Yamaha | TDM900 | TDM900A TDM900

TDM900A TDM900
✱❑❏❄❉✰❆❍ ✤ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze
machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
TDM900
TDM900A
2B0-F8199-D5
✱❑❏❄❉❄❆❍✥✤ ✤ DAU26945
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de
machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
DECLARATION of CONFORMITY
CONFORMITEITSVERKLARING
We
Company: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Address: 1450-6, Mori, Mori-Machi, Shuchi-gun, Shizuoka-Ken, 437-0292 Japan
Wij,
Bedrijf: YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
Adres: 1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
Hereby declare that the product:
Kind of equipment: IMMOBILIZER
Type-designation: 5SL-00
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
is in compliance with following norm(s) or documents:
R&TTE Directive(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Two or Three-Wheel Motor Vehicles Directive(97/24/EC: Chapter 8, EMC)
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Place of issue: Shizuoka, Japan
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Date of issue: 1 Aug. 2002
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Revision record
No.
Contents
To change contact person and integrate type-designation.
1
Version up the norm of EN60950 to EN60950-1
2
To change company name
3
General manager of quality assurance div.
Date
9 Jun. 2005
27 Feb. 2006
1 Mar. 2007
Overzicht van wijzigingen
Nr.
Inhoud
Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren.
1
Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1
2
Om bedrijfsnaam te wijzigen
3
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer
Datum
9 juni 2005
27 februari 2006
1 maart 2007
✼✥✯✣✱ ✤ INLEIDING
DAU10102
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de TDM900/TDM900A profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het
ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw TDM900/TDM900A.
De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en
anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel
dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van
kleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente
productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA10031
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.
✼✥✯✣✱ ✤ BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
Dit is het Safety Alert-symbool. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico’s op
persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of
overlijden te voorkomen.
WAARSCHUWING
Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan
resulteren in ernstig letsel of overlijden.
LET OP
De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om
schade aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.
OPMERKING
De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of
verhelderen.
✼✥✯✣✱ ✥ BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
TDM900/TDM900A
HANDLEIDING
©2009 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, September 2009
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd
gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
✼✥✯✣✱ ✤ INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE .............. 1-1
BESCHRIJVING ................................
Aanzicht linkerzijde..........................
Aanzicht rechterzijde .......................
Bedieningen en instrumenten..........
2-1
2-1
2-3
2-5
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN ............................. 3-1
Startblokkeersysteem ..................... 3-1
Contactslot/stuurslot ....................... 3-2
Controle- en
waarschuwingslampjes ............... 3-3
Toerentellerunit ............................... 3-6
Temperatuurmeter koelvloeistof ..... 3-7
Multifunctioneel display .................. 3-7
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ... 3-9
Stuurschakelaars ............................ 3-9
Koppelingshendel ......................... 3-10
Schakelpedaal .............................. 3-11
Remhendel ................................... 3-11
Rempedaal ................................... 3-11
ABS (voor modellen met ABS) ..... 3-12
Tankdop ........................................ 3-13
Brandstof ...................................... 3-13
Tankbeluchtingsslang/
overloopslang ............................ 3-14
Uitlaatkatalysatoren ...................... 3-15
Zadel ............................................. 3-15
Opbergcompartiment .................... 3-16
Voorvork afstellen ......................... 3-17
Schokdemperunit afstellen ...........
Bagageriembevestiging ................
Zijstandaard .................................
Startspersysteem .........................
3-18
3-20
3-20
3-21
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE ..............................
Starten van de motor ......................
Schakelen ......................................
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik ........................
Inrijperiode .....................................
Parkeren .........................................
5-1
5-1
5-2
5-3
5-3
5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN ................................ 6-1
Boordgereedschapsset .................. 6-1
Periodiek onderhoudsschema voor
het uitstootcontrolesysteem ........ 6-3
Algemeen smeer- en
onderhoudsschema .................... 6-5
Stroomlijn- en framepanelen
verwijderen en aanbrengen ........ 6-9
Controleren van de bougies ......... 6-10
Motorolie en oliefilterelement ....... 6-11
Koelvloeistof ................................. 6-14
Het luchtfilterelement
vervangen ................................. 6-16
Afstellen van het stationair
toerental ...................................
Controleren van de vrije slag
gaskabel ...................................
Klepspeling ..................................
Banden ........................................
Gietwielen ....................................
Vrije slag van koppelingshendel
afstellen ....................................
Remlichtschakelaars ....................
Controleren van voor- en
achterremblokken .....................
Controleren van
remvloeistofniveau ....................
Remvloeistof verversen ...............
Spanning aandrijfketting ..............
Aandrijfketting reinigen en
smeren ......................................
Kabels controleren en smeren .....
Controleren en smeren van
gasgreep en gaskabel ..............
Controleren en smeren van
rem- en schakelpedalen ...........
Controleren en smeren van
rem- en koppelingshendels ......
Zijstandaard controleren en
smeren ......................................
Smeren van de
achterwielophanging ................
Voorvork controleren ....................
Stuursysteem controleren ............
6-18
6-19
6-19
6-19
6-22
6-22
6-23
6-24
6-24
6-26
6-26
6-27
6-28
6-28
6-28
6-29
6-29
6-29
6-30
6-30
✼✥✯✣✱ ✥ INHOUDSOPGAVE
Controleren van wiellagers ...........
Accu .............................................
Zekeringen vervangen ..................
Koplampgloeilamp vervangen ......
Gloeilamp in remlicht/achterlicht
vervangen .................................
Gloeilamp in richtingaanwijzer
vervangen .................................
Parkeerlichtgloeilamp
vervangen .................................
Ondersteunen van de
motorfiets ..................................
Problemen oplossen .....................
Storingzoekschema’s ...................
6-31
6-31
6-32
6-34
6-35
6-35
6-36
6-36
6-37
6-38
VERZORGING EN STALLING
VAN DE MOTORFIETS ......................
Matkleur, let op ...............................
Verzorging ......................................
Stalling ............................................
7-1
7-1
7-1
7-3
SPECIFICATIES ................................ 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE.............. 9-1
Identificatienummers ...................... 9-1
✼✥✯✣✱ ✤ VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10283
1
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing
van de juiste rijtechnieken en de ervaring
van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende
vereisten alvorens met deze motorfiets te
gaan rijden.
Hij of zij moet:
● Door een competente informatiebron
grondig zijn ingelicht over alle aspecten van het motorrijden.
● Zich houden aan de waarschuwingen
en onderhoudseisen zoals vermeld in
deze Gebruikershandleiding.
● Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
● Gebruikmaken
van professionele
technische service, zoals aangegeven
in deze Gebruikershandleiding en/of
wanneer de mechanische condities dit
vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rij-
den uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende
inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie
pagina 4-1 voor een lijst met controles voor
het rijden.
● Deze motorfiets is gebouwd voor het
vervoer van de bestuurder plus een
passagier.
● Het niet opmerken en herkennen van
motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak
van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat
een autobestuurder de motor niet
heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat
blijkt het meest effectief om het risico
op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
●
Draag een jack in felle kleuren.
Wees extra voorzichtig bij het nade●
ren en passeren van kruisingen,
daar doen ongelukken met motorfietsen zich namelijk het meest
voor.
Ga daar rijden waar andere wegge●
bruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een
andere weggebruiker.
● Bij veel ongevallen zijn onervaren be1-1
stuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval
betrokken waren zelfs niet in het bezit
van een geldig motorrijbewijs.
Zorg dat u bekwaam bent om te rij●
den en leen uw motorfiets alleen uit
aan ervaren motorrijders.
●
Weet wat u wel en niet aankunt.
Door rekening te houden met uw
beperkingen helpt u ongelukken
voorkomen.
●
We raden aan om het motorrijden te
oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend
bent met de motor en zijn bediening.
● Ongelukken worden vaak veroorzaakt
door een fout van de motorbestuurder.
Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvoldoende
schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
●
Neem altijd de maximumsnelheid in
acht en rijd nooit sneller dan de
wegcondities en het verkeer toestaan.
●
Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg
dat andere weggebruikers u kunnen
zien.
✼✥✯✣✱ ✥ VEILIGHEIDSINFORMATIE
● De zithouding van de bestuurder en de
passagier is belangrijk voor een goede
besturing.
●
De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur
houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de
macht over het stuur te behouden.
De passagier hoort steeds de be●
stuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide
handen vast te houden en beide
voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een
passagier mee die niet in staat is
om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
● Rijd nooit onder invloed van alcohol of
andere drugs.
● Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen.
De machine is niet bedoeld voor
off-roadgebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van
een helm is de belangrijkste factor bij het
voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
● Draag altijd een goedgekeurde helm.
● Draag ook een vizier of een veilig-
●
●
●
●
heidsbril. Zonder oogbescherming kan
uw zicht door de rijwind verslechteren,
waardoor u gevaren mogelijk te laat
opmerkt.
Door een jack, stevige schoenen, een
lange broek, handschoenen e.d. te
dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
Draag nooit loszittende kleding, deze
kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden
gegrepen en zo een ongeval of letsel
veroorzaken.
Draag altijd beschermende kleding die
uw benen, enkels en voeten bedekt.
De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet
zijn en brandwonden veroorzaken.
De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren
bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas.
Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid,
verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos,
smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn
1-2
als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het
koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In
afgesloten of slecht geventileerde ruimtes
kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u
symptomen van koolmonoxidevergiftiging
ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk,
ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHE HULP IN.
● Laat de motor niet binnen draaien.
Zelfs als u ventileert met ventilatoren
of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen
tot gevaarlijke niveaus.
● Laat de motor niet draaien in slecht geventileerde of deels afgesloten ruimtes
zoals schuren of garages.
● Laat de motor niet buiten draaien op
plaatsen waar de uitlaatgassen in een
gebouw kunnen worden getrokken via
openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect
hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag
als hierdoor de gewichtsverdeling van de
motor verandert. Wees uiterst voorzichtig
bij het monteren van accessoires of het be-
1
✼✥✯✣✱ ✦ VEILIGHEIDSINFORMATIE
1
laden van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u
op een motor rijdt die beladen is of waaraan
accessoires zijn gemonteerd. Hieronder
volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van
uw motorfiets:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de
maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
TDM900 201 kg (443 lb)
TDM900A 198 kg (437 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
● Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen
en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en
verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of
instabiliteit te minimaliseren.
● Als gewicht gaat schuiven kan zich
een plotselinge onbalans voordoen.
Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de
motor zijn bevestigd. Controleer de
bevestigingspunten voor accessoires
en bagage regelmatig.
●
Pas de vering aan de te vervoeren
bagage aan (alleen voor modellen
met instelbare vering) en controleer
de toestand en spanning van uw
banden.
●
Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord.
Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel
weggedrag of een te trage reactie
op het stuur veroorzaken.
● Deze machine is niet ontworpen
voor het trekken van een aanhanger
of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen
verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn
door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan
Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor
Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle
producten testen die deze bedrijven produ1-3
ceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of
wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn
aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen,
accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die
qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel
verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke
veiligheidsrisico’s voor uzelf of anderen.
Het monteren van in de handel verkrijgbare
producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico
op ernstig letsel of overlijden van uzelf of
anderen vergroten. U bent verantwoordelijk
voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan
de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder
het kopje “Beladen”.
● Monteer nooit accessoires en vervoer
nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw
motor. Inspecteer het accessoire zorg-
✼✥✯✣✱ ✧ VEILIGHEIDSINFORMATIE
vuldig alvorens het te gebruiken om te
waarborgen dat het de grondspeling of
de hellinghoek op geen enkele manier
vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en
geen lampen of reflectors afdekt.
●
Accessoires die aan of nabij het
stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit
veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan
het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een
minimum worden beperkt.
●
Omvangrijke accessoires kunnen
door hun aerodynamisch effect van
invloed zijn op de rijstabiliteit van de
motor. De motor kan door rijwind
worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken
terwijl u grote voertuigen inhaalt of
door deze wordt ingehaald.
●
Sommige accessoires dwingen de
bestuurder om een andere dan de
normale zitpositie in te nemen. Zo’n
verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder
en kan een comfortabele bediening
hinderen, zodat we dergelijke ac-
cessoires sterk afraden.
● Wees voorzichtig bij het aanbrengen
van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van
het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen
waardoor de verlichting of de motor
uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en
velgen
De banden en velgen die bij uw motorfiets
werden geleverd, zijn ontworpen om de mogelijkheden van de motorfiets te ondersteunen en bieden de beste combinatie van
rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties
zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-19
voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
1-4
1
✼✥✯✣✱ ✤ BESCHRIJVING
DAU32220
Aanzicht linkerzijde
TDM900
12
1
3
4
5
6
7
8
2
14
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
13 12 1110
Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-17)
Stelschroef voor veerdemping voorvork (pagina 3-17)
Luchtfilterelement (pagina 6-16)
Stelknop voor inveerdemping schokdemperunit (pagina 3-18)
Accu (pagina 6-31)
Zekeringen (pagina 6-32)
Opbergcompartiment (pagina 3-16)
9
8. Handgreep
9. Bagageriembevestiging (pagina 3-20)
10.Zadelslot (pagina 3-15)
11.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-18)
12.Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-18)
13.Schakelpedaal (pagina 3-11)
14.Olieaftapplug A (pagina 6-11)
2-1
✼✥✯✣✱ ✥ BESCHRIJVING
TDM900A
12
3
4
5
6
2
3
4
5
6
12
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
11 10 9 8
Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-17)
Stelschroef voor veerdemping voorvork (pagina 3-17)
Luchtfilterelement (pagina 6-16)
Koelvloeistofreservoir (pagina 6-14)
Accu (pagina 6-31)
Zekeringen (pagina 6-32)
Bagageriembevestiging (pagina 3-20)
Zadelslot (pagina 3-15)
Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-18)
7
10.Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-18)
11.Schakelpedaal (pagina 3-11)
12.Olieaftapplug A (pagina 6-11)
7
8
9
2-2
✼✥✯✣✱ ✦ BESCHRIJVING
DAU32230
Aanzicht rechterzijde
TDM900
1
1
2
3
4
5
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1.
2.
3.
4.
5.
6.
9
Boordgereedschapsset (pagina 6-1)
Koelvloeistofreservoir (pagina 6-14)
Stationair stelschroef (pagina 6-18)
Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-24)
Radiatorvuldop (pagina 6-14)
Olievuldop (pagina 6-11)
8 7 6
7. Oliefilterelement (pagina 6-11)
8. Olieaftapplug B (pagina 6-11)
9. Rempedaal (pagina 3-11)
10.Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-24)
2-3
✼✥✯✣✱ ✧ BESCHRIJVING
TDM900A
1
2 3
4
5
6
7
2
3
4
5
6
12
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
11 10 9 8
Handgreep
Boordgereedschapsset (pagina 6-1)
Opbergcompartiment (pagina 3-16)
Stelknop voor inveerdemping schokdemperunit (pagina 3-18)
Stationair stelschroef (pagina 6-18)
Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-24)
Radiatorvuldop (pagina 6-14)
Olievuldop (pagina 6-11)
Oliefilterelement (pagina 6-11)
10.Olieaftapplug B (pagina 6-11)
11.Rempedaal (pagina 3-11)
12.Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-24)
7
8
9
2-4
✼✥✯✣✱ BESCHRIJVING
DAU10430
Bedieningen en instrumenten
1
1
2
345
6
7
8
9
2
3
4
5
6
7
8
9
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Koppelingshendel (pagina 3-10)
Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-9)
Multifunctioneel display (pagina 3-7)
Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
Toerentellerunit (pagina 3-6)
Temperatuurmeter koelvloeistof (pagina 3-7)
Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-9)
8. Remhendel (pagina 3-11)
9. Gasgreep (pagina 6-19)
2-5
✼✥✯✣✱ ✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10976
Startblokkeersysteem
1. Codeersleutel (rood bovendeel)
2. Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden
bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
● een codeersleutel (met een rood bovendeel)
● twee standaardsleutels (met een zwart
bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
● een transponder (die is geïntegreerd
in de codeersleutel)
● een startblokkeereenheid
● een ECU
● een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt
gebruikt om de twee standaardsleutels te
coderen. Het wijzigen van de codes is een
ingewikkelde procedure. Breng het voertuig
daarom met alle drie sleutels naar een
Yamaha dealer om deze opnieuw te laten
coderen. Gebruik de sleutel met het rode
bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van
de standaardsleutels. Gebruik altijd een
standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
●
●
●
●
●
DCA11821
LET OP
●
● ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL
NIET VERLIEST! NEEM DIRECT
CONTACT OP MET UW DEALER
ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als
de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt
het voertuig dan nog steeds starten
met de standaardsleutels, maar als
ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle
sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u
sterk aangeraden een van de stan3-1
●
●
●
●
daardsleutels te gebruiken en de
codeersleutel op een veilige plek te
bewaren.
Dompel de sleutels nooit in water.
Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de
sleutels.
Plaats nooit zware voorwerpen op
de sleutels.
U mag de sleutels nooit slijpen of
de vorm ervan wijzigen.
U mag het plastic gedeelte van de
sleutels nooit demonteren.
Hang nooit twee sleutels van een
startblokkeersysteem aan dezelfde
sleutelring.
Bewaar de standaardsleutels en
ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van
het voertuig.
Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van
het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10472
Contactslot/stuurslot
den en de motor kan worden gestart. De
sleutel kan niet worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen
OPMERKING
OFF ON
De koplamp gaat automatisch branden als
de motor wordt gestart en blijft aan totdat de
sleutel naar “OFF” wordt gedraaid.
1
2
DAU10661
3
4
5
6
7
8
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
LOCK
P
Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur
vergrendeld. De diverse standen worden
hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep)
voor regelmatig gebruik van de machine.
Bewaar de codeersleutel (rode greep) op
een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
9
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar “OFF” of
“LOCK” terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen
uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden
tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10691
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische
systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan
worden uitgenomen.
DAU10570
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien
van stroom; de instrumentenverlichting, het
achterlicht en het parkeerlicht gaan bran3-2
1. Drukken.
2. Draaien.
1. Draai het stuur helemaal naar links of
rechts.
2. Druk de sleutel in de “OFF”-stand in en
draai deze dan naar “LOCK”. Houd de
sleutel hierbij ingedrukt.
3. Neem de sleutel uit.
✼✥✯✣✱ ✦ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
Om het stuur te ontgrendelen
DAU47040
Controle- en
waarschuwingslampjes
Voor TDM900
2
3
1. Drukken.
2. Draaien.
4
1
Druk de sleutel in het contactslot en draai
deze dan naar “OFF”. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
2 3 45 67 8
1. Waarschuwingsindicator brandstofniveau
“ ”
2. Controlelampje linker richtingaanwijzers
“ ”
3. Controlelampje grootlicht “
”
4. Vrijstandcontrolelampje “ ”
5. Waarschuwingslampje motorstoring “
”
6. Controlelampje rechter richtingaanwijzers
“ ”
7. Waarschuwingslampje olieniveau
8. Controlelampje startblokkering
DAU33001
(Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht
en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere
elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan
worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar “ ” te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP
Gebruik de parkeerstand niet gedurende
3-3
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✧ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
linker- of rechterstand is gedrukt.
Voor TDM900A
● Voor TDM900A: Dit controlelampje
knippert terwijl de schakelaar voor
richtingaanwijzers naar de linker- of
rechterstand is gedrukt.
1
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje “ ”
Dit controlelampje brandt terwijl de versnellingsbak in de vrijstand staat.
2
3
1
2 3 45 67 8
DAU11080
4
5
6
7
8
9
1. Waarschuwingsindicator brandstofniveau
“ ”
2. Controlelampje richtingaanwijzers
“
”
3. Controlelampje grootlicht “
”
4. Vrijstandcontrolelampje “ ”
5. Waarschuwingslampje motorstoring “
”
6. ABS-waarschuwingslampje “ ABS ”
7. Waarschuwingslampje olieniveau
8. Controlelampje startblokkering
DAU38572
Controlelampjes richtingaanwijzers
“ ” en “ ” (voor TDM900)/Controlelampje richtingaanwijzers “
” (voor
TDM900A)
● Voor TDM900: Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de
Controlelampje grootlicht “
”
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp
is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU38603
Waarschuwingslampje olieniveau
Dit waarschuwingslampje gaat branden als
het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
3-4
OPMERKING
Bij een voldoende hoog olieniveau kan het
waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling
afremmen of optrekken, er is dan echter
geen sprake van een storing.
DAU11371
Waarschuwingsindicator brandstofniveau “ ”
De waarschuwingsindicator brandstofniveau gaat knipperen als het brandstofniveau daalt tot ca. 3.5 L (0.92 US gal, 0.77
Imp.gal).
DAU46442
Waarschuwingslampje motorstoring
“
”
Dit waarschuwingslampje gaat branden
wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor
controleert. Vraag in dat geval een Yamaha
dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-8 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
✼✥✯✣✱ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
Dit waarschuwingslampje gaat branden als
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid en de
startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter
niet op een storing.
snel mogelijk een Yamaha dealer het
remsysteem te controleren.
teem blijft ingeschakeld.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel
naar “ON” te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en
dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen
op wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch
circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. Als het startblokkeersysteem niet
goed werkt, dan gaat het controlelampje in
een bepaald patroon knipperen en zal er op
het kilometerteller-/rittellerdisplay een code
van 2 cijfers worden weergegeven wanneer
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid. Vraag
in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. Als het controlelampje echter vijfmaal langzaam
knippert en dan herhaaldelijk tweemaal
snel, dan zal foutcode 52 op het display verschijnen. Deze fout kan worden veroorzaakt door een signaalstoring. Als deze fout
zich voordoet, probeer dan het volgende.
DAU11545
ABS-waarschuwingslampje “ ” (voor
modellen met ABS)
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is het
ABS-systeem mogelijk defect. Vraag in dat
geval zo snel mogelijk een Yamaha dealer
het systeem te controleren. (Zie
pagina 3-12.)
ABS
DWA10081
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, wordt alleen het conventionele
remsysteem gebruikt. Wees dan voorzichtig en zorg dat de wielen tijdens plotseling remmen niet blokkeren. Als het
waarschuwingslampje tijdens het rijden
gaat branden of knipperen, vraag dan zo
DAU38613
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de
sleutel naar “ON” te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten
en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op
wanneer u de sleutel naar “ON” draait of
blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer
controleren.
Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid,
begint het controlelampje na 30 seconden
te knipperen om aan te geven dat het
startblokkeersysteem is ingeschakeld.
Het controlelampje stopt na 24 uur met
knipperen, maar het startblokkeersys3-5
OPMERKING
1. Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de
buurt van het contactslot en bewaar niet
meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleutelring! Startblokkeersleutels
kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
2. Als de motor start, zet deze dan weer
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✩ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
2
uit en probeer hem opnieuw te starten
met de standaardsleutels.
3. Als de motor niet kan worden gestart
met een of beide standaardsleutels,
breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar
een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
DAU11911
Toerentellerunit
1
2
3
4
5
6
7
8
3
1. Toerenteller
2. Rode zone toerenteller
3. Klok
Met de elektrische toerenteller kan de bestuurder het motortoerental controleren en
dit binnen het ideale bereik houden.
Als de sleutel naar “ON” wordt gedraaid,
slaat de naald van de toerenteller eenmaal
helemaal uit tot het hoogste aantal toeren
per minuut en keert daarna weer terug naar
nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
9
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 8000 tpm en hoger
Deze toerenteller is tevens voorzien van
3-6
een klok.
De klok op tijd zetten:
1. Druk tegelijkertijd de “SELECT”- en
“RESET”-toets gedurende minstens
twee seconden in.
2. Als de uuraanduiding begint te knipperen, drukt u op de toets “RESET” om
de uren in te stellen.
3. Druk op de “SELECT”-toets om de minuten in te stellen.
4. Als de minutenaanduiding begint te
knipperen,
drukt
u
op
de
“RESET”-toets om de minuten in te
stellen.
5. Druk op de “SELECT”-toets om de
klok aan te zetten.
OPMERKING
● Nadat de klok op tijd is gezet, moet de
“SELECT”-toets worden ingedrukt alvorens de sleutel naar “OFF” te
draaien, anders geeft de klok niet de
juiste tijd aan.
● Als de sleutel naar “OFF” wordt gedraaid blijft de klokweergave nog 48
uur aan en gaat dan uit, om zo te voorkomen dat de accu ontladen raakt.
✼✥✯✣✱ ✪ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12182
Temperatuurmeter koelvloeistof
2
DCA10021
DAU36613
Multifunctioneel display
LET OP
DWA12312
Laat de motor niet draaien terwijl deze
oververhit is.
WAARSCHUWING
Zet de machine stil voordat u wijzigingen
aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen
van wijzigingen tijdens het rijden kan u
afleiden en vergroot het risico op een
ongeval.
1
1. Temperatuurmeter koelvloeistof
2. Rode zone temperatuurmeter
koelvloeistof
Met de contactsleutel in de stand “ON” geeft
de temperatuurmeter voor koelvloeistof de
temperatuur van de koelvloeistof aan. Als
de sleutel naar “ON” wordt gedraaid, slaat
de naald van de temperatuurmeter voor
koelvloeistof eenmaal helemaal uit tot aan
de hoogste temperatuur en keert daarna
weer terug naar “C” om het elektrische circuit te testen. De koelvloeistoftemperatuur
is afhankelijk van de weersomstandigheden
en de motorbelasting. Als de naald bij of in
de rode zone staat, zet de machine dan stil
en laat de motor afkoelen. (Zie
pagina 6-38.)
3
1
4
2
5
3
4
5
6
1.
2.
3.
4.
5.
Snelheidsmeter
Kilometerteller/ritteller
“SELECT”-toets
“RESET”-toets
Brandstofniveaumeter
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
● een digitale snelheidsmeter
● een kilometerteller
3-7
2
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✫ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
● twee rittellers (die de afgelegde af-
1
2
stand aangeven sinds de tellers het
laatst werden teruggesteld op nul)
● een ritteller voor brandstofreserve (die
de afstand aangeeft die wordt afgelegd op de brandstofreserve)
● een brandstofniveaumeter
● een voorziening voor zelfdiagnose
OPMERKING
3
4
5
6
7
8
9
● Vergeet niet de sleutel naar “ON” te
draaien voordat u de “SELECT”- en
“RESET”-toets gebruikt.
● Alleen voor Groot-Brittannië: Om te
wisselen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter
en de kilometerteller/ritteller drukt u de
toets “SELECT” minstens 1 seconde
in.
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de “SELECT”-toets
wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus “ODO” en de rittellermodi “TRIP
1” en “TRIP 2”, in de onderstaande volgorde:
ODO → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO
Als de waarschuwingsindicator brandstofniveau knippert (zie pagina 3-3), wisselt de kilometertellerweergave automatisch naar de
brandstofreserve-rittellermodus “TRIP F”
en wordt de afgelegde afstand vanaf dat
punt aangegeven. In dat geval wordt door
het indrukken van de “SELECT”-toets in de
onderstaande volgorde gewisseld tussen
de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
TRIP F → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO →
TRIP F
Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets “SELECT”
te drukken en dan de toets “RESET” minstens 1 seconde lang ingedrukt te houden.
Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet
zelf met de hand op nul terugstelt, wordt
deze automatisch teruggesteld zodra na
het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
OPMERKING
Het display kan niet worden teruggesteld
naar “TRIP F” nadat de “RESET”-toets is ingedrukt.
Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De
displaysegmenten van de brandstofniveaumeter verdwijnen richting “E” (leeg) naarmate het brandstofniveau verder daalt. Als
er slechts één segment vlakbij “E” is overgebleven, gaan de waarschuwingsindicator
3-8
brandstofniveau en het laatste segment van
de brandstofniveaumeter knipperen. Vul zo
snel mogelijk brandstof bij.
Zelfdiagnosesysteem
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor diverse elektrische circuits.
Als in een van deze circuits een storing
wordt gedetecteerd, toont het kilometerteller/rittellerdisplay een foutcode.
Noteer zo’n foutcode als die op het kilometerteller/rittellerdisplay wordt aangegeven
en vraag een Yamaha dealer het voertuig
na te zien.
DCA11520
LET OP
Wanneer de kilometerteller/ritteller een
foutcode aangeeft, moet de machine zo
spoedig mogelijk worden gecontroleerd
om motorschade te voorkomen.
✼✥✯✣✱ ✬ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem
(optie)
Dit model kan door een Yamaha dealer
worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met
een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12348
Stuurschakelaars
Rechts
Links
1
2
1
2
2
3
3
4
5
1.
2.
3.
4.
5.
1. Noodstopschakelaar “
2. Startknop “ ”
Lichtsignaalschakelaar “
”
Schakelaar alarmverlichting “
Dimlichtschakelaar “
/
”
Richtingaanwijzerschakelaar “
Claxonschakelaar “
”
/
”
4
DAU12350
”
/
”
Lichtsignaalschakelaar “
”
Druk deze schakelaar in om de koplamp
een lichtsignaal te laten afgeven.
DAU12400
Dimlichtschakelaar “
/
”
Zet deze schakelaar op “
” voor grootlicht
en op “
” voor dimlicht.
5
6
7
8
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar “ / ”
Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan
naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “ ” om afslaan naar links aan
te geven. Na loslaten keert de schakelaar
terug naar de middenstand. Om de richtin3-9
9
✼✥✯✣✱ ✤✣ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
gaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in
de middenstand.
1
2
DAU12500
Claxonschakelaar “
”
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
3
4
5
Noodstopschakelaar “ / ”
Zet deze schakelaar voor u de motor start
op “ ”. Zet deze schakelaar op “ ” om
de motor direct uit te schakelen in een
noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting “ ”
Met de sleutel in de stand “ON” of “ ” kan
deze schakelaar worden gebruikt voor het
inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers).
De alarmverlichting wordt gebruikt in een
noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke
verkeerssituatie.
7
8
9
1
DCA10061
LET OP
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet
draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
DAU12711
6
DAU12820
Koppelingshendel
Startknop “ ”
Druk deze knop in om via de startmotor de
motor rond te draaien. Zie pagina 5-1 voor
startinstructies voordat u de motor start.
DAU44710
Het waarschuwingslampje voor motorstoring en het ABS-waarschuwingslampje (alleen voor model met ABS) gaan branden
als de sleutel naar “ON” wordt gedraaid en
de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
3-10
1. Koppelingshendel
De koppelingshendel bevindt zich aan de
linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het
stuur toe om de koppeling te ontkoppelen.
Laat de hendel los om de koppeling te laten
aangrijpen. Voor een soepele werking van
de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een
sperschakelaar die deel uitmaakt van het
startspersysteem. (Zie pagina 3-21.)
✼✥✯✣✱ ✤✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12870
Schakelpedaal
DAU26823
Remhendel
1
DAU12941
Rempedaal
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur
toe om de voorrem te bekrachtigen.
2
1
2
4
3
1
1. Schakelpedaal
Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het
schakelen van de versnellingen van de
6-traps constant-mesh versnellingsbak op
deze motorfiets.
1. Rempedaal
3
1.
2.
3.
4.
Remhendel
Stelwiel afstelpositie remhendel
“
”-merkteken
Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De remhendel is voorzien van een stelwiel
voor de positie van de remhendel. Om de
afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl de hendel van het stuur
vandaan wordt gehouden. Controleer of het
correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het “ ”-merkteken op de remhendel
staat.
3-11
Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU26794
ABS (voor modellen met ABS)
1
2
Het Yamaha ABS (anti-blokkeervoorziening
remsysteem) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de
voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. Het ABS wordt bewaakt door een
ECU, die in geval van een storing zal terugvallen op handmatig remmen.
DWA10090
3
WAARSCHUWING
● Het ABS-systeem functioneert het
4
5
6
meest effectief over lange remwegen.
● Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer
zijn dan bij remmen zonder ABS.
Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd
op uw rijsnelheid.
7
OPMERKING
8
9
of in de remhendel terwijl ABS actief is.
Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem voor het uitvoeren van
deze test contact op met uw Yamaha
dealer.
DCA16120
Houd alle soorten magneten (inclusief
magneetgrijpers, magnetische schroevendraaiers etc.) uit de buurt van de
voorste en achterste wielnaven. Anders
kunnen de magnetische rotors van de
wielnaven beschadigd raken, waardoor
het ABS-systeem niet meer goed werkt.
1
● Wanneer ABS is geactiveerd, worden
de remmen op de gebruikelijke wijze
bediend. In de remhendel of het rempedaal kunnen pulsaties worden gevoeld, maar dat duidt niet op een
storing.
● Dit ABS-systeem is uitgerust met een
testfunctie, waarbij de bestuurder de
pulsaties kan voelen in het rempedaal
1
LET OP
1. Voorste wielnaaf
3-12
1. Achterste wielnaaf
✼✥✯✣✱ ✤✦ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13091
Tankdop
met de sleutel in het slot. Bovendien kan de
sleutel niet worden uitgenomen als de
tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.
DAU13221
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de
brandstoftank aanwezig is.
DWA10881
DWA11091
2
1
WAARSCHUWING
Na het tanken moet de tankdop goed
worden aangedraaid. Door brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer
brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te
voorkomen en het letselrisico tijdens het
tanken te verlagen.
1. Zet alvorens te tanken de motor af en
zorg dat er niemand op de machine zit.
Rook nooit tijdens het tanken en tank
nooit in de nabijheid van vonken, open
vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en
kledingdrogers.
2. Maak de brandstoftank niet te vol.
Steek bij het tanken het vulpistool
goed in de vulopening van de brandstoftank. Stop met vullen zodra de
brandstof de onderkant van de vulhals
heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet
als deze warm wordt, kan de warmte
van de motor of de zon ervoor zorgen
dat brandstof uit de brandstoftank
stroomt.
1. Slotplaatje tankdop
2. Ontgrendelen.
Openen van de tankdop
Open het slotplaatje op de tankdop, steek
de sleutel in het slot en draai hem dan 1/8
slag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld
en de tankdop kan worden verwijderd.
Sluiten van de tankdop
1. Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
2. Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en
sluit dan het slotplaatje.
OPMERKING
De tankdop kan alleen worden gesloten
3-13
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤✧ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
2
terechtkomt, was deze dan af met water
en zeep. Als u benzine op uw kleding
morst, trek dan andere kleding aan.
1
1
DAU13320
2
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOODVRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
20.0 L (5.28 US gal, 4.40 Imp.gal)
Brandstofreserve:
3.5 L (0.92 US gal, 0.77 Imp.gal)
3
4
5
6
7
1. Vulpijp brandstoftank
2. Maximaal brandstofniveau
3. Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste
brandstof onmiddellijk af met een
schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan
aantasten.[DCA10071]
4. Draai de tankdop stevig vast.
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
Loodhoudende benzine veroorzaakt
ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren
en ook aan het uitlaatsysteem.
DWA15151
8
9
DAU39451
Tankbeluchtingsslang/
overloopslang
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om
met benzine. Probeer nooit om benzine
via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp
heeft ingeademd of benzine in uw ogen
heeft gekregen. Als benzine op uw huid
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het
gebruik van normale loodvrije benzine met
een octaangetal van RON 91 of hoger. Als
de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies
langer mee en blijven de onderhoudskosten
beperkt.
3-14
1
1. Tankbeluchtingsslang/overloopslang
Alvorens de motorfiets te gebruiken:
● Controleer de aansluiting van de tankbeluchtingsslang/overloopslang.
● Controleer de tankbeluchtingsslang/
overloopslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
● Controleer of het uiteinde van de tankbeluchtingsslang/overloopslang niet
verstopt is en reinig indien nodig.
✼✥✯✣✱ ✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13445
Uitlaatkatalysatoren
zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysatoren in het uitlaatsysteem.
DAU13861
Zadel
Verwijderen van het zadel
Steek de sleutel in het zadelslot, draai hem
dan linksom en neem het zadel los.
DWA10862
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende
om brandgevaar of brandwonden te
voorkomen:
● Parkeer de machine nooit nabij
brandgevaarlijke stoffen, zoals op
gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
● Parkeer de machine op een plek
waar voetgangers of kinderen niet
gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
● Controleer of het uitlaatsysteem is
afgekoeld
alvorens
onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
● Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang
stationair draaien kan leiden tot
oververhitting.
2
2
3
4
1
1. Zadelslot
2. Ontgrendelen.
Aanbrengen van het zadel
Steek de uitsteeksels aan de voorzijde van
het zadel in de zadelbevestigingen, druk het
zadel aan de achterzijde omlaag om te vergrendelen en neem dan de sleutel uit.
5
6
7
8
9
DCA10701
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine.
Bij gebruik van loodhoudende benzine
3-15
✼✥✯✣✱ ✤✩ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14413
1
Opbergcompartiment
1
1
3
2
2
2
3
4
5
6
7
8
9
1. Uitsteeksel
2. Zadelbevestiging
OPMERKING
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
1. Yamaha CYCLELOK-slot (optie)
2. Riem
3. Stang CYCLELOK-slot (optie)
Dit opbergcompartiment is bedoeld voor
het opbergen van een optioneel Yamaha
CYCLELOK-slot. (Andere typen sloten
passen mogelijk niet.) Bij het opbergen
van een CYCLELOK-slot in het opbergcompartiment moet dit stevig met de riemen
worden
bevestigd.
Als
het
CYCLELOK-slot niet in het opbergcompartiment is opgeborgen, maak dan de riemen
vast om het niet te verliezen.
Als de Gebruikershandleiding of andere
documentatie in het opbergcompartiment
wordt opgeborgen, doe ze dan in een plastic zak om nat worden te voorkomen. Zorg
bij het wassen van de motorfiets dat geen
3-16
water het opbergcompartiment kan binnendringen.
✼✥✯✣✱ ✤✪ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14782
Voorvork afstellen
Veervoorspanning
DWA10180
(b)
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde
afstelling, anders kan slecht weggedrag
en verminderde rijstabiliteit het gevolg
zijn.
1
(a)
2
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of
minimuminstellingen te draaien om
schade aan het mechanisme te voorkomen.
4
2
1
2
Deze voorvork is voorzien van stelbouten
voor veervoorspanning en van stelschroeven voor veerdemping.
DCA10101
1
3
5
6
7
8
3
3
1. Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a).
Draai om de veervoorspanning te verlagen
en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.
1. Standaardinstelling
2. Huidige instelling
3. Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
8
Standaard:
7
Maximum (hard):
1
4
5
6
7
8
9
3-17
✼✥✯✣✱ ✤✫ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Veerdemping
1
een van de vier instellingen is gedraaid.
(a)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1
4
3
Afstelling veerdemping:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
2
Maximum (hard):
4
2
DAU15032
Schokdemperunit afstellen
Deze schokdemperunit is uitgerust met een
stelring voor veervoorspanning en met stelknoppen voor ingaande demping en voor
uitgaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of
minimuminstellingen te draaien om
schade aan het mechanisme te voorkomen.
1. Stelschroef voor inveerdemping
1. Draai de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a) totdat de schroef
bijna 1/2 slag beweegt zonder te klikken.
2. Draai de stelschroef verder in de richting (a) totdat deze klikt. Dit is de minimum afstelling.
3. Voor meer veerdemping draait u de
stelschroef verder in de richting (a). De
derde klik na de minimum instelling
vormt de maximum instelling. Als u de
stelschroef verder draait in de richting
(a), beweegt deze een halve slag alvorens terug te keren naar de minimum
instelling.
Veervoorspanning
3
1
(b)
(a)
9 87 6 5
43 2 1
2
1. Stelring veervoorspanning
2. Speciale sleutel
3. Positie-indicator
OPMERKING
Draai om de veervoorspanning te verhogen
en zo de vering stugger te maken de stel-
Controleer of de stelschroef inderdaad naar
3-18
✼✥✯✣✱ ✤✬ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
ring in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering
zachter te maken de stelring in de richting
(b).
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
5
Maximum (hard):
9
de richting (b).
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
20 klikken in de richting (b)*
Standaard:
12 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in
de richting (a)
Uitgaande demping
(a)
(b)
(a)
Om een nauwkeurige afstelling te bereiken,
is het raadzaam om het aantal klikken of
slagen te tellen waarmee elk afstelmechanisme van de demping wordt verdraaid. Het
kan voorkomen dat dit afstelbereik vanwege kleine productieverschillen niet exact
overeenkomt met de opgegeven specificaties.
DWA10221
1
WAARSCHUWING
1
1. Stelknop voor inveerdemping
1. Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de
stelknop in de richting (a). Draai om de
uitgaande demping te verlagen en zo de
vering zachter te maken de stelknop in
Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de
stelknop in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de
richting (b).
3-19
2
3
OPMERKING
Ingaande demping
(b)
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
12 klikken in de richting (b)*
Standaard:
11 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in
de richting (a)
Deze schokdemperunit is gevuld met
stikstofgas onder hoge druk. Lees de
onderstaande informatie zorgvuldig
door alvorens werkzaamheden uit te
voeren aan de schokdemperunit.
● Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
● Stel de schokdemperunit niet bloot
aan open vuur of een andere hitte-
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✥✣ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
2
3
4
5
6
bron. Hierdoor kan de gasdruk zo
hoog oplopen dat de unit explodeert.
● Voorkom vervorming of beschadiging van de cilinder. Schade aan de
cilinder zal resulteren in slechte
dempingsprestaties.
● Werp een beschadigde of versleten
schokdemperunit niet zelf weg.
Breng de schokdemperunit voor elk
onderhoud
naar
een
Yamaha-dealer.
DAU15140
Bagageriembevestiging
DAU15303
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag
terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
1
1. Bagageriembevestiging
Onder het duozadel zijn vier bagageriembevestigingspunten aangebracht, twee
hiervan kunnen worden gedraaid om ze gemakkelijker toegankelijk te maken.
7
8
9
3-20
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de
werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-21 voor een uitleg over
het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gereden terwijl de zijstandaard omlaag staat
of niet behoorlijk kan worden opgetrokken (of niet omhoog blijft), anders kan de
zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine
mogelijk onbestuurbaar wordt. Het
Yamaha startspersysteem is ontworpen
om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te
trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zoals hierna beschreven en laat het
repareren door een Yamaha dealer als
✼✥✯✣✱ ✥✤ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
de werking niet naar behoren is.
DAU44892
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar, de koppelingshendelschakelaar en de vrijstandschakelaar deel
uitmaken) heeft de volgende functies.
● Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de zijstandaard is
opgeklapt, terwijl de koppelingshendel
niet is ingetrokken.
● Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de koppelingshendel is
ingetrokken, terwijl de zijstandaard
nog omlaag staat.
● Het schakelt een draaiende motor uit
wanneer de versnellingsbak in een
versnelling staat en de zijstandaard
omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande
procedure.
2
3
4
5
6
7
8
9
3-21
✼✥✯✣✱ ✥✥ FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
1
2
3
4
5
6
WAARSCHUWING
Met de motor uit:
1. Beweeg de zijstandaard omlaag.
2. De motorstopknop moet in de stand “ ” staan.
3. Draai de sleutel naar aan.
4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
5. Druk op de startknop.
Start de motor?
JA
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens
te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te
controleren.
De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
NEE
Met de motor nog aan:
6. Beweeg de zijstandaard omhoog.
7. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.
8. Schakel de versnellingsbak in een versnellingsstand.
9. Beweeg de zijstandaard omlaag.
Slaat de motor af?
JA
De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
NEE
7
8
9
Als de motor is afgeslagen:
10. Beweeg de zijstandaard omhoog.
11. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.
12. Druk op de startknop.
Start de motor?
JA
De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed.
Rijd niet met de motorfiets voordat deze is
nagekeken door een Yamaha dealer.
NEE
Het systeem is in orde. De motorfiets mag worden gebruikt.
3-22
✼✥✯✣✱ ✤ VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema’s en procedures
voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u
een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
2
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
3
ITEM
CONTROLES
●
●
Brandstof
●
●
●
Motorolie
●
●
●
Koelvloeistof
●
●
●
●
●
Voorrem
●
●
●
●
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Vul indien nodig brandstof bij.
Controleer de brandstofleiding op lekkage.
Controleer de tankbeluchtingsslang/overloopslang op obstakels, scheuren of
beschadiging en controleer de slangaansluiting.
Controleer het olieniveau in de motor.
Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.
Controleer de machine op olielekkage.
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven
niveau.
Controleer het koelsysteem op lekkage.
Controleer de werking.
Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het
hydraulisch systeem te ontluchten.
Controleer de remblokken op slijtage.
Vervang indien nodig.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het
voorgeschreven niveau.
Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
4-1
PAGINA
4
3-13, 3-14
5
6-11
6
6-14
7
8
6-24
9
✼✥✯✣✱ ✥ VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
ITEM
CONTROLES
●
●
1
●
Achterrem
●
●
●
2
●
3
●
Koppeling
●
●
●
4
●
Gasgreep
5
Bedieningskabels
6
●
●
●
●
●
Aandrijfketting
7
●
●
●
●
8
Wielen en banden
●
●
●
9
Rem- en schakelpedalen
Rem- en koppelingshendels
Zijstandaard
●
●
●
●
●
●
Controleer de werking.
Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het
hydraulisch systeem te ontluchten.
Controleer de remblokken op slijtage.
Vervang indien nodig.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.
Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het
voorgeschreven niveau.
Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.
Controleer de werking.
Smeer indien nodig de kabel.
Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.
Stel indien nodig bij.
Controleer of de werking soepel is.
Controleer de vrije slag van de kabel.
Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen,
en de kabel en het kabelhuis te smeren.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig.
Controleer of de ketting correct is aangespannen.
Stel indien nodig bij.
Controleer de conditie van de ketting.
Smeer indien nodig.
Controleer op schade.
Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.
Controleer de bandspanning.
Corrigeer indien nodig.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten.
Controleer of de werking soepel is.
Smeer indien nodig het scharnierpunt.
4-2
PAGINA
6-24
6-22
6-19, 6-28
6-28
6-26, 6-27
6-19, 6-22
6-28
6-29
6-29
✼✥✯✣✱ ✦ VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
ITEM
Framebevestigingen
Instrumenten, verlichting,
signaleringssysteem en
schakelaars
CONTROLES
●
●
●
●
●
Zijstandaardschakelaar
●
PAGINA
Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.
Zet indien nodig vast.
—
Controleer de werking.
Corrigeer indien nodig.
—
Controleer de werking van het startspersysteem.
Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te
controleren.
3-20
2
3
4
5
6
7
8
9
4-3
✼✥✯✣✱ ✤ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU48020
DAU39894
Starten van de motor
1
2
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig
door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van
een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
3
4
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de
bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een
ongeval of letsel tot gevolg.
OPMERKING
Dit model is uitgerust met een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. In dat geval wordt op het
multifunctionele display foutcode 30 weergegeven, maar dit betreft geen storing.
Draai de sleutel naar “OFF” en vervolgens
naar “ON” om de foutcode te wissen. Als u
dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld
als u op de startknop drukt.
5
6
7
8
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
● De versnellingsbak staat in de vrijstand.
● De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de
zijstandaard is opgeklapt.
Zie pagina 3-21 voor meer informatie.
1. Draai de contactsleutel naar “ON” en
controleer of de noodstopschakelaar
op “ ” is gezet.
De volgende waarschuwingslampjes
en het controlelampje moeten enkele
seconden oplichten en dan uitgaan.
● Waarschuwingslampje olieniveau
● Waarschuwingslampje motorstoring
● Controlelampje startblokkering
● ABS-waarschuwingslampje
DCA11833
LET OP
9
Als een waarschuwings- of controlelampje niet gaat branden wanneer de
sleutel naar “ON” wordt gedraaid, of
wanneer een waarschuwings- of controlelampje niet dooft, zie dan pagina
3-3 voor een controle van het circuit
5-1
✼✥✯✣✱ ✥ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
van het betreffende waarschuwings- of
controlelampje.
2. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand. (Zie pagina 5-2.) Het vrijstandcontrolelampje moet gaan branden.
Als dit niet gebeurt, vraag dan een
Yamaha dealer het elektrische circuit
na te kijken.
3. Start de motor door de startknop in te
drukken. LET OP: Trek voor een
maximale levensduur van de motor nooit hard op als de motor
koud is![DCA11041]
Als de motor niet wil starten, laat dan
de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw.
Iedere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen.
Laat de startmotor nooit langer dan
10 seconden achtereen draaien.
DAU16671
Schakelen
DCA10260
LET OP
● Rijd niet lange tijd met afgezette
6
5
4
3
2
1
N
1
2
1. Schakelpedaal
2. Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u
het beschikbare motorvermogen doseren
bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de
afbeelding.
OPMERKING
Om de versnellingsbak in de vrijstand te
schakelen wordt het schakelpedaal enkele
malen ingetrapt totdat het einde van de slag
bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
5-2
motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden.
De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor
draait. Door onvoldoende smering
kan de versnellingsbak worden beschadigd.
● Gebruik altijd de koppeling om de
versnellingsbak te schakelen om zo
schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn
deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✦ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16810
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk
van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om
het brandstofverbruik te verlagen:
● Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accelereert.
● Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
● Laat de motor niet langdurig stationair
draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld
in files, bij stoplichten of bij spoorwegovergangen).
DAU16841
Inrijperiode
DCA10310
LET OP
De belangrijkste periode in de levensduur
van het motorblok is de tijd tussen 0 en
1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit
de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar
worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat
de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd
tijdens deze periode nooit langdurig volgas
en vermijd ook andere manoeuvres die tot
oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17101
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 4000
tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi)
moet de motorolie worden ververst en
moet het oliefilterelement worden vervangen.[DCA11151]
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 6000
tpm maken.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
5-3
● Voer het toerental niet zover op dat
de toerenteller in de rode zone
wijst.
● Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct
een Yamaha dealer de machine te
controleren.
✼✥✯✣✱ ✧ GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17213
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem
dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
WAARSCHUWING
● De motor en het uitlaatsysteem
2
kunnen zeer heet worden, parkeer
dus op een plek waar voetgangers
of kinderen niet gemakkelijk met
deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
● Parkeer nooit op een helling of een
zachte ondergrond, hierdoor kan de
machine kantelen met mogelijk
brandstoflekkage en brand tot gevolg.
● Parkeer niet nabij gras of andere
brandbare materialen die vlam zouden kunnen vatten.
3
4
5
6
7
8
9
5-4
✼✥✯✣✱ ✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17241
1
2
3
4
5
6
Door periodiek inspecties, afstellingen en
smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt
mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de
volgende pagina’s wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema moeten
worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter
mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk
van het weer, het terrein, de geografische
locatie en individueel gebruik.
motor af tenzij anders aangegeven.
● Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of
kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of
brand kunnen veroorzaken.
● Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud
kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot
gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
8
9
1
1. Boordgereedschapsset
De boordgereedschapsset is te vinden in
het opbergcompartiment onder het zadel.
(Zie pagina 3-15.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te
ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor
de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een
momentsleutel vereist zijn.
DWA10321
7
DAU17521
Boordgereedschapsset
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico
op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de
machine. Als u niet bekend bent met
voertuigonderhoud, laat het onderhoud
dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde
DWA15121
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de
6-1
✼✥✯✣✱ ✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
werkzaamheden vereist zijn.
2
3
4
5
6
7
8
9
6-2
✼✥✯✣✱ ✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46861
OPMERKING
1
2
● De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onder-
houdsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
● Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
● Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereed-
schap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
3
DAU46910
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
4
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
5
●
6
1 *
Brandstofleiding
●
7
2 *
Bougies
●
●
8
9
3 *
Ventielen
4 *
Brandstofinjectie
5 *
Uitlaatdemper en
uitlaatpijp
●
●
●
●
Controleer de brandstofslangen
op scheurtjes of
beschadigingen.
Controleer de conditie.
Reinigen en elektrodenafstand
afstellen.
Vervangen.
Controleer de klepspeling.
Afstellen.
Stel het stationair toerental en de
synchronisatie af.
Controleer of de
schroefklem(men) goed
vastzit(ten).
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
√
JAARLIJKSE
CONTROLE
√
√
√
√
Elke 40000 km (24000 mi)
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
6-3
√
✼✥✯✣✱ ✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
●
6 *
Luchtinlaatsysteem
●
1000 km
(600 mi)
Controleer de luchtafsluitklep, de
membraanklep en de slang op
beschadiging.
Vervang indien nodig het
volledige luchtinlaatsysteem.
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
JAARLIJKSE
CONTROLE
√
2
3
4
5
6
7
8
9
6-4
✼✥✯✣✱ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU1770C
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
1
1
2
2
Luchtfilterelement
Koppeling
●
●
●
●
3
3 *
Voorrem
●
4
●
4 *
Achterrem
5
●
●
6
5 *
Remslangen
●
6 *
Wielen
●
7
●
8
7 *
Banden
●
●
●
9
8 *
Wiellagers
9 *
Achterbrug
●
●
●
Vervangen.
Controleer de werking.
Afstellen.
Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
Vervang de remblokken.
Controleer de werking en het
vloeistofniveau en controleer de
machine op vloeistoflekkage.
Vervang de remblokken.
Controleer op scheurtjes en
beschadigingen.
Vervangen.
Controleer de speling en
controleer op beschadigingen.
Controleer op slijtage en
beschadigingen.
Vervang indien nodig.
Controleer de bandspanning.
Corrigeer indien nodig.
Controleer op speling of
beschadigingen.
Controleer op een correcte
werking en overmatige speling.
Smeren met lithiumvet.
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
JAARLIJKSE
CONTROLE
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
√
√
√
√
Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
√
√
Elke 4 jaar
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
Elke 50000 km (30000 mi)
6-5
√
✼✥✯✣✱ ✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
●
10
Aandrijfketting
●
●
11 *
Balhoofdlagers
●
12 *
13
14
15
16
Framebevestigingen
Scharnieras van
remhendel
Scharnieras van
rempedaal
Scharnieras van
koppelingshendel
Scharnieras van
schakelpedaal
17
Zijstandaard
18 *
Zijstandaardschakelaar
19 *
Voorvork
20 *
Schokdemperunit
●
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
JAARLIJKSE
CONTROLE
Controleer de spanning, uitlijning
en conditie van de
aandrijfketting.
Elke 1000 km (600 mi) en nadat de motorfiets is gewassen of ermee in de regen
Stel de ketting af en smeer deze
of vochtige gebieden is gereden
grondig met een speciale
smering voor o-ringkettingen.
Controleer de lagers op speling
√
√
√
√
√
en oppervlakteruwheid.
Smeren met lithiumvet.
Elke 20000 km (12000 mi)
Controleer of alle moeren,
√
√
√
√
√
bouten en schroeven stevig zijn
vastgezet.
●
Smeren met siliconenvet.
√
√
√
√
√
●
Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
●
Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
●
Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
●
●
Controleer de werking.
Smeren met lithiumvet.
√
√
√
√
√
●
Controleer de werking.
√
√
√
√
√
●
Controleer op een correcte
werking en olielekkage.
Controleer op een correcte
werking en olielekkage.
√
√
√
√
√
√
√
√
●
√
6-6
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
KILOMETERSTAND
NR.
1
21 *
2
CONTROLE OF
ONDERHOUDSBEURT
ITEM
Relaisarm achterwielophanging en
scharnierpunten
verbindingsarm
22
Motorolie
23
Oliefilterelement
●
Controleer de werking.
●
Smeren met lithiumvet.
●
●
Verversen.
Controleer het olieniveau en
controleer de machine op
olielekkage.
Vervangen.
Controleer het
koelvloeistofniveau en controleer
de machine op vloeistoflekkage.
Verversen.
●
Controleer de werking.
●
●
●
3
●
4
24 *
5
25 *
6
●
26
7
27 *
Koelsysteem
Voor- en achterremschakelaar
Bewegende delen
en kabels
Gaskabelhuis en
gaskabel
●
●
8
28 *
9
Lampen, richtingaanwijzers en
schakelaars
●
●
1000 km
(600 mi)
10000 km
(6000 mi)
20000 km
(12000 mi)
30000 km
(18000 mi)
40000 km
(24000 mi)
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
JAARLIJKSE
CONTROLE
√
√
√
√
√
√
√
Elke 3 jaar
√
√
√
√
√
Smeren.
√
√
√
√
√
Controleer de werking en
speling.
Stel indien nodig de speling af.
Smeer het gaskabelhuis en de
gaskabel.
√
√
√
√
√
√
√
√
√
√
Controleer de werking.
Stel de koplamplichtbundel af.
√
√
6-7
✼✥✯✣✱ ✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18680
OPMERKING
● Luchtfilter
Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht, om het niet te beschadigen.
Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
●
● Hydraulisch remsysteem
●
Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
●
Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
●
●
2
3
4
5
6
7
8
9
6-8
✼✥✯✣✱ ✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18712
Stroomlijn- en framepanelen
verwijderen en aanbrengen
1
2
3
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit
hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd.
Neem deze paragraaf door wanneer een
stroomlijn- of framepaneel moet worden
verwijderd of aangebracht.
2
4
5
1
1
7
1
1
2
1. Stroomlijnpaneel B
2. Paneel B
1. Schroef
2. Drukclip
DAU18991
Stroomlijnpanelen A en B
Verwijderen van een stroomlijnpaneel
Verwijder de paneelschroeven en de drukclip en trek het stroomlijnpaneel dan los zoals getoond.
6
8
1
2
1. Stroomlijnpaneel A
2. Paneel A
OPMERKING
De drukclip wordt losgehaald door met een
schroevendraaier de pen op het midden in
te drukken en dan de drukclip los te trekken.
1
9
1. Drukclip (na verwijdering)
2. Drukclip (voor plaatsing)
6-9
2
✼✥✯✣✱ ✤✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven
en de drukclip aan.
DAU19642
Controleren van de bougies
1
OPMERKING
Om de drukclip te bevestigen wordt de pen
teruggedrukt zodat deze uitsteekt uit de kop
van de drukclip; steek dan de drukclip in het
stroomlijnpaneel en druk de uitstekende
pen naar binnen tot deze gelijk ligt met de
kop van de clip.
DAU19171
Panelen A en B
Om een van de panelen te verwijderen
1. Verwijder het bijbehorende paneel A
of B. (Zie pagina 6-9.)
2. Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-15.)
3. Verwijder de schroef en haal dan het
paneel los.
1. Schroef
Aanbrengen van het paneel
1. Plaats het paneel in de oorspronkelijke
positie en breng dan de schroef aan.
2. Breng het stroomlijnpaneel en het zadel aan.
1
1. Paneel A
6-10
Bougies vormen belangrijke onderdelen
van de motor die periodiek moeten worden
gecontroleerd, bij voorkeur door een
Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten,
moeten de bougies worden verwijderd en
gecontroleerd volgens de tijden genoemd in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie
van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale
elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met
de machine wordt gereden), en alle bougies
in de motor horen dezelfde verkleuring te
hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk
niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in
plaats daarvan uw machine nakijken door
een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige
koolaanslag of andere neerslag gevonden
wordt.
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU19836
Voorgeschreven bougie:
NGK/DPR8EA-9
DENSO/X24EPR-U9
1
2
Voordat een bougie wordt aangebracht
moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien
nodig de elektrodenafstand op specificatie.
3
Aanhaalmoment:
Bougie:
17.5 Nm (1.75 m·kgf, 12.7 ft·lbf)
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is,
wordt de bougie correct vastgezet door
handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
verder te draaien. De bougie moet echter zo
snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
4
5
1
6
1. Elektrodenafstand
7
Elektrodenafstand:
0.8–0.9 mm (0.031–0.035 in)
8
9
Reinig het oppervlak van de bougiepakking
en het pasvlak en verwijder eventueel vuil
uit de schroefdraad van de bougie.
6-11
Motorolie en oliefilterelement
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau
worden gecontroleerd. Verder moet de olie
worden ververst en het oliefilterelement
worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en
onderhoudsschema. Wanneer de machine
iets schuin staat, kan het niveau al foutief
worden afgelezen.
Om het motorolieniveau te controleren
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
2. Start de motor, laat hem 15 minuten
warmdraaien en zet hem dan uit.
3. Wacht een paar minuten om de olie tot
rust te laten komen, verwijder de olievuldop, veeg de peilstok schoon, steek
deze weer in de vulopening (zonder
vast te draaien en met de pijlmarkering
naar boven gericht, zoals getoond) en
neem dan weer uit om het olieniveau
te controleren. WAARSCHUWING!
Verwijder nooit de dop van het oliereservoir na rijden met hoge snelheden, hierbij kan hete motorolie
naar buiten spuiten en schade of
letsel veroorzaken. Laat de motorolie altijd voldoende afkoelen alvorens
de
olietankdop
te
✼✥✯✣✱ ✤✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
verwijderen.[DWA10361] LET OP: Gebruik het voertuig alleen als u weet
dat het motorolieniveau voldoende
hoog is.[DCA10011]
1
2
3
4
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau
staan.
1.
2.
3.
4.
1
1. Olievuldop
Olievuldop
Peilstok
Merkstreep maximumniveau
Merkstreep minimumniveau
4. Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul
dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
5. Breng de olievuldop aan.
Om de motorolie te verversen (met of
zonder vervanging van het oliefilterelement)
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
2. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
3. Zet een olieopvangbak onder de motor
om de gebruikte olie op te vangen.
4. Verwijder de olievuldop en de olieaftappluggen met hun pakking om de
olie uit het carter te laten stromen.
2
3
4
5
6
1
2
7
OPMERKING
● Het motoroliereservoir zit achter de ci-
linders.
● Het motorolieniveau moet tussen de
merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
6-12
1. Olieaftapplug A
2. Pakking
8
9
✼✥✯✣✱ ✤✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
1
1
2
5
6
7
OPMERKING
1
Zorg dat de o-ringen correct aanliggen.
2
3
4
Aanhaalmoment:
Bevestigingsbout oliefilterdeksel:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
1
2
1. Olieaftapplug B
2. Pakking
OPMERKING
Sla de stappen 5–7 over als het oliefilterelement niet wordt vervangen.
5. Verwijder het oliefilterdeksel door de
bouten te verwijderen.
ten dan vast met het voorgeschreven
aanhaalmoment.
1. Oliefilterdeksel
2. Bout
6. Verwijder en vervang het oliefilterelement en de o-ringen.
1
2
8. Monteer de olieaftappluggen met hun
nieuwe pakking en zet de pluggen vast
met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmomenten:
Olieaftapplug A:
35 Nm (3.5 m·kgf, 25 ft·lbf)
Olieaftapplug B:
30 Nm (3.0 m·kgf, 21.7 ft·lbf)
9. Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie,
breng dan de olievuldop aan en zet
deze vast.
8
9
1. Oliefilterelement
2. O-ring
7. Monteer het oliefilterdeksel door de
bouten aan te brengen en zet de bou6-13
✼✥✯✣✱ ✤✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van het oliefilterelement:
3.80 L (4.02 US qt, 3.34 Imp.qt)
Met vervanging van het oliefilterelement:
3.90 L (4.12 US qt, 3.43 Imp.qt)
van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
11. Zet de motor af, controleer dan het
olieniveau en corrigeer indien nodig.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau
worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
2
DAU38583
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor
en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
Controleren van het koelvloeistofniveau
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
3
OPMERKING
4
● Het koelvloeistofniveau moet worden
DCA11620
gecontroleerd terwijl de motor koud is,
temperatuurverschillen zijn namelijk
van invloed op het niveau.
● Zorg dat de machine rechtop staat bij
het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets
schuin staat, kan het niveau al foutief
worden afgelezen.
LET OP
● Om het slippen van de koppeling te
voorkomen (de motorolie smeert
immers ook de koppeling) mogen
geen chemische additieven worden
toegevoegd. Gebruik geen oliën
met een “CD” dieselspecificatie of
oliën met een hogere kwaliteit dan
gespecificeerd. Gebruik ook geen
oliën met een “ENERGY CONSERVING II” of hogere aanduiding.
● Zorg dat er geen verontreinigingen
in het carter terecht komen.
2. Controleer het koelvloeistofniveau in
het reservoir.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de
merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
10. Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer
daarbij op olielekkage. Als er sprake is
6-14
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Voor TDM900
1
2
2
1
3
3
4
5
1. Koelvloeistofreservoir
2. Merkstreep maximumniveau
3. Merkstreep minimumniveau
Voor TDM900A
1
6
2
7
3
8
9
1. Merkstreep maximumniveau
2. Koelvloeistofreservoir
3. Merkstreep minimumniveau
merkstreep voor minimumniveau
staat, verwijder dan paneel B voor model TDM900 of paneel A voor model
TDM900A (Zie pagina 6-9.), verwijder
de reservoirdop, vul koelvloeistof bij tot
de merkstreep voor maximumniveau
en breng de reservoirdop en het paneel weer aan. WAARSCHUWING!
Verwijder alleen de dop van het
koelvloeistofreservoir.
Probeer
nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor koud
is.[DWA15161] LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik dan
in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Gebruik
geen hard water of zout water, dit is
schadelijk voor de motor. Als er in
plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel mogelijk door koelvloeistof, anders is
het systeem niet beschermd tegen
vorst en corrosie. Als er water aan
de koelvloeistof is toegevoegd, laat
dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de
koelvloeistof controleren om te
voorkomen dat de effectiviteit van
de koelvloeistof afneemt.[DCA10472]
3. Als de koelvloeistof bij of beneden de
6-15
Voor TDM900
1
1. Dop koelvloeistofreservoir
Voor TDM900A
1
1. Dop koelvloeistofreservoir
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot
aan de merkstreep voor maximumniveau):
0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)
✼✥✯✣✱ ✤✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Voor TDM900A
DAU27055
Het luchtfilterelement vervangen
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in
het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vervang het luchtfilterelement vaker als
u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
1. Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-15.)
2. Verwijder de stroomlijnpanelen A en B
en de panelen A en B. (Zie
pagina 6-9.)
3. Verwijder de tankbevestigingsbouten.
2
1
1
3
2
3
1. Bout
OPMERKING
Sla bij de TDM900 de stappen 4 en 12 over.
4. Verwijder de houder van het remvloeistofreservoir door de bout los te halen.
1
1. Bout
6-16
1. Vloeistofreservoir achterrem
2. Houder remvloeistofreservoir achterrem
3. Bout
5. Licht de tank van het luchtfilterhuis,
maar koppel de brandstofslangen niet
los. WAARSCHUWING! Zorg ervoor
dat de brandstoftank goed wordt
ondersteund. Kantel de brandstoftank niet te veel en trek er niet te
hard aan, hierdoor kunnen de
brandstofslangen losraken met mogelijk brandstoflekkage en brandrisico tot gevolg.[DWA10411]
6. Verwijder het luchtfilterdeksel door de
schroeven te verwijderen.
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
2
1
1
2
2
2
3
4
1. Luchtfilterdeksel
2. Schroef
7. Trek het luchtfilterelement uit.
5
6
1
7
8
9
Laat de motor nooit draaien met het
luchtfilterelement
uitgenomen,
hierdoor kunnen de zuiger(s) en/of
cilinder(s) overmatig versleten raken.[DCA10481]
9. Monteer het luchtfilterdeksel door de
schroeven aan te brengen.
10. Plaats de brandstoftank terug. Controleer of de brandstofslangen stevig zijn
aangesloten, de juiste ligging hebben
en niet worden afgekneld. Vergeet niet
de tankbeluchtingsslang en de overloopslang weer in hun oorspronkelijke
positie
te
plaatsen.
WAARSCHUWING! Controleer alvorens de brandstoftank te monteren of de brandstofslangen niet
beschadigd zijn. Als een brandstofslang beschadigd is, start de
motor dan niet maar laat een
Yamaha dealer de slang vervangen,
anders kan brandstoflekkage ontstaan met brandrisico tot gevolg.[DWA11331]
2
1
1. Tankbeluchtingsslang/overloopslang
2. Brandstofslang
1
1. Oorspronkelijke positie (verfmerkteken)
1. Luchtfilterelement
11. Breng de tankbevestigingsbouten
aan.
12. Monteer de houder van het remvloeistofreservoir voor de achterrem door
de bout aan te brengen.
8. Breng een nieuw luchtfilterelement
aan in het luchtfilterhuis. LET OP:
Zorg ervoor dat het filterelement
goed aanligt in het luchtfilterhuis.
6-17
✼✥✯✣✱ ✤✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
13. Breng de framepanelen en de stroomlijnpanelen aan.
14. Breng het zadel aan.
DAU34301
Afstellen van het stationair
toerental
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en eventueel afgesteld
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
De motor moet warm zijn om deze afstelling
te verrichten.
Controleer het stationair toerental en stel dit
indien nodig volgens de specificatie af door
de stationair stelschroef te verdraaien.
Draai de schroef in de richting (a) om het
stationair toerental te verhogen. Draai de
schroef in de richting (b) om het stationair
toerental te verlagen.
(a)
(b)
2
1
3
1. Stationair stelschroef
Stationair toerental:
1100–1200 tpm
4
5
OPMERKING
Als het voorgeschreven stationair toerental
niet haalbaar is volgens de hierboven beschreven werkwijze, vraag dan een
Yamaha dealer de afstelling uit te voeren.
6
7
8
9
6-18
✼✥✯✣✱ ✤✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21383
Controleren van de vrije slag
gaskabel
1
2
1
3
DAU21401
DAU33042
Klepspeling
Banden
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het
motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha
dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema.
Let ten aanzien van de voorgeschreven
banden op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw motorfiets.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden
bijgesteld.
DWA10501
WAARSCHUWING
4
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot
verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
● De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de
banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is
aan de omgevingstemperatuur).
● De bandspanning moet worden
aangepast aan de rijsnelheid en het
totale gewicht van rijder, passagier,
bagage en accessoires dat voor dit
model is vastgesteld.
1. Vrije slag gaskabel
5
6
7
De vrije slag van de gaskabel dient bij de
binnenrand van de gasgreep 3.0–5.0 mm
(0.12–0.20 in) te bedragen. Controleer de
vrije slag van de gaskabel regelmatig en
laat de vrije slag indien nodig afstellen door
een Yamaha dealer.
8
9
6-19
✼✥✯✣✱ ✥✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bandenspanning (gemeten op koude
banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
TDM900 90–201 kg (198–443 lb)
TDM900A 90–198 kg (198–437 lb):
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm2, 42 psi)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
Maximale belasting*:
TDM900 201 kg (443 lb)
TDM900A 198 kg (437 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine
kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden
tijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
1
WAARSCHUWING
● Laat sterk versleten banden door
2
1. Bandprofieldiepte
2. Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het
midden van de band de vermelde limiet
heeft bereikt, de band spijkers of stukjes
glas bevat of wanneer de wang van de band
scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten
banden is niet alleen verboden,
maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u
de macht over het stuur zou kunnen
verliezen.
● De vervanging van onderdelen van
wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten
aan een Yamaha dealer, die over de
nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
2
3
4
5
6
7
8
Minimale bandprofieldiepte (voor en
achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is
voor diverse landen verschillend. Neem al6-20
9
✼✥✯✣✱ ✥✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
tielbuisjes om te voorkomen dat de
banden onder het rijden leeglopen.
Bandeninformatie
1
2
3
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder
vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
1
2
3
4
5
6
1. Bandventiel
2. Bandventielbuis
3. Bandventieldop met afdichting
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen
en tubeless banden met bandventielen.
DWA10901
WAARSCHUWING
7
8
9
● Monteer altijd voor- en achterban-
den van hetzelfde merk en type.
Verschillende banden kunnen het
weggedrag van de machine veranderen, wat kan leiden tot een ongeval.
● Controleer altijd of de ventieldopjes
stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
● Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtven-
Voorband:
Maat:
120/70 ZR18M/C (59W)
Fabrikant/model:
TDM900 METZELER/MEZ4
FRONT
TDM900A DUNLOP/D220FSTJ
TDM900 DUNLOP/D220FSTJ
Bandventiel:
TR412
Luchtventielbuis:
#9100 (origineel)
Achterband:
Maat:
160/60 ZR17M/C (69W)
Fabrikant/model:
TDM900 METZELER/MEZ4
TDM900A DUNLOP/D220STJ
TDM900 DUNLOP/D220STJ
Bandventiel:
TR412
Luchtventielbuis:
#9100 (origineel)
DWA10600
WAARSCHUWING
Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge
rijsnelheden. Let op het volgende om
deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.
● Gebruik bij vervanging uitsluitend
het voorgeschreven type banden.
6-21
✼✥✯✣✱ ✥✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bij andere banden is het risico op
een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
● Gloednieuwe banden bieden op
sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn “ingereden”.
Het is dan ook verstandig de eerste
100 km (60 mi) nadat een nieuwe
band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
● Voordat met hoge snelheid wordt
gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
● Pas de bandspanning steeds aan
volgens de rijomstandigheden.
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven
wielen op het volgende voor een optimale
prestatie, levensduur en veilige werking van
uw voertuig.
● Controleer de velgen voor iedere rit op
scheurtjes, verbuiging of kromtrekken.
Laat ingeval van schade het wiel door
een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren,
hoe klein de reparatie ook is. Vervang
een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
● Na het vervangen van een wiel of
band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel
zal mogelijk slecht functioneren, of kan
een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
● Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak
dient eerst te zijn ingereden voordat
het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
6-22
DAU22043
Vrije slag van koppelingshendel
afstellen
1
2
3
(a)
2
3
(b)
4
1.
2.
3.
4.
Vrije slag van koppelingshendel
Borgmoer (koppelingshendel)
Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
Rubberafdekking
De vrije slag van de koppelingshendel dient
10.0–15.0 mm (0.39–0.59 in) te bedragen,
zoals weergegeven. Controleer de vrije slag
van de koppelingshendel regelmatig en stel
indien nodig als volgt af.
1. Schuif de rubber afdekking terug naar
de koppelingshendel.
2. Draai de borgmoer los.
3. Draai de stelbout richting (a) voor
meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor
minder vrije slag van de koppelingshendel.
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✥✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
OPMERKING
1
2
3
Als de voorgeschreven vrije slag van de
koppelingshendel wordt gehaald, zoals
hierboven beschreven, kunt u de stappen
4–7 overslaan.
lingshendel vast en schuif de rubber
afdekking weer naar de oorspronkelijke positie.
DAU22273
Remlichtschakelaars
1
(b)
4. Draai de stelbout bij de koppelingshendel richting (a) om de koppelingskabel losser te stellen.
5. Draai de borgmoer bij het carter los.
(a)
2
4
5
1
2
1. Remlichtschakelaar
2. Stelmoer remlichtschakelaar
(b)
Het remlicht, dat wordt geactiveerd door het
rempedaal en de remhendel, moet oplichten nét voordat de remmen aangrijpen. Stel
de remlichtschakelaar achter indien nodig
als volgt af. De remlichtschakelaar voor
dient te worden afgesteld door een Yamaha
dealer.
Verdraai de stelmoer van de achterste remlichtschakelaar en houd daarbij de remlichtschakelaar vast. Draai de stelmoer in de
richting (a) om het remlicht eerder te laten
branden. Draai de stelmoer in de richting (b)
om het remlicht later te laten branden.
6
(a)
7
8
9
1. Borgmoer (carter)
2. Stelmoer voor vrije slag remhendel
(carter)
6. Draai de stelmoer richting (a) voor
meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelmoer richting (b) voor
minder vrije slag van de koppelingshendel.
7. Draai de borgmoer bij het carter vast.
8. Draai de borgmoer bij de koppe6-23
✼✥✯✣✱ ✥✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU22392
Controleren van voor- en
achterremblokken
ken als set te vervangen.
DAU38640
DAU22500
De remblokken in de voor- en achterrem
moeten worden gecontroleerd op slijtage
volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Remblokken achterrem
Controleren van
remvloeistofniveau
Voorrem
2
1
1
DAU22420
Remblokken voorrem
3
4
1. Remvoeringdikte
1
1. Slijtage-indicatorgroef remblok
1. Merkstreep minimumniveau
Controleer elk achterremblok op schade en
meet de remvoeringsdikte. Als een remblok
beschadigd is of als de remvoeringsdikte
minder is dan 0.8 mm (0.03 in), vraag dan
een Yamaha dealer de remblokken als set
te vervangen.
Achterrem (voor TDM900)
6
7
1
Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden
gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef om de
remblokslijtage te controleren. Wanneer
een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen,
vraag dan een Yamaha-dealer de remblok-
5
8
9
1. Merkstreep minimumniveau
6-24
✼✥✯✣✱ ✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Achterrem (voor TDM900A)
1
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1. Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het
remsysteem binnendringen, waarna de
remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de
remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij.
Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk
op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de
remblokken op slijtage en het remsysteem
op lekkage.
OPMERKING
Bij model TDM900A bevindt zich het remvloeistofreservoir voor de achterrem onder
het zadel. (Zie pagina 3-15.)
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen
in acht:
● Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het
remvloeistofreservoir
horizontaal
staan.
● Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen
de
rubber
afdichtingen
verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
● Vul bij met hetzelfde type remvloeistof.
Bij vermengen van verschillende typen
remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de
remwerking verslechteren.
● Pas op en zorg dat tijdens het bijvullen
geen water of stof het remvloeistofreservoir binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming
kan optreden en vuil de hydraulisch
bediende kleppen van de ABS eenheid kan verstoppen.
● Remvloeistof kan gelakte of kunststof
onderdelen aantasten. Veeg gemorste
remvloeistof steeds direct af.
● Naarmate de remblokken afslijten, zal
6-25
het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een
Yamaha dealer om een inspectie als
het remvloeistofniveau plotseling sterk
is gedaald.
✼✥✯✣✱ ✥✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU22731
DAU22760
Remvloeistof verversen
Spanning aandrijfketting
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof
te verversen volgens de intervalperioden
voorgeschreven onder OPMERKING in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Laat bovendien de oliekeerringen van de
hoofdremcilinders, de remklauwen en de
remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lek of beschadigd
zijn.
● Vloeistofafdichtingen: Vervang elke
twee jaar.
● Remslangen: Vervang elke vier jaar.
De spanning van de aandrijfketting moet
voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
1
DAU22773
Aandrijfketting controleren op spanning
1. Zet de motorfiets op de zijstandaard.
2
OPMERKING
3
Bij het controleren en instellen van de spanning van de aandrijfketting mag er geen gewicht op de motorfiets rusten.
2. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
3. Draai het achterwiel door de motorfiets
te duwen en vind zo het strakste gedeelte in de aandrijfketting; meet nu de
spanning van de ketting zoals afgebeeld.
Spanning aandrijfketting:
50.0–60.0 mm (1.97–2.36 in)
1. Spanning aandrijfketting
4. Stel de spanning van de ketting als
volgt bij als deze niet correct is.
DAU22952
Om de spanning van de aandrijfketting
af te stellen
1. Draai de wielasmoer los en de remklauwsteunbout en de borgmoer aan
elke zijde van de achterbrug.
4
5
6
7
8
9
6-26
✼✥✯✣✱ ✥✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
3
1
(b)
1
4
2
(a)
2
3
4
5
1.
2.
3.
4.
Wielasmoer
Stelbout spanning aandrijfketting
Borgmoer
Uitlijnmerktekens
OPMERKING
Gebruik voor een goede wieluitlijning de uitlijnmerktekens aan beide zijden van de achterbrug, om zeker te zijn dat beide
stelmoeren dezelfde positie hebben.
6
1
7
van de achterbrug in de richting (a).
Stel de ketting losser door de stelbout
aan beide uiteinden van de achterbrug
in de richting (b) te draaien en dan het
achterwiel naar voren te drukken.
LET OP: Een onjuiste kettingspanning leidt tot overbelasting van de
motor en andere essentiëIe onderdelen van de machine en kan resulteren in overslaan of breken van de
ketting. Houd om dit te voorkomen
de kettingspanning binnen de gespecificeerde waarden.[DCA10571]
2
8
9
1. Bout remklauwsteun
2. Remklauwsteun
3. Draai de borgmoeren vast en zet dan
de wielasmoer en de remklauwsteunbout vast met het voorgeschreven
aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasmoer:
150 Nm (15.0 m·kgf, 108.5 ft·lbf)
Bout remklauwsteun:
40 Nm (4.0 m·kgf, 29 ft·lbf)
2. Draai om de aandrijfketting strakker te
stellen de stelbout aan beide uiteinden
6-27
DAU23025
Aandrijfketting reinigen en
smeren
De aandrijfketting moet worden gereinigd
en gesmeerd volgens de intervalperioden
zoals voorgeschreven in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema, anders zal
de ketting snel slijten, met name in vochtige
of stoffige gebieden. Onderhoud de ketting
als volgt.
DCA10583
LET OP
De aandrijfketting moet worden gesmeerd nadat de motorfiets is gewassen
of ermee in de regen of in vochtige gebieden is gereden.
1. Reinig de aandrijfketting met petroleum en een zacht borsteltje. LET OP:
Reinig de aandrijfketting niet met
stoomreinigers, hogedrukreinigers
of ongeschikte oplosmiddelen om
schade aan de O-ringen te voorkomen.[DCA11121]
2. Wrijf de aandrijfketting droog.
3. Smeer de aandrijfketting grondig met
speciale smering voor o-ringkettingen.
LET OP: Breng geen motorolie of
andere smeermiddelen aan op de
aandrijfketting, deze kunnen stoffen bevatten die de O-ringen kunnen beschadigen.[DCA11111]
✼✥✯✣✱ ✥✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23101
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de
conditie van alle kabels moet voorafgaand
aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig
worden gesmeerd. Vraag een Yamaha
dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet
soepel beweegt. WAARSCHUWING!
Schade aan de buitenkabel kan de kabelwerking hinderen en leiden tot roestvorming op de binnenkabel. Vervang een
beschadigde kabel zo snel mogelijk om
onveilige omstandigheden te voorkomen.[DWA10721]
DAU23112
Controleren en smeren van
gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd.
Daarnaast moet de kabel door een Yamaha
dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
DAU44272
Controleren en smeren van remen schakelpedalen
Rempedaal
2
3
4
De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden
gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel:
Motorolie
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
5
6
7
8
9
6-28
✼✥✯✣✱ ✥✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23142
Controleren en smeren van remen koppelingshendels
1
DAU23202
DAU23251
Zijstandaard controleren en
smeren
Smeren van de
achterwielophanging
De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd
en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig
worden gesmeerd.
De scharnierpunten in de achterwielophanging moeten worden gesmeerd door een
Yamaha dealer volgens de intervalperioden
voorgeschreven in het periodieke smeeren onderhoudsschema.
Remhendel
2
3
4
5
6
De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit
worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
7
8
9
Aanbevolen smeermiddelen:
Remhendel:
Siliconenvet
Koppelingshendel:
Lithiumvet
DWA10731
WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog
en omlaag beweegt, vraag dan een
Yamaha dealer deze te controleren of te
repareren. Een slecht functionerende zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de
machine kunt verliezen.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
6-29
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
✼✥✯✣✱ ✦✣ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23272
DAU23283
Voorvork controleren
Stuursysteem controleren
De conditie en de werking van de voorvork
moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen
gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd
volgens de intervalperioden vermeld in het
periodieke smeer- en onderhoudsschema.
1. Plaats een standaard onder de motor
zodat het voorwiel los is van de grond.
(Zie pagina 6-36 voor meer informatie.) WAARSCHUWING! Ondersteun
de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
2. Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar
voren en achteren te bewegen. Als
speling wordt gevoeld, vraag dan een
Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op
krassen, beschadigingen en overmatige
olielekkage.
Om de werking te controleren
1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
WAARSCHUWING! Ondersteun de
machine zorgvuldig om omvallen
en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
2. Bekrachtig de voorrem en druk het
stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork
soepel in- en uitveert.
DCA10590
LET OP
Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een
Yamaha dealer te repareren of te controleren.
2
3
4
5
6
7
8
9
6-30
✼✥✯✣✱ ✦✤ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23291
Controleren van wiellagers
DAU23374
Accu
WAARSCHUWING
● Elektrolyt is giftig en gevaarlijk om-
2
1
1
2
3
3
4
5
6
7
8
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke
smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel
draait, vraag dan een Yamaha dealer de
wiellagers te controleren.
1. Accu
2. Positieve accukabel (rood)
3. Negatieve accukabel (zwart)
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt
hoeft niet te worden gecontroleerd en er
hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien
nodig, vast te zetten.
DCA10620
9
DWA10760
LET OP
Probeer nooit om celafdichtingen op de
accu te verwijderen, hierdoor kan permanente schade aan de accu worden
toegebracht.
6-31
dat het zwavelzuur bevat, een stof
die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid,
ogen of kleding en bescherm uw
ogen altijd bij werkzaamheden nabij
accu’s. Voer als volgt EERSTE
HULP uit als er lichamelijk contact
is geweest met elektrolyt.
●
UITWENDIG: Spoel overvloedig
met water.
INWENDIG: Drink grote hoeveel●
heden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
●
OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct
medische hulp in.
● Accu’s produceren het explosieve
waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit
de buurt van de accu en zorg voor
voldoende ventilatie bij acculaden
in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU’S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
✼✥✯✣✱ ✦✥ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer
de accu te laden als deze ontladen lijkt te
zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met
optionele elektrische accessoires.
DCA16520
LET OP
Voor het opladen van een VRLA (Valve
Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een
conventionele acculader raakt de accu
beschadigd. Als u niet beschikt over een
acculader met constante spanning, laat
de accu dan opladen door uw Yamaha
dealer.
stens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien
nodig steeds volledig bij.
3. Laad de accu volledig bij alvorens te
installeren.
4. Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DAU38592
Zekeringen vervangen
Voor TDM900
7
7
2
DCA16530
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen
van een ontladen accu kan leiden tot
permanente accuschade.
3
12 34 56
8
7
1. Backup-zekering (voor klok)
2. Zekering radiatorkoelvin
3. Zekering richtingaanwijzer/
alarmverlichting
4. Zekering ontstekingssysteem
5. Zekering signaleringssysteem
6. Koplampzekering
7. Reservezekering
8. Zekering brandstofinjectiesysteem
9. Hoofdzekering
Om de accu op te bergen
1. Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan
weg op een koele en droge plek.
LET OP: Draai voordat u de accu
verwijdert de sleutel naar “OFF” en
haal dan eerst de negatieve kabel
en daarna de positieve kabel
los.[DCA16302]
2. Als de accu langer dan twee maanden
wordt weggeborgen, moet deze min-
9
4
5
6
7
8
9
6-32
✼✥✯✣✱ ✦✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Voor TDM900A
11 12
1
10
2
3
4
5
6
7
8
9
12 34 56
7
8
9
1. Backup-zekering (voor klok)
2. Zekering radiatorkoelvin
3. Zekering richtingaanwijzer/
alarmverlichting
4. Zekering ontstekingssysteem
5. Zekering signaleringssysteem
6. Koplampzekering
7. Zekering ABS-pompmotor
8. Reservezekering ABS-pompmotor
9. Hoofdzekering
10.Reservezekering
11.Zekering brandstofinjectiesysteem
12.Zekering ABS-regeleenheid
1. Draai de contactsleutel naar “OFF” en
schakel het betreffende elektrische circuit uit.
2. Verwijder de doorgebrande zekering
en breng een nieuwe zekering met de
voorgeschreven ampèrewaarde aan.
WAARSCHUWING! Gebruik geen
zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige
schade aan het elektrische systeem
en mogelijk brand te voorkomen.[DWA15131]
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
40.0 A
Koplampzekering:
TDM900 15.0 A
TDM900A 20.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Backup-zekering:
TDM900 5.0 A
TDM900A 10.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 A
Zekering richtingaanwijzer/alarmverlichting:
10.0 A
Zekering ABS-motor:
TDM900A 30.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
TDM900A 10.0 A
3. Draai de contactsleutel naar “ON” en
schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur
werkt.
4. Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer
het elektrisch systeem te controleren.
De hoofdzekeringhouder en het kastje met
zekeringen voor afzonderlijke circuits bevinden zich onder het zadel. (Zie pagina 3-15.)
Vervang een zekering als volgt als deze is
doorgebrand.
6-33
✼✥✯✣✱ ✦✧ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23752
Koplampgloeilamp vervangen
Dit model is voorzien van twee koplampen
met een halogeen gloeilamp. Vervang een
koplampgloeilamp als volgt als deze is
doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderdelen niet worden beschadigd:
● Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft,
anders kan de doorzichtigheid van
het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed.
Wrijf
eventuele
verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met
een doekje gedrenkt in alcohol of
thinner.
● Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op
de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp
met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
2
1
1
3
1. Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
1. Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.
1
2
1. Gloeilamphouder
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan en
zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
4. Breng de gloeilampkap aan en sluit
dan de stekker aan.
5. Vraag indien nodig een Yamaha
dealer de koplamplichtbundel af te
stellen.
4
5
6
7
8
9
1. Gloeilampkap
2. Koplampstekker
2. Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.
6-34
✼✥✯✣✱ ✦ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU24082
Gloeilamp in remlicht/achterlicht
vervangen
1
1. Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-15.)
2. Verwijder de lampfitting (samen met
de gloeilamp) door deze linksom te
draaien.
DAU24204
Gloeilamp in richtingaanwijzer
vervangen
1. Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.
2
1
1
3
2
4
1
5
6
7
8
9
1. Fitting
3. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze in te drukken en linksom te
draaien.
4. Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot
hij stuit.
5. Breng de lampfitting aan (samen met
de gloeilamp) door deze rechtsom te
draaien.
6. Breng het zadel aan.
1. Schroef
2. Lamplens richtingaanwijzer
2. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze in te drukken en linksom te
draaien.
6-35
1. Gloeilamp richtingaanwijzer
3. Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot
hij stuit.
4. Monteer de lamplens door de schroef
aan te brengen. LET OP: Draai de
schroef niet te vast, hierdoor kan de
lens breken.[DCA11191]
✼✥✯✣✱ ✦✩ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU36452
DAU24350
Parkeerlichtgloeilamp
vervangen
Ondersteunen van de motorfiets
1. Verwijder de lamplens van het parkeerlicht door de schroeven te verwijderen.
1
1
1. Parkeerlichtgloeilamp
2
1. Lamplens parkeerlicht
2. Schroef
3. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
4. Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen. LET OP: Draai
de schroeven niet te vast, hierdoor
kan de lens breken.[DCA10681]
2. Verwijder de defecte gloeilamp door
deze uit te trekken.
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van
het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren
van ander onderhoud waarbij de motorfiets
rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens
onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
3
4
Onderhoud aan het voorwiel
1. Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als
geen andere standaard voorhanden
is, door een krik te plaatsen onder het
frame aan de voorzijde van het achterwiel.
2. Breng het voorwiel los van de grond
met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met
een motorfietsstandaard of, als deze niet
voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide
uiteinden van de achterbrug.
6-36
2
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✦✪ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU25871
Problemen oplossen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek
op transport gaan, maar tijdens gebruik
kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de
oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema’s is een
snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets
echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige
monteurs aanwezig die beschikken over
het benodigde gereedschap en de ervaring
en vakkennis om het nodige onderhoud aan
de motorfiets correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha
onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure
reparaties nodig zijn.
geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van
geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan
eigendommen tot gevolg.
DWA15141
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het
brandstofsysteem en let erop dat er
6-37
✼✥✯✣✱ ✦✫ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU42361
Storingzoekschema’s
Startproblemen of slechte werking van de motor
1. Brandstof
Controleer het
brandstofniveau in de
brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet.
Controleer de compressie.
2
3
2. Compressie
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de
machine te controleren.
4
Bedien de elektrische
startknop.
5
3. Ontsteking
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de
elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.
Bedien de elektrische startknop.
6
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
7
Verwijder de bougies en
controleer de elektroden.
Droog
4. Accu
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de
accukabels en laad de accu indien nodig.
Bedien de elektrische
startknop.
6-38
8
De motor start niet. Vraag een
Yamaha dealer de machine te
controleren.
9
✼✥✯✣✱ ✦✬ PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
● Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en
1
2
stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
● Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de ra-
diatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de
dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.
3
Wacht tot de
motor is afgekoeld.
6
7
8
Vraag een Yamaha dealer het
koelsysteem te controleren en te
repareren.
Er is geen
lekkage.
Vul koelvloeistof bij.
(Zie OPMERKING.)
Het koelvloeistofniveau is
laag. Controleer het
koelsysteem op lekkage.
4
5
Er is lekkage.
Controleer het
koelvloeistofniveau in het
reservoir en in de radiator.
Het koelvloeistofniveau is
in orde.
Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem
te controleren en te repareren als de motor opnieuw
oververhit raakt.
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
9
6-39
✼✥✯✣✱ ✤ VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26044
Reinigen
De open constructie van een motorfiets
maakt de fraaie techniek beter zichtbaar,
maar de machine is hierdoor ook kwetsbaarder. Er kan roestvorming en corrosie
optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt
bij een auto niet zo op, maar doet bij een
motorfiets afbreuk aan het algehele uiterlijk.
Regelmatige en correcte verzorging is niet
alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar zorgt ook dat de motorfiets er
langer mooi uit blijft zien, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
LET OP
DAU37833
Matkleur, let op
Verzorging
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met
matkleurige onderdelen. Raadpleeg een
Yamaha dealer voor advies over wat
voor producten gebruikt moeten worden
om het voertuig te reinigen. Het gebruik
van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het
oppervlak bekrassen of beschadigen.
Ook was moet niet worden aangebracht
op een van de matkleurige onderdelen.
DCA10772
Alvorens te reinigen
1. Dek de uitlaatdemperopeningen af
met plastic zakken nadat de motor is
afgekoeld.
2. Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en
alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
3. Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met
een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen, tandwielen, de
aandrijfketting en de wielassen. Spoel
vuil en ontvetter altijd af met water.
7-1
● Vermijd het gebruik van sterke en
bijtende
wielreinigingsmiddelen,
vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt
om hardnekkig vuil los te maken,
laat het reinigingsmiddel dan niet
langer inwerken dan is vermeld in
de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat
direct drogen en breng daarna een
corrosiewerende spray aan.
● Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen,
framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting
enz.)
en
de
uitlaatdempers beschadigd raken.
Gebruik alleen een zachte, schone
doek of een spons met water om
kunststof delen te reinigen. Als de
kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd,
kan een mild reinigingsmiddel met
water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af
met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kun-
2
3
4
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✥ VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
nen beschadigen.
● Gebruik geen bijtende chemische
1
2
3
4
5
6
7
8
9
reinigingsmiddelen op kunststof
delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn
geweest met bijtende of schurende
reinigingsmiddelen, oplosmiddelen
of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
● Gebruik geen hogedrukreinigers of
stoomreinigers, omdat dan op de
volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan:
afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen),
elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting),
beluchtings- en ontluchtingsslangen.
● Bij motorfietsen met een kuipruit:
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze
veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen
voor
kunststof
laten
eveneens krasjes achter op de
kuipruit. Test het product op een
klein, niet-zichtbaar gedeelte van de
kuipruit om zeker te zijn dat geen
sporen achterblijven op de kuipruit.
Als de kuipruit krasjes vertoont,
breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op
kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons
en spoel dan grondig met schoon water.
Gebruik een tandenborstel of flessenborstel
voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten
gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een
vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in
de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in
een regenbui, nabij de kust of op bepekelde
wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog
tot in de lente aanwezig blijven.
7-2
1. Reinig de motorfiets met koud water
en een mild reinigingsmiddel nadat de
motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik
geen warm water, dit versnelt de
corrosieve
werking
van
het
zout.[DCA10791]
2. Laat de motorfiets drogen en breng
dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen,
ook op verchroomde en vernikkelde
componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
1. Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende
doek.
2. Laat de aandrijfketting direct drogen
en smeer hem om roestvorming te
voorkomen.
3. Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het
uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen
worden verwijderd.)
4. Het is aan te bevelen om met een
spuitbus een corrosiewerend middel
aan te brengen op alle metalen delen,
ook op verchroomde en vernikkelde
✼✥✯✣✱ ✦ VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
5.
6.
7.
8.
componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Gebruik oliespray als universeel
schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
Werk kleine lakbeschadigingen door
steenslag e.d. bij.
Zet alle gelakte oppervlakken in de
was.
Laat de motorfiets volledig drogen alvorens deze te stallen of af te dekken.
oliespray en was aan en verwijder
overtollige hoeveelheden.
● Breng oliespray of was nooit aan op
rubber of kunststof delen, behandel
deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
● Vermijd het gebruik van schurende
poetsmiddelen, deze tasten de lak
aan.
● Vraag een Yamaha dealer om advies
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
● Controleer of er geen olie of was op
de remmen of banden zit.
● Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en
spoel de banden schoon met lauw
water en een mild reinigingsmiddel.
Test de remwerking en het weggedrag van de machine in bochten
voordat u met hoge snelheden gaat
rijden.
● Door wassen, regenachtig weer of een
over de te gebruiken producten.
vochtig klimaat kan de koplamplens
beslagen raken. Inschakelen van de
koplamp gedurende een korte periode
zal helpen bij de verwijdering van het
vocht.
DCA10810
2
LET OP
een slecht geventileerde ruimte of
in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil,
zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
● Voorkom corrosie door de machine
niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een
opslagruimte voor sterke chemicaliën.
3
4
5
6
7
8
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
1. Volg alle instructies op in de paragraaf
“Verzorging” in dit hoofdstuk.
2. Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar)
DCA10800
LET OP
● Breng
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en
droge plek en bescherm indien nodig tegen
stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
● Als de motorfiets wordt gestald in
OPMERKING
DWA11131
WAARSCHUWING
DAU26202
Stalling
een geringe hoeveelheid
7-3
9
✼✥✯✣✱ ✧ VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
1
2
3
4
5
6
7
8
9
toe om roestvorming in de tank en
achteruitgang van de brandstof te
voorkomen.
3. Voer de volgende stappen uit om de
cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de
bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk
bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de
bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de
elektroden aan massa liggen. (Dit
voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
WAARSCHUWING! Verbind de
bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de
motor om schade of letsel door
vonkvorming
te
voorkomen.[DWA10951]
e. Haal de bougiedoppen los van de
bougies en breng dan de bougies
en de bougiedoppen weer aan.
4. Smeer alle bedieningskabels en
scharnierpunten van alle hendels en
pedalen en van de zijstandaard/mid-
denbok.
5. Controleer de bandenspanning, corrigeer deze indien nodig en breng dan
de motorfiets omhoog, zodat beide
wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke
maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
6. Dek de uitlaatdemperopeningen af
met een plastic zak om te voorkomen
dat vocht kan binnendringen.
7. Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en
droge plek op en laad deze eens per
maand bij. Berg de accu niet op een
overmatig koude of warme plek op
[onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90
°F)]. Zie pagina 6-31 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Voer eventueel benodigde reparaties uit
voordat u uw motorfiets stalt.
7-4
✼✥✯✣✱ ✤ SPECIFICATIES
Afmetingen:
Totale lengte:
2180 mm (85.8 in)
Totale breedte:
800 mm (31.5 in)
Totale hoogte:
1290 mm (50.8 in)
Zadelhoogte:
825 mm (32.5 in)
Wielbasis:
1485 mm (58.5 in)
Grondspeling:
160 mm (6.30 in)
Kleinste draaicirkel:
2900 mm (114.2 in)
DAU2633X
Motorolie:
Luchtfilter:
Aanbevolen merk:
YAMALUBE
Type:
SAE 10W-30, 10W-40, 10W-50, 15W-40,
20W-40 of 20W-50
-20 -10
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
2-cilinder, parallel vooroverhellend
Slagvolume:
897 cm3
Boring × slag:
92.0 × 67.5 mm (3.62 × 2.66 in)
Compressieverhouding:
10.40 :1
Startsysteem:
Elektrische startmotor
Smeersysteem:
Dry sump
10 20 30 40 50 ˚C
SAE 10W-30
SAE 10W-40
SAE 10W-50
SAE 15W-40
SAE 20W-40
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
TDM900 223 kg (492 lb)
TDM900A 226 kg (498 lb)
0
SAE 20W-50
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Type API service SG of hoger, JASO MA
norm
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterelement:
3.80 L (4.02 US qt, 3.34 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterelement:
3.90 L (4.12 US qt, 3.43 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.75 L (1.85 US qt, 1.54 Imp.qt)
8-1
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
20.0 L (5.28 US gal, 4.40 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.5 L (0.92 US gal, 0.77 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
5PSC 30
2
3
4
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/DPR8EA-9
Fabrikant/model:
DENSO/X24EPR-U9
Elektrodenafstand:
0.8–0.9 mm (0.031–0.035 in)
Koppeling:
Type koppeling:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding:
67/39 (1.718)
Secundair reductiesysteem:
Kettingaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
42/16 (2.625)
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✥ SPECIFICATIES
Type versnellingbak:
Constant mesh, 6 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
1
2
3
4
5
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
33/12 (2.750)
2e:
37/19 (1.947)
3e:
34/22 (1.545)
4e:
31/25 (1.240)
5e:
26/25 (1.040)
6e:
24/26 (0.923)
Chassis:
6
7
8
9
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
25.50 graad
Naspoor:
114.0 mm (4.49 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/70 ZR18M/C (59W)
Fabrikant/model:
TDM900 METZELER/MEZ4 FRONT
TDM900A DUNLOP/D220FSTJ
Fabrikant/model:
TDM900 DUNLOP/D220FSTJ
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
160/60 ZR17M/C (69W)
Fabrikant/model:
TDM900 METZELER/MEZ4
TDM900A DUNLOP/D220STJ
Fabrikant/model:
TDM900 DUNLOP/D220STJ
Belading:
Maximale belasting:
TDM900 201 kg (443 lb)
TDM900A 198 kg (437 lb)
* (Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
Gewichtsverdeling:
TDM900 90–201 kg (198–443 lb)
TDM900A 90–198 kg (198–437 lb)
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm2, 42 psi)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
225 kPa (2.25 kgf/cm2, 33 psi)
8-2
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm2, 36 psi)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
18M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
17M/C x MT5.00
Voorrem:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
150.0 mm (5.91 in)
✼✥✯✣✱ ✦ SPECIFICATIES
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
133.0 mm (5.24 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
GT12B-4
Voltage, capaciteit:
12 V, 10.0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 55 W × 2
Achterlicht/remlicht unit:
12 V, 5.0 W/21.0 W × 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
14 V, 2.0 W × 2
Controlelampje vrijstand:
14 V, 1.2 W × 1
Controlelampje grootlicht:
14 V, 1.4 W × 1
Waarschuwingslampje olieniveau:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
TDM900 14 V, 1.2 W × 2
TDM900A 14 V, 1.2 W × 1
Waarschuwingslampje motorstoring:
14 V, 1.4 W × 1
ABS-waarschuwingslampje:
TDM900A 14 V, 1.4 W × 1
Controlelampje startblokkering:
LED
TDM900A 30.0 A
Backup-zekering:
TDM900 5.0 A
TDM900A 10.0 A
2
3
4
Zekeringen:
Hoofdzekering:
40.0 A
Koplampzekering:
TDM900 15.0 A
TDM900A 20.0 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering richtingaanwijzer/alarmverlichting:
10.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
10.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
TDM900A 10.0 A
Zekering ABS-motor:
8-3
5
6
7
8
9
✼✥✯✣✱ ✤ GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU48610
Identificatienummers
1
2
Noteer het voertuigidentificatienummer en
de gegevens op de modelinformatiesticker
in onderstaande ruimtes. Deze gegevens
heeft u nodig om reserveonderdelen bij een
Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw
voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:
DAU26400
Voertuigidentificatienummer
DAU26540
Modelinformatiesticker
1
3
1
4
1. Voertuigidentificatienummer
MODELINFORMATIESTICKER:
5
6
7
8
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer
in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld
voor identificatie van uw motorfiets en kan
worden gebruikt om uw motor in uw land
aan te melden voor kentekenregistratie.
9
9-1
1. Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is onder het zadel bevestigd aan het frame. (Zie
pagina 3-15.) Noteer de informatie op deze
sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze
informatie is nodig om reserve-onderdelen
te bestellen bij een Yamaha dealer.
✼✥✯✣✱ ✥ INDEX
A
Aandrijfketting, reinigen en smeren .........6-27
ABS (voor modellen met ABS) ................3-12
ABS-waarschuwingslampje
(voor modellen met ABS) ........................3-5
Accu.........................................................6-31
Achterwielophanging, smeren .................6-29
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ..............3-9
B
Bagageriembevestiging ...........................3-20
Banden ....................................................6-19
Bougies, controleren................................6-10
Brandstof .................................................3-13
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig .....5-3
C
Claxonschakelaar ....................................3-10
Contactslot/stuurslot ..................................3-2
Controle- en waarschuwingslampjes .........3-3
Controlelampje grootlicht ...........................3-4
Controlelampjes richtingaanwijzers ...........3-4
Controlelampje startblokkeersysteem .......3-5
D
Dimlichtschakelaar ....................................3-9
G
Gasgreep en gaskabel, controleren en
smeren ..................................................6-28
Gereedschapsset ......................................6-1
Gloeilamp remlicht/achterlicht,
vervangen..............................................6-35
Gloeilamp richtingaanwijzer,
vervangen..............................................6-35
I
Identificatienummers .................................9-1
Inrijperiode .................................................5-3
K
Kabels, controleren en smeren ............... 6-28
Klepspeling.............................................. 6-19
Koelvloeistof ............................................ 6-14
Koplampgloeilamp, vervangen ................ 6-34
Koppelingshendel.................................... 3-10
Koppelingshendel, vrije slag afstellen ..... 6-22
Remvloeistofniveau, controleren............. 6-24
Remvloeistof, verversen ......................... 6-26
Richtingaanwijzerschakelaar .................... 3-9
S
Schakelaar alarmverlichting.................... 3-10
Schakelen ................................................. 5-2
Schakelpedaal ........................................ 3-11
Schokdemperunit, afstellen..................... 3-18
Smering en onderhoud, periodiek............. 6-5
Spanning aandrijfketting ......................... 6-26
Specificaties.............................................. 8-1
Stalling ...................................................... 7-3
Startblokkeersysteem ............................... 3-1
Starten van de motor ................................ 5-1
Startknop................................................. 3-10
Startspersysteem .................................... 3-21
Stationair toerental.................................. 6-18
Storingzoekschema’s.............................. 6-38
Stroomlijn- en framepanelen,
verwijderen en aanbrengen .................... 6-9
Stuurschakelaars ...................................... 3-9
Stuursysteem, controleren ...................... 6-30
L
Lichtsignaalschakelaar .............................. 3-9
Luchtfilterelement, vervangen ................. 6-16
M
Matkleur, let op.......................................... 7-1
Modelinformatiesticker .............................. 9-1
Motorolie en oliefilterelement .................. 6-11
Multifunctioneel display ............................. 3-7
N
Noodstopschakelaar................................ 3-10
O
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem......... 6-3
Ondersteunen van de motorfiets ............. 6-36
Opbergcompartiment............................... 3-16
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ........... 6-36
Parkeren.................................................... 5-4
Plaats van de onderdelen.......................... 2-1
Problemen oplossen................................ 6-37
R
Rem- en koppelingshendels,
controleren en smeren .......................... 6-29
Rem- en schakelpedalen, controleren
en smeren ............................................. 6-28
Remhendel .............................................. 3-11
Remlichtschakelaars ............................... 6-23
Rempedaal .............................................. 3-11
T
Tankbeluchtingsslang/overloopslang...... 3-14
Tankdop .................................................. 3-13
Temperatuurmeter koelvloeistof ............... 3-7
Toerentellerunit ......................................... 3-6
U
Uitlaatkatalysatoren ................................ 3-15
V
Veiligheidsinformatie................................. 1-1
Verzorging................................................. 7-1
Voertuigidentificatienummer ..................... 9-1
✼✥✯✣✱ ✦ INDEX
Voor- en achterremblokken
controleren............................................ 6-24
Voorvork, afstellen .................................. 3-17
Voorvork, controleren.............................. 6-30
Vrije slag gaskabel, controleren.............. 6-19
Vrijstandcontrolelampje............................. 3-4
W
Waarschuwingsindicator
brandstofniveau ...................................... 3-4
Waarschuwingslampje motorstoring ......... 3-4
Waarschuwingslampje olieniveau............. 3-4
Wielen ..................................................... 6-22
Wiellagers controleren ............................ 6-31
Z
Zadel ....................................................... 3-15
Zekeringen, vervangen ........................... 6-32
Zijstandaard ............................................ 3-20
Zijstandaard, controleren en smeren ...... 6-29
✱❑❏❄❉❄❆❍✥✤ ✥ ✱❑❏❄❉✰❆❍ ✥ YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2009.09
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising