Boss | SX-700 | SX700 Book - Roland Central Europe

SX-700
Handleiding
SX-700 Handleiding
1.
Inleiding
Bedankt dat u voor de BOSS SX-700 Studio
Effects Processor hebt gekozen. Lees deze handleiding best eens volledig door, zo krijgt u een idee
van alle mogelijkheden die de SX-700 biedt en
kunt u er jarenlang plezier aan beleven.
1.1 Voornaamste kenmerken
☛ Effecten van een hoge kwaliteit
De SX-700 is uitgerust met de modernste digitale
circuits (o.a. uitstekende A/D en D/A convertors).
Deze staan garant voor een indrukwekkende
geluidskwaliteit, die niet hoeft onder te doen voor
studioprocessors die een veelvoud kosten.
☛ Vrije volgorde van effecten
Bij de meeste processors die effecten combineren
gebeurt dat in een vaste volgorde, wat de flexibiliteit van dit soort apparaten uiteraard beperkt. Niet
zo bij de SX-700! De volgorde van de effecten
wordt bepaald door algoritmes en daarvan heeft de
SX-700 er maar liefst 19 aan boord. Op die manier
kunt u voor iedere denkbare toepassing een interessante effectvolgorde kiezen.
☛ Vierstemmige harmonieën met de
“Harmonist”
De “Harmonist” is een ingebouwde realtime harmonizer die vier extra “stemmen” kan genereren op
basis van het ingangssignaal (en dat kan uiteraard
een menselijke stem zijn!).
☛ Ingebouwde RSS (Roland Sound Space)
Het lijkt misschien ongelofelijk als u de prijs van
de SX-700 bekijkt, maar we hebben wel degelijk
onze befaamde RSS technologie ingebouwd. Voor
wie het nog niet weet: RSS stelt u in staat het normale stereobeeld uit te breiden tot een drie-dimensioneel klankveld.
☛ Verlichte knoppen
We hebben ieder effectblok een eigen knop (mét
duidelijke LED) toebedeeld. Deze knoppen maken
het selecteren van effectblokken kinderspel,
bovendien geven de LED’s u op ieder moment uitsluitsel over welke effecten al dan niet zijn ingeschakeld.
2
1.2 Hoe gebruikt u deze handleiding?
Voor we samen in de handleiding duiken willen we
u even wegwijs maken. Moest u dringend bepaalde
informatie nodig hebben, dan weet u hierna waar ze
te zoeken.
De handleiding is opgebouwd uit vijf hoofdstukken, met aan het einde een alfabetische index die u
best raadpleegt als u informatie zoekt omtrent een
bepaalde functie, parameter, enz.
Hoofdstuk 1: Aan de slag
In dit hoofdstuk leggen we uit hoe u de SX-700
moet aansluiten en hoe u effecten uit het geheugen
kunt kiezen.
Hoofdstuk 2: Instellingen wijzigen
In dit hoofdstuk gaan we de instellingen (parameters) van de effecten leren wijzigen, om zo tot eigen
creaties te komen. Als u enkel presets wilt kiezen
zou u dit hoofdstuk kunnen overslaan, maar dan
gaat u wel voorbij aan heel wat boeiende mogelijkheden van de SX-700.
Hoofdstuk 3: Overzicht van de parameters
In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de
functies van de effectparameters.
Hoofdstuk 4: MIDI
In dit hoofdstuk tonen we hoe u de SX-700 kunt
aansturen vanuit externe MIDI-instrumenten en
hoe u via MIDI data kunt zenden en ontvangen.
Lees dit hoofdstuk als u de SX-700 wilt gebruiken
in combinatie met externe MIDI-instrumenten.
Hoofdstuk 5: Appendix
Dit hoofdstuk bevat aanvullende informatie, zoals
een lijst met de fabrieksklanken en een overzicht
van mogelijke storingen.
Voorzorgsmaatregelen , Hoe gebruikt u deze handleiding?
2.
■
Voorzorgsmaatregelen
Voeding
• Schakel de SX-700 en de overige instrumenten altijd
uit voordat u ze op elkaar aansluit.
• Zodra de spanning van de batterij niet meer voldoende
is, beeldt het display onderstaande prompt af:
• Sluit de adapter van de SX-700 nooit aan op een stopcontact waar andere apparaten, die brom of ruis veroorzaken (b.v. dimmers, motoren enz.) of veel vermogen trekken, op zijn aangesloten.
• Let, bij het aansluiten van de adapter op het lichtnet,
op het voltage.
• Plaats geen zware voorwerpen op het snoer van de
adapter en zorg dat er niemand over kan struikelen.
Trek, bij het verbreken van de aansluiting op het lichtnet, altijd aan de stekker zelf en nooit aan het snoer om
de draden niet te beschadigen.
Laat de batterij dan zo snel mogelijk vervangen.
• Probeer nooit zelf de geheugenbatterij te vervangen.
Laat dit werk over aan de Roland hersteldienst. Denk
eraan dat de data in het interne geheugen kunnen worden gewist. Dat is met name het geval als het geheugen
of een daarmee samenhangend onderdeel wordt hersteld of niet meer werkt.
• Als u de SX-700 lange tijd niet wenst te gebruiken, verbreekt u best de aansluiting op het lichtnet.
■
• Het zou kunnen gebeuren dat de SX-700 niet naar behoren werkt wanneer u hem onmiddellijk na uitschakelen weer inschakelt. Wacht dus telkens een paar seconden voordat u hem weer inschakelt.
• Laat geen voorwerpen (muntstukken, metalen draad
enz.) of vloeistoffen (water, alcohol, sap enz.) in het inwendige terechtkomen.
■
Plaatsing
• Om problemen te vermijden, dient u de SX-700 te beschermen tegen direct zonlicht, hitte, vochtigheid en
stof.
Andere voorzorgsmaatregelen
• Behandel de SX-700 zachtjes.
• Neem contact op met de dichtstbijzijnde Roland hersteldienst voordat u de SX-700 in het buitenland gebruikt.
• Als de SX-700 niet naar behoren werkt, schakel hem
dan onmiddellijk uit en neem contact op met uw
dealer of de Roland hersteldienst.
• Plaats de SX-700 niet te dicht in de buurt van een
neonlicht, een fluorescerende lamp, een TV-toestel of
ander, gelijkaardig materiaal dat enerzijds ruis door interferentie, en anderzijds allerlei fouten kan veroorzaken.
■
Onderhoud
• Gebruik, voor het reinigen van het instrument, enkel
een zachte, droge of lichtjes bevochtigde doek. Om
hardnekkig vuil te verwijderen, gebruikt u een neutraal
reinigingsmiddel. Wrijf de SX-700 daarna droog met
een zachte doek.
• Gebruik nooit oplosmiddelen zoals bv. verfverdunners
want deze kunnen de behuizing beschadigen.
■
Geheugenbatterij
• Dit apparaat is uitgerust met een batterij die ervoor
zorgt dat de opgeslagen data ook na uitschakelen niet
gewist worden. De levensduur van deze batterij bedraagt ongeveer 5 jaar. Het zou iets langer kunnen zijn,
maar het verdient aanbeveling de batterij om de 5 jaar
te laten vervangen.
3
SX-700 Handleiding
3.
Inhoud
Hoofdstuk 1. Inleiding ................................................................................................................ 2
1.1 Voornaamste kenmerken ................................................................................................. 2
1.2 Hoe gebruikt u deze handleiding? ................................................................................... 2
Hoofdstuk 2. Voorzorgsmaatregelen ...................................................................................... 3
Hoofdstuk 3. Inhoud ................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 4. Voorzieningen op de panelen ......................................................................... 7
Hoofdstuk 5. Aan de slag .......................................................................................................... 8
5.1 Aansluitingen ................................................................................................................... 8
Aansluiten op een mengtafel ............................................................................................ 8
Aansluiten op een klavier ................................................................................................ 8
Speelhulpen aansluiten .................................................................................................... 8
5.2 Inschakelen ...................................................................................................................... 9
Ingangsniveau aanpassen ................................................................................................. 9
Uitgangsniveau aanpassen ............................................................................................... 9
5.3 Effecten kiezen ................................................................................................................ 9
Informatie in het display .................................................................................................. 9
Aan/uit status van de effecten ........................................................................................ 10
Patches kiezen ................................................................................................................ 10
Patches kiezen via MIDI ................................................................................................ 10
5.4 Bypass functie ................................................................................................................ 10
Bypass in- en uitschakelen vanaf het frontpaneel .......................................................... 10
Bypass in- en uitschakelen met een voetschakelaar ...................................................... 10
Hoofdstuk 6. Instellingen wijzigen ........................................................................................ 11
6.1 Voor u aan de slag gaat… .............................................................................................. 11
User Patches en Preset Patches ...................................................................................... 11
Informatie in het display ................................................................................................ 11
Opbouw van de Patches ................................................................................................. 11
Werkwijze bij het editen ................................................................................................ 12
6.2 Effecten maken .............................................................................................................. 13
Patch kopiëren ................................................................................................................ 13
Aansluitvolgorde (algoritme) kiezen ............................................................................. 13
Effectblokken toewijzen aan eenheden .......................................................................... 13
Effectblokken in- en uitschakelen .................................................................................. 14
Effectparameters instellen .............................................................................................. 15
Effecten kopiëren ........................................................................................................... 15
Uitgangsvolume en volumebalans instellen .................................................................. 15
Stuurbronnen toewijzen ................................................................................................. 17
Patch naam wijzigen ...................................................................................................... 19
Wijzigingen annuleren ................................................................................................... 19
Wijzigingen bewaren ..................................................................................................... 20
6.3 Utility parameters .......................................................................................................... 20
Overzicht van de Utility parameters .............................................................................. 21
Hoofdstuk 7. Overzicht van de effecten .............................................................................. 23
Structuur van de algoritmes 23
1: Type A1 ..................................................................................................................... 23
2: Type A2 ..................................................................................................................... 23
3: Type A3 ..................................................................................................................... 23
4: Type A4 ..................................................................................................................... 23
4
Inhoud ,
7.2
7.3
7.4
7.5
7.6
5: Type A5 ......................................................................................................................23
6: Type A6 ......................................................................................................................23
7: Type A7 ......................................................................................................................24
8: Type A8 ......................................................................................................................24
9: Type A9 ......................................................................................................................24
10: Type B1 ....................................................................................................................24
11: Type B2 ....................................................................................................................24
12: Type B3 ....................................................................................................................24
13: Type B4 ....................................................................................................................24
14: Type B5 ....................................................................................................................24
15: Type B6 ....................................................................................................................25
16: Type B7 ....................................................................................................................25
17: Type B8 ....................................................................................................................25
18: Type B9 ....................................................................................................................25
19: Type C1 ....................................................................................................................25
Equalizer .........................................................................................................................26
Modulation .....................................................................................................................27
Stereo Chorus
Stereo 2Band Chorus ......................................................................................................27
Stereo Flanger .................................................................................................................28
Stereo Phaser ..................................................................................................................29
2Voices Harmonist
4Voices Harmonist .........................................................................................................30
2Voices Pitch Shifter
4Voices Pitch Shifter ......................................................................................................32
Rotary .............................................................................................................................34
Space Chorus ..................................................................................................................35
Delay ...............................................................................................................................36
Simple Delay ..................................................................................................................36
3Tap Delay .....................................................................................................................36
4Tap Delay .....................................................................................................................37
Stereo Delay ...................................................................................................................37
Quad Delay .....................................................................................................................38
Ducking Delay ................................................................................................................38
Band Pass Delay .............................................................................................................38
Wat is Tempo Delay? .....................................................................................................40
Reverb .............................................................................................................................41
Room 1/2/3 .....................................................................................................................41
Hall 1/2 ...........................................................................................................................42
Garage .............................................................................................................................42
Plate ................................................................................................................................42
Non-Linear .....................................................................................................................42
RSS .................................................................................................................................45
3D Panner .......................................................................................................................45
Single 3D
Dual 3D
Quad 3D ..........................................................................................................................45
Enkele tips in verband met RSS .....................................................................................46
Hoofdstuk 8. MIDI ......................................................................................................................48
8.1 Mogelijke toepassingen ..................................................................................................48
Patches kiezen ................................................................................................................48
Parameters aansturen ......................................................................................................48
Data zenden ....................................................................................................................48
8.2 MIDI-functies instellen ..................................................................................................48
MIDI-verwante parameters .............................................................................................49
5
SX-700 Handleiding
8.3 Program Change Map instellen ...................................................................................... 49
8.4 Instellingen bewaren/laden via MIDI ............................................................................ 50
Data zenden (Bulk Dump) ............................................................................................. 50
Data laden (Bulk Load) .................................................................................................. 51
Hoofdstuk 9. Appendix ............................................................................................................. 52
9.1 Over MIDI ..................................................................................................................... 52
Uitwisselen van MIDI-data ............................................................................................ 52
MIDI-commando’s die door de SX-700 worden gebruikt ............................................. 52
MIDI-implementatiekaart .............................................................................................. 53
9.2 Opnieuw de fabrieksinstellingen laden (initialiseren) ................................................... 54
9.3 Mogelijke problemen ..................................................................................................... 55
Geen geluid/te laag volume ........................................................................................... 55
Geluid klinkt vervormd (de CLIP indicator licht regelmatig op) .................................. 55
U kunt geen Patch nummers kiezen ............................................................................... 55
Parameters die u aan stuurbronnen hebt toegewezen kunt u niet aansturen .................. 55
Er worden geen MIDI-commando’s ontvangen ............................................................ 55
9.4 Specificaties ................................................................................................................... 56
6
Voorzieningen op de panelen ,
4.
Voorzieningen op de panelen
4.1 Frontpaneel
INPUT LEVEL regelaar
NUMBER / VALUE regelaar
PEAK indicator
EFFECT PARAMETER knoppen
BYPASS knop
POWER
schakelaar
OUTPUT LEVEL regelaar
INPUT LEVEL
OUTPUT LEVEL
EQ
PEAK
MIN
MAX
MIN
MOD
COMMON LEVEL
MAX
SX-700
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
WRITE
STUDIO EFFECTS PROCESSOR
display
POWER
BYPASS
RSS
UTILITY
PARAMETER
COMMON knop
UTILITY knop
LEVEL knop
PARAMETER knoppen
NAME knop
WRITE knop
EXIT knop
Opmerking: In de rest van deze handleiding wordt de NUMBER/VALUE regelaar bestempeld als de NUMBER regelaar of de VALUE regelaar.
4.2 Achterpaneel
MIDI connectors
(IN,OUT,THRU)
BYPASS ingang LEVEL schakelaar
OUTPUT
AC IN
SER.NO.
CONTROL
14V 700mA
EXP PEDAL
BYPASS
R
L(MONO)
INPUT
R
LEVEL
L(MONO)
(dBm)
-20
+4
MADE IN JAPAN
THRU
SX-700
USE BOSS BRC
ADAPTOR ONLY
AC -adapter ingang
OUT
MIDI
IN
THIS DEVICE COMPLIES WITH PART 15 OF THE FCC RULES, OPERATION IS SUBJECT TO THE FOLLOWING TWO CONDITIONS: (1) THIS DEVICE MAY NOT CAUSE HARMFUL
INTERFERENCE, AND (2) THIS DEVICE MUST ACCEPT ANY INTERFERENCE RECEIVED, INCLUDING INTERFERENCE THAT MAY CAUSE UNDESIRED OPERATION.
EXPRESSION
PEDAL ingang
OUTPUT connectors INPUT connectors
(L(MONO),R)
CONTROL ingang
L(MONO ,R) )
7
SX-700 Handleiding
5.
Aan de slag
5.1 Aansluitingen
Speelhulpen aansluiten
Sluit de SX-700 aan zoals op de onderstaande tekeningen is aangegeven. Kies het aansluitvoorbeeld
dat het best overeenkomt met uw gebruikssituatie.
Voor u aansluitingen maakt moet u het volume van
uw mixer/versterker op het minimum zetten en alle
apparaten in uw systeem uitschakelen. Zo voorkomt u schade aan uw luidsprekers.
Eens u alle apparaten hebt aangesloten en ingeschakeld mag u op de versterker een aangenaam
luistervolume instellen.
Als u gebruik maakt van een mono-versterker moet
u enkel de L(MONO) uitgang aansluiten.
AC -adapter
CONTROL
EXP
PEDAL
BYPASS
FS-5U/5L
enz.
FS-5L
enz.
EV-5 (Roland)
FV-300L enz.
Aansluiten op een mengtafel
Opmerking: Als zwelpedaal (Expression Pedal) kunt
u een Boss FV-300L + PCS-33 (Roland) of een EV-5
(Roland) gebruiken.
OUTPUT
INPUT
RETURN
SEND
mengtafel
Opmerking: Zorg dat de LEVEL schakelaar in de
stand staat die overeenkomt met het in- en uitgangsniveau van de mengtafel die u gebruikt.
Aansluiten op een klavier
OUTPUT
INPUT
Opmerking: Sluit het zwelpedaal aan op de EXP
PEDAL ingang en zet de volumeregelaar op het
pedaal in de “MIN” positie.
Opmerking: Effecten kunnen soms het risico verhogen op rondzingen (“fluiten”) van microfoons. In het
geval u daar problemen mee hebt probeert u best de
microfoon wat verder van de luidspreker te plaatsen
(de microfoon mag niet in de richting van de luidspreker wijzen) of het uitgangsvolume van uw mengtafel
wat lager te zetten.
Opmerking: Haak de kabel van de AC-adapter achter
de daarvoor voorziene kabelklem. Zo vermijdt u
onnodige spanning op de stekker en voorkomt u dat de
kabel per ongeluk wordt uitgetrokken.
AC IN
14V 700mA
OUTPUT
USE BOSS BRC
ADAPTOR ONLY
klavierinstrument
mengtafel
Opmerking: In deze situatie zet u de LEVEL schakelaar normaal in de stand -20 dBm.
8
Aan de slag , Inschakelen
Opmerking: Zet de polariteitsschakelaar van een FS5U/5L voetschakelaar (los verkrijgbaar), die u op de
CONTROL of BYPASS ingang aansluit, in de stand
die in de onderstaande afbeelding te zien is.
Polariteitsschakelaar
Ingangsniveau aanpassen
Met de INPUT LEVEL regelaar past u de ingangsgevoeligheid van de SX-700 aan op het toegeleverde signaal. Stel de regelaar zo in dat de PEAK indicator slechts sporadisch oranje oplicht en enkel tijdens de hoogste signaalpieken rood.
De PEAK indicator kan drie kleuren hebben:
Groen
Dit betekent dat er signaal aan de ingang is.
Oranje
Dit betekent dat er nog 6 dB marge is voor oversturing
(het niveau waarop het signaal begint te vervormen).
Rood
Dit betekent dat er nog 1 dB marge is voor oversturing
(het niveau waarop het signaal begint te vervormen).
Opmerking: Zorg dat de indicator niet voortdurend
rood oplicht, want dan doet u afbreuk aan de overigens uitstekende geluidskwaliteit van de SX-700.
5.2 Inschakelen
INPUT LEVEL regelaar
OUTPUT LEVEL regelaar
POWER schakelaar
Uitgangsniveau aanpassen
Met de OUTPUT LEVEL regelaar bepaalt u het
uitgangsvolume van de SX-700.
Eens u alles hebt aangesloten mag u de apparaten
in uw systeem één voor één inschakelen, in de
volgorde die we hieronder aangeven. Respecteer
deze volgorde, anders riskeert u schade aan uw
luidsprekers of aan andere apparaten.
(Klankmodule) →SX-700 →extern effectapparaat →mengtafel →versterker
Na het inschakelen van de SX-700 krijgt u het volgende display te zien. Enkele seconden later is de
SX-700 klaar voor gebruik. Als u dit display ziet
weet u dat de SX-700 zich in de “Play mode”
bevindt.
5.3 Effecten kiezen
De SX-700 heeft 256 Patches (geheugenplaatsen
waarin effecten zijn opgeslagen) aan boord. Deze
zijn onderverdeeld in User Patches (U1~U128) en
Preset Patches (P1~P128). Om Patches te kiezen
gebruikt u de NUMBER/VALUE regelaar op het
frontpaneel.
Patches kiezen kunt u enkel in de Play mode. Als u
in een andere mode bent moet u eerst op [EXIT]
drukken om naar de Play mode te gaan.
Opmerking: Welke effecten er onder de Preset Patch
nummers zijn opgeslagen staat beschreven in de xx.
Bij levering is de inhoud van de User Patches gelijk
aan die van de Preset Patches.
Opmerking: Het volume van de mengtafel/versterker
mag u omhoogregelen nadat u alle apparaten hebt
ingeschakeld.
Opmerking: Bij het inschakelen wordt steeds het
laatstgekozen Patch nummer opnieuw gekozen.
Opmerking: De SX-700 is uitgerust met een beveiligingscircuit, vandaar dat u slechts enkele seconden na
het inschakelen normaal met de SX-700 kunt werken.
Informatie in het display
In de Play mode beeldt het display de volgende
informatie af:
U : User Patches
P : Preset Patches
Patch nummer
algoritme
Opmerking: Als het display moeilijk leesbaar is moet
u het contrast aanpassen, zie blz. 21.
naam
9
SX-700 Handleiding
5.4 Bypass functie
Aan/uit status van de effecten
Telkens als u een Patch nummer kiest kunt u aan de
oplichtende indicators zien welke effecten voor die
Patch actief zijn. U kunt dan ook meteen effecten
in- en uitschakelen door op de overeenkomstige
knoppen te drukken.
EQ
MOD
DELAY
REVERB
RSS
R
R
D
M
UA ODU ELA EVE SS
RB
LIZ LA Y
ER TIO
N
EQ
Met de Bypass functie schakelt u alles uit wat de
SX-700 aan het signaal toevoegt. Als de
[BYPASS] knop is ingeschakeld (de indicator licht
op) hoort u enkel het directe ingangssignaal, zonder effecten. Heel het digitale signaalverwerkingsblok van de SX-700 wordt dan omzeild, wat het
“zuiverste” signaal oplevert.
Naast de [BYPASS] knop op het frontpaneel kunt
u ook een voetschakelaar (aan te sluiten op de
BYPASS ingang op het achterpaneel) gebruiken
om de Bypass functie in en uit te schakelen.
Opmerking: U kunt van de Bypass functie ook een
Mute functie maken (dan wordt alles uitgeschakeld,
ook het directe signaal) (zie blz. 21).
Patches kiezen
Bypass in- en uitschakelen vanaf het frontpaneel
1,2
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
EQ
MOD
DELAY
REVERB
BYPASS
RSS
PARAMETER
COMMON LEVEL
NAME
EXIT
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
WRITE
UTILITY
PARAMETER
(1) Draai aan de NUMBER regelaar om
naar een ander Patch nummer te gaan.
Daarmee hebt u het effect onder dat Patch nummer
echter nog niet gekozen (zie stap 2). U krijgt nu wel
reeds de informatie over het betreffende effect in
het display te zien (namelijk de naam van het algoritme en de naam van de Patch). De Patch naam
knippert.
(2) Druk op de NUMBER regelaar om het
effect onder het Patch nummer te kiezen.
De Patch naam houdt op met knipperen en u hoort
u de klank van het gekozen effect.
Druk op de [BYPASS] knop om de Bypass functie
in en uit te schakelen. De functie is ingeschakeld
wanneer de indicator op de knop brandt.
Bypass in- en uitschakelen met een voetschakelaar
OUTPUT
CONTROL
EXP PEDAL
BYPASS
R
L(MONO)
Patches kiezen via MIDI
Polariteitsschakelaar
POLARITY
FS-5L
Zoals het een moderne effectprocessor betaamt
biedt de SX-700 ook de mogelijkheid om Patches
te kiezen met behulp van MIDI-commando’s vanuit een extern apparaat. Daarbij kiest u zelf welke
MIDI-progammanummers overeenkomen met de
Patch nummers van de SX-700 (daarvoor dient de
Program Change Map).
Sluit een voetschakelaar (zoals de Roland FS-5L of
FS-5U; los verkrijgbaar) aan op de BYPASS
ingang. Met iedere druk op de schakelaar schakelt
u de functie afwisselend in of uit.
10
Instellingen wijzigen , Voor u aan de slag gaat…
6.
Instellingen wijzigen
We hebben daarnet geleerd Patch nummers te kiezen, maar wat zit er nu eigenlijk onder zo’n Patch
nummer? Twee dingen: de volgorde van de effectblokken en de instellingen van de individuele
effectblokken. In dit hoofdstuk tonen we hoe u de
inhoud van een Patch nummer kunt wijzigen om
uw eigen effecten te maken. Daarna leert u deze
eigen creaties bewaren, zodat u ze later opnieuw
kunt gebruiken.
■
Tijdens het editen van parameterinstellingen
De naam van het effectblok
waarin u wijzigingen aanbrengt
De parameter die u wilt
wijzigen knippert
waarde
6.1 Voor u aan de slag gaat…
U staat natuurlijk al te popelen om met al die mooie
effecten te stoeien, maar eerst willen we toch nog
een aantal algemene zaken kwijt, die de rest van dit
hoofdstuk begrijpelijker zullen maken.
■
Als u op [EXIT] drukt om terug te keren
naar de Play mode
Terwijl u edit worden “U” of “F”
geïnverteerd afgebeeld.
User Patches en Preset Patches
We vertelden u reeds dat de 256 Patches in de
SX-700 uit User en Preset Patches bestaan. Wat is
nu het verschil?
■
User Patches (U1~U128)
Vanuit de fabriek zitten op deze Patch nummers
dezelfde effecten als op de overeenkomstige Preset
Patch nummers, maar het grote verschil is dat u de
inhoud van User Patches kunt overschrijven met
effecten die u zelf hebt gemaakt.
■
Opbouw van de Patches
Patches maken steeds gebruik van verschillende
effectblokken. Daar laten we u even mee kennismaken voor u ze begint te gebruiken.
■
Vijf effectblokken
Dit zijn de vijf effectblokken waarmee de SX-700
zijn effecten brouwt:
Preset Patches (P1~P128)
Dit zijn de effecten die we de SX-700 vanuit de
fabriek hebben meegegeven. Deze Patch nummers
kunt u niet overschrijven.
Dat wilt niet zeggen dat u de inhoud van een Preset
Patch niet kunt wijzigen; dat kunt u wel. Alleen is
het zo dat u de gewijzigde versie van zo’n Patch
niet in de Preset geheugens kunt opslaan. Daarvoor
moet u namelijk uitwijken naar de User Patch nummers.
EQ
St.Chorus
St.Flanger
St.Phaser
2Voices Harmonist
2Voices P.Shifter
St.2Band Chorus
4Voices Harmonist
4Voices P.Shifter
Rotary
Space Chorus
■
Informatie in het display
Tijdens het editen (dat is het wijzigen van effectparameters) geeft het display u de volgende informatie.
MODULATION DELAY REVERB
Simple
3 Tap
4 Tap
Stereo
Quad
Ducking
Band Pass
Room 1/2/3
Hall 1/2
Garage
Plate
NLR
RSS
3D Panner
Single 3D
Dual 3D
Quad 3D
Volgorde wordt bepaald door algoritmes
Een algoritme is een dure term die gewoonweg
duidt op de aansluitvolgorde van verschillende
effectblokken. De SX-700 laat u kiezen uit 19 alg-
11
SX-700 Handleiding
oritmes (volgordes dus), zodat u voor iedere toepassing een gepaste oplossing kunt vinden.
INPUT L
INPUT R
1
2
3
4
5
OUTPUT L
4
OUTPUT L
Instellingen voor de individuele effectblokken
Ieder effectblok is opgebouwd uit een aantal parameters (variabele instellingen). Door deze te wijzigen bepaalt u de klank van het effect.
OUTPUT R
Uitgangsvolume
INPUT L
INPUT R
1
2
3
OUTPUT R
5
INPUT L
INPUT R
1
2
3
OUTPUT L
4
OUTPUT R
5
Met deze parameter bepaalt u de volumebalans tussen het directe geluid (ingangssignaal) en het
effectgeluid.
Toewijzing van stuurbronnen
U kunt speelhulpen en dergelijke van externe
instrumenten gebruiken om parameters van de
SX-700 aan te sturen. Voor iedere Patch kunt u drie
stuurbronnen toewijzen.
Patch naam
■
Effectblokken toewijzen aan eenheden
(units)
De veeleisende creatievelingen onder u protesteren
misschien omdat ze 19 combinatiemogelijkheden
wat te beperkt vinden. Hold your horses, zoals ze
in het Engels zeggen, want we zijn er nog niet! Algoritmes verbinden in feite geen effecten, maar eenheden. Voor de meeste algoritmes staat het u vrij
om aan iedere eenheid het gewenste effectblok toe
te wijzen (voor een aantal algoritmes ligt deze toewijzing echter vast), wat de ultieme flexibiliteit
oplevert.
EQ
INPUT L
INPUT R
1
REVERB
RSS
3
4
2
OUTPUT L
OUTPUT R
5
MODULATION
DELAY
■
En dan dit nog…
Naast de keuze van het algoritme en de toewijzing
van de eenheden bevat ieder Patch nummer nog de
onderstaande stukjes informatie:
Aan/uit status van ieder effectblok
U hoeft natuurlijk niet steeds alle effecten in een
algoritme te gebruiken, u kunt bepaalde effecten
ook gewoon uitschakelen.
12
Iedere Patch kunt u een naam geven, zodat u achteraf tenminste een idee hebt van wat u te horen
gaat krijgen.
Werkwijze bij het editen
(1) Kies een Patch waarvan de klank dicht
in de buurt komt van het effect dat u
wilt creëren.
(2) Kopieer de inhoud van die Patch naar
een (User!) Patch nummer dat u niet
meer denkt nodig te hebben.
Opmerking: Stap 2 staat hier omdat we er van uitgaan dat u de originele Patch (uit stap 1) niet wilt
kwijtspelen. Mag die Patch wél verdwijnen, sla dan
stap 2 over (u zult dan de originele Patch met de
gewijzigde versie overschrijven).
(3) Wijzig de inhoud van de geselecteerde
Patch.
Daarbij volgt u normaal de onderstaande stappen:
•
Kies het algoritme met de gewenste aansluitvolgorde (zie blz. 13).
•
Wijs effectblokken toe aan de eenheden van het
algoritme (zie blz. 13).
•
Schakel de effectblokken in of uit (zie blz. 14).
•
Stel de parameters van de effectblokken in (zie
blz. 15).
•
Stel het gewenste uitgangsvolume in (zie blz. 16).
•
Wijs eventueel externe stuurbronnen toe (zie
blz. 17).
•
Geef het nieuwe effect een naam (zie blz. 19).
(4) Bewaar het nieuwe effect (zie blz. 20).
Stap 4 mag u niet vergeten, aangezien de instellingen die u wijzigt in een tijdelijk buffergeheugen
terechtkomen. Dit geheugen wordt gewist zodra u
een andere Patch kiest of de SX-700 uitschakelt.
Instellingen wijzigen , Effecten maken
Om uw nieuwe effect te bewaren moet u het
opslaan onder een User Patch nummer (zie
blz. 20).
U keert terug naar de Play mode en u komt terecht
op het Patch nummer waarnaar u hebt gekopieerd.
Aansluitvolgorde (algoritme) kiezen
We gaan nu kiezen in welke volgorde we de eenheden (waarin we straks effectblokken plaatsen) willen aansluiten.
6.2 Effecten maken
Voor een gedetailleerd overzicht van effectblokken
en parameters (en hun afkortingen in het display)
verwijzen we u naar “Overzicht van de effecten” op
blz. 23. Hieronder gaan we de “algemene werkwijze” van daarnet wat uitgebreider stofferen.
2
EQ
MOD
COMMON LEVEL
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
Patch kopiëren
Eerst gaan we de inhoud van de Patch die we willen
wijzigen kopiëren naar het geheugennummer waarop we uiteindelijk de gewijzigde versie willen
plaatsen.
1,3
EQ
DELAY
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
1
(1) Druk herhaaldelijk op de [COMMON]
knop tot u bij het scherm om algoritmes
te kiezen (zie hieronder) bent aanbeland.
Het display beeldt het huidig geselecteerde algoritme af.
Opmerking: Neem misschien al even een kijkje op
blz. 23, dan weet u hoe u de informatie in het display
moet interpreteren.
2,4
(1) Ga met de NUMBER regelaar naar het
Patch nummer dat u wilt kopiëren en
druk vervolgens op de NUMBER regelaar om deze Patch te selecteren.
(2) Druk op [WRITE].
Dit brengt u naar het kopieerscherm.
(2) Kies met de VALUE regelaar het
gewenste algoritme.
De verbindingen van het geselecteerde algoritme
verschijnen in het display.
Opmerking: Telkens als u op de VALUE regelaar
drukt wisselt u tussen de afbeelding van het aansluitdiagram en van de naam van het algoritme.
(3) Ga met de NUMBER regelaar naar het
Patch nummer waarop u de kopie wilt
plaatsen.
U hoort nu het geluid van de Patch die u zonet hebt
gekozen (dus de Patch die u gaat overschrijven).
Beseft u nu plots dat u deze Patch helemaal niet
wilt overschrijven, druk dan op [EXIT]. Het kopiëren wordt dan geannuleerd en u keert terug naar de
Play mode.
(4) Druk op [WRITE] om de kopie uit te
voeren.
(3) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
Effectblokken toewijzen aan eenheden
Nu gaan we aan de vijf effectblokken toewijzen aan
de vijf eenheden van ons algoritme.
Let wel: u kunt ieder effectblok slechts één keer
toewijzen. Eén effectblok kan zich dusniet op twee
eenheden bevinden.
13
SX-700 Handleiding
Opmerking: Voor een aantal algoritmes ligt de toewijzing van effectblokken aan eenheden vast. U kunt
daar dus niets aan veranderen.
3
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
REVERB
RSS
NAME
EXIT
WRITE
Opmerking: Als u een effectblok uitschakelt wordt
het signaal normaal “rond” dat effectblok geleid (dus
rechtstreeks van het vorige naar het volgende blok).
Schakelt u parallel geplaatste effectblokken uit, dan
verdwijnt het geluid.
1,2
BYPASS
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
1
(2)
2
(1) Druk herhaaldelijk op de [COMMON]
knop tot u bij het onderstaande scherm
belandt.
De toewijzingen van de eerste twee eenheden
(units) worden nu afgebeeld.
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
REVERB
EXIT
NAME
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
(1) Druk op de EFFECT PARAMETER
knop van het effectblok dat u in of uit
wilt schakelen.
De instellingen van het geselecteerde blok verschijnen in het display.
knippert
EQ
MOD
DELAY
REVERB
RSS
R
R
D
M
UA ODU ELA EVE SS
RB
LIZ LA Y
ER TIO
N
EQ
(2) Met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen
kunt u de overige eenheden in beeld
brengen. Ga naar de eenheid waarvoor u
een effectblok wilt kiezen (deze eenheid
begint dan te knipperen).
knippert
Opmerking: U begint best bij de eenheid met het
laagste nummer en werkt dan naar boven.
(3) Kies met de VALUE regelaar het
gewenste effectblok.
Opmerking: Nogmaals: u kunt geen effectblok kie-
Effect aan/uit
zen dat reeds aan een andere eenheid is toegewezen.
(4) Herhaal stap 2 en 3 tot u aan alle eenheden effectblokken hebt toegewezen.
(5) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
Effectblokken in- en uitschakelen
Onze effectketen is nu klaar, dus laten we de effecten waarvan we geen gebruik maken even uitschakelen. Dat doen we door in het EFFECT PARAMETER blok op de knop van het betreffende effect
te drukken (de indicator dooft). De indicators van
deze knoppen geven steeds uitsluitsel over de aan/
uit status van de effectblokken.
14
(2) Druk nogmaals op dezelfde EFFECT
PARAMETER knop om het effectblok in
of uit te schakelen. U kunt het effect ook
in- of uitschakelen door aan de VALUE
regelaar te draaien.
(3) Herhaal stap 1 en 2 om andere effectblokken in of uit te schakelen.
(4) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
Opmerking: Het in- of uitschakelen van effectblokken heeft geen invloed op de parameterinstellingen
voor het betreffende effectblok.
Instellingen wijzigen , Effecten maken
Effectparameters instellen
Ieder effectblok is opgebouwd uit een aantal parameters (variabele instellingen). Door deze te wijzigen bepaalt u de klank van het effect.
1
EQ
MOD
COMMON LEVEL
3
DELAY
REVERB
RSS
NAME
EXIT
WRITE
Effecten kopiëren
BYPASS
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
(6) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
UTILITY
PARAMETER
2
Een “effect kopiëren” komt erop neer dat u de parameterinstellingen van een effectblok kopieert naar
een andere Patch die ook van dat type effectblok
gebruik maakt. Dat is handig als u bijvoorbeeld erg
tevreden bent over een bepaald galmeffect, en u
wilt dit ook in andere effectketens gebruiken.
Opmerking: Er wordt automatisch een Patch geko-
(1) Druk op de EFFECT PARAMETER
knop van het effectblok dat u wilt editen.
De instellingen van het geselecteerde blok verschijnen in het display.
zen die het effectblok bevat dat u selecteert.
1
EQ
EQ
MOD
DELAY
REVERB
RSS
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
3
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
R
R
D
M
UA ODU ELA EVE SS
RB
LIZ LA Y
ER TIO
N
EQ
De naam van het effectblok
waarin u wijzigingen aanbrengt
De parameter die u
wilt wijzigen knippert
2
(1) Druk op de EFFECT PARAMETER
knop van het effectblok dat u wilt kopiëren.
3 ] [ 4 ](2) Kies met de PARAMETER [
knoppen het (EFFECT COPY) scherm.
waarde
(2) Kies met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]knoppen de parameter die u wilt editen
(deze begint te knipperen).
3]
Opmerking: Door één van de PARAMETER [3
4 ]- knoppen ingedrukt te houden stapt u in ver[4
sneld tempo door de parameters.
(3) Stel met de VALUE regelaar de gewenste
waarde in. U kunt de waarde sneller
doen veranderen door op de VALUE
regelaar te drukken terwijl u eraan
draait.
(4) Herhaal stap 2 en 3 om andere parameters in te stellen.
(5) Herhaal indien nodig stap 1 om een
ander effectblok te kiezen en maak dan
voor dit blok de nodige instellingen.
(3) Kies met de NUMBER regelaar de Patch
waaruit u het effectblok wilt kopiëren. U
hoort dan ook meteen de klank van deze
Patch.
Opmerking: Als kopieerbron wordt automatisch een
Patch gekozen die van hetzelfde effectblok gebruikt
maakt.
Opmerking: Wilt u terug naar de instellingen voor u
de kopie maakte, kies dan “EDIT”.
(4) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
15
SX-700 Handleiding
Uitgangsvolume en volumebalans instellen
Er vallen heel wat volumes in te stellen in de
SX-700: naast het effectvolume kunt u ook het
volume van het directe signaal (het ingangssignaal)
instellen en dit zowel globaal als voor ieder individueel effectblok (behalve de Equalizer). Hoe dat in
zijn werk gaat willen we nu tonen.
De onderstaande afbeeldingen geven u een idee
over de volumestructuur van de effectblokken.
signaal, en dit zowel voor het linker- als het rechterkanaal. Daarnaast stelt u nog het globale uitgangsvolume van het Delay-blok in.
■
Hiermee bepaalt u voor het Reverb effectblok de
verhouding tussen het directe signaal en het effectsignaal, en dit zowel voor het linker- als het rechterkanaal. Daarnaast stelt u nog het globale uitgangsvolume van het Reverb-blok in.
EQ
Input L
Output L
eenheid
Effect
On / Off
Input R
Output R
eenheid
Modulation, Delay, Reverb, RSS
Output L
Input L
Balance L
Output Effect
Level On / Off
eenheid
Input R
RBalL: Reverb Balance L
RBalR: Reverb Balance R
R_OUT: Reverb Output Level
■
3BalL: RSS Balance L
3BalR: RSS Balance R
3_OUT: RSS Output Level
Hiermee bepaalt u voor het RSS effectblok de verhouding tussen het directe signaal en het effectsignaal, en dit zowel voor het linker- als het rechterkanaal. Daarnaast stelt u nog het globale uitgangsvolume van het RSS-blok in.
Balance R
Output R
3
■
OUT_L: Output Level L
OUT_R: Output Level R
Hiermee bepaalt u, voor het linker- en het rechterkanaal, het globale uitgangsvolume.
■
MBalL: Modulation Balance L
MBalR: Modulation Balance R
M_OUT: Modulation Output Level
Hiermee bepaalt u voor het Modulation effectblok
de verhouding tussen het directe signaal en het
effectsignaal, en dit zowel voor het linker- als het
rechterkanaal. Daarnaast stelt u nog het globale uitgangsvolume van het Modulatie-blok in.
■
DBalL: Delay Balance L
DBalR: Delay Balance R
D_OUT: Delay Output Level
Hiermee bepaalt u voor het Delay effectblok de
verhouding tussen het directe signaal en het effect-
16
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
1
2
Dirct: Direct Level
Hiermee bepaalt u het uitgangsvolume van het
directe geluid (het signaal van de bron die u op de
SX-700 hebt aangesloten). Zet u deze parameter op
“Thru”, dan wordt het analoge signaal rechtstreeks
naar de uitgang gestuurd (het gaat dus niet door de
digitale circuits).
■
EQ
(1) Druk op [LEVEL] om naar het scherm
met volumes te gaan.
knippert
(2) Kies met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]knoppen de parameter die u wilt editen
(deze begint te knipperen).
(3) Stel met de VALUE regelaar de gewenste
waarde in. U kunt de waarde sneller
doen veranderen door op de VALUE
regelaar te drukken terwijl u eraan
draait.
(4) Herhaal stap 2 en 3 om andere volumes
in te stellen.
(5) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
Instellingen wijzigen , Effecten maken
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
Stuurbronnen toewijzen
Om de SX-700 nog flexibeler te maken hebben we
hem de mogelijkheid gegeven om parameters aan
te sturen met pedalen of vanuit externe MIDIinstrumenten. Voor ieder Patch nummer kunt u drie
parameters uitkiezen en voor elk van deze parameters een stuurbron specifiëren.
stuurbronnen zoals zwelpedalen of pitch bend hendels kunt u alle waarden tussen het minimum en het
maximum aansturen. Is de aangestuurde parameter
van het aan/uit type, dan schakelen stuurwaarden
boven de middenste waarde (tussen minimum en
maximum) deze parameter in, terwijl waarden
beneden de middenste waarde hem uitschakelen.
minimum- maximumwaarde
waarde
■
Target (Trg): de parameter die u gaat aansturen
Hiermee kiest u de parameter die u wilt aansturen.
Dat kunnen de volgende parameters zijn:
Stuurbron
AAN
knippert
Verandering in de
parameterwaarde
100%
Max.
waarde
Min.
waarde
Target
parameter
•
•
•
•
Aan./uit status van ieder effect
Uitgangsvolumes
Effectparameters
BYPASS aan/uit
Opmerking: Het is mogelijk twee of meer stuurbronnen aan één parameter toe te wijzen, maar in dat geval
is het af te raden beide stuurbronnen tegelijk te gebruiken. Dat kan namelijk voor ongewenste bijgeluiden
zorgen.
Opmerking: Op het moment dat u een Patch nummer
kiest waarvoor stuurbronnen zijn gedefinieerd hoort u
in eerste instantie niets van die stuurbronnen (bijvoorbeeld: zelfs al staat het modulatiewiel van uw synthesizer volledig omhoog, de hieraan gekoppelde parameter behoudt aanvankelijk zijn originele waarde).
Pas wanneer u de toegewezen stuurbron ook daadwerkelijk gebruikt (u draait bijvoorbeeld aan het modulatiewiel) wordt de waarde van die stuurbron naar de
parameter van de SX-700 gestuurd.
■
Waardebereik van het target
Voor iedere extern aangestuurde parameter moet u
een minimum- en maximumwaarde specifiëren.
Dat zijn de grenzen waartussen de stuurbron de
waarde van die parameter kan variëren.
Voor stuurbronnen van het aan/uit type is “uit”
(dicht) gelijk aan de “minimumwaarde” en is “aan”
(open) gelijk aan de “maximumwaarde”. Met
UIT
Stuurbron
Max.
waarde
0%
Verandering in de
parameterwaarde
100%
Max.
waarde
Min.
waarde
Min.
waarde
Stuurbron
Max.
waarde
0%
Parameterwaarde
AAN
Middenwaarde
Min.
waarde
UIT
Opmerking: De beschikbare minimum- en maximumwaarden hangen af van de aangestuurde parameter.
17
SX-700 Handleiding
Opmerking: Als u de minimumwaarde boven de
maximumwaarde instelt wordt de parameter “omgekeerd” aangestuurd.
■
De Source mode bepaalt wat er met een parameterwaarde gebeurt wanneer u op een niet-schakelende
voetschakelaar (los verkrijgbaar: FS-5U, DP-2
(Roland), enz.) drukt.
Opmerking: Kiest u na het instellen van minimumen maximumwaarden een ander target, dan is het
mogelijk dat de instellingen plots veranderen. Controleer dit steeds even nadat u een ander target hebt gekozen.
■
Source mode: wat gebeurt er als u op een
voetschakelaar drukt
Source: de stuurbron die de parameter aanstuurt
Source Mode
De source is de stuurbron die de target parameter
aanstuurt.
De volgende stuurbronnen komen hiervoor in aanmerking.
Norml (Normal)
De parameter is normaal uitgeschakeld (minimumwaarde) en wordt ingeschakeld zodra u op de voetschakelaar drukt.
Toggl (Toggle)
Source
… (geen stuurbron)
Het target wordt niet gestuurd door waarden van een externe stuurbron.
ExPdl
Een zwelpedaal dat u op de EXP PEDAL
ingang hebt aangesloten (los verkrijgbaar:
FV-300L + PCS-33 (Roland) of EV-5 (Roland)).
CtlSW
Een voetschakelaar (los verkrijgbaar: FS-5U,
FS-5L, FS-1 (Roland), DP-2 (Roland), enz.) die
u aansluit op de CONTROL ingang.
PtBnd
Pitch Bend commando’s vanuit een extern
MIDI-instrument (aangestuurd met de/het
pitch bend hendel/wiel).
AfTch
Aftertouch commando’s vanuit een extern
MIDI-instrument. Aftertouch is de kracht
waarmee u op de toetsen drukt nadat u ze
hebt aangeslagen.
Note#
Nootnummers vanuit een extern MIDIinstrument (plaats van de toetsen op het
klavier).
Veloc
Velocity commando’s vanuit een extern
MIDI-instrument. Velocity is de kracht waarmee u de toetsen aanslaat.
C#008
Controlecommando’s vanuit een extern
MIDI-instrument (controlenummer 1~31 of
64~95). Deze commando’s stuurt u aan met
speelhulpen zoals schuifregelaars, pedalen,
enz.
Opmerking: Per Patch kunt u maximaal drie parameters aan stuurbronnen koppelen. Voor toewijzingen
die u niet wilt gebruiken moet u “…” specifiëren.
18
Telkens wanneer u op de voetschakelaar drukt wisselt u tussen uit (minimumwaarde) en aan (maximumwaarde).
Opmerking: Deze parameter moet u steeds op “Normal” laten staan wanneer u een schakelende voetschakelaar (los verkrijgbaar: FS-5L, FS-1 (Roland), enz.)
hebt aangesloten of wanneer u geen voetschakelaar
als stuurbron hebt toegewezen.
■
Voetschakelaars…het hele verhaal
Voetschakelaars kunt u op twee manieren gebruiken: de eerste manier houdt in dat u bij iedere druk
op het pedaal het effect afwisselend in- en uitschakelt. Bij de tweede manier is het effect enkel hoorbaar zolang u het pedaal ingedrukt houdt (eens u
het pedaal loslaat hoort u dus geen effect meer).
Voor de eerste manier kunt u zowel een voetschakelaar van het niet-schakelende type als van het
schakelende type gebruiken. Voor een niet-schakelend type moet u de Source mode op “Toggle”
instellen, voor een schakelend type op “Normal”.
De tweede manier vereist een niet-schakelend type
voetschakelaar, waarvoor u de Source mode parameter op “Normal” instelt. Een schakelend type is
voor deze werkwijze niet bruikbaar.
Instellingen wijzigen , Effecten maken
Laten we nu eens kijken hoe we de tot hiertoe
besproken parameters in verband met stuurbronnen
kunnen instellen.
3
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
Patches kunnen een naam krijgen, die uit maximum 16 karakters kan bestaan. Om Patches uit de
anonimiteit te halen kiest u best voor een naam die
u een idee geeft van de klankinhoud of van de song
waarbij die Patch hoort.
3
BYPASS
RSS
WRITE
Patch naam wijzigen
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
EQ
1
2
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
(1) Druk herhaaldelijk op de [COMMON]
knop om naar het onderstaande scherm
(om effectblokken aan eenheden toe te
wijzen) te gaan.
Het display beeldt de huidige instellingen af.
1
2
(1) Druk op [NAME].
cursor
(2) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar de parameter die u wilt instellen (in de onderstaande afbeelding ziet u
welke parameters dat kunnen zijn),
zodat deze parameter begint te knipperen.
Target
Target waardebereik
: Min, Max
Source
Source Mode
(3) Kies met de VALUE regelaar de gewenste waarde.
(4) Herhaal stap 2 en 3 om de andere parameters in te stellen.
(5) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
(2) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar het karakter dat u wilt wijzigen.
(3) Kies met de VALUE regelaar het
gewenste karakter.
Opmerking: Door op de VALUE regelaar te drukken
kiest u afwisselend hoofdletters, kleine letters, cijfers
en spaties.
(4) Herhaal stap 2 en 3 om de rest van de
Patch naam in te stellen.
(5) Zodra u een keuze hebt gemaakt…
…gaat u naar het volgende stukje om de overige
instellingen te maken, of
…slaat u de gemaakte instellingen nu reeds op (zie
blz. 20).
Wijzigingen annuleren
Als u niet tevreden bent met de wijzigingen die u in
een Patch hebt aangebracht kunt u deze nog steeds
annuleren (uiteraard voor zover u de gewijzigde
Patch nog niet onder zijn originele nummer hebt
19
SX-700 Handleiding
weggeschreven). Hieronder tonen we u hoe dat in
zijn werk gaat.
2,3
2
EQ
MOD
COMMON LEVEL
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
REVERB
RSS
NAME
EXIT
WRITE
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
WRITE
UTILITY
PARAMETER
1
(1) Druk terwijl u instellingen maakt op de
[EXIT] knop om naar de Play mode te
gaan. Er verschijnt een symbool in het
display dat aangeeft dat de instellingen
werden gewijzigd.
Terwijl u edit worden “U” of “F”
geïnverteerd afgebeeld.
(2) Ga met de NUMBER regelaar naar een
ander Patch nummer.
Daarmee hebt u die Patch nog niet gekozen, maar u
krijgt wel reeds zijn naam en het gebruikte algoritme te zien. Bovendien knippert de Patch naam.
(3) Druk op de NUMBER regelaar om de
Patch waarop u in stap 2 bent terechtgekomen te selecteren.
Er verschijnt nu een prompt die u vraagt of u wel
degelijk een andere Patch wilt kiezen (en daarmee
de wijzigingen in de huidige Patch annuleren).
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
BYPASS
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
BYPASS
RSS
1,3
wordt het onderhand wel tijd dat we u uitleggen
hoe u dat kunt doen. Nog even ter herinnering: het
bewaren van een gewijzigde Patch is nodig omdat
de wijzigingen die u hebt aangebracht anders verloren gaan zodra u een andere Patch kiest of de
SX-700 uitschakelt.
(1) Eens u de gewenste instellingen hebt
gemaakt drukt u op [WRITE].
U krijgt nu het volgende display te zien.
(2) Ga met de NUMBER regelaar naar het
Patch nummer waaronder u de Patch
wilt opslaan.
Opmerking: Deze stap mag u overslaan als u de nieuwe instellingen onder het originele Patch nummer wilt
opslaan.
Opmerking: Patch nummers P1~P128 zijn Preset
Patches, die kunt u niet overschrijven met nieuwe
Patches. Hebt u de inhoud van zo’n Preset Patch
gewijzigd en wilt u die gewijzigde versie bewaren,
dan kunt u dat doen onder een User Patch nummer
(U1~U128).
Opmerking: Beslist u op dit moment om niets te
bewaren en terug te keren naar de Edit mode, druk dan
op [EXIT].
Druk nogmaals op de NUMBER regelaar om
bevestigend te antwoorden. De gemaakte wijzigingen gaan dan verloren en de SX-700 kiest de instellingen van het Patch nummer dat u in stap 2 hebt
geselecteerd.
Druk op [EXIT] om terug te keren naar de Play
mode zonder de wijzigingen te annuleren (u komt
dan opnieuw terecht bij de Patch die u aan het wijzigen was).
Wijzigingen bewaren
We hebben al regelmatig verwezen naar het “bewaren” van instellingen onder een Patch nummer, dus
20
(3) Druk op [WRITE].
De gewijzigde instellingen worden opgeslagen
onder het Patch nummer dat u in stap 2 hebt gekozen. Zodra de instellingen zijn opgeslagen keert u
automatisch terug naar de Play mode.
6.3 Utility parameters
Op de volgende bladzijden maakt u kennis met de
Utility parameters van de SX-700. Deze parameters dienen om de configuratie van de SX-700 aan
te passen voor de setup waarmee u werkt.
Instellingen wijzigen , Utility parameters
■
Opmerking: Meer informatie over MIDI vindt u
onder “MIDI” op blz. 48.
BYPASS MODE (BYPASS, MUTE)
Opmerking: Lees in dit verband misschien ook eens
“Opnieuw de fabrieksinstellingen laden (initialiseren)” op blz. 54.
Met deze parameter bepaalt u wat er gebeurt als u
de Bypass functie inschakelt (met de knop op het
frontpaneel of met een pedaal).
3
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
2
De effecten worden uitgeschakeld; enkel het directe
ingangssignaal verschijnt aan de uitgang.
MUTE
Er verschijnt niets meer aan de uitgang; het uitgangssignaal van de SX-700 wordt dus volledig stomgeschakeld.
UTILITY
PARAMETER
5
BYPASS
1
Opmerking: Vanuit de fabriek is deze parameter op
“BYPASS” ingesteld.
(1) Druk op [UTILITY].
De indicator op de knop licht op en u kunt instellingen voor de Utility mode maken.
3 ] [ 4 ](2) Kies met de PARAMETER [
knoppen de parameter die u wilt editen.
■
3]
Opmerking: Door één van de PARAMETER [3
4 ]- knoppen ingedrukt te houden stapt u in versneld
[4
Als deze parameter is ingeschakeld kunt u door op
de VALUE regelaar te drukken extra informatie
oproepen over de huidig geselecteerde parameter.
tempo door de parameters.
(3) Kies met de VALUE regelaar de gewenste waarde. U kunt de waarde sneller veranderen door op de VALUE regelaar te
drukken terwijl u eraan draait.
(4) Herhaal stap 2 en 3 om nog andere Utility parameters in te stellen.
(5) Druk op [EXIT] om terug te keren naar
de Play mode.
Overzicht van de Utility parameters
■
STANDARD PITCH (345~445Hz)
PARAMETER HELP (ON, OFF)
■
LCD CONTRAST (0~15)
In bepaalde omstandigheden kan het display moeilijk leesbaar zijn. Dat heeft meestal te maken met
de plaatsing van de SX-700 (veel rechtstreekse
lichtinval, moeilijke afleeshoek, enz.). U kunt de
leesbaarheid in dergelijke omstandigheden verbeteren door het contrast aan te passen.
Met deze parameter kiest u de referentietoonhoogte
waarop de SX-700 zich baseert om noten in het
ingangssignaal te herkennen (voor het Harmonist
effect).
De referentietoonhoogte wordt uitgedrukt als de
frequentie (in Hz) van de noot A4 (de middenste A
op een pianoklavier).
Opmerking: De fabrieksinstelling voor deze parameter is 440 Hz (dat is trouwens internationaal de meest
gangbare standaardtoonhoogte).
21
SX-700 Handleiding
■
MIDI CHANNEL (1~16) (zie blz. 49)
■
MIDI OMNI MODE (OMNI ON, OMNI
OFF) (zie blz. 49)
■
MIDI DEVICE ID (1~32) (zie blz. 49)
■
MIDI PROGRAM CHANGE RECEIVE
(ON, OFF) (zie blz. 49)
■
MIDI PROGRAM CHANGE MAP (zie
blz. 49)
■
MIDI BULK DUMP (zie blz. 50)
■
MIDI BULK LOAD (zie blz. 51)
■
FACTORY PRESET (zie blz. 54)
Met deze laatste parameters kiest u voor alle
Patches opnieuw de originele fabrieksinstellingen.
Meer informatie hieromtrent vindt u onder
“Opnieuw de fabrieksinstellingen laden (initialiseren)” op blz. 54.
22
Overzicht van de effecten ,
7.
Overzicht van de effecten
In dit hoofdstuk geven we u een exhaustief overzicht van de beschikbare effecten en hun parameters.
Opmerking: Als we het over “direct geluid” hebben bedoelen we het ingangssignaal voor elk van de effectblokken.
Met “effectgeluid” bedoelen we het geluid zoals het klinkt na bewerking door een effectblok.
7.1 Structuur van de algoritmes
1: Type A1
INPUT L
INPUT R
4: Type A4
1
2
3
4
5
OUTPUT L
INPUT L
OUTPUT R
INPUT R
1
2
3
4
OUTPUT L
OUTPUT R
5
2: Type A2
5: Type A5
INPUT L
INPUT R
1
2
3
4
OUTPUT L
OUTPUT R
INPUT L
5
INPUT R
1
2
3
4
OUTPUT L
OUTPUT R
5
3: Type A3
6: Type A6
INPUT L
INPUT R
1
2
3
4
OUTPUT L
OUTPUT R
INPUT L
5
INPUT R
1
4
2
3
OUTPUT L
OUTPUT R
5
23
SX-700 Handleiding
7: Type A7
INPUT L
INPUT R
11: Type B2
1
2
4
3
5
OUTPUT L
OUTPUT R
2
3
1
2
OUTPUT L
3
4
INPUT R
OUTPUT R
INPUT L
INPUT R
1
2
3
5
OUTPUT L
OUTPUT R
4
OUTPUT L
4
OUTPUT L
OUTPUT R
5
9: Type A9
13: Type B4
INPUT L
INPUT R
1
2
3
4
OUTPUT L
5
OUTPUT R
1
INPUT L
INPUT R
1
2
3
OUTPUT R
5
10: Type B1
14: Type B5
2
3
4
5
OUTPUT L
OUTPUT R
INPUT L
INPUT R
1
2
3
5
24
4
12: Type B3
INPUT L
INPUT L
1
5
8: Type A8
INPUT R
INPUT L
INPUT R
4
OUTPUT L
OUTPUT R
Overzicht van de effecten ,
15: Type B6
19: Type C1
INPUT L
1
INPUT R
2
OUTPUT L
3
4
OUTPUT R
INPUT L
INPUT R
E D+M
REV
5
OUTPUT L
OUTPUT R
RSS
Feedback
16: Type B7
In L
FbDly : PsOut
DELAY
In R
1
2
3
4
PS-4
PS-3
INPUT L
INPUT R
1
2
4
PS-2
OUTPUT L
OUTPUT R
PS-1
3
P.Shifter
Level-4 Pan-4
Out L
P.Shifter
Level-3 Pan-3
P.Shifter
Level-2 Pan-2
P.Shifter
Level-1 Pan-1
Out R
5
Type A1–9
17: Type B8
EQ
MODULATION DELAY REVERB
St.Chorus
St.Flanger
St.Phaser
2Voices Harmonist
2Voices P.Shifter
INPUT L
1
INPUT R
4
2
Simple
3 Tap
4 Tap
Stereo
Quad
Ducking
Band Pass
Room 1/2/3
Hall 1/2
Garage
Plate
NLR
RSS
3D Panner
Single 3D
Dual 3D
Quad 3D
OUTPUT L
3
OUTPUT R
Type B1–9
5
EQ
MODULATION DELAY REVERB
St.Chorus
St.Flanger
St.Phaser
2Voices Harmonist
2Voices P.Shifter
St.2Band Chorus
4Voices Harmonist
4Voices P.Shifter
Rotary
Space Chorus
18: Type B9
Simple
3 Tap
4 Tap
Stereo
Room 1/2/3
Hall 1/2
Garage
Plate
NLR
RSS
3D Panner
Single 3D
Dual 3D
Type C1
INPUT L
1
2
INPUT R
3
4
5
OUTPUT L
OUTPUT R
EQ
DELAY+MODULATION REVERB
4 Tap
4Voices P.Shifter
Room 1/2/3
Hall 1/2
Garage
Plate
NLR
RSS
3D Panner
Single 3D
Dual 3D
25
SX-700 Handleiding
7.2 Equalizer
EqCtl
LowFq
LowGn
Low_Q
MidFq
MidGn
EQ ON/OFF
OFF, ON
EQ Low Frequency 200
2.0k
EQ Low Gain
-12.0
+12.0
EQ Low Q
Shelv, 0.3~10
EQ Middle Frequency200
8.0k
EQ Middle Gain
-12.0
+12.0
Mid_Q
HigFq
HigGn
Hig_Q
EQ_Gn
EQ Middle Q
EQ High Frequency
EQ High Gain
EQ High Q
EQ Total Gain
0.3
10
2.0k
20.1k
-12.0
+12.0
Shelv, 0.3~10
-12.0
+12.0
Voor deze parameter kunt u ook de optie “Shelv”
(Shelving) kiezen. De lage tonen-equalizer krijgt
dan een shelving karakteristiek.
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
■
[dB]
■
■
■
Hiermee bepaalt u de mate van versterking of verzwakking voor de lage tonen.
■
Low Q
Hiermee bepaalt u de bandbreedte, dat wilt zeggen:
hoeveel frequenties er links en rechts van de centerfrequentie mee worden versterkt/verzwakt. Hoe
hoger deze waarde, hoe minder frequenties er worden “meegenomen”.
26
High Frequency
Met deze parameter kiest u de centerfrequentie
waarrond u hoge tonen wilt versterken of verzwakken.
■
High Gain
Hiermee bepaalt u de mate van versterking of verzwakking voor de hoge tonen.
■
High Q
Hiermee bepaalt u de bandbreedte, dat wilt zeggen:
hoeveel frequenties er links en rechts van de centerfrequentie mee worden versterkt/verzwakt. Hoe
hoger deze waarde, hoe minder frequenties er worden “meegenomen”.
Voor deze parameter kunt u ook de optie “Shelv”
(Shelving) kiezen. De hoge tonen-equalizer krijgt
dan een shelving karakteristiek.
Low Frequency
Low Gain
Middle Q
Hiermee bepaalt u de bandbreedte, dat wilt zeggen:
hoeveel frequenties er links en rechts van de centerfrequentie mee worden versterkt/verzwakt. Hoe
hoger deze waarde, hoe minder frequenties er worden “meegenomen”.
Equalizer On/Off
Met deze parameter kiest u de centerfrequentie
waarrond u lage tonen wilt versterken of verzwakken.
Middle Gain
Hiermee bepaalt u de mate van versterking of verzwakking voor de middentonen.
Met deze parameter schakelt u de equalizer in of
uit.
■
Middle Frequency
Met deze parameter kiest u de centerfrequentie
waarrond u middentonen wilt versterken of verzwakken.
[Hz]
[dB]
Als u een beetje vertrouwd bent met de materie
hebt u uit de bovenstaande parameters al kunnen
opmaken dat het hier om een driebands parametrische equalizer gaat. De drie banden waarover we
het hebben zijn de frequentiegebieden van de hoge,
midden- en lage tonen. Parametrisch wilt zeggen
dat u voor elk van deze banden niet enkel de mate
van versterking/verzwakking kunt instellen, maar
ook de frequentie en de bandbreedte (Q) waarop
deze versterking/verzwakking plaatsvindt. Bovendien zit in de “Q” parameter van de hoge en lage
band een shelving optie ingebouwd, waarmee u die
banden een shelving karakteristiek kunt geven. Een
shelving karakteristiek houdt in dat alle frequenties
beneden (voor de lage tonen), resp. boven (voor de
hoge tonen) de gekozen basisfrequentie worden
versterkt/verzwakt, daar waar bij de “normale”
(peak) karakteristiek het bewerkte gebied langs
boven en onder is begrensd (door de gekozen bandbreedte).
■
■
■
Total Gain
Met deze parameter kunt u het uitgangsvolume na
de equalizer aanpassen. Als u veel frequenties versterkt kan het nodig zijn het uitgangsvolume wat af
te zwakken, om te voorkomen dat u de ingang van
het volgende effectblok overstuurt.
Overzicht van de effecten , Modulation
7.3 Modulation
Deze chorus effecten kunnen het linker en rechter
kanaal apart bewerken, voor een “echt” stereoeffect. Het effect wordt verkregen door een lichtjes
ontstemde versie van het directe geluid aan het uitgangssignaal toe te voegen. Het geluid wordt op die
manier breder en “vetter”. Het “Stereo 2Band Chorus” effect gaat nog een stapje verder: bij dit effect
wordt het signaal eerst uitgesplitst in twee frequentiebanden, een hoge en een lage, die dan apart van
chorus kunnen worden voorzien.
Voor ieder Patch nummer kunt u één van de onderstaande types modulatie selecteren.
Opmerking: Deze keuze maakt u met de “MdTyp
(Modulation Type)” parameter.
Chors
Stereo Chorus
Flang
Stereo Flanger
Phase
Stereo Phaser
2V-HR
2Voices Harmonist
2V-PS
2Voices Pitch Shifter
2BCho*
Stereo 2Band Chorus
4V-HR*
4Voices Harmonist
4V-PS*
4Voices Pitch Shifter
Rotry*
Rotary
Space*
Space Chorus
■
Modulation On/Off
Met deze parameter schakelt u het chorus effect in
of uit.
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
Opmerking: Effecten die worden vergezeld door een
■
Input Mode
Met deze parameter kiest u tussen een mono- of
stereo-ingangssignaal.
asterisk (“*”) kunt u kiezen binnen de algoritmes B1
t/m B9.
Mono:
Stereo Chorus
Stereo 2Band Chorus
Stereo:
Input L
Input L
Input R
Input R
< Stereo Chorus >
MdCtl
MdTyp
Input
Modulation On/Off
Modulation Type
Input Mode
OFF, ON
Rate
Depth
CH-PD
LFO
Phase
XMix
MPanL
MPanR
Rate
Depth
Pre Delay
LFO Waveform
Phase
Cross Mix Level
Pan L
Pan R
0
0
0.0
Tri, Sin
0
0
100:0
100:0
Mono, Stereo
100
100
50.0
360
100
0:100
0:100
[deg]
< Stereo 2Band Chorus >
■
MdCtl
MdTyp
Input
Lo-Rt
Lo-Dp
Lo-PD
Modulation On/Off
Modulation Type
Input Mode
Low Band Rate
Low Band Depth
Low Band PreDly
Mono, Stereo
0
100
0
100
0.0
50.0
LoLFO
Lo-Ph
Hi-Rt
Hi-Dp
Hi-PD
HiLFO
Hi-Ph
Xover
MxLev
Low LFO Waveform
Low Phase
High Band Rate
High Band Depth
High Band PreDly
High LFO Waveform
High Phase
Crossover Frequency
Mix Level
Tri, Sin
0
0
0
0.0
Tri, Sin
0
100
100:0
Mono
De linker en rechter kanalen worden samengevoegd tot een mono-ingangssignaal voor de chorus.
Stero (Stereo)
Het effect wordt een echt stereo-effect, waarbij
het linker en rechter kanaal apart van chorus worden voorzien.
[ms]
OFF, ON
Rate
Met deze parameter bepaalt u de modulatiesnelheid
van het chorus effect.
■
Hiermee bepaalt u de diepte van het chorus effect.
Door deze parameter op “0” te zetten kunt u een
doubling (“verdubbelings”) effect maken (mits een
langere Pre Delay, zie hieronder).
[ms]
360
100
100
50.0
[deg]
360
4.00k
0:100
[deg]
[Hz]
[ms]
Depth
■
Pre Delay
Met deze parameter bepaalt u hoeveel het effectgeluid wordt vertraagd ten opzichte van het directe
geluid. Door een relatief lange Pre Delay te kiezen
27
SX-700 Handleiding
wekt u de indruk dat er meerdere instrumenten
tegelijk spelen, het zogenaamde doubling effect.
■
Stereo Flanger
LFO Waveform
Hiermee kiest u een golfvorm voor de LFO (lage
frequentie oscillator) van de chorus.
Tri (Triangle)
Sin (Sine)
■
Dit levert een klassieke chorus klank (met een
matige “zweving”).
Dit zorgt voor een chorus effect met meer zwevingen dan “Tri”.
Phase
Met deze parameter bepaalt u de faserelatie tussen
de LFO’s voor het linker en rechter kanaal. Bij de
waarde “0” staan de kanalen perfect in fase, bij de
waarde “180” staan ze volledig uit fase.
■
■
■
Crossover Frequency (*enkel voor Stereo
2Band Chorus)
Resnc
LFO
Resonance
LFO Waveform
Phase
Phase
-100
100
Tri, Sin, Exp,
Ofw1, Ofw2
0
360
MGtMd
MGtSp
MGtRt
Gate Mode
Gate Slope
Gate Rate
OFF, E, D+E
0
100
0
100
100
Met deze parameter schakelt u het flanger effect in
of uit.
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
■
Input Mode
Met deze parameter kiest u tussen een mono- of
stereo-ingangssignaal.
Pan R (*enkel voor Stereo Chorus)
Mono:
Stereo:
Input L
Input L
Input R
Input R
Mix Level (*enkel voor Stereo 2Band Chorus)
Met deze parameter kunt u de volumes voor de
Low en High componenten van de tweebands chorus instellen.
28
0
[deg]
Modulation On/Off
Hiermee bepaalt u de stereopositie van het chorusgeluid voor het rechter kanaal.
■
Mono, Stereo
0
100
0
100
0
100
Pan L (*enkel voor Stereo Chorus)
Hiermee bepaalt u de stereopositie van het chorusgeluid voor het linker kanaal.
■
OFF, ON
Het gaat hier om een “echte” stereo flanger (linker
en rechter kanaal kunnen apart worden bewerkt).
Uiteraard kunt u de resonantiediepte variëren,
waardoor typische “straaljagereffecten” tot de
mogelijkheden behoren.
Cross Mix Level
Hiermee kiest u de kantelfrequentie van het wisselfilter dat het ingangssignaal in “hoge” en “lage”
tonen opsplitst.
Modulation On/Off
Modulation Type
Input Mode
Rate
Depth
Manual
MGtWd Gate Width
Met deze parameter bepaalt u in welke mate het uitgangssignaal van het ene kanaal wordt toegevoegd
aan het andere kanaal. Door een beetje met deze
waarde te spelen kunt u het geluid “vetter” maken.
■
MdCtl
MdTyp
Input
Rate
Depth
Manu
Mono
De linker en rechter kanalen worden samengevoegd tot een mono-ingangssignaal voor de flanger.
Stero (Stereo)
Het effect wordt een echt stereo-effect, waarbij
het linker en rechter kanaal apart van flanger worden voorzien.
Overzicht van de effecten , Modulation
■
Rate
kelijk van het signaalniveau. In verband met de
werking van de Gate hebt u drie opties:
Met deze parameter bepaalt u de modulatiesnelheid
van het flanger effect.
■
Depth
Hiermee bepaalt u de diepte van het flanger effect.
■
Manual
■
Hiermee kiest u de tijdsvertraging ten opzichte van
het directe geluid. Dit heeft een invloed op de frequentiekarakteristiek van het effect.
■
Resonance
Met deze parameter bepaalt u de hoeveelheid resonantie. Hoe hoger de waarde, hoe meer uitgesproken het effect klinkt. Negatieve waarden zorgen
voor een resonantie met een omgekeerde fase.
OFF
De Gate werkt niet.
E (Effect)
De Gate werkt enkel op het effectgeluid.
D+E (Direct+Effect)
De Gate werkt zowel op het directe geluid als
op het effectgeluid.
Gate Slope
Hiermee bepaalt u hoelang de Gate erover doet om
te openen of te sluiten.
■
Gate Rate
Hiermee bepaalt u de volledige lengte van een
open/sluit cyclus.
■
Gate Width
Hiermee bepaalt u hoelang de Gate geopend blijft.
■
LFO Waveform
Hiermee kiest u een golfvorm voor de LFO (lage
frequentie oscillator) van de flanger.
Stereo Phaser
Tri:
Sin:
Exp:
Ofw1:
Ofw2:
■
Gate Mode
Hiermee kiest u op welke manier u wilt gebruik
maken van de Gate. Een (Noise) Gate kent u misschien als een studio-apparaat dat, afhankelijk van
het signaalniveau, een geluidskanaal opent en sluit
(gate is het Engelse woord voor “poort”). De Gate
functie van de SX-700 opent en sluit de uitgang van
het Flanger effect, maar doet dat met een vaste
regelmaat (gestuurd door een LFO), dus onafhan-
Modulation On/Off
Modulation Type
Input Mode
OFF, ON
Mono, Stereo
Mode
Rate
Depth
Manu
Resnc
Phase
Phaser Type
Rate
Depth
Manual
Resonance
Phase
4Stag, 8Stag
1
100
0
100
0
100
0
100
0
360
[deg]
Het gaat hier om een “echte” stereo phaser (linker
en rechter kanaal kunnen apart worden bewerkt).
Het effect voegt een in fase verschoven signaal toe
van het directe geluid toe, waardoor een breed,
“waaierend” geluid ontstaat.
Phase
Met deze parameter bepaalt u de faserelatie tussen
de LFO’s voor het linker en rechter kanaal. Bij de
waarde “0” staan de kanalen perfect in fase, bij de
waarde “180” staan ze volledig uit fase.
■
MdCtl
MdTyp
Input
■
Modulation On/Off
Met deze parameter schakelt u het phaser effect in
of uit.
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
29
SX-700 Handleiding
■
Input Mode
Invl2
Lvl-1
Met deze parameter kiest u tussen een mono- of
stereo-ingangssignaal.
Mono:
Input L
Stereo:
Input L
Input R
Input R
Mono
De linker en rechter kanalen worden samengevoegd tot een mono-ingangssignaal voor de phaser.
Stero (Stereo)
■
Pan-1
Lvl-2
Pan-2
Detct
HrSrc
[TBL]
MdCtl
Modulation On/Off
MdTyp Modulation Type
Scale
Scale
Key
Key
Invl1
Voice 1 Interval
Invl2
Voice 2 Interval
Invl3
Voice 3 Interval
Invl4
Voice 4 Interval
Lvl-1
Voice 1 Level
Pan-1
Voice 1 Pan
Lvl-2
Voice 2 Level
Pan-2
Voice 2 Pan
Lvl-3
Voice 3 Level
Pan-3
Voice 3 Pan
Lvl-4
Voice 4 Level
Pan-4
Voice 4 Pan
Detct
Pitch Detect Ch
HrSrc
Harmonist Source
[TBL]
Scale Table
In
C
Out[V1]
Oct
Out[V2]
Oct
Out[V3]
Oct
Out[V4]
Oct
Het effect wordt een echt stereo-effect, waarbij
het linker en rechter kanaal apart van phaser worden voorzien.
Rate
Depth
Hiermee bepaalt u de diepte van het phaser effect.
■
Manual
Hiermee kiest u de tijdsvertraging ten opzichte van
het directe geluid. Dit heeft een invloed op de frequentiekarakteristiek van het effect.
■
Resonance
Met deze parameter bepaalt u de hoeveelheid resonantie. Hoe hoger de waarde, hoe meer uitgesproken het effect klinkt. Negatieve waarden zorgen
voor een resonantie met een omgekeerde fase.
■
Met deze parameter bepaalt u de faserelatie tussen
de LFO’s voor het linker en rechter kanaal. Bij de
waarde “0” staan de kanalen perfect in fase, bij de
waarde “180” staan ze volledig uit fase.
< 2Voices Harmonist >
30
100:0
0:100
0
100
100:0
0:100
Norml, Lch, Rch
Gnrl1, Gnrl2, Vocal
B
Oct
Oct
Oct
Oct
*User Scale
*User Scale
*User Scale
*User Scale
*User Scale
OFF, ON
Major, Minor
C
B
Oct
Oct
Oct
Oct
Oct
Oct
Oct
Oct
0
100
100:0
0:100
0
100
100:0
0:100
0
100
100:0
0:100
0
100
100:0
0:100
Norml, Lch, Rch
Gnrl1, Gnrl2, Vocal
B
Oct
Oct
Oct
Oct
*User Scale
*User Scale
*User Scale
*User Scale
*User Scale
Opmerking: Controleer voor u de Harmonist
gebruikt ook of de SX-700 op de juiste referentietoonhoogte staat ingesteld.
2Voices Harmonist
4Voices Harmonist
Modulation On/Off
Modulation Type
Scale
Key
Voice 1 Interval
Oct
100
Dit effect voegt harmonieën toe aan de noten die u
speelt (in de toonaard van de song). U kunt naar
keuze twee of vier harmonienoten laten toevoegen.
Bij het gebruik van dit effect speelt u best geen
akkoorden, anders raakt de Harmonist in verwarring.
Phase
MdCtl
MdTyp
Scale
Key
Invl1
Voice 1 Pan
Voice 2 Level
Voice 2 Pan
Pitch Detect Ch
Harmonist Source
Scale Table
In
C
Out[V1]
Oct
Out[v1]
Oct
Out[V2]
Oct
Out[v2]
Oct
Oct
0
< 4Voices Harmonist >
Met deze parameter bepaalt u de modulatiesnelheid
van het phaser effect.
■
Voice 2 Interval
Voice 1 Level
OFF, ON
Major, Minor
C
B
Oct
Oct
■
Modulation On/Off
Met deze parameter schakelt u de Harmonist in of
uit.
Overzicht van de effecten , Modulation
■
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
■
De Harmonist analyseert de toonhoogte van het
ingangssignaal en voegt op basis van de gevonden
noot harmonienoten toe. Met deze parameter
bepaalt u uit welk ingangskanaal de toonhoogte
wordt afgeleid.
Scale
Hiermee kiest u de toonladder (mineur of majeur)
voor de song die u gaat spelen.
■
Key
Hiermee kiest u de toonaard van de song. Het komt
er dus op neer dat u met de Scale en Key parameters de toonaard kiest van de song die u gaat spelen.
Op die manier stelt u de Harmonist in staat om de
juiste noten te genereren.
In de onderstaande afbeelding ziet u een overzicht
van de mogelijke voortekeningen (# of b) die een
muziekstuk kan hebben, en de mineur en majeur
toonaarden die hiermee overeenkomen.
Majeur C
&
Mineur Am
F
bb
b
E
b
A
b
D
b
G
Cm
Fm
b
Bm
b
Em
G
D
A
E
B
F
&
Em
##
Bm
#
### #### #### #####
# #
#
Fm
#
Cm
#
Gm
Interval
Hiermee bepaalt u voor elk van de harmoniestemmen welk interval ten opzichte van de ingangsnoot.
Dit interval kunt u u kiezen binnen een bereik van
-2/+2 octaven.
Opmerking: Leveren de standaard majeur/mineur
toonladders u niet de gewenste intervallen op, dan
kunt u ook zelf een toonladder (User Scale) specifiëren. Maakt u van zo’n User Scale gebruik, dan wordt
voor de interval parameter “User” afgebeeld. Zie
“User Scale programmeren” op blz. 31.
■
Level
Hiermee stelt u het volume van iedere stem in.
■
Deze optie moet u kiezen als u een stereosignaal wilt bewerken. De toonhoogte wordt afgeleid uit de linkeringang (INPUT L).
L ch
INPUT L dient enkel om de toonhoogte uit af te
leiden. De harmoniestemmen worden toegevoegd aan het signaal van INPUT R (het
ingangssignaal is bij deze optie dus mono).
R ch
INPUT R dient enkel om de toonhoogte uit af te
leiden. De harmoniestemmen worden toegevoegd aan het signaal van INPUT L (het ingangssignaal is bij deze optie dus mono).
Harmonist Source
Gnrl1 (General 1)
Kies deze optie voor instrumenten zoals strijkers, enz.
Gnrl2 (General 2)
Kies deze optie voor instrumenten zoals blazers, enz.
Vocal
Kies deze optie als u een menselijke stem als
ingangssignaal gebruikt.
#
Dm
■
■
Norml (Normal)
Dit is een parameter die het gedrag van de Harmonist aanpast op het soort instrument (dan wel stem)
dat u op de SX-700 hebt aangesloten. Er zijn drie
opties:
bbb bbbb bbbbb bbbbbb
Gm
#
■
b
Dm
Majeur
Mineur
B
b
Pitch Detect Channel
Pan
Scale Table
Met deze parameter kunt u de User Scale programmeren waarvan we daarnet gewag maakten. Door
aan de VALUE regelaar te draaien kunt u de User
Scale van een ander Patch nummer kiezen. U kunt
ook op de VALUE regelaar drukken en een volledig nieuwe User Scale programmeren. Hieronder
volgt de volledige werkwijze om een User Scale te
programmeren.
User Scale programmeren
Een User Scale is een toonladder waarvan u zelf de
intervallen bepaalt, dit in tegenstelling tot de standaard beschikbare mineur en majeur ladders (die u
met de Scale parameter kunt kiezen). U kunt voor
ieder Patch nummer en voor iedere stem een andere
User Scale instellen.
(1) Ga in het Harmonist scherm met de
PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar de
Hiermee stelt u de stereopositie van iedere stem in.
31
SX-700 Handleiding
parameter [TBL] (“Table”), zodat deze
begint te knipperen.
(2) Nu kunt u:
Een bestaande Scale kopiëren uit een ander Patch
nummer: ga met de NUMBER regelaar naar het
Patch nummer waarvan u wilt kopiëren (de bron
Patch). U krijgt nu de User Scale van die Patch in
het display te zien.
of:
Een nieuwe Scale programmeren. Druk op de
NUMBER regelaar om het volgende scherm te
openen.
[2Voices Harmonist]
In
V1
v1
V2
v2
wilt kiezen, zodat deze begint te knipperen.
(6) Kies met de VALUE regelaar welke noot
u door die stem wilt laten genereren.
(7) Herhaal stap 2~6 tot u voor alle mogelijke ingangsnoten de gewenste intervallen
hebt ingesteld.
(8) Druk op [EXIT] om dit scherm te verlaten.
Opmerking: Als u een User Scale gebruikt, dan
wordt voor de “Interval” parameter “User” afgebeeld.
Opmerking: Om in plaats van de User Scale opnieuw
één van de voorgeprogrammeerde toonladders te
gebruiken moet u naar de “Interval” parameter gaan
en met de VALUE regelaar voor iedere stem het
gewenste interval kiezen.
2Voices Pitch Shifter
4Voices Pitch Shifter
< 2Voices Pitch Shifter >
In
Hieronder wordt de nootnaam van het ingangssignaal
afgebeeld.
V1, 2
Hieronder worden de nootnamen afgebeeld die de Harmonist genereert wanneer de toonhoogte van het ingangssignaal hoger is dan de vorige ingangsnoot.
v1, 2
Hieronder worden de nootnamen afgebeeld die de Harmonist genereert wanneer de toonhoogte van het ingangssignaal lager is dan de vorige ingangsnoot.
[4Voices Harmonist]
In
V1
V2
V3
V4
In
Hieronder wordt de nootnaam van het ingangssignaal
afgebeeld.
V1-4
Hieronder ziet u voor iedere stem de nootnaam die de Harmonist genereert voor de huidig geselecteerde ingangsnoot.
(3) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar “In”, zodat deze parameter
begint te knipperen.
(4) Kies met de VALUE regelaar de nootnaam van de ingangsnoot waarvoor u de
harmonienoten wilt instellen.
3 ] [ 4 ]-knop(5) Ga met de PARAMETER [
pen naar stem waarvoor u een nootnaam
32
MdCtl
MdTyp
Mode
PCrm1
Modulation On/Off
Modulation Type
Pitch Shifter Mode
Voice 1 Pitch
OFF, ON
Fine1
PCrm2
Fine2
Lvl-1
Pan-1
Voice 1 Fine
Voice 2 Pitch
Voice 2 Fine
Voice 1 Level
Voice 1 Pan
-50
-24
-50
0
100:0
Lvl-2
Pan-2
Detct
PsSrc
Voice 2 Level
Voice 2 Pan
Pitch Detect Ch
Input Source
0
100
100:0
0:100
Norml, L ch, R ch, · · ·
Gnrl1, Gnrl2, Vocal, · · ·
1, 2, 3, 4, 5, Mono
-24
+24
+50
+24
+50
100
0:100
< 4Voices Pitch Shifter >
MdCtl
MdTyp
Mode
Modulation On/Off
Modulation Type
Pitch Shifter Mode
OFF, ON
PCrm1
Fine1
PCrm2
Fine2
PCrm3
Fine3
PCrm4
Fine4
Lvl-1
Voice 1 Pitch
Voice 1 Fine
Voice 2 Pitch
Voice 2 Fine
Voice 3 Pitch
Voice 3 Fine
Voice 4 Pitch
Voice 4 Fine
Voice 1 Level
-24
-50
-24
-50
-24
-50
-24
-50
0
+24
+50
+24
+50
+24
+50
+24
+50
100
Pan-1
Lvl-2
Pan-2
Lvl-3
Pan-3
Lvl-4
Pan-4
Voice 1 Pan
Voice 2 Level
Voice 2 Pan
Voice 3 Level
Voice 3 Pan
Voice 4 Level
Voice 4 Pan
100:0
0
100:0
0
100:0
0
100:0
0:100
100
0:100
100
0:100
100
0:100
1, 2, 3, 4, 5, Mono
Overzicht van de effecten , Modulation
Detct
PsSrc
Pitch Detect Ch
Input Source
Dit effect voegt twee of vier in toonhoogte verschoven versies van het ingangssignaal toe aan het
uitgangssignaal. U kunt de toonhoogte steeds verschuiven binnen een bereik van twee octaven. Naar
gelang u “2Voices” of “4Voices” kiest worden er
twee of vier in toonhoogte verschoven stemmen
toegevoegd.
■
Modulation On/Off
Met deze parameter schakelt u de Pitch Shifter in of
uit.
■
Opmerking: Het volledige waardebereik van deze
Norml, L ch, R ch, · · ·
Gnrl1, Gnrl2, Vocal, · · ·
parameter (-50~+50) beslaat een halve toon.
■
Met deze parameter past u het volume van het in
toonhoogte verschoven geluid aan.
■
■
Pitch Shifter Mode
1~5
Mono
■
Dit zijn “normale” Pitch Shift-effecten die u ook op
akkoorden kunt gebruiken. Hoe hoger het nummer dat u
kiest, des te trager reageert het effect, maar het getransponeerde geluid klinkt dan ook steeds strakker (minder
zwevingen).
Dit effect kunt u enkel op monofone ingangssignalen
gebruiken, maar het biedt dan ook een optimale geluidskwaliteit, zonder enige zweving.
Pitch
Met deze parameter bepaalt u hoeveel halve tonen
het geluid in toonhoogte wordt verschoven. U kunt
maximum een octaaf hoger en een octaaf lager
transponeren (+/-12 halve tonen).
■
Pitch Detect Channel (enkel voor “Pitch
Shifter Mode: Mono”)
Het Pitch Shifter effect werkt in feite als volgt: de
toonhoogte van het ingangssignaal wordt geanalyseerd en op basis daarvan wordt de juiste harmonie
toegevoegd. Met deze parameter kiest u welk
ingangskanaal wordt gebruikt om de toonhoogte te
analyseren.
Modulation Type
Toonhoogteverschuiving is een erg complexe berekening, die veel vergt van de processor in de
SX-700. Zoveel, dat er eigenlijk steeds een compromis moet worden gesloten: primeert de geluidskwaliteit (toonvastheid) of de snelheid (met andere
woorden: hebt u liever dat het in toonhoogte verschoven signaal een optimale geluidskwaliteit
heeft, of vindt u het belangrijker dat er geen vertraging tussen direct en effectgeluid optreedt?). Dit
soort afwegingen zijn typisch voor effectprocessors uit deze klasse, maar bij Roland geven we u
wel de grootst mogelijke flexibiliteit door 6 modes
te bieden. Elk van die modes biedt een ander compromis tussen geluidskwaliteit/-vertraging, zodat u
de prestaties van het effect optimaal aan uw werksituatie kunt aanpassen.
Pan
Hiermee bepaalt u de stereopositie van het in toonhoogte verschoven geluid.
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
■
Level
■
Norml (Normal)
Deze optie kiest u als u een stereo-signaal
gebruikt. Daarbij wordt het linker kanaal gebruikt
om de toonhoogte te analyseren.
L ch
Het linker kanaal wordt enkel gebruikt om de
toonhoogte uit af te leiden. Het effect wordt
enkel toegepast op het rechter kanaal, dat als
mono-ingangskanaal fungeert.
R ch
Het rechter kanaal wordt enkel gebruikt om de
toonhoogte uit af te leiden. Het effect wordt
enkel toegepast op het linker kanaal, dat als
mono-ingangskanaal fungeert.
…
U gebruikt een Pitch Shifter Mode waarvoor
deze parameter niet van toepassing is.
Input Source (enkel voor “Pitch Shifter
Mode: Mono”)
Deze parameter past het gedrag van de Pitch Shifter
aan op het soort instrument (dan wel stem) dat u op
de SX-700 hebt aangesloten. Dit zijn de opties:
Gnrl1 (General 1)
Kies deze optie voor instrumenten zoals strijkers, enz.
Gnrl2 (General 2)
Kies deze optie voor instrumenten zoals blazers, enz.
Vocal
Kies deze optie als u een menselijke stem als
ingangssignaal gebruikt.
…
U gebruikt een Pitch Shifter Mode waarvoor
deze parameter niet van toepassing is.
Fine
Dit is een fijnregeling voor de toonhoogte van het
verschoven geluid.
33
SX-700 Handleiding
■
Rotary
Met deze parameter schakelt u het Rotary effect in
of uit.
MdCtl
MdTyp
Speed
HFast
RFast
HSlow
Modulation On/Off
Modulation Type
Speed Select
Horn Speed<FAST>
Rotor Speed<FAST>
Horn Speed<SLOW>
OFF, ON
RSlow
H-Ris
R-Ris
H-Fal
R-Fal
R:H
Mode
H-Dpt
R-Dpt
H-Trm
R-Trm
Difsn
Rotor Speed<SLOW> 0.05
5.00
Rise Time;Horn
1
100
Rise Time;Rotor
1
100
Fall Time;Horn
1
100
Fall Time;Rotor
1
100
R:H Mix Balance
90:10
10:90
Mic Setting Mode
OfMic, OnMic
Horn Depth
0
100
Rotor Depth
0
100
Horn Tremolo
0
100
Rotor Tremolo
0
100
Diffusion
0
100
OD-SW
Gain
Drive
OverDrive On/Off
OverDrive Gain
OverDrive Drive
OFF, ON
0
100, · · ·
1
100, · · ·
OD-Lv
OverDrive Level
0
SLOW, FAST
5.00
10.00
5.00
10.00
0.05
5.00
[Hz]
[Hz]
[Hz]
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
[Hz]
100, · · ·
Dit effect bootst het geluid na van een ronddraaiende luidspreker. We hebben het hier uiteraard over
die antieke, loodzware kasten die al sinds grootvaders tijd in combinatie met toonwielorgels menig
podium maar ook menige ruggewervel teisteren.
Het karakteristieke geluid van deze dingen mag
zich nog steeds in een grote populariteit verheugen,
vandaar dat we het effect in de SX-700 hebben
ingebouwd, maar dan zonder de kilo’s!
Ons historische voorbeeld beschikte over een schakelaar waarmee tussen twee draaisnelheden (langzaam en snel) kon worden gekozen. Die snelheden
waren bovendien anders voor de hoorn (hoge
tonen) en de trommel (lage tonen). (Voor alle duidelijkheid: we spreken over roterende luidspreker,
maar het waren er in feite twee; een hoorn voor het
hoog en een basconus met daaronder een roterende
trommel voor het laag.)
Het ROTARY effect van de SX-700 beschikt over
een brede waaier van parameters, waarmee u alle
mechanische grillen van zo’n luidspreker-dinosaurus kunt nabootsen.
De eerste generaties roterende luidsprekers maakten trouwens gebruik van buizenversterkers, die
voortdurend over hun nek gingen in een poging om
boven het groepsgeluid uit te komen. Dat leverde
een uiterst charmante oversturing op, die u met de
Overdrive parameters kunt nabootsen.
34
Modulation On/Off
■
Speed Select
Hiermee schakelt u tussen SLOW (“snel”) en
FAST (“langzaam”; we hebben het hier natuurlijk
over de draaisnelheid van de luidsprekers).
■
Horn Speed <FAST>
Hiermee bepaalt u hoe snel de hoorn draait als u
“FAST” hebt gekozen.
■
Rotor Speed <FAST>
Hiermee bepaalt u hoe snel de trommel draait als u
“FAST” hebt gekozen.
■
Horn Speed <SLOW>
Hiermee bepaalt u hoe snel de hoorn draait als u
“SLOW” hebt gekozen.
■
Rotor Speed <SLOW>
Hiermee bepaalt u hoe snel de trommel draait als u
“SLOW” hebt gekozen.
■
Rise Time; Horn
Hiermee bepaalt u hoe snel de hoorn accelereert als
u van “SLOW” naar “FAST” schakelt.
■
Rise Time; Rotor
Hiermee bepaalt u hoe snel de trommel accelereert
als u van “SLOW” naar “FAST” schakelt.
■
FallTime; Horn
Hiermee bepaalt u hoe snel de hoorn vertraagt als u
van “FAST” naar “SLOW” schakelt.
■
FallTime; Rotor
Hiermee bepaalt u hoe snel de trommel vertraagt
als u van “FAST” naar “SLOW” schakelt.
■
R:H Mix Balance
Met deze parameter bepaalt u de volumebalans tussen de hoorn en de trommel.
Overzicht van de effecten , Modulation
■
Mic Setting Mode
Met deze parameter bepaalt u de positie van de
imaginaire microfoon die wordt gebruikt om het
geluid van de roterende luidspreker op te nemen.
■
OfMic (Off Mic)
Deze optie levert het geluid op van een microfoon
die op een zekere afstand van de luidspreker is
geplaatst. De typische zweving in het geluid is
daardoor minder waarneembaar, wat deze optie
het best geschikt maakt voor bijvoorbeeld jazzorgel.
OnMic (On Mic)
Deze optie levert het geluid op van een microfoon
die dicht bij de luidspreker is geplaatst. Het
geluid heeft veel zwevingen; gebruik deze optie
bijvoorbeeld voor rock-orgel.
Horn Depth
Met deze parameter bepaalt u de diepte van het
Doppler effect voor de hoorn. (Het Doppler effect
is een complexe combinatie van volume-, frequentie- en faseverschuiving. Een grondige uitleg zou
ons hier helaas te ver voeren).
■
■
Overdrive Level
Hiermee bepaalt u het uitgangsniveau van het
Overdrive effect.
…: betekent dat deze parameter op dit moment niet
van toepassing is.
Space Chorus
Dit chorus effect bootst het geluid na van Rolands
klassieke SDD-320 Dimension D effect.
■
Modulation On/Off
Met deze parameter schakelt u het Space Chorus
effect in of uit.
■
Modulation Type
Met deze parameter selecteert u het type modulatie-effect.
Rotor Depth
Met deze parameter bepaalt u de diepte van het
Doppler effect voor de trommel.
■
…: betekent dat deze parameter op dit moment niet
van toepassing is.
■
Input Mode
Met deze parameter kiest u tussen een mono- of
stereo-ingangssignaal.
Horn Tremolo
Met deze parameter bepaalt de diepte van de volumeveranderingen voor de hoorn.
■
Mono:
■
Input L
Input R
Input R
Diffusion
Door deze parameter te variëren kunt u het geluid
meer of minder “vet” maken.
Mono
De linker en rechter kanalen worden samengevoegd tot een mono-ingangssignaal voor de chorus.
Overdrive On/Off
Stero (Stereo)
Het effect wordt een echt stereo-effect, waarbij
het linker en rechter kanaal apart van chorus worden voorzien.
Hiermee schakelt u het oversturings-effect in of uit.
■
Input L
Rotor Tremolo
Met deze parameter bepaalt de diepte van de volumeveranderingen voor de trommel.
■
Stereo:
Overdrive Gain
Hiermee past u het ingangsniveau van het oversturings-effect aan. Hoe hoger deze waarde, hoe meer
oversturing.
…: betekent dat deze parameter op dit moment niet
van toepassing is.
■
Space mode
Hiermee kiest u tussen verschillende soorten Space
Chorus.
Opmerking: Als u deze parameter op “0” zet hoort u
geen uitgangssignaal.
■
Overdrive Drive
Hiermee bepaalt u de hoeveelheid oversturing.
35
SX-700 Handleiding
7.4 Delay
3Tap Delay
Dit effect voegt een vertraagde versie van het
ingangssignaal toe aan het uitgangssignaal (to
delay is het Engels voor “vertragen”). Korte vertragingen zorgen voor een “vetter” geluid, terwijl bij
langere vertragingen een duidelijke “echo” waarneembaar wordt. De Tempo functie biedt u de
mogelijkheid om de delay in de pas te laten lopen
met het tempo dat u op een voetschakelaar tikt of
dat wordt geleverd door een extern MIDI-instrument.
Voor ieder Patch nummer kunt u één van de volgende delaytypes kiezen.
Opmerking: Deze keuze maakt u met de “DlTyp
(Delay Type)” parameter.
Simp
Simple Delay
3 Tap
3Tap Delay
4 Tap
4Tap Delay
Stero
Stereo Delay
Quad*
Quad Delay
Duck*
Ducking Delay
BPF_D*
Band Pass Delay
Opmerking: Effecten die vergezeld zijn van een asterisk (“*”) kunt u kiezen voor de algoritmes A1 tot A9.
Simple Delay
Feedback
Input L
Low
Damp
Output L
High
Damp
DELAY
1
2
3
Delay
Level-3 Pan-3
Output L
Delay
Level-2 Pan-2
Delay
Level-1 Pan-1
Output R
DlCtl
DlTyp
Dly-1
Dly-2
Dly-3
FbDly
FbLvl
Delay On/Off
OFF, ON
Delay Type
Delay Time 1
0.1
Delay Time 2
1
Delay Time 3
1
Feedback Delay Time 1
Feedback Level
-100
1400
200
200
200
100
D_Lv1
D_Lv2
Delay Level 1
Delay Level 2
100
100
D_Lv3
DPan1
DPan2
DPan3
LDpFq
LDpGn
HDpFq
HDpGn
Delay Level 3
0
Delay Pan 1
100:0
Delay Pan 2
100:0
Delay Pan 3
100:0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-20.0
High Damp Frequency250
High Damp Gain
-20.0
Tempo
TpSrc
Tempo
Tempo Source
Note1
64 – 95
Delay Time 1 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
0
0
100
0:100
0:100
0:100
4.0k
0.0
16.0k
0.0
[ms]
[%]
[%]
[%]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
25
250
· · ·, Manu, MIDI,
CtlSW, MIDI C#1 – 31,
Pan
DELAY
Input R
Output R
DlCtl
DlTyp
Delay
FbLvl
D_Pan
LDpFq
LDpGn
HDpFq
HDpGn
Delay On/Off
OFF,ON
Delay Type
Delay Time
0.1
Feedback Level
-100
Delay Pan
100:0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-20.0
High Damp Frequency250
High Damp Gain
-20.0
Tempo
TpSrc
Tempo
Tempo Source
Note
Delay Time as Note
1400
100
0:100
4.00k
0.0
16.0k
0.0
[ms]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
25
250
· · ·, Manu, MIDI, CtlSW,
MIDI C#1 – 31, 64 – 95
· · ·, 1/4 – 1.0
Dit is de meest eenvoudige delay, met een monoingangssignaal.
36
High
Damp
Input R
Feedback
Input L
Low
Damp
Het gaat hier om een delay met drie aparte vertragingslijnen, elk met een apart volume en stereopositie. De delaytijden voor “Delay Time 2” en
“Delay Time 3” stelt u in als een percentage van
“Delay Time 1”. Op die manier blijft de verhouding tussen de drie delays gelijk wanneer u de globale delaytijd (Dly-1) wijzigt.
Opmerking: Als u een delaytijd instelt die boven het
maximum gaat, dan wordt de maximale delaytijd
gebruikt.
Overzicht van de effecten , Delay
4Tap Delay
Stereo Delay
Feedback
Input L
Feedback-L
High Damp-L
DELAY
Input R
DELAY-L
Input L
High Damp
1
2
3
4
Delay
Level-4 Pan-4
Cross
Feedback-R
Level-L
Pan-L
Cross
Feedback-L
Level-R
Pan-R
Output L
Delay
Level-3 Pan-3
Output L
Output R
Delay
Level-2 Pan-2
Feedback-R
Input R
Delay
Level-1 Pan-1
High Damp-R
DELAY-R
Output R
DlCtl
DlTyp
Dly-1
Dly-2
Dly-3
Delay On/Off
Delay Type
Delay Time 1
Delay Time 2
Delay Time 3
Dly-4
FbDly
FbLvl
D_Lv1
OFF, ON
1400
1400
1400
[ms]
[ms]
[ms]
Delay Time 4
0.1
Feedback Delay Time 0.1
Feedback Level
-100
Delay Level 1
0
1400
1400
100
100
[ms]
[ms]
D_Lv2
D_Lv3
D_Lv4
DPan1
DPan2
DPan3
DPan4
HDpFq
HDpGn
Delay Level 2
0
Delay Level 3
0
Delay Level 4
0
Delay Pan 1
100:0
Delay Pan 2
100:0
Delay Pan 3
100:0
Delay Pan 4
100:0
High Damp Frequency250
High Damp Gain
-20.0
100
100
100
0:100
0:100
0:100
0:100
16.0k
0.0
Tempo
TpSrc
Tempo
Tempo Source
Note1
Note2
Note3
Note4
NoteF
0.1
0.1
0.1
[Hz]
[dB]
25
250
· · ·, Manu, MIDI,
CtlSW,MIDI C#1 – 31,
64 – 95
Delay Time 1 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time 2 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time 3 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time 4 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Feedback Time as Note· · ·, 1/4 – 1.0
DlCtl
DlTyp
Dly-L
Dly-R
FbLvL
Delay On/Off
Delay Type
Delay Time L
Delay Time R
Feedback Level L
OFF, ON
0.1
0.1
-100
700
700
100
FbLvR
D_LvL
D_LvR
DPanL
Feedback Level R
Delay Level L
Delay Level R
Delay Pan L
-100
0
0
100:0
100
100
100
0:100
DPanR
DpFqL
DpGnL
DpFqR
DpGnR
XFLvL
XFLvR
Delay Pan R
100:0
High Damp Frequency L250
High Damp Gain L -20.0
High Damp Frequency R250
HighDamp Gain R
-20.0
Cross Feedback Level L-100
Cross Feedback Level R-100
Tempo
TpSrc
Tempo
Tempo Source
NoteL
NoteR
0:100
16.0k
0.0
16.0k
0.0
100
100
[ms]
[ms]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
25
250
· · ·, Manu, MIDI,
CtlSW, MIDI C#1 – 31,
64 – 95
Delay Time L as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time R as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Het gaat hier om een echte stereo-delay, waarbij
het linker en rechter kanaal apart worden bewerkt.
De twee kanalen kunnen ook kruislings worden
gemixt (“cross-feedback”).
Dit is een delay met vier aparte vertragingslijnen.
37
SX-700 Handleiding
Quad Delay
Input L
DELAY-1
Input R
DELAY-2
High Damp
Feedback-1
DELAY-3
High Damp
Feedback-2
DELAY-4
High Damp
Feedback-3
High Damp
Feedback-4
Level-4 Pan-4
Output L
Level-3 Pan-3
FbDly
FbLvl
D_Lv1
Feedback Delay Time 0.1
Feedback Level
-100
Delay Level 1
0
1400
100
100
[ms]
D_Lv2
D_Lv3
DPan1
DPan2
DPan3
HDpFq
HDpGn
Delay Level 2
0
Delay Level 3
0
Delay Pan 1
100:0
Delay Pan 2
100:0
Delay Pan 3
100:0
High Damp Frequency250
High Damp Gain
-20.0
100
100
0:100
0:100
0:100
16.0k
0.0
DckMd
DckSs
Ducking Mode
Ducking Sensitivity
OFF, ON
0
100
DckDp
DckRs
Ducking Depth
Ducking Rise Time
0
0
Tempo
TpSrc
Tempo
Tempo Source
25
250
· · ·, Manu, MIDI,
CtlSW, MIDI C#1 – 31,
Note1
Note2
Note3
NoteF
64 – 95
Delay Time 1 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time 2 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Delay Time 3 as Note · · ·, 1/4 – 1.0
Feedback Time as Note· · ·, 1/4 – 1.0
[Hz]
[dB]
Level-2 Pan-2
Level-1 Pan-1
Output R
DlCtl
DlTyp
Dly-1
Dly-2
Dly-3
Delay On/Off
Delay Type
Delay Time 1
Delay Time 2
Delay Time 3
OFF, ON
0.1
0.1
0.1
1399
1399
1399
[ms]
[ms]
[ms]
Dly-4
FbLv1
FbLv2
FbLv3
Delay Time 4
Feedback Level 1
Feedback Level 2
Feedback Level 3
0.1
-100
-100
-100
1399
100
100
100
[ms]
FbLv4
D_Lv1
D_Lv2
D_Lv3
D_Lv4
DPan1
DPan2
DPan3
DPan4
Feedback Level 4
Delay Level 1
Delay Level 2
Delay Level 3
Delay Level 4
Delay Pan 1
Delay Pan 2
Delay Pan 3
Delay Pan 4
-100
0
0
0
0
100:0
100:0
100:0
100:0
100
100
100
100
100
0:100
0:100
0:100
0:100
HDpFq
HDpGn
High Damp Frequency250
High Damp Gain
-20.0
16.0k
0.0
100
100
Bij deze delay wordt het uitgangsniveau van het
vertraagde geluid gevarieerd in functie van het
niveau van het ingangssignaal. Als dat ingangssignaal erg luid is wordt het vertraagde geluid onderdrukt. Eens het ingangssignaal in volume daalt
komt de delay opzetten.
[Hz]
[dB]
Bij dit algoritme worden vier delays in serie aangesloten.
Band Pass Delay
Feedback
Input L
DELAY
Input R
1
2
3
4
5
Delay
Level-5
Ducking Delay
Delay
Level-4
Feedback
Input L
Delay
Level-3
High
Damp
DELAY
1
Input R
2
3
Delay
Level-2
Delay
Level-3 Pan-3
Output L
Delay
Level-1
Delay
Level-2 Pan-2
Pan-5
BPF-5
Output L
Pan-4
BPF-4
Pan-3
BPF-3
Pan-2
BPF-2
Pan-1
BPF-1
Output R
Delay
Level-1 Pan-1
Output R
Envelope
38
DlCtl
DlTyp
Dly-1
Delay On/Off
Delay Type
Delay Time 1
OFF, ON
0.1
1400
[ms]
Dly-2
Dly-3
Delay Time 2
Delay Time 3
0.1
0.1
1400
1400
[ms]
[ms]
DlCtl
DlTyp
Dly-1
Dly-2
Dly-3
Dly-4
Dly-5
FbLvl
Delay On/Off
Delay Type
Delay Time 1
Delay Time 2
Delay Time 3
Delay Time 4
Delay Time 5
Feedback Level
OFF, ON
0.1
0.1
0.1
0.1
0.1
-100
1400
1400
1400
1400
1400
100
[ms]
[ms]
[ms]
[ms]
[ms]
Overzicht van de effecten , Delay
D_Lv1
D_Lv2
D_Lv3
D_Lv4
D_Lv5
DPan1
DPan2
DPan3
Delay Level 1
Delay Level 2
Delay Level 3
Delay Level 4
Delay Level 5
Delay Pan 1
Delay Pan 2
Delay Pan 3
0
0
0
0
0
100:0
100:0
100:0
100
100
100
100
100
0:100
0:100
0:100
DPan4
DPan5
Freq1
Freq2
Freq3
Freq4
Freq5
Q_1_2
Q_345
FiMix
Delay Pan 4
Delay Pan 5
BPF 1 Frequency
BPF 2 Frequency
BPF 3 Frequency
BPF 4 Frequency
BPF 5 Frequency
BPF 1/2 Q
BPF 3/4/5 Q
BPF Mix Balance
100:0
100:0
C0(16.4)
C0(16.4)
C0(16.4)
C0(16.4)
C0(16.4)
1.0
1.0
100:0
0:100
0:100
C8(4.19k)[Hz]
C8(4.19k)[Hz]
C8(4.19k)[Hz]
C8(4.19k)[Hz]
C8(4.19k)[Hz]
24.0
24.0
0:100
■
Met deze parameter bepaalt u de vertragingstijd
voor de delay.
Bij de “3Tap Delay” wordt de vertragingstijd voor
“Delay Time 1” beschouwd als zijnde 100%, terwijl de delaytijden voor “Delay Time 2” en “Delay
Time 3” relatief ten opzichte van deze tijd worden
ingesteld.
■
Delay On/Off
■
Delay Type
■
■
Delay Pan
Met deze parameter bepaalt u de stereopositie (pan)
van het vertraagde geluid.
Tempo
Hiermee stelt u het tempo in van de song (als u de
delay synchroon met een bepaald tempo wilt laten
lopen).
■
Level
Hiermee bepaalt u het uitgangsvolume van de
delay.
Met deze parameter selecteert u het type delay.
■
Feedback Level
Hiermee bepaalt u de hoeveelheid terugkoppeling.
Hoe hoger de terugkoppeling, hoe meer herhalingen (“echo’s”) de delay produceert. Door negatieve
waarden te kiezen inverteert u de fase van het
teruggekoppelde geluid.
Met deze parameter schakelt u het delay effect in of
uit.
■
Feedback Delay Time
Met deze parameter bepaalt u de vertragingstijd
voor het teruggekoppelde geluid. Met andere woorden: u kiest de vertraging waarmee het reeds vertraagde geluid opnieuw naar de ingang van de
delay wordt gestuurd.
Dit is een delay met vijf vertragingslijnen, die elk
zijn uitgerust met een band-pass filter. Een bandpass filter laat enkel een bepaald stukje van de frequentieband (door uzelf te bepalen) passeren en filtert de rest weg.
■
Delay Time
■
Met deze parameter kiest u de afsnijfrequentie voor
de lage tonen. Alle frequenties beneden deze
afsnijfrequentie worden uit het vertraagde signaal
gefilterd.
Tempo Source
Met deze parameter kiest u de stuurbron die de
delaytijd manipuleert.
…
Dit is de standaardinstelling. In dit geval wordt de
delaytijd gebruikt die u met de “Delay Time” parameter hebt ingesteld.
Manu
In dit geval wordt de delaytijd gebruikt die u met
de “Tempo” en “note” parameters hebt ingesteld.
MIDI
De delaytijd wordt gesynchroniseerd met de MIDIklok die via de MIDI IN connector wordt ontvangen. Deze optie kiest u dus om de delay te synchroniseren met een sequencer.
CtlSW
De delaytijd wordt gesynchroniseerd met het
tempo waarmee u drukt op een voetschakelaar
(aangesloten op de CONTROL ingang).
MIDI C#1~31
of 64~95
Het tempo wordt bepaald door MIDI-controlecommando’s. Met deze parameter specifieert u het
controlenummer.
Low Damp <Frequency>
■
Low Damp <Gain>
Met deze parameter bepaalt u in welke mate de frequenties onder de afsnijfrequentie worden weggefilterd. De waarde “0” betekent dat er niets wordt
gefilterd.
■
High Damp <Frequency>
Met deze parameter kiest u de afsnijfrequentie voor
de hoge tonen. Alle frequenties boven deze afsnijfrequentie worden uit het vertraagde signaal gefilterd.
■
High Damp <Gain>
Met deze parameter bepaalt u in welke mate de frequenties boven de afsnijfrequentie worden wegge39
SX-700 Handleiding
filterd. De waarde “0” betekent dat er niets wordt
gefilterd.
■
Delay Time as Note
Deze parameter stelt u in staat om de delaytijd als
een nootwaarde in te stellen. De delaytijd wordt
ingesteld in functie van de ontvangen tempopulsen,
die steeds als kwartnoten worden geanalyseerd.
■
Feedback Time as Note
Deze parameter stelt u in staat om de feedbacktijd
als een nootwaarde in te stellen. De feedbacktijd
wordt ingesteld in functie van de ontvangen tempopulsen, die steeds als kwartnoten worden geanalyseerd.
■
BPF Q (Band-pass Filter Q)
Hiermee stelt u de bandbreedte van het band-pass
filter in. De bandbreedte bepaalt hoeveel frequenties er links en rechts van de centerfrequentie mee
worden gefilterd. Hoe hoger deze waarde, hoe minder frequenties er worden “meegenomen”.
Cross Feedback Level
Met deze parameter bepaalt u de hoeveelheid signaal die wordt teruggekoppeld naar het andere
kanaal (links naar rechts en vice versa). Door negatieve waarden te kiezen inverteert u de fase van het
teruggekoppelde geluid.
■
■
■
BPF Mix Balance
Hiermee bepaalt u de volumeverhouding tussen het
ongefilterde en gefilterde (door het BPF) delaygeluid.
Wat is Tempo Delay?
De Tempo Delay functie houdt in dat u de delay in
de pas brengt met de muziek die u speelt door in de
maat van die muziek op een voetschakelaar te drukken. Het werkt als volgt:
(1) Ga naar de delayparameters en zoek met
de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen de
“Tempo Source” parameter. Kies met de
VALUE regelaar de gewenste stuurbron
voor de delaytijd.
Ducking Mode
Hiermee schakelt u het ducking effect in of uit.
■
Ducking Sensitivity
Hiermee bepaalt u de gevoeligheid van het ducking
effect ten opzichte van het directe geluid. Hogere
waarden zorgen dat het ducking effect sterker
wordt naarmate het ingangssignaal luider wordt.
■
Ducking Rise Time
Hiermee bepaalt u hoelang het vertraagde geluid
erover doet om zijn maximale volume te bereiken.
■
BPF Frequency (Band-pass Filter Frequency)
Hiermee kiest u de centrale frequentie voor het
band-pass filter. U bent echter niet verplicht om
met frequenties te werken, u kunt het ook met nootnamen doen! Als de “Parameter Help” functie (zie
blz. 21) is uitgeschakeld (OFF) werkt de selectie op
basis van frequenties, als deze functie is ingeschakeld (ON) kunt u nootnamen gebruiken.
40
De delaytijd wordt gesynchroniseerd met de MIDIklok die via de MIDI IN connector wordt ontvangen.
Deze optie kiest u dus om de delay te synchroniseren met een sequencer.
CtlSW
De delaytijd wordt gesynchroniseerd met het
tempo waarmee u drukt op een voetschakelaar
(aangesloten op de CONTROL ingang).
MIDI C#1 - 31
of 64 -95
Het tempo wordt bepaald door MIDI-controlecommando’s. Met deze parameter specifieert u het controlenummer.
Ducking Depth
Hiermee bepaalt u de intensiteit van het ducking
effect. Hoe hoger de waarde, hoe intenser het
effect.
■
MIDI
Opmerking: Als u één van de twee volgende opties
hebt geselecteerd wordt de delaytijd niet door een
tempo gestuurd.
…
Dit is de standaardinstelling. In dit geval wordt de delaytijd gebruikt die u met de “Delay Time” parameter hebt
ingesteld.
Manu
In dit geval wordt de delaytijd gebruikt die u met de
“Tempo” en “note” parameters hebt ingesteld.
(2) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar de “Delay Time as Note” para-
Overzicht van de effecten , Reverb
meter en kies met de VALUE regelaar
het gewenste vertragings-interval.
Met deze parameter bepaalt u de afstand tussen de
individuele herhalingen als een functie van het ritme waarin u op de voetschakelaar drukt (iedere
druk wordt beschouwd als een kwartnoot). Eén en
ander wordt duidelijk in de onderstaande tabel: het
ritme waarmee u op de voetschakelaar drukt wordt
steeds beschouwd als “1” (kwartnoten). De waarde
die u kiest moet u relatief ten opzichte van deze “1”
interpreteren.
gen (laten we deze verder “reflecties” noemen)
heet “reverb” (of “galm”). De reflecties zijn dusdanig complex dat we ze niet meer als individuele
reflecties ervaren, maar als een soort “staart” aan
het geluid. De tijd waarover deze staart uitsterft
wordt bepaald door de reflecterende en absorberende eigenschappen van muren, vloer, enz.
Een behoorlijk complex plaatje, zoals u merkt,
maar de SX-700 heeft voldoende kracht in huis om
al deze variabelen overtuigend na te bootsen. U
kunt voor ieder Patch nummer één van de onderstaande acht types reverb kiezen.
Opmerking: Deze keuze maakt u met de “RvTyp
(Reverb Type)” parameter.
Room1
Room2
Ritme waarmee u
op het pedaal drukt
Ritme waarin u de
vertragingen hoort
Room3
Hall1
q
Hall2
e.
Garage
q 3
Plate
e
NLR: Non-Linear
x.
e3
Room 1/2/3
x
< Room1 >
(3) Herhaal stap 2 om een nootwaarde te
kiezen voor de overige delaylijnen.
Om een tempo delay te gebruiken moet u minstens
vier keer op de voetschakelaar drukken, in de maat
van de song die u speelt. De SX-700 berekent dan
automatisch een standaardtempo. De delaytijd
wordt bepaald door de combinatie van dit standaardtempo en de gekozen nootwaarde.
Opmerking: Eens er een standaardtempo is gevonden
wordt hiermee gewerkt tot u opnieuw op de voetschakelaar drukt, of tot u de SX-700 uitschakelt.
RvCtl
RvTyp
RevTm
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
OFF, ON
32.0
[s]
PrDly
RSize
Dnsty
ERLvl
RlDns
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
Reverb Pre Delay
0
Reverb Room Size
5.6
Density
0
ER Level
0
Release Density
0
Low Damp Freq
50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
200
32.6
99
99
99
4.00k
0.0
20.1k
0.0
[ms]
[m]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
HiCut
High Cut Frequency 200
20.1k
[Hz]
GtMod
GtThr
GtATm
GtHTm
GtRTm
Gate Mode
Gate Threshold
Gate Attack Time
Gate Hold Time
Gate Release
0.06
Opmerking: De maximale delaytijd is 1400 (700)
milliseconden. Resulteert de combinatie van standaardtempo en nootwaarde theoretisch in een vertraging die boven dit maximum ligt, dan wordt de delay
toch op 1400 (700) milliseconden ingesteld.
Thru, Duck, Gate
0
100
1
100
1
100
1
100
< Room2 >
7.5 Reverb
Geluid dat wordt voortgebracht in een gesloten
ruimte weerkaatst tegen muren, plafond, vloer,
voorwerpen, enz. Het geheel van deze weerkaatsin-
RvCtl
RvTyp
RevTm
PrDly
RSize
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
Reverb Pre Delay
Reverb Room Size
OFF, ON
0.06
0
1
32.0
200
10
[s]
[ms]
41
SX-700 Handleiding
Dnsty
ERLvl
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
HiCut
Density
0
ER Level
0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
High Cut Frequency 200
99
99
4.00k
0.0
20.1k
0.0
20.1k
HiCut
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
[Hz]
< Room3 >
RvCtl
RvTyp
RevTm
PrDly
RSize
Dnsty
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
Reverb Pre Delay
Reverb Room Size
Density
OFF, ON
ERLvl
RlDns
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
HiCut
ER Level
0
Release Density
0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
High Cut Frequency 200
0.06
0
1
0
32.0
200
8
99
99
99
4.0k
0.0
20.1k
0.0
20.1k
[s]
[ms]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
[Hz]
Dit effect bootst de galmkarakteristiek na van relatief kleine ruimtes. “Room1” is bovendien voorzien van een Gate functie.
20.1k
[Hz]
Dit effect bootst de galmkarakteristiek na van een
concertzaal.
Garage
RvCtl
RvTyp
RevTm
PrDly
RSize
Dnsty
ERLvl
RlDns
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
Reverb Pre Delay
Reverb Room Size
Density
ER Level
Release Density
OFF, ON
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
HiCut
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
High Cut Frequency 200
0.06
0
1
0
0
0
32.0
200
8
99
99
99
[s]
[ms]
4.00k
0.0
20.1k
0.0
20.1k
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
[Hz]
Dit effect bootst de galmkarakteristiek na van een
garage. Zoals u zich wel kunt voorstellen komt dat
neer op veel reflecties met een harde, “agressieve”
klankkleur.
Plate
Hall 1/2
< Hall1 >
RvCtl
RvTyp
RevTm
PrDly
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
Reverb Pre Delay
RSize
Dnsty
ERLvl
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
HiCut
OFF, ON
0.06
0
32.0
200
[s]
[ms]
Reverb Room Size
1
Density
0
ER Level
0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
High Cut Frequency 200
10
99
99
4.00k
0.0
20.1k
0.0
20.1k
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
[Hz]
RvCtl
RvTyp
RevTm
PrDly
RSize
Dnsty
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
Reverb Pre Delay
Reverb Room Size
Density
32.0
200
8
99
ERLvl
RlDns
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
ER Level
0
Release Density
0
Low Damp Frequency50
Low Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
< Hall2>
42
High Cut Frequency 200
RvCtl
RvTyp
RevTm
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Time
OFF, ON
PrDly
RSize
Plate
Brill
Depth
Dnsty
ERLvl
LoDFq
LoDmp
HiDFq
HiDmp
HiCut
Reverb Pre Delay
0
Reverb Room Size
1
Plate Type
1
Plate Brilliance
0
Plate Depth
0
Density
0
ER Level
0
Low Damp Frequency50
Loq Damp Gain
-36.0
High Damp Frequency4.00k
High Damp Gain
-36.0
High Cut Frequency 200
0.06
32.0
[s]
200
6
4
100
100
99
99
4.00k
0.0
20.1k
0.0
20.1K
[ms]
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
[Hz]
OFF, ON
0.06
0
1
0
99
99
4.00k
0.0
20.1k
0.0
[s]
[ms]
Dit effect bootst de galmkarakteristiek na van een
plaatgalm. Dat is een mechanische voorloper van
apparaten zoals de SX-700, waarbij de galm werd
opgewekt door de trilling van een metalen plaat.
Non-Linear
[Hz]
[dB]
[Hz]
[dB]
RvCtl
RvTyp
PrDly
Reverb On/Off
Reverb Type
Reverb Pre Delay
OFF, ON
0
200
[ms]
Overzicht van de effecten , Reverb
Dnsty
ERLvl
NLR<>
Ratio
EnvT1
EnvT2
EnvT3
EnvT4
Density
ER Level
NLR Type
Envelope Time Ratio
Envelope Time 1
Envelope Time 2
Envelope Time 3
Envelope Time 4
0
99
0
99
L–>R, Norml, L<–R
50
120
[%]
0
1000
[ms]
0
1000
[ms]
0
1000
[ms]
0
1000
[ms]
EnvL1
EnvL2
EnvL3
FbDly
FbLvl
HiCut
Envelope Level 1
Envelope Level 2
Envelope Level 3
NLR Feedback Time
NLR Feedback Level
High Cut Frequency
0
0
0
1
-100
200
100
100
100
1000
100
20.1k
neembaar, daarna wordt het geluid volledig diffuus.
■
Hiermee bepaalt de “densiteit” (hoe snel de individuele reflecties elkaar opvolgen) van de latere
reflecties in de galmstaart.
■
■
Dit galmeffect kom je “in de natuur” niet zo direct
tegen. Het is een typisch product van digitale signaalverwerking.
■
Low Damp <Gain>
Met deze parameter bepaalt u in welke mate de frequenties onder de afsnijfrequentie worden weggefilterd. De waarde “0” betekent dat er niets wordt
gefilterd.
Reverb On/Off
Met deze parameter schakelt u het reverb effect in
of uit.
■
Low Damp <Frequency>
Met deze parameter kiest u de afsnijfrequentie voor
de lage tonen. Alle frequenties beneden deze
afsnijfrequentie worden uit het galmgeluid gefilterd.
[Hz]
Opmerking: “EnvT1” + “EnvT2” + “EnvT3” +
“EnvT4” =/> FbDly
Release Density
■
High Damp <Frequency>
Met deze parameter kiest u de afsnijfrequentie voor
de hoge tonen. Alle frequenties boven deze afsnijfrequentie worden uit het galmgeluid gefilterd.
Reverb Type
Met deze parameter selecteert u het type reverb.
■
■
Met deze parameter bepaalt u in welke mate de frequenties boven de afsnijfrequentie worden weggefilterd. De waarde “0” betekent dat er niets wordt
gefilterd.
Reverb Time
Met deze parameter bepaalt u de lengte (duur) van
de reverb.
■
Pre Delay
Met deze parameter bepaalt u het tijdsinterval tussen het directe geluid en het begin van het galmgeluid. Hoe hoger deze waarde, hoe groter de gesimuleerde ruimte wordt.
■
Room Size
Met deze parameter bepaalt u de omvang van de
gesimuleerde ruimte. De instelmogelijkheden verschillen naar gelang het type reverb dat u kiest.
■
High Damp <Gain>
■
High Cut Frequency
Met deze parameter kiest u de afsnijfrequentie van
het hoog-af filter. Dit filter haalt hoge tonen uit het
galmsignaal, wat vooral nuttig is om de vaak “doffe” naklank van grote zalen na te bootsen.
■
Gate Mode
Ook de reverb is uitgerust met een Gate, die op drie
manieren kan werken:
Density
Thru
De Gate werkt niet.
Duck (Ducking)
De Gate werkt “omgekeerd”: hij sluit zodra het
ingangssignaal boven de drempelwaarde komt,
en hij opent zodra het ingangssignaal onder de
drempelwaarde zakt.
Gate
De Gate opent zodra het ingangssignaal boven
de drempelwaarde komt, en hij sluit zodra het
ingangssignaal onder de drempelwaarde zakt.
Hiermee bepaalt de “densiteit” (hoe snel de individuele reflecties elkaar opvolgen) van het reverb
effect.
■
Early Reflection Level
Hiermee bepaalt u het volume van de zogenaamde
“eerste reflecties”. Dat zijn de eerste weerkaatsingen van het geluid tegen muren, enz. Deze reflecties zijn nog net als individuele “echo’s” waar-
■
Gate Threshold Level
Met deze parameter kiest u de drempelwaarde voor
de Gate functie. Zodra het ingangssignaal boven
43
SX-700 Handleiding
De onderstaande afbeelding maakt één en ander
wat aanschouwelijker.
deze drempelwaarde komt opent of sluit de gate
(naar gelang de Gate Mode die u hebt gekozen).
■
Gate Attack Time
Volume
Met deze parameter bepaalt u hoe snel de gate
opent nadat het ingangssignaal de drempelwaarde
heeft overschreden.
L1
L3
L2
■
Gate Hold Time
Met deze parameter bepaalt u hoelang de gate geopend blijft.
■
Gate Release Time
Met deze parameter bepaalt u hoe snel de gate sluit
nadat de Hold Time is verstreken.
■
■
■
Plate Brilliance
■
Plate Depth
Met deze parameter bepaalt u de intensiteit van de
plaatgalm.
■
Norml (Normal)
Het galmgeluid beweegt niet.
R→L
Het galmgeluid beweegt van rechts naar links.
We gaan nu een aantal parameters bekijken die te
maken hebben met de envelope. Dat is de curve die
het volumeverloop van het galmgeluid voorstelt.
Door verschillende niveaus (Levels) en de overgangstijden (Times) tussen die niveaus in te stellen
kunt u zo’n curve naar uw eigen smaak “kneden”.
Tijd
Envelope Time Ratio
Envelope Time1; T1
Envelope Time2; T2
Envelope Time3; T3
Envelope Time4; T4
Envelope Level1; L1
Envelope Level2; L2
Envelope Level3; L3
Opmerking: De som van de tijden (T1 + T2 + T3 +
T4) mag niet groter zijn dan 1000 ms, anders wordt
het gedeelte van de curve dat over deze tijdslimiet
gaat afgesneden.
Met deze parameter bepaalt u hoe de Non-linear
effecten zich door het stereobeeld bewegen.
Het galmgeluid beweegt van links naar rechts.
T4
Hiermee kiest u de niveaus van de punten in de curve.
Non-linear Type
L→R
T3
Hiermee past u de overgangstijden tussen de verschillende punten van de curve aan.
Met deze parameter past u de helderheid van de
plaatgalm aan.
■
T2
Met deze parameter kunt u de totale envelope (zie
hieronder) “uitrekken” of “inkrimpen”, zonder
daarbij aan de onderlinge verhoudingen van de
envelope-tijden te raken.
Plate Type
U kunt kiezen uit vier verschillende soorten galmplaten. De platen met een hoger nummer hebben
een toenemend “metalig” geluid met meer hoge
tonen.
■
T1
■
NLR Feedback Time
Met deze parameter bepaalt u de vertragingstijd
voor het teruggekoppelde geluid in het Non-Linear
effect. Met andere woorden: u kiest de vertraging
waarmee het reeds vertraagde geluid opnieuw naar
de ingang van de delay wordt gestuurd.
■
NLR Feedback Level
Hiermee bepaalt u de hoeveelheid terugkoppeling
in het Non-Linear effect.
44
Overzicht van de effecten , RSS
7.6 RSS
RSS (Roland Sound Space) is een door Roland ontwikkelde technologie waarmee geluiden in een
drie-dimensioneel klankveld kunnen worden
geplaatst. Geluiden die met RSS worden bewerkt
lijken plots rond uw hoofd te zweven (3D Panner).
U kunt het effect echter ook statisch gebruiken en
geluiden boven, onder, voor of achter de luisteraar
plaatsen.
Voor ieder Patch nummer kunt u één van de volgende RSS-effecten kiezen.
Opmerking: Deze keuze maakt u met de “RsTyp
(RSS)” parameter.
3D Panner
Singl
Single 3D
Dual
Dual 3D
Quad
Quad 3D
3D Panner
RSS On/Off
RSS Type
Panner Speed
OFF, ON
Dir
Start
Elev
Trig
Panner Direction
Start Position
Elevation
Panner Trigger
CW 5
CCW 5
L180
R180
-54
54
· · ·, Signl, CtlSW
1
-54
54
Elevation 2
RSS Level 1
RSS Level 2
-54
0
0
54
100
100
RsCtl
RSTyp
Azmt1
Elev1
RsLv1
Azmt2
RSS On/Off
RSS Type
Azimuth 1
Elevation 1
RSS Level 1
Azimuth 2
R180
-54
0
R180
L180
54
100
L180
Elev2
RsLv2
Azmt3
Elev3
RsLv3
Azmt4
Elev4
RsLv4
Elevation 2
RSS Level 2
Azimuth 3
Elevation 3
RSS Level 3
Azimuth 4
Elevation 4
RSS Level 4
-54
0
R180
-54
0
R180
-54
0
54
100
L180
54
100
L180
54
100
Opmerking: Welk geluid precies door “Quad 3D”
10
wordt geplaatst hangt af van de effecten die voor
“Quad 3D” zijn aangesloten.
RSS
In L
eenheid
Bij dit effect lijkt het alsof de geluidsbron in een
cirkel rond de luisteraar zweeft!
In R
RSS 1
RSS 2
RSS 3
RSS 4
Out L
Out R
RSS
Single 3D
Dual 3D
Quad 3D
In L
eenheid
In R
RSS On/Off
RSS Type
Azimuth
Elevation
RSS 1
RSS 2
Out L
RSS 3
RSS 4
Out R
In L
< Single 3D >
RsCtl
RSTyp
Azmt
Elev
OFF, ON
Deze effecten bieden u de mogelijkheid om het
geluid niet enkel links en rechts van de luisteraar te
plaatsen, maar ook ervoor, erachter, erboven en
eronder. Die posities worden mogelijk gemaakt
door de Azimuth en Elevation parameters.
Om een mono-ingangssignaal op één plaats te zetten gebruikt u “Single 3D”, om een stereo-signaal
op één plaats (over twee kanalen) te zetten komt
“Dual 3D” van pas en met “Quad 3D” kunt u een
stereo-signaal op vier plaatsen neerzetten.
Opmerking: “Quad 3D” kunt u enkel kiezen voor de
algoritmes A1 tot A9.
RsCtl
RSTyp
Speed
Elevation 1
Elev2
RsLv1
RsLv2
< Quad 3D >
Opmerking: Om optimale resultaten met RSS te krijgen moet u er “Enkele tips in verband met RSS” op
blz. 46 eens op nalezen.
Paner
Elev1
eenheid
OFF, ON
R180
-54
In R
L180
54
■
RSS On/Off
Met deze parameter schakelt u het RSS effect in of
uit.
< Dual 3D >
RsCtl
RsTyp
Azmt1
RSS On/Off
RSS Type
Azimuth 1
OFF, ON
R180
L180
Azmt2
Azimuth 2
R180
L180
45
SX-700 Handleiding
■
RSS Type
■
Met deze parameter selecteert u het type RSS
effect.
■
■
…
Met deze parameter bepaalt u de snelheid waarmee
het geluid zich verplaatst.
Bij de huidige instellingen van het effect
heeft deze parameter geen werking.
Signl (Signal)
Het geluid begint te draaien zodra de
SX-700 een signaal ontvangt.
Panner Direction
CtlSW (Control Switch)
Het geluid begint te draaien zodra u op
een voetschakelaar drukt die u hebt aangesloten op de CONTROL ingang.
CW
Het geluid beweegt in wijzerzin.
CWW
Het geluid beweegt in tegenwijzerzin.
■
Enkele tips in verband met RSS
Om de drie-dimensionele effecten van RSS optimaal tot hun recht te laten komen moet u rekening
houden met de onderstaande punten.
■
•
•
Gebruik van luidsprekers
RSS effecten komen het best tot hun recht in een
niet-reflecterende afluisterruimte.
De beste resultaten bereikt u met coaxiale of virtuele coaxiale luidsprekers.
Opmerking: Om RSS effecten goed te kunnen horen
moet u steeds op de ideale luisterpositie gaan zitten,
zoals die in de onderstaande afbeelding staat aangeduid.
Azimuth
Deze parameter verplaatst het geluid horizontaal
op de omtrek van een denkbeeldige bol. Het geluid
kan op deze manier zo’n 180 graden naar links of
naar rechts worden verplaatst. De standaardinstelling (“0”) duidt op een plaats ongeveer recht voor
de luisteraar.
■
RSS Level
Hiermee bepaalt u het uitgangsvolume van het RSS
effect.
Start Position
Met deze parameter bepaalt u de positie waarop het
geluid begint te rond te draaien. Deze parameter
verplaatst het geluid in feite horizontaal op de
omtrek van een denkbeeldige bol. Het geluid kan
op deze manier zo’n 180 graden naar links of naar
rechts worden verplaatst. De standaardinstelling
(“0”) duidt op een plaats ongeveer recht voor de
luisteraar.
■
Met deze parameter kiest u de bron die het “startsignaal” geeft om het geluid vanaf de “Start Position” te laten ronddraaien.
Panner Speed
Hiermee bepaalt u de richting waarin het geluid
draait en het aantal keren dat het geluid rondgaat.
Eens u een aantal hebt gespecifieerd werkt het
effect als volgt: zodra het “Trigger” signaal wordt
ontvangen draait het geluid vanaf de “Start Position” het gespecifieerde aantal rondjes, waarna het
terugkeert naar de normale stereopositie.
■
Panner Trigger
30°
30°
Elevation
Met het “3D Panner” effect
Met deze parameter bepaalt u de hoogte waarop het
geluid rondjes beschrijft. De waarde duidt op het
aantal graden boven de positie recht voor de luisteraar (“0”).
•
Met andere RSS effecten
Deze parameter verplaatst het geluid verticaal op
de omtrek van een denkbeeldige bol. De waarde
duidt op het aantal graden boven de positie recht
voor de luisteraar (“0”).
46
Plaats de luidsprekers dicht bij de achterwand en
ver van de zijwanden. De afstand tussen de luidsprekers mag niet te groot zijn. Zoals gezegd mag
de ruimte ook niet te veel reflecterende oppervlakken bevatten.
Opmerking: Let ook op het luistervolume: bij een te
laag of te hoog volume is het moeilijk om de ideale
luisterpositie te zoeken.
Overzicht van de effecten , RSS
■
Verbinden met andere effectblokken
Binnen de SX-700 wijst u RSS steeds best als laatste effect toe. Als u na RSS nog een Pitch Shifter
toewijst (of een ander effectblok dat de klankkleur
van het directe geluid wijzigt) levert dat meestal
niet het gewenste resultaat op. Gebruikt u verschillende effectprocessors, sluit dan de SX-700 (met
zijn RSS effecten) als laatste in de serie aan.
■
Gebruik van de “Dual 3D” en “Quad 3D”
effecten
Bij gebruik van de “Dual 3D” en “Quad 3D” effecten kan het volgende gebeuren: als de linker en
rechter ingangskanalen van de RSS eenheid hetzelfde signaal krijgen aangevoerd en u plaatst dit
signaal met RSS op verschillende plaatsen in het
stereobeeld, dan kan het stereobeeld verloren gaan.
47
SX-700 Handleiding
MIDI
8.
8.1 Mogelijke toepassingen
U hebt het waarschijnlijk reeds gemerkt: de
SX-700 is voorzien van drie MIDI-connectors, via
dewelke u een verbinding kunt maken met andere
MIDI-instrumenten. Dat levert u de volgende
mogelijkheden op.
Patches kiezen
Met programmakeuzecommando’s die u vanuit een
extern MIDI-instrument ontvangt kunt u Patches
kiezen op de SX-700. Welke MIDI-programmanummers gekoppeld zijn aan welke SX-700
Patches kunt u instellen met de Program Change
Map (zie blz. 49).
In de onderstaande afbeelding ziet u hoe u een
extern MIDI-instrument moet aansluiten om programma’s te kiezen op de SX-700. Telkens wanneer u een programma kiest op het externe MIDIinstrument kiest de SX-700 automatisch het overeenkomstige Patch nummer.
FC-200
PROGRAM
CONTROL
6
1
7
2
8
3
9
4
10
5
NOTE
EXCLUSIVE
BANK
BANK
apparaat zenden. Dat kan een tweede SX-700 zijn
(om instellingen te kopiëren), of een sequencer of
gelijkaardig apparaat waarin u gegevens opslaat
die u achteraf nog eens wilt gebruiken.
8.2 MIDI-functies instellen
Op de volgende bladzijden laten we u kennismaken
met de MIDI-verwante Utility functies van de
SX-700. Hoe u deze functies precies moet instellen
hangt af van de concrete situatie waarin u de
SX-700 gebruikt.
Dit zijn de beschikbare functies:
[MIDI CHANNEL] 1~16
[MIDI OMNI MODE] OMNI ON, OMNI OFF
[MIDI DEVICE ID] 1~32
[MIDI PROGRAM CHANGE RECEIVE] ON,
OFF
[MIDI PROGRAM MAP]
[MIDI BULK DUMP]
[MIDI BULK LOAD]
Program Map, Bulk Dump en Bulk Load komen in
aparte stukjes aan bod (zie verder), de overige
functies kunt u als volgt instellen.
CTL
3
MIDI OUT
MIDI IN
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
Parameters aansturen
U kunt ook MIDI-controlecommando’s gebruiken
om tijdens het spelen de waarden van bepaalde
SX-700 parameters aan te sturen. Met de Control
Assign instellingen (zie blz. 17) bepaalt u welke
parameters door welke MIDI-commando’s worden
aangestuurd.
Data zenden
U kunt de instellingen van de SX-700 in de vorm
van Exclusive commando’s naar een ander MIDI48
5
2
1
(1) Druk op [UTILITY] (de indicator van de
knop licht op om aan te geven dat u vanaf nu Utility functies kunt kiezen).
3 ] [ 4 ]-knop(2) Ga met de PARAMETER [
pen naar de parameter die u wilt editen
(deze begint te knipperen).
(3) Kies met de VALUE regelaar de gewenste waarde. Door op de VALUE regelaar
te drukken terwijl u eraan draait stapt u
in versneld tempo door de waarden.
MIDI , Program Change Map instellen
(4) Herhaal stap 2 en 3 om de overige Utility
functies in te stellen.
(5) Druk op [EXIT] om terug te keren naar
de Play mode.
■
MIDI PROGRAM CHANGE RECEIVE
(ON, OFF)
MIDI-verwante parameters
■
MIDI CHANNEL (1~16)
Hiermee kiest u het MIDI-kanaal waarop MIDIcommando’s worden gezonden en ontvangen.
Met deze parameter bepaalt u of de SX-700 al dan
niet reageert op programmakeuzecommando’s
vanuit een extern MIDI-instrument.
ON
De SX-700 reageert op programmakeuzecommando’s door
de overeenkomstige Patch te kiezen.
OFF
De SX-700 reageert niet op programmakeuzecommando’s.
Opmerking: Vanuit de fabriek staat deze parameter
op “ON” ingesteld.
Opmerking: Vanuit de fabriek staat deze parameter
op kanaal “1” ingesteld.
■
MIDI OMNI MODE (OMNI ON, OMNI
OFF)
Als de Omni Mode is ingeschakeld worden er
MIDI-data ontvangen op alle kanalen, ongeacht het
MIDI-ontvangstkanaal dat u (met de vorige parameter) hebt gekozen.
Opmerking: System Exclusive data gedragen zich
iets anders: deze worden enkel herkend wanneer zender en ontvanger op hetzelfde Device ID nummer
staan ingesteld. Als dat niet zo is worden zelfs bij
geactiveerde Omni Mode geen SysEx commando’s
herkend.
8.3 Program Change Map instellen
De Program Change Map bepaalt welke MIDI-programmanummers worden gekoppeld aan welke
Patches op de SX-700. Met andere woorden: in
deze lijst kunt u voor ieder MIDI-programmanummer specifiëren welk Patch nummer de SX-700 als
hij dat programmanummer ontvangt. Op die
manier kunt u bijvoorbeeld effecten koppelen aan
bepaalde Patches op uw synthesizer, zonder dat u
daarvoor de volgorde van de Patches in de SX-700
(of in de synthesizer) hoeft te wijzigen.
We hebben de SX-700 vanuit de fabriek zo geprogrammeerd dat ieder programmanummer steeds
hetzelfde User Patch nummer kiest.
3,4
Opmerking: De fabrieksinstelling voor deze parameter is “Omni On”.
EQ
■
MIDI DEVICE ID (1~32)
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
6
Hiermee kiest u het Device ID dat wordt gebruikt
om System Exclusive data te identificeren (zowel
bij zenden als ontvangen).
2,3,4
1
(1) Druk op [UTILITY] (de indicator van de
knop licht op om aan te geven dat u vanaf nu Utility functies kunt kiezen).
Opmerking: De fabrieksinstelling voor deze parameter is “1”.
49
SX-700 Handleiding
(2) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar de “PROG CHANGE MAP”
parameter.
Programmanummer
■
In de onderstaande tabel ziet u welke data u als SysEx commando’s kunt zenden. Daarbij kunt u het
start- en eindpunt van de te zenden data specifiëren,
op die manier zendt u enkel de gewenste data en
spaart u geheugenruimte uit.
Patch
nummer
(3) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar het Program Change nummer en kies met de
VALUE regelaar het programmanummer waarvoor u een Patch nummer wilt
instellen.
(4) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar het Patch
nummer en kies met de VALUE regelaar
het Patch nummer dat u aan het in (3)
geselecteerde programmanummer wilt
koppelen.
(5) Herhaal stap 3 en 4 om de rest van de
Program Change Map in te stellen; kies
voor ieder programmanummer het
gewenste Patch nummer.
(6) Druk op [EXIT] om terug te keren naar
de Play mode.
Welke data kunt u zenden?
Display
Welke data worden er gezonden
SYSTEM
Alle data die geen deel uitmaakt van individuele
Patches
U1 - U128
De inhoud van de User Patches U1 - U128
Data zenden (Bulk Dump)
■
Aansluitingen
Data naar een sequencer zenden
Sluit de apparaten aan zoals in de onderstaande
afbeelding en breng de sequencer in gereedheid
voor het ontvangen van Exclusive commando’s.
MIDI OUT
MIDI IN
Opmerking: Als uw MIDI-instrument ook bankkeuzecommando’s zendt (controlenummer 0 en 32), dan
kunt u de Program Map ook omzeilen en rechtstreeks
Patches kiezen:
Bank Select 0
Hiermee kiest u de programmanummers van de
MIDI Program Change Map.
Bank Select 1
Hiermee kiest u de User Patch nummers.
Bank Select 2
Hiermee kiest u de Preset Patch nummers.
Opmerking: Voor de precieze handelingen die u op
uw sequencer moet uitvoeren raadpleegt u best eens
de handleiding van dit apparaat.
Data naar een andere SX-700 zenden
8.4 Instellingen bewaren/laden via
MIDI
De SX-700 kan zijn instellingen naar andere apparaten zenden in de vorm van MIDI System Exclusive commando’s. Dat biedt u de mogelijkheid om
de inhoud van een SX-700 naar een andere SX-700
te kopiëren, of om effectinstellingen op te slaan in
een (computer)sequencer e.d., zodat u de interne
geheugens voor nieuwe effecten kunt gebruiken
zonder de huidige effecten definitief kwijt te spelen. Als u data op deze manier zendt spreken we
van een “Bulk Dump”, bij het laden spreken we van
“Bulk Load”.
50
Sluit de apparaten aan zoals in de onderstaande
afbeelding en stel beide instrumenten in op hetzelfde Device ID.
MIDI OUT
MIDI IN
MIDI , Instellingen bewaren/laden via MIDI
■
Werkwijze
de afbeelding en kiest u op de SX-700 het Device
ID dat u bij het zenden hebt gebruikt.
3,4
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
6 5
2,3,4
MIDI OUT
1
MIDI IN
(1) Druk op [UTILITY] (de indicator van de
knop licht op om aan te geven dat u vanaf nu Utility functies kunt kiezen).
3 ] [ 4 ]-knop(2) Ga met de PARAMETER [
pen naar de “BULK DUMP” parameter.
Opmerking: Voor de precieze handelingen die u op
uw sequencer moet uitvoeren raadpleegt u best eens
de handleiding van dit apparaat.
■
startpunt
eindpunt
(3) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar het startpunt en kies met de VALUE regelaar de
eerste data die u wilt zenden.
(4) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar het eindpunt en kies met de VALUE regelaar de
laatste data die u wilt zenden.
(5) Druk op [WRITE] om de data te zenden.
Werkwijze
Om SysEx data te ontvangen hoeft u verder niets
speciaals te doen: zodra de SX-700 deze data ontvangt schakelt hij automatisch naar het volgende
display.
Opmerking: Terwijl er SysEx commando’s worden
ontvangen kunt u geen andere functies van de SX-700
gebruiken.
Opmerking: De SX-700 herkent enkel SysEx commando’s waarvan het Device ID overeenstemt met
zijn eigen Device ID nummer.
Opmerking: Als u net de instellingen van een effect
Zodra de data zijn gezonden komt u opnieuw in het
vorige display terecht.
(6) Druk op [EXIT] om terug te keren naar
de Play mode.
aan het wijzigen bent op het moment dat er SysEx
data worden ontvangen, dan hebben de binnenkomende data geen invloed op de instellingen van het effect
waaraan u werkt.
Data laden (Bulk Load)
■
Aansluitingen
Om data van de sequencer naar de SX-700 te zenden sluit u de apparaten aan zoals in de onderstaan-
51
SX-700 Handleiding
9.
Appendix
9.1 Over MIDI
Het idee achter MIDI-kanalen wordt begrijpelijk
wanneer we televisie als voorbeeld nemen. Op een
televisietoestel kunt u tussen verschillende programma’s (van verschillende stations) kiezen door
gewoon naar een ander kanaal over te schakelen.
De reden dat dit kan is dat de informatie op ieder
individueel kanaal pas op het scherm wordt vertoond wanneer het televisietoestel (de ontvanger)
op hetzelfde kanaal is afgesteld als het kanaal dat
door de zender (het televisiestation) wordt
gebruikt.
MIDI staat voor Musical Instruments Digital Interface. Dit interface is gebaseerd op een internationale standaard voor uitwisseling van digitale gegevens tussen verschillende instrumenten, waarbij
die gegevens beschrijven wat er wordt gespeeld of
welke veranderingen er aan klanken worden aangebracht. Alle MIDI-compatibele apparaten kunnen
nagenoeg dezelfde data uitwisselen, ongeacht om
welk merk of type het gaat.
Iedere “gebeurtenis” (event) die bij het muziekmaken plaatsvindt wordt door MIDI vertaald in commando’s. Terwijl een instrument wordt bespeeld
worden MIDI-gegevens verstuurd die beschrijven
wat er gebeurt. Wanneer deze stroom MIDI-informatie door een ander instrument wordt ontvangen
kan ze worden gebruikt om dit instrument te bespelen, alsof u het instrument rechtstreeks bespeelt.
Station A
Station B
Station C
De kabel die van de antenne komt draagt de
signalen voor verschillende TV-uitzendingen.
Uitwisselen van MIDI-data
■
Telkens wanneer u op uw TV een ander
kanaal kiest ziet u een ander station.
De beschikbare kanalen bij MIDI gaan van 1 t/m
16. MIDI-data wordt overgedragen vanaf het
moment dat een muziekinstrument (de ontvanger)
op hetzelfde kanaal wordt ingesteld als de zender
(een ander MIDI-apparaat).
MIDI-connectors
Bij het uitwisselen van MIDI-data worden drie
connectors gebruikt:
MIDI-commando’s die door de SX-700 worden gebruikt
THRU
OUT
MIDI-commando is een overkoepelende term die
slaat op alle soorten commando’s die kunnen worden verzonden via MIDI. Er zijn twee soorten
MIDI-commando’s: Kanaalcommando’s (Channel
messages), die via individuele kanalen worden
gezonden, en systeemcommando’s (System messages), die onafhankelijk van de diverse kanalen worden gezonden. Nu volgt een overzicht van de commando’s die door de SX-700 kunnen worden ontvangen en/of gezonden.
IN
MIDI
MIDI IN
Ontvangt gegevens die vanuit een ander MIDI-apparaat arriveren.
MIDI OUT
Zendt gegevens die in het apparaat zelf worden
gegenereerd.
MIDI THRU
Zendt alles wat aan de MIDI IN wordt ontvangen
opnieuw uit.
■
■
MIDI-kanalen
MIDI laat u toe één enkele kabel te gebruiken
waarmee u gelijktijdig verschillende sets informatie tussen verschillende MIDI-apparaten kan versturen. Dit is mogelijk omdat MIDI met meerdere
kanalen tegelijk kan werken.
52
Kanaalcommando’s
Deze commando’s geven alle gebeurtenissen door
die zich voordoen tijdens het spelen, zoals de noten
die u speelt, de pedalen en knoppen die u indrukt,
enz. De meeste MIDI-commando’s vallen onder
deze groep. Welk soort controle een bepaald MIDIcommando uiteindelijk uitoefent hangt sterk af van
de instelling van het ontvangende apparaat.
Appendix , Over MIDI
Programmakeuzecommando’s
Deze commando’s worden gebruikt om klanken te
selecteren. Dat gebeurt aan de hand van een programmanummer (1~128).
Controlecommando’s
Deze commando’s kunt u gebruiken om meer
expressiviteit te verlenen aan hetgeen u speelt, door
individuele parameters van een instrument aan te
sturen. Iedere functie heeft een eigen controlenummer toebedeeld gekregen.
Op de SX-700 kunt u parameters specifiëren die u
op deze manier wilt aansturen.
Aftertouch commando's
Aftertouch commando's worden verzonden wanneer u een toets na de eigenlijke aanslag nog verder
indrukt. Er zijn twee soorten aftertouch: monofone
en polyfone.
Monofone (of kanaal) aftertouch wordt verzonden
als een waarde die geldt voor het gehele klavier en
dus voor het hele MIDI-kanaal. Alle noten die aangestuurd worden door dat MIDI-kanaal zullen op
dezelfde manier reageren op de aftertouch, welke
noot u ook speelt.
Polyfone aftertouch wordt voor elke noot apart uitgestuurd. Alleen de noten die overeenkomen met
de noten die ingedrukt worden, zullen reageren.
De SX-700 kan op aftertouch commando’s reageren door een gespecifieerde parameter aan te sturen.
Pitch Bend commando's
Pitch Bend commando's worden verzonden wanneer de bender hendel bewogen wordt. Ook met
deze commando’s kunt u parameters van de
SX-700 aansturen.
Nootcommando’s
Nootcommando’s worden gezonden wanneer u
noten speelt op het klavier van een MIDI-instrument: een Note-on commando als u een toets aanslaat en een Note-off commando als u die toets
weer loslaat. Bovendien zenden heel wat keyboards ook de kracht (velocity) waarmee u een
toets aanslaat. Note-on, Note-off en Velocity commando’s kunt u gebruiken om parameters op de
SX-700 aan te sturen.
■
opgespoord. Wat de SX-700 betreft interesseren
ons vooral de SysEx commando’s.
Exclusive commando’s
In het begin van dit deel werd gesteld dat MIDIcommando’s deel uitmaken van een internationale
standaard en dus door alle compatibele apparaten
worden herkend. Hierop bestaat echter een uitzondering: Exclusive commando’s. Deze commando’s
dienen om informatie door te geven die uniek is
voor één bepaald apparaat. In de meeste gevallen
kan dit soort commando’s enkel tussen twee apparaten van hetzelfde merk en type worden uitgewisseld. Op de SX-700 kunt u Exclusive commando’s
gebruiken om klank- en systeeminstellingen in een
sequencer op te nemen.
Opmerking: Voorwaarde voor het kunnen uitwisselen van Exclusive commando’s is dat de zender en de
ontvanger op hetzelfde Device ID nummer zijn ingesteld.
MIDI-implementatiekaart
Sinds de komst van MIDI kunnen heel wat muziekinstrumenten met elkaar communiceren. Dit wil
echter niet zeggen dat alle uitgewisselde gegevens
ook automatisch worden begrepen. Om zeker te
zijn van een succesvolle communicatie tussen twee
op elkaar aangesloten MIDI-apparaten mag bij die
communicatie alleen gebruik worden gemaakt van
die soorten gegevens die voor beide apparaten
gemeengoed zijn.
Om die reden zit bij de handleiding van ieder
MIDI-apparaat een MIDI-implementatiekaart.
Deze kaart biedt een beknopt overzicht van alle
soorten MIDI-commando’s die dat apparaat kan
verwerken. Wanneer u de MIDI-implementatiekaarten van twee apparaten naast elkaar legt kunt u
snel zien welk soort commando’s u tussen die
apparaten kan uitwisselen.
MIDI-instrument A
Function...
vouwen
Transmitted
Recognized
MIDI-instrument B
Remarks
Systeemcommando’s
Onder deze categorie vallen System Exclusive
commando’s, commando’s waarmee u verschillende apparaten synchroniseert, en nog andere commando’s waarmee onder andere problemen worden
53
SX-700 Handleiding
Aan het einde van deze handleiding vindt u de
MIDI-implementatiekaart van de SX-700.
Verder is er een “MIDI-implementatie” boekje los
te verkrijgen, waarin de MIDI-mogelijkheden van
de SX-700 nog eens in detail uit de doeken worden
gedaan. Programmeurs en andere geïnteresseerden
kunnen dit bij de dichtstbijzijnde Roland verdeler
aanvragen.
9.2 Opnieuw de fabrieksinstellingen laden (initialiseren)
Misschien hebt u heel wat instellingen van de
SX-700 gewijzigd en wilt u opnieuw met de originele fabrieksinstellingen werken. Dat is mogelijk,
het heeft zelfs een naam: initialiseren.
U kunt bovendien kiezen welke reeks parameters u
wilt initialiseren. De mogelijk opties staan in de
onderstaande tabel afgebeeld.
Display
Instellingen die worden geïnitialiseerd
System
Alle parameters die deel uitmaken van de Utility mode.
U-1
De parameters van Patch nummer U-1.
U-2
De parameters van Patch nummer U-2.
…
…
U-127
De parameters van Patch nummer U-127.
U-128
De parameters van Patch nummer U-128.
Initialiseren gaat als volgt:
3,4
EQ
MOD
COMMON LEVEL
DELAY
NAME
REVERB
EXIT
BYPASS
RSS
WRITE
NUMBER/VALUE
ENTER(PUSH)
UTILITY
PARAMETER
6 5
2,3,4
(1) Druk op [UTILITY] (de indicator van de
knop licht op om aan te geven dat u vanaf nu Utility functies kunt kiezen).
54
1
(2) Ga met de PARAMETER [
3 ] [ 4 ]-knoppen naar de “FACTORY PRESET”
parameter.
startpunt
eindpunt
(3) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar “start” en
kies met de VALUE regelaar de eerste
data die u wilt initialiseren.
(4) Verplaats de cursor met de PARAMETER [ 3 ] [ 4 ]-knoppen naar “end” en
kies met de VALUE regelaar de laatste
data die u wilt initialiseren.
(5) Druk op [WRITE] om de data te initialiseren.
(6) Druk op [EXIT] om terug te keren naar
de Play mode.
Appendix , Mogelijke problemen
9.3 Mogelijke problemen
Lijkt uw SX-700 niet naar behoren te functioneren?
Raadpleeg dan in eerste instantie de onderstaande
lijst. Kunt u het probleem daarmee niet oplossen,
neem dan contact op met de winkel waar u de
SX-700 hebt gekocht of met de dichtstbijzijnde
Roland servicedienst.
Geen geluid/te laag volume
Geluid klinkt vervormd (de CLIP indicator
licht regelmatig op)
Staat de INPUT regelaar misschien te
hoog?
Stel de INPUT regelaar in op een geschikt niveau
(zie blz. 9).
Staat de OUTPUT regelaar misschien te
hoog?
Stel met de OUTPUT regelaar een aangenaam luistervolume in (zie blz. 9).
Gebruikt u misschien beschadigde
kabels?
Vervang de kabels waarmee de apparaten zijn verbonden en probeer het dan nog eens.
Hebt u de uitgangsvolumes van de individuele effectblokken niet te hoog ingesteld?
Pas deze volumes eventueel aan.
Hebt u de SX-700 wel correct aangesloten op andere apparaten?
Controleer de verbindingen met andere apparaten
(zie blz. 8).
Leveren de aangesloten apparaten een te
hoog uitgangsvolume?
Pas deze volumes eventueel aan.
Is uw versterker/mixer wel ingeschakeld, of staat het volume daarvan misschien te laag?
Controleer de instellingen van uw versterker/
mixer.
Staat de INPUT regelaar misschien te
laag?
Stel de INPUT regelaar in op een geschikt niveau
(zie blz. 9).
Staat de OUTPUT regelaar misschien te
laag?
Stel met de OUTPUT regelaar een aangenaam luistervolume in (zie blz. 9).
Hebt u de Bypass functie ingeschakeld?
Als u de BYPASS MODE parameter op “MUTE”
hebt ingesteld, dan wordt het uitgangssignaal volledig stomgeschakeld (ook het directe geluid)
zodra u de Bypass functie inschakelt (zie blz. 10).
Ligt het misschien aan de effectinstellingen?
Misschien hebt u hier of daar een “Level” parameter te laag ingesteld.
Hebt u de “Output Level” parameter
aan een stuurbron toegewezen?
Probeer dan eens de speelhulp te bewegen die de
stuurbron voor de betreffende parameter vormt.
U kunt geen Patch nummers kiezen
Misschien bevindt u zich niet in de Play
mode (zie blz. 9)?
U kunt enkel Patches kiezen wanneer u zich in de
Play mode bevindt. Bent u op dit moment in een
ander scherm, druk dan op [EXIT] om terug keren
naar de Play mode.
Parameters die u aan stuurbronnen hebt
toegewezen kunt u niet aansturen
U gebruikt een voetschakelaar die u op
de CONTROL ingang hebt aangesloten.
Controleer de Control Assign instellingen (zie
blz. 17).
U stuurt parameters aan via MIDI.
Zorg dat zender en ontvanger op hetzelfde MIDIkanaal zijn ingesteld (zie blz. 49).
Zorg dat u de juiste controlenummers gebruikt (zie
blz. 17).
Er worden geen MIDI-commando’s ontvangen
Misschien gebruikt u beschadigde of
gebroken MIDI-kabels?
Probeer een andere set MIDI-kabels.
Hebt u de SX-700 wel op de juiste
manier met het andere MIDI-instrument
verbonden?
Controleer de MIDI-verbindingen.
55
SX-700 Handleiding
Staan beide instrumenten wel op hetzelfde MIDI-kanaal ingesteld?
Zorg dat dit het geval is (zie blz. 49).
56
Appendix , Specificaties
9.4 Specificaties
■
Indicator
PEAK indicator
SX-700: Studio Effects Processor
■
■
INPUT connector L(MONO)/R
OUTPUT connector L(MONO)/R
BYPASS ingang
Expression Pedal ingang
CONTROL ingang
MIDI-connectors (IN, OUT, THRU)
AC ADAPTOR ingang
AD conversie
18 bit 128-voudige oversampling, delta-sigma
modulatie
■
DA conversie
18 bit 16-voudige oversampling, delta-sigma
modulatie
■
Samplingfrequentie
■
44.1 kHz
■
Aansluitingen
Stroomvoorziening
AC 14 V; bijgeleverde AC-adapter (BOSS BRC120, 230, 240)
Geheugens
256: 128 (User) + 128 (Preset)
■
Stroomverbruik
700 mA
■
Frequentierespons
5 Hz tot 55 kHz -1/+0 dB (Direct)
12 Hz tot 20 kHz -1/+0 dB (Effect)
■
■
Afmetingen
482 (B) x 197 (D) x 44 (H) mm (EIA-1U rekeenheid)
Bedieningsorganen
■
Frontpaneel
INPUT LEVEL regelaar
OUTPUT LEVEL regelaar
NUMBER/VALUE regelaar
POWER schakelaar
EFFECT PARAMETER knoppen
EQ
MOD
DELAY
REVERB
RSS
COMMON knop
LEVEL knop
NAME knop
EXIT knop
WRITE knop
3 ] [ 4 ]- knoppen
PARAMETER [3
BYPASS knop
UTILITY knop
Gewicht
2.0 kg (exclusief de AC-adapter)
■
Toebehoren
Gebruiksaanwijzing (Engels en Nederlands)
AC-adapter: BOSS BRC-120, 230, 240
■
Optionele toebehoren
Voetschakelaar: FS-5U, FS-5L
Zwelpedaal: EV-5 (Roland), FV-300L + PCS-33
(Roland)
Opmerking: 0 dBm = 0.775 Vrms
Opmerking: De specificaties van dit product zijn
onderhevig aan wijzigingen zonder voorafgaande
kennisgeving.
Achterpaneel
LEVEL schakelaar
■
Display
16 karakters, 2 lijnen (achtergrondverlicht LCD)
57
SX-700 Handleiding
58
Download PDF