGELIJKE OORZAKEN
Verhoog de waterstroming.
Te weinig koelmiddel.
Controleer de unit op lekken en vul
indien nodig koelmiddel bij.
De unit werkt buiten het
werkingsbereik.
Controleer de
bedrijfsomstandigheden van de unit.
Inlaattemperatuur aan de
waterwarmtewisselaar is te laag.
Verhoog de temperatuur van het
inlaatwater.
Verdamper is vuil.
Maak de verdamper schoon of neem
contact op met uw plaatselijke
dealer.
Instelling lagedrukbeveiliging te
hoog.
Zie de montagehandleiding
"Aanpassingen in het
onderhoudsmenu", paragraaf
"Instellen van de
minimumtemperatuur van het
uitlaatwater" voor de juiste waarden.
De stromingsschakelaar werkt niet of
er is geen waterstroming.
Controleer de stromingsschakelaar
en de waterpomp.
TERUGSTELLEN
5.9a
Oververhittingstemperatuur is te
laag.
Controleer of de EEV-driver of de
besturingsmotor van de EEV juist
bedraad is en werkt.
De gemeten aanzuigtemperatuur is
meer dan 2°C hoger dan de
watertemperatuur aan de
verdamperinlaat.
Controleer of de aanzuigtemperatuursensor van de controller
in de voelerhuls zit en niet loshangt.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Na een drukstijging wordt deze
beveiliging automatisch gereset,
maar de controller zelf moet nog
worden gereset.
Symptom 5.9a: De compressor werkt niet (alleen voor SJ161-4)
(Thermische beveiliging van de compressor is geactiveerd)
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
De temperatuur van de wikkeling van
de compressormotor is te hoog
omdat de compressormotor te veel
stroom opneemt (vraagt/vereist) en
niet voldoende wordt gekoeld door
het koelmiddel.
Controleer op koelmiddellekken.
Repareer eventuele lekken en vul
dan extra koelmiddel bij tot u geen
schuim meer ziet in het kijkglas in de
vloeistoflijn.
WAT TE DOEN
Controleer of de unit voldoende
koelmiddel bevat (geen schuim
merkbaar in kijkglas).
Controleer of de aanzuigtemperatuursensor van de EEVdriver in de voelerhuls in de
aanzuigbuis zit en niet loshangt.
WAT TE DOEN
Er is te weinig waterstroming naar de
waterwarmtewisselaar toe.
Symptoom 5.6: De oververhittingstemperatuur is niet correct
(1A9/2A9:SUPERHEAT ERR)
Oververhittingstemperatuur is te
hoog.
Na een drukstijging wordt deze
beveiliging automatisch gereset,
maar de controller zelf moet nog
worden gereset.
Symptoom 5.8: Lage druk
(1E4/2E4:LOW PRESSURE)
WAT TE DOEN
Mechanische storing (ventilator is
geblokkeerd).
TERUGSTELLEN
TERUGSTELLEN
WAT TE DOEN
Controleer het filter van de
waterpomp en het watercircuit op
verstoppingen.
WAT TE DOEN
De condensorventilator werkt niet
naar behoren.
Zorg ervoor dat de unit binnen haar
werkingsbereik werkt (te hoge
omgevingstemperatuur of te hoge
watertemperatuur).
Controleer of de compressormotor
niet vergrendeld is.
TERUGSTELLEN
Na een temperatuurdaling wordt de
thermische beveiliging automatisch
gereset en start de compressor weer
op. De controller detecteert dit niet.
Raadpleeg uw dealer als de
beveiliging regelmatig geactiveerd
wordt.
Gebruiksaanwijzing
22
5.9b
5.12
Symptom 5.9b: Compressorbeveiliging (alleen voor SJ161-4)
(1E6/2E6:COMPR 1/2 SAFETY)
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
Storing in één van de fasen.
Controleer de zekeringen op het
voedingspaneel of meet de
voedingsspanning.
Spanning is te laag.
Meet de voedingsspanning.
De unit werkt buiten haar
werkingsbereik.
Zorg ervoor dat de unit binnen haar
werkingsbereik werkt.
Motor overbelast.
Reset. Raadpleeg uw dealer als dit
niet helpt.
Kortsluiting.
Symptoom 5.12: Fasebeveiliging is ingeschakeld
(1U1/2U1:REV PHASE PROT)
MOGELIJKE OORZAKEN
Verwissel twee fasen van de voeding
(enkel door een erkend elektricien).
Eén fase is niet goed aangesloten.
Controleer de aansluiting van alle
fasen.
Spanning is te laag.
TERUGSTELLEN
Controleer de bedrading.
5.13
TERUGSTELLEN
5.10
Trek aan de zwarte hendel op de
compressorzekering in de
schakelkast en reset de controller.
Symptoom 5.10: Compressorbeveiliging (alleen voor SJ180-4~SJ240-4 en SJ3004)
(1E6/2E6:COMPR 1/2 SAFETY)
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
De temperatuur van de wikkeling van
de compressormotor is te hoog
omdat de compressormotor te veel
stroom opneemt (vraagt/vereist) en
niet voldoende wordt gekoeld door
het koelmiddel.
Controleer op koelmiddellekken.
Repareer eventuele lekken en vul
dan extra koelmiddel bij tot u geen
schuim meer ziet in het kijkglas in de
vloeistoflijn.
Storing in één van de fasen.
MOGELIJKE OORZAKEN
De compressor werkt buiten zijn
werkingsbereik.
TERUGSTELLEN
Na een temperatuurdaling volgt een
vertraging van 5 minuten. Na deze
vertraging wordt het relais in de
elektronische beveiligingsmodule
(EPM) gereset. De controller moet
manueel worden gereset.
Controleer de zekeringen op het
voedingspaneel of meet de
voedingsspanning.
Meet de voedingsspanning.
De unit werkt buiten haar
werkingsbereik.
Zorg ervoor dat de unit binnen haar
werkingsbereik werkt.
Motor overbelast.
Reset. Raadpleeg uw dealer als dit
niet helpt.
De compressor draait met
faseomkering (alleen voor SJ240SJ300)
Controleer de bedrading.
5.11
MOGELIJKE OORZAKEN
MOGELIJKE OORZAKEN
De unit bevat te weinig koelmiddel.
TERUGSTELLEN
Trek aan de zwarte hendel op de
compressorzekering in de
schakelkast en reset de controller.
Spanning is te laag.
Controleer de spanning op het
voedingspaneel en, indien nodig, op
het elektrische gedeelte van de unit
(de spanningsdaling door de
voedingskabels is te groot).
Symptoom 7: Sensorfout 0C9/0CA/0H9:*** SENSOR ERR
7
MOGELIJKE OORZAKEN
De sensor is defect of verkeerd
bedraad.
Controleer op koelmiddellekken.
Repareer eventuele lekken en vul
dan extra koelmiddel bij tot u geen
schuim meer ziet in het kijkglas in de
vloeistoflijn.
Na een temperatuurdaling wordt de
beveiliging automatisch gereset,
maar de besturing moet nog worden
gereset.
8
De software voor de bedrade
afstandsbediening (A4P of A5P) is
beschadigd of ontbreekt.
WAT TE DOEN
Controleer of de bedrading met de
hoofdprintplaat (A11P) overeenstemt
met het bedradingsschema.
Controleer of de "adresinstelling" en
de "instelling van de
afsluitweerstand" met de DIPschakelaars overeenstemt met het
bedradingsschema.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
Symptoom 9: Het alarmbericht geeft 0U4:EXT PCB COMM.ERR aan
9
MOGELIJKE OORZAKEN
De uitbreidingsprintplaat (A01P) kan
niet worden gevonden.
WAT TE DOEN
Controleer of de bedrading met de
uitbreidingsprintplaat (A01P)
overeenstemt met het
bedradingsschema.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
Symptoom 10: Het alarmbericht geeft 0U4:MAINPCB COMM.ERR aan
10
De hoofdprintplaat van circuit 2
(A21P) kan niet worden gevonden.
23
WAT TE DOEN
Controleer of de bedrading
overeenstemt met het
bedradingsschema.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
Symptoom 8: Het alarmbericht geeft 0U3:REMOCON SW ERR aan
WAT TE DOEN
Controleer de
werkingsomstandigheden van de
unit.
WAT TE DOEN
Controleer de beveiligingen
(raadpleeg
Symptoom 5: Beveiligingen zijn
geactiveerd en op het scherm staan
alarmberichten).
MOGELIJKE OORZAKEN
Gebruiksaanwijzing
De controller wordt automatisch
gereset zodra de temperatuur weer
normaal is.
Eén van de beveiligingen is
geactiveerd.
Symptoom 5.11: Thermische beveiliging van de uitlaat is ingeschakeld
(1F3/2F3:HIGH DISCH TEMP1/2)
De unit werkt buiten haar
werkingsbereik.
Controleer de werkingsomstandigheden van de
compressor.
Symptoom 6: De unit valt stil kort nadat ze is ingeschakeld
MOGELIJKE OORZAKEN
Controleer de bedrading.
TERUGSTELLEN
WAT TE DOEN
6
Zorg ervoor dat de unit binnen haar
werkingsbereik werkt (te hoge
omgevingstemperatuur of te hoge
watertemperatuur).
Spanning is te laag.
Kortsluiting.
Meet de voedingsspanning.
Na het verwisselen van twee fasen
of stevig bevestigen van de
voedingskabels wordt de beveiliging
automatisch gereset, maar de
controller moet nog worden gereset.
Symptoom 5.13: Compressorbeveiliging (functie van de controller) is ingeschakeld
(1E6/2E6:COMPR PR)
Controleer of de compressormotor
niet vergrendeld is.
TERUGSTELLEN
WAT TE DOEN
Twee fasen van de voeding zijn
verkeerd aangesloten.
WAT TE DOEN
Controleer of de bedrading met de
hoofdprintplaat van circuit 2 (A21P)
overeenstemt met het
bedradingsschema.
Controleer of de "adresinstelling" en
de "instelling van de
afsluitweerstand" met de DIPschakelaars overeenstemt met het
bedradingsschema.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Symptoom 11: Het alarmbericht geeft 0U5:PCB COMM.PROBLEM aan
Wat te doen bij onderhoud
11
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
Communicatieprobleem van de
bedrade afstandsbediening (A4P of
A5P (EKRUPG)) met de
hoofdprintplaat (A11P).
Controleer of de bedrading met de
hoofdprintplaat (A11P) overeenstemt
met het bedradingsschema.
Controleer of de "adresinstelling" en
de "instelling van de
afsluitweerstand" met de DIPschakelaars overeenstemt met het
bedradingsschema.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer.
Symptoom 12: Het alarmbericht NETWORK SAFETY geeft 0U4:PCB
COMM.PROBLEM aan
Een erkend elektricien moet instaan voor de controle van
de bedrading en de voeding.
■
■
Luchtwarmtewisselaar
Verwijder met behulp van een borstel en een blazer het stof en
ander vuil van de condensorlamellen. Blaas vanaf de binnenkant van de unit. Let op dat u daarbij de lamellen niet plooit of
beschadigt.
Lokale bedrading en voeding
•
12
MOGELIJKE OORZAKEN
Het DICN-systeem vindt de unit niet
(EKACPG)
WAT TE DOEN
•
Controleer of de bedrading tussen
de units overeenstemt met het
bedradingsschema.
• Controleer of alle units in het DICN-systeem
van stroom voorzien zijn.
• Controleer of het juiste aantal slave-units
gedefinieerd is in de master-unit.
• Controleer of in elke unit de adresinstelling
juist is gedefinieerd (zie de
montagehandleiding).
Symptoom 13: Het alarmbericht NETWORK SAFETY geeft 0U4:SW
VERSION ERR aan
•
■
Interne bedrading van de unit
Controleer op het zicht of er in de schakelkasten geen losse
aansluitingen steken (klemmen en componenten). Zorg ervoor
dat de elektrische componenten niet beschadigd zijn of
loszitten.
■
Aarding
Zorg ervoor dat de aardkabels nog steeds naar behoren zijn
bevestigd en de aardklemmen stevig zijn vastgemaakt.
13
MOGELIJKE OORZAKEN
Alle units in het DICN-systeem
(EKACPG) hebben niet dezelfde
softwareversie.
WAT TE DOEN
Controleer de softwareversie van
elke unit.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer als
u de software moet upgraden.
■
Koelcircuit
•
•
Symptoom 14: De waterdruk daalt
MOGELIJKE OORZAKEN
WAT TE DOEN
■
Controleer het watercircuit op
lekken.
•
Het expansievat is stuk of werkt niet
goed.
Vervang het expansievat.
•
■
ONDERHOUD
Vooraleer een onderhoud of herstelling uit te voeren moet
u steeds de hoofdschakelaar op het voedingspaneel uitschakelen, de zekeringen verwijderen of de beveiligingen
van de unit openen.
Reinig de unit nooit met water dat onder druk staat.
Reinig de koelribben van de motor.
Controleer op abnormale geluiden. Raadpleeg uw plaatselijke
dealer als de ventilator of de motor beschadigd is.
Watertoevoer
•
•
■
Controleer op olielekken. Raadpleeg uw plaatselijke dealer als er
een olielek is.
Controleer de compressor op abnormale geluiden en trillingen.
Raadpleeg uw plaatselijke dealer als de compressor
beschadigd is.
Ventilatormotor
•
•
■
Controleer op lekken binnenin de unit. Raadpleeg uw plaatselijke
dealer als u een lek vindt.
Controleer de bedrijfsdruk van de unit. Raadpleeg "De unit
inschakelen" op pagina 9.
Compressor
Er is een lek in het watercircuit.
Om een optimale werking van de unit te verzekeren moet u op
geregelde tijdstippen de unit en de lokale bedrading controleren.
Als de unit wordt gebruikt voor airconditioningdoeleinden moeten de
hieronder beschreven controles minstens één maal per jaar worden
uitgevoerd. Als de unit voor andere doeleinden wordt gebruikt, moet
dit om de 4 maanden gebeuren.
Controleer de voedingsspanning op het lokale voedingspaneel.
De spanning moet overeenkomen met de spanning op het
identificatieplaatje van de unit.
Controleer de aansluitingen en zorg ervoor dat ze goed bevestigd
zijn.
Controleer de goede werking van de hoofdschakelaar en de
aardsluitingsaanwijzer op het lokale voedingspaneel.
Controleer of de wateraansluiting nog goed vastzit.
Controleer de waterkwaliteit (raadpleeg de montagehandleiding
van de unit voor de specificaties).
Waterfilters
•
•
Maak het waterfilter voor de waterinlaat van de verdamper één
keer om de 4 maanden schoon.
Controleer het filter op eventuele schade en controleer of de
mazen over het hele filter nog steeds maximaal 1,0 mm groot
zijn.
■
Watersensoren
Controleer of alle watersensoren goed in de inlaat- en
uitlaatwaterleiding bevestigd zijn.
■
Stromingsschakelaar
Zorg dat er geen vuil op het blad van de stromingsschakelaar
zit.
■
Waterdruk
Controleer of de waterdruk binnen het toegestane bereik valt.
Raadpleeg de montagehandleiding die bij de unit is geleverd.
Vereisten bij het opruimen
Het ontmantelen van de unit, behandelen van het koelmiddel, olie en
andere onderdelen moet gebeuren in overeenstemming met de
relevante lokale en nationale wetgeving.
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
Gebruiksaanwijzing
24
BIJLAGE I
Parameters van de thermostaat
Besturing op basis van watertemperatuur
De onderstaande afbeeldingen tonen het thermostaatschema in geval van besturing op basis van de inlaatwatertemperatuur.
■
Autonome thermostaat(1) (inlaat of uitlaat)
■
■ Koelstand
DICN-thermostaat(1) (inlaat)
■ Koelstand
A
B
C
a/2 a/2
a/2 a/2
c
c
c
D
■ Verwarmingsstand
c
A4
A3
A2
A1
B
C1
C2
C3
C4
c
E
b
c
A
B
C
A
B
C
a/2 a/2
c
c
A4
A3
A2
A1
B
C1
C2
C3
C4
A
B
C
a/2 a/2
c
b
c
D
■ Verwarmingsstand
a/2 a/2
c
c
D
c
E
A
Oplaadverzoek van 1 compressor
B
Geen actie
C
Ontlaadverzoek van 1 compressor
D
Inlaatinstelpunt
E
Uitlaatinstelpunt
b
c
A1~A4
B
C1~C4
Standaardwaarde
INLAATBESTURING
(K)
Units 1
circuit
Units 2
circuits
4,0(*)
2,0(*)
D
Benedengrens
Bovengrens
—
—
0,2(*)
—
—
Oplaadtimer
(sec)
180
15
300
Ontlaadtimer
(sec)
30
15
300
Trapgrootte - c
(K)
b
c
D
De standaardwaarden en de boven- en benedengrenzen van de
thermostaatparameters worden in de onderstaande tabel
vermeld.
Trapverschil - a
a/2 a/2
c
Oplaadverzoek van 1~4 compressoren
Geen actie
Ontlaadverzoek van 1~4 compressoren
Inlaatinstelpunt
De standaardwaarden en de boven- en benedengrenzen van de
thermostaatparameters worden in de onderstaande tabel
vermeld.
INLAATBESTURING
Standaardwaarde
Benedengrens
Bovengrens
Instelpunt koelen
(°C)
12,0
7,0
23,0
Trapverschil - a
(K)
4,0(*)
—
—
Instelpunt verwarmen
(°C)
40,0
20,0
45,0
Trapverschil - b
(K)
3,6(*)
—
—
Trapverschil - c
(K)
0,4(*)
—
—
15
300
(*) kan alleen worden veranderd in het onderhoudsmenu
Standaardwaarde
Units 1
circuit
UITLAATBESTURING
Trapverschil - a
(K)
Trapgrootte - c
(K)
Units 2
circuits
4,0(*)
2,0(*)
(*)
Benedengrens
Bovengrens
—
—
0,2
—
—
Oplaadtimer
(sec)
30
15
300
Ontlaadtimer
(sec)
15
15
300
Instelpunt koelen
(°C)
7,0
5,0
20,0
Instelpunt verwarmen
(°C)
45,0
25,0
50,0
(*) kan alleen worden veranderd in het onderhoudsmenu
Oplaadtimer
(sec)
180
Ontlaadtimer
(sec)
180
15
300
Instelpunt koelen
(°C)
12,0
7,0
23,0
Instelpunt verwarmen
(°C)
40,0
20,0
45,0
(*) kan alleen worden veranderd in het onderhoudsmenu
■
Als de temperatuur onder het instelpunt ligt, controleert de
thermostaatregeling elke ONTLAADTIMER.
Afhankelijk van de afwijking t.o.v. het instelpunt, is geen actie,
opladen of ontladen vereist.
■
Als de temperatuur boven het instelpunt ligt, controleert de
thermostaatregeling elke OPLAADTIMER.
Afhankelijk van de afwijking t.o.v. het instelpunt, is geen actie,
opladen of ontladen vereist.
(1) Oplaadverzoek van 1 compressor: verzoek om één compressor toe te voegen.
Oplaadverzoek van 2 compressoren: verzoek om 2 compressoren toe te voegen (met een interval van 15 seconden ertussen).
Het maximum aantal compressoren dat in 1 verzoek kan worden toegevoegd is beperkt tot het totaal aantal units in de DICN-setup:
Voorbeeld: Een DICN-setup met 2 units betekent een oplaadverzoek van maximum 2 compressoren tegelijk.
Gebruiksaanwijzing
25
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
■
BIJLAGE II
Variabel instelpunt gebaseerd op veranderlijke analoge
input
_ FLOATING SETPOINT
MODE:CH.AI MAX VALUE
MAXIMUM VALUE:003$0¢
Werking van het variabel instelpunt
Voorbeeld = 50 (0,5 V, 12 mA)
In de schema's en de tabel hieronder ziet u de standaardwaarde van
de parameters van het variabel instelpunt op de verdamper en een
voorbeeld op het inlaatinstelput van 12,0°C.
15.0°C
Legende
SLOPE
13.5°C
B
12.0°C
+3.0°C
De toename van de waarde van het variabel instelpunt bij een
daling van 10°C (variabel instelpunt gebaseerd op omgevingstemperatuur of NTC) of een daling van 100 (variabel instelpunt
gebaseerd op voltage of milliampère).
A
Actief instelpunt
B
Instelpunt
■
A
0
(0.0 V)
(4 mA)
50
(0.5 V)
(12 mA)
100
(1.0 V)
(20 mA)
CH.AI. MAX VALUE
Variabel instelpunt gebaseerd op omgevingstemperatuur
_ FLOATING SETPOINT
MODE:AMBIENT
MAXPOS:03$0¢ NEG:00$0¢
RF:020$0¢ SLOPE:006$0¢
Voorbeeld omgevingstemperatuur
= 17,5°C
18.0°C
+6.0°C
15.0°C
A
13.5°C
B
12.0°C
3.0°C
+10.0°C
10.0°C
17.5°C 20.0°C
AMBIENT
■
BIJLAGE III
Variabel instelpunt gebaseerd op NTC
_ FLOATING SETPOINT
MODE:CH.AI SLOPE NTC
MAXPOS:03$0¢ NEG:03$0¢
RF:020$0¢ SLOPE:006$0¢
Werking van vrij koelen
Voorbeeld temperatuur = 17,5°C
18.0°C
+6.0°C
Legende
SP
Instelpunt
DI
Differentieel
15.0°C
A
13.5°C
B
12.0°C
3.0°C
Vrij koelen bij omgevingstemperatuur
status vrij koelen
3.0°C
9.0°C
+10.0°C
AAN
17.5°C 20.0°C
10.0°C
25.0°C
CH.AI SLOPE NTC
■
UIT
Variabel instelpunt gebaseerd op Voltage of mAmpère
SP
_ FLOATING SETPOINT
MODE:CH.AI SLOPE V-A
MAXPOS:03$0¢ NEG:03$0¢
RF:020$0¢ SLOPE:012$0¢
°C
omgevingstemperatuur
DI
Voorbeeld = 35 (0,375 V, 10 mA)
18.0°C
standaard
minimum
maximum
SP
Vrij koelen
(°C)
5,0°C
–30,0°C
25,0°C
DI
(°C)
1,0°C
1,0°C
5,0°C
15.0°C
A
13.5°C
B
12.0°C
3.0°C
+12.0°C
Vrij koelen op verschil tussen watertemperatuur aan
verdamperinlaat en omgevingstemperatuur
3.0°C
status vrij koelen
9.0°C
AAN
+100
6.0°C
0
(0.0 V)
(4 mA)
35
50
(0.375 V) (0.5 V)
(10 mA) (12 mA)
100
(1.0 V)
(20 mA)
UIT
CH.AI SLOPE V-A
SP
DI
Vrij koelen
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
°C
watertemperatuur aan verdamperinlaat min omgevingstemperatuur
standaard
minimum
maximum
SP
(°C)
5,0°C
1,0°C
20,0°C
DI
(°C)
5,0°C
1,0°C
10,0°C
Gebruiksaanwijzing
26
BIJLAGE IV
>READOUT MENU
SETPOINTS MENU
USERSETTINGS MENU
TIMERS MENU
HISTORY MENU
INFO MENU
I/O STATUS MENU
LOGIN/LOGOUT MENU
NETWORK MENU
COOL/HEAT MENU
----STARTUP BUSY----
ªÒµ®
†Úæ∂Ï
_v¶
…
≤0U4
∞11 ∞12 ≠H
∞21 ∞22 ≠H
013£6¢
012$0¢
ENTER PASSWORD
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
ENTER PASSWORD
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
_v
GENERAL TIMERS
LOADUP:000s-DWN:000s
PUMPLEAD
:000s
FLOWSTOP
:00s
_÷COOL. INLSP1:012$0¢
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
AMBIENT:006$5¢
> COOL.
COOL.
COOL.
COOL.
READOUT MENU
=
SETPOINTS MENU
=
USERSETTINGS MENU =
TIMERS MENU
=
HISTORY MENU
=
ª
∑
Å
Ó
‚
_÷
C1 TEMP.READOUT
C11 DISCHARGE:010$1¢
C12 DISCHARGE:010$5¢
INLSP1:012$0¢
INLSP2:012$0¢
OUTSP1:007$0¢
OUTSP2:007$0¢
=
I/O STATUS MENU
=
LOGIN/LOGOUT MENU =
NETWORK MENU
=
COOL/HEAT MENU
=
™
Ÿ
Æ
∆
Í
_÷
C2 TEMP.READOUT
C21 DISCHARGE:010$1¢
C22 DISCHARGE:010$5¢
THERMOSTAT
USERSETTINGS MENU
>THERMOSTAT
COMPRESSOR
FAN
PUMP
FLOATING SETPOINT
LANGUAGE
TIME AND DATE
FREE COOLING
DICN
ADVANCED
DEFROST
SERVICE MENU
_÷ COMPRESSOR TIMERS
GRD11:000s 12:000s
AREC11:000s 12:000s
M.RT11:000s 12:000s
INFO MENU
COMPRESSOR
FAN
PUMP
_^ COMPRESSOR TIMERS
GRD21:000s 22:000s
AREC21:000s 22:000s
M.RT21:000s 22:000s
_v
UNIT SAFETY
0F0:EMERGENCY STOP
FLOATING SETPOINT
LANGUAGE
C1 TEMP.READOUT
C1 REFR:000$0¢
C11 COIL:000$0¢
C12 COIL:000$0¢
_÷
C2 TEMP.READOUT
C2 REFR:000$0¢
C21 COIL:000$0¢
C22 COIL:000$0¢
_v
THERMOSTAT
MODE:INL WATER
LOADUP:300s-DWN:030s
_^
MANUAL SETTINGS
C11:OFF
C12:OFF
C21:OFF
C22:OFF
F1*:OFF
F2*:OFF
_v
COMPR.LEAD-LAG
MODE:PRIORITY
PRIORITY:
C11>C12>C21>C22
_^
COMPR.CAP.LIMIT
MODE:LIMIT SETTING
SET: C11:OFF C12:OFF
C21:OFF C22:OFF
_
FAN FORCED ON
IF UNIT IS OFF THEN
ALL FANS:OFF
_v
PUMPCONTROL
PUMPLEADTIME
:020s
PUMPLAGTIME
:060s
DAILY ON:N AT:12h00
_^
DUAL PUMP
MODE:AUTO ROTATION
OFFSET ON RH
:048h
_ FLOATING SETPOINT
MODE:AMBIENT
MAXPOS:03$0¢ NEG:00$0¢
RF:020$0¢ SLOPE:006$0¢
_v UNIT HISTORY:002
0CA:OUT SENSOR ERR
22h33m00s
23/03/06
COOL INLSP1:012$0¢
_v
_v UNIT HISTORY:002
C11 DISCHARGE:010$1¢
C12 DISCHARGE:010$5¢
_v UNIT HISTORY:002
C21 DISCHARGE:010$1¢
C22 DISCHARGE:010$5¢
_v
UNIT HISTORY:002
C1 REFR:000$0¢
C11 COIL:000$0¢
C12 COIL:000$0¢
_v
UNIT HISTORY:002
C2 REFR:000$0¢
C21 COIL:000$0¢
C22 COIL:000$0¢
_v UNIT HISTORY:001
1E6:COMPR 1 SAFETY
22h33m00s
23/03/06
COOL. INLSP1:012$0¢
_v
UNIT HISTORY:001
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
AMBIENT:006$5¢
_v UNIT HISTORY:001
C11 DISCHARGE:010$1¢
C12 DISCHARGE:010$5¢
_v UNIT HISTORY:001
C21 DISCHARGE:010$1¢
C22 DISCHARGE:010$5¢
_v
UNIT HISTORY:001
C1 REFR:000$0¢
C11 COIL:000$0¢
C12 COIL:000$0¢
_v
UNIT HISTORY:001
C2 REFR:000$0¢
C21 COIL:000$0¢
C22 COIL:000$0¢
_v
TIME INFO
TIME: 22h05
DATE: WED
24/01/07
_÷
UNIT INFO
UNIT:AW-RH-250 C:SCL
CIR:2 EVAP:1 COILC:2
EEV:P REF:R410A
_÷
UNIT INFO
FAN: ST VA:Y 2PUMP:Y
HEATERTAPE:Y
FAN DO ST:2 DO INV:2
_^
SW INFO
MAIN:SP1710_055 V2.0
EXT.:SP1559_017
REM.:SP1734_011
_v
DIGITAL INPUTS
EMERGENCY STOP :OK
FLOWSWITCH:FLOW OK
_÷
DIG.INP/OUTPUTS
HEATER TAPE:OFF
PUMPINTERLOCK:CLOSED
PUMP:ON
_÷
DIGITAL INPUTS
C1 REV.PH.PROT. :OK
C1 HIGH PR.SW. :OK
INT.L C11:OK C12:OK
_÷
DIGITAL INPUTS
C1 FAN OVERC.ST1:OK
C1 FAN OVERC.ST2:OK
C1 FAN OVERC.ST3:NOK
_v LOGIN/LOGOUT MENU
LOGIN STATUS:USER
_^ LOGIN/LOGOUT MENU
CHANGE PASSWORD
NEW PASSWORD: 0000
CONFIRM: 0000
ENTER PASSWORD
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
_v
NETWORK
COOL. INLSP1:012$0¢
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
ENTER PASSWORD
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
UNIT HISTORY:002
INLET WATER:013$6¢
OUTLET WATER:007$0¢
AMBIENT:006$5¢
_÷
LOGOUT? NO
_^M:NORMAL
SL1:NORMAL
SL2:NORMAL
SL3:NORMAL
_÷
DIGITAL INPUTS
C2 REV.PH.PROT. :OK
C2 HIGH PR.SW. :OK
INT.L C21:OK C22:OK
_÷
DIGITAL INPUTS
C2 FAN OVERC.ST1:OK
C2 FAN OVERC.ST2:OK
C2 FAN OVERC.ST3:NOK
CAP:000%
CAP:000%
CAP:000%
CAP:000%
_^
COOLING/HEATING
MODE:COOLING
SWITCH UNIT ON/OFF
ENTER PASSWORD
PASSWORD: 0000
TO SWITCH UNIT ON
Gebruiksaanwijzing
27
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
_÷ C1 ACT. PRESSURES
HP1:019$0b = 050$8¢
LP1:004$4b = -05$2¢
FAN1:OFF
TIME AND DATE
FREE COOLING
DICN
ADVANCED
DEFROST
SERVICE MENU
_÷ C2 ACT. PRESSURES
HP2:019$0b = 050$8¢
LP2:004$4b = -05$2¢
FAN2:OFF
_÷
UNIT STATUS
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
UNIT CAPACITY:000%
_
TIME AND DATE
TIME: 22h35
DATE FORMAT:DD/MM/YY
DATE: WED
24/01/07
_÷
UNIT STATUS
C21:OFF SAFETY ACT.
C22:OFF SAFETY ACT.
_÷
EXTRA READOUT
CURRENT:055A
VOLTAGE:023V
_÷
EXTRA READOUT
C11RH:00000hCS:00000
C11C:00000h H:00000h
RHP1:00001hP2:00000h
_÷
EXTRA READOUT
C12RH:00000hCS:00000
C12C:00000h H:00000h
_÷
EXTRA READOUT
C21RH:00000hCS:00000
C21C:00000h H:00000h
_÷
EXTRA READOUT
C22RH:00000hCS:00000
C22C:00000h H:00000h
_
FREE COOLING
MODE:AMBIENT
SP: 05$0¢ DIF:01$0¢
PUMP:ON LEAD:000s
_
MASTER SETTINGS
MODE:NORMAL
OFFSET:0000h
PUMP ON IF:UNIT ON
_v
ADVANCED
PASSWORD NEEDED FOR:
SETPOINT MENU:Y
UNIT ON/OFF:Y
_÷
ADVANCED
MAIN MENU:GRAPHIC
LOGOUT TIMER :05min
BUZZER IF SAFETY:YES
_v
MANUAL DEFROST
UNIT DEFROST:OFF
CIR1 DEFROST:OFF
CIR2 DEFROST:OFF
_^
DEFROST
MIN. TIME BETWEEN
DEFROST: NORMAL
_^
ADVANCED
BACKLIGHT TIME:05min
GRAPHIC READOUT:YES
ENTER SERVICE
PASSWORD: 0000
TO LOGIN
_÷ UNIT HISTORY:002
HP1:019$0b = 050$8¢
LP1:004$4b = -05$2¢
FAN1:OFF
_÷ UNIT HISTORY:001
HP1:019$0b = 050$8¢
LP1:004$4b = -05$2¢
FAN1:OFF
_÷
COMP. OUTPUTS
C11:ON C12:ON
C21:ON C22:ON
_÷ UNIT HISTORY:002
HP2:019$0b = 050$8¢
LP2:004$4b = -05$2¢
FAN2:OFF
_÷ UNIT HISTORY:002
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
UNITCAPACITY:000%
_÷ UNIT HISTORY:002
C21:OFF SAFETY ACT.
C22:OFF SAFETY ACT.
_÷ UNIT HISTORY:002
CURRENT:055A
VOLTAGE:023V
_÷ UNIT HISTORY:002
C11RH:00000hCS:00000
C11C:00000h H:00000h
RHP1:00000hP2:00000h
_v UNIT HISTORY:002
C12RH:00000hCS:00000
C12C:00000h H:00000h
_v UNIT HISTORY:002
C21RH:00000hCS:00000
C21C:00000h H:00000h
_v UNIT HISTORY:002
C22RH:00000hCS:00000
C22C:00000h H:00000h
_÷ UNIT HISTORY:002
AI1 NONE
AI2 NONE
_÷ UNIT HISTORY:002
AI3 NONE
AI4 NONE
_÷ UNIT HISTORY:001
HP2:019$0b = 050$8¢
LP2:004$4b = -05$2¢
FAN2:OFF
_÷ UNIT HISTORY:001
C11:OFF SAFETY ACT.
C12:OFF SAFETY ACT.
UNITCAPACITY:000%
_÷ UNIT HISTORY:001
C21:OFF SAFETY ACT.
C22:OFF SAFETY ACT.
_÷ UNIT HISTORY:002
CURRENT:055A
VOLTAGE:023V
_÷ UNIT HISTORY:001
C11RH:00000hCS:00000
C11C:00000h H:00000h
RHP1:00000hP2:00000h
_v UNIT HISTORY:001
C12RH:00000hCS:00000
C12C:00000h H:00000h
_v UNIT HISTORY:001
C21RH:00000hCS:00000
C21C:00000h H:00000h
_v UNIT HISTORY:001
C22RH:00000hCS:00000
C22C:00000h H:00000h
_÷ UNIT HISTORY:001
AI1 NONE
AI2 NONE
_÷ UNIT HISTORY:001
AI3 NONE
AI4 NONE
_÷
FAN INP/OUTPUTS
C1 FANSTEP 1:CLOSED
C1 FANSTEP 2:CLOSED
C1 FANSTEP 3:CLOSED
_÷
FAN INP/OUTPUTS
C2 FANSTEP 1:CLOSED
C2 FANSTEP 2:CLOSED
C2 FANSTEP 3:CLOSED
_÷CHANG. DIG. INPUTS
DI1 NONE
DI2 NONE
DI3 NONE
_÷CHANG. DIG. INPUTS
DI4 NONE
DO1 SAFETY+W.(NO) :O
DO2 GEN.OPERATION :O
_÷CHANG.
DO3 NONE
DO4 NONE
DO5 NONE
_÷CHANG. INP/OUTPUTS
DO6 NONE (OPEN)
AI1 NONE
AI2 NONE
_÷CHANG. INP/OUTPUTS
AI3 NONE
AI4 NONE
AO1 NONE
_^
EWYQ080~250DAYN
Bedrijfsklare luchtgekoelde ijswaterkoelgroepen
4PW35558-1B
INP/OUTPUTS
(OPEN)
(OPEN)
(OPEN)
COMMUNICATION
RS232 ONLINE:N
RS485 ONLINE:N
DIII ONLINE:N
Gebruiksaanwijzing
28
4PW35558-1B
Copyright © Daikin
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising