bekijk - digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren

bekijk - digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren
Taal en Letteren. Jaargang 2
bron
Taal en Letteren. Jaargang 2. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1892
Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_taa006189201_01/colofon.htm
© 2010 dbnl
VII
Register.
(Taalkunde.)
Aakelijk: Friesch
190
aaloud
202
aangenaam: plaats uit 1754
384
aannemelijk
384
aapje: bij Potgieter
371
ablaut en vervoeging
360
ablaut alleen vormt geen woorden
358
accent
296, 317, 321
accent (Invloed van 't-) op den wortel
357-359
accusatief (Dubbele -)
282, 306
accusatief van omstandigh
218
accusativus c. Infinitivo
305
adeloud
202
adjectief uit substantief.
219, 228
adjectief (Verbuiging van 't -).
321
adjectief bij Cats
383
adjectiefvorm uit een suffix
350
adverbiale (Het -) in praedicatieve
bepaling
288-289
adverbiale praepositie
322
adverbiale s
258, 345
adverbiale s geen genitief meer te
noemen
345
aflaat (Volle -)
166
afleidingsuitgangen (Wording v. -)
335-338, 338-339
allesbehalve
318
aloud.
202
alreede
296
als (Constructie met -)
291
als = die
196
als die
196
amber
367
ammuletties
259
Taal en Letteren. Jaargang 2
analogievorming
325, 334-335, 339, 342
analogievorming (Onze grammatica keurt 325
-) in beginsel af
analogievorming moet niet geweerd
319, 343
analogiewerking
88-89, 316, 359-360
analogiewerking in de oudste taal.
355-357
anteloop
218
argot: het Fransch der toekomst.
311
artistentaal
323, 347, 351
-Baar (suffix)
338
baasje van de baan
375
ballen (Hij weet er de -) van
318
balsemluchten
220
banjert
264
barnen
191
bedieden
268
beduiden: afleiding
363
beenen (Werkw.)
275
begaafd: bij Vondel
251
beknopt: XVII eeuwsch
125, 189
beknopte zinnen
72-74
beknopte zin (De -) in de taalk. praxis
74
beknopte zin of bijvoegl. bepal.?
74
e
beknopte bijzin (Wat is eigenlijk een -)? 287-288, 289
belagen
372
bepaling v. gesteldheid
278-291
besik = apart.
256
Taal en Letteren. Jaargang 2
VIII
beslissen van
226
bestkoop.
14
beugel
228
bezweren
220
bier = bierfeest
339
bijstervelt
171
bijvoegl. beknopte zinnen (Praedicat.
bepal. zijn geen -).
283-284
bijvoegl. nwn. (Stoffelijke -)
263, 268
bijwoord-praepositie
322
bijwoordel. uitdrukkingen (Werkwoord.
stammen in -)
221
blanje
375
boel en rommel: bijna-suffix
336
boeten (herstellen): boeten (aanleggen) 189-190
bouwen
228
bram
373
bronstig
217
bruggeman, breigeman, bruidegom.
340-341
brui (Den -) geven van
272
buigingsuitgangen (Wording v. -)
343-344, 359-360
buigingsvormen (Oude)
326
buis
191
buitengaats
223
burgemeestersboekje
371
bylo
371
Causatieven (Over -): een moeielijke
questie.
347, 360-362
Causatieven (v. Helten over -)
347
Causatieven (Critiek op de gewone
voorstelling van -)
361
ch (letterteeken)
97
cijsen (Groote -)
263
codicil
370
Taal en Letteren. Jaargang 2
collectiva met -goed, -tuig-, -boel,
-rommel, -pak
335-336
constructies
266, 269, 296
constructie (Merkwaardige -)
200, 301
constructie (Ongewone -)
219
constructie bij den Infinitief
305
constructie met of: verdedigd
376
constructies met Deelw. en met Infinitief 301, 305-306
critiek der Nederlandsche Grammatica
313-315, 316-362
critiek d. Woordvormingsl.
352-355
Dagen
219
datief in poëzie
220
datief: in koelen bloede, e.d.: hoe in de 346, 349
gramm. te behandelen
deed (Ontled. van: die Abraham den
vadernaam hooren -)
301
deelwoord (constructie)
301
deelwoord (verl. -)
306
deflectie: ook in de samenstelling
325
deminutief (-lief als -).
337
denken, meenen: m. Infinit. e.m. Deelw 305-306
219
e
der: 3 nv. vr. meerv.
derven (Onregelmatige constructie met 200
-)
deur (M.d. -) in huis vallen
241
De Vries over Grammatica en Taal
307
dialecten (Hoe worden -)?
216
diefzak
261
diets maken
363
doctrinarisme in de Nederl. Grammatica 317, 325, 341, 342, 347, 362
doen noemen = noemen?
123
dokken
222
donker (In den -)
258
doodarm
334
doorluchtig
217
dragen (Zich -)
380
drift en tocht
225
Taal en Letteren. Jaargang 2
drilmeester
372
drillen
372
drommel (Den -) geven van
272
druilen
275
duim (Op zijn -) fluiten
227
duim (Op zijn -) draaien
187
Taal en Letteren. Jaargang 2
IX
duimkruid
228
E, ee; o, oo (Spelling van -)
203-210
e en o in 't Middelnederl
204
e en o in de XVI eeuw
204
e en o bij Coornhert
204-205
e en o bij Vondel en Hooft
205
e en o bij Sewel en Ten Kate
206
e en o bij Huydecoper
207
e en o bij Siegenbeek
207
e, ee, o, oo (Onnuttigheid der
onderscheiding van -)
208-209
e
e, ee, o, oo (Beckering Vinckers over -) 210
eelebaas
375
eenkennig
276
eenrehande
341
eerbieden
219
eerlang
296
eigen: zijn - = zich
318
eigennaam uit soortnaam
261
eigennamen zwak verbogen in genitivo 191-192
eigennamen schertsenderwijze
aangewend
164-181
eigennamen met algemeene beteekenis 168
einthoudendheid
189
elpen
263
en (Ontkenning) verliest zijn beteekenis 85
en (Gebruik van 't voegw. -)
296
etymologie (Zwarigheid in -)
319-320, 323, 324, 339-341, 355-357
etymologie (dwaasheid v. eigenlijke -) in 357-362
gewone spraakkunst: in een voorbeeld
voelbaar gemaakt
euphemisme
168, 261, 262
Falen en feilen
276
familienamen uit scheldnamen
166
Taal en Letteren. Jaargang 2
fiets, fietsen
351
flectievormen (Oude -) in
samenstellingen
326
fleetievormen (Wording van -)
359-360
flectie ontstaat uit syntactisch verband
343
flectiewording in de tegenwoordige taal 343-344, 344, 350
flikker (Een -) slaan
273
fluit
370
fut
261
G (de letter)
94
ge- (voorvoegsel)
224, 306
gedurende
188
gedwee
217, 380
geen: woordsoort
307
gedenken
377
gehengen
301
gehuisd
372
geneugt
224
genitief (Zwakke -)
191-192
genitief
199, 258, 260, 305
genitief (Hoe uitgedrukt?)
298-299, 302
genitief-expressie (Merkwaardige -)
350
genitief-expressie van stad in stedelijk
344, 357, 359
genitief-verband, veranderd
345
genitief met -s in de tegenwoordige taal 344-345
genitief (Nieuwe flecteerende -)
344
genitief in: langzamerhand e.d.: hoe in
de grammatica te behandelen
345, 349
-gerei: bijna-suffix
335
gerekte klinkers
98
geschiedenis der e, ee en o, oo
203-210
geschrei
377
geslacht (Het) in 't Nederl
22-50
geslacht in 't Middelnederl
23-25
e
geslacht in de XVI eeuw
e
geslacht in de XVII eeuw
25-28
28-34
Taal en Letteren. Jaargang 2
X
geslacht in de XVIII eeuw
28-43
geslacht bij Hoogstraten
34-38
geslacht bij Ten Kate en Huydecoper
38-40
geslacht bij Kluit
41-43
geslacht bij Bilderdijk
43-47
geslacht bij Siegenb. en Weiland
47
geslacht bij De Vries en Te Winkel
47-50
e
e
geslacht (Vaststelling van 't -) in de XVIII 34-41
eeuw
geslacht: Tegenw. Toestand
47-50
geslacht (Verandering van -)
24
geslachtsverschil bij Hooft en Vondel en 35-38
onze jongste dichters
gestadig
224
gesteldheid (Bepaling van -)
278-291
gezegdezinnen
138-141
gezet
300
-goed: bijna-suffix
335
grammatica (Onze -) doceert de taal als 310, 315
iets voltooids
grammatica (Onze -) staat op verkeerden 313-316
grondsl.
grammatica (Onze -) miskent den aard
der taal
313-315
grammatica (Karakteristiek v. Kakebeens 321
-)
grammatica (Karakteristiek van v.
Heltens -)
322
grammatica (Onze -) moet anders
worden
313-315
grammatica en analogiewerking
343
grammatica's (Critiek der klankleer in de 92-102
-)
grammatisten en sprekende menschen 351
gruwbaar
220
gruwlijk
220
Taal en Letteren. Jaargang 2
H (de letter -)
93
haar, 'r, d'r, bezitt. vnw.: om den genitief 344
uit te drukken
haar op de tanden hebben
223
hachjen
223
-hand en -lei + soort verdedigd
341
handgebaar
262
handgeld en voetgeld
165
handhaven
300
harnassen (met zachte s?)
188
heele en heel
384
heinde en veere = van -
228
hekelen
369
hemeldragonder
165
hemelval
268
herhalen (Zich -)
302
her ommenes
168
hoe
268
holderdebolder
264
hou en trouw
100
huik
228
huiven in
374
huizen
372
hukken
226
hulde brengen
299
hulk
219
hulpwerkwoorden: zitten en liggen
347
hurken
226
hurkje
226
huwelijk: afleiding
339
-Ig
367
imperatief in 't Saksisch
320
in (Beteekenis)
224, 299, 301
in (Ik eer -) hem een vader
224
in en uit zijn met iemand
373
Indiaansch = Indisch
376
Taal en Letteren. Jaargang 2
infinitief
306
infinitief (Constructie m.d. -).
198-199
infinitief als voorwerp
198-199
infinitief als bepaling v. gesteldh.
198-199
Taal en Letteren. Jaargang 2
XI
infinitief (Ontleding van zinnen met een 301
-)
infinitief en verbaal substantief
199
infinitiefbepaling
278-281
intensieven: vorming
361
intensieven: niet in grammatica te
vermelden
347
(v. Helten over -)
347
intensieve (Tegenwoordige -) expressie 347
isoleering in de taal
316, 317, 324, 326
Jaar en dag
374
Jan Toag
107
jeugdje van een meisje
260
jonger (wij kunnen het niet -) doen
274
K (als letter en klank)
94, 237, 312
kappelleke = herberg
165
kemel en kameel
307
kerfstok
373
Kern over de ‘oortaal’
355
keurboom en vuilboom (ook Overijselsch) 168
keurslijf
268
Kijkindeoven
165
Klaas
373
klankleer (De -) op de school
236-240
klankleer (De -) in de Ned. Grammatica 92-102
klemmen
294
klemtoon (Verkeerde definitie)
101
klemtoon
141, 292, 295, 302-303, 304, 305, 307,
317, 321
kletserij
223
klink (Een woord van -)
319
klinken (Een feest van -)
319
klinckerdiclanc
165
klinktum, klinkum (Van -)
319
Taal en Letteren. Jaargang 2
klissen (Bij de -)
260
knevelen
262
koppelteeken
102
kruid = poeder
228
kussen (Op 't -)
371
e
kwant (quant): XVII eeuwsch.
227, 369
kwartieren: XVII eeuwsch
125
kwast: persoonsnaam
263
e
kweelen: XVII eeuwsch
259, 361
Laai: als adjectief
219, 342
laat ons - laten wij
280
laat-we: laten we
318
lansert
228
lansk
228
laten (Constructie met -).
279-281
laten zien (Iets -) aan
280
latinisme
304, 305
leidsel
339
letterteeken en letterklank
306
levende taal: dàt moet gedoceerd
350-1, 354
lichtmis
277
lidwoord (Weglating van 't -)
220, 263
lidwoord
197, 296, 299, 257
lidwoord (Onverb. -) bij dichters
201
-lief: als bijna-suffix
337
lier en luit
224
-lijk (achtervoegsel)
298-299, 338, 344
linksch en slinksch
276
litanie
165
loopskute
336
luchten = lichten
225, 374
luiden
267
luwte: bij Potgieter
271
Maken: als koppelwerkw
187
e
Taal en Letteren. Jaargang 2
-man: bijna-suffix
336
man: van schepen
336
mastik
367
medeklinkers (Slot -)
97
medeklinkers (verscherping der -)
95-97
medeklinkers (verdeeling der -) in de
Nederlandsche Grammatica
93-95
Taal en Letteren. Jaargang 2
XII
mee: voor me, pronomen
229
meesmuilen
269
mengelmoes
266
mennistenzusje
228
-mensch: bijna-suffix
336
met zijn beiden, z'n achten
272, 318-319
modaal bijwoord: niet
297
modale praedicat. bepalingen
288-290
moe als een hond?
335
moedernaakt
337
moederziel-alleen
338
moertje
259
mogen = reden hebben tot
218
mogen als hulpwerkw
220
myrrhe
367
Naamvallen
359
e
e
naamvallen in 't XVI en XVII -eeuwsch 25-34
naamvallen-leer
314
naar zijn of zijne pijpen dansen?
75
naberouw
293
nacht = avond
221
naken en naderen
372
nevenschikking
303
ng (letter en geluid)
95
ng in nk
96-97, 238
niet: als modaal bevestigend bijw.
197
niet aan
220
niet het minst: dubbelzinnig.
233-235
niets minder dan: dubbelz.
233-235
noen
257
Of (De bijzinnen met -) bij een ontkenn. 76-91
hoofdzin
Of: de Middelnederl. constructie.
77-80
Taal en Letteren. Jaargang 2
e
e
Of: de constructie in de XV en XVI
eeuw
80, 81
Of: de constructie i.d. XVII eeuw
82
Of: verklaring van Bilderdijk en het
Woordenboek
82-83
of: verklaring van v. Helten; het
Hoogduitsch
83
of: moeielijkheid der questie
82
of: stand der questie
82, 83-84
of: voorloopige opmerkingen
79
of: weerlegging v. of = indien.
85-86
of: bewijs dat of het tegenstellende is
83-84, 86-89
of: analogiewerking
88, 377
of: bewijs uit de statistiek
80-81
of: behandeling in de school
90-91
of: doelaanwijz.-voorwaardelijk
376
Offerschalen
368
olijk
261
omhuiven
368
omtrek
380
onbedacht
296
onbesuisd: bij Potgieter
225
ondanks
226
onderhand: als voegwoord
317
onderkeurs
267
onderschikking in nevenschikking
296
onderwerps- en gezegdezinnen
138-141
onderwijzer (De hedendaagsche
grammatica en de -)
352
onderwijzer (Etymol. voor den -)?
53, 324, 347, 353-355, 362
onecht (Critiek van den term -).
277, 306
onechte f en s
277, 306
e
ontkenning (Dubbele -) niet af te keuren 318
ontleding van: Ik doe hem het spoor
bijster worden
200
ontleding van zinnen met doen en laten 301
ontleding van: Ik zag het paard loopen
e.d.
198-199
Taal en Letteren. Jaargang 2
onvolledig en onvolkomen, in de
grammatica
67
Oom Kool
103-105
oorzakelijk voorw., bij wachten
221
ootmoed en deemoed
219
Taal en Letteren. Jaargang 2
XIII
opdokken
222
ophemelen
190
opperman: operman
229
oranje-blanje
375
Paai
369
palatalen in 't Nederlandsch
238
pas (- geven)
275
passedijsje: gèèn dans
268
peckedraet
165
pennelikker
165
piet
373
Piet Lut
107
pietluttig
107
pijpen (Naar zijn of zijne -) dansen?
175
pillendraaier
165
pimpelmees (Bloode -)
228
plaatsbepalingen
258
planeetlezen
260
plé = beste kamer
324
pleonasme in de taal
317, 340, 341, 342
pluiken
258
pluis (Niet -)
272
pluralis: kniên
301
pluralis: gloriên
304
pluralis: in spreektaal zonder singularis 346
poen
223
prachen
272
praedicaatswoord (Plaats van 't -)
285-286
praedicatieve bepaling (De -)
278-291
praedicatieve bepaling met als
290-291
praedicatieve bepalingen en bekn.
bijzinnen
287-288, 289
prij
223
prik krijgen
261
Taal en Letteren. Jaargang 2
pronk: als adjectief
228
pronomen (Overeenstemming van 't -)
258
pronomen Gij als substantief
21
priulen: bij Vondel
251
punctuatie
196, 380
R (de letter)
94
raak 'em (Van -)
319
razen
375
rechte en linke
276
reeden
375
reflexief en passief
302
regte erven
370
rei: vrouwl. bij Potgieter
372
relatieve (Het -) als
196-197
rik (achtervoegsel)
107
ringelen
126
roerdomp
369
rommelzoo
341
rottingolie
165
S en z (de letters)
94-95
s als beginletter, scherp
96
-s in nieuws, lekkers, e.a.
356
sabelsleeper
165
samenstelling (Verkeerde-)?
301, 330
samenstelling en afleidingssuffix.
335-338
samenstelling: betrekk. der deelen
325
samenstelling (Ontstaan van -)
317
samenstelling en accent
317
samenstelling en woordgroep
317, 320, 323, 324
samenstelling door analogie
320-321, 324-325, 326, 327
samenstelling door verandering v.
beteekenis
324
samenstelling door naast elkaarplaatsing 326, 329-331
samenstelling (Oude flectievormen in -) 326, 327-328
samenstelling (Wordende -)
317-319, 321
Taal en Letteren. Jaargang 2
samenstelling die geen samenstelling
meer is
324
samenstelling (Werk. v. 't rythme in -)
329
Taal en Letteren. Jaargang 2
XIV
samenstellingen als spring in 't veld,
doeniet
319, 320, 330
samenstelling met verbogen en
onverbogen adj.
320-321
samenstelling met werkwoordelijke
stammen
326
samenstelling van werkwoord en
bijwoord
322
samenstellingen als stokdoof, potdicht
334-335
samenstelling (Regels v. de
hedendaagsche -).
328-329
samenstelling (Hedendaagsche -):
Voorbeelden
329-334
samenstelling met e
329, 332
samenstelling met en zonder e
333
samenstelling met s
327, 331-332
samenstelling met en zonder s
332
samenstelling met s en e
333
samenstelling met er, ere
328, 329, 332, 334
samenstelling met er en niets
333
samentrekkingen bij ‘of’?
377
‘scheenen’ (Spreekwijzen met -)
377
sch (De verbinding -)
97
schalk als bijvnw
218
schalks als bijw., af te keuren
218
-schap: suffix
338
scheidbaar en onscheidbaar
322-323
Scheveling
263
schiften
218
schoon: als beleefdheidsvorm
121
schrijftaal (zuid-oostelijk nederl. in de -) 327
schuinkijken
223
schuit: in samenstelling
336
schup-en-bessempien
165
schuts
333
seinen c. accus
379
sijsen (Groote -)
263
Taal en Letteren. Jaargang 2
sik = zich
255
sinxennacht
221
slaan (Een schaats -)
366
slecht, als substantief
352
slordervos
210
sluierkroon
374
sluik: als adjectief
377
sluik (Ter -)
221
smalen
271
snol
370
snip zien
264
speldezoeker
165
spelling (Oordeel van Staring, Lulofs,
Grimm over onze -)
209
spelling van e, ee, en o, oo
203-210
spetluis
165
spinazie eten (Gij zult -), verklaard?
235
spraakleer (Hedendaagsche)
312
spreektaal
296, 304, 311/2, 313-362
spreekwoorden (Moeielijkheid i.
verklaring van -)
320
spreekwoorden (Verkorting v. -)
106
staan (Vreemd gebruik van -)
298
stadig
224
staken, intransit
223
stammen en wortels: Wat zijn dat in de 357
taalwetenschap?
stammen (Wat zijn werkelijk -)?
355-357
stammen: hoe moeilijk aan te wijzen
359
stammen gewijzigd door analogie
356
stam (Zelfstandige -) met schijn van suffix 356
stammen (Zwakke, middel- en sterke -) 357-359
stekeblind
357
Stem = melodie
221
sterke verbuiging van 't adjectief?
321
stichten
259
stikdonker
335
stokdoof
334
Taal en Letteren. Jaargang 2
stokkenbrood
165
stockvis met vuystloock
165
straatarm
335
stuk: een stuk of tien etc
318
Taal en Letteren. Jaargang 2
XV
suffix en eigennaam
107
suffix-wording uit samenstelling.
335-337
suffix -lijk vormt genitieven
344
suffixen (Nog levende -).
344-350
suffixen (Nieuwe manier van de -) te
behandelen
344-350
superlatief (Bijvoegl. -) zonder lidwoord 17
superlatief (Regels voor de vormen v.d. 20
-)
superlatief (Bijvoegl. en bijwoordel. -)
15-21
Swartjan
165
Sweet over hedendaagsch taalleeren in 354
verband met de hedendaagsche
taalwetenschap
Sweets opinie over Grammatica als de
nog vigeerende Hollandsche.
354
synoniemen
219, 225, 262, 267, 276, 293, 299, 300,
372
syntaxiale analogie
318-320, 342
syntaxiale groep-koppeling-samenstelling 317-319
systeem v.d. Tijden van 't Werkw.
141-147
T als d geschreven
348
taal (Het leven der -)
307
taal bestaat in zinnen
316, 323, 357
taal (Hoe verandert -)?
316
taal w o r d t altijd
315
taalstudie (Welke -) niet v.d. onderwijzer 53, 352-355
is
taalwording
315, 350-352
taalwording (De -) oudtijds net als nu
355
tabbaard
371
tebeurtvallen
305
tegenstelling (Hoe wordt -) uitgedrukt
304
ten en ter (Valsche beschouwing v. -) in 266, 267
de vigeerende gramm.
te roer
219
Taal en Letteren. Jaargang 2
teuta en lulla
107
't geen: voor dat
369
tien geboden = de vingers
166
tijd (De onbepaald tegenw. -)
297
tijden van 't Werkw. (Critiek v. Te Winkels 141-147
systeem der -)
tijden van 't Werkw. (Kollewijns systeem 144-146
der -)
tijden (Gebruik der -)
294, 304
tijden = tempestates
123
tipjen (Op het -)
262
titel: zijn bleekheid
265
toegevende praedicat. bepalingen
289
toffelen
373
tongslag
264
tot dat: gescheiden
201
tracteeren
165
tronie
229
-tuig: bijna-suffix
335
tuimelend: XVII eeuwsch
e
188
tuin (In zijn -) zijn
223
tweeklanken
237
Uit (Geboren -)
304
uitgelaten
225
uytgemaeckte man
123
uithebben met
266
uitroepende zinnen met wat
197
uitzonderingen (Hoe ontstaan
grammatische -)?
316
ukkie
226
-um, -en, in geographische namen
340
Val
268
vangen: van geluid
369
vast
218, 269
vechteleec
339
veeg
220
Taal en Letteren. Jaargang 2
veel
219
verbindingsklanken
100
vergasten
267
Taal en Letteren. Jaargang 2
XVI
vergelijking steeds = onvolledige zin?
66, 69-72
vergelijking (De -) een zindeel
66, 68, 69, 70
vergelijkingen en beknopte zinnen
65-75
vergelijkingen met als
65-67
vergelijkingen met dan
67-68
vergelijkingen met gelijk
69
verkorte en beknopte zinnen
72-74
vernemen
276
verraden
379
versch
302
versterkende adverbiale substantieven
bij adjectieven
334-336
vervoeging van gonzen e.d.
306
vervoeging (Sterke -) en ablaut
360
verwatene: bij Da Costa
294-295
verwerven
202
verzaken
370
verzuchten
222
vet
165
vier eerste (De -)
105
vlijmen
221
vloeiende letters
95
voegwoord: onderhand
317
voegwoord bij Da Costa
202
voegwoorden (Ontstaan van -).
201-202, 286-287
voegwoorden bij bepalingen
289
-vol en -rijk: als suffix
337
voltooide en onvoltooide Tijden
143
voorzetsel achter 't substantief
322
voorzetsels en bijwoorden
322, 323
vos: paard
370
vragende zinnen met wat
197
vuilboom
168
W en j, ontploffingsgeluid?
238
Taal en Letteren. Jaargang 2
wagenhuur ('t Geldt je de -)
106
wanen (Constructies bij -)
305
want: bij Roemer Visscher
227
wanten (Van -) weten
227
waren
272
wassen neus (Een -)
91
wat, euphemistisch
262
wat = waartoe
197
wat: bijvoeglijk
198
wat + een meervoudig substantief
198
wat als bijw. van graad
197
wat of
267
weelderig
275
weergaasch
261
weergaloos
224
weerspiegelen: bij Potgieter
374
wegen
294
wenkbrauw = wimpers
61
werkwoord ('t Sterke -)
360
wervel
202
wervelen
202
werven
202, 372
wesenclene
383
westen (Buiten -) zijn
261
woord (Hoe verandert een -)?
316
woorden (Nieuwe -) vormen?
347-348
woorden (Nieuwe -) het onbepaalde
daarin
351
woordgroepen
317
woordgroep en samenstelling
317
woordgroep of analogie?
320
woordkiemen
352
woordscheppingsperiode gesloten
350
woordschikking
264, 299, 302, 303, 304, 305
woordvorming (De leer der -) in de
hedendaagsche grammatica
352
woordvorming (Nieuwe opvatting van de 316-362
-)
Taal en Letteren. Jaargang 2
woordvorming en regeneratie
320
woordenvorming (Nieuwe -)
346, 348, 349, 350-352
woudezel
298
wulp
228
Taal en Letteren. Jaargang 2
XVII
Zamelpenningen
189
zetten = bepalen
300
zijn, bezitt. vnw.: om den genitief uit te
drukken
343
zijn (Voorbeelden van dit -)
343
zijn (Prof. Cosijn z'n oordeel over dat -) 343
zingen = bezingen
225
zitten en liggen: als intensieve hulpwerkw 347
zoel en zwoel
267
zotskolf
371
zwakke genitief bij Eigennamen.
191-192
zwakke genitief in 't Strand Hollandsch
192
(Letterkunde en onderwijs.)
Abstractie (De -) ons ongeluk
310
achttienhonderd vijf en dertig (de tijd van 5-8
-)
aesthetica (hedendaagsche -)
383
afbreking van woorden in M.S.: ook in
teksteditie?
381-382
Alberdingk Thijm over duistere schrijvers 307
anapaesten
161-163
archaïsmen
225, 257-277, 294, 314, 349, 352
Bajadere
375
Beets, E.J. Potgieter, Persoonlijke
Herinneringen
253
belofte (Kinderen der -)
293
belofte: in 't Oude Testament
293
Bergsma, Karel en Elegast: beoordeeld 308-310
Bijbelsche Vrouwen
295-296
Biograph. Woordenb. v. Frederiks en v.d. 252-253
Branden
Boek van Seden, editie Suringar
241-248
booze (de wereld ligt in 't -)
370
Bos, Hoe en Waarom: beoordeeld
56-58
Taal en Letteren. Jaargang 2
Boswijk en Walstra, Het Levende Woord 115
Cocagne (Land van -)
180
conservatisme (Pierson over -)
366
conservatisme en grammatica
366
Da Costa: toegelicht en verklaard
147-163, 193-202, 292-307
dichterlijke vrijheden (Over -)
201
dichterpraktijk
201,219,304,305,372
dichtkunst (innerl. techniek der -)
156-163
dietsch en duitsch
363
drama (klassiek en romantisch -).
135-137
duistere schrijvers (Wat zijn -)?
307
duistere schrijvers aanbevolen
307
Epitheton ornans
307
etymologieën in Oefenboeken
54, 57, 113, 353
etymologieën zonder waarde
53-54, 353
etymologieën van stedenamen
174
etymologische werkjes van Boswijk en
van Laméris
115
Eijmael, Huygens' Zedeprinten.
116-127
Fatum in de kunst
8-9
figuur (Rhetorische -)
302
Finkenritter
179-181
Taal en Letteren. Jaargang 2
XVIII
Gedicht (Een -) van Da Costa.
157-163
gedichten lezen (Verkeerd -)
158
gelegenheidsgedichten: ruimer opgevat 150-151
Hagarv. Da Costa.
193-202, 292-307
Heilige Familie
166
heiligennamen gefingeerd.
173-174, 175-176
heup (Uit de -) geboren
293
Heije (Het proza van -)
230-232
Hooft (Noordhollandsch in -)
183
Hooft (Archaïsmen in -)
183
Hoofts taal
183-186
Hoofts taalhervorming
183-184
Hooft en Tacitus
184-185
Hoofts Historiën, d. Verwijs-Stoett.
182-191
Hoofts Historiën (Aanteek. op -) door Te 187-191
Winkel
Huygens' karakter
116-118
Huygens' Zedeprinten (Aanteek. op -)
door Te Winkel
119-127
Huygens-editie van Worp
249-250
Interpunctie in teksten veranderen?
381
intrigeroman
2, 3
Jamben
161-163
Jan Compagnie
373
Jantje Kaas
264
Juno's lach
124
Kaakebeens Grammatica beoordeeld
321
Karel en Elegast: edities
309-310
kennis en verstand
362
klassieke (Het -) drama
135-137
e
Kluge's Wörterbuch, 5 Auflage
63
Taal en Letteren. Jaargang 2
korentje (Zijn -) groen eten
370
Costers Teeuwis de Boer
58-62
Kuiper, Karel en Elegast: beoordeeld
308-310
Kuipers, Costers klucht v. Teeuwis:
veroordeeld
58-62
Koenen, Examenstudiën: veroordeeld
108-112
Koenen, Proefsteen: beoord.
112-114
krans uithangen
227
kultuurgeschiedenis in Middeleeuwsche 241-242
teksten
kunst: herhaling van woorden
159
kunst: metrum en versbouw.
161-163
kunst: tegenstelling
161
kunst: zinsbouw
158, 158-159
kunst (In -) is vorm en inhoud één
157
kunst (De Mensch in de -)
1, 2
kunst en verstandelijke
wereldbeschouwing
8-9, 155
kunstenaar (Macht v.d. -)
8-9, 155
kunstgenot (Het onpersoonl. in -)
155, 163
kunsttaal (Afbreking van woorden in de 382
hedendaagsche -)
kunstwerk (Waarvan is de indruk van een 152, 153
-) afhankelijk
Leestoon
292, 297, 302, 303, 304, 305
Lenneps (Van -) kunst
8-9, 12-13
Liedekens v. Bontekoe, verklaard
211-229, 257-277, 367-380
linie passeeren beschreven
222
Logeman, Elckerlijc en Everyman
63
luiheid en drinkzncht i.d. Middeleeuwen 175-176
Luilekkerland
180
Mamre
293
Mehler, Pieter Langendijk
254
methode (Verkeerde -) van taalstudie
108, 110-111
metrum (Beteekenis van het -)
161-163
Middeleeuwsch Drama
135-137
Taal en Letteren. Jaargang 2
Middelnederl
241-248, 308-310
Mijnheer: naam van de Hollanders.
374
Taal en Letteren. Jaargang 2
XIX
moeielijke schrijvers lezen?
307
Mouringh: verkleinwoord
263
Muller en Logeman, De Proza-Reinaert: 381-383
de editie beoordeeld
Namen (Geographische -), humoristisch 167, 169, 169-173, 179-180
gefingeerd
namen voor 't kerkhof
172
Neptunusfeest
222
Oefenboeken (Soorten van -)
51, 56, 108
onderwijs (Het ongeluk v.h. tegenwoordig 310
-)
onderwijzer (Het Examen v.d. -).
110-111
onderwijzer (Studieboeken v.d. -).
51-58, 108-115
onderwijzer (Gèèn goed studieboek v.d. 108-112
-)
onderwijzer (Een goed studieboek v.d.
-)
51-56, 115
oobarhout
217
Orpheus
224
Pantheon-edities
245
plaatsbepalingen (Humoristische -)
179-181
poëzie is kunst
156-163
poëzie des geloofs
153-156
poëzie en sympathie
151, 153
poëzie en menschelijkheid
151
Poots Akkerleven
148
Potgieters Liedekens v. Bontekoe.
211-229, 257-277, 367-380
practijk der dichters
302
proza (Het -) van Heije
230-232
Proza-Reinaert (De -): uitgegeven
381-383
purisme (XVII eeuwsch -)
183
Reactie (De hedendaagsche -)
310
e
Taal en Letteren. Jaargang 2
ridderroman (Herinnering a.d.-)?
232
Reynaert die Vos (Die Historie v.)
381-383
Romaansch en Latijn
363
roman (Geschied. van 't woord -)
363-365
roman ('t Woord -) in de volkstaal
365
Romantiek (Wat is -)?
129-130
Romantiek als Litteratuur.
134-153
Romantiek en Middeleeuwen
134, 135-137
romantisch in den dagelijkschen zin.
129-132, 138
romantisch = volksthümlich.
135, 137
romantisch en klassiek
135, 137
(Het -) drama.
135-137
romantisme is leven in dichterlijke
verbeeldingen
132
romantisme is jeugd
133
romantisme als histor. verschijnsel.
133
romantisme als ontvluchten v. het Heden 134
Roos v. Dekama
1-14
Roos v. Dekama (De Bouw v.d. -)
9-11
Roos v. Dekama (Het Motto der -).
3, 5-8
Roos v. Dekama (Het Noodlot i.d.)
8-9, 10, 12-13
Roos v. Dekama (Onevenredigheid in de 8, 9-11
-)
Roos v. Dekama (Het Tragische in de -). 8-9, 12-13
Roos v. Dekama (De -) en zijn tijd.
3-8
Scheltens, Onze Synoniemen
114
Schiedams (Zijn ooge spreekt -).
124-125
schoolonderwijs in taal (Cosijn over -)
236
smaak (Letterkundige -)
148
smaak verkrijgen door oefening.
148-149
Taal en Letteren. Jaargang 2
XX
spreekoefeningen
232
spreektaal (Tegenwoordige -) en
Middelnederl.: overeenkomst
383
stedennamen
174
stijl (Wat is -)?
365
stijl iets persoonl. en noodwendigs
365
stijlleer (Grondwaarheid v. de -)
365
stijlzaken
196, 296, 299, 301, 302, 303, 304, 305
Strokel, Bastaardwoorden
64
studie (Beginnende -) v. Middelnederl
248
Suringar, Die bouc van Seden
uitgegeven: beoordeeld.
241-248
Suringar: aard en bestemming v. 't werk 242-243
Suringar: hoe is 't ontstaan?
244
Suringar: zijn manier van uitgeven
245, 247
Suringar: critiek op een aantal plaatsen 245-246, 246-247
symmetrische rangschikking
302
synoniemen van Scheltens
114
Taal bij kunstenaars
315, 323
Taal- en Letterkund. studie samengaan? 108
teksten (Hoe middeleeu wsche -)
uitgeven?
244-245, 246, 247, 381-383
teksten (Voorbarig veranderen in
middeleeuwsche -)
246, 382
teksten (Moeielijkheid van 't
middeleeuwsche -) uitgeven
308
teksten (Verkeerde onderstellingen
omtrent middeleeuwsche -)
245
teksten (Hoe ontstonden onze
middeleeuwsche -)?
244
tekstreconstructie (Critische -)?
382
tekstuitgeven (Over -)
59-61, 381-383
tekstuitgeven geen mechanisch werk
308
tekstuitgeven behoort sceptisch te gaan 382
tekstverklaring van Bouc van Seden
241-242
tekstverklaring van Da Costa's Hagar
193-202, 292-307
Taal en Letteren. Jaargang 2
tekstverklaring van Hooft
260
tekstverklaring van Huygens
250
v.Potgieter
216-229, 257-277, 367-380
tekstverklaring van Vondel
251
Tijd (Onze -): een tijd v. zoeken en
wagen
366, 383
tijdsbepaling (Humoristische -)
176-179
tragische (Het -)
8-9, 10, 12-13
Troosje
274
Van Beers en zijn ‘Lievelingsdroomen’
129-132
Van Lennep en W. Scott
255
Van Lennep: Friesche bronnen
255
Van Manders Metamorphosen
122
Van Wijnens Volledige Taalcursus
aangeprezen
51-56
Vercoullie, Schets eener historische
grammatica der Nederl. Taal I:
beoordeeld
310
verkeerde (De -) Wereld
180-181
versbouw (beteekenis van den -)
161-163
versbouw (Germaansche -)
62
Verwey, Inleiding tot Vondel.
250-252
Verwey: noodzakelijkheid v. historisch
taalkundige verklaring
251
Villatte, Parisismen
311
volkshumor
164-181
Taal en Letteren. Jaargang 2
XXI
Vondels drama's: Verwey's oordeel
daarover
252
Wapens (Sprekende -)
174
Wijntje en Trijntje
370
woordspeling in de volkstaal
167-169, 169-173
Worp, Gedichten v.C. Huygens.
173-176, 249-250
Zeventiende Eeuw (De taalhervorming
in de -)
183-185
zeventiendeëeuwsch drama
135-137
zuiverheid van taal
127
Taal en Letteren. Jaargang 2
1
De roos van Dekama.
Nog altijd wordt in Nederland, ondanks het veranderen der tijden, de Roos van
Dekama een amusant boek gerekend. Men kan pittiger, dieper, hooger lectuur
gewoon zijn, - valt het ons op een of andere wijze weer eens in handen, dan scheidt
men er niet van zonder een genoeglijken glimlach en twijfelt een oogenblik, of de
critiek Van Lennep wel altijd recht heeft gedaan. Waarin schuilt de aantrekkelijkheid
van deze reliquie der Romantiek? Zonderling steekt zij af bij het beste uit de
nalatenschap van Mevr. Bosboom-Toussaint; Schimmel en Wallis mogen zich als
scheppers van echter en kostbaarder kunst gelukkig prijzen. Het geldt heden ten
dage voor uitgemaakt, dat kunst volkomenheid van vorm is. Dit aangenomen, had
Van Lennep zelf grif toegegeven, dat hij zich meermalen bezondigd heeft. Niet het
minst, voorzeker, in de Roos van Dekama. Het is een boek zonder eenheid, het
gaat gebukt onder den driedubbelen vloek van den Intrigeroman. Het Zondenregister,
door Bakhuizen in 1837 er aan ten laste gelegd, kan nog vermeerderd worden.
Voor niemand is het verborgen, dat de sterkte van den auteur niet was gelegen
in het scheppen van karakters. In het oog der beste litterarische kunstenaars is de
mensch het belangrijkste in de natuur. De Mensch! d.i. niet zijn kleeding en omgeving,
niet zijn zeden en gewoonten, niet zijn alledaagsche verrichtingen en toevallige
lotgevallen; ook niet, als vertegenwoordiger van een aantal min of meer algemeene
deugden en ondeugden en lotsbedeelingen; maar de Mensch gelijk Shakspere hem
zag en begreep, in zijn oorspronkelijke eigenaardigheid, individueel en toch van
typische beteekenis: elk individu een zelfstandig centrum, met zijn eigen kring van
gewaarwordingen en gevoelens, denkbeelden en gedachten; met een leven van
daden en gebeurtenissen, die het merk der persoonlijkheid dragen en slechts uit
den natuurlijken aanleg van neigingen en krachten verklaard kunnen worden. Het
lot van den mensch woont in zijn eigen borst. Zekere aanleg eenmaal gegeven,
gegeven voorts een aantal andere krachten, van wat aard ook, daarop
Taal en Letteren. Jaargang 2
2
werkende, wordt de Roman de geschiedenis van dien aanleg, even noodwendig
als de geschiedenis van den constitutioneelen regeeringsvorm of van de idee der
verdraagzaamheid. Onze oogen zijn er allengskens voor open gegaan, dat de Homo
Sapiens inderdaad ook tot de orde der zoogdieren, tot de orde der dieren in 't
algemeen, ook tot de orde der planten en anorganische dingen, in 't kort tot de orde
der natuur behoort. 't Is zeker betreurenswaardig, dat de hoogere eischen van
godsdienst en zedelijkheid voor de meesten van ons minder luid klinken, voor velen
verstomd zijn. Maar dat wij ons en onze medemenschen minder uit
godsdienstig-zedelijk, minder uit metaphysisch oogpunt beschouwen, is niet alleen
de critiek, de rechtvaardigheid en de oprechtheid ten goede gekomen, het heeft
sommige dichterlijke gemoederen den onuitputtelijken rijkdom van het heelal eerst
recht geopenbaard. Met oneindige bewondering en onzelfzuchtige vereering
weerklinkt het in vele harten: ‘Natur! - sie schafft ewig neue gestalten, was da ist,
war noch nie; was war kommt nie wieder. Alles ist neu und doch immer das Alte.’ Und doch immer das Alte! Zoo het ‘Naturalisme’ dit laatste ziet, gevoelt en erkent
zal het de tooverformule eener heerlijke kunst worden. De stof der kunst is het
karakteristieke en typische in zijn steeds nieuwe verwerkelijking. Als voortbrengsel
der phantazie, behoort tot de kunst ook de reproductie van het toevallig-uiterlijke.
Niet echter tot de beste. Het toevallige is niet noodwendig, het is waar noch onwaar.
Tijdelijk mag het behagen misschien door nieuwheid en gloed, voor een oogenblik
spannen door vreemde ongewoonheid, - weldra is het achter de bank geworpen en
verouderd; de onverschilligheid der nakomelingschap velt er een zwijgend maar
welsprekend vonnis over. Wil het eeuwig leven als de natuur, dan moet het
kunstwerk-zelve Eeuwige natuur zijn, typisch en voleindigd.
De Intrigeroman als zoodanig, niet kind van rijpe ervaring (rijp, al komt zij plotseling
tot volle bewustheid), kind van één dag daarentegen, is bestemd om op denzelfden
dag te sterven. Het is de roman der willekeur, wier type men in den Graaf de Monte
Christo heeft leeren kennen. De intrigekunstenaar (al is zijn gave benijdenswaardig)
geeft ons geen werkelijkheid, niet de wereld vol karakter romdom ons te
aanschouwen, - het is de droomwereld eener spelende phantazie. Zijn helden zijn
marionetten, hij de man in de poppekast. Het is de roman der oppervlakkigheid,
zonder diepte van leven, zonder inwendigen samenhang. In de mysterieuze natuur
is ook alles bont en willekeurig dooreengeworpen, als in een uitdragerswinkel; voor oppervlakkige blikken: want in de diepte is alles één. Het is kunst zonder
waarheid, zonder
Taal en Letteren. Jaargang 2
3
wijsheid, geest en beteekenis, omdat het kunst zonder idee is. Wat heeft men niet
gespot met die idee; wat al wijze koppen hebben hunne veelzeggende schouders
erover opgehaald! En toch zijn die Ideeën de wetten der natuur-zelve, de
noodwendigheid harer verschijnselen in hun ontwikkeling, niet betoogsgewijs
uiteengezet, maar door den kunstenaar gegrepen, begrepen, veraanschouwlijkt in
zijne scheppingen. - Geldt dit strenge oordeel ook voor de Roos van Dekama?
‘Wat baet het of ghy draeft en swoeght en u verhit, - Fortuyn liefst hem besoeckt,
die wacht en stille zit’: zoo luidde het motto bij het verschijnen van den roman, en
in de inleiding wordt den lezer voorgehouden, dat ‘diegene, die zich laat
overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelfs uit haar oorsprong te billijken,
altijd zal achter staan bij hem, die uit welk beginsel dan ook, de omstandigheden
niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart en wacht en stille zit.’ Bakhuizen
merkte in den Gids van 1837 reeds op, dat deze idee (want daarvoor moest het
doorgaan) door zonderlingheid uitmuntte. ‘De riddertijd was waarlijk geen tijd van
wachten en stil zitten; door wachten en stil zitten hebben zich niet in dien tijd sommige
geslachten tot bijna vorstelijken rang, onderdrukte onderdanen tot burgerlijke wijsheid
verheven, is niet uit de duisternis van die dagen het licht der latere dagen opgegaan.’
Zich niet door hartstocht laten overmeesteren, zijn gemoedskalmte bewaren, - dit
moge meestal voordeelig zijn, - de schrijver legt den nadruk op ‘stil zitten wachten’,
en dit geeft gewoonlijk geen andere uitkomst, dan dat men ‘blijft zitten’, tenzij ons
een aanzienlijke dame in een of ander schrikkeljaar ten huwelijk komt vragen of ons
van een onbekenden Amerikaanschen bloedverwant een millioen in huis wordt
gedragen. Geheel de natuur, het leven, de geschiedenis is één schouwspel van
strijd. De stelling waarvan Van Lennep zijn boek den onwraakbaren getuige schijnt
geacht te hebben, kan nooit de ziel van een echten roman zijn, omdat wij haar in
de natuur-zelve niet als beginsel en levenswet aanschouwen. Zijn er dan geen
menschen, die er van zelve komen? Zeer zeker: kalme karakters met voortreffelijke
eigenschappen toegerust en aangename voorkomens, zich parend aan een compleet
of tamelijk compleet verstand; maar voor den strijd zijn deze schijnbare excepties
niet geschikt, gading voor den romanschrijver zijn zij niet. Naakt en bloot staat de
intrigeroman nu voor ons, als werk van willekeur en onwaarheid, zonder diepte en
inwendigen samenhang. Immers, niettemin bewijst de auteur zijn bewering. Deodaat
is een zeldzaam voorbeeld van kalme hartstochteloosheid. Madzy - een aardig
meisje anders - en Deodaat wijken nergens van de stilzittende wijsheid af.
Taal en Letteren. Jaargang 2
4
Deodaat is in éen woord: een Tugendheld. En hij is ten volle waardig, dat, terwijl hij
geen enkele poging daartoe te werk heeft gesteld, hij aan Aylva, zijn vader, en hem
Madzy in de armen wordt geworpen. Gij behoort overtuigd te zijn, dat dit de
natuurlijke belooning is eener deugd, waarop letterlijk niets valt te zeggen. Reinout
en Adeelen echter, die hartstochtelijken, moeten hun on-Hollandschen aard leelijk
bezuren. Is het beruchte motto dan toch natuurwet? De lezer heeft reeds begrepen
hoe de vork aan den steel zit. De Intrigeroman kan alles bewijzen. Hij is een droom;
de natuurwet is er buiten dienst gesteld. De schrijver had, door andere verwikkelingen
te bedenken, even gemakkelijk het tegendeel kunnen bewijzen, en een vernuftig
lezer phantaseert nog een deel verder en helpt Reinout aan valsche zoonsrechten
en Madzy aan den verkeerden echtgenoot.
Het is zeker, dat een goed aantal lezers ons van antipathie tegen den Ridder van
Verona beschuldigt. Zij gevoelen zich bevoorrecht in het bezit van vrienden, die op
Deodaat gelijken in beminnelijke zachtheid en aangeboren aesthetische vormen,
van wie men, zoo goed als van edele vrouwen, kan leeren ‘was sich geziemt’; óók
menschen zonder overmaat van hartstocht en geestdrift, maar met evenwicht van
ziel en harmonie van karakter. Hun adeldom, als de adel van Deodaat, moge ten
deele voortspruiten uit zekere traagheid, - adeldom is het en blijft het. Wij stemmen
toe dat de verongelijkte tot een uitnemend soort behoort, een soort juist dat niet aan
ijdelheid lijdt en zich noch in zelfverheffing te buiten gaat, noch zich op goed gedrag
en getuigschriften beroept, het soort, dat zonder veel schermutselens, zijn weg
maakt, al pleegt het toeval hun niet gunstiger te zijn dan anderen lieden. Het is zijn
schuld niet, dat hij poseert. Maar de schuld van den auteur en de erfzonde van het
boek wordt, met dit toe te stemmen, niet doorgehaald. De Deodaat van den roman
is niet de Deodaat, dien gij veelzijdig leerdet kennen en uwen vriend noemt.
Heeft Van Lennep het wel zoo ernstig met het lesje van zijn Inleiding bedoeld?
Laat ik deze vraag, voor we haar beantwoorden, toelichten. Groote dichters inspireert
de Idee, d.i. het typisch-noodwendige in hunne aanschouwing. Wie er aan twijfelt,
ga tot Shakspere en Dickens en Zola. Ze onthullen ons de eeuwige vormen der
natuur, niet als abstracte schimmen, maar levend, persoonlijk: Alles neu und doch
immer das Alte. Niet alzoo met den Intrigeroman. Wel kan hij een stelling
vooropzetten, door zijn maker als levenservaring beaamd of logisch juist bevonden,
of als partij- en secteleus gevoed, een stelling waar of onwaar; niet of slechts
onduidelijk en onzeker, als idee aanschouwd, niet
Taal en Letteren. Jaargang 2
5
hem geopenbaard door dichterlijke intuïtie. De Roman wordt dan de illustratie dier
stelling, een plaatje, niet voor alle volwassen menschen. Is Van Lennep op deze
wijze te werk gegaan? Wij voor ons gelooven, dat het plaatje eerst werd geteekend
en gekleurd, om daarna in het ‘wachten en stil zitten’ een niet ongepast onderschrift
te vinden. Voor het boek komt het, helaas! op hetzelfde neer. De jaren 1830-1840
waren het overgangstijdperk der Nederlandsche Romantiek; de Roos van Dekama
is van 1836 en draagt de kenteekenen van zijn tijd. De Gids toonde in zijn recensie
aan, welk een kloof er gaapte tusschen het onnationale verhaal uit de dagen van
Willem IV, den Henegouwer, en de overtuiging van het tijdschrift-zelve, dat een
voorwaarde eener oorspronkelijke litteratuur in het nationaliteitsbewustzijn van den
kunstenaar gelegen was. Behalve door dit te flauw besef van het eigenlijke
Nederlandsche, verraadt de roman zijn samenhang met het tijdvak van 1830 door
zijn verwantschap met de levenswijsheid, waarvan Van der Palm de ideale
vertegenwoordiger mocht heeten. Wij behoeven haar niet met fijne trekken te
karakteriseeren. Ons volk zat uit te rusten. De vermoeienis was zoo groot geweest,
dat men eensgezind besloten had, vooreerst gezellig en stil thuis te blijven. Het was
een zeer zoete rust in het nette huisgezin. Iedereen bijna was er volmaakt tevreden.
Tevredenheid werd het kenmerk van elk behoorlijk mensch. Knorrigheid werd
menschonteerend. God is goed en de menschen zijn zijne kinderen; hoe kunnen
de kinderen van zulk een vader, bij een weinig nadenken, absoluut slecht zijn! Het
was er niet ondegelijk; er tierden velerlei deugden en deugdjes. Evenals in zekere
respectabele huisgezinnen in den gezeten burgerstand, waar vader en moeder bij
instinct vijanden van Socrates en het nasporen van den oorsprong onzer begrippen
zijn, maar tevens stevige zuilen, onder vriendelijk klimop verborgen, van welvaart
en orde. Gelijk echter bij de kinderen in zulke ordelijke en ordentelijke huishoudens
groot geworden, trok niemands hart naar 't geen er buiten den meetkunstig bepaalden
cirkel lag. Men was hoegenaamd niet romantisch; geenerlei verlangen naar 't
onbekende; traditie en autoriteit waren, anders dan in onzen tijd, woorden van
goeden klank. Den Catechismus der middelmaat te beleven viel niet moeielijk; geen
wonder dat men zijn kalme levenstaak als de vervulling eener plichtenleer opvatte.
Het achttiendeëeuwsch besef der menschelijke voortreffelijkheid getuigde nog
krachtig. Hoe kon de goede mensch anders dan goed zijn: ergo was hij zich-zelf
ten voorbeeld en hij had slechts zonder opwinding en overspanning te leven, om
op de natuurlijkste wijze in den hemel te komen. Inderdaad laat zich de gansche
toenmalige levenswijsheid als in
Taal en Letteren. Jaargang 2
6
een Kort Begrip samenvatten met het motto uit Rodenburgh, door Bakhuizen, den
Gidsman, een onbelangrijke stelling genoemd: ‘Fortuyn liefst hem besoeckt die
wacht en stille zit.’ Men vergete niet, dat naar Oud-Israëlietische beschouwing, de
lamp der goddeloozen uitgaat en het licht der rechtvaardigen helder brandt en de
onderdanen van Koning Willem den Eersten het op dit punt volkomen met het Oude
Testament eens waren, zonder daarom in het vette der aarde juist hun hóógste heil
te zoeken. In 1835 waren de Families Stastok en de heeren van Naslaan nog goed
en wel onder de levenden. Jan Critiek had zijn broeder nog niet Jan Salie gedoopt.
Al wat in de zeden dezer idylleachtige samenleving stoornis bracht of dreigde te
brengen en op hartstocht geleek, was nog uitheemsche contrabande, een
verdraaidheid van geest, epidemische krankheid onder de baardeloozen van
toenmaals. Van Lennep opgevoed in een kring waar de achttiende eeuw op het
schoonst nabloeide, in de school dezer tamme wereldwijsheid en huiselijke
metaphysica groot geworden, Van Lennep, voor wiens oog het ancien régime zich
in zijn volle verstandigheid en schoonheid vertoonde, als natuurlijk uitvloeisel van
's menschen edelen aanleg, heeft, zooals bekend is, nooit geheel met zijn opvoeding
gebroken. Maar tevens was hij een hoofdman van het Jonge Holland, voorstander
en geloovige van de nieuwe bedeeling. En dit dualisme spiegelt zich eigenaardig
in zijn roman van 1836 af. Van Arkel zou in de familie van Van der Palm slechts
ongelukken kunnen begaan, en toch is deze Van Arkel Van Lennep-zelve. Stel
tegenover Van Arkel Deodaat, stel hem ook tegenover Willem den Vierden: deze
laatste de fierste Ridderlijkheid en hooge Vorsteneer aanschouwelijk geworden, de
eerste de geboren ontkenning van conventie, gebruik en traditie, de luim die zich
boven goddelijke en menschelijke wetten verheven rekent, in persoon: Deodaat de
zoon van Vader Jacob, eenmaal een der veelbelovendsten onder zijne kindertjes,
nu meer dan een net jongmensch, het ideaal eener zedelijke opvoeding. Met de
middeleeuwen heeft Deodaat, zoomin als Madzy, iets gemeen; hij is een neef van
Charles Grandison, gelijk zij een nichtje van Saartje Burgerhart. Aylva heeft al het
typische van de Eerwaardigen, die jongelingen als Deodaat, ten tijde dat Van Lennep
opgroeide, tot Mentors verstrekten. Ontstentenis van allen hartstocht kenmerkt hen
drieën; alleen moet bij Aylva nog de bezadigdheid van een gezetten leeftijd in
rekening worden gebracht; met welk een kalmte gaat Deodaat de galg te gemoet,
met welk een berusting wacht hij op den kloostertoren de komende dingen af; en
onderscheidt Madzy zich te Utrecht en elders niet door dezelfde practijk van wachten
en stil zitten? Voor hen is
Taal en Letteren. Jaargang 2
7
deugd geen strijd. Zoo zij nooit en nergens een duim breed afwijken van de algemeen
als vereerenswaardig erkende beginselen van betamelijkheid, het is tengevolge
eener zekere hoeveelheid visschebloed in hunne aderen. Voor de eene helft is de
Roos van Dekama nauw verwant aan Ferdinand Huyck en, met den Huyck, aan
den Briefroman der voorgaande eeuw. De voortreffelijkheid van het laatste boek
boven het eerste valt hiermede in 't oog. Het eene, nog afgezien van andere
dubbelzinnigheden, kleedt de achttiende eeuw in middeleeuwsch kostuum, een
anachronisme dat de haren te berge doet rijzen; het andere, geen vermenging van
tweeërlei beschaving, is de voorstelling van een echte aanschouwde en begrepen
werkelijkheid, waarin het uitwendige het natuurlijk omhulsel van het inwendige is. Zeker is het opmerkelijk, dat Van Lennep, toen hij zich met de verbeelding in de
veertiende eeuw verplaatste, de Ridders en Jonkvrouwen in de gedaante van
Hollandsche burgerknapen en jongedochters uit zijn eigen overgangstijdperk zag
figureeren. Waarom heeft hij den Graaf en den Bisschop niet tot hoofdpersonen
verheven? Hij had, krachtens een Hollandsche voorkeur, tot leus gekozen: Geen
exceptioneele personen, menschen van gelijke beweging. Onder de zoodanigen
verstond hij toenmaals nog de Deodaats, de Madzy's, de Aylva's. Aan deze modellen
hadden hij en al zijn tijdgenooten nog meer of min deel; de ouderwetsche maatstaf
was nog gangbaar. Het Byrontype, van de maagschap van Werther, Rousseau en
Chateaubriand, was in onze litteratuur reeds opgetreden, maar als een weinig
begrepen vreemdeling. Vragen we echter tevens: waartoe schiep Van Lennep dan
een Van Arkel, een Willem IV, menschen wier bloed blijkbaar zoo veel anders is
samengesteld, wier hart zoo veel sneller klopt? Een opmerkzaam lezer van den
roman heeft met het antwoord geen moeite. Omdat de schrijver met zijn tijdgenooten
in den roman niet voortkon, gelijk het Jonge Holland niet met hen voortkon op de
paden der nieuwere Romantische Litteratuur. Er viel met hen geen roman te beleven.
De stelling van ‘Niet Exceptioneel’ zegt van het standpunt der zuivere kunst, te veel
en te weinig; zonder nadere omschrijving en bepaling is zij waar en onwaar tegelijk.
Maar de Inleiding van De Roos van Dekama had haar in allen gevalle beter
gezwegen, voor hen die nog niet, op de wijze van Hildebrand, later (Familie Stastok),
over een afrekening met hun vaders en grootvaders dachten. Het exceptioneele in
onartistieke beteekenis behoorde voorshands nog een oefenschool der verbeelding
te blijven. Halverwegen gekomen trok Van Lennep zijn hart van Deodaat af. Op het
eind van het eerste deel brengt hij hem op een ziekbed achter de schermen; in het
laatste hoofdstuk van
Taal en Letteren. Jaargang 2
8
het tweede stelt hij hem ter elfder ure voor als genezen, in staat zijn 'faits et gestes'
voort te zetten; straks brengt hij hem tot nader order op een toren in verzekerde
bewaring, vervolgens in een klooster en als hij zich andermaal aanmeldt, laat hij
hem in monnikspij en kap aan de deur staan. Geloof niet dat deze vertooning toevallig
is. Het is zooals Bakhuizen opmerkte: ‘Wachten en stil zitten! - wie in dat tijdvak
dáárin lust had, ontweek het gewoel der wereld en dook weg in de duisternis van
het klooster.’ Ongetwijfeld heeft des Ridders geestelijke vader hier zelf iets van
gevoeld, alleen heeft hij er de voorkeur aan gegeven hem ten slotte tot heerboer te
bevorderen. Zoo schreef hij dan eindelijk, stellen wij ons voor, met ernstig gebaar
maar niet zonder heimelijken glimlach, dat men inderdaad in het leven gelijk in den
roman het best doet met wachten en stil zitten, tot de gebraden duiven ons in den
mond vliegen. Hij voor zich geloofde in nog andere practijk.
Een romanheld was Deodaat aldus niet. Dit moest van slechte gevolgen voor den
bouw van het verhaal zijn. Niet de hoofdpersonen zelve, maar Graaf en Bisschop
verwekken de duurzaamste voorstellingen in ons. Niet aan hen, maar aan den Graaf
is de meeste kunst te koste gelegd. Niet aan hen, maar aan den Bisschop is de
auteur-zelf te gaste gegaan. In het eerste deel schenken wij den Henegouwer een
belangstelling van beter soort, dan die eigen pleegt te zijn aan de lectuur van den
intrigeroman, waarmede ook Deodaat cum suis zich tevreden moeten stellen. In
deel II bestaan Madzy en Reinout niet om zich-zelf, maar ter wille van den
gemijterden Reinaert. Roepen wij ons den fieren meester aller soldaten voor den
geest, - aanstonds zien wij de zoogenaamde ‘helden’ in de schemering verdwijnen.
Bij dezen geen spoor van zielkundige ontwikkeling. Met welk een zorg echter wordt
de verandering in Willem's gezindheid jegens de Friezen van moment tot moment
gevolgd; met welk een nauwgezetheid moment na moment voorbereid en
gemotiveerd, tot zijn eindbesluit geboren wordt, lang door den lezer voorzien, toch
met spanning verbeid en met een voorgevoel van tragisch genot begroet. Een
noodlot immers, buiten en boven hem, drijft Graaf Willem voort. Adeelen is het
instrument in de hand van dat noodlot; Adeelen's wrok de daemon, die niet aflaat
het hooggevoelend ridderlijk gemoed te prikkelen tot steeds stijgenden toorn, een
toorn steeds weer bedwongen, nooit gevoed, en die het des ondanks ten verderve
moet voeren. Schitterend zegepraalt de kunst des auteurs over ons ongeloovig
modern gemoed. Waarom zou hij in Friesland niet als altoos overwinnen? Geen
bedenking van zielkundigen aard kan deze vraag ontzenuwen. Niettemin gelooven
wij aan het fatum van zijn
Taal en Letteren. Jaargang 2
9
ondergang met religieuze zekerheid; ons negentiendeëeuwsch natuurkundig verstand
denkt niet aan tegenstribbeling. Ons medelijden en onze vrees vergezellen den
Graaf, doch niet melodramatisch. Aesthetisch heeft hij ons hart gewonnen en onze
verbeelding gevangen gemaakt. Wij beminnen hem, omdat hij schoon is, en
bewonderen dat schoone om zijn zelfbewuste kracht en fierheid. Wij willen zijn
ondergang; onze verbeelding wil den tragischen val van het schoone, ons door den
kunstenaar in het verschiet gesteld. Gelijk alle geloof, ontspringt ook dit tijdelijk
geloof in het Fatum uit de behoefte om te gelooven. Aesthetische behoefte, het
voorgevoel dat medelijden en vrees zich straks ontslaan zullen van het pijnlijk
bewustzijn der onmacht, zullen overgaan tot het berustend op zich nemen van het
algemeene lot; dat de wanklanken van het kwaad en de smart zich in het
verzoenende eener symphonie van verheven schoonheid zullen oplossen, - de
behoefte aan die aesthetische verzoening is het die ons verstand tot gevangene
van het Antieke Noodlot maakt. - Een goed uitgangspunt, lezer, om hem die als
kind van dezen tijd niet meer begrijpt wat geloof is, het wezen des geloofs te
verklaren. Tevens blijkt hier dat gemoed en phantazie op het gebied der kunst niet
altijd in overeenstemming zijn met de verstandelijke wereldbeschouwing. Gewillig
begeven wij ons onder den invloed der nimmer zwijgende voorspelling, die, in
contrast met schitterende feestvreugde en vroolijken humor, over alles een stemming
van geheimzinnigen weemoed verbreidt. En juist dat ook Willem die
noodlotsstemmen niet veracht en toch den oorlog in zijn noodwendigheid met vrijen
wil aanvaardt, getrouw aan vorstenplicht en riddereer, het fiere hoofd niet buigt voor
het dreigen der profetie en met ongeschokt zelfvertrouwen zijn eerzucht als een
roeping volgt, den innerlijken drang naar grootheid en roem hooger achtend dan de
waarschuwing der sterren tot onderdanige beperking, - juist deze identiteit van
vrijheid en noodwendigheid ontneemt het Fatum het spookachtige eener valsche
‘schicksalstragödie’, verheft den held boven zijn noodlot, verheft ons boven den
druk van het leven, wijst Van Lennep onbetwistbaar een plaats onder de kunstenaars
aan. Het is hier geen intrigeroman, geen marionettenspel; hier is een mensch: een
groot doel en een groot lot.
Maar bedenk nu dat Willem geen hoofdpersoon is en wij, om hem, de
hoofdpersonen vergeten zijn.
En pas zijn wij het onbetaalbare tweede deel begonnen, of ook Willem is vergeten,
en met hem al de aantrekkelijke tafereelen en tooneelen, die onze oogen
voorbijtrokken. Van Arkel treedt op en eischt voortaan zoo niet alle belangstelling,
dan toch alle bewondering, in een bonte
Taal en Letteren. Jaargang 2
10
rij van tooneelen, voor de genialiteit zijner slimheid. Hij is de man naar Van Lenneps
hart, Van Lennep-zelve. Hij is het genie van de luim, aan wien vader Syard en
Barbanera, Madzy en Reinout meedoogenloos worden overgeleverd. Alle indrukken
concentreeren zich in hem en deze totaalindruk staat in geenerlei verband met den
hoofdindruk van het eerste deel. De persoon en het lot van den graaf in het eene;
de persoon van den bisschop in het andere trekken, ieder voor zich, alle aandacht
tot zich. Ondertusschen is men, lezende, gaan gevoelen, dat er iets beters is, dan
willekeurige intrige en lijdelijke lotgevallen, verdichtsels van de luim eens schrijvers.
Waar is Deodaat gebleven? Hij bestaat al niet meer voor u; doch zie, daar duwt de
man in de poppekast hem even naar voren, om Madzy, die haar rol hiermede eigenlijk
heeft afgespeeld, bijna een kus te geven en een overtuigend bewijs te verstrekken,
dat wij een roman voor ons hebben zonder spil, zonder hoofdlijn. In deel III zal de
auteur hem dien kus werkelijk doen geven. Interesseert het u nog? Belangrijker
gebeurtenissen wachten ons daar: de redding van Friesland en de vervulling van
Willem's Fatum! Het lot van het boek als kunstwerk wordt er tevens beslist. Van
Arkel maakt weer plaats voor den Graaf, en deze wreekt zijn tijdelijk
verdonkeremanen op den roman, door zijn belofte na te komen en, in volle
schoonheid andermaal optredend, de katastrophe waarmee zijn aardsche loopbaan
eindigt, tot het alles overschijnend glanspunt van De Roos van Dekama te verheffen.
De schildering van den rampzaligen ondergang der Hollandsch-Henegouwsche
heerlijkheid, besloten door dat onvergetelijk tafereel van 's Graven uitvaart behoort
buiten kijf tot het beste wat de Nederlandsche Romantiek heeft voortgebracht.
Beurtelings en te zamen grijpen het verhevene en het diepsombere ons aan en
overmeesteren de ziel met een klem, die door geen Deodaat, Reinout of Madzy,
die hoofdpersonen, meer behoeft aangezet te worden: de zegepraal van Van
Lenneps kunst telt alle lezers hier onder de juichenden. Is deze toejuiching de
hoogste lof ook? Of sluit zij een veroordeeling in? De geweldige tragedie van Willem
den Vierden in den strijd met natuur en menschen, zijn uitvaart als slottooneel van
den Odulphusslag werken met de kracht van een hoofd- en slotindruk. Zoo het maar
hoofd- en slottooneel van een eigen geheel mocht zijn! Ware het nu geen onderdeel
slechts in de geschiedenis van een viertal menschen, dat voor drie vierde wacht en
stille zit en voor één vierde vergeefs belangwekkend zoekt te zijn, door hartstocht
die machtelooze zwakheid is. De voortzetting van 't verhaal na den slag en den
storm, maakt den indruk van een toegift. De quasi-helden bekoopen hun aanmatiging,
Taal en Letteren. Jaargang 2
11
het uit te willen zingen tegen den Graaf, met af te moeten dalen tot den rang van
bijpersonen, par acquit de conscience, ter wille van den belangstellenden lezer,
door den auteur nog even tot hun bestemming gebracht. Wat boeit u ook de
wederkomst van Bianca die Salerno, ons van den beginne af ver en vreemd
gebleven, nu gij eenmaal weet, dat bij Van Lennep alle dingen mogelijk zijn? En
toch voelt ge de gewaarwordingen waarmede de tragedie u vervulde, weer
verzwakken, als die hoorn des overvloeds van indrukken zich over u uitstort, - toegift,
zooals we haar noemden, - indrukken van grotesken humor en aangenamen boert,
indrukken die op geenerlei wijze de diepte van het gemoed beroeren en toch den
verheven jammer van Graaf Willem op den achtergrond dringen.
Is het noodig ons ongunstig oordeel in fijnere bijzonderheden te staven?
Onophoudelijk wordt onze belangstelling heen en weer geslingerd. Het is een
belangstelling als een lappendeken. Het is een bonte kaleidoscoop van indrukken,
zonder middelpunt en eenheid. Wij moeten eerlijk bekennen: De Roos van Dekama
is een boek zonder eenheid, het is als kunstwerk mislukt, ondanks veel kunst, omdat
zijne deelen geen organisch geheel vormen.
Hoe te verklaren, dat deze roman, bij zijn verschijnen met bewondering en
verwondering ontvangen, is blijven boeien en ook door ons nog bij elke nieuwe
lezing genoten wordt? Over deze vraag is elders breedvoerig gehandeld; thans
wilden wij handelen over het samenstel van het geheel; het antwoord mag kort zijn.
Het is omdat Van Lennep-zelve onder de helden van zijn boek is, wat zeggen wij?
de held bij uitnemendheid! In geen zijner werken heeft hij zoo onbezorgd, zoo
moedwillig verbeteren misschien enkelen, heeft hij zoo ongedwongen en ongemaakt
zich-zelven gegeven. Wandelt hij niet met zijn helden mede, zit hij niet met hen aan
tafel; woont hij niet als één hunner de middeleeuwsche feesten bij, heeft hij niet,
gansch op zijn gemak, zitting in hun vergaderingen, met ondeftige deftigheid?
Handhaaft hij hier niet (als in de gezelschappen zijner negentiendeëeuwsche
tijdgenooten), voor zoo menige goede uitkomst door zijn vernuft uitgedacht, zijn
aangeboren privilegie, terwijl hij allen aansteekt met zijne vroolijkheid, allen bij beurte
in 't zonnetje te zetten en tot speelbal van zijn luim te maken, of gezamenlijk in den
Jan-Pleizier van zijn foplust plaats te doen nemen? Nergers als hier genieten wij in
die mate, niet de orde van een welgebouwd kunststuk in de welberekende
verhoudingen en betrekkingen der indrukken, - maar de persoonlijkheid van den
auteur. De Roos van Dekama kan niet verouden, omdat hij overvloeit van het prettig
Taal en Letteren. Jaargang 2
12
Optimisme der jeugd en op elke bladzijde schier het schalksche oog van den auteur
en de vriendelijke mond met den snaakschen trek ons verwelkomen.
Mocht deze of gene ons tegenwerpen, dat niet de stempel van Van Lenneps
individualiteit alleen onzen roman zijn bekoring verleent, - wij-zelve noemden reeds
de kunst, die Graaf Willem in 't leven heeft geroepen, en hebben haar op hoogen
prijs gesteld. En deze waardeering is inderdaad gemakkelijk te verantwoorden.
Meesterlijk is de opvatting van den Graaf in het eerste deel in het laatste
volgehouden. Hier is eenheid, gelijk ook de rol die de Bisschop in Utrecht speelt, in
Friesland verrassend tot haar recht komt. Heeft onze moderne twijfelzucht het
voorloopig moeten opgeven tegen het geloof in een bovennatuurlijke macht, onder
de schildering van den storm en den slag reikt die twijfel ridderlijk den degen over
en stemt toe dat zijn tegenstander iets meer is dan een boeman om kinderen naar
bed te jagen. Wat is het plan, dat de kunst slechts had ten uitvoer te leggen, om
zich zulk een overwinning te verzekeren? Zij heeft ons onder den indruk willen
brengen dat, wat naar de berekening der gloriezucht een onderneming tegen
menschen scheen, waarbij de wisselvalligheid van het krijgsgeluk slechts duurzamer
eer beloofde, werkelijk de gang was van den ijzeren noodlotswil. Dit is haar gelukt.
Wij zien den tocht tegen de Friezen in een geweldigen strijd tusschen Natuur en
mensch verkeeren. Als de hagel op de daken van Aylva-Stius klettert en
onophoudelijke bliksem en donder verkondigen, dat de storm zijn geweld verdubbelen
wil en Aylva zijn vreugde uit met de woorden: ‘Een heerlijk weer; zie, de hemel strijdt
met ons!’, dan ligt er in die vreugde iets ontzettends voor den lezer, dat het
ingesluimerd voorgevoel wakker schudt. Straks voert de verbeelding ons naar de
grafelijke vloot en haar prachtigen aanblik. ‘Ach, weinig dachten zij, die moedige
ridders en baanrotsen, dat de blijde disch waarom zij zich onder luide gezangen en
schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg.’ Maar Willem kwelt
een geheime zorg. Te midden van de tooneelen der onbezorgdheid heeft de auteur
daar met meesterlijken greep dien drinkbeker met zijn onheilspellende vermaning,
een hoorn des onheils, geplaatst. De voorspelling is een element van zijn innerlijk
leven geworden. Uitmuntend geteekend is die zelfbeheersching in haar te kort
schietend verzet tegen zenuwachtige gejaagdheid. Het fiere zelfvertrouwen is
ondermijnd. Nog is de storm niet opgedaagd en reeds is in Willem het duister besef
ontwaakt, dat de hemel-zelve den strijd tegen hem gaat aanbinden. Er is een macht
boven hem, den meester van alle soldaten. Geen menschelijke
Taal en Letteren. Jaargang 2
13
kunst vermag den wil der winden onder zijn gebied te brengen. De Natuur kent geen
onderscheid des persoons; aan het spel der golven prijs gegeven, zijn de Graaf en
zijne leenmannen gelijk; de kostbare heerlijkheid, waarin de machtigen hun
meerderheid ten toon spreiden, acht zij niet. Op de wateren heeft straks de
onvermijdelijke ontmoeting met het Fatum plaats, de ommezwaai die de katastrophe
voorbereidt. Die katastrophe-zelf is geen slag van menschen tegen menschen om
de eer van den oorlogskans: aan het bloed der Friezen heeft de beroering der Natuur
zich medegedeeld, de storm is in hunne harten gevaren, de mensch is daemon
geworden: Het is de laatste worsteling van 's Graven fierheid met de ontketende
natuurmachten. Zoo hier echter slechts ééne overwinning mogelijk was, het is ook
de verheffing van het schoone in zijn tragischen ondergang. Daarom mocht de Graaf
niet vallen door de hand van Adeelen; moesten vijftig knotsen hem onbekend
verpletteren, opdat niemand zeggen mocht zijn sterkere te zijn geworden. De fout
van het tweede deel, waarin de foplust van Van Lennep ons, in de gezellige drukte
der intrige, de betrekking van den kerkvoogd tot zijn wereldlijken Heer, als
medestander en dienaar van het Fatum, te zeer uit het oog deed verliezen, wordt
op verrassende wijze hersteld op het oogenblik, dat wij den Bisschop aantreffen te
midden der Hollandsche vloot en den welbekenden Van Arkel in hem herkennen.
Zoo kan men bladzijden vullen ten bewijze, dat de schrijver met groote juistheid
zijne voorstellingen geobjectiveerd heeft, overal waar het hun niet aan bepaaldheid
ontbroken heeft. Terloops herinneren wij aan de gadeloos levendige schildering van
feestmalen, tournooien en vergaderingen, van het huiselijk leven op Aylva-stins en
het zuiver Nederlandsche in zijne landschappen. Is er ook van karakterontwikkeling
weinig te bespeuren, - Reinout wekt een medelijden zonder sympathie, hij is noch
goed, noch slecht, bij gemis van het rechte leven onpoëtisch, - de karakterteekening
is, in haar typische manier, dikwijls ver van verwerpelijk. De Bisschop en de abt van
St. Odulf beloonen de moeite der bestudeering. Zorgvuldig is de ontwakende liefde
bij Deodaat en zijn zelfstrijd weergegeven. Geblaseerdheid alleen ontzegt Madzy
zekere aantrekkelijkheid. Ook den Friezen is over 't algemeen, Adeelen in de eerste
plaats, verdienstelijke karakteristiek ten deel gevallen. Madzy verloochent doorgaans
de eigenaardigheden harer Friesche afkomst niet. Het moge aan den lezer verblijven
deze opmerkingen te vermenigvuldigen en te illustreeren.
Wij hebben thans ons plan ten uitvoer gelegd. Een boek dat leerzaam is door
zijne fouten en zijne deugden beide, hebben wij uit het
Taal en Letteren. Jaargang 2
14
oogpunt van den vorm van enkele zijden beschouwd en wij trachtten den lezer
daarbij sommige letterkundige denkbeelden aan te brengen of bij hen te verhelderen.
Gelukkig, dat Van Lenneps roman tegen een stootje kan! Onze beoordeeling kon
niet alzijdig zijn. Zij omvat niet het geheele boek; niet al zijne eigenschappen stelt
zij in het licht. Wij konden ons niet bezighouden met den persoon van Van Lennep,
die zich allerwegen in zijne werken uit. Zoo kon ook aan den Humor, die de
karakteristiekste eigenschap is van De Roos van Dekama, geen recht gedaan
worden. Zonder het besef echter van het individueele, het persoonlijke, derft het
litterair kunstgenot (als in de schilderkunst en de muziek) zijn fijnste aroma. Zoo
men dit aroma niet te genieten weet, blijft men, ook bij het scherpste inzicht in de
gebreken der samenstelling, tegenover een roman als deze een vreemdeling. Dat
de belangstellende lezer zich elders schadeloos stelle voor 't geen wij hem hier
1)
onthouden moesten.
V.D.B.
Sprokkel
Bestkoop.
e
In een der laatste afleveringen van het groote woordenboek (V, 3 afl., blz. 365)
wordt omtrent de trappen van vergelijking van goedkoop vermeld, dat aan beterkoop
(naast goedkooper) ‘geen recht van bestaan (mag) worden ontzegd’. Daarop volgt:
‘Bestkoop evenwel komt althans in de litteratuur niet voor’.
Dit laatste is niet juist. Huygens schrijft in zijn Spaensche Wijsheit (Koren-bloemen,
1658, bl. 1170):
‘Van Hoeren en van as-graeuw laken,
't Best daer men best koop aen kan raecken’.
R.A.K.
1)
Over het persoonlijke en den humor in De Roos van Dekama hebben wij vroeger uitvoerig
gehandeld in de tijdschriften ‘Noord en Zuid’ en ‘Gids v.d. Onderwijzer’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
15
Iets over den superlatief.
(Naar aanleiding van eene examenvraag.)
Bij het schriftelijk examen voor de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer, in
den zomer van dit jaar te 's-Gravenhage afgenomen was een versje van Beets
opgegeven, waarin ook eenige onderstreepte woorden taalkundig moesten worden
ontleed.
Onder die woorden kwamen twee superlatieven voor in de versregels:
Zijn hooggevierden naam naar namen te vernoemen,
Die de Oudheid grootst en roemrijkst had.
Natuurlijk heb ik geen der ontledingen gezien, maar wanneer ik naga, wat in de
gebruikelijke spraakkunsten ten opzichte van het gebruik van den superlatief geleerd
wordt, dan kan ik mij voorstellen, hoe menige candidaat, die bij zijn handboek zweert,
met die beide woorden totaal verlegen heeft gezeten. De spraakkunsten toch
beginnen de superlatieven te onderscheiden in twee soorten: den bijvoeglijken en
den bijwoordelijken superlatief, waarvoor we als voorbeeld kunnen nemen de vormen:
de hardste en het hardst. Nu, dat het bijwoord hard in den superlatief geen anderen
vorm kent dan het hardst, is duidelijk, maar de superlatief van het bijvoeglijk
naamwoord levert meer moeielijkheden op. Bekend is het toch, dat zoowel het hardst
als de hardste bijvoeglijk naamwoord kunnen zijn, en nu komt het er op aan, vast
te stellen, wanneer de eene, wanneer de andere superlatiefvorm gebezigd wordt.
In de aanwijzing van dat onderscheid in gebruik komen de spraakkunsten vrij wel
met elkander overeen. De eene doet het alleen wat duidelijker dan de andere. Zoo
lezen wij b.v. in de Beknopte Nederl. Spraakleer van C.G. Kaakebeen, blz. 98, §
175: ‘De superlatief kan bijvoeglijk en bijwoordelijk zijn. In het laatste geval is hij
onverbuigbaar en wordt gewoonlijk door het of een bezittelijk voornaamw.
voorafgegaan. B.v.: Gij schrijft het mooist, enz. - Men lette op het verschil tusschen:
Mijn vriend is 's winters het gezondst. - Is de mensch in zijne jeugd het gelukkigst?
en: Hij is het gezondste mijner kinderen. - Is
Taal en Letteren. Jaargang 2
16
de mensch het gelukkigste wezen? - In beide gevallen zijn de superlatieven
betrekkelijk, doch de eerste twee zijn bijwoordelijk, de laatste bijvoeglijk. De
bijwoordelijke superlatief onderscheidt zich hier weder van den bijvoeglijken door
zijne onverbuigbaarheid.’ Waarin nu het verschil in gebruik gelegen is, zegt de
schrijver niet; hij raadt slechts aan, er op te letten. Uit de voorbeelden echter blijkt
duidelijk, dat hij het verschil op dezelfde wijze wenscht op te vatten als b.v. geschiedt
in de Nederl. Spraakkunst van P. Kat Pzn., blz. 173, § 576: ‘Men onderscheidt den
bijvoeglijken van den bijwoordelijken superlatief. Den eersten bezigt men, wanneer
men zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde hoedanigheid met elkander
vergelijkt: Deze man is de knapste van al de werklieden. - Vergelijkt men echter de
hoedanigheid van denzelfden persoon of dezelfde zaak op verschillende tijden of
in verschillende omstandigheden, dan bezigt men den bijwoordelijken superlatief:
Deze jongen is het tevredenst, wanneer hij aan den arbeid is. - De rivier schijnt bij
hare kromming het diepst te zijn. - De superlatieven het tevredenst, het diepst zijn
bijvoeglijke naamwoorden, terwijl de superlatiefvorm met dien van 't bijwoord
overeenkomt.’
In de Spraakkunst van T. Terwey wordt het verschil in gebruik nagenoeg op
dezelfde wijze aangegeven.
We lezen daar n.l. blz. 79, § 185: ‘De overtreffende trap is de vorm des adjectiefs,
die aanduidt, dat eene zelfstandigheid, vergeleken met ééne of meer andere, eene
hoedanigheid in de grootste mate bezit;’ en op blz. 80: ‘Nog verdient opgemerkt te
worden, dat men den overtreffenden trap van het bijwoord als bijv. naamw. gebruikt,
wanneer men den toestand van ééne zelfstandigheid vergelijkt met een
gelijksoortigen toestand onder andere omstandigheden: Hij is het gelukkigst, wanneer
hij rustig kan werken. Verg. hiermede: Hij is de gelukkigste van alle menschen.’
Trachten we nu, aan de hand van die Spraakkunsten, de opgegeven superlatieven
grootst en roemrijkst te benoemen, dan geraken we in moeielijkheden. De vormen
komen overeen met die van het bijwoord, dus zouden moeten worden ingedeeld
bij de bijwoordelijke superlatieven. Gaan we echter de beteekenis na, dan zien we
dat hier de bedoelde namen, die de Oudheid had, ten opzichte van de
hoedanigheden groot en roemrijk vergeleken worden met alle andere namen, die
de Oudheid had; we hebben hier dus een geval, waarin volgens het in de
Spraakkunsten gegeven onderscheid, de superlatief van het adjectief moet worden
gebezigd. De ter ontleding opgegeven vormen zijn dus in strijd met wat in het
handboek geleerd is; - voor den candidaat een lastig geval.
Taal en Letteren. Jaargang 2
17
Als van zelf doet zich nu de vraag voor: Waar zit de fout? In het voorbeeld of in de
Spraakkunst? De beantwoording van die vraag is het doel van dit opstel.
Zat de fout in het voorbeeld, d.w.z. had de dichter hier vormen gebezigd, die in
goed Nederlandsch niet gebruikelijk zijn, dan zou het zeker niet gemakkelijk zijn,
nog meer voorbeelden van dat verschijnsel bij te brengen, doch - het
tegenovergestelde is het geval. Beschouwen we slechts de voorbeelden:
Want heerlijk, God! zijn al uw werken,
Maar heerlijkst is uw avondstond! (Tollens.)
Gij, Gij weet het, dat ik nimmer U om rijkdom heb gevraagd;
Dat ik 't rijkst den stervling roeme, die naar rang noch schatten jaagt. (Ter Haar.)
En zoudt gij, Droeven! dan niet klagen,
Nu ge op een open grafkuil staart,
En op de lijkbaar weg zaagt dragen,
Die U het dierbaarst was op aard? (Ter Haar.)
Dan wijze ik u de plekjes, die ik 't bekoorlijkst vond; (Beets.)
Winandermeir en Edinburg zijn wat ik heerlijkst zag. (Beets.)
Vos, van alle dieren zijt gij het slimst. (L. Leopold.)
dan zien we, dat in het eerste citaat de avondstond ten opzichte der hoedanigheid
heerlijk met de andere werken Gods vergeleken wordt; dat men in het tweede den
sterveling, die naar rang noch schatten jaagt, ten opzichte der hoedanigheid rijk
met andere stervelingen vergelijkt; dat in het derde vergelijking plaats heeft tusschen
een afgestorvene en andere vrienden of betrekkingen, ten opzichte der hoedanigheid
dierbaar; dat Beets in het vierde voorbeeld vergelijking maakt tusschen verschillende
plekjes ten opzichte van de hoedanigheid bekoorlijk; dat in het vijfde Winandermeir
en Edinburg ten opzichte der hoedanigheid heerlijk vergeleken worden met andere
plaatsen, die Beets gezien heeft en dat we in het laatste voorbeeld te maken hebben
met eene vergelijking tusschen den vos en alle andere dieren en wel ten opzichte
der slimheid. We hebben hier dus gevallen, waarin men zelfstandigheden ten
opzichte van dezelfde hoedanigheid met elkander vergelijkt, waarin men dus volgens
de Spraakkunsten den bijvoeglijken (d.i. verbuigbaren) superlatief zou moeten
bezigen, terwijl overal de onverbuigbare, door de Spraakkunsten met den naam
van bijwoordelijk bestempelde superlatief gebruikt is. Geen dier voorbeelden strijdt
tegen ons taalgevoel; het gaat niet aan, ze alle fout te noemen, omdat ze in strijd
zijn met het handboek; duidelijk is het, dat de behandeling dier gevallen in de
Spraakkunsten niet geheel juist is.
Taal en Letteren. Jaargang 2
18
Nu rest ons nog, te doen zien, waarin die onjuistheid bestaat en van het onderscheid
tusschen die beide vormen van den superlatief eene andere verklaring te geven.
Waarom noemt men dien onverbuigbaren superlatief bijwoordelijk? De
Spraakkunsten van Kaakebeen en Kat zeggen het in: ‘De bijwoordelijke superlatief
onderscheidt zich hier weder van den bijvoeglijken door zijne onverbuigbaarheid’,
en: ‘De superlatieven het tevredenst, het diepst zijn bijvoeglijke naamwoorden, terwijl
de superlatiefvorm met dien van 't bijwoord overeenkomt.’ Het is dus niets anders
dan de vorm, die den superlatief den naam van bijwoordelijk doet verwerven. Door
dien vorm echter is die naam niet gemotiveerd. De regel: ‘een bijwoord is
onverbuigbaar’ kan toch bezwaarlijk worden omgekeerd tot: ‘een onverbuigbare
vorm is bijwoordelijk.’ Niet alleen, dat er behalve de bijwoorden nog meer
onverbuigbare woordsoorten zijn, maar zelfs als we ons tot het bijvoeglijk naamwoord
bepalen, treffen we onverbuigbare vormen aan. In den zin: De domtoren van
Rotterdam is hoog, maar die van Utrecht is hooger zijn de bijvoeglijke naamwoorden
hoog en hooger onverbuigbaar; toch zal niemand daarin aanleiding vinden te spreken
van een bijwoordelijken positief en een bijwoordelijken comparatief, omdat die
vormen overeenkomen met die van 't bijwoord in: Wie hoog klimt, kan laag vallen
en: Hoe hooger men klimt, des te lager kan men vallen. De bijvoeglijke naamwoorden
hoog en hooger zijn onverbuigbaar, omdat ze praedicatief gebruikt zijn en dat
praedicatieve gebruik, dat we hier opmerken bij positief en comparatief, is ook
mogelijk bij den superlatief. In dat geval blijft de superlatief natuurlijk ook onverbogen,
doch zonder dat er iets bijwoordelijks aan valt op te merken. We kunnen nu, drie
torens ten opzichte der hoedanigheid hoog met elkander vergelijkende, in goed
Nederlandsch zeggen: De domtoren van Rotterdam is hoog; die van Utrecht is
hooger; de Eifeltoren is het hoogst. De benamingen bijvoeglijk en bijwoordelijk,
gegrond op de verbuigbaarheid of de onverbuigbaarheid van den vorm, kunnen dus
moeilijk worden volgehouden. Hoe staat het echter met het andere kenmerk, n.l.
met het onzijdige lidwoord, waardoor de superlatief van het praedicatieve bijvoeglijk
naamwoord, zoowel als die van het bijwoord wordt voorafgegaan? Verklaart men
de aanwezigheid van dat lidwoord, door aan te nemen dat het hoogst eigenlijk een
substantief is in den adverbialen accusatief (Zie Terwey, § 190), dan spreekt van
zelf, dat de uitdrukking naar den vorm bijwoordelijk is, en zou men kunnen zeggen,
dat het praedicatieve adjectief in den superlatief denzelfden vorm aanneemt als het
bijwoord. Zou echter dat lidwoord niet anders verklaard kunnen worden? Zou,
vooropgesteld de gewoonte om elken
Taal en Letteren. Jaargang 2
19
superlatief, ook dien van het attributieve adjectief, van een lidwoord te doen
voorafgaan, de opmerking geheel en al misplaatst zijn, dat daar, waar geenerlei
onderscheid in geslacht te pas komt, n.l. bij het praedicatieve adjectief en bij het
bijwoord, het onzijdige lidwoord beter gebruikt kan worden dan het mannelijke of
het vrouwelijke?
Wat de vormen ten hoogste en op zijn hoogst betreft, die zijn m.i. van geheel
anderen aard. Hierin hebben we een zelfstandig gebruikt attributief bijvoeglijk
naamwoord, dat met een voorzetsel eigenlijk eene plaatsbepaling vormt. We kunnen
dus in den zin hier is de rivier het diepst, het naamw. deel van 't gezegde moeielijk
verklaren door vergelijking met op haar diepst, aangezien we dan eene geheel
andere soort van zin verkrijgen, en wel een zin met een werkwoordelijk gezegde.
Van de wijze van verklaring van dat onzijdige lidwoord hangt dus af, of men den
vorm oorspronkelijk bijwoordelijk noemen zal of niet; bij de behandeling van den
superlatief van het bijvoeglijk naamwoord acht ik het beter, zonder op den oorsprong
te letten, de vormen aan te duiden met de termen attributief en praedicatief.
Hoe staat het nu echter met het gebruik? Wanneer bezigt men den attributieven,
wanneer den praedicatieven superlatief? Daartoe kunnen we het gebruik van den
attributieven en den praedicatieven positief als voorbeeld nemen. Waar het bijvoeglijk
naamwoord als attributieve bepaling staat bij een uitgedrukt substantief, is natuurlijk
geene vergissing mogelijk; men zegt dan met attributieve, dus verbuigbare vormen:
Wij hebben eene ruime woning; gij hebt eene ruimere woning; mijn buurman heeft
de ruimste woning. Dat blijft zoo, indien de te bepalen zelfstandigheid zóó voldoende
bij den hoorder bekend kan worden verondersteld, dat het substantief niet eens
wordt uitgedrukt; we hebben dan: Van woningen gesproken: wij hebben eene ruime,
gij hebt eene ruimere, mijn buurman heeft de ruimste. Deze gevallen zijn duidelijk
genoeg; eene verklaring van het onderscheid in gebruik is alleen noodig, waar we
te maken hebben met een naamwoordelijk gezegde. Het geval kan zich toch dikwijls
voordoen, dat men zoowel het bijvoeglijk naamwoord als naamwoordelijk gezegde
kan bezigen, in welk geval het praedicatief is, als een niet uitgedrukt substantief
dien dienst laten verrichten, waarbij dan het adjectief als attributieve bepaling staat.
Zoo kan men, weder de drie torens ten opzichte der hoedanigheid hoog met
elkander vergelijkende, in plaats van de boven gebruikte voorbeelden ook zeggen:
De toren van Rotterdam is een hooge; die van Utrecht is een hoogere; de Eifeltoren
is de hoogste. Zonder eenig verschil in beteekenis kan men zich bij deze vergelijking
dus bedienen zoowel van den
Taal en Letteren. Jaargang 2
20
attributieven als van den praedicatieven superlatief. Dat is echter niet altijd zoo. Het
geval kan zich voordoen, dat het naamwoordelijk gezegde een bijvoeglijk naamwoord
zijn moet en dat men dus dat adjectief niet kan beschouwen als eene attributieve
bepaling bij een verzwegen substantief. In dat geval is dan het gebruik van den
attributieven positief, comparatief en superlatief uitgesloten. Dat verschijnsel doet
zich voor, indien het toekennen van de hoedanigheid (positief) afhankelijk is van of
alleen geschiedt in bepaalde omstandigheden, een zekeren tijd, enz. of wanneer
de hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid vergeleken wordt (comparatief en
superlatief) met diezelfde hoedanigheid op verschillende tijden of in verschillende
omstandigheden. Zoo zal men in den zin Is de mensch in zijne jeugd gelukkig? het
naamwoordelijk gezegde bezwaarlijk kunnen veranderen in een gelukkige, en is
dus hier het gebruik van het praedicatieve adjectief noodzakelijk; evenmin kan de
praedicatieve comparatief in Is de mensch in zijne jeugd gelukkiger dan op rijperen
leeftijd? veranderd worden in den attributieven een gelukkigere, en evenzoo zal
men in Is de mensch in zijne jeugd het gelukkigst? zich van den praedicatieven
superlatief moeten bedienen en zou de attributieve de gelukkigste daar geheel
misplaatst zijn. Wat dus het handboek leert aangaande het gebruik van den zoogen.
bijwoordelijken superlatief, n.l. ‘dat deze gebezigd moet worden, waar men de
hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid vergelijkt op verschillende tijden of in
verschillende omstandigheden’, is volkomen juist, maar onjuist is de bewering dat
men bij vergelijking van verschillende zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde
hoedanigheid aan het gebruik van den zoogen bijvoeglijken zou gebonden zijn.
Voor het gebruik van den superlatief zou ik de regels aldus willen formuleeren:
1.
De superlatief kan, evenals de positief en de comparatief, zoowel attributief
als praedicatief worden gebruikt. In het laatste geval wordt hij in den regel
voorafgegaan door het onzijdig lidwoord (de hoogste; het hoogst).
2.
Bij vergelijking van verschillende zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde
hoedanigheid kan zoowel de eene vorm als de andere gebruikt worden, naar
gelang men zich in dat geval den positief en den comparatief als attributief of
als praedicatief bijvoeglijk naamwoord kan denken.
1)
a.
Deze toren is een hooge; die is een hoogere, maar gindsche
toren is de hoogste.
1)
Dat deze vorm, ten minste in het Nederlandsch, niet dikwijls gebruikt wordt, sluit daarom zijne
onbruikbaarheid niet in. Bekend is het, dat men zich in het Engelsch meer van dergelijke
uitdrukkingen bedient, ja zelfs achter dien attributieven positief de zelfstandigheid nog eens
aanduidt met het zelfstandige one = een. (This book is a very good one: dit boek is een zeer
goed.) Zoo vinden we ook in het Nederlandsch o.a. bij Mevr. Bosboom-Toussaint: Zijne
gezondheid was eene zeer goede. Opmerking verdient het, dat voor het onzijdig geslacht die
vorm zich bij ons nog minder laat gebruiken dan voor de andere geslachten. J.B.
In het Nieuwfriesch zegt men: hwa is bliidst fen jimme (= wie is h e t blijdste van jullie)? - Det
hinzer rint it hirdst (= dat paard loopt het hardst). Dy tûr is (de) heachst(e) (= die toren is (de)
h e t hoogst(e).
Dy mar is der op syn (it) djypst (= die wetering is daar het diepst). Evenals in het Engelsch zegt men: det is 'n tíge greate-n-ien (= dat is een zeer groot (boek).
B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
21
b.
Deze toren is hoog; die is hooger; maar gindsche toren is het
hoogst.
3.
Bij vergelijking van eene hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid met
diezelfde hoedanigheid op verschillende tijden of in verschillende
omstandigheden moet men den praedicatieven superlatief gebruiken, aangezien
men zich in dat geval ook den positief en den comparatief niet als attributief
bijvoeglijk naamwoord kan denken.
Deze rivier is in haar middenloop vrij breed; in haar benedenloop is zij breeder;
aan hare monding is zij het breedst.
4.
De superlatief van het bijwoord komt in vorm geheel overeen met dien van
het praedicatieve bijvoeglijk naamwoord. Uw paard loopt hard; het mijne loopt
harder; dat van uw broeder loopt het hardst.
De bij het gemelde examen ter ontleding opgegeven vormen zijn dus superlatieven
van praedicatieve bijvoeglijke naamwoorden en komen overeen met den superlatief
in het voorbeeld onder 2b.
Helder, September 1891.
JAN BROUWER.
Sprokkel.
Gij als zelfst. nw.
Hoe dikwijls wij ook mogen spreken van het ik, wij zullen nooit de uitdr. het gij hooren.
In het Woordenboek der Nederl. Taal wordt zij dan ook niet vermeld. Toch kwam
e
zij in de 17 eeuw wel voor. Bij Huygens lezen wij:
‘Bedeckt u ghy maer met een Schilt,
En die wil schreewen schreew in 't wild.’
(Korenbloemen, 1658, blz. 1164).
R.A.K.
Taal en Letteren. Jaargang 2
22
De geslachten der zelfstandige naamwoorden in het Nederlandsch.
Geen hoofdstuk uit de grammatica is voor ons, Nederlanders, zóó onaangenaam
en lastig als dat, hetwelk handelt over de geslachten. Onaangenaam, want alles
komt neer op geheugenwerk; lastig, want ofschoon wij door vlijtig te memoriseeren
o
wel dichter bij ons doel kunnen komen, bereiken doen wij het nooit: 1 . zijn lang niet
o
alle substantieven onder regels te brengen, 2 . kan men onmogelijk alle
uitzonderingen op de vele bestaande regels in het geheugen prenten. En zoodra
men weet of ook maar vermoedt, dat er op den regel, waartoe een woord zou kunnen
behooren, uitzonderingen bestaan, rijst natuurlijk de vraag, of het bewuste woord
een uitzondering is.
Natuurlijk hebben wij èn door studie èn door het gebruik, het geslacht van een
grooter of kleiner aantal zelfstandige naamwoorden met zekerheid leeren kennen;
maar telkens weer komen er van die gevallen voor, die ons (al zijn wij onderwijzer,
leeraar of hoogleeraar in de Nederlandsche taal) doen twijfelen en ons derhalve
noodzaken tot een woordenlijstje onze toevlucht te nemen.
Wij hebben hier te doen met een zeer bijzondere, maar zeer weinig benijdbare
eigenschap onzer schrijftaal. Een Duitscher, een Franschman behoeft niet aan zijn
woordenboek te vragen of hij wel d i e angst, d e r Rest; l e mensonge, l a lèvre
moet schrijven. Hij weet het, juist als wij weten, dat het niet is de boek, de huis,
maar het boek, het huis. De buitenlander, die zijn taal beschaafd spreekt, vergist
zich niet in de geslachten.
Bij ons is dat anders.
Wij zeggen: ‘de balk, die je daar in 't water ziet liggen, heb ik van mijn buurman
gekocht’; en wij schrijven: ‘den balk, dien’ enz. Uit de beschaafde spreektaal (als
ook uit bijna alle Noordnederlandsche dialecten) is het verschil tusschen mannelijk
1)
en vrouwelijk geslacht sinds lang verdwenen . Wie
1)
Alleen waar het personen betreft, maken wij nog verschil tusschen m. en vr.; namelijk in de
e
pers. vnw. en de stammen der bezittelijke (3 persoon enkelvoud). Vgl. den eersten jaargang
van dit tijdschrift, bl. 202. Op bladz. 285 ald. wees de heer Muller er op, dat wij ze ook nog
gebruiken, als er sprake is van stofnamen. Volkomen juist. Alleen, men vergete niet, dat dit
ze ook wordt gebezigd van mannelijke stofnamen: ‘Waar koop jij je wijn?’ ‘Ik heb ze altijd van
o
D. en C .’ Is er van inkt sprake: ‘Je moet ze koopen in groote flesschen.’ Van honing: ‘Ik kan
ze niet eten.’ Enz.
Taal en Letteren. Jaargang 2
23
in de geschreven taal dus aan dat onderscheid vasthoudt - en tot dusverre doen wij
dat allen - moet het kunstmatig aanleeren. Wij merkten reeds op, dat men het hierin
over 't algemeen niet zoo heel ver brengt. De meeste beschaafde Nederlanders
zullen aarzelen met hun antwoord, wanneer men hen vraagt naar het geslacht van
woorden als: ekster, kuil, tol, lat, plank, bril, ploeg, kuip, stoep, riem, zeelt, aanleg,
dorst, enz., enz., enz., enz.
Het is het doel van dit opstel, na te gaan, hoe wij gekomen zijn in den
eigenaardigen toestand, waarin wij ons met betrekking tot de geslachten der
zelfstandige naamwoorden thans bevinden.
Wij zullen ons niet bezighouden met de vraag naar den oorsprong van het genus
der substantieven. Alleen zij vermeld, dat de gewone opvatting (reeds voorgestaan
door mannen als L. ten Kate, J. Grimm en W. von Humbold) als zouden we
oorspronkelijk vooral te doen hebben met personificatie of beeldspraak, later met
analogievormen, in den laatsten tijd door enkele Duitsche taalgeleerden, voornamelijk
1)
door den Leipziger professor Karl Brugmann bestreden is .
Trachten wij thans na te gaan, hoe de stand van zaken was in het
Middelnederlandsch.
Allereerst zij er dan op gewezen, dat het Middelnederlandsch zich van de
tegenwoordige beschaafde taal o.a. hierin onderscheidde, dat er bij het spreken
wel degelijk verschil werd gemaakt tusschen mannelijke en vrouwelijke
buigingsuitgangen. In het Middelnederlandsch schreef men den, goeden, eenen,
enz., omdat men uitsprak den, goeden, eenen. Die uitgangen, welke onze
tegenwoordige spreektaal mist, waren in het Middelnederlandsch nog niet afgesleten.
Toch waren de ‘kiemen des verderfs’ reeds aanwezig. Verscheiden woorden hebben
in het Middelnederlandsch niet meer hun oorspronkelijk geslacht (d.w.z. het geslacht,
dat zij in het Oudgermaansch moeten hebben gehad); andere vertoonen een neiging
om van geslacht te veranderen en worden b.v. evengoed mannelijk als vrouwelijk
gebruikt. Dien toestand aan een minutieus onderzoek te onderwerpen, ligt niet in
onze bedoeling. Het komt ons voor, dat hier nog veel moet worden gedaan. Niet
alleen moet nauwkeurig en volledig worden vastgesteld, aan welke woorden twee
of drie geslachten toegekend werden, er dient tevens te worden gelet op het oord
en den tijd van herkomst der geschriften, waarin de bewuste woorden voorkomen.
Dan eerst kan men pogingen aanwenden om de kwestie van den overgang van het
eene geslacht tot het andere, in haar geheelen omvang te verklaren.
1)
Zie o.a. zijn belangrijk opstel Zur Frage der Entstehung des grammatischen Geschlechts i.d.
Beitr. v. Paul u. Braune, XV, S. 523 fgg. - Volgens Brugmann heeft men den categorieën,
waarin de zelfst. nw. van sommige talen te verdeelen zijn, ten onrechte de namen mannelijk
en vrouwelijk (en onzijdig) gegeven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
24
1)
Voorloopig zijn wij nog niet zoo ver, schoon hier en daar reeds eenig licht is
ontstoken. Zoo heeft men gewezen:
o
1 . Op het feit, dat in een vroegere periode onzer taal een overgroot aantal zoo
sterke als zwakke vrouwelijke substantieven uitging op een toonlooze e, waardoor
men er als van zelf toe kwam, den uitgang -e te beschouwen als kenmerkend voor
vrouwelijke woorden. Vandaar dat mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden
op -e veelal vrouwelijk werden, of althans ook vrouwelijk konden worden gebezigd.
Zoo was het b.v. met de mannelijke i-stammen:
beke, bete, broke, grepe, hate, hoghe, core, sale, scade (schaduw), scote, sede,
seghe, snede, steke, toghe, vloghe, vrede en de oorspr. zwakke balke, boge, galge,
haghe, kraghe, koude, maghe, mane, name, navele, necke, rieme, scade, smake,
sterre, vane, wille; zoo ook met de onzijdige beelde, ellende, kinne, cruce, kudde,
kunne, orconde, spere.
o
2 . Op den vrouwelijken tweede-naamvalsuitgang s, in 't Gotisch heel gewoon en
in 't Oudnederlandsch voorkomende bij enkele i-stammen (weroldes, kraftes, kustes,
2)
giburdies). In 't Middelnederlandsch zijn (zoo neemt men aan), een groot aantal
van die vrouwelijke genitieven op -s bewaard gebleven. Tengevolge nu van die -s
begon men vele vrouwelijke woorden voor mannelijk of onzijdig aan te zien. De
volgende vrouwelijke i-stammen gingen daardoor over tot het mannel. geslacht, of
konden althans mannelijk worden gebruikt:
aendacht, aex, anxt, arbeit, bank, borch, borst, bruloft, daet, nootdorft, doecht,
overdracht, ducht, geit, wedergeboert, gift, gracht, hant, huut, coomst, afcoemst,
toecoemst, const, cracht, last, macht, melk, nacht, noet, scout, spoet, tijt, heervaert,
3)
welvaert, vlucht, vuust, want, werelt en samenstellingen met -heit. Naar het onzijdige
verliepen borch, misdaet, overdaet, graft, geboirte, scrift, hoechtijt.
Het feit, dat aan verscheiden zelfstandige naamwoorden twee geslachten werden
toegekend, was zeker de oorzaak van een merkwaardig verschijnsel, waarop prof.
e
4)
van Helten onlangs de aandacht vestigde: in de tweede helft der 15 eeuw,
sporadisch ook in de oudere periode, wordt nu en dan si of se gebruikt ‘met
betrekking tot een mann. zaaknaam’. B.v. ‘Alsoe en was in egypten gheen afgod,
o
si en viel’. (Dat leven o. heren, ms. M.v. Lett. n . 258, 25 r.) ‘Christoffel nam sijn stoe
in sijn hant ende staecse in die rivier’. (Passionael Somerst. 97 v.) ‘Hoe geloefdi
uwen aexter so veel? Nu moechdi horen wat si seit.’ (Van die seven vroede van
roemen 25 r.) Enz.
De onzekerheid, die langzamerhand begon te heerschen, werd nog veel grooter
door het verwarren der naamvallen, hetwelk zich reeds begint te ver-
1)
Het uitvoerigst is over de zaak gehandeld door prof. van Helten in zijn MNed. Spraakk. en in
verschillende opstellen in 't Tijdschr. der Maatsch. v. Ned. Letterk. (voorn. II, 39 vgg.).
2)
De mogelijkheid, dat die -s, onafhankelijk van de zoo zeldzame Oudnederl. vrouw. 2 nvls.
-s is ingedrongen, mag m.i. niet buitengesloten worden.
Zie v. Helten, MNed. Spraakk. bl. 351.
Tijdschr. X, 210 en 211.
3)
4)
e
Taal en Letteren. Jaargang 2
25
e
e
e
toonen in de 14 eeuw, maar eerst in de 16 en in 't begin der 17 eeuw tamelijk
algemeen wordt.
In het Middelnederlandsch vindt men niet zoo heel zelden een vierden naamval
in de plaats van een eersten:
‘Dien berch bernet emmermere’ (Brand., 641).
‘Vrient ne laet jou niet bedwellen
Den groten duvel uter hellen’ (Walewein, 3956).
‘Want enen goeden scarpen raet
Waer hier goet toe gheoerdeneert’ (Esmoreit, 88).
‘Platus meester, desen raet es goet’ (ald. 130).
‘Esmoreyt heyt dese jonghen man’ (ald. 273).
Andere voorbeelden zijn o.a. te vinden in de grammatica's van Franck (blz. 149) en
Stoett (Syntaxis, blz. 1 en 2).
Minder vaak zien wij den nominatiefvorm de plaats van datief of accusatief
innemen; toch is ook dit verschijnsel niet zeldzaam, vooral bij het tegenwoordig
1)
deelwoord : (‘in levende live’, t Samenspr. v.d. seven H. Sacr., 36 r., ‘van den
lopende water’, der Sielen Troost, 88 r.) en bij het relatieve die, dat in datief en
2)
accusatief onverbogen kan blijven (‘hi noodene ende eerden om den scat, Die hi
hem hadde ghegheven te voren’, Flor. 2772. - ‘Hier es Rosseel, een scone dief, Die
hebbic nochtan alse lief’. Rein. 1414). Ook bij het demonstratieve die en het bepalend
e
lidwoord treffen wij, vooral in de 15 eeuw, een mannelijken dat. en accus. sing.
3)
zonder -n aan .
Toenemend verloop van geslachten en verwarring van naamvallen en
naamvalsuitgangen - deze factoren bereidden de groote regelloosheid voor, die wij
e
aantreffen in de 16 eeuw.
Slaan wij, om den stand van zaken in de eerste helft van dat tijdvak eenigermate
4)
te leeren kennen, een blik op de taal van het zinnespel Den Boom der Schriftueren ,
dat in 1539 te Middelburg door Middelburgsche kameristen werd vertoond.
Dikwijls zien wij den accusatief in de plaats van den nominatief gebruikt:
‘Niemant en kent den Sone dan den Vader onversaecht,
Ende den Vader en kent niemant dan den Sone’ (blz. 3).
‘Mijn ioc is gemackelijc, ende mijnen last is licht’ (ald.).
‘Ic ben u broedere,
Uwen eenich advocaet, u herder, u hoedere,
1)
2)
3)
4)
v. Helten, blz. 408 vgg. Ook Stoett, t.a.p. 38.
t.l.a.p. 59. Zie ook Cosijn in Taal- en Letterbode VI, 276-289, waar een verklaring beproefd
wordt. De datief die zou een oude datief-instrumentalis zijn; door gelijkstelling van datief met
accus. zou de vorm ook in laatstgenoemden naamval zijn doorgedrongen (ald. 288).
v. Helten, 452.
Het stuk werd in 1870 opnieuw uitgegeven door Dr. G.D.J. Schotel (Utr.).
Taal en Letteren. Jaargang 2
26
U stercte, u hool, úwen arm, uwen steen,
U borcht, uwen schilt, u toevlucht, u voedere,
Uwen wech, u waerheyt, u leven alleen’ (blz. 5).
‘Dats voor mi eenen cleynen arbeyt’ (blz. 9).
‘Uwen loon wort van grooter virtuyten’ (blz. 20).
‘Den boom was sijnder herten seer stuere’ (blz. 21).
‘Sijnen rechten naam is smenschen leeringhe’ (ald.).
‘Pluto, den godt, heeft hem machtich ghestelt’ (ald.).
‘Dies hem den standaert van afgoderie behaecht’ (blz. 22).
‘Sulck eenen staet en was my noyt ghewaecht’ (ald.).
‘Eenen aflaetbrief ghalt mi eerstwarf een croone’ (blz. 29).
‘Doer siecte is haest den lust verbeten’ (blz. 32).
‘'t Fy helschen graet, die om ons gaet’ (blz. 37).
‘In sulcker liefden heeft den vader gheblaect’ (ald.).
Men heeft dien eerste-naamvals -n op verschillende wijzen willen verklaren. Men
heeft gedacht, dat zij oorspronkelijk alleen voor een zelfst. nw. werd geplaatst, dat
met een klinker of een h begon, m.a.w. om den hiatus te vermijden. Maar bij
vrouwelijke of meervoudige woorden die met een klinker of h beginnen, en worden
voorafgegaan door 't lidw. van bepaaldheid, ontstaat immers ook een hiatus? En
dien tracht men volstrekt niet te vermijden.
1)
Bilderdijk spreekt van den casus emphaticus en meent dat den voor de werd
gebruikt om nadruk op het znw. te leggen. Maar de door ons gegeven voorbeelden
weerspreken die meening. Als in denzelfden zin wordt gezegd: hij is u borcht, uwen
schilt,.... uwen wech, u waarheyt, kunnen wij niet anders dan willekeur aannemen;
willekeur, ontstaan door verwarring en gelijkstelling van verschillende
verbuigingsvormen.
e
Een andere bijzonderheid van de taal uit de eerste helft der 16 eeuw betreft
sommige vrouwelijke genitieven op -s. Ontmoeten wij die reeds in het Middelned.,
maar dan voorafgegaan door een bepalend woord dat den vrouwelijken vorm vertoont
(b.v. der werelts), thans zien wij den mannel. uitgang ook in de determineerende
woordjes doorgedrongen:
‘mijns moeders tale’ (B.d. Schr. 7), ‘in t swerelts palen’ (blz. 8), ‘van swerelts wijcke’
(17), tswaerheits bestridinge’ (22).
e
In den loop der 16 eeuw wordt het er niet beter op. Marnix v. St. Aldegonde was
een geletterd man, die zeker beter schreef dan de meeste zijner tijdgenooten. Toch
2)
lezen wij in zijn Bijenkorf:
b
‘ende den man staat op’ (137 ), ‘zoo den Houwelycken Staet een Sacrament is,
a
veel meer sal dan den Maeghden Staet een H. Sacrament moeten zijn’ (150 ); ‘dat
a
een leefloose creature onsen Godt ende Salichmaker ware’ (76 ).
Ook hij schrijft:
b
a
‘des Maeghts’ (96 ); ‘de seven Weedommen onses liefs Vrouwen’ (138 ); ‘des
1)
2)
Nieuwe Taal- en Dk. Verscheid. II, 61-67.
Ik gebruikte de uitgave z.j., t' Amsterd. by Michiel de Groot en Jacobus Conynenbergh.
Taal en Letteren. Jaargang 2
27
a
a
werelts’ (146 ; vgl. 150 : inde werelt); ‘de schamelheyt onses Moeders der H.
b
Roomscher Kercke’ (150 ).
e
Wat wij bij Marnix, en in 't algemeen in 't laatst der 16 eeuw veel meer aantreffen
dan vóór 1550, dat is het verbuigen van mannelijke woorden, alsof zij vrouwelijk
waren.
Wij lezen:
a
‘dat sy...eene harde steen tot hare hooftpeul hebben’ (105 ); ‘ende heeft oock de
a
wille gehadt’ (107 . Vgl. ook: ter wille van; om der wille(!) van); ‘met een natte vingher’
b
b
a
(109 ); ‘Scheppers der Schepper’ (123 ); ‘op de goede Vrydagh’ (137 , echter: ‘op
b
b
den goeden Vrydagh’, 137 ); trecken sy de man met koorden om hoogh’ (137 ); ‘in
b
stede des Pincxterdaegs der Wet, hebben wij een nieuwe Pincxterdagh’ (139 );
b
‘maer de meester verschalckte de Leer-jongen (205 ); ‘(het) berooft de mensche
b
ook van syn sinnen ende verstant’ (233 ).
Misschien rijst bij iemand de vraag: Wanneer een geleerde als Marnix zoo zonderling
verbuigt, hebben wij dan niet te denken aan slordige correctie, aan onwetende
zetters, aan drukfouten? Wij hebben het recht, die vraag ontkennend te
beantwoorden. Want wij behoeven ons niet tevreden te stellen met na te gaan, hoe
men verboog in de praktijk, wij hebben ook een theorie der verbuiging, een
e
Nederlandsche grammatica uit het laatst der 16 eeuw. Ik bedoel de ‘Twe-spraack
vande Nederduitsche Letterkunst, ófte vant spelle ende eyghenscap des
Nederduitschen taals; uitghegheven by de Kamer In Liefde Bloeyende, t'
Amstelredam’ (Leiden, 1584).
Het m. en het vr. znw. worden daarin op dezelfde wijze verbogen:
1
Mannel. Enk.
de man
1
Vrouwel. Enk.
de vrouw
2
des mans
2
des vrouws
3
den man
3
den vrouwe
4
den man of de man 4
de of den vrouw
5
ho man
5
vrouw
6
vanden of vande
man.
6
vande of vanden
vrouw.
1
een man
1
een vrouw
2
eens mans
2
eens vrouws
3
enen man of manne 3
enen vrouw
4
een of eenen man
4
een of eenen vrouw
5
man
5
vrouw
Taal en Letteren. Jaargang 2
6
van eenen of een
man.
6
van eenen of een
1)
vrouw .
Men ziet, er is eenig verschil tusschen de verbuiging van Marnix en die
1)
e
Eenen kwam ook wel voor in 't vr. enkelv. 1 nv. Zoo bij Coornhert, Vijftigh Lustighe Historien
oft Nieuwigheden Johannis Boccatij (Amst.) blz. 5: Oock was daer onder andere eenen van
mijns Jofvrouwe maerten [d.i. dienstmeiden] die haer al slaperigh ghelatende ten Venstere
quam.
Taal en Letteren. Jaargang 2
28
van de mannen der Twe-spraack. Maar dit verschil doet de verwarring slechts te
scherper uitkomen.
e
In het begin der 17 eeuw was de toestand eer verergerd dan verbeterd. Slaan wij
een blik op de Nederduytsche Poemata van den geleerden Daniel Heinsius,
uitgegeven door den taalkundigen Petrus Scriverius (1618).
Hier en daar ontmoeten wij weder de vrouwelijke genitieven op -s. Zoo op blz.
24:
‘al des weerelts hoecken’;
zoo, veel krasser, op blz. 29:
‘Die eenmaal derven moet zijns alderliefste schoot,
Stelt onder zijn geluck de huyre van de doot’.
Zeer gewoon is bij Heinsius de vierde naamval in plaats van den eersten, vooral
(maar lang niet uitsluitend), wanneer daardoor een hiaat wordt vermeden:
‘Hier binnen in dit graf, o Vrienden, licht ghesloten
Den onbeweechden helt’ (blz. 15).
‘Het is nochtans bekent, dat haere kloeckste daet
En haeren grooten roem beneden dese staet’ (ald.).
‘De Jode, de Chaldeeu, en half den Indiaen,
De Moor, den Arabier, wort binnen u verstaen’ (19).
‘Den honger was in stadt’ (20).
‘Waar is den soeten lach? Waer is den trotsen ganck? (27).
‘Ghelyck den koopman doet’ (28) enz. enz.
Merkwaardiger nog is bij Heinsius en Scriverius het willekeurige weglaten der
e
4 -naamvals -n. Scriverius schrijft op blz. 3 van de ‘Voorreden’ ‘in onse tijdt’, op blz.
6 ‘door den tijdt’. Bij Heinsius vinden wij:
Op de doot ende treffelicke victorie van de mannelicken helt Jacob Heemskerk’ (blz.
15); ‘met de moet’ (blz. 16) en ‘van uwen trotsen moet’ (blz. 18); ‘aen de kant’ (16),
‘by de kop’ (ald.), ‘voor de mast’ (16), ‘gevende de geest’ (16), ‘tot de gront’ (17),
‘met de mont’ (17), ‘van Acheron de vloet’ (17), ‘van vrees en groote schrik’ (17),
‘Daniël Heinsius aen de heer P. Scriverius’ (99), ‘wie soude konnen winnen de
mensch die niet en vreest?’ (20) ‘van de windt’ (21), ‘wie soude konnen prijsen de
glans van uwen lof?’ (23) ‘Bestreden van de pest, de vyant, en de vloet’ (23), ‘die
my de strydt aendoet’ (26), ‘van de windt’ (27), ‘En dat de wilde zee met haere vollen
tocht’ (25), ‘Tot dat de grooten raet... is eenmael uytgevoert’ (28). Enz.
Met de taal van Hooft en Vondel is het aanvankelijk weinig beter gesteld. Uit de
Granida (1605) van den eerstgenoemde citeeren wij de volgende zinnen en
uitdrukkingen:
‘En ghij die 't goedt doen lust, daer ghij wel quaet doen meucht,
Hoe heerlijck is den strael des goetheits in ulieden!’ (Ed. Leendertz, II, 161).
‘Doe leerden mij den dach’ enz. (t.a.p.).
Taal en Letteren. Jaargang 2
29
‘Ick sal den uwen wesen’ (162).
‘Dat desen dach den draet mijns hoops in stucken cort’ (163).
‘Den raedt is al vergaert’ (ald.).... Mijns dochters huwelijck’ (ald.).
‘Den donder van mijn naem sal Persen die versmaden
Tot dat het siet en voelt, de blixem van mijn daden?’ (164).
‘Want onsen Coning valt ons niet soo wreedt’ (166).
Aan een der eerste werken van Vondel, den Gulden Winckel, wenschen wij ook
eenige voorbeelden te ontleenen:
‘Hy is den Schepper’ (ed. van Lennep - Unger, blz. 139).
‘Doen zich den gulden Eeuw' het onderst' boven wende
Den silv'ren Eeuwe quam’ (141).
‘En d'Ossen men in 't juck al hygende en bezweet
Door onses Moeders borst 't krom kouter trecken deed’ (ald.).
‘Den Kleynen komt met druck, en scheyt weer met ellende’ (ald.).
‘Den Molen slapet wel een wijle windeloos’ (153).
‘Op dat den Acker-man weer met een goet genoegen
Magh onzes Moeders rugh doorvoren, en doorploegen’ (159).
‘Want dit is haren lust’ (179; daarentegen op blz. 167:
‘het vuyr der geylen Minne-lust’).
1)
‘Inden wegh des deughds’ (183). Enz. enz. .
Men begon intusschen, vooral door den invloed van het steeds meer beoefende
Latijn, te streven naar zuiverheid van taal in 't algemeen, naar een vast systeem
van verbuiging in 't bijzonder.
Taalonderwijzers, dichters, godgeleerden gingen hier samen. Een der beste en
e
invloedrijkste boeken uit het begin der 17 eeuw over ‘Nederduytsche Grammatica
ofte Spraec-konst’ was dat van den mathematicus Christiaen van Heule (1626).
Hier vinden wij van de onzekerheid en de verkeerde opvattingen waarvan de
Twe-spraack in zake verbuiging blijk gaf, weinig meer terug. Van Heule mag aarzelen
of men in den nominatief den dach behoort te schrijven of de dach, over 't geheel
2)
zijn zijn voorschriften betreffende de declinatie van het lidwoord onberispelijk .
Omtrent het kenmerkend onderscheid tusschen mannelijke en vrouwelijke
zelfstandige naamwoorden heeft van Heule ook een en ander mede te deelen. Hij
geeft regels, die op de beteekenis der woorden en op hunne uitgangen berusten,
vermeldt ‘de Naemwoorden die een twijffelachtig geslacht hebben, [nl.] de geene
van welke twijffel is, onder welk gheslacht zij behooren, als: ‘Lof, wil, wagen, tijt,
stont, dag, ende diergelijke’ en deelt zelfs een alphabetische lijst van circa 1500
substantieven mede, met vermelding van hun
1)
2)
Ook later treft men dergelijke onnauwkeurigheden nog wel eens bij Vondel aan. B.v. Lucifer,
vs. 1583 en 1584: ‘was Adams afkomst maer / Een selven staet en stoel, als d'Engelen
geschoncken.’
Aangaande de vrouwelijke genitieven des waerelts, des lochts, des wijsheyts, zegt v.H.: ‘deze
manier en mach niet dan op zeekere Voetstappen der Geleerden na gevolgt worden.’ (Blz.
26.)
Taal en Letteren. Jaargang 2
30
geslacht. Toch was van Heule niet van meening, dat men het daarmede steeds zoo
precies hoefde te nemen: ‘Dit onderscheid der geslachten en behouft in den rijm
altijt niet nagevolgt te worden, want om die oorzaeke zouden de Rijmers al te nouw
1)
gebonden zijn’ .
Het bewuste ‘onderscheid’ kostte onze dichters, die voor de willekeur der in een
overgangstoestand verkeerende spreektaal terugschrikten, heel wat hoofdbrekens.
Wij kunnen er zeker van zijn, dat de geslachten der substantieven meer dan eens
het onderwerp van gesprek hebben uitgemaakt in de ‘letterkunstige vergaderingen’
waar Vondel van spreekt in de opdracht der Hecuba en in de Voorrede van zijn
2)
Palamedes .
Van Hooft is een reeks van Waernemingen op de Hollandsche Tael bewaard
3)
gebleven . Daarin komen o.a. de volgende opmerkingen voor:
XV. Konste, jonste, beede, reede, steede, zeede, vreeze, angste.......
Naemen toelatende de E in den Noemer [nominatief] van 't enkel getal zijn van
vrouwelijk geslaght.’
XVII. Buiten scheuts, beneden der handt: de achterstaande Genityf Faeminyn
lydt de s in 't achterste van scheuts zonder artikel. Nochtans zeidtmen binnen 's
kamers, hoewel kamer Faeminyn schijnt. Doch wij hebben veele communia nomina,
ende dit moght 'er een af zijn.’
XXXIV. De Faemininen willen geen D e s in Genitivo lijden, noghte ander Adjectyf
uitgaende in Es.
XC ...... de Genityf van een Faeminin zonder Artikel lijdt de s.
C. Geest, dienst en diergelijken, daer een s in het Termineren komt, willen noode
noch een s achter aen lijden; ende luid mij wel in de ooren Der Geest, Der Dienst,
nochtans in Datyf & Ablatyf hebben ze Den Geest, Den Dienst, &c. Questie oft men
ze, gelijk daer Heteroclyten zijn, niet en zal stellen in Dativo et Ablativo Masculinè,
in Genitivo Faemininè.’
Hooft en Vondel hebben veel zorg aan onze taal besteed. De Waarnemingen van
Hooft geven ons het recht, aan te nemen, dat zij ernstig getracht hebben ook de
willekeur op het gebied der geslachten te breidelen. Vermoedelijk zullen zij nu en
dan woorden, die zij òf mannelijk òf vrouwelijk wilden bezigen, hebben opgeteekend
en er lijsten van hebben aangelegd. Tot de keuze van mannelijk of vrouwelijk zullen
4)
zij vooral geleid zijn geworden door hun gehoor, hun taalgevoel, hun smaak - en
dit verklaart genoegzaam, dat zij elkaar
1)
2)
3)
4)
Blz. 16.
Omtrent de spelling in engeren zin waren in die vergaderingen geen besluiten genomen,
zoodat ieder de vrijheid behouden had, te spellen zooals hij wilde. Vondel meende dat aan
de spelling niet zooveel ‘gelegen is, als, met verlof, sich sommige wel inbeelden.’
Gedrukt in ten Kate's Aenleiding tot de Kennisse van het Verheven Deel der Nederduitsche
Sprake (1723) I. 716 vgg.
Bij onze jongste dichters doet zich een dergelijk verschijnsel voor. Zoo bij Herman Gorter,
aan wiens Mei een zeer groot aantalen voorbeelden te ontleenen is. O.a.: in de avond; een
schonk flonkende wijn; als beesten sprongen rivieren uit hun holen; in zijne mond; den moerbei;
door den dorenheg. Enz. Zie ook L.v.D. in De Amsterdammer, Weekblad 14 Nov. '91.
Taal en Letteren. Jaargang 2
31
telkens tegenspreken - en soms misschien ook door het voorbeeld van andere,
vooral oudere schrijvers. Verder zal bij Hooft de invloed van het Latijn, bij Vondel
die van het Duitsch wel in rekening moeten worden gebracht.
Ook een enkel woord over de geslachten en de verbuiging bij een man, dien men
dikwijls met Hooft en Vondel in éénen adem noemt en die beiden in populariteit
overtrof: Jacob Cats. Deze is in zijn declinaties verre van keurig en nauwgezet. Een
bepalend woord, dat in den eersten naamval mannelijk enkelvoud op -n uitgaat,
treft men dikwijls bij hem aan:
‘En waer toe sigh het jaer en al den hemel neyght’ (Spaens Heydinnetie, vs. 100).
‘Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen’ (ald. 122).
‘Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden’ (ald. 1061), enz. enz.
Ook is het verre van ongewoon, dat de -n in den vierden naamval mann. enkelv.
door hem is weggelaten.
1)
‘Indien ick niet en krijgh hem die mijn hart bemint’ (ald. 247).
‘Het speet de medeçijn’ [d.i. den dokter] (ald. 257).
‘De rackers van de schout zijn mede daer ontrent’ (ald. 1031).
Daar Cats de vormen den en de in vele gevallen geheel willekeurig gebruikt, schijnt
hij eenzelfde substantief nu eens mannelijk en dan weder vrouwelijk te bezigen.
Zoo lezen wij in het Spaens Heydinnetie:
vs. 456: ‘voor uwen lust’ en 534: ‘in geyle lust’; in 620: ‘een tocht van geyle
minne-brant’ en 711: ‘Indiense maer een reys genaekt een hellen brant’; in 761: ‘Wij
leeren alle daegh de gront om wel te leven’ en ‘Ghy weet, gelijck het blijckt, den
gront van mijn gemoet’.
Uit dergelijke voorbeelden kunnen wij opmaken, met hoe weinig recht men op grond
e
van het gebruik onzer 17 eeuwsche auteurs een bepaald geslacht toekent aan
zelfstandige naamwoorden!
Hebben de werken van Cats ontegenzeglijk grooten invloed uitgeoefend op de
e
Nederlandsche schrijftaal der 17 eeuw, niet minder is dat het geval geweest met
de bijbelvertaling, die in 1637 het licht zag. Aan de taal van den Statenbijbel is zeer
veel talent en zeer veel moeite ten koste gelegd. En toch - ook hier weer die
onzekerheid ten opzichte van het genus!
In Het Boek der Psalmen lezen wij:
XLIII, 4: ‘Ende dat ick inga tot Godts altaer, tot den Godt des blijdschaps’; elders,
b.v. Ps. CXXXVII, 6: ‘het hooghste mijner blijdschap’. Rei is vrouwelijk, Ps. XXX,
12: ‘Gy hebt my mijne wee-klage verandert in eene reye’ en mannelijk Jeremia XXXI,
4: ‘gy sult.....uytgaen met den rey der spelenden’. Vrede is soms vrouwelijk: ‘zoek
de vrede’, Ps. XXXIV, 1 en soms mannelijk: ‘Jaeght den vrede na’, Hebr. XII, 14.
Evenzoo draek (drake): Gy sult...de drake vertreden Ps. XCI, 13, en: ‘Michaël ende
sijne Engelen krijghden tegen den Draeck’, Openb. XII, 7. Hetzelfde is 't geval met
neus: ‘'t Geblaes van uwen neuze’, Exod. XV, 8 en ‘'t Ge-
1)
Zooals wij reeds vermeldden, komt de accus. masc. sing. van het betr. vnw. reeds in 't
Middelnederl. niet zelden zonder -n voor.
Taal en Letteren. Jaargang 2
32
blaes zijner neuze’, Job IV, 9. Nacht is vrouwelijk in Ps. XIX, 3: ‘ende de nacht aen
de nacht toont wetenschap’, mannelijk in Ps. VI, 7: ‘ick doe mijn bedde den gantschen
nacht swemmen’. En met dag: De dagh aen den dagh stort overvloedighlijck spraeke
uyt’ (Ps. XIX, 3); daarentegen Job XXXVIII, 23: ‘Dien ick ophoude tot den tijt der
1)
benauwtheijt; tot de dagh des strijts, ende der oorloge’. Enz.
Wanneer het ernstigen, geleerden en nadenkenden mannen niet dan onvolkomen
gelukte, zich voor inconsequentie te vrijwaren in zake verbuiging en
geslachtsbepaling, dan begrijpt men levendig, hoeveel ongerechtigheid wij moeten
aantreffen in de geschriften van hen, die zich weinig of niet hadden toegelegd op
de kennis der Nederlandsche of Hollandsche grammatica. Door de geschriften
hunner voorgangers en tijdgenooten telkens op een dwaalspoor gebracht, te
onzelfstandig om te breken met een wankelend gebruik en uitsluitend hun spreektaal
na te volgen, bedienden zij zich, regelloos en willekeurig, van mannelijke of
vrouwelijke uitgangen, naarmate het hun goeddocht.
Om dit te staven is het geheel overbodig, voorbeelden bij te brengen, waarin wij
verwarring tusschen nomin. en accus. masc. sing. opmerken. Liever wijzen wij
eenige eigenaardige genitieven aan. B.v. bij Rodenburgh:
's maeghdens spiegel; zijns daeds; de smert mijns wonde; zijns liefds; dees
Juffrouwens [sing.] bloet; liefdens kracht; deughdens hooghe waerde; teken mijn's
Liefde; 's Vrouw's staet; deses aerde; d'Hertoginnens deur; mijnes smert; - door
twee handens trouw; hare sondens reeckx; de jonge luydens leven; wat 's seven
Zonnens-licht; herte tranens vocht; de Mannens eer; - 's menschs; de Princens
handen; een Princens lent; - hertens-tochten; de wenschen onses herts; wellust
des vleeschs; d'oorsaeck mijns klagen en geween; yder eenens hert; een mijns
2)
knechten enz.
Uit Starter's Daraide (1621) teekende ik o.a. aan:
't Hof des Coningins; de schildery des edelen Dianen; dees Dochter, dien ick heb
door u bedrogh ghedraghen; de trotsche Koningin Cleofile, in wien ick veel
ghehouden bin; den selfden Coningin.
Bij anderen, als Jan van Arp stuiten wij op dergelijke bijzonderheden. In den Chimon
(1639) lezen wij van een herder:
‘Benevelt is het licht der droeve Celadon’
in den Tolimond:
‘Athenen sal voor wis gewonnen zijn door 't stael
Der Victorieusen Graef’.
en in den Chimon:
‘Ha Goden! wat is dit, mint my den Stief-moer nu?’
Dat we hier niet met een drukfout te doen hebben, mogen wij aannemen, na
vergelijking met dezen regel:
1)
2)
Vgl. den brief van A. Moonen in den vierden druk van Hoogstraten's Lijst der gebruikelijkste
zelfst. naamw., blz. 431 en 432.
Deze voorbeelden zijn ontleend aan Sigismund en Manuella en Hertoginne Celia.
Taal en Letteren. Jaargang 2
‘Ick ken, ick heb misdaen, den Stief-moer te behaghen’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
33
Zoowel het voorbeeld, door mannen als Hooft en Vondel gegeven, als de invloed
der spraakkunstenaars veroorzaakten een toenemend streven naar taalzuivering
e
in de tweede helft der 17 eeuw. Bij een nauwgezet auteur als Antonides van der
1)
Goes mag men nog eens een enkele maal een vorm ontmoeten als ‘des Bruids’ ,
het is een zeldzaamheid. Meer en meer komt de verbuiging op het standpunt dat
wij nog thans in de schrijftaal innemen. Des verdween als vrouwelijke genitief, den
als mannelijke nominatief. Maar een groot struikelblok bleef liggen. Hoe kon men
weten - het te hooren was onmogelijk - of een woord mannelijk of vrouwelijk was?
Holland gaf in de letterkundige wereld den toon aan, en in Holland bestond in de
spreektaal geen of zoo goed als geen verschil meer in de verbuiging van m. en vr.
woorden.
De meesten gingen te rade met hun ‘gevoel’; of kozen het geslacht dat het woord
in hun bekende vreemde talen had; zij schreven den eenen dag soms anders dan
den vorigen, behalve nog dat zij telkens in strijd kwamen met hunne medeauteurs.
Antonides van der Goes gebruikt in den Ystroom het woord orkaen zoowel mannelijk
2)
3)
4)
als vrouwelijk , ook mond en rijkdom en meer andere. Borst (lichaamsdeel), keten,
olie, ook alle riviernamen zijn mannelijk bij hem; daarentegen toght, zwarm, schat,
bandt, krans, twist vrouwelijk.
Maar het ‘gevoel’ was niet het eenige richtsnoer. Men trachtte het gebruik der
groote Hollandsche dichters na te volgen. Er is reden om te vermoeden, dat velen
lijsten van zelfst. nw. begonnen aan te leggen, waarop vermeld stond, welk geslacht
door mannen als Hooft en Vondel aan de substantieven was toegekend.
e
Zulke lijsten treft men aan in de meeste grammatica's der 17 en van het begin
e
der 18 eeuw. De spraakkunstenaars stelden ze nog niet zoozeer samen om
voorschriften te geven, als wel om den schrijvers een hulpmiddel in het bepalen van
't geslacht aan de hand te doen. Willem Séwel zegt in zijn Nederduytsche
e
Spraakkunst (2 druk v. 1712):
‘Alhoewel ik nu veele Naamwoorden, op den voorgang van Hoofd en Vondel manlijk
acht, nógtans wil ik de genen die eenige daar van liefst als vrouwelijk willen
gebruyken, niet bestrijden; want onaangezien men Brief acht manlijk te zijn, evenwel
kunnen 'er gevallen weezen, dat het immer zo voeglijk schynt, dat woord als
vrouwelijk te gebruyken, als Ik gaf den boer de brief...... Het zelfde kan men ook
zeggen van het woord Brand; want hoewel men onbeschroomd mag zeggen Den
brand blusschen, nógtans kan ik het niet quaad keuren dat men, om hardigheyd te
5)
vermyden, zegt Het schip wierd in de brand geschooten’.
Meer en meer begon men ook te zoeken naar regels voor de bepaling der geslachten.
Vooral Arnold Moonen, wiens Nederduitsche Spraekkunst in 1706
1)
2)
3)
4)
5)
Gedichten (1685), blz. 98.
t.a.p., blz. 28 en 133.
Blz. 87 en 89.
Blz. 93 en 99.
Spraakkonst, blz. 99 en 100.
Taal en Letteren. Jaargang 2
34
het licht zag, getroostte zich in dit opzicht veel moeite. Doch wijl hij niet dan een
enkele maal het oog richtte op uitgangen, maar alleen op de slotletters zijn aandacht
vestigde, is zijn moeite voor het grootste gedeelte doelloos geweest.
Wij zijn thans gekomen aan de bespreking van een werk, aan welks invloed men
het heeft toe te schrijven, dat de toestand van verwarring langzamer. hand voor
kunstmatige en onnatuurlijke regelmaat begon te wijken.
In 1700 verschenen David van Hoogstraten's Aenmerkingen over de Geslachten
der Zelfstandige Naamwoorden. In een ‘Berecht’ vermeldt van Hoogstraten, hoe hij
en professor Petrus Francius, sprekende over de ‘zinlykheid onzer tale, vielen op
het bepalen van de geslachten der zelfstandige naemwoorden, waer tegen
hedensdaegs grove mislagen begaen worden van de meeste schryveren; als die
hier in alles over hoop smytende zig weinig schynen dezer aenmerkinge te
bekreunen, en naer hun welgevallen heenschryven, zonder eenige achtinge te
hebben voor de schriften der genen, die hunnen yver en arbeit gehangen hebben
aen het schuimen, zuiveren, verryken, en regelen onser sprake.’
Er zijn mannelijke, vrouwelijke en onzijdige substantieven. Maar behalve die zijn
er vele woorden van een ‘twyffelachtig’ of ‘gemeen’ geslacht, ‘om dat ze, zoo als
men wil, het mannelijk en vrouwelijk geslacht (want het onzydige blyft op zig zelf)
aennemen, of om dat het niet zeker genoeg is, tot welk van beide zy behooren....
Welke twyffelachtige woorden, minst in onze tale te onderscheiden, [den schrijver]
schenen allermeest te moeten geregelt worden naer het gebruik der beste
schryveren, om daer omtrent eenen vasten voet te beramen.’ Te dien einde stelde
van Hoogstraten ‘een kleene proef op van woorden, getogen uit de schriften van
Hooft en Vondel’ en vergrootte die langzamerhand.
De schrijver wil juist Hooft en Vondel volgen, wijl deze
‘verder gekomen [zijn] dan Aldegonde, Spiegel, Korenhart, Plemp, Visscher, Koster,
Ketel, Brederode, Reael, Kamphuizen, en anderen...... Vondel vooral heeft het geen
nog ontbrak aen de genoemde Letterhelden vervult: waerom zijn getuigenis by my
van eenig meerder gewicht, en zeer naeu in acht genomen is van latere verstanden;
waer onder uitstak de brave schrijver Geeraert Brandt, naderhant van zijne Zoonen
gevolgt, en Joannes Antonides van der Goes.... Kan men by deze nog niet wel te
recht geraken, en staet men, als op eenen driesprong, zonder te weten wat men
kiezen zal, men ga te rade met Joannes Vollenhove, Arnold Moonen, en Laurens
Bake, Heere van Wulverhorst, die den verlegenen en struikelenden stutten, en op
het rechte padt helpen.’
Nadrukkelijk wordt er door van Hoogstraten op gewezen, dat hij geen regels
voorschrijft en niemand de verplichting wil opleggen zich door zijn onderzoek
gebonden te achten; en derhalve, zoo gaat hij voort,
kan yder by zyn meening blyven, die van gedachten is, dat wy knorven in biezen
zoeken, en eene angstvallige naeugezetheid willen invoeren, die van geen waerde
1)
te houden zij.’
1)
Ik cursiveer.
Taal en Letteren. Jaargang 2
35
De Aenmerkingen over de Geslachten maakten opgang; in 1711 verscheen een
tweede druk; in 1723 een derde, onder den titel: Lijst der Gebruikelykste Zelfstandige
Naamwoorden, betekent door hunne geslachten; in 1733 een vierde. Hoogstraten
was toen reeds sedert verscheiden jaren overleden. Over den vijfden en zesden
druk van zijn werk, door Adriaan Kluit bezorgd, spreken wij nader.
1)
De Lijst bevat een vrij groot aantal substantieven, voorkomende bij Hooft en
Vondel of bij een van beiden, met vermelding van het door hen gebezigde geslacht
en met een of meer citaten, waarin het bewuste woord voorkomt.
Van Hoogstraten heeft voor zijn doel echter noch den geheelen Hooft noch den
geheelen Vondel geëxcerpeerd. Vandaar dat het niet zelden voorkomt, dat hij van
een woord b.v. zegt: mannelijk bij Hooft (of Vondel), terwijl het bij Hooft (of Vondel)
ook vrouwelijk voorkomt; vandaar dat hij niet zelden alleen vermeldt, hoe één der
genoemde auteurs een substantief bezigde, terwijl hij. toch ook had kunnen vinden,
hoe de ander het deed. Ware de Lijst volledig geweest, het aantal gevallen waarin
Hooft en Vondel met elkaar, en het aantal waarin Hooft en Vondel met zich zelf in
tegenspraak zijn, ware zóó onrustbarend groot geworden, dat van Hoogstraten
misschien wel had betwijfeld, of hij den juisten weg had ingeslagen om de geslachten
der zelfstandige naamwoorden vast te stellen!
Maar ook nu nog kunnen wij Hoogstraten's arbeid ten bewijze doen strekken van
de waarheid, dat Hooft en Vondel op eigen gezag, afgaande niet op het heerschend
taalgebruik, maar op hun smaak, hun gevoel - en dus zeer willekeurig - geslachten
aan substantieven hebben toegekend.
Om dit aan te toonen zie ik mij genoopt een aantal woorden uit de Lijst bijeen te
plaatsen, waarin Hoogstraten's autoriteiten het in meerder of minder mate oneens
zijn.
Zelfst. n.w.
Gesl. bij Hooft.
Gesl. bij Vondel.
aanzoek
m.
-
Gesl. dat v.
Hoogstraten aan
het woord wil
toekennen.
o.
afbrek, afbreuk
m.
v.
m.
angst
m. en v.
m.
m.
antwoord
-
o. en v.
o.
as
m.
v.
m.
ballingschap
o.
v.
v.
beemt
m. en v.
m.
m.
beet
v.
m.
m.
beitel
m.
v.
m.
bijl
m. en v.
v.
v.
bogt
v.
m. en v.
v.
boot
o.
m. en o.
1)
Ik heb gebruik gemaakt van den druk van 1733.
Taal en Letteren. Jaargang 2
36
Zelfst. nw.
Gesl. bij Hooft.
Gesl. bij Vondel.
Gesl. dat v.
Hoogstraten aan
het woord wil
toekennen.
o. en v.
bosschaedje
o.
v.
bril
-
m.
burg (voor-)
o. en v.
o.
citer
v. en m.
v.
v.
doot
m. en v.
m. en v.
m. en v.
doorn
m (doorne, v.)
m.
m.
echt
m.
m. en v.
m.
fluit
m.
v.
m.
geessel
m.
v.
m.
gesp
-
m. (gespe, vr.)
m. [bij Moonen v.]
gestalte
v.
v. en o.
v.
getuigenis
o.
v. en o.
v.
geur
v.
m.
m.
gordijn
v. en o.
-
v.
greep
v.
m.
v.
groet
v.
m.
v.
haest
v.
-
m.
harp
m.
v.
v.
hel
m. en v.
v.
v.
hiel
v.
v.
v. [m. bij
Vollenhove.]
hoogtijd
v.
o.
m. [m. bij Moonen]
inborst
m.
v.
v.
intrede
v.
[intree m.]
v.
kam
m. en v.
m.
m. en v.
keer
m. en v.
m.
m.
kil
m. en v.
v.
m.
klank
v.
m.
m.
klem
m. en v.
v.
m.
kout
v.
m. en v.
m.
kreet
v.
m.
m.
kroes
v.
m.
m.
Taal en Letteren. Jaargang 2
[v. bij Moonen en
Vollenhove.]
kus
v.
m.
m.
lach
v.
m.
m.
laster
m.
m.
m. [v. bij
Antonides.]
lonk
v.
m.
m.
loop
m. en v.
m. en v.
m.
lust
m. en v.
m. [wellust vr.]
m.
maaltijd
v.
v.
m. [m. bij Rotgans.]
mast
v.
m.
m.
mijter
m. en v.
m.
m.
mist
v.
m.
m.
modder
v.
m.
m.
moederslagt [=
moord]
-
v. [vaderslagt, m. !!] v.
mouw
m. en v.
-
v.
nacht
m. en v.
m.
m.
Taal en Letteren. Jaargang 2
37
Zelfst. nw.
Gesl. bij Hooft.
Gesl. bij Vondel.
nachtegaal
m.
m.
Gesl. dat v.
Hoogstraten aan
het woord wil
toekennen.
m. [v. bij Moonen.]
oever
m.
m.v. (?) en o.
m.
oorlog
m.v.o.
m. en o.
m.v.o.
oproer
m. en o.
o.
m.
pantser
-
m. en o.
o.
penseel
v.
o.
o.
plooi
m. en v.
v.
v.
prijs
m.
m. en v.
m.
puin
v.
v. en o.
o.
raad
m. en v.
m.
m.
raaf
m.
v.
v.
romp
v.
m.
m.
rook
v.
m.
m.
rot (menigte)
-
v. en o.
o.
rouw
m. en v.
m.
m.
sabel
m.
v.
m.
schilt
-
m. en o.
m.
school
v.
v. en o.
v.
schoorsteen
v.
m.
v.
schop (abstr.)
m.
v.
v.
schouwburg
v.
m.
m.
slib
m.
o.
o.
slinger
m.
v.
m.
smaad
v.
m.
v.
smaak
m. en v.
m.
m.
sneeuw
v.
m. en o.
m.v. en o.
spijt
m. en v.
v.
v.
spits
v. en o.
v. en o.
v.
spoed
v.
m. en v.
v.
spui
v. en o.
o.
o.
staak
v.
-
m. [Bij Vollenhove
en Moonen m.]
Taal en Letteren. Jaargang 2
stal
v.
m.
m.
stam
v.
m.
m.
steek
m. en v.
m.
m.
strand
m. en v.
o.
m.v. en o.
suiker
m. en v.
-
v.
temper
v.
m.
m.
vaart
v.
m. en v.
v.
veder
m.
m. en v.
v.
venster
v. en o.
v.
v. en o.
verwantschap
o.
v. en o.
o.
vesper
v.
-
v. [m. bij
Antonides.]
vleugel
v.
m.
m.
vliet
v.
m.
m.
vloed
v.
m.
m.
vorm
v.
m.
m.
Taal en Letteren. Jaargang 2
38
Zelfst. n.w.
Gesl. bij Hooft.
Gesl. bij Vondel.
vrede
v.
m.
Gesl. dat v.
Hoogstraten aan
het woord wil
toekennen.
m.
vuilnis
v.
o.
v.
waan
v.
m.
m.
web
o.
o.
o. [v. bij Huygens
en Antonides.]
wedde
v. en o.
-
v.
wensch
m. en v.
m.
m.
wierook
-
m. en o.
m.
wrok
m. en v.
m.
m.
zegel
m. en o.
m.
o.
zolder
v.
m.
m.
Bij den vierden druk van van Hoogstraten's Lijst (1733) vindt men ook de Bijvoegsels
van den predikant en rector Gerardus Outhof. Deze was kort voor de uitgave
overleden. Omtrent zijn beschouwingen deelden ‘de Drukkers aan den Lezer’ mede:
‘(De) geleerde Man zou, indien het hem hadt mogen gebeuren lange genoeg daar
toe te leeven, in deeze Voorreden vorders aangetoont hebben, dat de zelfstandige
woorden die men in verscheide van onze beste Schrijvers, of wel in een' zelfden
Schryver, dan mannelyk, dan vrouwelyk, of ook wel onzydig gestelt vindt, in der
daadt van deeze drie geslachten zyn, en dat zulks derhalven voor geene feil
gereekent moet worden, gelyk hy dikwyls te kennen geeft in zyne Byvoegsels.’
Daarvan een enkel voorbeeld. Van Hoogstraten noemt het woord leest vrouwelijk,
en verwijst zoowel naar Hooft als naar Vondel, bij wie leest in dat geslacht voorkomt.
Maar - Vondel gebruikt leest óók mannelijk, zooals Outhof aantoont; en Moonen
bezigt het evenzoo. ‘Waarom dan niet van beide geslachten goedt geoordeeldt?
1)
dan is 'er geen geschil.’
Outhof zag zeer juist in, dat wanneer men zich nu eenmaal beroepen wil op de
autoriteit van Hooft en Vondel, men zich ook aan die autoriteit behoort te
onderwerpen.
Gebruikt Hooft dus een woord vrouwelijk en Vondel mannelijk, of vindt men het
door een van beiden zoowel mannelijk als vrouwelijk gebezigd, welnu dan heeft het
woord twee geslachten!
Het is wonderlijk, dat men niet op de gedachte scheen te komen, dat het verschil
tusschen mannelijke en vrouwelijke woorden (behoudens een kleine uitzondering
voor persoonsnamen) was uitgewischt; en dat men - zoo die gedachte al eens
opdook - haar terstond verwierp.
In het eerste deel der Aenleiding tot de Kennisse van het Verhevene Deel der
Nederduitsche Sprake (1723) door den beroemden Lambert ten Kate, zegt N. in
een der samenspraken:
1)
G. Outhof, Bijvoegsels, blz. 53.
Taal en Letteren. Jaargang 2
39
‘Ik was wel eer in twijffel of het Onderscheid van 't Manlijke en Vroulijke Geslagt,
omtrent Levenlooze zaken, die geen Kun-verdeeling onderworpen zijn, niet slegts
een eigen goeddunken waere, van elk of eenig voornaem Schrijver; te meer om dat
1)
onze daeglijksche Spreektael nu gantsch onagtsaem is in dit stuk.’
Maar hij is tot andere gedachten gekomen; en L. overtuigt er hem nog meer van,
dat het verschil tusschen mannelijk en vrouwelijk in de oudere taal zijn oorsprong
vindt. Dat ten Kate, die vooral de vergelijkende taalstudie beoefende, de wijze
waarop van Hoogstraten het woordgeslacht zocht te bepalen niet geheel kon
goedkeuren, ligt voor de hand. Het ‘Onderscheid van 't Genus onzer Substantiva’
wil hij niet alleen en niet in de eerste plaats gronden
e
‘op 't gebruik van dezen of genen achtbaeren Schrijver van de voorgaende [d.i. 17 ]
Eeuw, maer op een bewijs dat het dusdanig onder onze oudste Taelverwanten al
2)
gegrondvest is geweest.’
N. maakt nog de opmerking:
‘Schoon ik met u de Agtbaerheid der Taelgebruiken erken', en daer ze klaerlijk
spreken, hooglijk agte, nogtans vermoede ik niet, dat je de Tael in 't schrijven zoo
schroomagtig verkiest behandelt te hebben, dat men de minste mistasting van
Geslagt, zelf omtrent Woorden, die zelden voorkomen, en geen ligt van de Gemeene
bekende Regels, of van de Daeglijkse Spraekvorming, ontfangen kunnen, als een
Taelschennis zou moeten aenzien.’
En L. antwoordt:
‘Verre van daer; hoewel ik de betragting om wel te doen altijd aenrade, nogtans
loopt mijn grootste agting en opmerking in de Tael over die dingen, die tot de nette
en duidelijke Onderscheiding der Denkbeelden behooren. Al te kommerlijke handel
3)
maekt belemmering van geest. Die bescheiden zijn, vitten niet naeuw op
Struikelingetjes van die genen, die blijk van goeden wil geven. Die te kommerlijk
met de Tael omgaen, slagten den Schoolkinderen, die wel net, gelijkdradig, en
zinnelijk schrijven, dog tevens onvrij, laf, lam, en flaeuw, zonder spoed of vordering:
een kloeke hand, schoon minder net, zo ze slegts vlug, vrij, geestig, vloeyend, en
4)
duidelijk genoeg zij, kan mij meerder behagen.’
Door vergelijking met oudere Germaansche talen, bepaalt ten Kate in zijn Aenleiding
het geslacht van 750 Nederlandsche substantieven. Dat ook hij niet altijd tot een
zekere uitkomst geraakt, bewijst het volgende uittrekseltje:
adder
m. en v.
haag
m. en v.
maag
m en v.
boord
m. en o.
klauw
m. en v.
maand
m. en v.
dons
m. en o.
kool
m. en v.
meer
o. en v.
dood
m. en v.
kroes
m. en v.
milt
m. en v.
1)
2)
3)
4)
Blz. 401.
t.a.p. Voorreden tot den Lezer.
Ik cursiveer.
t.a.p. 410.
Taal en Letteren. Jaargang 2
eik
m. en v.
lof
m. en o.
nacht
m. en v.
flank
v. en o.
loon
m. en o.
naam
m. en v.
galge
m. en v.
lust
m. en v.
naad
m. en v.
Taal en Letteren. Jaargang 2
40
neb
m. en v.
spits
v. en o.
uil
m. en v.
neus
m. en v.
stof
m. en o.
venster
v. en o.
nood
m. en v.
stoof
m.v. en o.
vlek
m. en v.
olie
m. en v.
strand
m.v. en o.
vlijt
m. en v.
pik
o. en v.
stut
m. en v.
vorst (v.
vriezen)
m. en v.
punt
m.v. en o.
talk
m. en v.
vrede
m. en v.
put
m. en v.
tand
m. en v.
waan
m. en v.
raaf
m. en v.
tijd
m. en v.
woeker
m. en v.
roef
m. en v.
turf
m. en v.
wortel
m. en v.
schacht
m. en v.
torn
m. en v.
zeem
m. en o.
schuim
m. en o.
trog
m. en o.
zolder
m. en v.
sop
v. en o.
Duidelijker nog dan ten Kate teekende Balthazar Huydecoper verzet aan tegen de
wijze van van Hoogstraten's geslachtsbepaling. In de Proeve van Taal- en Dichtkunde
(eerste druk 1730, tweede 1782-1791) lezen wij: ‘Laat ons dit tot een algemeenen
regel stellen: niet te zeggen, dat en dit is goed, want V o n d e l is ons zo voorgegaan:
maar Vondel zelven te toetsen aan de Ouden, zijne Schriften met bescheidenheid
te leezen, en te denken dat Vondel begon te schrijven in een duisteren tyd, dat hy
de taal wel uit die duisterheid in een helder licht gesteld hebbe; maar dat het hem,
een mensch zynde, onmogelyk geweest zy, zich, in zijnen ouderdom geheel te
ontdoen van alle vlekken en misstallen, die hem, nevens anderen, in zyne jeugd
1)
ingeprent waaren.’ En verder: ‘Daarenboven oordeel ik, dat een bewijs omtrent de
Geslachten, genomen uit de gedichten, voornaamelijk minnedichten, van H o o f t ,
van geen gezag ter werreld is, dewijl hy zich daarin honderdmaalen vergeet, gelijk
2)
den geenen bekend is, die dit stuk verstaan.’
Als curiositeit vermeld ik hier een geschriftje, dat in 1765 te 's-Gravenhage
verscheen onder een zeer verlokkenden titel: ‘Het Eenigste, En tot nu toe onbekend
Middel, om Aanstonts, en voor Altoos, uit den weg te ruimen de Zwaarigheden die
zig opdoen, noopende de Geslagten van sommige zelfstandige Woorden, ....
aangewezen.’ De ongenoemde Schrijver zegt o.a.: ‘Het ware te wenschen dat een
zaak altoos haar Geslagt aanwees. Maar van honderd zelfstandige Woorden, zijn
'er naauwlijks twee daar men dit van te hoopen heeft. Wat dan gedaan? De eenigste
toevlugt, in diergelijke gevallen, is het Gebruik. Doch als 't Gebruik het met zig zelve
niet eens is, ik meen, als de beste Schryvers in verschil zyn noopende het Geslagt
3)
van een zelfstandig Woord, blyft 'er geen hulpmiddel meer over.’ Zich naar Vondel
te richten, keurt de schrijver af; op dichters is geen staat te maken. ‘B.v. het Woord
Oever is, by Vondel, Mannelijk, Vrouwelijk, en Onzydig, zo als 't in zijne kraam te
4)
pas komt.’ Nog eens dus: wat dan gedaan? Thans openbaart de auteur zijn kostbaar
geheim: men onderwerpe zich aan 't gezag van
1)
2)
3)
4)
e
Proeve, 2 druk, I. 154.
t.a.p. 207.
Blz. 14.
t.a.p. 15.
Taal en Letteren. Jaargang 2
41
Wagenaar! Wagenaar toch heeft veel geschreven, heeft goed geschreven en is geen dichter.
Hoogstraten's Lijst, waarvan intusschen in 1759 een nieuwe uitgave was bezorgd
door den jeugdigen Adriaan Kluit, begon niettegenstaande de bezwaren, die er door
enkelen tegen werden aangevoerd, meer en meer een vraagbaak te worden voor
ieder, die zich omtrent het geslacht van een substantief wilde vergewissen. Dat
bleek o.a. uit de Beknopte Aanleiding tot de kennis der Spelling, Spraakdeelen en
Zinteekenen van de Nederduitsche taal door Klaas Stijl, uitgegeven door ‘Lambertus
1)
van Bolhuis, Predikant te Oostwold, in den Oldambte’ (Gron. 1776).
Aangaande de genera der substantieven verklaart Bolhuis: ‘De verwaarloozing
van deze geslachten is eene groote misslag, en niets is thans gemeener. Maar hoe
zal men het verbeteren? Min kundigen staan hier dikwijls verlegen, en de regels
der Spraakkunstenaars zijn doorgaans niet zeer nauwkeurig. Daar is echter een
veiliger weg geopend, die te vinden is in de Geslachtlijst der zelfstandige
Naamwoorden, welke opgesteld is door D. v a n H o o g s t r a t e n , aangevuld door
G. O u t h o f , en met nuttige aanmerkingen 1759 uitgegeven door A. K l u i t . Op dit
spoor zullen wij onzen Leerling voorlichten.’
Bolhuis geeft ook regels. Maar hij waarschuwt zijn lezers, zich daar niet geheel
op te verlaten. Zij moeten ‘billijk denken, dat er duizend woorden over blijven, welker
geslacht men uit de opgegevene waarnemingen niet ontdekken kan. Men moet hier
het gebruik raadplegen, en daar in hebben wij H o o g s t r a t e n en K l u i t in de
2)
uitgegevene Geslachtlijst tot goede Leidslieden.’
Het gezag, hetwelk men de hier genoemde lijst toekende, werd nog heel veel grooter,
werd in veler oogen onbetwistbaar, nadat Adriaan Kluit in 1783 de ‘aanmerklijk
vermeerderde en opgehelderde’ zesde uitgave in 't licht had gezonden. Een
kwarteeuw bijna was er verloopen, sinds Kluit den vijfden druk had bezorgd. Hij was
intusschen hoogleeraar te Leiden geworden en had veel gewerkt. Zijn arbeid draagt
daarvan de sporen. Niet alleen is de Lijst wederom aanmerkelijk uitgebreid - o.a.
zijn een aantal woorden opgenomen zonder bewijsplaatsen, alleen ‘op voorgang
der Spraakkunstenaren’ - een voorrede van grooten omvang getuigt nog
welsprekender van Kluit's verdiensten. Zoo wijdt hij niet minder dan tachtig bladzijden
aan het
1)
2)
Hoe men voor een eeuw op een onderwijzer - hoofd eener school - placht neer te zien, kan
men opmaken uit de volgende woorden van dominé Bolhuis:
‘Onze Schrijver K l a a s S t i j l , G e e r d s z o o n , was Organist en Schoolmeester te
Midwolda.
Verwondert zich hier iemand, dat ik het werkje van eenen Schoolmeester ten voorschijn
brenge; hy bedenke, dat men in de Wetenschappen geenen rang eerbiedigt, dan van Kundigen;
en dat kunde met goeden smaak in den kring dezer Bediening nog niet geheel is uitgesloten.’
(Voorrede, blz. I).
Blz. 64 en 73.
Taal en Letteren. Jaargang 2
42
opstellen van geslachtsregels en het toelichten daarvan. Nagenoeg alle regels die
in onze tegenwoordige grammatica's betrekking hebben op het genus der woorden,
kan men terugvinden bij Kluit.
Een paar voorbeelden, die eenig denkbeeld kunnen geven van zijn manier van
e
behandelen. De namen der rivieren vindt men in de 17 eeuw veelal mannelijk
gebruikt, zonder of nagenoeg zonder uitzondering. Zoo bij Antonides. Later heerscht
er groote onzekerheid. Kluit merkt terecht op: ‘men volgt in dezen veelal het Geslacht
uit het Fransch’.
[Vgl. le Rhin, le Danube, le Tibre, le Tigre, le Nil etc. en la Meuse, la Seine, la Tamise,
la Theiss, la Moldau etc.]
Dan naar aanleiding van het geslacht van boomen en boomvruchten: ‘Dus schijnt
men den aloë, den noot, voor den boom M. en de aloë, de noot, voor de vrucht Vr.
te mogen nemen; schoon mij van aloë nog geene voorbeelden ontmoet zijn; noch
ook van den noot voor den boom.’
Verder naar aanleiding van den reeds door ten Kate gegeven regel omtrent het
geslacht van de stammen der werkwoorden: ‘Maar indien ergens, zoo moet hier het
Gebruik, en daartoe de Geslachtlijst geraadpleegd worden, dewijl in dezen het
Verloop aanmerklijk, en hier vele uitzonderingen zijn, die niet anders dan door 't
gebruik der beste Schrijveren gekend kunnen worden.’
Waar het mogelijk was, bracht Kluit - niet zonder willekeur evenwel - eenige
regelmaat in den warwinkel. Toch moest ook hij erkennen, wat Bolhuis en vele
anderen vóór hem erkend hadden, dat voor zeer vele woorden geen regel te
ontdekken viel. In dat geval moest het gebruik worden gevolgd. ‘Maar dit Gebruik
moet echter niet afgemeten worden naar de straattaal, of naar het dagelijksch
Spraakgebruik onder meer beschaafde Lieden. Aan dit euvel ging de Heer
M o o n e n , maar vooral S e w e l , met vele Spraakkunstenaren mank. Men weet
toch, dat elke Provincie, of Landstreek, ja dikwils elke Stad, haar' byzonderen Tongval
of spreektrant hebbe. In Friesland en Groningerland is zeer gemeen de korte afbijting
van woorden, waardoor men gemeenzaam hoort in 't zin, tegen 't wang, in 't war,
op 't markt, in 't spiegel.... In Amstelland zal men niet licht bij Manlijke Woorden het
Manlijk lidwoord den hooren; maar men zegt daar zeer gemeenzaam: ga op de
hoek bij de bakker, voor op den hoek bij den bakker......, waaruit volgt, dat men uit
de gewone spraak in Amstelland zeldzaam eenige zekerheid omtrent de Geslachten
bekomen kan, en dat deszelfs Schrijvers vele woorden voor Vr. houden, die bij
anderen beter Manlijk zijn. Dus ook ten aanzien van de Schriften van den Heer
H o o f t schijnt het een voorzichtig behoedmiddel, indien men als een Regel
vaststelle, “dat, wanneer Hooft eenig woord in 't Manlijke Geslacht gebruikt, men
dit vrij algemeen kan volgen; doch omgekeerd, in 't Vroulijke, niet te schielijk.”’
Wij moeten hier herhalen, wat wij met eenigszins andere woorden reeds hebben
gezegd: Op het punt der geslachten heerscht bij overigens kundige en
Taal en Letteren. Jaargang 2
43
zelfs schrandere mannen een eigenaardige verblinding. Men ziet in, men toont aan,
dat Hooft en Vondel in hunne geslachtsbepaling onbetrouwbaar zijn; en toch stelt
men, op grond van het gebruik bij Hooft en Vondel, geslachtsregels op, en bepaalt
men het genus van woorden, die niet onder die regels vallen! Men erkent volmondig,
dat het middel slecht is, maar aangezien men nu eenmaal vasthouden wil aan het
verdwenen onderscheid tusschen mannelijk en vrouwelijk, en men geen beter middel
heeft, past men het toe. Voort te gaan op het spoor van ten Kate en het geslacht te
bepalen door vergelijking met oudere Germaansche talen - dit had te veel bezwaren
in. Bovendien, van hoeveel substantieven zou men het overeenkomstige woord in
Gotisch, Angelsaksisch of Oudhoogduitsch niet teruggevonden hebben!
e
Zoo was dan een groot deel onzer 18 eeuwsche auteurs met een Lijst van van
Hoogstraten gewapend, evenals wij met een de Vries en te Winkel. Toch waren er
- en van de beste! - die het de moeite niet waard vonden, telkens in de Lijst te
bladeren of zij den hadden te schrijven dan wel de. Toen van den Hollandschen
Spectator van Justus van Effen een tweede druk verscheen (1756), bezorgd door
Pieter Adriaen Verwer, werd den lezer in een ‘bericht’ medegedeeld: (Men) heeft
den Spectator zyn eigen styl en zelfs zyne maniere van Letterspelding gelaten en
alleen doorgaends getracht de Geslachten der Naemwoorden en de Naemvallen
in order te brengen.’
e
e
In de laatste jaren der 18 en in de eerste der 19 eeuw trok al hetgeen op de spelling
van het Nederlandsch betrekking had, weer bijzonder de aandacht. Aan de
‘Geslachten der Naamwoorden in de Nederduitsche Taal’ werd in 1804 zelfs een
1)
uitvoerige verhandeling gewijd door Willem Bilderdijk. Dit werkje draagt het kenmerk
van de meeste philosophische geschriften: het afbrekende gedeelte staat heel veel
hooger dan het opbouwende.
‘Weinige zaken zijn er’, zoo begint de schrijver, ‘waaromtrent in de algemeene
waarneming onzer Letterkundigen een zoo groote onzekerheid heerscht, als in de
Geslachten der Naamwoorden.’ En dan vervolgt hij: ‘Twee middelen zijn er om tot
de kennis eener waarheid te geraken: of a priori, door uit een beginsel gevolgen af
te leiden; of a posteriori, door uit waarnemingen tot een beginsel op te klimmen.....
Op de eerste wijze heeft men deze stoffe tot dus verr' niet beproefd te behandelen;
maar men heeft den laatsten weg willen inslaan; en het is daaraan, of veeleer, aan
het oogmerk om daartoe stoffe te leveren, dat wy de waarnemingen van eenige
opmerkzame lezers der vorige Eeuwe omtrent de Geslachten, en daaronder ook
Hoogstratens Geslachtlijst, te danken hebben.’ Wat genoemde lijst nu meer in 't
bijzonder betreft, zij ‘is niets anders dan eene verzameling van enkele waarnemingen,
zonder
1)
Verschenen in 1805. Tweede druk van 1818 (uit dezen wordt door mij geciteerd).
Taal en Letteren. Jaargang 2
44
eenig het minste verstandelijk inzicht. Wil (Hoogstraten) in een zeer byzonder geval
iets meer doen dan een bloote en enkele waarneming geven, hy tast doorgaands
mis.’
Van de pogingen der dichters en taalzuiveraars omstreeks 1600 zegt Bilderdijk:
‘De Taal won oneindig; maar het verloop der geslachten was zoo verr' gegaan, dat
zelfs alle sporen van regelmatigheid daarin uitgewischt waren. De vermenging met
het Vlaamsch, dat niet slechts vrouwelijk en onzijdig door één warde, maar ook den
eersten Naamval in 't Mannelijke bestendig met d e n uitdrukte, de Amsterdamsche
afkapping van de n in de uitspraak, die te meer invloed kreeg omdat de meeste en
beste Taalhelden diens tijds, deze stad tot hun woon- of geboorteplaats hadden....
dit alles was oorzaak dat ten tijde van Hoogstraten, niet slechts het Onzijdig en
Vrouwlijk geslacht dikwijls vermengd wierden, maar dat men ten aanzien van
Mannelijk en Vrouwelijk twijfelde of er wel eenig wezendlijk onderscheid was.’
Van Hoogstraten wilde nu door Hooft en Vondel laten beslissen, welk geslacht
men aan een substantief behoort toe te kennen. Zeer ten onrechte, zegt Bilderdijk.
‘Niet slechts om hun wederspraak met elkander in zeer vele woorden, waarin de
een het Mannelijk, de ander het Vrouwlijk geslacht aankleeft; niet slechts om hunne
eigene ongelijkheid, die niet altijd een uitwerksel van gebrek aan oplettendheid
schijnt, maar somwijlen de vrucht eener dobberende onzekerheid, willekeurig
bepaald; maar vooral en in het byzonder, om dat zy zich eenen regel voorschreven,
zonder grond voor dien regel te hebben, en, gelijk wy hierboven reeds aanmerkten,
de welluidendheid, of een nietige opvatting over 't woord, als een meer geweldige
of meer zachte zaak beteekenende, van 't geslacht deden beslissen...... Zeker, het
gebruik van Hooft en Vondel is dus geen bewijsgevend blijk hoe de taal is, maar
hoe ieder van hun haar begeerde. Om dat de Keulenaar Vondel, bij een ruwer
lichaamsgestel, door geboorte en opvoeding minder beschaafd, meer van kracht
dan gevoeligheid in de uitdrukking hield, vloeit het Mannelijk geslacht bij hem over;
terwijl de aandoenlijke, de, en t'huis en in vreemde landen gepolijste en vertederde
Hooft aan het Vrouwelijke den voorkeur geeft. Om dat echter Vondel, als Poëet
meer dan Hooft werd gelezen, wien hy in de Poëzy (of, zeggen wy, in de kunst der
verzen) spoedig te boven was, en wiens Proza een smaak van 't Latijn had, dat hy
navolgde, heeft het misbruik van den eerste zijn aanhang gekregen, en Hoofts
ongetwijfeld meer Nederlandsche, meer redelijke, en meer grondige keus van
geslachten verdrongen.’
Wij zien dat Bilderdijk - zijn oordeel over Hooft en Vondel daargelaten - over 't
geheel met veel nauwkeurigheid de wonde plek in de heerschende
geslachtsonderscheiding aanwijst. Minder gelukkig is hij in zijn poging om verbetering
aan te brengen. Hij ging uit van het in hoofdzaak zeker juiste denkbeeld, dat de
beteekenis van het woord eigenlijk niets te maken heeft met het geslacht van het
woord; dit laatste is van de vorming van het woord afhankelijk. Maar nu meende
Bilderdijk, dat de zelfstandige naamwoorden ontstaan waren
Taal en Letteren. Jaargang 2
45
òf uit een adjectivum òf uit een verbum; en dat zij in 't eerste geval altijd vrouwelijk
moesten zijn. Wat het tweede geval betreft, hier waren vijf mogelijkheden te
onderscheiden:
1. Is de wortel tot een substantief geworden, dan is dit mannelijk. 2. en 3. Is het
tegenwoordig of verleden deelwoord als znw. gebruikt, dan is dit vrouwelijk. 4.
Verkeert de infinitief in dat geval dan is het woord onzijdig. 5. Is het znw. ontstaan
door toevoeging van r of l, dan is het mannelijk.
Van de uitgangen komen vooral in aanmerking heid, schap, nis, die het woord
vrouwelijk maken, dom, dat oorspr. dezelfde kracht had, maar thans achter mannel.
en onz. woorden staat, en sem, dat ook als mannelijke uitgang is te beschouwen.
In de toepassing kan - of moet - in sommige gevallen van deze regels worden
afgeweken.
Van Bilderdijk's hand bestaat een uitvoerige Geslachtlijst der Nederduitsche
Naamwoorden (1822), waarin hij het resultaat van zijne onderzoekingen heeft
neergelegd. Om met het sedert Hoogstraten eenigszins gevestigde gebruik niet al
te zeer in strijd te komen, neemt Bilderdijk voor een groot aantal woorden twee
geslachten aan. Daar de geslachtsbepaling volgens hem op de etymologie berust,
en de etymologie in die dagen een jolig juffertje was, kon Bilderdijk bijna altijd
bewijzen - als dit woord hier gebezigd mag worden - wat hij bewijzen wilde. Een
paar voorbeelden:
Boter, V. door het gebruik. ‘Als stoffe, of als overgenomen uit het Latijn, zou het
O. zijn. Doch het woord is Hollandsch.... en dus door zijn vorming M.’......
Boterham, M. als samengesteld met ham. ‘Doch V. gelijk het te Amsterdam
gebruikt wordt, en ook zoo men 't als verbastering van botering (van boteren) neemt,
dat is, 't geen geboterd is; het geen inderdaad zoeter en minder plomp klinkt.’
‘Bots, V. doch M. als wortelsylbe van botsen.’
‘Bouwen (tabbaart), naar het Gebruik, M. Het zou O. moeten zijn als infinitivus,
of liever V. als zijnde eigenlijk bowing van bowen, dat is bogen, pralen; maar daar
wordt waarschijnlijk een ander woord onder verstaan, en dit woord schijnt rok te
zijn.’
Men ziet, Bilderdijk's systeem laat niet zelden meer dan één geslacht toe; ten
overvloede erkent hij ook het gebruik, wat - tenzij er van het onzijdige geslacht
sprake is - beteekent: de lijst van Hoogstraten en Kluit.
Het aantal gevallen, waarin Bilderdijk niet volkomen met Kluit overeenstemt, is
verre van gering. In den tweeden druk van Bilderdijk's geslachtlijst komen er minstens
vijfhonderd vijf en twintig voor! Bij die vijfhonderd vijf en twintig zelfstandige
naamwoorden kon men dus tusschen twee of drie geslachten kiezen en zich altijd
beroepen op de autoriteit van Kluit of wel op die van Bilderdijk!!
Taal en Letteren. Jaargang 2
46
Eenige der belangrijkste gevallen mogen hier vermeld worden:
Znw.
Amstel
KLUIT.
BILDERDIJK.
M.
V.
anijs
M.
V.
beuling
M.
V.
bijl
V.
M.
bolster
M.
V.
boor
V.
M.
braam
V.
M.
buik
M.
V.
buit
M.
V.
bult
M.
V.
bunzing
M.
V.
dienst
M.
V.
dorst
M.
V.
erts
M.
V.
flits
M.
V.
galeas
V.
M.
garnaal
V.
M.
gril
V.
M.
haas
M.
V.
hagedoorn
M.
V.
hak (hiel)
V.
M.
hommel
V.
M.
homp
V.
M.
honigraat
M.
V.
horzel
V.
M.
huid
V.
M.
huur
V.
M.
ijl
V.
M.
Ysel
M.
V.
inkt
M.
V.
jol
V.
M.
kaap
V.
M.
kameleon
O.
M.
Taal en Letteren. Jaargang 2
kaneel
O.
V.
karos
V.
M.
keper
V.
M.
kerf
V.
M.
kievit
V.
M.
kink
V.
M.
klaroen
V.
M.
klep
V.
M.
klos
M.
V.
koepel
M.
V.
kool
V.
M.
kost
M.
V.
kras
V.
M.
krib
V.
M.
kuch
V.
M.
kwast
M.
V.
luier
V.
M.
luifel
V.
M.
lust
M.
V.
matras
V.
M.
meeuw
V.
M.
mier
V.
M.
molm
M.
V.
mossel
V.
M.
nacht
M. en V.
V.
neep
V.
M.
noodweer
V.
M.
ochtend
M.
V.
oksel
M.
V.
oogst
M.
V.
palts
M.
V.
patrijs
M.
V.
peper
V.
M.
persoon
M.
V.
pier
V.
M.
plak
V.
M.
ploeg
M.
V.
Taal en Letteren. Jaargang 2
pool
V.
M.
preek
V.
M.
prijs
M.
V.
prul
V.
M.
rat
V.
M.
schalm
V.
M.
schar
V.
M.
schok
V.
M.
schol
V.
M.
schoot
M.
V.
schouder
V.
M.
slof
V.
M.
snuf
V.
M.
spat
V.
M.
speer
V.
M.
spier
V.
M.
sprokkel
V.
M.
sprot
V.
M.
steven
M.
V.
stip
V.
M.
Taal en Letteren. Jaargang 2
47
Znw.
stop
KLUIT.
BILDERDIJK.
V.
M.
suiker
V.
M.
tegel
M.
V.
treeft
M.
V.
troost
M.
V.
tuin
M.
V.
turf
M.
V.
vaak
M.
V.
vijl
V.
M.
vingerling
M.
V.
vlek
V.
M.
vorsch
M.
V.
wambuis
O.
V.
wel
V.
M.
wijk
V.
M.
worm
M.
V.
wouw
V.
M.
zegepraal
V.
M.
zwijn
V.
M.
zwoord
O.
V.
Terwijl Bilderdijk in het buitenland bezig was zijn verhandeling over de geslachten
persklaar te maken, hield de Leidsche hoogleeraar Matthijs Siegenbeek zich onledig
met het schrijven van een Verhandeling over de Nederduitsche Spelling ter
bevordering van eenparigheid in dezelve. Het stuk werd uitgegeven ‘in naam en op
last van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek’ (1804). Volgens de beginselen,
in die verhandeling uitgesproken, werd daarop de Nederlandsche spelling geregeld.
Intusschen had de Rotterdamsche predikant P. Weiland de hand aan 't werk geslagen
om - eveneens in naam en op last van het Staatsbestuur - een Nederduitsche
Spraakkunst samen te stellen.
Siegenbeek en Weiland hielden zich, wat de regeling der geslachten betrof, aan
1)
de lijst en de regels van Kluit . Daar Weiland in zijn Woordenboek, dat van 1799-1811
in elf deelen verscheen, heel wat substantieven had op te nemen, die bij Hoogstraten
- Kluit ontbraken, bepaalde hij het geslacht van die woorden zoo goed mogelijk met
behulp van de regels, door Kluit gegeven. Toch brengt ook Weiland nu en dan een
wijziging aan. Is het ‘gebruik’ volkomen in strijd met een regel, waarop weinig
uitzonderingen zijn, dan brengt hij het geslacht wel eens met dien regel in
overeenstemming. B.v. bij krokodil. Bij Kluit is het woord vrouwelijk. Maar Weiland
maakt het - daar krokodil een groot en sterk dier is, misschien ook om in
1)
Weiland zelf getuigt dit op blz. 60 zijner Spraakkunst (1805).
Taal en Letteren. Jaargang 2
overeenstemming te komen met andere talen - mannelijk. Waar Kluit twee geslachten
vermeldt, wordt door Weiland dikwijls een keuze gedaan.
De spelling van Siegenbeek, schoon heftig door Bilderdijk bestreden en
dientengevolge nooit algemeen ingevoerd, heeft niettemin 60 jaren lang haar gezag
weten te handhaven. Een ontwerp der spelling voor het groote Woordenboek, door
Dr. L.A. te Winkel opgesteld na een onderzoek, waarin hij was bijgestaan door prof.
de Vries, verscheen in 1863; in 1866 volgde de Woordenlijst voor de Spelling der
Nederlandsche Taal.
Reeds een tiental jaren van te voren had te Winkel zich met de geslachtenkwestie
beziggehouden. In het eerste deel van het Nieuw Nederlandsch Taal-
Taal en Letteren. Jaargang 2
48
magazijn (1853) gaf hij eenige Bijdragen tot de kennis van het Geslacht der
1)
Zelfstandige Naamwoorden. Te Winkel tracht in zijn stuk het geslacht vast te stellen
van substantieven, die in de woordenboeken niet voorkomen, of waaromtrent zijn
2)
autoriteiten (Kluit, Bilderdijk, Weiland, Siegenbeek en Terwen het oneens zijn. Een
paar proefjes van de wijze, waarop hij te werk gaat. Er is een regel, die leert, dat
de namen van werk- en speeltuigen op -el, den stam uitmakende van het werkw.
of van dien stam afgeleid, mannelijk zijn. Uitgezonderd: vedel, trommel, roffel, griffel
en schoffel.
‘Dat trommel en vedel vrouwelijk zijn’, zoo redeneert te Winkel, ‘laat zich
verdedigen, doordien de meeste overige benamingen van muziekinstrumenten, b.v.
cimbel, timbel, trom, trompet, fluit enz. dit geslacht hebben. Niet verdedigbaar echter
is het femininum van griffel, schoffel en roffel, die dan ook door Bilderdijk voor
mannelijk verklaard worden.’
Waarschijnlijk op grond hiervan vinden wij in de Woordenlijst aan roffel (schaaf)
het mannelijk geslacht toegekend. Schoffel is echter vrouwelijk gebleven. En griffel?
3)
In de geslachtsregels, die aan de Woordenlijst voorafgaan, leest men op blz. XXIII :
‘(-el vormt) van werkw. manl. benamingen van werktuigen of middelen om de werking
te verrichten, b.v. beitel (van bijten, beet, oudt. beit), gordel, g r i f f e l , hevel’ enz.
Griffel is dus mannelijk. Zoekt men echter in de Woordenlijst zelf, dan vindt men:
4)
Griffel, v.
Wij komen tot te Winkel's stuk in het N. Ned. Taalmagazijn terug:
‘Poedel staat in geen onzer woordenboeken opgeteekend; ik zie echter geene
reden, waarom het niet mannelijk zou zijn, even als de andere (diernamen op -el)’.
‘Wezel is bij Vondel mannelijk; Kluit en Bilderdijk houden het er ook voor. Volgens
W(eiland) en S(iegenbeek) is het echter vrouwelijk; ook het Oudduitsche wisala had
dit geslacht; het nieuwhd. zegt das Wiesel.’
Waarschijnlijk gaf het geslacht van wisala de beslissing. De Woordenlijst neemt
wezel vrouwelijk.
In het Magazijn v. Nederl. Taalkunde zette te Winkel zijn onderzoek voort. Hij
5)
schrijft daarin o.a. over het geslacht van muziekinstrumenten: ‘Niet onwaarschijnlijk
is het, dat de lijdelijke rol, die de instrumenten onder het spelen vervullen, de reden
is, dat men ze als vrouwelijke wezens beschouwt’.(!)
1)
2)
3)
4)
5)
Blz. 125 vgg.
Van J.L. Terwen verscheen in 1842 een Etymologisch Woordenboek der Nederduitsche Taal.
Laatste druk.
Waarschijnlijk zal het woord griffel op blz. XXIII geschrapt moeten worden. In de Nederl.
Spraakkunst van Cosijn-te Winkel leest men: ‘Zoo is druppel mannelijk omdat drop mannelijk
is, en kruimel vrouwelijk omdat kruim vrouwelijk is. Het woord griffel is verkleinwoord van het
vrouwelijke grif(t) en dus geen afleidsel van het werkwoord griffen. Ook schoffel is niet
regelrecht van schuiven afgeleid.’ (I, 43.)
M.v. Ned. Tk. II, 37.
Taal en Letteren. Jaargang 2
49
Aangaande de namen van vruchten wordt opgemerkt: ‘In de Pomologie van Knoop
komen nog verscheidene namen van appelen en andere vruchten voor, die men
vergeefs in de woordenboeken zoeken zal, en wier geslacht dus nog niet bepaald
1)
is.’ Dan worden sommige regels toegepast; o.a. die, volgens welken woorden, die
uitgaan op ing, er, erd, aard tot het mannelijk geslacht behooren. ‘Eindelijk, indien
aagt vrouwelijk is, zal griet zulks ook wel moeten wezen.’
In het opstel Over de Geslachten der Zelfstandige Naamwoorden, vóór de
Woordenlijst van de Vries en te Winkel afgedrukt, komen eenige zinsneden voor,
waarop wij de aandacht nog dienen te vestigen. ‘In het manlijke en vrouwelijke
e
geslacht zijn de 1 naamvallen (de man, de vrouw) uit hunnen aard eensluidend,
e
terwijl de 4 (den man, de vrouw) door de gewone onderdrukking der n achter eene
toonlooze e eensluidend worden. Sommige woorden, b.v. heug, meug, en luid, in
de uitdrukkingen tegen heug en meug en naar luid van, hebben nooit eenig bepalend
woord bij zich, waaruit hun geslacht zou kunnen blijken. Uit een en ander vloeit
voort, dat er woorden zijn, aangaande wier geslacht volstrekt niets bekend is, en
andere, waarvan men slechts weet dat zij niet onzijdig zijn, zoodat men tusschen
manlijk en vrouwelijk te beslissen heeft.
‘Slechts van de woorden, die aangetroffen worden in geschriften uit den tijd, toen
zij nog in het gesprek verbogen werden, kent men het geslacht met zekerheid. Aan
vele, die niet tot deze categorie behooren, hebben woordenboekschrijvers, niet
zelden geheel willekeurig en vandaar soms uiteenloopend, een geslacht toegekend.
Zulke opgaven missen natuurlijk alle gezag en waarde, wanneer zij niet door de
analogie worden gesteund.’....
‘Het verwerpen der verbogen vormen (honds, honde, schaaps, schape enz.) en
het onderdrukken der n achter de toonlooze e der bepalende woorden (den, dezen,
zijnen, goeden enz.) staat bij woorden, wier geslacht niet van elders blijkt, gelijk met
het overbrengen in het vrouwelijke. Het lijdt dus geen twijfel, dat de hedendaagsche
taal het vrouwelijke geslacht voortrekt. De woordenboekschrijver, die haar geen
geweld aandoen en aan den stijl niet noodeloos een voorkomen van stijfheid geven
wil, volgt dien wenk, wanneer er geene redenen bestaan die zulks verbieden. Daarom
noemen wij b.v. het ter kwader ure uit den vreemde ontleende halt vrouwelijk,
2)
niettegenstaande het in de oorspronkelijke taal manlijk is.’
1)
2)
t.a. p. 206. De laatste zinsnede door mij gecursiveerd.
Woordenlijst, blz. XIII en XIV. Door woorden als halt en tram vrouwelijk te nemen, jaagt men
de stijfheid de voordeur uit; maar alleen, om haar door de achterdeur weer binnen te halen.
Op de vraag: ‘Is de tram al voorbij?’ luidt nu (in de schrijftaal) het antwoord: ‘Ik heb h a a r
nog niet gezien’!!
R.A.K.
Men kan er over van meening verschillen of de taal het vrouwelijk geslacht voortrekt. Niet de
bepalende woorden met hun s en n, waar deze reeds gedurende eeuwen bij vele werden
onderdrukt, kunnen m.i. in de eerste plaats aangewezen worden om het geslacht te
onderscheiden. Evenals in het Engelsch moeten de pronomina dezen dienst verrichten, bij
die woorden, welke geen natuurlijk geslacht hebben.
En dan blijkt m.i. duidelijk dat met uitzondering voor de oostelijke provinciën, waar al de
stofnamen (dus ook wijn, enz.) vrouwelijk zijn, in het beschaafde gesproken nederlandsch
de zaaknamen, en de meeste diernamen mannelijk gebruikt worden; de taal trekt derhalve
eer het mannelijk geslacht voor.
B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
50
Bij de geslachtsregeling door de Vries en te Winkel heeft men zich tot dusverre
neergelegd. Wel wordt er door dichters en prozaschrijvers dagelijks tegen gezondigd,
maar het geschiedt onopzettelijk.
e
In 1860 had prof. W. Brill op het 6 Ned. Taal en Letterk. Congres een woordje
in 't midden gebracht om te doen zien, dat men op het punt der geslachten niet te
veeleischend mocht zijn. Men behoorde de vrijheid te hebben, de uitzonderingen
‘tot den regel terug te brengen, opdat men niet genoodzaakt zij het geslacht eens
1)
naamwoords telkens in het woordenboek na te slaan’ .
Na de invoering der nieuwe spelling kwamen de taalkundigen niet meer op de
kwestie terug. Men berustte in hetgeen men onvermijdelijk scheen te achten; het
groote publiek wist bovendien niet beter, of alles was geheel in den haak. En toch
- in orde is de zaak niet. Voor het grootste gedeelte berust de regeling onzer
geslachten op een vrij willekeurig gebruik bij Hooft en Vondel; op willekeurige keuze
van Hoogstraten en, zij het ook in minder mate, van Kluit; op willekeur van Bilderdijk;
op de subjectieve opvatting van Siegenbeek en Weiland, van L.A. te Winkel en van
de Vries.
Deze allen - Hooft en Vondel, die meer instinctmatig te werk gingen, misschien
uitgezonderd - zijn uitgegaan van het denkbeeld: mannelijk of vrouwelijk moet een
niet-onzijdig woord wezen. Op welken grond zullen wij ons voor het een of voor het
ander verklaren?
Onzes inziens hadden zij kunnen zeggen: na een tijd van verwarring is het
onderscheid tusschen mannelijke en vrouwelijke buigingsuitgangen in het
Nederlandsch verloren gegaan. Pogingen om het kunstmatig in stand te doen blijven,
moeten op den langen duur falen; zij zullen den schrijvenden Nederlanders heel
veel last veroorzaken, zonder daar iets nuttigs voor in de plaats te stellen; zij zullen
de klove tusschen spreek- en schrijftaal onnoodig verbreeden en daardoor nadeelig
inwerken op beide. Daarom ruste in vrede, wat gestorven is!
R.A. KOLLEWIJN.
1)
e
Handel. 6 Ned. Taal- en Lett. Congr. ('s-Hertogenbosch, 1860), blz. 138.
Taal en Letteren. Jaargang 2
51
Boekaankondiging.
Studieboeken voor de hoofdakte.
II.
Zoo wij durfden, zouden wij den welwillenden lezer wel gaarne uitnoodigen tot eene
herlezing dier weinige bladzijden, waarin wij, onze monstering van studieboeken
openend, de beginselen bloot leiden, die ons oordeel daarbij bepalen zouden. Doch
wij mogen wellicht eenige verwachting koesteren, dat menig belanghebbende, van
het gewicht der zaak overtuigd, zonder die uitnoodiging er toe overgaat, onze
gronden nog eens te overwegen.
Met tweeërlei Oefenboek maakten wij kennis. Een derde soort, vertegenwoordigd
door een boek van den heer Van Wijnen, hadden wij aan de orde gesteld. Wij
veroorloven ons, deze thans aan de monstering te onderwerpen.
4. Volledige Taalcursus. Eene beproefde Methode, door J.E.K. van
Wijnen. 1890. (f 1.50.)
De titel verraadt dat de schrijver de critiek niet vreest. Hij geeft echter ook den grond
aan' van dit zelfvertrouwen. Hij heeft zijne methode gewogen en niet te licht
bevonden. Men mag verwachten, dat zij inderdaad voor eene beoordeeling in
abstracto bestand blijke. Na al hetgeen wij ten aanzien van de werkjes der heeren
Schutte, Bosman en Van Gelderen hebben opgemerkt, zal de lezer, wanneer wij
hem mededeelen waarin deze nieuwe methode bestaat (want als zoodanig wil de
heer Van Wijnen haar ingang doen vinden), zich-zelven zonder moeite een oordeel
vormen. Een eigenlijke uiteenzetting van beginselen wordt ons niet geschonken,
maar pag. 1-2, 115 en 182 vindt men den weg beschreven, die hier wordt ingeslagen.
Het boek heeft vier afdeelingen. Telkens is, in elk dezer, niet een fragment, maar
een volledig gedicht het voorwerp der oefening. In de laatste afdeeling komt het
opstel in behandeling. In drie afdeelingen wijdt de aandacht van den studeerende
zich in de eerste plaats niet aan het Boek Grammatica, maar aan de taal als vertolkte
gedachte. Op eene algemeene beschouwing van den inhoud van het geheel volgt
de nadere aanwijzing der logische hoofddeelen. Dan volgt de zakelijke toelichting.
Aan de beurt is nu die fijnere grammatische ontleding, die alleen in staat stelt, de
taal in haar wezen te leeren kennen. En inderdaad laat de schrijver aan de
paraphrase eene ‘taaloefening’ voorafgaan, die niet herhaling van de algemeene
spraakkunstkennis, maar de nauw-
Taal en Letteren. Jaargang 2
52
keuriger kennis van den tekst ten doel heeft. Daarná de paraphrase. In de eerste
afdeeling besluit elke oefening met gemengde taaloefeningen naar aanleiding van
het onderhavige, ter toelichting en ter uitbreiding van het Boek Grammatica. Dit
onderscheidt Afdeeling B, dat hier deze ‘Taaloefeningen na de Paraphrase’ niet van
gemengden aard zijn, maar telkens over een bijzonder deel der taalkunde gaan.
Men slaat het hoofdstuk der woordvorming, der naamvallen, der zinsontleding op
en vergelijkt de bijzondere gevallen van een stuk taal met de leer van het handboek.
Voor een geregelde studie, zegt de heer Van Wijnen, achten we de methode onder
B (die overigens geheel aan die van A gelijk is) zelfs beter. Die onder A heeft echter
haar bijzonder nut, merkt hij tevens op, daar zij het aan den dag brengt, of men ver
genoeg gevorderd is, om nu over dit en het volgend oogenblik over dat punt van
Spraakleer te handelen. Afdeeling C houdt vergelijking van gedichten over hetzelfde
onderwerp of met verwanten inhoud van verschillende dichters. Zoo wij den lezer
thans nog mededeelen, dat in dit boek minder de vragende examinator dan de
mededeelend-vragende leeraar voor ons zit, die de moeielijkheden uit den weg
ruimt en op weg helpt, dan weet hij genoeg om zich een gegrond oordeel te vormen
over deze nieuwe methode. Hij zal, vertrouwen wij, niet aarzelen met de erkenning,
dat zij haar oorsprong vindt in denkbeelden die wezenlijk verwant zijn met de
beginselen, welke ook ons in de inleiding tot deze recensie tot eene methode
voerden, en dat hier, in deze derde soort, ‘de hoogstverdienstelijke aanvankelijke
verwezenlijking’ voor ons ligt ‘van het idee, dat wij als grondslag der beoordeeling
den lezer hebben blootgelegd’. Hierover zal men zich niet verwonderen, dat de heer
Van Wijnen (zie ook onze aankondiging van Heeringa's Nederlandsche Stijl), de
oefening in het opstel aanmerkt als een onderdeel van zijnen cursus en het onderwijs
in de stijlleer op zijn taalonderwijs baseeren wil. De veertig pagina's die hij aan het
opstel gewijd heeft, behooren tot het beste, dat ons in de Nederlandsche
Onderwijzerslitteratuur over die stof bekend is. Is het wel noodig een boek dat
zooveel aanbeveling in zich zelf bevat, nog veel bloemrijken lof toe te zwaaien?
Warmen lof hebben wij er voor over.
Doch wij noemden dezen Taalcursus de aanvankelijke verwezenlijking van ons
denkbeeld. Wij twijfelen niet, of de schrijver zal zelf methode en uitvoering beide
voor verbetering vatbaar houden. Menschenwerk bereikt maar zelden zijn ideaal.
Hij zal het ons niet ten kwade duiden, dat wij ook ten opzichte van zijn arbeid van
ons hart geen smoorkuil willen maken. Terwijl wij hem bekend maken, waarin wij
het niet met hem eens kunnen zijn, en dit tegelijkertijd het publiek onder de oogen
brengen, vergeten wij niet, dat ook hij zich in de toepassing zijner beginselen
menigmaal wellicht heeft moeten beperken, om de eischen van het vigeerend
examen.
Algemeene beschouwing van den inhoud; nadere beschouwing der onderdeelen;
zakelijke toelichting; taaloefening vóór de paraphrase; paraphrase; taaloefening van
algemeene strekking ná de paraphrase: wij zouden de zakelijke
Taal en Letteren. Jaargang 2
53
toelichting het eerst willen geven, doch voor het overige achten wij deze orde van
behandeling den rechten weg naar het doel. Men ziet duidelijk, dat het doel zelf den
schrijver helder voorstond. Men behoeft hier niet twijfelend te vragen, of de auteur
misschien vergeten heeft, zich een doel te stellen. Hier wandelt men niet in een
Engelsch park, noch loopt schelpjes zoeken aan het strand der taalwetenschap.
Het is er enkel te doen, om zich die nuttige kennis te verzamelen, zonder welke
onze auteurs van beteekenis niet gewaardeerd en genoten kunnen worden, zonder
welke het instrument der moedertaal niet gehanteerd worden kan. De studeerende
wordt hier voorbereid tot zijn examen, op zulk eene wijze, dat hij er niet als een
onhandig beginneling, maar als iemand die gewerkt heeft en iets kan, mag
verschijnen. Hooger echter zou de Cursns in onze schatting staan, zoo de
taaloefening vóór de paraphrase (hoezeer wij hem om deze oefeningen het meest
moeten prijzen!), zoo zij nog dieper doordrong tot de bedoelingen van den auteur,
nog inniger het verband van gedachte en taal opvatte, nog fijner de wendingen en
de vormen der eerste in woordenkeus en zinsbouw, in beeld en figuur te
aanschouwen gaf. De behandeling van Gedichten als Bronbeek en Aan mijne
Dennen moet artistieker zijn. Stijlleer en taalonderwijs behooren zich nog nauwer
te verbinden. Er moet nog beter gelezen worden. De Spraakkunst zal er wel bij
varen. Het is onnoodig, dat wij met den vinger aanwijzen, waar de heer Van Wijnen
scherper had kunnen onderscheiden. Hij weet het zelf, gelooven wij, ook wel. En
voert hij ons tegen, dat Keulen en Aken ook niet op één dag zijn gebouwd, dan
verzekeren wij hem, dat wij zijn voortbouwen zonder groote bezorgdheid te gemoet
zien.
Een ander punt. Spaarzaam moet het Lager Onderwijs zijn met de Etymologie,
vooral met de Etymologie in engeren zin. Voor zooverre de afkomst van een woord
de tegenwoordige beteekenis opheldert, het juist gebruik bevordert en de fijne
schakeeringen in de woordenkeus, bij auteurs die ter bereiking van een effect den
etymologischen zin weer opwekken, in 't licht stelt, voorzoover is de Etymologie bij
het taalonderwijs aan Kweekscholen en later niet te wraken. Wat echter waardeloos
is voor de practische taalkennis moet contrabande heeten. Een ernstig
taalonderwijzer, die zijne grenzen kent, zal zijne leerlingen niet willen verbazen met
anecdootjes in den vorm van etymologietjes, welker juistheid hij niet contrôleeren
kan, noch hunne geheugens als eene kermistent opvullen met curiositeiten. Op het
terrein der woordafleiding gaat het vernuft ligt verder dan de wetenschap: de
oningewijde beeldt zich in, dat het vernuft hier grootmeester is. Menig jong mensch
heeft veel kostbaren tijd verbeuzeld, met op eigen hand etymoloog te spelen. Hij
wist niets van den moeielijken arbeid van den etymologiseerenden taalgeleerde: hij
hoorde enkel van verrassende uitkomsten en het scheen hem, of arbeid en spel
hier ineenvloeiden. Van deze ervaring uitgaande, aarzelen wij niet, met de bekentenis
voor den dag te komen, dat ons de heer Van Wijnen zijne leerlingen te veel met het
gewraakte spel schijnt bezig te houden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
54
Van etymologieën die op de examens in trek zijn zegge men kort en goed wat er
van is; men wachte zich de oplossing der moeielijkste vragen den leek voor te
leggen, alsof de taalwetenschap met hare ontzagwekkende geleerdheid nog altijd
in de schoenen van mijnheer Becanus stond. Voor wij hier en daar den vinger leggen,
moet het ons echter van 't hart, dat de Oefenboeken in 't algemeen (ook eenige
Spraakkunsten) zich in etymologische dingen te buiten gaan en het in den volledigen
Taalcursus juist niet bonter toegaat dan elders. Opgaven als die nu volgen kunnen
wij niet prijzen: Of de r van ‘vreezen’, met ‘vervaren’ vergeleken, ‘aan een
spraakkunstige figuur doet denken’ en deze woorden verwant zijn (30); of de afleiding
van ‘tolk’ de beteekenis toelicht en het woord samenhangt met ‘taal’, ‘vertellen’,
(121, 131); is ‘schichtig’ gevormd van ‘schicht’ (152); etymologie van ‘aardig’ (151);
zijn ‘strompelen’ en ‘mompelen’ eveneens gevormd (130); is ‘steigeren’ een
frequentatief of een denominatief (132); staat ‘handhaven’ met ‘hebben’ en ‘houden’,
met ‘heft’ en ‘hecht’ in ‘messenheft’ in verband (172); vorming van ‘voordeel’,
‘bolwerk’, vaandrig (171). Met genoegen merkten wij op, dat de schrijver de
regelmatige afleiding tot een oefening in juist redeneeren weet te verheffen. Minder
geschikt is daartoe eene vraag als deze: ‘oudjens: dit is het meerv. van oudje(n),
een verkleinw. gevormd van het bijv. nw. oud; - hier is de n ingevoegd; - is dat een
grammatische figuur?’ Het woord ‘vaandrig’ komt bij herhaling op de proppen. Op
pag. 172 wordt gevraagd, of de vorming aldus is: vaan - vaner - vaanre - vaanrig - vaandrig: of in ‘vaanrig’ ig = hebbende is en dus ‘vaandrig’ = hij, die de vaan heeft.
Of, heet het verder, kan ‘vaandrig’ ook gevormd zijn van: vaan en dragen, en pleit
voor deze laatste meening het gebruik van woorden als bliksemdrig, bij Vondel,
Bilderdijk e.a.? Wat moet de onderwijzer hier nu op antwoorden? En wat wijsheid
kan hij uit zich-zelven putten omtrent den naamval van U in ‘U hongert’? Doch
genoeg reeds om kenbaar te maken, wat in deze behandelingswijze, onzes inziens,
den toets niet doorstaan kan.
Dat de heer Van Wijnen niet enkel vraagt, maar ook mededeelt, zeiden wij. Aan
de mededeeling, aan de toelichting vooral van kleine hoofdstukjes uit de Spraakkunst,
zouden wij echter nog meer ruimte besteed wenschen. Wel spant de Taalcursus
ook in dit opzicht de kroon; grooter verscheidenheid ware ons echter zeer welkom
geweest. De prijs van het werk is thans zoo gering (270 bladzn.), dat eenige
uitbreiding bij een tweeden druk wel gewaagd kan worden.
Wij gaan er nu toe over, nog een aantal plaatsen aan te wijzen, waar wij ons met
een of ander niet vereenigen konden. De lezer zie in de critiek niet anders dan onze
belangstelling in de studie der moedertaal. De schrijver neme onze opmerkingen
in overweging. Is ten in ‘ten boog’ (19) = tot den? Zal de studeerende bij vraag 10,
pag. 21 niet vragen, of 't zij in Bronbeek I, dat aanleiding tot deze vraag was, dan
ook niet, met behoud
Taal en Letteren. Jaargang 2
55
der onderschikking in of veranderd kan worden? Bladz. 23 doet ons vragen: is
erinneren van innen? Zal men niet aan willekeur bij Potgieter denken, als men van
het Praet. pleeg leest: ‘pleeg is hier gebruikt voor plag in den onvolt. verl. tijd’? Mag
men bij nochte van een paragogische t spreken? Op bladz. 28 zal niet ieder studioos
er aan denken dat met ‘voorwerp van doel’ het oorzakelijk voorw. bedoeld wordt.
Bij ‘laaije vlam’ had iets opgemerkt gemoeten over den overgang van laaie tot een
andere woordsoort: zóó bevalt de aanteekening ons niet. Is de s in ‘tot zwaaiens
toe’ de adverbiale? (38). Onjuist zijn, dunkt ons, blijkens de ontleding pag. 50, de
regels uit Bronbeek 4 opgevat: ‘'t Is reiner weelde etc.’; de verklaring van ‘'t Is, God
gelijk etc.’ moet zich dan mede wijzigen (51); ook de behandeling van ‘God gelijk’
kon, lijkt ons, beter. Wij treffen hierin een staaltje aan van taaloefening ná de
paraphrase, die had moeten voorafgaan: zóó ook elders. Wijst ook in toegevende
zinnen op een veronderstelling (62)? Op bladz. 68 schijnt ons de aanteekening met
het woord af niet in orde, en dat aangenaam met een object in beteekenis verschilt
van aangenaam zonder object zien wij althans niet in. Hetgeen pag. 75 over ‘nijgen’
en ‘neigen’ te berde gebracht is, kan slechts verbijsteren. Op de volgende bladzijde
begrijpen wij niet waarom ‘vreemden’ in ‘'t geen vreemden broeders maakt’ geen
lijdend voorwerp zijn zou. Vraag 6 over De Génestets Verandering had de auteur
behooren te beantwoorden, en zij ware dan uitstekend geweest. Vraag 7 a bladz.
87 is een onbillijkheid: zóó heeft de dichter het wel niet bedoeld. Bij ader (93) missen
wij eene aanteekening. De redeneering over ‘Vondels voedstervader’ is verward
(94). Iets over den Milaanschen en den Atheenschen Popel en die Luim (96) zou
niet overbodig geacht zijn. Over het zinsverband in strophe I Aan mijne Dennen
hadden wij den schrijver gaarne gehoord (101). Vragen als op 103: ‘Is de volzin Wij
hongeren en dorsten naar de gerechtigheid spraakkunstig niet zuiver?’ klinken
verbijsterend: dit onzekerheid-verwekken ligt in des schrijvers manier. Waarom
Staring gebeenten voor gebeente schrijft (107), dat verwacht de leerling van zijn
leeraar verklaard te zien. Dit geldt ook, 122, de vraag over ‘ontvlucht’, ‘ontvliedt’,
‘ontwijkt’. Dat wij eerst op 138 iets over Haesje Claesd. vernemen, terwijl het bekende
gedicht op 118 reeds aan de orde gesteld werd, zal men vreemd vinden; iets meer
over haar zou menigeen welkom zijn. Of de woordafleiding bij de verklaring van
‘vooroordeel’ helpen kan? Hier liggen voor den ongeoefende voetangels en klemmen!
(146). De afleiding der huidige beteekenis van ‘genie’ uit de oorspronkelijke is
belangwekkend genoeg, maar men had ze hier gaarne uit het boek vernomen (150).
Onze aandacht heeft het gaande gemaakt, dat de term bepaling van gesteldheid
op bladz. 151 en elders blijkbaar vermeden is. Bij ‘En, huichelaarster! als gij laster
spuwt en logen, etc.’ had het boek het woord moeten nemen (153). Voortreffelijk
keuren wij vragen als op bladz. 161 over ‘hechtte’ en ‘richtte’: wederom echter
moeten wij het uiten, dat het antwoord hier niet had mogen ontbreken. Is het,
eindelijk, niet beter,
Taal en Letteren. Jaargang 2
56
met het oog op het examen, ter wille van den studeerende, nieuwe beschouwingen,
gelijk wij ze pag. 22 (vgl. 56), 48 (over eigenlijke en oneigenlijke samenstelling), 54
aantreffen in noten plaats te leenen?
Over de keuze der gedichten zou wel iets in 't midden zijn te brengen. Doch andere
boeken eischen een deel van onze ruimte. Ook in dat opzicht moeten wij anders
prijzen. Alleen stippen wij aan, dat sommige vragen over Bilderdijks Epigram op
Hooft ons niet ernstig gemeend schijnen; dat De Genestets Humor en de gedichten
over Den Dichter moeielijk genoeg zijn. Wij herhalen, dat, zal het taalkundige
inderdaad tot zijn recht komen, de geheele behandeling artistieker worden moet.
Zich minder moeite gevend voor grammatische figuren, zal de schrijver ruimte
winnen voor een aantal vragen en antwoorden bij Verandering, Aan mijne Dennen,
Kritiek, die wij tot ons leedwezen misten.
Bij een tweeden druk zal de heer Van Wijnen de herziening niet onnoodig achten.
Zijn boek kán beter worden. Doch het is ons evenwel een teeken van beter dag.
Wij hebben het met blijdschap begroet en bevelen het met aandrang bij alle
Nederlandsche onderwijzers aan.
5. Hoe en Waarom? Taaloefeningen, door F.G. Bos. 1888 (f 0.90). Tweede
deeltje:
‘Een vierde soort!’ kan men zeggen. Uit de Voorrede verneemt men, dat de schrijver
dit werkje ook voor onderwijzers bestemde, en wij hebben geen bezwaar, met name
dit tweede deeltje onder den titel Theorie en Praktijk aanbevelenswaard te noemen.
Systematisch bevat het eene reeks van oefeningen ter toetsing, ter toepassing, ter
uitbreiding van den grammaticalen regel, ter illustratie van het Boek Spraakkunst.
Met groote zorg werden zij verzameld en het baart eenige verwondering, dat de
ernst van den samensteller zich in een tweeden druk (voor zoover wij weten ten
minste) niet beloond zag. Een boek als dit is eigenlijk, juist als voorschool voor die
Leeskunst waarop alle taalstudie van den onderwijzer uit moet loopen, onmisbaar.
In zijn soort nu verdient het werkje van den heer Bos een plaats bovenaan. Van
‘boekmakerij’ is bij den arbeid die hier voor ons ligt, geen sprake. Alles kan niet
gading zijn van den jongen onderwijzer, die zich tot den Taalcursus wil voorbereiden.
Ook deze taalleeraar geeft zich te veel af met de etymologie (in ruimer zin echter
genomen). Bij dit oefenboek behoort de Spraakkunst van den schrijver (Neerlands
Taal, twee deeltjes, à f 0.90): hij zelf merkt dit in de voorrede op. Het neemt niet
weg, dat de studie van deze oefeningen (die weinig schrijvens vorderen) voor ieder
vruchtbaar zijn moet. Er is iets anders nog, wat ons lust in dit werkje geeft. De
spraakkunstige oefeningen worden besloten met een veertigtal bladzijden in den
bekenden trant: fragmenten poëzie met vragen. Wel moeten wij wederom afdingen:
de lezer kent onze denkbeelden. De mededeelend-vragende methode van den heer
Van Wijnen is hier niet toegepast. Hoe gaarne zagen wij die vragen, welke den
onderhavigen tekst niet verklaren, uitgeschift en - waar het de moeite loont - als
taal-
Taal en Letteren. Jaargang 2
57
oefening nà de paraphrase opgevat. Doch dit nu daargelaten, overtreffen deze
opgaven de beoordeelde verzamelingen Examenwerk op menige bladzijde in gehalte.
Vele vragen gaan zoo recht af op het doel, dat wij het dubbel jammer vinden, dat
het altoos blijft bij een vraag. De bewerking echter der voorafgaande taaloefeningen
(wij twijfelen daaraan niet) zal ook menig antwoord gemakkelijk maken. In zijn eigen
boek heeft de heer Bos eene hoogere klasse geopend. - Wij gaan thans weder op
sommige dingen wijzen, die wel minder juist of minder goed te achten zijn. Omtrent
het grammatische gedeelte moeten wij ons echter tot enkele opmerkingen bepalen:
anders verzeilden wij licht tot een critiek van Schrijvers Spraakkunst. ‘In welke der
tegenover elkaar geplaatste woorden zou de stamklinker de oudste zijn?’ Op deze
vraag, die ons zelf niet bevalt, volgen o.m. rond-rand, bluts-blos, (?) loeren-gluren.
Bij ‘thema’ en ‘thee’ dunkt ons de naam syncope minder gepast (4). Is er
grammatische figuur in ‘bedeesd’? (5, vgl. 108). Met welk werkw. staat het bijvnw.
‘mal’ in verband? (13) Wat weet de gebruiker van het boek van een bijvnw. eenbaar?
(14). De genoemde Spraakkunst geeft hier, meenen wij, geen antwoord, evenmin
als op de vraag naar ge in ‘gevaar’ (16). Zal men niet in gevaar komen bij de vraag
naar de vorming van het bezitt. vnw. mijn in den klinker ij de ij van het personale
mij te zien? Deze opmerkingen zouden wij vermeerderen kunnen. Maar genoeg,
om het te rechtvaardigen als wij zeggen, dat hier de voorzichtigheid, in etymologische
zaken zoo gewenscht, niet altijd betracht is. In 't algemeen zal hij die Neerlands
Taal, vooral deel II niet kent, noch de Spraakkunst van Prof. Van Helten, in de
etymologische opgaven nog al eens op moeielijkheden stuiten. Dikwijls evenwel is
de moeielijkheid niet zoo groot als zij zich laat aanzien. Zoo is de afkomst van
‘overmits’ gevraagd: Uit de grammatica blijkt, dat het voldoende zijn zal, indien men
dit voegwoord met ‘met’ in verband brengt. In de oefeningen bij Fragmenten meenen
wij dat de volgende vragen geschrapt of gewijzigd behooren te worden: Met welk
werkw. of driest in verband staat (90); de afleiding van ‘sein’ (30); hoe is de
beteekenis van ‘hol’ in hol gebrom ‘ontstaan uit de oorspronkelijke beteekenis, die
verwant is met de beteekenis van 't werkwoord....’: goed bedoeld, maar
allerzonderlingst uitgedrukt (92); de vraag naar ‘monsteren’: waarom hier niet zelf
het woord opgevat (94); 95: komt ‘bebloemd’ van een werkw.; de afleiding van den
eigennaam Walen: wat zal de studeerende hier veel van zeggen; of wiens, in een
fragment van Vondel, slaande op ‘Weeshuis’ wel goed is; wat er aan te merken valt
op het adjectief verkouden (97): er staat wel iets bij opgemerkt, maar een gevat
leerling zal misschien toch verklaren, dat hij de zaak niet aandurft; of ‘weleer’ met
‘wijle’ is gevormd (99); afleiding van ‘hanteeren’ (99); hoe de i in ‘vermoeien’ te
verklaren (101); wereld is vrouwel., toch des werelds: hoe dit te verklaren; verband
tusschen ‘vertoog’ en ‘tigen toog’; ver in ‘verkeeren’ = omgang hebben en =
veranderen (108); afleiding van ‘verspillen’ en van ‘begluren’ (113); behandel
nauwkeurig ‘zijn eigen-zelf’, datief (114);
Taal en Letteren. Jaargang 2
58
‘koets’ = bed: hoe in verband te brengen met de gewone beteekenis van ‘koets’
(116); afleiding van ‘heulsap’; van ‘straks’ (119); de grammatische fig. in ‘talmen’
en in ‘snebbe’ (120); afleiding van ‘verbazing’ (120); ‘vergelijk eens laven met.... ja,
met welk adjectief?’ (122); ver in ‘vernoegen’ (122); of er een taalfout is in strophe
VII van Vondels Aan Gerard Vossius etc., (126): wij zien daarin wel een drukfout,
nl. Reedhers voor Reedners, anders niet; is ‘wambuis’, zooals 128 vermeld staat,
wel een samenstelling en zijn (128) ‘struis’, ‘grijp’, ‘leen’, ‘erf’ en ‘muil’ wel uit
samenstellingen ontstaan? Hier en daar hadden wij zakelijke toelichting verwacht:
zoo bij ‘Piëriden’ = Muzen (91, Bilderdijk), bij ‘heulsap’ (117, Bilderdijk). Bij het
zeventiendeëeuwsch hadden wij den schrijver zelven meer willen hooren: vgl. de
vraag naar ‘doorlucht’, pag. 102, naar de afleiding van ‘schenden’ bij ‘zijn handen
schenden aan’, pag. 122.
Z.
V.D.B.
(Wordt vervolgd.)
Nieuw-Nederlandsch.
1. Dr. Samuel Coster's Boere-Klucht [van Teeuwis de Boer, en men
Juffer van Grevelinckhuysen] met eene Inleiding en Aanteekeningen
voorzien door R.K. Kuipers, Amst. R.W.P. de Vries, 1891.
Indien wij de verzekering van den uitgever van der Plasse, dat de Teeuwis ‘int jaere
1612 ghespeelt is op de Ouwe Camer, In Liefd' Bloeijende’ voor waar mogen
aannemen (en er is niets wat tot twijfelen noopt) dan is de Boere-klucht de oudste
van die reeks van uitmuntende, van levenslust tintelende comedies (ik denk aan
Warenar, Moortje, Spaansche Brabander, Trijntje Cornelis enz.), die niet aan de
verhevenste en edelste, maar zeker aan de eigenaardigste, misschien wel aan de
krachtigste zijde staan van onze zeventiende -eeuwsche literatuur.
Bij de door mij genoemde blijspelen steekt de Teeuwis niet ongunstig af; zijn
Warenar en Moortje navolgingen van Latijnsche blijspelen, Coster's ‘Klucht’ is
oorspronkelijk; lijdt de Spaansche Brabander aan intrigeloosheid, de inhoud van
Teeuwis de Boer is als voor een blijspel geknipt. Toch blijft de auteur overal binnen
de perken (ik geef toe, dat hij de grens wel eens nadert), wat men niet zeggen kan
van den dichter van Trijntje Cornelis.
In den laatsten tijd is op Coster's comedie herhaaldelijk de aandacht gevestigd.
Jonckbloet behandelde het stuk met voorliefde in zijn letterkundige geschiedenis;
door mij werd het uitgegeven in de complete editie van Samuel Coster's Werken
(Haarlem, 1883), door Penon in Nederl. Dicht- en Prozawerken III, 71-156 (Gron.
1886). Onlangs nu werd door den heer Kuipers
Taal en Letteren. Jaargang 2
59
de afzonderlijke, geannoteerde uitgave bezorgd, die wij hier wenschen te bespreken.
De tijden, waarin men letterkundige werken uit vroeger eeuwen liet herdrukken
zonder zich te bekommeren om een nauwkeurigen tekst en nog minder om de
noodige ophelderingen, zijn voorbij. Aan hem, die tegenwoordig een nieuwe editie
geeft van een oud geschrift, worden hooge eischen gesteld. Hij heeft zich op de
hoogte te stellen van de verschillende uitgaven; den tekst dier uitgaven te vergelijken;
de varianten òf alle aan te teekenen, óf te gebruiken om fouten in den door hem
gevolgden druk te herstellen; zorgvuldig te waken tegen het insluipen van drukfouten,
en waar hij nog verder wil gaan - te verklaren, wat verklaring noodig heeft. Waar hij
't niet kan, worde dit door hem vermeld, opdat de lezer niet telkens stoote op
moeilijkheden, die ‘zeker wel héél gemakkelijk moeten zijn op te lossen, daar de
uitgever het niet noodig oordeelde, er eenige opheldering bij te geven’.
Blijkbaar heeft het in de bedoeling van den heer Kuipers gelegen, den tekst der
oudste uitgave van den Teeuwis met behulp van de varianten uit andere drukken
te verbeteren. Datzelfde heeft Penon gedaan. En daarom is het te betreuren, dat
de heer Kuipers geen gebruik heeft gemaakt van de uitstekende editie-Penon, ja,
1)
naar 't schijnt, deze over 't hoofd heeft gezien .
Over 't geheel valt de wijze, waarop de heer Kuipers bij het vaststellen en het
corrigeeren van den tekst is te werk gegaan, niet te roemen. Tot grondslag heeft
gediend niet de oudste editie zelve, maar mijne uitgave. Drukfouten in die uitgave
vindt men dan ook in den regel bij den heer Kuipers terug: b.v. blz. 22 proveretgen
voor poveretgen; blz. 25 We blijfst voor Wo blijfst; blz. 76 En haalt voor En haal.
Is dat al niet goed te keuren, erger nog is het, dat de heer K. er niet op gelet heeft,
dat ik die drukfouten op blz. 627-629 van Coster's Werken verbeterd heb.
Het spijt mij, dat ik het zeggen moet: de heer K. is met de correctie vrij slordig te
werk gegaan. Ik wil hier niet spreken over g's voor gh's, ij's voor y's en dergelijke
kleinigheden, niet wijzen op de punctuatie, die in een uitgave als deze verbeterd
had moeten worden (Penon was ook in dit opzicht voorgegaan), maar liever een
aantal voor 't meerendeel zinstorende drukfouten opsommen, welke door hen, die
in 't bezit zijn van 's heeren Kuipers' editie, waarlijk wel verbeterd mogen worden:
blz. IX sterckt, lees: streckt; blz. 4 dato, l. dats; blz. 5 heefteit, l. heeftiet; nou
verslyten, l. sou verslyten; weyt, l. weyts; blz. 6 starek, l. starck; blz. 8 den herseloose
Vent, l. dese; blz. 9 drinck, l. drinct; blz. 11 ontwervelje, l. ontwervele je; blz. 14
datme, l. datwe; 't soeck, l. t' soeck; blz. 15 seyt ik, l. segh ick; uit doncker, l. int
doncker; krijgt ick een verwangt, l. krijgh ick een oorwangt; blz. 16
1)
Bij de opsomming der uitgaven van den Teeuwis (Inleiding, III) noemt K. wel mijne editie,
maar die van Penon niet.
Taal en Letteren. Jaargang 2
60
klap, l. klop; blz. 17 So sollen, l. Se sollen; blz. 18 verstand, l. verstaen; blz. 19
pleeeh, l. pleech; blz. 21 kreecher een, l. kreecher wel een; blz. 22 'k Versinne, l. 'k
Versinme; en Bely, l. on Bely; blz. 23 gehesode, l. ghesode; uitgevallen is de regel
(4 v.o.): Wen ich dijn saghe verheuget hem mijn geyst; blz. 32 's Is waer, l. 't Is waer;
blz. 37 kennen wesen, l. konnen wesen; blz. 43 loof ie, l. loof ic; blz. 44 welt duer
sluypen, l. wel duer sluypen; blz. 46 moteren, l. noteren; amoer, l. amat; blz. 47 wat
moet al mier, l. wat noch al mier; blz. 48 overvloed stof, l. overvloed van stof; blz.
55 macht me 't beuren, l. mach me 't beuren; blz. 58 wel aen staeje vast, l. wel aen
dan staeje vast; blz. 60 alsucken, l. alsulcken; blz. 66 en die seyt, l. ende seyt; blz.
68 beerevoetsche, l. berrevoetsche; blz. 69 schaf of ghesoen, l. schaf op ghesoen;
ligt, l. ligh; blz. 70 in leve daghen, l. u leve daghen; Leeker, l. Lecker; blz. 76 den
Joncker, l. der Joncker; blz. 82 eene sentjen, l. een sentjen; overoverhoeven, l.
overhoeven; blz. 88 vermont, l. vermomt; blz. 90 bestaat, l. bestont; blz. 91 den
heyde, l. der heyde.
Wij hebben thans te spreken over de annotaties van den heer Kuipers. Wij maken
er dezen geen verwijt van, dat hij hier en daar verklaard heeft, wat o.i. geen verklaring
behoefde. Wat moeilijkheden zou kunnen opleveren, kan de uitgever niet altijd met
zekerheid voorspellen. Toch zijn wij er van overtuigd, dat de heer Kuipers zelf ons
zal toegeven, dat het b.v. onnoodig was, bij boef (blz. 34) aan te teekenen ‘een
deugniet, guit’; bij te payen (blz. 42) ‘tevreden te stellen’; bij boecwey coeck (blz.
54) ‘boekweiten’ koek; bij principaelste (blz. 87) ‘voornaamste’. En te meer was dat
onnoodig, daar een verklaring meermalen ontbreekt, waar zij behoorde te staan:
zoo op blz. 7: ‘ick vil weer los in 't hol neer lietjeme allien’; op blz. 14: ‘patiencie per
fors’; op blz. 17: ‘'t Let wense op voedet waren’ en ‘lecket wie’; op blz. 17:
p(r)overetgen; op blz. 18: ‘den stuerten sueck rueren’; op blz. 25: ‘sijt man lustich’;
op blz. 27: ‘tis in de klinge buytens tijts’; op blz. 41: ‘ick heb me gat wel gheschraept’;
op blz. 51: ‘overschouwer’ en ‘hebbense half soo veel harts nae’; blz. 57: ‘loopje
staegh met de Clap’ (wat hier op ongewone wijze gebruikt is); blz. 75: ‘de
gheleerdheyt isme rechtevoort een eeckigh doeckje’; blz. 76: ‘moonders’; blz. 83:
‘se is soo nu met deze Paerden ghevaren’; blz. 84: ‘den reeckel had rou coop, hij
deed hem releveeren’ enz. enz.
Den Teeuwis te annoteeren is geen gemakkelijk werk. Penon geeft geen
verklaringen; ik zelf gaf er slechts enkele achter de uitgave van Coster's Werken.
Plaatsgebrek belette mij toen ter tijd, te geven wat ik bijeengebracht had. Het spreekt
wel van zelf, dat ik vol belangstelling heb nagegaan, wat de heer Kuipers ter
opheldering aanbiedt. Tot mijn genoegen kan ik constateeren, dat hij het zoo goed
als altijd met mijn verklaringen en gissingen eens is. Zelfs daar is dat het geval,
waar ik later tot een ander inzicht ben gekomen: ik houd n.l. het woord bello (vs.
874; bij Kuipers blz. 46) niet meer voor den naam van een hond, maar voor het
tusschenwerpsel belo of bilo. -
Taal en Letteren. Jaargang 2
61
Met één verklaring, door mij gegeven, kan de heer Kuipers zich niet vereenigen. Bij
de regels: ‘Seven dagen in de weeck schaft hij water en bry, en die de vult(,) wel
den mingelens pot vol elck, doch trouwen songer botter of songer melck’ (blz. 20)
teekende ik aan: ‘de vult - volop’. Natuurlijk moet dan achter de vult een komma
worden geplaatst (die Penon dan ook laat drukken). De heer Kuipers meent, dat de
als dee moet worden uitgesproken; hij zegt: ‘dee is in sommige streken [waar?] nog
de naam van een slappen kost, lang nat, zooals het volk zegt; vult is dan het gewone
werkw.’ Het woord dee is mij onbekend. De uitdr. de vult (Hgd. die Fülle) komt echter
e
in de 17 eeuw meermalen voor. Een bewijsplaats, uit een ander stuk van Coster
moge het geschil beslechten. In Tijsken van der Schilden, vs. 1095 en 1096 lezen
wij: ‘'t Benne maer groote platelen, en kleyne parcelen: neen, bier, En dat de vult
voor 't gelt’.
Thans nog enkele opmerkingen, naar aanleiding van verklaringen door den heer
Kuipers gegeven. Wij zouden veel te uitvoerig worden, wanneer wij naar volledigheid
streefden en doen dus hier en daar slechts een greep.
Blz. 11: hoe sieje toch soo gryselijck. De noot luidt: ‘Om van te grijzen, gruwen;
nog griezelig; hier: leelijk, pruilerig.’. - Gryselijck is huilerig; grijzen is niet met
griezelen, maar met grijnzen en grijnen verwant. Blz. 12: nimmermeer comt eens
lachende te bed. Noot: ‘Komt 't’. Niet juist. Het onderwerp, hij, is in den vorigen regel
genoemd. Blz. 17: hesselijch (Duitsch hässlich) is niet ‘ijselijk’, maar leelijk. Blz. 24:
groenicheyt. Noot: ‘Een lievigheid; vergel. de groene zijde’. Die vergelijking maakt
de zaak voor den leek niet duidelijker. De groene zijde is de linker zijde. De
groenicheyt doelt. op het ‘speuls worden’. Blz. 26: Hoe nae bet. niet ‘hoe nu’, maar
wordt het best weergegeven door ons ‘wellicht’, ‘misschien’ (eigenl. ‘hoe weinig
scheelt het, of’). Blz. 31: hoe hebbewet in een kaer. De verklaring: ‘Ironisch voor
makker’, kan niemand bevredigen. Blz. 43: doe 'ck lest met die godlijcke dreck piep
enz. De plaats is bedorven. Op blz. 628 van Coster's Werken stelde ik voor, met
een variant te lezen ‘die goelijcke brock peep’ en beproefde een verklaring van dat
‘peep’. De heer Kuipers neemt die verklaring over; maar daar hij in den tekst behoudt
‘die godlijcke dreck piep’ is zijn aanteekening onverstaanbaar. Blz. 45: ghelt uyt rien
zal wel komen van geld uitreeden en niet, zooals de heer Kuipers meent, van
uitraden. Blz. 52: Bij de uitdrukking uyt een eeckgien (= voortreffelijk. Zoo b.v. bij
Starter, Daraide, 1621, blz. 15: ‘Dat kan ick uyt een eeckje’ en Paffenrode, Filibert:
‘Ik zal je dat klaren uit een eekje’) wordt niet anders aangeteekend dan: ‘Edik, Azijn’.
Op blz. 61 treft men bij de nu nog gebruikelijke zegswijze: ‘Nou ick de draet heb,
sel ick het klouwen wel crijghen’ deze verklaring aan: ‘kluwen; hij bedoelt: nu zal ik
er mijn voordeel mee doen’. Blz. 68 de vuyle druyt. De goede lezing is vuyle bruyt.
De verklaring (‘kwant, snaak’) is dus niet doeltreffend. De vuile bruid was een bekend
persoon bij vastelavondgrappen. Blz. 73: Tis best datje kaes coopt, daar is gien
bien in. De aanteekening
Taal en Letteren. Jaargang 2
62
luidt: ‘Een spreekwoord’. Maar de beteekenis? - Een, twee, drie treetgens in een
saciertgen, 't vierde op de cant. De heer Kuipers neemt de verklaring, die ik in
Coster's Werken (blz. 629) gaf, over, doch met een vraagteeken. Dat dit kan
wegvallen, blijkt o.a. uit deze plaats, die in Paffenrode's Hopman Ulrich voorkomt:
‘Heb je wel gezien, hoe naauw dat ze treed? Ze sou wel twee schreden doen in een
saucier’ (sauskom). Ook in den Holl. Spectator komt de uitdr. voor: ‘... daar ze anders
als een hert op 'er voeten bennen, gingen ze zoo zoetjes en zagjes, twee treedjes
e
in een sauciertje (2 druk, III, 535). Blz. 79: Dutether. Noot: ‘doet het er’. Lees: ‘duwt
het er’. Blz. 80: Desse Keerels seynt eylingh heym doet was mit fressen is to slichten.
Noot bij heym doet was: ‘thuis daar iets’. Uit die verklaring blijkt mij, dat de heer
Kuipers vrede heeft met mijn conjectuur om voor doet was te lezen do etwas (Coster's
Werken, 630). Maar waarom dan doet was in den tekst te laten staan?
Een nauwgezette kennismaking met de nieuwste editie van den Teeuwis, heeft
ons doen zien, dat de heer Kuipers hier niet heeft gegeven, wat wij van hem mochten
verwachten. Wel wat lichtvaardig zijn hier en daar de annotaties neergeschreven;
aan de correctie is bovendien niet de vereischte zorg besteed. Het zon ons
verheugen, als de heer Kuipers zelf met dit oordeel kon instemmen; dàn voorzeker
zal hij niet nalaten, eerlang degelijker werk te leveren.
Nov. '91.
R.A. KOLLEWIJN.
Sprokkels.
Wenkbrauw.
Het eerste lid is de stam van wenken, d.i. zich bewegen. Het ligt dus voor de hand,
aan te nemen, dat wenkbrauw oorspronkelijk de naam is voor de wimpers of
oogharen. Dat Vondel het woord in die beteekenis kende, blijkt uit den volgenden
regel uit zijn Geboortklock van Willem van Nassau (vs. 110):
‘De bruyne gitten, die door schalcke wincbraeu sagen’.
R.A.K.
Germaansche vers-bouw.
‘Unser alter deutscher versbau ist noch heute in den liedern des volkes und der
kinder lebendig. Trotzdem dass mehr als zwei jahrhunderte mit erfolg daran
gearbeitet haben unserer dichtung eine neue metrik zu schaffen, halten unsere
kinder, ohne es gelehrt werden, die verse ihrer lieder und reime in deren alter wertung
unerschütterlich fest.’
USENER, Altgriechischer versbau, blz. 63.
Taal en Letteren. Jaargang 2
63
Kleine meedeelingen over boekwerken.
Weldra verschijnt te Gent bij de firma Clemm (H. Engelcke) een paralleluitgave, van
de
de
de 15 eeuwsche moraliteit Elckerlijc met eene 16 eeuwsche Engelsche vertaling:
Everyman. Prof. Dr. H. Logeman, die deze uitgave bezorgt, meent den
Nederlandschen tekst aan den mystiker Pieter Dorland te kunnen toeschrijven.
Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, von Friedrich
e
e
Kluge, professor an der Universität Jena. 5 verbesserte Auflage. 1 u.
e
2 Lief. Strassburg, Trübner, 1891. - 10 Liefer. à M 1.
In zeven jaar vier maal een onveranderde druk bewijst voor Kluge's Etymologisches
Wörterbuch dat het in een behoefte voorzag. Geen eigenlijk gezegd Etymologicum
bestond ook vóór zijn uitgave.
Deze vijfde is verbeterd; zij is niet alleen op de hoogte van wat de vergelijkende
germaansche en indogermaansche taalstudie heeft te voorschijn gebracht; vele
etymologiën zijn opnieuw nauwkeurig getoetst, en enkele malen leverde dit een
nieuwe uitkomst. Zoo heet ‘bummelen’ (nederl. bommelen) in de eerste bewerking:
‘erst nhd., aus ndd. “bummeln”; jungen onomapoietischen Ursprungs’; in deze
herziene: ‘von Adelung, Campe u. Heinsius 1818 noch nicht verzeichnet; wohl eine
junge Neubildung zu dem von Frisch 1741 verzeichneten scherzhaften Bummelfest,
“Fest, woran man viel läutet und welches nicht allgemein gefeiert wird” (“bummeln”
eigtl. = bimmeln).’
Zij is tevens belangrijk uitgebreid: de geschiedenis van het woord wordt geregeld
meegedeeld; uit de voornaamste oudere werken - w.o. wel Junius' Nomenclator
alleen als nederlandsch werk voorkomt, maar niet, zoover mij schijnt, Kiliaen, noch
Plantijn - is aangegeven, wanneer het woord voor het eerst voorkomt, en in welke
vorm en beteekenis; men vergelijke eens ‘Aar’ in de eerste en in dezen druk.
Dan zijn de woorden, in jonger tijd aan den vreemde ontleend, naast de
middeleeuwsche, opgenomen: een gewenschte en prijzenswaardige verbetering
en uitbreiding, waarover reeds Schmitz Encyclopädie had gesproken (zie Taal en
Letteren, I, 238).
Heeft de geschiedenis van een woord ook zijn belang voor den nederlandschen
1)
taalvorscher , wat het werk vooral niet minder voor hem als voor den duitscher van
belang maakt, is het aanhalen van talrijke woorden uit de dialecten. Een uitgebreid
en volledig register moge deze opnemen. Immers de ‘Gesammtindex zu Kluges...
Wörterbuch von V.F. Janssen’ is noch volledig, noch nauwkeurig genoeg, en is
aangelegd op den eersten druk.
De redactie der artikelen is kort en beknopt, echter helder en zaakrijk, en niet
overvuld. Elk beschaafde en ontwikkelde kan den inhoud verstaan, zeker bij eenig
naslaan; naar de afkomst van een woord zijn velen nieuwsgierig: dit is een werk dat
hem voorzichtig inlicht; er wordt geregeld gewaarschuwd tegen het bijbrengen en
dooreenhalen van in klank of beteekenis gelijke woorden, die in de taalwetenschap
niet bijeenhooren.
Ten slotte de mededeeling dat de tweede helft van het artikel ‘auf’ te vinden is
1)
Bv. dat ‘Adams-appel’, in 1592 het eerst is aangetroffen: deze keelknobbel zou een stuk van
den paradijsappel zijn, volgens het volksgeloof; ‘vielleicht beruht dieser auf roman. Gebiet in
15. Jahrhundert bezeugte Volksglaube auf Umdeutung von hebr. tappuach ha adam ‘pomum
viri’; pomum soll die mlat.-hebr. Benennung aller Erhabenheiten des menschlichen Körpers
sein; of het meegedeelde bij ‘aprikose’ en ‘ballast’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
64
bij ‘aus’, en dit begint met: ‘-wärts, nach oben (etc.)’, terwijl het bij ‘auf’ gedrukte
verhuizen moet naar ‘aus’. Ook was een friesche ruiter wel een hindernis voor de
vroegere ruiterbende, maar is daarom een barricade (zie dit woord) nog geen friesche
ruiter.
B.H.
Basterdwoorden.
Zeer verschillend is het oordeel, dat over deze woorden geveld wordt: De puristen,
vooral in België, veroordeelen elken vreemden indringer; anderen gebruiken bij
voorkeur vreemde, liefst verfranschte uitdrukkingen; dat staat nu eenmaal ‘gekleed’.
Ook hier zal de waarheid wel in het midden liggen. Welkom zij elke vreemde
uitdrukking, die een begrip duidelijker omschrijft, dan een inheemsch woord dit zou
kunnen doen; gastvrijheid worde verleend, vooral aan technische termen, die het
verkeer tusschen de zonen van Minerva en van Mercurius kunnen vergemakkelijken;
maar geweerd worde alle gemaaktheid, alle gekunsteldheid, alle onnatuur, zoowel
in het eene als in het andere uiterste. Redenen van welluidendheid kunnen mede
zeer dikwijls den doorslag geven. Dit laatste vooral wordt dunkt mij, wel eens uit het
oog verloren door de z.g. taalzuiveraars.
Er is op dit gebied in 1887 een werkje verschenen van de hand van den heer
ADAM STROKEL (onder den titel: ‘Lijst der meest gebruikelijke basterdwoorden’.
Deventer, A.J. van den Sigtenhorst), dat zeer nuttig.... zou kunnen zijn, wanneer
het, ongelukkigerwijs, niet wemelde van kleine onnauwkeurigheden, die het soms
ten eenenmale onbetrouwbaar maken voor ongeletterden, voor wie het toch
geschreven is. Het ware te wenschen, dat een nieuwe verbeterde uitgaaf van dit
werkje verscheen, waarin vooral de Grieksch-Latijnsche woorden nauwkeuriger
1)
werden behandeld , De eerste uitgave maakt door de verregaande slordigheid (sit
venia verbo!) dat de verdiensten van het werkje geheel en al verduisterd worden.
Het is overigens vrij volledig (enkele woorden als: convex, concaaf, polyandrie naast
polygamie, trochaeus naast de overige namen van versvoeten, hadden wel een
1)
Enkele staaltjes van grove onnauwkeurigheid kan ik niet achterwege laten, om mijn oordeel
te rechtvaardigen:
a. De schrijver transscribeert terecht de Grieksche η, in sommige woorden door ē; toch vindt
men op pag. 7: eleymozuny (sic!) amy (ἄμη); verder komen voor: onnauwkeurigheden als:
anapaitios (voor anapaistos), astronǒmos = sterrekunde, pira (peer) in pl. v, pirum, speirein
= omdraaiing i.p.v. speira, graphos = schrift i.p.v. graphe, sophios = wijs. kadaroi i.p.v. katharoi;
pag. 123/4 2 maal ornītos = vogel i.p.v. ornithos, Gen. van ornis = vogel; spondeüs moet zijn
Gr. spondeios; accentus = tot het gezang, terwijl accentus, de woordelijke vertaling van
προσῳσία = de bijklank ‘der Zugesang’, de betoning beteekent. (De schrijver heeft hier te
woordelijk willen zijn.) Of ‘muis’ een basterdwoord is, mag zeker wel betwijfeld worden.
b. Voorts is er groote verwarring in lengteen kortheidsteekens: philanthr os, anthrǒpos,
praematǔrus, praeběre, convocěre (sicl), diorǎn (διορᾶν), dialōgus, innōcens, insurgēre,
lāchryma, ur re, mověre, absorběre, zijn staaltjes uit vele.
Wat verder het ¯ teeken op woorden als graphēin, allegorēin, parenthēinai, peripa in,
pygmāios; en het op teǔchos beteekent, is mij niet duidelijk.
Ook in de accenten is de schrijver van tijd tot tijd zeer ongelukkig: phótos als Gen. van φῶς,
periódos, prológos, en last not least: Académia.
Enkele van de genoemde kunnen wellicht drukfouten zijn, maar zij zijn niettemin zeer storend.
c. Gelijk verder geschreven wordt: leiturgos, leiturgia, zoodat de Gr. ου door u (liever ū) wordt
weergegeven, behoorde ook ποῦς niet als ‘poes’ geschreven te worden (pag. 15 en 140); en
naast p r (πῦρ) had niet zephuros moeten voorkomen, of omgekeerd.
Taal en Letteren. Jaargang 2
plaatsje verdiend) en munt uit door helderheid en bondigheid. Een verbeterde druk
zou derhalve niet ongewenscht zijn.
Waarschijnlijk komen wij nog nader op dit onderwerp terug.
T.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
65
Over vergelijkingen en beknopte zinnen.
Welke naam moet in de leer van den zin worden gegeven aan het gespatieerde in
deze voorbeelden: Een kerel a l s e e n b o o m sprong uit het struikgewas te
voorschijn. Zij is even schoon a l s v e r s t a n d i g . Hij zwom g e l i j k e e n v i s c h .
Londen is grooter d a n P a r i j s ?
Gewoonlijk spreekt men hierbij van onvolledige vergelijkende zinnen. Wij zouden
voor de bedoelde zindeelen den term v e r g e l i j k i n g verkieslijk achten en alleen
van vergelijkende zinnen willen spreken, als de persoonsvorm is uitgedrukt; b.v.:
Hij gedraagt zich, als ware hij hier heer en meester. - Wij zullen liever het uiterste
beproeven, dan dat wij daar genoegen meê nemen.
Door het volgende betoog hopen wij den lezer aan onze zijde te krijgen. Beginnen
we bij die vergelijkingen, welke door als worden ingeleid.
1)
Als is ontstaan uit alse en dit uit also = alzoo . Reeds het woordje also kon in 't
Mnl. zoowel voegwoord als bijwoord zijn. Dit is zeer natuurlijk, daar also eigenlijk
een versterkte vorm van so is: ‘geheel zoo’ en so kon eveneens van de bijwoorden
tot de voegwoorden overgaan.
Een zin gelijk: Hi sprac alse die sotte moet uit een zin met also ontstaan zijn. Dit
is denkelijk zoo geschied: eerst Hi sprac also; also (spreken) die sotte; toen Hi sprac;
also die sotte (spreken); eindelijk Hi sprac alse die sotte (spreken).
Alse die sotte is dus van oorsprong een onvolkomen zin, die door samentrekking
met den voorafgaanden zin het werkwoord mist. D a a r n a a s t kon de volledige
constructie met den persoonsvorm voorkomen: alse die sotte spreken of alse die
sotte doen.
Laten we nu den blik op het tegenwoordig taalgebruik richten.
o
1 . Ook thans is de aanvulling met een persoonsvorm gemakkelijk in al die
gevallen, waarin het werkwoord van het eene lid der vergelijking ook als gezegde
bij het andere lid kan gedacht worden. B.v.: Hij gedraagt zich als een gek. Ik bemin
haar als eene zuster. Ik draaide om het begeerlijke boek als eene mug om de kaars.
Men kan hier bij denken:
1)
Vgl. Wdk. der Ned. taal, kol. 239 en Verdam, Mnl. Wdk. op also.
Taal en Letteren. Jaargang 2
66
als een gek zich gedraagt, als men eene zuster bemint, als eene mug om de kaars
draait.
o
2 . In de tweede plaats komen die gevallen, waarin wel niet hetzelfde werkwoord
kan aangevuld worden, maar een persoonsvorm van doen of zijn, de werkwoorden,
die eene werking of een toestand zeer algemeen aanduiden. B.v.: Ik zal niet, als
een lichtzinnige dwaas, mijne zolen met ijzer beschoeien. Een man als mijn vriend
laat zich niet zoo licht uit het veld slaan. Men kan hierbij denken: als een lichtzinnige
dwaas doet, als mijn vriend is.
o
3 . Doch zelfs die aanvulling met doen of zijn is vaak onmogelijk. Er zijn, in de
derde plaats, een aantal gevallen, waarin de vergelijking met als volstrekt niet meer
aan een zin doet denken. B.v.: Daar was een leven als een oordeel. - Je wordt een
kerel als een boom. Ook met bijvoeglijke woorden: Even grondige als geestige
studien.
In zulke gevallen nog van onvolledige vergelijkende zinnen te blijven spreken is
naar onze meening zeer verkeerd. Men miskent daardoor de ontwikkeling van de
vergelijkingen met als, die, van oorsprong onvolkomen zinnen, eng verbonden aan
het werkwoord in den eersten zin tengevolge der samentrekking, al zeer spoedig
een veel vrijer gebruik verkregen en zich als eenvoudige vergelijkingen bij
zelfstandige en zelfs bijvoeglijke woorden voegden.
Tot die nauwere aansluiting aan voorafgaande zelfstandige woorden kan men de
o
sub 2 . bedoelde gevallen, waarbij doen of zijn gedacht kan worden, als een
overgang beschouwen. Zij wordt nog klaarblijkelijker door de gelijkheid in naamval
met het voorafgaande zelfstandige woord, die wel geen regel is, maar toch genoeg
voorkomt om te bewijzen, hoe bedenkelijk het is, maar steeds van onvolledige
vergelijkende zinnen te spreken. B.v.: Dat gaat een eenvoudig man als mij te hoog.
Met iemand als hem kan men niet opschieten. Hoe kunt gij iemand als hem zoo iets
1)
vragen. Van Lennep schrijft : Hoe zoudt gij dan van een armen nar als mij vergen,
dat hij het in een uurtje vertelde?
Wij komen later op die naamvalskwestie terug; doch meenen alvast recht te
hebben tot deze stelling: Er zijn vele gevallen, in welke de vergelijkingen met als
niet meer als onvolkomen zinnen mogen beschouwd worden. Voor die gevallen in
de eerste plaats slaan wij den term v e r g e l i j k i n g voor, doch zouden het eene
groote vereenvoudiging achten om haar tevens te gebruiken voor alle vergelijkingen
o
o
zonder persoonsvormen, dus ook voor de sub 1 . en 2 . bedoelde. Immers, al
1)
Voorbeeld, ontleend aan Terwey, Ned. Spr., § 96.
Taal en Letteren. Jaargang 2
67
kan men naast: Ik bemin haar als eene zuster, zeggen: Ik bemin haar, als men eene
zuster bemint, de eerste zin is volstrekt niet uit den tweeden o n t s t a a n en het
gebruik van o n v o l l e d i g doet dit licht vermoeden.
Terloops zij hier opgemerkt, dat wij het nuttig achten, de termen o n v o l l e d i g
en o n v o l k o m e n juist te onderscheiden. Onvolledig = elliptisch. Spreekt men van
onvolledig, dan moet de uitlating te bewijzen zijn. B.v.: Hij is twintig jaar. - Ofschoon
arm, getroost ik mij geene vernederingen. Aan deze zinnen zijn ontwijfelbaar: Hij is
twintig jaar oud, ofschoon ik arm ben voorafgegaan. Een onvolkomen zin is
daarentegen de uitdrukking eener gedachte, die het niet tot zin heeft kunnen brengen,
dus m.a.w. den persoonsvorm mist, ten gevolge van gering meesterschap in het
spreken of van haast, drift, streven naar kortheid enz. B.v.: Ik stoel. - Brand! Een
onvolledige zin is uit een volledigen ontstaan; een onvolkomen zin kan er toe
uitgebreid worden, doch is het nooit geweest. Men zou de vergelijkingen sub 1 en
2 dus onvolkomen vergelijkende zinnen kunnen noemen; doch naast den term
v e r g e l i j k i n g is dit onnoodig, daar eene vergelijking niets anders is dan een
vergelijkende zin in den dop.
Beschouwen wij thans de vergelijkingen, die door dan ingeleid worden.
Prof. Beckering Vinckers heeft in een artikel, getiteld ‘Amphibieën in het
1)
woordenrijk’ uitvoerig betoogd, dat het woordje dan, oorspronkelijk bijwoord, in
vele Germaansche talen tusschen voegwoord en voorzetsel weifelde.
In ditzelfde artikel wordt als de waarschijnlijkste verklaring voor het gebruik van
dan na een comparatief aangenomen, dat deze aanwending begonnen is na het
woordje eer. Om dit duidelijk te maken, haalt de schrijver o.a. aan Béovulf 1183:
Gif thu er dhonne he ..... worold oflaetest = Indien gij eer dan hij ..... de wereld
verlaat. Zet men hier de komma achter eer: Indien gij eer, dàn hij, de wereld verlaat,
zoo wordt de overgang van het bijwoord dan tot voegwoord zeer begrijpelijk. Nog
in de tegenwoordige taal komen constructies voor, die naast de gegevene kunnen
gesteld worden; b.v. deze regels van Heye:
Eer zou ik de druppels tellen
Van die wellen,
Dan het heil en leven, dat uw vloed
Spruiten doet.
2)
Ook Prof Brill verklaart Jan is grooter dan ik als ontstaan uit de parataktische
verbinding: Jan is grooter, dàn ik.
1)
2)
Zie Noord en Zuid IV, pag. 1 vlg. en pag. 129 vlg.
2
Dr. W.G. Brill, Ned. Spraakl. , § 122.
Taal en Letteren. Jaargang 2
68
Indien dan op deze wijze vergelijkend voegwoord geworden is, mag men de
zindeelen dan hij, dan ik, evenmin als de met als behandelde, onvolledige zinnen
noemen, als men n.l. onder die benaming verstaat eene verkorting van een
oorspronkelijk volledigen zin. Het zijn ook onvolkomen zinnen, die wel nooit volledig
geweest zijn. Het gebruik van dan in den zin van ‘behalve’: Niets dan verdriet.
Niemand dan hij is daartoe in staat moet uit weglating van anders verklaard worden,
dat als oorspronkelijke comparatiefvorm door dan gevolgd kon worden: Niets anders
dan, niemand anders dan. Reeds in 't Mnl. was dan langs dien weg een voegwoord
geworden, dat ook bijzinnen aan den hoofdzin kon verbinden en zelfs het volgende
‘zinslidwoord’ dat absorbeerde. Vgl. Ruysbroec 9505: David ne dede hem els gheen
1)
leet dan hi hem van sinen mantle sneet ene scorde .
Dat in 't Mnl. naast de gewone constructies ook zulke voorkomen, waarbij dan
door een volledigen zin gevolgd wordt, b.v.: Ende dat herte es talre stont onreinre
2)
dan es een hont , behoeft nog niet tot de slotsom te leiden, dat het gebruik van den
vergelijkenden bijzin met dan aan de gewone constructie is v o o r a f g e g a a n .
De voorstelling, die Brill en Beckering Vinckers van den overgang tot voegwoord
geven, dringt ons veeleer aan te nemen, dat de eenvoudige vergelijking, door dan
ingeleid, zich rechtstreeks uit een onvolkomen zin ontwikkeld heeft en dat dan
daarna en daarnaast ook vergelijkende bijzinnen aan den hoofdzin verbond.
Gaat men nu de gespatiëerde deelen in zinnen als: Haar gelaat was eer
belangwekkend d a n s c h o o n te noemen. Die man is meer geleerd d a n
v e r s t a n d i g . De zieke was onrustiger d a n o o i t , onvolledige vergelijkende
zinnen noemen, dan stelt men het den leerling ten onrechte voor, alsof ze vroeger
volledige zinnen geweest zijn en dit met behulp van zeer gewrongen constructies.
B.v.: Haar gelaat was eer belangwekkend te noemen dan dat het schoon te noemen
was. Zoo'n zin, indien hij ooit voorkomt, is toch niet de grondslag geweest voor het
gegeven voorbeeld. Integendeel, de vorm der eenvoudige vergelijking is hier de
oorspronkelijke.
Ook bij dan komen gevallen voor, waarin de naamval het ‘volledig maken’ nog
bedenkelijker maakt. B.v.: Gij hebt geen betere vrienden dan ons. - Ook een
dapperder man dan hem zou de schrik om het hart zijn geslagen.
1)
2)
Vgl. Dr. J. Franck op Alex. Geesten bl. 404 vlg. en Verdam, Mnl. Wdk., kol. 52, 53.
Zie voor meer voorbeelden Dr. Stoett, Mnl. Synt. 475 en Verdam, Mnl. Wdk. op dan.
Taal en Letteren. Jaargang 2
69
Bezien we thans de door gelijk ingeleide zindeelen.
Gelijk heeft zich ook reeds in 't Mnl. tot voegwoord ontwikkeld en wel uit de
beteekenis, die het als bijv. naamwoord en bijwoord had. Men kan dit zeer duidelijk
1)
in het Woordenboek verklaard vinden : ‘Gelijk, onderschikkend voegwoord. Ontstaan
den
uit gelijk, als bnw. en bijw., dat in 't Mnl. met den 3 nvl. verbonden werd en dus
van een voegwoord duidelijk te onderscheiden was’. In 't Wdk. van Verdam kan
men zien, dat reeds in 't Mnl. de overgang tot voegwoord had plaatsgegrepen. ‘Men
schreef b.v.: ‘hi quam recht gelijc enen wilden lewen (Wal. 2127), verhart ghelijc
enen steen (Lsp. 2, 17, 106), met lichame ghelijc enen man (Lsp. 2, 39, 64). Door
het afslijten der verbuigingsuitgangen echter verflauwde het bewustzijn van den
datief in die gevallen, waarin de plaats van het woord in den zin niet alle onzekerheid
wegnam. Stond het achter het tweede lid der vergelijking, als b.v. eenen leeuw
gelijk, den schorpioenen gelijk, dan was het niet anders op te vatten dan als bnw.
of bijw.; maar stond het tusschen de beide leden, b.v. hij kwam gelijk een leeuw
enz., dan geleek het volkomen op een vergelijkend voegwoord, kon zonder bezwaar
door als worden vervangen, en was dus inderdaad voegwoord geworden’.
Wanneer men nu in plaats van Hi singhet gelijc enen voghele zegt: Hij zingt gelijk
een vogel, mag gelijk een vogel dan een z i n , zij het ook een onvolledige zin,
genoemd worden? Neen, het is eene vergelijking en wel eene gelijkstelling, die zoo
wordt uitgesproken, niet door weglating van den persoonsvorm, maar door
verflauwing van den datief. Daarom mag men schrijven: Ik beminde hem gelijk
e e n e n vader, in welken zin vader in den vierden naamval staat, doordat de
gelijkstelling aan, de identiteit met hem op den voorgrond treedt. Gelijk een vader
zou door den eersten naamval de identiteit van vader met het onderwerp ik te kennen
geven.
De verkeerdheid, om ieder tweede lid eener vergelijking als een onvolledigen zin
te beschouwen, springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat andere
verbindingen van naamwoorden met als, de zoogenaamde naamwoorden van
gesteldheid, nooit als zinnen worden opgevat, terwijl ze toch evengoed uit
vergelijkingen ontstaan zijn. Het verschil in beteekenis tusschen: Als eene moeder
zal zij voor u zorgen en Als moeder zal zij voor u zorgen wordt in de eerste plaats
veroorzaakt door de weglating van het lidwoord vóór moeder. Daardoor wordt moeder
lichter hoedanigheidswoord en zoo kan als in den tweeden zin omschreven
1)
Wdk. kol. 1176. Zie ook Prof. Verdam, Mnl. Wdk., kol. 1242, 1243.
Taal en Letteren. Jaargang 2
70
1)
worden: in de hoedanigheid van. In het Woordenboek wordt als in het laatste geval
v o e g w o o r d v a n h o e d a n i g h e i d genoemd ter onderscheiding van het
v e r g e l i j k e n d voegwoord als in den eersten zin.
Het verdient opmerking, dat bij de correlatieven zoowel-als, indien als niet
onmiddellijk op zoowel volgt, het tweede lid der vergelijking zelfs nooit een zin k a n
zijn. Men kan zeggen: Zoowel de aanvoerders als de soldaten waren blijde met de
behaalde overwinning, niet: Zoowel de aanvoerders waren blijde als de soldaten
blijde waren.
Wij weten geen beteren naam voor de zindeelen, die o.i. ten onrechte onvolledige
zinnen genoemd worden, dan v e r g e l i j k i n g e n . Het gebruik van dezen term
komt ook te pas, indien men bij de regels voor de naamvallen aan wil geven, dat
het tweede lid eener vergelijking gewoonlijk denzelfden naamval heeft als het
zelfstandige woord, dat het eerste lid vormt.
Deze opmerking brengt ons tot de vraag: Waarnaar richt zich de naamval eener
vergelijking, m.a.w. hoe moet men schrijven: Met een aanvoerder als de(n) onze(n)
moesten wij zegevieren. - Hij klom nooit over een hoogeren muur dan deze(n). Wij zagen hem handelen als de(n) vos uit de fabel. - Ik noem die methode zoo oud
als de(n) weg van Kralingen?
Als we hier nog naast stellen: Met iemand als hem kun je niet redeneeren. - Ik
ken geen trouwer vriend dan hem. - Ik vind je nog veel slechter dan hem. - Gij hebt
geen bitterder vijanden dan hen tegenover: Ik houd niet van menschen als zij, dan
blijkt, dat we hier met een moeilijk geval te doen hebben, waarin men zich voor al
te stellige uitspraken wachten moet. De taal zelve geeft hier geen vasten regel en
in gevallen, gelijk in de vier eerste voorbeelden, waar de omgangstaal de uitgangen
geheel verwaarloost, is het gebruik in de schrijftaal wankelend.
Nu zijn er meer voorbeelden, dat in de schrijftaal regels gelden, voor welke de
spreektaal geene gronden geeft en die ons zelfs onnatuurlijk kunnen voorkomen.
Zoo b.v. de regel, dat de bijstelling steeds in naamval met het bepaalde substantief
overeenstemt. In deze zinnen: Paris, de zoon van Priamus, koning van Troje, e e n
b l o e i e n d e n s t a a t op de kust van Klein-Azië, schaakte de schoone Helena. Maar ziet, onderweg ontmoette de meid juist weer dien Arend van der Oest, e e n
h e e l o n d e u g e n d e n k n a a p , die haar altijd kussen wilde, zouden wij voor de
gespatieerde bijstellingen den nominatief allicht natuurlijker vinden, doordat ze bijna
aan zelfstandige mededeelingen gelijk staan.
1)
Zie Wdk. op als.
Taal en Letteren. Jaargang 2
71
J. ter Gouw schrijft dan ook in den laatsten zin o n d e u g e n d e (Volksvermaken
bl. 41). Doch in dit geval heeft de taalkundige onzes inziens het recht,
overeenstemming in naamval te eischen, niet alleen voor de consequentie, maar
ook om de identiteit der bijvoeglijke bepaling, die men bijstelling noemt, met het
zelfst. woord, dat voorafgaat, goed te doen uitkomen. Dit geldt ook voor de
bepalingen van gesteldheid, weshalve men schrijft: Ik verliet hem als den verachten
proletarier, ik zag hem weder als den verafgoden held, den lieveling des volks. Het
taalgevoel spreekt bij deze kwestie niet mee.
De vergelijkingen zijn niet zoo afhankelijk. We zouden het beginsel, dat aan de
keuze van den naamval hierbij ten grondslag ligt, aldus willen uitdrukken: De
vergelijking stemt gewoonlijk in naamval overeen met het zelfstandige woord, waarbij
zij behoort; waar de vergelijking bijna onwillekeurig in de gedachte tot een zin wordt
aangevuld, wordt de naamval door deze aanvulling bepaald. Bij de keuze van
naamvalsuitgangen, die in de spreektaal niet gehoord worden, beslist de naamval
van p e r s o o n l i j k e v o o r n a a m w o o r d e n in overeenkomstige gevallen.
In overeenstemming met deze beginselen schrijven wij dus: Gelijk een
bloeddorstige tijger wierp hij zich op zijn slachtoffer. - Vertrouw den koelen berisper
meer dan den laffer vleier. - Met een aanvoerder als den onzen moesten wij
zegevieren (op grond van: Met iemand als hem). - Hij klom nooit over een hoogeren
muur dan dezen (op grond van: Ik ken geen trouwer vriend dan hem). - Ik houd niet
van een man als de vorige spreker (op grond van de aanvulling: als de vorige spreker
is en naast: ik houd niet van een man als hij). - Wij zagen hem handelen als de vos
uit de fabel (op grond van de aanvulling: als de vos uit de fabel handelde en naast:
Ik zag u handelen als hij). - Ik noem die methode zoo oud als den weg van Kralingen
(de aanvulling kan hier zijn: als ik den weg van K. oud noem of als de weg van K.
is, doch de vergelijking met: Ik vind jou al even slecht als hem beslist). Wij herhalen: Er zijn zindeelen, ingeleid door de vergelijkende voegwoorden als,
gelijk en dan. In vele gevallen kunnen ze als onvolkomen vergelijkende zinnen
beschouwd worden en gemakkelijk in de gedachte tot volledige zinnen worden
aangevuld. In vele andere gevallen is ook die aanvulling onmogelijk of althans zeer
gezocht. Ze zijn volstrekt niet uit volledige zinnen ontstaan, doch hebben zich in
vrijer gebruik uit onvolkomen zinnen ontwikkeld. Voor al deze zindeelen slaan wij
den term v e r g e l i j k i n g voor. Een v e r g e l i j k e n d e z i n is dan een bijzin, die
eene vergelijking als zindeel vervangt. B.v.:
Taal en Letteren. Jaargang 2
72
Hoe viel een nacht zoo zwart op Nederland na dagen,
Als sinds de Aposteleeuw geen latere eeuwen zagen. (Da Costa.)
Eer brengt een arme vader met vreugd zes kindren groot,
Dan dat zes rijke kindren hem koestren in den nood. (Beets.)
De neiging, om al te licht zindeelen als onvolledige zinnen te beschouwen, heeft
wel eens tot onjuistheden verleid bij de behandeling der zoogenaamde ‘verkorte’
en ‘beknopte’ zinnen. Naar onze meening gaat b.v. Prof. Brill in dit opzicht veel te
1)
ver, wanneer hij schrijft : ‘Men moet de afhankelijke zinnen niet als tot zinnen
geworden bepalingen aanmerken. Veeleer zijn de bepalingen voor in den hoogsten
graad verkorte zinnen te houden. Zoo beteekent: leerzame jongens maken
vorderingen eigenlijk: jongens in zoo verre zij leerzaam zijn, maken vorderingen’.
2)
Zoo zegt dezelfde schrijver op eene andere plaats : ‘Is het predikaat van den afh.
zin een zelfstandig naamwoord, zoo blijft bij de verkorting dit alleen met de bij
hetzelve behoorende bepalingen over en er ontstaat die vorm des verkorten zins,
welke den naam van a p p o s i t i e draagt. Zoo kan de appositie in: Hij, de vorst van
heil en leven, nam den mensch als broeder aan (Bilderdijk) slechts verklaard worden
door: hij, die de vorst van heil en leven is, niet: daar hij de vorst van heil en leven
is’.
Wij achten het zeer nuttig, ja onontbeerlijk ter juiste verklaring van hetgeen men
leest, dat de leerling, zooals in het laatstgegeven voorbeeld, zich rekenschap geeft
van de logische betrekkingen, die er tusschen appositie en naamwoord bestaan
kunnen en er is geen beter middel, om te beproeven, of hij die terdege begrijpt, dan
de vervanging door een bijzin. Maar men vergete niet, dat men dan de grammatische
beschouwing van de gegeven vormen heeft laten rusten en zich op het gebied van
stijlleer en rhetorica beweegt. Het gaat niet aan, iederen zin, die men voor eene
bepaling in de plaats kan zetten, tegelijk als den oorsprong dier bepaling voor te
stellen.
Niet de bijvoeglijke bepalingen leerzaam en de vorst van heil en leven zijn verkort
uit in zoo verre zij leerzaam zijn en die de vorst van heil en leven is maar omgekeerd:
de eenvoudige bijvoeging leerzaam, de bijeenplaatsing van hij en de vorst k a n met
verschillend logisch verband gepaard gaan. In een stukje, getiteld ‘Aan, op en over
3)
de grenzen’ heeft de heer L. Leopold daarvan enkele treffende voorbeelden
gegeven.
1)
2)
3)
2
Zie Dr. W.G. Brill, Ned. Spr. , Aanm. § 121.
Dr. Brill, Ned. Spr., § 146.
Zie ‘Gids voor den onderwijzer’, Jrg. 1881, pag. 44 vlgg.
Taal en Letteren. Jaargang 2
73
Hij vergelijkt o.a. deze zinnen:
a. Ik durf den grooten hond niet aan.
b. Ik durf een grooten hond niet aan.
c. Ik durf dien grooten hond wel aan.
Wil men hier de kracht der bijvoeglijke bepaling telkens met behulp van een bijzin
weergeven, dan verkrijgt men:
a. Ik durf den hond niet aan, omdat hij groot is of ook: die zoo groot is.
b. ...., indien hij groot is.
c. ...., ofschoon hij groot is.
Maar deze verschillende omschrijvingen doen niets af van het feit, dat grooten een
eenvoudig bijvoeglijk woord is.
Reeds uit het gegeven voorbeeld blijkt tevens, dat de opmerkingen, die in vele
grammatica's voorkomen omtrent de logische betrekking van het naamwoord van
1)
gesteldheid tot het werkwoord kunnen uitgebreid worden ook tot de attributieve
bijvoeglijke bepalingen.
Vergelijkt men: Verhit van een langen marsch, ging ik zitten met Verhit van een
langen marsch, ga ik zitten, dan k a n de praedicatieve bijvoeglijke bepaling in den
tweeden zin worden omschreven met: Wanneer ik verhit ben tegenover die in den
eersten zin: Daar ik verhit was. Hetzelfde kan evenwel worden opgemerkt omtrent:
Een verhit wandelaar ging zitten en Een verhit wandelaar gaat zitten. En zoo voorts.
Velen gebruiken twee benamingen: verkorte en beknopte zinnen. Het verschil
tusschen beide wordt door een voorstander dezer onderscheiding aldus
2)
samengevat . ‘In den beknopten zin is het onderwerp opgesloten in het gezegde,
3)
gelijk eene bloem in den knop , b.v.: “'t Vernoegt mij mijn leven en bedrijf te zien”
= “dat ik mijn leven en bedrijf zie”. In den verkorten zin zijn het onderwerp en een
deel van 't gezegde weggelaten, b.v.: “Alexander, genoopt van schoonen nijd = die
genoopt werd van schoonen nijd”’.
Deze onderscheiding, het zij met nadruk gezegd, is reeds door onze voornaamste
grammatici vervallen verklaard. De naam verkorte zin is afgeschaft en de term
4)
beknopte zin geldt thans voor het een zoowel als voor het ander . Toch achten wij
het niet overbodig, er op te wijzen,
1)
2)
3)
4)
Vgl. o.a. Cosijn-Te Winkel § 666-676.
J.E. ter Gouw in Noord en Zuid IV, bl. 206.
Wij cursiveeren.
7
Vgl. o.a.T. Terwey, Ned. Spr . § 50.
Taal en Letteren. Jaargang 2
74
dat de ‘beknopte zinnen’ nooit zinnen geweest zijn; integendeel, het zijn òf
1)
praedicatieve bijvoeglijke bepalingen òf infinitief bepalingen , die, doordat ze van
verschillende andere bijvoegingen vergezeld gaan, het gewicht van bijzinnen krijgen.
Indien men den leerling het inzicht geeft, dat eene praedicatieve bijvoeglijke
bepaling door allerlei woorden kan uitgebreid worden, b.v.: Wij gingen getroffen
huiswaarts, Wij gingen zwaar getroffen, zwaar getroffen door het plotselinge
sterfgeval, huiswaarts, dan zal het ook veel lichter vallen, hem de fout te doen
gevoelen in zinnen als deze: Al zijn geld verloren hebbende, gaf ik hem eenige
guldens. - Door de duisternis misleid, haalde men zijn lijk uit het water te voorschijn.
Wat heeft men in zoo'n geval aan de vervanging door een zin? Daardoor zou men
juist de stijlfout niet meer opmerken: Daar hij al zijn geld verloren had. Nadat hij
door de duisternis misleid was; dat kan zeer goed. Maar als de leerling verloren
hebbende en misleid als bijvoeglijke bepalingen herkent, moet hij ook het zelfstandige
woord zoeken, waarbij ze behooren. Dat kan in den eersten zin niet anders zijn dan
hem en eene vergelijking met een zin als: Aarzelend gaf ik hem eenige guldens
doet den leerling inzien, dat, in dit geval althans, de praedic. bijv. bep. m o e t
betrekking hebben op ik, waardoor alzoo de constructie veroordeeld is, als niet
duidelijk uitdrukkende, wat men zeggen wil. In den tweeden zin is zelfs geen
zelfstandig woord te vinden, waar de bijvoeglijke bepaling door de duisternis misleid
betrekking op heeft. Men kan hierbij herinneren dat in enkele geijkte uitdrukkingen
het gebruik van zulk een absolute praedicatieve bepaling heeft stand gehouden,
als: IJs en weer dienende, Mijn oom uitgezonderd, Hier gesloten zijnde, of, door
weglating van h e b b e n d e : Alles wel overwogen, Gehoord het advies van den
minister enz. Men kan dan nog de nabootsing van den latijnschen ablativus absolutus
ter sprake brengen in zinnen als: Heb ik alleen bestaan, elck zwijgende, te spreken
2)
(De Decker) en vooral meedeelen, dat ons tegenwoordig taalgebruik iedere nieuwe
constructie naar die modellen veroordeelt.
De algemeene strekking van ons betoog is: eenvoud in de spraakleer en het
gebruik van zulke termen, die in overeenstemming zijn met den ontwikkelingsgang
der taal.
We kunnen het voor dit geval samenvatten in de volgende stellingen:
1)
2)
Onder deze namen worden ze dan ook in de spraakkunst van Cosijn-Te Winkel behandeld.
Zie § 653 vlgg. en § 666 vlgg. Voor ‘praedicatieve bijv. bepaling’ wordt daar ‘naamwoord van
gesteldheid’ gezegd.
Vgl. o.a.W.G. Brill, Ned. Spr. II, 280.
Taal en Letteren. Jaargang 2
75
o
1 . Zoolang het tweede lid eener vergelijking niet met behulp van een persoonsvorm
wordt uitgedrukt, moet het als een gewoon zindeel beschouwd worden, waarvoor
wij den term vergelijking voorslaan.
o
2 . De benaming ‘verkorte zin’ voor praedicatieve bijvoeglijke bepaling heeft geen
recht van bestaan.
o
3 . Wanneer men den naam beknopte zin bezigt voor praedicatieve bijv. bep. en
infinitiefbepalingen, die het gewicht van bijzinnen gekregen hebben, moet men er
op wijzen, dat ze niet uit zinnen ontstaan zijn.
Den Haag.
C.G. KAAKEBEEN.
Sprokkel.
Naar zijn(e) pijpen dansen.
Vergis ik mij niet, dan ziet men vrij algemeen in pijpen een als substantief gebruikte
infinitief; waarom men dan ook de schrijfwijze naar zijne pijpen dansen afkeurt.
e
e
In de 17 en 18 eeuw echter beschouwde men pijpen wel degelijk als een
e
meervoudig zelfstandig naamw. Bij Paffenrode leest men (Gedichten, 12 druk, blz.
57): ‘Als wy eenen toon singen zoo konnen we hem na onse pijpen doen dansen’.
In den Holl. Spectator van van Effen: ‘Moet ik naar hare pypen, of zy naar de myne
e
danssen?’ (2 druk, I, 200).
e
In de 16 eeuw was het evenzoo: In den Bijenkorf van Marnix vindt men: ‘Maer
alle Concilien moeten de H. Kercke onderworpen wesen.... ende moeten altijdt na
hare pijpen danssen (uitg. z.j. bij M. de Groot en J. Conijnenbergh te Amst. fol. 32b).
En zelfs pijpe, in het enkelvoud:... ‘of het Bier na de woorden, ende na de pijpe der
Transsubstantiatie soo wel soude konnen danssen.... als de Wijn?’ (ald. 77a).
In het Middelnederlandsch schijnt de uitdr. na iemands pijpen dansen niet voor
te komen. Men vindt daarvoor: naar iemands hand dansen (‘hi most na hair hant
danssen’. Verdam, Mned. Wbk. II, 68). De beteekenis daarvan is duidelijk: dansen,
op de maat, door iemands hand aangegeven.
Zoo zal ‘naar iemands pijpe(n) dansen’ dan ook wel beteekenen: dansen bij
iemands fluit; dansen op de maat, op de tonen van iemands fluit. De ‘pijpe’ was in
e
e
de 16 en 17 eeuw een der bekendste instrumenten. ‘Het heylighe Sacrament’
werd ‘met Vanen ende Pijpen, inde Processie omme(ge)dragen.’ (Bijenkorf, 21b).
‘De pijpen stellen’ kreeg de beteekenis ‘lawaai maken’; ‘pijpestelders’ werd een
naam voor hen, die er een genot in vonden, ‘den boel op te scheppen’ en
burengerucht te maken.
R.A.K.
Taal en Letteren. Jaargang 2
76
Over de zoogenaamde bijzinnen met of, die met een' ontkennenden
hoofdzin in verband staan.
Eene eigenaardige constructie hebben in onze taal die samengestelde volzinnen,
welke bestaan uit twee zinnen, waarvan de eerste ontkennend is of althans een
ontkennend zindeel bevat, terwijl de tweede met den eersten verbonden is door
middel van het voegwoord o f . Wij beginnen onze beschouwing dezer volzinnen
met de noodige voorbeelden op te geven. Gemakshalve ontleenen wij ze op eene
enkele uitzondering na aan het W o o r d e n b o e k d e r N e d e r l a n d s c h e t a a l ,
dat een bijna volledig overzicht geeft der gevallen, waarin zij voorkomen. Alleen in
de rangschikking wijken wij eenigszins van het W o o r d e n b o e k af.
1. Er is geen mensch, of hij moet sterven. Er waren weinig (niet veel) huizen, of zij
waren beschadigd.
2. Ik heb dat nooit gedaan, of het heeft mij berouwd. Hij komt zelden (niet vaak)
te Amsterdam, of hij gaat eens naar Artis. Ik kom nergens, of ik hoor er over spreken.
3. Niemand is zoo wijs, of hij kan nog wel iets leeren. Het werk is hier zoo druk
niet, of ik kan het met Antje best af.
4. Het duurde maar kort (niet lang), of het begon hem te vervelen. Het leed niet
lang, of de bende bevond zich vlak achter hen. Nauwelijks was hij weg, of er ging
eene deur in het vertrek zachtjes open. Pas waren wij de deur uit, of het begon te
regenen. Niet zoodra had ik dit gezegd, of hij stond op en ging heen.
5. Het scheelde weinig (niet veel), of hij was gekozen. Er ontbrak niet veel aan,
of wij hadden de meerderheid.
6. Het kon niet anders, of dat bericht moest mij verbazen. Ik kan niet anders
1)
zeggen, of uw werk bevalt vrij goed. Ik weet niet beter, of hij is springlevend.
Bovendien komt deze wijze van zinsbouw nog voor in:
7. Ik twijfel er niet aan, of hij zal wel terugkomen. Er is geen twijfel aan, of het schip
is verongelukt.
1)
Zie het Wdb. i.v. of.
Taal en Letteren. Jaargang 2
77
De beschouwing dezer volzinnen geeft aanleiding tot twee vragen, die min of meer
met elkander in verband staan:
o
1 . Is het voegwoord of, dat de samenstellende deelen verbindt, het
t e g e n s t e l l e n d e (disjunctieve) voegwoord of, dan wel hebben wij daarin het
oorspronkelijk v o o r w a a r d e l i j k e voegwoord of te zien?
o
2 . Zijn dus de samenstellende deelen nevenschikkend of onderschikkend, m.a.w.
is het tweede lid een bijzin of niet?
Voordat wij trachten een antwoord op deze vragen te geven, moeten wij eerst
nagaan, in welken vorm deze samengestelde zinnen in de vroegere perioden onzer
taal voorkomen. Raadplegen wij daartoe allereerst die van het Middelnederlandsch.
Wij merken dan op, dat toen in al de bovenstaande gevallen de samenstellende
deelen los naast elkander werden geplaatst en dat in verband hiermede het tweede
lid steeds de gewone woordschikking had. Maar dat tweede lid bevatte gewoonlijk,
wat het tegenwoordig mist, het ontkennend bijwoord ne of en = niet. Ten bewijze
dienen de volgende voorbeelden:
1. Daar ne was no groot no cleyne, sine liepen ten veinstren harentare, Walew. 207.
En was creature negene, sine stonder in gescreven, Flor. 902. In alt lant sone bleef
beeste, soene starf ja, Rijmb. 3895.
2. Wine lieten ons noyt enen ontfaren, wine daden hem pine, Walew. 3993. In sal
mogen scriven no lesen, gine doet Blancefloer met mi gaen, Flor. 308. Hine mochte
nieuwer neder gliden, hine viele int water in allen siden, Walew. 668. Noint began
hi ghenen strijt, hine vragede emmer eerst an Gode, of dat ware sine geboden, Sp.
3
3 , 16:35.
3. Daers geen so arm onder die garsoene, hem ne dunct, dat hi si so rike, dat hi
den hogesten cume gelike, Flor. 1736. Daer ne was in ghene stede slot so vast, het
en ondede, so waer die dode quam, Walew. 8402.
4. Onlange es hi daer bleven, si (de stad) en wert hem opgegeven, Lorr. I, 1522.
Niet langhe so ne sijn si daer comen, sine hebben Moriane vernomen, Mor. 4138.
Onverre gingic, ic en vant Dedute daer op een plain, Rose, 664. Nauwelic was dat
woert gesproken, daer en quam als ene vlamme vuers neder van den hemel, Proza,
100.
5. Dat cume bleef, hine ware gevallen, Limb. VI, 1087. Het gebrac wel cleine,
mine hadde bedrogen ene joncfrouwe, Lanc III, 4533.
6. So ne maget niet sijn, gine sult eeren den Heere (aangeh. S t o e t t , Mndl.
synt.). En mocht niet sijn, sy en waren onvroe, Troyen, 4884.
7. Wien twifelt des, ghine moghet doen dat ghi ghebiet over mi, Rein. 1838. So
ne esser geen twifel ane, hi en si goet ende getrouwe, Rose 2741.
Let men nu op de logische betrekkingen, waarin het tweede lid in deze volzinnen
tot de eerste staat, dan bemerkt men, dat deze van zeer
Taal en Letteren. Jaargang 2
78
verschillenden aard zijn. Om dit duidelijk te maken, willen wij van een voorbeeld uit
elke groep telkens het tweede lid vervangen door een' o n t k e n n e n d e n bijzin.
Wij krijgen dan achtereenvolgens:
1. Daar was groot noch klein, die niet naar de vensters liep (bijvoegl. bijzin).
2. Wij lieten ons nooit iemand ontgaan, terwijl wij hem geen leed deden (bijzin
van omstandigheid).
3. Daar is niemand zoo arm onder de dienaren, dat hem niet dunkt, enz. (bijzin
van gevolg).
4. Niet lang bleef hij daar, terwijl de stad niet werd overgegeven (bijzin van tijd).
1)
6. Het mag niet zijn, dat gij den Heere niet zult eeren (onderw. zin).
Met de voorbeelden uit groep 5 en 7 is het anders gesteld. Hier kunnen wij het
tweede lid alleen vervangen door een' b e v e s t i g e n d e n bijzin.
5. Er ontbrak niet veel daaraan, dat mij eene jonkvrouw bedrogen hadde (oorz.
voorwerpszin).
7. Er is geen twijfel daaraan, dat hij goed en getrouw is (oorz. voorwerpszin).
Hoe is dit laatste verschijnsel te verklaren? Naar wij meenen, hebben de zinnen in
deze beide groepen hun ontstaan te danken aan eene onwillekeurige verbinding
van twee gedachten, waarvan de eene wel, de andere niet de ontkenning vorderde.
Een bekend voorbeeld daarvan, dat voorheen meermalen in de schrijftaal en thans
nog wel bij onnauwkeurige sprekers voorkomt, vinden we in een' zin als dezen: Hij
verbood ons, dat wij daar niet heen zouden gaan. Zulk een zin ontstaat door de
onwillekeurige combinatie van deze twee gedachten: Hij verbood ons, dat we daar
heen zouden gaan en: Hij beval ons, dat wij daar niet heen zouden gaan. Evenzoo
kunnen de gevallen van groep 5 en 7 toe te schrijven zijn aan de combinatie van:
Er ontbrak weinig daaraan, dat mij eene jonkvrouw bedrogen hadde en: Eene
kleinigheid was oorzaak, dat mij eene jonkvrouw niet bedroog. Er is geen twijfel
daaraan, dat hij goed en getrouw is en: Niemand is van meening, dat hij niet goed
en getrouw is.
Het mag nu den lezer vreemd dunken, dat er zooveel verschillende betrekkingen,
als wij tusschen de beide leden der beschouwde volzinnen opmerkten, konden
bestaan, zonder dat men ze door verschillende betrekkingswoorden uitdrukte, doch
men bedenke, dat deze soorten van zinnen ontstaan zijn in een' tijd, toen men nog
zeer weinig grammatische
1)
Gelijk men ziet, ontbreken hier de woorden anders of beter. Daardoor is de opvatting eenigszins
anders, dan die bij groep 6 op pag. 76.
Taal en Letteren. Jaargang 2
79
hulpmiddelen bezat, om de syntactische verhouding tusschen de deelen van een'
samengestelden zin nauwkeurig aan te duiden. Bovendien, gaan wij de wijze na,
waarop wij hierboven het laatste deel door een' bijzin hebben vervangen, dan blijkt
ons, dat ook thans de verbindingswoorden van uiterst eenvoudigen aard zijn. Bij de
meeste groepen bedienden wij ons van het voegwoord dat, een woord, dat volstrekt
geene bepaalde betrekking aanduidt en alleen dient, om het onderschikkend
zinsverband tusschen twee zinnen te kennen te geven. Niet veel anders is het
gesteld met het voegwoord terwijl, dat wij in twee gevallen gebruikten, en dat ook
eerst het bijeenbehooren in tijd, daarna enkel het bijeenbehooren van twee feiten
uitdrukt. En toen wij in de voorbeelden van groep 1 het persoonlijk door het
betrekkelijk vnw. vervingen, deden we niets anders, dan een woord gebruiken,
waarin behalve de aanduiding eener zelfstandigheid het eenvoudige begrip der
verbinding van twee zinnen ligt opgesloten.
Op twee zaken maken wij den lezer nog opmerkzaam: in het vervolg zal blijken,
dat zij niet zonder belang zijn voor de beantwoording der vragen, die wij gesteld
hebben. Vooreerst, dat in geen der bovenstaande voorbeelden de tweede zin een
ander ontkennend woord dan ne (en) bevat. In den eersten is dit ook wel niet altijd
het geval, maar toch gaat de ontkenning hier meermalen vergezeld van woorden
als no, negeen, (engeen, geen), noyt, nieuwer, niet. En in de tweede plaats, dat de
gedachte, in den samengestelden volzin opgesloten, steeds b e v e s t i g e n d is;
de ontkenning in den tweeden zin heft die in den eersten op. De volzinnen, als één
geheel beschouwd, dienen, om mede te deelen: dat allen naar de vensters liepen,
dat wij allen leed deden, dat ook de armste onder de dienaren zich verbeeldde, dat
hij zoo rijk was, enz. enz.
Voordat wij nu gaan zien, wat er in de jongere taal van deze samengestelde volzinnen
geworden is, merken wij nog op, dat zij ook reeds in het mnl. soms afwisselen met
andere, waarvan het tweede lid de ontkenning en mist, terwijl de beide deelen door
het onderschikkende voegwoord dat zijn verbonden. Zoo lezen wij:
Jacop was cume uitgheghaen, dat Esau sine spise brochte, Rijmb. 2383. Onverre
so was hare vaert, dat si ontmoeten die knechte, Lorr. I, 997. Hine hadde dit niet
3
gesproken al, dat die duvel maecte gescal, Sp. 3 , 37:64.
Men zal opmerken, dat deze volzinnen overeenkomen met die van groep 4, waarbij
wij tegenwoordig ook wel den tweeden zin zonder ontkenning aantreffen, terwijl dan
het verband wordt uitgedrukt door het voegwoord toen. Klaarblijkelijk dient in dit
geval het woord dat, om
Taal en Letteren. Jaargang 2
80
de gelijktijdigheid der beide handelingen uit te drukken. Op dezelfde wijze gebruikt
men ook in het Fransch het voegwoord que, bijv..:
Nous n'avions pas encore atteint la porte du Bois, que j'aperçois un
cavalier. X. l'avait à peine entrevu, que la question s'arrêtait sur ses lèvres.
Ook worden er in dezelfde periode enkele voorbeelden aangetroffen van volzinnen,
waarin het tweede lid de ontkenning mist, zonder dat het verband door eenig
voegwoord is uitgedrukt:
Het es onse sede in dit lant, dat ne mach gheen seriant enen ridder roepen campe,
hi moet ridder sijn ghedaen, Walew. 1469. Hen mochte sinen wive niet gescien, dat
2
sine mochte anesien, soe soude sterven eer iet lanc, Sp. 3 , 24:27. Dat men die
dochteren niet ten manne'sel geven, men sel hem eerst vragen, oft bi horen wille
si, Proza, 124.
Deze voorbeelden behooren tot groep 1 en 2.
e
e
e
e
Zoo stonden de zaken gedurende de 13 tot en met de 15 eeuw. In de 16 en 17
vinden wij allereerst nog voorbeelden van het oude gebruik, d.i. met en in den
tweeden zin en zonder voegwoord:
1)
1 en 2. Niemant en machse vervullen, hi en sy van der wet los, Summa, 208 .
Sonder hem en is niemant geweest, die also doe, hi en hevet van Christo, ib. 209.
Ick wilde, dat daer niemant en ware, hi en leerde ambocht, ib. 243. Niemant kent
de waerd, hy en gaeter mee over den haert, Spieg. 285. Hy en mocht niet eenen
v
voet weeghs treden, zy en vernam dat, Coornh. Boc. 46 . Sy sien geen blooten
degen, sy'n voelen hem in 't hert, Huyg. I, 274. Geen goet rijder, hy en viel wel, ib.
III, 237.
3. De Dauw is niet soo fijn, wij 'n sien hem dropp voor dropp, ib.. I, 346.
r
4. Het en sal voort niet langhe lijden, het en sal dach sijn, Coornh. Boc. 50 .
5. Dat het luttel scheelde, hy en soudese alle beyde doorsteken hebben, Coornh.
r
Boc. 68 . Het faelde weinich, hy en was van syn medogentheyt verwonnen geweest,
r
ib. 87 .
Daarnaast komen nu ook, in overeenstemming met de boven aangehaalde,
verschillende voorbeelden voor, die de ontkenning van het tweede lid missen:
1 en 2. Want hy en schryft niet één epistel, si es vol van dat gheloef, Summa, 188.
Daer en is geen staet inder werelt, hi mach altijt wel vinden uut dat evangelium, hoe
dat hi leven moet, ib. 187. Niemant en can dat seste gebot volbrengen, hi moet dat
thienste gebot volbrengen, ib. 246. Voor
1)
d.i. Het Oudste Nederlandsche verboden boek, 1523, uitgeg. door Dr. J.J. van Toorenenbergen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
81
Godt en can dat vleesche niet gesondighen, dat herte ende den wille moet eerst
gesondicht hebben, ib. 244. Noyt meester soo goet, hy was eerst klerck, Roem.
Brabb., 151. Sy sien geen blad bewegen, sy meenen 't is een lood, Huyg. I, 274.
Men acht het goede niet, men sy het beste quyt, ib. II, 155.
3. Niemant is zoo goet, hy heeft wel tweerley moed, Spieg. 282. Op eerde en leeft
geen mensche so heylich, hy mach wel vreesen, A. Bijns, 233.
Nu komen er echter ook voorbeelden voor, waarin het voegwoord of tusschen de
beide leden geplaatst is:
1 en 2. Om aan te toonen, dat sy niet één artyckel voort en brengen, of het is lange
r
te voren oock op de bane geweest, Marn. Bienc. 3 . Daer en is niet een gat, oft hy
r
weter een nagel toe, ib. 144 . Men kan na Loven niet varen, oft de wagen moet voor
v
de Peerden gespannen worden, ib. 23 . Want gheen Leeraar (d.i. het begrip van
leeraar) magh verstaan werden, ofte daar moeten twee personen onderling
vergeleken worden, Tweespr. 126. De dagh en gaat niet op, of Hermans wijf verkerft
het, Huyg. III, 237.
3. Sy konnen se soo effen niet passen, oft daer valt altijdt groote swaricheyt, Marn.
r
Bienc. 72 .
Eindelijk vinden wij verschillende voorbeelden, waarin of en en beiden worden
gebruikt:
v
1 en 2. Daer en mach gheen werck zijn, of ten heeft een beginne, Coornh. Eth. 36 .
Daer en was niemant, oft hy en heeft haer alle goet ende eere weerdich geacht,
v
Coornh. Boc. 30 . Daer is niemant, oft hy en behoeft de ghoedadicheid Goods,
Tweespr. 57. Zoo mach oock niemant te recht wycken van de duisternissen, of hy
v
en moet syne keer nemen ten lichte waerd, Coornh. Eth. 36 . Soo dat sy geen dinck
groot of kleyn in haren dienst is pleghende, of sy en weet daertoe uit den klaren text
r
der schrift een paar mouwen fijn aan te zetten, Marn. Bienc. 52 . Daerna en willen
r
sy niets bidden, oft het en moet juyst in de Schrift voorgeschreven syn, ib. 184 .
3. Zy en was soo blindt niet, oft zy en zach die boerse wel, Coornh. Boc. 3. Daer
was noyt vryheid zoo dier verkocht, of ze en was meer waard, Spieg. 277. Den
hitsigen ontbijt en kan hy niet verswelgen door sulcken koelen keel, of 't hert en wil
't sich belgen, Huyg. I, 166.
4. Gasparyn en hadde niet langhe thuys geweest, oft Gulfart en heeft zynen tijdt
r
waer ghenomen, Coornh. Boc., 13 . Zy en hadde hem zoo haest niet gheraect, oft
r
de droefheydt en heeft terstondt deze jonghe vrouwe het leven benomen, ib. 54 .
6. Dat sy oock niet beter en wisten, of hy en was in 't Vagevyer gevaren, Marn.
r
r
Bienc. 101 . Niet beter wetende, of het en is al waer, ib. 180 .
7. Dat niemant daeraen en twifel, oft ten is van die voersichticheydt ende
ordinancie Gods, Summa, 179. Ick en twyfele niet, oft gy en meynt hier inne de
v
waerheyt te seggen, Coornh. Boc. 34 .
Taal en Letteren. Jaargang 2
82
e
In den loop der 17 eeuw begon men nu algemeen aan de constructie met of doch
zonder en de voorkeur te geven. H o o f t deed dit o.a. met bewustheid: in zijne
oudere geschriften komt en nog meermalen naast of voor; in zijne Nederlandsche
1)
Historiën is het ontkennende bijwoord voor goed verdwenen.
In het bovenstaande vindt de lezer de gegevens, met behulp van welke wij zullen
trachten de in den aanvang genoemde vragen te beantwoorden. Wij zouden dat
veel gemakkelijker kunnen doen, wanneer de oude vormen der beide ter sprake
komende voegwoorden slechts bewaard gebleven waren tot den tijd, toen men
aanving de beide deelen der volzinnen door of te verbinden. Immers het
tegenstellende voegwoord of luidde in het mnl. eigenlijk ofte, het voorwaardelijke
daarentegen of. Doch in den regel werden deze woorden reeds in de M.E. niet
scherp onderscheiden, zoodat men zeer dikwijls of aantreft, waar twee zinnen
tegenstellend zijn verbonden en omgekeerd ofte, oft, waar men het voorwaardelijk
voegwoord bedoelde. En deze verwarring was zoo mogelijk nog erger geworden in
het tijdperk, toen men in de bedoelde volzinnen of begon te gebruiken. Men ziet
dan ook in de boven opgegeven voorbeelden of en oft door elkander gebruikt.
Daarom moeten wij bij ons betoog uitgaan van de vraag, welke opvatting men in
dien tijd had van het verband, dat er tusschen de deelen dier volzinnen bestond.
Over die opvatting is men het tot nog toe niet eens kunnen worden. B i l d e r d i j k
2)
hield het er voor , dat dit of ‘niet (was) het bindwoordtjen, dat bij de Franschen ov
(nu ou) is, gelijk men zich dwaaslijk verbeeldt’, maar ‘de potentiale conjunctio indien,
bij de Duitschers ob en bij de Engelschen if en die wij nog veelvuldig gebruiken,
bijv. o f het gebeurde dat ik krank wierd. Dus zeggen wij: ik heb mijn mantel
omgehangen o f het regende; ik neem wat brood meê op de jacht o f ik honger
kreeg, enz. enz.’ En hij brengt tot staving dezer meening o.a. een paar voorbeelden
bij uit H o o f t : Men liet hem niet vertrekken, ofte hij en hadde eerst zijn aandeel
betaald; er was niemand oft hij en maakte zwarigheid en redeneert nu zoo:
‘Woordelijk (beteekent dit): Men liet niemand vertrekken, i n d i e n hij niet betaalde;
daar was niemand, i n d i e n hij geen zwarigheid maakte. Namelijk ieder betaalde
en dus, indien hij niet betaalde, zoo liet men hem niet vertrekken. Ieder maakte
zwarigheid en dus, indien iemand geen zwarigheid maakte, was
1)
2)
Voor de wijze, waarop Vondel dgl. zinnen behandelt, zie men Van Helten II.
Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden, III, 13 en vlgg
Taal en Letteren. Jaargang 2
83
de man er niet’. En een weinig verder: ‘Het is klaar, dat indien men dit o f wel gekend
en wel onderscheiden had, de ontkenning niet uitgeworpen zou zijn in de
uitdrukkingen, hier ten voorbeelde bijgebracht; men zou, en verwerpende, niet in
de plaats gesteld en gezegd hebben: “Men liet hem niet vertrekken, of hij had niet
alles betaald”; en “daar was niemand of hij maakte geen zwarigheid”. Maar daar
men onverstandig en onthollandscht genoeg was, om het voor het of, oder, enz. te
houden, zag men een alternatif in de phrasis en verstond het, als stond er: Een van
beide had plaats, o f men liet hem niet vertrekken, o f hij had alles betaald. O f daar
was niemand, o f hij (die er was) maakte zwarigheid. Zulk een alternatif vorderde
in het tweede lid een tegenstelling en strijdigheid en dus, daar het eerste negatif
was, moest dan het andere affirmatif worden. De gevolgtrekking was goed, maar
de onderstelling, waarop zij berustte, was valsch.’
De redactie van het W o o r d e n b o e k sprak zich in haar artikel over o f in
denzelfden geest uit als B i l d e r d i j k , natuurlijk alleen wat het punt in kwestie
betreft: den uitval tegen het onverstand en de onthollandschtheid onzer voorvaderen
liet zij voor rekening van haren voorganger.
Van eene tegenovergestelde meening bleek Prof. V a n H e l t e n in zijne
Vondel-grammatica, II, 161. Deze wees er vooral op, dat in het Hoogduitsch in
verschillende van de bedoelde constructies oder en niet ob gebruikt wordt en
concludeerde: ‘Is nu de hier voorgestane theorie (dat nl. of het tegenstellende
voegwoord is) waar, dan moet of de prioriteit hebben vóór of en en is dit laatste als
1)
product der vereeniging van de beide nevens elkander gebezigde conjuncties te
beschouwen’.
Gelijk wij reeds boven zeiden, stelt de vorm van het voegwoord of ons niet in staat
te beslissen, welke meening de ware is. We dienen ons dus tot de beteekenis der
zinnen te wenden, ten einde te zien, of deze ons licht kan schenken. Daartoe zullen
we achtereenvolgens in één voorbeeld van elke groep of beurtelings vervangen
door indien en door òf-òf. Bij de eerste wijze van vervanging dient dan tevens de
ontkenning ingevoegd te worden; bij de tweede eene onderstelling, die tegenover
het eerste lid staat.
1. Er is geen mensch, indien hij niet moet sterven. Òf er is geen mensch, òf (als er
wel een mensch is) hij moet sterven.
2. Ik heb dat nooit gedaan, indien het mij niet berouwd heeft. Òf ik heb dat nooit
gedaan, òf (als ik het gedaan heb) het heeft mij berouwd.
1)
V a n H e l t e n noemt nl. en ook eene conjunctie, omdat in zekeren zin de ontkenning in
het tweede lid de beide deelen met elkander in verband brengt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
84
De lezer zal zeker met ons voor deze beide groepen de voorkeur geven aan de
laatste wijze van vervanging, ofschoon hij tevens opmerken zal, dat de spreker nooit
de bedoeling heeft, den inhoud van het eerste lid: er is geen mensch, ik heb dat
nooit gedaan als een mogelijk geval te stellen.
3. Niemand is zoo wijs, indien hij niet nog iets kan leeren. Òf niemand is zoo wijs,
òf (als iemand wel zoo wijs is) hij kan nog wel iets leeren.
Hier laten ons de beide voegwoorden in den steek: geen van beide geeft aan het
geheel een' verstandigen zin.
4. Het duurde niet lang, indien het hem niet begon te vervelen. Òf het duurde niet
lang, òf (als het wel lang duurde), het begon hem te vervelen.
Ook hier kan ons geene van beide verklaringen bevredigen.
5. Het scheelde niet veel, indien hij niet gekozen was. Òf het scheelde niet veel, òf
(als het wel veel scheelde), hij was gekozen.
Hier geeft de eerste wijze van verklaring een' vrij duidelijken zin, vooral wanneer
men het tweede lid vooraan plaatst. De tweede zou ons daarentegen eerder aan
het omgekeerde van de bedoeling des sprekers doen denken.
6. Ik weet niet beter, indien hij niet springlevend is. Òf ik weet niet beter, òf (als ik
wel beter weet), hij is springlevend.
Ook bij deze groep geeft de vervanging van of door indien een' vrij goeden zin:
Aangenomen dat hij niet springlevend is, ik weet niet beter. Zoo ook: Ik dacht niet
anders, of er had eene aardbeving plaats = Aangenomen dat er geene aardbeving
plaats had, ik dacht niet anders, dus: ik dacht zoo.
7. Ik twijfel er niet aan, indien hij niet terug zal komen. Òf ik twijfel er niet aan, òf
(als ik er wel aan twijfel), hij zal wel terugkomen.
Hier geeft geene der wijzen van vervanging de bedoeling des sprekers weer.
Vatten wij nu de uitkomst van dit onderzoek samen, dan komen wij derhalve tot
het besluit, dat noch het tegenstellende, noch het voorwaardelijke of eene behoorlijke
verklaring der beteekenis van alle groepen mogelijk maakt. Voor de groepen 1 en
2 moesten wij de voorkeur geven aan het eerste, voor 5 en 6 aan het laatste; voor
3, 4 en 7 kon geen van beide ons helpen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
85
Wij hebben dus na te gaan, of er ook nog andere gegevens zijn, die ons nader bij
de oplossing van het vraagstuk kunnen brengen. Daartoe vestigen wij allereerst de
aandacht op de omstandigheid, dat men bij de opvatting van of = indien, gelijk
Bilderdijk opmerkte, noodzakelijk in het tweede lid het bijwoord niet moet invullen.
Is dus het voegwoord of het voorwaardelijk voegwoord, dan moet men in den tijd,
toen men dit woord tusschen de beide deelen van den volzin begon te gebruiken,
het laatste deel als een' o n t k e n n e n d e n zin hebben beschouwd.
Nu hebben wij echter èn in het oudere mnl. èn in de jongere taal verschillende
voorbeelden leeren kennen, waarin het voegwoord nog ontbrak en toch reeds het
1)
ontkennende en gemist werd. Deze voorbeelden geven ons het recht tot de
conclusie, dat men in de bedoelde gevallen althans geene behoefte meer gevoelde
aan die ontkenning, dat men dus den tweeden zin niet meer, gelijk vroeger, als een'
ontkennenden, maar als een' bevestigenden zin beschouwde. Deze conclusie is in
overeenstemming met het boven reeds opgemerkte feit, dat men in het tweede lid
nooit een ander ontkenningswoord dan en aantreft. Indien men toch dat tweede lid
steeds als een' ontkennenden zin was blijven opvatten, dan zon men reeds in het
e
oudere mnl. en zeker in de 16 eeuw de behoefte hebben gevoeld, om de ontkenning
en te versterken door niet, gelijk men dat bij werkelijk ontkennende zinnen deed.
Terwijl men toch in de oudere taal volstaan kon met te zeggen: Ik en hoore, begon
men daarvoor later algemeen te bezigen: ik en hoore niet, letterlijk: ik niet hoor geen
ding en deze versterking der ontkenning was een gevolg van de omstandigheid,
dat de ontkennende kracht van het enkele en niet meer duidelijk gevoeld werd.
Tot staving der bovenstaande redeneering wijzen wij op de geschiedenis van het
bijwoord maar. Dit luidde oorspronkelijk neware = het en ware = indien het niet ware.
Voor het tegenwoordige: ik heb dien man maar eens gezien zeide men: ik en hebbe
dien man, neware eens, gezien = ik heb dien man n i e t gezien, tenware eens. Was
men nu de oorspronkelijke kracht van en blijven gevoelen, dan zou men zeker later
gezegd hebben: ik en heb dien man, maar eens, n i e t gezien. Doch dit geschiedde
niet; men bleef zeggen: ik en heb dien man maar eens gezien. Doordat men nu
echter den zin niet langer als een ontkennenden opvatte, begon men daarna soms
ook te zeggen: ik heb dien man maar eens gezien, totdat men eindelijk algemeen
het woord en als een nutteloos invoegsel over boord wierp.
1)
Zie pag 5.
Taal en Letteren. Jaargang 2
86
Staat het nu vast, dat in den tijd, toen het gebruik van het voegwoord of tusschen
de beide leden van de bedoelde volzinnen opkwam, het tweede lid niet meer als
een ontkennende zin werd opgevat, dan vervalt daardoor tevens de onderstelling,
dat dit voegwoord het o n v o o r w a a r d e l i j k e of zou kunnen zijn. Immers waar
dit voegwoord eene eenigszins ongedwongen verklaring der betrekking tusschen
beide deelen toeliet, namen wij aan, dat de tweede zin door de sprekers van dien
tijd nog als een ontkennende werd gevoeld. Blijkt deze laatste meening echter niet
houdbaar, dan vervalt ook de onderstelling, die daarop berust. En zoo rest ons dus
niets dan de conclusie, dat we met het t e g e n s t e l l e n d e of te doen hebben.
e
Met deze conclusie in overeenstemming is het feit, dat wij in de 16 eeuw naast
de volzinnen, waarin en zoowel als of ontbreken, voorbeelden vinden, waarin of
1)
voor den tweeden b e v e s t i g e n d e n zin werd geplaatst. Was toch deze laatste
bevestigend, dan moest men de betrekking tusschen beide leden wel, gelijk Bilderdijk
opmerkt, als een alternatief opvatten en om dit uit te drukken was het tegenstellende
of het aangewezen woord.
Dat nu naast de constructie met of ook nog lang die met of en bleef voorkomen,
kan geen bezwaar geacht worden. Men was nu eenmaal gewoon in deze eigenaardig
gebouwde volzinnen het woord en te hooren en zoo bleef men het gebruiken ook
nadat het een klank zonder inhoud was geworden en men reeds lang in de behoefte
aan een woord, dat het verband tusschen beide deelen van den volzin kon
uitdrukken, had voorzien. Zoo gebruikte men beide woorden naast elkander, zonder
zich bewust te zijn, dat men, de o o r s p r o n k e l i j k e beteekenis van en in
aanmerking genomen, eigenlijk iets onzinnigs zeide. Maar dit deed men evenzoo,
zonder het te bemerken, wanneer men zeide: Ik en heb dien man maar eens gezien.
Laat ons thans nagaan, of zich de bezwaren, boven tegen de opvatting van of als
tegenstellend voegwoord ontwikkeld, uit den weg laten ruimen. Natuurlijk moeten
wij aannemen, dat dit tegenstellende of bij hen, die het gingen gebruiken, door zijne
beteekenis geschikt kon geacht worden, om het verband tusschen de deelen van
den volzin behoorlijk uit te drukken. Gebruikt soms een jonger geslacht een woord,
dat het nu eenmaal gewoon is in zekere verbinding te hooren, zonder dat het daaraan
een bepaald denkbeeld weet te hechten, wie het gebruik
1)
Zie pag. 6 bovenaan.
Taal en Letteren. Jaargang 2
87
van een woord met eene bepaalde beteekenis invoert, zal dat alleen doen, wanneer
hij het voor eene duidelijke uitdrukking zijner gedachten noodzakelijk of althans
gewenscht rekent.
Nu kan men inderdaad zeggen, dat in de gevallen van groep 1 en 2 het gebruik
van het tegenstellende of ‘in eene bepaalde behoefte voorzag.’ Men moet daarbij
zijn uitgegaan van volzinnen als: Er is geen God, of hij moet goed zijn. Ga niet
verder, of gij krijgt een ongeluk. Ik doe dat nooit weer, of ik moet er toe gedwongen
worden, waarin tusschen den eersten en den tweeden zin ook eene onderstelling
ligt opgesloten: als er een God is, als gij verder gaat, als ik het ooit weer doe. Wel
staan de gevallen niet volkomen gelijk: de volzinnen: er is geen God, ga niet verder,
ik doe dat nooit weer, krijgen door de bijvoeging van den tweeden zin geene andere
beteekenis; wanneer het geval, in den tweeden zin uitgedrukt, zich niet voordoet,
drukken zij de werkelijkheid uit, terwijl dit niet geval is met de zinnen: er is geen
mensch (1), ik heb dat nooit gedaan (2) enz., die op zich zelve beschouwd juist met
de werkelijkheid in strijd zijn. Maar toch geleken zij genoeg op elkander, om het
begrijpelijk te maken, dat men ook bij de laatste aan een alternatief dacht.
Ook de voorbeelden der derde groep konden allicht aanleiding geven tot deze
opvatting. Toch is hier het verschil reeds grooter. Met eene verzwegen
o n d e r s t e l l i n g komen we, gelijk wij boven zagen, bij deze zinnen niet uit. Nemen
we echter aan, dat men aan eene onuitgedrukte t o e g e v i n g gedacht heeft, dan
worden deze zinnen duidelijker: Niemand is zoo wijs, of (al is iemand zoo wijs), hij
kan nog wel iets leeren. Het werk is hier zoo druk niet, of (al is het werk hier zoo
druk), ik kan het met Antje best af, enz. Men kan dan wel weder de opmerking
maken, dat degenen, die hier het voegwoord of in zwang brachten, niet heel scherp
onderscheidden, maar men bedenke, dat de toegeving en de onderstelling hier in
dit voorname punt met elkander overeenkomen, dat zij beide niet een feit, maar een
gedacht geval te kennen geven.
Wanneer het dus waar is, dat we in het verbindingswoord of het tegenstellende
voegwoord hebben te zien, dan moeten we tevens aannemen, dat het gebruik van
dit woord bij de drie eerste groepen is begonnen. Deze meening wordt op eene
ongezochte wijze bevestigd door de omstandigheid, dat al de voorbeelden uit de
e
16 eeuw, waarin de tweede zin het woord en miste, hetzij hij al of niet door of met
den eersten was verbonden, juist tot deze drie groepen behoorden. Het kan toch
wel niet geheel toevallig zijn, dat we voor de overige groepen in denzelfden tijd
Taal en Letteren. Jaargang 2
88
geene andere plaatsen kunnen aanhalen, dan zulke, waarin of en voorkomt en
waarbij dus althans nog een zweem van mogelijkheid zou bestaan, dat men of als
indien had opgevat. Vrij gerust mogen wij derhalve aannemen, dat men werkelijk
bij de gevallen der drie eerste groepen de redeneering heeft toegepast, die wij
hierboven gaven.
Maar hoe dan nu de overige gevallen te verklaren? Dit zou niet wel mogelijk zijn,
indien we niet de hulp konden inroepen van een' factor, die op het gebied der taal
onophoudelijk werkzaam is en een' machtigen invloed uitoefent. Wij bedoelen de
zoogenaamde analogievorming. Deze bestaat o.a. hierin, dat ‘de spraakmakende
gemeent'’, door één of meer punten van overeenkomst verleid, meermalen gevallen,
die niet identisch zijn, op dezelfde wijze behandelt. Om met een eenvoudig voorbeeld
onze bedoeling te verduidelijken, wijzen wij op het lot, dat sommige bijwoorden
hebben ondergaan. Van oudsher waren er vele genitieven van substantieven,
adjectieven, en andere woorden, die de functie van bijwoorden vervulden; deze
genitieven eindigden voor een goed deel, naar den eisch hunner verbuiging, op s.
Zonder nu te bedenken, dat alleen zulke sterke genitieven van het mnl. of onz.
geslacht recht hadden op deze s, begon men het er langzamerhand voor te houden,
dat die slotletter een eigenaardig kenmerk der bijwoorden als zoodanig was en zette
haar ook achter woorden en uitdrukkingen als dikwijls, intijds, vanouds enz. De
overeenkomst in functie had de verschilpunten doen voorbijzien.
Op gelijksoortige wijze nu moet het ook met de door ons behandelde volzinnen
e
zijn gegaan. In de 16 eeuw hoorde en las men naast elkander:
a.
Ik heb dat niet gedaan, het en heeft mij berouwd.
b.
Ik heb dat niet gedaan, of het en heeft mij berouwd.
En mede: a' Het leed niet lang, de bende en bevond zich vlak achter hen. Nu
redeneerde men
a:a' = b:x
en daarin was x natuurlijk: Het leed niet lang, of de bende en bevond zich vlak achter
hen. Men vergat daarbij echter, dat ook hier a en a' wel punten van overeenkomst
hadden, maar daarom nog niet identisch waren. De punten van overeenkomst
bestonden hierin, dat men in beide gevallen te doen had met twee volzinnen, die
te zamen ééne gedachte vormden, doch niet door een voegwoord waren verbonden,
terwijl de eerste ontkennend was en de tweede het woordje en bevatte. Maar men
zag het groote verschil in den aard der betrekking tusschen beide leden over het
hoofd: die tusschen de deelen van a kon doen denken aan een
Taal en Letteren. Jaargang 2
89
alternatief; die tusschen de deelen van a' niet. Terwijl dus de bestanddeelen van a
zeer goed door of konden vereenigd worden, geschiedde dit bij die van a' geheel
ten onrechte. Eéne zaak bovendien moet men hierbij niet uit het oog verliezen. De
aanhechting der s aan bijwoorden als dikwijls, vanouds, enz. kon eerst plaats hebben,
toen men het oorspronkelijk karakter der genitief-s in daags, straks, enz. niet meer
begreep. Zoo zal ook de tusschenvoeging van of in het voorbeeld a' wel vooral
daardoor mogelijk geworden zijn, dat men de t e g e n s t e l l e n d e beteekenis van
dit voegwoord in dergelijke zinnen niet levendig gevoelde en het woord of dus
eenvoudig opvatte als een grammatisch hulpmiddel, om het verband tusschen een'
ontkennenden voorzin en een' nazin met en aan te geven.
Gelijk men nu met de volzinnen der vierde groep handelde, deed men ook met
e
die der overige groepen, totdat men in de 17 eeuw het bijwoord en algemeen als
1)
een noodeloos invoegsel ging beschouwen en het daarom eenvoudig liet vervallen.
Hiermede zouden wij ons betoog voor geëindigd kunnen houden, indien wij niet
nog wilden wijzen op twee punten, die kunnen dienen, om onze uiteenzetting te
steunen. Het eerste betreft de woordschikking van den nazin. Zooals wij boven
zagen, is deze nooit die van den afhankelijken zin geweest. Wanneer wij dus
aannamen, dat het woord of het onderschikkende voegwoord is, zouden wij nog de
vraag moeten beantwoorden, waarom dan die nazin nooit, gelijk anders altijd bij of
= indien geschiedde, met de afhankelijke woordschikking voorkomt. De
beantwoording dezer vraag zou zeker niet gemakkelijk vallen.
In de tweede plaats herinneren wij aan de voorbeelden, door prof. Van Helten
bijgebracht, van de gevallen, waarin ook het Hd. de oude ontkenning heeft vervangen
door het nevenschikkende oder en niet door het voorwaardelijke ob: Da kommt
keiner hinein, oder en muss rein von allen sünden sein. Der ast ist nicht so hoch,
oder ich kann dabei. Es fehlte nicht viel, oder er wäre im wasser gefallen. Ich weiss
nicht besser,
1)
Bijzondere opmerking verdienen de zinnen, wier eerste lid niet zoodra, zoohaast, zooras
bevat: Niet zoodra waren wij de deur uit, of het begon te stortregenen. Deze zinnen zijn
klaarblijkelijk ontstaan, doordat men te gelijkertijd dacht aan twee wijzen van zeggen: Zoodra
wij de deur uit waren, begon het, enz. en Niet lang waren wij de deur uit, of enz Wij hebben
hier in den grond met hetzelfde verschijnsel te doen, dat wij op pag. 3 hebben besproken.
Een eenvoudig, maar sprekend voorbeeld van dergelijke combinaties ontmoetten wij dezer
dagen in een der dagbladen, waarin gesproken werd van iemand, die van kant gebracht was,
eene onbewuste verbinding van de uitdrukkingen: van kant maken en om het leven brengen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
90
1)
oder er ist aus der stadt. Ook hier is men stellig van volzinnen als de beide eerste
uitgegaan, om ten slotte het voegwoord oder ook te gebruiken in volzinnen als de
beide laatste, waar het, uit het oogpunt der logica beschouwd, geen behoorlijken
zin oplevert.
De belangstellende lezer, die dit opstel tot hiertoe gevolgd heeft, zal, wanneer hij
tevens belast is met het onderwijs in de hedendaagsche grammatica, nu allicht
vragen, of de bedoelde zinnen met of dan ook niet behandeld moeten worden bij
de nevenschikkende zinsverbinding. Wij zouden op die vraag zoowel ontkennend
als bevestigend kunnen antwoorden. Alles hangt hier af van het standpunt, waarop
men zich bij de behandeling der leer van den zin plaatst. Gaat men daarbij uit van
het beginsel, dat de vorm van een' zin de beslissende factor is bij de benoeming
daarvan, dan zal men de bedoelde volzinnen beschouwen als nevengeschikte
zinnen en ze een plaatsje geven in het hoofdstuk, aan de beschouwing dezer zinnen
gewijd. Is men daarentegen van meening, dat het de voorkeur verdient, de zinnen
te rangschikken naar den dienst, welken zij verrichten, vraagt men dus in de eerste
plaats naar de logische betrekking, dan zal men ze liever behandelen bij de
onderschikkende zinsverbinding.
In het eerste geval zal men dan voor de moeilijkheid staan, dat het uitsluitende
voegwoord of alleen bij de drie eerste groepen meer of minder op zijne plaats is,
doch dat de betrekking der beide deelen in de overige groepen door het gebruik
van dit voegwoord volstrekt niet opgehelderd, maar eerder verduisterd wordt. Wil
men dan den aard der betrekking toch in het licht stellen, dan zal men genoodzaakt
zijn, reeds een voorloopig uitstapje te maken op het gebied der onderschikkende
zinsverbinding.
Doch ook wanneer men de bedoelde volzinnen bij de onderschikkende
zinsverbinding behandelt, zal men op zwarigheden stuiten. Men zal toch ten einde
de logische betrekking tusschen de beide leden in de hedendaagsche taal duidelijk
te maken bij de groepen 1, 2, 3, 4 de hulp moeten inroepen van de vroegere
ontkenning. Bij de groepen 5, 6, 7 daarentegen zou de invoeging van het ontkennend
bijwoord de juiste opvatting der bedoeling van den zin slechts schaden, indien men
althans bij 5 en 6 niet tevens weer zijne toevlucht wilde nemen tot het voorwaardelijke
indien. Men kan er dan op wijzen, dat deze volzinnen wel alle den vorm hebben van
twee nevengeschikte zinnen, door het
1)
Vondels taal II, p. 161.
Taal en Letteren. Jaargang 2
91
tegenstellend of verbonden, doch dat dit voegwoord bij de tegenwoordige sprekers
in dergelijke zinnen eigenlijk nergens precies in zijne gewone beteekenis wordt
opgevat; dat het niets meer is dan een verbindingsmiddel, dienende om de zinnen
met elkander in betrekking te brengen, zonder den aard dier betrekking duidelijk
aan te geven. Wil men echter eenig denkbeeld geven van het verband tusschen
beide deelen, dan kan men, naast het tweede deel een' bijzin van denzelfden inhoud
plaatsen, voor de eerste 4 groepen met, voor de laatste 3 zonder ontkenning, ten
einde daarmede dat tweede lid te vergelijken. Zoodoende verkrijgt men:
1.
Er is geen mensch, die niet moet sterven.
2.
Ik heb dat nooit gedaan, terwijl het mij niet berouwd heeft.
3.
Niemand is zoo wijs, dat hij niet nog iets kan leeren.
4.
Het duurde niet lang, terwijl het niet begon te regenen.
5.
Er scheelde niet veel aan, dat hij gekozen was.
6.
Het kon niet anders, dan dat dit bericht mij moest verbazen.
7.
Ik twijfel er niet aan, dat hij wel zal terugkomen.
Die vergelijking geeft den leerling, die nog niet met de geschiedenis dezer
volzinnen kan beziggehouden worden, althans eenig inzicht in den a a r d der
betrekking, die tusschen beide deelen bestaat.
Acht men een dergelijk naast-elkander-zetten van volzinnen met ongeveer gelijke
beteekenis niet gewenscht, dan onthoude men zich geheel van de vermelding dezer
zinnen met of, totdat de leerling ver genoeg gevorderd is, om ze te kunnen
beschouwen in het licht van de geschiedenis onzer taal.
T.T.
Sprokkel.
Een wassen neus.
Hoe men er toe gekomen is, de uitdrukking ‘'t is maar een wassen neus’ te gebruiken
in de beteekenis: ‘men kan dat draaien zooals men 't hebben wil’, is op te maken
uit de volgende plaats uit Marnix' Bijen corf: ‘Hier mede maeckt sy van de Schrift
een Weerhaen, die met alle winden omwayet, ende een Wassen Neuse, die aen
alle kanten buygen kan.’ (Uitg. z.j. te Amst. by M. de Groot en J. Conijnenbergh,
blz. 55 v.).
R.A.K.
Taal en Letteren. Jaargang 2
92
Opmerkingen over de Nederlandsche klankleer in boeken, die voor
het onderwijs bestemd zijn.
Bij het inzien der spraakkunsten, die nu ten tijde aan verschillende inrichtingen van
onderwijs, o.a. aan de meeste gymnasia in gebruik zijn, valt het terstond in het oog,
dat de plaats, die aan de klankleer ingeruimd wordt, steeds kleiner wordt, terwijl
andere onderdeelen der spraakkunst, en wel voornamelijk de leer van den zin,
telkens meer op den voorgrond treden. Niet alleen neemt deze laatste meer ruimte
in dan vroeger, ook is men begonnen ze in letterlijken zin de eerste plaats in het
leerboek te geven, daarbij uitgaande van de overweging, dat het de zin is, waarin
de wordende mensch het eerst woorden leert kennen, en dat het het woord is,
waarin hij het eerst met klanken kennis maakt. Daar een enkelvoudige klank eene
abstractie is uit de taal, die iemand spreekt, lang voor hij eenige voorstelling van
een klank heeft - aldus redeneert men - moet de jeugd ook kennis gemaakt hebben,
niet slechts met den zin en zijne deelen, maar ook met de woorden en hunne buiging,
alvorens met vrucht een onderwijs te kunnen genieten, waarbij haar de klanken op
zich zelf als iets belangrijks worden voorgesteld. Het moet erkend worden, dat deze
redeneering, ofschoon zich wel een en ander tegen haar in laat brengen, rekening
houdt met den natuurlijken ontwikkelingsgang der leerlingen. Toch is de vraag
dikwijls gedaan, en naar ik meen terecht, of het overbrengen van het zwaartepunt
van het onderwijs in de spraakkunst naar de leer van den zin niet al te dikwijls tot
subtiliteiten leidt, erger dan die, waarmee de klankleer de jeugdige hoofden ooit
geplaagd heeft.
Doch deze zaak laat zich van verschillende kanten bezien. Hierover echter zal
wel ieder het eens wezen, dat het wenschelijk is, dat, zoolang de klankleer nog
onderwezen wordt, de voorstelling, die aan onze kinderen van de Nederlandsche
klanken en hunne onderlinge verhouding wordt bijgebracht, zooveel mogelijk juist
en duidelijk zijn. Het is er verre vandaan, dat dit het geval zou zijn. Het groote
gewicht, dat aan andere deelen der spraakkunst gehecht wordt, was althans in dit
opzicht noodlottig; bij de groote veranderingen, welke de leerboeken in de laatste
jaren ondergingen, is het droevig, op te merken, hoe weinig de meer nauwkeurige
kennis der klanken,
Taal en Letteren. Jaargang 2
93
welke zulk een eigenaardig kenmerk der hedendaagsche taalwetenschap is, aan
de school ten goede is gekomen. Het is hierop, dat ik thans de aandacht wensch
te vestigen, in de hoop dat deze bijdragen door een toekomstigen schrijver van
eene Nederlandsche spraakkunst in overweging mogen worden genomen. Het is
geenszins mijne bedoeling, een volledig overzicht te geven van a l wat mij toeschijnt,
in dit opzicht verbetering te behoeven; enkele grepen mogen voorloopig voldoende
zijn, om, zoo mogelijk, den lezer te overtuigen, dat hier werkelijk herziening noodig
is. Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik bij het samenstellen van deze opmerkingen
geen bepaald boek op het oog heb; verschillende spraakkunsten heb ik gebruikt,
maar trachtte daarbij zooveel mogelijk te letten op dat, wat zij alle of althans het
meerendeel hunner gemeen hebben, en niet te blijven stilstaan bij toevallige fouten
in een enkel boek. Waar ik een werk citeer, geschiedt dit niet, om in 't bijzonder juist
dáárop de aandacht te vestigen, maar omdat soms eene opmerking, die slechts in
één werk voorkomt, karakteristiek is voor de soort.
Verdeeling der medeklinkers.
Bijna in geen onderdeel der klankleer vinden wij zóó verwarde mededeelingen als
hier. Gewoonlijk begint men met de gebruikelijke verdeeling naar de spraakorganen,
waarmee de medeklinkers gevormd worden, dus in keelletters, tong- of tandletters,
lipletters. Dat het Nederlandsch palatalen zou kunnen bezitten, wordt niet mogelijk
geacht. Intusschen kan het met het oog op het onderwijs raadzaam zijn, deze voorbij
te gaan, ofschoon men er daardoor toe komt, den leerling de j beurtelings als
keelletter en als tandletter voor te stellen, en klanken als die, welke door tj
voorgesteld wordt, niet te noemen, wat trouwens niemand inviel, daar men nog
steeds tj rustig voor twee klanken aanziet, zeker omdat er twee teekens noodig zijn,
om dien klank aan te duiden. De h, zoo leeren verschillende spraakkunsten, behoort
tot geene der bovenstaande groepen; zij wordt dus noch met de lippen, noch met
tong of tanden, noch met de keel uitgesproken. Zonder deze spraakwerktuigen
echter kan men geen klank uitspreken. Toch kan ieder h zeggen. Hoe is dat te
1)
verklaren? Non liquet .
1)
In prof. van Helten's ‘kleiue nederlandsche spraakkunst’ wordt § 13 de opmerking gemaakt,
dat de h eene s t e r k e a a n b l a z i n g is zouder meer en als zoodanig buiten alle andere
medeklinkers staat. Het is echter duidelijk, dat ook iemand, die wenscht a a n t e b l a z e n ,
daartoe gebruik dient te maken van zijne spraakwerktuigen. Wie over een kopje thee blaast,
gebruikt daartoe zijne lippen; ware de h eene dergelijke aanblazing, dan was zij een lipletter.
Men kan echter ook anders aanblazen, en wie zich zelf bij het uitspreken eener h waarneemt,
zal weldra bevinden, dat deze verstooten letter een keelklank is, en wel een spirant. Dat het
schema reeds van twee gutturale spiranten voorzien is (ch, g), is toch geen reden, om de h
de plaats, die haar eerlijk toekomt, te weigeren. Hoe zou het schema zich moeten behelpen,
indien het Nederlandsch nog eens weer een klank rijk wierd, die overeenkwam met de
Engelsche th? Zou deze geen tandletter meer mogen wezen, omdat de plaatsen der dentale
spiranten reeds aan s en z vergeven zijn?
Taal en Letteren. Jaargang 2
94
De r is tongletter. Het ware wenschelijk hierbij op te merken, dat de r zeker voor de
helft der Nederlanders een keelletter is.
Op de verdeeling naar de spraakwerktuigen volgt gewoonlijk eene verdeeling
naar de wijze, waarop de medeklinkers door die verschillende spraakwerktuigen
gevormd worden. Daar dit door keel, tong en lippen op tot op zekere hoogte
overeenkomstige wijze geschiedt, verkrijgen wij een soort systeem, waarin een
groot deel van ons alphabet vrij regelmatig past. Maar er zijn moeilijkheden. Vooreerst
komt er eene groep letters, welke v a s t e genoemd worden; de reden is niet duidelijk,
tenzij dan, dat vast in tegenstelling met ‘vloeiend’ gebruikt wordt, een uit de Grieksche
spraakkunst overgenomen naam voor eene andere groep medeklinkers.
De vaste letters nu verdeelt men zeer duidelijk in ontploffings- en
schuringsgeluiden, (zoo bv. bij Cosijn), eene benaming, die op de vorming dezer
geluiden berust en daarom niet door sommige jongere schrijvers had moeten
verwaarloosd worden; de ontploffings- en schuringsgeluiden verdeelt men weer in
scherpe en zachte. Regelmatig zou men dus in de rij der keel-, tong- en lipletters
telkens vier vaste letters verkrijgen. Maar de natuur spot met alle systemen. Vooreerst
dringt zij ons, zooals wij zagen, eene h op, die niet in 't systeem past. Verder schijnt
zij ons, naar de boeken te oordeelen, te onthouden, wat ons toekomt. Eenige der
vereischte vaste letters nl. ontbreken. Ditmaal echter heeft, zooals wij zien zullen,
niet de natuur, maar de grammatica de schuld. Vooreerst ontbreekt - in het schema
altijd - het zachte ontploffingsgeluid der keelklanken. Eene onduidelijke toespeling
op het bestaan van zulk een klank vind ik alleen in Cosijn's beknopte spraakkunst,
1)
waar § 37 gesproken wordt van de g in b a k b o o r d . In bakboord nu staat geen
g, daarentegen wèl de hierbedoelde klank, die echter door het teeken k wordt
aangeduid. Ik zou voorstellen dezen klank, waar 't noodig is - bv. in een tabel - weer
te geven door g, met verwijzing naar eene noot, welke ongeveer het volgende
inhoudt: g duidt hier den klank aan, die overeenkomt met de Fransche g vóór a, o,
u. Hij staat in 't Nederlandsch uitsluitend voor een zacht ontploffingsgeluid (b, d), is
uit k ontstaan en wordt zonder uitzondering door het teeken k weergegeven.
Voorbeeld: bakboord, zakdoek.
In de rij der tongletters ontbreken in de meeste spraakkunsten de
schuringsgeluiden. Bij Cosyn (Ned. Spr. § 63) en Van Helten (Kl. Ned. Spr. § 13)
worden als zoodanig s en z genoemd, een voorbeeld, dat navolging verdiend had.
Want al zijn s en z etymologisch geheel andere klanken dan
1)
Te Winkel's opmerking in Cosijn's spraakkunst, § 63, dat de g in ng een zacht ontploffingsgeluid
is, is zeker een lapsus calami; immers wordt g in ng in 't geheel niet uitgesproken. Over ng
zie hier beneden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
95
die, welke men in den regel dentale spiranten noemt, is het toch niet minder waar,
dat s en z spiranten zijn en dentalen; daar nu de spiranten th en δ in 't Nederlandsch
niet bestaan, en er dus geene verwarring met deze mogelijk is, is het het
eenvoudigste, in boeken, die voor 't onderwijs bestemd zijn, aan de s en z, zonder
er zelfs een woord over hunne geschiedenis bij te voegen, eenvoudig in de rij der
dentalen de plaats aan te wijzen, die f en v onder de labialen, ch en g onder de
gutturalen innemen.
In navolging der Grieksche grammatica noemt men daarop de l, m, n, r vloeiende
letters. Dat m en n als neusklanken nader bij elkander dan bij de overige behooren,
wordt ook hier en daar geleerd, zelfs noemen verschillende spraakkunsten ng als
derden neusklank. Daar nu het samengestelde teeken ng een klank aanduidt, die
ook anders kan worden geschreven, is het weer raadzaam, in eene tabel een enkel
teeken, b.v. n, in de plaats te gebruiken, dat dezen klank in elken stand kan
aanduiden, en er bij aan te teekenen, wat met uitzondering van eene korte opmerking
in van Helten's Kl. Spr. in alle leerboeken verzuimd is, dat de gutturale nasaal n in
't Nederlandsch òf als ng òf eenvoudig als n wordt geschreven, het laatste alleen
vóór k. Om dit duidelijk te maken, wijze de leeraar op soortgelijke eigenaardigheden
in andere talen, b.v. in het Fransch. Evenals men daar achter eene g, welke vóór
een helderen klinker staande, toch als g moet worden uitgesproken, eene u plaatst,
maar deze als overbodig weglaat, zoodra er een donkere vocaal volgt, zoo plaatst
men in 't Nederlandsch achter de n, die n beteekent, eene g, om aan te duiden, dat
de voorafgaande neusklank gutturaal, niet dentaal is, maar laat deze g, die overigens
geene beteekenis heeft, weg, zoodra de n voor een anderen keelklank komt te
staan.
Dat men overigens m en n oudergewoonte als tot de vloeiende letters behoorende
blijft opgeven, komt mij op zich zelf vrij onschadelijk voor, mits men er maar bij
bedenke, dat de benaming ‘vloeiende letters’ slechts een woord is, en mits men
voortaan dan ook n onder de vloeiende letters opneme.
Met de halfklinkers j en w sluit gewoonlijk het overzicht. Over j is reeds gesproken.
Slechts moet ik hier protesteeren tegen Te Winkel's meening, die (Cosijn § 60) de
w en j onder de ontploffingsgeluiden noemt. Verder ware het gewenscht, bij 't
vermelden der benaming ‘halfklinkers’ op de verwantschap met i en ŭ (oe) te wijzen.
Verscherping van medeklinkers.
a. B e g i n l e t t e r s . Naast vonkelen met den bijvorm fonkelen wordt het woord
z a m e n opgegeven, dat in sommige gevallen tot s a m e n wordt, en wel, wanneer
het uit te zamen ontstaan is. Deze verscherping wordt in de spraakkunst te zeer als
een op zich zelf staand verschijnsel beschouwd. Men wijze er op, dat het
Nederlandsch minstens tweeërlei s bezit, brenge dit woord onder ééne rubriek met
een deel van het groot aantal uitzonderingen op den regel
Taal en Letteren. Jaargang 2
96
voor de verzachting van s, na aan dien regel de noodige uitbreiding gegeven te
hebben, bestaande in de opmerking, dat in echt Nederlandsche woorden de s aan
't begin van een woord vóór een klinker of tweeklank verzacht wordt. Zooals reeds
aangeduid werd, zijn een aantal uitzonderingen met het woord s a m e n tot den
volgenden regel te herleiden: de s, die uit ts ontstaan is, wordt nooit verzacht, b.v.
kruise uit kruutse (vgl. lat. cruc-em), kansel (vgl. lat. cancelli), spiesen (vgl. hd.
spitze), sa uit tsa, samen uit tsamen voor te samen. Men wijze er verder op, dat ook
de meeste andere zoogenaamde uitzonderingen òf vreemde woorden zijn, wier s,
indien zij al dan niet als ts klonk, toch oorspronkelijk eene uitspraak had, veel
scherper dan die der echt Nederl. s, welke met z wisselt, òf dat zij, indien het Nederl.
woorden zijn, een s hebben die uit de verbinding van meer dan één scherpe
consonant, b.v. sk of ks ontstaan is, b.v. deesem, wassen, bruisen. Zelfs zou het
niet moeilijk wezen, al deze woorden onder één regel te brengen. Door zóó te
handelen, zal men heel wat minder van het geheugen der leerlingen vorderen, en
hen tevens beter doen inzien, dat de eigenaardigheden eener taal geene
1)
willekeurigheden zijn .
b. T u s s c h e n l e t t e r s . ‘V, z, ng worden voor den uitgang lijk verscherpt; ng
bovendien in sommige gevallen voor den uitgang je en in enkele samengestelde
woorden.’ Wij hebben hier boven gezien, dat ng ook volgens de opvatting der
schoolgrammatica een neusklank is. Daar nu een onderscheid tusschen scherpe
en zachte medeklinkers alleen bij de ‘vaste’ letters gemaakt wordt, kunnen de
neusklanken, die tot de vloeiende letters behooren, evenmin verscherpt als verzacht
worden. Wat echter gebeurt? ng wordt tot nk. Daar de scherpe medeklinker, die
aan de zachte g, althans indien deze als g wordt uitgesproken, beantwoordt, k luidt,
zou iemand, die alleen op de schrijfwijze lette en van uitspraak geen voorstelling
had, kunnen denken, dat nk werkelijk eene verscherpte ng was. Dit is de eenige
reden van de fout, die alle spraakkunsten elkander naschrijven. Uit een oogpunt
van uitspraak beschouwd, is de verandering van ng in nk niets anders dan de
toevoeging van een k, welke ten gevolge heeft, dat in de spelling de g als overbodig
wordt weggelaten (zie boven bl. 94). Dat ng vroeger in vele gevallen eene andere
uitspraak had, verandert hieraan niets; hoogstens zou daaruit volgen, dat bij de
behandeling van een vroeger tijdperk onzer taal van verscherping van ng zou kunnen
gesproken worden. De overgang van ng tot n k is trouwens geen op zich zelf staand
verschijnsel; het zou niet van belang ontbloot zijn, bij de behandeling hiervan op te
merken, dat iets analoogs met alle nasalen gebeurt. Immers, gelijk voor den uitgang
1)
Verder gevorderde leerlingen kan men, indien men dat noodig oordeelt, er opmerkzaam op
maken, dat de s van samen en die van woorden als kruis chronologisch niet met elkaar
overeenstemmen, daar de eerste in betrekkelijk laten tijd uit z ontstond. Van veel grooter
belang echter is het, dat zij den samenhang opmerken van verschijnselen als de
bovengenoemde.
Taal en Letteren. Jaargang 2
97
je na den gutturalen neusklank een gutturaal ontploffingsgeluid wordt ingelascht,
zóó na een dentalen neusklank een dentaal ontploffingsgeluid, na den labialen
neusklank een labiaal ontploffingsgeluid; m.a.w. koning staat tot koninkje in dezelfde
verhouding als Jan tot Jantje, bloem tot bloempje. Evenzoo kan men met woorden
als koninklijk vergelijken ordentelijk en de uitspraak wezentlijk voor wezenlijk. De
genoemde verandering van ng behoort dus in de hedendaagsche spraakkunst niet
genoemd te worden onder de gevallen van verscherping maar onder die van
inlassching van medeklinkers.
c. S l o t m e d e k l i n k e r s . De gewone formule: ‘men bezigt alleen scherpe
sluitletters’ of ‘onbuigbare woorden worden met een scherpen slotmedeklinker
geschreven’ ziet de in dezelfde boeken, waar zij voorkomt, gemaakte verdeeling
der medeklinkers voorbij. Immers worden, zooals reeds is opgemerkt, alleen de
zoogenaamde vaste letters in scherpe en zachte onderscheiden; de regel zou dus
inhouden, dat geen woord op een vloeiende letter of w kan uitgaan. De formule
moet derhalve luiden: ‘Men bezigt in 't Nederlandsch geene zachte slotmedeklinkers’
uitgezonderd in de gevallen, die dan genoemd worden) of: ‘zachte medeklinkers
worden aan het einde van een woord verscherpt.’
De ch als stomme medeklinker in de verbinding sch.
De meeste spraakkunsten verzuimen op te merken, dat wij hier met eene
etymologische spelling te doen hebben, tot wier verdediging men zich alleen op het
gebruik beroepen kan. Die spraakkunsten, welke mededeelen, dat sch uit sk ontstaan
is, geven toch niet nauwkeurig op, in welke gevallen sch in de uitspraak tot s werd.
De regel zou als volgt kunnen worden geformuleerd: ‘De verbinding sch behield
hare uitspraak aan 't begin van eene lettergreep, op welke de klemtoon valt,
uitgezonderd voor r; in alle andere gevallen is zij tot s geworden. Op weinige
uitzonderingen na schrijft men met het oog op de afleiding sch.
Het samengestelde letterteeken ch.
In sommige zeer gebruikelijke spraakkunsten lees ik, dat de ch zoo geschreven
wordt omdat zij voorheen werd uitgesproken als k + h. Deze opmerking zou ik
voorstellen, in eene volgende uitgave achterwege te laten. Het document moet nog
gevonden worden, waarin woorden voorkomen als makht, of die zóó moeten worden
uitgesproken. Heeft de schrijver gedacht aan de Hoogduitsche ch, die inderdaad in
vele gevallen langs kh uit k ontstaan is? Of heeft hij de spelling van het Nederlandsch
uit door hem vooronderstelde Indo-Germaansche toestanden willen verklaren? In
elk geval is de opmerking onjuist.
Taal en Letteren. Jaargang 2
98
Uitspraak der klinkers.
De meeste boeken leeren nog steeds: de klinkers hebben drieërlei uitspraak, t.w.
volkomen, onvolkomen, gerekt. Het wordt tijd, dat men in dit opzicht het in de laatste
uitgave van Cosijn's spraakkunst en in van Helten's kl. spr. gegeven voorbeeld
volge, welke slechts eene volkomene en eene onvolkomene uitspraak kennen,
terwijl de eerste verder leest: een klinker met volkomen uitspraak in een gesloten
lettergreep noemt men een gerekten klinker. In geen enkele spraakkunst is eene
poging gedaan, om het verschil in uitspraak tusschen een volkomen en een gerekten
klinker duidelijk te maken; alleen in Cosijn's beknopte spr. worden § 20 eenige
1)
opmerkingen gemaakt, die de duidelijkheid niet zeer bevorderen en dan ook in de
groote uitgave weer weggelaten zijn. Het is dus aan te bevelen, op te merken, dat
de benaming ‘gerekt’ geen bijzondere uitspraak maar slechts eene eigenaardige
plaatsing van den volkomen klinker aanduidt. Verder bezigt men liefst om verwarring
te voorkomen de woorden open en gesloten, om aan te duiden, wat men vroeger
volkomen en onvolkomen klinkers noemde; immers onder een volkomen klinker
verstaat men niet alleen een open maar ook een gerekten klinker.
Tweeklanken.
Welk beginsel onze grammatici gevolgd hebben bij het onderscheiden der
tweeklanken van enkelvoudige klinkers, is niet zeer duidelijk. Eene vrij juiste definitie
van een tweeklank vind ik, om mij tot de school-grammatica te bepalen, in de
spraakkunst van R.K. Kuipers (§ 24): ‘bij het uitspreken van een tweeklank gaan ze
(de spraakorganen) geleidelijk uit den eenen stand in den anderen over, zoodat
men, wanneer men ze langzaam uitspreekt, twee verschillende klanken kan
onderscheiden’. Andere boeken geven, hoewel niet altijd juist, op, uit welke
bestanddeelen de tweeklanken bestaan; hierover zijn zij het alle eens, dat bij 't
uitspreken van een tweeklank althans i e t s
1)
e
Bekn. Ned. spr., 6 dr., § 20: In gesloten lettergrepen is hunne (der klinkers) uitspraak òf
onvolkomen, òf gerekt (vaas, sier enz.), òf volkomen doch kort (tien, uw enz.). Een gerekte
klinker wordt hier dus opgevat als in d u u r , niet in k l a n k onderscheiden van een volkomen
klinker. De gewone opvatting, dat elke klinker in een gesloten lettergreep, die niet onvolkomen
is, gerekt heet, is echter zoo algemeen, dat zij ook hier verder gehuldigd wordt. Zoo wordt §
48 de i van den uitgang i s c h een gerekte i genoemd, ofschoon § 20 leert, dat de i a l l e e n
vóór r gerekt wordt uitgesproken. De andere spraakkunsten kennen het hier aangeduide
verschil in 't geheel niet, waardoor de vraag ontstaat, waarin zij dan wèl het onderscheid
tusschen een volkomen en een gerekten klinker zoeken; m.a.w.: indien men geen verschil
hoort tusschen de i van v i e r en die van P i e t - en m.i. heeft men het recht, dit in eene
school-grammatica te verwaarloozen - dan zal men toch zeker geen onderscheid kunnen
hooren tusschen de i van P i e t en die van d r i e , want deze is inderdaad dezelfde.
Taal en Letteren. Jaargang 2
99
moet gehoord worden, wat naar twee klanken zweemt. Dan worden ongeveer
eenstemmig als tweeklanken opgegeven: ai, ei, ij, ui, au, ou, aai, ooi, oei, aau, eeu,
ieuw. Alleen van Helten verwerpt § 7 de zoogenaamde lange of gerekte tweeklanken,
op grond dat zij niet anders zijn dan een volkomen klinker met een volgende als i
of u geschreven j of w. Hierbij valt vooreerst op te merken, dat dan ook ai geen
tweeklank is, daar ai slechts een onvolkomen klinker is, gevolgd door eene als i
geschreven j. De overblijvende tweeklanken zijn dan nog maar vijf in getal, t.w. ei,
ij, ui, au, ou. Nu is het merkwaardig, dat juist op deze vijf klanken de gegeven definitie
1)
volstrekt niet van toepassing is, want bij het uitspreken van eene ei, ij, ui, au ou is
het onmogelijk, bij zich zelf of bij een ander iets meer dan één enkelen klank op te
merken. Men neme er de proef van en houde de ei van zeide, de ij van lijf, de ui
van huis, de au van dauw, de ou van koud een paar minuten aan; bij het ophouden
2)
hoort men volkomen hetzelfde geluid als aan 't begin. Daarentegen trachte men
hetzelfde met ai te doen - men zal dan uitspreken òf a-a-a-a-j, òf a-j-j-j-j; op een
gegeven oogenblik hoort men geen a meer, daarentegen wel eene j. Moge men het
nu al wraken, ai een tweeklank te noemen, omdat de klanken waaruit ai bestaat te
duidelijk onderscheiden zijn, daardoor krijgt men geenszins het recht, de ui, wier
bestanddeelen alleen dáárom niet duidelijk onderscheiden zijn, omdat ui maar één
bestanddeel heeft, een tweeklank te noemen. Het is dan ook uitsluitend de
overlevering, die ons aan een naam doet hechten, die hier geen beteekenis heeft.
't Kan toch niet weer de schrijfwijze zijn, die tot deze ongelukkige opvatting geleid
heeft? - Doch de ei is uit een tweeklank ontstaan. - Goed, maar is zij er daarom
thans een? Ook de scherpe e en o, ja de oe zijn uit twee klanken ontstaan; waarom
rekent men ze er dan nu niet toe? Omgekeerd is de ui in vele gevallen uit een
enkelvoudigen klinker uu ontstaan, en wanneer zij haar oorsprong in een tweeklank
heeft, heeft ze de ie naast zich, welke uit denzelfden tweeklank ontstond. Nog eens,
waarom is dan ie geen tweeklank? - Ja, de e, i, o behooren nu eenmaal thuis in het
oude rijtje: a-e-i-o-u. - Eilieve, waarom is dan eu geen tweeklank? Zij wordt zelfs
met een samengesteld letterteeken geschreven. - Omdat men bij het uitspreken er
van
1)
2)
Ik zonder het veelbesproken woord ‘miau’ uit, dat men, volgens Cosijn, kl. spr. § 29, ook
‘miaau’ mag spellen, en dat, indien men àl zijn best doet om het kattengeluid zuiver na te
bootsen, ongeveer als ‘miâ-oê’ klinkt.
Daarmee is niet gezegd, dat de vorming van den klank, dien men als ei schrijft, niet meer
gecompliceerd is, dan die van sommige andere klanken. De physiologische vraag laten wij
hier in hoofdzaak rusten, en merken wat haar betreft alleen op, dat het eigenaardig kenmerk
van alle tweeklanken, de verandering van den stand der spraakorganen onder het uitspreken,
bij al deze klanken ontbreekt. B.
Met deze meening kan ik mij niet vereenigen: ik hoor twee klanken die in elkaar overgaan.
Ook hoor ik, als ik ai, ui, (öi), au enz. aanhoud, ten slotte een lang aangehouden i en u; de
holl. ie is éenklank geworden; dialectisch is ie nog tweeklankig = ie. B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
100
1)
slechts éénen klank verneemt - Dit is het eenige mogelijke antwoord. Maar dan
moeten ook ei, ij, ui, au, ou voortaan als enkelvoudige klinkers erkend worden.
Verbindingsklanken.
De tweeklanken op u, zoo heet het, worden door middel van eene w met eenen
volgenden klinker verbonden; de tweeklanken op i daarentegen zonder
overgangsletter. Het is noodig, hier op een in 't oog loopend verschil te wijzen.
Immers, wanneer op de tweeklanken aai, oei, ooi een klinker volgt, doet het teeken
i, evenals wanneer er geen klinker volgt, dienst als j, m.a.w., er wordt geen
overgangsletter gehoord en evenmin geschreven. Wanneer echter op ei of ij een
klinker volgt, wordt er in de uitspraak eene j ingelascht, welke niet geschreven wordt.
Men spreekt oo-j-evaar en schrijft oo-i-evaar; maar men spreekt ei-j-eren en schrijft
ei-eren. Deze aan ieder, die zijne ooren gebruikt, bekende omstandigheid dient in
de spraakkunsten te worden opgemerkt, opdat de leerling leere, onderscheid te
maken tusschen een klank en een teeken. Doet het boek dit niet - en menig leeraar
volgt helaas het voorbeeld van het boek - hoe zal dan een leerling er toe komen?
De eerste paragraven, die gewoonlijk meedeelen, dat het woord ‘letter’ twee zeer
uiteenloopende begrippen aanduidt, zijn dan te vergeefs geschreven.
Onder de voorbeelden van onbuigbare woorden op ou, welke geene w aannemen,
wordt in vele boeken h o u genoemd, met bijvoeging, dat dit woord uit h o u d ontstaan
is (NB.!) en genegen beteekent. Het wordt tijd, dat men deze fout, welke ook nog
in groote woordenboeken gevonden wordt, verbetere, en de juiste leer in de plaats
stelle, dat h o u uit h o u d e samengetrokken en een bijvorm van hulde, dus geen
bijv. naamw. is, vgl. hou en trouw zweren (M.N. Woordenboek III, 619a); het latere
‘hou en trouw zijn’ ontstond door verwarring met het bijv. nw. houd. Voor ik van de
klinkers afstap, moet ik nog opkomen tegen wat sommige spraakkunsten vertellen
omtrent de o van komen, welke uit we, en die van dwalen welke uit wo zou ontstaan
zijn. Deze mededeeling, welke in volkomen strijd is met de uitkomsten der
taalwetenschap, vervange men door de opmerking, dat enkele werkwoorden in den
tegenwoordigen tijd een klinker hebben, dien men zou verwachten, in
1)
Het is waar, dat, wanneer de klinkers ei, ij, ui, au, ou aan 't einde van een woord staan, men
soms daar achter iets hooren kan, dat naar een j of w zweemt. Dit verschijnsel, dat
m i s s c h i e n met den diphthongischen oorsprong van eenige dezer klinkers samenhangt,
is echter uit een standpunt van hedendaagsche grammatica te beoordeelen als
overeenkomende met de toevoeging van j of w na deze en andere klinkers, wanneer er een
klinker op volgt, waarover hier beneden gehandeld wordt. Van den anderen kant verdient het
opmerking, dat deze klinkers met de volgende j, w soms eene verbinding aangaan, die men
diphthongisch zou kunnen noemen, daar de grens tusschen den klinker en de j of w niet altijd
duidelijk waargenomen kan worden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
101
het verleden deelwoord te vinden. De verklaring van dit verschijnsel late men
achterwege; zij is werkelijk boven het bevattingsvermogen van leerlingen, die niet
alleen geene Oudgermaansche dialecten bestudeerd hebben, maar dikwijls de
woorden in questie niet eens in het Hoogduitsch kunnen vertalen.
Klemtoon.
De leer is: door den klemtoon worden de lettergrepen tot woorden verbonden.
Sommige boeken noemen zelfs den klemtoon den b a n d , die de verschillende
deelen des woords tot één geheel vereenigt. Duidelijk is deze voorstelling niet. Een
band is bevestigd o m datgene, wat het bijeenhoudt; de klemtoon echter is volgens
de definitie derzelfde leerboeken de nadruk, waarmee eene lettergreep wordt
uitgesproken. Hoe nu dat, wat geheel het eigendom van ééne lettergreep is, tevens
de band van een geheel woord kan zijn, begrijp ik niet.
De voorbeelden maken de zaak niet helderder. Indien de klemtoon de deelen van
een woord bijeenhield, dan zou het scheiden van deze deelen met een verlies aan
klemtoon gepaard gaan. Het omgekeerde zien wij gebeuren. Wij zeggen immers in
één woord: v r i j s p r e k e n , met den hoofdtoon op v r i j en slechts een bijtoon op
s p r e k e n ; daarentegen in twee woorden v r i j s p r é k e n met een hoofdtoon op
elk woord. Is het nu de toon op v r i j , die de drie lettergrepen van het woord
bijeenhoudt? In geenen deele. Want in vrij spréken heeft ‘vrij’ denzelfden toon. Wel
blijkt er samenhang te bestaan tusschen het verlies aan klemtoon, dat de lettergreep
-spre- ondergaat, en het verbinden van vrij en spreken tot één woord. Maar dezen
samenhang zal niemand zóó opvatten, alsof het verlies aan klemtoon de oorzaak
was van de verbinding; integendeel, de verbinding is het primaire en heeft een
verlies aan nadruk voor één der woorden ten gevolge.
Men neme twee of meer op elkander volgende woorden, waarvan het eerste met
eene toonlooze lettergreep eindigt, het tweede met eene toonlooze lettergreep
begint, b.v. v r i e n d e n b e s l o t e n . Ofschoon in beide woorden eene lettergreep
den hoofdtoon draagt, is het onmogelijk, hieraan te zien, waar het eerste woord
ophoudt, het tweede begint. Men bemerkt dit uitsluitend aan eene korte pause
tusschen beide woorden, welke echter dikwijls zóó kort is, dat niemand ze opmerkt;
in het laatste geval kan iemand, die geen Nederlandsch verstaat, ook niet
waarnemen, waar de scheiding tusschen het eerste en het tweede woord is; de
Nederlander weet het door gewoonte.
Ten slotte is de klemtoon ook in vroegere tijden niet een b a n d geweest. Het
behoeft hier toch niet herhaald te worden, dat het verschil in klemtoon in alle talen,
waar het niet tot eene conventie is geworden, zijn grond hierin heeft, dat sommige
deelen van een zin, resp. van een woord, den spreker belangrijker toeschijnen dan
andere; de belangrijkste deelen van een woord
Taal en Letteren. Jaargang 2
102
1)
zijn natuurlijk die, waarin de hoofdbeteekenis opgesloten ligt; van daar dat, zooals
bekend is, de hoofdtoon - want die is het toch welke bedoeld wordt, ofschoon de
paragraaf van den klemtoon in het algemeen spreekt - in 't Nederlandsch gelijk in
alle Germaansche talen op den stam valt. Wat er na het bovenstaande van den
band overblijft, dien de klemtoom om een woord slingert, is dit, dat toonlooze
lettergrepen zich in de uitspraak nauw bij eene nabijzijnde lettergreep met zwaarder
toon aansluiten. Dit doen zij echter niet alleen bij lettergrepen, die tot hetzelfde
woord behooren, maar, zooals de enclitische woorden bewijzen, ook bij andere
2)
woorden .
Het koppelteeken.
De tijden zijn nog niet geheel voorbij, waarin men leerde dat het k o p p e l -teeken
diende om te s c h e i d e n . Waartoe het wèl dient, schijnt nog niet duidelijk, ofschoon
de naam aangeeft, dat het verbindt. De regels laten zich onder dezen algemeenen
regel brengen: Het koppelteeken wordt gebruikt, om tusschen woorden of deelen
van een woord, welke, ofschoon zij aangeschreven behoorden te worden, om een
of andere reden van elkaar gescheiden zijn, eene verbinding tot stand te brengen.
Men merke dan op, dat in sommige gevallen de gewoonte bestaat, de leden van
een samengesteld woord gescheiden te schrijven en late daarop de regels volgen,
welke ten onrechte als regels voor het gebruik van het koppelteeken worden
opgegeven (Cosijn, Bekn. Spr., § 67, Terweij, Beginselen, § 322). Enkele regels,
die geen betrekking op samengestelde woorden hebben (ijzeren-spoorweg,
Engelsch-Russisch), vermelde men afzonderlijk. Daarbij vergete men niet, zooals
tot nog toe geschiedde, het geval te noemen, dat een woord wordt afgebroken, om
op eenen volgenden regel te worden voortgezet.
Leeuwarden, September 1891.
R.C. BOER.
1)
2)
Het is daarom ook onjuist, slechts tweeërlei klemtoon te onderscheiden, want de
veranderlijkheid van den klemtoon is eindeloos; het onderscheiden van hoofdtoon - bijtoon toonloosheid is al weer eene vrucht van de zucht om de natuur te systematiseeren.
In de jongste uitgave van Cosijn's Etymologie is werkelijk de b a n d verdwenen en wordt
eene behoorlijke definitie van den klemtoon gegeven. Daar echter de redenen dezer
verandering niet ontvouwd worden, en de jongere spraakkunsten nog steeds ouder gewoonte
aan den b a n d vasthouden, heb ik gemeend deze uiteenzetting niet achterwege te mogen
laten.
Taal en Letteren. Jaargang 2
103
Woordverklaringen.
Oom Kool.
Het geldersch hij is om kôl beantwoordt aan het hollandsch hij is er om koud.
Ongetwijfeld stelt zich daarbij een gelderschman als grondtype van die uitdrukking
een persoon voor, die uitgegaan is om kool te halen, en niet terugkeert, evenals
men om zeep gaat, en niet weer thuis komt. Eigenlijk beteekent de uitdrukking: ‘hij
1)
ligt (er) over den kop’, waaruit die van ‘is omgekomen’ makkelijk te verklaren is .
‘Zou dit geldersche “om-kool” niet de naaste aanleiding geweest zijn tot het gewone
zeggen Oom Kool in de gemeenzame spreektaal? Wanneer iemand op straat
onverhoeds struikelt en valt, dan hoort men wel eens spottend aanmerken: daar ligt
Oom Kool’.
2)
Blijkens oudere plaatsen beteekent de uitdrukking: iemand die verlegen of
beteuterd is: ‘omdat, wie valt en op den grond terecht komt, zoodat hij niet kan
opstaan, die maakt een mal figuur, zit in deerlijke verlegenheid’. Dit laatste zou de
jongere beteekenis zijn; de gang van zaken was aldus: men zei wel: ‘daar ligje
omkool (= over den kop)’; dit werd, toen men de beide laatste woorden niet meer
en
begreep: daar ligje, Oom Kool; waaruit weder in den 3 persoon: daar ligt Oom
Kool, ontstond.
Dr. W. Bisschop bracht hiertegen in, dat de door hem mee te deelen
1)
2)
Zij is uit de noordsche talen overgenomen: deensch: ‘den er omkuld’ = die ligt omver. In
Drente: hij is omkoud; in Noord-Friesland: hî is am kôl.
DE VRIES, Taal en Letterbode I, 48.
‘Wel, dat zou een kostelijke liefde zijn, zou het niet? als wij dus gelegenheid gaven, om een
deugniet van kwaad tot erger te doen overgaan; in plaats van hem Holla hei! jy daar! toe te
roepen, en zo hij den dooven uithing, zo ouderwets bij zijne lurven te pakken, dat Oomkool
wel begreep hoe weinig het zijn zaak bleef, dus den beest te spelen’,
ABRAHAM BLANKAART I, 160.
‘De hemel sta mij bij! ‖ Een ampt, mijn vader, hoe! en waar een ampt voor mij?’ ‖ - ‘Het mijne,
ik ga reeds af.’ - Daar zat oom Kool te kijken. ‖ ‘Een ampt! en zulk een ampt! dat zou mij
slecht gelijken!’
BILDERDIJK XII, 138.
‘Maar och lacy! de koe wilde niet voort. Als Tondalus stond of ging, dan viel de koe, en als
de koe stond, dan lag 'er Oom kool toe’.
TUINMAN, Spreekw. I, 153.
Taal en Letteren. Jaargang 2
104
1)
citaten bewezen hoe de opvatting ‘die een mal figuur maakt door te vallen’, niet
de oudste beteekenis was van: Oom Kool, dat deze dus geen Geldersch kind zou
zijn, en met ‘om koud’, ‘om kuld’, ‘am kôl’ niet te maken had. Mocht hij een gissing
vragen, hoe die beteekenis, welke tegenwoordig zeer zeker de algemeen gebruikte
2)
is, ontstaan zij; dan zoekt hij ze bij J. VAN BREEN, Klucht van de bedroge jalousy .
Hoogstwaarschijnlijk ligt aan dit verhaal, waarvan ook in verscheidene straatdeuntjes
melding gemaakt wordt, een of ander bekend voorval ten grondslag. In elk geval
heeft het stuk van DE BREEN
1)
In Taal en Letterbode I, 165. Men wijf het sulcke vervaerlijcke hempjes, jij soutse deur een
ringetje trecken, ‖ Mit ien kleurde paerse spriet, die wy ast pasepronck is, decken. ‖ Ja wy
hebben so reynen huysraetje, trots ymet in de buurt. ‖ In as me wijf heur vaten, en heur
tinne-werck schuurt, ‖ Je gruwt dat gyt siet, so besuckt tentig en klaer isse, ‖ Dat de pispot
niet gheloocht en was, sy en souw niet kunnen pissen. ‖ Miestendeel leyt sy en schuyrt, en
wrijft, en wast, en plast, en boent, ‖ O 't macher schier niet beuren, dat sy men een reys soent.
‖Maer daerom raeckt mijn oom-kool oock altemets op rollen, ‖ En treckt altemets op met lichte
koyen, of mit snollen, ‖ Tot dat sy hum kumt halen, en dat sy de witten uytwrijft, ‖ Wat vraeght
hyer na, of sy wat onbenierlijck kijft. BREDERODE, Griane.
Laet ons gaen, mijn goelyck diertje, ‖ Om een lecker Dellifs-biertje, ‖ Mom dat prijstme boven
al. Swygh n o o m k o o l , hoe, benje mal?
VAN DER VENNE, Belacchende Werelt.
Hoe heet die Haarlemmer, daar gy haar mee wilt trouwen? - Joachim Jolius ..... Ho, ho, ist
Jochem Jool, ‖ Die ouwe saggelaar, ik ken hem, die o o m k o o l .
Malle wedding of gierige Geeraard, 1727.
Wat zal ik zeggen, Piet, je bent een droge schol, ‖ 't Is veel geschreeuw met jouw, maar egter
luttel wol. ‖ Daar staje nou n o o m k o o l ! stak ik eens in die kleren, ‖ Je vat het niet, ik zou
jouw nog het vreyen leren.
De bedroge geldgierige koppelaars.
Hoe stond O o m K o o l en keek, ‖ Als hij door 't bloeden schier bezweek.
Vermakelijke klucht van een die zijn eigen kwalijk behandelt heeft.
(Straatdeuntje in ‘Het vrolijk zingende melk-meisje’).
Awaer Oudsje! Daer is nou de heele voddeboel. Krelis struunt alles of, om 't papier weer to
krijjen; maer o m k o o l begrijpt niet, dat dit jodekum nou oefte voor Gels is ....
Bijdrage tot den Bildtschen tongval (Friesland), in DE JAGER, Archief IV, 62.
2)
De quandt
Hem navolgende vint in 't veurhuys dees nuwe schoenen leggen,
Hy wondse in sijn schorteldoeckje, en brochtse sijn baes weer, onse noomkool had niet te
seggen
Maer keeck as piet-snot.
M. WALTES, Klucht van Bol-Backers-Jan (1660), blz. 4.
Een vrouw die ging haar zin op vreemde vrijers stellen, ‖ De man kreegt in de neus, hij om
dees groote schand ‖ Te bannen uit zijn huis, verstak hem in een mand. ‖ Die op de bedstee
stond. De pol die kwam daar weder ‖ O o m k o o l keek uit de korf, maar viel van boven
neder, ‖ Mits hij te topzwaar was, van al 't getaakte goed, ‖ Daar lag hij als Piet Snot met
neus en beck aan bloed, ‖ Zijn jager die ging deur...
J. VAN BREEN, Klucht van de bedroge Jalousy (bl. 8).
Taal en Letteren. Jaargang 2
105
veel opgang gemaakt en is de uitdrukking ‘Daar ligt Oom Kool’ voor zoover Dr.
Bisschop bekend is, eerst na dien tijd in gebruik gekomen.
Dit laatste aangenomen, waarom heet de man: Oom Kool? Of was dit de naam
van den persoon, wien in het bekende voorval het ongeval overkwam?
Ik gis het volgende. In Friesland kent men evenzeer de uitdrukking: der leit
óm-koal. Maar ook, en gewoonlijk: der leit koäl-om. Dit kan een omzetting zijn,
gevormd toen men om- als ‘oom’ opvatte.
Maar een zeer gewoon woord is koälle, dat vrijwel met het hollandsche lobbes,
sok, sukkel overeenkomt. Met dit woord acht ik -om(-ke) (= oom) samengesteld,
welke soort samenstelling in Friesland zeer veelvuldig voorkomt. Om-koal is dus
hollandsche invloed; ouderen van dagen kennen deze niet.
1)
Koälle is friesch, waar 't holl. kool moet hebben .
En de ouder beteekenis in Oom kool stemt èn met die van koäl-om, èn met die
van koälle. Beide mag men dus houden voor vormen van een zelfde woord.
Wat de oorsprong echter van dit kool = koälle is, kan ik niet zeggen. Het hollandsch
kan aan het friesch het woord ontleend hebben; en dan kan de oudste vorm ook
een anderen klinker dan au of o gehad hebben. Meer voorbeelden dienen dus uit
de oudere en jongere dialecten van Nederland en ombuurt bijgebracht, voor in dezen
kan beslist.
B.H.
De vier eerste.
Onder bovenstaanden titel zijn in den Taalgids, dl. VI, blz. 221-224 en 306-308,
twee bijdragen opgenomen, de eene van den Heer J.A. van Dijk, de andere van
den Heer D. de Groot. Beide Heeren betoogen daarin, dat men niet ‘de eerste vier’
maar ‘de vier eerste’ behoort te schrijven, althans de eerste geeft er de voorkeur
aan, zonder nadere opgave van redenen. Daar nog steeds velen meenen, dat alleen
de eerste schrijfwijze logisch juist is, zou 't misschien op zichzelf al goed zijn, de
aandacht nog eens te vestigen op die beide artikelen, nu 28 jaar geleden verschenen.
Maar nog iets anders heeft mij tot schrijven bewogen. Ik wensch n.l. met een enkel
woord aan te toonen, dat ‘de eerste vier’ minder goed is dan ‘de vier eerste’.
De Heer de Groot toont aan (blz. 306), dat men b.v. ‘de eerste vier boeken’ moet
schrijven, als men een aantal boeken in groepen van vier verdeelt en deze groepen
vervolgens rangschikt; en dat men ‘de vier eerste huizen’ schrijft, wanneer men zich
eerst het vereenigd begrip heeft gevormd van ‘eerste (b.v. = aanzienlijkste) huizen’,
en dan door een hoofdtelwoord dat begrip nader bepaalt (blz. 307). Natuurlijk komt
dat hoofdtelwoord, in dit geval vier, vóór ‘eerste huizen’ te staan.
1)
Vgl. koolen: frie. koällen; boodschap: frie. boädskip; moorden: frie. moärdsje.
Taal en Letteren. Jaargang 2
106
‘Maar’, zal licht iemand zeggen, ‘als ik een aantal boeken heb, en ik rangschik ze
en neem die vier, die vooraan liggen, dan kan ik mij voorstellen, dat die boeken in
groepen van vier zijn verdeeld en dus spreken van ‘de eerste vier boeken’; of wel
ik denk eraan, dat ik vier boeken neem, die vooraan liggen, en dus zeg ik: ‘de vier
eerste boeken’. 't Hangt er dus maar van af, of men meer nadruk legt op het aantal
of op den voorrang der boeken; beide uitdrukkingen kunnen derhalve evengoed
gebruikt worden.
Zeer juist; maar wat bij een groot aantal boeken enz. geldt, gaat niet op, als ik
van vijf, zes of zeven spreek. Wanneer ik zeg: ‘het eerste boek, dat ik opnam, enz.’,
dan verwacht ik, dat 'k minstens nog één keer een boek zal opnemen. Spreek ik
van ‘de eerste boeken, die ik opnam’, dan verwacht ik (in den regel althans), dat ik
minstens nog eenmaal boek en zal opnemen. Als ik zeg: ‘het eerste tweetal boeken,
dat ik opnam, enz.’, dan verwacht ik eveneens minstens nog één tweetal te zullen
opnemen. Evenzoo verwacht ik, sprekende van ‘de eerste vier boeken, die ik opnam’,
dat ik althans nog ééns vier boeken zal opnemen. Wanneer ik dus vooruit weet, dat
ik niet meer dan vijf, zes of zeven boeken kan opnemen, dan is mijne uitdrukking
‘de eerste vier’ foutief.
Daar er dus niets tegen ‘de vier eerste’, wel iets tegen ‘de eerste vier’ is in te
brengen, moet men m.i. de voorkeur geven aan eerstgenoemde wijze van zich uit
te drukken.
J. HEINSIUS.
Het geldt u de wagenhuur.
In Coster's Tijsken van der Schilden (vs. 296) leest men:
‘Ghy siet maer offer een kan uyt hangt, al zijn dan de laghen duer
Ghy sluypt maer in met den baes, 't gelt u de waghen huer’.
In Breero's Spaenschen Brabander (vs. 1013):
‘Harmen. De Saacken van de wereld die gaan wat wispeltuur.
Jan Knol. Wat schaet dat, Harmen, voor u? 't gelt u de waghenhuur’
In het Woordenb. der Nederl. Taal (op gelden, IV, 1073) wordt de uitdrukking
verklaard door: ‘het brengt u eenig voordeel aan, gij haalt er een winstje uit.’ Daarop
volgt: ‘Vermoedelijk ontleend aan iemand, die b.v. een eind weegs te voet aflegt,
zeggende: “het wint mij de wagenvracht uit”, en figuurlijk in 't algemeen genomen
voor: ‘ik bespaar er kosten door, ik haal er een winstje uit’.
Geheel juist is die verklaring niet. Wij hebben weer te doen met het niet zeldzame
geval, dat de helft van een zegswijze of spreekwoord wordt weggelaten, waardoor
het overblijvende moeilijk verstaanbaar wordt.
In haar geheel vindt men de uitdrukking in G.C. van Santen's klucht van Lichte
Wigger (1617):
Taal en Letteren. Jaargang 2
107
‘Insonderheyt ast jou niet en cost, dan sel jet niet sparen.
Wat gelt jou de waghen-huir, as ghy mee vaert?’
De beteekenis is dus: het kost je immers niets (als je met een ander meerijdt)?
Men ziet gemakkelijk in, dat de uitdrukking ‘'t gelt u de waghen huer’ zoowel bij
Coster als bij Breero beter wordt weergegeven door ‘jou kost het niets’ dan door ‘gij
bespaart er kosten door, gij haalt er een winstje uit’.
R.A.K.
Sprokkel.
Nêmhart = Jan Grijp.
In dit Tijdschrift werd door den heer N.A. Cramer aangetoond, dat de samenstellingen
met -hard, -ulf, -rik en -bold met slechte beteekenis, gevormd zijn in analogie met
uitdrukkingen als Jan Rol, Jan Pleizier, Jan Smeer e.a. Vinden wij in het opgemerkte
ook niet den oorsprong onzer afleidsels met rik. stomme-rik (= Jan Stom), domme-rik,
botte-rik, luie-rik? De verklaring dat erik hier tot het deminutief ik in vuilik (= vuil-tje)
staat als -eling tot -ing, -enaar tot -aar, -erig tot -ig (bloederig = bloedig) vervalt dan.
De elders reeds gegeven verklaring: rik in stommerik = rijk in ongunstige beteekenis
verkrijgt in het opstel van den heer Cramer dan hare bevestiging. Moet eindelijk
langs den aangewezen weg het Overijselsche (ook Drentsche en Groningsche?)
teuta en lulla verklaard uit de werkw. teuten en lullen, door middel van het
achtervoegesel -a dat in een groot aantal aan het Latijn en het Grieksch ontleende
vrouwelijke eigennamen als geslachtsteeken voorkomt (Cornelia, Maria, Carolina;
Sophia, Agatha) en ook bij oorspronkelijk Germaansche namen als kenteeken van
het vrouwelijk analogisch is opgetreden (Hildegonda, Bertha, Wilhelmina, Gerritdina,
Hendrika; vgl. Klazina, Jantina e.a.). Het is waar, dat teuta en lulla niet alleen van
vrouwen gezegd worden. Maar wij meenen toch: voornamelijk. De beide woorden
zouden in vorming volkomen gelijk staan met de samenstellingen (afleidsels) met
-rik, -hard, -wolf en -bold en met het manlijke Jan Teut en Jan Lul (die beide in
Overijsel gehoord worden) overeenkomen. Wij nemen de gelegenheid nog waar,
om hier den term Jan Toag te noteeren: het is Overijselsch, voor een kind dat gaarne
dingen verdraagt en versleept, een ‘toagert’ (van toogen = trekken en dragen): ‘'t is
net as 'n jong 'ond, ie toagt overal mee’ (Meppel). Overijselsch is ook ‘een Piet Lut’
(d.i. Piet Klein) d.i. een kleinzeerig man. Hiervan het adjectief pietluttig, dat veel
gebruikt wordt, meestal = kleinzeerig, zoo goed van vrouwen als mannen, doch,
althans te Zwolle, ook van vitzieke lieden wien alles tot in de kleinste bijzonderheden
naar den zin moet zijn. Naast Jan Seur staat geen Seura. Ook Jan Zanik heeft geen
vrouwelijk.
V.D.B.
Taal en Letteren. Jaargang 2
108
Boekaankondiging.
Studieboeken voor de hoofdakte.
III.
6. Examenstudiën. Eene handreiking op 't gebied van taal- en
letterkunde, door M.J. Koenen. 1891. (f 1.)
Het nieuwe boek van den heer Koenen geeft eenig recht om van een vijfde soort
oefenboek te spreken. Reeds de titel verraadt dit. In de voorrede wordt het hier
beoogde doel aldus omschreven: den aspirant-hoofdonderwijzer te leeren, ‘hoe hij
taalstudie en studie van letterkunde in hetzelfde spoor kan doen gaan’. Deze
omschrijving is in staat om de nieuwsgierigheid te prikkelen. Wat ons gunstig stemt
jegens het boek is de verklaring: ‘Ik heb mij met voordacht onthouden van het
opnemen van examen-opgaven: deze toch zijn wel geschikt als krachtmeters, doch
zij vormen geen methode.’ Wij veroorloven ons, voordat wij verder gaan, omtrent
de verbinding van taal- en letterkunde in een zelfde gareel den lezer enkele
opmerkingen in overweging te geven. Taalkunde en letterkunde zijn twee wijd
verschillende wetenschappen, en zoo de onderwijzer deze vakken als
wetenschappen te beoefenen had, zou dit samenwandelen in hetzelfde spoor voor
beiden een juk der dienstbaarheid worden. Doch om wezenlijk wetenschappelijke
kennis is het bij den onderwijzer niet te doen, en, indien het waar is dat Leeskunst
en hoogere grammatische oefening voor een goed deel één zijn, dan zal die oefening
inderdaad een letterkundige oefening zijn. Onvereenigbaar echter is, ook in de
studie waarover wij thans handelen, het grasduinen in het Boek Grammatica en de
ernstige beschouwing van de dichtwerken onzer goede auteurs. Letterkundige
oefening is het, te onderzoeken op welke wijze, met welke middelen zulk een auteur
zijne gedachten vertolkt: dit is tevens een grammatische oefening van den eersten
rang, gelijk het een stijloefening is die alle theorie te boven gaat: hieraan het
instudeeren van de spraakkunst in engeren zin verknochten, zou uitloopen tot schade
van het eene en het andere. Het Oefenboek der vierde soort handhaaft zijne plaats.
De Leeskunst dan reikt de hand aan de Letterkunde. Zooveel oefening vereischt zij
echter, dat zij in geen geval met haar vereenzelvigd mag worden. Haar taalkundig,
haar grammatisch karakter kan zij niet verloochenen. Ook het Oefenboek der derde
soort zal zijne rechten niet afstaan. Aan deze denkbeelden willen wij deze
‘Examen-studiën’ toetsen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
109
Over het eigenlijke Letterkundige oordeelen wij thans niet, daar wij een afzonderlijk
verslag geven van litterarische studiewerken. Wel wijzen wij aan, welk déél de
Letteren hebben aan dit boek. De Inleiding (1-30), die op enkele bladzijden na over
het stellen, litterarische dingen raakt, blijft buiten beschouwing. De methode
openbaart zich in het vervolg. Onder de opschriften ‘Tollens’, ‘Bogaers’, ‘De
Génestet’, ‘Potgieter’, ‘Staring’ wordt iets over deze dichters verteld. De bladzijden
(31-37) over den eerste zijn, op eene cacographie na uit De overwintering, die niet
onnut is, van litterarischen aard. Er wordt nog een aantal woorden uit datzelfde
gedicht opgesomd, die nader bekeken mogen worden: deze onder 's lezers aandacht
te brengen, heeft ongetwijfeld zijn nut: nuttiger zou het geweest zijn als de heer
Koenen zelf bij sommige het woord had genomen. Pag. 38-42 (Bogaers) is niet
letter-, maar taalkundig: twee strophen uit een gedicht, met een woordje over
paraphraseeren en over het nut der zinsontleding, gevolgd door eenige gewone
taalvragen; daarna wordt De dooi medegedeeld, en zonder eenige toelichting en
voorbereiding te schenken, noodigt de schrijver zijn man uit deze schoone verzen,
die zich zoo bij uitstek tot een hoogere taalkundige oefening leenen, in ‘eigen taal
weer te geven’. Van 42-45 vindt men over synoniemen gehandeld, uit het oogpunt
der etymologie en van het taalgebruik. Aan een paar bladzijden waarin de velerlei
beteekenis van een enkelen klank ter spraak komt, knoopt zich een goed en beknopt
overzicht der Tropen en Figuren vast. Dan volgt een en ander omtrent de
redekundige ontleding en 67-69 bieden een nog al bonte mengeling aan van
taalkundige vragen: van alles wat. 70-78 heeft betrekking op De Génestet: half
taalkundig, ietwat letterkundig en niet bijzonder leerzaam in ons oog. Twee bladzijdjes
over en met vragen over synoniemen. Potgieter krijgt nu een beurt (81-88):
voorgelegd wordt ter overbrenging ‘in eigen taal’, zonder eenige beschouwing,
Afscheid van Zweden; enkele taalvragen naar aanleiding van den aanhef van Het
Rijksmuseum; van 85-87 treffen wij hier een geheele reeks vragen die op den
passieven vorm der werkwoorden betrekking hebben, vragen, die zoo zij in onderling
verband door den auteur van het boek zelf voor den studeerende behandeld waren,
inderdaad een mooie taalles zouden geworden zijn; de schrijver komt dan in eenige
vragen op zijn stuk proza terug, om te eindigen met eenige foutieve en foutachtige
zinnen uit Potgieter aan het oordeel des lezers toe te vertrouwen. Staring! (88-98):
op een fragment van Ivo met een aantal gemengde opgaven, ad rem en niet ad
rem, volgt Aan Parijs (91-95): dit nu wordt op verdienstelijke wijze als geheel en in
bijzonderheden beschouwd; meer taalkundig is de oefening bij Adeline Verbeid; de
bladzijde, die op het Epigram van Staring slaat en er een vijftal lezen laat, gaf ons
genoegen met de toelichting van het bekende Is 't weinig Dichterloofs. 98-103 is
weer een allerlei van taalkundige dingen; en wel wordt er met oordeel over laten
gevraagd, doch een kleine verhandeling ware ons liever geweest; ook het lastige
onderschikkende of verdiende iets anders dan een vraag.
Taal en Letteren. Jaargang 2
110
In 103-105 presenteert zich Schaepman met een vijftiental regels uit Aya Sofia:
zakelijke aanteekeningen, uiteenzetting van den inhoud en een oefening die beter
vóór dan na de paraphrase stond. Eindelijk wordt nu het neusje van den zalm
opgedischt. Ruim twintig pagina's komen over Da Costa, waarover elk studeerend
onderwijzer zich met recht zal verheugen, die ook wij zonder voorbehoud eene
aanwinst noemen voor zijne studie. De Voorzang van Vijf en Twintig Jaren ontvangt
hier een geleide van annotaties, die te gebruiken zijn; het fragment Napoleon
eveneens; eindelijk, en dit is ván het neusje het allerbeste, verrassen ons een
veertien bladzijden aanteekeningen, paraphrasen en inhoudsoverzichten over en
van Hagar. Aan dit gedeelte van het boek is werk besteed. Doch, wij mogen de
opmerking niet verwijgen, dat de Leeskunst nog andere eischen stelt: die
grammaticale oefening van den eersten rang, die ook denk- en stijloefening is, laat
ook hier op zich wachten. Het hoofdstukje over Bilderdijk is almede meer letterkundig:
een aantal aanteekeningen bij het fragment uit den Ondergang en de epigrammen
op Hooft, Vondel, Poot ontbreken niet. Dertig bladzijden met litterarisch stempel
over Vondel maken het slot uit; aanteekeningen komen den lezer, bij de meegedeelde
gedichten, weer te hulpe.
Van dit overzicht mochten wij ons niet ontslaan. Nu het een werk geldt van een
man, die zich bij den Onderwijzer zulk eene bekendheid heeft verworven, moet de
lezer zelf oordeelen. Ons oordeel echter houden wij niet achterwege: De laatste
zestig bladzijden zijn goed. De ruim honderd die voorafgaan zijn niet goed. De
hoofdstukken over Da Costa, Bilderdijk, Vondel, behooren (met schrapping van hier
en daar slechts wat grammatica) in een Letterkundig Oefenboek. Al het andere als
geheel behoort in geen Oefenboek. Het is geen voorbereiding tot dat betere gedeelte.
Uit twee ongelijksoortige deelen bestaat het boek. De oefeningen over de strophen
uit Bogaers en uit De Génestet (zie ons overzicht) zijn niet moeielijk, het is zoo. De
bladzijden over Synoniemen en Tropen vonden plaats in het eerste derde deel, wij
merkten het op. Doch van opklimmende oefening kan men niet spreken. Wij zien
hier lagere Spraakkunst, Oefening in de Leeskunst en Letterkunde ordeloos dooreen
behandeld en dooreen gevraagd. De heer Koenen kondigt in zijn voorbericht eene
methode aan. Zóó het dan eene methode zijn moet, - het is de methode die alles
tegelijk wil doen, het is niet die innige verbinding van Leeskunst en studie der
schrijvers, zonder welke noch de eene, noch de andere haar beste vrucht zal dragen.
Wat zegt de heer Koenen? ‘Ik heb mij met voordacht onthouden van het opnemen
van examenopgaven: (deze) vormen geen methode. In dit opzicht geldt de spreuk
der ouden: non multa sed multum!’: niet velerlei maar veel. Het bevreemdt ons dat
men van deze doorluchtige wijsheid uitgaande, een boek gaat samenstellen dat uit
zoovele deelen, deeltjes en onder-deeltjes ‘bestaat’, waarvan wij althans niet kunnen
verklaren hoe zij zijn samengekomen. Dit boek zonder eenheid is een oefening in
studie zonder eenheid. Dit nu is een gevaarlijke studie. Het examen
Taal en Letteren. Jaargang 2
111
vordert reeds zulk een jammerlijke krachtsverspilling. Reeds is het een slag in het
aangezicht jegens die Oude Wijsheid: non multa. Wezenlijk gedijen doet slechts
geconcentreerde studie. Welk een vooruitzicht, zoo onze onderwijzers metterdaad
het Alles in Alles voortaan in toepassing gingen brengen! Bij ons is de vraag gerezen,
wat den schrijver op het nieuwe denkbeeld gebracht mag hebben. Heeft hij wellicht
de studie van het Nederlandsch, die zoo droog heet, die veeltijds zoo droog is, die
op zal houden het te zijn, zoo spoedig nieuwe beginselen zullen gezegevierd hebben
en een nieuwe methode met nieuwe oefenboeken in zwang gebracht, - heeft de
schrijver die studie door variatie willen veraangenamen? Onloochenbaar streven
naar variatie: Ziedaar de fout van zijn boek. Aangenaam willen wij het noemen.
Doch wij weigeren te erkennen, dat het eene methode bevat.
Ruimen lof moet men hebben voor die laatste capita. Hier heeft de leeraar veelal
het woord en hij spaart zich geen moeite. Een goed studiewerk schrijven dit blijkt
wel, is geen ding om op zijn gemak en zoo maar losjes weg te doen. Ook is hier
methode. Een gehéél boek in den trant van het hoofdstuk Da Costa! - en wij zullen
van een twééde teeken van beter dag spreken, - mits in de interpretatie slechts
tevens zulk eene mate van meesterschap doorblinke, dat wij voor de navolging van
brekebeenen bewaard blijven! Het behoeft nauwelijks herhaald, dat ook elders in
de Examen-Studiën verdienstelijke bladzijden te vinden zijn. Wat er ons, behalve
de vermenging van taal- en letterkunde, behalve het chaotische van het geheel (iets
waarin de oefeningen hier te zeer op de gewraakte examenopgaven gelijken!), wat
er ons bovendien niet goed wilde dunken, gaven wij grootendeels reeds te kennen.
De lezer kan in ons overzicht hebben opgemerkt, dat het boek zeer weinig gemeen
heeft met die derde soort, door den Taalcursus vertegenwoordigd, weinig met het
ideale Oefenboek dat wij ons hebben voorgespiegeld. Ook zitten de examinatoren
en de ‘deskundigen’ (vgl. pag. 95) hier te vlak voor onzen neus. Niet ongaarne praat
de heer Koenen eens, maar de leeraar wordt er te dikwijls gemist, wanneer men
hem 't meest noodig heeft.
Wij besluiten met nog op enkele dingen te wijzen, die misschien anders konden.
Op bladz. 33 staat: ‘over den smaak valt niet te twisten’: beteekent dit nog iets meer
dan: het is onverstandig met iedereen en onder alle omstandigheden over den
smaak te twisten? Zoo democratisch zal de tijd niet worden, dat er geen
bevoorrechten zouden blijven wien deze stelling een democratische gruwel is. Op
pag. 66 verneemt men, dat Ik zie het paard den ploeg trekken een uitheemsche
vorm zou zijn, en aan deze bewering wordt dan eene redeneering over de ontleding
vastgeknoopt: weet de heer Koenen zeker, dat hij de zaak bij het rechte eind heeft?
Een aantal zinnen met het praedicatieve mijne en mijn (57-68) worden den leerling
voorgelegd met het verzoek de woordsoort dezer vormen te bepalen; de vraag luidt
bovendien zoo, alsof men mijne en mijn zonder bezwaar voor een mag houden:
ons lijkt deze questie nog al moeielijk: men legge haar liever voor aan de
taalgeleerden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
112
In vraag 4, bladz. 76 had moeten zijn meegedeeld, dat De Génestet over
kinderpoëzie heeft gehandeld. De aanhaling (78) van Hildebrands opstel over
Humoristen in de Camera vinden wij niet gelukkig. Zal de leerling uit de vraag naar
het onderscheid tusschen ‘twijfelen’ en ‘weifelen’ (80) niet licht een verkeerde
etymologische conclusie trekken? Is ‘hulde doen’ in Adeline Verbeid (96) onjuist?
Niet iedereen zal weten, wat men onder ‘de betrekking van inwilliging’ verstaat (99).
Vraag 25 en 29, waarvan vooral de laatste ons zeer bevalt, hadden wij gaarne door
den schrijver zelf zien uitwerken niet alleen, maar beantwoorden. Op bladz. 103
trok deze zin onze aandacht: ‘Is het bestaan van den Conditionalis te verdedigen,
als men uitgaat van het beginsel, dat de wijzen de vormen zijn, waardoor de spreker
aanduidt, hoe hij de gedachte wil opgevat hebben in betrekking tot de werkelijkheid?’:
Wij cursiveeren hier en vragen wat de studeerende onderwijzer hierbij denken kan.
Bladz. 108 heeft eene verschrijving: ‘een gr. w.w. dat wenden beteekent’. Dat de
constructie met den infinitief na ‘hooren’ etc. ‘een nabootsing van de Latijnsche
constructie’ is kan men op 121 nog eens lezen. Dat ‘verwaten’ een verl. deelw. is,
valt toch wel niet te betwijfelen? (123). ‘Ader’ (132), ‘rechtschapen’ (133), ‘gevecht’
(147), ‘aerdigh’ (153), ‘Burgemeestren’ (154) hadden verklaard moeten worden.
‘Bewijs’ uit Gijsbrecht, Palamedes, enz. ‘dat Vondel andere modellen volgde’, is
verkeerd uitgedrukt (132). Dat de schrijver, van 149-151, de paraphrasen zijner
leerlingen meedeelt, zal menigeen wellicht met ons afkeuren. Bang om een
jongmensch over het paard te tillen zijn wij niet, maar het boek kan er buiten. En
eindelijk, bij het fragment van Vondels Rijnstroom (161-162), moeten wij nog ééns
vragen, of hij die gebruik maakt van deze ‘handreiking op 't gebied van Taal- en
Letterkunde’ (gelijk het heet op den titel), aan dat vijftal vragen genoeg voorbereiding
van den kant des leeraars geniet, om met goed gevolg de omschrijving ‘in eigen
taal’ op zich te nemen?
7. Proefsteen voor 't Examen, door M.J. Koenen. 1889. (f 0.75.)
Bestemd is deze proefsteen voor Candidaat-Onderwijzers. Over deze bestemming
mag ons oordeel niet gaan. Doch de schrijver is van meening, dat hij ook den
Candidaat-Hoofdonderwijzer ten goede komen kan, en dit zijn wij met hem eens.
Men vindt hier geen fragmenten taal ter verklaring. In de eerste veertig bladz., die
voornamelijk op het etymologische betrekking hebben, is vrij wat te leeren dat te
pas kan komen: hier wordt veel meegedeeld. Hoofdstuk III en IV bestaan uit vragen
over andere gedeelten der Spraakkunst en over de Spelling. Doch ook hier ontbreekt
de mededeeling niet en tal van opgaven zijn zoodanig met voorbeelden geïllustreerd,
en zoodanig gesteld, dat de Proefsteen ongetwijfeld een nuttig studiewerkje heeten
moet: wij hebben er gaarne een warme aanbeveling voor over. Alleen houde de
studeerende in 't oog, dat deze ‘krachtmeter’ van den Candidaat-Onderwijzer het
niet tevens kan zijn van den Candidaat-Hoofdonderwijzer. Zoo er toch onderscheid
is tusschen de studie des eenen en die des anderen (zijn moet
Taal en Letteren. Jaargang 2
113
althans), zoo het examen voor de hoofdakte metterdaad op zooveel rijperen leeftijd
en zooveel jaren studie langer rekent (althans moet rekenen), dan zal ook de laatste
een geheel anderen krachtmeter te beproeven hebben dan hij voor wien deze
Catechismus den doorslag geeft. De schrijver zelf biedt hem dien slechts als
repetitieboek aan eener kennis, die voor de hulpakte reeds noodzakelijk en
niet-overbodig geacht wordt.
De etymologie treedt, naar onze meening, ook in den Proefsteen wat sterk op
den voorgrond. Niet altijd ook is hier de gewenschte voorzichtigheid betracht.
Sommige beweringen klinken zonderling.
Geen aanmerking willen wij maken op: ‘De taal is een levend organisme’: dit is
wel vaker gezegd. Maar wat bedoelt de heer Koenen met: ‘De oudste klinkers der
Germaansche taal zijn a, i (= ie) en u (= oe)’? Is ‘wambuis’ (4) een samenstelling
en is het zeker dat ‘kroeg’, ‘spin’, ‘mol’ verkortingen zijn? Is het niet aldus, dan is
het beter andere voorbeelden te kiezen. Kan men spreken van: ‘in de oude, thans
doode Germaansche taal van Voor-Indië, nl. in het Sanskriet’? Is het de moeite
waard, ten opzichte van bekende klankveranderingen (als pag. 6 noemt), te zeggen:
‘Zoo leert van Helten, dat etc.’? Het gebeurt meer, dat deze auteur zich gewichtiger
uitdrukt dan de zaken eischen: ons schijnt dit een gebrek. Is ‘maar’ (11) uit ‘en ware’
of uit ‘nemaar’? Eene vraag die niet voor rekening van den heer Koenen is en die
ook weg kon blijven. Bladzijde 12 is weinig doordacht. Is ‘grazen’ een privatief (25)
en is ‘smalen’ uit ‘smadelen’ en ‘vernielen’ uit ‘vernietelen’ (25, 30)? Staat ‘loeren’
naast ‘gluren’? (8). Is ‘mnurbezie’ naast ‘moerbezie’ ook volksetymologie? (8). Is
de omschrijving van ‘naar iets dingen’: ‘trachten iets door onderhandeling, bespreking,
aanvraag, in zijn bezit te krijgen’ juist? Weet de schrijver zeker, dat het niet goed is
‘schutter’ etymol. met ‘schieten’ in verband te brengen? Zou ‘soep-sop’ inderdaad
op één lijn staan met ‘bloem-blom’? (8). ‘Bak’ in ‘kinnebak’ is (27) immers niet gelijk
‘bak’ in ‘aschbak’? ‘Kaam’ is niet = ‘kiem’, en waarom zou ‘kaan’ voor ‘kaam’ foutief
zijn? (27). Behoort ‘leuk’ bij ‘luiken’, ‘glijden’ bij ‘lijden’, ‘sluipen’ bij ‘luipen’ en is
‘hachelijk’ van ‘hag’ = gevaar? (30). De bewering dat ‘gaan’ ontstaan is uit ‘gangen’
en ‘staan’ uit ‘standen’ (33) mocht eindelijk wel eens tot het verleden gaan behooren.
Minder goed uitgedrukt lijkt ons: ‘beren’ hangt samen met ‘baren’ (33): ‘baren’ is
immers = ‘beren’? De vraag (33), hoe ‘doordien’ naast ‘doordat’ kan bestaan is wel
wat moeielijk. Moet men uit vraag 32, pag. 35 opmaken, dat ‘kouten’ met ‘koozen’
samenhangt, en met ‘babbelkous’? Zonderling vinden wij de vraag naar het woord
‘boter’ bladz. 36. Welk werkwoord heeft men als samenhangend met het voorvoegsel
‘wan’ te noemen? (34). Bij woorden als ‘scheren’, ‘wanschapen’, ‘handvest’, ‘kortswijl’,
‘zondvloed’ was, als men de juiste afleiding ten minste noodig vindt, een antwoord
op de vraag aan velen licht welkom geweest (vgl. ook b.v. 62: ‘talen’, ‘wiek’). Op
pag. 47 treft men eene redeneering aan omtrent ‘Ik
Taal en Letteren. Jaargang 2
114
zie den schoorsteen rooken’, die wederom baseert op de verkeerde meening, dat
zulk een zin eigenlijk Latijnsch is en - geen ‘zuiver Nederlandsch’.
Wat wij omtrent het Oefenboek voor den onderwijzer te zeggen hadden is thans
gezegd, - toegelicht door toetsing van Oefenboeken aan onze beginselen.
Ten slotte een woord over eenige werken van anderen aard, geen eigenlijke
Oefenboeken, die een plaats innemen onder de hulpmiddelen voor de
Hoofdaktestudie. Wij begeven ons niet in een eigenlijke critiek; zij kan onnoodig
worden gerekend.
8. Onze Synoniemen. Handleiding en Vragenboek, door J. Scheltens.
1888 (f 0.90).
Studie van de Synoniemen achten wij van groot belang en hierover te handelen
vertrouwen wij den heer Scheltens gaarne toe, hoe moeielijk ook de behandeling
van dit onderwerp zij. De zevenenveertig eerste bladzijden houden eene verhandeling
over de zinverwante woorden in, die wij onzen lezers meenen te moeten aanbevelen.
Zij is somtijds wat abstract (doch geen wonder!) en, al moest zij wat uitdijen, méér
toelichtende voorbeelden zouden een tweeden druk niet schaden. Wij koesteren
echter nog een wensch. Welk een rijkdom van oefeningen in het tweede gedeelte!
Welk een overvloed van nuttige kennis voor den onderwijzer, kon de schrijver
besluiten, de helft dezer opgaven zelf te bewerken. Dit waarborgen ons zijne vragen.
Die zóó vraagt, weet ook te antwoorden. Een sleutel van Scheltens hand zou goed
onthaal vinden en niemand zou zich dan beklagen over de moeielijkheid van menige
bladzij.
9. Woordverklaring, door M.J. Koenen. 1891. (f 1.50.)
Woordverklaring is de tweede, omgewerkte druk van Sprokkelingen: ‘verbeterd’
mocht het met recht heeten. Wij achten, hoezeer de onderwijzersstudie haar
zwaartepunt in boeken als dit en De Levende Taal niet zoeken moet, de
kennismaking goed en nuttig. Niet slechts verrijkt het den geest met een aantal
juiste begrippen, maar elk oogenblik kan dit boek van Woordverklaring hulp
verleenen, bij de oefeningen en examenopgaven als bij de lectuur; een register der
verklaarde uitdrukkingen en woorden maakt het hiertoe geschikt. Méér vrucht zal
het nog dragen, als de heer Koenen een nieuwen druk met een groot aantal
toelichtingen vermeerdert, die hij thans nog aan het zoeken van den vlijtigen
gebruiker overlaat; wij denken vooral aan Hoofdstuk III. Degelijker nog zal het in
veler oogen worden, als hij de grenzen van het zekere zoo weinig mogelijk
overschrijdt: het is beter van een uitdrukking als ‘violen laten zorgen’ te zeggen, als
dat zoo is, dat men de herkomst niet kent, dan drie meeningen voor een op te
disschen.
10. Het Levende Woord, door D. Boswijk en W. Walstra. Derde Stukje.
1888. (f 1. -.)
Taal en Letteren. Jaargang 2
115
1)
11. Korte Aanteekeningen bij vele woorden, door D. Laméris. 1883. (f
0.80.)
De Korte (etymol.) Aanteekeningen onthouden zich over 't algemeen van noodelooze
geleerdheid en in hoofdzaak behandelen zij woorden die binnen den studiekring
van den onderwijzer vallen. Doch wij hebben woord voor woord nagegaan en onze
lijst van min of meer foutieve en geheel onjuiste verklaringen, van verkeerde redactie
en andere gebreken is zoo lang geworden, dat wij dit boekje slechts, om zijne goede
hoedanigheden, zouden aanbevelen, zoo dat van de heeren Boswijk en Walstra
het niet méér verdiende. 't Is het derde stukje van Het Levende Woord, eigenlijk ten
dienste van Normaal- en Kweekscholen bestemd, welks laatste 45 bladz. door een
etymologische woordenlijst worden ingenomen. Daargelaten dat ook het overig
gedeelte den studeerende niet onverschillig behoeft te laten, maakt deze verzameling
buiten twijfel aanspraak op de voorkeur. Het behoort gezegd te worden, dat de
middelen waarover de samenstellers te beschikken hadden, in 1888, beter waren,
dan die welke den heer Laméris in 1883 hunne hulp boden. Toch zijn wij niet
overtuigd dat deze toenmaals alles gedaan heeft, wat hij had kunnen doen, en ook
daaraan is het toe te schrijven, dat gene hem overtroffen hebben. De Korte
Aanteekeningen bevatten menig woord, dat men in Het Levende Woord liever niet
miste. Het omgekeerde echter doet zich ook voor. In het laatste werkje ontmoet
men vaker dan in het andere een overtolligheid, maar zijn betere qualiteit vergoedt
dat klein gebrek. Doorgaans is het op de hoogte. Doorgaans ook schuwt het
overtolligheden. Ondanks enkele artikelen, die achterwege mochten blijven of iets
beter konden, als ‘bengel’, ‘boezem’, ‘doodverven’, ‘eenparig’, ‘gebaar’, ‘haar’, ‘hooi’,
‘hoogtijd’, ‘kleinood’, ‘knap’, ‘lieverlede’, ‘litteeken’, ‘maal’, ‘meewarig’, ‘mennen’,
‘noode’, ‘omtrent’, ‘paarlemoeder’, ‘veeg’, - ondanks deze, verdient dit derde stukje
van een leerboek voor den kweekeling onvoorwaardelijke, warme aanbeveling bij
den onderwijzer, die voor de hoofdakte arbeidt.
En thans zijn wij aan het einde onzer revue.
Dat de toekomstige revue van Studieboeken voor Letterkunde en Stijlleer den
belanghebbenden niet onwelkom zij!
Z.
V.D.B.
1)
In 1886 verscheen een tweede, verbeterde en vermeerderde druk. Wij hebben dien tweeden
met den eersten vergeleken. Een aantal artikelen zijn inderdaad verbeterd. De noodzakelijke
algeheele herziening bleef achterwege. Ons vergelijkend oordeel, boven, behoeft tegenover
den tweeden verbeterden druk geen wijziging te ondergaan.
Taal en Letteren. Jaargang 2
116
Nieuw-Nederlandsch.
2. C. Huygens' Zede-printen, vermeerderd met de tot dusver
onuitgegeven print van ‘een professor’ en van inleiding en
aanteekeningen voorzien door H.J. Eijmael. Groningen, 1891. f 1.25.
In afwachting van Worp's volledige Huygens-uitgave, waarvan wij nu het eerste deel
weldra te gemoet kunnen zien, ontvingen wij niet lang geleden eene afzonderlijke
uitgave der Zede-printen, vollediger dan ooit te voren, daar de uitgever, de Heer
H.J. Eijmael, er ook eene totnogtoe onuitgegeven en door Dr. Worp voor hem uit
het handschrift afgeschreven print van ‘een professor’ in heeft opgenomen.
Daar deze uitgave van verklarende aanteekeningen voorzien is, is zij allesbehalve
overbodig: integendeel, aan goede aanteekeningen op de Zede-printen bestond
reeds lang behoefte, omdat geen werk van Huygens, zijn Daghwerck alleen
uitgezonderd, zoovele duistere, althans moeielijke, plaatsen bevat als deze bundel,
die nochtans te veel aardigs en geestigs inhoudt, om voor den leek een gesloten
boek te blijven.
Huygens schreef het werk in Den Haag gedurende de tweede helft van het jaar
1623, zooals blijkt uit de print van ‘een waerd’, waarbij hij niet alleen in margine dat
jaartal heeft gevoegd, maar waar bovendien de politieke toestand van Europa wordt
geschetst, zooals die in de tweede helft van dat jaar was. De voorlaatste print, die
den
van ‘een professor’, was den 7 October 1623 voltooid, en de opdracht is
geschreven na 7 Febr. 1624, den sterfdag van Huygens' vader, ‘die nu, van het
eerst verlost, 't ander leven heeft begost’, zooals de dichter daarin zegt, onder
dankbare erkenning van hetgeen hij aan zijns vaders zorgvuldige opvoeding te
danken had.
Door den dood van Christiaan Huygens was de oudere broeder van onzen dichter,
Maurits, het hoofd der famielje geworden; vandaar waarschijnlijk, dat aan dezen
het werk werd opgedragen, ofschoon de onderlinge genegenheid der gebroeders
er al mede toe kon geleid hebben. Maurits was bovendien kort te voren, 9 Januari
1624, zijnen vader als secretaris van den Raad van State opgevolgd en dus eene
vlag geworden, waaronder de lading veilig en met eere tzeil kon gaan.
Dat onder eigen vlag de lading door sommigen als contrabande zou kunnen
beschouwd zijn, blijkt reeds uit de keus van het woord ‘Voorspraeck’ voor de
opdracht. Het beteekent niet alleen ‘voorrede’, maar ook ‘verdediging’, en doelt op
het verwijt, dat den dichter door een ons onbekend, maar hooggeplaatst persoon
in 1623 gedaan was en reeds toen door hem was beantwoord in een gedicht
‘Gedwongen onschult’ (te vinden in de Otia 1625, b. VI, bl. 87-93 en in de
Korenbloemen 1672, I, bl. 444-449). Uit dat gedicht, dat ik in deze uitgave gaarne
als bijlage opgenomen had gezien, vernemen
Taal en Letteren. Jaargang 2
117
wij, dat aan Huygens hooghartigheid of, wil men, pedanterie was verweten (vs. 30,
65), en vooral de zucht om de geheime gebreken van anderen te bespieden en
breed uit te meten (vs. 71-76), terwijl niet onduidelijk was te kennen gegeven, dat
hij (misschien daardoor) niet geschikt was om een aanzienlijk staatsambt te
bekleeden, hoe ijverig hij daarnaar ook mocht jagen (vs. 109 vlgg.). Dat Huygens
zich zulk een verwijt en zulk eene voorspelling (in den mond van een invloedrijk
persoon eene bedreiging!) niet kon laten aanleunen, spreekt van zelf. Hij zocht de
fout niet bij zichzelf, maar bij zijnen beschuldiger, die hem misschien, zooals hij
zegt, kwalijk had genomen, dat hij hem bij schemeravond niet herkend en dus niet
beleefd genoeg gegroet had (vs. 66), en verweet op zijne beurt zijnen betichter
onedelmoedigen spot met zijn ‘gelasen oog’ (vs. 72), dat hem destijds, toen jonge
mannen met brillen zeker nog uitzonderingen waren, een wel wat pedant aanzien
zal gegeven hebben, maar waarom hij zich eer beklaagd dan bespot wenschte. Hij
wees er op, dat juist het verwaarloozen van eene oogontsteking door het lezen tot
diep in den nacht (vs. 91-94) hem het dragen van eene bril noodzakelijk had gemaakt,
maar bewees daarmee tevens, dat nederigheid niet tot zijne voornaamste deugden
behoorde.
Ook de ‘Voorspraeck’ voor de Zede-printen verraadt wel eenige ijdelheid en
ingenomenheid met eigen karakter en gaven. De geheele bundel Zedeprinten bewijst
bovendien, evenals de voorafgeschreven gedichten Voorhout en Costelick Mal, dat
Huygens de - in een jongmensch aan pedanterie grenzende - zucht om
maatschappelijke gebreken te hekelen in veel hoogere mate bezat, dan de bij een
jongmensch veel natuurlijker neiging om het leven te genieten, de liefde te
verheerlijken, het schoone te bewonderen. De hooge achting, die wij voor Huygens
op rijperen leeftijd koesteren, behoeft ons niet te verhinderen, den jongen Huygens
tegen het verwijt van den onbekenden ouden heer niet voor volkomen
verontschuldigd te houden.
In elk geval, wie op den leeftijd van vier en twintig tot zeven en twintig jaar
gedichten als Voorhout, Costelick Mal en Zede-printen schrijft, is oud voor zijnen
leeftijd, en Huygens was dan ook eigenlijk nooit recht jong geweest. Eene opvoeding,
zooals hij met zijn uitmuntenden aanleg ontving, had daartoe wel moeten leiden.
Daardoor was het hem mogelijk, reeds op twintigjarigen leeftijd in de rechten te
promoveeren en zich vier jaar later in het Voorhout voor te doen, alsof hij de wereld
doorreisd had: hij was ten minste in Engeland geweest en had, door Duitschland
en Zwitserland heen, Venetië bezocht. Aan welverdiende eerbewijzen had het hem
ook niet ontbroken, die zijne ingenomenheid met eigen ik bij hem mogen
verontschuldigen. Aan zijne vertrouwdheid met het Italiaansch had hij het te danken,
dat hij secretaris was geworden van den Venetiaanschen gezant, den handigen
diplomaat François van Aerssen, in wien hij een machtigen beschermer vond en
die hem reeds dadelijk in de gelegenheid stelde zijne taalkennis voor niemand
minder dan den Doge zelf te luchten. Zijne kennis van het Engelsch deed
Taal en Letteren. Jaargang 2
118
hem de ziel zijn van het Engelsch gezantschap, waarbij hij vervolgens secretaris
was. Zes en twintig jaar oud werd hij op last van Koning Jacobus en op aanbeveling
van Van Aerssen ridder geslagen, toen hij voor de tweede maal in Engeland
gezantschapssecretaris was.
Niet alleen met de aanzienlijkste edelen van het Engelsche hof, maar ook met
‘quis quis in arte sua solers excelluit’, met ieder, die in kunst of wetenschap uitmuntte,
maakte hij in Engeland kennis, en konden zij hem als Nederlandsch poëet ook niet
waardeeren, door zijne Latijnsche, Fransche en Italiaansche gedichten kon hij hun
ten minste bewijzen, dat hij in dien uitgelezen kring niet misplaatst was. In zijn eigen
vaderland vond hij bewonderende aanmoediging en vriendschap bij de toenmalige
toongevers der poëzie: te Leiden bij Heinsius, te Dordrecht bij Cats, te Amsterdam
bij Hooft. Een weinig ijdelheid mag men den zevenentwintigjarigen jongen man, die
zooveel onderscheiding grootendeels aan eigen verdiensten kon dank weten, wel
ten goede houden; terwijl de gemeenzame omgang met mannen, die tien tot vijftien
jaar ouder waren dan hij, hem allicht moest verleiden, bij voorkeur eenen toon aan
te slaan en onderwerpen te behandelen, waarvoor hij eigenlijk te jong was.
Aan Huygens' oorspronkelijkheid wil ik daarmee niet te kort doen. Wie niet
kinderachtig jacht maakt op oorspronkelijkheid, gevoelt onwillekeurig den invloed
van zijne omgeving. De neiging tot leeren en vermanen, de liefhebberij om gebruik
te maken van de opgegaarde kennis, de zwakheid om aan zijn dichtpaard de teugels
te vieren, ook al ‘ontliep het de toomen’, kon hij met het voorbeeld van Cats
verdedigen. Mythologische sieraden en toespelingen, willekeurig omgesmede en
samengekoppelde woorden, Latinismen en Gallicismen kon hij bij Heinsius in menigte
vinden; en in gedrongenheid van zinsbouw, woord- en vernuftsspelingen was Hooft
zijn leermeester. Overigens kon ook de buitenlandsche modepoëzie zijns tijds wel
niet nalaten, invloed op hem te oefenen. De Ronsardismen van de jongere
vertegenwoordigers der reeds ten val neigende Fransche dichtschool, en de
Marinismen der Italiaansche poëzie, die in Engeland (zelfs bij Shakespeare) zoo
welig tierden, moesten hem nog meer dan Hooft aantrekken, omdat hij meer van
sterk gekruide, dan van fijne spijzen hield, en den kieschen smaak van Hooft miste,
die tegen te groote vernuftsoverdrijving beveiligde.
Van John Donne behoefde Huygens zijnen dichttrant niet te leeren, ik geef het
den Heer Eijmael gaaf toe. Vóór hij Donne kende had hij reeds diens trant van hunne
gemeenschappelijke voorgangers afgezien; maar wèl moest zijne bewondering van
Donne hem stijven in zijne karakteristieke hebbelijkheden, zijn spelen met verwante
klanken en schakeeringen van woordbeteekenissen, half uitgewerkte vergelijkingen
en vernuftig ingekleede of half verscholen geestigheden. Aan Donne's voorbeeld
in 't bijzonder ontleende hij misschien de vrijmoedigheid om zich platter en onkiescher
uit te drukken, dan Hooft of zelfs Cats durfden te doen. In ‘een goed predikant’ schrijf
ik vs. 31, in
Taal en Letteren. Jaargang 2
119
‘een bedelaer’ vs. 7, in ‘een rijcke vrijster’ vs. 6 vlg. aan den invloed van Donne toe;
maar voor zoo onkiesch kan ik Huygens niet houden, om de gissing van Eijmael,
dat onzen dichter bij ‘een rijcke vrijster’ het beeld van Susanna van Baerle voor den
geest zou gezweefd hebben, aannemelijk te achten.
Door ‘des paroles inusitées et ensemble énergiques’ te gebruiken, zonder welke
hij de verzenmakerij kinderachtig noemt, heeft Huygens het nageslacht nog meer
dan zijne tijdgenooten genoodzaakt, commentaren bij zijne werken te raadplegen.
Op zijn Daghwerck gaf hij ze zelf, ofschoon voor ons niet voldoende. In onzen tijd
is Eijmael de Huygensverklaarder bij uitnemendheid. Door zijne ‘Huygensstudiën’
en de uitgave van Hofwijck heeft hij getoond, in de werken van onzen dichter
doorkneed, en misschien meer dan iemand bevoegd te zijn tot het verklaren der
Zede-printen, die nog meer verklaring vereischen dan Hofwijck. Gaarne erken ik,
dat hij zich ook nu van zijne taak naar behooren heeft gekweten en menig verward
kluwen netjes heeft afgehaspeld. Hij heeft daarbij, evenals vroeger, de eenige goede
methode gevolgd: hij heeft zich rekenschap gegeven van ieder woord en van de
verschillende beteekenissen, waarin het zou kunnen voorkomen; en daarbij heeft
hij niet alleen het spraakgebruik van Huygens' tijd in aanmerking genomen, maar
ook dat van Huygens zelf; waarbij hij niet verzuimd heeft bij gewrongen zinsbouw
of ongewone beeldspraak de vreemde talen te raadplegen, waarin Huygens zijne
zinnen kon gedacht en waaruit hij ze letterlijk kon vernederlandscht hebben.
't Komt mij echter voor, dat de Heer Eijmael zich bij deze uitgave meer dan bij die
van Hofwijck op te groote beknoptheid heeft toegelegd. Ik bedoel daarmee niet, dat
er meer taaleigenaardigheden verklaard hadden kunnen worden, en uitdrukkelijker
op allerlei stilistische en metrische bijzonderheden gewezen had kunnen worden.
Daardoor zou de omvang van den commentaar misschien te groot zijn geworden.
De te groote beknoptheid strekt zich echter ook uit tot de paraphiasen en
ophelderingen, die daardoor zelf wel eens wat aan duidelijkheid te wenschen
overlaten. Ook ware het, dunkt mij, beter geweest, indien de uitgever het wat minder
vaak aan zijne lezers had overgelaten de woord- en vernuftsspelingen zelf uit te
vinden, daar men grootere uitvoerigheid in dezen moeielijk weelde kan achten,
wanneer men bedenkt voor wie de commentaar in de eerste plaats bestemd is.
Men vergunne mij, eenige voorbeelden van die onvoldoende verklaring aan te
halen.
In de ‘Voorspraeck’ vs. 27 ware de vertaling van beeld met type of ideaal misschien
niet overbodig geweest; vs. 31 eischte ook ‘verder van verschill’ (= wel verre van
er van te willen verschillen) wel eenige toelichting; vs. 34 wordt te prijsen noch
voldoende door Huygens' kantteekening estimer, noch door Eijmael's vertaling
schatten, doen voorkomen opgehelderd, want doen voorkomen is wel hetzelfde als
doen schatten, maar niet als schatten alleen. Om te prijsen is gerundivum en dus
passief. In het Latijn terugvertaald zou de
Taal en Letteren. Jaargang 2
120
zin luiden: ‘ad malis (datief in plaats van den ablatief met a) horrorem tam horribilem
aestimandum’, wat wij nu zouden overbrengen in deze woorden: ‘om te maken, dat
door de boozen hun afgrijzen (van de deugd) zoo afgrijselijk geacht werd.’ In
‘Voorspraeck’ vs. 40 is de d van medgenood over het hoofd gezien. Als secretaris
was Maurits Huygens geen genoot of lid van den Raad van State, maar
medegenoodigd aan de vergadertafel. Bij vs. 59 had kunnen gewezen worden op
de mogelijkheid, dat teerer comparatief is, zooals ik voor waarschijnlijk houd; bij vs.
79 is sijn vreese en sijn min niet verklaard: het eerste als ontzag voor hem, het
tweede als liefde voor of misschien ook van hem; bij vs. 83 is de dubbelzinnigheid
der woorden in de wolck door verzwijging van de noodzakelijke plaatsbepaling in
de steenen tafelen niet voldoende aangewezen. Ook is de aanhaling van Exodus
13 vs. 21 onjuist. De wolk is eenvoudig de wolk, waarin de berg Sinaï gehuld was,
en in de wolck beteekent dus: op den omwolkten berg Sinaï. De Heer Eijmael heeft
zich door eene drukfout (Exodus 13 vs. 18) in de uitgave van 1672 van het spoor
laten brengen. In de Otia van 1625 citeert Huygens Exodus 31 vs. 18: ‘Ende hij gaf
aen Moze, als hij met hem op den bergh Sinaï te spreken ge-eyndight hadde, de
twee tafelen der getuygenisse, tafelen van steen, beschreven met den vinger Godes.’
Ook in de prozavoorrede tot den ‘ledigen leser’ zou het geen kwaad gekund
hebben bij de tegenwoordig geringe bijbelvastheid de plaats uit den zendbrief aan
de Hebreeën (I, vs. 3), waarop gezinspeeld wordt, aan te halen in de vertaling van
den Statenbijbel: ‘het uytgedruckte beelt sijner (d.i. van Gods) selfstandigheyt’, d.i.
het stempelbeeld van Gods substans. Tevens ware het wel noodig geweest, op te
merken, dat van God des Vaders wesen in strijd met ons spraakgebruik beteekent:
van het wezen van God den Vader.
Bij ‘een koningh’ vs. 3 ware eene verklaring van uytstaet als blootgesteld is aan
misschien niet overbodig, omdat uitstaan nu doorstaan beteekent; bij vs. 8 dient
bijgevoegd, dat de rederijkersgedichten altijd met prince eindigden; bij vs. 9 was
eene verklaring van breeckt als heenbreekt gewenscht; bij vs. 13 is onder-God
onverklaard gebleven. Huygens noemt de koningen meermalen ondergoden (b.v.
Korenbloemen 1672, I, bl. 444 vs. 110 - maar Daghwerck vs. 1649 noemt hij de
rechters zoo). Den paus heet hij Opper-onder-God (Korenbl. I, bl. 452, vs. 26). Met
Onder-God bedoelt Huygens Gods stedehouder en hij is dus niet zoo republikeinsch
in zijne voorstelling als de Hr. E. meent en m.i. te onrechte uit Opper-knecht afleidt,
omdat knecht daar niet ondergeschikte beteekent, maar iemand, die slaaft en zwoegt
en zweet voor het algemeen welzijn. Dat in vs. 32 draeven beteekent voordraven,
gemonsterd worden, had wel eenige opmerking verdiend, evenals dat daar blijkbaar
gedacht wordt aan de onderhandelingen, nog in 1623 gevoerd over een huwelijk
van den Prins van Wales (later Karel I) met Maria, de dochter van Philips III. Bij vs.
41 wordt niet gewezen op de dubbelzinnigheid in rust, als nachtrust, die de slaap
ontstelen kan aan den arbeid, en gerustheid, veiligheid, waarvan de slaap den
koning juist kan berooven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
121
In ‘een bedelaer’ eischt lier, vs. 22, voor een deel onzer landgenooten ten minste,
wel de verklarende toevoeging: = draaiorgel, terwijl daar in vs. 25 luy'ren (var. luypen)
niet zonder verklaring kon blijven. Luypen op 't gemack is natuurlijk: op het gemak
bedacht zijn, naar het gemak streven; maar beteekent luyren nu hetzelfde, namelijk
loeren, of is het ons luieren en moet dan op 't gemack beteekenen: op haar gemak
(= gemakkelijk)? Ik houd het met de eerste verklaring en acht in elk geval de
verandering, die Huygens later aanbracht, geene verbetering. Dat zijn de
veranderingen ook elders gewoonlijk niet, en daarom had ik liever gezien, dat de
Hr. E. den tekst der Otia van 1625 had afgedrukt in plaats van dien der Korenbloemen
van 1672. Nog beter ware het wellicht geweest niet alleen ‘een professor’, maar alle
Zedeprinten naar het handschrift af te drukken.
Bij ‘een goed predikant’ vs. 53 zou ik de verklaring van hand als vriend liever niet
achterwege gelaten hebben, en gewezen hebben op de ineengelegde handen als
het bekende zinnebeeld der vriendschap, terwijl ik bij vs. 59 had opgemerkt, dat de
Bijbel aanleiding gaf om de predikanten te vergelijken bij de arbeiders, die den oogst
binnenhalen, en dat die vergelijking dan ook dikwijls voorkomt, ook bij Huygens,
b.v. Korenbl. I, bl. 72, vs. 79, waar hij de predikanten noemt: ‘De Dienaeren van
Dijns woords drucken Oost’. Bij deze geheele Zede-print zou overigens eene
vergelijking met Huygens' berispingsdicht ‘Aen sommige Predikers’ (Korenbl. I, bl.
524-528) niet ongepast geweest zijn.
In ‘een gemeen soldaet’ vs. 2 ontbreekt eene verklaring van prediker op 't mes,
d.i. steunende op het mes, in plaats van op den bijbel; bij vs. 4 ware het misschien
goed geweest, op te merken, dat vreeslick alleen bij het eerste deel der samenstelling
ambachts-man behoort, evenals vs. 47 de verklaring geeischt had: maar eene onder
den last van slecht doorleefde dagen gebukt gaande ziel. Bij vs. 49 is kostelick
gevaer niet voldoende door duur, groot verklaard: er wordt een gevaar bedoelt, dat
iemand duur te staan komt.
In ‘een onwetend medicijn’ zou ik gaarne bij vs. 36 schoon' Mevrouw opgemerkt
gezien hebben, dat schoon daar dezelfde beleefdheidsvorm is als in schoonmoeder,
schoondochter, enz. en dus een Gallicisme, terwijl bij vs. 67 verwaerdeloost had
kunnen gewezen worden op de (stellig verkeerde) vervanging van verwaarloosd
door eene, van Huygens zelf afkomstige, afleiding van waerde.
In ‘een waerd’ vs. 47 mis ik leit = gelegen is; vs. 53 dan emmers = maar echter,
trouwens; en bij vs. 79 had opgemerkt kunnen worden, dat de gesteenten van den
grammen haan eene toespeling bevatten op den kapoensteen of allectorius, waarvan
Maerlant zegt, Nat. Bloeme III, vs. 2087-2098:
‘Lapidaris ende Jacob seghet,
Dat men den haen te vuerne pleghet
Na dien dat hi es drie jaer out,
Ende nemmeer dan vijf jaer hout
Of sesse, ende dan voertan
So wast hem in die levre dan
Taal en Letteren. Jaargang 2
122
Een steen, heet allectorius.
Nadat hi dien ontfaet aldus,
En drinct hi nemmermeer daernaer;
Dus weetment, of hine hevet overwaer.
In der steene boec hier naer
Hoert sine cracht al overwaer.’
In ‘der steene boec’, Nat. Bloeme XII, vs. 155-172, lezen wij dan:
‘Allectorius es overeen
Dat wi heten den capoensteen,
Als ghi moeghet ondersoec
Hier voren doen in der voghel boec,
Van der grote dat es een bone,
Ghedaen na dat carstal scone,
Anders dan hi donker es.
Diene in den mont draghet, sijt seker des,
Hine laet ghenen dorst hem naken an.
Dus proeft men, of hi vrai es dan.
In wighen es hi zeghevri ter were
Ende bejaghet prijs ende ere.
Sinen draghere maect hi lief ende wijs,
Ende meest vrouwen, die mesprijs
Van haren mannen moeten ghedoghen,
Doet hi die manne vrientscap toghen.
Alsture vordel an wilt jaghen,
Moestune in den monde draghen.’
Bij ‘een comediant’ vs. 10 ware niet overbodig geweest, op te merken, dat wesen
niet als gewoonlijk karakter, maar uiterlijke gedaante of gelaat beteekent.
Bij ‘een alchymist’ vs. 47 mis ik de verklaring van Godheit als goddelijkheid, terwijl
bij vs. 41 wel even had mogen gewezen worden op het vrouwelijk geslacht van
bed-gemael, waarvoor wij nu gemalin zouden schrijven, ofschoon het Ohd. gimahala,
gimâla naast het mannelijke gimahalo bewijst, dat een vrouwelijk gemaal of, wil
men, gemale bestaan kon. De bijvoeging van bed doet mij vermoeden, dat Huygens
tevens aan het werkwoord malen = zaniken denkt, en dus in de bed-gemael iemand
voorstelt, die bedsermoenen houdt.
Bij ‘een algemeen poeet’ vs. 23 had opgemerkt kunnen worden, dat de dichters
uit Huygens' tijd hunne kennis van de Metamorphosen vooral putten uit het werk
van Karel van Mander ‘Uytleggingh op den metamorphosis Pub. Ovidii Nasonis.
Alles streckende tot voordering des vromen en eerlijcken Borgherlijcken Wandels.
Seer dienstigh den Schilders, Dichters en Constbeminders. Oock ghelijck tot leeringh
byeenghebracht en geraemt’, Amst. 1616, en later meermalen herdrukt.
Bij ‘een matroos’ vs. 10 heeft de Hr. E. verzuimd de variant der Otia
Taal en Letteren. Jaargang 2
123
1625: buyt voor bruyd op te geven. Het rijke rijm behoeft ons nog niet aan eene
drukfout te doen denken, te minder omdat het woord bruyd op zichzelf wel eenige
bevreemding wekt. Immers de tocht der Argonauten was niet om eene bruid
ondernomen, al verwierf Jason er dan ook zijne Medea door.
Om niet te uitvoerig te worden laat ik de overige Zede-printen onbesproken en
voeg hier nog eenige plaatsen bij, die ik anders zou willen verklaren dan de Hr. E.
deed.
In ‘Voorspraeck’ vs. 89 wordt ‘sweeten noch bevriesen’ verklaard met hitte noch
koude. Bij sweeten zou ik, met het oog op het Fransche évaporer (van vapor, damp)
liever aan verdampen denken. Men vgl. ook Voorhout vs. 433 vlg.:
‘Jae, vergadert all' de Dompen,
Daer het vochtigh veen aff sweet,’
d.i. die het vochtig veen uitwasemt.
In vs. 97 is hooren niet behooren, maar kunnen niet anders dan. In vs. 104 kan
‘sulcke derv' ick dese vruchten noemen doen’, dunkt mij, eenvoudig vertaald worden
met: zoo durf ik deze vruchten laten noemen. Aan doen noemen = noemen behoeven
wij niet te denken, want bij ons is het gebruik van doen in die beteekenis, schoon
niet zonder voorbeeld, niet alleen veel zeldzamer dan in het Engelsch en in het
Duitsch, maar ook in den infinitief na durven zeer onwaarschijnlijk.
In de prozavoorrede aan den ‘ledigen leser’ vs. 14 is gedaante zeer oneigenlijk
door begrip weergegeven; wij hebben hier een concreet woord noodig, b.v. voorwerp.
Uytdrucken is te kennen geven, aanduiden.
Bij ‘een koningh’ vs. 5 vlg. heeft de Hr. E. niet gedacht aan de vroeger gebruikelijke
rekenborden, in zes kolommen verdeeld: voor de penningen, stuivers, guldens, tien
guldens, honderd guldens en duizend guldens. De koperen penninkjes, waarmee
men telde, waren alle van hetzelfde metaal, ‘maer op de reken-rij der duisenden
geraeckt’ vertegenwoordigden zij eene 320,000 maal grootere waarde dan de
penningen van de eerste rij.
In vs. 12 behoeft men warrelwind van tijden niet om te zetten in tijden van
verwarriug, wanneer men bedenkt, dat Huygens met tijden het Lat. tempestates
vertaalt, dat wij met buien zouden weergeven.
De Hr. E. heeft zijne verklaring van vs. 16 onder de ‘verbeteringen’ gewijzigd,
maar toch geloof ik, dat hij het ‘uytgemaeckte man’ nog niet nauwkeurig heeft
e
weergegeven door de uitverkorene zijns volks. Uitmaken beteekent in de 17 eeuw
zeer dikwijls uit doen gaan, uitzenden, afvaardigen. De met imperatief mandaat naar
de Statenvergadering afgevaardigde leden der vroedschappen waren uitgemaakte
lieden. Daar de koning echter nergens heen wordt afgevaardigd, vertale men hier
uytgemaeckte man, liever dan door afgevaardigde, door een synoniem daarvan:
volksvertegenwoordiger. Hij is ‘schepsel van sijn laeger’, omdat het bestaan van
een volk de onmisbare voorwaarde is voor het bestaan van eenen
volksvertegenwoordiger.
Taal en Letteren. Jaargang 2
124
Vs. 50: ‘Daer 't soo dier slapen is en 't hoofd soo goe'koop draeyt’, zou ik liever niet
vertalen met ‘waar men zoo moeielijk slapen kan’, maar met: ‘waar het slapen zoo
duur te staan kan komen’. Het tweede gedeelte verklaart de Hr. E. waarschijnlijk
terecht met: ‘en 't hoofd zoo los op de schouders zit’; maar met het oog op ‘de
hooghd, daer 't soo gestadigh waeyt’ zou ik toch gelooven, dat Huygens er
woordspelend ook deze gedachte aan verbindt: ‘waar men zoo licht duizelig wordt’.
Men vergelijke daarbij Oogentroost vs. 345 vlgg.:
‘In 't ende draeyt haer 't hoofd op die verheven klippen,
En dan voelt Phaëton den toom sijn hand ontslippen,
Dan komt hy, als gewipt, weer blindelingh ter neer
En 't kost hem blindelingh sijn leven en sijn eer,’
of Hofwijck vs. 876, waar van de ‘vlagge-spill’ gesproken wordt, ‘daer 't hoofd draeyt
eer men 't weet’. Vgl. nog Hofwijck vs. 1005.
Van ‘een bedelaer’ vs. 3 wordt gezegd: ‘zonder zout versmelt, zal wel beteekenen:
die ook zonder toedoen van buiten af te niet gaat, verkwijnt.’ Bij die verklaring komt,
dunkt me, Huygens' vernuft niet tot zijn recht. De tegenstelling moet zijn: de slak
smelt met, de bedelaar daarentegen zonder zout, d.i. zonder maaltijd, waarvan het
zout het zinnebeeld is, dat de gastvrijheid ons verplicht met den vreemden bezoeker
te deelen.
Bij vs. 21 wordt kinder-keel-getier verklaard met het krijten van kinderen, doch in
verband tot den volgenden regel moet het beteekenen: het erbarmelijk gezang van
kinderen, dat hij met zijnen doedel of zijn draaiorgel begeleidt.
Bij ‘een rijcke vrijster’ vs. 6 is de verklaring: ‘de vrijster parfumeert zich dus met
amber en rozenwater’ wel niet de ware, want juist: ‘zij kan van duisend een amber
en roosewater ontbeeren’. Huygens bedoelt: naar schatting der vrijers is zij zulk een
wonderdier, dat haar zweet welriekend is als amber, hare pis (sit venia verbo!) als
rozenwater.
Juno's lach (vs. 20) is veeleer een lach van zelfvoldoening dan van minachting.
Bij het volgende vers heeft de Hr. E., vooral met het oog op ‘sijn uytgestraelde geest’,
misschien gelijk met Bilderdijk's verklaring af te keuren en aan de jenever te denken;
maar ik wil toch niet onopgemerkt laten, dat Schiedam destijds vooral bekend was
wegens de netten, die er gebreid werden. In de ‘Informatie op den Staet van Holland
en West-Vrieslandt’ in 1514 (uitg. door Fruin, Leiden 1866) bl. 476, leest men: ‘Voort
soe generen hem veel van de wijfs ende kinderen met netten te spinnen ende te
breyden’; en bij Guicciardini (in Kiliaen's vertaling, Amst. 1612) bl. 229, vinden wij:
‘Het lijndraeyen aldaer seer goet is; ende aldaer altoos ghenoech te doen is met
netten teghen de Haringvaert te maecken ende te stoppen’. Vooral verdient het
opmerking, dat Huygens zelf, als hij in zijne ‘Stedenstemmen’ Schiedam
karakteriseert, niet spreekt van de jeneverstokerijen, maar wel van de lijnbanen. Hij
zegt namelijk:
Taal en Letteren. Jaargang 2
125
‘Daer oeffen ick mijn' Jeughd op 't noodigh kennip-quijlen
En 't ruggelingh gespin; die reckt haer spinsel uyt
Tot daer het licht en dicht den Haringh-buyt besluyt
En twijnent binnen sleept.’
Deze woorden nu schreef Huygens in denzelfden tijd, waarin hij van de rijke vrijster
zeide, dat haar oog ‘Schiedams’ spreekt.
Bij vs. 28 wordt liever parckement verklaard met gewichtiger bezittings- of
schenkings-oorkonden. Ik houd echter liever niet voor een gewonen comparatief,
maar voor vertaling van het Lat. potior, dat absolute beteekenis heeft. Onder het
‘parckement, daer segelen aen swieren’ versta men bepaaldelijk de door de
provinciën uitgegeven perkamenten bewijzen van lijfrente, die (ten minste in Holland)
van groote, aan perkamentstrooken bevestigde zegels in rood was voorzien waren.
Daar ik niet kan gelooven, dat men ‘'s nachts aanhoudend en dringend zou
kloppen’ aan de deur eener rijke vrijster, meen ik, dat in vs. 36 eer gedoeld wordt
op de serenades, die men haar brengt.
In ‘een gemeen soldaet’ wordt vs. 37 ‘Carthago's val en vel’ weergegeven door
‘oorzaak en werktuig van Carthago's ondergang’, met het oog op het dubbele
excidium in het Latijn. Het komt mij echter voor, dat Huygens daar veeleer bedoelt:
‘die Carthago ten val bracht en er voor viel (sneuvelde)’. Daarop slaat dan het
vergingen in vs. 39; maar in vs. 38 zou ik bestel niet met opzet, toeleg, noch met
onderneming vertalen, maar eenvoudig met bedrijf.
In ‘een onwetend medicijn’ vs. 76 is quartieren minder juist vertaald met
vierendeelen. Reeds in de middeleeuwen had het de algemeene beteekenis van in
stukken houwen, zie b.v. Walewein vs. 10607 vlg.:
‘Daer sach men halsberghe ontmaelgieren,
Helme durhouwen, scilde quartieren.’
In ‘een waerd’ vs. 44 is beknopt geweld verkeerdelijk vertaald met kleine (maar
energique) macht. Van beknoopen afgeleid (de variant heeft ook beknoopt) beteekent
beknopt: stevig verbonden, goed samengevoegd, en vandaar: goed geordend,
keurig geregeld. Zoo gebruikt Huygens het woord ook Korenbloemen I, bl. 556, vs.
79, en zoo vinden wij het ook in Hooft's Nederl. Historiën, waar van Frankrijks
‘beknopte mogentheyt’ gesproken wordt. Huygens spreekt hier dus van de orde en
discipline in Maurits' leger.
Moest verslagen in vs. 50 gedood beteekenen, dan zou de toevoeging, ‘die 't
nemmermeer en waert’ wel wat al te onnoozel zijn. Men vatte het dus in den gewonen
zin op of desnoods in den overdrachtelijken ‘uit het veld geslagen’.
Bij vs. 73 wordt de vorm oest verklaard door ‘weglating van g’. Te onrechte: oest
is het Fransche aoust, waarnaast het uit Augustus voortgekomen oogst gebruikt
e
werd, en contaminatie van beide vormen leverde het in de 17 eeuw ook veel
gebruikte oegst op. De verzen 73 vlg. moeten, dunkt mij, aldus vertolkt worden: De
maand, waarin hij oogst, is niet de oest-,
Taal en Letteren. Jaargang 2
126
maar de oester-maand, daar oest-er (oogstmaand) en oester in zijne gedachte bij
elkaar passen; kastanjes passen ook bij oestmaand, maar het woord rijmt er niet
op, zooals oester op oest-er; is er een nieuweling, die dat nog niet begrijpt, dan wil
hij het hem wel leeren door de vertering, die hij hem laat maken. In Huygens' tijd
begonnen de waarden, althans op de dorpen, reeds de ziel der rederijkerskamers
te worden, en het rijmpje: ‘rederijkers, kannenkijkers’ tot eene treurige waarheid te
maken.
Bij ‘een alchymist’ vs. 26 zal in de aanteekening de dubbele o van doogen wel
eene drukfout zijn. Het sterke deelwoord gedogen (nu gedeugd) is van dat werkwoord
met opgeschoven praeteritum in het Mnl. niet ongewoon. Men vindt het o.a. Moriaen
vs. 2254. Het is te vergelijken met geweten en gemoeten.
In ‘een dwergh’ vs. 2 zou ik ‘een poppen Oliphant’ liever verklaren met: ‘een olifant
(d.i. een reus) onder de poppen’ dan met: ‘een speelgoed-olifant, olifant in miniatuur’.
De tegenstelling van het vers (de Zede-print zelf) en eene kaars is waarschijnlijk
niet alleen in de lengte en dikte (of breedte) te zoeken, maar ook in den vorm: de
kaars loopt van boven, dit vers van onderen puntig uit, vooral in de oudste uitgave
(Otia 1625).
In ‘een algemeen poeet’ vs. 17 is ringelen waarschijnlijk wel niet: ‘al rammelend
achterna loopen, rinkelen’, maar: ‘van achteren bij den ring vasthouden en zoo op
den voet volgen’. Zoo spreekt ook Cats ‘van die geringelt sijn en niet en konnen
vluchten’.
In ‘een matroos’ vs. 33 behoeft bij vol tegenwoordigheits niet aangevuld te worden
van geest. De bedoeling is: in 't heetste van den strijd is hij overal, waar zijne
tegenwoordigheid vereischt wordt; in 't volgende vers is vol schrickelick bescheits
ook niet ‘vol ontzaginboezemend beleid’, maar: beantwoordt hij de aanvallen op
eene schrikverwekkende manier.
In ‘een professor’ vs. 12 beteekent ‘siet hij weer om hooge’ niet ‘ziet hij op naar
een geleerder dan hij’, maar ‘ziet hij op naar eenen hoogere in rang’, en zulk een
hoogere is de in denzelfden regel genoemde ‘staetsman’. Nog altijd meent een
professor eene sport hooger op de ladder van het maatschappelijk aanzien
geklommen te zijn, als hij zich tot minister heeft opgewerkt, en kort voordat Huygens
zijne Zede-print schreef, had zijn vriend Cats het ambt van pensionaris boven dat
van professor verkozen.
De woorden ‘die naerder zijn bekent met nieu en oude ballen’ vs. 60 worden
vertolkt met: ‘die zijne manieren van gisteren en die van heden kennen’. Ik geloof,
dat de bedoeling is: die beter nieuwe en oude ballen, d.i. in casu echte en
voorgewende deugdelijkheid van elkaar weten te onderscheiden, of m.a.w. die zich
geene knollen voor citroenen in de hand laten stoppen door den professor, die dat
zoo handig weet te doen.
Vraagt men, waarom Huygens deze Zede-print niet in 't licht heeft gegegeven, ik
geloof, dat het antwoord op die vraag voor de hand ligt, als
Taal en Letteren. Jaargang 2
127
men bedenkt, aan wien de Otia, waarin de Printen voor het eerst verschenen, werden
opgedragen. Het weinig vleiend portret, dat Huygens van den professor gaf, zou
zijnen leermeester en vriend Daniel Heinsius allicht hebben kunnen ergeren en
Huygens was te voorzichtig en te wellevend om dat te willen doen.
In ‘een printschrijver’ vs. 21 is sterlingh, dunkt me, niet zoozeer starreling, strak,
en dus met star niet te vergelijken, als wel als eene ster, stergewijs, d.i. even helder
als eene ster.
Een einde makend aan mijne opmerkingen, die ik, uit vrees van onbescheiden
te worden, en gedachtig aan Huygens' woorden, dat ‘alle veel verveelt’, niet over
alle Zede-printen durf uit te strekken, wensch ik nog even uitdrukkelijk te zeggen,
dat de reeks der door den Heer Eijmael in de Zedeprinten voortreffelijk vertolkte
plaatsen die der door mij anders opgevatte of m.i. onvolledig verklaarde uitdrukkingen
verre overtreft; dat men dus den Heer Eijmael dankbaar mag wezen voor den moed,
waarmee hij een werk als de Zede-printen heeft aangedurfd, en de energie, waarmee
hij het grootendeels vermeesterd heeft. Nochtans ‘wy konnen 't all niet all’, zegt
Huygens (Korenbl. I, bl. 450, vs. 51), en daarmee zal de Heer Eijmael het wel eens
zijn; wij moeten elkaar een handje helpen, en daarom meende ik deze geringe
bijdrage tot verklaring der Zede-printen wel aan de uitgave van den Heer Eijmael
te mogen toevoegen.
Augustus 1891.
JAN TE WINKEL.
Sprokkel.
Zuiverheid van taal.
Een te groote invloed van vreemde talen is een gevaar voor de zelfstandigheid
eener taal, maar gewoonlijk wordt dit gevaar overdreven. In allen gevalle moet men
er zich weten in te schikken als het onvermijdelijk is. Immers ten gevolge van het
steeds uitgebreider internationaal verkeer, wordt ieder volk met voorwerpen, zeden,
enz. bekend gemaakt waarvoor het geen namen heeft, of waarvoor het namen zou
moeten smeden, als, wel te verstaan, de spraakmakende gemeente het kan eens
worden. Voor wetenschappen, bestuur, leger, modezaken, hebben de beschaafde
volken thans een internationaal woordenboek, dat men niet nutteloos moet uitbreiden,
maar ook niet met overdreven purisme verstooten.
Alleen dan wordt het gevaar wezenlijk als de taal haar eigen goed opgeeft en het
door vreemd goed vervangt. Onze plicht jegens onze taal is dus niet zoo zeer,
nieuwe woorden te vormen, als de bestaande in leven te houden en hunne plaats
door vreemde indringers niet te laten innemen.
J.V. Inleid. t/d. Taalkunde, 72.
Taal en Letteren. Jaargang 2
128
*)
Vragen.
1. In verschillende grammatica's leest men dat de causatieven van den Verl. Tijd
Enkelv. of van den Teg. Tijd komen: dit begrijp ik niet, hoe een vorm die Verl. Tijd
of Teg. Tijd beteekent een afleidsel leveren kan, dat het doen plaats hebben der
werking beteekent. Mij schijnt dit ongerijmd en ik kan niet anders denken of de
geleerden bedoelen het ietwat anders dan de schoolgrammatica's het oververtellen.
*
2. Men vraagt de afleiding van voornamelijk: wat heeft dit met voornaam te maken?
*
3. Waarom regelt in de spelling heet zich naar heiss en niet naar hitte, scheef en
heer zich niet naar schief en herr, doof zich niet naar dof, loos zich niet naar los
etc.: staan hier van ouds twee stammen of wortels naast elkaar of is het anders, en
hoe bepaalt men nu, naar welke der vormen men zich regelen zal?
*
4. Eenige moeielijkheid vind ik in Staring's Winterroos:
Versliept gij 't zoet der Lentedagen,
Traag Roosje, dat gij nu nog waakt?
In welke betrekking staat de vraag tot ‘dat gij nu nog waakt’? Ik zag dit gaarne
helder uiteengezet, en hoe een constructie als deze, waarvan ik in mijne Spraakkunst
niets analoogs aantref, ontstaat. Hoort het vraagteeken eigenlijk achter Roosje?
Maar ik voel het volgende er toch zeer nauw mee samenhangen en wil het
vraagteeken ook wel laten waar het is.
Middelburg.
P.S.
***
5. Wat is de wezenlijk juiste taalkundige beschouwing, sceptisch of niet sceptisch,
indien maar juist, van den vorm zijn in:
Zijn ziel zweeft om den schat,
Dien hij te spade vond, te kort als zijn bezat! STARING, Ivo, Volksuitgaaf 145.
Ik kan niet gelooven, gelijk ik hier en daar lees, dat dit een bezittelijk voornw. is,
waarbij in dit geval nu schat werd weggelaten.
Breda.
J. Hs.
*)
Deze vragen zullen groepsgewijze worden beantwoord door de redacteurs en door hen, die
reeds hunne welwillende medewerking hebben toegezegd.
Daaronder zijn prof. Dr. J. FRANCK te Bonn, Dr. A. KLUYVER te Leiden, prof. Dr. H.E. MOLTZER
te Utrecht, prof. Dr. J. VERDAM, Dr. A.F. STOETT en prof. Dr. J. TE WINKEL te Amsterdam.
Ook worden mededeelingen van belangstellende lezers gevraagd en in dank aangenomen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
129
Wat is romantiek?
Het korte opstel, dat ter beantwoording van deze vraag strekt, bevat niet de
geschiedenis van het woord en zijne toepassing, noch de geschiedenis van hetgeen
het aanduidt, - enkel de beteekenis van den term komt er ter sprake. Het wordt
geschreven ten behoeve van studeerende lezers, die er bij de beoefening van de
letterkunde hun voordeel mee kunnen doen.
Met ‘Romantisch’ is het als met de termen Idealisme, Realisme, Naturalisme en
vele andere van philosophisch stempel; zij hebben niet in aller mond denzelfden
zin; verschillende dichters of denkers wenden ze aan, elk om een hem eigenaardige
wijze van zien en gevoelen een naam te leenen; deze verschillende wijzen van zien
en gevoelen echter hebben iets gemeenschappelijk en zoo is dan ook aan deze
termen, buiten de velerlei bijzondere toepassing, een algemeene beteekenis eigen.
Dit algemeene aan te wijzen en een weinig uit te leggen is ons doel.
Wat noemen wij in ons dagelijksch spreken romantisch?
De lezer kent allicht Van Beers' gedicht Lievelingsdroomen (1845). Laten wij ons
in de wereld dier droomen eens verplaatsen. Met een vriend was de dichter het
stadsgewoel ontvlucht, om in de eenzaamheid die kalmte en die zaligheid te smaken,
die nergens anders dan dáár te smaken zijn. Zij wandelen in eene boschrijke vlakte,
en op eene liefelijke plek willen zij straks rusten. Als de vriend straks heengaat, om
te klappen met zijne kruiden en zijn bloemen en met de lieve vogelen, dan blijft de
dichter daar droomen en denken en gevoelen. De heerlijkheid der natuur rondom
hem overstelpt de dichterziel. De zon ging onder en het woud trilde in weemoedigen
wellust onder haar afscheidskus; de schemering viel; de stilte was als een avondlied.
Ach! deze vrede en die rustelooze strijd in die samenleving..... Rondom hem was
het als een droom van harmonie en schoonheid; diep uit zijn hart welden zuchten
en behoeften en geheimen; ook hij droomde en een visioen kwam voor zijn oogen.
Onder de wilgenboomen aan de beek komen een jongeling en eene maagd, hand
aan hand, zich nedervlijen. Zijn voorhoofd was verheven, breed en blank; zijn
aangezicht schier vrouwe-
Taal en Letteren. Jaargang 2
130
lijk zacht en ernstig; daar was iets dieps en dwepends in zijn blik, en de glimlach
om den vriendelijken mond temperde een trek van smart en bitterheid. Met een
glans van meer dan aardsche zaligheid aanschouwde hij haar, naast hem, teeder.
Zij was schoon als de droom eens dichters: rank als een lelie uit de delling, blozend
als een zomerochtend: zijn ideaal. Zij stonden oog in oog, sprakeloos, ziel in ziel;
totdat hij eindelijk sprak. ‘Liefste, voelt ge thans ook de zaligheid der eenzaamheid
met zijn geliefde?’ Haar toon klonk kinderlijk en zoet, zóó was ook haar glimlach;
en zij verstond hem en hij was sprakeloos van dankbaarheid. Het was schoon in
die geheimzinnige ure, te midden van het zaliginsluimerend woud, die twee blanke
duiven, die reine zielen in hun zaligheid te aanschouwen. Straks ijlt zij heen, om
hem een bloemenkrans te plukken. Toen zonk zijn hoofd al mijmerend neder: een
visioen rees voor zijn oogen. Hij deelt het de geliefde mede, als zij weêrkeert. Dit
zag hij: Een lief landelijk huisken aan den ingang van een beukenwoud, half
wegschuilend, als het nest eener tortelduif: het is herfstavond: bij het flikkerend vuur
de jonge moeder, haar eersteling rozig en warm aan heur borst; pas heeft de man
zijne pen neergelegd; opgerezen uit de dichtermijmering, slaat hij de armen om
vrouw en kind en dan wekt beider kus de kleine. Een nieuw tafereel kwam toen op.
Hetzelfde huisje, vijftig jaren later: het is een voorjaarsmorgen, en onder de
saamgevlochten kruinen der kastanjeboomen, wemelend van hagelwitten bloei, in
een prieel van meiroos en sering, koesteren zich twee oudjes in de warme lentezon,
een zaligen glimlach om de lippen: dáár komen ze de kleinzoons, de kleindochters,
de dochters en de zoons: het is het Gouden Bruiloftsfeest; daar scharen allen zich
om de grijzen: een blonde knaap komt voorwaarts: helder en schuldeloos, als met
de stem van een engel, klinken zijne verzen en als hij eindigt, dan vliegt de
kinderschaar hùn om den hals, die daar beide lachen en weenen. Die man was hij,
die vrouw zijne geliefde. ‘Gij zijt een droomer,’ meent zij. ‘Een droomer?’ vraagt hij.
Een wolk toog over zijn gelaat.
‘“Een droomer, ja,
Waarachtig, 't zijn maar droomen, ijdle droomen,
Die nooit misschien....” En met een bittren lach
Zag hij voor zich, en zweeg.’
Is het noodig te zeggen, dat de jongeling in het landschap zelve deze droomer is?
In zijne droomen droomt hij van nieuwe droomen. Zijn hart was voor de eenzaamheid
gestemd. Het landschap heeft al de snaren van dat hart thans aan het trillen gebracht.
Zulk een landschap, dat droomen wekt, heet romantisch. In het hart-zelf moeten
contrasten
Taal en Letteren. Jaargang 2
131
zijn: van gelukkig zijn en smachten; van kalme rust en stillen vrede en - den
rusteloozen arbeid en strijd in de samenleving; van tedere individueele idealen en
- de samenleving andermaal, die het individueele slechts weinig duldt, die het
algemeene beter vindt. Dan kan een eenzaam avondlandschap een symbool dier
hoogere wereld worden. Dan kan een eenzaam berglandschap de sluimerende
smart wakker roepen en zelf een beter vaderland schijnen dan de schoone wereld.
Romantisch staat wel, min juist, voor ‘schilderachtig’, ‘pittoresk’. In enger zin, en
juister, kenmerkt het romantisch landschap zich door eenzaamheid en stille
verhevenheid: het plaatst ons buiten het gewoel der menigte, het wekt een zachte
en fijne muziek van gewaarwordingen, die in het gewoel nauw hoorbaar op den
bodem des harten blijft.
Laten wij een dieper blik werpen in die dichterziel. In de samenleving gevoelde
Van Beers zich in zijn jongelingstijd niet thuis; zijne behoefte aan sympathie bleef
er onvoldaan; de grovere gevoelens die daar het hoogste woord voeren, de ruwere
krachten die daar werken, kwamen in botsing met zijn teeder gestel en dit bezweek;
hij trok zich terug uit de werkelijkheid, met enkele zijner verkorenen, en vormde zich
het denkbeeld van een idealen toestand, waarin één innige sympathie alle
schepselen doordrong en vereenigde, en deze nieuwe wereld beschouwde hij als
de hoogere werkelijkheid, die hij die trouw zocht, vinden moest. De Natuur, dat was,
in zijne lievelingsdroomen, de wereld gelijk zij uit Gods hand was voortgekomen:
enkel aangenaam - enkel goed, enkel schoon. Het menschdom was daar een enkel
paar: de dichter en de uitverkorene: Adam en Eva, in het Paradijs. Allengs wordt
die Natuur met meer schepselen gestoffeerd: kinderen en kleinkinderen dartelen
er om. Juist dit was het ideaal: de patriarchale familie van zuiveren bloede uit de
kindsheid der volken, die geen omgang met de heidenen kent.
Het is de Idylle uit het Boek Genesis. Maar de Hebreeuwsche poëzie erkent, dat
arbeiden in het zweet des aanschijns heden ten dage een wet is. Van Beers liet
zich met dit feit in zijne droomen ongaarne in. Zijn patriarchaal gezin had hem licht
een vergezicht in de toekomstige samenleving kunnen schenken. Want hij heeft
zijne kinderen het genot gegund zich vrouwen en mannen te kiezen en, evenals hij,
zich neer te vlijen onder den wilgenboom en tuiltjes te plukken; hij zal het dus hunne
nakomelingen niet weigeren; en al is het één groot dichtergeslacht (de kleinzoon
immers, die nog een kleine is, dicht reeds op het Gouden Bruiloftsfeest!), wanneer
het tot honderdduizenden, tot millioenen eenmaal, zal zijn aangegroeid, dan zal er
zich van lieverlede eene maat-
Taal en Letteren. Jaargang 2
132
schappij gaan vormen. Er zullen eenmaal geen wilgen en beekjes, geen open plekjes
aan den ingang van wouden genoeg zijn; men zal elkander in den weg zitten, er zal
een strijd komen om het bestaan: er zal proza zijn en tragische poëzie, en het woord
‘arbeid’ zal in de woordenboeken worden aangetroffen.
Het eigenaardigste van dichters, als Van Beers was in zijn eerste tijdperk, is, dat
critiek als deze geen vat op hen heeft. Zij erkennen niet het noodwendige van deze
wereld met hoeken en punten. Met het oog der verbeelding zien zij een toestand,
die buiten de algemeene voorwaarden van het menschelijk leven staat, waarin alle
beperkingen en alle beletsels verdwenen en opgeheven zijn. De critiek is overbodig,
omdat de Idealist tot de Geloovigen behoort en het in het wezen van het geloof ligt,
boven de critiek te staan. Romantisme is de naam van dit leven in de kringen der
dichterlijke verbeelding.
Dit Romantisme is niet maar aan enkele menschen eigen, - sommige van zijn
elementen dragen wij allen misschien met ons om; in de geschiedenis, vooral in de
nieuwere tijden, heeft het zich vaak, onder de jeugd, als een min of meer algemeen
verschijnsel voorgedaan. De menschelijke geest heeft ruimte noodig. Alleen hij is
gelukkig, die zijn mag, wat hij is. Op lateren leeftijd schikken wij ons gewoonlijk in
ons lot. De jeugd tracht zich zijn lot te scheppen. In de vorige eeuw had de geheele
samenleving een gevoel van engheid en gebondenheid; de jeugd het meest. In de
tweede helft der eeuw ontwaakte, eerst in de jonge dichters, vervolgens in een
steeds aanwassend getal van jonge menschen dat phantazie-leven zonder perk of
paal, zonder wet of gewoonte. Smachtend wendden de oogen zich naar de Natuur,
waar alles vrij en naar hartelust, zusterlijk en broederlijk groeide en bloeide in
zonneschijn en zomerwarmte; waar, des nachts, de hemel een tempel werd,
plechtiger dan eenige tempel vol menschen in de steden, en de maan van den
hemel de peinzenden troostte; wier barre Alpen-eenzaamheid, vroeger onschoon
en onaanzienlijk geacht, thans een verheven spiegelbeeld van het gemoedsleven
werd. In de maatschappij zag men enkel onnatuur en de geheele Natuur was
romantisch geworden. Zelf wilde men vrij zijn als de boomen en bloemen; men
voelde zich hoog en sterk als de bergen; er was behalve een peillooze melancholie
en een onuitsprekelijke verfoeiing van den gewonen mensch der samenleving, ook
een geweldig krachtsgevoel en een heerlijke geestdrift. Dit alles openbaarde zich
in het leven en vooral in de letteren. Het spreekt vanzelf dat de oude heeren en de
gezeten burgers, druk bezig, toen als anders, kapitaal te winnen of kapitaal te
ontginnen, hier weinig deel
Taal en Letteren. Jaargang 2
133
aan konden nemen. Het Romantisme was inderdaad... de jeugd, die op eens al
haar groeikracht ging ten tooi spreiden, die met kwistige weelderigheid op eens al
haar bladen en bloemen ging ontvouwen en ontplooien. Het openbaarde zich in
duizend brutaliteiten en dwaasheden tegen de gewone fatsoenlijke levensopvatting,
maar in zijn geheel was het een buitengewoon mooi verschijnsel.
In den enkelen mensch kan het Romantisme niet van langen duur zijn. Dit is
althans iets zeldzaams. Men wordt allengskens ouder en moet eene positie hebben.
Men is eindelijk een gezeten man en men wordt tot stoelvastheid gedwongen door
zijn eigene belangen. Dan krijgt men óók gevestigde opinies en dan verbergen de
rijkdommen der schepping zich voor ons. Het oog sluit zich voor de zon en wij vinden
ons gelukkig met een kaarsje. Doch in de nieuwere tijden heeft het verschijnsel van
dat Romantisme zich, bij nieuwe jonge geslachten, sinds de achttiende eeuw, telkens
herhaald. Het geschiedde niet telkens onder dezelfde omstandigheden, niet door
dezelfde bijzondere oorzaken, maar het was telkens een gelijksoortig zielkundig
verschijnsel: dezelfde zieletoestanden en dezelfde algemeene invloeden. Altijd uitte
er zich een onoverwinlijke afkeer van het dagelijksch ‘mierengewemel’ der
maatschappij en van den gezeten man met de gevestigde opinies. Altijd gevoel van
engheid en beperktheid en behoefte aan ruimte. Altijd weer een verzet tegen het
gevestigde, om nieuwe, ongewone, mooiere dingen plaats te maken; eene
omwenteling in de wereld van gevoel en gedachte, in zeden en gewoonten. En
telkens een Nieuwe Litteratuur, waarin de Romantische Jeugd zich geheel, waarin
zij haar gansche wereld overgaf aan de nakomelingschap: en deze litteratuur wel
verscheiden naar den aard der individuen, der volken, der tijden, der toestanden,
maar toch overal en telkens een aantal wezenlijke eigenschappen als
gemeenschappelijk vertoonend.
Een machtige Romantische beweging ontstond er op het laatst der vorige eeuw
in Duitschland; eene nauw daaraan verwante met het begin ónzer eeuw in Frankrijk,
waar zij zich in het tweede en derde decennium vooral deed gevoelen. Omtrent
1810 begint een Romantisme van anderen aard in Engeland te werken. In 1830
omstreeks slaat in Frankrijk het Romantisme van het Restauratie-tijdperk in een
nieuwe Romantische beweging om. Ook het Duitsche Romantisme neemt omtrent
dezen tijd een geheel andere gedaante aan. Zoo volgen in het Europeesche
gemoedsleven onderscheiden phases elkander op. Het is onmogelijk om met weinig
woorden dit drama in een goed licht te stellen. In Duitschland en tijdens de
Restauratie in het naburig Frankrijk, vertoonden
Taal en Letteren. Jaargang 2
134
zich sterk Katholieke neigingen; men hnldigde er Theocratie en Monarchie. Hier
was het eene reactie tot het niterste tegen pedantheid, blinde godsdienstloosheid,
doodigheid des gemoeds, gebrek aan en minachting voor geestdrift: reactie tegen
de ten hemel schreiende aanmatiging van het gezond verstand. Ook was het een
ontvluchten van het toenmalige Heden, het Heden van de Revolntie en van Napoleon.
Onstilbaar was de behoefte aan eenzaamheid. Men nam de wijk in het Verleden.
Men leefde in de Middeleeuwen, die men als de vervlogen Gouden Eeuw der Poëzie
beschouwde. Een heimwee naar Zuid-Europa ging er mede gepaard. Ook in
Engeland was reactie tegen de achttiende eenw een bron van Romantisme, maar
krachtiger werkte hier het verlevendigd nationaliteitsgevoel, reactie door Napoleons
Caesarisme in 't leven geroepen. Men zocht hier bij voorkeur het nationaal Verleden
op. Doch tegelijkertijd bond er de Poëzie een geweldigen strijd aan tegen de geheele
bestaande samenleving. Deze strijd werd straks naar Frankrijk en toen naar
Dnitschland overgebracht. Na de Revolutie was de macht van het geld de macht
van den adel komen vervangen. De industrieele Bourgeois bereidde, terwijl het
Romantisch geslacht van 1830 in Frankrijk tot manlijkheid aanwies, zijne
oppermachtige heerschappij voor. Het Restauratie-tijdvak was een tijd van geestelijke
gevangenschap geweest. Eindelijk verbrak er de jongelingschap hare boeien, om
het Romantisme eener naar Vrijheid en Ruimte dorstende Jeugd in volle heerlijkheid
voor de wereld ten toon te spreiden.
De Litteratunr van al deze phases is Romantiek. Romantiek is de Litteratnnr uit
de eerste helft der negentiende eeuw. Het is de Litteratuur waarin het Romantisch
gemoedsleven van Enropa in dien tijd zich heeft geopenbaard. De Romantiek is
niet het beeld der samenleving, en de andere helft der menschheid kan er zijn waar
portret niet in vinden. Zij is als een droom der Jeugd. Het tooneel is er een met
menschelijk leven bezielde natuur, een ver en een vreemd land, een verre en
vreemde tijd, maar het meest een phantastische wereld in de oneindige rnimte van
het toenmalige jongelingshart. Al deze Romantiek draagt een sterk snbjectief
karakter. Zij is, litterarisch gesproken, door en door Lyrisch. In modernen zin is zij
alles behalve realistisch. Er verraadt zich een groote vatbaarheid voor zinlijke
indrukken. Het is er alles klenr, klank, licht, glans en gloed. Ontboezeming en
beschrijving vereenigen zich, smelten samen tot één kunst. Men zweeft er in
uitersten. Men zwelgt er in het genot der eenzaamheid of stort zich in de warrigste
drnkte, in het verdoovenst rumoer. Men zoekt prikkeling en spanning en kent geen
maat. Onmatigheid en gebrek aan zelfbeheersching paren zich
Taal en Letteren. Jaargang 2
135
aan geniale oorspronkelijkheid. Er is heerlijke waarheid, wonderbare diepte; de
zeldzaamste geesteskrachten zijn er werkzaam; er heerscht een allesveroverende
macht van taal; doch daar is ook een roekeloos, driest veronachtzamen, verwerpen,
vertreden van sommige regels van schrijfkunst en dichtkunst, die hun beteekenis
ontleenen aan het feit van de onsterfelijkheid dier oude dichters en schrijvers,
Klassieken genaamd. Vormeloosheid, onvolkomenheid van vorm, wanvorm,
vermenging van ongelijksoortige vormen behoort hier tot de kenmerken. In 't kort:
De Romantiek is niet de Litteratuur van den rijpen leeftijd; zij is de openbaring der
Jeugd met al hare eigenschappen. Zij mist de eigenschappen van het geoefend,
ervaren, zich zelve en de dingen beheerschend mannenverstand. Maar zij is ook
de triomf van het recht van het jong-zijn.
Thans moeten wij spreken over eene andere beteekenis van de termen
‘Romantisch’, ‘Romantisme’, ‘Romantiek’. Lezers die Jonckbloets groote
de
Geschiedenis der Letterkunde lazen, kennen haar, uit het II , maar vooral uit het
ste
de
I deel van de Geschiedenis der XVII eeuw. Er stond toen tegenover het Klassieke
Drama een Romantisch Drama. Deze twee ongelijksoortige vormen voerden zelfs
een strijd. Jan Vos deed het Romantische drama voor een tijd zegevieren. Deze
strijd werd niet alleen hier gevoerd. Schitterend overwon het Romantische in
Engeland en Spanje. Even schitterend overwon het Klassieke in Frankrijk. Wij zullen
trachten, dit hoogst merkwaardige feit in een goed licht te stellen.
Het Romantische Drama was eigenlijk de voortzetting van het Drama der
Middeleeuwen. Hierin had zich eene neiging geopenbaard, om, gelijk dat in het
leven ook gezien wordt, den ernst en de luim te vermengen, de wijsheid en de
dwaasheid onder één dak te laten wonen, den rimpel en den lach te paren. Dat wat
de Grieken tragedie noemden, kenden de Middeleeuwen eigenlijk niet.
Overeenkomstig den smaak van het volk, onderscheidde dit drama zich door
bontheid, door afwisseling van tooneelen, door drukte, beweging en veel handeling.
Het volk is ‘Kijkgraag’; het geniet meer met het oog, dan met het oor. De phantazie
zwaaide er dus den scepter. De hartstochten van het volk speelden er eene
voorname rol. Het Klassieke drama was eerst nabootsing, daarna navolging van
het Drama der Ouden, eerst van den Romein Seneca, die zelf echter Romantische
elementen bevatte; daarna van de Grieken Euripides en Sophocles. Het duldde
geen vermenging van ernst en luim; het streefde naar den zuiveren, edelen ernst.
Het verhief zich boven den smaak des volks en onderscheidde zich door grooten
eenvoud in den vorm; bontheid van tooneelen, drukte van handeling sloot het uit.
Het
Taal en Letteren. Jaargang 2
136
wilde niet het oog boeien; door zijn poëzie wilde het het oor streelen; niet de
phantazie wilde het in beweging brengen en verbazen; het wilde het gemoed met
verheven aandoeningen vervullen. Ziedaar het meest wezenlijke verschil tusschen
die beide drama's, waarin de Middeleeuwen en de Renaissance om den voorrang
streden, waarin ook de smaak van het volk zich tegenover den smaak van den in
de School der Ouden ontwikkelden Geleerde en Dichter stelde, waarin ruwe
oorspronkelijkheid tevens in botsing kwam met volleerd talent.
Tot de vertegenwoordigers van het Romantische Drama te onzent, dat onder den
invloed stond van de Spaansche en Engelsche Romantiek, behooren Rodenburg,
Brederoo, Coster en Starter. Voor wij iets naders over hen zeggen, dient te worden
opgemerkt, dat, ook door het voorbeeld van den half romantischen Seneca, klassieke
stof, Grieksche mythologische verhalen, meermalen Romantisch werden behandeld
en menig drama, hoezeer in uiterlijken vorm klassiek, door zijn geest tegen al wat
wezenlijk klassiek is, vloekte. Hoofts Geeraerdt van Velsen en zijn Baeto hebben
een sterk Romantische kleur. Zuiverder Romantisch echter zijn de stukken,
waarmede Brederoo het tooneel betrad: Rodderick ende Alphonsus en Griane; niet
zijn eenigste; Costers Itys en Isabella; Timbre de Cardone en Daraïde van Starter.
Doch de Romanticus bij uitnemendheid is Rodenburg geweest; kenmerkend voor
zijn trant zijn Rodomont en Isabella en De Jalourse Studenten. Over 't algemeen is
op deze stukken hetgeen wij boven aanstipten toepasselijk. Er is een groote
hartstocht en sterk pathetische taal in, ongebreidelde uitspatting van de verbeelding
en botviering van den lust in het zonderlinge en akelige, een onbelemmerde
beweging van de eene plaats naar de andere en een verbazende drukte; meer of
min is dit aan alle Romantische drama's eigen. Eigenaardig vooral is het comische
intermezzo of tusschenspel te midden van den akeligsten ernst. Het oude tooneel,
zoomin bij de Grieken als bij de Middeleeuwers, had geen gordijn; het tooneel bleef
het gansche spel door open. Bij de Grieken werden de tijdruimten tusschen de
bedrijven door de dansende en zingende koren gevuld. In het Romantische drama
geschiedde dit met comische tusschenspelen, en er bestond geen bezwaar dat de
grappige personages tevens deel namen aan het eigenlijke stuk. En zoo laat
Brederoo dan in zijn Rodderick het stichtelijk paar Nieuwen-Haan en Griet Smeers
optreden en in Griane den ietwat fatsoenlijker Bouwen Lang-lijf met zijn wijf
Sinnelijcke Nel van Gooswegen. Ja, Coster, die zijn Isabella, hoe romantisch ook,
voor nog al klassiek hield, wilde zich daarin van het comische niet spenen: de
Isabella was geen Tragedie: zij was Tragi-comedie. Aanvankelijk moest de Romantiek
Taal en Letteren. Jaargang 2
137
de vlag strijken voor de vaan der Renaissancemannen en het genie van het
Klassicisme. Doch de tweespalt was van te ernstigen aard en ging te diep. Want
dit was ten slotte, hier als elders, de groote vraag: Zal het drama voor het oor zijn
of voor het oog; zal het zijn een kunstwerk van poëtische welsprekendheid of een
vertooning van het leven: zal het Tooneel voor het volk zijn of voor den dichterlijken
Aristocraat en den aristocratischen Dichter. Hoe het volk en de Kijklust voor eenigen
tijd zegevierde, hoe Jan Vos voor de Romantiek in het krijt trad, dat moge de lezer
uit Jonckbloets Geschiedenis gaan vernemen.
Nu rest ons: Met welk recht bestempelt men dit drama, deze Tragicomedie met
de
een naam, die in de XIX eeuw het eigendom is geworden van verschijnselen, zoo
geheel verschillend toch van de uiting van den volkssmaak bij Rodenburg en
Brederoo?
Daar is ongetwijfeld groot verschil. Maar daar is ook overeenkomst. De
Romantische scholen der negentiende eeuw, die tegen de achttiende eeuw
reageerden, reageerden ook tegen het Klassicisme in de Letteren. Heftig was in
Frankrijk omtrent 1827 de strijd tusschen de vereerders van de Ouden en van Racine
en Victor Hugo met zijn Romantische bende. En - wat er in de jongelieden ontwaakt
was, dat was de hartstocht, de phantazie, de oorspronkelijkheid der jeugd, - krachten,
wier uitwerksels altijd het oog trekken en den bijval verwerven van de min verfijnde
volksklassen. In 't algemeen, kan men zeggen, is de volkssmaak min of meer
Romantisch. De elementen van jeugd in de stukken die wij bij name aanhaalden,
zullen den lezer niet ontgaan. Het Romantisch Drama en de jeugd in haar
onbedwongen uiting staan op dezelfde wijze tegenover het Klassieke Drama en
den gevormden manlijken leeftijd. Doch daar is nog iets anders. Aan de Romantische
scholen, waarover wij handelden, was een Romantische Voorliefde voor de
Middeleeuwen gemeen. De Middeleeuwen hebben in de eerste dertig jaren onzer
eeuw, het wonderlijkst in Duitschland, een ware betoovering op de jongelingschap
uitgeoefend. Het Romantisch drama was het Middeleeuwsche. De
zeventiendeëeuwsche Tragi-comedie kwam uit de Middeleeuwen: de romantische
jeugd keerde tot de Middeleeuwen terug, en ook zij verwierp de Klassieke Tragedie,
om er de Tragi-comedie weder voor in de plaats te stellen. Merken wij eindelijk op,
dat de naam Romantiek juist in de Middeleeuwen zijnen oorsprong heeft, en aan
de Romantische Scholen eigen werd, ook óm hare vereering van Middeleeuwsche
Idealen, dan zal de vraag die wij stelden volledig beantwoord zijn. Romantiek is,
vóór elke andere beteekenis: de Geest der godsdienstige, idealistische
Middeleeuwen. En zoo heeft ook ‘Romantisch,’ naar den
Taal en Letteren. Jaargang 2
138
inhoud der middeleeuwsche romans, reeds vroeg den zin van avontuurlijk
aangenomen. Zoo besluiten wij met de beteekenis van den term in het dagelijksch
leven, gelijk wij daarmede begonnen en daarvan uitgegaan zijn.
Z.
V.D.B.
Onderwerps- of gezegdezinnen.
e
In eene der laatste afleveringen van Noord en Zuid (5 afl. jaarg. 1891) wordt door
den heer DEN HERTOG betoogd, dat in samengestelde zinnen als de volgende: De
afspraak was, dat wij om vier uur zouden vertrekken. Mijn oordeel was, dat het boek
niet veel te beteekenen had. De vraag was, of hij de betrekking aannemen zou, wie
hem zou moeten opvolgen, enz. de bijzinnen den dienst doen van o n d e r w e r p
en derhalve de deelen de afspraak, mijn oordeel, de vraag dien van
n a a m w o o r d e l i j k d e e l v a n 't g e z e g d e .
‘Deze bewering’ zegt de schrijver ‘berust op het beginsel, dat het naamw. deel
van het gezegde steeds een ruimer begrip aanwijst, dan door het onderwerp
aangegeven wordt. Dat wij om vier uur vertrekken zouden, is één bepaalde afspraak;
ook een vroeger of later uur kon de afspraak zijn. De tweede zin vermeldt één
bepaald oordeel als mijn oordeel; ook andere oordeelvellingen konden als zoodanig
in aanmerking komen. En in den laatsten zin worden de vragen: Zal hij de betrekking
aannemen (en) wie zal hem moeten opvolgen als de vragen genoemd, die de vraag
zijn, d.w.z. waarvan de beantwoording de belangstelling wekt.’
Gaarne voldoe ik aan de uitnoodiging, door den heer DEN HERTOG in eene noot
gedaan, om over de bovenstaande meening, welke in strijd is met § 56 uit mijne
Ned. Spraakkunst, met hem van gedachten te wisselen. Ik heb steeds in dergelijke
zinnen den bijzin beschouwd als een deel van het gezegde en ook na de
uiteenzetting, hierboven aangehaald, is het mij niet mogelijk, daarin iets anders te
zien.
Is het waar, dat het naamwoordelijk deel van 't gezegde steeds een ruimer begrip
aanwijst dan het onderwerp? Deze vraag wil ik allereerst beantwoorden. Natuurlijk
kan dit alleen het geval zijn, wanneer dat deel van 't gezegde eene
z e l f s t a n d i g h e i d beteekent. Zegt men Jan is ziek of Willem is soldaat, dan
doen de woorden ziek en soldaat aan een' toestand of eene betrekking denken en
dus aan een begrip van ge-
Taal en Letteren. Jaargang 2
139
heel anderen aard, dan het subject uitdrukt. Hebben wij daarentegen de zinnen: De
walvisch is een zoogdier. Een korf is eene woning voor de bijen, dan is het begrip,
door de woorden een zoogdier, eene woning uitgedrukt, g e l i j k s o o r t i g met en
r u i m e r dan dat, hetwelk de woorden een visch, een korf aangeven: een walvisch
is eene s o o r t van zoogdier, een korf is eene s o o r t van woning, terwijl een
zoogdier, eene woning m i n d e r k e n m e r k e n in zich bevatten dan een walvisch
en een korf.
Tot zoover gaat alles goed. Maar nu nemen wij de zinnen: Dit gebouw is het Paleis
voor Volksvlijt. Dat meisje is Klaartje van den bakker. De jongen, die daar loopt, is
Willem Vermeulen. Kunnen wij nu ook zeggen, dat de woorden het Paleis voor
Volksvlijt, Klaartje van den bakker, Willem Vermeulen een ruimer begrip
vertegenwoordigen dan de woorden dit gebouw, dat meisje, de jongen, die daar
loopt? Toch niet: het Paleis voor Volksvlijt, enz. vertegenwoordigen hetgeen men
in de zielkunde, in onderscheiding van b e g r i p p e n , v o o r s t e l l i n g e n noemt
en diezelfde v o o r s t e l l i n g e n worden mede uitgedrukt door de woorden dit
gebouw, enz. Deze zinnen houden alzoo twee i d e n t i e k e v o o r s t e l l i n g e n in
en door het woord is drukt de spreker uit, dat het oordeel die identiteit heeft
vastgesteld.
Bij dergelijke volzinnen onderscheide men steeds i n h o u d en d o e l . De i n h o u d
bestaat, gelijk wij zeiden, in het constateeren der identiteit van twee voorstellingen;
het d o e l is de kennis van den hoorder te vermeerderen, door hem eene
mededeeling te doen aangaande de zelfstandigheid, in het onderwerp uitgedrukt.
Daaruit volgt, dat men niet willekeurig het onderwerp en het naamwoordelijk deel
met elkander verwisselen kan. Bij het rekenen is het volkomen onverschillig, of men
met 2 × 2 dan wel met 4 werkt, maar wanneer men een kind leert, dat 2 × 2 gelijk
is aan 4 en dit uitdrukt door: 2 × 2 is 4, dan deelt men iets mede aangaande 2 × 2;
dan is 2 × 2 dus het o n d e r w e r p en: is 4 het g e z e g d e .
In het bovenstaande meenen wij aangetoond te hebben, dat de onderscheiding
van onderwerp en naamwoordelijk deel van 't gezegde niet altijd kan afgeleid worden
uit den omvang der begrippen, in die deelen uitgedrukt. Daartoe moeten wij dus
naar een ander middel omzien. En dit vonden wij in het doel, waarmede men spreekt.
Terecht is door den heer DEN HERTOG in een vroeger nummer van Noord en Zuid
opgemerkt, dat elke zin, die geene vraag of geen gebod bevat, eene mededeeling
inhoudt. De voorbeelden, boven gegeven, behooren tot deze laatste soort. Willen
wij dus bij deze zinnen bepalen, wat het onder-
Taal en Letteren. Jaargang 2
140
werp en wat het gezegde is, dan moeten wij het antwoord zoeken op deze vragen:
wien of wat betreft de mededeeling? Wat is datgene, wat onze kennis moet
vermeerderen; datgene, ter wille waarvan de spreker zijne mededeeling doet? Het
antwoord op de eerste vraag geeft het o n d e r w e r p , het antwoord op de tweede
het g e z e g d e . Past men deze vragen op de gegeven voorbeelden toe, dan kan
het niet twijfelachtig zijn, of: dit gebouw, dat meisje, de jongen, die daar loopt
behooren het onderwerp, is het Paleis voor Volksvlijt, is Klaartje van den bakker, is
Willem Vermeulen het gezegde genoemd te worden.
Nu komen wij aan volzinnen als: De afspraak was, dat wij om vier uur zouden
vertrekken. Mijn oordeel was, dat het boek niet veel te beteekenen had, enz. Hebben
wij hier met hetzelfde geval te doen als in de zinnen: Dit gebouw is het Paleis voor
Volksvlijt, enz.? Niet geheel. In beide groepen van voorbeelden hebben we met
mededeelingen te doen; in beide ook drukt zoowel wat vóór als wat ná het werkwoord
zijn staat eene bepaalde zaak uit en niet eene categorie, waaronder een grooter of
kleiner aantal zaken te brengen is. Immers de afspraak is ook: de afspraak, die door
bepaalde personen, onder bepaalde omstandigheden is gemaakt; zij zou dus geene
andere kunnen zijn, dan die, waarvan de inhoud in den bijzin wordt opgegeven,
evenals dat gebouw geen ander zou kunnen zijn, dan het gebouw, dat den naam
draagt van Paleis voor Volksvlijt. Vandaar dan ook, dat in de bedoelde
samengestelde zinnen de substantieven afspraak, oordeel voorafgegaan worden
door de woorden de, mijn, die ze tot de namen van b e p a a l d e zaken stempelen.
Het verschil tusschen de beide groepen van voorbeelden is alleen hierin gelegen,
dat in de enkelvoudige zinnen de identiteit van twee zelfstandigheden is uitgedrukt,
terwijl in de samengestelde zinnen de bijzin den i n h o u d uitdrukt van de afspraak,
mijn oordeel, enz. Dit verschil nu wordt klaarblijkelijk veroorzaakt door het verschil
in beteekenis van het werkwoord zijn. In de enkelvoudige zinnen beteekent het
ongeveer: ‘één zijn met’, in de samengestelde: ‘inhouden’.
Willen we nu van deze laatste het onderwerp en gezegde vinden, dan kunnen wij
dezelfde redeneering volgen als bij de andere. De afspraak was, dat wij om vier uur
zouden vertrekken. Hier heeft eene mededeeling plaats van A. aan B.B., moeten
wij onderstellen, heeft die mededeeling gewenscht. Waarom? Wel, hij wist, dat er
tusschen A. en nog iemand bijv. eene afspraak was gemaakt, maar met den inhoud
daarvan was hij niet bekend. Hij wenschte dus zijne kennis te vermeerderen. In
hoeverre? Niet ten opzichte van het feit, dat er eene afspraak had plaats gehad; dit
was hem bekend. Maar wel aangaande den inhoud dier af-
Taal en Letteren. Jaargang 2
141
spraak. Dat A. hem dien inhoud gaat mededeelen, drukt deze uit door het woord
was; de inhoud zelf ligt opgesloten in de woorden: Wij zouden om vier uur vertrekken.
Derhalve: de vraag: o n d e r w e r p ; was, dat, enz.: g e z e g d e .
Eene bevestiging van deze opvatting der zaak vinden we, dunkt ons, in den
klemtoon. De regel is, dat in den mededeelenden zin, tenzij er eene al of niet
uitgedrukte tegenstelling in voorkomt, het gezegde een' eenigszins sterker klemtoon
heeft dan het onderwerp: Zijn vader is timmerman. Dat meisje is zijne oudste dochter.
Welnu, ditzelfde is ook het geval in den zin: De afspraak was, dat wij om vier uur
zouden vertrekken.
Zet men nu het naamwoordelijk deel van 't gezegde voorop, dan wordt het verschil
in klemtoon tusschen de beide deelen nog grooter. Timmerman is zijn vader. Zijne
oudste dochter is dat meisje. Had er dus ook, gelijk de heer DEN HERTOG betoogt,
in den samengestelden zin eene omzetting plaats gehad, dan mocht men
verwachten, dat ook de volle nadruk gelegd werd, niet op den bijzin, maar op de
afspraak. En juist het omgekeerde is het geval.
Anders is het gesteld met zinnen als: Het was de afspraak, dat wij om vier uur
zouden vertrekken. Het zal de vraag zijn, of hij die betrekking aanneemt. In dit geval
doet inderdaad de bijzin den dienst van onderwerp. Wat is toch de beteekenis van
dergelijke volzinnen? Met den eersten wil men zeggen, dat het vertrekken om vier
uur was afgesproken; met den tweeden, dat het aannemen der betrekking door hem
nog twijfelachtig is. De klemtoon is ook weder hiermede in overeenstemming: Het
was de afspraak, dat wij, enz. Het zal de vraag zijn, of hij, enz.
T. TERWEY.
Het systeem van de tijden der werkwoorden.
Men weet, dat wij bij de vervoeging van een werkwoord in het Nederlandsch acht
tijden hebben aan te nemen, die alle voorkomen in de aantoonende wijs.
Wanneer wij ons duidelijk willen maken, wat die tijden uitdrukken, wanneer wij ze
in hun onderlinge verhouding als met één blik willen overzien, moeten wij een logisch
systeem trachten te vinden, volgens hetwelk die tijden uit een zelfde principe kunnen
worden afgeleid.
Taal en Letteren. Jaargang 2
142
1)
Dit is beproefd door L.A. te Winkel (Taalgids VIII, 66 vgg.), die de acht tijden in vier
tegenwoordige en vier verledene verdeelde. Bij de tegenwoordige tijden gaat men
uit van het oogenblik waarop men zich bevindt; bij de verledene verplaatst men zich
in gedachten eerst op een tijdstip in het verledene. Of, zooals te Winkel het zelf
uitdrukt: ‘Bij het denken gaat men van twee tijdpunten uit: òf van het tegenwoordige,
òf van het verledene. In het eerste geval beschouwt men alles, zooals het zich laat
aanzien op het oogenblik dat men denkt; in het andere, zooals het zich liet aanzien
op het tijdstip, waarin men zich met zijne gedachten terugverplaatst.’
Wij willen vragen: is die indeeling juist? Gaat men bij het denken werkelijk alléén
uit van het tegenwoordige en verledene? Dus nooit van een of ander tijdstip in het
toekomstige?
Het wil er bij ons niet in. Wanneer wij zeggen: ‘Wacht maar tot morgen, vriendje!
Dan zal ik je wel vinden!’, dan hebben we ons in gedachten ontegenzeglijk naar de
toekomst verplaatst.
Het is jammer, dat te Winkel die uitspraak, waarop zijn geheele systeem berust,
niet nader heeft toegelicht. Misschien is door hem gedacht aan de veel reëeler
verhouding, waarin de mensch staat tot het heden en verleden dan tot het
toekomstige; misschien aan het feit, dat de vorm van den verleden tijd getuigt van
een grooter zelfstandigheid dan die van den toekomenden - maar wat daarvan moge
zijn, niet te loochenen is het, dat althans de beschaafde mensch zich bij zijn denken
niet alleen in het verledene, maar ook in het toekomstige verplaatst. Zinnen als:
gisteren was ik bij hem - morgen zal ik komen, moeten dat voor een ieder duidelijk
doen zijn. Ten overvloede citeer ik een paar regels uit H. Paul's Principien der
Sprachgeschichte:
‘Die kategorie des tempus beruht auf dem zeitlichen verhältniss, in dem ein
vorgang zu einem bestimmten zeitpunkt (het uitgangspunt der gedachte) steht. Als
solcher kann zunächst der augenblick genommen werden, in dem sich der
sprechende befindet und so entsteht der unterschied zwischen vergangenheit,
gegenwart und zukunft, welchem die grammatischen kategorieen perfectum, präsens,
2)
futurum entsprechen’ .
1)
o
o
Volgens L.A. te Winkel is een handeling 1 . òf tegenwoordig òf verleden; 2 . òf gelijktijdig òf
o
toekomstig; 3 . òf een doen (aan den gang) òf een daad (afgeloopen). Zoo komt hij tot 2 × 2
× 2 = 8 tijden:
Tegenwoordig.
2)
Verleden.
Gelijkt. doen: hij spreekt.
hij sprak.
Gelijkt. daad: hij heeft gesproken.
hij had gesproken.
Toekomst. doen: hij zal spreken.
hij zou spreken.
Toekomst. daad: hij zal gesproken
hebben.
hij zou gesproken hebben.
e
2 Aufl., S. 227.
Taal en Letteren. Jaargang 2
143
Ik wil nu trachten een systeem te ontwikkelen, dat voor den tegenwoordigen toestand
van zaken aan den eisch voldoet. Ik hoop dat ik mij daarbij niet schuldig zal maken
aan de fouten, waaraan, volgens Paul, degenen die het reeds beproefden, zich niet
konden onttrekken: ‘willkürlichkeit und spitzfindelei’.
Mocht ik slagen, dan komen wij in de eerste plaats tot een betere indeeling; maar
in de tweede plaats (en dat voordeel schat ik véél hooger dan het eerste) tot een
beter inzicht.
Het is niet mogelijk, zich een handeling anders te denken dau in het verledene, het
1)
tegenwoordige of het toekomstige. Ook kan een handeling niet anders zijn dan
2)
onvoltooid of voltooid. Met deze gegevens moeten wij dus combineeren.
Wij krijgen vooreerst:
a. onvoltooid:
Ve r l e d e n
Tijden.
ik liep
Te g e n w .
Tijden.
ik loop
To e k o m e n d e
Tijden.
ik zal loopen.
b. voltooid:
ik had geloopen
ik heb geloopen
ik zal geloopen
hebben.
Dit is volkomen duidelijk. En men kan zich gemakkelijk voorstellen, dat er
taalkundigen zijn geweest, die van niet meer dan zes tijden in de aantoonende wijs
wilden hooren, en de beide verleden toekomende tijden een plaats aanwezen in de
voorwaardelijke wijs. Aan die fout maakt men zich tegenwoordig niet meer schuldig.
Terecht heeft men ingezien, dat wij in zinnen als: ‘Als ik kon, zou ik hem helpen’,
‘Als hij zoo tegen mij had gesproken, zou ik hem anders hebben geantwoord’ met
de voorwaardelijke wijs te doen hebben, terwijl wij de aantoonende
1)
2)
Combinaties van die begrippen (b.v. een combinatie van verleden en tegenwoordig in zinnen
als: hij woont al lang te Amsterdam; of van verleden, tegenwoordig en toekomend als in: de
mensch is sterfelijk) laten wij hier buiten beschouwing.
Onvoltooid en voltooid. Verschil van opinie is hier mogelijk. Men kan zeggen: een handeling
is afgeloopen (voltooid), aan den gang (onvoltooid) of te verwachten. Mij dunkt, dat er voor
laatstgenoemde indeeling veel te zeggen valt, schoon men er tegen kan aanvoeren: een te
verwachten handeling is eerst als handeling te beschouwen, wanneer wij ons op dat oogenblik
der toekomst verplaatsen, waarop die handeling zal geschieden; te verwachten zegt dus niet
iets van de handeling (zooals voltooid en onvoltooid), maar van den tijd waarop de handeling
plaats heeft. Ik geloof, dat dit bezwaar wel uit den weg te ruimen is, en dat b.v. zinnen als:
wij eten om 5 uur; ik kom! geacht kunnen worden in den ‘te verwachten tegenwoordigen tijd’
te staan. Dat ik mij nochtans aan de indeeling in voltooid en onvoltooid heb gehouden,
o
geschiedt 1 . omdat zij gebruikelijk is en een nieuwe indeeling den lezer het volgen van mijn
o
betoog zou bemoeilijken, 2 . omdat de ‘te verwachten’ tijden alle in vorm overeenkomen met
onvoltooide tijden en een nieuwe indeeling dus voor mijn doel geheel overbodig is.
Taal en Letteren. Jaargang 2
144
wijs aantreffen in de zinnen: ‘Hij zou om tien uur uit Rotterdam gaan en zal dus nu
wel hier wezen’ en ‘Hij zou den brief voor het eind der vorige week aan zijn vader
hebben gezonden; deze kan dus volkomen op de hoogte zijn van de zaak.’
Een nauwkeurige beschouwing van zinnen als hij zou gaan (aant. wijs) kan ons
op het spoor brengen van een juiste verklaring. Ongetwijfeld hebben wij te doen
met eeu toekomenden tijd; maar in die toekomst heeft men zich gedacht, niet van
het tegenwoordige oogenblik uitgaande, maar van een tijdstip in het verledene. De
zes tijden die wij reeds dadelijk hebben gevonden, hebben alle éénzelfde
uitgangspunt: het tegenwoordig oogenblik. De twee tegenwoordige tijden hebben
betrekking op het oogenblik zelf, waarop wij ons bevinden; de twee verleden tijden
zijn verleden ten opzichte van het tegenwoordige oogenblik; de twee toekomende
tijden zijn toekomend ten opzichte van het tegenwoordige oogen blik.
Maar dat tegenwoordige oogenblik behoeft het uitgangspunt niet te zijn. Dat
uitgangspunt kan in het verledene liggen. Dan worden de twee tegenwoordige tijden
beschouwd ten opzichte van dat oogenblik in 't verledene; de twee verleden tijden
zijn verleden ten opzichte van het in 't verleden liggende uitgangspunt; de twee
toekomende tijden zijn toekomend ten opzichte van dat oogenblik in 't verledene.
En ook kan het uitgangspunt liggen in de toekomst. Ook dan weer zijn de tijden
tegenwoordig, verleden of toekomend, ten opzichte van dat in de toekomst liggende
uitgangspunt.
Zoo komen wij dan tot het volgende schema:
A. UITGANGSPUNT:
Het tegenwoordig oogenblik.
II.
I.
III.
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
verledene en is:
De handeling wordt ten
opzichte van het
uitgangspunt zelf
beschouwd en is:
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
toekomstige en is:
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
B. UITGANGSPUNT:
Een oogenblik in 't verledene.
II.
I.
III.
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
verledene en is:
De handeling wordt ten
opzichte van het
uitgangspunt zelf
beschouwd en is:
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
toekomstige en is:
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
Taal en Letteren. Jaargang 2
145
C. UITGANGSPUNT:
Een oogenblik in 't toekomstige.
II.
I.
III.
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
verledene en is:
De handeling wordt ten
opzichte van het
uitgangspunt zelf
beschouwd en is:
De handeling ligt ten
opzichte van het
uitgangspunt in het
toekomstige en is:
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
a. onvoltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
b. voltooid.
Wij zullen nu trachten onze meening te verduidelijken door een reeks van
voorbeelden:
A.
II.
I.
III.
a. Toen ik (gisterochtend) a. Ik kan u op dit
a. Morgenavond zal ik u
om hulp hoorde roepen, oogenblik niet helpen; ik betalen.
liep ik dadelijk naar de
schrijf juist een brief.
rivier.
b. Toen ik voor een paar
dagen om zeven uur 's
morgens bij hem kwam,
had hij reeds ontbeten.
b. Nu gaan we, hoor! Ik
heb lang genoeg
gewacht.
b. Kom mij morgen om
negen uur afhalen. Dan zal
de conferentie stellig
afgeloopen zijn.
II.
I.
III.
a. Ik heb hem vroeger
eens verteld, dat ik jaren
geleden wel bij die familie
aan huis kwam.
a. Verleden jaar kon ik
a. Ik heb hem laatst
met recht zeggen, dat ik beloofd, dat ik eens spoedig
nogal eens uitging; in den bij hem zou komen.
laatsten tijd is daar heel
weinig van gekomen.
b. Gisteren heb ik je
immers al plechtig
verzekerd, dat ik dit
romannetje op mijn
vijftiende jaar al driemaal
had gelezen?
b. Ik had gisterenmiddag b. Verleden week heb ik
juist gegeten, toen mijn den dokter naar onzen
vriend binnenkwam.
patiënt gevraagd; hij stond
er voor in, dat de jonge man
binnen een maand genezen
zou zijn.
B.
C.
II.
I.
III.
a. Zie, daar is mijn vader,
die mij verboden heeft met
u om te gaan. Straks zal
hij mij wel vragen, hoe het
kwam, dat ik met u liep,
toen hij ons passeerde.
a. Morgen zal ik er mij zelf
van gaan overtuigen, of
hij wel doet, wat hij mij
heeft beloofd.
a. Ik beloof u, het pakje
dezer dagen te bezorgen.
Morgen kan ik u precies
mededeelen, wanneer ik
het doen zal.
Taal en Letteren. Jaargang 2
146
b. Ik moet noodig aan het
werk, want ik ben ten
achteren. Aanstonds komt
mijn patroon, die zeker wel
vragen zal, of ik
gisterenochtend die posten
nog niet had geboekt.
b. Mijn zoon heeft mij
beloofd, dat hij u in de
volgende week een bezoek
zou brengen. Als ik hier
over veertien dagen
terugkom, hoop ik te
hooren, dat hij werkelijk bij
u geweest is.
b. Ik beloof u, u dezer
dagen te zullen
mededeelen, na hoeveel
weken de tijd van beraad
zal zijn verstreken.
Wij hebben dus de volgende vormen gekregen:
A
uitgangspunt: tegenwoordig oogenblik.
II.
I.
III.
a. ik liep.
a. ik loop.
a. ik zal loopen.
b. ik had
geloopen.
b. ik heb
geloopen.
b. ik zal geloopen
hebben.
B
uitgangspunt: tijdstip in 't verledene.
II.
I.
III.
a. ik liep.
a. ik liep.
a. ik zou
loopen.
b. ik had
geloopen.
b. ik had
geloopen.
b. ik zou
geloopen
hebben.
C
uitgangspunt: tijdstip in 't toekomstige.
II.
I.
III.
a. ik liep.
a. ik loop.
a. ik zal
loopen.
b. ik had
geloopen.
b. ik heb
geloopen.
b. ik zal
geloopen
hebben.
Taal en Letteren. Jaargang 2
147
Wij zien, dat het aantal vormen waarover wij kunnen beschikken om verschillende
tijdsbetrekkingen aan te duiden, niet bijzonder groot is. De vormen die wij in de
reeksen B en C aantreffen, vinden wij met uitzondering van B III alle in A terug. Het verschil in beteekenis tusschen de gelijkluidende vormen is nu eens grooter,
dan weer kleiner. Tusschen A II en B I zal in de meeste gevallen nauwelijks eenig
onderscheid te bespeuren zijn; tusschen A II en B II ligt het voor de hand. A III en
C I zullen meestal wel uit elkander zijn te houden; maar somtijds (wanneer men in
plaats van A III de vormen A I bezigt, of in plaats van C I de vormen A III) zal ook
hier twijfel geoorloofd wezen, enz.
Slechts één opmerking heb ik hier nog aan toe te voegen. De nadenkende lezer
zal misschien reeds hebben ingezien, dat het aantal ‘uitgangspunten’ niet tot drie
is beperkt, maar, theoretisch gesproken, oneindig wezen kan. Het uitgangspunt kan
zijn het tegenwoordig oogenblik, een oogenblik dat ten opzichte van het
tegenwoordige verleden, en een oogenblik dat ten opzichte van het tegenwoordige
toekomend is. Maar het zou bijv. ook kunnen wezen een oogenblik, dat ten opzichte
van een tijdstip in het verledene verleden was: Gisteren zei hij mij, dat hij voor een
jaar al wist, wie hem, toen hij een kind van vier jaren was, bij ongeluk den arm had
gebroken. Het tijdstip waarop de arm werd gebroken, is verleden ten opzichte van
‘voor een jaar’. ‘Voor een jaar’ is het uitgangspunt; en dat is verleden ten opzichte
van gisteren, hetwelk weder verleden is ten opzichte van het tegenwoordige
oogenblik. Het uitgangspunt is dus verleden ten opzichte van een oogenblik in 't
verledene.
Zoo zou men kunnen doorgaan. Maar geen enkele van de tijden die men op die
wijze verkrijgt, heeft een eigen vorm; voor de praktijk hebben die vergedreven
onderscheidingen dus niet de minste waarde.
R.A. KOLLEWIJN.
Naar aanleiding van een versje van Da Costa.
Om bloemen te leeren kennen, moeten we bloemen beschouwen, dikwijls en
aandachtig, bloemen van allerlei gedaante, grootte en kleur. Hebben we er eene
gevonden, die ons door wat ook boeit, ons eerste werk zal moeten zijn, haar
nauwlettend van alle kanten te bekijken, van buiten en - van binnen. Misschien
huiveren we een oogenblik, de schendende hand te slaan aan dit
Taal en Letteren. Jaargang 2
148
schoone, kunstige geheel, om echter dadelijk te bedenken, dat er van schenden
geene sprake kan zijn, waar de hand zich in dienst der wetenschap stelt, en getroost
de samenstellende deelen uiteen te nemen, ten einde te zien, wat het bonte
bladerkleed omhult. Slechts een stelselmatig ontleden, dat weinig gemeen heeft
met ruw verscheuren, kan ons den vorm, de schikking en bestemming der deelen
ontsluieren en het innerlijke wezen der bloem doen kennen. Eerst daarna zullen we
beseffen, hoe bewonderenswaardig haar bouw is, en wij voelen onze liefde wassen
tegelijk met onze kennis. Kennis, niet enkel van de ontlede bloem, maar meteen
van hare verwanten. Wie toch kan iets nieuws zien, zonder zich het gelijksoortige,
dat hij vroeger zag, te herinneren en het eerste met het laatste te vergelijken?
Maar voor wie zich zoo in stilte aan de zorgvuldige beschouwing en vergelijking
van planten wijdt, is nog een ander loon weggelegd, waarop hij niet gerekend had.
Na afgeloopen onderzoek is niet alleen zijn k e n n e n , maar ook zijn k u n n e n
grooter geworden; na elke ontleding is zijn oog meer geoefend, zoodat hij sneller
de eigenaardigheden der planten herkent; steeds sneller vermeerdert zich daardoor
de schat zijner botanische kennis en zoo ervaart hij, dat ook op wetenschappelijk
gebied waarheid ligt in het woord: Wie heeft, dien zal gegeven worden.
Van de kinderen des velds tot de kinderen des geestes is niet ver. Zijn niet de
bloemen als 't ware de dichterlijke gedachten van een onuitputtelijk rijken geest, en
is omgekeerd niet de poëzie de bloei van al ons denken en gevoelen? Wat wonder,
dat, zooal niet dezelfde, dan toch een evenwijdige weg ons leidt tot kennis en
waardeering van bloemen en verzen beide. Ook verzen moet men zien en weer
zien, van buiten en van binnen, wil men er oog voor krijgen. En wat van de verzen
geldt, geldt van alle voortbrengselen der poëzie, ja van alle kunst. Letterkundige
smaak is niet iets, dat door een boek kan meegedeeld en daaruit worden opgenomen.
't Gaat daarmee als met den lichamelijken smaak. Berustende op eene aangeboren
prikkelbaarheid van zekere mondzenuwen, kan hij door oefening worden verfijnd
en door gewoonte in deze of gene richting geleid. Wat stelt den theehandelaar in
staat tallooze theesoorten en -mengsels met gemak te onderscheiden? Geen boek
ter wereld kan het hem leeren, oefening alleen brengt hem zoo ver. En die oefening
is enkel het gevolg van proeven, altijd weer proeven. Laten wij het bij de studie der
letterkunde goed onthouden. Er zijn handboeken over litteratuur genoeg, waaruit
veel nuttige feitenkennis is op te garen; maar onder alle is er geen, dat ons kan
leeren, wat schoon is, wat niet. Van daar dat er zelfs letterkundigen zijn zonder
letterkundigen smaak. Dezen moet ieder zich zelf verwerven. Proeven, proeven! daarin ligt het geheele geheim. En natuurlijk, dat men hiervoor eene gevoelige tong
moet meebrengen. Zonder dat gaat het niet. Heeft, om nog even in het beeld te
blijven, moeder Natuur den mond van een' geleerde van binnen met zeemleer
bekleed, dan moge hij zich verdienstelijk maken door allerlei letterkundige
Taal en Letteren. Jaargang 2
149
voortbrengselen op te diepen, te registreeren en toe te lichten, hij zal nooit weten,
hoe heerlijk verkwikkend de vruchten zijn, die dagelijks door zijne handen gaan.
Is dan alle hulp van anderen bij deze zelfstudie nutteloos? Geenszins. Zien,
ontleden, vergelijken moeten geleerd worden, en daarbij is het den beginner aan
te raden, om nauwlettend acht te geven, hoe een ander ziet, ontleedt, vergelijkt.
Aanvankelijk weet hij in 't geheel niet, waarnaar hij kijken zal en welke schijnbare
kleinigheden er op te merken zijn. Een ander kan hem den indruk niet overdoen,
dien hij van de dingen krijgt, maar wel kan deze hem leeren, zich rekenschap te
geven van de opgewekte gewaarwordingen en zoo met bewustheid te genieten.
Daarom is het den jongen onderwijzer misschien niet ondienstig, wanneer in dit
tijdschrift nu en dan eenig gedicht aan eene nauwlettende beschouwing wordt
onderworpen, en zal ik, in afwachting dat anderen dit werk voortzetten en verbeteren,
maar een begin maken. Ik stel u voor, een klein gedicht van Da Costa ter hand te
nemen en van de vele zaken, die er op te merken zijn, enkele wat gezetter te
bekijken.
I
Bij den dood van het jongste kind van onze vrienden Gregory
Pierson - Oyens.
Verhuld in 't kleed
Van ziekte en leed,
Trad in een godgeliefde woning
een Engel, vragend voor den Koning
een zijner schaapjes, dier gekocht.
Hij waarde rond in 't huis; hij zocht hij zocht en vond - een kind dat vroeg reeds had vernomen
de stem des Herders: Laat de kleinen tot mij komen.
En de Engel kwam
en naar den lusthof van het Lam
nam hij den kleinen heemling mede ondanks eens vaders sterke bede,
eens moeders vast geloof in worstelende smart!
Is Jezus hard?
en in zijn hemel niet nog heden
de hoorder van Jaïrus smeekgebeden?
Zijt stille en hoort
de stem des troosters in het woord:
Geschokte moeder, en gij diep bedroefde vader,
in 't hart gegriefden, maar bevoorrechten te gader:
Dat het vleesch zich verloochen', de geest zich verblij'!
Mijn genade is met u, en uw kind is met Mij.
Taal en Letteren. Jaargang 2
150
Ik ben wel een weinig bezorgd, dat sommigen, die met eenigen goeden wil aan dit
opstel begonnen, bij 't zien van dit versje er reeds meer dan half genoeg van hebben.
Reeds voor zij de opmerking hebben kunnen maken, dat het hier en daar vrij sterk
naar de tale Kanaäns klinkt, heeft reeds het opschrift hen afgeschrikt. Behooren
dan zulke gelegenheidsgedichten ook al tot de fraaie letteren? Wat gaat ons in 's
hemels naam het kind van de familie Pierson-Oyens aan?
Laat mij, voor er meer bedenkingen rijzen, tot voorzichtigheid aanmanen en voor
voorbarigheid waarschuwen. Herinneren wij ons, dat wij bloemen wilden bestudeeren,
door bloemen te bezien. Daarbij mogen we ons niet bepalen tot die, welke ons op
't eerste gezicht door kleur of vorm aantrekken; de andere dienen ook gekend, en
daartoe onbevooroordeeld bekeken te worden. Een slecht botanist, die van den
meidoorn niet weten wil, omdat hij zijn sterken reuk niet kan uitstaan. Die reuk is
voor den meidoorn even kenmerkend, als de kerkelijke geur voor Da Costa's gedicht.
Naderhand komen we hierop, gelijk op andere eigenaardigheden terug, om eerst
te zien, wat er waars is in het laatste verwijt.
Da Costa's ontboezeming is een gelegenheidsgedicht, dat is zoo. Het klinkt bijna
als eene beschuldiging. Gelegenheidsgedichten zijn een slecht genre in 't oog van
velen. Men denkt daarbij aan de versjes van eigen fabricaat, die in huiselijken kring
dienst doen bij kleine feesten of geschenken begeleiden, om niet te spreken van
de rijmelarij, die ieder op zijne beurt begaat, als het tegen den vijfden December
loopt. Maar bovenal - want die onschuldige aardigheden hebben zelden de
aanmatiging, voor poëzie te willen doorgaan - bovenal aan de gezwollen, gerijmde
en ongerijmde verzen, waarmee op hoogtijden grootheden van allerlei afmeting
gevierd, nuttige stichtingen ingewijd of gelden worden bijeengebedeld voor een
weldadig doel.
Doch moet men bij gelegenheidsgedichten alleen daaraan denken? Zijn ze
noodzakelijk alle van 't zelfde allooi? Toch niet. Want wat is eigenlijk een
gelegenheidsgedicht? Toch zeker een, dat naar aanleiding van deze of gene
gelegenheid is gemaakt? Toch zeker een, welks gedachten zijn opgewekt, door
eene of andere van buiten gekomen aanleiding?
Nu, zoo ruim opgevat, zijn immers alle lyrische ontboezemingen
gelegenheidsgedichten. Niets, ook niet het dichterlijk gemoed, wordt van zelf
bewogen. Bij volmaakte stilte trillen de snaren niet van die Eolusharp; maar als de
voorjaarswind er in speelt of de stormen van het lot zich verheffen, dan zingt of
klaagt het daarin, alsof het menschelijk leven zich zelf begeleidde. In dezen zin heeft
Goethe zijne verzen gelegenheidsgedichten genoemd en zei een ander - Geibel
meen ik -: ich m u s s nun einmal singen.
Maar plaats nu eens tegenover den gelegenheidsdichter, zooals hij zijn moest,
een' gelegenheidsdichter, zooals hij naar de gewone opvatting maar al te vaak is.
Hem ‘brandt de hand, die 't speeltuig spant, van 't innig boezemgloeien’ niet; hij
weent en lacht, hij juicht en klaagt op eigen of
Taal en Letteren. Jaargang 2
151
vreemd bevel en dus met een onbewogen gemoed. Doch wie goed toeluistert merkt
allicht aan den overdreven toastenstijl, dat jubel- nog klaagtonen echt zijn.
Nagemaakte bloemen hebben noch de frissche natuurlijkheid, noch den
verkwikkelijken geur der natuurlijke.
Nu zal het zeker niet noodig zijn, Da Costa in bescherming te nemen tegen de
verdenking, dat hij onwaar zou geweest zijn en ontroering zou gehuicheld hebben.
Ook thans is de opwellende traan ‘de ware tolk van 't hart’ geweest, en geeft juist
het opschrift van het versje ons veeleer een' waarborg, dat de onwillekeurige
aanleiding niet ontbroken heeft, dat hij niet op bestelling heeft gewerkt. Bij deze
gelegenheid, nu hij zijne vrienden der wanhoop nabij weet, m o e t hij spreken en
hen wijzen op den troost, dien hun van smart beneveld oog niet ziet. Het medelijden
is groot in hem, en toch - zoo wars is hij van huichelachtig vertoon - is het nauw
merkbaar, dan in de aandoenlijke teekening van 't sterfgeval.
En nu die andere afkeurende opmerking: Wat gaat ons het kind der familie
Pierson-Oyens aan?
Niets! Zelfs als men vergeet, dat het reeds meer dan veertig jaren dood is; in 't
geheel niets. En nochtans is de vraag zeer onbekookt. Laat, die haar deed, het
gedichtje even lezen, en zijn gevoel zal hem zeggen, hoe onjuist en voorbarig zijn
oordeel was. Die hem vermoedelijk onbekende familie wordt een ouderpaar, hun
kind een kind; het harde lot, dat hen treft, is het lot eens menschen, d.i. het lot van
zijns gelijke, denkend en voelend als hij. Dank zij des dichters kunst, worden hunne
aandoeningen de zijne, hij doorleeft met hen alle angsten, zorgen en twijfelingen,
want hij is een mensch. En als mensch zal hij toch wel eens door eenig kind zijn
bekoord, wel eens gevoeld hebben, hoe hard het scheiden valt van 't geen men lief
heeft, zal hij - geloovig of niet - gemerkt hebben, hoe wankel in zulke oogenblikken
wetenschappelijke of godsdienstige overtuiging staat. Doch ook alleen onder die
voorwaarde kan hij het gedicht genieten, wordt hij in gedachte ouder mee en dat
gestorven wicht zijn kind.
Staan wij nog een oogenblik stil, om van dit standpunt verder rond te zien. Wat
van dit klein gedichtje geldt, geldt van alle poëzie. Alle poëzie is een beroep op onze
sympathie. Wie niet met anderen kan meevoelen, zich niet in den geest eens anderen
verplaatsen kan, voor hem is het tooverland der poëzie gesloten, hij mag den dichter
die 't voor hem opende niet volgen. Hem echter, wien het vergund is, binnen te
gaan, ziet zijn eigen bestaan verrijkt met dat van anderen in zijne krachtigste
openbaringen; zijn geestelijk leven vermenigvuldigt zich.
Nochtans is het ons allen, ook den meest begaafden, wel eens overkomen, dat
wij met het boek in de hand aan de poort moesten blijven staan. 't Was bijzonder
schoon, werd door mannen van smaak verzekerd, en toch konden we er niet
‘inkomen’ en legden den roman of de verzen mistroostig weer weg. En we meenden
toch, dat wij niet ongevoelig waren. Waaraan lag het dan?
Taal en Letteren. Jaargang 2
152
Het voorgaande kan het ons leeren.
De indruk, dien eenig kunstwerk op ons maakt, is afhankelijk èn van 't geen het
ons onmiddellijk geeft, èn van de voorstellingen, die het bij ons opwekt. Hoe rijker
schat van beelden en gewaarwordingen onze herinnering bewaart, hoe gemakkelijker
het den dichter valt, ons te laten zien, wat hij ziet, ons te laten gevoelen, wat hij
gevoelt. Een enkel gelukkig beeld, een woord, een klank misschien, en onze
phantasie schiet vleugelen aan; onbekende gestalten doemen op voor ons oog,
krijgen vorm en kleur, voelen en denken, willen en handelen. Zoo nieuw komt ons
alles voor, dat we vergeten, hoevele van die lijnen en tinten, gedachten en gevoelens
van ons zelf zijn, hoe die wezens eigenlijk leven van ons bloed en geest zijn van
onzen geest. Want de stof, waaruit het scheppingswoord des dichters ze formeerde,
lag reeds in ons. Maar anders wordt het, als de schatkamer van het geheugen
slechts karig is voorzien, en onze geest dien des dichters niet helpend te gemoet
treedt en dus bijna alle kracht uitsluitend van éénen kant moet komen. Dan wordt
de taak van den kunstenaar aanmerkelijk zwaarder, hij moet nu voor stof en weefsel
beide zorgen.
Denk slechts eens na, op hoe weinig voorhanden voorstellingen de schrijver kan
rekenen, die ons iets uit de tiende eeuw wil verhalen, hoe veel moeite het hem moet
kosten ze ons te geven, te geven zonder dat hij ons verveelt of aan eene privaatles
in de historie doet denken. En hoe oneindig grooter moet niet de kunst zijn, die ons
binnenleidt, in het innerlijke leven dier tijden, met andere meeningen en
vooroordeelen, indrukken en neigingen! Ongewone situaties, afwijkende
zielstoestanden en psychologische processen stellen hoogere eischen aan het
talent, dan het aan allen vertrouwde huiselijk leven met zijne meestal primitieve
gewaarwordingen van gezellige binnenkamers, echtelijk lief en leed, kinderlijk
gekibbel, geboorte, ziekte en dood. Is 't wonder, dat de huiselijke poëzie, die bijna
allen toegankelijk is, een weinig in discrediet is geraakt en men geneigd is, den
hoogsten prijs toe te kennen aan hem, wien het gelukt, gestalten te scheppen en
gewaarwordingen te wekken, zooals er slechts op den bodem eener hoogere
geestelijke beschaving kunnen ontkiemen? Erkentelijk zijn we den man, die ons het
eigen leven als het ware nog eens, maar in gecondenseerden vorm doet leven;
doch dankbaarder zijn we hem, die het ons bovendien verruimt, verfijnt en verdiept.
Maar zal hem dit altijd mogelijk zijn? Laat ons eens zien en daartoe tot ons versje
terugkeeren. Waar Da Costa ons den angst en de wanhoop der ouders teekent over
de ziekte en den dood van hunnen lieveling, is hij zeker van de sympathie eener
zeer breede schare. Doch hij vraagt meer. Die twee eerste coupletten zijn slechts
het voorportaal van de gewijde kapel. In het derde ligt - om nog even aan onze
aanvangsvergelijking te herinneren - het vruchtbeginsel onzer bloem. Het is de
gedachte, dat eene oneindige liefde zich over kind en ouders erbarmd heeft en
slechts de kortzichtige, zelfzuchtige mensch klaagt over de weeën, waarin een
hemelsch, onbe-
Taal en Letteren. Jaargang 2
153
grepen geluk geboren wordt. Kus de hand, die u slaat, zij druipt van hoogeren zegen.
Is ook hier de sympathie van allen gebleven? Ik vrees van neen, want medegevoel
veronderstelt zekere gelijkheid van gewaarwordingen en tevens van de gedachten,
die ze opwekken en verzellen. Het getal van hen, wier christelijke geloofsovertuiging
zoo innig en vast is, dat zij het grievendst leed - neen, ik zeg niet in blijdschap
verkeert, maar tenminste tot glimlachenden weemoed verzacht, is zeker moeilijk te
schatten; doch wij gelooven aan onze landgenooten, trots den roep hunner
vroomheid, geen onrecht te doen, zoo wij het klein noemen in vergelijking met de
velen, die het eenvoudig vers van Da Costa kunnen verstaan. Men achte het een
verblijdend of een bedroevend verschijnsel, waar is het niettemin, dat voor duizenden
in den lande des dichters troost geen troost meer is. Voor die duizenden bereidt
dus het derde couplet enkel ontgoocheling, geen heuldronk; zij schudden het van
smart gebogen hoofd over dien ijdelen waan, maar richten het niet bemoedigd en
dankend op ten hemel. Wat kan er bekoorlijks zijn in woorden, die voor hen in strijd
zijn met de waarheid en het gezond verstand; welke bezieling uitgaan van gedachten
en gevoelens, die, zoo ze er niet onmiddellijk uit gesproten zijn, tenminste steunen
op een dwaalbegrip, zij het dan ook op eene verleidelijke dwaling? Hoe zullen zij
zich warm maken bij een' dichter, voor wien alle wereldsche en menschelijke zaken
aan dat begrip ondergeschikt zijn, voor wien kunst, wetenschap, industrie, politiek,
liefde geene waarde hebben, zoo ze niet verlicht en doorgloeid zijn van wat voor
1)
hem der zonnen zon is? Voor een' dichter, die in zijne schrijfpen slechts een
werktuig ziet, om de waarheid en de trouw van zijn' Meester en Heiland te
2)
verkondigen; dien eene wandelkaart dadelijk aan een' gids naar het hemelsche
Vaderland doet denken. Als zijn dochtertje Hanna voor de eerste maal jarig is, hoopt
hij blijkbaar dat zijne vrouw zal wenschen, wat hij der zuigelinge in den mond legt:
Zoo lave u door Zijn woord de moederliefde Gods
3)
Met water uit de Bron, met honig uit de Rots .
4)
Ziet hij een oorlogsros, welks vurigen moed de berijder met moeite in toom houdt,
het is voor hem slechts het zinnebeeld van den waren christen; hij erkent daarin
zichzelven met zijn ongeduldigen geloofsijver en hoopt slechts, dat in den dag des
strijds de Heer zijn ruiter wezen zal. Kortom, geen paard zoo fier, geen kind zoo lief,
geene kaart zoo uitlokkend, geene pen zoo onbeduidend, of Da Costa ontsteekt
daarbij in vuur enkel voor de dingen die niet van deze wereld zijn. Hoe kan men nu
verwachten, dat een man met zulk eene geheel andere levensbeschouwing de
dichter zal zijn van het thans levend
1)
2)
3)
4)
Da Costa's Kompleete Dichtw. III, 31.
Ald. III, 248.
Ald. III 31
Ald. II, 160.
Taal en Letteren. Jaargang 2
154
geslacht? Welke liefde en bewondering kan het koesteren voor hem, die geen
ergeren vijand kende dan den tijdgeest, waarmede het is doorzult?
Zij, die zoo spreken, hebben echter slechts ten deele gelijk. Wanneer men zegt,
dat Da Costa met zijne steile orthodoxie door een vrijzinniger nageslacht niet meer
kan gewaardeerd worden, overdrijft men of maakt zichzelven lichtzinnig iets wijs.
O zeker, de alledaagsche lezer zoekt in het kunstwerk van eenen dichter zichzelf
terug en is teleurgesteld, zoo hij iemand anders vindt, want dien verstaat hij niet.
Doch bij eene hoogere mate van ontwikkeling leert hij spoedig, dat iets afwijkends,
iets ongewoons, niet noodwendig iets ongerijmds behoeft te wezen. Hij leert zich
te verdiepen in anderer gemoedsleven en erkent weldra, dat alleen kortzichtige
bekrompenheid versmaadt en smaalt, wat zij niet ziet en niet begrijpt. Ook hij zal
menigmaal niet begrijpen, ongetwijfeld, maar in plaats van voorbarig te veroordeelen
bedenken, dat mogelijk eigen begrip te kort schiet en hij het standpunt nog niet
bereikt heeft, van waar hij deze afwijkende verschijnselen kan overzien en
doorgronden. Maar dan ook, welk een verheven genot, de vizioenen van een grooten
geest eveneens te aanschouwen, te worden meegesleept door zijne vervoering, te
ontgloeien door zijne liefde en zijnen haat!
Laat ons dus bovenal bescheiden zijn tegenover kunstwerken, die niet onmiddellijk
tot ons spreken. Liefhebben, beweerde Schleiermacher indertijd, moet men
langzamerhand door oefening leeren. Dat geldt van boeken zoo goed als van
menschen. In de jaren der rijpheid glimlachen we menigmaal over onze blinde
ingenomenheid met dàt meisje, dàt vers, dàt romannetje - in de dagen van weleer.
En nu het derde couplet van ons vers. Zou het wezenlijk waar zijn, dat een
vrijzinniger publiek daarbij onbewogen blijft, dat zijne nuchtere stemming ook niet
éénen toon verhoogd wordt? Neem de proef, vrijzinnige, doch geenszins lichtzinnige
lezer; ban alle dom vooroordeel uit uw hart en spreek dan het gedicht met den
heiligen ernst, waarmee de dichter het zou gesproken hebben, - tien tegen een, dat
gij iets voelt van de rustige kalmte, de vertrouwende overgave, waarmee een
schreiend kind het zware hoofdje neervlijt tegen de borst zijns vaders. Maar, zoo ik
deze weddingschap win, vergun mij dan ook, u op de oorzaken te wijzen. Ten eerste
deze. Onder de velen, die luide of stil op hooger verlichting stoffen, zijn er weinigen,
die in staat zijn overtuiging tegen overtuiging te stellen; tegenover het geloof van
Da Costa, dat het zóó is, staat hunne meening, dat het niet zoo is. Hun geloof is
enkel negatief. Hun godsdienstig gevoel is als een veld, dat braak ligt: niets groeit
er op, doch het wacht slechts op eene gunstige gelegenheid, om zaad - van welke
plant ook - te laten opschieten. Bedenk nu verder, dat de kiemen van een geloof,
gelijk bij de mannen van het réveil in vollen bloei stond, in het gemoed van vele,
zoo niet van alle menschen ligt. Zoo oud wordt geen man, dat hij zich nooit meer
kind gevoelt, niet gaarne kind gevoelen wou; zoo gelukkig geen mensch, of in
sombere dagen zou hij willen,
Taal en Letteren. Jaargang 2
155
zijne zorgen en bekommernissen te kunnen uitstorten in het hart van iemand,
machtiger dan hijzelf. Of die bestaat? Bewezen is niets en kan niets worden; bij den
een spreken de gronden er voor, bij den ander de bewijzen er tegen sterker, ja, bij
denzelfden mensch wegen nu deze, dan gene het zwaarst, al naar andere
levensomstandigheden andere behoeften scheppen. Want uit de behoefte groeit
de wensch, en uit den wensch de overtuiging. Het komt er dus slechts op aan, of
de dichter door de toovermacht zijner kunst die behoefte bij ons weet op te wekken,
zoodat het sluimerende zaad des geloofs begint te kiemen. Gelukt het hem, dan om een gewijzigd woord van Lessing te gebruiken - dan mogen wij in 't gemeene
leven gelooven, wat wij willen, met z i j n werk in handen moeten wij gelooven, wat
hij wil. En Da Costa heeft die toovermacht. Als hij zijn profetischen mond opent,
vaart eene heilige huivering door geloovigen en ongeloovigen. Dat is de macht der
kunst. Maar van haar niet alleen. Eene andere macht reikt haar de hand, en ik weet
niet, wie van beide de grootste is: zijne kunst of zijne bezieling. Vuur is altijd
aanstekelijk. En nu mag het waar zijn, dat geesten evenmin als dingen de warmte
met gelijke snelheid geleiden, ik kan mij moeilijk iemand voorstellen, wiens
temperatuur bij dien oosterschen gloed niet boven lauwwarm klimt. Bovendien,
overal waar wij groote gevolgen waarnemen, besluiten wij tot groote oorzaken. Wij
zien van uit ons venster de boomen hunne kruinen ootmoedig buigen en wij voelen
ontzag voor den onzichtbaren storm; daar juicht een mensch, wien het liefste op
aarde ontnomen is, ‘De Naam des Heeren zij geloofd’, en eerbied vervult ons voor
den bezielenden adem van een geloof, ook waar wij 't niet kunnen vatten. Ja, meer
nog. Indien er medegevoel met den juichende in onze borst woont, gaat iets van
zijne bezieling op ons over, wij worden geëlectriseerd bij inductie. Zoo komt het, dat
we als deelnemende toeschouwers op de tanden bijten en steunen, als we een
ander een zwaren last zien opbeuren; zoo kwam het, dat we als jongens zelf aan
't gichelen raakten bij 't ginnegappen onzer kameraden; zoo kwam het, dat de jonge
Heine aan den snikkenden snorbaard van een invaliede, die de proclamatie van
zijn voor de Franschen gevluchten keurvorst spelde, kon vragen: ‘Waarom huilen
1)
we?’ En toch voelen we niet het gewicht van den last, zagen we niet, wat een gek
gezicht de clown van de klas had getrokken, wist de Duitsche knaap niets van de
hondentrouw van een oudsoldaat. En zoo ook komt er een gevoel van berusting,
van vertroosting over ons, waar iemand met zulk een onwankelbaar vertrouwen de
woorden naspreekt: ‘Mijn genade is met U en Uw kind is met mij.’
Al moge dan ook menig vrijzinnig kind der eeuw uit ons vers geene kracht en
moed voor 's levens rampen kunnen putten, omdat hij de vastheid betwijfelt van
den grond, waarop dat vertrouwen steunt, de heilige ontroering van het dichterhart
zal voor een oogenblik althans ook het zijne doen trillen, in zijn
1)
Reisebilder, Das Buch ‘Le Grand’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
156
gemoed valt tenminste voor een oogenblik een straal van het goddelijk licht, waarbij
de geloovige een voor ons anderen onzichtbare wereld van liefde en vrede ontwaart.
II.
Dat is de macht der kunst, zeiden we boven. Een groot woord, dat in zijne
algemeenheid voor menigeen even weinig zegt, als honderduizend gulden voor een
kind. Hij verlangt klinkende munt in de plaats van zulk eene kasaanwijzing, zoo ze
door hem niet tot de waardelooze assignaten zal geteld worden. Laat ons daarom
beproeven, of we hem er kleingeld voor kunnen geven, maar er tot geruststelling
van den lezer bijvoegen, dat wij - waarom is onze voorraad zilver toch niet grooter?
- noch alles zullen, noch alles kunnen uitbetalen. Waarin de kunst van den dichter
bestaat, is niet zoo gemakkelijk gezegd, en wij zullen tevree moeten wezen, zoo wij
althans op enkele middelen kunnen wijzen, waardoor de dichter die of die uitwerking
bij ons teweegbrengt. Geven we ons daartoe eerst eens rekenschap van de zaken,
waarnaar dient gekeken te worden. Deze aansporing schijnt haast overbodig,
aangezien immers de dichter voor zijne kunstgewrochten dezelfde stof bezigt,
waarmee ook alle andere menschen werken: de taal. Doch het is ook niet meer dan
schijn. Beeldhouwer en steenbakker, beiden modelleeren in klei, maar hoe weinig
weet de laatste van de geheimen des eersten. Wij gewone menschen werken allen
‘in de taal’, doch hoevelen, of liever hoe weinigen weten, hoe men daaruit
kunstwerken kneedt, en hoe oneindig lutteler nog is 't getal van hen, die zelf daarnit
iets moois kunnen formeeren?
Zooals gezegd is, de dichter komt daarin met den onbehouwensten kinkel overeen,
dat hij ter uiting van 't geen er in hem omgaat zich in de eerste plaats bedient van
w o o r d e n , tot z i n n e n samengevoegd. Slechts heeft hij er meer tot zijne
beschikking, zoodat hij naar omstandigheden kan kiezen, en voorts is het kleed
zijner gedachten niet altijd van denzelfden snit. Dit is reeds een belangrijk verschil,
doch er zijn nog andere. Hij beschikt immers over middelen, waarom het proza van
het dagelijksch leven zich in zijne haast zelden bekommert, en over andere, waarvan
het zich nooit bedienen kan: hij houdt rekening met den eigenaardigen k l a n k der
woorden, met de regelmatige afwisseling van klemtonen, welke wij m a a t noemen,
met de beteekenis en het streelende van het r i j m , met het effect van oneigenlijke
uitdrukkingen als daar zijn: m e t a p h o r e n , a l l e g o r i e ë n , m e t o n y m i a 's,
p e r s o n i f i c a t i e 's enz. Op al deze zaken hebben we te letten, wanneer we ons
rekenschap willen geven van den indruk, dien een zeker gedicht op ons maakt. Op
meer nog, maar waarschijnlijk is het goed dezen keer ons tot de genoemde te
beperken en geene verwarring te stichten, door nog andere over de baan te halen.
Eer we ons evenwel in bijzonderheden met den vorm van ons gedicht
bezighouden, wensch ik voor een mogelijk misverstand te waarschuwen, waartoe
mijne behandeling en sommige woorden aanleiding konden geven. Wij spreken
Taal en Letteren. Jaargang 2
157
bij kunst zoo dikwijls van inhoud en vorm als van twee op zich zelf staande, goed
gescheiden begrippen. En toch is niets minder juist dan dat. Een kunstenaar zou
het nooit toegeven. Wat spreekt gij van inhoud en vorm, zou hij zeggen. Meent gij,
dat ik eerst iets denk en daarna voor de gedachte een' vorm zoek? Gedachte en
kleed zijn één. Eene andere gedachte, een ander kleed. En omgekeerd. De kinderen
van onzen geest komen niet, als volgens het oude volksgeloof de jongen der beren,
vormeloos ter wereld. En zoo gij soms een vader bezig ziet, met ze al likkende nog
een weinig te fatsoeneeren, zoo wijst dat tot eigenlijk slechts daarop, dat hij slordig
heeft gedacht en nu alles nog eens langzamer o v e r d enkt. ‘Het kind is dood, overleden, - heengegaan, - heeft den laatsten adem uitgeblazen, het is er geweest,
is het hoekje om’ enz., dat zijn niet enkel verschillende vormen, dat zijn ook
verschillende gedachten, die slechts voor den oppervlakkigen waarnemer gelijk zijn.
Ze gelijken op elkaar, dat is waar, maar zooals een Arabische volbloed en een oude
knol op elkaar gelijken. Noemt men beide ook met denzelfden naam, dan vergete
men toch niet, dat een paard en een paard twee is. In hoofdzaak, ja, komen ze
overeen, maar gelijk?
Vergeven wij den kunstenaar zijne overdrijvende verontwaardiging en onthouden
wij het, dat als we meteen vormen gaan bekijken, die kenmerkend zijn voor den
dichter, dit slechts doen om in die vormen de fijnere schakeeringen van eens dichters
gedachten op te sporen.
De eerste zin dan: ‘Verhuld in 't kleed’ enz. V e r h uld, niet g e h uld: wij moeten
er aan denken, dat het omhullende kleed den drager onkenbaar maakt; men ziet in
hem niet, wat hij - voor Da Costa altijd - is: een engel. Hij is v e r k leed, v e r m omd,
v e r h uld. - Zie nog een ander woord, dat goed gekozen is. Gij en ik zouden
misschien gezegd hebben: Hij trad een huis binnen, waar vrome menschen woonden.
De dichter zegt het korter, ongewoner en daardoor krachtiger, waar hij spreekt van
eene g o d g e l i e f d e woning.
Doch zorgen wij, dat de enkele boomen ons het gezicht op het bosch niet
benemen, en zien wij naar den geheelen zin. Hoe aanschouwelijk wordt de gedachte
door die personificatie. De hemelsche genade, die aan kind en ouders ten deel valt,
terwijl zij slechts ziekte en leed gevoelen, is een vermomde bode des lichts geworden,
dien we als met onze oogen kunnen zien en als met onze handen kunnen tasten.
Daar gaat hij voor ons uit, eene sombere gestalte in zwarten mantel, met nauw
hoorbaren tred. Waarheen? Daar gaat hij eene woning binnen; vergist hij zich ook?
Denkelijk niet, want op 't laatste oogenblik herkennen wij hem: dáár is de e n g e l
terecht.
Phantaseer ik, beweert gij? Toch niet: Lees maar zelf den zin, hardop, dat wil
zeggen: zachtjes, met gedempte stem, zooals ik mij voorstel, dat de dichter zou
gedaan hebben, als hij gesproken en niet geschreven had. Goethe had wel gelijk:
‘Schreiben ist ein Miszbrauch der Sprache’, want den toon, die volgens eene
Fransche gemeenplaats de muziek eerst tot muziek maakt, geeft het niet weer,
duidt er zelfs haast niets van aan. Lees maar zelf:
Taal en Letteren. Jaargang 2
158
Gehuld in 't kleed - kleine rust - Van ziekte en leed - nieuwe stilte - Trad in een
godgeliefde woning - na deze eenigszins krachtiger beweging opnieuw een oogenblik
pauze, als om uwe nieuwsgierigheid te prikkelen, want gij weet nog altijd niet, wie
daar binnen ging; het was - Een Engel. Deze spanning en deze verrassing werden
vooral mogelijk gemaakt door de indeeling en den bouw van den zin. Zet hem in
zijn gewonen vorm, het onderwerp voorop, en spreek hem in éenen uit, - de helft
van de bekoring is weg.
De indeeling -! Mag ik hierover een ietwat schoolmeesterachtige vermaning
invlechten? Zij is slechts bestemd voor die weinigen onder de jongeren, die meenen,
dat, waar aan 't eind van een' versregel geen zinteeken staat, hij in den volgenden
regel moet overloopen. Deze meening is eene dwaling, die ook in 't buitenland
genoeg verbreid is, om den Oostenrijkschen dichter Robert Hamerling aanleiding
te geven, er herhaaldelijk tegen te waarschuwen. Elke versregel is eene eenheid;
door den kunstenaar zoo en niet anders samengesteld; ieder, die deze eenheid
vernietigt, handelt in strijd met de bedoeling van genen. Had hij gewenscht, dat twee
verzen als één moesten gelezen worden, hij zou ze natuurlijk als een' geheel gegeven
hebben. Nu is de eenheid van ieder der beide eerste regels reeds door het rijm
verzekerd (kleed - leed), maar bij den derden moet er wel degelijk aan gedacht
worden, dat hij uit is en eerst de volgende regel onze gespannen verwachting
bevredigt.
De zinsbouw! De omvang van dit onderwerp noodzaakt mij, de verzoeking te
weerstaan, om door 't bijbrengen van nieuwe voorbeelden duidelijker te laten zien,
wat een smaakvol schrijver door dit middel te bereiken weet. Slechts ter loops zij
aan de opmerking van Beets herinnerd over dien zin uit Poot's A k k e r l e v e n ,
langgerekt over vijf regels voortloopend, als moest daardoor de lange vore verzinlijkt
worden, die juist getrokken wordt:
Als een boer zyn hygende ossen
't Glimpend kouter door de klont
Van zyn erffelyken gront
In de luwt der hooge bosschen
Voort ziet trekken - -
om te laten zien. wat eene anders onbehagelijke lengte vermag, en voorts nog aan
een paar plaatsen uit Da Costa, om te bewijzen, dat hij de boven besproken
versconstructie vaker en gelukkig toepast:
De Omwenteling in haar kiem gekoesterd - in haar vrucht
1)
Verafschuwd. - - Betoonen
De teekenen dezes tijds zich gunstig voor 't bestaan
Van 't plekjen duin en wier, den Westeroceaan
O n t w o r s t e l d ? o, Wat oord van 's hemels welbehagen
1)
Voor de duidelijkheid onderstreep ik.
Taal en Letteren. Jaargang 2
159
Weleer! (Wachter, wat is er van den Nacht?)
daar, twintig eeuwen later
Verhief de Saraceen met dweepend krijgsgeschater
zijn wapens, - - - En nu - die Abram 't eerst den vadernaam deed hooren,
Die veertig jaren op de aartsvaderlijke kniên
Geen tweeden nevens zich gekoesterd had gezien,
Moet thands dien tweeden als zijn' meerdere gehengen,
En, man in zelfgevoel en krachten, hulde brengen
E e n w e e n e n d k i n d e k e ! (Hagar.)
Overal hetzelfde middel en hetzelfde effect. Het onderstreepte woord van de andere
daarmee samenhangende door eene al is 't ook kleine rust gescheiden - in isolement
ligt kracht, soms! - en aan 't hoofd van een nieuwen regel, doch aan 't eind van den
zin geplaatst, komt krachtig uit, maar daarmee ook het deel, dat den vorigen regel
eindigt en bovendien door den dubbelklank van het rijm sterker tot het oor spreekt.
Want - laat deze opmerking hier nog eene plaats vinden, het rijmwoord is door plaats
en klank een bevoorrecht woord, en geen man van smaak zal deze voorrechten
verleenen aan een, dat er door de belangrijkheid zijner beteekenis geene aanspraken
op kan laten gelden.
Wij gaan verder en springen een paar verzen over: ‘Hij waarde rond in 't huis; hij
zocht - Hij zocht en vond een kind, dat vroeg reeds had vernomen De stem des
Herders: Laat de kleinen tot mij komen.’ - De persoonsverbeelding wordt
volgehouden; de spanning, door 't verschijnen der geheimzinnige gestalte opgewekt,
blijft en klimt tegen het eind door onze belangstelling voor het kind. Zie wat herhaling
doet: Hij zocht - Hij zocht. 't Is het eenvoudigste en tevens het aanschouwlijkste
middel om het veelvoudige der handeling, m.a.w. het frequentatieve, de herhaling
en voortduring er van aan te duiden. Een ander maal - om niet te gewagen van de
bijzondere toepassing door onze verre voorvaderen of nog door de Maleijers - maakt
het enkel als een herhaalde hamerslag den indruk dieper, dat de voorstelling steeds
levendiger ons voor den geest staat en de klank in ons oor blijft doortrillen als van
een aangehouden toon. ‘Laat varen, 't jong paar, laat varen’ zong Staring, en Vondel,
wien d r i e maal ‘heilig!’ nog nauw genoeg is, legt in Elektra's nooit uitgeklaagden
mond een ganschen Alexandrijn van ‘Och's’. - Hij zocht en zocht: het is, alsof de
Engel des doods, rondwarend door het huis, nu dezen, dan weer een ander voor
een oogenblik aangrijpt, weer loslaat, op nieuw zoekt, om eindelijk vast te houden,
onverbiddelijk, wat hij had willen vinden. Maar hoe wordt dan ons medelijden gedempt
en onze zorg om het kind tot rust gebracht, als we aan 't slot dat gewijde woord
vernemen: dat van zooveel kinderlijke kinderliefde spreekt: Laat de kleinen tot mij
komen!
Want als in de menschenmaatschappij, zijn er ook onder de woorden
Taal en Letteren. Jaargang 2
160
standen en klassen, en ten spijt van de roodste onder de roode auteurs, die het
hoogste gaarne omlaag halen, zonder toch het lage omhoog te brengen, zullen ze
er vooreerst wel blijven. Daar zijn er - woorden en menschen - die in den stal te huis
zijn en ruiken naar mest; daar zijn er van koninklijken bloede, die een' stoet van
adellijke begrippen of dienaren meevoeren; daar zijn er ook, weinige slechts, doch
juist door hunne zeldzaamheid kostbaarder, die als met goddelijken glans en
majesteit zijn bekleed en al het andere overschaduwen. Zulk een woord is dat van
‘de kinderkens,’ en met niet minder tact, dan de Arabier zijn spreuken uit Choran of
Bijbel, sluit Da Costa eene gedachtenreeks op plechtige wijze af met eene belofte
van de hoogste orde. Gods zoon strekt zelf de armen uit naar den kleinen lieveling
1)
- al hemeling, nog eer hij bij hem is. - De handeling schrijdt voort: de bode neemt
het kind mede naar het paradijs. De smeekingen des vaders zijn onverhoord
gebleven; beschaamd is het vast geloof der moeder, dat geen goede God zoo
onmeedoogend kan zijn, - het geloof, dat bij de smartelijkste werkelijkheid onwrikbaar
bleef. Want bij haar als vrouw en moeder wint het hart het van 't verstand: zij heeft
tot het laatste toe vertrouwd tegen beter weten in. Daarom wordt haar verdriet niet
alleen naast en tegenover, maar ook na dat van den vader gesteld. Zijn leed toch
is, zooal niet minder diep, tenminste minder onstuimig in zijne openbaring. De beide
betreffende regels:
Ondanks eens vaders sterke bede
Eens moeders vast geloof in worstelende smart
zijn als twee parallelle lijnen, doch van ongelijke lengte en kracht. Ter wille van die
evenwijdigheid vergeven we den dichter gaarne dat ongrammatische eens moeders.
Haar geloof blijft vast, als reeds de vreeselijke slag gevallen is. Zij herinnert zich
het wonder, dat in het huis van Jaïrus geschiedde. Het doet er niet toe, of wij het
voor geschiedenis of voor legende houden; zij gelooft er aan, dat is genoeg. Maar
het wonder herhaalt zich niet. Hoe kinderlijk naïef klinkt nu van de bevende lippen,
waarover reeds de twijfel binnensloop: Is Jezus hard?
Hoe goed drukt die schuchtere vraag het onbegrijpelijke van de ramp uit! Hoe na
moet het hart, dat die vraag doet, zich aan dat ideaal van goedheid verwant voelen,
om dat gewone menschelijke hard daarop te kunnen toepassen! Zoo denkt en
spreekt men niet van de Godheid, tenzij zij mensch is geworden en eens menschen
voornaam drage; zoo spreekt de vriend slechts van den vriend, met wien hij dagelijks
in gedachten verkeerde, op wien hij meende huizen te kunnen bouwen.
Ik weet geen regel, die karakteristieker is voor de vriendelijke zijde van Da Costa's
geloof, dan deze. En geen beter middel om de waarheid der ge-
1)
En naar de woning van het Lam, nam hij den kleinen heemling mede.
Taal en Letteren. Jaargang 2
161
maakte opmerkingen te doen inzien, dan dit: knutsel zelf een' regel terecht en lees
bijv.: ‘Is God dan doof voor mijn gebeden’ of wat gij maar wilt.
Wij mogen niet over het hoofd zien, dat de eigenaardige werking van die drie
woorden aanmerkelijk verhoogd wordt door de tegenstelling met de lange reeks,
die vooraf gaat. Reeds eerder hadden we kunnen opmerken, dat er in ons gedicht
eene groote afwisseling van beweging is. De maat is op eene enkele uitzondering
na - waarover straks - overal dezelfde; we vinden enkel de voor onze taal meest
natuurlijke tweedeelige voeten, die wij j a m b e n noemen: een én | gel kwám, de
tweede lettergreep telkens beklemtoond. Maar ongelijk is de lengte der regels, welke
uit deze voeten zijn samengesteld: soms vinden we er slechts twee, dan weer
dringen er zich zes bijeen en schijnt de wel haast niet te stoppen. Met groot talent
bedient de dichter zich van dit verschil in beweging - natuurlijk meer door zijn
geoefenden smaak, dan door redeneering geleid - om zinnelijke of onzinnelijke
beweging af te beelden. Ernstig en langzaam is in den aanvang de gang der verzen,
als de vreeslijke engel des doods, onkenbare engel des lichts, voor ons uittreedt.
Vlugger wordt de beweging, waar hij het huis binnengaat, evenals later, waar hij
met het kind ten hemel wijkt. Voller, onstuimiger dan bij den biddenden vader vloeit
de woordenstroom, als het heftig bewogen gemoed der moeder tegen de smart
worstelt.
Misschien ziet het oog van dezen of genen lezer, dat niet gewoon is naar deze
dingen te kijken, nog niet dadelijk 't geen ik wil laten zien, en zijn een paar andere
voorbeelden ter verduidelijking niet overbodig. In het vers Aan Willem de Clercq,
die een dag na Da Costa verjaarde, is het telkens de langere derde regel, waarin
de volheid van het gemoed zich uitstort:
De hand van God
Verbond ons lot.
Wie zal het rukken van elkaâr?
Wat eenmaal stond,
Door Hem gegrond,
Blijft eeuwig vast, blijft eeuwig waar.
Eens Heilands trouw
Kent geen berouw.
Wie zal ons scheiden van dien Heer?
Geen tegenspoed,
Geen overvloed,
Geen smaad, geen haat, geen gunst of eer.
enz. Men leze het geheel na in het derde deel, vooral om den laatsten regel te
waardeeren, waarin het vol gemoed zich met een niet te stuiten stroom ontlast; eerst
daarna komt er rust:
Wij hebben 't Woord!
Het word' gehoord,
Geloofd, bewaard, doorzocht, onthuld,
En in gena,
't Zij vroeg of spâ,
Aan 't geen ons hart bemint, zijn naam ter eer, vervuld.
Taal en Letteren. Jaargang 2
162
Nog krachtiger spreekt mogelijk de slotregel van Bilderdijks Uitvaart, dat geheel van
denzelfden geest doortrokken is en trots de haast gezochte en vermoeiende speling
van het rijm overwaard is daarmee vergeleken te worden, daar het de meeste der
bovengemaakte opmerkingen kan bevestigen. Na de overdenking, hoe de jaren het
lichaam sloopen, tot eindelijk de onverbiddelijke dood van alle aardsche grootheid
niets overlaat, komt de troostrijke gedachte hem bemoedigen, dat hij met hooger
hulp den Aartstiran zal verwinnen:
Doch wat 's dit mij,
Die zorgenvrij,
In 't uitzicht blij,
Dat ik belij,
Op 't noodgetij'
Mag triomfeeren?
klinkt het blijder van zijne lippen. Maar hooger heft zich zijne borst, als in 't vooruitzicht
van de zege hij met den juichkreet eindigt:
Geen nood, dien wij
Aan Jezus' zij
Niet stout braveeren!
Zijn Englenrij
Verordent Hij
Tot wachters om ons hoofd. Geen onheil kan ons deren.
Het derde couplet. - Het kind is weggerukt, geen gebed hield het tegen, geen wonder
bracht het terug. Het menschelijk verstand staat stil, in het ledige hart wonen
wanhoop en twijfel. Geen vriendentroost, geen gewijde spreuk kan hier leniging
brengen. De dichter zwijgt onmachtig en laat het woord aan de Godheid zelve. En
bijna jubelend klinkt het uit den Hoogen:
Dat het vleesch zich verloochen', de geest zich verblij'!
Mijn genade is met U, en Uw kind is met Mij.
Voor dit orakel verstommen alle twijfelingen, een verblindend licht doordringt den
nacht, de nevelen dunnen en de troostelooze voelt de waarheid van Longfellow's
woorden: Achter de wolken schijnt nog de zon.
Aangrijpender slot is van Da Costa's standpunt nauwelijks denkbaar. Doch de
verheffende uitwerking daarvan schuilt niet enkel in de omstandigheid, dat de Koning
der hemelen zelf tot de menschen spreekt, zij ligt voor een niet gering deel in eene
afwijking van den vorm. Terwijl het gedicht overigens geheel in jamben geschreven
is, bewegen zich de twee laatste regels in anapästen:
; twee
onbeklemtoonde lettergrepen gaan ééne beklemtoonde vooraf. De zwakke
maatdeelen raken in de meerderheid en geven daardoor meer luchtigheid aan den
gang van het vers, wat te levendiger gevoeld wordt door de tegenstelling met het
vorige. In verband met de beteekenis der woorden - laat ons het wel onthouden, dit
blijft
Taal en Letteren. Jaargang 2
163
altijd de hoofdzaak - krijgen die luchtige anapästen iets zoo opwekkends, vroolijks
bijna, dat elke gedachte aan somberheid verdwijnt: Wie door dezen trippelgang
wordt meegevoerd, m.a.w. wie deze woorden hoort, kan niet langer in zijn leed
versuffen; de beweging sleept hem mee en voert zijnen geest naar zonniger sfeer,
nog voordat hem de dubbele beteekenis van met in den laatsten regel recht duidelijk
is geworden: 't gevoel vliegt ons denken vooruit.
Wil iemand zich nauwkeurig rekenschap geven van het verschillend effect door
deze maten teweeggebracht, dan doet hij het best, ze van alle andere middelen,
waarvan de dichter zich bedient, af te zonderen en dus te zorgen, dat hij alleen maat
hoort, zonder woorden. Hij kan daartoe de accenten, de maatdeelen b.v. op de tafel
trommelen, of ze met een' klank zonder beteekenis aanduiden. Als hij dan na eene
reeks van jamben: ta tám, ta tám, enz. eene andere van anapästen laat hooren: ta
ta tám, ta ta tám, enz., zal hij tusschen beide soorten van voeten, vertrouw ik, wel
eenig verschil in karakter merken. Dit zelfde middel zal hem later ook kunnen helpen,
om den geheel anderen aard van deze voeten: - ◡ en - ◡ ◡ te onderkennen.
Wij mogen zonder onbescheidenheid onze beschouwing niet verder uitstrekken.
Zoo er daardoor enkelen liefde en bewondering hebben gekregen voor dit schoone
gedichtje, dan is er alvast iets bereikt. Doch meer ware het, zoo zich bij hen de
overtuiging had gevestigd, dat men, om een kunstwerk te genieten en te waardeeren,
alle vooroordeel op zij moet zetten, opdat men zich geheel in de denkwijze van den
kunstenaar kunne verplaatsen. Wie in poëzie, of schilderkunst of beeldhouwwerk
alleen zich zelven zoekt, zal, ja, soms zijnen dorst kunnen lesschen, maar den
dichter, den schilder en hunne kunst vindt hij nooit. Komt de kunstenaar onze
neigingen en behoeften te gemoet, des te beter, wij zullen er hem dankbaar voor
zijn; maar iets anders is het, of hij onzen kunstzin bevredigt. Wat kunst is, wat kunst
doet, ziet men misschien het duidelijkst, waar de bekoring in de wijze van voorstelling,
niet juist in onze ingenomenheid met het onderwerp gelegen is. Het is een bewijs
van geringe aesthetische ontwikkeling, zoo wij voor die bekoring ongevoelig blijven.
Voor de schilderkunst geeft men dit gereedelijk toe. Kinderen van het land van
Rembrandt, zit er in de meesten van ons genoeg van een' schilder, om Jan Steen
te genieten, al walgen wij van kroegtooneelen en lichtekooien; genoeg, om den
grooten meester zelven te bewonderen, hoe afkeerig we anders ook zijn van militair
parade-vertoon, hoe griezelig ook van een opengesneden kadaver. Doch bereiken
allen die hoogte ook in de poëzie? Hoe velen onder hen, die met de kerk hebben
afgerekend, voelen zich getrokken tot de protestantsche bedehuizen van Bosboom,
terwijl zij zich onverschillig afwenden van den zanger der protestantsche leer, Isaäc
Da Costa!
JOH. A. LEOPOLD.
Taal en Letteren. Jaargang 2
164
Schertsenderwijs aangewende eigennamen.
Het is een zeer eigenaardige studie om de wijzen na te gaan, waarop zich de spotlust
bij het volk openbaart. Dat zij van den volksgeest onafscheidbaar is, en dezen
ingeboren, hoeft wel geen betoog. De komische letterkunde heeft een populairen
oorsprong, en vindt nog - hoe groot ook heden de kloof zij tusschen het eigenlijke
volk en de gehandschoende literatuur - vaak haar typen en inspiraties in den handel
en wandel der lagere klassen.
Bij deze treedt dan ook de spotzucht meer op den voorgrond. Heeft La Fontaine
van de jeugd gezegd: ‘Cet âge est sans pitié’, evenzeer is dit woord toepasselijk op
het volk. Voor elk moment in het leven, bij elken toestand, heeft het een woord dat
afwisseling brengt in het proza van het menschelijk bestaan, en een oogenblik in
luchtiger stemming brengt. Vooral daar waar zich zwakheden en tekortkomingen
openbaren, zal de volksgeest zich te haren koste - zonder kwaadaardigheid evenwel
- lustig maken.
Een zeer zonderlinge rubriek vormen, in deze uitingen van het volkskarakter, de
eigennamen die in scherts en spot worden aangewend. Uit het voorgaande zal men
reeds begrepen hebben, in welk midden men ze het talrijkst zal aantreffen. Zij zijn
vooral gangbaar onder de laagste standen, meer en meer naar mate men de
laddersporten der maatschappij afdaalt. Zulke eigennamen zijn in grooten getale
voorhanden in de letterkundige oorkonden waarin het volksleven wordt geschilderd,
in spot- en hekeldichten, alsook in de kluchten blijspelen van vroeger eeuwen.
I.
Aanleiding tot de satirieke aanwending van eigennamen kon het volk reeds vinden
in het bestaan van significatieve persoons- en plaatsnamen. In vele gevallen is de
beteekenis der wortels, trots de wijzigingen in den loop der tijden ondergaan, nog
duidelijk te herkennen, of het uitgedrukte begrip zich laat rechtvaardigen al dan niet.
Zoo heet tegenwoordig wel eens een klein man De Groot of De Groote, en een
roodharige De Swarte. ‘Ook de natuur begaat misslagen’.
De gewoonte van het volk om bijnamen te verzinnen bestaat overal. Onder den
geringen stand zijn deze nog tegenwoordig zoo zeer verspreid, dat soms wel een
persoon in de wandeling slechts onder zijn populaire benaming, en niet onder zijn
familienaam, bekend is. Men vindt het gemakkelijker een woord te onthouden dat
iets zegt tot den geest. De officieële naam is te on-
Taal en Letteren. Jaargang 2
165
beduidend voor den volksgeest; en het gaat met die namen als met zekere termen
uit den gewonen woordenschat, welke langzaam verloren gaan onder de concurrentie
van pittiger termen, rijker aan kleur en uitdrukking, of die krachtiger spreken tot het
verstand of de verbeelding. Het pittige, dát is het juist wat het volk in zijn
taalvervormingen beoogt, en dat is ook het karakter waaronder zich de in scherts
aangewende eigennamen voordoen.
In alle talen zijn, in plaats van de wezenlijke namen, voor vele zaken andere in
gebruik, waardoor herinnerd wordt aan eenig in 't oog vallend karakter van het
voorwerp. Ook gewone zelfstandige naamwoorden ondergaan, en ondergingen in
vroeger eeuwen, zulke wijzigingen. Heden zeggen wij b.v. een pillendraaier voor
een apotheker; een sabelsleeper voor een soldaat; een pennelikker voor een
commies; een steek, een zwartrok, een hemeldragonder voor een geestelijke; een
speldezoeker voor een politieagent, e.m.a. Breero heet den oven Swartjan. In onze
1)
middeleeuwsche volksliederen heet een schoenmaker een peckedraet, een
kleermaker een spetluis, een bakker een kijkinoven, een koster een klinckerdiclanc,
een kreupele een huppenstup, benamingen welke nog heden gedeeltelijk bekend
zijn. Men vergelijke een schupen bessempie (schop- en bezempje), de Overijselsche
benaming voor een karreman.
Klappen kregen in de volkstaal eveneens komische namen. Algemeen zegt men
rottingolie, in Noord-Nederland, en vet, in Vlaanderen; men onderscheidt handgeld
en voetgeld; Vondel (War. d. Dieren, nitg. v. Lennep-Unger, p. 19, vs. 14) gebruikt
stokkenbrood, en Breero (Symen, vs. 372) ‘stockvis, met vuystloock overgoten’.
Ook de strop werd zoo tot een hennipe venster (Koe, vs. 8).
Mishandelingen vindt men ook in de oudere Germaansche talen opgevat als drank
die gegeven wordt. Bekend zijn de woorden van Reinaert tot zijn oom Bruin die in
den boom gevangen zit:
(vs. 705) Hier coomt Lamfroit ende sal u scinken
2)
Haddi gheten, so souddi drinken .
Ook Tibert ‘bruwt’ de vos ‘cloosterbier’. De aanwending van tracteeren voor slaag
geven moest gansch natuurlijk uit zulke benamingen voortvloeien.
In 't voorbijgaan wil ik nog wijzen op een andere soort van kleurrijke
volksuitdrukkingen. In zijn liefde voor prikkelende gezegden bezigt het volk wel eens
termen die, anders steeds voor heilige zaken gebruikt, door een toepassing op
gansch menschelijke, als 't ware tot een parodie worden van de echte en
oorspronkelijke beteekenis. Op die wijze heet het volk een serie vloeken een litanie,
een herberg een kapelleken; spreekt men van een huisgezin door zekere
gemeenschappelijke eigenaardigheden meestal op belachelijke
1)
2)
e
Hoffmann v. Fallersleben, Horae Belgicae II , n. 114.
Cf. vs. 2175. - Zie nog Nib. 1918,4. hie schenket Hagne daz aller wirsiste tranc; en in het ohd.
Ludwigslied 53 Her skancta cehanton sînan fîanton bitteres lîdes. (Martin, van den Vos
Reinaerde p. 359).
Taal en Letteren. Jaargang 2
166
wijze gekenmerkt, zoo is het de Heilige Familie; een diarrhee noemt men met een
woordenspel vollen aflaat, en voor de tien vingers bestaat de komische benaming
de tien geboden, een uitdrukking, die zeer oud is, daar zij zich reeds bij Shakespeare
1)
laat nawijzen .
In de middeleeuwsche oorkonden komen de bijnamen zeer talrijk voor, een bewijs
dat deze neiging reeds vroeg bij het volk werkende was. Belachelijk zijn zij altijd,
schaamteloos in menig geval. Oude familiecharters uit Vlaanderen vermelden
personen onder namen als De Kromme, De Manke, De Dikkop, De Kasse of Bult,
e
De Bierbolle en m.a. In de Deventer Cameraersrekeningen (XIV eeuw) worden
personen genoemd als Smeerbier, Calverstert, Peerdesvoet, Schele Heyn, Lambert
mitten eenen hant, Dyricx wyf mitten oranghen oghen, enz.
Hoe populair zulke namen waren in vroeger eeuwen, bewijzen onze oude kluchten,
die zoo getrouw het volksleven afschilderen. Voorbeelden zijn er te over. In Breero's
Klucht van de Koe dragen nagenoeg al de personen van welke gesproken wordt,
een naam gevormd naar hunne lichamelijke of zedelijke eigenaardigheden. Vriesse
Grietje, de kostelijke waardin uit het Swarte Paart, vertelt ons van het leventje dat
een vrijster heeft geleid met Doove Jas, en Mancke Klaas en Droncke Piet, en meer
anderen. De sul die zich zijn koe laat ontstelen en op weg is om ze zelf te gaan
verkoopen, leert ons wat een man Lange Dirck is, de rijke boer, en zijn dochter
Magre Grietje, die gevrijd wordt door Pied Quist-goed, welke laatste ‘het wel zal
ophelpen’:
.... ‘Vreckebart was het goed te vergaren een lust,
En om dat op te krijgen, had Lichthart nacht noch dach rust.’
Elders, in Symen nl. (vs. 395) komt Pieter driebochgeldeneus voor.
In vroeger eeuwen, toen de burgerlijke stand nog niet ingericht was, moesten
vele zulker namen dienen om den persoon te onderscheiden. De vrijheid van
spreken, welke de middeleeuwsche samenleving kenmerkt, vindt men terug in de
aangewende namen, des te meer daar de personen die aldus gedoopt werden,
edelen noch priesters waren en allerminst tot de hoogere klassen behoorden.
Naarmate het begrip der welvoegelijkheid zich later ontwikkelde, werden de
onzedelijkste namen gewijzigd of opgegeven; doch nog heden bestaan er, welke
2)
het beroep op den Koning zouden rechtvaardigen.
In de volkstaal, niet zelden als spreekwoord of spreuk, wordt menige eigennaam
schertsenderwijs aangewend om een gansch tegenovergesteld begrip voor den
3)
geest te roepen dan het uitgedrukte.
1)
2)
3)
d
In zijn Henry VI (2 part, A.I., Sc. 3) zegt niemand minder dan de hertogin van Gloster deze
voor de zeden des tijds zeer karakteristieke woorden: I'd set my ten commandments in your
face. (Ik zou mijn tien geboden op uw gezicht leggen.)
Van Hoorebeke. Etude sur les noms patronymiques flamands (1876) p. 264.
Vgl. het opstel van Cramer in den eersten jg. van dit tijdschrift: Een wijze van woordvorming,
p. 56.
Taal en Letteren. Jaargang 2
167
Vele bestaan uit een wortelwoord met een uitgang.
Een gierigaard zal men aldus in Vlaanderen Gevaert heeten, waarbij niet zelden
gevoegd wordt: Gevaert is dood, maar Hebbaert leeft nog;
een traag mensch: Jan Tijdgenoeg;
iemand die den rijke uithangt, maar eigenlijk niets bezit, het type van den armen
edelman in één woord: Baron Geegoed (= geen goed, geklemtoond op de eerste
lettergreep). Hij voert de firma: Pauvreté, Misère et Cie.
Waant zich iemand heel verstandig, zoo noemt men hem Rappaert of Slimbroeck,
of ook wel, zooals in Limburg, Slimmeke. Vaak wordt alsdan een zinspeling op een
der heldendaden van Slimmeke toegevoegd: ‘Als Slimmeke dood is, gaat het, zal
men u Slimmeke maken; Slimmeke ging voor den spiegel staan met zijn oogen toe,
om te zien hoe hij er uit zag terwijl hij sliep!’ In Overijsel kent men Leepertje: Als
Leepertien dood is, söl ie Leepertien worren (zult gij L. worden).
Aan ondeugende kinderen wordt beloofd dat ‘zij zullen mogen meegaan op
Thuisblijver zijn wagen.’
Ook door samenstelling kunnen dergelijke eigennamen gevormd worden, 't zij bij
middel van adjectieven en substantieven, 't zij dat de gedachte die men indirekt wil
uitdrukken, ligt opgesloten in of wordt voor den geest geroepen door een plaatsnaam.
De volksgeest bekommert er zich weinig over of deze al dan niet bestaat. Is de
naam reeds voorhanden, zoo wordt hij aangewend; doch in zeer talrijke gevallen is
1)
hij een schepping van den ‘Volkswitz.’
Zoo krijgt b.v. een vrouw die weinig begrip heeft van de reden waarom de natuur
haar lachspieren heeft geschonken, in de volkstaal tot naam: Madam
Moe-van-Lachen. Volgens het Noord-Nederlandsch taalgebruik, behoort zij te
Grimberg te huis, of is wellicht te Botterdam, de stad der botteriken, gedoopt.
e
Overigens, zegt De Brune, een thans nagenoeg vergeten schrijver der 17 eeuw,
‘men vind menschen die alles op het wrevelighste nemen en op het schots duyden,
wat haar voorkomt: die gheen ander vaart en hebben als op Spitsbergen om haecken
en harpoenen te ghebruycken.’
Zulk een dame is gewis een nicht van Madam van Kwikkelberge. Kwikkelen
beteekent in Vlaanderen pruttelen. En zij heeft mogelijk verwanten in het huis van
Klappenburg, waar de praters en klappers van daan zijn, die allerlei nieuwtjes te
verhandelen hebben.
Laat ze intusschen maar goed opletten, want nevens Klappenburg ligt
Kloppenburg, d.i. de plaats waar kloppen of klappen worden uitgedeeld.
Voorzichtiger is het daarom met de zwijgers tot Zwijgland te behooren.
1)
e
W. Bisschop wees reeds op dergelijke vormingen in den Taalgids, 8 jaarg., p. 33. Aan dit
opstel ben ik al de voorbeelden verschuldigd, getrokken uit De Brune. Ik onthoud mij derhalve
van de opgave der bladzijde, daar ik dezen in België onvindbaren schrijver niet uit eigen
aanschouwing ken.
Taal en Letteren. Jaargang 2
168
Zonderling ook is de eigennaam welken men aanwendt, wanneer een huwbare meid
beweert dat ze niet zal trouwen. Ja, zegt het volk, ‘wacht tot Jan van Pas zich eens
aanbiedt!’ In dezelfde omstandigheid gaf De Brune de volgende waarschuwing aan
de vrijsters die zich al te moeilijk toonen: Let maar goed op, dat het u niet gaat ‘als
vrijers, die keurboom voorbijgaande, zich daarnaar met vuylboom genoegen moeten.
En dan raecken zulcke noch dickwils in de Zorghoeck’.
Een trouwlustig juffertje heet bij Breero (Symen vs. 339) Lijsje waar is Jan? Ook
zoo bij Coster (Teeuwis 363). In de oude kluchten is Lijsje tamelijk algemeen de
naam der vrouw, als Jan voor den man; in verscheidene gewesten o.a. Vlaanderen
en Overijsel, zegt men heden meestal Trien: b.v. een gekke Trien, een domme
Trien, een hölte Trien; Tjanne voor een boerin, Peet of Pee voor een boer.
Algemeen nog in zwang is de benaming Kruidje-roer-mij-niet voor een
onverdraagzaam mensch. Teuntje Roert mij niet in Breero's Symen toont zich al
niet erg handelbaar en scheldt dan ook Symen braaf den rug vol. Ook in 't Fransch
kent men Mamzelle Nitouche (= n'y touche).
In Lidewijde (p. 230) komt een Juffrouw ongeloof voor. Busken Huet schreef een
kleine letter, doch het schijnt mij niet twijfelachtig of wij hebben hier weer een gansch
op dezelfde wijze gevormden fictieven eigennaam.
In dezelfde categorie behoort de schutter tehuis in het West-Vlaamsch
spreekwoord: ‘Bijkans schoot een musch, maar hij had ze niet.’
Op die wijze wordt het publiek tot Heer Omnes, dat bij Breero (Griane 2759,
Molenaer 17) voorkomt als gemeen zelfstandig naamwoord. ‘Het heromnenes is
van alle deught vervremt’, zegt Triin Jans. Wij gebruiken in denzelfden ongunstigen
zin Jan Alleman.
Niet alleen voor personen worden zulke namen uitgedacht; ook voor dieren of
zaken, zelfs voor zekere handelingen.
Wil men b.v. een hond als leelijk bestempelen, zoo heet hij: Te-lang-uit-'t-water.
Wenscht men uit te drukken dat men voor iets onverschillig is, zoo verzint de
volksgeest een opschrift, en zegt men in Vlaanderen: Ik woon in 't Plezierken. Deze
uitdrukking steunt op het antwoord ‘dat doet me plezier’, in menig geval slechts een
euphemisme voor: ‘dat kan me niet schelen’.
Een ‘Spel van Bedriegt-den-Boer’ is een gezegde dat in Vlaanderen vaak op den
strijd der politieke partijen wordt toegepast; vooral wanneer er sprake is van
belastingen, waarbij steeds herinnerd wordt aan een volkslied met het refrein: ‘De
boer zal 't al betalen’. Daarmede wordt bedoeld dat de grooten aan het roer den
gemeenen man om den tuin leiden; geen wonder ook, dat de spotlustige volksgeest
voor de geheele ‘komedie’ (want spel moet men hier in zijn middeleeuwschen zin
opvatten) een naam verzon.
Mede een fictief spel, doch ditmaal in de eigenlijke beteekenis van het woord, is
dat door Breero (Koe, vs. 42) bedoeld, wanneer hij zegt: ‘Haesop
Taal en Letteren. Jaargang 2
169
na Kuilenburg spelen’. Daardoor meent hij nl. ontvluchten naar de vrijplaats
Kuilenburg.
Een fictief liedje is dat vermeld in de uitdrukking, door Breero in de Klucht van de
Koe (vs. 434) en ook door anderen gebruikt voor feestvieren en drinken: van Aaltge
zingen. Hierin wordt gespeeld op den vrouwennaam Adelheid, doch tevens op het
1)
middelnederlandsch ale, een zeker soort bier (cf. eng. ale) .
II.
Vele namen van bestaande plaatsen, die herinneren aan woorden nog algemeen
in gebruik, leenden zich tot zulke scherts. Namen van deze soort waren b.v.
Kuilenburg en Domburg in Holland, Meenen en Sottegem in Vlaanderen. Naar de
bestaande voorbeelden vormde de volkstaal er vele anderen.
Wil men te verstaan geven dat men iets verkeerd opvat, zoo wordt geantwoord,
vooral op het gezegde ‘ik heb dat gemeend’: Meenen ligt bij Kortrijk. Dit komisch
antwoord hoort men dagelijks in Vlaanderen. Ook wel: Meenen en missen beginnen
met dezelfde letter, doch hierin ligt geen zinspeling meer op het Westvlaamsch
stadje Meenen.
Kortrijk wordt mede in verband gebracht met den naam van het stadje Duren in
Duitschland: Duren, zegt men, is een schoone stad, maar Kortrijk (d.i. kort rijk) ligt
er over (of: dicht bij) of wel: Duren is een schoone stad, die aan het Sparen ligt.
Iets onwaarschijnlijks, onmogelijks of onwaars, is, in Vlaanderen, ‘gebeurd te
Waregem en verteld te Leugegem of ‘uitgebeld te Sottegem’. Waregem en Sottegem
zijn twee dorpen in Vlaanderen; het andere, Leugegem, zou men te vergeefs op de
kaart zoeken.
Wie domme praat vertelt, komt, zegt men, ‘van Seevergem’ (een dorp bij Gent).
In dezen zin bezigt de Vlaming nog heden het bij Breero voorkomende werkwoord
zeeveren.
In Holland is, volgens De Brune, van de inwoners van Domburg, een stadje op
het eiland Walcheren, niet veel te verwachten:
Die wysheid van een dwaes begheert
2)
Die is oock zelfs die name weerdt .
1)
2)
Hoe vrij ook, willen wij verder niet onvermeld laten de uitdrukking: ‘den Lubbert in de wei
laten.’ (Breero, Koe vs. 514), een woordenspel met den mansnaam Lubbert, in Overijsel ook:
een plompe lompe vent, en het thans verouderde lubbe of lobbe (= mannelijk teellid) van
waar nog lubben (= castreeren).
De naam van dit stadje gaf overigens aanleiding tot een merkwaardige vervorming eener
zeer bekende volksoverlevering, waarbij wij hier een oogenblik willen stil blijven.
Over de afleiding van dezen plaatsnaam bestaan verscheidene zienswijzen. Op grond der
oudste schrijfwijze Dumnburch in een keure van het jaar 1223, heeft men getracht hem af te
leiden van dominiburg, burcht van den heer des lands, of anders doemburg, burcht waar
gedoemd, d.i. recht gesproken werd. Anderen zijn voor duinburg. De volkshumor echter weet
zoo niet iets beters, dan toch iets vermakelijkers.
‘De naam ontstond nl. bij den kerkbouw. Men trachtte toen met veel moeite, doch natuurlijk
te vergeefs, een langen balk overdwars door een deuropening naar binnen te werken.
Terzelfder tijd zag men een vogel met een langen stroohalm in den bek een gat in den muur
binnenvliegen en bemerkte tevens, dat de vogel het stroo niet overdwars maar overlangs
naar binnen bracht. En ziedaar het middel gevonden om ook den balk op zijn bestemming te
krijgen. De werklui stonden verbaasd over het eenvoudige middel en konden niet nalaten uit
te roepen: Wat zijn we toch domme burgers en daardoor werd de plaats Domburg geheeten.’
(Zie Kesteloo, Domburg en zijn Geschiedenis, Middelb. 1890, p. 3.)
Taal en Letteren. Jaargang 2
170
De Brune laat een man die op zulke plaatsen te huis behoort, in zijn Boec der
Amoreusheyt zeggen:
Plomp sonder arch mijn Heeren,
Dats mijnen name wildijt weten,
Ick hebbe oyt al te gheerne wittinghen gheten
Want te Malleghem ben ik ghebroet,
Ende die van Sotteghem hebben mij ghevoet,
Met suyvele van den Keyberschen driessche.
Van Dale sprak met recht de meening uit (Taalgids, VIII, p. 146) dat ook de
Keyber(g)sche driesch, d.i. weide, tot de in scherts gevormde namen behoort. Het
substantief kei wordt in menige spreekwijze met dwaasheid en zotternij in verband
gebracht. Men zegt nog: hij heeft een kei in 't hoofd, hij is met den kei gekweld, een
kei van een vent. In een stuk van 1561 heet een der personages Maas van
Keyendaal.
Ook Plompardije behoort tot die ingebeelde wereld. ‘Men vindt, zegt dezelfde
schrijver, groote lichamen uit Plompardije zoo grof als boonstroo, die niet een
greyntjen zouts en hebben.’ Harrebomée vermeldt het spreekwoord: ‘Hij komt van
Plompardije, niet van Scherpenisse.’
Scherpenisse ligt wel aan 't ander einde van dat land. In de buurt vindt men de
geboorteplaats der bedriegers: men moet, zegt nogmaals De Brune, van
Schalckeroort of Vosmeer zijn, zal men in de wereld leven.
Het laat zich begrijpen, dat de woordenspelen, waarin de gierigheid of
schraapzucht wordt gehekeld, talrijk moesten zijn.
Zeer bekend is b.v.: Hij is van 't land van Cleven, waarbij aan kleven, vastkleven
wordt gedacht. In Holland zegt men nog: Hij is van de familie van Van Kleef, hij
houdt van de heb, maar niet van de geef.
In Vlaanderen bestaat het volgende versje:
Hij is van Bever,
Liever houder dan gever.
Bever(e,-n) is de naam van verscheidene dorpen in Vlaanderen; hier werd hij
aangewend ter oorzake van het rijm.
Een vrek is in Vlaanderen van Vreckhem, waarschijnlijk een fictieve naam; in
Breero's Klucht van de Koe heet een gierigaard Vreckebaert.
Taal en Letteren. Jaargang 2
171
In hetzelfde stuk laat hij zoo een man ‘varen op Cape de Grijps’ (vs. 28). Deze kaap
staat, zooals Harrebomée te recht opmerkt, alleen op de kaart der hebzuchtigen.
In Vlaanderen leeft de uitdrukking voort onder den door volksetymologie ontstanen
vorm van ‘Pak-ende-gryp’. De Duitscher zegt: er ist vom Stande Nim.
Kleine luidjes, ook de familie van Baron Geegoed, hooger vermeld, werden
insgelijks door den volkshumor bedacht.
Zulke zijn ‘poorters van Nergenshuizen in Geenland;’ onder hen onderscheidt
e
een blijspel van het begin der 18 eeuw een Graaf van Nergenshuizen.
Een der oudste is de type van den vagebond, de heer van Bijstervelt. Hij komt
reeds voor bij den Vlaamschen rederijker A. De Roovere, die in zijn Rhetoricale
Werken schrijft:
Tvolck was ghestelt, tis nu confuys
Al sonder ghelt en sonder cruys
1)
Al(s) Bystervelt , daer is graen noch gruys....
De benaming komt ook voor in het volksliedje van de Opregte Zandvoorder
Speelwagen:
Hoe slegt is 't nu met my gesteld,
Ik leef als heer van Bystervelt
Ik heb gheen geld noch eenig pand...
Gelukkig nog voor velen, dat er, volgens De Brune zich uitdrukt, ‘huyswyven in de
konst van zuynigheid ervaren (zijn) en die de reyse naar Hongerijen door
spaarzaamheyt beletten.’
De zucht naar geld vond een personnificatie in Teeuwen Zoek-geldt, een
personage mede van De Brune; doch hij kwam, zooals het dikwijls gaat, niet waar
hij wilde landen: Want, ‘Teeuwen zoeck-geldt al zijn vermogen te koste ghelegt
hebbende om zeker rijck en leelick wijf, op zijn dam te krijghen, naer dat hy een
ghekoppelt schaep gheworden was, moest hy somtyds hooren, dat hy Schoonhoven
ghemist en te Leelickendam gherocht (geraakt) was.’
De Brune troost echter onzen held op een andere plaats van zijn werk, en doet
te recht opmerken: ‘Liever noch Mevrouw van Leelickendam, die wat in de melk te
brocken heeft, als Madame van Schoonhoven daer de kasse schoon en ledigh is.’
Bij lieden van het slag dezer laatste is Magerman zeer bekend; immers: bij
Schraalhans is, volgens het spreekwoord, Magerman kok, en Magermans gasten
overeten zich zelden.
Eten en feestvieren en de gevolgen van beide vervullen in den volkshumor,
1)
Bijsterveld = een woest en waardeloos stuk land. In een brief van Zwolle aan Campen van
1671 wordt gesproken van landerijen, die ‘bijster ende onbeheert’ liggen, en in Zwolsche
processtukken van 1749 van een ‘voormaals bijstere, dog nu wederom beheerde dijk.’
V.D.B.
Taal en Letteren. Jaargang 2
172
zooals men ziet, een groote plaats. Van zijn hart op te halen, houdt de mensch veel,
zelfs al ‘woont men in den Penninckhoeck.’ Reeds De Brune noemt de heeren
Smeermond en Spaermond, van welke de laatste aan den eerstgenoemde zijn huis
en land afkoopt. In Vlaanderen ook is Lammeke Smeerbuik, met naam en toenaam
bekend, zeer populair.
Zekere menschen deugen niet dan tot het genieten van het leven; o.a. Jufvrouw
e
Nietenburg, die door een blijspeldichter der 17 eeuw ten tooneele wordt gevoerd.
‘Jufvrouw Nietenburg’, zegt de vader in W. de Geest's Manzieke vrijster tot zijn
dochter die zich niet goed gedraagt, ‘wat zult gij ondernemen? ben je bekwaam om
uw kost te winnen hé?’
Een volgende rubriek in deze uitingen der populaire lachlust begrijpt de
eigennamen die aan de laatste rustplaats herinneren.
Iemand te Blyenberge begraven, is gemakkelijk uit het woordenspel met blij
verstaanbaar. Gelief de plaats niet op de kaart te zoeken. Dezelfde gedachte wordt
in Vlaanderen uitgedrukt door den naam van het dorp Lovendegem bij Gent, waarbij
gespeeld wordt op den wortel loven.
De fictieve eigennamen voor het hiernamaals roepen op zeer prozaïsche wijze
de gedachte voor den geest aan de treurige verblijfplaats van ons stoffelijk overschot.
Zoo gaat men, wanneer men sterft of hiertoe aanstalten maakt, naar het
Pierenland, d.i. het land der aardwormen, ook wel naar het Mollenland. Evenzeer
spreekt de Franschman van le Pays des Taupes en de Waal van le Païs des Foyans
(foyan = mol).
In Noord-Nederland speelt men, om dezelfde gedachte op te wekken, op
plaatsnamen als Kuilenburg, in Gelderland, Aardenburg, in Zeeuwsch-Vlaanderen;
of Zandwerven, een gehucht in Noord-Holland, (z. Laurillard, Sprokkelhout, p. 221).
Het is niet onaardig hier op te merken, dat de volksverbeelding, ook bij andere
volkeren, in gansch dezelfde gevallen zulke namen verzon.
Het naar bed gaan wordt dikwijls met een humoristischen geographischen naam
uitgedrukt. Op vele plaatsen in Duitschland spreekt men van ‘nach Bethlehem
gehen’, hoewel deze spreekwijze ook soms wordt aangewend om het begrip van
bedelen uit te drukken. In Thüringen kent men Bettenhausen, ook Federhausen; in
1)
Saksen ‘nach Ruhland gehen’ , in den Elzas ‘nach Bettli-Alp’, te Basel en in Zwaben
‘nach Bettingen’, een aldaar voorkomende plaatsnaam. Een gierigaard komt vaak
uit Anhalt of van Holfast. Als een ding zonder onkost verkregen wordt, komt het in
Noord-Duitschland uit Kostnitz. Wie zich gaarne roemt is van Rome, en wie
domheden begaat, is uit Domnau of in Saksen uit Dummsdorf. De Franschman,
zinspelende op âne (ezel), zegt in dit geval: Tu as fait ton cours à Asnières (spr.
Anière, bij Parijs). Heeft men haast, zoo ‘gehört man nach Eilenburg’ of ‘nach Eilau’;
1)
Vgl. het te Amsterdam gebruikelijke: naar Rusland gaan, met een woordenspel op rust.
Taal en Letteren. Jaargang 2
173
in Vlaanderen: ‘men heeft van Loopegem’. Wie niet veel spreekt, komt uit Stumsdorf,
1)
een plaats bij Halle a.S., en wie arm is, ‘geht nach Strassburg auf die Hochzeit’ .
III.
De spotzieke volksgeest, in Nederland als overal elders, heeft, zonder overigens
oneerbiedige bedoelingen te koesteren, heiligen uitgedacht, om zekere driften en
ondeugden voor te stellen. Sinte Luyaert, die in onze middeleeuwsche volksliederen
zoo dikwijls voorkomt, kan tot voorbeeld dienen voor deze rubriek van populaire
scheppingen.
Vooraf echter een opmerking.
Volkstaal en volksgeloof hangen nauw met elkander samen, en oefenen op
elkander een zekeren invloed uit. De klank vermocht in menig geval een bestaande
geloof te wijzigen, ja was soms genoegzaam om zelfs het geloof te doen ontstaan;
van een andere zijde vormde zich menig woord, menige naam als direkt uitvloeisel
van het voorhanden zijnde geloof. Deze beide zijden der onderlinge inwerking van
den klank en de zaak verklaren de schepping van talrijke feiten in den volkshumor,
op het punt der heiligenvereering.
Indien de H. Valentin in Duitschland de schutspatroon is tegen de vallende ziekte
of epilepsie; Sint Blasius in Vlaanderen de huidblaasjes of zweren geneest, en in
Denemarken tegen den blazenden wind beschermt; S. Lambertus aangeroepen
wordt tegen de lamheid, S. Rosa tegen de roos; Ste Claire in Frankrijk om klaarziende
te worden; St. Cloud aldaar de zweren, in 't Fransch clou, in zijn specialiteit heeft;
dan zijn wij in tegenwoordigheid van ideeën welke slechts berusten op wat men wel
een mythologisch woordenspel kan noemen.
Dat deze scheppende invloed van den klank reeds in 1566 werd opgemerkt, mag
eenigszins verwonderlijk heeten. De getuigenis van den zestiende-eeuwschen
Franschen schrijver Henri Estienne op dit punt, is zeer merkwaardig, althans voor
dien tijd. ‘A quelques saincts, zegt hij, on a assigné les offices suivant leurs noms,
comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit
de la maladie qui avoit un nom approchant du sien.’
Omgekeerd zijn er heiligen, voor wie een bijnaam verzonnen werd, gevormd naar
de vereering waarvan zij het voorwerp waren. Numen, nomen! en deze bijnaam
heeft soms den waren naam verdrongen. Zoo kent men in Frankrijk St. Criard, die
de schreeuwende kinderen geneest; St. Languit, St. Vivra, St. Mort, welke
geraadpleegd worden in Lorraine met het doel om de lotsbestemming van een zieke
te kennen; St. Estropié e.m.a., voor welke de ware naam is vergeten geworden.
Het zal, in tegenwoordigheid dezer scheppingen van den volksgeest, niet meer
verwonderen, indien de volkshumor, reeds in de middeleeuwen, zelfs voor zekere
ondeugden een patroon heeft uitgedacht. Het woordenspel, want
1)
e
Wie nog meer voorbeelden verlangt, raadplege Andresen, Ueber Volksetymologie. (4 Aufl.)
p. 74.
Taal en Letteren. Jaargang 2
174
daarop berusten al de hooger bijeengebrachte feiten, neemt in de beschaving onzer
voorvaderen een zeer gewichtige plaats in.
Op die wijze geschiedde het niet zelden dat een heilige door een gilde of nering
tot patroon werd gekozen, alleen wegens den klank van zijnen naam. St. Vincent
b.v. is wegens een overeenkomst in klank met vin, tot schutspatroon geworden van
de wijnbouwers in zekere gedeelten van Frankrijk. Ja, talrijke populaire uitingen der
kunst laten zich slechts verklaren door een dubbelzinnigheid, waarmede de
kunstenaar zijn voordeel deed.
Deze gedachtenassociatie is zoo natuurlijk, dat zij geen verwondering zal wekken,
en vooral niet kinderachtig noch belachelijk schijnen, wanneer men bedenkt dat zij
dagteekent uit een tijd, toen de schrijfkunst zoo weinig verspreid was. De calembour
onder den vorm van een figuur of rebus behield zijn oorspronkelijk ideographisch
karakter, en kon voor den grooten hoop, welke alsdan lezen noch schrijven kon,
het letterschrift vervangen.
Deze voorstelling eener gedachte bij middel van een beeld toont hoe eenvoudig
de mensch vóor eenige eeuwen nog was. Deze wijze, om iets voor de menigte
verstaanbaar te maken was overigens algemeen. De nog heden bekende sprekende
wapens zijn een overblijfsel uit een tijd, toen zelfs de betere klassen nog niet ver
genoeg boven de lagere in ontwikkeling vooruit waren, om zulk beeldschrift te kunnen
ontberen. Doch het blijft een feit, dat bewijst hoezeer de woordspeling tusschen den
klank en het beeld in gunst was. Daarom voerde het huis Wassenaer in zijn schild
wassende manen, ook wassenaars in 't Nederlandsch geheeten; de Geldersche
familie van der Renne een rennend paard; de Engelsche familie And het teeken &.
De abdij van Corbie in Picardie had daarom een raaf in haar wapenbord, omdat de
klank van den eigennaam aan dien van den vogel (corbeau) herinnerde; de abdij
van Pontigny bij Auxerre voerde een brug.
De grappige kroniekschrijvers der middeleeuwen lieten zich zelfs door zulke
gelijkheid van klank verleiden tot het smeden van etymologische sagen op eigen
hand.
Het stadje Hasselt in de Belgische provincie Limburg voert een hazelaar in zijn
wapen. Nadat dit wapenschild reeds langen tijd had bestaan, ontdekte de schrandere
Mantelius, die de kroniek van het Land van Loon heeft geschreven, dat de naam
der stad moest afkomen van het bosch van hazelaars waarin zij moet zijn ontstaan.
- Aarschot, een stadje in Zuid-Brabant, wordt zoo genoemd, omdat Julius Caesar
eens op die plaats een merkwaardigen adelaar schoot: dat het woord hier onder
den ouden vorm aar voorkomt, schrikt zulke humoristische etymologen niet af. - Het
dorp Raveschoot in Oost-Vlaanderen heet zóo, wegens een gelukkig schot, waardoor
een edelman drie raven ineens deed nedervallen. De sage van den oorsprong der
stad Antwerpen (d.i. hand werpen) zet aan deze manie de kroon op, doch is te zeer
1)
bekend dan dat ik ze hier zou moeten herhalen .
1)
J.W. Wolf. - Niederländische Sagen, nrs. 53, 54, 82.
Taal en Letteren. Jaargang 2
175
Het is nu een opmerkelijk feit, welk ons een diepen blik laat slaan in het bewogen
leven der middeleeuwen, dat de verzonnen heiligen slechts betrekking hadden op
drank en ledigheid. Onze oude volksliederen zijn vol van zinspelingen op zulke
heiligen, en het is onbetwijfelbaar of op hun altaar offerden onze levenslustige
voorvaderen met overtuiging. Sinte Reynuyt was de god der drinkebroers. Ziehier
e
in welke bewoordingen een liedje der 17 eeuw de liefhebbers van drank en gezang
uitnoodigde mede te varen naar Sinte Reynuyt:
Ja, komt hier nu altemael,
Die door 't zuipen zijn zeer kaal,
Weest nu vrij vrolyck en verheugt,
Schoon u Neering niet en deugt,
Want een Schoon Schip nooit gehoord
Te Texel leyt aan Boord.
Hoe de beschermheilige aan zijnen naam kwam, is duidelijk. ‘Onder de menigvuldige
“costumen ende usagiën”, die onze voorouders bij het drinken in acht namen, was
wel een der voornaamste, dat men zijn glas “schoontjes uyt” dronk, het “met één
snaers veegde” of welke andere benamingen men daarvoor bij Breero, Starter en
andere moge aantreffen.’ ‘Deze Sint’, vervolgt Kalff in zijn schoon boek over het lied
in de middeleeuwen, waaraan wij deze regelen ontleenen, ‘was echter niet de eenige
schutspatroon van het gilde. In een ander lied lezen wij:
Sinte Noywerc hebie vercoren
Tot mynen alderbesten patroon.
En iets verder:
Sinte Luyaert hebic omghedraghen
En Sinte hoywerc hebic gheviert,
1)
Ic hebse ghedient bi nachte, bi daghe’ .
Geen wonder, dat zij, die zoo ijverig den ‘Heere van Seldenvroet’ dienden, te
Poverendycke woonden, in het huis ghenaamd Platteborse. Ook Sinte Hebniet was
zeer populair. En hoe kon dat anders, bijvoorbeeld bij de groote menigte reizende
landsknechten, die, slechts op genot en vermaak bedacht, midden van dans en
muziek en den beker in de hand, slechts zochten het leven onbezorgd te slijten?
Men beelde zich nu niet in, dat ons volk alleen staat in het uitvinden van dergelijke
‘heiligen om te lachen’. Elders kent men ze even goed.
In het Fransch taalgebruik van onzen tijd is S. Touche een zeer gewone benaming
voor den dag waarop men zijn salaris ontvangt (toucher).
1)
G. Kalff. - Het Lied in de Middeleeuwen, p. 468 en vlg.
Taal en Letteren. Jaargang 2
176
S. Boudin of S. Cochon viert men, bij den maaltijd die gewoonlijk wordt gegeven ter
gelegenheid van het slachten van het vet zwijn.
Een gulzigaard is een ‘dienaar van S. Goinfrain’, met een woordspeling op goinfre
d.i. gulzig.
Een dronkaard vereert S. Lichard, dat steunt op den wortel lécher (likken, voor
e
drinken) of van S Chopinette (chope = bierglas).
e
Het ontstaan van een beschermheilige als S Bouteille lag na de Rabelaisiaansche
vereering der dive bouteille niet ver.
Is het kind op het punt om te gaan weenen, zoo is het, volgens het Fransch
e
spreekwoord, op weg naar S Larme. Wij spreken in dit geval van de Waterlanders,
en het schijnt mij niet twijfelachtig of wij hebben hier weer een fictieven
geographischen naam; dat echter tot de verspreiding van de spreekwijze het echte
Waterland in de buurt van Amsterdam - goed bekend door het popperige Broek in
Waterland - heeft medegeholpen, acht ik zeer waarschijnlijk.
Kent de volkstaal niet meer een Sinte Noywerc, d.i. een beschermpatroon der
ledigheid, toch leeft de H. Maandag voort, bij ons even goed als in Frankrijk en
Engeland. De Galicische waterdrager Peregil was, volgens den gemoedelijken
verteller Washington Irving, zeer getrouw in het vieren van het feest der heiligen,
en van S. Monday op den hoop toe.
Tot dezelfde familie behoort bij de Walen S. Fadou (van fade, slap, lui) en de nog
niet gecanoniseerde Lazybones der Engelschen.
Verder worden in de volkstaal wel heiligennamen verzonnen om een tijdstip op
een eigenaardige wijze aan te geven. In de pittoreske taal der Fransche schooljeugd
heet b.v. de dag waarop de vacancie begint S. Fout-le-Camp.
IV.
De oorsprong zulker vormingen ligt in de analogie met een zeer groot aantal
algemeen gebruikelijke tijdsbepalingen. Iedereen weet dat de gemeene man de
namen der heiligen bezigt tot het noemen van zekere tijdstippen, naar welke hij zich
regelt in zijne bezigheden. Wij, lezende klassen, zouden waarschijnlijk in groote
verlegenheid zijn, als men ons zegde dat deze of gene plant moet gezaaid worden
en
op zoo of zoo een heiligendag, als de uien op S. Gregorius d.i. 12 Maart.
Zoo dacht de volkshumor bij ons heiligen uit als S. Nimmermeer, de broeder van
den Duitschen Sankt Nimmerling of Nimmerlein en van den S. Jamais der Franschen.
Deze tijdsbepaling is evenwel niet zoo zeer verspreid als zekere andere, gevormd
uit een woordverband uit welks grappige samenstelling de onmogelijkheid of
onwaarschijnlijkheid van zelfs voortvloeit.
Reeds in het Middelnederlandsch komen spreekwijzen voor, waarin
schertsenderwijs plaats- en tijdsbepaling worden saamgeworpen.
Reinaert, de fielt, spelt Nobel de slim verzonnen fabel op de mouw van
Taal en Letteren. Jaargang 2
177
den schat die te Kriekeput begraven ligt. Doch de leeuw kent den loozen gast, en
vreest dat Kriekeput een ‘geveinsde name’ zou zijn. Neen, Koning, antwoordt Rein
daarop,
... ghi sijter also na,
Alse van Colne tote meie. (vs. 2641).
d.i. wat gij denkt, is een onmogelijk iets.
Soortgelijke woordkoppelingen zijn dus zeer oud, en tot op onzen tijd bekend
gebleven. Nog heden, schijnt het, bestaan in Zuid-Duitschland talrijke uitdrukkingen
als zwischen Pfingsten und Strassburg, of zwischen Pfingsten und Esslingen, met
1)
de beteekenis van nergens, als antwoord op vragen die men wil ontwijken .
Ook in de Latijnsche gedichten der middeleeuwen treft men voorbeelden aan.
Inter Pascha Remisque (tusschen Paschen en Rheims), leest men in Reinardus II,
vs. 690; en verder (ib. IV, vs. 970), inter Cluniacum et sancti festa Johannis obit (d.i.
hij overleed tusschen Cluny en Sint Jan).
Tuinman (Spreekwoorden, I, p. 334) geeft de Nederlandsche uitdrukking: Van
Aken tot Paschen; en nog heden is de Fransche spreekwijze: Cela s'est passé entre
Maubeuge et la Pentecôte volop in gebruik.
Pierrot in Molière's Don Juan ou le Festin de Pierre (II, 1) spreekt van een
‘garderobe’ (= voorschoot) aussi large que d'ici à Pâques. Het is niet onwaarschijnlijk
dat Molière, om het komisch effect te verhoogen, zijn personage een dezer populaire
maatbepalingen laat aanwenden.
Er zijn talrijke spreekwijzen, om een tijd aan te wijzen die nooit moet komen.
Daartoe neemt de volksgeest vaak zijn toevlucht tot kerkelijke feesten, waarbij
alsdan een komische onmogelijkheid wordt gevoegd.
Zeer gewoon is o.a. de spreekwijze: als Paschen en Pinkster op éen dag vallen,
of: als Paschen op een maandag valt.
Er bestaan zelfs fictieve feestnamen om hetzelfde uit te drukken: ‘te
Pruimpaschen’, zegt men in Limburg, ‘als de kalveren op 't ijs dansen.’ Ook wordt
Pruimpaschen in deze spreekwijze wel vervangen door Sint Jutmis of Sint Juttemis,
een uitdrukking, die reeds in 1738 door Marin in zijn Dict. français-hollandais wordt
opgegeven.
Ook in het Fransch zijn soortgelijke woordkoppelingen voorhanden. Cela arrivera,
luidt het, si le Carême dure sept ans; of wel: la Semaine des trois Jeudis. Soms
2)
wordt aan deze laatste uitdrukking bijgevoegd: quarante jours après Jamais .
1)
2)
Van den Vos Reinaerde (ed. Martin) aanm. op vs. 2641. Ook ed. Jonckbloet, Bijvoegsel op
Glossarium. Zie verder C. Müller-Fraureuth: die deutschen Lügendichtungen bis auf
Münchhausen (Halle 1881) p. 104 (aanm. 62).
De Italiaan antwoordt met een rijm:
Il dì di San Bellino
Tre dì dopo il giudidio.
d.i. op den dag van S. Bellino, drie dagen na het (laatste) oordeel. S. Bellino is eveneens een
verzonnen heilige. Z. Rolland, Rimes et Jeux de l'Enfance. (Paris 1881) p. 289.
Taal en Letteren. Jaargang 2
178
Voor den vreemde kon men deze uitdrukkingen zonder moeite vermenigvuldigen;
de gegeven voorbeelden zijn echter tot ons doel voldoende. Nog wil ik vermelden
voor het Nederlandsch taalgebied, de in Limburg gebruikte spreekwijze: als de
klaver uit 't veld is, om over te gaan tot een merkwaardiger tijdsbepaling, die in de
gemeenzame taal in Vlaanderen zeer veel gebruikt en ook wel eens in de Vlaamsche
schrijvers aangetroffen wordt. Nooit wordt aldaar steeds op komische wijze uitgedrukt
1)
door de spreekwijze: In 't jaar éen, als de uilen preeken . Zoo luidt zij in Vlaanderen;
te Maastricht schijnt zij ook te bestaan, en wel onder den vorm: in et jaor ein esten
uil preek.
Alles wat vooruitgezet is geworden ter verklaring van deze spreekwijze, laat zich
dadelijk voor weinig ernstig erkennen. Zonder nu op dit punt juist met beslistheid te
durven spreken, wil ik hier doen opmerken dat ook het Duitsch het Jaar Een kent,
en wel in het volgende spotachtig antwoord: Es geschah im Jahr Eins, wo die Elbe
2)
brannte, und die Bauern mit Strohwischen löschen kamen .
Ongelukkig kunnen wij voor den ouderdom noch der Nederlandsche noch der
Duitsche spreekwijze bewijsplaatsen bijbrengen. Het uitzicht dezer laatste is evenwel
geheel en al hetzelfde als dat van zoovele andere, waarin het komisch effect
verkregen wordt door een verwisseling van subject en praedicaat. Zulke omwerping
vindt men meer in de volkstaal. Vraagt het kind b.v. hoe veel het zal krijgen wanneer
het een of anderen kleinen dienst bewijst, zoo antwoordt de Vlaamsche moeder in
scherts: Alle guldens drij maanden.
Zulke omwerpingen zijn ongemeen talrijk in de letterkunde van vroeger
1)
2)
In de zeer vlijtig bewerkte verzameling volksgezegden en volksspreekwoorden door den heer
G.D. Francquinet uitgegeven in het tijdschrift De Maasgouw, onder den titel: Hoe het Volk
spreekt te Maastricht (jaargangen 1880-1886) beproeft hij, op nr. 2894 der verzameling, de
volgende verklaring: ‘Zou men den oorsprong van deze spreekwijze niet durven zoeken in
de volksovertuiging, dat, in tegenstelling van onze christelijke tijdrekening en van de prediking
van Gods woord, eene nieuwe jaartelling en vooral eene verkondiging van 't domme ongeloof
(hier verondersteld door een uil, beeld der duisternis en van 't onverstand) onmogelijk zijn?’
Behalve deze gissing, die wij laten voor wat zij is, werd van de spreekwijze nog een verklaring
geleverd in een boekje getiteld: Overleveringen, Legenden en Bijgeloovigheden, Gebruiken,
Uitvindingen, Gedenkstukken enz. der Menapiërs, door J. De Smet pr. (Brugge 1886). Hij
beschouwt het woord uil daarin als een bijnaam in 1801 gegeven aan de priesters, die zich
voor de Fransche Republiek en haar aanhangers moesten verbergen en verplicht waren des
nachts te preeken. Van het bestaan van dezen bijnaam brengt hij geen bewijs bij, en om de
spreekwijze in zijne verklaring te doen passen, veroorlooft hij zich ze te wijzigen tot: In het
jaar éen, als de uilen preekten. Dat zij evenwel niet zoo luidt, en dat de volkstaal wel degelijk
het praesens bezigt, kan men zien uit Schuermans Algemeen Vlaamsch Idiotikon, i.v. Jaar.
C. Müller-Fraureuth. - Die deutschen Lügendichtungen bis auf Münchhausen, Halle 1881, p.
104.
Taal en Letteren. Jaargang 2
179
eeuwen. Fischart, een zeer rijke bron voor de studie van het komische, zegt o.a. in
zijn Binenkorb (200): zur zeit, da die bach branten und mit stroh leschten, die bauren
bollen, die hund mit spissen herausloffen, nemlich zur zeit des strengen Finkenritters.
De aanhaling van den naam des Finkenritters verplaatst ons midden in de
e
komische literatuur der 16 eeuw, waarvan de onder dezen titel bekende verzameling
grappen en verzinselen de beste vertegenwoordiger is. Dit boek verscheen in 1559,
doch het is slechts een compilatie van stoffen, die reeds lang onder het volk in
omloop waren.
Tot heden toe neemt het volk er genoegen aan, om onzin en leugens te verzinnen;
tot op onzen tijd zijn er leugenliederen en leugensprookjes bekend gebleven, niet
1)
alleen in Vlaanderen, maar ook, volgens Dr. G. Kalff getuigde, in Holland . Zoo zeer
vindt het volk behagen aan de beelden die zijn humor zich schept wanneer hij de
fantazie de teugels op den rug werpt, dat nog heden, in Vlaanderen en elders, vaak
een prijskamp om het meest te liegen een der nummers van het kermisprogramma
is.
Er bestaat intusschen een gansche literatuur van leugenachtige verzinselen,
e
waarvan de oudste ons bekende opklimmen tot de 11 eeuw. Daar vindt men ook
de bronnen van al wat nog heden in dit soort bij het volk in omloop is.
Het Jaar Een, meer in 't bijzonder in Vlaanderen bekend, schijnt mij te behooren
tot die scheppingen, waarvan in onze hedendaagsche taal nog andere zijn
overgebleven, en wel in de eerste plaats, de naam zelf van dat ingebeeld land.
Hiervan bestaat een zeer oud voorbeeld in de Middelnederlandsche Clute van
Pleyerwater. De vrouw geeft Werrenbracht, haar man, last om playerwater, d.i.
speelwater (van plaren, spelen, verwant met het Eng. to play) te halen. Dit water is
weer al niets dan een verzinsel der speelsche fantazie. Op zijn vraag waar dat te
vinden is, zegt de vrouw:
(vs. 46) ‘Tonvreen, in oest lant, in het vloeyt hoghe
Uten berghe van ontwijste bij tal van drofheyen.’
Prof. Moltzer (Mndl. dram. Poëzie p. 260) legt deze woorden uit als volgt: ‘Tonvreen,
d.i. te onvrede, dus zooveel als in onrust en bekommering; de vrouw maakt er maar
wat van, om Werrenbracht te verschalken.’
Deze plaats wenschte ik geheel anders op te vatten. De vrouw bezigt hier m.i.
fictieve plaatsnamen waarvan wij er hooger zoo vele zagen: te Onvrede, de Berg
van Ontwijste, d.i. van Onwijsheid of Onnoozelheid; het Dal van Droefheid. Al deze
plaatsen worden, overigens door den dichter zelf, verlegd in het Oestlant, dat mede,
niettegenstaande onze Middeleeuwsche liederen die
1)
Het Lied etc., p. 489.
Taal en Letteren. Jaargang 2
180
een historische kleur hebben, als een ingebeeld land schijnt te moeten opgevat
1)
worden .
Tot hetzelfde gebied behoort het ‘Engeland’ dat in Nederlandsche liederen van
vroeger en later tijd voorkomt en door Mannhardt verklaard wordt als het land der
2)
engelen of het zielenland .
Meer populaire namen voor een ingebeeld land zijn het Luilekkerland en de
Verkeerde Wereld. Voor wij echter deze twee scheppingen van den volkshumor
nader onderzoeken, moet nog met een enkel woord gewag gemaakt worden van
een andere spreekwijze, in Zuid-Nederland wel meer dan in de noordelijke provinciën
bekend.
Loop naar Bommelskont is een soort van verwensching, waarin weer een naam
voor een fictief land schijnt te schuilen. Het woord Bommelskont bestaat, volgens
Harrebomée, nog in een andere spreekwijze: ‘Hij gaat naar Bommelskont, zegt men,
drie uren boven de hel, daar de honden met het gat blaffen’, gebezigd in 't geval
dat men zich tot zaken begeeft, die niet te ontwarren zijn. De afleiding van het woord
weet ik niet te verklaren.
Het Luilekkerland en de Verkeerde Wereld zijn twee geheel verschillende
scheppingen.
De oudste melding die in onze taal van het Luilekkerland gemaakt wordt, klimt
op tot de vijftiende eeuw; niet onder dezen naam evenwel, maar onder dien van
Cockaenghen. Het is moeielijk te bepalen wanneer deze naam is in onbruik geraakt,
doch Kiliaen kent slechts Luy-leckerland. De titel der sproke, waarin dat ideale land
vermeld wordt: ‘Dit is van dat edele lant van Cockaenghen’ wijst op een Fransche
bron, welke dan ook schijnt te mogen gezocht worden in het Fabliau de Coquaigne,
e
3)
dat behoort tot de 13 eeuw .
De meest bekende schildering van het Luilekkerland is die welke Hans Sachs
leverde in een prachtigen ‘Schwank’ van het jaar 1530. Bij hem ligt het, volgens een
plaatsbepaling welke wij reeds hooger leerden kennen, ‘drey meil hinter weynachten’.
Het werk dat men volvoeren moet om er te komen, is geheel en al in overeenkomst
met het karakter des lands: men moet een berg van rijstebrij van drie mijlen dooreten.
Niet alleen luiheid, maar ook al de overige ondeugden en gebreken worden met
goed en waardigheden beloond, terwijl al wie zich verstandig en eerbaar toont, in
dat land niet terecht komt. Deze trekken zijn nagenoeg dezelfde als die welke men
e
4)
aantreft in een Nederlandsch lied uit de 17 eeuw, medegedeeld door Kalff .
Terwijl het Luilekkerland zich eenigszins laat opvatten als een parodie van het
Christen Paradijs, is de Verkeerde Wereld een mythe, die zich tamelijk
1)
2)
3)
4)
G. Kalff, op. cit. p. 369.
G. Kalff, o.c. p. 492.
F.J. Poeschel. - Das Mürchen vom Schlaraffenland. (Halle, 1878) p. 22.
o.c. p. 490.
Taal en Letteren. Jaargang 2
181
laat gevormd heeft naar de verzinselen der volkspoëten in vroeger eeuw in den
aard van den Finkenritter. Waren dergelijke sprookjes reeds vroeger bij het volk in
omloop, zooals de Finkenritter genoegzaam bewijst, in de schepping van de
Verkeerde Wereld kregen zij een vast lichaam. Geheel de mythe berust op een
verwisseling van subject en object: in den Finkenritter wordt gesproken van een
oord, waar o.a. het fruit den boom draagt, de honden door de hazen worden
gevangen, de schapen de wolven ophangen, hoenders en ganzen de vossen
beloeren en de muizen de katten opvreten. Tot het vestigen en verspreiden der
mythe werkten zonder twijfel de populaire kinderprenten mede, en van de Verkeerde
Wereld is nl. een zeer bekende prent voorhanden, die nog heden te Epinal en te
Metz wordt herdrukt. Ook in Nederland bestond deze prent, en zij behoort tot diegene,
welke ‘der Nederlandsche jeugd ten minste twee eeuwen tot vermaak strekten, en
1)
de inkomsten van den onderwijzer niet weinig vermeerderden’.
Hiermede willen wij onze lijst van schertsenderwijs aangewende eigennamen
besluiten. De gegeven voorbeelden, die zeer zeker kunnen vermenigvuldigd worden,
volstaan om ons een blik te laten werpen in de volkspsychologie. Zij stellen in een
helder licht de steeds op den voorgrond tredende spotzucht bij het volk, die een
rijke bron is van komische effecten en toestanden onder de pen van een eenigszins
begaafd dichter. De tusschenkomst van een man van talent werkt vaak krachtig
mede om vele dier spreekwijzen en uitdrukkingen, welke anders slechts tot de
volkstaal zouden behooren en daarom meestal als triviaal worden veroordeeld, in
den algemeen gebruikten woordenschat te doen doordringen. Breero heeft er gewis
meer dan een, zooniet meer bekend gemaakt, dan toch in leven doen blijven. Zoo
oefent het volk steeds invloed op de vorming of verrijking van den woordenschat
der taal, en, onder de linguistische feiten waarop het zijn persoonlijk zegel plaatst,
zijn er geene waarin zich zijn karakter en eigenaardige philosophie beter afspiegelt,
dan in de schertsenderwijs gevormde of gebruikte eigennamen.
Luik.
AUG. GITTÉE.
1)
G.D.J. Schotel, Vaderlandsche Volksboeken en Volkssprookjes, I, p. 303.
Taal en Letteren. Jaargang 2
182
Boekaankondiging.
Nieuw-Nederlandsch.
3. Hooft's Nederlandsche Historiën. Nederlandsche Klassieken, uitg.
en met aant. voorzien door Dr. Eelcoo Verwijs. II. Episodes uit Hooft's
Nederlandsche Historiën. Derde, herziene druk, bezorgd door Dr. F.A.
Stoett. Leeuwarden, Hugo Suringar, 1891, f 1.10.
Het proza van Hooft is voedzame spijs. Wie er eenige bladzijden van genoten heeft,
en wel zóó, dat hij ze niet met het oog alleen, maar ook met den geest in zich heeft
opgenomen, zin voor zin, woord voor woord, die heeft den geest verhelderd, het
gemoed versterkt. Hij heeft bovendien zijn brein aan eene gezonde gymnastische
kuur onderworpen; want het lezen van Hooft's proza eischt inspannende
hersenwerkzaamheid van iedereen, die er zich toe zet. Het kenmerkt zich door een
stevig gebouwden stijl, zóó stevig, dat de scheiding tusschen steen en cement hier
en daar moeielijk te onderscheiden is. De taal van dat proza is, zooals Hooft het
zelf eens uitdrukte, ‘harnasduits’, krachtig tot wreedwordens toe. Zij staat pal tegen
elken ondoordachten overval en weerstaat wie haar bij overrompeling waant te
zullen vermeesteren. Eerst met moeite en op den langen duur krijgt men haar onder
de knie, maar nooit zóó, of wie kan vertrouwen haar in zijne macht te hebben, mag
geen oogenblik zijne aandacht van haar afhouden, of zij ontworstelt zich weer aan
zijn geweld.
Voor verreweg de meesten is de lezing van Hooft's proza dan ook te inspannend,
ja voor velen ondoenlijk zonder steun en voorlichting; en men mocht er Dr. Verwijs
dus wel dankbaar voor zijn, dat hij voor vijf en twintig jaar eene bloemlezing uit
Hooft's Historiën, van uitstekende aanteekeningen voorzien, in zijne verzameling
‘Nederlandsche Klassieken’ opnam. Die poging om Hooft's proza in ruimer kring
genietbaar te maken is met betrekkelijk goed gevolg bekroond: zelfs eene tweede
uitgave er van is uitverkocht, en onlangs zag eene derde het licht. Natuurlijk is, sinds
Dr. Verwijs die bloemlezing bewerkte, de kennis van de eigenaardigheden onzer
vroegere taal veel vooruitgegaan, en de aanteekeningen, die zoo lang geleden de
meeste waardeering verdienden, moesten noodzakelijk herzien, gewijzigd en
aangevuld worden. Dr. Stoett heeft zich van die taak gekweten, en, naar het mij
voorkomt, met kennis en takt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
183
Gemakkelijk was die taak zeker niet, omdat Hooft's taal en stijl zoovele eigenaardige
moeielijkheden opleveren van zeer onderscheiden aard. Om Hooft's proza te
verklaren toch is kennis van de taal der zeventiende eeuw geenszins voldoende,
ofschoon onmisbaar. Hooft put uit den woordenschat van het Amsterdamsch zijns
tijds, 't is waar, maar schrikt niet terug voor het gebruiken van Noordhollandsche
dialectwoorden, die andere schrijvers vermijden. Hooft bepaalt zich niet tot de
spreektaal of gangbare schrijftaal, als hij om woorden verlegen is. Hij zoekt ze overal,
waar hij ze vinden kan: in oude keuren en geschiedbronnen, in oude liederen en
rijmen. Het proza van Hooft is archaïstisch gekleurd en de verwijzingen naar de taal
der middeleeuwen, waarmee Dr. Stoett nu en dan de aanteekeningen heeft verrijkt,
zijn allesbehalve ongepast.
Toch voldoet ook de nauwkeurigste kennis van onze middeleeuwsche taal nog
niet, om dat eigenaardig proza volkomen te begrijpen, want daartoe is allereerst
noodig, Hooft zelf te begrijpen in zijnen smaak, zijn streven, zijne methode van
werken, zijne hebbelijkheden, tot in zijne onhebbelijkheden toe. Hooft maakte zijn
eigen Nederlandsch. Ik bedoel daarmee nog niet in de eerste plaats, dat hij, om
‘puurlick Duytsch’ te spreken, alle bastaardwoorden overbracht in woorden van
Germaanschen oorsprong, 't zij nieuw gesmede, 't zij reeds vroeger beproefde.
Daarin staat Hooft niet alleen, zelfs niet vooraan. In Hugo de Groot vond hij te dien
opzichte zijnen voorganger en meester, in menig ander zijnen geestverwant en
medewerker. Daar hij zelf vreesde, dat zijne taal er hard en duister door worden
zou, schreef hij de bastaardwoorden zelf dikwijls aan den kant van den regel, waarin
zijne vertaling voorkwam, en wie zijn Nederlandsch niet zou verstaan, heeft er nu
in elk geval de commentaar in bastaardtaal naast.
Iets anders, waardoor Hooft zelf gewis niet waande het onmiddellijk genot van
de lezing zijner Historiën te bederven, maar wat voor het nageslacht ze juist zoo
moeielijk maakt, is het gebruik van woorden in ongewone beteekenis en het bouwen
van de zinnen naar ongewone, vaak onlogische regels. Geen onzer prozaschrijvers
schrijft, ondanks zijn purisme, zoo weinig zuiver Nederlandsch als Hooft. Hij was
het eens met hen, die meenden, dat onze taal niet alleen ‘geschuimd’, maar ook
‘gebouwd’ moest worden. Het eenvoudig proza der middeleeuwen, zoo ‘recht en
slecht’, zoo weinig beeldrijk, zoo regelmatig met zijnen grootendeels paratactischen
zinsbouw, voldeed niet meer aan de eischen der humanisten, die in de classieke
schrijvers, om eens een woord van Hooft zelf te gebruiken, ‘als doorverfd’ waren.
De oudere taal klonk hun in hare ongekunsteldheid al te naief; het oudere proza
maakte op hen den indruk van te waterachtig, ja te lamlendig te zijn; en zoo was
dan ook inderdaad het proza van hen, die in de zeventiende eeuw niet schreven in
den trant van Hooft en de zijnen. De woorden moesten, in overdrachtelijke beteekenis
gebruikt, stoute beelden of geestige gedachten voor den geest roepen; de zinnen
moesten door het gebruik van den hypotactischen zinsbouw
Taal en Letteren. Jaargang 2
184
kunstig in elkaar gewerkt worden en een harmonisch geheel vormen. Vóór alles
moest er gestreefd worden naar beknoptheid van uitdrukking - het woord beknopt
te nemen in de beteekenis, die Hooft en Huygens er aan hechtten, namelijk, die
van ‘nauwkeurig geregeld’ - naar zoete kern in harde schaal, naar pit en merg van
gedachten, naar verholen geest.
Doch zulk eene taal te maken was onmogelijk zonder hulpmiddelen, zonder
voorbeelden, en wij mogen het Hooft en anderen, die het met goed gevolg
beproefden, niet euvel duiden, dat zij den eenig aangewezen weg volgden en, wat
zij in den vreemde bewonderden, ook op eigen gebied overbrachten; zonder er zich
juist rekenschap van te vragen, of het daar wel paste. Aan onze eeuw is het
voorbehouden gebleven, het onderscheid in karakter tusschen de verschillende
talen op te merken en aan te wijzen: in de zeventiende eeuw kon dat van niemand
gevorderd worden. Voor Hooft en de zijnen was er slechts ééne taal, de ideaaltaal,
waaraan Grieksch en Latijn al zeer nabij kwam; en op ieder, die het wèl meende
met zijn land en zijn volk, rustte de nationale plicht, zijne taal daarnaar zooveel
mogelijk te vervormen.
Wij weten, hoe Hooft zich tot die taak voorbereidde. Een jaar lang las hij elke
week de werken van Tacitus in hun geheel door, omdat hij daarin het meesterwerk
van ouder en nieuwer proza zag. Sinds de zeventiende eeuw is onze smaak
gewijzigd: bij de meesten onzer doet Tacitus voor Cicero, bij sommigen zelfs voor
Caesar onder. Hoe het zij, door overdrijving zijner deugden vervalt Tacitus tot
buitensporigheden, die aan een eenvoudiger en tegelijk gekuischter smaak niet
meer voldoen. Zijne kunst ontaardt in gezochtheid, zijne beknoptheid in stroefheid,
zijne gedrongenheid in onduidelijkheid. Ongeoorloofde samentrekking van zinnen
vooral voert, bij den waren rijkdom van gedachten, den lezer menigmaal in een
doolhof zonder uitweg, en dikwijls moet de lezer in de zinnen van Tacitus indenken,
wat de schrijver gaarne zou wenschen, dat men er in gelegd zag. Hooft is in den
vollen zin des woords de Nederlandsche Tacitus. Wat van dezen geldt, is ook waar
van hem.
Wie nu Hooft's proza wil verstaan, moet Tacitus verstaan, en kan hij dat niet, dan
moet hij er zich althans door anderen een denkbeeld van laten geven. Gelukkig
heeft hij een zeer geschikt hulpmiddel in de vertaling, die Hooft zelf van Tacitus
heeft gewrocht ter wille van zijnen zwager Baeck, en die Brandt later met recht
meende in het licht te moeten geven. Is men nu in twijfel aangaande de eigenlijke
beteekenis, waarin Hooft het een of ander woord gebruikt, dan heeft men kans tot
zekerheid te komen, indien men hetzelfde woord ook in zijne vertaling van Tacitus
gevonden heeft, en dus door het Latijn weet, wat het beteekent. Het nut van de
vergelijking der Historiën met de vertaling van Tacitus heeft blijkbaar ook Dr. Stoett
ingezien, daar hij in zijne aanteekeningen telkens verwijzingen naar die vertaling
heeft ingevoegd. Reeds het eerste stuk in de bloemlezing toont duidelijk in woorden,
zinswendingen, ja in geheele zinnen den invloed van Tacitus' Historiae I
Taal en Letteren. Jaargang 2
185
cap. 2 en 3. Dr. Stoett, die dat opmerkt, noemt echter drijven en dragen in reg. 34
te onrechte de vertaling van agere et ferre, daar het Latijn van Tacitus, dat hier
blijkbaar gevolgd is, agere et vertere luidt, zoodat dragen dus moet opgevat worden
als te staan voor verdragen, d.i. verplaatsen, veranderen, het onderst boven gooien.
Ook zouden de verwijzingen naar Tacitus met nog meer andere vermeerderd
kunnen worden. Zoo b.v. ware het niet nutteloos geweest, op te merken, dat reg.
136 vlg.: ‘in overdaad lastig voor vorsten, in armoede naulyx voor slechte burgers
te verdraaghen’, de vertaling eener zinsnede uit Tacitus' Historiae I cap. 21 is. Door
het ontbreken van de komma achter overdaad en armoede loopt men gevaar na
vorsten een aan de volgende zinsnede ontleend te verdraaghen in te voegen en
lastig verkeerd op te vatten. Dat het niet door verdraaghen behoeft aangevuld te
worden, maar daarvan juist het aequivalent in de eerste zinsnede is en opgevat
moet worden als bezwarend (wegens de groote kosten), blijkt, wanneer men het
Latijn er naast legt: ‘luxuria, etiam principi onerosa, inopia, vix privato toleranda.’
Duidelijker bracht Hooft dat over bij zijne vertaling van Tacitus met: ‘door overdaadt,
zelfs eenen Vorste lastigh, behoeftigheit, naauwelijx eenen slechten burger
verdraghlyk.’ - en toch zou men ook daar, als men het Latijn niet had, nog gevaar
kunnen loopen, te denken, dat de overdaad der edelen door Hooft eenen last voor
den vorst werd geacht. Men ziet uit dit enkele staaltje, dat met vele andere te
vermeerderen ware, hoe moeielijk het is, Hooft's proza goed te verstaan en hoe
dankbaar men ieder hulpmiddel daartoe moet aangrijpen.
Over het algemeen doet men verstandig, zich bij het lezen van Hooft's proza
telkens de vraag te stellen: hoe zou het Latijn kunnen geluid hebben, waaruit hij
dezen of dien zin vertaald of waarin hij dezen of dien zin zich het eerst gedacht
heeft. Bij een uiterst uitvoerig en inspannend, maar daarom niet minder gewenscht
onderzoek naar de bronnen, die Hooft gebruikt heeft, zou men vermoedelijk telkens
zinnen of zinsdeelen aantreffen, die Hooft vertaald of half vertalende gewijzigd heeft;
en zoo zou het dan vermoedelijk blijken, dat zijne Historiën een kunstig mozaiekwerk
zijn van allerlei kleine brokjes uit de geschiedwerken van allerlei schrijvers
losgebroken en hier verduitscht tot een keurig geheel samengevoegd. Liet de ruimte
het mij toe, dan zou ik althans uit de Annales van De Groot en uit De bello Belgico
van Strada verscheidene plaatsen kunnen aanhalen, die door Hooft in zijne Historiën
vertaald zijn.
Men moet echter voorzichtig wezen, want Hooft neemt niet slaafs of zonder overleg
over. Zoo wordt in reg. 1888 gevaar met krediet verklaard, en het is niet onmogelijk,
dat die vertaling juist is, maar de aanhaling, Tacitus' Annales XV 53, waar ‘Antoniam
nomen et periculum commodavisse’ door Hooft vertaald is met ‘dat Antonia hem
haaren naam en gevaar hebbe geleent’ past hier niet geheel, want daar beteekent
periculum niet krediet, maar moet men vertalen: ‘dat Antonia haren naam en haar
lot in zijne handen zou
Taal en Letteren. Jaargang 2
186
gesteld hebben.’ Hooft kan dus bovendien aan een ander woord voor ‘gevaar’ en
wel bepaaldelijk aan ‘gevaar om zijn geld te verliezen’ gedacht hebben, namelijk
aan het Italiaansche risico. Over het algemeen moet ik er ook opmerkzaam op
maken, dat niet alles wat bij Hooft onnederlandsch is, een Latinisme mag genoemd
worden. Aan Gallicismen ontbreekt het bij hem evenmin als aan navolgingen van
het Italiaansch, terwijl hij ook geschriften in die laatste taal voor zijn geschiedwerk
raadpleegde, zooals van Connestaggio, Gustiniano, Bentivoglio.’
Als een merkwaardig staaltje van de wijze, waarop Hooft ook het Fransch zijner
bronnen in Nederlandsch overgoot, kunnen eenige zinnen dienen uit het Recueil et
Mémorial des Troubles des Pays-Bas van Joachim Hopper, dat, zooals reeds
Wagenaar opmerkte, vlijtig door Hooft werd geraadpleegd, en waarvan het laatste
gedeelte eerst onlangs is uitgegeven door Dr. R. Fruin (Bijdr. en Mededeel. v.h.
Hist. Genootschap XIII, bl. 115-147, 343-347), die een paar plaatsen daaruit met
Hooft vergelijkt. Zoo vinden wij bv. grootendeels reg. 475-494 letterlijk bij Hopper
terug, namelijk: ‘Want Alva..... steld' een vierschaar op, genaamt de Raadt der
beroerten, en tot hooft der zelve Jan de Vargas, Liçentiaat....... geacht onder zyn'
landsluiden zelve, in toorne, ongenaê en wreedtheit alle menschen te booven te
gaan; en afgezet voor zulx van zeeker rechterampt in Spanje; jaa (zoo de spraak
ging) gebannen....... Deez' docht den yverighen Hartoghe 't bequaamste gereedschap
tot handthaavingh van den Godsdienst, en een' scharpe spaade om de kettery met
haaren wortel uit te rooyen........ (De andere raadsleden) hadden weinigh gezaghs,
uittende slechtelyk hun gevoelen ten ooverstaan van Vargas, op wiens verslag alle
vonnissen van den Hartogh gevelt en geteekent werden. Eintlyk....... quam 't zoo
wyd, dat men Vargas alleen met het heele werk beworden liet.’ In het Fransch
behoeft men slechts de volgorde der zinnen wat te veranderen, om geheel hetzelfde
te lezen, nam.: ‘Ledict Duc.... establit un propre conseil lez luy, qu'on appella le
Conseil des Troubles, auquel il institua pour chef un licencié Espaignol, appellé
Juan de Vargaz.... lequel desia estoit reputé (par ceulx de sa nation) le plus cruel,
rigoureux et colerique, qu'on scavoit trouver, ayant esté à ceste cause privé
parcy-devant audict Espaigne de l'office de judicature et, comme aulcuns disoyent,
banny d'illecq. Et ayant semblé à Son Excellence, qu'il failloit user d'une espée (vgl.
het Sp. spada) bien tranchante pour desraciner le mal des héresies et rebellion,
avoit trouvé ledict Vargaz fort à propos pour exécuter son intention....... (Les aultres
conseilliers) y curent toutesfois bien peu d'authorité, sinou de dire leur advis et
opinion, soubs la superintendence dudict Vargaz, à la relation duquel seul ledit Ducq
sententia et signa tout...... toutesfois à la fin toutes choses se faisoyent absolutement
par l'authorité dudict Vargas.’
Bij de verklaring van Hooft's Historiën heeft Dr. Stoett zich over het algemeen
aan de opvatting van zijnen voorganger, ten opzichte van hetgeen verklaring
behoefde of niet, gehouden. Dat bij eenen schrijver als Hooft, bij
Taal en Letteren. Jaargang 2
187
wien zooveel moeielijks of ongewoons voorkomt, vrij wat moet overgelaten worden
aan de scherpzinnigheid der lezers, omdat anders de commentaar gevaar zou
kunnen loopen, den tekst dood te drukken, kan niet ontkend worden. Toch heeft de
ervaring bij mijn onderwijs aan candidaten voor de middelbare akte mij geleerd, dat
men niet te veel op die scherpzinnigheid moet rekenen; en zoo is er dan ook het
een en ander, waarvan ik de verklaring ongaarne mis. Om niet te uitvoerig te worden
bepaal ik mij voor de aanwijzing daarvan tot de eerste 800 regels.
In regel 31 ware misschien eene enkele toelichting bij schalk (bedrieger) niet
overbodig geweest.
In reg. 34 zou ik bij de uitdrukking: ‘draayende de regeeringe op hunnen duim’
de verklaring van het beeld gewenscht hebben. Daar men zoo licht geneigd is, bij
duim aan het lichaamsdeel te denken (vgl. naar zijne hand zetten, om zijnen vinger
winden) ware de opmerking wel niet ongepast geweest, dat het beeld hier aan het
draaien eener deur ontleend is en de duimen de oudere vorm der scharnieren waren,
waarop de groote deuren draaiden.
In reg. 40 zou ik hebben opgemerkt, dat gezintheit hier gezindte beteekent.
In reg. 54 verdiende de conjunctief zy als teeken van vermoeden wel eenige
opmerking.
In reg. 61 had dartelheit als brooddronkenheid mogen verklaard worden.
In reg. 63 had bij der zaaken loflyk gevoert moeten opgemerkt worden, dat wij
hier de letterlijke vertaling hebben van rerum honorifice gestarum en dat met zaaken
dus in den zin van het Latijn zoowel het burgerlijk bestuur als het krijgsbestuur
bedoeld wordt.
In reg. 67 wenschte ik de verklaring van Waalen als Galliërs tegenover reg. 83,
waar Waalsch terecht met Fransch is verklaard.
In reg. 80 ziet men niet duidelijk, of haar op liefde of op gemeente slaat. De
vertaling van gestreelt en gestooft hangt natuurlijk af van de opvatting van haar.
In reg. 90 vlg. is verschil van opvatting mogelijk en daarom ware daarvan eene
verklaring niet overbodig. Beteekent de zin, dat de gebreken der Spanjaarden den
Nederlanders niet eigen waren en niet in den weg zaten (in den zin, waarin men
ook van eenen domkop zegt, dat het verstand hem niet in den weg zit), of moet men
deze woorden vertalen met: omdat ze den Nederlanders niet eigen waren en daarom
ergerden?
In reg. 96 is beveinsden (ontveinsden) te onrechte zonder opmerking gelaten.
In reg. 98 is de meester maakten wel van eene opmerking voorzien, maar is
onopgemerkt gebleven, dat meester daar in den eersten naamval staat, alsof maken
een gewoon koppelwoord ware.
In reg. 113 mis ik bij delven de verklaring: levend begraven.
In reg. 115 vind ik bij verre (= verreweg) de meeste geene opmerking: wel in reg.
2406 bij verre meester.
In reg. 129 eischte manier maken de verklaring: in de mode brengen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
188
In reg. 135 had er op gewezen kunnen worden, dat trotszucht niets met de beteekenis
van ons trots te maken heeft, maar beteekent: de zucht om te trotseeren, om in
prachtvertoon te wedijveren en te overtreffen.
In reg. 173: had daar een eyndt af gezien en had (zien) ontfanghen, is niet op
deze ongeoorloofde samentrekking gewezen.
In reg. 174 wordt na oorlof genoomen (= post veniam petitam) niet als Latinisme
aangewezen, zoodat wie geen Latijn kent nu allicht zal denken, dat Hooft daar te
hebben eenvoudig heeft weggelaten.
In reg. 203 en 318 is volharnasde en ontharnasde wel verklaard, maar is niet
opgemerkt, dat de d daar zeker bevreemdend is en ondanks het meervoud harnassen
eene zachte uitspraak van de s bij Hooft doet vermoeden, misschien in
overeenstemming met het Ital. arnese.
In reg. 207 zal misschien niet iedereen zonder nadere aanwijzing veltmaarschalk
opvatten als intendant van de ruiterij of chef van de intendance.
In reg. 220 behoefde gerust als toegerust niet zoozeer eene verklaring als het
volgende tot toght en slagh, d.i. zoo gewapend, dat zij ook op marsch strijdvaardig
was.
In reg. 292 had bij hem aangroeien (= zich bij hem voegen, zijn leger versterken)
wel mogen opgemerkt worden, dat het een Latinisme is, vertaling van accrescere.
In reg. 295 geduurende deze toght verdient de vorm deze wel eenige opmerking
in verband tot het mannelijk geslacht van het woord tocht. Het had verklaard moeten
worden als nominativus absolutus: deze toght geduurende.
In reg. 336 is daarin zeker voor Nederlanders van onzen tijd niet gewoon in de
beteekenis van: bij of onder het hooren daarvan.
In reg. 383 had afgebeeten gemakkelijk met bits kunnen verklaard worden.
In reg. 386 zijn de woorden persoonlyk aantasten voor ‘in hunne personen
aantasten’ niet verklaard: wèl vindt men bij reg. 799 en 2285 de verklaring van
aantasten.
In reg. 468 mocht troostelyke woorden zeker wel even opgehelderd zijn. Men
moet daarbij denken aan de oude beteekenis van troost, namelijk vertrouwen. Het
zijn dus ‘vertrouwen inboezemende woorden’.
In reg. 524 eischte tuimelend de verklaring: heen en weer gaande, wisselende.
Men denke aan den tuimelaar, het op en neer gaande voorwerp, waarover het
schellekoord loopt.
In reg. 645 zou bij grootmoedigheit de verklaring ‘hooghartigheid, fierheid’, niet
overbodig geweest zijn.
In reg. 648 eischte de zin: ‘met de verdienste van zulk een' straffe vertoornt te
hebben’ eenige verklaring, bv. deze: vertoornd te hebben met iets, waarvoor ik zulk
eene straf zou verdienen.
In reg. 693 had wel kunnen opgemerkt worden, dat vertoonen hier betoogen
beteekent.
Dr. Stoett heeft meermalen fouten of onjuistheden van Verwijs verbeterd.
Taal en Letteren. Jaargang 2
189
Een paar maal echter schijnt mij de opvatting van Verwijs beter. Zoo bv. in reg. 318
ontharnasde, waarbij Dr. Stoett denkt aan ‘eene regeering, die geen klem aan hare
bevelen kon geven,’ terwijl Dr. Verwijs m.i. terecht daarbij aanteekende: ‘burgerlijk’,
omdat sinds de komst van Alva civiel en militair bestuur niet meer in ééne hand
waren; en in reg. 329 waartgeldt, waar ik met Verwijs geloof, dat het Duitsche
wartgelt, d.i. wachtgeld of nog liever ‘handgeld’ bedoeld is.
Nog enkele andere punten in de aanteekeningen heb ik opgemerkt, waarbij ik
van Dr. Stoett in meening verschil, bv. in reg. 41, waar ik zamelpenningen niet met
‘collecte’, maar met ‘spaarpenningen’ zou vertalen en, daar ze ‘uit het diepst der
borze opgebraght’ worden, met ‘de laatste spaarduitjes.’
Reg. 87-90 behooren zeker tot de moeielijkste plaatsen bij Hooft. Wij vinden daar
vijf deugden der Spanjaarden genoemd, die bij ongunstige voorstelling of overdrijving
als even zoovele ondeugden kunnen opgevat worden. Zoo kan hunne ‘altydts
nuchtere bequaamheit’ als ‘grimmigheit’ beschouwd worden, d.i. hunne kalme
zelfgenoegzaamheid als norschheid; zoo hunne ‘stemmighe deftigheit’ als ‘grootsheit’,
d.i. hun gepast gevoel van eigenwaarde als hooghartigheid; zoo hunne ‘ernstige
wakkerheit’ als ‘schalkheit’, d.i. hunne zich nooit verloochenende uitgeslapenheid
(vooral in den handel) als bedriegzucht; zoo hunne ‘gestadighe vlytigheit’ als
‘baatzucht’, d.i. hunne onafgebroken werkzaamheid als baatzuchtigheid; en zoo
hunne beleggende zorghvuldigheit’ als ‘eindthoudenheit’, d.i. hunne verstandige
spaarzaamheid als gierigheid. Vooral bij het laatste woord verschilt mijne verklaring
aanmerkelijk van die van Dr. Stoett. Dat eindthoudenheit de beteekenis van
stijfhoofdigheid kon hebben, ontken ik niet, maar hier houd ik het er (ook met het
oog op reg. 135) voor, dat Huydecoper, wiens Proeve II, bl. 360 door Verwijs en
Stoett is aangehaald, maar niet gevolgd is, het terecht met gierigheid verklaarde.
Daarentegen vergist Huydecoper zich zonderling, als hij meent, dat hier de deugden
der Nederlanders worden opgesomd, terwijl er van die der Spanjaarden sprake is.
Bij reg. 140 wordt in de aanteekening op bet verkeerdelijk betovergrootvader
aangehaald, een woord, dat volgens de gezaghebbende woordenlijst niet bestaat.
Wij vinden daar betoudovergrootvader, d.i. dus nog een geslacht verder.
Bij reg. 151: vermaaghschapping is de verklaring bondgenootschap onjuist, althans
onvolledig. Er wordt natuurlijk gedoeld op het huwelijk van Philips II met Maria Tudor.
In reg. 170 zou ik beknopt niet verklaren met ‘dicht aaneengesloten, één geheel
vormend’. Het woord toch, dat ook in den vorm beknoopt voorkomt, beteekent: goed
geregeld, goed geordend. Zoo spreekt ook Huygens in Zedeprinten: Een waerd vs.
44 van Maurits' ‘beknopt geweld’ (d.i. goed geordende macht) en Korenbloemen I,
bl. 556, vs. 79 van beknopte ernst, d.i. weloverlegde bezadigdheid.
In reg. 238: boeten wordt, trots Franck, vastgehouden, ofschoon aarzelend,
Taal en Letteren. Jaargang 2
190
aan de verscheidenheid der werkwoorden boeten (herstellen) en boeten (vuur
aanleggen), die Verwijs Taal- en Letterbode I, bl. 24-34 trachtte te betoogen. Het
is daarom misschien niet ongepast, hier even te wijzen op de onjuistheid van Verwijs'
redeneering. Hij veronderstelt, dat herstellen bij ons boeten (met oe uit ô) en vuur
aanleggen buiten (met ui uit eu) had moeten luiden. Toch heeft het Ags. voor beide
woorden bêtan (d.i. umlaut van bôtjan), terwijl beutjan daar bŷtan (voor beôtjan) zou
hebben moeten zijn. Ook in 't Zweedsch luiden ze beide böta, dat alleen boeten
met umlaut kan zijn. Aan het Mhd. büezzen (d.i. bôtjan) beantwoordt het Nhd.
büssen, maar daar staat natuurlijk niet tegenover het Nhd. beuten (vuur aansteken),
dat, blijkens de t, uit een Nederduitsch dialect is overgenomen. Het Mhd. biuzen
beteekent ‘stooten, slaan’ en heeft dus met ons woord niets te maken. Ook het
Groningsch bevestigt veeleer de verwantschap der beide woorden, dan dat het op
eene verscheidenheid zou wijzen, want een * beutjan zou daar buten en bôtjan, zou
daar buiten luiden. Wat vinden wij er nu? Buiten (vuur aanleggen) en bouten
(herstellen) en dus hetzelfde woord, maar in het eerste geval met umlaut (ui is de
umlaut der Groningsche ou = germ. ô) en in het tweede zonder umlaut. Het Drentsche
beuten (aansteken) is de umlautsvorm van boeten (vgl. boek en beuk). Het
Overijselsch, dat ik niet kan controleeren, laat ik buiten beschouwing, maar in elk
geval blijkt, dat de talen, die Verwijs voor den verschillenden oorsprong der
werkwoorden aanhaalde, er even sterk tegen pleiten als ons Ned. boeten.
Bij reg. 245 opgeheemelt, kan ik Dr. Stoett niet toestemmen, dat hemelen een
frequentatief van * heimen en afleiding van heim zou wezen, ook al kan hij zich
daarvoor beroepen op het gezag van Dr. Verdam en op den vorm heimelen, die
eene enkele maal in het Mnl. voorkomt, maar dien ik op ééne lijn met veinster,
o
deinzen, peinzen, enz. plaats. Mijn bezwaar tegen deze afleiding berust 1 . op de
beteekenis wegstoppen (zelfs begraven in het Mnl. en bij Hooft zelf, die, Tacitus bl.
528 compositus met opgeheemelt vertaalt; vgl. nog het Mnl. te hemele voeren =
o
begraven), daarna wegruimen, opredderen, schoonmaken, in orde brengen, en 2 .
vooral ook op den klank van den Mnl. bijvorm hemmelen, van het Friesche himmel
(= schoon, zindelijk), himmelje, huushimmelje (= schoonmaken) en van het
Groningsche hemmeln (= schoonmaken), ook ophemmeln (= opruimen, aan kant
maken). Voor zoo ongewone verkorting als van den tweeklank ei tot ĕ of ĭ in die
streken, waar heim en heem bekend en onverkort bleven, kan ik geene reden vinden,
terwijl er tegen het aannemen van verwantschap met ons woord hemel (coelum)
m.i. niet het geringste bezwaar bestaat.
Bij reg. 279 wordt van aakelyk, met verwijzing naar het groote Wdb. gezegd, dat
het van akelig door suffix verschilt, alsof het dus voor akellijk stond. Ik houd het voor
een Frieschen vorm van akelig met verscherping aan het woordeneind van de
gutturale media g.
Bij reg. 452 wrook, wordt gezegd, dat de o uit het meervoud in het
Taal en Letteren. Jaargang 2
191
enkelvoud is ingedrongen. Dat zal wel eene vergissing zijn. Ook in het meervoud
had het impf. in 't Mnl. natuurlijk a. De o is aan het deelwoord ontleend.
Bij reg. 472 is de verklaring van schuwden m.i. onjuist. Het beteekent niet, zooals
tegenwoordig, vreesden, maar ontweken, ontgingen, zooals bv. ook Reinaert I, vs.
55: ‘hieromme scuwedi sconincx hof’, Ferguut vs. 2929: ‘Keyen hiet hi van hem
scuwen’ en Rijmbijbel vs. 33785: ‘men mach niet scuwen dat sal ghescien’, d.i. men
kan niet ontgaan wat geschieden moet.
Bij reg. 544 is de opmerking bij gebarnt verkeerd. Wel is branden gevormd naar
analogie van het deelwoord gebrand, maar dat deelwoord zelf is regelmatig (met
zoogenaamden rückumlaut), en wel verre vandaar, dat het door metathesis uit
gebarnd ontstaan zou zijn, is juist barnen, gebarnd ontstaan door metathesis uit
brennen, gebrand.
Bij reg. 700 bevreemdt mij zeer de opmerking, dat wambuis eene samenstelling
van wam en buis zou zijn, ofschoon op het Mlt. wambasium, Ofr. wambais gewezen
wordt, die natuurlijk afleidingen zijn van wambe (buik). Ons woord buis is dus weleer
uit misverstand ontstaan door weglating van de niet meer begrepen eerste
lettergreep.
In reg. 777 beteekent heusch niet zoozeer ‘hoffelijk’ als wel ‘vriendelijk, minzaam.’
Bij reg. 821 wordt wracht een impf. van werken genoemd en niet van eenen
bijvorm worken, ‘die nooit is aangetroffen’, zegt Dr. Stoett. De a van wracht en de
o van den nog meer gewonen en zeker meer oorspronkelijken vorm wrocht laten
zich echter eer uit een verloren worken verklaren, waarvan het voormalig bestaan
niet eenvoudig vermoed wordt, maar dat in de verwante talen inderdaad voorkomt.
Zoo heeft het Gotisch waurkjan, impf. waurhta en het Ohd. wurchan, impf. worhta
en wurhta.
Tot deze opmerkingen wensch ik mij voor het oogenblik te bepalen. Zij mogen
door Dr. Stoett beschouwd worden als een gering tegengeschenk voor het vele
goede en leerzame, dat hij ons in de door hem zorgvuldig herziene uitgave der
bloemlezing uit Hooft's proza schonk.
Groningen, Januari 1892.
JAN TE WINKEL.
Sprokkel.
Zwakke genitief van eigennamen.
Vergis ik mij niet, dan is door uitgevers van zeventiende-eeuwsche teksten nog niet
de aandacht gevestigd op den veelvuldig voorkomenden zwakken genitief van
mannelijke en vrouwelijke persoonsnamen. Merkwaardig is het, dat de uitgang -en
niet zelden als een op zich zelf staand woordje geschreven wordt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
192
In den Spaenschen Brabander (vs. 1766) lezen wij:
‘Dat hy de Tafel sal brengen voor Mongseur Rokes en deur.’ Verwijs veranderde
dit in zijn uitgave, en liet drukken: ‘Rokes sen deur’. In vs. 307 van hetzelfde stuk
staat: Peete Barberen man (de man van Peete Barber). Uit Het Moortje noteerde
ik o.a.: vs. 455: May-aalen jonst; vs. 731: Griet Jan dicken (waarschijnlijk: Griet, de
dochter van Jan Dik); vs. 2908: Juere Jannen naarts (Jurriaans aars); vs. 2932:
ouwe Japen Dochter; vs. 3320: ouwe Joosten weeuw; vs. 3340: Langhe Fransen
Vrouw. Coster's Teeuwis de Boer, vs. 76 en 77: Krijnen kint; vs. 1503: Teeuwis en
wagen (door mij in de uitgave veranderd in ‘Teeuwissen wagen’). A. van den Bergh's
Jeronimo (Utr. 1621): Hy was daer so met een meyt doende voor dircken deur (blz.
24). Krul, Klucht van Drooghe Goosen (1632): ‘En soudt ick mijn gaen verhangen
aen Lubberten dochter’ (in de uitg. van 1651: Lubbert sen dochter). H.J. Soet's
Batavische Eneas (1645): Sonoyen brieven (blz. 51). Huygens (Korenbloemen,
1658, blz. 678 en 679): Maeyen man. J. van Arp, Claes Klick: Op ons Peet-nellen
Feest. Asselijn, Kraambed van Zaartje Jansz (blz. 287, 299 en 300): Roeland en
Dochter (Roelands dochter). Te vergelijken is ook nog bij Paffenrode, Hopman
e
Ulrich, 2 bedrijf: In onse nabueren stoep.
e
e
De grammatici der 17 en 18 eeuw maken van den bedoelden genitief meermalen
e
melding. Zoo schrijft Sewel in zijn Nederd. Spraakkonst (2 druk, 1712): ‘De naam
van Joost maakt den Genitivus door 't bijvoegen van de sillabe en, als Jillis Joosten,
dat is Joosts zoon, en Maaike Joosten voor Joosts dochter. Zo zou men ook moogen
zeggen Joosten mantel; en als men 't wel in ziet, schijnt dat eene tzamentrekking
te zijn van Joost zijn mantel’. En Lambert ten Kate in zijn Aenleiding tot de Kennisse
enz. (1723): ‘Bij de daeglijkse Spreektael (schoon in Schrijftael zulks in onbruik is)
leeft ook nog die Genit.: op -en bij onze Nomina Propria, dus zeit men op dien voet,
't is Matthijs-en, Jacob-en, Jan-en bedrijf, voor 't is het bedrijf van Jacob, Matthijs,
1)
Jan, enz.’
In het Middelnederlandsch werden de mannel. eigennamen op -e zwak verbogen;
de vrouwelijke kregen in den genitief -en, tenzij het bepaalde woord volgde. Zie
daarover van Helten's MNed. Spraakkunst, blz. 376-380.
Ten slotte nog de opmerking, dat volgens Johan Winkler (de Nederl.
Geslachtsnamen, 1885, blz. 99 en 100) nu nog in de Hollandsche visschersdorpen
aan de Noordzee gesproken wordt van Dirken waegen, Gijzen skoit, Louen seun
en Krijnen dochter.
R.A.K.
1)
Deel I, blz. 392. Vgl. ook van Heule's Nederduytsche Grammatica (1626) blz. 27.
Taal en Letteren. Jaargang 2
193
Hagar van Da Costa.
1)
Tekstverklaring .
God had Abraham voorzegd, dat hij worden zou, de stamvader van volken, talrijk
als de sterren des hemels en als het zand der zee. Doch geen zoon werd hem
geboren; Sara baarde niet en straks schonk zij Abraham hare dienstmaagd Hagar
tot eene vrouw. Hagar stond straks moeder te worden. Met kleinachting zag de
dienstmaagd toen neder op de meesteres: Sara werd een verachtelijke in Hagars
oogen en zij klaagde Abraham hare vernedering. ‘Doe met Hagar, wat u goed dunkt,’
was het antwoord. Hagar vluchtte toen, de woestijn in. - Straks werd zij de moeder
van Ismaël, Ismaël den stamvader van dat volk der Arabieren, dat eene hoofdrol
spelen zou in de wereldgeschiedenis. Zij, de uitgedrevene!
Da Costa ziet haar daar dwalen in de onmetelijke woestenijen, als was zij verlaten
van God en mensch, en zijne verbeelding wordt vaardig: daar rijzen andere tooneelen
voor zijn oog: al de geslachten van kinderen dezer vrouw: Mohammed en de helden
die bij zijn woord gezworen hebben de wereld te veroveren voor Allah en Zijn profeet.
Met den dichter aanschouwen wij de ellendige dienstmaagd, en vóór ons doet hij
dat eindeloos perspectief zich ontrollen van Arabiës grootheid. Hij wandelt ons voor
op de koninklijke baan der geschiedenis: dit is de gang van het gedicht.
Doch welke is de gedachte, die ons daarbij vergezelt, die Da Costa voorzweeft,
die het doel en eindpunt bepaalt van ons wandelen en des dichters laatste woord
zal zijn?
Uit Hagar Ismaël! Maar Gods belofte aan Abraham en Sara ging nog anders in
vervulling. Uit Sara straks Izak! Izak, de vader van dien Jakob, uit wien de Twaalf
Stammen van het Israëlietisch volk, dat den Messias in zijnen schoot borg, den
Christus, een Heer dien alle volkeren der aarde eenmaal als Koning huldigen. Vervreemd is de wereld van God, haar Schepper en haar Rechter. Maar in die
wereld
1)
De lezer gelieve in zijn exemplaar de regels van het gedicht bij vijven af te deelen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
194
zal Hij geboren worden, die de aarde weder aan Gods voeten brengen zal. Hij zal
een spruit zijn van Israël. Daartoe heeft God zich Israël bewaard als zijn uitverkoren
volk. Met Abraham sloot Hij zijn verbond. - Doch ook de verworpen Ismaël was
Abrahams zoon, hij had hem lief. God is ook met hèm geweest en zal altijd met hem
zijn. Het volk van Mohammed zal komen tot den Christus, den Messias die uit
Abraham is, en daarin zal Ismaël wederkeeren tot Izak, den broeder, tot Abraham,
den vader.
Ziedaar de groote gedachte, die Da Costa bezielt. Ismaël heeft Abrahams tent
verlaten, maar hij keert eenmaal weder. En van dit denkbeeld is Hagar in de woestijn
zelve hem het symbool. Dit gaan wij thans toelichten.
Terwijl Hagar uitgeput nederzat aan eene waterput, zonder troost, kwam tot haar
de Engel des Heeren (Jehovah). Zij dacht verlaten te zijn, maar God was met haar.
Dan verneemt zij uit des Engels mond van den zegen, die den nog ongeboren knaap
op zijne schreden volgen zal. En hij vermaant haar, dat ze weerkeere tot haar
meesteres en, gewillig haar minderheid erkennend, zich verdeemoedige. En Hagar
kéért weder. Als Da Costa ze daar ziet in haar dolen, dan moet hij denken aan
geheel dat volk van Ismaël, dat als alle volken eens zijn dwaling zal inzien en tot
den waarachtigen Heer des Hemels en der Aarde gaan.
Eerst schildert de dichter ons de Arabische woestijn met haar verschrikking. Dan
de ellendige. En als zijn blik dan lang en peinzend de velden der Geschiedenis heeft
doorweid, dan ziet hij eindelijk de vrouw van smarten weer voor zich:
Op u een laatste blik!
Op u, te midden van dier steenwoestijnen schrik,
Gij ongetrooste, gij door onweêr voortgedrevene,
Aan zielsmart en ellende en wanhoop prijsgegevene!
Gij ook - gij gaaft in 't eind den God des hemels eer!
Hij kwam, Hij sprak tot u. De hoogten vielen neêr.
Gij gaat voor Saraas voet uw dwazen trots bekennen;
Gij wilt in Abrams tent u aan Gods ordning wennen!
Ja! (roept ge en voelt, met één, geheel uw aanzijn vrij!)
‘o God des levens! Gij zaagt neder ook op mij.’
Dit is het slot van het gedicht, en nu heeft de lezer het overzicht, dat ons bij de
beschouwing der onderdeelen steeds voor den geest moet blijven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
195
Van vers 1-20 is het tooneel waarop Hagar verschijnt, beschreven als eene plek,
grootsch in de geschiedenis: onze aandacht is geboeid.
In vers 15-17 wordt gesproken van Israëls uittocht uit Egypte. Veertig jaren trok
Israël in deze woestijnen rond. In het Oud-Testamentische boek Exodus (= Uittocht)
vindt men dit uitvoerig verhaald. Het erfland (16) is Kanaän (Palestina), dat God
reeds aan Abraham als een erfelijke, vaste, nationale bezitting van zijne
nakomelingen had toegezegd (Genesis XII): het ‘Beloofde Land.’ ‘Omstuwd van
teekenen Gods:’ zie hiervoor o.a. Exodus XIII: 21, 22; XIV:21-30; XV vs. 23-25;
XVI:2-18; XVII:3-6; etc. ‘Teekenen’ beteekent hier wonderdaden Gods, als bewijzen
van Zijne trouw en mogendheid. - 17: twintig eeuwen later: het rondtrekken door de
woestijn gerekend op ± 1400 v. Chr., komen wij op ongeveer 600 na Chr., toen
Mohammeds opvolger, de eerste Khalif, Aboe Bekr, den Islam begon te verbreiden.
Saracenen is de naam die den Arabieren (later ook de Mohammedaansche Turken)
in Europa gegeven werd.
Na deze zakelijke toelichting, gaan wij tot nadere verklaring van dit gedeelte over.
II. In 1-2 is wonderen het subject van vereeuwigen en is grond het object van dit
werkwoord: Gij zaagt hoe de wonderen den grond vereeuwigden (d.i. ‘eeuwig
maakten’, of, ‘een eeuwigen naam’ of ‘voor alle eeuwen een naam schonken’). De
ontleding van den zin volgt straks. - ‘Vereeuwigen’ heeft hier de voorkeur boven
‘onsterfelijk maken’: dit laatste eer van personen en het als zoodanig voorgestelde.
- Wat wondren: ‘hoe vele en hoe groote w.’ - al is versterkend (bijwoord van
modaliteit); ook niet heeft hier versterkende, de modaliteit uitdrukkende kracht. ‘roosten’ is: blootstellen aan eene alles doordringende hitte.
3. tot ééne etc.: bepaling van gesteldh (ten gevolge der w.). - Men lette op de
meesterlijke versterking van ZEE van golven steen en rots door middel van waterloos.
4-5. tooneel: bijstell. bij zee. schrik en wee noemen het kenmerk. Vgl. ‘tooneel
van verwoesting’, ‘een geschiedenis van bloed en tranen’, ‘een verleden van
onsterfelijke glorie’, ‘een dag van blijdschap en verheffing’. De bepaling noemt 't
geen waaruit de zaak van het bepaalde woord bestaat. Men noemt haar ook
appositioneele genitief. - tooneel van - zonder laafnis etc.: sterven staat zelfstandig.
6. ge: de woestijnvorstin, die in 1. wordt aangesproken. - Wat is eene bepaling
ste
bij vaak (7), sterker dan hoe vaak! - die: 1
dezen zin volgt).
naamval (gramm. behandeling van
Taal en Letteren. Jaargang 2
196
7-8. Is ‘zoeken’ met voordacht gebruikt? - Da Costa zal de komma achter gezien
wel niet zonder bedoeling hebben weggelaten; zich als etc. hebben wij op te vatten
als onmiddellijke bepaling bij den stormwind: ‘den zich als aan ketenen
ontwringenden st.’ of nog beter: ge hebt gezien, hoe de st. zich als een k. ontwrong.
Het beeld in dezen zin doet aan vreeselijke worstelingen en geweldige krachten
denken: de storm wordt bij een geboeiden reus vergeleken; vgl. 11. In dit woord
stormwind ligt reeds de overgang tot het tweede gedeelte der beschrijving, dat begint
met 12: in 8 luidt het immers: niet slechts dien etc.: de dichter zet in 9-11 de
beschrijving van den eigenlijken st.w. voort, maar hij heeft ons ondertusschen
voorbereid op 't geen komen zal (klimax). Vandaar de eenigszins ongewone
constructie: wij verwachten b.v. ‘niet slechts dien, waarvoor etc. maar ook die etc.’;
de dichter echter wil dien regelmatigen, redeneerenden zin niet, als hij spreekt van
den stormwind: hij wil slechts voorbereiden op den klimax met zijn ‘niet slechts’.
Andere in 12 wijst op niet slechts dien terug.
10-11. ‘wervelen’ is draaien, zich met groote snelheid, duizeling-wekkend snel,
in de rondte bewegen (om haar eigen as hier). - Het gebruik van ‘zich vergaderen’
is zeer gelukkig: men ziet de hoos worden: in razende draaiingen over de vlakten
stormend, neemt zij van heinde en verre alles binnen haar bereik mede en in zich
op. - Geen komma achter vergaârde: verbinding tot ééne voorstelling. Dergelijk
weglaten van komma's hebben wij ook in Starings Marco gezien. - ‘voorbijgerold
zal zijn’ doet ons beter dan ‘voorbijgerold is’ doen zou, den duur gevoelen van den
toestand des reizigers.
13-14. Grammaticaal is 't Zijn zulken, die de scharen opdreven voor tweeërlei
opvatting vatbaar. De eene: ‘de schuddingen die de scharen opdreven, zijn zulke
als waarop ik doelde in vers 12.’ Deze kan echter de juiste niet zijn, daar die
schuddingen niet in vers 12 nader bepaald worden en, integendeel, schuddingen
in 12 zelf worden bepaald door 't geen volgt. De andere opvatting is dus de juiste;
de
namelijk deze: de schuddingen die uw w. bestookten, zijn zulke, als de scharen (4
naamv.) uit uwen schoot opdreven’. Da Costa had na dit bepaling-aankondigend
zulken den bijvoeglijken zin ook kunnen inleiden met dit als: als komt, bij zuiver
qualificeerende zinnen, na ‘zulk’, ‘zoodanig,’ en na ‘een’ in de beteekenis van
‘zoodanig een’, meermalen voor: dergelijke relatieve zinnen zijn dan in den grond
der zaak vergelijkend maar tevens bijvoeglijk; ja somtijds staat dit ‘als’ geheel met
‘die’ gelijk: het oorspronkelijk vergelijkend karakter komt daarin vooral uit, dat men
voor ‘als’ ook als die ontmoet. Het best staat ‘als’ in
Taal en Letteren. Jaargang 2
197
een zin als dezen: ‘ongetwijfeld heeft hij zich in zoodanige bewoordingen uitgedrukt,
als nauwelijks aanleiding geven kunnen tot verkeerde vermoedens’: hier is
vergelijking; iets daarvan is ook in den zin uit Hagar. - ‘'t zijn zulken, als die de
scharen opdreven uit uw sch.’ - van landveroveraren is bepaling bij de scharen: vgl.
b.v. Slag bij Nieuwpoort 18: haar grond - van menschlijke geboden. - Verklaar schoot
hier.
15-20 bepaalt ‘scharen van landveroveren’: Israël ging Kanaän; de Islam de wereld
veroveren. - 16: waartoe het woord omstuwd? - 17: ‘de veertig jaren’: nl. de
welbekende veertig jaar: daarom het bepalend lidw. - 19: een half gekenden God:
er lag waarheid in Mohammeds Godsdienst: ‘Er is maar één God’; maar de volle
waarheid was daarin niet.
GRAMMATICA. Uitroepende zinnen als 1-5 zijn in den grond der zaak vragende. Doch
zóóvele en zoodánig zijn die wonderen, dat daar geen antwoord is: in deze vraag
ligt verwondering, ontzag, en zoo wordt zij een uitroep. Wat (welk) blijft in zulke
gevallen vragend heeten, maar krijgt natuurlijk een onbepaalde beteekenis. Het
vragend karakter kan geheel verdwijnen zelfs en zoo heeft het vragende ‘wat’ de
beteekenis gekregen van waartoe in b.v. ‘Wat noopt de Waan hem vroeg en spaâ’
(Staring, Het geluk) en is het bijwoord van graad geworden b.v. in Hagar 6-7, dat
zich in 't geheel niet meer als vraag laat nemen. (Zie over deze dingen verder Taal
en Lett. I, Marco; bladz. 166).
Doch ook niet in 1. verdient nader beschouwen. Het is hetzelfde als in ‘Heb ik je
niet gewaarschuwd?’ Ook dit ‘niet’ staat oorspronkelijk in vraagzinnen. Men had
iemand gewaarschuwd; nadrukkelijk. Hij ging zijn gang en 't ging verkeerd. Met het
oog daarop, dat hij handelde als was hij niet gewaarschuwd, als wist hij niet beter,
vroeg men dan: ‘heb ik je soms niet gewaarschuwd’ d.i. ‘heb je soms niet beter
geweten’; of wel, hij kwam klagen, zich beklagen, alsof hij daartoe nog recht had;
dan was het al evenzoo: ‘heb ik je niet gewaarschuwd?’ en dan kon de man niet
anders dan stil tot zich-zelf zeggen: ‘ik ben gewaarschuwd.’ In beide gevallen
behelsde de negatieve vraag de nadrukkelijke bevestiging: gewaarschuwd zijt ge.
De eigenlijke beteekenis van dit nu zuiver modale niet voelen wij niet meer: 't is
eenvoudig versterkend en juist daarom ging het mee dienst doen in dien uitroependen
zin der verwondering en bewondering en verontwaardiging, waarin wij 't ook hier
(vers 1.) aantreffen. Vgl. ‘Wat is dat niet mooi!’, ‘Wat is dat geen gemeene streek’
etc.
De aandacht moet ook trekken de verbinding van het enkelvoudig
Taal en Letteren. Jaargang 2
198
onzijdig pronomen met een meervoudig substantief. Toevallig is dit substantief óók
onzijdig; zoo het manl. of vrouwl. was, kon er even goed wat staan: wat helden, wat
heldinnen. Wij gevoelen dit wat thans als bijvoeglijk = hoedanige. Oorspronkelijk
stond het hier zelfstandig: het volgende substant. was altijd de meervoudige tweede
naamval: wat (= wie) van de mannen, wat (= welke) van de wonderen. Het gebruik
van wat behoeft ons nu niet langer te bevreemden. Onze taal immers (het
Germaansch in 't algemeen) heeft de neiging om het zelfstandig pronomen, wanneer
geslacht en getal duidelijk zijn, in 't onzijdig te bezigen: dit is mijn broer, dat zijn
mijne neven en dat mijne nichten, wat is uw broer (= wie); wie is die man? het is uw
vader, etc. De genitief is vervallen, wat staat daardoor bijvoeglijk, maar het is voor
de drie geslachten niettemin wat gebleven.
Wij lichten thans de constructie van 1-2 zoover en op zoodanige wijze toe, als wij
ons dit mogen veroorloven. Voor het recht verstand beginnen wij met: Ik zag het
paard loopen. Loopen noemt daarin de gesteldheid, waarin men het paard ziet: het
paard is verder, logisch, het subject van het loopen. Thans stellen wij ons een
slachten voor: Ik zag het paard slachten: hier gevoelen wij het paard het object van
het slachten: als zóódanig zien wij het paard; in slachten wordt wel niet de toestand
(gesteldheid) van het dier genoemd, maar toch aangeduid: Wij hebben eene
slachtpartij voor ons, het paard is daarin en het lijdt. Sommigen ontleden bij déze
beschouwing aldus: zag - gezegde, het paard - voorwerp, loopen en slachten bepaling van gesteldheid. Een zin als: Ik zag den veldheer overwinnen, waarin
veldheer zoowel het subject als het object van het overwinnen zijn kan, heeft voor
die beide gevallen dan dezelfde ontleding: den veldheer - voorw., overwinnen - bep.
v. gesteldh., in het eerste geval weer die gesteldheid noemende, in het tweede die
aanduidende (men ziet de strijdende partijen; het is het oogenblik der beslissing,
der overwinning en daarin is het de veldheer, die lijdend is). Zielkundig (en een
grammatica zonder zielkunde is als zoodanig d.i. als spraakkunst waardeloos) is
dit niet geheel in orde, maar men verwerpe het niet zóó maar. Anderen zeggen: Ik
zag het paard loopen moet men ter ontleding ontbinden in Ik zag, dat het paard liep:
de ontleding is dan al heel gemakkelijk; maar - men heeft dan ook niet ontleed Ik
zag het paard loopen; hetzelfde ten opzichte van den anderen zin. Men kan dan
evengoed korter gaan: Zag - gezegde, het paard loopen - voorwerp, het paard
slachten - voorw. Weer anderen doen nóg anders: zag - gezegde, loopen - voorw.,
slachten - voorw., zeggen zij, en paard wordt dan niet afzonderlijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
199
benoemd. De benoeming nu is iets van later zorg. Het komt er op aan, dat men in
zich-zelven weet waar te nemen, wat men, terwijl men hoort zeggen Het paard zag
ik loopen, Ik zag het paard lóópen etc., eigenlijk met zijn verbeelding ziet en hoe
men dat ziet. Ziet men het páárd, dat loopt of het lóópende paard, ziet men het
slachten, of het paard dat geslacht wordt, of ziet men soms het eene evenzeer als
het andere, òf dàn dit, dàn dat? Zou het niet afhangen van omstandigheden (van
den samenhang des verhaals dus ook), wát men eigenlijk aanschouwt en zullen
die omstandigheden ons niet tot verschillende ontleding nopen? In 't algemeen, als
men niet fijner onderscheiden wil, is ‘zag - gezegde, het paard loopen, het paard
slachten - voorwerp’ misschien het beste. Een stapje moeten wij nu nog verder. In
den zin Ik zag het paard slachten kan men hem die slacht ook noemen: Ik zag den
man het paard slachten: het paard voelt men hier dadelijk als voorwerp van 't
slachten: ten opzichte van het slachten en den man kan men nu weder op meer
dan een manier te werk gaan: man - voorw., het paard slachten - bepal. v. gesteldh.,
d.i. ik zag hem in 't slachten van het paard; of: dat de man etc.; of: slachten - voorw.,
het paard - voorw. v. slachten. Dit toepassende op Hagar 1-2 krijgen we: ge onderw., zaagt - gezegde, wonderen - vrw., vereeuwigen (een grond) - bep. v.
gesteldh. (d.i. terwijl zij den grond vereeuwigden), den grond - voorw. v. vereeuwigen;
of met ontbinding in een voorwerpszin; of: vereeuwigen - voorw., met aanduiding
dat de wonderen daarvan het onderwerp en de grond het voorwerp is.
4. Er kon ook staan: ‘golven van steen en rots,’ ook ‘golven steens,’ evenals
‘golven vuurs,’ ‘tongen van vuur’: die genitief noemt dan de stof, waaruit iets is, en
dezen brengt men wel onder den partitieven genitief, die het geheel noemt, waarvan
een deel is genomen.
5. Merk op dat de zelfstandig gebruikte Infinitief, zijn verbaal karakter behoudend,
een bijwoordel. bepal. bij zich heeft. Zoo kan hij ook met een voorwerp staan: God
vreezen is het begin van alle Wijsheid. Het onderscheid tusschen den zelfstandig
gebruikten Infinitief en het werkwoordel. (verbaal, abstract) substantief (hier dus
vrees) is, dat men bij den Infinitief (tenzij het verbale geheel verloren is gegaan, als
in geheugen, vermogen, mededoogen, eten, drinken, genoegen e.d.) min of meer
bewust blijft, dat de handeling van iemand of iets uitgaat; het verbaal substant. stelt
de handeling voor als iets op zichzelf bestaands, los van zijn subject. Niet altijd
echter maakt dit een onderscheid in 't gebruik. De bijw. bepal. en de voorwerpsbepal.
van den Infinitief
Taal en Letteren. Jaargang 2
200
komen bij het substant. als bijvoegl. bepal.: vgl. God vreezen met de vreeze Gods
(objectsgenitief).
6-7. die lucht, die d'ademtocht DOET DERVEN aan wat dáár adem zoekt. Wij hebben
hier een merkwaardige en in haar onregelmatigheid zeer leerzame constructie voor
ons. Even herinneren we, dat doen en laten met een Infinitief verbonden (zie ook
vooral T. en L. I, Marco; pag. 260) te kennen geven, dat iemand of iets eene werking
veroorzaakt. Van die werking is hij zelf of een ander dan het subject en de werking
kan weer een object hebben. Ik deed hem drinken is ‘Ik maakte, dat hij dronk.’ De
zin boven geeft: ‘de lucht maakt, dat de ademtocht derft aan wat dáár adem zoekt’:
ademtocht staat als object van doet derven en is dus het subject van het derven.
Maar dit is niet in overeenstemming met de actieve constructie van derven. Bij
derven staat de belanghebbende (ondervindende) persoon zelf als onderwerp en
e
de zaak die gemist wordt staat niet, als hier (de ademtocht derft), als 1 naamv.
en
maar als oorzakelijk voorw. in den 4 (oorzakelijk als oorspronkelijke genitief): het
kind derft zijne ouders (vroeger: ‘zijner ouders’: vgl. ‘ontferm U onzer’). Actief moeten
wij dus construeeren: Wat daar adem zoekt (onderwerp) derft er den ademtocht
(oorzakel. voorw.); in de Causatieve Constructie wordt dit: die lucht, die wat dáár
adem zoekt doet derven den ademtocht: hierin is wat dáár adem zoekt dan het
lijdend voorwerp van doet derven (vgl. ‘het paard drinkt’ met ‘hij doet het paard
drinken’) en den ademtocht blijft het oorzakelijk voorwerp. Een overeenkomstig
geval is: Hij is het spoor bijster (spoor, oorzakelijk voorw. bij bijster zijn), dat Causatief
wordt: Ik doe hem het spoor bijster worden, waarin hem lijdend voorwerp van bijster
doen worden is en het spoor oorzakelijk voorwerp blijft. Construeeren wij dezen zin
naar het voorbeeld van Hagar 6-7, dan komt er: Ik deed het spoor bijster zijn aan
hem: en wat gebeurt er dan? Wij geven bijster onwillekeurig eene andere beteekenis,
want niet het spoor, maar de man is bijster, bijster ten opzichte van het spoor. Actief
zou men dan moeten zeggen: Het spoor is ons bijster. Zoo nu heeft ook Da Costa
onwillekeurig eene beteekenis gegeven aan derven, die het eigenlijk niet heeft: die
van ONTBREKEN. Beteekende derven inderdaad ‘ontbreken’, dan zou men actief
construeeren: ‘De ademtocht derft ons’ (‘de ouders derven het kind’,) dit zou causatief
e
den zin van Da Costa opleveren: Hij doet den ademtocht ons (3 nv.) derven. Maar
derven beteekent missen. Bij de causatieve constructie ligt echter, ook doordat
e
ademtocht in elk geval een 4 nv. wordt, de verwarring van ‘derven’ en ‘ontbreken’
zoo voor de hand, dat dit voorbeeld in Hagar wel niet alleen kan staan. - Vgl. echter
T. en L., I, 96-98.
Taal en Letteren. Jaargang 2
201
Een woord nog omtrent de ontleding (de zin genomen als hij er staat). Het kàn aldus:
die - onderw., doet - gezegde, d'ademtocht - lijdend voorw. (d.i. ‘die’ brengt den
ademtocht in een toestand), derven - bepal. v. gesteldh. (benoeming van dien
toestand). Maar gelijk doen vallen = vellen is, doen varen = voeren etc., zoo kan
men ook doen derven als één werkwoordel. begrip opvatten: doen (ook laten) wordt
dan hulpwerkw. van oorzaak (causatief hulpww.). Misschien zal men in sommige
gevallen doen en laten beter als afzonderlijk gezegde aanmerken. In dit geval
verdient wel boven de eerste ontleding de voorkeur: doet derven - gezegde,
d'amentocht - lijdend voorw.
Thans iets over dat ‘d'ademtocht’ als afkorting van ‘den ademtocht.’ Sommige
menschen noemen dit ‘een dichterlijke vrijheid’ en dan denken anderen daarbij aan
iets dat eigenlijk niet heelemaal in den haak is. Het is merkwaardig dat wij prozaïsche
grammatici nergens zoo weinig verstand van hebben als van de dichterlijke vrijheden.
Het is ongeveer, als of men zegt van een jong mensch, dat hij zich wel wat veel
vrijheden tegenover zekere dame permitteert. Het is in het heele dagelijksche leven
zoo: wij prozamenschen hebben nergens minder verstand van dan van de dichterlijke
vrijheden. Wat soort van vrijheid denkt gij wel dat ‘d'ademtocht’ is? Hebben wij,
allen, in ons gansche leven wel ooit anders gezegd dan, met den dichter:
d'ademtocht, d'olijfhof (op dezelfde pagina 503 bij Da Costa)? M.a.w., de dichters
laten den buigingsuitgang niet weg, maar zij kiezen den vorm zonder buigingsuitgang,
dien het Nederlandsch evenzeer bezit. De groote dichters, dat zijn de eenige goede
grammatici; van hen en van de groote prozaschrijvers moeten wij de grammatica
leeren. Elke andere leermeester leidt ons op dwaalsporen. En dan moet de spreektaal
daarbij niet vergeten worden.
Wat in 7 is betrekkel. vnw. (het is immers het vnw. van den relatieven, bijvoeglijken
zin in: dat, WAT daar adem zoekt).
Slechts in 8 is een bijw. v. omstandigh. - dien is aanw. vnw.
Waarvoor (= voor welken) is voornw. bijw.
10. tot dat de gruiskolom voorbijgerold zal zijn: de voegwoorden voordat, opdat,
nadat zijn gelijk te stellen met: voor dat, op dat etc.: ‘Hij kwam, VÓÓR dat hij nog
geheel hersteld was.’ Een zin als deze zou gelijkstaan met: ‘Hij kwam vóór zijn
volkomen herstelling, of vóór den avond etc.: de bepaling die in het eene geval uit
een substantief bestaat, bestaat in 't andere uit een geheelen zin, net als een
voorwerp ook een geheele zin kan zijn, en oorspronkelijk is dat voor, na, op een
eenvoudig voorzetsel. Doch die voorzetsels zijn één woord gaan vormen met het
‘dat’ dat den (dus oorspronkelijk zelfstandigen) zin inleidt: dat
Taal en Letteren. Jaargang 2
202
die zin een voorzetselbepaling is voelen wij niet meer, en nu verbindt voordat
eenvoudig den bijzin aan den hoofdzin en wijst den aard van dat verband aan:
voordat is nu voegwoord. Da Costa nu scheidt voordat, nadat, totdat niet zelden;
de letterlijke beteekenis maakt dan de eigenlijke bedoeling meer voelbaar. Wij
moeten dan ook niet lezen, totdat de gruiskolom etc., in éénen door; wij lezen aldus:
tót, -dat de gruiskolom: tot krijgt eenigen nadruk en wij wachten een moment: den
duur van den toestand des reizigers voelen wij nu. Er is niets tegen dit tot een
voorzetsel te noemen; tot dat hier een voegwoord noemen verduistert de bedoeling
des dichters. Een voegwoord dat zeer dikwijls, ook in gewone schrijftaal, gescheiden
voorkomt, is eer dat. Voegwoorden waarin de eigenlijke beteekenis van het oorspr.
voorzetsel verloren is gegaan, als opdat, zal men niet vaneenscheiden. - Wervelen
= draaien: vgl. wervelwind. Het is afgeleid van wervel (draaiing), dat concrete
beteekenis heeft in wervel = draaihoutje, waarmede men de deur sluit, ook =
wervel-d.i. draaibeen. Wervel is van werven, draaien, ook zich draaien, zich heen
en weer wenden, wandelen (dat immers óók met wenden = zich draaien
samenhangt). Uit het begrip ‘heen en weer loopen’ vloeide voort dat van ‘zich druk
maken om of voor iets’ (vgl. zich het vuur uit de sloffen loopen voor iets): vandaar
ons ‘nieuwe leden werven’, ‘soldaten werven’ (waarin werven nu transitief) en oudtijds
(nu een ‘Germanisme’) ‘om de hand van eene vrouw werven’, ‘dingen naar’; vandaar
verwerven, waarin het denkbeeld van ‘inspanning’ en van eene ‘moeielijke taak’
ligt.
12. aloud: al is hier versterkend; daar al (het telwoord) vroeger den vorm aal ook
had, vindt men ook aaloud; dit aal heeft men (dichters vooral) wel eens aangezien
voor samentrekking van adel, en zoo ontmoet men dan aâl en uitdrukkingen als:
‘uw adeloud geslacht’ = oud van adel, etc.
13. Naar grammatisch voorschrift zou men zulke schrijven: immers het staat
bijvoeglijk, men denkt er schuddingen achter.
18. ‘verheffen’ is hier ‘opnemen’ - dweepend: thans ‘dwepend’: oudtijds dwapen:
afwisseling met a.
20. ‘brengen’ heeft ten opzichte van 't geen volgt een eenigszins andere
beteekenis, dan opzichtens 't geen voorafgaat. - Over ‘lot’: T. en L. I, Marco; 257.
(Wordt voortgezet).
Z.
V.D.B.
Taal en Letteren. Jaargang 2
203
Uit de spelling.
Fragmenten van een lezing.
Ik heb geen plan een overzicht te geven van al de veranderingen, die de spelling
vertoont sedert ± 1200. Van die dagen af tot aan de onze toe, heeft men telkens
wijzigingen in de spelling aangebracht; meestal daarbij de meer of minder algemeen
als beschaafd erkende spreektaal tot richtsnoer nemende; een enkele maal ook
teruggaande en het gewonnen voordeel weer prijsgevende ter wille van eenig dialect,
bij wijze van concessie aan nieuwigheidshaters, of wel uit een al dan niet bewuste
zucht tot geleerdheidsvertoon.
Een der interessantste voorbeelden van dat zoeken en tasten om tot een
bevredigende schrijfwijze te komen, levert ons de geschiedenis van de enkele en
dubbele e en o in open lettergrepen. En ik schenk er de voorkeur aan, dit ééne geval
wat uitvoeriger te bespreken, dan een kort overzicht te geven van allerlei
aangebrachte of aan te brengen veranderingen in onze orthographie.
Wien de dagen dat hij onderwijs ontving in de Nederlandsche taal nog helder voor
den geest staan, zal zich herinneren dat de vraag: ‘Waarom worden woorden als
verdeelen en teekenen met twee, woorden als spelen en breken met één e
geschreven’, ongeveer op de volgende wijze wordt beantwoord:
Uit de vergelijking van het Nederlandsch met andere, verwante talen en dialecten
(als b.v. Gotisch en Oudnederfrankisch) is met zekerheid op te maken, dat sommige
Nederlandsche ee's zijn ontstaan uit den tweeklank ai of ei. Deelen b.v. is in het
Gotisch dailjan, in het Oudnederfrankisch deilan; andere e's zijn ontstaan uit den
klinker a (b.v. die van beek, beken) of uit den klinker i (b.v. die van hemel). Wij
hebben dus e's uit tweeklanken (en die noemen wij scherp) en wij hebben e's uit
klinkers; deze laatste e's worden zacht geheeten. De scherpe e's schrijven wij óók
op het eind eener lettergreep met twee teekens, de zachte met één; ofschoon in de
beschaafde spreektaal geen verschil meer
Taal en Letteren. Jaargang 2
204
tusschen die e's wordt gehoord. Er zijn echter dialecten, die nog thans met meer of
minder nauwkeurigheid de scherpe en zachte e's onderscheiden. Zoo noemt men
b.v. in 't Oldambt een ‘heele week’ een ‘heile weeke’.
Met de o is het evenzoo gesteld. Sommige o's zijn ontstaan uit den tweeklank au,
andere uit den klinker u (oe).
Hoe is het nu met die verschillende e's en o's in de schrijftaal gegaan?
In het Middelnederlandsch schreef men op het eind eener lettergreep meestal
1)
ééne e, en zoo goed als altijd ééne o . Eéne e is dan ook gebruikelijk in woorden
als leren, ere, enich, twe enz.
Worden door enkele auteurs twee e's geschreven, dan geschiedt dat niet alleen,
of bij voorkeur, in woorden wier e klank uit ai is ontstaan, maar evengoed in andere.
Zoodat van een onderscheiding der zachte en scherpe e's in de Middelnederlandsche
schrijftaal geen sprake is. Voor de o geldt hetzelfde. Alleen met dit onderscheid, dat
twee o's op het eind eener lettergreep nog veel zeldzamer zijn dan twee e's.
Werd dan in die deelen van ons land (het Zuiden en Westen), waar tusschen
1200 en 1500 het meest werd geschreven, reeds geen onderscheid meer gemaakt
in de uitspraak der scherpe en zachte e en o? Wij mogen die vraag niet ontkennend
beantwoorden; vooral niet, waar het de e betreft.
Men heeft toch opgemerkt, dat in het Mnl. doorgaans vermeden wordt, woorden
met zachte e te doen rijmen op woorden met scherpe. Spelen rijmde niet volkomen
op deelen. Daarentegen veroorzaakte het rijmen van een zachte o op een scherpe,
blijkbaar geen wanklank. Rijmen als hoghe: droghe treffen wij herhaaldelijk aan.
Waaruit blijkt, dat de klank dier o's nog slechts zéér weinig verschilde.
e
In de 16 eeuw komt in dezen toestand over 't geheel weinig verandering. Eén e
en één o op 't eind eener lettergreep is regel. Toch treffen wij er hier en daar,
onregelmatig en als bij toeval, ook wel twee aan. En aanleiding om er twee te
schrijven kon men vinden in het feit, dat dezelfde e- en o-klank in gesloten
2)
lettergrepen (b.v. in beek en rook) door twee teekens werd weergegeven .
De eerste, die de zacht- en scherpheldere e's en o's in open lettergrepen bepaald
heeft trachten te onderscheiden, schijnt Coornhert te zijn geweest.
Het spreekt van zelf, dat hij geen onderzoek instelde naar den oor-
1)
2)
Ook wel oe of oi. Bijna nooit: oo.
Ook om den regel typografisch voller te maken schreef men soms ee en oo. B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
205
sprong dier klinkers, maar zich uitsluitend richtte naar het verschil in uitspraak, dat
hier en daar, vooral in het Zuiden nog werd gehoord. De scherpe e's werden door
sommigen nog altijd meer als ei, de scherpe o's meer als ou uitgesproken: beenen
i
u
en boomen klonken dan ongeveer als be ne(n) en bo me(n). Coornhert schreef nu
b.v. met ééne e de woorden genegen, deze, redenen, en met twee: deelen, tweede,
eenig. Met één o: mogen, koning, Gode, met twee: geloovig, dooden, oogen.
Maar het verschil in uitspraak tusschen zachte en scherpe e's en o's was in geen
enkel dialect volkomen zuiver bewaard gebleven. En voor Coornhert, die geboortig
i
u
was uit Amsterdam, waar ook vele zachte e's en o's de uitspraak e en o hadden
aangenomen, was het onmogelijk, zijn systeem toe te passen, zonder een betrekkelijk
groot aantal fouten te maken. En zoo spelt hij dan b.v. veele, weeren, soms ook
spreecken met twee e's, zoonen, verhoolen, gebooren, wooning, van vooren, tooren
met twee o's.
Coornhert's wijze van doen vond navolging. O.a. bij Vondel. Maar dezen gelukte
het evenmin, de scherpe e's en o's nauwkeurig van de zachte te onderscheiden.
Ook bij hem heeft verdubbeling plaats, waar die om geen enkele reden te
rechtvaardigen is. Uit eenige weinige bladzijden, door Vondel in zijn bloeitijd
geschreven, teekende ik de volgende gevallen op, waarin een zachte e voor een
scherpe is aangezien: breecken, steecken, wreecken, weeten, spreecken,
gesmeeten, gekreeten, vergreepen, beneepen, heenen, meeten, weegen, vermeeten,
profeeten, vergeeten, gebleecken, weerelt, begreepen, beecken. En dubbele o's,
die enkele hadden moeten zijn in: koopen (het werkw.), boogen, kroonen, overgooten,
1)
beslooten, spooren, tooren, koomen, te vooren, kooren, vlooten, doolen .
Door Pieter Corneliszoon Hooft werd het bewuste onderscheid aanvankelijk ook
in acht genomen, zoo goed en zoo kwaad als het ging. Maar hij had er op den duur
geen vrede bij, voornamelijk niet waar het de o gold. In zijn levensbeschrijving van
Hendrik den Grooten schreef hij steeds ééne o op het einde eener lettergreep; op
die o's welke eenigszins naar ou zweemden (en dus veelal overeenkomen met de
scherpe) plaatste hij echter accenten.
Doch ook deze manier voldeed hem niet. En in de Nederlandsche Historiën zijn
de accenten verdwenen; maar thans verdubbelt Hooft - behoudens een enkele
uitzondering - alle heldere klinkers. Aavond schrijft hij met twee a's; deeze met twee
e's; zoomer met twee o's; uuren met twee u's.
1)
Vergelijk echter de vorige bladzijde, noot 2.
Taal en Letteren. Jaargang 2
206
Het is te betreuren dat deze methode niet algemeen werd gevolgd. Maar het
meerendeel onzer auteurs sloot zich aan bij Vondel, die zich met klem verklaarde
tegen de bedoelde ‘walgende verdubbelingen van klinckletteren’, volgens hem ‘een
1)
gansch ongerijmde en overtollige misspellinge’ .
e
In de 18 eeuw werd de kwestie der enkele en dubbele e en o in open lettergrepen
vooral door spraakkunstschrijvers behandeld.
Jacobus Nyloë in zijn Aanleiding tot de Nederduitsche taal (omstreeks 1700) keurt
de bewuste onderscheiding af; de invloedrijke Arnold Moonen verdedigt haar; Willem
Sewel wil alleen duidelijkheidshalve een dubbele e of o in een open lettergreep
toelaten: zoo spelt hij b.v. beeken met twee e's, om dit woord te onderscheiden van
bekèn; leeden, de verleden tijd van lijden met twee, leden het meervoud van lid met
één e. En volgens hetzelfde beginsel ook zaagen met twee a's als het meervoud
van zaag wordt bedoeld, met één a als vorm van het werkwoord zien. Zooals men
bespeurt is Sewel van den weg, die sedert de dagen van Coornhert al tastende
werd betreden, geheel afgedwaald.
De man, die eindelijk licht ontstak in de duisternis, was de groote taalkundige
Lambert ten Kate. In zijn Aenleiding tot de Kennisse van het Verheven Deel der
Nederduitsche Sprake (1723) toonde hij aan, dat de zachte en scherpe e's en o's
een verschillenden oorsprong hebben, en dat in verwante talen aan de zachte,
andere klinkers beantwoorden dan aan de scherpe. Ook gaf hij een lijst van woorden
met e's en o's, van welke hij, door vergelijking met Gotisch, Angelsaksisch,
Oudnoordsch en andere onde Germaansche talen bepaalde, of zij scherp dan wel
zacht waren.
Maar ook nu bleef in vele gevallen onzekerheid bestaan. In de eerste plaats was
er een niet gering aantal woorden, waarvan ten Kate de verwanten niet terugvond
in oudere talen, en in de tweede plaats scheen het hem meermalen toe, dat b.v. de
Gotische vorm in strijd was met de Angelsaksische en Oudduitsche.
Doch hoe dit wezen mocht, ten Kate had hun, die de zachte en scherpe e's en
o's in de spelling wilden onderscheiden, den weg aangewezen om althans in de
meeste gevallen tot zekerheid te komen. Niet de uitspraak in sommige dialecten
moest in de eerste plaats beslissen, maar de historische taalwetenschap.
Intusschen - zonder slag of stoot won ten Kate het pleit niet.
1)
Zie het Noodig Berecht achter den Lucifer. Zwolsche Herdrukken III/IV, blz. 102.
Taal en Letteren. Jaargang 2
207
Balthazar Huydecoper maakte ook wel verschil tusschen enkele en dubbele e's en
o's in open lettergrepen, maar hij grondde dat verschil geheel op de analogie. Zoo
schreef hij leezen en vroomen met het dubbele teeken, omdat wij dat ook bezigen
in lees en vroom. Maar tegen Huydecoper kwamen Frans van Lelyveld en Nicolaas
e
Hinlópen in verzet, zoodat onze taalkundigen in het laatst der 18 eeuw voor het
meerendeel in ten Kate's kielzog kwamen te varen.
Onze auteurs behielden zich over 't algemeen een groote mate van vrijheid voor.
e
Reeds voor het begin der 19 eeuw was in ons land een sterke neiging merkbaar
geworden, om tot eenheid te komen in de spelling en die op vasten grondslag te
regelen. Aanvankelijk was het de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen die zich met
de zaak bezighield; weldra ook de Bataafsche Maatschappij voor Taal en Dichtkunde.
In overleg met deze laatste droeg de agent voor nationale opvoeding van der Palm
in 1801 aan den hoogleeraar Siegenbeek op, een verhandeling over de spelling te
schrijven. Het stuk zou door gecommitteerden uit de drie departementen der
Bataafsche Maatschappij worden beoordeeld en na goedkeuring van wege de
Maatschappij in 't licht gezonden. Van der Palm zou vervolgens zooveel mogelijk
zorgen, dat de nieuwe spelregeling bij het onderwijs en in Staatsstukken werd
gevolgd.
Zoo ontstond de spelling van Siegenbeek, de oude spelling, die heerschte tot
1865 en toen na een hevigen doch betrekkelijk korten strijd door die van de Vries
en te Winkel werd verdrongen.
Siegenbeek had, wat de e en o betreft, de leer van ten Kate en ook die van
Moonen gehuldigd. Hij onderscheidde zachte en scherpe e's en o's, en liet zich
daarbij wel meermalen leiden door de historische taalwetenschap, maar óók zeer
dikwijls door de uitspraak in dialecten.
De Vries en te Winkel daarentegen lieten, bijna overal waar het mogelijk was, de
wetenschap uitspraak doen. Was de dialectische uitspraak met de afstamming van
het woord in strijd, dan besliste de laatste.
En toch - geheel consequent waren ook zij niet. Zij maakten, om een enkel
voorbeeld te noemen, een uitzondering voor achtervoegsels, waarbij zij zich richtten,
niet naar de afleiding, maar naar den klemtoon. Doch hierop zij slechts terloops
gewezen.
Stellen wij nu de vraag: ‘Is het nuttig, in gevallen als dat van de zacht- en
scherpheldere e en o tot vereenvoudiging over te gaan’, dan meen ik, dat het
antwoord niet anders dan bevestigend kan luiden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
208
In het Middelnederlandsch kende men het bewuste onderscheid in de schrijftaal
niet. Toen het werd ingevoerd, uithoofde van verschil in de uitspraak, geschiedde
het (uit wetenschappelijk oogpunt gezien) met tal van onregelmatigheden en
onjuistheden. Naarmate onze taalkennis vorderingen maakte, werd men in staat
gesteld die fouten te verbeteren. Maar dat deed men niet altijd; en zoo zijn er dan
ook nu nog vrij wat gevallen, waarin de wetenschap verklaart, dat wij toch eigenlijk
verkeerd spellen.
Intusschen is het verschil in uitspraak tusschen zacht- en scherpheldere e's en
o's meer en meer uitgewischt. Uit de beschaafde taal is het geheel verdwenen.
i
u
Geen welopgevoed man zegt be ne en bo me, of zelfs bō-ĕ-men. Zullen wij trachten,
het bewuste onderscheid in de uitspraak kunstmatig te herstellen? Het weer in te
voeren in de beschaafde spreektaal? Niemand, die dit in ernst kan bedoelen. Moet
dan een dialectische eigenaardigheid oorzaak zijn, dat aan alle Nederlanders een
overbodige last wordt opgelegd? Er zijn taalkundigen, die het willen. Maar ik kan
niet gelooven, dat op den duur hun wensch zal worden vervuld. Vooral niet, nu
onlangs door één hunner, hoogleeraar in de Nederlandsche taal en letterkunde,
werd erkend: ‘Dwaasheid zou het zeker zijn, in de spelling te willen behouden, wat
1)
uit de gesproken taal onherroepelijk verdwenen is’ .
Dwaasheid. Ja. Want hoe onnoodig is dat onderscheid tusschen enkele en dubbele
klinkers in opeu lettergrepen! Om dezelfde reden, waarom wij thans verdeelen en
rooken met twee, spreken en noten met één e en o schrijven, moesten wij eigenlijk
ook (de woorden zijn van L.A. te Winkel!) vader, zadel, uren met één, maar jaaren,
daaden, wij vuuren met twee a's en u's spellen!
Mocht iemand vreezen, dat er verwarring zou ontstaan, als b.v. toonen, aantoonen,
en tonen, klanken, op dezelfde wijze werden geschreven, dan wijs ik op gevallen
als baren, het meervoud van baar, golf; baren, het meervoud van baar, staaf; baren
het meervoud van baar, draagbaar; en baren het werkwoord. Vier verschillende
woorden, op een en dezelfde wijze gespeld.
En toch - wie werd er ooit door op een dwaalspoor gebracht?
Nog sterker voorbeeld hebben wij in het zelfstandig naamwoord post, dat
beteekenen kan: posterij, postwagen, postkantoor, postbode, postpapier, deurstijl,
schildwacht, standplaats van een schildwacht, last, artikel, ambt, bediening,
onderdeel eener begrooting, een plant en een visch.
1)
Dr. J. te Winkel, De Beoefening der Germanistiek enz. (1892), bladz. 31.
Taal en Letteren. Jaargang 2
209
En wanneer de ervaring nu leert, dat wij toch nooit in de verzoeking komen een
schildwacht aan te zien voor een deurstijl, of een visch voor een postbode, dan
schijnt mij het gevaar voor verwarring tusschen b.v. poten, planten, en pooten,
beenen, zeer onbeduidend toe, ook al schrijven wij de genoemde woorden op
dezelfde wijze.
Ik kan mij voorstellen, dat sommigen de opmerking maken: ‘Wij geven in 't algemeen
graag toe, dat er nu en dan wijzigingen in de spelling eener taal moeten worden
aangebracht. Maar het is nauwelijks 25 jaar geleden, dat onze spelling werd herzien,
en dat door een paar geleerden van grooten naam.
Laten wij dus niet te voorbarig wezen!’
Schoon wij in bewondering voor de taalkennis van L.A. te Winkel en prof. de Vries
voor niemand willen onderdoen, valt tegen de geopperde bedenking heel wat in 't
midden te brengen.
Wat wij de tegenwoordige spelregeling ten laste leggen, is in hoofdzaak, dat zij
voor het groote publiek te moeilijk, te weiuig praktisch is. Welnu - de Vries en te
Wiukel hebben niet bedoeld, dat zij in de eerste plaats praktisch wezen zou voor
het groote publiek. Hun systeem is ontworpen niet met het oog op het Nederlandsche
volk, maar met het oog op een te schrijven wetenschappelijk werk, het groote
Woordenboek der Nederlandsche taal.
Wat hier volgt zijn de eigen woorden van de Vries, geschreven in November 1865:
‘De regeling der spelling voor het Nederlandsch Woordenboek, die onlangs door
ons tot stand werd gebracht, heeft bij onze taalgenooten in Noord en Zuid een
gunstiger onthaal gevonden dan wij hadden durven vermoeden. Terwijl wij
aauvankelijk geene andere bedoeling hadden dan de schrijfwijze vast te stellen, die
in het Woordenboek zou worden gevolgd, is het ons weldra gebleken, dat de
herziening onzer orthographie ook in ruimeren kring haren invloed zou doen
gevoelen.’
De punten, waarop thans vereenvoudiging wordt gewenscht, hebben vóór 1865
ook reeds menige verzuchting doen slaken.
Toen Siegenbeek b.v. de onderscheiding tusschen zacht- en scherpheldere e's
en o's in zijn spellingstelsel opnam, verklaarde de dichter Staring dat hij het bewuste
verschil vrij spitsvondig en tamelijk overtollig vond, daar het toch in de beschaafde
uitspraak niet meer hoorbaar is. De hoogleeraar Lulofs, die deze uitspraak meedeelt,
voegt er aan toe:
‘Nu, deze bedenking is meer gemaakt en ook niet gemakkelijk te
Taal en Letteren. Jaargang 2
210
weerleggen. De beroemde Jakob Grimm vindt in dat opzicht onze spelling.... ook
1)
wel wat te geleerd’ .
Toen ook door de Vries en te Winkel het onderscheid tusschen enkele en dubbele
e en o in open lettergrepen werd gehandhaafd, verwekte dit bij velen teleurstelling.
De Belgische leeraar van Driessche bejammerde het, dat de ‘voortaan gansch
doellooze moeilijkheid der zachtlange en scherplange e's en o's (niet) uit onze
2)
spelling was gebannen’ ; en Beckering Vinckers, die de kwestie beter dan iemand
anders had bestudeerd, schreef:
‘Alles wel beschouwd, blijft het onderscheiden der zachte en scherpe e en o in
onze spelling in vele opzigten een kansrekening, een struikelblok voor geleerden
en ongeleerden, een linguistische troetelpop, een soort “enfant terrible”, waarmeê
geleerd en ongeleerd ontzettend veel te stellen hebben, en waarvan we in 't eind
nog weinig pleizier beleven; ja dat, vrees ik, ten langeleste wegens al den last, dien
het den lande berokkent, voor goed zal worden aan den dijk gejaagd. Hadden de
Ontwerpers [de Vries en te Winkel] in dezen de stoute schoenen aangetrokken en
tot regel gesteld, dat voortaan de e en o voor één tusschenletter evenmin zullen
worden verdubbeld als de a en de u, ze zouden wellicht hunne wetenschappelijke
conscientie eenige wroeging, maar aan het spellend Nederland een groot gemak
hebben bezorgd en gewerkt in den geest des tijds, die wil vereenvoudigen en al
3)
wat afgeleefd is ten grave dragen’ .
Amsterdam.
R.A. KOLLEWIJN.
Sprokkel.
Slordervos, slordevos, sloddervos.
De etymologie van deze samenstelling vindt men noch bij Franck noch bij Vercoullie.
Onwillekeurig denkt men aan verwantschap met slordig. Ik vraag: is Sloddervos wel
iets anders dan een verbastering van het niet meer begrepen slodderboks(e) (Hgd.
Schlotterhosen), Oostfriesch sludder-büksen, Westfaalsch sluederbükse. Slodderen
is ‘slap, verflenst zijn, slap hangen, flodderen’; bokse (vgl. b.v. Coster, Tysken v.d.
Schilden, vs. 828) is in Friesland en in de Oostelijke provinciën ook nu nog bekend
voor broek. In de plaats van sloddervos hoort men soms ook slodderfoks (met o als
in trok). De vormen slordevos en slordervos zijn stellig onder den invloed van slordig
ontstaan.
R.A.K.
1)
2)
3)
Mr. A.C.W. Staring door B.H. Lulofs. (Arnhem 1843), blz. 201 en 202.
Critisch Overzicht der Ned. Spelling. Blz. 14.
Een Ortographische E-legie (Kampen, 1864), bladz. X, noot.
Taal en Letteren. Jaargang 2
211
1)
Potgieters liedekens van Bontekoe.
‘In 't Jaer ons Heeren 1618 den 28 December ben ik, Willem Ysbrantsz. Bontekoe
van Hoorn, Tessel uitghevaren, voor Schipper, met het Schip genaemt Nieuw-Hoorn,
gemant met 206 eters, groot ontrent 550 Lasten, met een Oostenwindt.’ Zoo begint
het even trouwhartig als treffend relaas van de lotgevallen des mans, die de held
is van het verhaal, door Potgieter met zijne Liedekens doorvlochten. Zeker zijn er
onder de oude reisverhalen, die voor de geschiedenis van ons zeewezen en onzen
handel veel meer belang hebben, dan Bontekoe's reis, maar zeker ook is er geen
geweest, dat eene zoo groote populariteit heeft genoten. Tegen het einde der
achttiende eeuw nog roept Martha de Harde vol verontwaardiging nicht Alida toe:
‘Jy hoeft myn Man geen Boeken te koopen; myn Man heeft jou Boeken niet noodig;
myn Man heeft zelfs wel Boeken en Bontekoe's reizen ook, allemaal.’ En hoe het
verhaal van Bontekoe's omzwervingen al dadelijk na zijne verschijning in den smaak
van 't publiek viel, blijkt duidelijk uit de klacht van den rechtmatigen uitgever, voor
de editie van 1648, dat het boekske, nauwelijks verschenen, reeds op twee plaatsen,
Utrecht en Rotterdam, was nagedrukt. Niet dat de schrijver zich ten doel had gesteld
een litterarisch kunstwerk te scheppen, integendeel, slechts met moeite wist de
uitgever den eenvoudigen man over te halen, zijn verhaal het licht te doen zien,
maar de ‘slechtrechte’ zeeman had zooveel wonderbaars beleefd en zijne
kunstelooze aanteekeningen tuigden van zulk een innemend karakter, dat het niet
anders kon, of onze voorvaderen moesten door het verhaal zijner lotgevallen
meegesleept, door de bewijzen van zijne kloekheid en eenvoud, van zijne vroomheid
en nederigheid telkens op nieuw aangetrokken worden.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat Potgieter, die zoo gaarne in
e
den geest verwijlde bij de wakkere handels- en varenslui der 17 eeuw, door de
lectuur van Bontekoe's reis uitgelokt werd, om
1)
De tekst komt o.a. voor in Een bundel liederen en gedichten van E.J. Potgieter, door Joh. C.
Zimmerman. Haarlem, H.D. Tjeenk Willink. Prijs f 0.75.
Taal en Letteren. Jaargang 2
212
de herinnering aan dezen voortreffelijken zeeman bij zijne tijdgenooten te
verlevendigen. Hij deed dit echter op eene zeer eigenaardige wijze. Van de
verschillende episoden der reis, die van 1618 tot 1625 duurde, koos hij de meest
beroemde: het in brand vliegen der Nieuw-Hoorn en de lotgevallen van Bontekoe
en zijne makkers, die daarmede onmiddellijk samenhingen: de omzwervingen in
den Indischen Oceaan en hetgeen hun na hunne landing op de kust van Sumatra
weervoer. Hoofdonderwerp is Bontekoe's terugkeer uit een inlandsch dorp naar het
zeestrand, waar de boot was achtergebleven. Hoe hachelijk intusschen de toestand
van Bontekoe op dien tocht was, niet dit had in de eerste plaats des dichters
belangstelling gewekt: hem had vooral de wijze getroffen, waarop de Hoornsman
in zijn' doodsangst de moordzucht der beide roeiers wist af te leiden; deze bood
hem de welkome gelegenheid, om een tiental liedekens, uiteenloopend van vorm
en inhoud, als tot één snoer te verbinden. Terecht gaf dan ook de dichter bij de
afzonderlijke uitgave aan dat geheel den titel van Liedekens van Bontekoe. Elke
andere zou onjuist geweest zijn. Een welafgerond deel van het reisverhaal in
dichterlijken vorm zijn de Liedekens niet. Ware het Potgieters doel geweest, dit te
geven, dan zou hij ons ook het vervolg van den tocht der zwervelingen niet onthouden
hebben. Want met de landing op Sumatra's westkust waren de beproevingen voor
de schepelingen niet voorbij. Zij moesten weder zee kiezen en bleven zij ook, zooveel
mogelijk, de kust houden, hun leven konden zij eerst gered rekenen, toen zij na het
passeeren van straat Sunda de vloot van Frederick Houtman ontmoetten, die hen
liefderijk opnam en hun gelegenheid gaf te Batavia de hulp in te roepen van den
Gouverneur-Generaal Jan Pieterz. Koen. Er komt juist in dit gedeelte van het
reisverhaal eene plaats voor, te kenmerkend voor het karakter van Bontekoe, om
die den lezers van dit opstel te onthouden. De zwervers waren bij de Prinsen-eilanden
gekomen, zonder echter precies te weten, waar zij zich bevonden. Zij gingen aan
land, in de hoop geene menschen te ontmoeten, maar wel het een en ander te
vinden, dat hun tot spijze en drank zou kunnen strekken. Terwijl nu zijn volk het
eiland doorkruiste, besteeg Bontekoe een' berg, den hoogsten, dien hij voor zich
zag. Wat hij daar deed, verhale hij zelf.
‘(Ick) sach om ende wederom, wesende heel bedroeft en moeyelijck in mijn geest,
doordien dat het (soo mij dochte) meest op my aan quam, om de wegh te vinden,
en dewijl ick noyt in Oostindien geweest was, noch geen Stiermans gereetschap
hebbende, principael geen Compas, als verhaelt is, zoo wist ick niet, wat my beter
te doen stondt, als my op den Heere te verlaten,
Taal en Letteren. Jaargang 2
213
want myn raedt was ick dickwils ten enden, alsoock doe, viel daerom op myn kniejen
neder, en badt de Heere, hem smeeckende, dewijl hy my tot hiertoe hadde geredt
en bewaert onder syn genadige vleugelen en verlost uit vyer en water, van honger
en dorst, en van de quade menschen, dat het sijn Vaderlycke goedtheyt doch soude
gelieven my vorder te bewaren en my de oogen des verstants open te doen, om
den rechten wegh te vinden, opdat wy wederom by onze natie en vrienden mochten
komen, ja met diep versuchten bad' ick: ô Heere, wyst ons de wegh en geleyt my;
Doch oft uwe wysheyt voor goet en best insagh, my niet in salva (behouden) by
onze Natie te brengen, soo laet doch (ist u Goddelijcke wil) eenighe van 't volck
terecht komen, opdat men weten mach, hoe dattet met ons en het Schip gegaen
is. En aldus met Godt gesproocken hebbende, stont ick op, om weder af te gaen,
en sloeg myn ooghen als voor, om en wederom, aen allen oorden uyt en siet, ick
sagh aen myn rechterhand uyt, dat de Wolcken van het lant dreven, waer door het
in de kimmen klaer wierdt en sagh doe stracx twee hooge blauwe Bergen leggen
en my schoot datelyck in 't zin, dat ick tot Hoorn van Willem Cornelisz. Schouten
wel hadde hooren seggen (die wel 2 à 3mael in Oost-Indiën geweest was), dat op
de hoeck van Java twee hooghe blauwe Bergen lagen, en wij waren bij Sumatra
langs gekomen, 't welck aen de slincker-handt lagh, en deze sagh ick aan de
rechter-hant, ende in 't midden was een glop, daer ick geen Landt sien kond', en
ick wiste dat de Straet van Sunda, tusschen Java en Sumatra inliep, beelde mij
derhalven vastelyck in, dat wy wel te weegh waren, en liep doe alsoo verblydt weder
van den Bergh af, na de Koopman, en vertelden hem, dat ick sulcke Twee Bergen
gezien hadde.’
Wij kunnen ons levendig voorstellen, dat deze oogenblikken, door Bontekoe op den
bergtop van het Prinsenland doorgebracht, voor hem onvergetelijk waren. Doch ook
de lezer van zijn reisverhaal zoude de boven aangehaalde volzinnen, hoe lang van
adem ook, niet gaarne missen. De bekentenis dier echt menschelijke
kleinmoedigheid, straks in kinderlijk vertrouwen op God verkeerd en door kloek
nadenken en handelen gevolgd, zij neemt ons evenzeer voor Bontekoe in, als zijne
vroomheid en wakkerheid onzen eerbied afdwingen. Moesten wij dan ook aannemen,
dat Potgieter ons in de eerste plaats Bontekoe in zijne omzwervingen had willen
laten zien, wij zouden geene verklaring weten voor het verzuim, ons zijn held in
deze treffende oogenblikken te teekenen, eerst mismoedig neer-, dan geloovig open daarna wakker rondziende. Maar Potgieter zelf leert het ons door zijn titel:
Bontekoe's avontuur vormt alleen de lijst, die de verschillende tafereeltjes, in de
Liedekens geschetst, bijeenhoudt en het ware onbillijk en onverstandig, indien wij
van den dichter iets anders wenschten, dan hij ons heeft willen geven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
214
Intusschen ook die lijst is de moeite der beschouwing dubbel waard en nu wij
eenmaal vrede hebben met de omstandigheid, dat naar de fransche woordspeling,
de ‘tekst’ hier min of meer een ‘prétexte’ is, willen wij dien tekst zoowel als het
onderwerp zelf in bijzonderheden nagaan, ten einde daarna te komen tot eene, naar
wij hopen, juiste waardeering van des dichters arbeid. Daartoe is het wenschelijk,
dat wij aan de hand van het journaal de voornaamste bijzonderheden van Bontekoe's
en
reis in herinnering brengen. Het was op den 19 November 1619, nadat de
Nieuw-Hoorn dus reeds bijna een jaar, onder afwisselenden voor- en tegenspoed,
onder weg was geweest, dat de schepelingen op de hoogte van straat Sunda waren
gekomen. Daar had het ongeval plaats, dat zulke noodlottige gevolgen had. De
botteliersmaat had zijn vaatje volgepompt met brandewijn uit een grooter vat, dat
in het ruim stond. Daarbij had hij gebruik gemaakt van het licht eener kaars, die hij
op een wat hooger gelegen vat had gestoken. Bij het uittrekken van den steker viel
er ‘een neus’, of zooals men in B's tijd nog zeide ‘een dief’ van de kaars in de spon
van het vat, dat open stond. Onmiddellijk daarop begon de brandewijn te
ontvlammen, het brandende vocht vloog het vat uit, de bodems borsten en de
brandewijn verspreidde zich tusschen de kolen, die mede in 't ruim lagen. Alle
pogingen, om den brand te blusschen, bleken vergeefsch. Een deel der wanhopige
manschap liet zich ter sluik in zee vallen en zwom naar de groote boot en de schuit,
die beide uitgezet waren. Ook de koopman klom bij de valreep neer en kwam zoo
in de boot. Maar Bontekoe bleef met het grootste deel der bemanning wakker stand
houden, om den brand te dooven. Helaas, zonder gevolg. Eerst werden de olievaten
aangetast en daarna, hoeveel men er ook van over boord had gesmeten, het buskruit.
Toen vloog het schip met een' geweldigen knal in de lucht.
‘En ick, Willem Ysbrantsz. Bontekoe, doe ter tydt Schipper, vloogh mede in de lucht,
wiste niet beter of ick most daermede sterven, ick stack myn handen en armen na
den Hemel, en riep: daer vaer ick heen, o Heer! weest my arme sondaer genadigh.
Meende daermede myn eynde te hebben; Doch hadde evenwel in 't opvliegen mijn
volle verstant, en bemerckte een licht in mijn herte, dat noch met eenige vrolijckheyt
vermenght was, zoo 't scheen, en quam alsoo wederom neer in 't Water, manck
(tusschen) de stucken en borden van 't Schip, dat heel aan stucken was. In 't Water
leggende, kreegh ick sulcke nieuwe couragie, gelijck of ick een nieuw Mensche
hadde geweest; toe siende soo lagh de groote Mast aan mijn eene zyd' en de
Fockemast aen myn ander zyd', ick klom op de groote Mast, en gingh daer op
Taal en Letteren. Jaargang 2
215
leggen en sagh het werck eens over en seyd: o Godt! Hoe is dit schoone Schip
vergaen, gelyck Sodoma en Gomorra.’
Met de hulp van een' jonkman, die onbeschadigd neergekomen en den kop van
den ronddrijvenden steven had gegrepen, wist de aan 't hoofd en den rug zwaar
gewonde Bontekoe mede op dit stuk van het wrak te klimmen. Gelukkig zagen de
beide geredden, eer de zon nog geheel ondergegaan was, de boot en de schuit in
hunne nabijheid; hun roepen werd opgemerkt en weldra waren zij in de boot
opgenomen.
Nu zwierven de schepelingen 13 dagen lang, zonder kaart, kompas of graadboog
op den oceaan rond. De zeilen waren op het schip achtergebleven: om hunne
krachten niet uit te putten met roeien, werden op raad van Bontekoe de hemden
uitgetrokken en tot noodzeilen aaneengenaaid. Voedsel was er bijna niet: 7 of 8
pond brood voor 72 man. Als een geschenk des hemels beschouwden de
ongelukkigen eenige meeuwen, die op de booten neerstreken. En niet minder
dankbaar waren zij voor een zwerm vliegende visschen, zoo groot als spieringen,
die eenige dagen later in de boot vlogen. Toch begon de honger steeds feller te
nijpen. Reeds werd er gemompeld, dat men de jongens zou slachten en daarna het
lot werpen, wie der anderen hunnen makkers tot spijs zouden strekken. Nog drie
dagen - zooveel kreeg B. van hen gedaan - zou men wachten; werd er binnen dien
tijd geen land ontdekt, dan zou het vreeselijk voornemen uitgevoerd worden. ‘Ick
vermaende’, zegt Bontekoe, ‘het volck met soo veel troostelycke reden als ick op
die tydt konde bybrengen, seyde, datse doch goedts moedts souden wesen, dat de
Heer het versien soude, doch was self kleynmoedigh, s o u d e e e n a n d e r
troosten, en behoefde self wel getroost te worden, sprack
m e n i g h w o o r d t b o v e n ' t h e r t ; verdroegen en leden alsoo met malkander,
dat wy soo moe en mat wierden, dat wy qualyck de macht hadden op te staen.’
en
Daar kwam eindelijk redding. Den 2 December, toen de lucht begon op te klaren,
riep de man, die aan het roer stond: ‘Land, land!’ Het bleek een eiland, dicht bij de
kust van Sumatra gelegen. Een paar dagen later gelukte het den schepelingen op
dit eiland zelf te landen en konden zij zich te goed doen aan rijst en hoenders, door
hen van de inboorlingen gekocht. Hoe dezen echter jegens de blanke vreemdelingen
gezind waren, zou hun spoedig blijken. Reeds dadelijk na hunne landing hadden
zij teekenen van vijandige gezindheid bij hen meenen te bespeuren en de volgende
dag bewees maar al te duidelijk, hoe veel grond er was tot beduchtheid. Bontekoe
voer toen met vier der matrozen
Taal en Letteren. Jaargang 2
216
in een prauwtje de rivier op naar het dorp, ten einde levensmiddelen op te doen.
Rijst en hoenders werden gekocht en naar de boot gezonden. Voor een' buffel werd
5½ reaal betaald, maar het beest zelf was zoo wild, dat men het niet kon machtig
worden. Toen het, na vele vergeefsche pogingen, naar den avond begon te loopen,
wilde Bontekoe naar de boot terugkeeren. Zijne makkers verzochten hem echter te
mogen blijven; zij wilden zich des nachts, als de buffel rustte, van het dier meester
maken. Op hun herhaald aandringen gaf Bontekoe zijne toestemming, zeer ongaarne
echter, daar hij vreesde voor het leven der ongewapende matrozen. Toch was dit
achterblijven der vier matrozen naar alle waarschijnlijkheid Bontekoe's behoud.
Want terwijl de inboorlingen hem eerst niet hadden willen laten vertrekken, rekenden
zij er nu op, dat hij den volgenden dag, zooals hij ook beloofde, met al zijne
manschappen terug zou komen. Dan zouden zij dus nog alle gelegenheid hebben,
aan de vreemdelingen hunnen moordlust te koelen. Want dat zij inderdaad
bloeddorstige voornemens hadden, bewezen zij den volgenden dag, toen zij ten
getale van 2 à 300 onverhoeds de schepelingen aanvielen en er met hunne spiesen
een twaalftal doodden. De overigen wisten het echter in de boot te ontkomen en
waren, door den opkomenden landwind geholpen, weldra in volle zee. Toen begon
het slot der omzwerving, waarvan wij hierboven melding maakten.
Nog eene opmerking moeten wij maken, alvorens met onze aanteekeningen bij
het dichtstuk te beginnen. In Bontekoe's journaal komt niets voor van hetgeen
Potgieter verhaalt omtrent een' beraamden aanval van vijanden der bewoners van
het bewuste dorp. Of deze bijzonderheid voorkwam in de editie van Bontekoe's reis,
waarvan de dichter zich bediende? Wij twijfelen er sterk aan, wanneer wij zien, dat
ook in de aanhaling voor de Liedekens van zulk een' aanval wordt gezwegen, terwijl
toch aan het slot vermeld wordt, dat het volk den Schipper zag en dadelijk, de rivier
langs, naar hem toekwam. Toen was dat plan van aanval dus reeds opgegeven.
Aanteekeningen.
vs. 1. Sumatra dreef in vloeiend goud. Meermalen wordt het licht voorgesteld als
eene vloeistof, die de beschenen oppervlakte overdekt. Men spreekt van een' stroom,
eene zee van licht, zich baden in licht, de zon giet haar licht uit over de aarde, enz.
Zoo wordt hier Sumatra
Taal en Letteren. Jaargang 2
217
geschilderd als geheel door het schitterende zonnelicht overdekt. Wegens de kleur
wordt dat licht nu als een stroom van goud opgevat.
vs. 2. heerschers: vorsten wegens hunne grootte. De kamferboom is een hooge,
sierlijke, lindeachtige boom, terwijl de peperstruik slechts een heester is. Aaugaande
het oobarhout vonden wij vermeld: ‘Oebar of Sapi-oebar is eene roode houtsoort,
die evenals de wortel door de inlanders (van Sumatra) gebruikt wordt tot het tanen
1)
der vischnetten’ . De zonnestralen schenen dus van de hoogste toppen, over de
lagere, te glijden naar hetgeen zich aan den voet van 't woud bevond: de beek en
het mos.
vs. 7. den lichtvorst. De zon is in de poëzie meermalen m. Het is de
Phoebus-Apollo der Grieken, die 's avonds in den schoot der baren duikt of, naar
Potgieters voorstelling, der zee in de armen zinkt. Zoo wordt de oceaan eene bruid
en het ruischen der golven de verliefde zuchten der wachtende.
vs. 9. gedwee: onderworpen, gehoorzaam. Of hier de dwang van het rijm in het
spel is? De bruid wacht haren bruidegom met open armen, met verlangen. Maar
die toestand heet niet ‘gedweeheid.’
vs. 17. 't roode hol, dat door de stralen der ondergaande zon rood gekleurd was.
bronstig: minziek, geneigd tot paren; vgl. bronsttijd: paartijd. Het woord is van bronst,
dat etymologisch met branden samenhangt en dan ook oorspronkelijk ‘brand, gloed’
beteekent. Men lette op het min edele lief tegenover het voorname gemalinne in vs.
20.
vs. 19. van drift gewiekte voeten; 't is of zijne voeten vleugels aangeschoten
hebben, zoo vlug loopt het anders logge dier. Potgieter onderscheidt drift en tocht:
het eerste is de louter zinnelijke, het laatste de geestelijke zijde der liefde. In het
Rijksmuseum zegt hij, sprekende over een portret van Cats: ‘Een blik op de schilderij
voor ons, en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift dan
van tocht had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht, welke voor
iets hoogers dan instinct past.’
vs. 21. liefdespellen. Het Middelned. kende reeds in deze beteekenis het woord
minnespel. Is spelen naar het tegenwoordig taalgebruik niet juister dan spellen?
vs. 22. des echts: in den avondstond paart zich de dag aan, vereenigt hij zich met
den nacht.
vs. 23. voedde: koesterde; vgl. verwachting, hoop, wrok, haat, nijd, voeden en
koesteren. De beeldspraak is ontleend aan de moeder, die het kind, welks leven
haar dierbaar is, beurtelings voedt en koestert. Hoe laat zich nu echter de uitdrukking:
vrees voeden, koesteren verklaren? Men denke ook aan het verschil tusschen driften
in dezen en drift in regel 19.
1)
Miquel, Flora van Ned. Indië. Sumatra, p. 101.
Taal en Letteren. Jaargang 2
218
vs. 26. schiften: de beschaduwde plekken scheidden zich door hare donkerder kleur
(donkerblauw) af van de lichtere (vonklend goud). Schiften, intr. ‘zich scheiden’; de
melk schift: het vastere deel scheidt zich (van het vloeibare) af; schiften, trans.
‘uitzoeken, sorteeren’, dat ook bestaat in het afscheiden van het betere of slechtere.
vs. 28. verkeeren: veranderen, wordt in deze bet. zoowel trans. als intr. gebruikt;
prauw, algemeene benaming voor alle inlandsche roei- en zeilvaartuigen, Veth, Uit
Oost en West, 288; hier was 't maar een prauwtje. Wanneer noemt men een vaartuig
rank? En wat is het verschil tusschen eene ranke en eene slanke gestalte? Ruw:
met gebrekkig gereedschap gemaakt; daardoor slecht afgewerkt.
vs. 29. vast, hier ‘al’, zooals wij dit gebruiken in al sneller, al beter. Potgieter
gebruikt het, behalve in de bet. ‘stellig, zeker’, ook dikwijls in die van ‘reeds’, waarover
men ook hoort alvast. Nu liggen al en reeds ook vlak naast elkander: ik kom al en
ik kom reeds. Zoo kon vast dus gemakkelijk de beteekenis van al bekomen.
vs. 30. den haat, den dood, bep. van omst. in den acc. De haat in de harten der
inlanders wordt een medepassagier; dreef die haat hen tot een' moord, dan zou ook
de dood met hen varen.
vs. 31. mogt. Waarom niet: droeg ze? Omdat we in onze verbeelding de prauw
eerst zien naderen en de mannen, die zich daarin bevinden, niet dadelijk kunnen
onderscheiden. Naar het scheen, droeg ze een drietal mannen.
vs. 34. kris: dolk, ponjaard, Veth, Uit Oost en West, 338.
vs. 39. anteloop, gewoonlijk antilope.
vs. 40. schalk, als bijw. Van ouds werd dit woord in dezen vorm als zelfstnw., als
bijvnw. en als bijw. gebruikt. Later maakte men van het subst. schalk het bijvnw.
schalksch en het bijw. schalks. De laatste vorm heeft niet de minste reden van
bestaan; men kan van een' persoonsnaam wel een adj. maken door middel van
-sch: boersch, kindsch, slaafsch en deze woorden weer als bijw. gebruiken: Hij gaat
boersch gekleed, maar dan verliest het woord de ch daarom niet.
vs. 44. gaaiken voor gadeken: de wijfjesvogel. De casuarissen maakten zich dus
mooi, door het water op de veeren te doen spatten. Dit laatste doen schuimen te
noemen is wel wat sterk. Toch bestaat schuim ook uit waterbellen. Men make voor
zich zelven 't verschil duidelijk tusschen: kleeding, kleedij, gewaad, dos.
vs. 46. die school in 't loof, zooals de antilopen; dook in 't nat, zooals de
casuarissen.
vs. 52. Wèl mogt hij (dat doen); mogen: ‘reden hebben tot.’
vs. 53. de oostewind. De westenwind belette op onze kusten den schepen het
uitvaren. Vgl. Bogaers in Heemskerks Tocht: ‘Lang sperde 't bulderend noordwest
de monden toe van 's lands rivieren.’
Taal en Letteren. Jaargang 2
219
vs. 54. zich grootsch verbreedde: ‘zich trotsch uitbreidde, uitwoei.’ Vgl. Potgieter,
Bronbeek: ‘o Bronbeek, dat op 't groen tapeet... den witten gevel ginds verbreedt.’
vs. 55. geslaakt: ‘losgemaakt of gelaten.’ Men slaakt den gevangene, maar ook
de boeien. In fig. zin: een' zucht, een' kreet slaken: ze schijnen plotseling los te
schieten en naar buiten te komen. De boei is hier het anker; de gevangene wordt
losgemaakt uit de boeien.
vs. 57. ten kamp dagen: ‘ten strijde oproepen.’ Dagen, eig. ‘dag worden’ bet. intr.
‘zichtbaar worden, verschijnen’, vgl. opdagen, maar trans., daar dag vanouds ook
gold in den zin van ‘bepaalde dag, waarop een strijd, eene rechtszaak gevoerd
werd’: ‘oproepen’; vgl. uitdagen (ten strijde) en indagen: ‘voor eene rechtbank
roepen.’
vs. 59. te roer, oudere vorm voor ‘aan het roer.’ Men denke aan Huygens'
Scheepspraet: ‘'k Heb zoo lang... te roer estaen.’
vs. 64. had omgewend, nl. het roer. Dergelijke ww. blijven trans.; het voorwerp
wordt eenvoudig weggelaten als genoegzaam bekend. Vgl. Ik verkoop 's zondags
niet, het eerste uur lezen de kinderen, enz.
vs. 67. ootmoed. Men lette op het verschil tusschen ootmoed en deemoed; het
eerste is een synoniem van ‘schuldbesef’, het laatste van ‘nederigheid,
onderworpenheid.’
vs. 70. het laaije vaartuig uitgeslagen (zijnde), d.i. ‘toen hij..... uitgeslagen was.’
Potgieter veroorlooft zich hier de vrijheid, in dezen beknopten zin, het onderwerp
hij te leggen, ofschoon dit in den hoofdzin in den acc. (hem) voorkomt. Slaan, intr.
is ‘eene snelle beweging maken, in welke richting ook: hij sloeg het raam uit, hij
sloeg op den grond, de vlam sloeg het dak uit, zij sloegen op de vlucht. Laai, eig.
‘vlam, gloed’ is hier, zooals in lichte laaie vlam, als adj. gebruikt en bet. dus
‘brandend.’
vs. 74. het duidt hier de werking dragen aan.
vs. 75. eerbieden: ‘eerbiedigen.’ Is deze ook bij Bogaers voorkomende vorm af
te keuren? Hij zweeg werkzaam stil: niet morrende tegen Gods beschikking, bleef
hij toch op zelfbehoud bedacht.
vs. 76. ingenomen: ‘opgenomen (in de boot).’ Men lette weder op den zeer vrijen
bouw van den zin: Nadat hij 's avonds was ingenomen; terwijl dit hij in den hoofdzin
in 't geheel niet voorkomt.
vs. 78. hulk, hier ‘de boot.’ Het was in de middeleeuwen de benaming van een
groot en breed koopvaardijschip. Thans komt het alleen in de dichterlijke taal,
gewoonlijk in overdrachtelijken zin voor: de hulk van staat, Levenshulkje, steek in
zee (Tollens), enz.
vs. 79. naald: de kompasnaald, voor: het kompas.
vs. 80. der luimen van de baren veil. Bij P. heeft het lidw. in den dat. vr. mv. den
vorm der. De bet. van den zin is dus: ‘zij dreef den luimen der baren ter beschikking’,
d.i. ter beschikking van de luimen
Taal en Letteren. Jaargang 2
220
der baren. Veil bet. eerst te koop (vandaar het ww. veilen, lett. ‘te koop hebben’) en
daardoor: ‘verkrijgbaar, beschikbaar.’ Hij heeft zijn' tijd, zijn vermogen, zijn leven
veil voor, ‘beschikbaar voor.’
vs. 81. 't sprietjen: ‘de dunne mast’; de veege schuit: veeg is ‘stervende, op 't punt
zijnde van te sterven’, hier: ‘van te vergaan.’ Ter wille der eenvoudigheid van
voorstelling maakt P. hier van de beide vaartuigen er één, dat hij beurtelings boot
en schuit noemt.
vs. 83. 't noodzeil; zie het verhaal hiervóór.
vs. 87. 't morgengloren. Gloor is ‘gloed’ of ‘glans.’ Hier dus het gloeien van den
morgen, d.i. van den oostelijken hemel in den morgen.
vs. 89 niet dan: ‘alleen, slechts.’ De kreet: honger! werd alleen gestild door den
kreet: dorst! Klaagden dus de schepelingen niet over honger, dan deden ze het over
dorst.
vs. 92. hun, pers. vnw.: hij had woord gehouden jegens hen, door hen op deze
reê te brengen.
vs. 93. gruwbaar. In proza is alleen de vorm gruwelijk in gebruik. Men merke op,
dat dichters, om den wille der maat, zich meermalen van -baar in plaats van -lijk
bedienen: bedriegbaar, bekoorbaar, verwelkbaar, enz., omdat -bare tot -bre kan
worden samengetrokken. Voor de vorming van gruwelijk wete men, dat het subst.
1)
gruw eertijds beteekende: ‘afgrijzen’ en ook ‘iets, dat afgrijzen verwekt’ ; gruwelijk
beteekent dus eigenlijk: ‘op de wijze van iets, dat afgrijzen verwekt,’ terwijl gruwbaar
zou beteekenen: ‘afgrijzen met zich brengende.’ Dit laatste woord is dus ook
volkomen regelmatig gevormd.
vs. 102. den buffel, dat.: aan, op den buffel. De poëzie maakt een veel ruimer
gebruik van den dat., dan het proza.
vs. 106. mogt hij hen bezweren; mogen is hier hulpww. van de wijze; het geeft
aan den zin het karakter eener toegeving: al bezwoer hij hen, bezwoer hij hen ook.
Bezweren is eig.: eene formule uitspreken over iemand of iets, waardoor men den
persoon of de zaak in zijne macht krijgt, aan zijn' wil onderwerpt; vgl. slangen,
stormen bezweren, enz. In eenigszins zwakker beteekenis is het: ‘door ernstig,
smeekend dringen trachten iemand tot iets over te halen.’
vs. 113. wijlen: ‘toeven.’
vs. 114. De weglating van het lidw. een is hier niet goed te keuren. Wel is de
Bombax een wondre: ‘wonderbare’ boom: hij heeft een' scheeven stam, die de
reusachtige hoogte van 30 Meter kan bereiken en eene dikte van 2 Meter, terwijl
de blaren kolossale schermen vormen.
vs. 117. balsemluchten: balsem is eene welriekende vloeistof, die ter genezing
in wonden gegoten wordt, of eene zalf, die voor bederf bewaart. De lucht van
Sumatra doet, in tegenstelling met de gure luchten van
1)
Zie Mndl. Wdb.
Taal en Letteren. Jaargang 2
221
het noorden, den mensch aangenaam, weldadig aan, ofschoon er ook
sneeuwvlokken schijnen neer te dalen. Maar dit zijn de bloesems van den Bombax.
Eigenlijk niet deze, maar de zijdeachtige elastische wol, die de zaden omgeeft en
bij het losgaan der zaaddoozen naar beneden valt.
vs. 119. verzuchten; niet geheel hetzelfde als zuchten. Wie verzucht uit zuchtende
een' wensch, een verlangen, eene klacht. Vgl. ook het subst. verzuchting.
vs. 123. zijn wenken wachten: op zijne wenken wachten, letten, ten einde dadelijk
de bevelen te kunnen uitvoeren. Deze acc staat hier voor een' vroegeren genitief;
wenken is dus oorspronkelijk het oorz. vw.
vs. 125. geblaakt: ‘in gloed ontstoken.’ Blaken komt in den lett. zin van branden
weinig voor; hier is het trans., dus: ‘doen branden, in brand steken.’
vs. 126. ter sluik, ook wel tersluiks met de bijw. s. Sluik is een vr. subst., de stam
van sluiken, dat oorspronkelijk beteekende: ‘sluipen, in 't geheim gaan’ en vervolgens:
‘in 't geheim iets doen.’ Men merke op, dat meermalen in bepaalde, vooral bijw.
uitdrukkingen, dergel. stammen van werkwoorden voorkomen, die anders niet in
gebruik zijn: van de kook, in de maak, in de war, in de weer, metterwoon, de wijk
nemen, de weet doen, enz.
vs. 127. Hem meldde 't vlijmend tandgesis: het vlijmend tandgesis, d.i. het sissen,
tusschen de vlijmende tanden door, meldde hem aan, deed bemerken, dat hij een
moorddadig plan vormde. Vlijmen is afgeleid van vlijm: ‘lancet’; het wil allereerst
zeggen: ‘het lancet hanteeren’, dus: ‘snijden’, bijv. vlijmend staal; daarna: ‘snijdende,
snerpende pijn veroorzaken’, zooals in eene vlijmende wonde, vlijmende smart.
Hier ook doet de scherpte der tanden, die op elkaar geklemd zijn, aan snijdende
werktuigen denken.
vs. 129. spelde: voorspelde (B. den dood).
vs. 133. de landstreek, der haven. P. plaatst hier het eerste woord in den acc.,
het tweede in den dat. Eigenl. staan ze beide in den dat., maar gewoonlijk zegt men,
dat bij uitgaan eene plaatsbepaling in den acc. staat, terwijl bij toegaan de oude
dat. is vervangen door het voorzetsel op. Vgl. Taal en Letteren, I, 35.
'T Passeren der linie.
Motto: Stem, een oude benaming voor ‘wijs, melodie.’ Zoo gebruikte men ook voys,
fra. voix. Sinxennacht is ‘Pinksteravond.’ Het woord hangt samen met fra. cinquante:
Pinksteren valt 50 dagen na Paschen; nacht werd oudtijds gebruikt voor avond,
bepaaldelijk: ‘avond vóór een kerkelijk feest’, terwijl men avond ook gebruikte in
den zin van ‘dag voor zulk een feest.’ Zoo leest men bij
Taal en Letteren. Jaargang 2
222
Hooft, dat Egmond en Hoorne op Pinksteravond werden onthoofd. Vgl. ook het hd.
sonnabend.
Dit liedje herinnert aan het oude gebruik, om het passeeren der linie te vieren met
allerlei grappen. Een der scheepslui speelde dan, wonderlijk uitgedost, voor Neptunus
en wierp met zijn gevolg stroomen waters over de hoofden der schepelingen, of
althans van hen, die voor het eerst zich op deze hoogte bevonden. De voortzetting
van dit onvrijwillig bad werd daarop afgekocht met eene boete, die onder het
scheepsvolk werd verdeeld. Ook ‘het scheren met de duig’, d.i. met een ruw stuk
hout, nadat de patient behoorlijk was ingezeept, maakte een nummer van het
programma uit. Of intusschen deze vermakelijkheden reeds in 1618 in zwang waren,
zouden wij niet durven verzekeren. In verschillende oude reisbeschrijvingen vonden
wij daarvan althans geene melding gemaakt. Wel waren de Hollanders, die om de
Zuid voeren, vanouds gewoon, de nieuwelingen aan boord in de golf van Biscaye
den waterdoop te doen ondergaan en ongetwijfeld is later, toen de vaart naar Indië
meer algemeen werd, daarvoor het doopen ter hoogte van den evenaar in de plaats
gekomen. Hoe het passeeren der linie nog in onze eeuw op een' Oostindievaarder
werd gevierd, kan men o.a. lezen bij Van Nievelt in zijn Onder Zeil.
vs. 3. zijn bolle weerhelft: de gemalin van Poseidon (Neptunus) was Amphitrite.
Hier speelde zeker de eene of andere matroos met bolle wangen voor de wederhelft
van den zeegod; deze werd anders door de Ouden voorgesteld als eene schoone,
slanke figuur.
vs. 4. meerminnen, de zeenimfen onzer voorvaderen, naar het oude volksgeloof
bestaande uit het bovenlijf eener vrouw en den staart van een' visch. Door hare
schoonheid en haren lieflijken zang lokten zij den zeeman of den visscher in de
diepte. In De meermin van het huis te Muiden heeft Potgieter dit onderwerp
behandeld. Verschillende oude verhalen maken gewag van meerminnen (ook:
e
1)
meermannen); in de 15 eeuw zou er nog een in de Purmer gevangen zijn . In
Hoofts Brieven wordt ook eene meermin van het huis te Muiden vermeld. 't, nl.
meebrengen.
vs. 5. dokken: ‘betalen.’ Wij hebben dit woord ook in de samenstellingen afdokken
en opdokken, die zich laten vergelijken met afgeven en opgeven tegenover het
enkelvoudige geven. In de Etym. Wdbkk. van Franck en Vercoullie wordt het niet
genoemd.
vs. 7. het viertal, niet het vijftal, omdat er van Australië als vijfde werelddeel in
Bontekoe's tijd nog geen sprake was.
1)
L.Ph.C.v.d. Bergh, Volksoverleveringen, 188. Vgl. ook Van Lennep en Ter Gouw,
Uithangteekens.
Taal en Letteren. Jaargang 2
223
vs. 8. prij, scheldnaam voor een wijf, eigenlijk ‘kreng.’
vs. 12. jeukt. Neptunus gevoelt lust, met zijn' staf, den drietand, het scheepsvolk
de oneerbiedige woorden betaald te zetten. Wat jeukt, kan zich niet stilhouden: het
wil in beweging zijn. Zoo zegt men: mijne hand jeukte, om hem eene oorvijg te
geven; de pen jeukte in mijne vingers, om daar iets over te schrijven, enz.
vs. 14. buitengaats: in zee, eig. buiten het (zee)gat. Over den genitiefvorm zie
men de Spraakkunst.
vs. 15. lucht en zee zien slingeren; dit geschiedt bij een' hevigen storm. Door de
geweldige slingeringen van het schip schijnen de zee en de lucht die bewegingen
te maken. Neptunus bedreigt dus het scheepsvolk met storm en hooge zeeën. vs.
16. Neptuin is vocatief.
vs. 18. schuinkijken: boos, barsch kijken. Nog zegt men in dezelfde bet.: ‘een
schuinen of schuinschen blik op iemand werpen.’
vs. 19. in zijn tuin, ook: in zijn knollentuin zijn: ‘goed gemutst zijn.’
vs. 20. Het Amsterdamsche Santjen, de schutsheilige, de patroon der
Amsterdammers; dit was Sint-Nicolaas.
vs. 22. mogen zetten: ‘mogen lijden’.
vs. 26. hartig, het tegengestelde van flauw: hartige en flauwe kost. Het Wilhelmus
prikkelt tot daden van kloekheid, wakkerheid.
vs. 29. hiet: heet, naar de Holl. volkstaal.
vs. 32. mijn kachjens: ‘mijne koene jongens’, de zeelui; een hachje is ‘een durf-al.’
vs. 38. kletserig; vgl. kletsnat, zoo nat, dat de kleeren klinken, wanneer men er
tegen slaat.
vs. 39. staken, hier intrans. gebruik: ‘ophouden.’
vs. 41. poen: ‘geld.’ Volgens Franck en Vercoullie, Et. Wdb. een Bargoensch
woord.
vs. 44. 't zog: het kielzog, de witte streep van schuim, die een varend schip door
de zuiging achterlaat. Zoo wordt zog ‘vaarwater’ Vgl. Tollens: ‘Reeds wendde
Houtmans kiel.. door 't zog des Portugees naar Bantams ree den steven.’ Ook fig.:
in iemands zog komen ‘in iemands vaarwater komen.’
vs. 46. ruig: het scheepsvolk was sterk behaard, een teeken van stoerheid. Haar
op de tanden hebben: ‘alles aandurven, voor geen klein geruchtje vervaard zijn.’ P.
zegt: tot op de tanden: zelfs de tanden zijn harig. Misschien heeft de dichter daarmee
wel den oorspronkelijken vorm der zegswijze gegeven. Als zelfs de tanden behaard
waren, dan zou men stellig niet aan de forschheid behoeven te twijfelen.
vs. 136. Aêloudheid, hetzelfde woord als aloudheid van aal, een ouden bijvorm van
al. Men heeft wel gemeend, in dit aal eene samentrekking
Taal en Letteren. Jaargang 2
224
te zien van adel; vandaar ook de spelling aêl, welke P. hier gebruikt. Vgl. Ledeganck,
Aan Brugge: ‘Laat andermaal u tooien in d' adelouden gloor.’ Men zie ook het Wdb.
der Ned. taal. droom in den zin van gewrocht der verbeelding; ijdel: ‘van allen grond
ontbloot.’
vs. 137. Orpheus, de beroemdste onder de mythische zangers van Griekenland,
een zoon van de Muze Kalliope en Apollo. Door de macht van zijn gezang en
snarenspel kon hij de wildste dieren temmen en rotsen en boomen bewegen. De
stroom, waarvan hier gesproken wordt, is de Hebrus, de hoofdrivier van Thracië,
het gewest, waar Orpheus thuis behoorde. Aan den oever van den Hebrus werd hij
ook later gedood.
vs. 139. ten rei deed varen: ‘ten dans deed gaan.’ Over het onderscheid tusschen
rei en rij zie men de Spraakkunsten. Van rei ‘dans’ is ook het w.w. reien: ‘dansen.’
Aarde en lucht: de voorwerpen, die zich op de aarde of in de lucht bevinden,’ vgl.
het zingende woud: de vogelen, het wemelend nat: de visschen. Men vergelijke
voor dezen regel nog de volgende plaats uit Vondels vertaling van Ovidius'
Metamorphosen, (B.X., vs. 148 vlgg.) waar van Orpheus gezegd wordt: ‘Der Goden
zoon, gestelt ten Godtstolck, zette zich hier op een' heuvel neder. Hier vergaêren
de boomen bly ten reie en dansen op zijn snaeren in koele schaduwen.’
vs. 140. in weergalooze luit. Zegt iemand: ik eer in hem een' vader, ik bemin in
haar eene moeder, dan is hij een vader en zij eene moeder voor den spreker.
Wanneer O. dus in (eene) luit den schepter der natuur omklemde, dan was die luit
de schepter der natuur, dan beheerschte hij dus daarmede de natuur. De schepter
is de ‘heerscherstaf’, het symbool der heerschappij. O. bespeelde eigenlijk de lier;
Potgieter maakt daarvan eene luit. Beide zijn snaarinstrumenten; de laatste heeft
min of meer den vorm van eene in de lengte doorgesneden peer; de vorm der eerste
is zeker bekend genoeg: men ziet haar zeer vaak op vignetten voor bundels poëzie.
Weergaloos: zonder wedergade; gade is eig. ‘datgene, wat bij iets anders behoort’
en daar men gelijksoortige dingen samenvoegt ‘gelijke’; vgl. te gader, vergaderen;
weder is ‘tegen, tegenover’, wedergade derhalve: ‘gelijke tegenover (gelijke).’
vs. 145. verzellen, staâg, beide met afwerping van ge; men merke op, dat deze
vormen deftiger zijn dan vergezellen, gestadig, terwijl bijv. bij lukken, raken tegenover
gelukken, geraken juist het omgekeerde het geval is. Stade is ‘plaats’, stadig ‘plaats
hebbende,’ in ge zit het begrip van herhaling: dus: gestadig: ‘herhaaldelijk plaats
hebbende.’ Het beteekent zoowel: ‘zonder tusschenpoozen, onafgebroken,’ als ‘met
geringe tusschenpoozen, bijna onafgebroken.’
vs. 147. geneugt, van geneug, een bijvorm van genoeg komt in bet. dichter
Taal en Letteren. Jaargang 2
225
bij genot dan bij genoegen. Gieren, zooals kinderen doen, die het uitkraaien van
plezier. De wilden zijn slechts groote kinderen.
vs. 149. uitgeláten, participiaal adj., als bijw. gebruikt. Dat het geheel adj. is
geworden, blijkt uit den klemtoon. Het is eig. het deelwoord van zich uitlaten: ‘zich
laten gaan, zich niet beheerschen, bedwingen,’ uitgeláten is degene, die aan de
uiting zijner vroolijkheid den teugel viert.
vs. 151. De veete tusschen werelddeelen; veete is een langdurige, ingekankerde
haat, wrok. Hier is het de haat van Azië (de bewoners van Azië) tegenover Europa;
die haat had zich schril geopenbaard in de dreigende houding der inlanders; thans
was hij wel niet uitgedoofd, maar toch gesust.
vs. 153, 154. de sterkte en het verstand voor de bezitters daarvan.
vs. 158. zijn regterhand (hing) niet (langer) strak op zij: hing niet langer moedeloos
neder; zij was weer gereed, om bevelen te geven.
vs. 159. luchtte, bijvorm van lichtte: ‘schitterde, blonk;’ vgl. luchter voor ‘kandelaar’
en doorluchtig, eig. ‘doorschijnend’ en vandaar ‘glanzend, schitterend, luisterrijk.’
vs. 162. onbesuisd: ‘teugelloos, woest, wild.’ Zou onstuimig hier niet juister wezen?
Volgens het tegenwoordig taalgebruik zeker, maar raadpleegt men de voorbeelden
van beide woorden, in het Wdb. der Ned. taal opgegeven, dan ziet men, dat
e
onbesuisd ook nog in de 19 eeuw meermalen voorkwam in een' zin, waar wij nu
onstuimig zouden bezigen. Men zou dus kunnen zeggen, dat onbesuisd hier min
of meer een archaïsme is.
vs. 163. verknocht, gewoonlijk in b e p e r k t e opvatting, om groote gehechtheid
tusschen menschen uit te drukken; hier, als meermalen, in r u i m e r e n zin:
‘verbonden, gepaard.’
vs. 171. hij; men legge op dit woord bijzonderen nadruk. Zij mochten schateren
en door dat geschater hem een' glimlach afpersen, van harte lachte hij niet.
vs. 177. deze ontschoot: ‘zijnen lippen ontsnapte, ontviel.’ Schieten, intr. is ‘zich
snel bewegen,’ bijv. Hij schoot op mij toe. Het touw schoot los. De visch schoot naar
de diepte, enz.
vs. 179. 't zong wuft gejoel. Zingen ‘bezingen’, als meermalen. Vgl. den aanhef
van Bilderdijks Ondergang der eerste wareld: ‘Ik zing den ondergang van d' eersten
wareldgrond’, enz.
vs. 182, 183. Men legge den nadruk op de woorden teerheid en sterk. Dat Potgieter
e
met deze tegenstelling het karakter der moedige mannen uit de 17 eeuw juist heeft
geteekend, wordt ook door het Journaal van Bontekoe zelf op menige plaats
bevestigd.
vs. 184, 185. Potgieter schijnt hier gedacht te hebben aan het verhaal der
Jacobsladder, waarlangs de engelen op- en nederstegen. Doch eene ladder bestaat
uit sporten, treden en niet uit schakels. Twee beelden, het eene: verbinding,
vereeniging, het andere: verheffing, opklimming, uitdrukkende, zijn hier ineengevloeid
en daardoor wordt de voorstelling onzuiver.
Taal en Letteren. Jaargang 2
226
vs. 188. 't geen, hier zeker gebruikt, omdat dat gevolgd zou worden door 't, wat
onmogelijk uit te spreken valt. Ook 't welk zou hard klinken.
vs. 191. dat heeft hier tot antecedent koortsig brein.
vs. 192. een and're wijl, nl. een tweede oogenblik peinzens en toen wischten,
enz.
vs. 195. beslissen van. Het gebruik van dit voorzetsel bij beslissen komt in de
eerste helft dezer eeuw meer voor, o.a. bij Bilderdijk en Jacob van Lennep. Misschien
is hier navolging van 't fra. décider de; in elk geval is het gebruik van over beter in
overeenstemming met het taalgebruik.
Men lette op den gedachtegang van Bontekoe: eerst beschuldigt hij zich zelven
van wuftheid en ‘woeste lust’; daarna tracht hij de keuze van het wufte liedje te
verklaren en te verontschuldigen uit zijn' angst, ‘zijne bloode vrees’; eindelijk ziet
hij in die keus eene ingeving des hemels.
vs. 200. Zangen van den Harpenaar: de psalmen van David.
vs. 202. een hurkjen groot, eig. zoo groot als een, die hurkt, d.i. met gebogen
knieën eene half zittende houding heeft aangenomen. Men heeft aan de zoo gebogen
knieën den naam van hurken gegeven blijkens de uitdrukking op zijne hurken zitten
en vandaar dan weer hurk voor ‘degeen, die zoo klein is, als de hurkende.’ Naast
hurken komt ook hukken in dezelfde bet. voor, alsmede: op zijne hukken zitten.
Waarschijnlijk is het hier en daar gebruikelijke ukkie ‘klein ding’ dan ook hetzelfde
woord als hukje. Oorsprong onbekend.
vs. 204. zijns ondanks. Dank, de stam van denken, behoort, wat zijne beteekenis
aangaat, evenals zin, beurtelings tot het gebied van het d e n k e n en tot dat van
het g e v o e l e n en w i l l e n . Tot de eerste beteekenis behoort denken, dacht,
gedachte, hd. gedanke, tot de tweede dank als subst. en in danken, dankbaar, enz.
en ook dank ‘lust, zin, wil’ in het mnl. Van dit laatste dank maakte men ook ondank:
‘onlust, onwil, tegenzin’ en zoo is zijns ondanks: ‘met zijn tegenzin’, dus: ‘tegen zijn'
e
zin, wil.’ De woorden zijn en ondank staan hier dus in den bijw. gen. De 2 nv. van
het woord ondank alléén: ondanks, wordt ook als voorzetsel gebruikt: ondanks
mijnen raad voor ondanks mijns raads, lett. ‘tegen den wil van mijnen raad.’
Men vergelijke nu de beteekenissen van zin, zinnen, ww., bezinnen, verzinnen,
zinnigheid, zin in iets, zin voor iets, enz.
Roeltjen uit de Bonte Koe.
vs. 5. waar komt dit bij toe? d.i. waarbij ‘waardoor’ komt dit toe: ‘gebeurt dit?’
vs. 7. Frisscher krans. De herbergiers waren vanouds gewoon, een wingerdkrans
buiten te hangen ten teeken, dat zij wijn verkochten. Was er nieuwe voorraad
aangekomen, dan werd ook de oude door een
Taal en Letteren. Jaargang 2
227
nieuwen krans vervangen. Vgl. Potgieters schets over Huyghens' Scheepspraet in
Het Rijksmuseum.
vs. 10. op zijn duim fluiten. De vogelaar lokt den vogel met zijn fluitje. Maar wie
nu bij gebreke van dit instrument zijn duim wilde gebruiken, zou wel iets in den mond
steken, dat op eene fluit gelijkt, maar zeker zijn doel niet bereiken. Zoo beteekent
de uitdrukking: ‘niets krijgen, niets winnen, al geeft men zich nog zooveel moeite.’
vs. 11. Deze regel maakt mede den hoofdzin uit van den onderstellenden zin in
e
vs. 9. P. schrijft quant naar de 17 -eeuwsche spelling; de etymologie van het woord
is ‘volmaakt duister’ (Franck). Het beteekent hier hetzelfde als maat in vs. 3;
gewoonlijk heeft het eene ongunstige beteekenis: een rare kwant, een slimme kwant,
enz.
vs. 17. zoeter spiegel, nl. de mooie oogen van Roeltje, waarin hun beeld zich
spiegelt, als ze haar aankijken; toelonken: ‘vriendelijk, minnelijk toelachen.’
vs. 19. van wanten weten: ‘wel weten wat men doet, volkomen op de hoogte zijn.’
In welke beteekenissen want of wand voorheen voorkwam, leert Roemer Visscher
in zijn Brabbelingh:
Want dat is laken bij de Duytsche knechten,
Want is dat de zyden van de huyzen sluyt,
Want, zeydt hij, die met reden wat wil uytrechten,
Want is reedschap, om de Visschen te bevechten,
Want deckt de handt voor hette en voor kout
Dan de meeste Want hebt ghy getrouwt.
Bekend is ook het rijmpje van Cats:
Die een dant (eene ijdele vrouw, eene pronkster) ‖ Trout om haer want ‖
Verliest de want ‖ En houdt de dant.
Want beteekent hier, evenals in den laatsten regel van Roemer Visscher: ‘goed,
vermogen, geld.’ Deze beteekenis zal wel afgeleid zijn uit die van ‘kleeding,’ hd.
Gewand, welke wij terugvinden in die van ‘laken.’ Vermoedelijk beteekent dan de
uitdrukking van wanten weten eigenlijk: ‘weten, hoe men geld kan verdienen.’ Men
moet dan echter aannemen, dat het enkelv. want (eig. wand) onder den invloed van
1)
want ‘handschoen’ later in een meerv. wanten is veranderd .
vs. 25. een fijn mennisten zusjen. De Doopsgezinden onderscheidden zich
1)
Bij Roemer Visscher komt nog een ander want voor, p. 24: ‖ Een dubbelt deurtrapt, archlistigh
quant, ‖ een dubbelde hoer, boef, schelm of want, ‖ een dubbelt geus en dubbelt Catholijk ‖
zijn een enckelt goet man heel ongelijck. Hier schijnt het woord een syn. van ‘schelm.’
Beteekent dus van wanten weten eigenlijk: ‘van schelmen weten’; dus: ‘zijn volkje wel kennen’,
‘zich niet laten beetnemen’?
Taal en Letteren. Jaargang 2
228
vanouds door grooten eenvoud in kleeding en leefwijze en door stemmige zedigheid
van gedrag. Dat zij hierom wel eens aanstoot leden en dat die uitwendige
stemmigheid niet altijd samenging met echt vromen zin, is wel te begrijpen en zoo
wordt fijn hier ook met een tintje van ironie voor vroom gebruikt; vgl. Starters liedje:
Ick vrijden op een tijt een zoet mennisten zusje, enz.
vs. 26. een bloode pimpelmees. Eene pimpelmees is eene blauwe mees, ter
grootte van een sijsje. Waarom juist de naam van dit vogeltje gegeven is aan teere,
e
zwakke jongemannen en meisjes, is niet duidelijk. In de 18 eeuw zei men van
dergelijke wezentjes: Hij is een recht pimpelmeesje, zij is een pimpeltje, enz. en het
hd. heeft nog pimpelig in den zin van ‘zwakkelijk, teer, kouwelijk, nietig.’ Reeds bij
Maerlant is de mees in de knip het beeld van den verdrukten rechtvaardige. Zie
Verwijs, Stroph. Gedichten, I, 13.
vs. 33. schorre strijkstok, enz.: als schorre ‘krassende’ strijkstok, enz. Zij in vs.
35 is: hare hand. Zoo beteekent de zin: hare hand speelt als strijkstok op de vedel,
welke laatste bestaat in een paar gebaarde wangen; deze krijgen dus links en rechts
streken ‘vegen, slagen.’
vs. 38. beugel: ‘zilveren ring,’ hangende aan een' ketting van hetzelfde metaal;
daaraan was de beugeltasch bevestigd. bouwen, mv. bouwens: ‘vrouwen-bovenrok.’
haak, waarmede de ketting aan den gordel hing. huik: een opperkleed, eene soort
van mantel, aan eene kap, die van eene knoop of pluim voorzien was, op het hoofd
bevestigd. De vrouwen hingen de huik zoo, dat zij zoo goed mogelijk beveiligd waren
tegen regen en wind. Vgl. de zegswijze: de huik naar den wind hangen.
vs. 39. pronk en puik komen hier als adjectieven voor, bep. van gesteldheid bij
alles.
vs. 40. heinde en veere; eig. van heinde en verre.
vs. 43. 't klappen van zijn schijven: ‘'t klinken van zijn geld.’ Het geld om den vorm
vergeleken bij de schijven van het damspel. Deze klappen inderdaad; metaal klinkt.
e
vs. 44. lansk, gewoonlijk in de 17 eeuw lanst, ook wel lantser (Cats), lansert,
beteekende allereerst ‘soldaat’, daarna ‘vroolijk gezel, pretmaker.’ Het woord is
verkort uit lansknecht ‘lancier’ of landsknecht ‘soldaat.’
vs. 45. wulp, bijvorm van welp: ‘jong van honden en andere dieren’ en vandaar:
‘dartel, lichtzinnig mensch, doordraaier.’ Vgl. bun en ben, burrie en berrie, hun en
hen, enz.
vs. 47. Duimkruid, een der schertsende benamingen voor ‘geld.’ Men denke
daarbij aan kruid in de oude beteekenis van poedervormige stof, die men tusschen
duim en vinger fijn wrijft. Dezelfde beweging nu maakt men ook bij het geldtellen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
229
vs. 52. trony. In zijn Leven van Bakhuizen van den Brink zegt P., sprekende over
dezes uiterlijk: ‘Hij bezat, wat kiest u? hij bezat waarheidsliefde, hij bezat oordeel
of smaak genoeg, om in een paar flinke oogen geen vergoelijking te vinden, voor
wat overigens aan zijne tronie ontbrak.’ - ‘Tronie, Mijnheer!’ - ‘Tronie, me lieve! hij
mogt een grof woord voor een grof ding;’ t.a.p., p. 84.
vs. 53. Roeltjens liefste, niet: ‘R's vrijer’, maar ‘dien R. het liefste heeft.’
T.T.
Sprokkels.
Mee voor me (m'n, mijn).
Voor het bezitt. vnw. mijn hoort men in de spreektaal dikwijls me, met toonlooze e:
'n boek van me vader; er was brand in me huis enz. Opmerkelijk is het, dat men in
e
de 17 eeuw soms mee aantreft in de plaats van dat me:
‘Y godt mocht ick mee leets eens wreecken,
na mee wens.’
(Klucht van Trijn Ratels, door D.A. Opmeer, Amst. 1660, blz. 8).
... ‘Cupido moet voorseecker in mee pens hebben een vier gestoockt.’
(Ald. blz. 12).
‘Elck loopt sijn dulle loop, en laet Mee-vrouw
wat praten.’
(Steven Theunisz van der Lusts Ongheblanckette Maria Stuart, Haerlem, 1652, blz.
6).
Ook eenige keeren in Jan Klaez, zie Zwolsche Herdr. VIII/IX, Woordenl.
R.A.K.
Opperman.
Dat dit woord niet in verband staat met een ww. opperen, ‘het materiaal aanbrengen’
(Franck, Etym. Wbk. 705), maar veeleer met Lat. operarius (ald.), misschien wel
afkomstig is van Spaansch operario of obrero (werkman), schijnt te blijken uit
Huygens' Korenbloemen (1658), blz. 823.
Ald. blz. 847: ‘Hij waer geen Metselaer, waer ick geen Operman.’
‘Operman.
Ick ben een Slaef en blijf 't; daer is niet uyt te raecken:
Dat komt van 't mengelmoes van oud' uytheemsche spraecken.
Sprack Hollant eens goet Duytsch (ziet wat een' letter kan)
Ick waer zoo goed als Baes, ick waer een Opper-man.’
R.A.K.
Taal en Letteren. Jaargang 2
230
Het proza van J.P. Heije.
Het bevreemdde mij, toen ik den uitslag van het Spectator-plebisciet las, dat Dr.
J.P. Heije niet eens voorkwam onder de dichters en schrijvers, die op meer dan 5
personen indruk hadden gemaakt, terwijl het geschrift ‘Akbar’ van Van Limburg
Brouwer de toejuiching van 51 Spectator-lezers ontving. Nu weet ik wel, dat een
dergelijk plebisciet noodzakelijk tot scheeve uitkomsten moet leiden, en dus als
maatstaf voor de beteekenis onzer vroegere en tegenwoordige schrijvers en dichters
volkomen onbetrouwbaar is, - maar toch verwonderde het mij, dat een man, die met
een buitengewoon talent en zeldzaam voorkomende zelfverloochening den geest
zijns volks heeft trachten te bewerken, onder de Spectator-lezers zich zoo weinig
vrienden en geestverwanten heeft verworven. Zijn Heije's Volksdichten, Stichtelijke
Liederen en Kinderliederen dan nu reeds door de meesten vergeten? Dat kan toch
niet zijn! Het komt mij dan ook voor, dat, indien het plebisciet in minder beperkten
kring ware uitgeschreven, b.v. voor de lezers van ‘Het Nieuws v.d. Dag’ het resultaat
geheel anders zou zijn geweest; dat dan zou gebleken zijn, dat Dr. Heije, die van
1830-76 het zaad van kennis en beschaving, van kunst en menschenmin met zoo
milde hand uitstrooide, niet te vergeefs heeft gearbeid.
Ik wensch hier uitsluitend te spreken over het eigenaardig proza, waarin de dichter
Heije gedurende bijna een halve eeuw zijn volk heeft toegesproken. Hij deed dit
reeds op 21jarigen leeftijd, toen hij, als Leidsch student, gehoor gevende aan de
roepstem van Koning Willem I, de wapenen opvatte om onze geschonden nationale
eer te helpen wreken. Hij deed dit, nadat hij zich in 1832 te Amsterdam als arts
gevestigd had, toen hij met Drost, Bakhuizen v.d. Brink en Potgieter op het gebied
der maatschappelijke begrippen en der letteren nieuw leven trachtte te wekken door
de uitgave van ‘De Gids’. Hij deed dit als een der voornaamste medewerkers van
‘den Geneeskundigen Kring’, toen hij met de hoogleeraren Schneevoogt en Van
Geuns de noodige en belangrijke hervormingen der ‘Geneeskundige Wet’
voorbereidde, waarbij hij vooral ijverde voor eene betere armverzorging. Als lid van
het Hoofdbestuur der ‘Maatschappij tot Nut van 't Algemeen’ (1844-1860) streed hij
met succes voor de verbreiding van het onderwijs in de gymnastiek. Als Secretaris
van de ‘Maatschappij van Toonkunst’ maakte hij met Wilh. Smits het zangonderwijs
tot eene volkszaak. Gedurende zijne tien laatste levensjaren
Taal en Letteren. Jaargang 2
231
ijverde hij, als de stichter en de ziel van de ‘Vereeniging voor Nederlandsche
Muziekgeschiedenis’ voor de meerdere waardeering van ons voorgeslacht, hetwelk
gebleken is, vooral door Heije's onvermoeide nasporingen, te zijn: de banierdrager
de
de
van de moderne muziek in de 15 en de 16 eeuw, terwijl hij in dien zelfden tijd
de beroemde orgelcomponist Sweelinck, de leermeester van Bach, uit het stof der
vergetelheid te voorschijn bracht. En waar de rust en de welvaart van het Vaderland
door binnenlandsche verdeeldheid of buitenlandsche aanmatiging bedreigd werden,
of waar nationale feestdagen de herinneringen van het Verleden te voorschijn riepen
(zooals in 1863), aarzelde hij niet in tal van brochures het Nederlandsche volk aan
zijne hooge roeping te herinneren.
Een dezer brochures, welke het meest is verspreid, en waarin de eigenaardigheden
1)
van zijn stijl het sprekendst uitkomen, is getiteld: Volkswijsheid en Staatsmanskunst ,
en werd uitgegeven onder het pseudoniem Jan van Amstel, in 1866, toen het
Ministerie Heemskerk - van Zuylen, naar aanleiding van de bekende
motie-Keuchenius, den Vorst en de Vertegenwoordigers des Volks als partijen
tegenover elkander plaatste, ‘zonder te bedenken, dat, zoo een der partijen niet in
het eindvonnis berust, de weg wordt gebaand tot Dictatuur of Revolutie’.
Deze brochure mag met den ‘Open Brief’ van Busken Huet aan Mevrouw
Bosboom-Toussaint, ongeveer terzelfder tijd (1865) verschenen, tot de schitterendste
de
bladzijden onzer proza-litteratuur van de 19 eeuw gerekend worden. Ik schrijf er
enkele regels, voorkomende op blz. 14 uit over:
‘Waarlijk! ik bedoel een rustig woord te spreken in onrustigen tijd! Ik wensch olie
te gieten, niet in het vuur, dat een deel der Dagbladpers nu reeds elken dag met
vermetele hand hooger doet opvlammen .... maar in de golven, die door den
stormwind der Ontbindingsvoordragt opgezweept, ons Volksheil voor langen tijd
dreigen te overstelpen! Doch, zoo ik dus élk woord vermijden wil, wat in dit moeijelijk
tijdsgewricht hartstogt wekken kan, moet ik het toch uitspreken: dat de last der
“Verantwoordelijkheid”, welke (naar m i j n e overtuiging!) d o o r e e n e z o o a l s
d e z e gemotiveerde Voordragt tot Ontbinding, op dit Ministerie drukt, mij voorkomt
een v e r p l e t t e r e n d e te zijn.’
Zoo is de stijl van Heije steeds; 't zij hij zijne Gedichten inleidt, - 't zij hij de belangen
der kranke menschheid of der kranke maatschappij bepleit. Steeds gaat hij op den
man af, telkens zijn betoog kleurende met een paar sterk sprekende dichtregelen.
Het is de taal van den man, die spreekt uit diepgevoelde overtuiging, en die geen
enkel rethorisch middel ongebruikt laat om zijne lezers tot zijne zienswijze over te
sten
halen. Hij spreekt voortdurend in den 1
pers. enkelv.; elk woord, waarop hij den
nadruk wenscht te leggen, laat hij, naarmate die nadruk met meer of minder klem
behoort te worden
1)
Uitgegeven bij P.N. van Kampen, te Amsterdam. Prijs f 0.10.
Taal en Letteren. Jaargang 2
232
1)
gelegd, drukken met een kapitale beginletter, cursief, gespatieerd of geheel kapitaal .
Zulk proza kan men maar niet zoo voor zich zelven lezen; onwillekeurig opent
zich de mond en verheft zich de stem om te lezen, zooals de schrijver dien stroom
van gedachten zelf zou uitspreken. Daar gaat kracht en bezieling van uit; thesen
en anti-thesen rukken als twee vijandelijke gelederen tegen elkander op; een
bruisende woordenstroom, die elke invallende opmerking, als terloops, ‘en
parenthese’ plaatst; een climax in de uitdrukking, als: ‘door eene z o o a l s d e z e
gemotiveerde Voordracht tot Ontbinding’.
Welke verdienste heeft dit eigenaardig proza? M.i. deze. Het leert spreken voor
de vuist, improviseeren. Ons volk wordt, niet ten onrechte, verweten, dat het in het
openbaar debat, vergeleken met andere volken, een slecht figuur maakt. Is dit nu,
zooals wel eens beweerd wordt, alleen te wijten aan gebrek aan geestdrift? Neen,
de hoofdoorzaak is: gebrek aan vorming. Er wordt over het algemeen in de scholen
te weinig werk gemaakt van spreekoefeningen, waaraan een methodische gang
ten grondslag ligt. En als de knaap of de jongeling het leven buiten de school ingaat,
wordt er te weinig gelezen, vooral te weinig overluid oratorisch proza gelezen; te
weinig volgt men met opmerkzaamheid goede sprekers op den kansel, voor de balie
en op de tribune. Te weinigen weten welk een uitmuntende leerschool, ook voor
het openbaar debat, de ‘Parlementaire Redevoeringen’ van Thorbecke zijn. In het
publiek overtuigd, ordelijk en met nadruk te kunnen spreken is een behoefte van
onzen tijd. Daartoe kan het proza van Dr. Heije een goede wegwijzer zijn.
Doetinchem.
A. DE PRIESTER.
Sprokkel.
Herinnering aan ridderroman en volksboek?
Te Meppel en omstreken hoort men uit den mond van ouden van dagen, omtrent
iemand die het meisje zijner keus na lang geduld en met veel moeite tot zijn vrouw
maakt: die ef 'r met tsweert aalt! (d.i. die heeft haar met het zwaard gehaald).
V.D.B.
1)
Zie Staring, wiens schrijfwijze in vele opzichten met die van Heije overeenkomt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
233
Woordverklaring.
Niets minder dan en niet het minst.
Wanneer wij ironie en sarcasme buiten rekening laten, zal het zeker niet dikwijls
voorkomen, dat een en dezelfde uitdrukking twee beteekenissen kan hebben, welke
lijnrecht tegen elkander indruischen.
Met de dubbelzinnige termen, die boven dit opstelletje staan, is dat evenwel het
geval.
In Cornelia Wildschut, den roman der dames Wolff en Deken, schrijft iemand aan
een zeer degelijk jonkman, die genezen is van zijn liefde voor een oppervlakkig
meisje: ‘Ik besluit des uit uw veranderd denken omtrent haar, niets minder, dan dat
1)
gij los en veranderlijk van aart zijt.’ . Met niets minder, dan wordt hier bedoeld:
volstrekt niet. Maar de lezer, die niet let op het verband, is onwillekeurig geneigd
2)
de bewuste woorden op te vatten in de beteekenis: op zijn minst, ten minste.
Evenzoo is het gesteld met deze regels van Huygens:
Is 't onkruid, 't is van 't best, 't is vriendelijk, 't is fijn,
3)
't Is zoet en schadeloos en niet min als venijn.
Ook het Duitsche nichts weniger als heeft de beteekenis van volstrekt niet. Es ist
nichts weniger als schön kan alleen beteekenen: het is volstrekt niet mooi, het is
leelijk.
In het hedendaagsche Nederlandsch zijn beide opvattingen mogelijk; maar die
van niets minder dan als volstrekt niet begint toch zeldzaam te worden.
1)
2)
3)
Corn. Wildschut, IV, 348.
e
In den Hollandschen Spectator (2 druk, II, 398) lezen wij: ‘Gy moet weten, dat ik de eer heb
van een verlopen student te wezen, hoewel ik niet minder dan zot ben.’ Ook hier bet. niet
minder dan volstrekt niet.
In Willem Leevend (VII, 31): ‘Gy weet, Jongen lief, dat ik niets minder ben dan volmaakt... Ei
zie, daar schuilt iets dubbelzinnigs in die woorden; maar waar het hem zit, weet ik niet, en ik
heb geen groot geduld om te lettervitten.’
In den Geestelijken Don Quichot (I, 210): ‘Zij was zes en twintig jaar, wel gemaakt en mooi,
hoewel haar gelaat reeds veel van deszelfs frischheid en jeugd verlooren had: doch dewijl
het overschaduwd wierd door een zomerhoed, en haar hair onagtzaam opgemaakt dit
versierde, scheen zij niets minder dan onbevallig.’
Geciteerd uit Duyser's Stijloefeningen (1892), blz. 87.
Taal en Letteren. Jaargang 2
234
Vraagt iemand: ‘zoo, is die man niet eerlijk?’ dan kan het antwoord luiden: ‘O neen!
Ik geloof zelfs, dat hij niets minder dan eerlijk is’ (met nadruk op minder).
De gewone beteekenis van niets minder dan is tegenwoordig: op zijn minst, zachtst
genomen, zeker, in ieder geval. Vgl.: Hij is niets minder dan rijk. Ik vind het niets
minder dan beleefd.
Voor wij een verklaring beproeven, nog de opmerking, dat het dubbelzinnige der
uitdrukking in de spreektaal minder aanleiding tot verwarring geeft dan in de
schrijftaal. Want naar gelang wij niets minder dan op de eene of de andere wijze
opvatten, leggen wij onwillekeurig den klemtoon eenigszins anders. Bedoelen wij
met den zin hij is niets minder dan eerlijk (zie boven) ‘hij is volstrekt niet eerlijk’, (I)
dan kunnen wij den toon der uitspraak aldus weergeven:
.
Willen wij er mee zeggen: ‘zeker is hij eerlijk’ (II), dan spreken wij op deze wijze:
.
Wie muzikaal gehoor heeft, zal tevens opmerken dat de toonhoogte van niets en
min in I nagenoeg gelijk is, terwijl niets in II aanmerkelijk hooger klinkt dan min -.
Het dubbelzinnige in de uitdrukking niets minder dan is een gevolg van de
verschillende beteekenissen van niets, of liever nog van iets.
Iets, voornaamwoordelijk gebruikt, beteekent: een ding, een zaak, het een of
ander (I); bijwoordelijk gebezigd, heeft het de beteekenis van: een beetje, een weinig
(II). Onder niets kan men dus zoowel verstaan: geen ding, geen zaak, niet het een
of ander (I), als: geen beetje, geen zier, zelfs niet het minste of geringste (II).
Niets minder dan (I) beteekent derhalve: geen zaak, minder dan; d.i. geen zaak
(niets) in mindere mate dan; niets zóó weinig als; volstrekt niet. Er ist nichts weniger
als reich: hij is niets zóó weinig als rijk, hij is volstrekt niet rijk.
Niets minder dan (II) wil zeggen: geen zier minder dan; minstens zóóveel als. Hij
is niets minder dan rijk: hij is geen zier minder dan rijk; hij is rijk in den vollen zin
van het woord.
Uit deze verklaring blijkt tevens, waarom in (II) niets veel nauwer aan minder
verbonden is dan in (I).
Nog dubbelzinniger dan niets minder dan, maar veel gemakkelijker te verklaren, is
de uitdrukking niet het minst.
In een courant las ik onlangs: ‘Iemand uit vroeger eeuwen, die plotseling herleefde,
zou zeker niet het minst verbaasd staan over onze tegenwoordige reclame.’
‘Waren al de andere meisjes eenigszins beschroomd, de kleine Betsy was niet
het minst verlegen.’
Taal en Letteren. Jaargang 2
235
‘Als Grieksch dichter heeft deze auteur niet het minst uitgemunt.’
Een goed stilist vermijdt natuurlijk alle dubbelzinnigheid: ‘Het een door het ander
genomen staat de Camera Obscura steeds vooraan in de rij onzer beste
prozawerken; en niet het minst doet zij dit, sedert zij in de laatste uitgaven
vermeerderd is’ .... (Busken Huet.)
‘Aan diezelfde schijnbaar nuttelooze bedevaarten dankte (Staring) voor een deel
zijn kunstzin, de oudvaderlandsche wending van zijnen geest, de degelijkheid van
zijn talent, en niet het minst zijne sympathie voor het romantisme’ (dez.).
Niet het minst kan beteekenen: niet minder dan anderen (niet minder dan in
andere dingen); meer dan anderen (meer dan in andere dingen); vrij sterk, zeer (I)
en ook: volstrekt niets, in 't geheel niet (II).
Wie zich duidelijk wil maken, hoe de uitdrukking niet het minst aan die
uiteenloopende beteekenissen komt, herinnere zich een aardigheid, die hier en daar
in zwang is onder kinderen: Jantje beklaagt zich, dat zijn jarige broer hem niet één
chocolaadje heeft gegeven. ‘Je jokt,’ roept de valschelijk van gierigheid beschuldigde
Willem, ‘ik heb er je wel vier gegeven!’ ‘“Dat heb je ook,” antwoordt Jan, “wèl vier,
maar niet ÉÉN.”’
Niet een is zoowel méér dan één als minder dan één, nul. Zoo kan men ook met
niet het minst evenzeer bedoelen meer dan het minst, tamelijk veel (I), als: nog
minder dan het minst, zelfs niet het minst, totaal niets (II).
‘Hij heeft niet het minst als dichter uitgemunt’ (I), met eenigen nadruk op niet, wil
zeggen: hij heeft meer uitgemunt als dichter dan als ... iets anders; dus: er zijn
dingen, waarin hij minder uitmuntte dan in de dichtkunst.
‘Hij heeft niet het minst als dichter uitgemunt’ (II), met den nadruk op minst,
beteekent: als dichter muntte hij volstrekt niet uit.
R.A. KOLLEWIJN.
Sprokkel.
Ga zoo voort mijn zoon en gij zult spinazie eten.
Deze bekende familiare zinwending is waarschijnlijk een volksetymologische
verbastering van: ‘Ga zoo voort mijn zoon en gij zult Spinoza heeten’ en zou dan
e
reeds dateeren uit de 17 eeuw, als wanneer men der leergierige jeugd Spinoza als
een model van geleerdheid aanprees.
K. POLL.
Taal en Letteren. Jaargang 2
236
De klankleer op de school.
Van alle dingen die uitnemend geschikt zijn om een mensch uit zijn humeur te
brengen, is er één, dat de kroon spant; nm. de vervaardiging van een Nederlandsche
Spraakkunst voor schoolgebruik. Meent men dat het absoluut noodig is zulk een
taak op zich te nemen, dan komt men er onophoudelijk toe om met zijn
wetenschappelijk geweten te transigeeren. Formuleer zoo juist mogelijk - en ge zijt
voor de jeugd de onverstaanbaarheid en duisterheid zelve. Tracht de dingen practisch
toe te lichten en voor jeugdige hersens begrijpelijk te maken - en uw wetenschap
en uw practijk raken samen aan het stoeien: het gevolg is vaak een
onwetenschappelijk, zij het dan ook een zeer weldadig knoeien. Dat er schadelijke
waarheden bestaan, weet elk docent die voor zijn taak berekend is: en dat er
heilzame onwaarheden bestaan, die men verkondigt omdat ze in de practijk der
school onmisbaar zijn, is voor niemand dan een warhoofd een geheim Hier geldt
niet het non scholae sed vitae, maar juist het omgekeerde scholae id est vitae.
Beknopte taalregels moeten er worden ingestampt om, kan het zijn, den mensch
tot zijn jongsten snik bij te blijven. Of zulke dingen tegen de critiek der wetenschap
bestand zijn, doet er strikt genomen niets toe. Hieruit de gevolgtrekking te maken,
dat een zekere mate van wetenschappelijke vorming niet tot de desiderata zou
behooren voor den jeugdigen mensch, is weer een ander uiterste. En alle uitersten
zijn verkeerd. Om wat wetenschappelijk vaststaat in behoorlijken vorm der jeugd
mee te deelen, daartoe behoort veel takt en veel talent. Maar om wat voor de
rechtbank der wetenschap niet bestaan kan, toch te verkondigen, omdat het zóó
en niet anders voor onontwikkelden te formuleeren is, daartoe wordt vereischt een
groote mate van zelfbeheersching en gezond verstand, helaas een schaarsch artikel
onder geleerden en ongeleerden.
Ik geloof niet dat er velen zullen zijn, die hierin met mij van meening zullen
verschillen. Alleen doet zich telkenreize de vraag voor: hoe ver kan men gaan? Over
elk speciaal punt kunnen de gevoelens verdeeld zijn. En wat den doorslag geeft, is
ten slotte weer de practische ervaring, die men alleen op de school en niet daarbuiten
opdoet. Daarom geloof ik goed te hebben gehandeld, toen ik de herhaalde
‘herzieningen’ mijner zoogenaamde Nederlandsche Spraakkunst moede werd en
aan een bevoegder autoriteit de moeilijke taak opdroeg om voor de ‘omwerking’ en
de redactie van den tekst in den vervolge zorg te dragen. Alleen de Beknopte
Spraakkunst bleef om den Uitgever tevreden te stellen onder mijne hoede. Ik heb
er spijt genoeg van.
De Heer Boer heeft de goedheid gehad mij in de vorige aflevering van dit Tijdschrift
op een paar inconsequenties en onjuistheden te wijzen, die ik dankbaar accepteer.
Waarom deden anderen niet desgelijks? Zeker is de i van den uitgang isch niet
‘gerekt’; maar in aansluiting aan de bekende Grondbeginselen behield ik den term
o
tot in den zesden druk - ongelukkigerwijze bleef § 48 (N . 3) in haar oorspronklijken
vorm staan, vandaar de door
Taal en Letteren. Jaargang 2
237
dr. B. opgemerkte inconsequentie. Maar ik moet nog iets verder gaan dan mijn
welwillende beoordeelaar en op § 37, d wijzen, omdat de g in bakboord ook door
anderen, en zelfs door dr. B., verkeerd wordt opgevat. Donders gaf er aanleiding
toe; in § 32 van zijn Physiologie der Spraakklanken lezen we: ‘de weeke van k (de
g, vóór a, o en u in 't Fransch) komt niet zelfstandig voor en heeft daarom geen
bijzonder letterteeken, maar wordt toch gehoord telkens wanneer op k een b of d
volgt (bakboord, likdoorn, ik doe, ik ben.)’ Ik geloof dat de groote physioloog hier
dwaalt: althans naar mijne uitspraak houdt de stemklank in genoemde woorden op
na de vocaal om weer gehoord te worden bij de vorming der volgende media. We
hebben hier dus niet de media, maar de lenis, de stemtoonlooze zachte k, in afwijking
van het Fransch. De Heer Boer zal mij misschien antwoorden, dat hij, zoo hij in
klankphysiologische questies dwaalt, dit op eigen gezag doet en van de werken van
Donders, Sievers, Sweet, Land en anderen weinig of geen kennis genomen heeft.
Ik geloof dit gaarne, omdat wat door hem pg. 98-100 over de Tweeklanken
geschreven is, zonneklaar bewijst dat hij op het gebied der klankleer zich niet de
groote kennis verworven heeft, die we in zijne opstellen over de Oudnoordsche Taal
en Letteren plegen te bewonderen. Dit is zelfs te meer te betreuren, omdat hij op
eigen wieken drijvende en zijn eigen waarnemingen weergevende een onmiskenbaar
talent voor die moeilijke wetenschap verraadt, maar helaas op dwaalwegen geraakt
is, die hem voorloopig minder geschikt maken om onderwijzers en leeken voor te
lichten. Of de ei, ij, ui, au, ou tweeklanken zijn of niet, daarover debatteert men niet:
op zijn hoogst kan men het oneens zijn over de vraag, of Sweet's beschouwing over
de diphthongen, als samengesteld uit een klinker plus een gereduceerden klinker,
ook voor het Nederlandsch geldt. Ik geloof van wel. Wanneer Van Helten § 7 (volgens
Boer, ik kan de plaats niet verifieeren) ‘de zoogenaamde lange of gerekte
tweeklanken’ verwerpt, sta ik niet aan zijne zijde: aai heeft evengoed een gerekte
a als aak. Wat de interjectie ai aangaat, die heeft inderdaad een dubbele uitspraak:
ai of ajjj. Menigeen zal er waarschijnlijk vreemd van ophooren als hij verneemt, dat
zee, zeel, enz. zoo, zoop enz. tweeklanken bevatten: zeei(l) en zoou(p). Toch is het
zoo. Maar de overgangsklinker, de gliding-vowel, hier de naslag, valt zoo weinig ins
Gehör, dat men dien als oneindig klein = nul opvat, schoon ten onrechte. In weinig
talen hebben de overgangsklinkers zulk een carrière gemaakt als in het
Angelsaksisch: ze werden zóó duidelijk uitgesproken, dat ze als tweede componenten
van korte tweeklanken werden geschreven. Ook de zoogenaamde breking in het
Oudnoordsch, waarover zie Norreen § 83 vlg., berust op geen ander beginsel.
Dergelijke overgangsklanken weten zich soms duchtig te weren, teren op kosten
van de organische vocaal, kleuren die, ja stooten die wel eens sans gêne uit. Het
eindresultaat van zulk een proces noemt met dan ‘klinkerverandering van x in y.’
Aarde uit erde, baard uit bard, woud uit wold enz. De verklaring levert alleen de
phonetiek; in den regel maakt men het zich gemaklijk en blijft men bij het
constateeren. Of dit wetenschappelijk is? Geïsoleerde klinkers, pure vocalen, komen
zeer weinig voor. In den regel worden ze begeleid door een voor- en een naslag of
liever door een geheele reeks van voor- en naslagen, zoo fijn en ingewikkeld dat
het menschelijk oor alleen de grofste tinten onderscheiden kan. Bij elke verandering
van den mondstand, dus vóór en na klinkers, ontwikkelen zich die ‘parasieten.’ Zou
men inderdaad meenen, dat b.v. aap alleen uit een gerekte a en een p bestaat?
Ja? dan dwaalt men schromelijk. Toch beweert niemand dat hier een echte tweeklank
aanwezig is: de naslag wordt daartoe niet distinct genoeg uitgesproken.
Taal en Letteren. Jaargang 2
238
Het is geenszins mijn plan hier een verhandeling ten beste te geven over onze
phonetiek. Ik had mij gevleid, dat de eenige man die bij mijn weten na Land en
Donders dat vak ernstig en jaren achtereen bestudeerd en beoefend heeft, t.w. de
Hoogleeraar Van Helten, ons in een grondig en helder betoog de vruchten zijner
studiën zou geschonken hebben. Tot nog toe heb ik vergeefs gewacht. Of hij er
mettertijd niet toe zal moeten komen? Van zulk een veelzijdigen geest durft men
ten slotte ook de verklaring hopen van het vele dat hij voor de Nederlandsche
Spraakkunst (dat stiefkind onzer germanisten!) reeds gevonden en uitgegeven heeft,
zonder het echter phonetisch toe te lichten. Laat ons nu even zoo terloops nagaan
wat de Heer Boer op onze school-grammatica's heeft aan te merken. Kortheidshalve
releveer ik maar een paar punten, die hoofdzaken betreffen.
pg. 93. ‘Dat het Nederlandsch palatalen zou kunnen bezitten, wordt niet mogelijk
geacht.’ Wat voorafgaat, doet onderstellen dat de palatalen dus door andere organen
dan door keel, tong, tand of lippen zouden worden voortgebracht. Wie over palatalen
verstaat letters gevormd door de engte (enge articulatieplaats) tusschen den tongrug
1)
en het hard gehemelte , kan natuurlijk onze sj (bij Donders, een enkele, bij Land
twee consonanten) als palatalen sisklank vermelden. Maar dr. Boer verkondigt een
regel of wat later de ketterij dat de t + j in tjingelen, jaartje enz. één enkelen klank
representeeren; dat deze j als palataal wordt aangemerkt, daarmee kan men zeker
vrede hebben, maar den draak te steken met den eerzamen grammaticus, die ‘nog
steeds tj rustig voor twee klanken aanziet’, gaat wat ver. De ironie heeft haar grenzen:
maar de wetenschap der klanken (voorloopig althans) nog niet. Ik ben zoo driest
bovengenoemden spraakkunstenaar de hand boven 't hoofd te houden en ieder uit
te noodigen de proef op de som te nemen door soortgelijke woorden eenige malen
uit te spreken. Het gaat niet aan een rustig wandelaar te ontstellen door de bewering,
dat hij zich eigenlijk maar op één been voortbeweegt en dus eigenlijk maar één
been heeft. ‘Zonder lippen, tong, tanden of keel kan men geen klank uitspreken.
Toch kan ieder h zeggen.’ Waar blijft dan de kehlkopfspirans, als Sievers de h
noemt? Of is het strottenhoofd de keel?
pg. 95 protesteert dr. Boer tegen Te Winkel's meening, die de w en j onder de
ontploffingsgeluiden noemt. Ik protesteer tegen de miskenning onzer w: deze is òf
bilabiaal, als in trouwen, huwen enz., òf labiodentaal b.v. in alle gevallen waar ze
het woord begint: waar, wie, wonen enz. De labiodentale w is volkomen terecht door
Land (pg. 30) als slagconsonant opgegeven. De bilabiale w is een fricatief. Over de
j als beginletter durf ik me nog niet zoo beslist uitlaten, maar ik geloof dat dr. Boer
gelijk heeft. De engte wordt niet geheel afgesloten, wat voor explosieven een conditio
sine qua non is.
pg. 97 beweert dr. B., dat in koninkje, Jantje, bloempje een ‘ontploffingsgeluid’ is
ingelascht. Ik heb er niets tegen dat men zoo iets in een schoolboek leert: maar
men gaat te ver als men eischt dat zoo iets geleerd worden moet. Dat de p in
bloempje ‘is ingelascht’, spreekt van zelf, maar dat de t voor de j is weggevallen is
niet minder evident; vg. hemd, hempt, hempie uit hemptie. De verkleiningsuitgangen
zijn gelukkig in Middelnederlandsche eigennamen bewaard in dubbelen vorm: iaen
en etiaen. Voor en alleer deze verklaard zijn (en ik zie geen kans het eerste suffix
te verklaren zonder behulp der alleroudste inscripties in Brambach), is het wijs zeer
bescheiden te zijn
1)
Dat in het beschaafde Nederlandsch, onze omgangstaal, palatale gutturalen bestaan, oochen
ik.
Taal en Letteren. Jaargang 2
239
ook in het veroordeelen der ‘landläufige’ grammatica. Dat koninkje tot koning, als
Mnl. koninc tot Nnl. koning staat, is waarlijk overbekend: het Nul. heeft de oude
media verloren, het Mnl. verscherpte ze tot tenuis; vgl. voor de spirans liefje, liefie,
huisie enz.
pg. 98 Noot. Summo jure veroordeelt dr. B. op zijn wetenschappelijk standpunt
§ 20 mijner Bekn. Ned. Spr. Natuurlijk zijn de klinkers te onderscheiden naar hun
dauer und klang. Maar van de termen open en gesloten durfde ik geen gebruik
maken, omdat open klinkers in gesloten lettergrepen staan en gesloten vocalen in
opene. Dit acht ik voor een jeugdig brein zóó verwarrend, dat ik niet geloof dat men
met zulke termen veel nut kan stichten. De kunst is hier het kind te leeren spellen.
Maar ik erken dat men een proef zou kunnen nemen in den geest van dr. B. Daarover
oordeele de man der practijk.
Het wordt thans tijd om te eindigen, want ik doe niets dan vitten. In het opstel van
den geleerden Schrijver komen zooveel goede wenken voor, dat men hem dankbaar
moet zijn voor de moeite om eenige bladzijden over elementaire zaken te vullen ten
bate van het Algemeen. Alleen zou ik wenschen dat hij het vak, waarover hij
gehandeld heeft, wat ernstiger en grondiger had beoefend. In onze taal is daarover
weinig geschreven. En het verdienstelijke werk van den Heer Roorda is niet vrij van
onnauwkeurigheden, waar hij zich aan het weergeven der Nederlandsche uitspraak
waagt. De hoofdfout ligt hierin, dat de auteur zijn eigen dialect voor het normale
Nederlandsch uitgeeft. Alles behalve algemeen, bepaald onhollandsch is de uitspraak
het brood is duur, hij had laat gegeten (pg. 89), een loodlijn (pg. 94) enz. Is de Heer
Roorda soms een Vries? Zijn d's zouden het mij doen vermoeden. We hopen van
harte, dat in een tweede uitgave dergelijke onjuistheden zullen worden verbeterd,
want voor den ernst, waarmede de geachte Schrijver zich van zijn taak gekweten
heeft, heb ik niets dan lof.
Leiden, 15 April '92.
P.J. COSIJN.
Antwoord AAN pROF. P.J. Cosijn.
Van de mij door de redactie verleende plaatsruimte wensch ik gebruik te maken,
om den hooggeleerden schrijver van bovenstaande bladzijden op de opmerkingen,
die hij omtrent den inhoud van mijn opstel in het vorig nummer van dit tijdschrift ten
beste geeft, zoo kort mogelijk te antwoorden.
De meeste ergernis verwekte mijne beschouwing over de tweeklanken. Wil Prof.
Cosijn van meening zijn, dat ik nooit van gliding-vowels heb hooren spreken, ja zelfs
met de beginselen der klankphysiologie te eenemuale onbekend ben, zoo staat
hem dit volkomen vrij; slechts is het onvoorzichtig, een zoo absoluut oordeel te
gronden op een stuk, waarin duidelijk gezegd is, dat de physiologische zijde van
het vraagstuk niet behandeld zal worden. Ik stelde mij op het standpunt van iemand,
die alleen zijne ooren tot zijne dispositie heeft, zonder die geleerdheid te bezitten,
die allen leerlingen en den meesten onderwijzers ontbreekt. Zoo iemand kan
uitsluitend op vreemd gezag aannemen, dat ei een tweeklank, oe een enkelvoudige
klinker is. Met gliding-vowels heeft de schooljeugd niets te maken. De vraag is, of
bij het uitspreken van ei enz. twee klinkers gehoord worden. Prof. Cosijn kan hierop
antwoorden, dat hij ze hoort, maar dit neemt niet weg, dat deze zaak wel degelijk
voor discussie vatbaar is, want de ondervinding leert, dat de leerlingen bij het
beoordeelen van de vraag, of men met enkelvoudige klinkers of met tweeklanken
te doen heeft, zich eenvoudig door de teekens laten leiden. Wordt een klank
Taal en Letteren. Jaargang 2
aangeduid door 2 of meer verschillende teekens, dan noemen zij die een tweeklank,
oe en eu zoowel als ou en ei, anders heet hij een enkelvoudige klinker. Wel een
bewijs, dat er in de uitspraak niets is, waaraan zij zich weten te houden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
240
Wie schrijft: ‘dat er schadelijke waarheden bestaan, weet elk docent, die voor zijn
taak berekend is,’ moet ook niet verlangen, dat men een leerling zal uitleggen, wat
hij niet eens kan waarnemen.
Prof. Cosijn citeert mijne woorden: ‘zonder lippen, tong, tanden of keel kan men
geen klank uitspreken. Toch kan ieder h zeggen.’ Het citaat is niet volkomen juist.
Er staat ‘zonder deze spraakwerktuigen enz,’ en daarmee wordt verwezen naar het
voorgaande: ‘noch met de lippen, noch met tong of tanden, noch met de keel.’ Met
opzet zijn hier tong en tanden te samen genoemd; immers werd hier niet mijne
meening uitgesproken, maar slechts de in de spraakkunst heerschende opvatting
gekenschetst. Wie de moeite neemt, de plaats over te lezen, zal zien, dat even te
voren gesproken is van de gebruikelijke verdeeling in keelletters, tongof tandletters
(die te recht niet onderscheiden worden) en lipletters. De aangehaalde woorden
willen dus dit zeggen: ‘Wie leert, dat men zonder keel-, tong en tanden, of lippen
geen medeklinker kan uitspreken, spreekt zich zelf tegen, wanneer hij daarna
opmerkt, dat de h geen keelletter, geen tong- of tandletter, geen lipletter is.’ Dat h
een kehlkopfspirant is, is bekend genoeg en valt in menig boek te lezen. In eene
noot plaatste ik ze onder de keelletters. Waarom? Al weer, om de physiologische
questie zooveel mogelijk ter zijde te laten. In een ruimer beteekenis is het
strottenhoofd wel degelijk een deel van de keel; het ligt dus voor de hand, de h, die
aldaar wordt gevormd, in eene populaire voorstelling, gelijk mijne schets was, onder
de keelletters te plaatsen, wat zelfs in wetenschappelijke spraakkunsten thans nog
algemeen de gewoonte is. Voor den leerling heeft deze opvatting het voordeel, dat
deze naam hem althans een eind op weg helpt, terwijl hij hulpeloos staat, indien
men hem leert, dat h eene aanblazing is, en daarom buiten het verband der overige
medeklinkers staat. ‘En f dan?’ zal hij vragen.
Het verschil tusschen media en tenuis wordt in de landläufige grammatica, gelijk
reeds de nederlandsche namen aanduiden, zóó gekarakteriseerd, dat de media
zacht, de tenuis scherp is. Dat de eerste in 't Nederlandsch stemtoon heeft, de
tweede niet, wordt gewoonlijk niet geleerd, en ik kan er bijvoegen als mijne
persoonlijke ondervinding, dat de weinige door mij aangewende pogingen, om dit
verschil aan de leerlingen duidelijk te maken, slechts zelden veel gevolg hadden.
Maar hoe kan men in boeken, waarin van geen stemtoon gesproken wordt, het
onderscheid tusschen media en lenis leeren? Het is m.i. van het standpunt der
schoolgrammatica volkomen juist, te leeren, dat g het zachte ontploffingsgeluid der
keelklanken is, ontstaan uit k en geschreven als k, en wie dit voorstelt, behoeft
daarom nog niet iemand te zijn ‘die in klankphysiologische questies op eigen gezag
dwaalt.’
Dat de wisseling, van ng met nk uit een historisch oogpunt toevoeging van eene
k is, heb ik nergens beweerd. Wel dat zij dit uit een oogpunt van uitspraak is. De
alledaagsche spraakkunst beschouwd ng als het normale; vandaar dat zij niet spreekt
van eene wisseling maar van een overgang van ng in nk. Ik heb er niets tegen. Mits
men dan ook dezen overgang niet eene verscherping noeme, wat nog steeds
geschiedt, maar eene toevoeging, want het is nu eenmaal een feit, dat men nk
uitspreekt als ng + k. Om dit feit te constateeren, zijn geene inscripties noodig. Te
recht merkt Prof. Cosijn op, dat er in het Nederlandsch tweeërlei w bestaat. Het is
waar, dat de labiodentale w een explosieve klank is; maar dit toe te geven is toch
geheel iets anders dan w en j ohne weiteres voor ontploffingsgeluiden te verklaren.
Ik heb slechts in 't voorbijgaan op deze fout gewezen, zonder eene eigen meening
over de vorming van j en w uit te spreken.
Toegeven moet ik, dat het eene vergissing was, tj eenen enkelen klank te noemen.
Hier heb ik mij onjuist uitgedrukt; ik neem de gelegenheid waar, om op te merken,
Taal en Letteren. Jaargang 2
dat mijne bedoeling slechts was, er op te wijzen, dat tj niet = t + j is, maar een
palatale, zij het dan ook gemouilleerde klank.
Ziehier, wat ik op prof. Cosijn's critiek meen te moeten antwoorden. Wie aan mijn
opstel de eischen stelt, die men aan een leerboek der physiologie kan stellen, zal
er zeker nog heel wat meer op aan te merken vinden. Ik verzoek echter de lezers
van Taal en Letteren, het werk niet als zoodanig te beschouwen, maar als den arbeid
van een onderwijzer, die met het oog op de practijk iets tot verbetering van de
bestaande schoolboeken heeft willen bijdragen.
Leeuwarden, 27 April 1892.
R.C. BOER.
Taal en Letteren. Jaargang 2
241
Boekaankondiging.
Middelnederlandsch.
1. Die bouc van seden, een mndl. zedekundig leerdicht ... opnieuw
1)
uitgegeven en toegelicht door W.H.D. Suringar . - Leiden, Gebr. van der
o
Hoek, 1891. - XL + 196 in 8 . - f 2.50.
‘Een bundel lessen van levenswijsheid voor onderscheiden toestanden in grooteren
getale dan ergens elders is bijeengebracht, die ons in menig opzicht kunnen bekend
maken met de maatschappelijke denkbeelden in de v e e r t i e n d e eeuw, en de
hoogte aanwijzen van de destijds heerschende beschaving, gelijk ook van de toen
gebruikelijke manier van het opvoeden der jeugd’....
dat is de inhoud van dit mndl. rijmwerk.
Veel van wat toen goed, smaakvol, deftig was, vindt men nu nog alleen onder de
arme bevolking, vaak nog maar in de uithoeken van het land en in de achterbuurten
2)
van de steden ; men zal op zulke dingen stuiten als men dit ‘Sedenbouc’ doorleest.
Het is vol van kultuurhistorische bizonderheden: zoo valle men niet met de deur
in huis - alleen verklaarbaar als men sommige ouderwetsche arbeiderswoningen,
zonder portalen kent - maar
(vs. 585) eer du in die dore sult gaen
die du vints besloten staen
saltu hoesten ofte spreken
niet metter druust die dore opsteken.
1)
Vgl. ook Tijdschr. van de Leidsche Maatschappij. X, 257 vv.
o
Dit werk is ook aangekondigd in Het Bibl. Arch. n . 2; in den Spectator door Moltzer; in
o
Korrespondenzblatt des Vereins f. niederdeutsche Sprachforschung, 1891, Heft XV, N . 1,
S. 14, door Franz Sandvoss. - Amsterdammer, Weekblad, 8 Febr. 1891, blz. 4, door Dr. Kalff.
- De Portefeuille, 28 Novbr., blz. 1056, door Aug. Gittée, later ook geplaatst in de Toekomst
(Gent). - Dagblad van Zuid-Holland, door H.S. Jansen. - Nieuws van den Dag, 2 Maart 1891,
e
2)
3 bl. - Algemeen Handelsblad, 21 Jan. 1891 (Ochtendblad). - Friso. Nieuws- en
Advertentieblad voor Friesland, 5 Januari 1892, blz. 4.
Hiermee kan men de mndl. stukken vergelijken, die omgewerkt in volksboeken, ten minste
in de vorige eeuw, onder het volk de rondte deden, b.v. de Reynaert, de Heemskinderen, e.a.
Alsook vele kinderspelen. Vergelijk eens het steekspel, o.a. bij van Lennep, Roos van Dekama,
en het spel, in het friesche tijdschr. For hús en hiem, 1889, S. 255 beschreven, met het
verlos-spel in de steden. - Denk aan wat in de Goede Boerden, ed. Verwijs, blz. 14, reg.
102/3, staat en wat nog gewoonte is in sommige achterhoeken, in veenstreken, b.v. op de
hei.
Taal en Letteren. Jaargang 2
242
Men merkt, aankloppen leert het ‘bouc’ niet.
Nog een ander: min of meer gewijzigd, kent men:
men sal ghegeven paert niet zien
in den mont,
maar ons ‘bouc’ laat er nog op volgen: ‘no tusschen die dien’; dit slot geeft misschien
wat voor de hippologie van de ME.; is het nog een middel om de paardeouderdom
te bepalen? Is het misschien kieschheidshalve later weggelaten?
In de westhelft van Europa gold in de ME. maar een godsdienst: de R.-C. Die
vormde het internationaal verband; thans door andere vervangen, of ook niet
vervangen. Die omsloot alle staatsinrichting, werkte in alles. Misdeed men, men
werd buiten dit verband, derhalve buiten de maatschappij gesteld. Anders geloovigen
stonden eo ipso er buiten, zij hoorden niet tot de menschen; zij waren vogelvrij.
Eerst met de hervorming kwam hierin verandering.
e
Dit verklaart waarom in de XIV eeuw geleeraard wordt:
(vs. 69) Ne doe dinen e v e n k e r s t i n niet
Dattu niet wilds datti geschiet.
En vs. 93:
Dune moets oec niet lieghen
Noch dinen e v e n k e r s t i n bedrieghen
Loghene es onwert ende sonde groot
Want so slaet die ziele ter doot.
e
Terwijl in Cats zijn Trouringh, ‘die codex voor maatschappelijke plichten in de XVII
eeuw’, of in zijn Spieghel van den ouden en den jongen tijd, of in zijne andere werken
al een andere opvatting gepreekt wordt.
De veranderde maatschappelijke toestand maakt juist Cats, het type der krachtige
e
1)
XVII eeuwsche Nederlanders, zoo gewichtig voor de kennis van dien tijd .
Het ‘zedenboek’ en Cats kunnen met elkaar vergeleken; praktische levenswijsheid,
geen geleerde bespiegeling en wijze theoriën is een kenmerk van beide.
De lessen in het ‘Sedenbouc’ waren bestemd voor de toenmalige beschaafden.
Voor wie schreef men ook anders boeken? Het gewone publiek kon niet lezen; de
ridders zelfs vaak evenmin.
Het was een boek voor oud en jong, hoog en laag. Onze zedemeester geeft
welmeenend ‘raad, wat men doen en laten moet om een onberispelijk leven te leiden
en door zijn medemenschen voor verstandig en wellevend gehouden te worden:
waarbij ook soms, ter nadere overtuiging, een algemeen bekend
1)
Vgl. ook eens vs. 379; en Spiegel van den ouden en den jongen tijd, I, 438.
Taal en Letteren. Jaargang 2
243
spreekwoord door hem is te pas gebracht; van welken greep de meeste moralisten,
zoowel van vroeger als later tijden, zich bediend hebben. Hij leert alzoo wat de
Franschman savoir vivre noemt, waarom dit leerdicht zou kunnen genoemd worden
Wellevendheidsleer of Wellevenskunst.’
Ik stel me voor dat deze Wellevenskunst in de scholen gelezen werd; evenals de
1)
Disticha Catonis , een soortgelijk werk.
Het was ook een stichtelijk leesboek voor het huisgezin, waar men ten minste die
kunst verstond: vrouwen waren hierin veelal meer bedreven dan de mannen.
Misschien ook voor vereenigingen en congregaties, geestelijken en niet-geestelijken,
waar men elkaar wilde opvoeden en stichten.
Iets als de werken van Cats in later eeuw; alleen, de exemplaren waren
schaarscher.
Het stond niet alleen. Er waren er meer van dit soort, die Dr. Suringar in de
Inleiding bespreekt.
Hun meedeelingen nemen zij uit allerlei gezaghebbende ‘autores’: zoo noemt de
Spiegel der Jongers op: David, Seneca, Cato, Augustinus, Gregorius, Iheronimus,
Salomon, Sinte Pauwels, Sinte Matheus, Aristoteles, Boecius en AEneas Silvius.
Behalve den Bijbel zegt onze moralist nergens waar hij het zijne vandaan haalt,
evenmin wie zijn autoriteiten zijn. Dr. Suringar heeft ze echter uitgevonden. Een
2)
daarvan heeft onze moralist in het eerste gedeelte van zijn leerdicht, ‘nagenoeg
op den voet gevolgd, waar hij, soms iets in zijn geheel, soms slechts gedeeltelijk,
overneemt; terwijl eene doorloopende vergelijking van beide stukken aantoont, dat
hij ook wel eens alleen naar aanleiding van enkele woorden van dezen zegsman,
3)
een voorschrift gegeven heeft. Doch uit de beide andere leerboeken, eveneens in
4)
het latijn geschreven, is slechts hier en daar een greep door hem gedaan’ . Uit een
5)
omwerking van een latere latijnsche gnomoloog (een verzameling Spreuken) is
ook een gedeelte overgenomen.
Het is dus een soort Bloemlezing, die in het Comburgsch hs. geschreven staat.
Nu is er ook nog een verzameling in een Audenaardsch en in een Haagsch hs. Het
eerste ‘bevat slechts 383 verzen, die zelfs niet een doorloopend geheel van ons
gedicht uitmaken, maar onderscheidene stukken daarvan bevatten, zoodat hier
eigenlijk geen sprake kan zijn van een hs., maar slechts van onsamenhangende
6)
fragmenten . Wat meer is, hij die het afschrift vervaardigde, (heeft) zich veroorloofd
in sommige verzen zooveel veranderingen te maken, dat zijn werk bijna voor eene
omwerking van den
1)
2)
3)
4)
5)
6)
e
ed. Beets vs. 24/5 en blz. 5 vv. Vgl. ook de Lekenspieghel 3 boek; B.v.S. Inleid. XVIII. - Wie
schrijft ons een Gesch. van de Schoollitteratuur in ons land, tijdens de ME.?
Den F a c e t u s , zie Inleid. blz. XXII vv.
Den F l o r e t u s en P h a g i f a c e t u s , Inleid. blz. XXV en XXVII.
Inleid. blz. XXI.
Inleid. blz. XXVIII.
Inleid. blz. XXXII.
Taal en Letteren. Jaargang 2
244
tekst moet gehouden worden. En zelfs is de afschrijver zoo verre gegaan, dat hij
hier en daar eenige verzen heeft ingelascht, waarvan althans in het Comburger hs.
geen spoor gevonden wordt. Ook moet nog worden opgemerkt dat hier de lezer wel
1)
soms met “vrient”, maar meestal met “zoon” wordt toegesproken .’
Een omwerking, die zooveel afwijkende lezingen aanbiedt, dat zij kwalijk onder
den tekst zouden te plaatsen zijn geweest; kan dit niet even goed een vrije bewerking
wezen? Evenals die in het Haagsche hs.? Zelve noemt de uitgever dit laatste ‘eene
Bloemlezing, die uit de werken van onderscheiden dichters’ tezamen gebracht is.
Die in 't Comburger hs. is er evenzeer een, gedeeltelijk naar een latijnsche ‘Vorlage’;
2)
maar waarom de andere niet evengoed? Zulk soort zijn er wel meer .
Ik stel mij het ontstaan van zoo'n Bundel dus voor. Evenals er, 't meest nu zeker
wel, onder de minder ontwikkelden nog gevonden worden, die cahiers aanleggen
voor het opteekenen van spreuken, eigenaardige gezegden, aardigheden, zoo
3)
deden toen de ontwikkelden . Men moest zich op die wijs behelpen. Nu worden
dergelijke Bloemlezingen vaak in den vorm van een scheurkalender of verjaarboekje
gedrukt.
Er mee op éen lijn staan de alba en liederenverzamelingen uit die dagen en later.
Het leven was intiemer dan hedendaags; men wist meer van elkaar, kende elkaar
veel beter. Vernamen nu anderen van zoodanig werk, dan vroegen ze dat ter leen
en schreven het af, met meer of minder wijziging. Men vroeg niet naar die
nauwkeurigheid die we nu van een kopie eischen. Vaak kreeg een zin den vorm,
4)
waarin de afschrijver dien had hooren gebruiken - vele waren ook spreekwoordelijk
- er werd dus in omgewerkt.
Maar ook, een bewerker hingen vaak de oude lessen nog in zijn geheugen; en
zoo kon eenzelfde maar later gemaakt werk veel gelijkenis hebben met een ouder,
5)
zonder daarvan een omwerking of sterk gewijzigd afschrift te zijn .
En, dezelfde b.v. latijnsche ‘Vorlage’ kon door verschillende personen, meer of
minder daartoe in staat, overgezet wezen.
Nu kunnen we, met de ‘Vorlage’ voor ons, wel zeggen, dat de eene tekst beter
lezing heeft dan de andere; maar geeft dit de vrijheid de slechtere daarnaar te
verbeteren? Maar de afschrijver zal die tekst bedorven hebben! Er waren wel
slapende, suffende afschrijvers, maar er waren toch zeker ook, die toen deden wat
nu b.v. Busken Huet, van Vloten, Slothouwer in Pan-
1)
2)
3)
4)
5)
In het Comb. hs. is het ‘meest met ‘vrient’, of ‘goet man’, of ‘jonc man’, of, zoo de les voor
jongeren bestemd is, ook wel met ‘cnape’ of ‘lieve kint.’
Inleid. XXXV, i.f.; XXV, noot; blz. 47, noot; 51, noot.
Vgl. ook Inleid. XXXV/VI, XXIV, i.f. en XXV.
Zie Glossar. blz. 179.
Vgl. ook Inleid. blz. XVII; XXI, i.f., waar de uitgever dit ook aanneemt om de overeenkomst
te verklaren tusschen het B.v. Sed. en de Lekenspieghel en de Disticha Catonis.
Taal en Letteren. Jaargang 2
245
theon-edities deden: op eigen houtje hun schrijver verbeteren. Wie staat er voor in
dat die minder juiste regels niet van den auteur zelve afkomstig zijn? Of omgekeerd,
wie levert het bewijs dat de betere, zinrijker tekst niet te danken is aan den
1)
afschrijver ? Alleen, waar een tekst klaarblijkelijke onzin heeft, mag die verbeterd.
Maar ook hiermee moet voorzichtig gehandeld. Als ik zie hoe door verschillende
uitgevers om deze reden plaatsen worden veranderd, terwijl zij b.v. voor mndl.
2)
liederen dergelijke zeker onaangeroerd zouden laten, met het zeggen: men moet
er veel bij begrijpen; dan vraag ik: waarom past men dat elders niet evenzeer toe?
Men zal dan gewrongen verklaringen krijgen; daarvoor is men bang; men geeft
het dus in een vorm, die voor ons eenvoudiger, klaarder uitlegbaar is; maar was het
ook gewrongen voor den eigenlijken vervaardiger? Zullen niet met eenige eeuwen
sommige teksten van onze beste auteurs worden verbeterd, omdat men ze dan
voor gewrongen houdt? Of is dit zoo onwaarschijnlijk?
En met die veranderingen, die m.i. zoo vaak onredelijk gemotiveerd zijn, doet
men omtrent ME. boeken en hss. een heel andere opvatting krijgen dan wel de
werkelijke is.
Terecht - een prijs voor dit boek - plaatste onze uitgever dan ook de verschillende
redacties achter elkaar. Er zijn geen grafische gegevens toch - de eenige die iets
3)
kunnen beslissen - om aan te geven dat het eene hs. een afschrift is van het andere .
Hij knutselt ze niet door elkaar. Zelfs waar de eene lezing onverstaanbaar is, worden
4)
4)
de andere meestal ter verduidelijking alleen aangehaald, b.v. bij vs. 261 , 376 ,
381, of 453, 487 en 551; zelfs is voorzichtig gehandeld bij 589, 605, 617, 657, 968,
997, 1065, 1076, 1115. Daarentegen moest b.v. 253, 364, 414, 421, 600, 634, 647,
674, 765, 811, 897, 906, 992, 1024, 1117 verbeterd.
De tekst is dus niet zonder kritiek afgedrukt, aan de geloofwaardigheid van het
5)
hs. is echter recht gedaan ; van nagenoeg elke verandering is rekenschap gegeven.
Toch zijn m.i. niet alle nog noodig.
Daar niet waarschijnlijk is dat binnen zekeren tijd een nieuwe uitgaaf zal
verschijnen - wat ook onnoodig is - noteer ik hier die veranderingen welke anders
alleen bij een editie ter sprake komen. Zoo staat in het hs. ‘knapen’, waar de uitgever
dit in ‘cnapen’ (769) verandert; gelts (493), biet (591), wilds (70), vgl. van Helten
295; verechten (133) met éen r, wijzend op
1)
2)
3)
4)
4)
5)
Vgl. ook eens Inleid. XXIX.
Vgl. ook Kalff, Lied ME. 607.
Misschien kan hieraan getwijfeld om vs. 819/20, vgl. vs. 213/4 van het Auden. hs.; maar is
de voorgestelde verbetering op blz. 107 juist? M.i. moet er iets staan van: het is beter te
klimmen en dan dadelijk te vallen, dan zeer hoog te klimmen, en dan te buitelen: ‘ex celsis
multo facilius casus nocet!’ - Bovendien welk verschil is er niet tusschen beide lezingen vs.
658 en Aud. hs. 122; 985 en Aud. 285; 968 en Aud. 272; 1028 en Aud. 320.
Vgl. de Aanteek.; bij de laatste had ook naar Verdam moeten verwezen.
Vgl. de Aanteek.; bij de laatste had ook naar Verdam moeten verwezen.
Vgl. ad vs. 236, 257.
Taal en Letteren. Jaargang 2
246
een toonloos geworden voorvoegsel vĕe(r), met een nog wel als vě gehoorde
uitspraak? - daventuere (289); veryan (293); yemene (312) enz.; doemen (455,
1)
471), vgl. van Helten 90; geselscepe (540); tafele (597); s i j syn (860) .
Het pronomen ‘di’ vindt men als ‘die’ geschreven (324, 351, 666, 935), waarover
a
men van Helten § 330 zie: ‘vaak buiten als 't in rijm’ ‘di’; daarentegen ‘die’ als ‘di’
(692, 942), van Helten § 347, Opm.
Van meer belang zijn andere wijzigingen: ‘claerhoit’ is in ‘clareit’ (445) verandert;
vgl. clarheit, en van Helten § 63? - ‘Prijs’ (573) is ook masc. gen. vgl. van Helten,
blz. 310, i.i.; en daarom moet ‘diene’ niet in ‘diese’ veranderd. - ‘Scrifture’ (244) leest
het hs., vgl. daaromtrent van Helten, blz. 366/7, Stoett, blz. 65. - ‘Ordinen’ (373),
vgl. het Glossarium. - Zelfs is de vraag of ‘beelde’ (247) als dat. plur. niet blijven
moet; vaak is toch de plur. in alle naamvallen gelijk, vgl. van Helten § 260, en blz.
331, noot - ‘ghesent’ is zeker niet in ‘ghesint’ (359) te veranderen, vgl. van Helten
§ 26c, 201. - Moet ‘ghevest du’ (82) wel veranderd? en ‘wat du’ (566)? - Terecht is
634 ‘etet’ in ‘eet’, om het rijm verbeterd, omtrent de vorm-zelf, zie van Helten, blz.
252. - De imperatief sing. eindigt in het hs. eenige malen op -t: merct (308), verwerret
(556), drinct (598), ghedinct (726). Ofschoon van Helten in § 214 zijner mndl. Spraakl.
geen enkel voorbeeld opteekent van imp. sing. op -t, maar vele op -e, of zelfs zonder
2)
suffix, noteert, vraag ik me af of bovengestelde vormen moeten veranderd ; gewoon
toch is de verwarring dat bij het pron. d u het verbum in 't meerv. staat, evenals bij
g h i in 't enkelv., zelfs zijn vormen gemengd (du segts); zou de imperat. daarvan
vrij gebleven wezen?
a
Du dan salt (566) moet niet veranderd, vgl. van Helten § 210 ; vgl. echter ook
510. Wijs (266), imper. zonder uitgang, vgl. idem § 214. Over ‘begrijp men’, (100)
b
vgl. van Helten § 213 . Is ‘siedmen’ (206) te vergelijken met ons ‘hier mangeld men’?
- ‘Berouwen’ kon ook de nom. rei hebben, moet ‘dine’ (106) dus wel in ‘dire’
veranderd? ‘Beromen’ heeft in den regel de gen. rei bij zich, maar vs. 1069 staat
‘dine quade daet’, vgl. zelfs ‘hem beromen’, Praet 1798: ‘so mach ict mi bet beromen’;
Amand I, 5176: ‘dienst, dien ic mochte mi beroemen’. Er zullen nog wel meer plaatsen
wezen, maar in de genormaliseerde teksten heeft men die natuurlijk wel verbeterd.
- ‘Begints eten’ (640) is onnoodig in ‘begints met eten’ veranderd, vgl. Verdam I,
706, vooral 3). Zoo dunkt mij ook niet noodzakelijk ‘metten wine’ in ‘met wine’ (642)
te veranderen. Zoo zal ook 22, 151: ‘van d e n paradise’ wel moeten blijven.
Enkele opmerkingen over den tekst en de Aanteek. nog. Bij vs. 309 is wel Malegys
aangehaald, maar niet de veel meer gelezen Reynaert (I, 182).
1)
2)
De var. bij 370 slaat op het eerste ‘dat’?
In onzen tekst is de -t weggelaten; dit zal in meer teksten het geval zijn; ik heb niet gevonden
of van Helten systematisch de lezing der hss. naast die der uitgaven vermeldt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
247
Bij vs. 371 mist men Verdam's conjectuur ‘sermoen’ (Wdbk., i.v. ghemeene). - Vs.
o
374: In het Ned. Bibl. Arch. n . 2, wordt dit BvS. ook besproken. Om dezen regel
e
brengt de Red. het tot de XIII eeuw, waarmee vs. 698 niet strijdt. Is echter dit
spreekwoord, ontstaan tijdens de kruistochten, later niet meer gebruikt? Vgl. ons:
Bid eenmaal, als je op zee; tweemaal, als je in den oorlog; driemaal, als je trouwen
gaat! In hoelang hebben wij Nederlanders geen oorlog gevoerd. - Vs. 413 vv.: De
daar aangehaalde 5 claves staan in von Richthofen, Fries. Rechtsquellen 342;
Hettema, Oudfriesche Wetten, I, 46/7. - In vs. 473 moet, dunkt mij, ‘stief’ vóor ‘vader’
blijven. Ik vraag ook of in 't mndl. dergelijke constructies - zelden wel is waar, maar
dan toch - voorkomen als het hs. heeft; het omgekeerde van 't geen we nu in den
tekst hebben. - Blijkt uit het rijm van 551/2, dat althans die strofe uit het duitsch is
vertaald (tue: zue?) Een nauwkeuriger onderzoek dan waarvoor ik nu gelegenheid
1)
heb, zou hierin kunnen beslissen . Bij vs. 698 had naar Goede Boerden, blz. 38,
47/8, moeten verwezen. - 713. Hierbij is thans Dr. Stoett, Tijdschr. X, 118, aan te
halen. - 762. zal de lezing van 't hs.: ‘ouden’ wel moeten blijven. - Ad vs. 775, vgl.
Reyn. I, 1075. - 796-800, vgl.? Reyn. I, 1980. - 803. verdoemt, zie 't Glossar.; is er
‘verdoert’ (hs. verdoe't) te lezen? - 908. den lieden (hs.) is wel dat. plur. en is beter
dan ‘der lieder’. - Kan in 968 ook ‘beuulet’ gelezen? - 1007. Vgl. Reynaert I, 672, te
veel gelezen om hier niet bij aangehaald. - 1035. Kan ‘nie’ niet blijven, of als
dialectisch = niet, of soms als ‘nie’ = nooit? - 1042. In voce pec, zie 't Gloss., had
naar Strof. Ged. Martyn I, 23: ‘den helsce pit’ (put) eveneens moeten verwezen.
Dit is een goede uitgave. De teksten zijn nauwkeurig naar de hss. afgedrukt, except
het Audenaersche. Zelfs de scheiding der woorden is genoteerd. Niet echter of een
woord meer of minder leesbaar is.
Ook zijn ten onrechte weggelaten de ‘autoriteiten’ bij het Haagsch fragment, al
schijnen zij fictief (zie blz. XXXVI). Zij konden op weg helpen bij het ontdekken van
verwante hss. enz.
De Aanteekeningen bevatten tal van gelijkluidende plaatsen - latijn als mnederl.;
- menige opmerking ook van indirect belang, is er tusschenin gelascht; grammatische
eigenaardigheden zijn verklaard; nog al eens een betere lezing, ook in de vergeleken
teksten, voorgeslagen. Er is een zekere onregelmatigheid evenwel. Soms zijn in de
Aanteek. de plaatsen besproken en verbeterd, soms ook in het Glossarium; men
3)
dient derhalve zoowel de Aant. als het Glossar. na te slaan .
2)
1)
3)
2)
Op de wijze van Tijdschr. V, 310 vv.
Zoo wordt in de Aant. aan ‘gherede’ en ‘diennen’ een eigenaardige beteekenis toegekend
(ad vs. 625 en 635), daar de eerste wel van in 't Glossar. voorkomt, de tweede niet; ook had
bij ‘wedergheven’ wel naar de Aant. mogen verwezen.
Ad 955, blz. 117: Lisemuschs, is dit Lysimachus??
Taal en Letteren. Jaargang 2
248
Dit flinke, uitvoerige Glossarium besluit het boek; veel plaatsen zijn om te vergelijken
geregeld aangehaald; waar 't noodig scheen, is naar 't mdnl. Wdbk. verwezen; die
naar vele bestaande glossaria brengen den raadpleger op 't spoor. Vaak is van 't
mndl. woord het synoniem of het tegengestelde opgeteekend. Vele bizonderheden
zijn er tusschen gevlochten. Soms evenwel is wel de conjectuur - b.v. ‘ontfaen’, blz.
63 - opgenomen, maar niet de lezing van het hs. - b.v. ‘sparen’ -. Bij ‘scolaken’ moet
nu naar Verdam, Tijdschr. X, 5 verwezen; evenals bij ‘yeke’, ald. III, 204. ‘'t Recht’
zal wel het Rom. keizersrecht wezen, vgl. Zoepfl. e.a.
Ik heb wat veel over dit werk geschreven. Omdat ik meen dat deze uitgave
uitnemend geschikt is voor hem, die zijn studie verder, dieper wil doorzetten, nadat
hij uit Verwijs' Bloemlezing eerst een overzicht van het middelnederlandsch heeft
gekregen. Misschien is 't zelfs nog beter, dat hij tegelijk ook met ‘Die Bouc van
Seden’ begint; zoowel om de inrichting van den tekst, door verschillende kleinigheden
gemakkelijk gemaakt voor den beginner, als de Aanteekeningen en het Glossarium.
Daaruit is voor hem een fonds bijeen te brengen, dat hij later makkelijk kan
vermeerderen.
B.H.
Sprokkel.
Akkerleven van Hubert Cornelisz. Poot.
Het fraaie en overbekende gedicht van H. Cz. Poot, Akkerleven getiteld, wordt zooals
bekend is hier en daar ontsierd door zeer onhollandsche natuurtafereelen.
Uitdrukkingen b.v. als: ‘zijn gladde mellekkoeien in een bogtigh dal hoort loeien’, ‘daar een levendige vliet van de steile rotsen schiet’, - ‘perst hem most, most, die
slechts wat moeite kost’ -, kunnen onmogelijk het gevolg zijn van eigen
natuurbeschouwing, maar zijn zeer zeker reminiscensen van vroegere lectuur. Een
vergelijking van den bekenden epodos van Horatius: Beatus ille qui procul negotiis
etc. volgens de prozavertaling van Vondel, met Poots gedicht levert ons dan ook al
dadelijk het bewijs. Woordelijk vinden wij daar: ‘of in een boghtigh dal zijne loeiende
koeien dwaelen ziet’, - ‘terwijl het water van de steile klippen afschiet’, - ‘en zoeten
most uit een versch vat tappende’. Eene nadere vergelijking tusschen het gedicht
van Poot en Vondels prozavertaling loont de moeite. Vele trekken en beelden zijn
l e t t e r l i j k ontleend aan Horatius' lierzang.
Grijpskerk.
K. POLL.
Taal en Letteren. Jaargang 2
249
Kleine meedeelingen over boekwerken.
De Gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn Hss. uitgegeven door
Dr. J.A. Worp. Eerste Deel. 1607 tot 1623. - Groningen, J.B. Wolters.
o
1892. - Groot 8 . - f 2.90.
Het is te hopen, dat het doen verschijnen van de volledige uitgave der gedichten
van Huygens, naar zijn Hss. door Dr. J.A. Worp, voor den uitgever eene even
gelukkige onderneming zal blijken, als het zien verschijnen ervan voor de
letterkundige wereld een heuglijk feit is. Durf ik voor het eerste niet instaan, het
laatste meen ik zonder vrees voor veel tegenspraak te mogen vaststellen. Van welke
beteekenis het werk is, op welke wijze het door den bewerker is aangevat, leeren
wij uit het eerste deel, dat onlangs verschenen is. Niet alleen maken wij in deze
uitgave kennis met vele tot nog toe ongedrukte gedichten, maar wij worden in staat
gesteld van de meeste bekende en onbekende verzen te zien, hoe H. ze neerschreef,
en welke veranderingen hij er later in aangebracht heeft. Daarbij maken verschillende
aanteekeningen, vooral van biograph. aard, het begrijpen van den tekst
gemakkelijker.
Voorzeker is de arbeid, door Dr. Worp begonnen, eerbiedwekkend te noemen.
Brengt het kiezen uit verschillende stukken voor eenen uit te geven tekst den
bewerker somtijds reeds in tweestrijd, hoeveel te moeilijker is het te beslissen, hoe
men handelen moet, waar verschillende handschriften aanwezig zijn, die zelf weder
op verschillende tijden door den dichter herzien zijn. Consequentie in alle opzichten
is dan dikwijls onmogelijk. Over 't algemeen kan men den bewerker dezer uitgave
niet anders dan lof toe zwaaien over de wijze, waarop hij zich een gedragslijn
getrokken heeft. Zoo duidelijk mogelijk een overzicht te geven van de dichterlijke
werkzaamheid van H. gedurende elk tijdperk van zijn leven, dus de gedichten te
geven in den vorm, waarin ze ontstonden, met bijvoeging van de later aangebrachte
veranderingen, dat is zijn streven geweest.
Onder de moeilijkst op te lossen kwesties behoorde zeker de volgende: Hoe te
handelen met wijzigingen in het Hss.? Zijn ze merkbaar van lateren datum, en is
het doorgehaalde goed leesbaar, dan is de oplossing niet bezwaarlijk; maar de
wijziging kan niet merkbaar uit lateren tijd, of het doorgehaalde niet duidelijk zijn: in
dat geval is de verandering overgenomen. En m.i. terecht; immers de doorhaling
kan onder 't schrijven, of althans onder het overzien gemaakt, en de verbetering
dus toch den oorspronkelijken vorm voorstellen, terwijl, bij onduidelijkheid van 't
oorspronkelijke, veronderstellen, raden altijd hachelijk is. Is de oorspronkelijke vorm
wel leesbaar, dan wordt deze aan den voet der bladzijde vermeld.
Ook de vraag: op welken datum een gedicht te stellen, indien die van den aanvang
en die van de voltooiing ver uiteen liggen, moest opgelost worden. Zeker zou het,
op zich zelf beschouwd, de voorkeur verdienen zich aan dien van den aanvang te
houden, welke die van het ontwerpen is; doch in de meeste gevallen is alleen de
tijd der voleindiging bekend, daarom heeft de bewerker voor de regelmaat steeds
dezen gekozen, met vermelding evenwel van den anderen datum, waar die bekend
was.
Grooter moeilijkheid is gelegen in het rangschikken naar de chronol. volgorde
van ongedateerde gedichten. Ook hierin geloof ik, dat de Heer Worp over 't algemeen
goed geslaagd is; wel ware hier en daar eenige meerdere motiveering gewenscht.
Hoeveel nauwlettende zorg en hoeveel inspanning verder het ontcijferen zelf en
vergelijken van dikwijls in haast geschreven handschriften vordert, dat behoef ik,
dunkt mij, niet nader te betoogen. Eène
Taal en Letteren. Jaargang 2
250
plaats is er, waar ik geloof een zeker spreekwoord omtrent Homerus te mogen
toepassen. Ik bedoel vs. 454 van 't Cost. M. (Worp, bl. 257), waar wij lezen: ‘na 't
rijsen’, terwijl al de uitgaven, die ik kon vergelijken, ‘na 't prijsen’ hebben. Is dit geene
vergissing of drukfout, dan had aan den voet der bl. vermeld moeten zijn, dat al de
drukken hier van het Hs. afwijken. Een fout zou verder kunnen schuilen, maar ik
twijfel zelf, in vs. 33 van C.M., waar we lezen: ‘Twee sierelijcke niet maer sinnelijcke,
brauwen’, terwijl de verschillende drukken hebben: ‘Twee sinnelicke meer dan
1)
sienelicke brauwen’. Sierlijk is mogelijk, maar zienlijk meer te verwachten.
Is het eerste deel van Huygens' Gedichten als proeve voor het geheel belangrijk,
ook op zichzelf is het zeker een der belangrijkste deelen. Het bevat toch behalve
twee der meest gelezen werken ('t Voorh. en Cost. M.) vele tot nu toe ongedrukte
verzen, vooral uit jeugd en jongelingstijd. Iets aantrekkelijks ligt er steeds in 't
aanschouwen van het eerste klapwieken van den dichterlijken geest - al treedt in
H.'s werken het vernuft te veel op den voorgrond, dichterlijken aanleg zal men hem
toch zeker niet ontzeggen? -; hoe kan men zich de stemming voorstellen van den
elfjarige, toen hij den 17 Dec. 1607 ‘sub vesperam’ op het cahier, waarin hij zijne
pennevruchten wilde verzamelen, met jongensachtigen overmoed schreef: ‘Non est
mortale quod opto’, al noemde hij zijn werk slechts ‘versiculi’. Belangwekkend zijn
die verzen ook voor de kennis van zijn karakter en zijne levensomstandigheden.
Ook de gedichten, tot enkele jonge dames gericht, werpen een, zoo niet altijd nieuw,
dan toch helderder licht op de geschiedenis van zijn gemoedsleven.
En wat den bekenden gedichten aangaat, de tekstverklaring wordt ten zeerste
ge- baat door het naast elkaar opgeven van verschillende lezingen en noten, zoowel
1)
2)
van de uitgaven als van de Hss. .
Uit die verschillende lezingen zien wij ook, hoe H. trachtte den vorm vloeiender
te maken, somtijds met verlies van innerlijke schoonheid (o.a. Cost. M. vs. 14).
Meermalen zijn de veranderingen geene verbeteringen (o.a. Voorh. vs. 447).
Slechts eene korte aankondiging, geene beoordeeling wilde ik geven; ik eindig
dus met deze uitgave van Huygens' gedichten dringend aan te bevelen bij allen,
die belangstellen in onze letterkunde, en vooral bij hen, die gaarne wat dieper
doordringen in de kennis van de meesterwerken onzer zeventiende eeuwsche
dichters. Een uitgave van de dichtwerken van Huygens verdient den steun van het
Nederlandsche volk, al moge de nieuwere kunsttheoriën eene andere richting
uitwijzen, dan die hij de ware geloofde.
DEN HAAG, Mei, 1892.
Dr. C.H. PH. MEYER.
1)
1)
2)
Bij 't noemen van dezen regel wil ik eene verklaring opperen voor de volgende, zeer moeielijke,
verzen (34-36), nml. deze: de wenkbrauwen worden door 't uittrekken van de bovenste haren
smaller gemaakt, en tevens, naar Grieksch model, rechter, zoodat zij te zamen als 't ware
ééne lijn vormen, die bij den neus afgebroken is. De beelden van Juno vertoonen
wenkbrauwen, die, wel verre van buitengewoon gewelfd te zijn, eenen zeer zwakken boogvorm
hebben (vgl. Huygensstudien bl. 14).
Toen Dr. Eymael veronderstelde, dat vs. 116 van 't C.M. zou beduiden: ‘Van allen zich minst
vergist’, had hij zeker niet de Lat. kantteekening van H. voor zich (nml. Furentem dicere verum
quid vetat), daar deze zekerheid geeft; evenmin Dr. Verwijs, toen hij in vs 263 de hand van
God bedoeld achtte, waar de aanhalingen van H. opheldering geven, enz.
Een enkel voorbeeld van het nut der verschillende lezingen van de Hss. Dr. Eymael verwierp
de verklaring van Crans (vs. 46 van 't C.M) als hoofdtooisel, en gaf die van kroonlijst,
overdrachtelijk voor het kleedingstuk 't bouwen. Het Hs. bevestigt deze verbetering, daar het
in plaats van Crans het woord trans heeft.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Een inleiding tot Vondel, door Albert Verwey. - Amsterdam, 1892. W.
e
Versluis. - f 7.20. l Aflevering.
Voor eenige weken werd ik, en velen met mij, aangenaam verrast door een
prospectus, dat de spoedige verschijning eener Inleiding tot Vondel van Albert
Verwey aankondigde en motiveerde. Dit werk, zoo luidde het, zou de mooiste en
kenmerkendste verzen van Vondel bevatten ‘met, erdoor-heen, losse volzinnen en
stukjes proza, waarin de schrijver het mooie en kenmerkende van die verzen en
van Vondel bespreekt’. Het doel zou zijn ‘den lezer in te leiden tot en aan hem
Taal en Letteren. Jaargang 2
251
voortestellen den heelen Vondel, in zijn aard en ontwikkeling, zóo dat ieder, die dit
boek gelezen heeft Vondel kent’, en daardoor misschien lust zou krijgen, ‘ook de
massa van zijn werk in te zien’. Vooral zou de Heer Verwey wijzen op het mooie
van Vondel, en zou hij die mooiheid niet ‘wegstoppen achter geleerde noten, die,
terwijl ze duizenden kleinigheden van een dichtstuk afzonderlijk zien laten, de
aandacht afleiden van het eenige, dat vóor alles belangrijk is: het karakteristieke
mooi van het Geheel’. Ter wille van den lezer zou de spelling gemoderniseerd
worden. De op die wijze uitgegeven stukken zouden ‘voor leeken leesbaarder zijn’.
Hier heb ik een bedenking: is zonder taalkundige, historische en litterair-historische
uitlegging Vondel voor leeken wel recht leesbaar? Ik geloof niet: Vondel staat in tijd
en kunstrichting te ver van ons, om zonder uitlegging door leeken goed te kunnen
worden gevat.
Een paar voorbeelden, genomen uit stukken, die in de nu verschenen eerste
aflevering van Verwey's werk opgenomen zijn. In de Rei van Eubeërs uit den
Palamedes wordt het geluk beschreven van den ‘burgerboer’, die niet bang behoeft
te zijn voor allerlei gevaren, die den ‘man van staat’ bedreigen.
Ook schuilt hij voor de poenjerts vrij
Die, achter de tapisserij
Den man van staat het lijf ontzeggen,
En zijne voorspoed lagen leggen.
Van een leek kan men niet verwachten, dat hij dit van zelf begrijpt. Is het nu niet
aangenaam en dienstig voor hem, als een korte noot hem leert, dat eertijds de
zaalmuren der paleizen met tapijten waren behangen, achter welke nog ruimte
genoeg was om zich te verschuilen. Men kan dan daarbij verwijzen naar Hamlet,
die den achter het tapijt luistervinkenden Polonius doodsteekt. Daarmede is de lezer
dan geheel en pays de connaissance, 't geen het begrijpen van Vondel ten goede
komt.
De mythologische inkleeding van de Geboortklok van Willem van Nassau moet
wel op den leek een vreemden indruk maken. Hij zal vertrouwelijker worden met
dat mooie gedicht, als men hem leert, dat Vondel hierin een in zijn tijd zeer geliefden
stijl volgt, die niet alleen is de poëzie, maar ook in de andere kunsten veelvuldig
aangetroffen wordt. Het is geheel dezelfde stijl, dien b.v. Rubens volgt in zijn ten
jare 1625 voltooide tafereelen uit het leven van Maria de Medicis, die in het Louvre
hangen. Al licht heeft de lezer die tafereelen gezien of daarvan gehoord en - ziedaar
hem weer een stap nader tot Vondel gebracht.
In het zelfde gedicht leest men in een beschrijving van sterren en sterrebeelden:
In 't noorden grimt de beer, in 't zuiden
pruilt de pauw.
Bij ons beteekent pruilen nagenoeg: uit zijn humeur zijn. Hoe wint Vondel, als ons
even gezegd wordt, dat in pruilen oorspronkelijk het begrip van trots ligt, vgl. het
Eng. proud, waarmee pruilen samenhangt. Nu blijkt het woord op deze plaats het
juiste, het eenig juiste te zijn. En wat beteekent in het begin van den Rijnstroom:
Gij koomt uit Zwitsersche Alpen springen,
Als hoofd-aâr der begaafde Euroop?
Natuurlijk niet ons begaafd, maar kan het ook zijn: rijk, vgl. Got. gabei = rijkdom,
zoodat Vondel hier Europa en haar stroomen met een rijke zilvermijn en haar aderen
vergelijkt?
Taal en Letteren. Jaargang 2
Wat de spelling aangaat, die is voor het begrijpen van een dichter natuurlijk slechts
daar van belang, waar zij dienstig is voor het vaststellen der beteekenis van een
woord. Waartoe haar gemoderniseerd? Ik voor mij heb ook hierin Vondel liefst
onversneden. Ook voor den leek heeft de oude spelling geen bezwaren: met een
weinigje oplettendheid is hij er in een oogenblik achter. Voor den bewerker is het
overbrengen puur tijdverlies.
Nu meene men niet, dat ik deze bedenkingen uitgesproken heb om het werk van
den Heer Verwey kwaad te doen, of om een oratio pro domo te houden; ik wilde ze
onder zijn en anderer aandacht brengen in de hoop daardoor een verkeerde meening
te helpen opruimen.
Waar in het prospectus scheiding gemaakt wordt tusschen hen, die door een
dichter verheugd, en hen, die door een dichter geleerd willen worden, kies ik dadelijk
partij voor de eersten, echter niet zonder een klacht over de, schijnt het,
onoverkomelijke schoolschheid, die, volgens den Heer Verwey, die scheiding nog
altijd tot een werkelijkheid maakt. Alle door mij voorgestane uitlegging is ook voor
mij slechts hulpmiddel. En nu is het maar al te waar, dat het hulp-
Taal en Letteren. Jaargang 2
252
middel zich te vaak als iets zelfstandigs op den voorgrond dringt. Den Heer Verwey
ben ik dankbaar, dat hij - is het voor het eerst? - wil wijzen op het mooie, het enkel
mooie van Vondel, al had ik gaarne gezien, dat hij ook aan den noodzakelijken
onderbouw der Vondelstudie had willen medewerken.
De eerste aflevering der Inleiding ligt nu, als ik zeide, voor mij en blijkt overeen
te komen met de beginselen van het Prospectus. Zij geeft de beide eerste
hoofdstukken en het begin van het derde. Het eerste brengt ons tot ongeveer 1624;
het bevat enkele korte aanhalingen uit Vondels vroegste gedichten, en een langer
uit zijn Lof der Zeevaart. Het tweede geeft ons: Beekzang, Kruisberg, Geuzenvesper,
een fragment uit den Palamedes, en eindigt met de geheele Geboortklok van 1626.
Het derde bevat naast kleinere aanhalingen den Rijnstroom, een fragment uit den
Roskam, Huyg de Groot's verlossing, Olijftak aan Gustaaf Adolf, Kinderlijk, Lijkzang
over Dionijs Vos, Op den zendbriefschrijver van D. Mostert, Op Jonkvrouw Isabel
Le Blon en het begin van den Gijsbrecht, die in de volgende aflevering zal worden
voortgezet.
Wat betreft Verwey's opmerkingen zal niemand eischen, dat ik in deze korte
aankondiging, die in druk moet enkele dagen na het uitkomen der aflevering, een
oordeel daarover vel. Ik zal er dit van zeggen, dat ik den schrijver vaak wel en met
instemming, maar vaak ook niet begrijp. Trouwens, van zulk een onmiddellijk
begrijpen en met hem mee gaan zon hij niet gediend zijn. Immers, als men
conventioneele praatjes over poëzie - b.v. hoe welluidend, hoe gevoelvol, hoe
verheven! - aan elkander mededeelt, dan begrijpt men elkander onmiddellijk en
zonder eenige moeite, of liever: er valt eigenlijk niets te begrijpen en men noemt
het maar zoo. De Heer Verwey echter wil enkel en alleen de indrukken mededeelen,
die hij-zelf werkelijk bij zijn studie van Vondel gevoeld heeft, en om nu die indrukken
na te gevoelen, eischt ook studie en tijd. Dat zich verre houden van alle conventie
geeft zich natuurlijk kond in des schrijvers stijl; wie zou het anders van hem
verwachten? Opmerkelijk is dit vooral daar, waar hij de indrukken mededeelt, die
de Gijsbrecht op hem heeft gemaakt, bl. 67 en 68. Die indrukken waren zoo levendig,
dat de gewone alledaagsche schrijftaal ten eenenmale ongeschikt zou geweest zijn
om ze zóo weer te geven, dat die levendigheid geen schade leed.
Naar mijn hart gesproken is het volgende: ‘Als ik beweer, dat ik maar zelden van
een drama zoo groote verbeeldingen gekregen heb als van Vondels Gijsbrecht om er een bekend te noemen - dan wil ik daarmeê beweerd hebben, tegenover alle
schooldefinities waarnaar is uitgemaakt dat Vondel geen een goed drama schreef:
dat diezelfde Vondel onze groote en zéer groote dramadichter is geweest’. Hoe ver
zijn wij gelukkig reeds van den tijd, toen men Vondels stukken placht te meten met
een abstract-aesthetischen meetstok van uitheemsch model, en ze natuurlijk te
klein vond, tot groote voldoening der velen, die er nu eenmaal een leerstuk van
hadden gemaakt, dat ons land wel in de schilderkunst, maar in de litteratuur nooit
iets groots had opgeleverd.
Eerst als het werk compleet is, is de tijd gekomen voor een volledige beoordeeling,
die ook daarom vol belang kan zijn, omdat ze ons zal moeten uiteenzetten, wat er
verscheidens en vooral wat er gemeens is in den zeer modernen dichter Verwey
e
en onzen eersten dichter der 17 eeuw.
Laten wij, voor wat de Inleiding niet geeft, ons, zoo goed en zoo kwaad het gaat,
behelpen met de bestaande edities met noten, en als aanvulling van die boeken
ons voordeel doen met de oorspronkelijke opmerkingen van den Heer Verwey in
zijn niet alleen nieuwerwetsch, maar ook nieuw en frisch boek.
ZWOLLE, Mei 1892.
N.A. CRAMER.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Biographisch woordenboek der Noorden Zuid-Nederlandsche letterkunde
door J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden. Tweede, omgewerkte
druk. - L.J. Veen, Amsterdam. - f 14.25.
Te recht staat op den titel: tweede omgewerkte druk. Wij hebben ons daarvan
vergewist, door enkele artikelen, die wij meenen te kunnen beoordeelen, na te slaan.
Zoo vonden wij bij Maerlant de sedert 1878, het jaar van den eersten druk,
verschenen uitgaven van zijn Merlijn, Strophische gedichten en Historie van Troyen
behoorlijk vermeld. De jonge
Taal en Letteren. Jaargang 2
253
Constantyn Huijghens, wiens Journael na 1878 uitkwam, is thans opgenomen. Het
artikel over Blasius is wegens het in 1881 verschenen artikel van Dr. J. te Winkel
over dien dichter belangrijk uitgebreid. Kretzer, wiens groot aandeel in den Braga
eerst na 1878 algemeen bekend geworden is, staat nu vermeld. Zoo zouden wij
kunnen doorgaan, maar dit weinige is voldoende. Ook de letterkundigen, die na
1878 naam hebben gemaakt, zijn bijna volledig opgenomen, al missen wij enkelen;
waarom b.v. niet A. Verwey en H. Gorter? Daar absolute volledigheid ondenkbaar
is, zou het echter dwaas zijn van die enkele omissiën de bewerkers een grief te
maken. De uitstekend zorgvuldige bewerking dezer tweede editie is b.v. gemakkelijk
te kennen door de verschillende artikels Muller met die der eerste te vergelijken.
De in den eersten druk vermelde Phil. L. en J.F.L. Muller werden te recht geschrapt;
men moet zich ook voor het teveel wachten. Nieuw opgenomen werden F. Muller,
de antiquaarletterkundige en P.N. Muller, de koopman-letterkundige, beiden zeer
ten onrechte vroeger niet vermeld; de artikelen over Dr. P.L. Muller, den Leidschen
hoogleeraar en Mr. S. Muller Fz., den Utrechtschen archivaris werden behoorlijk
aangevuld; voorts werden nieuw opgenomen J.D.L. en J.W.A. Muller, die minder
bekend zijn, Dr. H.C. Muller, de bekenden neo-Hellenist en Dr. J.W. Muller, onze
Vaderlandsche lexicograaf.
De eerste druk had 756, de tweede 918 bladzijden van ongeveer dezelfde grootte;
zoo kan men in cijfers den omvang der omwerking taxeeren. Daarbij wete men, dat
die nieuwe druk niet minder dan ongeveer 5000 artikels telt. Uit het bovenstaande
kan men zich eenige voorstelling maken van de degelijkheid van dit uitstekende
werk, dat voor beoefenaars onzer letterkunde, bibliographen, archivarissen, couranten tijdschriftredacteurs onmisbaar is. In het prospectus werd beloofd, dat zoo mogelijk
aan het werk een register der belangrijke pseudoniemen zou worden toegevoegd.
Wij hopen, dat dit toevoegsel alsnog zal verschijnen, daar wij dit werkelijk onmisbaar
achten. Zoo zochten wij b.v. vergeefs naar een artikel over de schrijfster der voor
twintig jaar in den Gids onder den pseudoniem Constantijn verschenen novelle
Hilda, die toen zooveel gerucht maakte. Van Doorninck geeft, meenen wij, ten
onrechte als schrijfster op Mevr. Storm van der Chijs. Wij gelooven, dat dit moet
zijn: Mevr. Storm van 's Gravesande. Het begeerde toevoegsel zal ons, mocht het
verschijnen, wel goed over dit en dergelijke punten inlichten.
CR.
Everhardus Johannes Potgieter. Persoonlijke Herinneringen van
Nicolaas Beets. Haarlem, de Erven Bohn, 1892. - f 1.25.
De kleinzoon van van der Palm, die ons volk de Camera en de Korenbloemen
schonk, vertelt in dit boek van zijn Romantische Jeugd; van de dagen, toen hij mede
hielp het tijdperk te vormen, dat in hem-zelven ook een zijner klassiekste d.i. een
zijner karakteristiekste, zuiverste, schoonste vertegenwoordigers bezitten zou en
nog bezit. Wiens nieuwsgierigheid zou hij niet prikkelen? Wie luistert niet gretig?
Het is een boek voor de leestafel en een boek voor de studie.
Te vernemen dat de schrijver zich in den zegen van een frisschen, steeds
veerkrachtigen, bezielden ouderdom verheugt, zal duizenden onzer landgenooten
goed doen. Die dit boekske ter hand neemt en leest, heeft het niet enkel meer van
hooren zeggen, hij gevoelt en geniet de gezondheid en de bekoring van deze
grijsheid, die gerijpte jeugd is. Deze bladzijden over dagen van bezieling hebben
zelf hun ziel. Zij hebben de ziel van den uitnemende die een halve eeuw aan zich
Taal en Letteren. Jaargang 2
zelven arbeidde, zonder zich geweld aan te doen; die een halve eeuw school ging,
en school kòn gaan, zonder een schoolkind te worden. Er is in dit boek een hooge
onbekrompenheid, een edele openhartigheid en een eerbiedwekkende wijsheid.
De vrienden van den auteur zullen niet het minst verheugd zijn om het vijfde
hoofdstuk, waarin zij Potgieter over Beets hooren spreken. Pikant zal het allen zijn
in Hoofdst. II, en passim, van den omgang tusschen deze twee uitstekende maar
uiteenloopende personen te lezen. Tot de kennis van Potgieter is het geheele boek
eene belangrijke bijdrage. De jongeren die den ‘mighty Pot’ niet gekend hebben,
zullen hun beeld van dezen levenwekker wederom vervolledigen. Iets naders vindt
men hier omtrent de rol, die de vrouw in Potgieters leven heeft gespeeld. Aandoenlijk
is het te vernemen, hoe de rijk-
Taal en Letteren. Jaargang 2
254
begaafde zich door het leven teleurgesteld gevoelde. Gaarne leest men van zijn
eerbied voor Geel en van der Palm. Met Hoofdstuk IV en VI vooral zal de
Litteratuurgeschiedenis haar voordeel doen: het eerste behelst menig letterkundig
oordeel over de Letteren van de jaren 1835-1840; het andere is hoogst merkwaardig
voor de. geschiedenis van den Gids. Grootendeels geput uit Potgieters Brieven aan
Beets, met bewonderenswaardige takt en kiesche oprechtheid toegelicht, wekken
deze bladzijden-met-elkaar alles op, wat we van elders weten: wij leven mede, wij
hooren de stem van dat tijdperk.
Er wordt ons nog meer geschonken. Een zeer opmerkelijk, een edel tevens en
schoon gedicht van Potgieter ter herinnering aan Aernout Drost in het Stamboek
van zijn vriend Nicolaas Beets. Met de mededeeling dezer verzen is den vereerder
van P. metterdaad een zeer goede dienst gedaan.
Eindelijk: des Auteurs Brief aan den Heer E.J. Potgieter, over zijn opstel in ‘de
Gids’, getiteld: Piëtistische Poëzy. Beets had Albertine Kehrers Gedichten met een
voorbericht bij het Publiek ingeleid. In de Gids van 1853 had Potgieter in het bekende
opstel den staf gebroken over deze Poëzie. Onder den titel Bevoegde Kritiek? was
de Openbare Brief van Beets, protest, weerlegging en terechtwijzing in den
Recensent van 1853 verschenen. In de Kritische Studien III werd Piëtistische Poëzy
herdrukt, als een zeer gewichtig document voor de kennis van zijn auteur; men leert
hem in positieven en negatieven zin er uit kennen. Dit geschiedde ondanks Beets'
protest en terechtwijzing. Zoo zag deze zich verplicht, nu de gelegenheid zich
voordeed, ook zijn Openbaren Brief Bevoegde Kritiek? in herdruk te geven. Van
bladz. 63-98 boeit ons dit voortreffelijke stuk in het onderhavige boekske. Hem die
verstaan kan en verstaan wil, is het nóg eene bijdrage - niet enkel tot de kennis van
Beets, maar ook voor de kennis van Potgieter. Ons althans is het dit; gelijk in de
eerste, zien wij ook in de tweede helft dezer Herinneringen onze voorstelling van
Potgieter steeds mèèr bepaald worden. In de Kritische Studien hadden wij Potgieters
artikel niet gaarne gemist. Wij verheugen ons dubbel over de opneming, nu zij
aanleiding moest geven, dat Beets zijn Brief aan de vergetelheid onttrok. Een edel
duel!
Thans hebben wij Potgieter over Bakhuizen en Fruin over Bakhuizen en Huet
over Potgieter en Beets over Potgieter. Het hart van een rechtschapen letterkundige
verdaagt er van. Hij zegt tot zichzelven: Men mag onze Romantiek dan toch nog
wel zien! En hij brengt den Nestor in Utrecht zijn warmen dank en roept hem in
gedachte een Plurimam Salutem! toe. Hij ziet het boekje er nog eens op aan en
verheugt zich, dat deze lichte, veerkrachtige pen nog niet behoeft te gaan rusten
en koestert de hoop, dat zij voor alsnog ook niet - voor goed zal willen rusten.
Z.
V.D.B.
Pieter Langendijk door F.Z. Mehler. 1892. - Culemborg, bij Blom en
Olivierse. - Prijs f 0.75.
Gelijktijdig met den Heer Dr. Meijer, liet ook de Heer F.Z. Mehler, beambte bij de
Stads-Universiteits-Bibliotheek te Amsterdam, zijne gedachten gaan over Langendijk.
De heer Mehler is niet enkel drama-kenner, hij is ook tooneelkenner. Wij voor ons,
die het stoffige en havelooze van Langendijk altijd had afgestooten, hebben aan
dezen begaafden Gids den juisten kijk op den miskende als persoon en als dramatist
te danken. Wij aarzelen niet, als onze overtuiging uit te spreken, dat hoe voortreffelijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
de arbeid van den Heer Meyer moge zijn, wat het tooneelwerk aangaat, het oordeel
van Mehler alles overtreft wat ooit over Langendijk in 't midden is gebracht. De
stoffige is nu een mensch geworden; de stoffige boekjes zijn nu arbeid van dezen
mensch. Er is groot talent in dit boek; een benijdenswaardige vrijheid van geest,
een buitengewone gemakkelijkheid van beweging, een open oog en een scherpe
blik; aan waarheidszin paart er zich neiging tot waardeeren; en eindelijk: deze
schrijver is een auteur: daar is ziel, karakter en verstand in zijn taal. Het zou ons
niet verwonderen, als de kenners groote verwachting van den Heer Mehler gingen
koesteren. Wij wierpen al gaarne een blik in de toekomst. Het is jammer dat
Langendijk den schrijver niet in persoon dankbaar kan zijn. Er is niets beters over
hem te zeggen misschien. Het is zeker, dat er nooit iets beters en verstandigers
over hem werd gezegd.
V.D. B.
Taal en Letteren. Jaargang 2
255
Sprokkels.
Van Lennep en Walter Scott.
De lezers van Scott's The Bride of Lammermoor zullen zich herinneren, dat in dezen
roman een profetisch rijmpje voorkomt, luidende:
‘When the last Laird of Ravenswood to Ravenswood shall ride,
And woo a dead maiden to be his bride,
He shall stable his steed in the Kelpie's flow,
And his name shall be lost for evermoe!’
Van het oogenblik af, dat wij met deze noodlottige profetie omtrent het geslacht
Ravenswood bekend zijn geworden, is het geheele verdere verloop van het verhaal
er op aangelegd, deze sombere voorspelling in vervulling te doen gaan.
Ook in De Roos van Dekama is van een oud volksrijmpje sprake (Hoofdst. 13);
ook in Van Lennep's roman is verder, naar men weet, de gang der
hoofdgebeurtenissen zoodanig geregeld, dat alles er toe leiden moet, deze
voorspelling tot waarheid te maken. De invloed van The Bride of Lammermoor (in
1819 verschenen) op De Roos van Dekama valt dus, dunkt mij, niet te miskennen.
- Wat nu het in De Roos voorkomende Friesche rijmpje zèlf betreft, dit zal Van
Lennep wel niet aan Walter Scott ontleend hebben. Er staat toch in Winsemius
o
b
(1622) f 201 :
As Dequama dy middelsta boeckstave verliest
En voor dy tredda een othera kiest
Schilt haegacht wesa, en prosporerije
Den hondert en noch fuyle ieer deerney
Sehelt maest worda wey,
En graetlijck declinerije
Maar weer boppa comma
Asick troch Godts wijsheyt woll hab vernommen.’
Aldus naar Eelcko Lyauckema. - Van Lennep, die voor zijn Roos de Friesche
1)
auteurs bestudeerd heeft, zal dit rijmpje ongetwijfeld gekend hebben.
P. VISSER.
Sik.
Het pronomen sik, de echte Nederduitsche onverschoven vorm van het Hoogduitsch
de
gekleurde zich, is in Overijselsche brieven en requesten der XVI
1)
en
Voor eene detailstudie verwijzen wij naar de Friesche kroniekschrijvers Worp en Petrus van
Thabor en in 't bijzonder naar Ocko Scharl. Vgl. ook Iduna 1847, blz. 22.
Taal en Letteren. Jaargang 2
256
de
XVII eeuw niet ongewoon. Te Meppel (naar ik meen ook in het aangrenzende
Overijselsche, te Staphorst en daar) leeft de uitdrukking desik, door het volk niet
meer etymologisch begrepen. Besik is bij sik = bij-zich d.i. op zich zelf. Zie hier het
gebruik. Een jonggehuwd paar gaat bij de schoonouders in, maar ‘ze wònen besik’
d.i. wonen evenwel apart. De kinderen zitten op een middag niet mee aan tafel; er
zijn gasten; zij eten besik, d.i. aan een tafeltje apart. Goed toebereide beten, zeggen
sommige huisvrouwen, behooren door de saus gebonden te zijn; zij houden er niet
van, als de ‘plakjes’ (schijfjes) zoo besik blijven (ook: zoo enkelt blijven): niet aaneen
kleven. Een paartje of goede kameraden gaan in de kajuit van een boot in een
hoekje besik zitten; in het logement eten zij niet aan de algemeene tafel, maar besik.
Voor het volk is dit besik één woord.
V.D.B.
Vragen.
6. De herfstmaand was haar loop ten eind: STARING, Vogelschieten.
Een Tweede Schaar: - dwaalt heur doel niet mis! ‘Arnhem Verrast.
In welken naamval staat haar loop, heur doel? Staan loop en doel hier redekunstig
gelijk? Waarom?
*
7. STARING, Zang bij den haard:
't Valt mijn glas bezijden:
Is er iets tegen om dit bezijden een voorzetsel te noemen (de letterlijke beteekenis
van den term daargelaten)? Vgl. Ivo, Volksuitgaaf, 143: ‘Wat taal den weg langs
werd gesproken’, - en in Lochem behouden: ‘Het spoor langs’.
Van waar het onderscheid tusschen ‘Hij loopt langs het water’ en ‘Hij loopt het
water langs’? - Het onderscheid tusschen voorzetsel en bijwoord, bedoel ik. In
hoeverre is langs in den laatsten zin geen voorzetsel?
Breda.
J. Hs.
***
8. Hoe moet men de -t (in m i j n e n t h a l v e (enz.), t e n m i j n e n t (enz.) verklaren?
A.L.
Verbetering.
Men verandere: blz. 30 noot, ‘Weekblad’ in ‘Dagblad’; terwijl op blz. 21, onderaan
de noot is weggevallen: Vgl. voor het mnederl. van Helten, Spraakl. blz. 391.
Taal en Letteren. Jaargang 2
257
Potgieters Liedekens van Bontekoe.
1)
AANTEEKENINGEN.
(Vervolg.)
vs. 203. Erinn'ring, zonder lidwoord, daar het als eigennaam wordt gebruikt. Vgl.
Da Costa, 1648 en 1848: Geschiedkunst op dien naam wijst hemelwaart. Staring,
Hertog Willems Bedevaart: Waar Echo, als de Meimaand keert, den zang van
duizend vogels leert, enz. Toch wordt bij dergelijke personificaties ook meermalen
het lidwoord gebruikt; Potgieter had ook kunnen schrijven: De erinn'ring, enz.
vs. 205-208. Men zou allicht gemeend hebben, dat de herinnering hem den vrijer
en de vrijage van Roeltjen weer voor den geest had gebracht, doch dit was niet het
geval. Het liedje deed hem denken aan Roeltjen, toen zij nog pas zeven jaar oud
was en hij nauwelijks vijftien. De regels 203-204 zijn dus beperkend tegenstellend
(doch, echter, nochtans) met de drie volgende verbonden en deze zuiver
tegenstellend (maar) met het volgende.
vs. 205. schelmsch in den gunstiger zin van ‘guitig, schalk’.
vs. 206. 't wijsjen, niet de melodie, maar het liedje. De liedjes worden door P.
uitgegeven voor echte volksdeuntjes, door vergeten volkszangers gedicht.
vs. 209. groenen: ‘groen zien, zich groen vertoonen’. Vgl. snellen, suffen, mallen,
pratten (op), enz. die ook beteekenen: ‘De eigenschap snel, suf, mal, prat, enz.
vertoonen’. - in 't lief verschiet, dat de verbeelding hem weer voor den geest tooverde.
vs. 210. Sneeuw: ‘witte bloesem’, overdracht wegens overeenkomst van kleur.
vs. 213. des achternoens: ‘des namiddags’, vgl. eng. afternoon. Noen uit het lat.
e
(hora) nona: het 9 uur van den kerkelijken dag, d.i. 's middags 3 uur. In het
dagelijksch leven kreeg het de bet. van ‘middag’. Zie ook Franck en Vercoullie.
vs. 214. schouw: ‘schoorsteen’, een van die woorden uit het Zuiden, door
1)
In de nummering der verzen is in de vorige aflevering eene fout geslopen. De lezer gelieve
te verbeteren vs. 170 in vs. 165, enz. - Uit de vergelijking met de oorspronkelijke uitgaaf der
Liedekens blijkt, dat vs. 21 inderdaad moet gelezen worden: liefdespelen. De vraag vervalt
dus.
Taal en Letteren. Jaargang 2
258
dichters gebruikt, omdat ze niet alledaagsch zijn. Pluiken, een bijvorm van plukken,
die ook meermalen bij Vondel voorkomt, bijv. Lucifer, vs. 2150: Gedoogh niet datze
pluicken d'onsterfelijcke vrucht. Niet te verwarren met het vroeger st. ww. pluiken:
‘plooien, sluiten’, dat o.a. voorkomt bij Bilderdijk: de ontploken vlerk, met wieken blij
ontploken, de krijgsbanier ontploken. Ook de romantici van eene halve eeuw geleden
gebruikten gaarne dit woord.
vs. 215. de oogen uit joks luiken: ‘ze voor de grap sluiten’, zich houden, als of
men slaapt; uit joks met de adverb. s evenals vroeger ter sluiks. Men vergelijke de
beteekenissen van scherts, jok, luim en boert.
vs. 218. een wolk van levenslust. Gezonde, dikke, stevige kinderen en menschen
worden wel bij eene wolk vergeleken: een kind als eene wolk, een kerel als eene
wolk (Van Dale). Misschien wegens de zachte, ronde, mollige omtrekken, in
tegenoverstelling van de schrale, hoekige der magere? P. spreekt ook in Jan,
Jannetje en hun jongste kind van eene wolk van schepen, om daarmede eene dichte
menigte aan te duiden. Noemt men nu bij overdracht een kind-zelf eene wolk, dan
kan men er, als bepaling, het kenmerk, dat het meest in 't oog springt, achter voegen:
eene wolk van levenslust, gezondheid.
vs. 223. dat gaat te hoof, regel uit een oud kinderliedje; zoo rijden de
Amsterdamsche kinderen op de knie naar den Overtoom. hoof voor hove, dat. van
hof.
vs. 225. klepper, eene benaming van het ros, vooral in den tijd der Romantiek
veelvuldig gebruikt, en ontleend aan het klappen, klepperen der hoeven.
vs. 226. wijl: ‘terwijl’.
vs. 227. luwt(e) van blaêren; metonymia voor ‘luwe bladeren’.
vs. 228. gierend: ‘kraaiend, gillend’.
vs. 230. invaren: ‘invliegen, insnellen’. Varen in de oude bet. van ‘gaan’ met het
bijbegrip ‘snel’; vgl. vaart: Hij kwam met eene vaart op mij af. Eene huivering voer
mij door de leden. Over de vorming en regeering van zulke werkw. met voorzetsels
zie men T. en L. I, p.
vs. 231. 't Is geen kind, die, enz.: ‘'t Mag wel een man wezen, die, enz.’ die en
niet dat, daar de zin eigenlijk is: Die R. in den donker vindt, is geen kind. Hier stemt
dus het voornw. noch met het onderwerp, noch met het naamw. deel van 't gezegde
overeen. in den donker, dat. onz. enk. van het donker.
vs. 234. de scheem'ring, meton. voor ‘de boschjes, die in schemering gehuld
waren’. Voor den naamv. vgl. de boschjens invaren. Tegenwoordig doet men best,
dergelijke plaatsbepalingen te beschouwen als accusatieven, wèlken naamv. ze
vroeger ook mogen gehad hebben. Zie ook de aant. op vs. 133.
vs. 237. die wilde weelde; weelde in den zin van ‘genot, vermaak’, wild,
Taal en Letteren. Jaargang 2
259
omdat ze bestond in druk gestoei. Men lette hier en elders op de allitteratie, waarvan
P. ook in dit gedicht hier en daar gebruik maakt.
vs. 238. kweelen: ‘zingen’ van personen gezegd, is thans een archaïsme; in de
e
e
17 en 18 eeuw niet.
vs. 240. vremd, bijvorm van vreemd, vgl. mndl.; en hd. fremd. 't, nl. het liedje, dat
hij voor Roeltjen gezongen had.
Louw en de waarzegster.
vs. 3. hoe maats we waren: ‘welke groote vrinden we waren.’ Men zou den zin
kunnen beschouwen als eene omzetting van hoe we maats waren: ‘hoezeer we,
enz.’, maar dit is onnoodig. Men kan hoe maats ook aanmerken als het meerv. van
hoe'n maat, waarin het bijw. hoe den dienst doet van uitroepend-vragend voornw.
Vgl. Weet je nog wel hoe 'n hekel hij daaraan had ‘welk een' grooten hekel, enz.?’
vs. 4. naar Groenland. Het zal wel niet noodig zijn, te wijzen op het belangrijk
aandeel, dat onze voorvaderen hebben gehad aan de walvischvangst in de
Noordelijke IJszee, de zoogenaamde Groenlandsche visscherij. Elke vaderlandsche
geschiedenis geeft daaromtrent uitsluitsel.
vs. 5. Moertjen, de oude gezellige naam voor elke bejaarde vrouw. Nog wel
moeder, moedertje, als men eene vrouw uit de volksklasse aanspreekt. Men denke
ook aan bestemoer, minnemoer, bakermoer, grootemoer, thans afgekort tot bestje
(besje), min(ne), baker, groot(je); vroeger ook vroemoer: ‘vroedvrouw.’
vs. 6. een ammuletties: ‘eene amulet’, voorwerp van steen, metaal of andere stof,
van figuren, letters of spreuken voorzien, dat bij de Mohammedanen, ook bij de
Grieken en Romeinen en tegenwoordig nog veel bij Romaansche volken gedragen
wordt als voorbehoedmiddel tegen ziekte, verwonding, enz. Ook Louw geloofde
aan de kracht er van en had er daarom eene van de waarzegster meegenomen.
De vorm amuletties, dien P. zeker ergens gevonden had, schijnt wel het meerv. te
zijn van amulettie = amuletje.
vs. 9. het sticht niet: ‘het voegt niet’, nl. er verder over te spreken. Stichten is hier
ongeveer: ‘goed doen, een' goeden indruk maken’; maar het is een trans. ww. met
weggelaten voorwerp: het sticht de menschen niet. Vergelijkt men stichten met hd.
erbauen en fra édifier, dan ziet men, dat het eigenlijk wil zeggen: ‘opbouwen (in het
geloof)’. Wie nu daarin opgebouwd wordt, hoort een goed, gepast woord, ontvangt
een' goeden indruk. Zoo hangt het stichten van eene preek samen met stichten:
‘een' goeden indruk maken’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
260
vs. 12. bij de klissen: ‘bij de kladden’, zou men ook kunnen zeggen, want klis is een
syn. van klad of kladde. Beide zijn benamingen van eene plant, wier vruchten van
kleverige haren voorzien zijn, die zich overal aan vasthechten. Vandaar de
uitdrukking: iemand als eene klis aan het lijf hangen. Klis en kladde beteekenden
dus eerst: ‘kleverig ding’ en vervolgens ‘vasthechtsel, aanhechtsel’ en zoo is iemand
bij de klissen grijpen: ‘iemand bij zijne aanhechtsels grijpen’. Men zegt ook: bij de
lurven, waarin lurf eigenlijk ‘slip van een kleed’ beteekent.
vs. 13. zeven, een heilig getal; hier voor eene onbepaalde hoeveelheid ‘heel wat’.
vs. 16. het duidt hier den inhoud van vs. 14 aan. Louw lacht de waarzegster uit,
die beweert, menig nacht gedroomd te hebben, dat hij met eene goede vangst thuis
kwam. Om te verklaren, hoe dit mogelijk was, wijst zij hem er nu op, dat zij zijn beeld
meermalen had opgeroepen, wanneer zijn ‘vrijsterken’ bij haar was gekomen, om
haar over de toekomst van Louw te raadplegen.
vs. 18. jou planeet lezen: ‘jou toekomst voorspellen’. Het woord planeet bet. eerst
‘dwaalster’, dan bij de astrologen ‘geboortester’. Zoo zei men voorheen: in de rechte
a
planeet geboren zijn, Marnix, Biencorf 8 , waar men tegenwoordig zegt: onder een
gelukkig gesternte geboren zijn. Vandaar dat ‘iemands toekomst onderzoeken’ werd
uitgedrukt door iemands planeet lezen. Op kermissen werden of worden nog
papiertjes verkocht, planeten genoemd, die bovenaan prijken met een der teekens
van den dierenriem en waarin men zijn toekomstig lot gedrukt kan lezen.
vs. 21. een jeugdje van een meisjen: ‘een frisch jeugdig meisjen’. Op dezelfde
wijze zegt men: een sukkel van een' jongen, een aap van een' vent, eene pracht
van eene bloem enz. De in de bepaling genoemde persoon of zaak onderscheidt
zich dan door de eigenschappen der jeugd, van een' sukkel, een' aap, pracht enz.
Vgl. nog eene wolk van een kind naast een kind als eene wolk. - Deze regel is P.
in het geheugen blijven hangen uit de lezing van Hoofts gedichten:
Velddeuntje.
Het geselschap soud' een reisje
De gulgauwe Cloris quellen:
Gost (begon) haer jaeren op te tellen,
En seid', 't is al tijdigh (bejaard) vleisje,
'T looze Tesje (deerntje) dat liep pruilen:
Doen dacht yder aen haer huilen,
1)
'T is een jeughje van een maissie.
1)
Ed. Leendertz I, 197. De uitgever verklaart tijdigh door ‘jong’, doch dan begrijp ik de aardigheid
in het geheel niet.
Taal en Letteren. Jaargang 2
261
vs. 23. hijlik, thans verouderde bijvorm van huwelijk. Het woord komt nog voor in
den naam eener soort van koek: heiligmaker, door volksetymologie uit hijlikmaker
gevormd.
vs. 25. pover in den lett. zin van arm, fra. pauvre, tegenwoordig bijna alleen
overdrachtelijk gebruikt.
e
e
vs. 26. diefzak noemde men in de 17 en 18 eeuw een in de kleederen. genaaide
binnenzak, die tot berging van de beurs bestemd was. Door assimilatie maakte men
er ook diessak van, een vorm o.a. in Noord-Holland nog gehoord en dan wel opgevat
als dijzak, zijzak.
vs. 28. Louw blijft nog even zuur zien; vandaar de vraag der waarzegster.
vs. 29. weergaasch uit: weerga, een euphemisme voor weerlicht. Wie dit laatste
niet dorst zeggen en er toch behoefte aan gevoelde, gebruikte het eerste deel, maar
veranderde het tweede, evenals in waratje en warentig voor waarachtig. Zoo zijn
tal van zoogenaamde bastaardvloeken tot onkenbaar wordens toe verhaspeld.
vs. 30. olijk, hier in de oudere beteekenis van ‘erg, leelijk’ en niet in de jongere
van ‘schalk, guitig.’ De waarzegster had Louw met hare amulet leelijk beet gehad,
want het voorbehoedmiddel was volkomen waardeloos gebleken.
vs. 32. Beertjen schertsend voor een ijsbeer. De soortnaam is hier tot eigennaam
geworden evenals in Vadertje, Oompje, Papje, enz.
vs. 40. niet uit de voeten: ‘maak je niet uit de voeten’, ‘blijf hier’. De waarzegster
wil wegsluipen, daar zij de gegrondheid voelt van 't verwijt, haar door Louw gedaan.
vs. 44. bij den Spitsenberg: ‘bij Spitsbergen’, waar het 's zomers wemelde van
walvischvaarders.
vs. 46. de twee fonteinen: de beide waterstralen, door den snuivenden walvisch
naar boven gespoten.
vs. 47. kreeg prik: ‘wist den walvisch met de harpoen te treffen’.
vs. 49-50. Fut: ‘'t mocht wat!’ Louw was met de boot een eindweegs
heengeslingerd. Vgl. vs. 15 van 't Passeren der Linie.
vs. 52. buiten west, gewoonlijk buiten westen: ‘bewusteloos’. De uitdrukking is
klaarblijkelijk in verband gebracht met den naam der windstreek, doch hangt
oorspronkelijk wellicht samen met het ww. weten. Voorheen toch bestond er een
hiervan afgeleid subst. wust: ‘bewustheid’ in de adjectieven wustig en medewustig.
Waarschijnlijk is nu west niet anders dan een bijvorm van dit wust. Bij van Vloten,
Kluchtspel II, 215 wordt van een' zieke gezegd: Praet hij noch buiten weste? d.i. ijlt
hij nog?
vs. 58. Als of, enz., bijzin, waarvan de hoofdzin weggelaten is, die zou kunnen
luiden: je praat of iets dergelijks.
vs. 60. die de kroon zet op de keten. De amulet bestond klaarblijkelijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
262
uit een' ketting, maar deze had geene kracht, wanneer men niet op het beslissend
oogenblik de spreuk prevelde, die de waarzegster opgeeft; de kroon zetten op bet.
‘eene zaak voltooien, volmaken’. Overigens is: de kroon zetten op een keten min
of meer bedenkelijke beeldspraak.
vs. 61-62. De in deze regels voorkomende zoogenaamde spreuk is eene echte
tooverspreuk: woorden of klanken zonder zin. Hoe P. er aan gekomen is, zouden
wij niet kunnen zeggen. De naam Ebro doet aan Spanje denken, het land der
waarzeggende Zigeuners en flavi - pactolus aan lat. flavus ‘blond’ en Pactolus, de
naam eener goudstof opleverende rivier in Klein-Azië.
vs. 64. knevelen, eig. ‘binden’ van knevel ‘band’, hier: ‘benauwen’.
vs. 68. reeders op het tipjen. Zij hadden met de walvischvangst reeds zooveel
verdiend, dat zij bijna een eigen schip konden uitrusten. Zoo ook bruigom op het
tipje van iemand, die op 't punt is de bruigom te worden; tip, tipje: ‘uiterst puntje’.
vs. 71. vaêr, gemeenzame benaming voor een man, evenals moer voor eene
vrouw.
vs. 72. De waarzegster bedoelt: Laat je niet afschrikken door ééne teleurstelling.
Is de eerste spreuk je ontschoten, ik zal er je eene tweede leeren.
vs. 74. bezweren: zie het aangeteekende op vs. 105.
vs. 80. de star: ‘de avondster’.
vs. 81-82. De zingende ketel en de zwarte kater behoorden tot de gewone
attributen van tooverheksen en waarzegsters. In den ketel werd het brouwsel
gekookt, waaruit de toekomst werd voorspeld en de kater of kat was volgens het
oude volksgeloof een geheimzinnig wezen, in welks gedaante zich vaak eene
tooverheks verschool.
vs. 83-84. ik ben wat, enz. Wat is in deze uitdrukking een euphemisme voor iets
verschrikkelijks. Zoo hoort men nog wel: Ik mag een dief, een schurk wezen, als ik
dit of dat niet doe. En zoo zegt de waarzegster ook: òf ik ben (dat verschrikkelijke)
òf Mooi-Aagtjen blijkt je trouw. Daar dat eerste nu iets ondenkbaars is, moet het
tweede wel waar wezen en dus heeft deze zegswijze de waarde eener krachtige
verzekering.
vs. 243. der minnelijke onnoozelheid, nl. van Roeltjen. Men maakt onderscheid
tusschen minnelijk en beminnelijk. Het eerste beteekent meer ‘aauvallig’, het tweede
meer ‘lief;’ het eerste ziet meer op uiterlijk en manieren; het laatste meer op innerlijke
eigenschappen.
vs. 249. onstuimig; vgl. hiermede hetgeen boven, vs. 162 gezegd is over onbesuisd
geschater. handgebaar, enkelv. voor meerv.: ‘de teekens met de handen, die hem
beduidden voort te zingen.
Taal en Letteren. Jaargang 2
263
vs. 253. de krijgsgodin: De Romeinen vereerden, naast den oorlogsgod Mars, ook
e
diens vrouw of dochter Bellona als krijgsgodin. In de 17 eeuw, toen onze litteratuur
met Grieksch-Romeinsche godennamen doorzult was, kwam haar naam nog al
eens voor. Men denke slechts aan het gedicht van Antonides, Bellona aan bant.
vs. 255. elpen lier: ‘ivoren lier’, dus een speeltuig van eene kostbare stof, dat
heerlijke tonen voortbrengt. Het adj. elpen is bij verkorting gemaakt van elpenbeenen.
De olifant heette in 't mnl. elpendier. Elpen deed door zijn' vorm, -en, denken aan
een stoffelijk bijvnw., dat gelijk stond met het aan 't fra. ontleende ivoren. - Men lette
ook op de weglating van 't lidwoord een: z o n d e r het adj. zou men dit niet kunnen
doen, met het adjectief heeft het niets vreemds. Zoo zijn er meer gevallen, waarin
het al of niet weglaten van het lidwoord onafhankelijk is van de opvatting der
substantieven. Om een enkel voorbeeld te geven: men kan wel zeggen: Een stoffe
was 't voor lier of harp, maar niet: Een stoffe was 't voor harp. Men lette ook in 't
vervolg van 't gedicht op dit verschijnsel.
vs. 256. P. roept hier het toegevend oordeel in der lezers voor het liedje, dat een
tijdgenoot van Bontekoe heet vervaardigd te hebben: het speeltuig van dezen zanger
was geen kostbaar instrument en van de tonen, die hij er aan ontlokte, mocht men
dus niet te veel verwachten.
De zeilwagen van prince Mouringh.
e
vs. 1. Mouringh, in de 17 eeuw bij het volk de gemeenzame vorm van Maurits. Men
denke aan Huygens' Scheepspraet: ‘Mouringh, die de vrije schepen, enz.’ Het
achtervoegsel -ing diende vanouds ook, om verkleinwoorden te vormen. Mour-ing
staat dus tot Maur-its in dezelfde verhouding als Hein-tje (in Huygens' liedje) tot
Hein-drik, Hendrik.
vs. 4. groote cijsen, rare kwasten, bijstelling bij half het Haagsche hof. P. schrijft
cijs voor sijs zooals men vroeger wel meer deed; het is de naam van het vogeltje,
waarbij men veelkleurig uitgedoste lui heeft vergeleken. Groote sijsen: ‘voorname
pronkers.’ Een kwast is oorspronkelijk ‘een met kwasten versierde;’ vgl. een hoed
voor iemand, die een' grooten of vreemden hoed draagt, een pruik, een zwartrok,
enz. Thans is het een ijdele pronker, een ingebeelde gek.
vs. 5. te noen: ‘op den middag, om twaalf uur.’ Zie aant. op vs. 218. Scheveling,
e
een bijvorm van Scheveningen, die nog wel gehoord wordt; in de 17 eeuw ook wel
1)
Schevering. Beide vormen zijn door dissimilatie ontstaan .
1)
Door dissimilatie verstaat men in de taal het tegenovergestelde van assimilatie: ‘gelijkmaking’,
dus ‘ongelijkmaking’. Ten einde de opeenvolging der beide n's te vermijden, heeft men van
de eerste eene l of r gemaakt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
264
vs. 7. holdebolder, gewoonlijk holderdebolder, eig. ‘ondersteboven’. Maar hier ging
de wagen niet ondersteboven; hij nam slechts eene snelle wending, zoodat hij
scheen te zullen omslaan. Door die zwenking klapperde het zeil en kraakte het roer.
Holderdebolder wordt voor eene klanknabootsende vorming gehouden naast
bolderen, bulderen evenals hassebassen naast bassen. Toch is 't wel mogelijk, dat
a
de oude uitdrukking hol over bol (Bienc. 58 ), ook hol'erbol (Thirsis Minnewit. III,
b
70), naast aers over bol tuimelen (Bienc. 34 ) op de vorming en althans op de
beteekenis van 't woord van invloed is geweest.
vs. 10. De woordschikking van den bijzin in dezen regel is eene dichterlijke vrijheid,
in volksdeuntjes meermalen voorkomende; zie ook vs. 63.
vs. 11. 't golfgebruis, d.i. het bruisen der golven, meton. voor ‘de bruisende golven.’
vs. 14. rijzen, nl. uit het water, waar ze hoe langer hoe dieper inging.
vs. 15. tongslag: eigenlijk: ‘de wijze, waarop men de tong beweegt’; vandaar:
‘bijzondere uitspraak’, ‘dialect’ en bij uitbreiding ‘taal’; alle tongslag: ‘iedere taal’ voor
‘de personen, welke die talen spreken’. Een' vloek slaan evenals: geluid slaan,
kwinkslaan, kwinkslag.
vs. 16. banjert: ‘voornaam heer’, altijd eenigszins spottend gebruikt. Het woord
komt in vorm het dichtst bij mnl. banieret, fra. banneret, eng. banneret, hetzelfde
als baanderheer, in de middeleeuwen een leenman, die het recht had, zijne mannen
onder zijne eigen banier ten strijde te voeren en die dus de eerste was onder zijns
gelijken. Zie Mndl. Wdb. - pepen, impf. van pijpen, piepen, in de beteekenis van
‘schreeuwen van angst, van benaauwdheid’.
vs. 19. snip (zien): ‘verlegen, zuinig (kijken)’, eig. ‘als een snip kijken’. Dat het de
naam van den vogel is, blijkt uit de zegswijze: ‘hij keek zoo verlegen als een poelsnip’.
Bij Cats II, 255 (ed. Ter Gunne) lezen wij van den boer, die verwacht had, dat zijne
bloedverwanten hem bij den oogst zouden komen helpen:
Daar stond de man alleen en keek
Gelijk een poelsnip op een kreek.
vs. 22. Hans Michel, schertsende benaming der Duitschers, evenals John Bull van
de Engelschen, Broeder Jonathan van de Amerikanen, Jantje Kaas van de
Hollanders.
Taal en Letteren. Jaargang 2
265
vs. 25-27. De Moffenheer was een likkebroêr en zijn neus, in overeenstemming
daarmee, vurig-rood. Daarom laat P. het kille zeewater lust krijgen zich aan dat
opgeblazen, gloeiende gezicht te verwarmen. Als het dit dan ook bedekt, hoort men
een sissend geluid, als wanneer er water op eene gloeiende plaat valt.
vs. 27. overdolf: ‘overdekte’. Delven is eigenlijk ‘graven’, maar evenals men bij
bedelven ‘begraven’ niet meer aan de werking ‘graven’ denkt, maar aan hetgeen
er mee gepaard gaat, namelijk ‘bedekken, overdekken’ bijv. in: ‘hij is onder de
puinhoopen, onder de sneeuw bedolven’, zoo heeft overdélven de bet. gekregen
van ‘overdékken’.
vs. 28. een golf nam hem in de armen, d.i. omhelsde hem, plaste met geweld
over hem heen.
vs. 29. oef, een bij P. meermalen voorkomend tusschenwerpsel van schrik: ai!
hè!
vs. 30. bleek te bros voor zulk een stoot. Wat bros is, breekt licht. Brak nu ook de
neus van den Moffenheer? Neen, maar hij vloog, door de ‘forsche’ beweging van
de golf met den neus tegen den rand van den zeilwagen, zoodat dit lichaamsdeel
gekneusd werd.
vs. 32. Hij reet, scheurde zijn' handschoen los van angst en woede; vgl. vs. 18.
vs. 34. blaffen of bijten. Blaffende honden bijten niet, zegt het spreekwoord en
men bedoelt daarmede: Menschen, die spoedig in drift opstuiven, zijn nog zoo
kwaad niet; hun toorn is spoedig bedaard en aan hunne bedreigingen geven ze
gewoonlijk geen gevolg. De admirant wist nu eerst niet recht, of hij blaffen zou of
bijten. Daar het laatste hier echter niet ging, vergenoegde hij zich maar met het
eerste.
vs. 37. de sik zijns kins: de puntbaard, dien de toenmalige Spaansche mode
voorschreef. Het strijken bewijst zijne ingehouden woede.
vs. 38. ‘Zeker zal dat ernstige gevolgen hebben’. Zegswijze, die haar ontstaan te
danken heeft aan de groote onevenredigheid tusschen den omvang van het diertje
en zijn' langen staart: eene schijnbaar nietige zaak, wil zij eigenlijk zeggen, zal zeer
onaangename gevolgen na zich sleepen.
vs. 39. zijn bleekheid, meton. voor ‘de bleek-ziende’. Zoo spreekt men ook van:
zijne kleinheid, dikheid, lankheid, enz. en gelijke overnoeming heeft plaats bij titels
als: zijne majesteit, hoogheid, doorluchtigheid, enz.
vs. 40. Sante Madre: Heilige Moeder (Gods).
vs. 44. met blaauwe veeren: blauw was de kleur der Tudors; lord Gray droeg dus,
naar ridderlijk gebruik, de kleur zijner dame en hij snoefde daarop sinds twintig jaar.
Taal en Letteren. Jaargang 2
266
vs. 50. ‘Zoo zij zich met hem vermaakte, het met hem aanlegde, hem de gunsten
van een' minnaar schonk.’
vs. 54. stevels: ‘laarzen’, hd. stiefel.
vs. 58. had uit met snorken: hij blufte nu niet meer, zooals hij gewoonlijk deed,
maar, zoo gedwee als een lammetje, zei hij: Henri quatre, enz. Uit hebben gewoonlijk
zonder bepaling, met de zaak, die uit heeft tot onderwerp: de hoop heeft uit (Tollens):
‘het is met de hoop gedaan’. Elliptische uitdrukking voor: heeft uitgewerkt,
uitgeschenen of iets dergelijks. Zie ook beneden vs. 277 en vgl. uitdrukkingen als:
uit zijn, aan zijn, op zijn, enz.
vs. 63. ter kuste: ‘naar de kust’, archaïstische vorm. Wel gebruikt men
tegenwoordig nog ter markt, ter kerk, ter school, ter zee (gaan, varen), maar alleen,
wanneer het herhaalde handelingen betreft. De boer komt met zijne groenten ter
markt; ik wandel eens naar de markt.
vs. 64. waar, enz., plaatsbepalende bijzin bij ter kuste loopen.
vs. 70. Maurits bedoelt: Et Emergo kan zoowel het Volk als het Land zeggen.
1)
vs. 261. Dat liedjen haal de droes . De droes is ‘de drommel, de duivel’. Hier
verwenscht Bontekoe het liedje, dat een' alles behalve kalmeerenden invloed op
de wilden bleek uit te oefenen.
vs. 264. mengelmoes, eene van die samenstellingen, die alleen in figuurlijken zin
voorkomen; zooals: bakermat, hinderpaal, struikelblok, zondebok, enz. Moes in de
bet. van ‘spijs’ is verouderd; mengel, de stam van mengelen, het frequentatief van
mengen: mengelmoes dus: eene spijs, uit verschillende groenten, enz. door elkander,
bestaande, evenals ratjetoe, olla podrida.
e
vs. 265. als een roes, 1 nv., gelijk een roes dit doet.
vs. 266. 't, nl. hetgeen zij deden. Men schudt van 't lachen en gilt van pijn; men
schatert van pret en weent van smart; door de verbinding: schuddend gillen en
schaatrend weenen geeft P. uitstekend aan, hoe de dolle pret der wilden tegelijk
de uitingen van vermaak en smart vertoonde.
vs. 268. uit den evenaar: ‘uit den evenwichtstoestand’; het bootje kantelde bijna
om.
vs. 271. den stroom ten buit, had, enz.: ‘terwijl zij den stroom ten buit werden,
vielen, zou zingen en zou lachen gedaan zijn’. Men merke hier weder op, dat P. in
zijne zucht naar bondigheid eene bepaling bezigt, die gelijk staat met een' bijzin,
waarvan het onderwerp (zij) een ander is dan dat van den hoofdzin. - Vergelijk de
bet. van buit, prooi, roof.
vs. 273. tasten. In proza maakt men onderscheid tusschen tasten en grijpen; het
eerste doet men, wanneer men het voorwerp niet dadelijk weet te
1)
In de Verspreide en Nagelaten werken. Poezy II, 24 staat de drukfout den droes. De
oorspronkelijke uitgaaf der Liedekens heeft de.
Taal en Letteren. Jaargang 2
267
bereiken, te grijpen: men tast naar iets in den blinde, in den donker; men tast in den
zak, zonder soms iets te vinden, enz. Hier heeft het woord eenvoudig de bet. van
‘grijpen’.
vs. 274. ten, zie boven De Zeilwagen, vs. 63. - wolkend: wolken vormend door
den haast, waarmede zij het water uithoosden. - Er is onderscheid tusschen wolkend
en al wolkend, lachende en al lachende, enz.; het bijwoord al geeft vóór zulk een
teg. deelwoord te kennen, dat de werking eenigen tijd aanhoudt; het heeft dus iets
van aanhoudend, voortdurend, maar is veel zwakker.
vs. 278. vergasten. Gewoonlijk: iemand of zich vergasten op iets, waarbij dus
vergasten de bet. heeft van onthalen. Het woord beteekent letterl. ‘tot gast maken,
als gast behandelen’, waaruit de bet. ‘onthalen’ gereedelijk voortvloeit. Hier is het
‘doen genieten’.
vs. 279. zich stooten aan: ‘zich ergeren aan’.
Machteld.
vs. 1. luiden: ‘zeggen, vertellen’, hier dus transitief gebruikt, met de beide volgende
regels als voorwerp. Zoo gebruikt komt het zelden meer voor. De beteekenis is
ontleend aan de oude gewoonte in de steden en op de dorpen, om door klokgelui
verschillende zaken ter kennisse van de burgerij te brengen; daardoor werd luiden
‘bekendmaken, mededeelen’. Vgl. nog het spreekwoord: Hij heeft de klok hooren
luiden, enz. voor: hij heeft wat hooren vertellen.
vs. 2. wat of, in de spreektaal vaak gehoord. Het gebruik van of in zoodanige
afhankelijke vragen na wie, wat, waar, hoe, enz. schijnt veroorzaakt door den invloed
van onderwerps- en voorwerpszinnen met onzekeren inhoud; vgl.: Ik weet niet, of
hij er geweest is, met: Ik weet niet, wie of er geweest is, enz.
vs. 5. zoelte: Men maakt onderscheid tusschen zoel en zwoel. Het eerste woord
drukt eene aangename, matige warmte uit, het laatste eene onaangename
drukkende. In de lente wordt de lucht zoel, in het hartje van den zomer, vóór een
onweer, is het zwoel. Maar niet altijd wordt dit onderscheid nauwkeurig in acht
genomen; hier zou men eerder zwoelte dan zoelte verwachten. Etymologisch zijn
de woorden misschien één. Zie Franck.
vs. 6. aanstaan: haar venstertje stond maar op een kier.
vs. 7. zuchtjen ‘zacht windje’, zoo genoemd naar het zuchten van den mensch;
vgl. ook de adem van het noorden, zuiden voor: ‘de noorden-, zuidenwind’. P. heeft
ook voorjaarszucht voor een' sterker voorjaarswind (Rijksmuseum).
vs. 12. Denk vóór dezen regel: namelijk.
e
vs. 15. onderkeurs: ‘onderrok’, in deze beteekenis nog in de 18 eeuw
Taal en Letteren. Jaargang 2
268
gebruikelijk. Eene keurs was oudtijds een vrouwenopperkleed, japon. Vandaar:
keurslijf, eig. ‘het lijf, bovendeel der japon’, later ‘corset’. Dat het woord niet, zooals
algemeen geloofd wordt, hetzelfde kan zijn als het fra. corps vindt men opgemerkt
bij Franck.
vs. 17. luchter: ‘kandelaar’ naast lichten van luchten, een' bijvorm van lichten. Zie
boven de aant. op vs. 159.
vs. 18. 't saai gordijn: de stofnaam als stoffelijk bijvnw. gebruikt, zooals vaak in
de spreektaal bij onz. substantieven: een goud, zilver horloge, een koper versiersel,
een tin bord. Men houdt dan goud, zilver, enz. voor den onverbogen vorm tegenover
goude, zilvere, evenals groot tegenover groote.
vs. 21. bedieden, verouderde bijvorm van beduiden in den zin, dien het heeft in:
Ik beduidde hem, dat hij heen zou gaan. Dan komt namelijk bij 't begrip ‘duidelijk
maken’ dat van ‘er toe aansporen’. Zoo ongeveer ook in dezen versregel: ‘Hij, die
op zijne luit tot het binnenlaten aanspoort, daarop aandringt, krijgt weldra toegang’.
vs. 27. val: ‘wijs, melodie’. Zoo gebruikte men vroeger dikwijls het woord hemelval:
‘hemelsche melodie, hemelsch lied’.
vs. 30. schoonst, bep. van gesteldh. bij haar: ‘als het schoonst.’
vs. 35. nektartoogjens: ‘nektarteugjes’. Nektar was bij de Ouden de godendrank,
vandaar: het heerlijkste, waarmee men zich laven kon. Hier worden de kusjes van
Machteld bij teugjes daarvan vergeleken. Maar ‘de opslag van haar oogjens’ hield
er wacht bij, d.i. hare blikken zorgden, dat alleen hij, wien zij ze gunde, van die
teugjes proefde. Hare zedigheid hield de wacht bij hare bevalligheid.
vs. 36. Hoe: ‘hoe snel’. Zij greep weer den kandelaar, dien ze had neergezet, om
eens in den spiegel te kijken.
vs. 37. preeken: in de kerk of door een' of anderen zedemeester of -meesteres:
vs. 38-39. De booze, de duivel, zit liefst achter den spiegel, om de meisjes te
verleiden. Aardig gezegd voor: de ijdelheid en behaagzucht, die de meisjes telkens
in den spiegel doet zien, verlokt ze tot kwaad. - treken: ‘listige, valsche streken’. uitspelen, een term, aan het kaartspel ontleend: eene valsche kaart uitspelen.
vs. 46. een passedijsjen. Onder de ons bekende benamingen van dansen, in de
e
e
16 en 17 eeuw in gebruik, komt dit woord niet voor. Wel wordt er meermalen
gesproken van een dobbelspel, dat zoo heet, bijv. bij Bredero, Moortje: Ick weet
men tijdt beter door te brengen met een pasdijsje en Asselijn (ed. De Jager) p. 264:
Dat je de kroegen zelt haaten, noch van pasdies of van in 't verkeerbort te speulen,
zelt maken je werk. Schotel, Maatschappelijk leven haalt uit Bernagie aan: pasdisje
en passedis in dezelfde beteekenis. De naam is ontleend aan fra. passe-dix en
beduidt dus een spel
Taal en Letteren. Jaargang 2
269
met dobbelsteenen, waarbij men b o v e n d e t i e n oogen moest gooien. Ook
Hildebrand gebruikt het in dezen zin, C.O. p. 295. Wij komen dus tot het besluit, dat
P. hier, door zijn geheugen misleid, een' dans met een dobbelspel heeft verward.
Misschien heeft daartoe wel aanleiding gegeven het woord passemede, dat ook
met passe- begint en dat een' dans beteekent, blijkens Roemer Visschers
Brabbelingh, p. 173:
Een A l l e m a n d e dansen voor de vuyst,
Een p a s s e m e d e treen op de passen juyst,
Lustige sprongen in de g a l j a e r d e n springen.
vs. 50. gierde: ‘draaide’. Gieren is ‘draaien, zwaaien, zich in een' cirkel bewegen’.
Men verwarre het woord niet met het gieren in vs. 233, dat de beteekenis heeft van:
‘gillen, kraaien’.
vs. 52. vast: ‘ondertusschen, intusschen, alvast.’ Men vergelijke de aant. op vs.
29 van het hoofdgedicht. Het woord heeft hier dezelfde bet. als in: Maak jij je maar
klaar, dan ga ik vast vooruit. Zegt men: Hij zal nu niet zoo erg schrikken: ik heb hem
vast voorbereid, dan heeft het meer de beteekenis van reeds.
vs. 281. echter, dus ondanks de waarschuwing, in vs. 284-285 gegeven.
vs. 282. Na deze eerste, doe ik u eene tweede vraag; - immers ik was daárvan
zeker dat gij het lied beluisteren zoudt; - hebt gij toegeluisterd vol lachs of vol van
ergernis? lach, meton. voor de oorzaak van den lach: de vroolijkheid, door het liedje
gewekt.
vs. 284. niet gemeesmuild, niet gefluisterd: deelw. als imper. gebruikt. Wie
meesmuilt, glimlacht half bedekt, daar hij niet ronduit zijne meening wil zeggen; wie
fluistert, durft dit niet hardop doen. Van geen van beide wil de dichter iets weten.
vs. 286. òf schalke: ‘vrolijk-ondeugende, maar onschuldige’, zooals die ‘de
verbeelding’ van vroeger dagen, nl. die van dichters als Bredero, Starter en wie nog
meer de tallooze minneliedjes maakten, in de liedeboeken onzer
zeventiende-eeuwsche vaderen voorkomende.
vs. 287. gift, bijstelling bij wieken: de scherts en de (levens)lust schonken der
verbeelding wieken, wekten haar op, om op de feestmalen zulke schalke deuntjes
aan te heffen.
vs. 289. haar smetteloosheid zich bewust: ‘daar of terwijl zij zich bewust was van
hare reinheid, zuiverheid.’ Mocht zij ook dartel, ondeugend wezen, onzedelijk was
zij niet. Wordt hier van de verbeelding, of van de wieken gesproken? Volgens onze
opvatting van de eerste, al is de constructie dan eenigszins onregelmatig, daar wier
wieken het onderwerp van den vorigen zin is. Maar men bedenke, dat wier wieken
werden uitgeslagen de lijdende vorm is van die hare wieken uitsloeg en, naar wij
Taal en Letteren. Jaargang 2
270
meenen, lag dit die als l o g i s c h onderwerp in den geest van den dichter, toen hij
den beknopten zin er bijvoegde. Zeker, ook de wieken konden smetteloos genoemd
worden, maar niet die alleen, de heele vogel verbeelding was het; daarom staat zij
tegenover de onreine van later tijd, in vs. 297.
vs. 290. die knoopt weer aan bij die van vroeger dagen; zonder blaam en zonder
vrees: herinnering aan den middeleeuwschen Franschen ridder Bayard, le chevalier
sans peur et sans reproche.
vs. 291. die 't menschelijke menschlijk prees: ‘die echt-menschelijke neigingen
en hartstochten, bepaaldelijk de min in hare uitingen, prees, verhief als menschelijk,
d.i. als in overeenstemming met de menschelijke natuur.
vs. 297-298. De dichter aarzelt den naam te noemen van de verbeelding, die zich
aan zoo'n liedje ergert; vandaar het beletselteeken en de uitdrukking laat mij noemen;
hij brengt daarmede toch eene zware beschuldiging in tegen het latere geslacht.
Zulk eene onreine verbeelding kleurt ‘bloost’ zelfs onder een' dubbelen sluier, daar
zij ook achter de onschuldigste aardigheden leelijke dingen vermoedt.
vs. 299-300. Zij eischt, dat wij ons houden, alsof elke natuurlijke neiging, hartstocht
ons onbekend was, wijl ze den zegen, aan die driften verbonden, door hare eigene
verdorvenheid heeft verbeurd.
vs. 301. Lieden met zulk eene onreine verbeelding, die overal aanstoot aan nemen,
zijn naar het Bijbelwoord gelijk aan ‘gepleisterde graven, van buiten wel schoon,
maar van binnen vol doodsbeenderen’. De minne staat treurende bij zulke graven,
omdat zij het beeld zijn van huichelachtige zondaren.
Naar aanleiding van de ondeugende liedjes van den Zweedschen dichter Bellmann
zegt P. in Het Noorden pag. 343: ‘Was hij dan geen dichter voor Jan en Alleman,
die un chat un chat noemen? Doch het is waar, dat is ook uwe grieve tegen onzen
Bredero, wiens tafereelen het mij duidelijk maken, hoe het uitschot onzer bevolking
werelden heeft kunnen veroveren, een geslacht, dat aan te veel levenskracht leed;
jammer dat wij het aan te weinig doen.’ Men zie ook de plaats in het Rijksmuseum,
waar hij over Vondels bruiloftsliederen spreekt, Proza II, p. 163.
vs. 300. Men leze achter dezen regel geen vraagteeken, maar met de
oorspronkelijke uitgave eene punt-komma.
Papegaaien-deuntjen.
en
vs. 1. leide, de oude vorm van den 1 pers. der aant. wijs teg. tijd.
vs. 2. het prinsjen: Denk aan: een leventje leiden of hebben als een prins.
vs. 5-6. Lorretjen krijgt klontjes als hij op verzoek wat zegt en als hij te druk wordt,
krijgt hij ze ook, om hem te doen zwijgen. Men lette hier op het verband met het
derde eouplet.
Taal en Letteren. Jaargang 2
271
vs. 12. smalen: ‘met onverdiende minachting spreken over iemands persoon,
afkomst, betrekkingen, handelingen, werk, enz.’
vs. 14. voor een aap, omdat de papegaai alleen napraat wat hem is voorgezegd.
vs. 16. een eigen lied: door hem zelf bedachte woorden.
vs. 21-30. Hier wordt het deuntje eene satyre op allerlei onbekwame lui, die de
toongevers in maatschappij en staat napraten en daardoor het meest vooruitkomen.
Waar is zulk een menschelijke papegaai, vraagt Lorretjen, al niet toe geschikt?
vs. 304. de les, in het liedje gegeven, de moraal dus. Om die les lachten de wilden
niet precies, maar wel om het deuntje, dat die les inhield.
vs. 306. 't refrein: de herhaalde slotregels van elk couplet; hier een refrein met
kleine wijzigingen.
vs. 309. schuwte, gewoonlijk schuwheid; hier is schuwte even goed en wat
gemeenzamer. Waar te en heid met verschil van beteekenis achter hetzelfde
substantief komen, mogen ze natuurlijk niet verwisseld worden. Zie over 't verschil
de Spraakkunst.
vs. 310. de zoelte, de luwte, de plaatsen waar het zoel en waar het luw was. De
eigenschappen staan tegenover elkander: P. bedoelt met zoel: ‘zeer warm’, met
luw: ‘koel’. De zoelte vond men in het woud, de luwte op den stroom. Uit het woud
klonk dus het geschreeuw der papegaaien tot over de rivier. In den volgenden regel
wordt dezelfde gedachte uitgedrukt: het strand ‘de oever’ riep het den stroom toe.
Aangaande het woord luwte moet opgemerkt worden, dat P. het meermalen in
de bet. van koelte bezigt, eene beteekenis, die door het spraakgebruik niet wordt
gewettigd. Zoo lezen we bijv. ook in Poezy I, 186: 't Verkwikkend bad der luwt' van
lommerrijke boomen, waar 't verkwikkend bad aan ‘koelte’ en niet aan ‘luwte’ doet
denken.
vs. 312. 't schaatren: ‘'t schel gekrijsch der papegaaien’.
vs. 318. Men merke op, dat de verhouding tusschen Bontekoe en de wilden, dank
zij zijn' liedjes, reeds veranderd is: half gebieden ze hem nog, maar half ook smeeken
ze hem, om nog meer te laten hooren. Die verbetering in zijn' toestand heeft hem
ook de borst verruimd; zijn toon wordt vol en vrij (vs. 320).
vs. 322. blanke Maas of gulden IJ: het heldere rivierwater tegenover het meer
geelgroen getinte zeewater.
Wijs Klaertjen op 't ijs.
vs. 1. Wijs Klaertjen, hier min of meer ironisch gezegd. Klaertjen was wijs misschien
in haar eigen, maar stellig in moeders oog, doch de uitkomst bewees, dat zij het in
een' anderen zin was, dan moeder bedoelde.
vs. 6. 't, nl. of zij het paartje verzelde of kwelde, was moeder bijna
Taal en Letteren. Jaargang 2
272
't zelfde. Wanneer zij het paartje maar bleef bespieden, dan mocht zij 't, door hare
tegenwoordigheid, desnoods kwellen.
vs. 10. met zijn beiden, overeenkomstig het gewone spraakgebruik, dat zich in
zulke uitdrukkingen om den regel der terugwijzing niet bekommert. Terwijl deze zou
voorschrijven: wij - met ons beiden, drieën, enz. gij - met u beiden, zij - met hun
beiden hoort men even vaak: wij, jelui, zij - met zijn beiden, enz. Wij vestigen hier
slechts de aandacht op dit verschijnsel, dat wel verdient, afzonderlijk besproken te
worden. - niet pluis houden: ‘voor niet pluis houden, niet pluis achten’; pluis, adj. als
bep. van gesteldh. Het wordt alleen praedicatief en in verbinding met niet gebruikt
en beteekent ‘in orde, veilig’. Als het oorspronkelijk heeft beteekend: ‘geplukt,
schoongemaakt, in orde gebracht’, dan hangt het samen met pluizen. De oorsprong
is echter onzeker. (Franck.)
vs. 11-13. Min bloode dan noode. Zij ging noode ‘met tegenzin’ mede, al kwam
die tegenzin juist niet zoo zeer uit blookeid voort. De reden van den tegenzin wordt
in de drie volgende regels opgegeven.
vs. 20. den drommel geven van, eene uitdrukking, die, op den keper beschouwd,
onzin is. Wat beteekent toch: ‘den duivel van iets geven?’ Hier zijn verschillende
zegswijzen ineengevloeid. Men zegt: den brui geven van iets en geen drommel
geven om iets voor ‘ergens niets mee te maken willen hebben’ en ‘ergens niets om
geven’. In beide gevallen geeft men zijne minachting voor zekere zaak te kennen.
Misschien is nu wel de drommel in de eerste uitdrukking in plaats van den brui
gekomen. Maar ook den brui geven van is niet oorspronkelijk; voorheen zei men:
den brui hebben van, misschien ‘van iets wegloopen’, daar bruien beteekende ‘zich
wegscheren’. Ook deze uitdrukking is nog niet duidelijk. Zie o.a. Taal- en Letterbode
III, 179. - houdt den dief! Wie dit roept, betrapt iemand op diefstal. Zoo moest ook
Klaertje toezien, of zij Govert kon betrappen op al te groote gemeenzaamheid met
Elze en zijn misdrijf in dat geval aanbrengen.
vs. 21. prachte, impf. van prachen: ‘pronken, pralen, pochen’. Goverf pronkt met
de vriendelijkheden, die hij Elze bewijst; hij laat duidelijk merken, hoe hij van Elze
houdt, ten einde Klaertjes ergernis op te wekken. Het woord hangt samen met pracht
en moet niet verward worden met een andere prachen, dat ‘bedelen’ beteekent en
dat Bilderdijk nog al eens gebruikt.
vs. 24. 't winden der schaatsbanden om Elze's voet.
vs. 27-30. Eene omzetting zal deze regels duidelijker maken: Zij gromde, zij
bromde voor dooven mans deur (d.i. vruchteloos) om het schalke gezeur (d.i. om
het ondeugende talmen) bij (d.i. onder) het kittlen der voetjens (van Elze door
Govert). Wij vatten
Taal en Letteren. Jaargang 2
273
gezeur hier op als ‘getalm’: Govert heeft er schik in, Klaertjen te plagen door heel
langzaam Elze's schaatsen aan te binden. Ofschoon deze beteekenis van zeuren
minder gewoon is, kan zij toch afgeleid worden uit de uitdrukking: zeurig praten: ‘op
langzamen, slependen toon praten’. En zoo hoort men ook: 't gaat alles bij hem zoo
zeurig en: dat zeurde zoo wat heen. Wilde men gezeur opvatten in den zin van
‘gezanik’, dan zou het adj. schalk daar slecht bij passen.
vs. 41-43. Eerst reed zij; toen ging het dus snel - in 't vorige couplet heette het
rennen -; daarna gleed zij; toen hield zij dus haar' gang wat in; straks wordt deze
nog langzamer, want onwillekeurig begint zij te peinzen over hare taak. Zij heeft
begrepen, dat Govert opzettelijk zoo langzaam is, om haar te tergen. Toch wil zij
zich niet ergeren aan het geminnekoos. Voor mijn part, denkt ze, mag hij Elze
kussen, mits de menschen het niet zien. De trouwe wachteres heeft al meer dan
genoeg van de haar gedane opdracht: zij voelt wel, dat zij daar eigenlijk niet geschikt
voor is.
vs. 51-53. Mijn schatje. De dichter wendt zich in deze drie regels tot Klaertjen,
om haar plagend te verwijten, dat het overleg, om het paartje door haar voorbeeld
op de woelige baan te lokken, niet verstandig is geweest, want nu is het verdwenen.
In de volgende regels gaat dan de vertelling voort.
vs. 59. half spijt en half vrees. De ineengedrongen wijze van uitdrukking, bij de
gekozen maat noodzakelijk, maakt de constructie soms minder duidelijk. Hier: ‘terwijl
zij half spijt, half vrees was’. Dit lijkt eerst vreemd, doch is eigenlijk niet anders dan
eene metonymia: de toestand voor dengene, die in den toestand verkeert, evenals
bijv. in: hij was een en al, geheel woede, verontwaardiging, enz.
vs. 61, 62, 70. Toch staarde (hij) haar aan; toch waarde (hij) om haar heen. Waren
is ‘zweven’; gewoonlijk wordt het gezegd van geesten of van zaken, die als zoodanig
worden voorgesteld: een engel waart om de legerstede; de pest, het gebrek waarde
rond in de stad. Bedrukte Rachel staak dat waren, zegt Vondel tot de schim van
Jozefs moeder, die in de velden van Betlehem rondzweeft, zwerft, doolt. Hij liet zijne
blikken over 't landschap rondwaren. Hier is 't wel geen schim, maar ook de
schaatsenrijder zweeft over de ijsbaan.
vs. 63. Achter waarde en achter zij zouden wij eene komma plaatsen. De regel
is een beknopte bijzin van omstandigheid: ‘terwijl hij haar getrouw op zij was, bleef’.
vs. 76. dat is al een: ‘dat is alles hetzelfde’, nl. hoe je heet.
vs. 77. zoetjen: een adjectief wordt substantief door 't achtervoegsel je: liefje,
blondje, zwartje, grauwtje, enz.
vs. 80. een flikkertjen slaan, eig. ‘een dansje doen’, hier: ‘een ritje op
Taal en Letteren. Jaargang 2
274
de ijsbaan doen’. Dat de bewegingen bij het schaatsenrijden wel eenige
overeenkomst hebben met die bij het dansen is duidelijk. Zoo zegt ook Bogaers in
zijn Schaatsenrijder: ‘Etlijken weven bij 't hellen en gieren - Hollandsche kunst - een'
bevalligen dans’. In het substantief flikker zit, evenals in het werkw. flikkeren het
begrip van snelle, vlugge beweging.
Wij kunnen nooit jonger, enz. Eene bekende wijze van zeggen: Wij kunnen het
niet jonger doen, meermalen als eene zinledige phrase gebruikt, maar die eigenlijk
thuis behoort in den mond van bejaarden, wanneer zij zich een vermaak veroorloven,
dat beter aan de jeugd past. Zij willen daarmee zeggen: Wij zouden ons, om mee
te mogen doen, wel jonger willen maken, doch nu dit niet gaat, zullen wij het toch
maar wagen. Hier is 't niet meer dan eene aardigheid van Flip.
vs. 81. Met: ‘meteen, tegelijk’, dus bijwoord.
vs. 85. En beidde: ‘al beidende, wachtende’ op haar antwoord.
vs. 86. Ik heet niet....: Dit is een terugslag op de namen, die Flip haar gegeven
had. Dan zegt ze: ‘Ik weet niet.... naar welken kant’ en eindelijk komt de bekentenis,
wat ze eigenlijk op 't ijs doet.
vs. 90. Leg op. Opleggen is in de taal der schaatsenrijders: ‘zich aan een ander
vasthaken, ten einde samen te rijden’, flus: ‘dra, spoedig’, uit fluks, hd. flugs, evenals
bus uit buks, Sassen uit Saksen, Tessel uit Texel, voorheen ook Weissel voor
Weichsel, enz.
vs. 91-93. Tot nog toe had zij de oogjes zedig neergeslagen; nu moest zij toch
eventjes, een oogenblikje, nieuwsgierig opkijken, wie het was, die haar toesprak.
Daarom gluurde zij tusschen de oogleden door en tuurde een ommezien naar zijn'
kant. Gluren drukt de nieuwsgierigheid van Klaertjen uit, turen de inspanning om,
ongemerkt, te weten te komen, met wien zij te doen had. Men vergelijke de
synoniemen: gluren, loeren, turen, staren.
vs. 93. Wie hij wel geleek en niet wien: gelijken heeft hier de bet. van lijken,
schijnen. Zij wilde weten, hoe zijn voorkomen was. Hoe dat onderzoek uitviel, leeren
de drie volgende regels. Beurtelings bloosde ze en werd ze schier bleek van blijde
ontroering; ze kon dan ook onmogelijk voortrijden: ze poosde.
vs. 98. Knapen: ‘jonge borsten’.
vs. 101-102. Deze beide uitroepen doen samen den dienst van een
tusschenwerpsel: O jee, O jeminee, of zoo iets. Joosjen voor Joostjen; Troosjen
staat voor Troostjen en is eene in de oude liedeboeken vaak voorkomende vleiende
benaming voor een meisje.
vs. 104. beenen: letterl. ‘de beenen gebruiken’, hier: ‘vlug de beenen uitslaan’.
Zie hem eens beenen! zegt men. Evenzoo voeteeren van voet, maar voor langzamer
gaan. Hier voeteert de vrouw,
Taal en Letteren. Jaargang 2
275
van kinde groot luidt een bekende versregel in den bekenden rei van Hoofts Baeto
en bij Heye: Wie door 't leven wil voeteeren, enz.
vs. 105. lenen: het overlenen naar links en rechts bij het rijden.
vs. 106. weelderig wel. De klanken duiden hier reeds 't genot aan: weelderig
heerlijk!
vs. 107-110. Men lette op de fraaie wijze, waarop P. het snelle rijden
aanschouwelijk maakt. Eerst kunnen zij den molen in de grauwe winterlucht nog
niet onderscheiden; nu wordt hij zichtbaar; daar zijn ze hem op zij; reeds ligt hij lang
achter hen.
vs. 111. schriller. Nog sneller ging het, zóó, dat Klaertjen zelfs wat angstig werd,
maar Flip wou, zoodra mogelijk, bij de boomen zijn.
vs. 120. ligten: ‘opheffen en daardoor uit zijne hand losmaken’. - op sleep; was 't
een bootje geweest, P. zou gezegd hebben: op sleeptouw, een spoorwagen: op
sleepstang, als Proza II, 230: ‘Gesprekken op sleepstang van een locomotief, wie
denkt er aan? hier is op sleep eigenlijk: op sleephand.
vs. 124-125. Voor kunstjes (schenkt ge mij dan) uw gunstjes, de kunstjes nl. die
hij op zijne schaatsen zal uitvoeren.
vs. 127-128. Steeds hard rijdende komen ze op de eenzame plek en nu Flip het
doel van den tocht heeft bereikt, wijlen, toeven ze daar en als hij haar warm heeft
ingestopt, begint hij zijne kunststukken (vs. 134-135).
vs. 138. fraaijer geen draaijer: ‘niemand, die mooier draaien maakt’; fraai drukt
dus eigenlijk de hoedanigheid van de bogen uit, door Flip op het ijs beschreven,
evenals men wel hoort: eene mooie schrijver voor ‘iemand, die mooie boeken schrijft’.
vs. 144-145. pruilen en druilen. Het eerste is: ‘knorrig, gemelijk kijken’, het tweede:
‘zich onnoozel gedragen’. Een druiloor is een ‘sukkel, een onnoozele hals’; druilen
is: ‘half slapen, sluimeren, suffen’. Klaertjen was dus niet boos en ze stelde zich
ook niet onnoozel aan.
vs. 146. Wat pas het ook gaf, eig. ‘wat pas het ook zou gegeven hebben’, ‘hoezeer
't haar ook gepast zou hebben’. Met zoo'n vreemden borst alleen op de ijsbaan en
dat terwijl zij Govert en Elze had moeten bewaken! Het geeft geen pas: ‘Het (de
toestand) brengt geen gepastheid mede’, is in strijd met gepastheid, is ongepast.
vs. 148. Dat weetje: ‘Dat weetje wel; hou je maar niet dommer dan je bent’.
Klaertjen en Flip zijn elkaar zoo onbekend niet, als het eerst wel scheen. Dat is
reeds gebleken in vs. 94-96 en blijkt nog nader in het voorlaatste couplet. De
aardigheid van Flip, vs. 71-75, was dus maar een voorwendsel geweest, om een
praatje in te leiden.
vs. 151. eilacie en eilaas, bijvormen van helaas.
Taal en Letteren. Jaargang 2
276
vs. 152. tentatie: ‘verzoeking’.
vs. 154-155. Woorden, die rijmen, behooren bij elkander; zoo doen ook de zaken,
die hier genoemd worden. Wie draalt met de verzoeking te ontvlieden, zal allicht
ten val komen. Falen: ‘missen, mis loopen, mis gaan’ zoowel van personen als van
zaken: Zijne plannen falen en hij faalde in zijne plannen. Onpersoonlijk gebruikt is
het syn. met ontbreken. Men lette ook op 't verschil tusschen falen en feilen. Hij
faalde in zijne plannen en hij feilde in zijne berekeningen: ‘maakte fouten’. Hij heeft
gefeild: ‘hij heeft eene zedelijke fout begaan’.
vs. 157. vast: ‘reeds, alreede, alvast’; vgl. vs. 52 van Machteld.
vs. 161. Bij gluipen en sluipen moet ook gedacht worden: naar de steê; zij gaan
gluipende en sluipende daarheen. De beide woorden moeten hier vooral niet in te
ongunstigen zin worden opgevat. Govert en Elze bespieden het paartje en trachten
het ongemerkt op zijde te komen, om het te verrassen. Gluipen is eig. met valschen,
loerenden blik naar iets kijken, zooals degene doet, die iets kwaads in den zin heeft.
vs. 168. vernomen, hier in den ouderen, ruimeren zin van ‘opmerken, bespeuren’,
die o.a. ook bij Staring nog meermalen voorkomt. Vroeger kon men iets vernemen
met alle zinnen; tegenwoordig is de bet. beperkt tot het te weten komen door middel
van 't gehoor of van eene schriftelijke mededeeling.
vs. 171. zwager, in spe natuurlijk!
vs. 177-178. De vrijheid is blijheid: zij brengt uit haren aard blijheid mee. Vgl.
deugd is geluk, plicht is strijd, enz.
vs. 182. beiend: ‘beidend, afwachtend’. Beiden is afwachten, 't zij met verlangen,
't zij met vrees, tegenzin, enz.; verbeiden met verlangen.
vs. 188. duchtend voor verwijt of spot.
vs. 190. de linke, regte (hand), minder gebruikelijk dan linker, rechter. Naast linke
gebruiken dichters ook slinke, welks beginletter nog niet verklaard is, en waarvan
weer slinks en slinksch: ‘listig, valsch’ onderscheiden van links, linksch: ‘onhandig.’
- mijn pand: ‘mijn eigendom’; zij had hem die, meende hij, reeds afgestaan.
vs. 193. eenkennig, gewoonlijk van bleue kinderen gezegd, die maar van één
persoon, de moeder, wat willen weten, uit één, kennen en ig: samenstelling door
afleiding. Hier dus ook: Wees niet verlegen!
vs. 198-199. gaarne zien mogen: ‘veel houden van’.
vs. 200. Lichtmis: ‘Maria Lichtmis, Vrouwendag’. De tijd tusschen Kerstmis en
Vrouwendag - zes weken ongeveer - was vanouds en
Taal en Letteren. Jaargang 2
277
is nog op het platteland de winter, waarin vele zaken geregeld en afgedaan worden.
Met Kerstmis betalen de boeren de pacht en tegen Vrouwendag verhuren zich de
knechts en meiden. Flip wil dus zeggen: nog vóór het eind van den winter. De
feestdag heet lichtmis naar de vele waskaarsen, die dan gewijd en aangestoken of
ook in processie rondgedragen worden. Lichtmis ‘losbol’ is hetzelfde woord,
schertsend gebruikt, waarbij men zeker aan licht ‘niet zwaar, lichtzinnig’ en mis
‘verkeerd’ gedacht heeft.
vs. 203. onz' aller moê: ons aller moeder is Eva. Wij zijn, zegt Elze, op dit punt
allen dochteren van Eva. Zij zegt dit na 't kusjen, dat de schreiende moest troosten.
- Over den vorm onz', ons zie men de Spraakkunst.
vs. 206. 't wijs vrijsterken. De dichter neemt aan 't slot nog eens een loopje met
Klaertjens wijsheid, die zoo deerlijk schipbreuk heeft geleden.
vs. 210. Men legge hier den klemtoon op drieën en dat. Elze wil zeggen: met zijn
tweeën, zoo hoort het.
T.T.
Sprokkel.
Onecht
heeten in de spraakkunsten de f en s in graaf, graf, erf, huis, muis, enz.
En ze zijn zoo echt mogelijk. Hoe wil het letterteeken f ‘echter’ wezen, dan wanneer
men den klank als f hoort? En dito de s? Even echt als de v, en z in graven, huizen,
enz. Altijd in de hollandsche, en algemeen als beschaafd nederlandsch aangenomen,
uitspraak.
Wil men met alle geweld onechtigheden benoemen; laat men dan spreken van
de onechte b in e b , als e p uitgesproken; i n s l i b , r i b , etc.; en van de onechte d
in l o o dl i j n , in b r o o d , l a a d , b a n d , v e r b a s t e r d , g e b o n s d , s i n d s , g i d s ,
b e h u i s d , u i t g e d o o f d ; van de onechte g in d a g , m a g ; van de onechte f in
b e e f d e , s t o o f d e , r o o f d e , d o o f d e ; van de onechte s in h u i s d e , r e i s d e ,
m i s b a k s e l ; etc.
Maar dat komt er van, dat men de spelling, de afbeelding van een k l a n k , voor
1)
het echte, de uitspraak, den k l a n k zelf voor wat onechts houdt.
B.H.
1)
Zie ook Boer, T. en L. II, 239, onderaan.
Taal en Letteren. Jaargang 2
278
De praedicatieve bepaling.
Onder de bepalingen in den enkelvoudigen volzin komen er voor, die niet een der
attributen of bijbehoorende kenmerken noemen van het zinsdeel, dat zij bepalen,
maar die tot dat zinsdeel in dezelfde betrekking staan als een gezegde tot zijn
onderwerp. Die bepalingen heeten daarom niet attributief, maar praedicatief en
dragen ook wel den naam van praedicaatswoord. De praedicatieve bepalingen of
praedicaatswoorden in al hunne verscheidenheid, zoowel wat vorm als wat gebruik
aangaat, nader te beschouwen en de eigenaardigheden, die zich daarbij voordoen,
zoover doenlijk te verklaren, is het doel van dit opstel.
Nemen we daartoe eerst als voorbeeld den volzin: wij zien den schoorsteen rooken,
dan merken we daarin op, dat aan het lijdende voorwerp den schoorsteen eene
handeling wordt toegekend, die hier is uitgedrukt door het werkwoord rooken. Rooken
is hier in dezen zin eene bepaling bij schoorsteen, maar geene attributieve bepaling;
de betrekking tusschen den schoorsteen en rooken is die van onderwerp en gezegde;
rooken is in dezen zin praedicaatswoord bij het lijdende voorwerp schoorsteen.
Die betrekking tusschen dat lijdende voorwerp en zijn praedicaatswoord komt
nog duidelijker uit, wanneer we lijdend voorwerp met praedicaatswoord uitbreiden
tot een voorwerpszin, waarin dan dat lijdende voorwerp het onderwerp en het
praedicaatswoord het gezegde wordt. Het voorbeeld wij zien den schoorsteen rooken
wordt dan: wij zien, dat de schoorsteen rookt. In beteekenis is tusschen deze
uitdrukkingen geen verschil, - wel in vorm. Waar in de tweede uitdrukking de
toekenning van de handeling rooken aan het onderwerp schoorsteen geschiedt in
een volledigen zin, moet die toekenning natuurlijk op de gewone wijze worden
uitgedrukt; m.a.w. in: wij zien, dat de schoorsteen rookt wordt tusschen het onderwerp
schoorsteen en het gezegde rooken de koppeling uitgedrukt door den nominatief
van het onderwerp en den persoonsvorm van het werkwoord. Dit nu geschiedt in
de eerste uitdrukking niet. Schoorsteen blijft staan in den accusatief als lijdend
voorwerp bij het werkwoord zien, terwijl de handeling rooken, die aan schoorsteen
als gezegde wordt toegekend, in eene onbepaalde wijs eenvoudig wordt genoemd.
Bij praedicaats-woorden wordt dus de koppeling niet uitgedrukt.
Indien het werkwoord, dat als praedicaatswoord dienst doet, tot de objec-
Taal en Letteren. Jaargang 2
279
tieve werkwoorden behoort, kan het, even goed als wanneer het in een volzin als
gezegde stond, ook weer één of meer voorwerpen bij zich hebben, terwijl men de
bijwoordelijke bepalingen van tijd, plaats, enz., die bij gezegden kunnen voorkomen,
ook bij praedicaatswoorden kan vinden. Hoeveel bepalingen dat praedicaatswoord
echter ook bij zich krijgt, zijne betrekking tot het zinsdeel, waarbij het behoort,
verandert er niet door en ook dat zinsdeel blijft in den naamval staan, die zijne
betrekking uitdrukt in den volzin, waarvan het een deel uitmaakt.
Is in den zin: de boer laat zijne koeien grazen, koeien lijdend voorwerp, en staat
het dus in den accusatief, terwijl grazen praedicaatswoord is bij koeien, diezelfde
betrekkingen blijven bestaan, als we voor praedicaatswoord een ander werkwoord
kiezen, dat weer andere bepalingen bij zich krijgt; b.v.: de boer laat zijne koeien in
den stal helder water drinken. Ook hier blijft koeien het lijdende voorwerp en staat
dus in den accusatief.
Andere voorbeelden van dien aard zijn:
Men ziet er (sommigen), borst aan borst gekneld, Bij 't worstelen in de baren
ploffen, En, vijand tot den laatsten stond, Al vechtend zinken naar den grond.
(Bogaers.) Zoo is het vel verdwenen, Dat hem de foltring lijden deed Van Herkules,
gedost in Nessus' kleed. (Staring.)
Ik zag ze, als grimmlend stof, gewelf en grond bedekken,
Als zwermend ongediert door lucht en dampkolk trekken,
Zich samendringen in een mades eierschaal
Of fijne luchtdrop, ja nog kleiner duizendmaal;
Dan weer ontwikkelen en met uitgebreide klauwen
De wareldpalen-beide omklemmen en benauwen,
Den schedel wasschen in de wolken en den staart
Omkrullen in den riem der halfverstikkende aard. (Bilderdijk.)
In duizend andere dingen trof den mensch iets van hetzelfde, dat hem het paard
had doen bewonderen en liefhebben. (Gorter.) Ik laat den dokter mijne pols voelen
en mijne tong zien. Op dit laatste voorbeeld wordt soms eene onjuiste redeneering
toegepast, die zelfs de zinssamentrekking er in doet veroordeelen. Men grondt die
redeneering dan op de gelijkstelling laten zien = toonen; bij toonen zou dokter in
den datief staan, dus gaat men ook in het voorbeeld den dokter iets laten zien,
dokter in den datief plaatsen. De onjuistheid dier redeneering zit in de verwisseling
van twee uitdrukkingen, waarin men wel hetzelfde feit vermeldt, maar waarin de
betrekkingen, waarin de bij dat feit betrokken zelfstandigheden en werkingen tot
elkander worden voorgesteld, geheel verschillend zijn. En daar de spraakkunst zich
niet met dat feit, maar juist met die voorstelling bezig houdt, is de verwisseling
verkeerd en dus de redeneering, die er op gebouwd wordt, onjuist. Ook op dit
voorbeeld is toe te passen, wat we toegepast hebben op den zin wij zien den
schoorsteen rooken, om de betrekking tusschen rooken en schoorsteen duidelijk
te doen uitkomen; ook hier kunnen we den dokter met voelen en den dokter met
zien uitbreiden tot
Taal en Letteren. Jaargang 2
280
voorwerpszinnen; wij krijgen dan: ik laat (d.i. laat toe of veroorzaak), dat de dokter
mijne pols voelt, dat de dokter mijne tong ziet.
Die verkeerde beschouwing heeft geleid tot het gebruik van het voorzetsel aan,
waar we werkelijk niets hebben dan een zuiver lijdend voorwerp; zoo zegt men
soms: iets aan een ander laten zien; zoo zingt Helmers: Waarom, barbaren! doet
ge een ijzeren keten dragen Aan wezens, even vrij als gij? Zulke uitdrukkingen
zouden, met het oog op de beteekenis van laten en doen, af te keuren zijn; wat
echter meer gebeurt, geschiedt ook hier. Eene eigenlijk onjuiste uitdrukking blijft
soms naast de juiste bestaan, terwijl het taalgebruik dan aan ieder eene bijzondere
opvatting der beteekenis toekent. Zoo zou men, met: iemand (4) iets (4) laten zien
kunnen uitdrukken dat de aandacht van den persoon op het voorwerp werd gericht,
terwijl men om meer te kennen te geven, dat het voorwerp onder de aandacht van
den persoon gebracht wordt, de uitdrukking iets (4) aan iemand laten zien zou
kunnen gebruiken.
Uit deze redeneering blijkt ook ten duidelijkste, dat laten in zulke voorbeelden niet
tot de hulpwerkwoorden kan worden gerekend. De gelijkluidendheid van dit
werkwoord laten en het bekende hulpwerkwoord, dat dient om van andere
werkwoorden de ontbrekende vormen van de gebiedende wijs te vormen of de
aanvoegende wijs te omschrijven, geeft menigmaal aanleiding tot verwarring, vooral
indien het concrete werkwoord laten in de gebiedende wijs gebruikt wordt; die
verwarring vindt men daar, waar zelfs schrijvers geen onderscheid maken tusschen
de uitdrukkingen laat ons zingen en laten wij zingen. In de eerste uitdrukking hebben
en
we den 2 persoon der gebiedende wijs van het concrete, objectieve, transitieve
werkwoord laten, dat toelaten of veroorzaken beteekent; ons is het lijdende voorwerp,
waarbij het werkwoord zingen praedicaatswoord is; de beteekenis is dan: laat (d.i.
laat toe of veroorzaak) dat wij zingen. De tweede uitdrukking is in haar geheel de
e
1 persoon meervoud van de gebiedende wijs van het werkwoord zingen, waarbij
het hulpwerkwoord van wijze laten gebruikt wordt. De Fransche imperatiefvorm
chantons moet dus vertaald worden door zingen wij of laten wij zingen, maar niet
door laat ons zingen.
Een paar voorbeelden, hoe zelfs zeer goede schrijvers, waar het hulpwerkwoord
van wijze laten (natuurlijk gevolgd door een nominatief) gebruikt moet worden, zich
bedienen van het transitieve werkwoord laten, gevolgd door een accusatief met
praedicaatswoord, zijn: Laat den heer Veere zijn, wat hij wil, dat doet er niets toe.
(Mevr. Bosboom-Toussaint.) Laat ons het proza bewerken: de echte poëzie zelf zal
er bij winnen (Geel). In dit laatste voorbeeld staat: Laat toe, of veroorzaak, dat wij
het proza bewerken; terwijl de schrijver bedoelt: Bewerken wij het proza, of Laten
wij het proza bewerken. Dat gebruik is reeds zoo oud, en komt zoo veelvuldig voor,
dat men, met het oog op het taalgebruik, het nauwlijks meer zou kunnen afkeuren.
Wanneer we echter eene poging aanwenden, om de betrekkingen tusschen
zinsdeelen ons duidelijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
281
te verklaren, dan stuiten we bij deze uitdrukkingen op iets onlogisch, dat bij laten,
gevolgd door een nominatief, niet bestaat.
Zooals uit de aangevoerde voorbeelden ten duidelijkste blijkt, komt de infinitief
als werkwoordelijk praedicaatswoord bij het lijdend voorwerp voor na werkwoorden
die, zooals laten en doen, een toelaten of veroorzaken beteekenen, of na
werkwoorden die, zooals zien, hooren, voelen enz., eene waarneming te kennen
geven.
Tot hiertoe zagen we alleen den infinitief, dus het werkwoord zonder
persoonsvorm, als praedicaatswoord dienst doen. We weten echter, dat het gezegde
niet altijd een werkwoord is, maar dat ook zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden
als gezegde in den zin kunnen optreden. Welnu, ook zulke naamwoordelijke
gezegden kunnen door een praedicaatswoord aan het een of ander zinsdeel worden
toegekend.
Laten wij eerst die gevallen beschouwen, waarin de overeenkomst van het
naamwoordelijke praedicaatswoord met het reeds behandelde werkwoordelijke het
sterkst uitkomt. Nemen we daartoe als voorbeelden: de meid maakt de kamer schoon
en de leerling vindt natuurkunde een moeielijk vak. Ook hier zijn kamer en
natuurkunde, waarbij schoon en een moeielijk vak een gezegde noemen, het lijdend
voorwerp in den uitgedrukten zin; ook hier geldt de regel, dien we bij de behandeling
van het werkwoordelijk praedicaatswoord hebben opgemerkt, nl. dat de koppeling
niet uitgedrukt wordt; ook hier zien we die koppeling wel uitgedrukt, zoodra we het
lijdend voorwerp met zijn praedicaatswoord uitbreiden tot een voorwerpszin, zooals
we deden toen we het voorbeeld wij zien den schoorsteen rooken uitbreidden tot
den samengestelden volzin wij zien, dat de schoorsteen rookt; de uitdrukking der
koppeling vinden we dan hier in den nominatiefvorm van kamer en natuurkunde en
den persoonsvorm van het koppelwerkwoord zijn of worden; de voorbeelden worden
dan: de meid maakt, dat de kamer schoon is of wordt; de leerling vindt, dat
natuurkunde een moeielijk vak is. Ook is er overeenstemming in beteekenis op te
merken tusschen de werkwoorden, waarbij een lijdend voorwerp met zulk een
naamwoordelijk praedicaatswoord voorkomt, en die, waarbij we lijdende voorwerpen
met werkwoordelijke praedicaatswoorden hebben gevonden. Vooreerst vinden we
hier ook werkwoorden, die een toelaten of veroorzaken beteekenen, zooals laten
en het in het voorbeeld gebruikte werkwoord maken; wat die laatste beteekenis
betreft, moeten we opmerken, dat dat veroorzaken niet altijd letterlijk door het
werkwoord wordt uitgedrukt; het werkwoord kan eene handeling noemen, waarvan
het gevolg is, dat zekere zelfstandigheid eene zekere hoedanigheid verkrijgt, in welk
geval die zelfstandigheid door het lijdend voorwerp, die hoedanigheid door het
praedicaatswoord wordt genoemd. We hebben zulk een geval, indien we het eerste
der gebruikte voorbeelden veranderen in: de meid veegt de kamer schoon; ofschoon
vegen niet zooals maken gezegd kan worden letterlijk een veroorzaken te kennen
te geven, is toch hier de handeling vegen te beschouwen als de oorzaak van het
schoon worden der
Taal en Letteren. Jaargang 2
282
kamer, dus behoort hier dat werkwoord vegen met het werkwoord maken ten opzichte
van het lijdend voorwerp met zijn praedicaatswoord in dezelfde rubriek. Op een
eigenaardig verschijnsel moet ook hierbij de aandacht gevestigd worden; soms n.l.
is het gebruikte werkwoord intransitief, maar wordt, indien tengevolge der handeling
eene zekere zelfstandigheid eene zekere hoedanigheid verkrijgt, door de bijvoeging
van den naam dier zelfstandigheid als lijdend voorwerp met den naam dier
hoedanigheid als praedicaatswoord, een transitief werkwoord. Loopen en schreeuwen
b.v. zijn ontegenzeggelijk intransitieve werkwoorden, maar indien ik wil uitdrukken,
dat als gevolg van het loopen, mijne schoenen scheef worden, of dat ik, tengevolge
van iemands schreeuwen, doof word, dan gebruik ik de zinnen: ik loop mijne
schoenen scheef en die kerel schreeuwt mij doof, waarin scheef en doof
praedicaatswoorden zijn bij de lijdende voorwerpen schoenen en mij, en waarin dus
de werkwoorden loopen en schreeuwen transitief zijn geworden. Zoo gebruikt,
behooren die werkwoorden met maken in dezelfde rubriek.
Verder vinden we hier ook werkwoorden, die, evenals zien, hooren, voelen, enz.
bij de werkwoordelijke praedicaatswoorden, eene waarneming te kennen geven,
zooals in het tweede der gebruikte voorbeelden het werkwoord vinden en het
werkwoord achten. Hierbij behoort te worden opgemerkt, dat bij het naamwoordelijke
praedicaatswoord het werkwoord soms niet de eigenlijke waarneming, maar meer
het uiten dier waarneming, het op die waarneming gegronde oordeel te kennen
geeft, zooals b.v. bij de werkwoorden noemen, prijzen, roemen, enz. Voorbeelden
van deze naamwoordelijke praedicaatswoorden zijn:
Noem het een weelde, bij 't suizen der blâren, 's Zomers de koelte te drinken in
't woud. (Bogaers). O, kon ik dag aan dag In 't leed ten steun u zijn, die 'k eens zoo
zalig zag. (ibid.) En 't juichend schepslenheir, dat op het wichtje staart, Waant de
onschuld weêrgekeerd en God verzoend met de aard. (ibid.) Dan wijze ik u de
plekjes, die ik 't bekoorlijkst vond. (Beets.) Doch laten wij geene deernis vergen,
waar men haar ziekelijke gevoeligheid schelden zou. (Potgieter.) Hoe gaarne achtte
zij waarschijnlijk wat zij wenschte! (ibid.) De deurwaarders hadden immers die stoep
al zoo lang plat geloopen! (ibid.) Nu noopt de Titan, rijk van gloed, Zijn blauwe rossen
uit den vloed En rent den slagboom open. (Bilderdijk.) De zeeman biedt in 't holle
zeil Den wind het kostbre leven veil (ibid.)
Zooals opgemerkt is, en duidelijk uit deze voorbeelden blijkt, geschiedt ook hier
de toekenning van het gezegde, dat in het praedicaatswoord is uitgedrukt, aan zijn
onderwerp zonder uitdrukking van de koppeling. Toch vinden we in sommige van
zulke zinnen het koppelwerkwoord ook; maar zelfs dan mogen we nog niet spreken
van uitdrukking der koppeling, omdat de nominatiefvorm van het onderwerp en de
persoonsvorm van het werkwoord ontbreken. Het koppelwerkwoord staat, indien
het bij zulk een praedicaatswoord voorkomt, in de onbepaalde wijs. We hebben in
den zin wij achten uw buurman een
Taal en Letteren. Jaargang 2
283
edel mensch te zijn een voorbeeld van een dergelijk verschijnsel. Andere voorbeelden
zijn:
Mijn zak komt als besteld, om in te laden Dien 'k op uw woord vertrouw geen
Goliath te zijn. (Staring.) De woestijn Heeft zich een oogenblik uw graf gewaand te
zijn. (Da Costa.)
Wanneer het naamwoordelijk praedicaatswoord een zelfstandig naamwoord is,
moet daarvan natuurlijk ook de naamval bepaald worden. Hiervoor geldt de regel,
die ook in den hoedanigheidszin den naamval van het naamwoordelijk gezegde
beheerscht, nl. HET NAAMWOORDELIJK GEZEGDE STAAT IN DENZELFDEN NAAMVAL ALS
HET ONDERWERP, WAARAAN HET WORDT TOEGEKEND. Dat in een uitgedrukten zin het
naamwoordelijk gezegde in den nominatief staat, is slechts een bijzonder geval van
dezen algemeenen regel, waarvan een ander bijzonder geval dus is, dat een
praedicaatswoord in denzelfden naamval staat als het woord, waarbij het een
praedicaatswoord is. Die regel verklaart ook het verschijnsel, dat de beide
accusatieven bij werkwoorden als noemen in den lijdenden vorm nominatieven
worden. In ik noem u mijn vriend staat vriend in den accusatief, omdat u als lijdend
voorwerp in dien naamval staat; in gij wordt mijn vriend genoemd staat vriend in
den nominatief, omdat het een praedicaatswoord is bij het onderwerp gij. Deze
naamvalsregel blijft gelden, ook dan wanneer het koppelwerkwoord in den vorm
eener onbepaalde wijs aanwezig is; in de beide aangehaalde voorbeelden staan
de woorden Goliath en graf in den vierden naamval als praedicaatswoorden bij de
lijdende voorwerpen dien en zich, niettegenstaande het koppelwerkwoord zijn in
beide voorbeelden is uitgedrukt.
Zagen we tot dusverre den infinitief van een werkwoord als werkwoordelijk, het
adjectief of substantief als naamwoordelijk praedicaatswoord optreden, men moet
echter niet uit het oog verliezen, dat ook soms een werkwoord in den infinitiefvorm
als naamwoordelijk gezegde dienst doet, dus ook als naamwoordelijk
praedicaatswoord kan voorkomen. In werken en denken en leeren is leven (De
Genestet), is het naamwoordelijk gezegde een werkwoord; in zinnen als: dat noem
ik loopen is de infinitief loopen een naamwoordelijk praedicaatswoord bij het lijdende
voorwerp dat.
De hier behandelde praedicatieve bepalingen, zoo werkwoordelijke als
naamwoordelijke, kwamen alle als zoodanig voor bij het lijdende voorwerp, of, wat
de laatste betreft, bij werkwoorden als noemen bij het onderwerp van den lijdenden
zin. De naamwoordelijke praedicaatswoorden echter komen ook nog op andere
wijze voor. Niet alleen aan het lijdende voorwerp, ook aan andere zinsdeelen kan
men naamwoordelijke gezegden toekennen door een woord, dat soms appositie of
bijstelling genoemd wordt, soms den naam draagt van bepaling van gesteldheid,
maar dat in den grond niets anders is dan een praedicaatswoord. In de voorbeelden:
‘Mijn Eva’, stamelt hij, ‘laatst, eenigst overschot Van al de schatten, eens mij
toebeschikt door God, Maar van die schatten mij de grootste!’ (Bogaers) en En lijk
op lijk, verminkt, verschroeid, Ploft
Taal en Letteren. Jaargang 2
284
als een stortval uit de wolken (ibid.), kan men overschot en de grootste appositiën
bij Eva en verminkt en verschroeid bepalingen van gesteldheid bij lijk noemen, maar
bij eenigszins aandachtige beschouwing blijkt toch duidelijk, dat die woorden bij Eva
en bij lijk staan in de betrekking van een naamwoordelijk gezegde bij zijn onderwerp;
men zegt, door die bepalingen te gebruiken, dat Eva het overschot en de grootste
schat is, dat de lijken verminkt en verschroeid zijn; het zijn dus praedicatieve
bepalingen of praedicaatswoorden. In het eerste dezer beide voorbeelden vinden
we nog zulk eene praedicatieve bepaling, die, m.i. ten onrechte, soms wel tot de
beknopte bijzinnen wordt gebracht, nl. de bepaling eens mij toebeschikt door God,
behoorende bij het zelfst. naamw. schatten. Door deze uitdrukking te rangschikken
onder de beknopte bijvoeglijke bijzinnen, ziet men één onderscheid over het hoofd,
dat toch in de spraakkunst niet gering te schatten is. De bijvoeglijke bijzin toch komt
in dienst geheel overeen met een attributief bijvoeglijk naamwoord, terwijl de hier
voorkomende uitdrukking eene praedicatieve bepaling is. De schatten, die mij eens
door God toebeschikt waren, komt overeen met De mij eens door God toebeschikte
schatten; in beide uitdrukkingen is de bepaling bij schatten attributief; in het gebruikte
voorbeeld van Bogaers bevat het praedicatieve bijvoeglijk naamwoord toebeschikt
een naamwoordelijk gezegde bij schatten en heet daarom praedicatieve bepaling
of praedicaatswoord. Het onderscheid nu tusschen attributen en praedicaten wordt
verwaarloosd, indien we dergelijke bepalingen gaan rangschikken onder de
bijvoeglijke bijzinnen.
Onmiddellijk geef ik toe, dat, wat de bedoeling van den spreker betreft, dat
onderscheid soms niet veel te beteekenen heeft. Wanneer ik b.v. iemand iets
vertellen wil van een paard, dan bereik ik met dat paard is bruin hetzelfde doel als
met het is een bruin paard. De bedoeling van den spreker echter blijft buiten
beschouwing, wanneer we ons rekenschap willen geven van de onderscheiden
betrekkingen, waarin we de zinsdeelen tot elkander kunnen voorstellen. In het eerste
geval noemt bruin een praedicaat, in het tweede een attribuut. De praedicatieve
bepaling nu komt overeen met het eerste, de bijvoeglijke bijzin met het tweede. Wat
den beknopten bijzin in het algemeen betreft, daaromtrent zal ik mijne beschouwing
in het midden brengen, bij het behandelen van de betrekking tusschen de toekenning
van het praedicaatswoord en die van het gezegde in den zin aan hetzelfde
onderwerp.
Is het praedicaatswoord van de hier behandelde soort een zelfstandig naamwoord,
dus behoort het tot die zinsdeelen, die ook wel eens appositie genoemd worden,
dan is de naamval weder gemakkelijk te bepalen. Ook hier wordt de algemeene
regel toegepast, waarop reeds gewezen is, nl.: HET NAAMWOORDELIJK GEZEGDE STAAT
IN DENZELFDEN NAAMVAL ALS HET ONDERWERP, WAARAAN HET WORDT TOEGEKEND, van
welken algemeenen regel dus de gebruikelijke naamvalsregel voor de appositie of
bijstelling weer een bijzonder geval is. De voorbeelden van het gebruik dezer
naamwoordelijke praedicaatswoorden zijn talrijk; hier volgen er eenige.
Taal en Letteren. Jaargang 2
285
Maar in het hachlijk uur, hier voor des Dichters oogen herroepen, is het stil. (Da
Costa.) Claudine, onverschillig voor alles, sinds ze Frits had moeten opgeven, had
geen tegenstand geboden. (Mevr. Bosboom-Toussaint.) Weggetrokken in een hemel
van gevoel, Verkondt ge orakeltaal op Febus' wichelstoel, U-zelven duister;
(Bilderdijk.) In dit laatste voorbeeld is zoowel het onderwerp als het lijdende voorwerp
van zulk eene praedicatieve bepaling voorzien. De Reuzen, in getal verminderd,
eerst bespringers, Zijn thans besprongen. (ibid.) En, krimpend onder 't wee van
onspoeds felste slagen, (hebt Gij) Reeds vroeg uw doornenkroon gedragen, Op 't
jeugdig hoofd, van lauwren zwaar. (Ter Haar.) Totdat ze, ... vijand evenzeer aan
alles wat bestaat, Niet leefden dan van roof en moord en gruweldaad. (Bilderdijk.)
Hij, zelf een jongling, sloot Zijn boezem niet voor 's jonglings teedre zorgen. (Staring.)
Van op zijn zegekoets, aan enkel lofgegalm, Vergoding allerwege en wolken
wierookwalm Gewoon, Ziet de Eeuwgeest, zelf bij 't treurtooneel verbleekend, Op
aangezichten thans maar al te zeer welsprekend. (Da Costa.)
Ten opzichte van het gebruik dezer praedicaatswoorden moet nog iets worden
opgemerkt, dat soms door schrijvers wordt over het hoofd gezien en dat toch in het
belang der duidelijkheid wel degelijk moest worden in acht genomen. Aangezien
de koppeling bij het praedicaatswoord niet wordt uitgedrukt en het woord zelf, indien
het een adjectief is, als praedicatieve bepaling onverbogen voorkomt, hebben we
geen uiterlijke kenteekenen, die ons aanwijzen, waarbij het woord als bepaling
optreedt. De duidelijkheid echter eischt, dat in dat opzicht geene vergissing mogelijk
is, dus moeten er andere middelen zijn, die ons beletten het woord te beschouwen
als bepaling bij iets anders dan dat, waarbij het behoort. Daartoe kunnen we
vooreerst zorgen, de praedicatieve bepaling zoo dicht mogelijk bij, liefst onmiddellijk
achter het woord te plaatsen, waarbij ze behoort. Zoo zal men in het gegeven
voorbeeld van Ter Haar: En krimpende onder 't wee van onspoeds felste slagen
(hebt Gij) reeds vroeg uw doornenkroon gedragen op 't jeugdig hoofd, van lauwren
zwaar geen oogenblik behoeven te twijfelen, of zwaar eene bepaling is bij hoofd of
bij iets anders; de plaats dier bepaling wijst zulks hier voldoende aan. Lastiger echter
zou het worden in de gevallen, waar men den zin met eene praedicatieve bepaling
doet beginnen, zooals b.v. in: Vroolijk zingende bracht mij elken morgen het zoontje
van mijn buurman de courant op mijne kamer. Hier toch volgen op de praedicatieve
bepaling nog zes namen of aanduidingen van zelfstandigheden, terwijl geen enkel
kenteeken aanduidt, bij welke nu de bepaling vroolijk zingende behoort. In dergelijke
gevallen beslist de gewoonte, die ons zulke bepalingen doet beschouwen als
behoorende bij het onderwerp van den zin. In het gebruikte voorbeeld behoort het
praedicaatswoord niet bij mij, hoewel het daarbij het dichtst geplaatst is, maar bij
zoontje, omdat dat het onderwerp is in den zin. De duidelijkheid eischt, dat men zich
streng aan die gewoonte houdt; toch zijn er voorbeelden, dat goede schrijvers van
die gewoonte afwijken en zinnen doen beginnen met praedicatieve bepa-
Taal en Letteren. Jaargang 2
286
lingen, die niet bij het onderwerp behooren. Eigenlijk zeggen ze dan iets anders
dan ze bedoelen en kunnen we zulke uitdrukkingen niet anders noemen dan
stijlfouten. Voorbeelden daarvan vinden we in: Ach! voor die zaak doorboord, Was
ook zijn laatste zucht een bede van ontferming. (Da Costa.) En in des vreemdlings
land gevangen, Vergt gij zijn overmoed nog zangen? (ibid.) Den volgenden morgen
vroeg ontwaakt, leed het niet lang, of een timmermansknecht spijkerde een bordje
e
aan een der posten van haar deur. (Potgieter.) Tot de 17 eeuw hoofdzakelijk door
de Germanen gevoerd, vangen achtereenvolgens ook de verschillende Romaansche
volken aan, er deel aan te nemen (nl. aan de worsteling tusschen kerk en staat).
(Jorissen.)
Tot hiertoe hebben we het praedicaatswoord alleen beschouwd in zijne betrekking
tot het woord, waarbij het als praedicatieve bepaling optreedt en gezien, dat die
betrekking geen andere is dan die van een gezegde tot zijn onderwerp. Er is echter
bij het gebruik der praedicaatswoorden nog eene andere betrekking in het spel, die
we niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Het praedicaatswoord is een gezegde,
zonder uitgedrukte koppeling aan een onderwerp toegekend; in den zin, waarin het
praedicaatswoord voorkomt, is natuurlijk een gezegde, dat met uitgedrukte koppeling
aan het onderwerp wordt toegekend; welnu, tusschen die beide toekenningen, indien
bij beide het onderwerp hetzelfde is, kan eene betrekking bestaan, die we nu
eenigszins nader moeten beschouwen. Het eenvoudigste geval hebben we, indien
er geen andere betrekking bestaat dan die van gelijktijdigheid. Dat geval komt o.a.
voor in de voorbeelden: Zich leunende aan een palm .... stond .... de eerste mensch.
(Bogaers.) Vroolijk zingende bracht mij elken morgen het zoontje van mijn buurman
de courant op mijne kamer. In die voorbeelden bestaat tusschen het staan en het
leunen, tusschen het brengen en het zingen niets dan gelijktijdigheid. Die betrekking
geeft echter aanleiding tot het ontstaan van eene andere.
Zooals uit tal van voorbeelden zou kunnen blijken, wekt het bestaan van
gelijktijdigheid in onzen geest de voorstelling van oorzakelijk verband. Tusschen
twee feiten, die de mensch bij herhaling gelijktijdig ziet voorvallen, zoekt zijn geest
verband van oorzaak en gevolg, zonder dat dit verband langs den weg van
redeneering is aan te toonen; denken we slechts aan het algemeen verspreide
geloof, dat verandering in de schijngestalten der maan invloed zou hebben op
verandering van het weer; - dat het gebruik van zekere huismiddeltjes zekere ziekten
geneest, enz. - Die eigenaardigheid van den menschelijken geest heeft
ontegenzeggelijk op het gebied der wetenschap eene belangrijke rol gespeeld; zij
liet bij het gelijktijdig waarnemen van verschillende verschijnselen oorzakelijk verband
vermoeden en gaf zoodoende aanleiding tot het zoeken naar oorzakelijk verband,
dat op zijne beurt eene natuurwet kon doen ontdekken. Het is in de taal, dat we
zeer dikwijls die eigenaardigheid vinden afgespiegeld. Tal van woorden en vormen,
die eigenlijk niets uitdrukken dan gelijktijdigheid, dan een te zamen voorkomen,
wekken de voor-
Taal en Letteren. Jaargang 2
287
stelling eener oorzakelijke betrekking en worden gebruikt om causaal verband uit
te drukken. Zoo wordt nu een redengevend voegwoord; zoo krijgt bij de beteekenis
van door; zoo geeft het voorzetsel met het aanzijn aan een voorwaardelijk voegwoord
mits en een redengevend voegwoord vermits, zoo gaat de betrekking van
gelijktijdigheid, die we hier bij de praedicatieve bepaling opmerken, over in eene
redengevende betrekking. In: zingende gingen zij naar huis vinden we nog de
betrekking van gelijktijdigheid; in: ziek zijnde kan ik heden avond niet komen is de
betrekking redengevend. Die redengevende betrekking vinden we zeer dikwijls; o.a.
in de voorbeelden: Claudine, onverschillig voor alles, sinds ze Frits had moeten
opgeven, had geen tegenstand geboden (Mevr. B.-T.). Eenig kind zijner ouders,
was Van Veen de steun zijner moeder geworden (Potgieter). Hij, zelf een jongling,
sloot zijn boezem niet voor 's jonglings teedre zorgen (Staring) enz. De hier
opgemerkte betrekkingen, zoowel de oorzakelijke als die van gelijktijdigheid, hebben
er soms toe geleid, deze praedicatieve bepalingen te rangschikken onder de
beknopte bijwoordelijke, resp. redengevende en tijdbepalende bijzinnen. Het is hier
de plaats, over die benaming een en ander in het midden te brengen, ten einde aan
te toonen, waarom ik deze praedicatieve bepalingen niet zoo noem.
Bij het gebruik der benaming beknopte bijzin plaatst men zich ter beschouwing
van de deelen van een volzin op een geheel ander standpunt, dan ik hier inneem.
Dat standpunt wordt duidelijk, indien we slechts letten op de definitie, die men van
de beknopte bijzinnen geeft. Daarin valt wel verandering waar te nemen; zoo lazen
en
we b.v. in den 2 druk van de Spraakkunst van T. Terwey: Meermalen gebeurt het,
dat men een bijzin uitdrukt in den vorm van een zindeel. Zulk een zindeel kan en
moet dan ook in de ontleding tot een volkomen bijzin worden uitgebreid. Het draagt
e
den naam van beknopten bijzin, terwijl de 8 druk zegt: Meermalen gebeurt het, dat
een zindeel de waarde heeft van een bijzin, en verder in plaats van van uitbreiden
tot een bijzin, van vervangen door een bijzin spreekt. M.i. geeft die laatste definitie
duidelijker het standpunt aan. Wanneer men bij de beschouwing der taal voornamelijk
in het oog houdt de bedoeling, die de spreker bereiken wil, dan zal men er dikwijls
toe komen, de uitdrukkingen, die werkelijk gebruikt zijn, te vervangen door andere,
waarin die bedoeling duidelijker is uitgedrukt. Bedoelt de spreker in: dit gezegd
hebbende, ging hij zitten, dat het gaan zitten in tijdsorde volgde op het gezegd
hebben, dan kan hij die bedoeling duidelijker uitdrukken in: nadat hij dit gezegd had,
ging hij zitten. Wanneer men nu bij de ontleding die bedoeling wil doen uitkomen,
dan vervangt men de eerste uitdrukking door de tweede en noemt dit gezegd
hebbende een beknopten bijwoordelijken bijzin van tijd. Men kan zich echter bij de
beschouwing der taal iets anders ten doel stellen, nl. zichzelf rekenschap te geven
van de betrekkingen, waarin de deelen van een zin tot elkander worden voorgesteld,
zonder te vragen, met welke andere wijzen van voorstelling men hetzelfde doel zou
kunnen bereiken. Dan zegt men: het tegenwoordig deelwoord stelt eene wer-
Taal en Letteren. Jaargang 2
288
king voor als tijdelijke eigenschap; het gezegd hebben wordt dus hier voorgesteld
als tijdelijke eigenschap van het onderwerp hij; het wordt hier dus als naamwoordelijk
praedicaat aan hij toegekend; het vormt hier bij hij eene praedicatieve bepaling.
Juist omdat de zoogenaamde beknopte bijzinnen zindeelen zijn, die door een bijzin
kunnen worden vervangen, is voor hen in deze wijze van beschouwen geen plaats.
Wie zich alleen bezighoudt met de wijze van voorstellen, beschouwt een zindeel
als zindeel en vervangt het niet door een bijzin; die let op den vorm, waarin dat
zindeel is uitgedrukt, en tracht zich rekenschap te geven van de betrekking, die door
dien vorm wordt aangewezen. Dat dit laatste soms zeer moeielijk is, zal ik volstrekt
niet ontkennen; maar dat men alleen van dit standpunt er ooit toe zal kunnen
geraken, bestaande moeielijkheden te verklaren, geloof ik stellig. De andere methode
toch beschouwt die moeielijkheden niet, maar vermijdt ze door vervanging, wat m.i.
nooit tot oplossing kan leiden. Ten opzichte van tal van andere deelen der
zinsontleding zou dit verschil in standpunt nog kunnen worden uiteengezet; maar
aangezien die niet te maken hebben met praedicatieve bepalingen of beknopte
bijzinnen, is het hier de plaats niet, zulks uitvoerig aan te toonen.
We letten bij de ontleding hier dus alleen op de wijze van voorstellen en dan
behooren de hier voorkomende adjectieven en deelwoorden tot de praedicatieve
bepalingen en kan verder de betrekking, die door den spreker bedoeld wordt
tusschen de toekenning van het praedicaatswoord en die van het gezegde in den
zin aan hetzelfde onderwerp, langs den weg van redeneering worden verklaard.
Die betrekking kan nog van geheel anderen aard zijn. Vooreerst kan de koppeling
tusschen onderwerp en gezegde in den zin, dus de uitgedrukte koppeling, afhankelijk
gesteld worden van de niet uitgedrukte koppeling tusschen onderwerp en
praedicatieve bepaling, zooals b.v. in: naar het uiterlijke oordeelende, moet ik zeggen,
dat hij mij wel aanstaat; eenmaal bij de beurs gekomen, kan ik den weg naar het
station zelf wel vinden; op een grooten afstand gezien schijnen ons de voorwerpen
veel kleiner toe. In deze zinnen wordt het al of niet moeten zeggen afhankelijk gesteld
van het al of niet naar het uiterlijk oordeelen; het al of niet kunnen vinden van het
al of niet bij de beurs gekomen zijn; het al of niet kleiner toeschijnen van het al of
niet op een grooten afstand gezien zijn. Men ziet aanstonds, dat deze betrekking
dezelfde is als die tusschen een voorwaardelijken bijzin en den hoofdzin; reden,
waarom deze praedicaatswoorden wel eens gerekend worden tot de beknopte
voorwaardelijke bijzinnen. Dat wij dit hier niet doen, volgt uit hetgeen over den
beknopten bijzin hierboven is gezegd.
Eene andere betrekking is in zooverre met de pas beschouwde verwant, dat we
hierbij ook te letten hebben op den invloed der niet uitgedrukte koppeling der
praedicatieve bepaling op de uitgedrukte koppeling in den zin. Nu echter is er van
afhangen geen. sprake; de praedicatieve bepaling wordt hier gegeven, om
uitdrukkelijk te kennen te geven, dat hare koppeling niets ver-
Taal en Letteren. Jaargang 2
289
andert aan de met haar eenigszins in tegenspraak zijnde koppeling in den zin. Was
de pas behandelde betrekking voorwaardelijk, deze is toegevend. Voorbeelden
dezer betrekking zijn: Arm en verlaten trachtte de oude vrouw toch te berusten in
haar lot. Jong, jolig als deze is, stoot hij stil aan, ziet hij voor zich als de overigen.
(Potgieter.) Opjevoed in den dampkring van het keizerlijke hof, gevoelde hij toch
menschelijk genoeg, om deernis te hebben met verdrukten. (ibid.)
Zeer opmerkelijk is een verschijnsel, dat zich voordoet bij de praedicatieve
bepalingen, die in een der twee laatst behandelde betrekkingen tot het gezegde
staan. Hebben we nl. bij de behandeling der tijdbepalende en redengevende
betrekking gezien, dat er geen woord bij gebruikt kan worden om die betrekking
aan te duiden, bij de voorwaardelijke en toegevende betrekking komt zulk een woord
soms wel voor. We zien nl. zulk eene praedicatieve bepaling dikwijls voorafgaan
door een voorwaardelijk, nog veelvuldiger door een toegevend voegwoord. Zonder
voegwoord kan men de praedicatieve bepaling ook in dezelfde betrekking gebruiken;
het voegwoord legt op die betrekking meer nadruk en verhoogt dus de kracht der
uitdrukking. Daardoor zal men het bij de voorwaardelijke betrekking alleen dan zien,
als de voorwaarde zeer uitdrukkelijk moet worden gesteld; vandaar dat we in zulke
gevallen niet indien, maar wel het veel sterkere mits zullen aantreffen.
Ge kunt, mits onafgebroken voortwerkende, uw werk nog wel afkrijgen. Vinden
we soms een ander, minder krachtig, voorwaardelijk voegwoord, dan kan door
toevoeging van een bijwoord de kracht verhoogd worden, zoodat het gebruikte
voegwoord met dat bijwoord de voorwaarde even nadrukkelijk stelt als mits; b.v.
Koning! neem uw staf in handen, naar 't op nieuw bezworen recht, Dat weldadig
nog zal wezen, zoo slechts biddend neêrgelegd Op den grondslag der Geschiedenis,
op 't beginsel van Gods Woord. (Da Costa) Hier geeft slechts aan zoo de kracht
van mits.
Bij de andere betrekking vinden we de gewone toegevende voegwoorden ofschoon
en hoewel. Twee vorstinnen Gedoogt de tentgordijn van Mamre niet, noch binnen
Haar plooien deze twee, schoon spruiten van één stam. (Da Costa.) Ook hij, schoon
starend op een hooger verge zicht, Gaat voor het volksheil uit naar beetring. (ibid.)
Hoewel telkenmale in zijne verwachtingen teleurgesteld, gaf hij de hoop nog niet
op. - Misschien rijst hier de vraag: moeten ze nu met dat voegwoord niet tot de
bijwoordelijke bijzinnen gerekend worden? Het antwoord op die vraag kan, van ons
standpunt uit, niet anders dan ontkennend luiden. De hoofdwoorden voortwerkende,
neergelegd, spruiten, starend en teleurgesteld zijn òf deelwoorden, die eene voltooide
of onvoltooide werking voorstellen als tijdelijke eigenschap bij de onderwerpen uit
den zin, òf eene appositie bij een zinsdeel; het zijn dus alle naamwoordelijke
praedicaten bij het onderwerp of eenig ander zinsdeel en dus geen bijwoordelijke
bepalingen bij het gezegde. Alleen de wijze van voorstellen beschouwende, zonder
te vervangen, kunnen we ze dus niet anders noemen dan praedicatieve bepalingen.
- Het gebruik
Taal en Letteren. Jaargang 2
290
van dat voegwoord is wel eigenaardig. Wij hebben het alleen in bovengenoemde
twee betrekkingen; de Engelschen gebruiken bij praedicatieve bepalingen niet alleen
if en though (indien en ofschoon) maar ook when en while (wanneer en terwijl). Hoe
het nu komt, dat wij alleen bij de voorwaardelijke en toegevende, dus bij de modale
betrekkingen (betrekkingen tusschen den aard der koppelingen) die voegwoorden
aantreffen en ze onmogelijk bij eenige andere betrekking kunnen gebruiken, - ziedaar
eene quaestie, welker oplossing ik gaarne aan meer bevoegden overlaat.
Eene opmerking, die bij de behandeling van den toegevenden bijzin gemaakt
moet worden, dient ook hier eene plaats te vinden. Soms toch is het niet de koppeling
der praedicatieve bepaling, die in toegevende betrekking tot de koppeling uit den
zin wordt voorgesteld, maar is het eene bijwoordelijke bepaling, zeer dikwijls van
graad, die bij het praedicaatswoord behoort. In dat geval wordt die bepaling uitgedrukt
door een vragend bijwoord, dat dan eene onbepaalde beteekenis heeft, en kan men
nooit een voegwoord gebruiken, om de toegevende betrekking uit te drukken. We
vinden zulk een geval in: De Winter heeft, hoe grijs van kin, een kleur als melk en
bloed. (Staring.) Toch laat hem, hoe ook wuft en onbedacht en grillig, Dat snijdend
woord: ‘waarheen?’ niet altoos onverschillig. (Da Costa.) Deze praedicatieve
bepalingen komen ten opzichte der betrekking, waarin ze tot de gedachte uit den
zin staan, overeen met de objectieve toegevende bijzinnen, terwijl de andere, waarbij
het voegwoord kan worden gebruikt, bij de subjectieve toegevende bijzinnen
vergeleken kunnen worden.
Nu blijft ons nog eene soort van praedicatieve bepaling te bespreken, die, wat
haar vorm betreft, in de vergelijking haar oorsprong vindt. Ik bedoel uitdrukkingen
als: Als vader moet ik u het verkeerde dier handelwijze onder het oog brengen. Ook
hierin vinden we een voegwoord, maar niet, zooals in de behandelde gevallen, tot
uitdrukking der betrekking tusschen het praedicaatswoord en het gezegde uit den
zin; het voegwoord is hier vergelijkend en toont ons aan, dat we hier eigenlijk niet
met een praedicaatswoord te maken hebben. Tot verklaring van het ontstaan eener
dergelijke uitdrukking kunnen we het voorbeeld gebruiken: Als een vader heb ik
altijd voor u gezorgd. Hierin wordt het onderwerp van den zin ik vergeleken met een
vader, terwijl het resultaat dier vergelijking, de betrekking van gelijkheid tusschen
ik en vader uitgedrukt wordt door het vergelijkend voegwoord als. Wat den naamval
betreft, kunnen we zeggen dat vader in naamval overeenkomt met ik, volgens den
regel, dat DE BEIDE LEDEN EENER VERGELIJKING IN DENZELFDEN NAAMVAL STAAN. Het
voegwoord als wijst dus op gelijkheid; bestond er ongelijkheid, dan drukten we zulks
uit door dan; die gelijkheid nu, door als uitgedrukt, gaat soms over in gelijkstelling,
in vereenzelviging van de beide leden der vergelijking. Dan kunnen we eigenlijk niet
meer van vergelijking spreken, omdat dan beide leden namen geworden zijn van
hetzelfde begrip. In algebra zouden we dan kunnen spreken van eene identieke
vergelijking. Die vereen-
Taal en Letteren. Jaargang 2
291
zelviging vinden we o.a. bij den vergelijkenden bijzin in voorbeelden als: Groot
veldheer, als hij was, wist hij ook den slag te vermijden, als de overwinning niet
zeker was; ook daar, waar men als een verklarend voegwoord gaat noemen, b.v.
Hij dreef handel in allerlei kruidenierswaren, als: koffie, thee, suiker, peper, enz.
Datzelfde verschijnsel nu doet zich voor in het gegegeven voorbeeld: Als vader
moet ik u het verkeerde dier handelwijze onder het oog brengen. Ook hier wordt
het onderwerp ik niet met een vader vergeleken, maar worden ik en die vader
vereenzelvigd; er wordt in gezegd dat ik die vader ben, waardoor dus geen lidwoord
van onbepaaldheid gebruikt kan worden, en door die vereenzelviging komt men er
toe, tusschen ik en vader de betrekking te zoeken van onderwerp en gezegde en
noemt men als vader eene praedicatieve bepaling of praedicaatswoord bij het
onderwerp ik. De naamval levert geen moeilijkheden op; zoowel als praedicaatswoord
als als tweede lid der vergelijking beschouwd, heeft vader denzelfden naamval als
ik. Voorbeelden van dergelijke praedicatieve bepalingen, die eigenlijk tweede leden
eener vergelijking zijn, vinden we in: Als jeugdig dichtervorst gezeteld op uw troon,
Droegt gij een scepter bij uw kroon. (Ter Haar.) Mij gaf de Schepper kracht tot
worstlen met het lot; Als boete wordt het mij geheiligd tot genot (Bogaers). Hij draagt
als bandelier een leegen zak. (Staring.) Hij zie die Drukpers, als verwaten koningin
Gezeten op haar koets, de Meening als slavin In teugels klemmen. (Da Costa). In
deze voorbeelden komen na het voegwoord als alleen substantieven als
praedicaatswoord voor, en dat is natuurlijk; is toch het eerste lid eener vergelijking
eene zelfstandigheid, dan zal het tweede zulks ook zijn, temeer nog, waar de
vergelijking overgaat in vereenzelviging. We vinden echter na dat vergelijkende
voegwoord als ook adjectieven, en dat verschijnsel moet nog verklaard worden. In
hoedanigheidszinnen ziet men soms het eigenlijke naamwoordelijke gezegde niet
uitgedrukt, maar vindt men wel eene hoedanigheid genoemd, waarbij men de
hoedanigheid, die men eigenlijk aan het onderwerp wenscht toe te kennen, vergelijkt.
Dan is het tweede lid eener vergelijking uitgedrukt, waarin het eigenlijke
naamwoordelijk gezegde het eerste lid zou vormen. We zien zulk een geval in: Hij
was als verlamd van schrik. Hoe hij was, staat er niet; die hoedanigheid wordt niet
genoemd, maar vergeleken bij verlamd. Men is dan gewoon als verlamd het
naamwoordelijk gezegde te noemen. Ook bij de praedicatieve bepalingen doet zich
dat verschijnsel voor. Het eigenlijke praedicaatswoord zou dan eerste lid zijn eener
vergelijking, waarvan het tweede lid met het voegwoord als is uitgedrukt, in welk
geval men dat tweede lid met als ook den naam geeft van praedicatieve bepaling
of praedicaatswoord. Gedreven door zichzelf, mag ginds de wagen snellen, En de
afstand, als verslonden, zwicht. (Staring.) Hij stuift de huisdeur uit als dol. (ibid.)
JAN BROUWER.
Helder, Juni 1891.
Taal en Letteren. Jaargang 2
292
Hagar van Da Costa.
Tekstverklaring.
(Vervolg.)
21-38.
In vers 1-20 heeft Da Costa met enkele forsche trekken het tooneel geteekend,
waarop we ons thans met hem bevinden. Nu komt Hagar te voorschijn en juist in
de tegenstelling met al het geweldige, waaraan de dichter herinnerd heeft, gevoelt
men al haar verlatenheid. In de voordracht moet deze tegenstelling ook voelbaar
worden. Te veel klank en nadruk zou in deze strophe II niet passen. Er moet iets
van de doodige rust van 't landschap in het statig-langzaam-gelijkmatige lezen
liggen. Bij dit lezen zijn de leesteekens, de komma's en de punten, metterdaad
rustteeken, diep verneêrd sluit zich echter in rasscher lezing nauwer aan bij fierheid;
de lettergrepen (neem b.v. het woord: onbewogen) volgen op elkaar duidelijk
gearticuleerd, maar met zekere bedaarde langzaamheid; de eindconsonanten in
uur, stil, stor-, wil-, een-, vrouw enz. verdubbelen zich in duur en vocalen als de o's
in onbewogen en oog, de ie in fier, de a in naberouw verlengen ietwat; naberouw
echter verlengt door den zwaren klèmtoon op na en zoo'n klemtoon krijgen ook de
beide woorden diep (24 en 25), dubbel en klemmend (28). Met vers 31 kan er meer
leven in de voordracht komen: wierp tuchtigend wordt uitgesproken kort en met
klem; klem moet er ook in de volgende verzen zijn en veel aanmanende nadruk in
‘en dat zich 't hart’ etc.; in 35 Voor u ook enz. moet iets troostelijk verheffends liggen:
kort en ras dat Voor ù ook, nadrukkelijk dat brood en water en wat er volgt. Die
verheffing moet aanhouden in 36-38: steeds meer kracht en rijzing in de stem: maar
zonder overdrijven, nooit zich inspannen, en met matige kracht vooral eindigen.
Dat Hagar Sara, haar meesteres, minachtend op haar moederschap had gewezen
(Genesis XVI, 4-5) merkten we op. Toen ze voor Sara gevlucht was, nam ze haren
weg de woestijn in, in de richting van Egypte: in Gen. XVI wordt ze eene Egyptische
genoemd. Da Costa noemt Egypte het Land van Cham, den bekenden zoon van
Noach (Gen. IX, 20-26), die de stamvader der zwarte volken werd; het is ook bekend
dat de oude inheemsche naam van Egypte Chemi of Kemi (= zwarte grond) geweest
is; in het Oude Testament wordt dit met Cham in verband gebracht. De
eikenbosschen van
Taal en Letteren. Jaargang 2
293
Mamre worden Gen. XIII, 18 genoemd; Abraham woonde daar toenmaals; over de
juiste ligging van deze plek, bij Hebron, is geen zekerheid. Belofte (37) is een woord
van groote beteekenis vooral in het Oude Testament en nòg in het werkdadig
Bijbelsch Christelijk geloofsleven: het behoort tot de vaste terminologie van het
Joodsch-Christelijk Geloof; zie het Doopformulier der Hervormden, achter in het
kerkboek. Onder de beloften verstaat de Geloovige al wat God aan Zijn volk (de
door Hem uitverkoren Geloovigen) heeft toegezegd, als bewijzen van Zijn
onveranderlijke liefde en trouw: de eerste belofte vinden we in Genes. III, 15; aan
Abraham vielen (en in hem aan Abrahams kinderen in 't geloof, d.z. allen die in den
Messias hun Heiland hebben gevonden) de heerlijkste beloften ten deel. Het geheele
O.T. door openbaart Jehova zich in beloften: zie onder vele b.v. Gen. XII, 2, 3, 7;
XVII, 4-9; Exodus XXIX, 43-46; Leviticus XXV, 18-21; Deuteronomium XXVIII, 1-14;
Jozua I, 6-9, en zoo steeds voort. De Geloovigen worden wel kinderen der Belofte
genoemd: zie daarvoor Romeinen IX, 8-9 en de verklaring in Galaten IV, 28 (Izaäk
was immers de zoon van Gods beloften aan Abraham); vgl. het Doopformulier. Uit
Abrahams heup geboren (38): de heup was bij de Israëlieten de zetel der manlijke
kracht (teelvermogen): vgl. Gen. XLVI, 26; Exod. I, 5; Richteren VIII, 30. Onze
dichters nemen de uitdrukking over; zoo noemt Bilderdijk zijne kinderen: Spruitjens
van (zijn) heup. Is koning: nl. als patriarchen der volken en als stamvaders der
vorsten, die, naar de belofte, uit Abraham zouden voortkomen. Vgl. ook Gen. XVII,
6 en vooral 20.
II. Wat bijzonders is er in de woordschikking van 22-23?
Bij het gebruik van naberouw (24), komt de nadruk daarop, dat het berouw na de
verkeerde daad en te laat komt. - Kommer (25) kan zijn: zorg over de toekomst;
diep in de ziel bestreden is echter een bepaling bij naberouw en kommer en nu
schijnt het ons beter kommer op te vatten als ‘kommer over zich-zelve’ ‘zelfverwijt’,
als synoniem van ‘naberouw’ dus; hare aangeboren fierheid en haar echt vrouwelijk
gevoel van minachting, nu vijandschap geworden jegens Sara, zijn met dat berouw
in strijd: diep in haar is een verzet tegen haar ‘beter Ik’.
26. Het schijnt eerst, of er in dit vers een tegenspraak zit tusschen richt en
ongewisse. Ook kan men een oogenblik in bedenk staan, of zij zich nu naar dien
somberen weg toe beweegt dan wel op den weg zich bevindt: op laat immers beide
beteekenissen toe, en bij ‘zijn schreden richten’ verwachten wij eene bepaling van
‘waarheen’. Met het oog op vers 32 Keer tot geen land van Cham, wordt het duidelijk.
Hagar is eene egyptische. Zij bevindt zich op den somberen weg en gaat in de
richting van Egypte: hare schreden hèbben een vast doel en ongewis is haar gang,
omdat ze den weg niet nauwkeùrig kent, zij weet enkel: dièn kant uit; ook is zij wel
vermoeid, zie de volgende verzen.
27-30. Het ‘kloppen’ maakt haar ongewissen, stootenden gang aan-
Taal en Letteren. Jaargang 2
294
1)
schouwelijk. - Eerlang is ‘weldra’ . - Ontbrak: geeft dit eene andere voorstelling dan
‘ontbreekt’? En staat dit ook in verband met hetgeen voorafgaat en nog volgt? De
honger is niet in 't verschiet, maar zij hongert reeds. Zij is geheel àf: vandaar de
tegenstelling tusschen dubbel klemmend weegt de last haar onder 't hart en den
inhoud van den volgenden bijvoeglijken zin. Met liefde had zij den last in de
moederschoot getorst; nu wordt het te zwaar. Klemmen is synoniem van persen,
knellen, nijpen. Vgl. Hecker: Mijn borst, in klemmende angst genepen, zwoegt:
Dichterl. Mengelw. 1836, bladz. 47. Weegt: ‘wegen’ kan, behalve ‘zwaar zijn’, ook
beteekenen: ‘zijn zwaarte doen gevoelen’: zoo hier; vgl. b.v. ‘Zwaar woog de
koningskroon hem op het hoofd’; deze beteekenis brengt mede, dat het werkwoord
dan gewoonlijk een persoonlijken derden naamv. bij zich heeft: waarom? - Zoo
onbedacht naast Sara zijn bepalingen bij dorst roem dragen: de beteekenis die dat
‘roem dragen’ had, komt daarin uit; naast Sara: zij stelde zich in een gevoel van
meerderheid en bevoorrecht-zijn als met de meesteres gelijk. Dat het onderwerp
niet Hagar, maar haar blik is, moet daarbij niet als iets foutiefs of als een dichterlijke
aanmatiging beschouwd worden: wij zien, mèt dien blik, haar-zelve en de
onbedachtzame trots ligt in dien blik.
31-38. Verwatene!: oorspronkelijk is ‘verwaten’ het verl. deelw. van het ww.
verwaten, verwiet (als slapen, sliep, geslapen), dat beteekende: uitbannen,
excommuniceeren, uit de gemeenschap der kerk stooten. Hier zoù het woord zijn
tegenwoordige beteekenis kunnen bezitten in verband met den voorafgeganen
regel. Maar het vervolg maakt het wel waarschijnlijk, dat verwatene = verstootene,
smadelijk verworpene is. Archaïsmen zijn bij Da Costa niet zeldzaam, doch wij
herinneren ons niet, of de dichter verwaten elders zoo gebruikt; dit te weten zou
hier van groot belang zijn. - Bij dat ‘tent’ bedenke men, dat Abraham een nomadenof herdersvorst is.
De tweede strophe bestaat uit twee helften: de schildering van Hagar, die daar
heendwaalt in donkerheid (21-30) en de toeroep die plotseling een licht over haar
weg doet stralen (31-38). In dat De tent van Abraham etc. hooren wij als de echo
van Hagars vertwijfelend antwoord op die vraag: ‘Gij weet dat ik een verwatene ben,
waar zàl ik een schuiloord vinden!’ Maar op dat antwoord klinkt het: ‘Ik wèèt dat die
tent u heeft uitgeworpen, - en evenwel, kèèr terug.’ Het is vermaning en raadgeving.
Het is gèèn vermaning, het is een innige wensch, als hij voortgaat: ‘en dat zich (dan)
uw hart etc.’ = ‘och, dat gij u kont vernederen.’ Voor God: ‘gij moogt het doen, want
het zal geen vernedering voor Sara, maar voor Jehova-zelven zijn.’ Geen redeneering
zou in staat zijn Hagar tot wederkeeren te bewegen: de maat van haar ongeluk
schijnt vol: daarom juist echter zal zij vatbaar zijn voor overreding, zal zij gevoelig
zijn voor een zachtmoedig woord, vol
1)
De bepaling eerlang geleêgd staat volstrekt niet, zooals de heer Schelts van Kloosterhuis
aanmerkt, op een verkeerde plaats.
Taal en Letteren. Jaargang 2
295
deernis; zal haar hart opengaan voor dat krachtige, gebiedende, alle tegenspraak
afsnijdende keer! (32). Let op, welk een klimax er is in deze geheele passage.
‘Verneder u voor God, wees dienstmaagd, daar Hij u tot dienstmaagd gesteld heeft,
en voel den verkwikkenden regen van Zijn genade over u neerdalen. Gelòòf en keer
terug, en daar zal niet slechts weer brood en water voor u zijn, maar een belofte
voor uw kind; Wil dienstmaagd zijn en uw kroost, als kroost van Abraham, zal koning
zijn.’ In deze regels ligt een groote welsprekendheid en eene groote liefde. Kèèr
krijgt een sterken nadruk en wordt tevens ietwat aangehouden, alsof de r
verdubbelde. Achter troost (35) geen rust. Wéés wederom met veel nadruk; niet
‘dienstmaagd’ (= Dùrf het zijn, overwìn daarin u-zelf). Met den toon van deze woorden
zou het geheel in tegenspraak zijn, verwatene in den tegenwoordigen zin en dus
verwijtend op te vatten; de tent van Abraham etc. slaat op Verwatene! terug; het is
= uitgestootene!
Wie spreekt deze aanmaning en vertroosting? De lezer die den Bijbel kent, heeft
licht een antwoord. Da Costa onderstelt die kennis. Op haar weg verschijnt Hagar
de ‘Engel des Heeren’: Genes. XVI, 7-14: ‘En de Engel des Heeren vond haar aan
eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. En hij zeide:
Hagar, gij dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan?
En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai. Toen zeide
de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uwe vrouw, en verneder u onder hare
handen. Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks
vermenigvuldigen, zoodat het van wege de menigte niet zal geteld worden.’ Etc.
Men wete nu, dat Da Costa's gedicht zijn oorsprong verschuldigd is aan eene plaat,
eene staalgravure, die Hagar in de woestijn voorstelt (deel uitmakend van den in
1847-1852 bij Kruseman verschenen bundel: Bijbelsche Vrouwen).
Een schoone jonge vrouw ziet men hier tegen een schaarsbegroeiden wal geleund;
men ziet haar niet gaan, men ziet ook geen waterflesch of iets dat aan haar
bijzonderen toestand doet denken; niemand zou eigenlijk zoo het onderschrift het
niet zeide, aan Hagar denken. Het is een hartinnemende, schoone oostersche
vrouwenfiguur, in het gebaar van het zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf
gestrekte armen met de handen zijwaarts-af wijzend dat antwoord: ‘Mij rest niets
meer; zij hebben mij uitgewórpen; tot wien zal ik toch heengaan’; iets als een
antwoord ligt daarin en dat ligt ook in het gànsche gelaat, in het mooie, gloedvolle,
treurige oog vooral. Men zon denken, dat Da Costa zich om de plaat bekommerd
heeft? Bij hem zien wij Hagar vermoeid voorthijgen, met voorovergebogen lijf en
met de sporen van haar tocht. Met die voorstelling heeft de gravure ook niet het
allerminste te doen, maar wij worden aan haar herinnerd in dat Verwatene!
waarheen? De gravure geeft Hagar blijkbaar te zien, als zij met den Engel spreekt.
't Zou daarom kùnnen zijn, dat de dichter de woorden geeft, als van den Engel
gesproken. Doch met het oog daarop, dat hij in elk opzicht van den teeken-
Taal en Letteren. Jaargang 2
296
kunstenaar afwijkt en op geenerlei wijze op den Engel zinspeelt, moeten we die
onderstelling toch laten varen. Wel denkt hij aan de plaat, ziet hij haar zelfs, maar,
hij zelf is het, die de vertroosting en het gebod des Engels haar in den geest toeroept.
In den geest dezer opvatting hebben wij de regels ook verklaard. - Den lezer is nu
meteen dat meer dan één belofte historisch toegelicht.
GRAMMATICA. 22. In van stormen onbewogen zou men van kunnen opvatten als
‘wat-aangaat’, maar het heeft misschien de voorkeur van = ‘door’ te nemen; dan
voelen wij onbewogen zich splitsen in de negatie ‘on’ = ‘niet’ en van stormen als
bepaling bij bewogen = niet door-stormen-bewogen. In dit geval zou bewogen in
onbewogen het verl. deelw., in het eerste geval zou onbewogen een adjectief zijn.
Eerlang in 27 is letterlijk voor lang: ‘eer’ is hier nog, wat het oudtijds zijn kon, een
voorzetsel; lang is substantive gebruikt; vgl. opnieuw, voorzeker, overluid, op dezelfde
wijze gevormd.
Alreede (28) is samengesteld uit al en reede, dat = is aan reeds, maar anders
gevormd; vgl. ‘alreeds’; al is versterkend als in alras, e.d.
Onbedacht (30) van bedacht, dat het deelwoord is van zich bedenken, evenals
beraden (‘vastberaden’) en onberaden van ‘zich beraden’; bezonnen en onbezonnen
van zich bezinnen; die werkwoorden beteekenen: denken, te rade gaan, zinnen bij
of in zich zelf. Men merke op dat deze verleden deelwoorden actieve beteekenis
hebben. - Bedacht zijn op iets (oorzakelijk voorw.) beteekent, ten opzichte van een
enkele zaak: het niet uit het oog verliezen, er wel goed aan denken. Van hem gezegd,
die met zijn zinnen steeds goed bij zijne dingen is, beteekende bedacht zijn dan
eertijds: verstandig en voorzichtig zijn. Vandaar ons ‘onbedacht’ als synoniem van
‘onvoorzichtig’, ‘onnadenkend’. Vgl. onbedachtzaam.
32. Kèèr tot geen land van Cham is nadrukkelijker dan keer niet tot het land etc.
Vgl. ook uit de taal van het dagelijksch leven: ‘verlaat je nièt op vrienden’ en ‘verlààt
je op geen vrienden’. Met geen, krijgt het werkwoord den vollen klemtoon. Vgl., in
de aant. wijs: ‘Ik vertròùw geen valschaards’ en ‘Vàlschaards vertrouw ik niet’.
't hart (34): het hart d.i. dàt hart n.l. dat rebelleerende, het schuldige, het ùwe.
35: brood en water: vgl. 27-28. - Wat is het geslacht van heul?
36-37: het verband van gevolg tusschen Wees dienstmaagd en het volgende is
op géén andere wijze uitgedrukt dan in de nauwe verbinding der gedachten door
middel van en: hoe hàd het anders gekund? Oòk met ‘zoodat’? Tusschen zal groot
zijn en het volgende is redengevend verband: want. Dichters kunnen geen
voegwoorden gebruiken, evenmin als het gemoed van redeneering houdt. Natuurlijk
is in dezen zin die woning onderwerp. - Omvat
Taal en Letteren. Jaargang 2
297
in plaats van ‘bevat’, om de grootheid en de rijkdom dier beloften: de rijkdom en
heerlijkheid van Abrahams woning komt hierdoor uit.
38. Wat is hier onbepaald vnw. - Geboren wordt: Tegenw. T. met de onbepaalde
beteekenis van ‘ooit geb. w.’ De Tegenw. T. kan zoo Verleden, Heden en Toekomst
omvatten. Men onthoude dit, daar het niet zelden een aanmerkelijk verschil van zin
geeft, of men een werkw.vorm al dan niet met onbepaalde beteekenis neemt.
Derde strophe (39-57).
De profetie in strophe II verlichtte en verruimde ons. Maar strophe III begint met een
toon van medelijden: de dichter weet wat booze dagen er nog in de toekomst liggen
en hij gaat daarvan spreken. In dit De moeder Israëls! slaat hij het accoord aan, dat
de stemming vertolkt, die hem bij 't herdenken om Hagars wil vervult; het leidt de
strophe in, die vervolgens door Maar in tegenstelling met de blijdschap der beloften
in strophe II wordt gebracht: andermaal wordt zij de woestijn ingedreven. In Gen.
XVI, 15 wordt verhaald, dat Hagar Abraham een zoon baarde: dien Ismaël. Doch
de belofte werd hem herhaald, dat Sara zelve hem een zoon schenken zou (Gen.
XVII, 15-22); Ismaël was toen dertien jaar geworden en Abraham zelf negen en
negentig: ‘En aangaande Ismaël heb ik u verhoord, zie, Ik heb hem gezegend, en
zal hem vruchtbaar maken, en hem gansch zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten
zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. - Maar mijn verbond zal
Ik met Izak oprigten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren
zal.’ In Gen. XVIII vinden wij verhaald, hoe God zijn verzekering herhaalde. Wederom
werd de tijd bepaald (9-15). In Gen. XXI hooren wij dan, hoe de belofte in vervulling
ging: ‘En Sara - baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, ter gezetter tijd,
dien hem God gezegd had. En Abraham noemde den naam zijn zoons - - Izak. En
Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd’. Ismaël was
nu veertien jaar geworden; een leeftijd had hij daarmee bereikt, waarop de
Oostersche menschen geen kind meer zijn. Sara kan den gehaten, thans de
mededinger van haar eigen zoon, niet meer dulden voor hare oogen. In het
aangehaalde hoofdstuk wordt eenvoudig-mooi verteld, hoe het ging. Sara zeide tot
Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want hij zal met mijn zoon, met
Izak, niet erven. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van
zijn zoon Ismaël. Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe
oogen, over den jongen, en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen,
hoor naar hare stem, want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch ik zal ook
den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. Toen stond
Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en eene flesch water, en gaf ze
aan Hagar, die leggende op haren schouder: ook gaf hij haar den jongen, en zond
haar weg. En zij ging voort, en dwaalde
Taal en Letteren. Jaargang 2
298
in de woestijn Bar-Séba. - Dit hebben we noodig te weten, voor het begrijpen dezer
derde strophe. Maar de nog volgende aanteekeningen van zakelijken aard zullen
daartoe niet overbodig zijn.
In 42 wordt met de Zoon Christus bedoeld, de Messias der Joden, die, naar zijne
afstamming uit Abraham (zie Mattheus I), als Zone Gods ‘de Zoon’ heet. In 57 wordt
gezinspeeld op Gen. XVI, 12, waarvan Ismaël voorzegd wordt: Hij zal een woudezel
van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen
hem. Voor ‘woudezel’ zegt Da Costa woudstier. Het is niet geheel zeker wat dier er
in 't Oude Testament met het Hebreeuwsche woord dat er staat, bedoeld wordt. Het
komt ook voor Job VI, 5; XXIV, 5; XXXIX, 8; Psalm CIV, 11 etc.; Jeremia XIV, 6; er
zijn verschillende gissingen. Blijkbaar was het een dier van groote schoonheid,
kracht, snelheid en moed. Begrijpelijk is het, dat Ismaël in éénen adem een held
genoemd wordt en de herdersvorst Izak een lam tegenover dien woudstier.
We gaan nu over tot nauwkeuriger beschouwing. Het begin is moeilijk, vers. 40-42.
Vreemd is het gebruik van staat. De juiste opvatting schijnt ons deze (- en eene
andere zien wij ook niet -): Maar Sara staat daar, op Gods gezetten stond, als de
moeder van het zaad, waaruit eens de Messias geboren zal worden. Zòò, vinden
we staat hier zelfs het juiste woord op de rechte plaats. De lezer van Hagar behoort
het Bijbelverhaal wel indachtig te zijn: hoe de belofte van nakomelingschap aan den
aartsvader zoolang onvervuld blijft, dat er, naar menschen berekening, van vervulling
geen sprake meer zijn kan. Abraham is straks honderd jaren; Ismaël nadert reeds
de volwassenheid. Sara zal haar negentigste jaar voltooien. Abraham en Sara beide
hebben gelachen om het denkbeeld, dat zij nog vader en moeder zullen worden.
En evenwel - God heeft het uur vastgesteld, dat Sara daar staan zal en gezien zal
worden als een teeken van Zijn getrouwheid en macht. De bepaling van gesteldheid
zonder als is bij dichters zeer gewoon (zie b.v. Kritiek van De Génestet). Maar Sara
mede staat is: Sara mede wordt gezien: staat voor het oog van Abraham en de
menschen, staat daar op eenmaal voor zich-zelve als de moeder van een grooten
zoon: dáár, nl. op Gods gezetten stond. - Menschelijk in 42 is: op menschelijke
wijze, ook: als mensch.
En nu in 43 bereidt voor op 't geen volgt. Oorspronkelijk is het de verkorting van
de vraag: ‘En wat gebeurt er nu?’, die (in onze aanteekeningen op Marco hadden
we 't daarover uitvoerig; ook in de vorige aflevering bladz. 197) licht een uitroep
wordt. - Abram is slechts schijnbaar derde naamv. - die is een betrekkelijk vnw.
44. de aartsvaderlijke kniên. De adjectieven op -lijk komen, vooral in het
zeventiendeëeuwsch, voor met de beteekenis van den genitief van het grondwoord:
Zoo staat er in den Palamedes van ‘de moederlijke schim’, ‘o vader-
Taal en Letteren. Jaargang 2
299
lijke stad’; zoo spreken wij nog van ‘de stedelijke inkomsten’ en ‘het koninklijk paleis’.
Maar ‘een koninklijk paleis’ kan iets anders beteeken: ‘als van een koning’, zooals
wij machtige rijken ook koningen noemen; en ‘o vaderlijke stad’ zou kunnen zijn: ‘o
stad die als een vader voor mij geweest zijt’. Aartsvaderlijke kniên nu is als genitief
bedoeld, maar ongetwijfeld hebben we hier tevens te denken aan al het liefelijke in
den vadernaam: We hebben namelijk met nog een derde schakeering in de
beteekenis der adjectiva op -lijk te rekenen, en deze staat tusschen de beide andere
in en vormt den overgang als 't ware: Bij een woord als ‘vaderlijk’, ‘moederlijk’,
‘goddelijk’ kan men, behalve enkel op aanhoorigheid (bezit), tevens op het
kenmerkende zien, dat in die aanhoorigheid gelegen is. Dit laatste is eigenlijk de
oorspronkelijke beteekenis geweest. Dat we bij ‘aartsvaderlijk’ hier ook moeten
denken aan de vaderlijke liefde is voelbaar in ‘gekoesterd’ (45).
45: ‘nevens’ en ‘naast’ worden wel zoo onderscheiden, dat bij ‘nevens’ aan
‘gelijkheid in rang’ wordt gedacht: De koning en de kroonprins wandelen naast elkaar
in het park: bij een of andere plechtige gelegenheid ziet men den kroonprins nevens
den koning. Doch dit onderscheid ziet men lang niet altijd in acht genomen; vgl. b.v.
vers 30.
47. man in zelfgevoel en krachten is eene bepaling van gesteldheid, eene
bijvoeglijke bepaling bij het onderwerp van den zin en, evenals de bep. van gesteldh.
in 't algemeen, tevens eene adverbiale bepaling bij het werkwoord van den zin:
terwijl hij man is (bijzin van omstandigheid) of ook: hoezeer hij man is (toegevende
bijzin); let op de tegenstelling tusschen ‘man’ en ‘zuigeling’, eene tegenstelling die
versterkt wordt door weenend en door het deminutief kindeke. - Wat is ‘zelfgevoel’?
- hulde brengen is hier het juiste woord, in de oorspronkelijke, middeleeuwsche
beteekenis. Het was de daad van erkenning van een leenheer door den leenman
of vasal; ‘hulde’ was de gezindheid van onderdanigheid en trouw van den vasal en
het betoon daarvan.
ste
48. zijn boog (1 nv.): nl. van Ismaël. Merk op, hoe treffend deze vergelijking de
gezindheid van Ismaël aan 't licht laat komen; let op het aan hoofdzin en bijzin
gemeenschappelijk woord: schiet, en op het meesterlijk vooraanplaatsen van den
pijl: hierin zit het effect der vergelijking: dààrdoor voelen wij in 50 dien blik òòk als
een pijl, de korte woorden pijl en blik trekken elkander aan. - Voor verontwaardigd
bij oog vergelijk vers 30.
50: er zou ook kunnen staan: ‘een blik van wrevel en van spot’, maar de
voorstelling is dan niet dezelfde. De blik van den wrevel, met het bepalend lidwoord,
is: die bekende, d.i. die eigenaardige blik: door dien blik aldus meer bepaald voor
te stellen, wordt natuurlijk tegelijkertijd de gemoedsaandoening voorgesteld als zich
eigenaardig van andere aandoeningen onderscheidend: dit gaat samen en vandaar
ook des wrevels. Dit bepaalde den blik des wrevels nu zegt meer dan ‘een blik van
wrevel’: men behoeft niet te twijfelen, wat daar is in zijn oog; het is die bekende
eigenaardige blik van den wrevel: men hoeft niet te twijfelen, wat daar is in zijn hart.
- Ismaël is verontwaardigd
Taal en Letteren. Jaargang 2
300
(49), daar hij zich naar achter geschoven gevoeld; die verontwaardiging wordt
gramstorigheid of wrevel; en hij wreekt zich in spot (50) over de oude Sara die nog
moeder wordt, en over den honderdjarigen Abraham met zijn schootkind. Wrevel
of wreveligheid is gewoonlijk een gramstorigheid, die zich niet ten volle uitspreekt,
maar half willekeurig, half onwillekeurig in den blik, een enkel woord, een gebaar
zich uit: het is onderdrukt, maar kan zich niet geheel verbergen.
51-52. De moederzonde herhaalt zich etc.: denk aan vers 29-30, de zonde van
Hagar. - Slaat een - wonde: het juiste woord ook met het oog op de vergelijking in
48-49: die pijl trof hààr in het hart.
53: zie Gen. XXI, 12. - ‘Iemand handhaven’ heeft gewoonlijk nog eene bepaling
met in bij zich, die de zaak noemt, ten opzichte waarvan handhaving plaats heeft,
den
welke zaak ook zelf in den 4 nv. treden kan: Iemand in zijn recht handhaven,
iemands recht handhaven. Maar niet zelden, als hier, blijft de nadere bepaling weg.
Het beteekent: ‘iemand steunen en staande houden’ of ‘in 't gelijk stellen’, ‘beslissen
ten voordeele van’. - Het Neen! wil zeggen: Neen, ook de Heer duldt dat niet.
54-57. Twee vorstinnen: na al hetgeen we omtrent Hagar vernamen, zal dit wel
geen verklaring meer behoeven. Hagar is Vorstin als de eerste van al die volken
en koningen, die uit haar zullen voortkomen. - gedoogt - niet is sterk uitgedrukt: ‘in
geen geval’, ‘nooit’. - Voor tentgordijn van Mamre zie 31; deze Hebreeuwsche tenten
heeft men zich voor te stellen zoo als nòg de tenten der hedendaagsche Arabische
Nomaden zijn: van gevlochten matten, meest van geitenharen geweefde, over palen
uitgespreid en met pinnen in den grond bevestigd, langwerpig of rond, van binnen
1)
met voorhangsels of gordijnen in twee of drie vertrekken gescheiden . - Wat nog
dat lam in 57 aangaat, Da Costa heeft zich Izak denkelijk voorgesteld als een
zachtmoedig man: uit Gen. XXVI, 17-23 mag dit ook blijken. Met zinspeling op Gen.
XXII?
GRAMMATICA. ‘Zetten’ (41) beteekende oudtijds ‘bepalen’, zooals wij nog daarvoor
vaststellen hebben. Vandaar nog ‘broodzetting’ en het ‘college van broodzetters’
(zie b.v. Van Dale), waarvan men ten stadhuize de namen kan vernemen; nog
‘inzetten’ d.i. ook vaststellen, bepalen, verordineeren; vooral Oud-Testamentisch
in: ‘de inzettingen des Heeren’, Zijne ordonnantiën. Gezet is nog gebruikelijk in ‘op
gezette’ d.i. ‘vaste tijden’; zoo ook in ‘gezette prijzen’, ‘een gezette taak’, ‘gezette
bezigheden’.
42: Vgl. dit wordt geboren (= zal geboren worden) met dat in 38; het laatste is
meer dan enkel toekomst. - menschelijk is bijw. van wijze, als men 't omschrijft met
‘op menschelijke wijze, als alle menschen’; het is
1)
de Wette, Hebräisch-jüdische Archäologie, 1864; 160-161.
Taal en Letteren. Jaargang 2
301
bep. van gesteldheid (als ‘gevolg van de werking’) en dus adverbiaal adjectief, bij
de omschrijving: ‘als mensch’.
43. die Abram etc.: de eenvoudigste ontleding is: deed hooren (als causatief van
hooren saamgevat) - gezegde; als voorwerp van dit deed hooren voelt men Abram
en vadernaam voelt men als voorwerp van hooren; Abram kan men het voorwerp
dus noemen van deed den vadernaam hooren. Fout is de ontleding: vadernaam
voorwerp van deed hooren, daar de beteekenis van hooren (dat hier zuiver actief
is) daartegen indruist; Abram zou dan derde naamv. zijn. Met onze ontleding is in
overeenstemming de ontleding van hen, die, rekening houdend met de
oorspronkelijke constructie waarin deed = ‘maakte’ gevoeld werd en hooren een
naamwoordelijke vorm was met de beteekenis van in het hooren, aldus doen: deed
- gezegde, Abram - voorwerp, hooren - bep. van gesteldh. bij Abram, den vadernaam
- voorwerp bij hooren.
de
44. Kniên is bij de oudere, vooral de XVII eeuwsche dichters, de gewone vorm;
knieën is daar uitzondering. Zoo ook melodiên, geniên, maar geen tralien, olien van
tràlie en òlie. Vgl. trofeên voor trofeeën, zeên voor zeeën.
Voor tweeden zou de tegenwoordige grammatica tweede schrijven: immers het
telwoord staat hier zelfstandig en wordt dus niet bijvoeglijk verbogen. - tweeden is
afhankelijk van ‘had gezien’ en gekoesterd staat daarbij als bep. van gesteldh. mede
den
in den 4 nv. Vgl. met deze constructie: geen tweeden nevens zich had zien
koesteren: hij die koestert komt dan meer naar voren; bij Da Costa daarentegen:
die gekoesterd wordt: dit is in overeenstemming met wat er werkelijk in Ismaël
omgaat; hij heeft het niet in de eerste plaats tegen Abraham, maar tegen het kind,
dat hem verdringt.
46. thands: de spelling met d was ook oudtijds minder gebruikelijk dan die zonder;
daarom heeft de Nieuwe Spelling die d niet aangenomen (Regel van 't Gebruik). gehengen is ‘toelaten’, ‘er genoegen in nemen’, ‘gedoogen’. Het is (dat is dikwijls
de kracht van 't voorvoegsel ge-) het versterkte hengen, dat met dezelfde beteekenis
voorkwam en eigenlijk het causativum is bij hangen = laten hangen: men zeide het
eerst van het laten hangen der teugels in het paardmennen: de teugels (aan het
paard en uit zijn eigen handen) geven, het paard zijn zin geven. - meerdere: ‘mindere’
en ‘meerdere’ zijn zelfstandignwn. geworden comparatieven, waarvan de eigenlijke
beteekenis niet altijd evenzeer gevoeld wordt; in andere gevallen echter, en zulk
een hebben we hier, wordt ze weer heel voelbaar en het woord nadert dan weer
het adjectief.
47. in: ‘wat - aangaat’, ‘ten opzichte van’ -; ‘in’ wijst dan den kring aan, binnen
welken dat man-zijn geldt. - Zou ‘hulde brengen’ in de redekundige ontleding niet
op twee manieren behandeld kunnen worden?
50. Zie voor afleidsels en samenstellingen bij wrevel Van Dale. - moederzonde:
Da Costa bedoelt hier niet, wat anders meer in den aard der samenstelling ligt, ‘eene
zonde, als een moeder die licht bedrijven zal’, maar: de
Taal en Letteren. Jaargang 2
302
de
zonde van zijn moeder: in de XVII eeuw hadden ze hier gezegd: de moederlijke
zonde, met ‘moederlijk’ als zuivere genitief van moeder; moeder- en moederlijk zijn
hier = van Hagar. Op drie manieren vinden we zoo den genitief uitgedrukt: vgl. ook
naast vadernaam in 43: den naam van vader en den vaderlijken naam; in 53: twist
van broeders = broedertwist; vgl. Aant. 44.
51. herhaalt zich: niet ‘wordt herhaald’ want het gaat onwillekeurig, van-zelf: vgl.
‘de deur opent zich’ met ‘de deur wordt geopend’, ‘het kwaad straft zich-zelf’ met
‘het kwaad wordt gestraft’. In zijn eigen stellen denke men aan dat onderscheid
tusschen passieve en reflexieve constructie. - Versch is ‘nieuw’, maar met de
gedachte aan den toestand, het aanzien van een nieuwe, pas-geslagen wond; vgl.
T. en Lett. I, pag. 174, Aant. 115.
55-57. tentgordijn: voor ‘tent’, als kiel voor ‘schip’ e.d. - ‘De gordijn’ is het oorspr.
geslacht, door ‘het gordijn’ steeds meer verdrongen en daardoor, als min alledaagsch,
een lievelingsvorm van dichters en redenaars. Het is een kenmerk van de taal der
hoogere woordkunst, dat zij gaarne oudere vormen gebruikt: die zijn ongemeen:
zoo de ure, den oogenblik, de getuigenis. Op deze voorkeur, die b.v. ook uitkomt
in de keus van den meervoudsuitgang -en boven -s, lette men steeds. - Opmerkelijk
is de symmetrische rangschikking der deelen in 54-56: in den eersten zin gaat het
voorwerp aan het gezegde vooraf, in den tweeden (noch [gedoogt zij] binnen haar
plooien deze twee) volgt het voorwerp: juist door deze schikking komen die
voorwerpen (Sara en Hagar, Izak en Ismaël) krachtig naar voren. Iets dergelijks is
er in de rangschikking der bijstellingen in 57: abba. - schoon spruiten etc.: beknopte
zin.
Vierde strophe (58-74).
Wanneer de lezer deze nieuwe strophe wederom vindt ingeleid met een De moeder
Ismaëls! en, thans vooruitziende, het telkenmàle herhaald vindt en daarbij indachtig
wordt, dat Da Costa's oog telkens moet weerkeeren tot de voorstelling van die
ellendige vrouw te midden der zandwoestijnen, dan zal hij op het denkbeeld komen,
dat die herhaling in het plan van het gedicht nog een andere bedoeling heeft, dan
ontboezeming te zijn. Bij die ontboezeming wendt de dichter zich weer tot dat beeld
van verlatenheid en de lezer wordt weder bepaald bij het in strophe II aanschouwde.
Het gedicht blijft in betrekking tot dat beeld en zoo treft ons altijd op nieuw weer het
contrast van Hagar's oorspronkelijke kleinheid en geringheid en haar heerlijke
toekomst; van de beteekenis van het Arabische woestijnvolk in de geschiedenis en
zijn verborgen begin in Hagar. De tòòn nu waarop de dichter aan de moeder Ismaëls
herinnert, is natuurlijk de uiting van zijn telkens wisselende stemming. In het eerste
De moeder Ismaëls moest een groot medelijden trillen: een zware klemtoon op De:
Dè-m der-Ismaëls. Doch wij weten nu dat Hagar is weergekeerd en Da Costa heeft
het gezegd: Zij is Vorstin als Sara. En wel is zij andermaal uitgeworpen, maar straks
verstooien zich de onheilswolken: deze
Taal en Letteren. Jaargang 2
303
vierde strophe getuigt daarvan: daarom is dit een ander De moeder Ismaëls; er
moet verademing, goede verwachting, ontroerde blijdschap in zijn: D-e-m der
Ìsmaèls! met zwaren klemtoon op het kort uitgesproken moe, Ismaëls kort, krachtig
en gelijkmatig gearticuleerd. Op dezelfde manier wordt gelezen: Een moèder - vèler
- vòlken - ook z .
Voor het verstaan dezer strophen is Gen. XXI, 14 en vervolgens noodig, het
vervolg van het ter verklaring van strophe III verhaalde: Abraham stond des morgens
vroeg op, en nam een brood, en eene flesch water en gaf ze aan Hagar, die leggende
op haren schouder: ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort,
en dwaalde in de woestijn Ber-Séba. Als nu het water van de flesch uit was, zoo
wierp zij het kind onder eenen van de struiken. En zij ging en zette zich tegenover,
op een boogscheutsafstand; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij
zat tegenover, en hief hare stem op, en weende. En God hoorde de stem van den
jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: wat is u,
Hagar? vrees niet, want God heeft naar des jongens stems gehoord; sta op, hef
den jongen op, en houd hem vast met uwe hand, want Ik zal hem tot een groot volk
stellen. En God opende hare oogen, dat zij eenen waterput zag; en zij ging, en vulde
de flesch met water, en gaf den jongen te drinken. En God was met den jongen, en
hij werd groot, en hij woonde in de woestijn en werd een boogschutter. - Voor de
tweede maal zien wij Hagar dus nu in de woestijn: men vergete niet, dat dit nu de
voorstelling der gravure niet is.
De nadere beschouwing kan nu reeds volgen. 60-63: het geloof aan den
samenhang tusschen den loop der sterren en den levensloop der menschen is ook
bij de Hebreeërs (Joden) zeer oud. Da Costa schrijft het blijkbaar aan Hagar toe en
is daarbij misschien gedachtig, dat Hagar eene Egyptische wordt genoemd en
Egypte gehouden wordt voor het moederland der astrologische wetenschap.
‘Verwarrend’ noemt Da Costa die wolken, die hun geluksster aan hun oog onttrokken,
daar het Hagar deed twijfelen aan de profetieën, die tot haar gekomen waren. Lees Wel met veel nadruk en als met verdubbelde l. - Wanneer is hier ‘toen’. eenzaamheid is hier concreet; in dit drietal woorden: de dorst der schroeiende
eenzaamheid is de woestijn uitmuntend geteekend. - reeds ten grave etc.: beknopte
bijvoegel. zin (Gen. XXI, 15-16); ten grave: in het graf; als uitgestrekt hoort in de
1)
ontleding bij elkaar . - ging doven: stond op 't punt het brandend vuur van dat leven
uit te doven.
64: staat in beperkende door neen! versterkte tegenstelling tot 60-63; wel dekten
eens etc. is toegevend. Merk op, dat Da Costa de beide, in de gedachte
nevengeschikte, zinnen zelfstandig naast elkaar plaatst. Na doven eene rust; dan
Maar neen! ras uitgesproken, ietwat kort, ook met eene rust. - Spreekt is
1)
De aanmerking van den Heer Schelts van Kloosterhuis op dit ten grave als uitgestrekt behoort
afgeweerd te worden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
304
een zoogenaamd ‘historisch praesens’: de dichter laat het verleden feit eensklaps
tegenwoordig worden, opdat we de woorden des Engels nu als zelf hooren.
Vergeleken met hetgeen de Engel in het Bijbelverhaal zegt (vgl. ook Gen. XVI, 12),
is het duidelijk dat de dichter de breede omschrijving, 65-74, ook hier niet in den
mond van den Engel legt, maar daarin diens woorden zelf herdenkt.
65. Klemtoon op zult. In de volgende verzen wordt dit niet sterven bevestigd; men
lette op de tegenstelling in 66-67. - uit om de geboorte aan te wijzen is aan de
klassieke talen eigen; voor Da Costa zegt het hier meer dan van: in dat ‘Gij die uit
Abraham zijt’ ligt het argument voor Gij zult niet sterven: want Gij zijt Abraham's
bloed, een zoon der belofte.
66-67: men lette op het verband dezer twee zinnen, hoe de tegenstelling daarin
is uitgedrukt: bij het lezen van De Woestijn heeft zich een oogenblik uw graf gewaand
te zijn moet de stem aldoor krachtig rijzen en de woorden moeten al sneller op elkaar
volgen; het wordt bijna een rhetorische vraag en zinnen als deze zijn dat soms
geheel en ze hèbben dan ook een vraagteeken. Dan, bij den tweeden zin, daalt de
stem: de tegenstelling uit zich in den toon: tegenover den nadruk en de raschheid
van den eersten komt het kalme, gelijkmatige, vaste rhythmus van dezen; klemtoon
op glóriën getuigen. De tegenstelling uit zich verder in dat repliceeren met hetzelfde
beginwoord en in het nadrukkelijke die: die - woestenij, d.i. die zelfde w. Het is dus
ongeveer met deze zinnen, als met twee menschen, waarvan de een, in het
bewustzijn van zijn meerdere kracht, de ingebeelde meerderheid van den anderen
met zijn tartende, kracht-spàrende kalmte als verplettert; in het dagelijksch leven
hoort men in de spreektaal dezelfde manier van repliceeren; het eenig onderscheid
is, dat de dichter niet tot de woestijn-zelve spreekt. Let ook op het vooraan plaatsen
van Voor u in 68. - gloriën: zeldzaam meervoud (vgl. echter: ‘Dat hij (Vondel)... tot
de edelste gloriën van het land behoorde’, Alberd. Thijm, Portr. v. Vondel, 96, waar
‘gloriën’ = schitterende sieraden’ is): het woord beteekent hier, als niet zelden,
oorlogsroem, met bijgedachte aan de verschillende gelegenheden van behaalden
roem. - getuigen: met den voorwerpsaccusatief = ‘verkondigen’; ook getuigen van
= getuigenis afleggen van, en minder sterk dus.
68-71. Voor u zal etc. - o Schutter: nl. als Gij straks geheel man zult zijn geworden;
overal zal men uwe meerderheid erkennen: meerderheid in al wat de woestijnvolken
goed en voortreffelijk achten (68-69 is zeer karakteristiek). En al de edele
eigenschappen waarmee Gij uit Abraham en Uwe moeder begiftigd zijt, zullen de
erfenis zijn van Uwe nakomelingen: Gij zult in hen blijven leven: want Uw nakomeling
zal zwerven als Gij, Uw leven zal hij voortzetten en - zijn bloed zal hij kennen, (d.i.)
hij weet wat hij zijn edele afkomst schuldig is, hij is te fier en te vrij om zich met
minder qualiteit van bloed te vermengen: zoo zal de onverbasterde Arabier, de
zuivere Ismaëliet het beeld van zijn stamvader zijn en blijven, gelijk hij zijn naam
Taal en Letteren. Jaargang 2
305
in eere zal houden. Het is bekend hoe de echte Arabieren zich kenmerken door een
nergens geëvenaarden familietrots; Da Costa zelf had dat ook. Gelijk vrij en fier
(69-70) aan Hagars fierheid (24) en Ismaëls zelfgevoel (47) herinnert, zoo 68-69
aan de vergelijking in 48; zie Gen. XXI, 20.
71-74. Zijn (d.i. des Arabiers) hand is tegen allen. Dit is Gen. XVI, 12 van Ismaël
gezegd: ‘En hij zal een woud-ezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen
zijn, en de hand van allen tegen hem’. Deze trek is hier weer op den Arabier
overgebracht, en 72-74 is dat ‘de hand van allen tegen hèm’ omschreven. - ‘Geen
menschelijk bondgenoot’: ‘het dier slechts’; klemtoon op Gèèn en op dièr (niet
klemtoon op dienst; in zijn dienst is een attributieve bepaling bij dier, hoort daar
onmiddellijk bij: het dier-in-zijndienst). - geen koutertrekkende os etc.: de echte
Arabieren zijn noch landbouwend, noch jachtvolk en leiden een zwervend leven;
de klemtoon komt hier misschien op òs, jàcht, huìs en op kèmel en ròs, maar wij
zijn geneigd anders te doen en in overeenstemming met het voorafgaande den
klemtoon te leggen op gèèn, gèèn en kèmel en vòs. - te beurt-vallen: daar ons dit
als een gemis moet voorkomen; het werkwoord wordt meest gebruikt van het goede
dat ons van hooger hand wordt toebeschikt. - 72-74 moeten nu aldus verstaan
worden: Daar is gèèn menschelijk bondgenoot, die hem te b. zal v., het
dier-in-zijn-dienst slechts is zijn bondgenoot, doch gèèn ktr. os, gèèn jh. of hh., maar
zijn kèmel en zijn ròs.
GRAMMATICA. 63. reeds ten grave als uitgestrekt: in gewone woordschikking komt
ten grave vòòr uitgestrekt, maar de woordschikking is in geen enkel opzicht foutief.
Hetzelfde moeten wij hier opmerken (daar wij 't vergeten hebben) van op Gods
gezetten stond: Zoo lang men nog geen behoorlijke begrippen van taal verkregen
heeft, kan men in verzoeking komen bij een construetie als deze zich voor te
redeneeren dat God grammatisch als bijwoordelijke bepaling bij gezetten behoort
te staan en de genitief ‘fout’ is: Gods is echter een heel mooie genitief niet bij stond,
maar bij gezetten stond.
65-66. De woestijn heeft zich - uw graf gewaand te zijn: even als uit Abraham en
‘dooven’ van het leven gezegd, is ook dit iets Klassieks, een Latinisme. Van wanen
hangt hier een Infinitief af en het subject van dezen Infinitief staat daarbij in den
accusatief = De woestijn waant, dat zij uw graf is. Deze constructie nu, de
zoogenaamde Accusativus cum Infinitivo (= Accusatief met den Infinitief), hebben
wij wel b.v. bij hooren, voelen, zien (‘ik hoor hem loopen’ = ik hoor, dat hij loopt; zie
verder Terwey), maar niet na werkwoorden die een waarnemen, denken, zeggen,
de
verklaren etc. beteekenen. In de XVII eeuw had het Nederlandsch door invloed
van 't Latijn en Grieksch dien wel, maar wij zijn hem weer kwijt geraakt; de dichters
maken er soms nog gebruik van; van ‘foutievigheid’ is hier bij Da Costa dan ook
geen sprake. Niet foutief ook zou het ons in de ooren klinken, zoo hier ge-
Taal en Letteren. Jaargang 2
306
staan had: ‘wanen’ te zijn, voor ‘gewaand’ te zijn. Toch moeten wij grammatisch de
voorkeur geven aan gewaand hier. Immers, onder de werkwoorden die in de
samengestelde tijden den vorm van den Infinitief voor het Verl. Dw. gebruiken (zie
Terwey!) zijn ook denken, meenen, maar alleen als zij met willen (dat ook Infinitief
voor Deelwoord heeft) Synoniem zijn: ‘Ik heb hem meenen te straffen’; ‘ik heb me
denken te laten inschrijven’; anders, zegt een grammatisch voorschrift, staat het
Verl. Deelw.: ‘Ik heb gedacht dat huis te huren’, ‘ik heb gemeend hem te straffen’.
Bij wanen, gelooven e.d. die niet Synoniem met eenig hulpbehoevend werkwoord
zijn, zou Infinitief voor Verl. Deelw. dus niet kunnen. Doch hier staat tegenover dat
het wel degelijk voorkomt. Men is gaan zeggen: ‘Ik heb me denken te bevoordeelen’,
‘ik heb hem meenen te straffen’ (= gemeend) en zoo ook: ‘Ik heb je zeker gelooven
te kennen’, en men vindt evenzeer: ‘Hij heeft een goed huwelijk wanen te doen’. We merken nog op dat na sommige werkwoorden, als ‘wanen’, ‘gelooven’, ‘achten’,
‘rekenen’, ‘oordeelen’ ook een dubbele accusatief voorkomt: zoo hier ‘heeft zich uw
graf gewaand’; ‘ik heb dat verkeerd geoordeeld’, ‘een dwaling gerekend’. Da Costa
had ook kunnen zeggen: heeft gewaand uw graf te zijn, zonder den Latijnschen
accusatief zich.
67. getuigen is afgeleid van getuige en beteekent dus eigenlijk: ‘getuige zijn’ (vgl.
slaven = slaaf zijn, dan actief), dan actief: getuigenis afleggen. Evenals van getuige
het voorvoegsel dikwijls werd, bij de dichters nog wordt weggelaten, staat voor
getuigen ook dichterlijk tuigen. Wegwerping (aphaeresis) van ge- is niet zeldzaam.
Ze had plaats bij de ww. beuren, verzellen, lukken, lijken, bij de zelfstnw. miswas,
misbak, buur, maat, beurt, bij de bijvnw. platboomd, rechtaard (bij dichters), stadig,
makkelijk e.d. In gedragen, geraken, gedijen e.a. daarentegen is dragen, raken,
dijen ouder dan het woord met ge-, en ook gebruiken, gelooven, genieten,
geschieden, gewagen, genezen zijn gevormd van ouder bruiken, nieten etc.; evenzoo
zijn de grondwoorden verdwenen bij gezond, gezwind, genoeg, gedwee, gering.
68. Voor u zal etc.: het werkw. had hier ook in 't meervoud kunnen staan.
69. Denk bij de vervoeging van gonzen, plonzen, bonzen om de z, die zacht is.
Ook in gonsde, bonsde blijft die z (= gonz-de, bonz-de) en het letterteeken s, dat
we voor de z van de uitspraak schrijven, is dus onecht; het beeldt den klank niet af.
Zoo is ook het letterteeken f in doofde onecht, want de stam is doov (doov-de). In
geplonsd en gebonsd daarentegen hoort men den stam bons, plons: daar is de
oorspronkelijke d (over in gebonsde = gebonz-de) op. het eind van het woord
gekomen en daarmee scherp geworden, d.i. tot t overgegaan en deze t heeft de
zachte z ook scherp doen worden. De d in geplonsd toch is onecht; de klank is t;
en als in goed, bloed om goede, bloeden, schrijft men een d om den verbogen vorm
geplonsde (Regel der Gelijkvormigheid).
70. Kennende zijn bloed: beknopte redengevende bijzin: daar hij zijn bloed kent.
Taal en Letteren. Jaargang 2
307
72-74. Geen: onbepaald voornaamw. = niet eenig; maar geen in 73 en 74 heeft de
kracht van het bijwoord niet, dat den geheelen zin ontkent: ‘maar het is niet de
koutertrekkende os’. - in zijn dienst: bijvoegl. bep. bij dier. - koutertrekkend:
zoogenaamd epitheton ornans, d.i. versierend of, beter, teekenend of
karakteriseerend bijvnw. - Kemel is het zelfde als het meer met den Latijnschen
vorm (camélus) overeenkomende kameel, maar dit laatste is nieuw ingevoerd door
geleerden en kémel met klemtoonverplaatsing is het echte, oude woord, dat met
de kruistochten tot ons gekomen is; vgl. voor het accent: jood uit judáeus; zeker uit
secúrus.
V.D.B.
Sprokkels
‘Een opleidingsmiddel, dat nog maar weinig de eer heeft gehad door onze leeraren
der jeugd te worden toegepast, is de logische verklaring en kommentatie van stukken,
aan dichters ontleend, die den naam hebben van duister te zijn, doch van wie de
kritiek nog niet heeft uitgemaakt, of de nevel den geest van den toeschouwer, dan
den geest van den kunstenaar omhulde.’
‘Een uitnemende gelegenheid om zich in het denken te oefenen, is de
verstandelijke ontleding en (zoo mogelijk) verklaring van zekere plaatsen uit
schrijvers, die niet onder het vermoeden van krankzinnigheid liggen en evenmin
onder den blaam van kwakzalverij; van zulke plaatsen als velen, in den eersten
opslag, onverstaanbaar, verward, dubbelzinnig, onduidelijk, of twijfelachtig
voorkomen.’
1848. ALBERDINGK THIJM.
E e n O n b e g r i j p e l i j k S o n n e t (brochure).
Gij bespreekt daar een werkwoord; gij deelt nauwkeurig af tusschen het onzijdig,
bedrijvend en wederkeerig gebruik. Ik stem het toe, gij kunt niet anders handelen;
maar toch is uwe scheiding in den grond niets dan willekeur, want in het leven der
taal is dat alles niet angstvallig afgepaald, maar het loopt dooreen en vloeit in
elkander over met duizenderlei tinten, niet zelden ook voor het geoefendste zintuig
nauwlijks waarneembaar. Het leven kent geene systematische indeelingen, geene
splitsing in hoofdstukken en paragrafen; het kent eindelooze verscheidenheid, maar
in prachtige eenheid opgelost. Is dus uwe geheele methode niet een vergrijp tegen
het leven der taal?
DE VRIES, Inleid. Nederl. Woordbk., blz. LXXI.
Taal en Letteren. Jaargang 2
308
Boekaankondiging.
Middelnederlandsch.
2. Karel ende Elegast, opnieuw uitgegeven door E.T. Kuiper (akademisch
o
proefschrift). Amsterdam, van Kampen en Zoon, 1890. 169 in 8 . - f 1.75.
3. Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast, door Dr. J.
o
Bergsma. Groningen, Wolters, 1890. - 82 in klein 8 - f 0.75.
Door een der beste mndl. gedichten voelden in denzelfden tijd twee jonge
vakgenooten zich aangetrokken, om het op nieuw uit te geven; een van hen, Dr.
Bergsma, heeft het ter wille van den ander, bij de ‘B i j d r a g e ’ gelaten. Beiden
hebben tot mijn genoegen het moeitevolle werk van den uitgever niet geschuwd,
en geprobeerd de teksten systematisch te rangeeren, om een kritisch gebruik er
van te kunnen maken; hoewel hiervoor nauwkeurige onderzoekingen tot het
minutieuse toe, soms met weinig gevolg, behooren. De Nederlandsche philologen
hebben vaak gevraagd: waarvoor al die moeite tegenover de onzekerheid van wat
het geeft. En deze vraag heeft vrij wat reden. Als we tekstkritische onderzoekingen
doen, komen we al gauw in verlegenheid: we weten niet in hoe ver wij een enkel
handschrift met de tekstredactie, die in 't gemeen dit hs. dan vertegenwoordigen
zou, kunnen vereenzelvigen. Zijn er aan meer handschriften plaats aan te wijzen,
dan liggen er weer andere zwarigheden. Wij kunnen handschriften nader bij elkaar
plaatsen omdat zij gemeenschappelijke fouten hebben of gelijkelijk met opzet
veranderd zijn.
Maar wanneer hebben wij 't zeker met fouten en opzettelijke wijzigingen te doen?
En kan de overeenstemming misschien niet toevallig wezen? Bijna altijd komen
tegenover die combinaties, die aanleiding geven om de hss. op zekere manier te
groepeeren, andere te staan, die klaarblijkelijk er mee strijden. Men moet, waar in
den laatsten tijd vaker op gewezen is, op rekening van het toeval meer schrijven,
dan men gewoonlijk doet. Het is toch ook waar dat menschen onder dezelfde
omstandigheden vaak op dezelfde manier fouten en wijzigingen zullen maken. Toch,
de zwarigheden mogen gewichtig blijven, zij mogen ons van dezen arbeid niet
afhouden. De tekstkritiek is zekerder wanneer wij mechanisch over de juistheid van
een lezing kunnen beslissen. Ook dan echter past voorzichtigheid. Wij hebben met
menschenwerk te doen, en moeten aan allerlei wat mogelijk is, denken, en zoo iets
laat zich maar niet zuiver mechanisch behandelen.
Van Karel en Elegast bezitten wij vier oude drukken; in hun groepeering stemmen
beide uitgevers overeen. Ook denken zij gelijk over de fragmenten
Taal en Letteren. Jaargang 2
309
e
van 3 hss. en van een 4 , dat als ‘vorlage’ van de rijnsche bewerking in Karl Meinet
is te stellen; alleen neemt Bergsma aan dat M en K nader met elkaar in betrekking
staan (p. 45), terwijl Kuiper dit ontkent (p. 60); de laatste heeft bepaald gelijk dat de
aangewezen argumenten niet veel bewijzen. Zoo wil Bergsma ook (p. 27 v.) om
onvoldoende redenen een nadere verwantschap tusschen de beide drukken B en
C aannemen; waar bovendien in den opgestelde stamboom ten slotte, volstrekt
geen plaats voor zou wezen. Maar ook Kuiper gaat wel eens mechanisch te werk,
waar hij zijn oogen open moest houden. B.v. bij vs. 408. B D E K hebben ‘daer en
dranc dore dat rode bloet’; in A C ontbreekt rode. Consequent naar het schema
moest rode opgenomen; intusschen konden zooveel schrijvers als men wil,
onafhankelijk van elkaar er toe komen het adjectief er bij te voegen, òf omdat zoo
de uitdrukking meer zei, òf wel om de metrische bouw van een vers ‘daer en dranc
dore dat bloet’. Mij komt het minder waarschijnlijk voor, dat het adjectief door twee
schrijvers weggelaten zou worden. Meermalen kreeg Kuiper aan zijn schrijftafel een
vernuftig idée, dat echter minder bij een in 't gemeen zoo eenvoudig en zoo
volksaartig gedicht te pas kan gebracht; b.v. vs. 172 vv., waar hij over 't hoofd ziet
dat twee schrijvers best onafhankelijk van elkaar er toe komen konden om ons in
te voegen. Zoo gaan beiden meer naar het streng schematische te werk, waar ik
anders dan Kuiper en Bergsma zou doen; wanneer b.v. de eerste twijfelt aan de
richtige verzen 1105 v., alleen omdat zij in K niet voorkomen; en in vs. 457 den
hollandschen vorm hiet voor heet laat staan. Daarentegen mag men, als men
eenmaal gekozen heeft tusschen twee groepen, die kritisch gelijk van waarde zijn,
zonder goeie reden niet inconsekwent worden. Hier feilt Kuiper nu en dan in. Dan
heeft hij zijn variante lezingen niet overal met de gewenschte zorgvuldigheid
aangegeven. Verder heeft hij niet altijd de goede gewoonte, de verbeteringen van
zijn voorgangers met hun naam te teekenen.
De tekst is door beider arbeid veel beter geworden. Meestal komen natuurlijk
beide heeren overeen in hun lezingen; zij stellen zich toch vrijwel gelijk voor hoe
zich hun hss. verhouden. Waar zij van elkaar verschillen, heeft m.i. meestal Kuiper
gelijk. Deze geeft nog verder menige voortreflijke verbetering; zoo dat we nu een
eind verder zijn dan met Jonckbloets uitgave. Hoe willekeurig J. te werk ging, komt
ook hier in 't volle licht. Hij blijft desniettemin een geniaal filoloog, die door zijn jongere
landslui wel met wat meer heuschheid mocht erkend worden. Een andere vraag is,
of wij Kuipers uitgave als de zaak afdoende, mogen beschouwen. Ik zei al dat mijn
tekst vaak anders er uit zou zien. Er zijn nog andere gebreken, die zich laten
verklaren uit nog ongenoegzame zaakkennis. Ondanks de bekwaamheid en den
goeden wil van den uitgever, spijt het me ten slotte dat hij als beginner iets onder
handen nam, waar we iets wat de zaak afdeed, mochten verwachten.
Een uitvoerige Inleiding gaat aan den tekst vooraf; die gaat hoofdzakelijk over de
Elegastsage, en hare verschillende versies. Hoewel nauwelijks een
Taal en Letteren. Jaargang 2
310
der historisch-letterkundige vragen met zekerheid beantwoord wordt, mag aan deze
studie den lof niet onthouden dat zij flink op de zaak ingaat. Alleen merk ik op dat
de plaats op blz. 15 meegedeeld uit den middelduitschen tekst, wellicht verkeerd
verstaan is, en geen oude mythologischen trek bewaart. Zou de ‘wunneclichen’ door
de wolken dringende m a n niet de ‘m a a n ’ wezen?
Bonn.
J. FRANCK.
Sprokkel. ‘Over opvoeding en onderwijs.
De wetenschap houdt zich bezig met het begrip: dat juist is haar werk; het
a l g e m e e n e . Zij bezit de wereld als begrip; zij bezit haar i n het begrip. Maar de
tegenwoordige maatschappij verkeert in het denkbeeld, dat wij de wereld niet
a n d e r s dan als begrip kunnen bezitten en dat het voor iedereen de hoogste triomf
moet zijn haar zòò te bezitten; d e g e h e e l e o p v o e d i n g h e e f t z i j d a a r o p
g e r i c h t . E n d a t is een ongeluk. Wij kunnen de wereld als a a n s c h o u w i n g
en in de aanschouwing bezitten: n i e t als abstractie, maar in hare volle werkelijkheid:
niet als iets voor het verstand, maar als iets in het gevoel. Zoo bezit haar de dichter,
de kunstenaar, - zoo bezitten de kinderen haar; wij hebben haar allen zoo bezeten,
toen wij nog kind waren. D a a r o p m o e s t d e o p v o e d i n g u i t z i j n , dat
verband tusschen het kind en den kunstenaar niet te verbreken maar te versterken.
De wonderen rondom ons, het overweldigende wonder rondom ons, het mysterie
waarin wij leven en ons bewegen, moest ons geen skelet zijn, waarvan men de
beenderen tellen kan; dat men zich eenmaal op school laat verklaren, om het
voortaan als iets zeer gewoons te laten rusten. Wij kennen slechts d e boom en de
b o o m e n z i e n wij niet. Overal plaatst het begrip zich tusschen ons en de dingen.
De schepping is nog altijd de oude: schoon, verheven; onuitputtelijk rijk in
verhevenheid en schoonheid, als op den eersten morgen. Maar wij bewonderen
niet meer; het beste in ons versterft bij gebrek aan bewondering. Wij zijn koud voor
het groote geheim in ons en om ons; wij schudden alle piëteit uit en naderen tot de
dieren.’ ‘De aanmatiging van het Gezond Verstand is te ver gegaan. Er is een
algemeene doodigheid van het gemoed.’
‘Maar zoo onrechtvaardig en willekeurig heeft het rationalisme den scepter
gezwaaid, dat t h a n s alles wat nog een nog open heeft en nog voelt, de
a b s t r a c t i e v a n z i c h a f s c h u d t . Men wil de dingen-zelf, individueel, èèn
voor èèn. Men wil de wereld z i e n . Men gevoelt, dat er behalve en vòòr dat doode
begrip “boom”, een talloos aantal bewonderenswaardige individuen zijn, kortweg
allen “boom” geheeten. De voorgaande periode won de wereld als begrip en in het
verstand bezitten. Thans wil men de wereld bezitten als aanschouwing en in het
gevoel. Men merkt het hoe langer hoe meer, dat zij voor het aanschouwen even
oneindig is, als voor het verstand.’
VAN DEN BOSCH, D e c a d e n t i e e n n i e u w l e v e n .
(Stemmen uit de Vrije Gemeente, 1892 blz. 180.)
Taal en Letteren. Jaargang 2
311
Kleine meedeelingen over boekwerken.
Parisismen (Parijsch argot), Supplement-fransch-nederlandsch
woordenboek, naar Dr. C. Villatte, door H.W.F. BONTE. - Gouda, van Goor
o
& Zonen. - X + 293, kl. 8 . - f 2.60 (f 2.90).
Een merkwaardige verzameling. Die nu denkt dat dit argot alleen straattaal is, die
vergist zich. Het beperkt zich niet meer ‘tot het mondeling verkeer van bijna alle
lagen der maatschappij; het is langzamerhand binnengedrongen in de dagbladen..,
in de nieuwste blijspelen, vooral bij massa's in de romans der nieuwe naturalistische
school’.
Sardon zegt zelfs: Het argot is het Fransch der toekomst; en Francisque Michel
wanhoopt er niet aan of het argot zal weldra het fransch vervangen als men oordeelt
naar de vorderingen, die 't maakt, ook bij de hoogere standen.
Hier vindt men hoe de spreektaal zijn woorden vormt. Analogieën zijn schering
en inslag. Hier is levende formatie.
En niet alleen uit oude stof. Vele van de argotismen zijn er, ‘die geen wortelwoord
in eenige taal hebben, en die het aanzijn zeker alleen te danken hebben aan het
toeval. Ieder heeft het wel eens beleefd, hoe een eigenaardige benaming van een
persoon of zaak door de een of andere toevalligheid werd te voorschijn geroepen;
vond de u i t d r u k k i n g bijval, dan werd hij door anderen nagepraat; de aanleiding
was echter na weinig weken vergeten’.
Die woordvorming blijkt nog net zoo te wezen als altijd: die is niet afgesloten, tot
rust gekomen, zooals men vaak aangeeft; zij hoort n i e t a l l e e n tot de historische
1)
spraakleer.
Als men deze argotismen bestudeert, kan men een beter inzicht krijgen in
woordvorming. En dat is voor vele nederlanders niet kwaad. Men heeft daar nog al
zonderlinge ideeën over.
Men vergeet dat wij ook een levende taal nog hebben. Of men verschopt die
gewoonlijk, in een hoek. En ook in die taal vormt men op dezelfde wijs z'n woorden.
Dat was de moeite waard om eens aan te wijzen. Daarover wel eens meer.
Ook voor een hoofdstuk over Hoe in 't nederlandsch de beteekenissen der woorden
veranderen, en wijzigen, kan men bij deze argotismen vele analoge voorbeelden
vinden ter opheldering.
Dat het boekje in 't hollandsch bewerkt is, maakt het voor velen gemakkelijk, die
bij den franschen tekst een uitlegger moeilijk missen konden.
B.H.
Schets eener historische grammatica der nederlandsche taal, door J.
Vercoullie. (Met 2 kaarten). I. Phonologie en Flexie. - Gent, Vuylsteke,
o
1892. - VIII + 75, kl. 8 . - f 1.25.
De eerste van dit soort voor 't nederlandsch. Alleen daarom al mag men er blij mee
wezen. Studeerenden allereerst, omdat zij ‘zich gemakkelijker, duidelijker en zekerder
een systematische voorstelling (nu kunnen) vormen van een wetenschap, waarvan
de stof te ver uiteen gespreid is, en dikwijls in voor beginnelingen moeilijk te
ontwarren windselen gewikkeld ligt.
1)
Vgl. Vercoullie, Schets eener hist. gramm. der ned. taal, blz. 2.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Ook aan vakgeleerden kan een stelselmatig overzicht hunner wetenschap somtijds
welkom zijn, al was het slechts als memorandum’.
En als eerste proeve is het vrij goed.
De klankleer is het beste. Natuurlijk; daar is nog het meest in voorgewerkt. In dat
de
boek, het III , geeft de bewerker een zeer leerzaam overzicht. Soms
Taal en Letteren. Jaargang 2
312
lijkt het erg geleerd; nu, dan mag men er wat meer op studeeren.
Alleen; er had wel wat in kunnen gezegd over de consonanten, die Friezen in
1)
‘dood’ etc. laten hooren; en Hollanders in ‘bakboord’ uitspreken. Zijn deze van
dezelfde soort? ‘De d in “dood”, etc. laat de Fries hooren als een d, die in t eindigt’
(Logeman). En dan, waar hoort men wat over de ‘glides?’ Zie nu C o s i j n in Taal
en Letteren II, 237.
Minder goed is de Flexie geslaagd. Daar heeft men 't voor 't nieuw nederlandsch
alleen over de s c h r i j f taal; zoodat men in dat ‘boek’ feitelijk een andere stof onder
handen heeft als bij de Phonologie.
Voorop gaan Voorbereidende Begrippen. Daarin o.m. dat de nederlandsche
schrijftaal als laatsten grondslag het Hollandsch heeft, wat na 't artikel van M u l l e r
in Taal en Letteren I, wel niet heelemaal juist is. Dan heeft men nog een ‘boek’ over
Prosodia, waar de klemtoon vrij goed, de poëtiek ouwerwetsch behandeld zijn; daar
2)
had van de germaansche versleer moeten uitgegaan; wat moet ook al dat latijn? .
Enkele opmerkingen nog.
Is ‘gem a a l ’ uit ‘mahal’? Het heet aan 't hd. ontleend; dit had er bij moeten staan.
Maar is het zoo? Vgl. Verdam, Mndl. Wdb. II, 1309. Uit *madel kon het in 't
nederlandsch ook worden evenals ‘aal(t)’ uit *adel, (vgl. adellijk). Is ‘gek’ (blz. 18),
‘geniep’ (blz. 20) friesch? Heeft het woord ‘Fries’ een oorgerm. ê? Waarom is ‘leit’
naast ‘ligt’ niet verklaard? Vanwaar de o in ‘avond’? Als toonlooze klinker staat voor
-m ook -e-, vgl. ‘Haarlem’; ‘khem, khem’, als interjectie! Bovendien, is de u voor w
toonloos? Is sj in ‘sjouwen’ (blz. 39) uit germ. s? Heet in ‘bracht’, ‘docht’, etc. (blz.
27) deze ongeumlaute vorm nog ‘Rück-umlaut’? Is op blz. 42 niet te veel met de
spelling gerekend?
Volgens de schrijver wordt de ‘Saxon genitive’ ‘alleen gebruikt om den bezitter
aan te duiden, als die voorgesteld wordt door een persoonsnaam, niet door een
bijvoeglijk woord of slechts door een possessief vergezeld’. Maar men zegt toch:
wie's hond; de dieë's; mijn goeie moeders graf; ‘rijke lui's ziekten en armelui's
pannekoeken stinken ver’; keizer Karels hond. En men zegt algemeen in 't
beschaafde spreek-nederlandsch: wie-z i j n hond; mijn goeie moeder-d e r graf;
Cats-z i j n opmerkingsgave; Loots-z i j n gedichten (Beets). Dit ‘zijn’ als zĕn (sĕn)
uitgesproken. Waarom brengt de schrijver hier niet mee in verband de gen. ‘wiesen
boek’, op bladz. 50? De verklaring, hoe deze gen. s ontstaan zou wezen, acht ik
geheel verkeerd.
Naar de klankleer vooral kan men veel in onze gewone spraakkunsten verbeteren,
zoolang ten minste nog van-buiten-leerderij van dergelijke historische grammatica
noodig wordt geacht voor lui van 't lager onderwijs. De onderwijzer kan bijkans overal
zeggen: wat in deze ‘Schets’ van mijn spraakleer afwijkt, dat is juist; wat er mee
overeenkomt, kan mogelijk richtig wezen, maar daar heeft hij weinig zekerheid van.
Want naast vele goede zaken, bevat die schets nog vrij wat dat niet te zeker is. Met
dat al is 't een goed begin.
B.H.
1)
2)
De k zou in ‘zakboek’, etc. als g (fra. g-dur) klinken. Dit is wel bij Friezen het geval, die trouwens
die g ook in ‘wegen’, ‘morgen’, etc. uitspreken. Zie daarentegen C o s i j n , op de aangeh. blz.
Ik spreek ook die ‘k’ in zakdoek, etc., meestal, mogelijk altijd; trouwens in mijn nederlandsch
spreek ik in ‘wegen’, etc. ook de zachte spirant.
De nieuwe wijze van grieksch-latijnsche scansie op blz. 10: een hexameter voortaan auftaktisch
te willen skandeeren, waardoor ze dan door de caesuur, in twee mooie hemistichen vallen
zonder dat een voet in tweeën wordt gekapt, is alvast niet waar voor verzen, die katà tríton
trochaĩon de caesuur hebben Lees eens: ‘ ndra moi nnepe Moũsa’, etc. op die manier.
Taal en Letteren. Jaargang 2
313
Uit de spraakleer.
Als er een nieuwe spraakleer van het nederlandsch uitkomt, of een herdruk van een
bestaande, wordt dit in kranten, en tijdschriften - ‘met een enkel woord’ - vermeld;
men geeft er gewoonlijk een paar opmerkingen bij ‘ten beste’. Niet dikwijls gaat men
grondig na, of het werk wel goed op zijn grondslagen, in zijn geheel, en in zijn deelen
opgetrokken is. En zelden - zoo der wel ooit naar gekeken wordt - in hoever die
grondslagen in betere bodem konden gelegd. Of, hoe die bodem-zelf wel te
verbeteren was.
Trouwens, mag men van een recensie dit wel vergen? Het vordert een tijd; zooveel,
als weinigen voor een kritiek kunnen beschikbaar maken; en eischt bovendat eeu
studie - waar eerder een nieuwe grammatica het resultaat van wezen zou; - en waar
blijft dan de recensent?
Toch is 't wenschelijk dat het gebeurt. Er blijven anders gebreken in de spraakleer
over, die 't gevolg zijn van fundamenteering, en in-mekaar-zetten; die worden grooter
en grooter, en maken op 't end het heele werk onbruikbaar.
Het wordt hoe langer hoe meer eisch zelfs. Door uitgebreide, vergelijkende en
historische taalstudie, vooral van de levende talen en dialecten, heeft men in de
nieuwe taalwetenschap een heel ander inzicht gekregen in wat eigenlijk grammatica
is. En nu vindt men in onze hollandsche spraakleer nog bijna overal de oude
begrippen. Die zijn afkomstig uit den tijd, toen men niet veel meer dan
1)
‘doodetaal’-studie deed . En met die behept, kan men niet wat leeft zóó bewerken,
als hier voor eisch is.
1)
Zie ook de Vries in zijn Inleiding tot het Ned. Woordenboek, XLIV/V, en Gallée, Nieuws van
den Dag, 18 Aug. '92. ‘Um das alte verfahren wie es noch die Franzosen und Niederländer zum theil festhalten,
weht noch etwas beëngende schulluft, wo es uns anklingt: ‘so und so musz es sein|’ wie es
den schüler aus seiner lateinischen grammatik anklingt; wir brauchen aber die freie luft der
wissenschaft, wo es heiszt ‘sieh| das ist so und so, denn so ist es gewachsen und geworden
- sich selbst.’ Hildebrand, über Grimms Wörterbuch (1869), aangehaald door de Vries, Inleid.
Ned. Wdb., blz. LXXIX.
Taal en Letteren. Jaargang 2
314
Bij vroeger is er nu wel 't een en ander, natuurlijk, veranderd. Maar over 't geheel
is 't brokwerk, pleister op de oude muur; een enkele maar bouwde een gedeeltetje
geheel nieuw op.
Nu was allang mijn plan om zoo nu en dan, enkele onderdeelen van de spraakleer
na te gaan, die, naar mij dunkt, wel eens van nabij mochten bekeken.
Op die manier hoop ik ook wat te doen, van mijn kant, voor ‘de nederlandsche
1)
spraakkunst, dat stiefkind onzer germanisten’ .
2)
En in een vraag, die men ons deed , vind ik dit keer een goede aanleiding om
eens wat te zeggen over de Woordvorming.
Zoo goed als alleen heeft men 't daarbij over onze schrijftaal. Niet over de taal,
die leeft, als een enkele maal terloops, en dan meestal als monstrum aangevoerd.
Dan gaat men bijna altijd uit van wat vroeger algemeen, nu nog maar bij enkele
woorden beteekenis heeft; die derhalve uitzonderingen zijn als men ze stelt tegenover
3)
de vele andere, waar hetzelfde, als 't voorkomt, van geen beteekenis meer is .
En dit laatste heet dan geregeld foutief.
Maar erger is nog: men vat woordvorming als wat aparts op naast de flectie,
zonder zich om 't innig verband te bekommeren; men wijst
1)
2)
Cosijn, Taal en Letteren, II, 238.
Taal en Letteren, II, 128:
‘In verschillende grammatica's leest men dat de causatieven van den Verl. Tijd
Enkelv. of van den Teg. Tijd komen: dit begrijp ik niet, hoe een vorm die Verl. Tijd
of Teg. Tijd beteekent een afleidsel leveren kan, dat het doen plaats hebben der
werking beteekent. Mij schijnt dit ongerijmd en ik kan niet anders denken of de
geleerden bedoelen het ietwat anders dan de schoolgrammatica's het oververtellen.’
7
Vgl. de hollandsche spraakkunsten van Cosijn-te Winkel , § 397. - Kaakebeen, bladzijde 149.
2
- Kat , § 221. - Jacobs-Koenen, Spraakleer, § 757, 758. Die allen noemen ze echter afgeleid
3
a
van den s t a m van die tijden. - De Groot , blz. 189, die evenmin als Terwey , § 308, blz.
5
3)
139 van afleiding spreekt van den stam van den t e g e n w o o r d i g e n tijd. - Van Helten ,
§ 332, die ze van substantieven afleidt.
Dit doet men bij onze heele nederlandsche spraakleer nog zoo wat geregeld. Zie b.v. maar
Boswijk in Noord en Zuid, XV, 110, over de naamvallen. Uit archaïsmen als ‘in koelen bloede’,
‘ter harte’, etc. haalt hij voor onze fin-de-siècle-taal het bewijs dat er nog een datiefvorm
bestaat; waarom distilleert hij niet uit ‘hoe’ en ‘des-te-meer het bestaan van een instrumentaal?
Of hebben tien archaïsmen van éen soort meer recht dan éen van een ander, om levend te
heeten? Of gaat hij met het repristineeren der Spraakleer niet verder terug dan tot het
middelnederlandsch?
En zoo bij de geslachten. En bij het adjectief met zijn sterk en zwak. En bij de verba. En in
den syntaxis, vooral. Maar, waar niet?
Taal en Letteren. Jaargang 2
315
er nooit op, dat beiden in den grond één zijn; en men behandelt ze nooit zoo.
Men miskent, zoo doende, het eigenlijk wezen van de taal.
Het is alsof men 't menschelijke lichaam beschrijven ging; en daarbij de weinige
zoogenoemde overblijfsels uit vroeger periode, de vermoede rudimenta van een
vroeger bestaan als normaal, het massa-gewijzigde bij wijze van toegift, liefst als
af te keuren, beschouwde; en dit nog liefst in het doode corpus, brok voor brok
afzonderlijk; niet in onderling verband, waarbij de deelen, levend, op elkaar inwerken.
In de plaats van die antiquaire, en vrij geantiqueerde boedelbeschrijving, zal ik hier
een schets zien te geven van hoe ik allereerst de woordvorming graag behandeld
zag.
Tot nog toe geeft en krijgt men den indruk: de taal is afgedaan, het proces is
1)
afgeloopen, de taalvorming is tot rust gekomen . Dat is zoo niet.
‘Het raadplegen der levende, der gesproken taal, dat is het ware, het eenig middel
2)
3)
om hier met zekerheid te werk te gaan’ . Dat is de ‘moedertaal’, die leeft .
En wat leeft, verandert. Die taal is dan ook steeds in gestadigen overgang. Zij is
niet ‘etwas abgeschlossenes’. En daar moet juist nadruk op gelegd. Zoo is 't altijd
geweest.
Maar óok nog. Van die tegenwoordige levende taal uit kan alleen duidelijk gemaakt
worden, hoe, als men verder en verder teruggaat, bij elk menschegeslacht en van
dag tot dag, op éigenlijk wel dezelfde wijze, alle taal verandert -: taalwording, nu,
of voor duizend en tienduizend jaar, gaat op dezelfde manier.
Eerst dan zal men ook op de oudere taalperioden een juiste kijk krijgen.
1)
2)
3)
Ook Vercoullie, Schets eener hist. gramm. der nederl. taal, rekent nog ‘woordvorming’, met
buigingsleer en syntaxis, tot de historische spraakleer, echter niet de woordenschat en de
woordbeteekenis. Hooren die er niet toe, dan ook de andere niet. Zie hiervoor blz. 311.
De Vries, Inleid. Ned. Wdb., blz. LXIX, wel in een ander verband. Maar eigenlijk voor alles
richtsnoer.
Evenals de volksdialecten, waar de beschaafde spreektaal het hare gedeeltelijk aan ontleent,
op dezelfde manier als aan de buitenlandsche talen, en aan de artiesten-taal.
Taal en Letteren. Jaargang 2
316
I
Woordvorming.
1. Elke keer, als men een woord gebruikt, d.i. denkt, of zegt, maakt men dit eigenlijk
op nieuw. Vrijwel onbewust, doet men dit grootendeels op 't geheugen af, zelfs al
zegt men 't een ander na. De vorm en beteekenis van een woord zal ongeveer
hetzelfde wezen als toen men het vroeger op dezelfde wijs gebruikte; en te meer
er mee overeenkomen, naarmate men of zelf het meer zegt, of het meer hoort
1)
bezigen . Toch is 't niet heelemaal gelijk aan een vroeger keer.
Na verloop van tijd gaat het hoe langer hoe meer verschillen. Zoo zeggen
kleinkinderen de woorden wat anders dan hun grootouders. Natuurlijk is er
wederkeerig napraterij. Daardoor wordt het verschil onder de levenden niet zoo
2)
groot, dat de lui met eenzelfde taal elkaar niet meer verstaan . Vandaar ook, dat
men het verloop niet opmerkt. En toch loopt het na jaren, al langzamerhand, zoo
uitéen, dat men ten slotte alleen door taalstudie de gelijkheid kan aantoonen.
Maar men herinnert zich niet alleen het woord in zijn vorm en beteekenis van een
vroeger maal; men denkt, onbewust natuurlijk, tegelijkertijd aan vormen en
beteekenissen, die er op lijken of er mee samenhangen. Dát geeft ook aanleiding
tot veranderingen van het woord. Zelfs is déze herinnering wel eens sterker dan de
indruk, die men van het woord-zelf had. En dan gebeurt dat het vroegere woord of
3)
de vroegere vorm, door een nieuw, geheel of gedeeltelijk, vervangen wordt .
Eigenlijk zijn er dus groepen van gelijk-klinkende of gelijk-beteekenende woorden
en woorddeelen, die geregeld op mekaar influenceeren.
Nu zijn er ook, die niet tot zoo'n groep hooren: geïsoleerde. Die raken licht verloren;
of ze versteenen; en vormen, wat de grammatica vaak noemt, uitzonderingen,
anomalieën, en wat dies meer zij.
2. Zelden staat een woord op zichzelf. Men spreekt in zinnen. Dan staan de woorden
in syntaxiaal verband. Komen nu twee of meer
1)
2)
3)
Dit ‘zeggen’ hoeft natuurlijk niet overluid te wezen. Als men leest, zegt men stil na. Geschreven
zien geeft dus niet; de spraak verandert toch. Het Engelsch werd indertijd, in de latere ME.
ook zoo uitgesproken als men 't nu schrijft; except sommige woorden, naar geleerde
spelvoorschrijverij.
Hoe minder conversatie, hoe grooter de verschillen. Dit verklaart hoe dialecten worden.
Daarover wel eens later.
Denk maar aan de zoogenoemde volksetymologieën, waar 't nog al heel sterk is.
Taal en Letteren. Jaargang 2
317
woorden nog al eens in het zelfde verband voor, dan vereenigen die beide zich vaak
nauwer, dan met het overige gedeelte van de zinnen, dat natuurlijk niet altijd 't zelfde
is. Zoo'n syntaxiale woordgroep kan worden tot een samenstelliug.
Wanneer is 't nu zoo iets?
Als het accent van een van beide deelen verandert?
1)
Dit is geen afdoend herkenningsmiddel . Dan zou in: hı gàf mĕ (jou, hem, etc.)
'n bőek, - èn ‘gaf’ èn ‘me (jou, etc.) 'n’, ook een soort samenstelling vormen met ‘hij’;
daar door de bijeenvoeging het accent op ‘me 'n’ veel zwakker is dan op ‘gàf’ en
2)
‘hı ’. Net zoo is 't in: d t ĭs mijn bóek, en dàt ĭs mí n bóek ; kòm h er! En bij zooveel
anderen.
Wanneer dan?
Als die syntaxiale groep in een bepaald verband geregeld gebruikt wordt; anders
gezeid: wanneer men met twee of meer woorden samen iets afgezonderds, iets
afzonderlijks, iets nieuws ook, gaat aanduiden, dau heeft men samenstelling.
Nu is 't vaak moeielijk aan te geven wanneer dit gebeurt. Het geïsoleerd raken
uit het verband, dat ‘wat-afgezonderds-aanduiden’, gaat al langzamerhand; eerst
na verloop van tijd wordt de syntaxische verbinding compositum.
Dus zijn er in elke taalperiode bestaande, maar ook wordende samenstellingen.
Ook in de onze.
Maar 't is lastig deze laatste aan te wijzen. Wat door den een nog niet gevoeld
wordt als iets afzonderlijks, dat uit het overig syntaxiaal verband gescheiden is,
wordt dit wel door een ander. Als ze zich afgescheiden hebben, is het makkelijker.
We willen echter zien er een paar te vinden, onderhand we syntactische verbanden
nagaan.
Een mooie is er in den zin: ‘ik geloof er niets van, niemedal’; anders gezeid: ‘ik
3)
geloof er niets niemedal van’. Dit is een verdubbeling, die vaak voorkomt . ‘Niets(niks-) niemedal’ is al meer
1)
2)
3)
Zie ook Boer, hiervoor, blz. 101.
Over de accenten mag ook wel eens wat gezegd. Het chromatisch accent negeert men totaal
bij de ‘wordende samenstellingen’. Ik ga daar nu niet op in; dat hoort bij de Accentleer. Alleen,
men moet er op letten gaan. - Ook hier is veel, wel 't meeste, analogieaccentueering.
Wat Jacobs-Koenen, Spraakleer, § 680, 684, daaromtrent debiteeren, is onjuist.
Vgl. maar: brokstuk (dat in Van Dale-Manhave ‘een verwerpelijk pleonastisch germanisme’
heet!) daarvandaan, doemvonnis, etc., zie Verdam, Gesch. Nederl. Taal, blz. 178, Molema,
Gron. Woordb. 374/5. - Vgl. ook: er (ergens) van af weten; enz.
Taal en Letteren. Jaargang 2
318
dan half op den weg naar de samenstelling. Evengoed als: nooit-niet, nooit-geen,
1)
nergens-geen, niets-geen; die koppelingen, die dienen om het begrip te versterken .
Met ‘hij is alles behalve mooi’ bedoelt men: hij is nog al leelijk. Heeft hij echter
alle andere goeie en slechte hoedanigheden? Dat staat er niet - en staat er eigenlijk
wel: hij is alles, behalve mooi, ziedaar het syntaxiaal verband. Maar ‘alles-behalve’
heeft langzamerhand zijn zin veranderd; heeft zich uit het overig verband gescheiden,
is een samenstelling geworden, met de beteekenis nu, min of meer, van: niet
bizonder; zelfs sterker nog: men krijgt op de vraag: heb-je gister plezier gehad? nog
al eens 't antwoord: alles-behalve!
Men kan hooren vragen: wil je éen stuk of meer? En 't antwoord zal bij gelegenheid
wezen: geef me maar een stuk-of-twee-of-drie. Of wel: een stuk-of-vijf-zes; zelfs:
2)
een stuk-of-wat. Ook hier is samenstelling .
Dus zijn er zin-gedeelten, die uit hun overige, vaak voorkomende omgeving gelicht
3)
zijn. Zij bestaan wel uit meer dan een woord: laat-we die k o p p e l i n g e n noemen .
4)
Zoo zegt men: met z'n eigen, z'n zelf , verlegen wezen, niet op z'n gemak zijn; maar:
met j e eigen ben-j e vaak verlegen, j e bent niet op j e gemak; z i j zijn met h u n
eigen totaal verlegen, alles-behalve op h u n gemak. Evenzoo: met z'n tweeën
wezen, met z'n achten zijn. Nu is echter opmerkelijk dat als men vraagt:
1)
2)
3)
4)
Die keuren sommigen af; zij zijn echter algemeen in de spreektaal. In 't grieksch was 't regel.
In 't ouder hollandsch evenzoo: ik en doe 't niet. Over 't mndl. zie Stoett II, blz. 106. 't Fransch
heeft: je ne veux pas; in Parijs onder 't volk: je veux pas (pas = stap, pas); hiermee is volkomen
in onze spreektaal te vergelijken: hij weet er de ballen van; vgl. hij weet er geen bal(len) van;
waar bal = kleinigheid is; vgl. het mndl.: ‘niet een bal ne doech hem haer berouwen,’ blz. 106.
Verdam, I, 531.
Eigenaardig dat men niet boven de ‘honderd’ gaat; en boven de 20, gewoonlijk geen eenheden
er bij noemt. Een stuk-of-vijf-en-twintig zal men weinig, misschien nooit hooren; evenmin een
stuk-of-honderd en tien; wel een-stuk-of-negentien.
Voor ‘twee-drie’, ‘drie-vier’, wordt ook ‘of’ wel weggelaten; d.w.z. men plaatst deze woorden,
zonder aanwijzing van het verband naast elkaar.
Vgl. mnederl. ‘Die proever (examinator) doet hem segghen niet mee 11 Dan in den souter
(vgl. engl. psalter) een vers of twee.’ Nieuwe Doctrinael van Van de Weert, Belg. Mus. VIII,
278.
Vgl. nog: alles-en-nog-wat; voor-'t-meerendeel; op-z'n-best; wat-dies-meer-zij, dat vrijwel de
beteekenis heeft gekregen van etcetera.
Vgl. ‘met z'n zelf, z'n eigen verlegen wezen = met zich-, hem-zelf verlegen wezen,’ met het
middelnederl.: met hem drieën wezen = nieuwnederl. met z'n drieën wezen. Voor de beteekenis
in 't mndl., Stoett II (= Syntaxis), 250. - Van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. V, 215. - Verdam, ald.
II, 192.
Taal en Letteren. Jaargang 2
319
met z'n hoevelen moeten jullie daar wezen? - het antwoord meestal is: met z'n beiën,
z'n drieën, vijven, achten; - zoo, g a er maar liever met z'n tienen heen! - Ja, ‘met
z'n achten’ is stereotiep geworden, misschien wel door 't gedichtje van Beets, mee.
Het is eigenlijk een samenstelling; anders moest het wezen: ‘met ons drieën, achten,
etc.; met u-beiën, etc.’ Ook dat wordt nog gezegd. Maar 't andere heeft evenveel
recht. Het is zoogenoemd ‘door a n a l o g i e ’ ook bij wij, jullie, zij geplaatst. Als alle
andere gebruikelijke analogie mag het niet veranderd of afgekeurd.
Men denkt toch ook niet alleen aan het syntaxiaal verband van het oogenblik;
1)
men denkt aan andere constructies ook ; evenals bij de woorden en woordgedeelten,
waar ik het hiervoren over had, men zich vroegere formatie en gelijksoortige
2)
vormingen herinnert .
3. Tegen een jongen, die overal op klautert, overal met z'n handen aanzit, in plaats
van wat beters uit te voeren, zal men met zekere verontwaardiging zeggen: ‘wel
zeker, ga jij je gang maar, doe niet(s), klim overal op, zit overal aan!’ En van zoo'n
3)
zelfden jongen: wat is dat een zit-overal-aan, klim-overal-op; zoo'n doe-niet(s) .
Een jongen slaat een ander; en een paar welwillende bijstanders roepen: geef
'em maar van klinkum (klinktum), patsum (patstum), raak 'em (rakum)!
Nu kan men vragen, is er wel ooit, in imperativo gezegd van: klink 'um (= hem).
Dit hoeft evenwel ook niet. Men heeft gezegd, b.v.: raak 'em, bij wijze van
aanmoediging; en die aanmoediger zei later: wat kreeg-die van raak 'em; en bij een
volgende gelegenheid: ‘geef 'em maar van raak 'em, klinkum’, of van ‘patsum’, meer
doelend op het geluid dat hij er bij hoorde. En zoo kon Staring schrijven:
4)
een treê, van klink!
't Kan net zoo goed ‘klinktum’, ‘patstum’, enz. wezen; daar de
1)
2)
3)
4)
Hier moet niet tegen aangevoerd: je doet beter aan een ding tegelijk te denken; alles hangt
onderling en met mekaar samen, ook in de taal bij levende menschen; dat verband voelt men
vaak meer dan men 't opmerkt: geen wonder. Men moet eerder hier z'n verstand op scherpen,
dan op het fixeeren van een moment, losgemaakt van al de anderen.
Over analogie later meer. Zie al Taal en Letteren, I, passim, o.a. 21/2, 123, 158, 169, noot.
Vgl. ook ‘brui-heen!’ - En ‘het brui-heen drinken’ (van Dale-Manhave).
Zwolsche Herdr., VII, blz. 21, 91. - Vijgh, Jaep Rontvoet (1645): een Feest van klincken;
Bormeester, Ontrouwe Dienstmaagt (1661): das en woord van klink, (Kollewijn).
Taal en Letteren. Jaargang 2
320
1)
spreektaal geen verschil maakt tusschen ‘klink’ en ‘klinkt’ in den imperatief : men
hoort, uit den mond van beschaafden - niet in de volksdialecten bedoel ik - even
goed: geef 'em maar, als ‘geeft 'em maar’; ‘doet 'et maar’, even vaak als ‘doe 'et
maar!’
Ook hier zijn er van-zelfs weer analogie-formaties bij; evenals in: wij met z'n drieën.
Zoo is 't niet uit te maken, of uit een syntaxiaal verband dan wel naar analogie
2)
ontstaan is , soortgelijke als: een bedil-al(les); die spring-in-'t-veld, sta-in-den-weg,
3)
een vergeet-mij-nietje, het kruidje roer-mij-niet, enz.
4. Uit: de, die, wat voor (etc.) hooge school, kon moeielijk anders een koppeling,
een samenstelling worden dan de ‘hooge-school’. Zoo uit: een, wat, die (etc.) zoute
visch, niet wel anders dan ‘zoutevisch’.
Maar naast: het hooge lied, staat een hoog lied; naast: een groot zeil, het groote
zeil. Daar konden dus èn ‘hooge-lied’, en ‘hoog-lied’; ‘groot-zeil’, en ‘groote-zeil’; en
zoo: ‘lage-land’ en ‘laag-land’, en tal van dubbelvormen uit ontstaan. Alleen, men
zegt van ‘groot-zeil’, van ‘laag-land’, van ‘jong-gezel’; - maar van ‘hooge-lied’ en
‘hoog-lied’; en altijd van ‘hooge-priester’. Toch komt in de samenstelling meest het
eerste lid zonder -e voor; daar werkte bij onzijdige woorden zeker toe mee dat na
‘een’ moeielijk de vorm op -e (een groote zeil, een hooge lied) kan komen. Dan gaf
in het syntaxiaal verband de o n v e r b o g e n vorm iets eigenaardigs aan het adjectief
met zijn substantief; het karakteriseerde beiden meer tot een eenheid; en daardoor
4)
kwam het vooral dat in de samenstelling het eerste lid geen -e had .
En naar analogie, maakte men een massa anderen op dezelfde manier;
1)
2)
3)
4)
In 't Saksische Nederland is de imperatief op -t regel. In Holland-zelf die zonder -t, enkel- en
meervoud; ook ‘doen 'et maar’!
Vgl. ook het mnederl, bij Stoett, II, § 509.
Zelfs historisch moeielijk. Als Staring zegt: ‘loop naar de pomp, en drinkt u nuchteren, kwast’
- dan lijkt men de verklaring van 't spreekwoord te hebben - als Staring namelijk de tweede
helft uit z'n-eigen er niet bij plaatste om de eerste te verklaren. Zoo kunnen ook bij schrijvers,
imperativi als boven genoemd, voorkomen, voor 't eerst; maar die zij allen hebben
neergeschreven om voor zichzelf de samenstelling te verklaren. Dan kan 't nóg ten slotte
analogie-formatie wezen - maar voor die schrijver was 't regeneratie; omdat elk telkens weer
de woorden op nieuw vormt.
Op deze vorming is, meen 'k, nog niet gewezen. Mij dunkt dat ze er ook vroeger geweest is.
- Over 't ontstaan van andere die in vorm hiermee overeenkomen, in vroeger tijd; beneden,
blz. 326, noot.
Vergelijk in het middelnederlandsch al: jonc-heer, jonc-vrou, jonc-wijf, jone-man, arm-man.
Taal en Letteren. Jaargang 2
321
en zoo doen wij nog; het werd een kenmerk van zulke samenstelling in 't algemeen.
Een paar van die, maar nog wordende, samenstellingen meen ik te vinden in een
1)
‘groot koning’, een ‘goed koning’, een ‘groot vorst’ en dergelijke . In de spraakkunsten
heet dit nog altijd de sterke verbuiging van het adjectief. Maar dat is verouderd; die
regel moet geheel veranderd: het verschil in beteekenis, dat men gewoonlijk maakt
tusschen deze onverbogen vormen, en die op -e (een goede koning, etc.), vindt
2)
men slechts bij zeer weinig voorbeelden ; daar staan honderden tegenover waar
3)
niemand dit verschil merkt . Die weinige zijn op weg naar de samenstelling.
Zoo zijn er wel meer. Men noemt ‘Hooger’ en ‘Lager Onderwijs’ nog niet zoo; 't
‘Hooger-huis’ en 't ‘Lager-huis’ in Engeland, daarentegen wel; die eersten worden
4)
't . Zoo praat men van een ‘hooge myter’, en ‘hooge oome’, de ‘groote oomes’. Ook
dit worden samenstellingen. Mettertijd zullen we mogelijk ook schrijven: de
‘groote-oomes’, een ‘hooge-myter’, met dezelfde, of misschien ietwat gespecificeerder
beteekenis nog, van nu; mogelijk met een ander accent, naar analogie van andere
van dat slag.
1)
2)
3)
4)
Men moet eens letten op het accent van déze samenstellingen (zie boven, blz. 317, noot),
en dat in ‘óud-sǒld at’, ‘óud-mìn stĕr’, ‘óud-bùrgĕm ester’, ‘jóng-gĕz l’, enz.; in tegenstelling
met de veel oudere: jónk-màn, jónk-vrònw, enz. Daarentegen, met analogie-accent: jònkmán,
gróot-vàdĕr, stíef-kìnd.
En dan meest in de schrijftaal nog; in de spreektaal zegt men altijd van: een jonge kerel, een
goeie vent, een groote Vondel, eene goeie, beste koning, een groote dichter.
8
Zie o.a. Terwey , § 259: ‘Men merke echter op, etc.;’ en Kaakebeen, § 168, 20., de opmerking.
- Deze Beknopte Spraakleer van Kaakebeen wordt te veel doodgezwegen; ik wil er hier de
aandacht op richten. Die vraagt met van Helten, maar allereerst: wat is gebruik; wat is
spreektaal; wat moet de praktijk daarvan hebben. Wil praktijk op den voorgrond; mist bijna
alle linguistische ornatie, die veel te ruim bij van Helten is aangebracht. Doet een poging ook
om de grondslagen te herzien. Hij probeert het oude, vaak verouderde, door het nieuwe, het
levende, te vervangen. Heeft met niet-schoolsche opmerkingsgave rondgekeken. Met vaste,
vaak drieste hand is wat voor vaststaand werd gehouden, aangepakt. Het trilde, maar is, nu
nog gescheurd bovendien, evenwel blijven staan. Het aangegrepene is hij ongelukkig niet
altijd voldoende machtig geworden. Daardoor is hij niet overal goed geslaagd; er blijft nog
veel te verbeteren over, wat hij onaangeroerd liet. Maar - de poging verdient waardeering.
Het is moeilijk een huis nieuw te bouwen als men niet eenigen tijd er buiten wil wonen; en dit
wordt moeilijk, men is er zoo aan gehecht, het verkeerde is als een tweede natuur; men is er
zoo gewoon aan geworden.
Wat eigenlijk maakt dat men nu den vorm met -e, dan die zonder -e, vaak beide gebruikt,
zonder verschil van beteekenis, daar wijs ik op bij 't Adjectief.
Let wel dat de meeste sprekers aan ‘Hooger en Lager Onderwijs’ dezelfde klemtoon geven
als aan ‘Hooger- en Lager-huis. Vgl. er mee het geaccentueerde: ‘wát 'n kw -jőngen ís dăt
tǒch!
Taal en Letteren. Jaargang 2
322
5. Men zal zeggen: hij schenkt alweer het water b e z i j ë n 't glas. - Maar ook: hij
giet het water weer 't glas b e z i j ë n langs. Dan staat de praepositie achter het
1)
bepaalde woord . En als antwoord kan de vraag dienen: zoo, is hij 't, die 't altijd er
b e z i j ë n schenkt?
Nu is men minder gewoon - en niet alleen in 't nieuwnederlandsch - om zoo'n
woord als ‘bezijën’ bij het voorgaande dan wel bij 't volgende te voegen; men trekt
het eerder tot het werkwoord dan tot het substantief. Zoo kan uit deze en dergelijke
constructies een samenstelling worden. Samen krijgen die woorden dan een min
of meer gewijzigde beteekenis; natuurlijk, dat ligt in de aard van samenstellingen.
Dan wordt de praepositie min of meer bijwoord. En omgekeerd kan een bijwoord
met een werkwoord samengesteld, de beteekenis en functie krijgen van een
2)
praeposìtie .
Van-zelfs, de samenstelling blijft nog scheidbaar, al voelt men ook dán, het verband
nog wel tusschen het werkwoord en 't andere lid.
Onder invloed van deze werkwoordelijke samenstelling kan nu een praepositie,
als die heel op zich zelf achter het bepaalde woord staat, ook een gewijzigde
beteekenis krijgen. Dat heeft die dan ook méestal in 't nieuwnederlandsch. Aan deze
praeposities, met min of meer bijwoordelijke beteekenis, wil ik den naam van
adverbiale praeposities geven.
Achter het substantief kan dus een enkele maal een praepositie, vaker een
3)
adverbiale praepositie staan; 't meest is het een adverbium . En
1)
2)
3)
Vgl. hd. gegenüber der kirche, dem rat-hause gegenüber; dem gesetze zuwider. - lat.: Romam
versus, honoris causa. - Vgl. Strong-Logeman-Wheeler, Introduct. Hist. Lang. 276/7, en noot.
Ook ‘bezijën’ is eigenlijk substantief.
Zie vooral v. Helten, § 342. Die met zijn Spraakleer een begin maakte met wat anders. Daarin
zijn heele hoofdstukken, in aanleg zeker, in opbouw bijna onverbeterlijk.
In Taal en Letteren, II, 256, is de vraag gedaan:
7. STARING, Zang bij den haard:
't Valt mijn glas bezijden:
Is er iets tegen om dit bezijden een voorzetsel te noemen (de letterlijke beteekenis
van den term daargelaten)? Vgl. Ivo, Volksuitgaaf, 143: ‘Wat taal den weg langs
werd gesproken’, - en in Lochem behouden: ‘Het spoor langs’.
Van waar het onderscheid tusschen ‘Hij loopt langs het water’ en ‘Hij loopt het water
langs’? - Het onderscheid tusschen voorzetsel en bijwoord, bedoel ik. In hoeverre
is langs in den laatsten zin geen voorzetsel?
Breda.
J. Hs.
Het heet meestal een adverbium; dat is 't zeker hier niet. Is 't een bijwoord-praepositie? M.i.
wel; zoo 't nog geen praepositie is, achter z'n substantief. De grens hiertusschen is moeielijk
aan te geven. Voor de beteekenis is te vergelijken: langs welken weg moet ik; welken weg
langs moet ik; welken weg moet ik langs; en verder tal van voorbeelden in elke Spraakleer.
Regel is dit postpositum plaatsen bij voornaamw. bijw.: daardoor, er uit, enz.; vgl. Terwey, §
152, over den naam. en vooral van Helten, § 137.
Taal en Letteren. Jaargang 2
323
1)
werkwoordelijke samenstellingen zijn er dus met bijwoord-voorzetsels en bijwoorden .
Niet in alle zin - de taal bestaat niet uit losse woorden - kan elke praepositie achter
zijn substantief komen; evenmin met alle werkwoord een samenstelling vormen. Dit
2)
regelt in 't algemeen de eenige bevoegde wetgever bij l e v e n d e taal: het gebruik .
Men zegt: tegen of op den grond slaan; en nooit: den grond tegen (op) slaan; wel:
uit het venster slaan; en evenzeer, met wat genuanceerde beteekenis natuurlijk:
het venster uitslaan; daarentegen: een weg in-slaan, maar nooit: in een weg slaau.
En zoo ook: het slaat mij tegen, en niet: tegen mij; daarentegen: het slaat op mij,
en niet: mij op. In bepaalde gevallen dus, en in bepaalde constructies vooral, zijn
sommige dezer samenstellingen afscheidbaar: ook dat regelt het gebruik. - Men
kan nog ‘loopen langs wegen’, en ‘over bruggen’; maar evengoed ‘wegen langs’,
en ‘bruggen over’; men vaart ook wel door de laatste, men kan ook: die door varen;
en niets is er tegen, t a a l k u n d i g ten minste, dat een stedelijk bestuur een
3)
reglement maakt op het ‘door-varen van beweegbare bruggen’ .
4)
6. De oorsprong van een reeks samenstellingen is altijd het syntaxiaal verband .
Maar dit is niet altijd gelijk geweest; vroeger was het anders dan nu. Men zou dus,
om ze allen in 't tegenwoordige nederlandsch te begrijpen, ook dat van vroeger
perioden, van heel ouden tijd zelfs, moeten kennen?
5)
Gelukkig is dit niet noodzakelijk .
Zoodra een samenstelling gevormd is, zich uit het overig verband
1)
2)
3)
4)
5)
Ook in vroegere perioden was dit zoo wel. Maar daar stond nog andere formatie naast.
Ik heb het alleen over de gewone taal, niet over die van kunstenaars; die zien in taal nog iets
meer dan een middel om zich verstaanbaar te maken.
Sommigen voeren tegen het gebruik als regelaar aan: waar blijven we dan; men kan zooveel
zeggen. - Maar dat is de vraag niet, wat men kan zeggen; maar: wat zegt men?
Een haagsche briefschrijver in het N.v.d.D., 1 Aug. '92, keurde dit zeer af. Waarom ook niet!
Men heet liefst déze samenstellingen nog in de meeste spraakkunsten oneigenlijke. Zij vormen
‘een t o e v a l l i g e eenheid’!!
't Is zelfs niet voor alle mogelijk; zie daar beneden blz. 356 over.
Taal en Letteren. Jaargang 2
324
voor-goed afgescheiden heeft, kan het er op verschillende wijzen mee gaan.
7. Zoo'n samenstelling wordt veel gebruikt, langzamerhand heeft men er geen
idée meer van dat het er een is; men gevoelt het eene-of-andere lid niet meer in
verband met de verwante enkel-woorden. Meest komt dit omdat de beteekenis van
het geheel zich wijzigt. Onverschillig is 't of de beteekenis van het enkel-woord nog
dezelfde is (ijzer, b.v.), die oorspronkelijk in de samenstelling (b.v. o o r -i j z e r ) ook
was, - dan wel of die van het enkel-woord zich gewijzigd heeft, en in de samenstelling
een oudere nog bewaard wordt (b.v. s c h a t -kist, p e n n i n g m e e s t e r , kerk-h o f ).
Het lijkt me toe dat we zoo'n samenstelling, die tot een enkel-woord werd, hebben
in: plé, plĕ, plĕtí. De beteekenis weet elk nederlander wel; het is een fatsoendelijke
term, min of meer eufemistisch; maar met een onnederlandschen klank. Ik houd
het woord dan ook niet voor hollandsch. Beide eerste vormen zijn afkortingen van
de laatste.
Dit p l e t í zal een (hollandsch) fransch-woord wezen. - Qu'est ce que vous voulez
madame? - Ah, monsieur, je voudrais vous demander, où est le... le...? - Plaît-il
madame? - Oui, le... le... - Ah oui, vous cherchez le... p l a î t -i l ! etc. - Een
oorspronkelijke samenstelling dus maar die niemand meer zoo voelt.
En nu mag 't erg plezierig wezen van deze en dergelijke woorden de etymologie
te kennen, voor juist taalgebruik is het in 't meerendeel der gevallen overbodig; even
als 't in het algemeen onnoodig is te weten uit welke bestanddeelen enkel-woorden
1)
bestaan .
Maar die nu werkelijk als samenstellingen gevoeld worden, hoe daar dan mee?
Nu, dat zijn òf nieuwe uit het syntaxiaal verband - en de syntaxis kent men, daar
men de taal zelf spreekt; dan behoeft men die slechts na te gaan, nauwkeurig;
vreemdelingen alleen vinden die moeielijk.
8. Of ze worden gevormd naar 't model van bestaande, naar analogie. En wat
vroeger dan het syntaxiaal verband tusschen de deelen er van aangaf, is nu puur
iets f o r m e e l s geworden, zonder beteekenis. Natuurlijk, want hoe wil men nog
gevoel hebben voor een syntactisch verband van vroeger, dat n u door een ander
is vervangen?
1)
Lees wat in Taal en Letteren, I, daaromtrent gezegd is; zie 't Register op Onderwijzer en de
Etymologie.
Taal en Letteren. Jaargang 2
325
1)
En deze soort is, evenals a l l e a n a l o g i e - f o r m a t i e , veel-en-veel talrijker dan
de nieuwe vormingen.
Evenals bij enkelvoudige woorden, denkt men bij deze analogie-formatie aan de
overeenkomende gedeelten van andere samenstellingen, en van andere
enkel-woorden ook. Lettergrepen van de een zullen, met die van andere van gelijke
gedaante overeenstemmend worden gevormd; men voelt toch niet meer de
o n d e r s c h e i d e n l e d e n bij de samenstelling o p z i c h -z e l f .
2)
Zoo vormen dezen ook groepen, als waar ik hiervoor 't over had .
9. Nu is het nederlandsch al sedert eeuwen, hoe langer hoe meer deflectief
geworden. Dit komt ook in de samenstellingen uit; daar zijn ook de uitgangen, die
het verband der deelen aangaven, grootendeels verdwenen.
In R u s l a n d was het eerste lid evenals in F r a n k r i j k , oorspronkelijk wel een
genitief pluralis (Frankônô-riki); maar men ziet dit 't woord niet meer aan. 't Is een
naast-elkaar-plaatsen geworden van de woorden ‘R u s ’ en ‘r i j k ’.
Zoo staan in 't algemeen de deelen der samenstelling thans naast elkaar;
onverschillig of b.v. het eerste lid een meervoud of een enkelvoud, een bezitter, of
de plaats-waar, of iets anders aangeeft. Een genitiefpluraal is wel a n k e r -smid,
b r o e d e r -twist, p l a n t -kunde, n a a m -lijst en b r o e d e r -kring; een dito singularis:
d i j k -voet, z w a l u w -nest, m o e d e r -liefde. Een enkelvoud is z u s t e r -vereeniging.
Het locatieve zit in: s t r a a t -kabaal, h o o f d -pijn, l a n d -leven, z e e -stad,
b o o m -mos, z e e - en v e l d -slag, v o e t -kus, j u l i -zon; het datieve in L e o -cantate.
Bij h a n d -slag en s t o o m -boot heeft men instrumentale beteekenis; een
j a c h t -hond is een hond v o o r de jacht; een n a a l d -boom is een boom m e t
naalden; v e t e r schoenen zijn schoenen m e t veters; een n o o d r em is een rem
i n (tijd van) nood; vgl. p l e z i e r trein, een g r o e n -vrouw, een v i s c h -vrouw;
z a a k -gelastigde, enz.
1)
2)
Waarom wordt daar in geen enkele spraakkunst met nadruk op gewezen? Ja, waarom keurt
men in den regel ze liefst af?!
Zoo werden vroeger in onze taal van woorden of stammen op -en substantiva op -aar gevormd:
molenaar, leugen-aar, teeken-aar, reken-aar; men voelde weldra niet meer ‘dat -en van 't
grondwoord als een deel van den stam’, en voegde toen -e-naar achter grondwoorden:
geweldenaar, moordenaar, weduwenaar; er-aar kwam weinig voor en had dus geen macht
om op de vorming in te werken; enaar dubbele. En zoo vormde men toov-enaar, naar analogie!
En kam-enier, naar die op -en-ier-, die vaker voorkwamen dan die op er-ier. - - Vgl. ook -ling,
naast -ing, enz. in de spraakkunsten.
Taal en Letteren. Jaargang 2
326
Daarbij komt nog de invloed van onze syntaxiale constructie, dat men adjectiva
zonder uitgang bij 't substantief plaatst, waar ook samenstellingen uit kunnen groeien;
als ‘zoet hout’, en dergelijke.
Dan het voorbeeld van vroegere verbinding zonder -e, als groot-zeil, kwà-jóngen,
en dergelijke.
Dit voorbeeld werkt zeer sterk. Evenzeer wel de samenstelling met zoogenoemde
stammen van werkwoorden. Die vormen, en al lang, het eerste lid zonder
1)
verbindingsletter , als: drink-glas, bedel-monnik.
Alles wijst er dus op dat het eerste lid het meest in onveranderde vorm zal
voorkomen.
10. Er zijn evenwel nog oude formaties overgebleven, - al worden die telkens opnieuw
hér-vormd, elke keer dat men ze gebruikt - met uitgangen, uit den tijd toen de
woorden in hun syntaxiaal verband algemeen verbogen werden. Dit vindt men in
enkele woorden; geïsoleerd, en dan vaak als eigennamen. Over 't algemeen zijn 't
echter vormsels op veel uitgebreider gebied geworden, met verlies van hun
oorspronkelijke beteekenis: zuiver formeel, niet veel meer dan ingevoegde letters
of lettergrepen.
Zoo is de -s eigenlijk een genitief-uitgang. Maar zelfs bij woorden, waar het eerste
lid zich als een genitief tot het tweede verhoudt en op -s uitgaat, voelt men deze -s
niet éens altijd meer als zoodanig; hoe velen voelen in h o n g e r -s-nood,
w a t e r -s-nood dien genitief -s? Men kan dan ook niet meer zeggen: het eerste lid
is een genitief, dérhalve moet dit in de samenstelling, bij nieuw-vorming, een s
hebben. Men heeft het genitief-verband o o k , waar geen s staat, als r u n d -vleesch,
k o n i n k -rijk, r o g g e -brood, t a r w e -meel en tal van anderen; -s c h a p e -vel,
b o k k e -kop, k i n d e r -stoel, k i n d e r -dijk bij Dordt (denk aan 't verhaal van 't
aanspoelen van e e n kind); enz.
En omgekeerd staat er een s, waar 't geen genitief singulaar kan wezen, als in
2)
j o n g e l i n g s -vereeniging, s c h a a p s -kooi (genitief-plu-
1)
2)
In ‘roof-vogel’, ‘slinger-steen’, is 't nog twijfelachtig of 't eerste lid een verbaal-stam, dan wel
een subst. is. Oorspronkelijk waren 't allen substantieven. Men voelde ze in verbinding met
verba; stammen van de werkwoorden en het verwante subst. waren en w e r d e n vooral, in
vorm gelijk; men hield deze subst. dan ook voor verbaal-stammen, al gauw. Toen kwamen
een m e n i g t e analogie-vormingen op; de onze zijn 't zoo goed als allemaal! Of ze in 't
gotisch bestonden, is onzeker. Wel in 't noorsch en westgermaansch; - ook in 't grieksch en
slavisch, zie Brugmann, Grundriss der Indogerm. Grammatik, II, § 41.
Deze soort heet in de hollandsche spraakkunsten meestal de ‘eigenlijke samenstelling’; ook
bij die grammatici, die anders elke nieuwere analogie-formatie verafschuwen.
Wat Jacobs-Koenen, blz. 190, daarop bedacht hebben, is spitsvondig.
Taal en Letteren. Jaargang 2
327
raal); s t a d s -leven (locatief); t e n t o o n s t e l l i n g s -gids (voor de tentoonst.);
v r i j h e i d s -zin (voor de vrijheid), r e d d i n g s -leger (om te redden); s t e r s gewijze,
l e i d s -man, s c h e i d s -man; h e m e l s -blauw (blauw a l s de hemel), v o g e l s -vlug.
De vorm van andere woorden heeft invloed. Deze samenstelliugen met -s- hebben
naast zich de genitief op -s, die vóór 't bepaalde woord staat: vaders, moeders,
tantes, ouwelui's, grootelui's wenschen. Maar vooral influenceeren de woorden die
op -s reeds eindigen: f o n d s catalogus, l o o d s -kotter, g i d s -redacteur, -nommer,
k r u i s -weg, -balk, b a s -fluit, r e i s -gids, b e u r s -noteering, -bericht, -tijd,
p r i j s -opgaaf, b l e s -paard, p l a a t s -naam, b r o n s -kleur, s c h o r s -prijs, b u i s ;
s c h a n s looper, b o s c h -bes, -duivel, g u t s (-beitel), n i e t s -doener, l e s -gever;
r e i s -gelegenheid, p o e t s -pomade, b l a a s -balk, -instrument, -kaak, h o o s -vat;
d w a r s -hout, d w a r s -fluit, enz. enz. - En ook de adjectieven op -s(ch). als in:
duivels(ch?) toejager; huwelijks(ch?) voorwaarde, advertentie.
11. In 't schrift maakt men onderscheid tusschen samenstellingen met -e-, en met
-en-; die laatste komen in de algemeene spreektaal niet voor. In de zuid-oostelijke
provinciën, en de saksische streken evenzeer, spreekt men bij velen er van wel de
-en-, uit, maar doet dit ook meestal bij die samenstelling, waar in 't Hollandsch - en
volgens de vigeerende spraakleer - enkel -e- staat.
‘Bij de meeste substantieven eindigde de stam eertijds op een klinker die later
een onduidelijke vocaal (e) werd; deze... bleef somtijds bewaard (dage-raad) of
verbasterde tot en (heerenboer uit, den stam heere en boer). - Somtijds was het
eerste lid een vrouw. subst., met den ouden uitgang -e van den sterken gen. enkelv.
1)
die òf bewaard bleef (stede-maagd) òf tot en verbasterde (ganzen-ei, eig. met
2)
ganze den oorspronkelijken 2den naamv. enkelv. van gans) . - Somtijds ook was
het eerste lid een mann., vrouw. of onzijd. subst met een ouden uitgang e van den
sterken genitief meervoud, die bewaard bleef (in paardestaart, schape-wol), of tot
3)
-en verbasterde (schapenwol, woordenboek, eig. met schape, woorde, 2den naamv.
4)
meerv.). - Eindelijk was ook somtijds het eerste lid een subst., met den ouden
uitgang -en van den
1)
2)
3)
4)
Dat is: in de s c h r i j f t a a l . Ook hier vindt men een bewijs in voor Muller's meening (T. en
L. I, 211, 229) dat er zuid-oostelijk nederl. meer dan holl.-friesch in de schrijftaal zit.
Vgl. echter Kern, Taal- en Letterbode IV, 136.
NB. in de schrijftaal wel te verstaan!
Er waren maar weinig zwakke substantiva!
Taal en Letteren. Jaargang 2
328
zwakken genitief enkelv. of meerv. die òf bewaard bleef (heerenknecht, hazenlip,
1)
menschenvrees, van het e e r t i j d s zwak verbogen haas), of tot -e verbasterde
(hanepoot, ossetong, eig. met hanen, ossen, den zwakken gen. der e e r t i j d s zwak
2)
verbogen woorden haan, os).’
Deze -e- (en de -en-, als men wil) is ook een vormsel geworden; zij staat waar
het eerste lid een genitief enkel- of meervoud is; of zij staat daar ook niet: als in
z w a l u w -nest, k o e -stal, F r a n k -rijk. Omgekeerd staat ze, waar we heelemaal
geen genitief voelen, in h e r t e beest, e i k e -boom, enz.
Naast deze staat de tegenwoordige syntactische verbinding, waar samenstellingen
uit worden, op -e: h o o g e -school, d o m m e -kracht, h o o g e priester, d o l l e -man,
z o u t e -visch, k l a r e -jenever. Dan zijn er substantieven, die op -e eindigen, als
h o r l o g e -winkel, g r o e n t e -vrouw (vgl. visch-vrouw; maar ook eiere-vrouw),
a s p e r g e -bed, -plant.
12. In -er- voelt men niet meer het meervoud, ook niet in -er-s, en ĕr-en, trouwens
die -s en die -en zijn er 't beste bewijs voor: we vormen geen meervoud meer op
-er. Naast e i e r -dopje staat: e i -dopje, wie zou beweren durven dat het eerste voor
meer eieren bestemd was? Dat -er- is niets dan een ingevoegde lettergreep
geworden: denk maar aan k i n d e r -leeftijd; de K i n d e r dijk bij Dordt, waar, naar
de sage wil, éen kind aandreef. In een k i n d e r -stoel is gewoonlijk maar plaats voor
éen kind, en r u n d e r -gehak is 't meest zeker wel van éen rund afkomstig.
De weinige waar 't eerste lid van op -er- uitgaat, vinden analoge v o r m e n - niet
vorm i n g - in de woorden op -er, als: v i s s c h e r man = visscher, m e e s t e r -knecht,
r o o v e r -bende, k i k k e r -billetjes, b r o e d e r -kring, -twist, d e c e m b e r -nommer,
a k k e r -bouw, v e t e r -schoen.
13. Als regel kan men dan ook voor 't hedendaagsch beschaafd nederlandsch
schrijven:
‘M e n s c h r i j f t d e l e d e n v a n e e n s a m e n g e s t e l d w o o r d ;
dat men nog zóo voelt, min of meer; òf zonder
v e r b i n d i n g s l e t t e r , ò f m e t i n l a s s c h i n g v a n e e n -s-, o f
3)
v a n -e-, o f m e t -er- (-ere-)’ .
1)
2)
3)
In de spreektaal. Natuurlijk, daar deze weinige vormen met n's naast zoovele, die geen n
hadden, al gauw naar analogie ook hun n misten. Men vormt meest een woord niet anders
uit twee andere dan naar 't model van bestaande samenvoeging!
Van Helten, 195.
Daar men in 't schrift zich 't meest naar 't hollandsch regelt, laat men de -en- of -n- der
zuid-oostelijke streek alleen in de spreektaal. Wil men die ook schrijven dan dient naast
-e- gesteld: ‘(of in zuid-oostelijke streek hiervoor -en-)’. Omtrent de r e c h t e n d e r
d i a l e c t e n v a n d e b e s c h a a f d e n e d e r l a n d s c h e s p r e e k t a a l later.
Taal en Letteren. Jaargang 2
329
Alleen bij onzijdige woorden, die vaak in 't meervoud nog -e r s , -ĕ r e n hebben,
wordt wel -er- ingevoegd. Vgl. echter rundvleesch, rundvee naast rundergehak, en
runderstal (ook vau éen rund).
Een regel, wanneer er een -s- of -e- (of bij weinigen ook -ere-) tusscheugevoegd
wordt, kan ik nog niet geven.
Alleen na liquida (r, ook l?) wordt bij substantieven geen -e- ingelascht; geen
roover-e-hol, mol-(l)-e-gat, enz.; evenwel: knolle-tuin.
1)
Daar men nu de syntaxiale verbinding hoe langer hoe miuder uitdrukt , zal
naast-elkaar-plaatsing, evenals in 't Engelsch, regel worden. Dit zal men ook bij de
samenstelling meer en meer gaan doen. Behoudens natuurlijk de analogie-invloed
van bestaande.
14. I n 't a l g e m e e n schijnt het rhythme, d.w.z. de opvolging van geklemtoonde
en toonlooze lettergrepen bij àl- of niet-invoeging van de -e-, of -er- vaak te beslissen,
als men weifelt.
Vgl. schéep-gàan met spélĕ-vàrĕn; dóod-gàan. - stoóm-boòt. - schuít-gèld,
schuít-huìs, schuít-vràcht, met: schuíte-jàgĕr, schuítĕ-pràatjĕ, schuítĕ-vòerdĕr. voét-vèeg en vóetĕ-vèeg. - rúnd-vlèesch, maar rúndĕr-gĕhàk. - kíndĕr-ròmmĕl, en
kíndĕr-d k. - bőekhàndĕ-láar, bőek-vĕrkòopĕr en bóekĕ-vrìnd, bóekĕ-jòod.
Stráals-, stérs-, póndpónds-g ĕ w i zĕ, met vrágĕndĕ r -w zĕ.
Ik vestig op dit verschijnsel de aandacht van de onderzoekers.
Maar ook, in de eene streek van 't land wordt door den beschaafden nederlander
vaker een letter of sylbe ingelascht dan in de andere streek. Hier zegt men geregeld:
voeteveeg, daar nooit; in deze streek altijd: kalfsgehakt, in díe nooit anders dan:
kalvergehak; of stads-huís, en ginds: stadhuis; of armegeld, waartegen-over anderen
alleen: arm-geld. Ook scheelt dit vaak nog bij elk individu: natuurlijk.
15. VOORBEELDEN. Zonder tusschenletters:
rund-vleesch [vgl. varkens-vleesch, kalfs-vleesch, r u n d er-gehak]. - eind-paal.
- boom-gaard. - koe-stal. - visch-markt. - dijk-voet. -
1)
Vgl. een menigte (van) menschen, een boel soldaten, een hoop (van) gemeen volk; een glas
goeie wijn; de wet Mackay, de Code Napoleon, - vgl. engl. on board a man-of-war. - Het waait
een halve storm; aanstaande zomer zal 't wezen; morgen gaat hij weg; 't end van 't jaar is 't
afgeloopen. - Hij stond er, 't mes in z'n handen; zij zag hem aan, de oogen vol tranen. Schrijvers van de soort: 'n stuiver de regel.
Taal en Letteren. Jaargang 2
330
angst-kreet. - land-man [NB. l a n d s -m a n ]. - anker-touw. - ankersmid. kikker-billetjes. - burger-juffrouw. - moeder-land. - zustervereeniging. winter-koninkje. - sociaal-democraat. - greenwich-tijd. - rivier-oever. - apostel-ambt.
- zee-god. - zee-strand. - zwaluw-nest. - visch-vrouw [vgl. groente-vrouw]. appel-taart. - appelwijn [vgl. bessewijn]. - fonds-catalogus. - plaats-naam [vgl.
mans-naam, vrouwenaam]. - bloem-pot. - zee-boot. - zee-matroos. - zee-stad. zee-slag. - veld-heer. - graf-plaat. - nood-rem. - plezier-trein. - hoofd-pijn. thuis-komst. - alarm-klok. - beurs-tijd. - jachthond. - koorn-molen. - luchtballon. zaakgelastigde. - voetkus. - veldslag. - leuning-stoel. - stoom-boot. - spoor-trein. draad-bericht. - straat-kabaal. - Oostinje-vaarder [vgl. Groenlandsvaarder]. goud-beurs. - goud-brons. - hand-vat. - bloed-plakkaat, -raad, -verwant. 1)
reis-bibliotheek. - natuur- en kunst-boter. - Augustus-collecte . - december-nommer.
- standaard-artikel. - kunstrijder. - staal-bron. - zout-bron. - dood-schouw. - grond-wet.
- grond-tekst. - grond-slag. - schoen-zool. - schoen-lapper. - parelvisscher. dood-graver. - broeder-twist.
tijd-verdrijf. - brand-weer. - akker-bouw. - voet-wisch.
melk-vat, -emmer. - strijd-lust. - dans-lust. - roof-vogel. - roof-nest. - kruis-tocht.
- slinger-steen. - dek-kleed. - klok-hen?
slacht-offer. - smelt-kroes. - drink-beker. - wandel-, rij-pad. - laad-stok. slaap-kamer. - bedel-monnik. - smelt-kroes. - slachtoffer [braak-loop].
2)
deug-niet. - weetniet. - doeniet(s) . - wip-van-'t-stoeltje.
groot-schrift. - hoog-moed. - groot-vorst. - jonk-vrouw. - booswicht. - klein-kind. snel-trein. - vrij-stad. - vlug-schrift. - lager-wal. - netto-prijs. - koud-vuur.
binnen-, buiten-, tusschen-muur. - op-centen. - op-geld. - opkamer. - voor-kamer.
- alleen-handel. - buiten-, binnen-, uit-land.
1)
2)
Men noemt deze samenstellingen vaak in strijd met den geest van de taal. Men ziet dan het
f o r m e e l e voor de g e e s t aan. Men moest zeggen: de formatie komt niet vaak voor; maar
zij begint te leven.
Deze heeten ook naar fransch model gemaakt. Vgl. Muller-Logeman, Proza-Reynaert, blz.
181. Ze komen ook in 't engelsch voor: toss-pot (drinkebroer); pinch-penny; makeshift;
pick-thank. En in 't duitsch: habe-nichts; tue nichts, etc. En in 't middeleeuwsch latijn: factotum.
- Wanneer, en waar komen ze 't eerst voor?
e
Ze behoeven niet van vreemde oorsprong te wezen. Ik twijfel ten minste; ze zijn in de XVII
eeuw sterk onder 't volk; en nog in de dialecten. Zeer zeker is er ook formatie bij, vooral naar
analogie, als ik boven § 5 aangaf.
Taal en Letteren. Jaargang 2
331
rood-huid. - wijs-neus. - plat-voet. - rood-borstje - kwikstaart. - neus-hoorn. een-hoorn (unicornus). - duizend-poot. - drie-voet (etc.) - drie-hoek (etc.). drie-master (etc.).
Adjectiva. eer-vol. - roem-vol. - vuur-rood. - kogel-rond. - eivol. - sneeuw-wit. brood-dronken. - feil-volle. - schat-rijk.
god-gevallig. - godvergeten. - wegwijs. - wereld-beroemd.
in-net. - over-groot.
blauw-zwart. - geel-grijs. - geel-grauw. - donker-blauw. - roodbont. - licht-geel. appel-groen. - kers-versch. - [open-baar.]
stok-stijf. - stok-doof. - bloed-warm. - pot-uit. - straal-vervelend.
goed-koop (goedkooper, maar vroeger ook b e t e r koop). - welsprekend
(welsprekender, maar ook welbespraakt, b e t e r sprekend). - welbespraakt e r , en
vroeger ook b e t e r bespraakt).
1)
veel-eischend (veeleischender, maar ook m e e r -eischend) .
altijd-durend. - al-vast. - vaak-malen.
Verba. adem-halen. - ader-laten. - raad-plegen. - kiel-halen. - schijfschieten. beeldhouwen. - buikspreken. - kroegloopen. - paardrijden. - schaats(en)-rijden. rechtspreken. - goedendag-zeggen. - logenstraffen. - gekscheren. - doodverwen. waarschuwen. - dwarsdrijven. - harddraven. - schoonschrijven. - snelschrijven. vrijlaten. - hoog-achten. - kwijtraken. - goedvinden. - gevangennemen. - doodslaan.
- gelijk-stellen. - scheepgaan. - kok-halzen. - ra-vallen. - reikhalzen. - stampvoeten.
- knip-oogen, - aan-, op-, neer-, bij-, om-, over-, mis-, onder-gaan. - boven-drijven,
enz.
Partikels. bijgeval. - overhoop. - omtrent. - opnieuw. - voorgoed. - eerlang. ondertusschen. - onder-door. - achter-op. - met-een. - rond-om. - tegen-over.
16. Samenstellingen met -s-.
mans-, geslachts-naam [vgl. plaats-, vrouwe-naam]. - schippersgracht. schaaps-kop [vgl. schape-kop, schaaps-kooi]. - scheeps-reder, -timmer-werf,
-gelegenheid. - stads-wal, stàds-huís [vgl. stad-huis]. - kievits-ei. - kalfs-kop, -vleesch
[vgl. kalver-gehak]. - arends-klauw. - levens-wijs. - gods-dienst. - vrijheids-boom,
-leus. - reddings-boot. - oorlogs-boot. - kinds-been [vgl. kinder-leeftijd]. jongedochters-vereeniging. - jongelings-vereeniging. - verdedigings-linie. reinigingsdienst. - schellings-kraam. - 30-cents-bazar. - Groenlands-vaarder
1)
Vgl. νέα-πόλος, gen. νέας-πόλεως en νεα-πόλεως, νεα-πολιτής.
Taal en Letteren. Jaargang 2
332
1)
[vgl. Oostinje-vaarder]. - ambachts-man. - vermogens-belasting . - scheids-man. 2)
leids-man .
Is ‘loods’ afgekort uit lood-s-man? Vgl. puts(-emmer, scheepsemmer, om water
mee te putten).
wetens-waardig. - beziens-waardig. - vliegens-vlug. - vogels-vlug.
eers-halve. - steels-gewijs. - streeks-gewijs [vgl. vragenderwijs].
bloots-hoofds. - goeds-moeds.
diens-volgens.
17. Samenstellingen met -e-.
slange-poot. - osse-tong. - zonne-schijn. - haze-slaapje. - mensche-kind. paarde-staart, -kop. - ganze-ei. - laarze-knecht. - heere-boer. - boere-woning, -meid,
-dochter. - zieke-kamer. - hertebeest, -jacht. - slave-dienst. - beuke-boom, -tak, etc.
- wilgestam [vgl. linde-tak]. - knolle-tuin [vgl. bloem-tuin]. - pijpe-la. - peene-plukker.
- sterre-kunde. - eende-kooi. - paarde-stal, -spoor-, -tuig. - ploerte-rommel, -streek.
- penne-mes. - ape-rok, -kop. - schape-kop [vgl. schaap-vleesch, schaaps-kop]. Vgl. stede-maagd; jonge-lief.
hooge-priester. - hooge-school. - domme-kracht. - dolle-man.
breke-spul. - drinke-broer. - stoke-brand. - dwinge-land. - Vgl. de als enkel-woorden
gevoelde: spelevaren, koekeloeren, zegevieren.
Verba: schare-slijpen. - trekke-bekken. - knikke-bollen. - knarsetanden. huile-balken.
spelevaren. - ziegezagen. - wirrewarren. - tierelieren. - koekeloeren - ruilebuiten.
18. Samenstellingen met -er-.
kinder-stoel, -rommel, -leeftijd, -spel; de kinderdijk [vgl. kinds-been]. - eier-tang,
-haudel [vgl. eiere-tang, eiere-vrouw]. - runder-pest [vgl. runder-gehak]. - lieder-tafel
[vgl. lied-boek]. - kalverstraat. - kalver-markt [vgl. kalvere-markt, kalfs-vleesch]. kleere-koop. - allerzielen. - aller-hoogste, -best, -eerst, -liefst.
19. Samenstellingen met en zonder -s-.
stamboekvee: stamboeksvee. - meesterknecht: meestersknecht. - spelling-lui:
spellings-lui. - arend-nest: arends-nest. - roek-ei: kievits-
1)
2)
Men heeft dit afgekeurd, omdat het een belasting o p het vermogen was; vgl. over hoe de
deelen van een samenstelling zich verhouden, boven, § 9.
Vgl. duitsche hunds-fliege. - hilfs-truppe. - nahrungs-mittel. - bauers-mann; reitersmann. engl. herds-mann (m.engl. herde-mann), bags-man, towns-man, crafts-man, heads-man.
Taal en Letteren. Jaargang 2
333
ei [vgl. spreeuwe-ei]. - stad-huis: stads-huís. - rooverbende: rooversbende. ambt-genoot, ambt-man: ambts-broeder, -regel [vgl. ambachtsman, ambteloos],
-bezig-heid, -gewaad. - Vondel-park: Vondels-park. - Prins-Hendrik-kade:
Prins-Hendriks-kade. - Rembrandt-plein: Rembrandts-plein. - zin-verband:
zins-verband. - land-taal: lands-taal. - god-zalig: g o d -v r u c h t i g , god-vreezend. gods-recht, -penning, -man, -naam, -dienst, -vereering, -akker, -bode, -huis, -oordeel,
-regeering, god-s-rijk, -vrucht, -wil, gods-lasteraar, -lijk, -ing, god-lievend, goddank,
god-gelijk, god-loochenaar, -verzaker, g o d -m e n s c h , g o d s p r a a k , god-vergeten.
verkeer-weg: verkeers-weg. - put-water: puts-water (in Friesland), vgl.
puts(-emmer). - schut-dak, -sluis: schuts-wapen, -brief, -engel, -heer, -vrouw. 1)
schut-kooi: schuts-kooi. - schut-blad: schuts -blad. - schut-poort: schuts-poort. arm-vol, -band, -been: armsgat, -lengte. - hemel-blauw: hemels-blauw [vgl.
sneeuw-wit, etc.] - dood-ziek: doodsbenauwd. - zin-verwant: zins-verwant.
20. Samenstellingen met en zonder -e-.
hoog-lied: hooge-lied [vgl. hoogepriester]. - arm-geld, -dokter, -school, -gesticht,
-huis, -wezen: arme-geld, -kamer, -dokter, -zakje, -staat, -school. - spreeuw-ei:
spreeuwe-ei. - schaap-vleesch: schape-vleesch [vgl. rund-vleesch]. - schoen-poetser:
schoene-poetser. - schoen-smeer, -winkel: schoene-smeer, -winkel. - schaar-slijper:
schare-slijper. - rug-tering: rugge-merg [vgl. ruggelings]. - kerk-ganger, -toren:
kerke-goed, -raad. - boek-handelaar, boek-binder: boeke-vrind, -jood, -kast. koek-bakker: koeke-bakker. - dag-werk: dage-raad. - kleer-kooper: kleere-koop(-er).
- koestal: koeie-stal. - voet-veeg: voete-veeg. - schoen-maker: schoeneflik. bed-dekens: bedde-dekens. - schuit-geld, -vracht, -huis, -jager: schuite-praatje,
-voerder, jager. - bloem-tuin: bloeme-tuin [vgl. knolletuin]. - koord-danser:
koorde-danser [vgl. schare-slijper].
21. Samenstellingen met -er- en niets.
runder-stal, runder-gehak: rund-vee, rund-vleesch. - eier-dopje: eidopje. eier-schaal: ei-wit. - lieder-boek: lied-boek.
22. Samenstellingen met -s- en -e-.
schaaps-kooi: schape-vacht. - boks-poot: bokke-poot, bokke-wagen, -vel. honds-dolheid: honde-hok. - schaaps-kooi: schapehok, -wol.
1)
‘Schuts’ is een subst. Alleen in dichterlijke taal: ‘ten schuts’; is het afgeleid uit de samenstelling
met -s-?
Taal en Letteren. Jaargang 2
334
23. Samenstellingen met -er- en -ere-.
eier-vrouw: eiere-vrouw [vgl. groente-vrouw]. - kleer-koop: kleerekoop. kalver-markt: kalvere-markt.
24. Er kan bij de samenstelling nog wat anders het geval worden.
‘Bloed-rood’ beteekende eigenlijk: het rood v a n het bloed; maar als men zei van:
dat is precies bloed-rood, kan dáar-de samenstelling de beteekenis krijgen van:
1)
rood als bloed .
Zulke absolute woorden gebruikt men graag, ook waar men overdrijft, min of meer;
en dan gaat het woord voor het taalgevoel niet langer beteekenen: ‘rood a l s
b l o e d ’, maar ‘z e e r rood’; het eerste lid krijgt den zin van een versterkend woordje.
Dan komt er analogievorming bij - die echte t a a l v o r m e n d e kracht. - Men plaatst
dat versterkend woordje ook bij woorden, waar 't in de vroegere beteekenis niet bij
2)
kon komen . Al geruimen tijd spreekt men van ‘bloed-arm’, wat niemand wel meer
verklaren zal met: ‘arm als bloed’. Het is navorming; men denkt - ik zei het al vroeger
- tegelijk bij de eene vorming aan andere; en zoo zal ook bij deze wel gedacht zijn
aan: ‘een bloed’, ‘een arme bloed’; vroeger en nog wel gangbaar voor: een sukkel,
arme duivel.
Er net zoo een is ‘stok-stijf’. Natuurlijk = stijf als een stok; naar analogie van
vormingen gemaakt, waarin bij het eerste lid iets vergeleken werd, evenals
‘sneeuw-wit’ en ‘gitzwart’; meer en meer kreeg ‘stok’ de beteekenis van ‘goed, erg’,
en daarnaar vormde men van overlang al woorden als: s t o k -o u d , s t o k -d o o f ,
s t o k -s t i l , s t o k b l i n d (Kiliaen), s t o c k -n a r (Kiliaen, Vondel), s t o k -d o o d ; in
3)
't oudfriesch ook: s t o c k -n a k e n .
Zoo kan ‘dood-stil’ verklaard als ‘stil als een doode’; dat gaat wel, maar
d o o d -z i e k , d o o d -e e n v o u d i g , d o o d -a r m , d o o d -g o e d ,
d o o d -v o o r z i c h t i g zijn vermoedelijk niet veel anders dan analogieformaties.
En ‘p o t -dicht’ is wel ‘dicht als een pot’, maar in p o t -d o o f en p o t -u i t blijkt dit
‘pot’ een versterkend voorwoordje.
1)
2)
3)
Deze overgang hoort bij de sèmasiologie, Beteekenis-leer. Die komt vaak voor: een hazeslaap
is de slaap van een haas; in: iemand doet een hazeslaapje, is slaap a l s van een haas; vgl.
het hagelt (regent), met: kogels hagelden (regenden) op het dek, zie Taal en Letteren, I, 295.
Vgl. ook Tobler, Wortzusammensetzung 116.
O.F.W. II, 84, - Vgl. het duitsche s t o c k -f i n s t e r , s t o c k -d u m m .
Taal en Letteren. Jaargang 2
335
Ook ‘snik-heet’, ‘snik-warm’ zoowel als ‘stik-heet’ en ‘stik-vol’ zijn in hun samenstelling
nog doorzichtig genoeg; maar hoe is dit met ‘s n i k -verkouden’, ‘s t i k -donker’,
1)
‘s t i k k e -donker’?
ë
a
In Friesland spreekt men niet alleen van ‘dood-arm’, maar ook van s t i n -é r m ,
e
2)
steen-arm , zooals een Duitscher van ‘die s t e i n reiche Holländer’; ook hier is ‘sti n
(stein)’ een vormsel, dat met ‘zeer’ overeenkomt; men zal z'n oorsprong wel moeten
zoeken in een vorming als ‘steen-hard’. Evenals p i k k e -d o n k e r wel gevormd zal
3)
wezen naar ‘pik-zwart’ en anderen; de ingevoegde -(k)e is evenzeer analogie .
25. Natuurlijk zijn 't niet altijd de eerste leden van een samenstelling, die hun
beteekenis kwijtraken en vormsels worden; ook wel de laatste. ‘Visch-gerei’ is
eigenlijk het gereedschap om te visschen; maar zoo is er meer om wat te doen:
eet-gerei, wasch-gerei, drinkgerei, schuur-gerei, naai-gerei en zelfs ‘jacht-gerei’.
Het begint dan ook de zin te krijgen van: ‘wat dient tot’; - natuurlijk: die zit ook in
‘gereedschap’; alleen de beteekenis wordt nog algemeener, nog minder bepaald:
‘a l l e s wat dient tot’.
Die algemeenere beteekenis is juist de oorsprong, en 't eigenaardig kenmerk van
deze soort vormsels.
Zoo gaat het ook met een synoniem er van: -g o e d en -t u i g .
Die krijgen zelfs v e r z a m e l k r a c h t als ze gevoegd worden bij woorden, die
geen verba zijn.
Merk maar op de volgende:
schuur-goed, poets-goed, speel-goed, naaigoed, waschgoed, strijkgoed,
scheergoed. - honde-goed, bedde-goed, beeste-goed, suiker-goed, prullegoed,
potgoed.
rij-tuig, voer-tuig, werk-tuig, visch-tuig, speel-tuig, schrijf-tuig, vaar-tuig, zin-tuig.
1)
2)
3)
Vgl. smoor-dronken, smoor-heet. - S t o p -vol, p r o p -vol, s t a m p -vol; s t o p p e n d ,
p r o p p e n d , en b o r e n d e vol; en de friesche termen: p r o p t e -vol, -zat, s t o p t e -vol.
Kiliaen heeft steen-oud. In Holland zegt men ook: straat-arm.
Vgl. bij deze de vergelijkingen: verkouden als een hond. - nat als een kat. - blind als een kip.
- doof als een kwartel. - mager als een hout. - moe als een hond ('t geen zeker iemand in
verband bracht met zekere physiologische experimenten, die de honden gewoon zijn op straat
te verrichten). - zoo mooi als poes ....
waarvan de oorsprong vaak niet is op te sporen omdat er analogie ook onder loopt; zoo hoort
men algemeen bij alle mogelijke adiectiva: a l s d e d u i v e l ; ‘als de dood’ ook wel; kurieus
is 't fransche: curieux comme un pet.
Er zijn ook scherts-vergelijkingen onder. Zeker. - Vgl. Verdam, Geschied. Ned. Taal, 168. Vercoullie, Noord en Zuid VII, 2; vgl. VIII, 391. - Lauremberg, Scherzgedichte, ed. Neudrucke,
S. 113.
Taal en Letteren. Jaargang 2
336
visch-gerei, naai-gerei, eet-gerei, schuur-gerei, schrijf-gerei, wasch-gerei, drink-gerei,
1)
jacht-gerei .
Ook -b o e l en -r o m m e l marcheeren dien weg al op:
een verhuis-boel, klets-boel, klad-boel, smeer-boel, jan-boel, nut-boel, mestboel,
beeste-boel, wilde-boel, afzetters-boel, socialisten-boel;
een schoonmaak-rommel, kinder-rommel, ploerte-rommel, gauwdieve-rommel,
dominees-rommel.
Daar duiden -b o e l en -r o m m e l , evenals g e - in g e broeders, een ‘verzameling’
aan: een b i j beteekenis waar men meer en meer nadruk op gelegd heeft, en die
daardoor de hoofdbeteekenis van 't vormsel is geworden.
Zoo is 't ook met p a k , dat op zichzelf al een collectie aangeeft:
bedel-pak, boere-pak, dieve-pak, etc.
En -man is ook dien weg opgegaan, in:
buitenman, bosman, veldman, beekman, rietman, koopman, zeeman, landman,
bergman, waterman, krijgsman, oranje-man, prinseman; boekeman, taalman (die
veel boeken, van taal houdt, er in, of aan, doet); hij is geen rijst-man, boone-man,
thee-man - zelfs van vrouwen gebruikt -, Deventers-man, wonder-man; - Janneman,
Jamman! Koosman! (van vrouwen zelfs).
Naar analogie staat het in ‘visscherman’. Dit hoort men in den zin vaak van
‘visscherschuit’, evenals een N o o r -m a n ; ‘die E n g e l s c h m a n heeft het van
2)
nacht hard te verantwoorden gehad’ (W. Buning); de b e u r t -m a n op de Lemmer.
Op dezelfde manier vormt men met -mensch samenstellingen: een echt
bosch-mensch, buiten-menschen; een watermensch (die veel van 't water houdt),
thee-mensch, wonder-mensch, enz.
Zoo ook in Friesland het woord ‘o m (ke), oom’, waarmee trouwens overal in
Nederland, en vooral in de Transvaal, vaak vreemden door kinderen aangesproken
3)
worden: Jan-om, Kees-om, etc.; vgl. nog heeroom . In 't noorden gebruikt men ook
in samenstelling het woord s k û t e (holl. schuit): b a b b e l -s k û t e , r o f f e l -s k û t e ,
voor een vrouw, die veel babbelt; en zoo in Zwol en Meppel: ‘l o o p s k ú t e ’ van een
vrouw, die veel uitloopt.
1)
2)
3)
Verdam, Geschied. der Ned. Taal, blz. 77. - Beckering Vinckers, Taal en taalstudie, I, 392.
Vgl. engl. a m a n of w a r .
Vgl. v a a r en m o e r algemeen in vroeger tijd; zie hier voor bl. 262, en o.m. Woordenlijst
Jan Klaesz.
Taal en Letteren. Jaargang 2
337
In: ‘nee, jongelief, dat gaat híer zoo niet, je moet liever maar weggaan’, is ‘jongelief’
1)
vrij wel synoniem met ‘jongetje’; let maar op meisjelief, moederlief, vaderlief ,
2)
tantelief, (en zelfs maatjelief) , en vergelijk die met tantetje, en moedertje, en vadertje,
en maatje.
In origine is 't natuurlijk het adjectief postpositum; wat manier van constructie
genoeg uit het ‘Wilhelmus’ bekend is. Zij zijn min of meer nog ‘liefkozings-woorden’,
maar dat zijn die op -je, het verkleinsuffix, ook; en in ‘jongelief’, b.v. in den
aangehaalden zin, is die liefkozing wel niet bizonder groot meer.
Dit -lief wordt een nieuw verkleinings-suffix.
In al die samenstellingen toch zijn de deelen, waar ik 't over had, van zelfstandige
woorden, op weg naar de p r a e - of s u f f i x e n , d.w.z. men gaat ze alleen als
aanhangsels voor of achter, ergens bij plaatsen om de beteekenis te wijzigen van
dat hoofdwoord; vooral, als men naar 't voorbeeld van een paar, die vormsels ook
daar zet, waar ze op zichzelf eigenlijk niet kunnen bijgevoegd, dan worden het vooren achtervoegsels.
Hun verband met het enkel-woord wordt nog wel gevoeld; zoo bij die met -v o l
3)
en -r i j k zijn gevormd . Maar bij -r i j k valt al op te merken, dat het in vele gevallen
als -r i k met toonlooze i (fonetisch rək) wordt uitgesproken; dit toonloos worden
wijst er op, hoe 't verband met het enkelwoord, het adjectief ‘rijk’ los raakt, in die
woorden natuurlijk, die in de algemeene spreektaal 't meest gebruikt worden.
Zoodra ze dus vormsels worden, wordt het verband met het enkelwoord slapper
en wordt er analogie-formatie. Een merkwaardige vindt men in m o e d e r n a a k t ,
dat natuurlijk niet is: naakt als een moeder, en evenmin: naakt zooals men van de
moeder komt; en in m o e d e r z i e l -a l l e e n (-i g ), en andere. Wat ze zeggen willen,
is duidelijk. Waar ze naar gevormd zijn? Dat kan ik niet aangeven. Want: vaak gaat
de eerste vorming verloren.
Dit lijkt mij ook het geval bij s t e k e -b l i n d ; waarbij vroeger nog
1)
2)
3)
Ook de naam van een soort muts geworden. Een mooi voorbeeld van beteekenisovergang;
vgl. z u i d -w e s t e r .
Vgl. drup-pel-tje.
Verdam, Geschied. Ned. Taal, blz. 77 somt op: zin-rijk, zaak-rijk, troost-rijk, liefderijk (liéfdrik)
klankrijk, roemrijk, schaduwrijk, talrijk (talrik) nvloèdríjk(!) r dĕríjk, volkrijk (volkrik) woorděríjk.
eer-vol, hoop-vol, zorg-vol, roem-vol, liefde-vol. - Vgl. v o l - als voorvoegsel ook!
Vgl. ook w a a r d i g : geloof-, achtens-, lof-, eer-, eerbied-, prijzens-, beminnens-waardig.
Taal en Letteren. Jaargang 2
338
te voegen waren: steke-zot, puur-steke-zot, steke-vet, steke-vol. Waar zijn deze
1)
naar gevormd?
Nu voelen we nog nu en dan verband tusschen s t o k -d o o f en
m o e d e r z i e l -a l l e e n b.v., en de enkel-woorden. 't Bewijs? Wel, zelfs een leek,
die zijn aandacht er op gericht wordt, probeert die, in hun verband met mekaar te
verklaren, vandaar die mooie ophelderingen van de laatste, b.v.: zoo alleen als bij
je geboorte.
26. Maar er zijn ook prae- en suffixen, waar men in 't geheel geen verband meer
gevoelt, zij hebben zich totaal gescheiden van hun enkelwoorden; zij zijn
woordvormsels geworden; het enkelwoord wijzigde zijn beteekenis, of vaak verdween
het zelfs geheel.
Bij ‘beren, dragen’ hoort, behalve de substantieven, (lijk-)b a a r , b e r r i e , ook
2)
b a a r . Dit tot suffix geworden adjectief is goed op z'n plaats in ‘vrucht-baar’. De
beteekenis ging van ‘dragend’ over in ‘kunnende dragen’, dat er ook in opgesloten
3)
lag ; daarna algemeener in ‘wat kan ....’, en toen kon men een woord als ‘draag-baar’
vormen; men hoort (en schrijft) het vaak al als ‘-ber, -bre’, wat te vergelijken is met
‘-rik’.
Zoo is -s c h a p nog bewaard in 't adjectief s c h a p p e l i j k ; 't engelsch kent nog
het substantief afzonderlijk: ‘shape’, maat, vorm, patroon, manier. Deze
beteekenissen zijn in ‘schappelijk’ nog voelbaar; ook nog in 't suffix -schap?
Zoo langzamerhand wordt -rijk nu toonloos, al lang is dit -l i k , - wel nog -l i j k ,
4)
maar ten onrechte geschreven . - Dit is een zuiver
1)
2)
3)
4)
Van Helten, Taal- en Letterbode, V, 237, brengt ze etymologisch met ‘stok’, en ‘stik’, en ‘stek’
in verband. Ik betwijfel de juistheid van deze onderlinge samenhang.
Vgl. oudhoogd. b â r i , mhd. b a e r e , nog als adjectief.
Dat een woord -b a a r eerst ‘d r a g e n d e ’, en dan door ontwikkeling van een bij beteekenis
ook: ‘k u n n e n d e d r a g e n ’ gaat beteekenen, daar heeft niemand wat tegen. Maar waarom
keurt men dan b r e k e n d e w a a r , (o n )r o e r e n d g o e d e.a. af? - is daar de wijziging
van beteekenis een andere? Ik kom bij de Beteekenis-leer er op terug.
Ook hierbij is waar wat ik op blz. 315 en 351 schreef: d o o r d e h e d e n d a a g s c h e
t a a l t e b e k i j k e n , te zien hoe die is; hoe die nu leeft, en onder je oogen verandert, eerst
dan kan het vroegere verklaard en opgehelderd, de vroegere historie er van begrepen.
Deze beteekenissen, die er bij-in-begrepen zijn, kan men vergelijken met de glides of
gliding-vowels in de uitspraak, die ook de hoofdklank de baas kunnen worden, vgl. hiervoor
Cosijn, blz. 237; en het friesch, b.v. kéal (kalf), pluralis kiéllen; héal (half), subst. hiélte (helft).
Om de beteekenis en etymologie is dit toch niet noodig; vgl. Frederik, waarom dan? Vgl.?
L.A. te Winkel, Leerboek der Ned. Spelling, blz. 110: l i j k , ohd. l i h .
Taal en Letteren. Jaargang 2
339
suffix, wie spreekt er nog -l i j k uit? 't Heeft zich afgezonderd van het substantief
1)
lijk , dat ook in gewijzigde beteekenis ‘gestorven wezen’ nog bestaat en dat met
korte i nog in ‘l i k -doorn’, en ‘l i t -teeken’, en ‘l i c -haam’ kan herkend, als 't moet.
Maar bij 't suffix is - even als bij elk woord dat w o o r d v o r m s e l wordt - de
beteekenis sterk verruimd.
Komt dit -l i j k ook voor in ‘huwelijk’? Maar dit is een substantief? Nu, er zijn wel
meer adjectieven substantief geworden. Maar is 't een adjectief, en op -lijk, hoe dan
de beteekenis te verklaren?
't Is wat anders. 't Is een mooi woord om een taalkundig verschijnsel, waar ik later
2)
opmerkzaam op maken moet, te demonstreeren .
In het middelnederlandsch bestond waarschijnlijk al niet meer zelfstandig het
woord -l e e c , dat als laatste lid voorkomt in twee woorden v e c h t e l e e c en
3)
h u w e l e e c . 't Was oorspronkelijk een substantief: ‘leek’ = spel, dans. Het
voornaamste deel, voor 't geheel, duidde men er mee aan. Weldra was 't niet meer
4)
dan: huwelijks-, vecht-f e e s t . Het werd een begrip, waarbij niet meer aan ‘feesten’,
maar alleen aan 't essentieele = huwen, gedacht werd. N u is ‘vechteleec’ verloren
gegaan; maar ‘huweleec’ is bewaard; alleen werd -‘leec’ in ‘l i k ’ (geschreven -lijk)
5)
gewijzigd . Het laatste dat veel gewoner was, en tallooze malen voorkwam, zat veel
vaster in 't geheugen, en verving gemakkelijk derhalve het andere.
27. Hier is dus ten gevolge van analogie de eene uitgang door een ander
vervangen. Daardoor is 't vaak moeilijk te zeggen of in een bizonder geval het woord
een oude samenstelling, dan wel een afleiding is.
Zoo is niet uit te maken of l e i d s e l uit ‘leid + sel’, het suffix, bestaat, dan of het
samengesteld is uit ‘leid + seel’, het touw om te sturen.
In dit laatste geval staat het gelijk met w e r e l d uit ‘wer + alt’,
1)
2)
3)
4)
5)
Gotisch ‘l e i k ’(n) = vleesch, lijf, lichaam. - Waíraleiks = man-lijk, mannelijk lichaam hebbend.
Zie beneden, blz. 356/7.
Got. l a i k s = dans, angelsaks. l â c , (neutr.) = spel, kamp.
Vgl. spel in de M.E. steekspel, tournooispel.
Voor de beteekenis kan engl. ‘bridal’ = bruiloft vergeleken; eig. b r i d e -a l e
(ags-b r ŷ d -e a l o ), bruidsbier. Het huwelijk werd èn met zang en dans èn met de noodige
dronken gevierd. Vgl. bij het laatste brŷdealo de Drentsche kraambieren, waarover Drentsche
volksalmanak, 1832(?) - J. Scheltema, Over vrijen en trouwen, waar de meedeelingen over
de Geldersche Graafschap in van Staring zijn. - En het duitsche ‘kindelbier’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
340
eig. mensche-leeftijd; en met R o e l o f s e n , uit ‘Roelofsoon’, vgl. ook w i m p e r ,
1)
dat uit wenkbrauw is ontstaan .
Tot dit soort hooren ook de plaatsnamen op -um; thans is 't een toonlooze uitgang;
2)
oorspronkelijk een substantief ‘heim’ . Nog in Arnhem, meest als Arn of Aar
uitgesproken, heeft het een voller vorm; in Dokkum, Gorkum e.a., de onherkenbare.
Maar ook hier zijn analogie-formaties. Het toonlooze -um, dat men evengoed -em
kon schrijven - en zoo werd 't vaak geschreven - ging wel in -en over; b.v. Harlingen,
en de eigennaam ‘van Eeghen’, naast een evenoud H a r l i n g u m , en van E e g h e m
(een plaatsje in Vlaanderen); en omgekeerd maakte men van een uitgang -en, van
een geheel anderen oorsprong, -em, -um. Ik bedoel niet alleen in schrift, maar
3)
allereerst in uitspraak .
Men voelt deze soort samenstellingen geheel als enkel-woord. Nu kan 't gebeuren
dat men achter zoo'n woord een ander weer voegt, waar de beteekenis nog helder
van was. Ik herinner me alleen ‘Ezon-stad’, welbekend; 't zou gelegen hebben aan
4)
de Lauwes-ee ; in de buurt waar nog de Ezumer-zijlen zijn.
Met -g o m , dat ‘man’ beteekende, heeft men de samenstelling bruidegom,
brui-gom. Dit is ook een enkel-woord geworden, men kent -gom niet meer, weet
5)
niet meer wat het beteekent . In 't Friesch zou 't met de gewone klankovergang
luiden als b r e i g , (geschreven als breigim, -em, -um); men heeft er evenwel nog
6)
-m a n achtergevoegd ;
1)
2)
3)
4)
5)
6)
Vgl. ook lat. q u î < quoi = quo (wie) + î, aanwijzend partikeltje, en s u b uit *(e)x-ub, Brugmann,
Grundriss-Indogerm. Gramm., II, 1, § 2. - Lees ook de etymologische hypothese omtrent
woorden als nest, vorst, hooren, toonen na bij Franck; om iemand wat kijk te geven op den
aard der taalverandering, zie omtrent woorden als sidderen, beven of deed, hield, waarin
men zonder zuivere etymologie de qualiteit der klanken geheel verkeerd zou beoordeelen.
Vgl. nog 't friesche ‘hiem’; 't frankische h e e m -raad.
Onze aardrijkskundigen mogen derhalve wel een beetje voorzichtig wezen met alle -um's van
tegenwoordig uit -heim te verklaren. - Vgl. een analoog geval met -ida dat -ēde, -hede werd,
en dat met -heid dooreenliep; Franck, Zs. f.D. Altert. XXV, 45.
En de samenstellingen op -wolf, rik. Verdam, Geschied. 130/1. Vgl. ook bliksem-d r i g h naar
v a a n d r i g , van Helten, Vondels Taal I, § 77.
Zie Mr. Andreae, Vrije Fries XIV, 224; en de literatuur daar.
Het kwam in 't oudsaksisch en gotisch nog zelfstandig voor: gumo, guma. Dat het in de
germaansche dialecten tot een achtervoegsel was geworden, maar zonder vormkracht, blijkt
uit de verschillende vormen: engl. bridegroom; in andere beteekenis wordt ‘groom’ nog
afzonderlijk gebruikt; hd. bräutigam, mhd. brutegome, ohd. brûtigomo.
Ook het oudhoogd. heeft gomman = gom + man in de gespecificeerde beteekenis echter van:
o
echtgenoot. Dat in brei-g e m a n de oude vorm van ‘gom’ zou zitten, is onmogelijk omdat 1 .
o
gom-, het accent had, 2 . de stam ‘goman’ niet anders bestaat dan als abstractie; zie blz.
357.
Taal en Letteren. Jaargang 2
341
en spreekt thans van b r e i g e m a n (uit breigemman); in de steden van ‘bruggeman’,
in het bekende liedje van: Koekuut ‖ De broek uut ‖ De rok an, ‖ Kokuut is de
1)
bruggeman! ; in Overijsel van ‘brugeman’, in Meppel van ‘breugeman’.
28. Die bijvoeging van zoo'n tweede woord gebeurt nog gauwer, als er een heele
reeks samenstellingen zijn, en men er niet meer op die manier vormt. Zóo die in
vroeger tijd met -h a n d e en -l e i . In 't middelnederlandsch al was b.v. ‘eenre-hande’
2)
‘vaak niet veel meer dan het onbepaalde lidw. een’ ; ‘-hande’ had dus zijn beteekenis
vrij wel verloren.
Dat blijkt ook mooi uit den titel van het bekende belangrijke Antwerper Lietboeck
e
(4 ? druk, 1544), die eindigt met: ‘híer sijn noch toe ghedaen Meer dan
v e e r t i c h d e r h a n d e nyewe liedekens die in gheen ander liedekens boecken en
staen. Hier achter aen veruolghende.’ Het zijn er ruim 40.
Van-zelfs voegt men dan - en terecht - er het woord ‘soort’ achter; te eerder deed
men dit, omdat veel van die samenstellingen een geheel andere beteekenis kregen:
eenrehande b.v. werd soms zoowat gelijk aan ‘zonderling’, in 't middelnederlandsch.
- En zoo spreken wij - men doet het trouwens allang - van: allerhande soort van
vreemde dieren; evenzoo: ‘allerlei soort van menschen’, enz. Natuurlijk zijn er die
dit afkeuren, die de oude beteekenis in -h a n d e en -l e i weer willen inleggen;
diezelfde deskundigen beweren anders dat het g e b r u i k , níet wat het woord
oorspronkelijk voor beteekenis had, moet beslissen hoe wij 't nu zullen aanwenden,
en in welke vorm. Terecht. Want hoever moeten we anders terug om die
oorspronkelijke beteekenis? Tot het middelnederlandsch? - Dan zijn ze bij -hande
al op verkeerd spoor. - Tot het oudgermaansch? Of nog verder? En wat is de
3)
oorspronkelijke beteekenis?! En diezelfden spreken nooit tegen ‘(haze-)wind-hond’,
‘winkel-haak’, ‘heerleger’, ‘rommel-zoo’, ‘lint-worm’, dat met ‘lint’ nú,
volksetymologisch in verband wordt gebracht; en dus nú ook zoo moet opgevat, wil
men niet de taal verkeerd leeren bezien! Daarom ook
1)
2)
3)
Zoo ook Johan Winkler, Friesche Volksalmanak 1887, blz. 55.
Verdam, Wdb. II, 545, i.v.; III, 70, staan tal van samenstellingen met -h a n d e n .
Zie daarover beneden meer, blz. 355, vv.
Taal en Letteren. Jaargang 2
342
is - dit hier terloops - het kennen van de volksetymologie meest van meer waarde
1)
dan het weten der wetenschappelijke etymologie.
29. Het oorspronkelijk samengestelde woord werd tot een enkel-woord. Zoo is 't
ook met de woordjes t e n en t e r . Oorspronkelijk was dit een samenstelling uit t e
+ d e n , en t e + d e r ; men voelde ze al gauw niet meer als samenstelling, maar
puur als nevenvormen naast te. Mocht men in ‘ten huize’ nog min of meer het
lidwoordelijk bepaalde meenen op te merken, in: t e n u w e n h u i z e , t e n
h u n n e n h u i z e al niet meer; evenmin als in t e r u w e r v e r j a r i n g . Dan komt
2)
er analogie en daarom staat het nu zóo met het gebruik: wie nog t e , t e n en t e r
wil gebruiken - meestal wordt dit verband uitgedrukt door tot, voor, bij, aan, in, etc.:
het is tot uw dienst, zal bij u a a n huis worden bezorgd, bij hem aankomen, in
Amsterdam wonen, etc. - maar wie 't dan nu toch gebruikt, moet zich herinneren
dat als het volgend er bij hoorend woord op -en uitgaat, er ‘t e n ’, wanneer 't -e r is,
3)
er ‘t e r ’ voorstaat: t e n uwen, hunnen gerieve, t e r dezer gelegenheid, enz. .
't Spreekt bijna van-zelfs dat dit foutief wordt genoemd; 't heeft echter alle recht
4)
van bestaan , evengoed als honderde analogie-for-maties, die de afkeurder mogelijk
alleen billijkt omdat hij ze als zoodanig niet kent.
1)
2)
3)
4)
Vgl. om uwent-w i l l e ; te zeewort = zee, eig. zeewaarts, bij Huygens, e.a. en daarnaast weer:
te zeewort an = ons zeewaarts; ‘daerom omtrent’ bij Huygens, Eymael Zedeprinten, blz. 55,
nog hier en daar in gebruik.
Zie ook hiervoor, blz. 317, noot 3; en V e r d a m , Geschiedenis Ned. Taal.
Ook ‘in lichte laaie vlam’ hoort betrekkelijk hier bij. Te eerder werd ‘vlam’ er bij gezet, omdat
‘laaie’ eigenlijk. een dialect-woord is; tháns is ‘laaie’ a d j e c t i e f .
Reeds is het middelnederlandsch passim; vgl. van Helten, Middelned. Spraakk. § 345; 373,
Opm. 2.
Uit ‘ter harte, ter oore’ mag men niet afleiden dat ‘harte’ en ‘oore’ vrouwelijk geweest zijn, als
men geen ander bewijs heeft; daar kan naar analogie ‘ter’ voor gezet zijn, evenals bij ‘vlug
ter been’, ‘ter wille van’, ‘ter loops’, ‘t e n guns t e van’.
Zie al van Helten, § 208.
't Is net zoo een als ‘om den broode’, o m zal toch wel altijd een accusatief gehad hebben?
Of dat men zegt: hij is viermaal zoo klein als die daar; naar 't model van ‘hij is viermaal zoo
groot als A’.
Men kan toch oorspronkelijk niet zeggen van: zoo klein als A, en dan een rest die nog eens
zoo klein is als A, en dan nog een tweede rest enz.
Zooals men wel zeggen kan: ‘A is zoo groot als B., met nog een rest; die rest is weer zoo
e
e
groot als B met nog een 2 rest; díe is weer zoo groot met nog een 3 rest, en dié is juist
weer zoo groot als B ook is’ [aldus verklaard ons toegezonden door den heer van Thiel te
Purmerend]
Men moet dus van dit laatste uitgaan om de verklaring van het eerste te vinden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
343
Waar zou 't heen met onze tegenwoordige taal, wat bleef er van over; ja, van alle
taal, in welke periode ook, als men de analogiën er eens allemaal uitzifte? Gesteld
dat dit kon.
1)
Meer nog. Het is taalkundig juist . Zonder analogie bestaat geen taal, kan geen
taal bestaan: ik heb daar in 't begin al op gewezen dat analogie schering en inslag
2)
is . Sterker nog. Analogie is de levende vormkracht in elke taal; alle taalkunde, die
dit negeert, is uit den booze!
30. Tot de woordvorming hoort ook de buiging en de vervoeging.
Ook flectie ontstaat uit het syntactisch verband. Een woord komt permanent mét
andere voor om de een of andere verhouding tusschen de woorden aan te geven,
het wordt als -boel, -baar, -rijk, -lijk, suffix, maar speciaal om zeker verband aan te
wijzen.
Zoo voegen wij nu in syntactisch verband het pron. poss. ‘z i j n ’, (fonetisch zən,
3)
sən) achter het bepalende woord, om den bezitter aan te duiden.
Je hebt verteld dat we een koetsier z i j n paard hebben gestolen (Brouwer). - op
een beest zijn overleg (Schoolmeester). - Vandaar dat Hein zoo dol van Dirk zijn
poëzie houdt (Helv. van den Bergh). - Loots zijn gedichten (Beets). - ‘Cats zijn
4)
gedichten’ . - Wie zijn hoed is dat? - Die zijn hoed! - Verwijs zijn Bloemlezing. - De
éen zijn dood is d'(den) ander zijn brood.
Ongetwijfeld is dit ontstaan uit zinnen als: geef Piet zijn hoed aan; laat de moeder
haar kind zelf zoogen, dat kwam omdat God zulke menschen hun (het) verstand
benevelde; díe schendt zijn neus, - zí n neús? - neen, - D e zíjn neùs dan?
En toen ging 't er mee als met ‘alles behalve’, ‘hand vol’, enz.
1)
2)
3)
4)
e
o
Volgens Jacobs-Koenen (l d r u k , 1892!) § 566, 4 . kunnen ze alleen verdedigd ‘op grond
van de welluidendheid;’ maar zijn ze ‘taalkundig onjuist’ § 619.
Blz. 316, 319, enz.
o
Van deze vorming vind ik in Jacobs-Koenen § 142, 5 , de verklaring: ‘de bezitter, wanneer
deze de derde persoon is, (wordt) buiten de volzin genoemd: Jan zijn boek is weg, onze
moeder haar huis is afgebrand’!!
In aanmerking komt zeker bij deze vorming wat van Helten, Vondels Taal II, bl. 151,
veronderstelt.
Te eerder moet daar ‘zijn’ gebruikt om de vele s'es in den zin. Ook omdat ‘Cats’ al op -s
eindigt, en om 't rythmus; - ‘monosyllaba en oxytona op -s laten geen andere constructie toe;
men zegt wel “Toll e n s ' gedichten”, maar “Cats zijn gedichten”, “de Vríes zijn Woordenboek”;
niet “Cats' gedichten”, dit is taal voor het oog, niet voor het gehoor; Cats' gedichten zou ook
homoniem wezen met Cat's gedichten, dus onduidelijk,’ (Cosijn).
Taal en Letteren. Jaargang 2
344
In 't vrouwelijk is het natuurlijk h a a r ; 'r, of d'r (fonetisch ər, dər).
Evenals in de pluralis:
zij gingen voor de lui der bed staan (Beets). - Zij namen der-lui d e r wapens af.
Het wordt al meer en meer suffix; wat is 't in ‘Anna-der japon’, ‘moeder 'r muts’,
anders dan een uitdrukking van het genitief verband?
In 't Vlamingsche land gebruiken ze deze vorming ook, maar daar luidt die
geregeld: ‘sen’ ‘s'n’: wie s e n boek is dat? den deen s e n boek; en wordt dit naar
1)
analogie ook bij vrouwelijke woorden geplaatst ; moeder s e n boek, 't is daar als
formule geworden, als bij ons: wij met z'n achten.
31. Maar flectie kan ook nog op andere manier worden. Lang al gebruikte men,
2)
even goed als nu, het adjectief op -lijk om eenzelfde verband aan te duiden : de
koninklijke stallen (= de stallen van den koning), - de stedelijke raad; stedelijk
museum; stedelijk archivaris.
Voor het taalgevoel is s t e d e l i j k , k o n i n k l i j k , etc. nu de tweede naamval bij
s t a d , k o n i n g . Men moet er aan denken dat voor het taalgevoel geen spraakleer
bestaat; op de vraag: hoe zou je ‘de inkomsten van de stad’ anders kuunen zeggen?
zal men ten antwoord krijgen: ‘de stedelijke inkomsten’, evenvaak, zoo niet vaker
als de stadsinkomsten; vraagt men evenwel - maar dan moet het aan een
hedendaagsche ‘erudit’, een ontwikkelde wezen - wat is de genitief van ‘stad’? dan
twijfel ik sterk of hij wel ooit ‘stedelijk’ zal noemen - en toch was dit eigenlijk
grammaticaal juist.
Op deze wijze wordt - met de voorzetsels - de genitief meestal uitgedrukt.
Zoo ontstaat in onze taal, die zoo goed als deflectief is geworden, weer een
flectie-vorm - in 't nederlandsch is 't eigenaardig de genitief.
Zoo ontstaat elke flectie; zoo werd ze ook in vroeger tijd.
32. Van die vroegere vormingen is er nog een bewaard: een heel oude. Alleen, zoo
iets blijft meest in bepaalde constructies, soms fungeert die heel afzonderlijk.
We spreken in den regel van:
ooms jas. - vaders hoed. - mans hand boven. - keizer Karels hond.
1)
2)
Vgl. Vercoullie, Schets Histor. Spraakleer, blz. 49, 2.
Zie hiervoor blz. 299.
Taal en Letteren. Jaargang 2
345
1)
Maar beperken deze -s niet tot de masculina meer, en zeggen ook:
ondank is 's werelds loon. - 's werelds goed is eb en vloed. - tantes hoededoos. mijn goeie moeders graf. - zijn(er) majesteits onderdanen.
Evengoed als:
een rijkelui's wensch. - ‘rijkelui's ziekten en armelui's pannekoeken stinken ver’.
- ‘armelui's wenschen en behoeften, maar niet plichten’. - allemans vriend. - een
anders gedrag. - wies hoed is dat? - de dieës.
Deze praeposiete genitief op -s komt het meest voor bij woorden, die min of meer
het karakter van eigennamen krijgen; zij bleef in een bepaald verband alleen
bewaard.
Dan staat de s nog bij woorden, die achter veel, weinig, ‘wat, wat voor’, enz.
2)
staan :
hij heeft wat kortafs in z'n doen en laten. - wat gewichtigs had die te zeggen. niet veel bizonders. - wel wat grappigs.
Het lijkt er op of deze s zich in verloop van tijd tot deze beide gevallen zal bepalen.
33. Diezelfde s mogelijk is het die sedert lang al adverbia vormt; nú is die een
3)
speciale adverbium-uitgang geworden . Men voelde dàn in 't syntaxiaal verband
deze gevallen niet meer als genitief; het werd een uitgang om een andere verhouding
aan te geven.
Men voelt nu nog minder als 't kon, den genitief. 't Is daarom dan ook geraden
4)
om hier niet meer van een genitief s te spreken .
34. Dan dient een suffix s nog tot pluraalvorming; meer dan ooit.
tantes, beloftes, lentes, getuiges, bediendes, de bodes van 't stadhuis, groentes,
vredes, (land)vredes.
Ja, als regel kan men zeggen: zoo goed als alle woorden van meer
1)
2)
3)
4)
De zwakke genitief op en komt sedert lang al, veel minder voor, vgl. de samenstellingen naast
des heeren, o.m. ‘onze-lieveheers-beestje’; enz. Meest worden ze omschreven met ‘zen’: De
gastheer z'n verlangen, naar meneer z'n zeggen .. etc.
Het middelned. had veel meer zwakke genitieven, vgl. van Helten, Mndl. Spr. § 278-289. En
voor de proposiete genitief op s: van Helten, Vondels Taal I, bl. 59, vv.; II 138, vv.
De voorgaande bijbehoorende woorden blijven meest onverbogen; vgl. ook keizer Karel's
hond; al bij Rodenburg, zie Taal en Letteren, II, 32; en Vondel, enz.
Dit soort verband wordt vaak, bij substantieven, door ‘van’ aangegeven: wat van gewicht.
Of in 't geheel niet meer aangeduid: wat brood, wat wijn. Evenals ‘een glas goeie wijn’; een
menigte menschen. Ook kan bij menigte ‘van’ komen; bij ‘klasse’ gebeurt dit meestal: de een
of andere klasse v a n menschen. Vgl. de stad Rome, en ‘de stad van Rome’.
Dat er reeds van ouds, d.w.z. zoover we terug kunnen nasporen, een adverbiale s bestaan
heeft; vgl. Brugmann, II, 2, blz 582, 590, 700/1, 703.
Evenmin als bij: onverricht e r zake, oude r wets c h (!), langzame r hand, middele r wijl, etc.
Taal en Letteren. Jaargang 2
346
dan éen lettergreep op -e, vooral die in de dagelijksche spreektaal gebruikt worden,
krijgen s.
Men moet er dan echter aan denken, dat woorden als ‘arme’, ‘rijke’, substantivé
in de spreektaal niet voorkomen i n d e s i n g u l a r i s ; dan zegt men: een arme
kerel, vent, een slimmert, of zoo iets. Hier is dan de vraag naar 't meervoud van
‘arme kerel’: en dat is óok ‘armen’.
35. Zijn er nog meer suffixen, die n o g leven, n o g woorden vormen en verhoudingen
aangeven? Daar is -e n .
1)
Dat vormt b.v. de pluralis van nomina :
mensch, mensche n ; glas, glaze n ; enz.
En de pluralis van verbaaltijden:
wij, zij, loope n ; ginge n ; dede n .
En den infinitief; en hierbij zijn tal van nieuwe:
boteren, kazen, zouten, tuinen, oogsten, rijpen, rotten, dansen, reizen, tafelen,
huizen, luchten, mazen, spitten, kelen, boeien, stranden, sporen, societeiten, kaken
(in de kaak = ton, doen), openen, maskeren, blozen, mevrouwen (van Effen al),
jufferen, docteren, jijën en jouwen, lievemoederen, blauwbekken, kalegezichten,
rentenieren, tuinieren, judassen, jonassen, Siegebeeken, schokschouderen. - hoor
die krekel eens krekelen; parelen, schaven, inkwartieren.
mijnen, afmijnen.
innen (belastingen), uiten (woorden, kreten), naderen, vorderen, opperen.
maaren, azzen (alzen) en wanneeren, mitsen.
Hoeveel analogie-formaties zijn hier wel niet bij.
Men kan niet in 't algemeen aangeven hoe de beteekenis van 't verbum zich tot
die van de grondwoorden verhoudt; ‘maskeren’ staat anders naast ‘masker’ als
‘kaken’ tot ‘kaak’; en ‘boteren’ tot ‘boter’; of ‘societeiten’ tot ‘societeit’, of ‘winkelen’
tot ‘tafelen’; ‘looden’ (peilen, met lood beslaan) tot ‘rentenieren’; ‘blauwbekken’ tot
2)
‘judassen’, of ‘lievemoederen’ tot ‘jijën’ en ‘jouwen’ ; ‘biljarten’ tot ‘keuen’; ‘sporen’
tot ‘kaken’. - -
1)
2)
Een suffix -en staat ook nog in uitdrukkingen als: in koelen bloede. Deze vorming is echter
verouderd. Het zijn staande uitdrukkingen, archaïsmen. Dit suffix alleen dus pro memorie
vermeld. Over het ingelaschte -en-, als 't voorkomt, hiervoor, blz. 328, en noot.
Vgl. vooral van Helten § 332; die in 't algemeen ze in 10 groepen karakteriseert. Maar wordt
bij ‘visschen’ en ‘peilen’ gelijkelijk de verhouding tot het grondwoord gepreciseerd door: ‘het
streven naar, het bereiken, verkrijgen van de door 't grondwoord genoemde zelfstandigheid?’
Taal en Letteren. Jaargang 2
347
De afkomst van dit -en is zeer verschillend, wat er echter weinig toe doet; niemand
voelt het verschil meer, feitelijk ís 't er ook niet meer.
36. Enkele verba heet men nog causatieven. Dat is mis. Ze w a r e n 't; maar wat
voor causatiefs zit er nú nog in ‘zoogen’ tegenover ‘zuigen’, - 't is toch niet ‘doen’ of
‘laten zuigen’ meer? - ‘voeren’ tegenover ‘varen’; ‘leiden’ tegenover ‘lijden’; of
‘wenden’ tegenover winden’, en ‘zengen’ tegenover ‘zingen’? Hun beteekenis is
gewijzigd, soms heel sterk; 't zijn gewone altijd-transitieve verba geworden. Hun
etymologie is alleen thuis in een etymologisch woordenboek.
Maar daarom bestaat er vanzelfs nog wel wat causatiefs. Wil men dat nú
uitdrukken, dan doet men dit door de causatieve hulpwerkwoorden d o e n en l a t e n .
Natuurlijk, in een deflectieve taal vormt men zoo iets niet meer door uitgangen, maar
door omschrijving. En soms is zelfs die omschrijving niet eens noodig; maar gebruikt
ze gewoon weg causatief alias transitief, òf intransitief: draaien, storten, leeren.
37. Zoo heeten er ook nog wat intensieven: maar wat voor intensiefs heeft nú
1)
‘nikken’ tegenover ‘neigen’, of ‘bukken’ tegenover ‘buigen’? - Ook die beteekenis
is gewijzigd. Maar dat hoort in het Etymologicon.
Nú vormt men het intensieve, zoo noodig, door de hulpwerkwoorden l i g g e n en
z i t t e n ; dit laatste is krachtiger, intenser dan 't andere nog:
l i g niet te leuteren. - In school, waar men 't hoogstens tot ‘zitten’, niet
tot ‘liggen’ brengt: z i t niet te praten. - dat l e i t me daar de
godganschelijke dag niks te doen. - Een schoenlapper had 2 uur zitten
lappen op 'n eenvoudig karweitje. - Heb-jij een heelen avond op die les
zitten leeren? Ik heb er ten minsten wel drie uur op gezeten.
Ook deze zijn dus gewone formaties met -en.
e
38. Een ander oud suffix, dat veel gebruikt wordt, ‘t’, vormt de 2 pers. enkel- en
meerv. van den tegenw. tijd:
jij, jullie, u schreeuwt, jammert, enz.
e
Maar ook de 3 sing.:
dat klaagt, jammert, lamenteert.
Vormt veel nieuwe:
wie piano-t er nu weer. - dat hoera-t maar.
Dichters in poëzie en in proza maken ze vaak, dat is hun recht;
1)
Van Helten geeft dan ook geen intensieven en geen causatieven op; de laatste rekent hij bij
de denominatieven; daar zijn de grondwoorden evenwel vaak van weg; zie hierna, blz. 360,
vv.
Taal en Letteren. Jaargang 2
348
ook al zijn de vormingen van sommige grondwoorden niet in de mode, van
voorzetsels b.v.; wat niet is, kan worden. En bovendien, al staat zoo'n vorming
geheel op zichzelf, die kan wel eens zoo goed wezen dat velen die napraten.
Natuurlijk is niet te zeggen, in hoeverre ze stuk voor stuk in de algemeene spreektaal
1)
komen . Maar tegen de vorming zelf is niets te zeggen: het zijn analoga; en er zijn
analoga.
't avondt, 't morgent (Piet Paaltjes); 't zont, 't paarlmoert (Couperus); 't gedruisch
omt om hem heen (Couperus);
van ‘om’, als ‘int belastingen’ van ‘in’; en ‘uitwoorden’ van ‘uit’.
2)
3)
Nog vindt men een -t, als -d vaak geschreven (onechte d , bij participia .
gestaald (eig. gestaalt), gemaskerd; het lichaam opgestijfd door de zilte lucht en
de stugge bries (van Nievelt).
Ook hier zijn nieuwe:
Wij hebben gepokt en gemazeld; getrompt en geruiterd (Busken Huet).
Met nog het praefix be-, ge- voor het woord, vormt men met -t, vaak weer als -d
geschreven, woorden als:
klein be-huis-d, hoog be-jaar-d, wit ge-das-t, ge-laars-d en ge-spoor-d,
gehandschoen-d, ge-machien-d, gebulhond (voor gebulhont).
39. 't Suffix -te, -de vormt verbogen participia:
ge-masker-de, ge-handschoen-de, de goudge-straal-de morgenzon (Bilderdijk),
goudbe-tinte wieken (Heye).
Maar ook verleden tijden, hoe langer hoe meer; vele sterke werkwoorden hebben
al een zwak verleden tijd; meer krijgen het.
schepte, hinnikte, lamenteerde, vrijde, bakte, hijgde.
Nieuwe formaties zijn er ook van nomina:
Een grijze damp... dofte 't blauw der hemelwanden. - Mijn hulk voortaan zon veilig
drijven, ‖ Tot ze eenmaal havende in het graf (Da Costa). - Daaromheen mierden
de menschen als kleine zwarte beestjes in kromme en rechte lijnen over de grond.
- In groote kringen cirkelde hij om hem. - Zijn schoenen knorrukten over de steenen.
- 't Rumoer omtalmde hem. - 't Nachtte boven de stad (van Deijssel). - Wolklachte
de vreugde.
Natuurlijk staat ‘paarlmoert’ anders tot ‘paarlmoer’ als ‘zont’ tot ‘zon’, en als
‘geruiterd’ tot ‘de Ruiter’. Maar dat is ook bij ‘maskeren’ en de andere zoo, daar ik
boven 't over had.
1)
2)
3)
Zie hierover, blz. 351.
Zie hiervoor blz. 277, 306.
Taalgids VIII, 33.
Taal en Letteren. Jaargang 2
349
De vorming met -t, -de (omt, omtalmde b.v.), vooronderstelt nog volstrekt niet dat
ook er een met -en (ommen, als inf., b.v.) moet wezen. Hier dient aan gedacht.
Met -de vormt men ook telwoorden als tiende, etc. Nieuwe formaties zijn hier niet.
Met -te substantiva van adjectiva; hoog-te, diep-te, koel-te, etc.
40. Een ander suffix, -e, vormt nevenvormen van het adjectief:
een goed zeil, een goeie kerel. - een flink schip, een ferme manier van aanpakken.
- in moeilijke omstandigheden, een moeielijk oogenblik.
1)
2)
een bij-de-hant-e jongen, een bij-de-hant ventje. - een sekke heer, vrouw, aas
(bij 't kaarten) uitspelen. - een toeë kachel. - een uit kacheltje, een uite haard, kaars.
- dat is geen raisonne zaak. - allerleie soort. - een misse boel, een mis boeltje. - een
foute som. - welke moet-je hebben? De dieë.
41. Een zooveelste suffix is -ig, dat meer in gebruik is dan achtig, vooral in zijn
nevenvorm -erig. Hier maar een enkel voorbeeld, nieuwvorming; de oude met min
of meer sterk gewijzigde beteekenis zijn bekend.
Wat is het volk vandaag hoera-ig. - die wimpel waait mooi, wat slangige bochten.
- kuizig (Multatuli). - wat ruikt het hier boekig. - pietluttig, (hiervoor, blz. 107).
een leeuwerig volk zijn de nederlanders (Multatuli). - ik ben niet erg thee-erig schilderig (Potgieter). - landerig.
42. De suffixen er, st(e) vormen bij adj., comp. en superl.
3)
Ook nieuwe vormingen:
moe, moeier, moe(i)ste. - jammer, jammerder, 't jammerst is.
Ook vormt st(e) telwoorden:
achtste, hoeveelste.
Ik behandel niet a l l e suffixen en praefixen. Alleen wijs ik nog op:
ge-: ge-zanik, ge-donderjaag;
aarts-: aarts-luiwammes;
1)
2)
3)
De eind-d in ‘hand’ wordt natuurlijk als -t uitgesproken.
Dat deze ook zonder uitgang staan, spreekt vanzelf. Over deze adjectiva bij het Adjectief.
De -e in van goeden huize enz. is afgestorven; dient hoogstens pro memorie vermeld.
Over de ingelaschte -e- in honde-hok e.a., zie hiervoor, blz. 327/8.
Het -er in ‘gewapenderhand’, ‘van ganscher harte’ hoort tot de archaïsmen: dit pro memorie
weer. Over het ingelaschte in kinder-stoel, enz. hiervoor blz. 328.
Taal en Letteren. Jaargang 2
350
in-: in-lui, in-smerig, in-lief;
mis-: mis-baksel, mis-punt;
-(en)-ist: klokkenist, havenist, (lui, die als baliekluivers op de haven rondzwerven);
-ij, -erij: kletserij, zeurderij. En zoo meer.
Een mooi suffix hoorde ik van kinderen in Zwol. Ze zeggen natuurlijk van: ‘da's
ma's kopje’, of iets van die kracht; maar omgekeerd maakten ze: da's 't ma 'se, tante
'se Daarmee is wel te vergelijken; cent(e)se postzegel. - welk plaatje heb-je gekocht?
dat kwartjese.
Een nieuw suffix voor de toekomst, - als 't voor leven vatbaar is.
43. De groote massa is overgeleverde woordvoorraad. Veel is erg oud; ander is
1)
jong en vol scheppende levenskracht; nu en dan komt er wat nieuw bij .
Een spreker of schrijver, een ‘dichter’, schept een nieuw woord. Zijn omgeving
frappeert het en die gaat het napraten. Het golft verder en verder, en is eindelijk in
algemeen gebruik. Men maakt er weer afleidingen van en samenstellingen. Zoo
gaat het nu. Zoo ging 't vroeger ook; en dan kunnen we constateeren dat sedert
2)
‘toèn’ een nieuw woord voorkomt .
‘Dichters’ maken ze. Waarom? Omdat die er op 't moment behoefte aan hebben.
Hun voldoet niet wat er is. Meent men dat ze overbodig zijn? Maar daar staat
tegenover, dat zij, als bij ingeving, ze noodig achten. Voor den indruk, die zij
weergeven willen, volstaat geen ander.
Maar - niemand is verplicht hen na te praten of te schrijven. Daar is niet de taal
van taalkunstenaars voor: hun kunst is iets individueels. Dichters bezien de taal als
nog wat anders dan om in te converseeren met Jan-en-alleman. Alleen wat er van
3)
in a l g e m e e n g e b r u i k komt, dat is voor een gewoon mensch .
1)
2)
3)
Vgl. Verdam, Geschied. Ned. Taal, 70 vv. en 209; waar het scheppen van nieuwe woorden
niet genoemd wordt. - Vgl. Gallée, De Wording van het Woord en de Ontwikkeling der taal
(Rectors-oratie, Utr. Acad. Jaarboek, 1891), blz. 94/5.
Onjuist is wat ik ergens las: ‘de woordscheppings-periode is reeds voor eeuwen gesloten’.
Wordt het geen tijd dit lang verouderd begrip op te ruimen?
Vgl. Paul, Prinzipien, blz. 143 vv. - Hoort hier ‘zwalpen’ en ‘pingelena’ bij? ‘Gas’ zeker wel.
Vgl. in 't Engl. ‘dog’, ‘rabbit’, ‘ramble’, Skeat, Etym. Dict., p. 761.
Daarom ook is 't wenschelijk dat deze, de beschaafde spreektaal, (in de scholen) gedoceerd
wordt; men moet leeren s p r e k e n , allereerst. En niet zooals tot nog toe, de zoogenaamde
algemeene schrijftaal, een mixtum quid van allerlei k u n s t taal, niet door de spraak makende
gemeente g e s p r o k e n , maar bijeengefandeld van schrijvers, groote en kleine; liefst
uitheemsch, onnederlandsch gemoduleerd; geen l e v e n d e t a a l . - Zie Nienwe Schoolblad,
6 Mei '92; waar nog een andere reden voor 't aanleeren der spreektaal werd opgegeven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
351
Of er dan veel van die nieuwigheden van nu in ons beschaafd nederlandsch over
zal gaan? Neen, zeker heel weinig; maar zoo is 't altijd geweest. Wat is er van
1)
Bilderdijk en Hooft en Maerlant in opgenomen? En van vroeger nieuwe vormingen?
Hoeveel meer is er níet opgenomen?
Want een verschil tusschen toen en nu is, dat toen door d'een of ander nieuwe
woorden gevormd zijn, die maar eens gezegd werden, en nooit weer, of zelden; die
niet overgenomen werden in de algemeene taal; en die we niet kennen, dus. En dit
zullen er wel veel wezen.
Nu worden ze vaak gedrukt, en ze blijven in wezen, al verbreiden ze zich niet
verder.
Daar beslist de ‘spraeckmakende gemeent’ in - nu, die beschaafd nederlandsch
spreken. - Die neemt over wat haar pakt; vraagt echter er niet bij: wat is het oordeel
van taalkundigen over zoo'n woord.
Wie of ze maken? Dat blijft 't vaakst onbekend. 't Gaat er net mee als met de oude
- en ook nieuwe - volksliedjes. Een dichter dicht ze, het volk zingt ze; en zoo blijven
ze. Maar wíe was de dichter?
44. Nieuwe scheppingen en nieuwe woorden, hebben vaak iets onbepaalds; als ze
in-hun-geheel nieuw zijn; 't minste evenwel, als 't namen van voorwerpen zijn,
natuurlijk.
Van veel velocipède-rijers hoort men den naam ‘rijwiel’ of ‘wieler’ niet, zij praten
van ‘f i e t s ' en van f i e t s e n ’. Een goed woord wel, al is 't nieuw. Men verbeeldt er
zich wat van de snelheid in te voelen, daar ze mee wegvliegen. En ‘taal is een kind
van de fantasie.’ Er is veel kans dat ‘fiets’, ‘fietsen’, ‘fietser’, enz. mettertijd algemeen
zullen worden; dan zal daar het weinig sprekende ‘rijwiel’ of ‘wieler’ zijn plaats voor
ruimen.
Zoo'n woord raakt eerst onder een bepaalde klasse in gebruik; is, als men wil,
dialectisch dus. Zoo zijn er meer, die men zelfs bij een of meer families, of bij enkele
2)
personen, soms maar een bepaalden tijd, hoort gebruiken .
1)
2)
Wij kunnen bij-lange-na niet altijd uitmaken of zeker woord bij oude schrijvers een door
hem-zelf gemaakt is, of dat het in algemeen gebruik was.
In een familie werd, 't is al jaren geleden, bij toeval een kind ‘noppie’ genoemd. Langzamerhand
is dat in die familie, en verder zelfs, een ‘kosewort’ geworden voor een klein, lief kind.
Zoo praatte een ander in zijn jongen tijd van een ‘bibi’ en een ‘diggeda’; 't eerste was een
schip en 't ander een rijtuig. Eerst toen hij een jaar 6, 7 werd, ging dit verloren.
Elk zal op z'n beurt zoo'n voorbeeld wel kunnen opspeuren.
Taal en Letteren. Jaargang 2
352
Zijn het nu woorden van zoogenoemde begrippen, dan is hun beteekenis alles
behalve vast. Het zijn aanduidingen, daar later eerst meer bepaalds bijkomt. Dit is
niet erg vreemd. Men merkt in den regel hetzelfde als men de wortelbeteekenissen
1)
in 't germaansch en verder naspoort . Wie nu dichters' aanvalt, omdat hun
2)
nieuwigheden een vage beteekenis hebben , - zoo men ze al kan vatten; - hoe stelt
die 't dan, taalkundig, met die oudere wortelbeteekenissen, of met de woordkiemen,
die evengoed ook nu nog bestaan? Taalvorming - 't is eenmaal niet anders - blijft
zich gelijk.
Zóo wou ik de woordvorming beschreven hebben, in dien trant uitgewerkt.
Dat verschilt wel een beetje van wat tot nog toe in de spraakkunsten daaromtrent
geleverd werd. 't Grootst gedeelte wat men daar vindt, hoort in Etymologische
woordeboeken; en van verreweg het meeste kan men dan nog vragen: wat geeft
al die kennis zonder vergelijkende en historische taalstudie? Wat geeft het voor juist
begrip van taal?
e
Wat doet het in elk geval in een spraakleer van het nederlandsch der XIX eeuw?
Waarom moet daarin meegedeeld, dat ‘slechten’ een denominatief is van ‘slecht’?
Dat woord bestaat in dien zin niet meer in de beschaafde taal. M.i. worden ten
onrechte de dialecten er buiten gehouden; anders zou 't nog er door kunnen:
sommigen praten toch nog van ‘slecht haar’; anderen van ‘het slecht’ = de platte of
kleine steentjes, de trottoir; en van ‘slecht en recht’.
1)
2)
Zie over woordkiemen Franck in Taal en Letteren I, 136 vv. vooral. - vgl. ook 162, en noot.
En hiervoor blz. 311, over de Parisismen.
Een paar voorbeelden: Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar
u i t k r u i v e n d e randen, nit elkaar gewaaid, tot pluis geslagen aan haar wilde zoomen.
(Jac. van Looy). - en de zee zoo hoozig, zoo zeeïg, zoo donderend volkoel ‖ zoo zelf, als
bewogen volle grauwluchtwind, ‖ zoo omwarend, zoo b o t s e n d e l k a r e n d , zoo... (H.
Gorter). - gezien door de doodsche bril eener hofjes-juffronw-achtige op-prijs-stelling, of door
de b e p o e t e l d e lornjet eener banaal-populaire bespotting. - p i e s e w i e t e r i g e kakkerlak
die je bent. - de kelner trok het bovenste van elke twee borden weg met een scherp l a a y e n d
geklakgly der borden over elkaar (van Deyssel).
Hier kunnen ook dialectwoorden - niet alleen uit de volksdialecten, maar ook van bizondere
kringen onder wezen. - Wie geeft ons, wat Villatte in de Parisismen deed? - En zelfs
archaïstische woorden. Maar ook die heeft een ‘dichter’ tot zijn dienst.
Taal en Letteren. Jaargang 2
353
Men vertelt toch ook niet dat ‘schamen’ een afleiding is van ‘schaam’? Of dat ‘gezicht’
bij ‘zien’ hoort?
Trouwens, dat is in een spraakleer ook nergens voor noodig. Daar deelt men b.v.
mee - ik heb geen bepáalde spraakkunst er voor nagezien; ieder kan zelf zijn
exemplaar nazoeken of ze dáar instaan - ‘slaken’ komt van ‘slak’ (slap), dat ook al
verloren is; of ‘woeden’ van ‘woed’; of ‘kwellen’ van ‘kwelen’ - ik vergis me: van de
1)
verleden tijd enkelvoud: ‘kwal’; of ‘galm’ van dito dito van ‘gellen, gillen’ -;
‘sprenkelen’ van ‘springen’ - wie voelt daar nu verband? - ‘zengen’ van ‘zingen’ dat heldert op! - of ‘verminken’ van ‘mank’, ‘krenken’ van ‘krank’ - dus ‘mank, krank’
maken? - Of ‘weinig’ bij ‘weenen’! - Of ‘thans’ van ‘te- hand -s’ - dat is zeer duidelijk
-; ‘altoos’ van ‘altoges’, ‘tegen’ uit ‘te- jegen’; ‘omtrent’ uit ‘om 't rond, om den kring’;
‘nopens’ van ‘nopen’, en dit weer van ‘noop’ = priem, scherp gepunt ijzertje; ‘boven’
uit ‘be-oven’; ‘derhalve’ uit ‘“der”, gen. sing. fem. van die + halve = zijde, kant.’
En verder, dat ‘gedrocht’ van ‘bedriegen’ en ‘zucht’ van ‘zuigen’ afgeleid is. En
dat ‘vijand’, ‘heiland’ en 't onmisbare ‘vriend’ deelwoorden van vij-en, heil-en en
vri-en zijn. Dat -ing in ‘ketting, schelling, krakeling, zilverling’ en anderen wat kleins
aanwijst. En ‘zulk’ uit ‘zoo-lijk’ ontstaan is. En dat -heid en -schap wel substantieven
geweest zijn. Of dat -rik in Frederik, Diederik = vorst, heer. Ja, dat ‘schot’, ‘schuit’
en ‘schoot’ bij mekaar hooren, en ‘glas, glimmen, glinsteren, glanzen’, net zoo goed
als ‘bruisen, brijzelen en broos’...
2)
Ik vraag nog eens: wat doet al die etymologie in een s p r a a k l e e r van het
levende nederlandsch, in een hoofdstuk over woord-v o r m i n g ? Men geeft niet
aan hoe de beteekenissen met elkaar samenhangen; zich ontwikkeld hebben. Dat
hoort er niet in. Natuurlijk niet. Maar 't andere ook niet. Wat gaat al die geleerde
etymologie den onderwijzer, zelfs die voor de hoofdakte studeert, aan. En 't
allerergste, wat gaat die den leerling aan?
Het is nog gevaarlijk ook. Zijn die etymologiën wel juist? Daar heb-je ‘dorpel’, dat
geregeld uit ‘deur-paal’ komt. Is dat wel zoo zeker?
Een grammatica-schrijver kan er zich niet afmaken met een mallen
1)
2)
Zie beneden blz. 360/1.
Men kan deze wijsheid ook in de studieboeken missen, zie van den Bosch, Studieboeken
voor de hoofdakte, passim.
Hoogstens mag zoo'n etymologie dienen, om eens wat te illustreeren.
Taal en Letteren. Jaargang 2
354
zin als: ‘waar de taalvorschers nog niet tot eenstemmigheid zijn gekomen, kan de
gewone taalbeoefenaar geen partij kiezen.’
Maar waarom ook al die wijzigheid meegedeeld? 't Is heelemaal overbodig. Krijgt
de studeerende dáar een juist begrip door wat Taal is, en wat nederlandsch is, wat
woordvorming; - wat spraakleer wezen moet?
Integendeel.
Besc