Roland | VG-99 | De VG-99 naar de fabrieks

Gebruikershandleiding
Gefeliciteerd met uw keuze voor de Roland VG-99.
Voordat u dit apparaat in gebruik neemt, raden wij u aan de volgende secties zorgvuldig
door te lezen: ‘HET APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN’ (p. 2-3) en
‘BELANGRIJKE OPMERKINGEN’ (p. 4-5). In deze secties vindt u belangrijke informatie
over het juiste gebruik van het apparaat. Daarnaast dient het Handboek en deze gebruikershandleiding in zijn geheel gelezen te worden, zodat u een goed beeld krijgt van alle
mogelijkheden, die het nieuwe apparaat te bieden heeft. Bewaar deze handleiding om er
later aan te kunnen refereren.
202
Copyright © 2007 ROLAND CORPORATION
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze publicatie mag zonder schriftelijke toestemming
van ROLAND CORPORATION op generlei wijze worden gereproduceerd.
Roland Website http://www.roland.com/
USING
THE UNITOP
SAFELY
HET
APPARAAT
EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN
HET APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN
INSTRUCTIES OM BRAND, ELEKTRISCHE SCHOK OF LICHAMELIJK LETSEL TE VOORKOMEN
Over
WAARSCHUWING en
WAARSCHUWING
VOORZICHTIG
VOORZICHTIG opmerkingen
Over de symbolen
Het
symbool wijst de gebruiker op belangrijke
instructies of waarschuwingen. De specifieke betekenis
van het symbool wordt bepaald door het teken, dat zich
binnen de driehoek bevindt. Het symbool, dat zich in dit
geval aan de linkerkant bevindt, betekent dat dit teken
voor algemene voorzorgsmaatregelen, waarschuwingen,
of aanduidingen van gevaar wordt gebruikt.
Wordt gebruikt bij instructies, waarbij
de gebruiker attent gemaakt wordt op
het risico van overlijden of zwaar letsel,
wanneer het apparaat niet op juiste
wijze gebruikt wordt.
Wordt gebruikt bij instructies, waarbij
de gebruiker attent gemaakt wordt op
het risico van letsel of materiële schade,
wanneer het apparaat niet op juiste
wijze gebruikt wordt.
Het
symbool wijst de gebruiker op onderdelen, die
nooit verplaatst mogen worden (verboden). De
specifieke handeling, die niet uitgevoerd mag worden,
wordt aangegeven door het symbool, dat zich binnen
de cirkel bevindt. Het symbool, dat zich in dit geval aan
de linkerkant bevindt, betekent dat het apparaat nooit
uit elkaar gehaald mag worden.
* Materiële schade verwijst naar schade
of andere ongunstige effecten, die ten
aanzien van het huis en al het
aanwezige meubilair, en tevens aan
huisdieren kunnen optreden.
Het
wijst de gebruiker op onderdelen, die verwijderd
moeten worden. De specifieke handeling, die uitgevoerd
moet worden, wordt door het symbool binnen de cirkel
aangegeven. Het symbool, dat zich in dit geval aan de
linkerkant bevindt, geeft aan dat het netsnoer uit de
daarvoor bestemde aansluiting getrokken moet worden.
NEEM ALTIJD HET VOLGENDE IN ACHT
WAARSCHUWING
001
• Lees voor gebruik van dit apparaat eerst de
onderstaande instructies en de gebruikershandleiding.
..........................................................................................................
002c
• Maak het apparaat niet open (en voer geen interne
modificaties uit). Dit geldt tevens voor de adapter.
..........................................................................................................
003
• Tracht het apparaat niet te repareren of onderdelen in het apparaat te vervangen (behalve
wanneer daartoe specifieke instructies in de
handleiding staan.) Ga voor alle onderhoud naar
uw handelaar, het dichtstbijzijnde Roland Service
Centrum of een erkende Roland distributeur, die
u op de ‘Informatie’ pagina kunt vinden.
..........................................................................................................
004
• Gebruik of berg het apparaat nooit op, op
plaatsen die:
• Als u dit apparaat in combinatie met ene
standaard (PDS-10) gebruikt, dient de standaard
zo te zijn geplaatst, dat deze waterpas staat, en u
zeker bent dat hij stabiel zal blijven. Ook als u
geen standaard gebruikt, dient u er bij het
plaatsen van het apparaat voor te zorgen, dat u
een locatie kiest met een waterpas oppervlak, dat
het apparaat op de juiste wijze ondersteunt en
wiebelen voorkomt.
..........................................................................................................
008c
• Gebruik alleen de meegeleverde adapter. Ook
moet het voltage van de installatie overeenkomen
met het ingangsvoltage dat op de behuizing van
adapter wordt vermeld. Andere adapters kunnen
een andere polariteit hebben of op een ander
voltage zijn ontworpen, waardoor gebruik van
dergelijke adapters tot beschadiging, storing of
elektrische schokken kan leiden.
..........................................................................................................
• Aan extreme temperaturen onderhevig zijn
(bijvoorbeeld in direct zonlicht, in een
afgesloten voertuig, dichtbij een warmtekanaal
of bovenop warmte genererende apparatuur; of
die
008d
• Vochtig zijn (bijvoorbeeld badkamers,
wasruimtes of natte vloeren); of die
• Gebruik alleen de meegeleverde stroomkabel.
Tevens dient de meegeleverde stroomkabel niet
voor andere apparatuur te worden gebruikt.
..........................................................................................................
• Aan regen worden blootgesteld; of die
• Stoffig zijn; of die
• Aan een hoge mate van vibratie onderhevig zijn.
..........................................................................................................
005
• U dient dit apparaat alleen te gebruiken in combinatie met een stellage (rack-mount) adapter
(RAD-99) of standaard (PDS-10), die door Roland
wordt aanbevolen (p. 98).
..........................................................................................................
2
WAARSCHUWING
008c
• Sluit alleen het aangegeven apparaat (FC-300) op
de RRC2 IN aansluiting aan (deze zorgt voor de
stroomvoorziening).
..........................................................................................................
008e
009
• Buig of draai het netsnoer niet overmatig, en
plaats er geen zware objecten bovenop. Dit kan
het snoer beschadigen, waardoor afgebroken
elementen en kortsluiting geproduceerd kan
worden. Beschadigde snoeren geven een risico op
brand en schokken!
..........................................................................................................
WAARSCHUWING
VOORZICHTIG
012b
101b
• Dit apparaat, op zichzelf staand of in combinatie
met een versterker en koptelefoon of luidsprekers,
kan geluidsniveaus produceren, die mogelijk
permanent gehoorsverlies veroorzaken. Werk
nooit lange tijd achter elkaar op een hoog of oncomfortabel volumeniveau. Wanneer u een bepaalde mate van
gehoorsverlies of een piep in de oren bemerkt, moet u het
apparaat direct uitzetten en een oorarts consulteren.
..........................................................................................................
• Het apparaat en de adapter dienen op een
zodanige wijze te worden geplaatst, dat er
voldoende ventilatieruimte beschikbaar is.
..........................................................................................................
011
• Zorg, dat er geen objecten (bijvoorbeeld
brandbaar materiaal, munten of spelden) of vloeistoffen (water, frisdrank, enz.) in het apparaat
terechtkomen.
..........................................................................................................
• Zet het apparaat direct uit, haal het netsnoer uit
het stopcontact en breng het apparaat voor
onderhoud naar de handelaar, het dichtstbijzijnde
Roland Service Centrum of een erkend Roland
distributeur, te vinden op de “Informatie” pagina,
indien:
• Het netsnoer of de stekker is beschadigd; of
• Er rook of een ongewone geur optreedt
• Er objecten of vloeistof in het apparaat terecht zijn
gekomen; of
• Het apparaat in de regen heeft gestaan (of op andere
wijze nat is geworden), of
• Het apparaat niet normaal schijnt te functioneren of
een duidelijke verandering in werking laat zien.
..........................................................................................................
013
• In huishoudens met kleine kinderen moet een
volwassene toezicht houden, totdat het kind in
staat is de regels, die essentieel zijn voor een
veilige bediening van het apparaat, op te volgen.
..........................................................................................................
014
• Bescherm het apparaat tegen zware schokken.
(Laat het niet vallen!)
..........................................................................................................
015
• Steek het netsnoer van dit apparaat niet in een
stopcontact, waar een buitensporig aantal andere
apparaten gebruik van maakt. Wees in het
bijzonder voorzichtig bij het gebruik van verlengsnoeren – de totale hoeveelheid stroom die door
alle aangesloten apparaten wordt gebruikt, mag
nooit de stroom classificatie (watts/ampères) van
het verlengsnoer overschrijden. Door overmatige
ladingen kan de isolatie van het snoer verhit raken, en
uiteindelijk smelten.
..........................................................................................................
016
• Voordat u dit apparaat in het buitenland gaat
gebruiken, neemt u contact op met de verkoper,
het dichtstbijzijnde Roland Service Centrum of
een erkend Roland distributeur. Deze zijn te
vinden op de ‘Informatie’ pagina.
..........................................................................................................
023
• SPEEL GEEN CD-ROM disk op een conventionele
CD speler af. Het geluidsniveau, dat geproduceerd wordt, kan permanent gehoorsverlies
veroorzaken. Dit kan resulteren in schade aan
luidsprekers of andere systeemcomponenten.
..........................................................................................................
101c
• Voor de VG-99 kan alleen een Roland RAD-99
stellage (rack-mount) adapter of PDS-10
standaard worden gebruikt. Gebruik van andere
stellage (rack-mount) adapters of standaards kan, door
instabiliteit, verwondingen ten gevolg hebben.
..........................................................................................................
102c
• Wanneer de stekker in dit apparaat of in het stopcontact wordt gestoken of eruit wordt gehaald,
houdt u deze altijd bij de stekker zelf vast.
..........................................................................................................
102c
• Haal de adapter regelmatig uit het stopcontact, en
maak deze met een droge doek schoon om stof en
andere opeenhopingen te verwijderen. Verwijder
de adapter ook uit het stopcontact, wanneer u het
apparaat langere tijd niet zult gebruiken. Ophoping van
stof tussen de stekker en het stopcontact kan tot verminderde isolatie leiden en brand veroorzaken.
..........................................................................................................
104
• Probeer het in elkaar verwikkeld raken van
snoeren en kabels te voorkomen. Bovendien
zouden alle snoeren en kabels buiten het bereik
van kinderen geplaatst moeten worden.
..........................................................................................................
106
• Ga nooit boven op dit apparaat staan, en plaats er
geen zware objecten op.
..........................................................................................................
107c
• Wanneer de adapter of bijbehorende stekkers in
het stopcontact of in dit apparaat worden
gestoken of eruit worden gehaald, mogen uw
handen nooit nat zijn.
..........................................................................................................
108d: Selection
• Voordat u het apparaat gaat verplaatsen, dient u
de volgende voorzorgsmaatregelen in acht te
nemen. U dient voorzichtig te werk te gaan en het
apparaat gedurende de handeling continu
waterpas te houden. Zorg ervoor, dat u het goed
vastpakt, zodat u zichzelf niet verwondt en het apparaat
niet beschadigd kan raken.
• Controleer of de schroeven of de bevestigde draaibouten, waarmee het apparaat aan de standaard is
bevestigd, niet los zijn geraakt. Als u opmerkt, dat ze
losser zitten, draait u ze weer goed vast.
• Koppel de stroomkabel los.
• Koppel alle snoeren van externe apparaten los.
..........................................................................................................
109b
• Voordat u het apparaat gaat schoonmaken, zet u
de stroom uit, en haalt u de adapter uit het
stopcontact. (p. 24).
..........................................................................................................
110b
• Indien er in uw omgeving onweer wordt
verwacht, haalt u de adapter uit het stopcontact.
..........................................................................................................
118c
• Bewaar schroeven, die u eventueel verwijdert, en
meegeleverde schroeven op een veilige plek,
buiten het bereik van kinderen, zodat er niet per
ongeluk onderdelen kunnen worden ingeslikt.
..........................................................................................................
3
BELANGRIJKE OPMERKINGEN
Naast de onderdelen die onder “HET APPARAAT OP
EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN” op pagina 2 en 3
worden genoemd, raden wij u aan het volgende te lezen
en in acht nemen:
Stroomvoorziening
• Gebruik dit apparaat niet op hetzelfde stroomcircuit,
waarvan ook apparaten die door een invertor worden
geregeld (zoals een koelkast, wasmachine, magnetron of
air conditioner) of die een motor hebben, gebruik maken.
Afhankelijk van de manier waarop de elektrische
toepassing wordt gebruikt, kan ruis van de stroomvoorziening ervoor zorgen, dat dit apparaat gaat storen of een
hoorbare ruis gaat produceren. Als het praktisch
onmogelijk is om een ander stopcontact te gebruiken, kunt
u tussen dit apparaat en het stopcontact een stroomvoorzieningruisfilter aansluiten.
• De adapter zal na vele uren opeenvolgend gebruik
warmte gaan genereren. Dit is normaal en niets om u
zorgen over te maken.
• Voordat dit apparaat op andere apparaten wordt aangesloten, zet u de stroom van alle apparaten uit. Dit zal
storingen en/of schade aan luidsprekers of andere
apparaten helpen voorkomen.
Plaatsing
• Het gebruik van dit apparaat in de nabijheid van
versterkers (of andere apparatuur, die grote stroom transformatoren bevatten) kan tot een brom leiden. Om dit
probleem te verhelpen, verandert u de richting van dit
apparaat of zet u het verder van de storingsbron af.
• Dit apparaat kan de ontvangst van radio of televisie
verstoren. Gebruik dit apparaat niet in de nabijheid van
dit soort ontvangers.
• Er kan ruis worden geproduceerd, wanneer draadloze
communicatie apparatuur, zoals mobiele telefoons, in de
buurt van dit apparaat wordt gebruikt. Dit soort ruis kan
optreden tijdens bellen of gebeld worden of tijdens het
converseren. Als u dit soort problemen ondervindt, moet
u de draadloze apparaten op meer afstand van dit
apparaat plaatsen of ze uitzetten.
• Stel dit apparaat niet aan direct zonlicht bloot, plaats het
niet bij apparaten, die warmte verspreiden, laat het niet in
een afgesloten voertuig achter en stel het niet aan extreme
temperaturen bloot. Door overmatige hitte kan het
apparaat misvormen of verkleuren.
• Wanneer het apparaat naar een andere locatie wordt
verplaatst, waar de temperatuur en/of vochtigheid erg
verschilt van die van de vorige locatie, kunnen binnen het
apparaat waterdruppels (condens) worden gevormd. Als
u het apparaat in deze staat gebruikt, kunnen schade of
storingen ontstaan. Voordat u het apparaat op de nieuwe
locatie gaat gebruiken, laat u het enige uren acclimatiseren, totdat de condens volledig is verdampt.
4
• Afhankelijk van het materiaal en de temperatuur van het
oppervlak, waarop u dit apparaat plaatst, kunnen de
rubberen voeten verkleuren of het oppervlak beschadigen.
Om dit te voorkomen kunt u een stuk vilt of doek onder
de rubberen voeten plaatsen. Als u dit doet, dient u ervoor
te zorgen, dat het apparaat niet per ongeluk kan
wegglijden of verplaatsen.
Onderhoud
• Voor het dagelijks schoonmaken van het apparaat
gebruikt u een droge, zachte doek of één die enigszins
vochtig is. Voor het verwijderen van hardnekkig vuil,
gebruikt u een doek met een mild, niet schurend schoonmaakmiddel. Daarna veegt u het apparaat met een zachte,
droge doek goed af.
• Gebruik nooit wasbenzine, verdunners, alcohol of oplosmiddelen om de mogelijkheid van verkleuring en/of
misvorming te voorkomen.
Reparatie en data
• Wees er op bedacht, dat de inhoud van het geheugen
verloren kan gaan, als u het apparaat laat repareren. U
dient van belangrijke gegevens altijd een back-up te
maken op een ander MIDI apparaat (bijv. een sequencer)
of ze op papier te zetten (indien nodig). Tijdens reparaties
wordt getracht het verlies van data te vermijden. Echter,
in bepaalde gevallen (wanneer het schakelsysteem van het
geheugen zelf niet meer werkt) kan data helaas niet meer
hersteld worden. Roland is niet verantwoordelijk voor dit
soort dataverlies.
Aanvullende
voorzorgsmaatregelen
• Wees er op bedacht, dat de inhoud van het geheugen door
storingen of onjuist gebruik van het apparaat onherstelbaar verloren kan gaan. Om uzelf tegen het risico van
verlies van belangrijke gegevens te beschermen, raden wij
u aan om van tijd tot tijd op een ander MIDI apparaat
(bijv. een sequencer) van belangrijke gegevens, die u in
het geheugen van het apparaat heeft opgeslagen, een
reservekopie te maken.
• De inhoud van data die in het geheugen van het apparaat
is opgeslagen, kan helaas niet meer hersteld worden,
wanneer deze verloren is gegaan. Roland Corporation is
niet verantwoordelijk voor dit soort dataverlies.
• Behandel de knoppen, schuifregelaars of andere regelaars
van dit apparaat met gepaste voorzichtigheid. Dit geldt
ook voor het gebruik van de stekkers en aansluitingen.
Ruwe behandeling kan tot storingen leiden.
• Sla nooit op het beeldscherm, en voer er geen hoge druk
op uit.
• Tijdens het aansluiten/loskoppelen van alle kabels, houdt
u deze bij de aansluiting zelf vast – trek nooit aan de
kabel. Op deze manier vermijdt u kortsluiting of schade
aan de interne elementen van de kabel.
BELANGRIJKE OPMERKINGEN
• Om te vermijden dat u uw buren stoort, probeert u het
volume van dit apparaat op een redelijk niveau te houden.
U kunt ervoor kiezen om een koptelefoon te gebruiken,
zodat u zich geen zorgen om de personen in uw naaste
omgeving hoeft te maken (vooral ’s avonds laat en
‘s nachts).
Afspraken in deze
handleiding
Tekst of getallen tussen
vierkante haakjes [ ]
559a
[WRITE]
WRITE knop
Duidt op informatie, waarvan
u bij gebruik van de VG-99 op
de hoogte moet zijn.
• Wanneer u het apparaat moet vervoeren, verpakt u het in
de originele doos (inclusief schokabsorberend materiaal).
Anders zult u soortgelijk verpakkingsmateriaal moeten
gebruiken.
Duidt op extra informatie over
een bepaalde functie.
• Gebruik alleen het aangegeven expressiepedaal (Roland
EV-5, BOSS FV-500L/500H met een aansluitingskabel
(Stereo 1/4" phone-stereo 1/4” phone); los verkrijgbaar).
Als u een expressiepedaal van een ander merk gebruikt,
riskeert u storingen en/of schade aan het apparaat.
• Sommige aansluitingskabels bevatten weerstanden.
Gebruik voor het aansluiten van dit apparaat geen kabels,
die weerstanden bevatten. Bij gebruik van dit soort kabels,
kan het geluidsniveau extreem laag of zelfs niet hoorbaar
zijn. Informatie over kabelspecificaties kunt u bij de
fabrikant van de kabel verkrijgen.
Duidt knoppen aan
Duidt op informatie over een
handige functie.
Verwijst naar een
referentiepagina.
(p.**)
• Het zonder toestemming dupliceren, reproduceren,
verhuren en uitlenen is verboden.
• Het bruikbare bereik van de D Beam regelaar wordt zeer
klein, als u het apparaat in direct zonlicht gebruikt. Als
deze regelaar niet zo functioneert als verwacht, past u de
gevoeligheid ervan aan op de hoeveelheid licht op de
locatie.
• De gevoeligheid van de D Beam regelaar wijzigt afhankelijk van hoeveel licht er in de buurt van het apparaat is.
Als de regelaar niet zo functioneert als u verwacht, past u
de gevoeligheid op de lichtsterkte op uw locatie aan.
• Vermijd het aanraken of krassen van de glanzende
onderkant (gecodeerd oppervlak) van de disk. Beschadigde of vuile CD-ROM’s kunnen niet goed gelezen
worden. Zorg, dat de disks schoon blijven; gebruik
hiervoor een in de winkel verkrijgbaar CD reinigingsproduct.
• Omwille van productverbetering zijn de specificaties en
het uiterlijk van dit apparaat, en/of de inhoud van dit
pakket, zonder berichtgeving van tevoren aan verandering onderhevig.
• Hoewel de V-99 onder de meeste omstandigheden met
een computer als hierboven beschreven normaal functioneert, kan Roland puur op basis van deze factoren geen
compatibiliteit garanderen. Dit komt door vele variabelen,
die de verwerkingsomgeving kunnen beïnvloeden, zoals
verschillen in het ontwerp van het moederboard en de
specifieke combinatie van andere aangesloten apparatuur.
In de verpakking
meegeleverd
U vindt in de verpakking, naast de VG-99, de
volgende artikelen:
1.
Een Engelstalige en Nederlandstalige
handleiding.
2.
Een Preset Patch lijst met een beschrijving van de
200 voorgeprogrammeerde instellingen.
3.
4.
Een GK-kabel van drie meter.
5.
Een stroomadapter, bestaande uit twee kabeldelen. De kabel met stekker moet in de adapter
geplugd worden.
6.
Een crèmekleurige USB-kabel, zie pagina’s 16 en
71 in de gebruikershandleiding.
7.
Een RRC2-kabel voor aansluiting van een FC-300
Foot Controller, zie pagina’s 16 en 52.
8.
Vier schroeven, die onderop de VG-99 voor
aansluiting op een optionele RAD-99 standaard
geplaatst kunnen worden. De bestaande
schroeven moet u weghalen, zie pagina 98.
Een aansluitinstructie voor de meegeleverde GKkabel. Indien u een GK-kabel heeft, dient u het
voor deze versie (afgeschermd) te vervangen.
5
Inhoud
HET APPARAAT OP EEN VEILIGE MANIER GEBRUIKEN ..................2
BELANGRIJKE OPMERKINGEN ............................................................4
Belangrijkste eigenschappen ..............................................................11
Ultiem gitaarmodulatiesysteem biedt onbeperkte mogelijkheden voor het creëren van
geluiden .......................................................................................................................................... 11
Twee complete systemen voor het maken van geluid............................................................. 11
Met D-Beam, band en overige nieuwe Realtime regelaars uitgerust .................................... 11
Bedieningspaneel biedt een variatie aan gebruiksomgevingen............................................. 11
Door het apparaat met de FC-300 te combineren het perfecte live systeem creëren .......... 11
Bevat functie voor toonhoogte/MIDI conversie ...................................................................... 11
Met V-LINK functie uitgerust ..................................................................................................... 11
Benamingen en functies ......................................................................12
Bovenpaneel .............................................................................................................................................. 12
Achterpaneel ............................................................................................................................................. 14
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren..........................................................15
Het gesplitste element installeren .......................................................................................................... 15
Voordat u aansluitingen maakt.............................................................................................................. 15
De aansluitingen maken .......................................................................................................................... 16
Het apparaat aanzetten............................................................................................................................ 18
Over het afspeelvenster................................................................................................................ 19
Over de informatie in het beeldscherm (basisbediening) ....................................................... 19
Het volume aanpassen ................................................................................................................. 20
Het op de MAIN OUT aangesloten apparaat (versterker) instellen (Uitvoerselectie) .......... 20
De gesplitste element instellingen (GK instellingen) invoeren ......................................................... 21
De gitaar stemmen (TUNER).................................................................................................................. 22
Van toon wisselen (Patch) ....................................................................................................................... 23
Over de Patchnummers................................................................................................................ 23
Met behulp van de PATCH/VALUE draaischijf van Patch wisselen................................... 24
Het apparaat uitzetten ............................................................................................................................. 24
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren.............................................................25
De COSM GUITAR klank instellen ....................................................................................................... 25
De Alternate Tuning functie instellen ................................................................................................... 26
AB LINK instellen ......................................................................................................................... 26
TUNING instellen ......................................................................................................................... 27
BEND instellen .............................................................................................................................. 27
12-STRING instellen ..................................................................................................................... 28
USER TUNING instellen.............................................................................................................. 29
USER TUNING instellen.............................................................................................................. 29
Setting HARMONY ...................................................................................................................... 30
De COSM AMP toon instellen................................................................................................................ 30
De effecten instellen ................................................................................................................................. 31
POLY FX (poly effect)................................................................................................................... 31
FX (effecten) ................................................................................................................................... 31
De volgorde waarin de effecten en versterker op elkaar volgen opnieuw indelen (CHAIN) ...... 32
Voor de af te spelen song het tempo en de toonsoort bepalen .......................................................... 32
Het tempo instellen....................................................................................................................... 32
De toonsoort instellen................................................................................................................... 33
Het normale elementgeluid mixen ........................................................................................................ 33
De volumebalans instellen........................................................................................................... 33
Het punt, waarop de COSM gitaar is aangesloten, wijzigen.................................................. 34
Twee klanken mixen (MIXER)................................................................................................................ 35
Het volume en de panning van elk kanaal instellen................................................................ 35
6
Inhoud
De mixbalans instellen ................................................................................................................. 35
De delay en reverb instellen (DELAY/REVERB)..................................................................... 35
Met behulp van plukdynamiek de mix tussen de twee kanalen regelen (DYNAMIC) ..... 36
Het overkoepelende volumeniveau van de Patch instellen (PATCH LEVEL) .................... 36
De overkoepelende klank van de Patch aanpassen (TOTAL EQ) ......................................... 36
Het uitgaande signaal en niveau instellen (OUTPUT) ............................................................ 37
Aan een Patch een naam toewijzen (PATCH NAME) ........................................................................ 37
Een Patch opslaan (WRITE) .................................................................................................................... 38
Hoofdstuk 3 Uw eigen effecttypen creëren (CUSTOMIZE)................39
De voorversterker op uw wensen afstemmen ..................................................................................... 39
De luidspreker op uw wensen afstemmen ........................................................................................... 40
De Overdrive/Distortion op uw wensen afstemmen......................................................................... 40
De pedaal wah op uw wensen afstemmen ........................................................................................... 41
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)...................42
De instellingen voor het gesplitste element invoeren ......................................................................... 42
De instellingen selecteren ............................................................................................................ 42
Aan GK instellingen een naam toewijzen (GK NAME) .......................................................... 42
Het gesplitste element type selecteren....................................................................................... 43
De schaal van de gitaar instellen ................................................................................................ 43
De fase van het gesplitste element en het standaard element overeen laten stemmen ...... 43
De richting van de geïnstalleerhet gesplitste element instellen ............................................. 43
De DOWN/S1, UP/S2 schakelaarindeling instellen ............................................................... 44
De ruimte tussen het element en de brug instellen (PICKUP ´ BRIDGE)............................. 44
De gevoeligheid van elke snaar aanpassen ............................................................................... 45
Aangeven of het gesplitste element wel of niet wordt gebruikt (GK CONNCT)................ 45
Per Patch verschillende gitaarinstellingen gebruiken (SET MODE) ..................................... 46
De functie van de GK volumeregelaar en de DOWN/S1, UP/S2 schakelaars bepalen
(GK FUNC) .................................................................................................................................... 46
De algemene toon op de omgeving aanpassen (GLOBAL/OUTPUT SELECT)............................. 46
De instellingen selecteren ............................................................................................................ 46
Aan de instellingen een naam toewijzen (GLOBAL NAME) ................................................. 47
De typen van de aangesloten apparatuur instellen (OUTPUT SELECT) ............................. 47
De algemene toon aanpassen (GLOBAL EQ) ........................................................................... 48
Het algemene effect van de ruisonderdrukker regelen (Total NS)........................................ 48
Het algemene reverb niveau regelen (Total REVERB) ............................................................ 49
De geluidsuitvoer vanaf de SUB OUT instellen (SUB OUT LEVEL) .................................... 49
De GK VOLUME regeling en schakelaar en de pedaalfunctie instellen
(SYSTEM CONTROL ASSIGN).............................................................................................................. 49
Bij het opvragen van Patches de waarden van een extern pedaal, de GK VOLUME regelaar
of een andere regelaar laten overgedragen (ASSIGN HOLD)........................................................... 50
Het aantal Patches, dat kan worden opgevraagd, beperken (PATCH EXTENT)........................... 50
Het contrast van het beeldscherm aanpassen ...................................................................................... 51
Het uitgaande signaal en niveau aanpassen (SYSTEM OUTPUT) ................................................... 51
Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie met een FC-300 gebruiken..... 52
Aansluiten via de RRC2 IN aansluiting ................................................................................................ 52
Aan de FC-300 gerelateerde instellingen .............................................................................................. 52
Instellingen voor regeling van de FC-300.................................................................................. 52
De handeling, waarmee van Patch wordt gewisseld, instellen.............................................. 53
De stemfunctie van de VG-99 via de FC-300 activeren (QUICK TUNER)....................................... 53
De FC-300 Amp Control instellen .......................................................................................................... 54
7
Inhoud
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken ................................................................55
Over MIDI ................................................................................................................................................. 55
Wat u met behulp van MIDI kunt doen .................................................................................... 55
Belangrijkste soorten MIDI berichten, die de VG-99 kan verwerken.................................... 56
Over de MIDI implementatie ...................................................................................................... 57
MIDI berichten uitwisselen ......................................................................................................... 57
Over MIDI kanalen ....................................................................................................................... 57
Bankselectie en programmawijziging ........................................................................................ 58
De MIDI gerelateerde functies instellen................................................................................................ 58
Met de MIDI CLOCK van een extern apparaat synchroniseren ....................................................... 64
Een externe synthesizer geluidsmodule spelen (GUITAR TO MIDI) .............................................. 64
De GUITAR TO MIDI functie instellingen (systeemparameters) .......................................... 64
De GUITAR TO MIDI functie instellen (Patchparameters) .................................................... 67
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met een via USB
aangesloten computer..........................................................................71
Voordat u de USB aansluiting gebruikt ................................................................................................ 71
Van Driver functie wisselen ........................................................................................................ 72
De USB functies instellen ........................................................................................................................ 73
De invoer en uitvoer van het digitale geluidssignaal instellen .............................................. 73
De Direct Monitor (direct beluisteren) functie instellen.......................................................... 74
De uitvoer van de VG-99 met behulp van een computer opnemen ................................................. 75
Met de VG-99 effecten aan een geluidsweergave van een computer toevoegen............................ 75
Hoofdstuk 8 Overige functies ..............................................................76
Met behulp van de D Beam en bandregelaar de toon in Realtime wijzigen ................................... 76
De D Beam aanpassen (CALIBRATION) .................................................................................. 76
De D Beam uitschakelen (DISABLE).......................................................................................... 77
Met behulp van handbewegingen of de gitaarhals geluiden regelen
(D Beam Controller)...................................................................................................................... 77
De bandregelaar aanpassen (CALIBRATION) ......................................................................... 78
De geluiden door middel van de beweging van uw vingertop regelen
(Ribbon Controller) ....................................................................................................................... 79
Geluiden langere perioden aanhouden (FREEZE)................................................................... 79
De toonhoogte wijzigen met behulp van een Tremolo Arm (T-ARM) ................................. 80
Nuance aan het geluid toevoegen (FILTER) ............................................................................. 81
De geluiden tijdens het spelen met draaiknoppen wijzigen (DIRECT EDIT) ................................. 82
De geluiden met behulp van de schakelaars, pedalen en MIDI regelen
(CONTROL ASSIGN) .............................................................................................................................. 82
Met slechts één druk op de knop uw favoriete Patches opvragen (DIRECT PATCH).................. 86
DIRECT PATCH instellen............................................................................................................ 86
De Patches beheren .................................................................................................................................. 87
De huidige Patch naar een andere Patch kopiëren (PATCH COPY) .................................... 87
De huidige Patch en een andere Patch verwisselen (PATCH EXCHANGE)....................... 87
Gebruiker Patches initialiseren (PATCH INITIALIZE)........................................................... 88
Instellingen tussen kanaal A en kanaal B kopiëren (A/B COPY).......................................... 88
De instellingen van kanaal A en kanaal B verwisselen
(A/B EXCHANGE)....................................................................................................................... 88
Een gedeelte van de parameters naar een andere Patch kopiëren (MODULE COPY)....... 89
Een gedeelte van de Patchparameters initialiseren (MODULE INITIALIZE) ..................... 89
Patches in groepen uitsplitsen (CATEGORY)...................................................................................... 90
Met behulp van de CATEGORY functie Patches opvragen ................................................... 90
Patchcategorieën instellen............................................................................................................ 90
Aan gebruikercategorieën een naam toewijzen (CATEGORY NAME)................................ 91
Uw favoriete instellingen afzonderlijk opslaan (FAVORITE SETTINGS) ....................................... 91
Wat zijn favoriete instellingen?................................................................................................... 91
Favoriete instellingen opvragen ................................................................................................. 92
8
Inhoud
Klankinstellingen wijzigen .......................................................................................................... 92
Gewijzigde klanken opslaan........................................................................................................ 93
Aan favoriete instellingen een naam toewijzen (FAVORITE NAME) .................................. 94
Patches zoeken, die dezelfde favoriete instellingen gebruiken.............................................. 94
Bij aanvang van de bediening het virtuele expressiepedaal activeren (Internal Pedal System)... 95
Intern pedaalfunctie...................................................................................................................... 95
Golfpedaalfunctie.......................................................................................................................... 95
Met behulp van uw gitaar videobeelden regelen (V-LINK) .............................................................. 96
Wat is V-LINK? ............................................................................................................................. 96
Het V-LINK apparaat aansluiten................................................................................................ 96
De V-LINK functie in en uitschakelen ....................................................................................... 96
V-LINK instellen ........................................................................................................................... 97
De VG-99 gebruiken op een standaard ................................................................................................. 98
De VG-99 in een stellage opstelling gebruiken .................................................................................... 99
De VG-99 naar de fabrieksinstellingen terugbrengen (FACTORY RESET)................................... 100
Hoofdstuk 9 Parametergids ...............................................................101
COSM GUITAR ...................................................................................................................................... 101
Modeling Type List..................................................................................................................... 101
ALTERNATE TUNING.............................................................................................................. 116
Poly FX (poly effect)............................................................................................................................... 118
FX (Effects)............................................................................................................................................... 120
De HOLD functie gebruiken (Hold Delay) ............................................................................. 125
PHASER........................................................................................................................................ 127
FLANGER .................................................................................................................................... 128
TREML (Tremolo) ....................................................................................................................... 128
PAN............................................................................................................................................... 128
T.WAH (Touch Wah).................................................................................................................. 129
AUTO WAH ................................................................................................................................ 129
OCTAVE....................................................................................................................................... 129
PITCH SHIFT (Pitch Shifter) ..................................................................................................... 130
HARMONIST .............................................................................................................................. 130
Harmonist toonladders creëren (User Scale) .......................................................................... 131
PEDAL BEND.............................................................................................................................. 132
2x2 CHORUS ............................................................................................................................... 132
ROTARY....................................................................................................................................... 133
UNI-V............................................................................................................................................ 133
VIB (Vibrato) ................................................................................................................................ 133
SLICER.......................................................................................................................................... 134
HUMANIZER.............................................................................................................................. 134
SLOW GEAR................................................................................................................................ 135
DEFRET ........................................................................................................................................ 135
FEEDBACKER ............................................................................................................................. 135
RING MOD (ringmodulator) .................................................................................................... 136
ANTI FB (anti-feedback) ............................................................................................................ 136
ADV.COMP (geavanceerde compressor)................................................................................ 136
LIMITR (limiter) .......................................................................................................................... 137
SUB EQ (sub equalizer) .............................................................................................................. 137
SUB DELAY (sub delay) ............................................................................................................ 138
COSM AMP............................................................................................................................................. 140
MIXER ...................................................................................................................................................... 146
MIXER A, B (MIXER CHANNEL A, B) ................................................................................... 146
PATCH LEVEL............................................................................................................................ 146
TOTAL EQ (totale equalizer)..................................................................................................... 146
OUTPUT ....................................................................................................................................... 147
DELAY.......................................................................................................................................... 148
MASTER .................................................................................................................................................. 150
9
Inhoud
GK VOL (GK Volume) ............................................................................................................... 150
GK S1, S2 (DOWN/S1, UP/S2 Switch).................................................................................... 150
PANEL CTL1/CTL2 (Control Button 1/2) ............................................................................. 151
D BEAM........................................................................................................................................ 151
RIBBON ........................................................................................................................................ 153
EXP PEDAL (Expression Pedal)................................................................................................ 154
CTL3, CTL4 (Control3, Control4) ............................................................................................. 154
FC-300 CONTROL ...................................................................................................................... 155
ASSIGN 1–16................................................................................................................................ 155
DIRECT EDIT F1–F6 ................................................................................................................... 156
GUITAR TO MIDI .................................................................................................................................. 164
SYSTEM ................................................................................................................................................... 166
Parameters die aan afzonderlijke regelaars kunnen worden toegewezen ......................... 168
V-LINK PATCH .......................................................................................................................... 174
V-LINK SYSTEM......................................................................................................................... 176
GLOBAL .................................................................................................................................................. 177
TUNER ..................................................................................................................................................... 178
Hoofdstuk 10 Bijlagen ........................................................................179
MIDI implementatiekaart...................................................................................................................... 179
Signaalstroom ......................................................................................................................................... 183
Specificaties ............................................................................................................................................. 184
VG-99 V-gitaar systeem.............................................................................................................. 184
VG-99 software systeemvereisten ........................................................................................................ 185
Voor Windows............................................................................................................................. 185
Voor MAC OS.............................................................................................................................. 185
Foutmeldingen........................................................................................................................................ 186
Probleemoplossing ................................................................................................................................. 186
Problemen met geluid ................................................................................................................ 186
Overige problemen ..................................................................................................................... 188
Overzicht van voorgeprogrammeerde Patches ...............................189
Index.....................................................................................................193
10
Belangrijkste eigenschappen
Ultiem gitaarmodulatiesysteem
biedt onbeperkte mogelijk--heden voor
het creëren van
geluiden
De VG-99 is het toppunt van de gitaarmodulatiesystemen, die op
Rolands COSM technologie zijn gebaseerd. Uitgerust met
geavanceerde software, ondersteund door de allernieuwste, op maat
gemaakte DSP chips, biedt het instrument tevens een groot LCD
scherm met hoog contrast, AD/DA convertors van topkwaliteit,
gebalanceerde XLR uitvoeraansluitingen, digitale
uitvoeraansluitingen, USB aansluiting en overige functies, die er
allemaal voor zorgen, dat u een waar pro-spec systeem in huis heeft.
Over COSM
(Composite Object Sound Modeling)
Composite Object Sound Modeling (samengestelde object
geluidsmodulatie), afgekort ‘COSM’, is de innovatieve en
krachtige technologie van BOSS/Roland, die wordt gebruikt
om het geluid van klassieke muziekinstrumenten en effecten
digitaal te reconstrueren. COSM analyseert de diverse
elementen, die het geluid beïnvloeden – inclusief de
elektronische en fysieke kenmerken – en creëert een digitaal
model, dat het oorspronkelijke geluid nauwkeurig
reproduceert.
Twee complete systemen voor
het maken van geluid
De VG-99 is met twee afzonderlijke gitaar en COSM amp systemen
uitgerust. U kunt twee verschillende soorten gemoduleerde gitaren
tegelijkertijd gebruiken, en voor elke gitaar verschillende
versterkergeluiden creëren. Bovendien is de VG-99 met twee
effectsystemen uitgerust. Deze bieden een enorme selectie aan BOSS
effecten, inclusief COSM effecten. Met behulp van dit alles kunt u de
perfecte verwerking voor elke afzonderlijke gitaar bereiken.
Bedieningspaneel biedt een
variatie aan gebruiksomgevingen
De VG-99 kan op diverse verschillende manieren worden
geïnstalleerd, om zo in de behoeften van de gebruiker te voorzien.
Bijvoorbeeld als een desktop eenheid voor opname of wanneer u
computerinvoer gebruikt, aan de standaard (optie) bevestigd en
direct door de uitvoerende artiest geïnstalleerd of met behulp van de
stellage (rack mount) adapter (optie) in een stellage geplaatst.
Door het apparaat met de
FC-300 te combineren het
perfecte live systeem creëren
Door een Roland FC-300 MIDI voetregelaar (optie) op de VG-99 aan
te sluiten kunt u met behulp van de meerdere voetpedalen van de
FC-300 van toon wisselen en overige handelingen uitvoeren, zodat u
tijdens het bedienen uw handen vrij houdt. Deze apparaten hebben
ook een RRC2 aansluiten, zodat u de VG-99 en FC-300 met één
enkele kabel op elkaar kunt aansluiten. Deze RRC2 functie maakt
tussen de apparaten communicatie in twee richtingen mogelijk,
terwijl ze bovendien als stroomvoorziening van de FC-300 fungeren,
zodat het aantal op de apparaten aan te sluiten kabels zo laag
mogelijk blijft.
Bevat functie voor toonhoogte/
MIDI conversie
De VG-99 kan gitaar uitvoeringsgegevens in MIDI informatie
omzetten en vervolgens deze informatie uitvoeren, zodat u een
synthesizer geluidsmodule of soortgelijk apparaat kunt aansluiten,
en de installatie als gitaarsynthesizer kunt gebruiken.
Met V-LINK functie uitgerust
Met behulp van deze functie kunt u uitvoeringsgegevens en
pedaalbediening gebruiken om videomateriaal mee te regelen.
Met D-Beam, band en overige
nieuwe Realtime regelaars
uitgerust
Op de VG-99 zijn nieuwe, en tot nu toe ondenkbare vormen van
muzikale expressie mogelijk, inclusief nieuwe manieren om de hals
van de gitaar en uw handen te gebruiken. Net als bij vorige V-Gitaar
systemen kunt u uiteraard ook nog steeds expressiepedalen en
schakelaars aansluiten.
V-LINK
V-LINK is een functie met behulp waarvan muziek en beelden
samen kunnen worden uitgevoerd. Door met behulp van MIDI
twee of meer V-LINK compatibele apparaten op elkaar aan te
sluiten, kunt u op eenvoudige wijze van een brede variatie aan
visuele effecten, die aan de expressieve elementen van een
muzikale uitvoering zijn verbonden, genieten.
11
Benamingen en functies
Bovenpaneel
fig.00-020
1
3
2
32
4
23 24
30
33
5
25
6
7
13
8
9
10
11
14
26
16
17
12
18
15
27
19
28
29
31
20
1.
21
D BEAM
Schakelt de D Beam functie in en uit. Door uw hand of de
gitaarhals binnen het bereik van de balk te bewegen, kunt u
aan het geluid een variatie aan effecten toevoegen. (p. 76)
• PITCH knop
Behalve voor het wijzigen van de toonhoogte van de
gitaar kunt u deze knop gebruiken voor de Freeze
functie, die de gitaartoon continu vasthoudt.
• FILTER knop
Hiermee verandert u de toon van de gitaar.
• ASSIGNABLE knop
Deze gebruikt u om verschillende parameters en functies
aan de D-Beam toe te wijzen, en de toon in Realtime te
wijzigen.
2.
LCD venster
Hier wordt diverse informatie over de VG-99 weergegeven.
3.
4.
PATCH/VALUE draaischijf
FUNCTION knoppen
Worden gebruikt om de in het LCD venster weergegeven
parameters te selecteren.
7.
ALTERNATE TUNING knop
Stelt de Alternate Tuning functie in. (p. 26)
8.
MODELING TYPE knoppen
Deze stellen het COSM gitaar type en de toon ervan in. (p. 25)
9.
POLY FX (poly effecten) knop
Deze stelt de poly effecte in. (p. 31)
10. FX (Effect) knoppen
Deze stellen de effecten in. (p. 31)
11. COCOSM AMP knoppen
Worden gebruikt om de COSM versterker in te stellen. (p. 30)
12. MIXER knoppen
CATEGORY knop
13. DELAY/REVERB knop
FUNCTION draaiknop
Wijzigt de waarde van de instelling van de in het LCD venster
weergegeven parameter.
12
6.
Wordt gebruikt om van Patch te wisselen en
instellingswaarden te wijzigen.
Wordt gebruikt om categorieën te selecteren en wijzigen.
5.
22
Worden gebruikt om de mixer in te stellen. (p. 35)
Wordt gebruikt om de delay en reverb van het mixer gedeelte
in te stellen. (p. 35)
14. DYNAMIC knop
Wordt gebruikt om de dynamiek in te stellen. (p. 36)
Benamingen en functies
15. BALANCE draaiknop
Bepaalt de mixbalans. (p. 35)
16. CHAIN knop
Wordt gebruikt om de effect en COSM gitaar/COSM
versterker aansluitingsequens in te stellen. (p. 34)
17. CONTROL ASSIGN knop
Deze bepaalt welke functies aan de pedalen en schakelaars
zijn toegewezen. (p. 82)
18. NAME/KEY/BPM knop
Wordt gebruikt om de Patch namen en het tempo en de
toonsoort van af te spelen songs aan te geven. (p. 32)
19. PATCH LEVEL draaiknop
Past het volume van een Patch aan.
20. V-LINK knop
Deze schakelt de V-LINK functie in en uit. (p. 96)
21. DIRECT PATCH knoppen
Gebruik deze om de Patches, die u eraan heeft toegewezen,
direct op te vragen. (p. 86)
30. RIBBON CONTROLLER (Bandregelaar)
Hiermee kunt u de toon wijzigen door uw vinger over de
band heen te schuiven. (p. 77)
U kunt met behulp van de drie knoppen een keur aan effecten
direct in en uitschakelen.
• PITCH knop
Wijzigt de toonhoogte van de gitaar.
• FILTER knop
Wijzigt de helderheid van het geluid.
• ASSIGNABLE knop
Deze kunt u gebruiken om verschillende parameters en
functies aan de bandregelaar toe te wijzen en de toon in
Realtime te wijzigen. (p. 82)
31. GK IN aansluiting
Sluit hier de GK kabel aan.
32. POWER schakelaar
Hiermee schakelt u het apparaat in en uit. (p. 18) (p. 24)
33. OUTPUT LEVEL draaiknop
Deze past het volumeniveau van de MAIN OUT jacks en de
koptelefoon jack aan.
22. CONTROL knoppen
Met behulp van deze knoppen kunt u een variatie aan
verschillende functies toewijzen en regelen. (p. 82)
23. EXIT knop
Wordt gebruikt om naar voorgaande vensters terug te keren
en commando’s ongedaan te maken.
24. WRITE knop
Wordt gebruikt om instellingen in Patches op te slaan en
commando’s uit te voeren.. (p. 38) (p. 87)
25. PAGE knoppen
Deze verspringen tussen de in het LCD venster weergegeven
vensters.
26. GUITAR TO MIDI knop
Deze stelt de GUITAR TO MIDI functie in (de functie die het
op de gitaar gespeelde geluid in MIDI signalen omzet). (p. 64)
27. SYSTEM knop
Wordt gebruikt om instellingen te bepalen, die met de
gebruikersomgeving van de VG-99 te maken hebben. (p. 42)
28. GLOBAL knop
Hiermee stelt u de GLOBAL functie (die op de toon van alle
Patches van invloed is) in. (p. 46)
29. TUNER knop
Deze schakelt de stemfunctie in. (p. 22)
13
Benamingen en functies
Achterpaneel
fig.00-030
1
2
3
4
5
7
8
9
10 11 12
6
1.
Veiligheidssleuf(
14
EV-5) aan. (p. 16)
)
*
988
Sluit hier een in de winkel verkrijgbare anti-diefstal
veiligheidskabel aan.
http://www.kensington.com/
2.
3.
4.
* De OUTPUT LEVEL draaiknop instellingen zijn niet op de
SUB OUT L en R aansluitingen van invloed. De uitvoer staat
constant op een vast uitgaand niveau ingesteld (+4 dBu).
*
toegewezen.
11. USB aansluiting
Gebruik een USB kabel om op deze aansluiting een computer
aan te sluiten en tussen de VG-99 en de computer uitwisseling
van gegevens mogelijk te maken (p. 71)
12. RRC2 IN aansluiting
Hierop kan een FC-300 (optie) op worden aangesloten.
Deze aansluiting levert voeding aan de FC-300 en zorgt voor
een twee-richtingscommunicatie ermee. (p. 52)
*
U kunt de nr. 1 pin van de SUB OUT aansluiting van de
poolklem van de VG-99 loskoppelen.
gebruiken.
MAIN OUT jacks L/MONO, R
PHONES jack
Hier sluit u een koptelefoon aan.
8.
De RRC2 IN aansluiting is exclusief voor gebruik met de FC-300
bedoeld. U kunt deze aansluiting niet voor andere apparatuur
13. MIDI OUT, IN aansluiting
Hierop kunt u een extern MIDI apparaat aansluiten, zodat u
MIDI berichten van en naar het apparaat kunt ontvangen/
versturen.
14. DC IN (adapter) jack
Sluit hier de meegeleverde adapter op aan.
Dit zijn ongebalanceerde phone jack uitgangen. Gebruik deze
om versterkers, mixers en soortgelijke apparatuur op aan te
sluiten.
7.
In de fabriek wordt de Patch omhoog/omlaag functie aan deze jack
GND LIFT schakelaar
Zet deze schakelaar op LIFT, als er een aardeloop of
soortgelijk probleem voor zorgt, dat er een brom of ruis wordt
uitgevoerd. Normaalgesproken staat deze schakelaar op
GND.
6.
Hier kan een optionele voetschakelaar (zoals een FS-6) op
worden aangesloten. (p. 16)
SUB OUT aansluitingen L, R
Deze gebalanceerde uitvoer jacks maken van een XLR type
aansluiting gebruik.
5.
10. CTL3,4 (CONTROL 3, 4) jack
GUITAR OUTPUT jack
Deze jack voert het geluid van normale, op een GK 3
aangesloten gitaren en ongewijzigde signalen van de GUITAR
INPUT jack uit.
De VG-99 is in de fabriek zo ingesteld, dat het pedaal automatisch
als voetvolumepedaal functioneert.
GUITAR INPUT jack
Gebruik deze jack om direct een normale gitaar in te voeren.
15
13
Om ervoor te zorgen, dat de VG-99 niet beschadigd raakt,
dient u geen andere dan de met de VG-99 meegeleverde
adapter te gebruiken.
15. Kabelhaak
Bevestig de kabel van de adapter met behulp van deze haak,
zodat u voorkomt dat de kabel per ongeluk wordt
losgekoppeld. (p. 17)
DIGITAL OUT aansluiting
Vanaf deze uitgang worden digitale geluidssignalen
uitgevoerd. (p. 37) (p.147)
*
Als de adapter tijdens gebruik van de VG-99 wordt losgekoppeld,
kan dit ervoor zorgen, dat belangrijke gegevens worden worden
9.
EXP PEDAL (EXPRESSIEPEDAAL) jack
Hier sluit u een optioneel expressiepedaal (zoals een Roland
14
beschadigd.
Het gesplitste element
installeren
Installeer eerst de GK-3 gesplitste element (optie) op de te gebruiken
gitaar. Voor instructies, zie de handleiding van de GK-3.
Op de volgende gitaren kan de GK-3 niet worden
gebruikt (ook al is de het element geïnstalleerd, hij
functioneert niet goed).
• 12-snarige gitaren, pedal steel gitaren en andere dan zes-snarige
gitaren
• Gitaren met nylon snaren of darmsnaren en overige gitaren die
geen stalen snaren gebruiken.
• Basgitaren
• Overige gitaren, waarvan de bouw onvoldoende ruimte biedt
om de GK-3 goed te kunnen bevestigen
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
Voordat u aansluitingen
maakt
Als u met de VG-99 uitvoeringen wilt gaan spelen, dient u eerst de
volgende apparaten te installeren.
• Een gitaar, waarop de GK-3 is geïnstalleerd of een gitaar met
een interne GK functie
• Gitaarversterker/luidspreker of koptelefoon.
Met behulp van de volgende apparatuur wordt het spelen nog
gemakkelijker:
• MIDI voetregelaar (Roland FC-300; optioneel)
• Expressiepedaal (Roland EV-5 of BOSS FV-500L/500H met een
aansluitingskabel (stereo 1/4” phone - stereo 1/4” phone;
optioneel)
• Pedaalschakelaar (BOSS FS-5U of FS-6; optioneel)
Over de GK volumeregeling van de GK-3
Op de VG-99 kunt u diverse verschillende functies aan de GK
volumeregeling van de GK-3 toewijzen. (p. 82)
Wellicht kunt u het volumeniveau van de VG-99 niet met behulp van
de GK volumeregelaar regelen, omdat er een andere parameter aan
de Gk volumeregelaar is toegewezen.
Over de selectieschakelaars van de GK-3
Aangezien u op de VG-99 de balans tussen de COSM gitaar en het
normale gitaarvolume in elke afzonderlijke Patch kunt instellen,
raden we u aan om de MIX optie als basisfunctie voor de
selectieschakelaar te gebruiken.
Houd er tevens rekening mee, dat als u een andere parameter dan
het volume aan de GK volumeregelfunctie heeft toegewezen, de
selectieschakelaar van de GK-3 niet meer normaal functioneert.
15
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
De aansluitingen maken
Bovenpaneel
GK kabel
Gitaar met GK-3 / GK-2A /
andere GK-compatibele gitaar
Achterpaneel
Stereo
koptelefoon
Digitale
recorder etc.
Synthesizer
(externe geluidsmodule etc.)
MIDI IN
Computer
Mixer etc.
MIDI Sequencer etc.
Met V-LINK
compatibel apparaat
(EDIROL MD-Pa1X etc.)
MIDI IN
MIDI IN
Normale gitaar
Adapter PSB-1U
RRC2 kabel
Gitaarversterker
(Voor normale gitaar)
16
EXP pedaal
(EV-5 etc.)
Voetschakelaar
(BOSS FS-6 etc.)
Computer
MIDI voetregelaar
FC-300
MIDI OUT
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
In de meegeleverde GK kabel zijn de onderstaande onderdelen (ferriet
kern) geïnstalleerd
924
*
Om te voorkomen dat de stroomvoorziening naar het apparaat per
Kies voor het aansluiten van de GK IN aansluiting op de VG-99
ongeluk wordt verbroken (als de stekker per ongeluk uit het apparaat
voor de stekker, waar de ferrietkern aan is bevestigd.
wordt getrokken), en om te voorkomen dat er overmatige druk op de
adapter jack komt, raden we u aan om de stroomkabel te verankeren
VG-99
GK IN aansluiting
Ferriet kern
met behulp van de kabelhaak, zoals in de afbeelding is weergegeven.
fig.CordHook.e.eps
Kabelhaak
De kabel van de
meegeleverde adapter
Gitaar met GK-3 / GK-2A /
andere GK-compatibele gitaar
Naar het stopcontact
De ferriet kern bevestigen
Als u een nieuwe GK kabel aanschaft, is daar geen ferriet kern
aan bevestigd. Als u een nieuwe GK kabel voor de VG-99 wilt
gebruiken, dient u eerst de ferriet kernen te bevestigen.
925
*
Gebruik alleen het aangegeven expressiepedaal (Roland EV-5, BOSS
FS-500L/500H met een aansluitingskabel (stereo 1/4” phone - stereo
1. Trek de lipjes van de ferriet kern omhoog en
open de ferriet kern.
1/4” phone); los verkrijgbaar). Door andere expressiepedalen aan te
sluiten riskeert u storingen en/of schade aan het apparaat.
927
*
Afhankelijk van de omstandigheden van een bepaalde
installatie, kunt u bij het aanraken van het apparaat, een
aangesloten microfoon of de metalen onderdelen van overige
2. Plaats de GK kabel zo in de ferriet kern, dat de
kern de stam van de kabelstekker raakt.
voorwerpen, zoals gitaren, een licht onprettig gevoel of
ruwheid ervaren. Dit wordt door een zeer kleine elektrische lading
veroorzaakt, die absoluut geen gevaar vormt voor het menselijk
lichaam. As u zich hierover echter zorgen maakt, kunt u ervoor
kiezen om de poolklem (zie afbeelding) met een externe ondergrond te
verbinden. Als het apparaat is geaard, kan er, afhankelijk van de
details omtrent de installatie, een lichte brom optreden. Als u niet
3. Duw de lipjes aan, zodat ze met een klikgeluid
stevig dicht komen te zitten.
precies weet hoe u het apparaat moet aansluiten, raden we u aan om
contact op te nemen met het dichtstbijzijnde Roland Service Center
* Zorg ervoor, dat bij het bevestigen van de ferriet kern uw vingers
niet knel komen te zitten.
of een erkende Roland leverancier, zoals vermeld op de ‘Informatie’
pagina.
Ongeschikte plaatsen voor aansluiting
• Waterleidingen (kunnen schokken of electrocutie
veroorzaken)
921
*
• Gasleidingen (kunnen brand of explosies veroorzaken)
Om te voorkomen dat de stroomvoorziening naar het apparaat per
ongeluk wordt verbroken (als de stekker per ongeluk uit het apparaat
wordt getrokken), en om te voorkomen, dat er overmatige druk op de
*
• Geaarde telefoonkabel of bliksemafleider (kunnen in
geval van bliksem gevaarlijk zijn)
926a
* Als u aansluitingskabels met weerstanden gebruikt, kan het
adapter jack komt, raden we u aan om de stroomkabel te verankeren
volumeniveau van de apparatuur die op de GUITAR INPUT is
met behulp van de kabelhaak, zoals in de afbeelding is weergegeven.
aangesloten, laag zijn. In dit geval gebruikt u aansluitingskabels
Gebruik alleen het aangegeven expressiepedaal (Roland EV-5, BOSS
zonder weerstanden.
FS-500L/500H met een aansluitingskabel (stereo 1/4” phone - stereo
*
Sluit op de RRC2 IN aansluiting van de VG-99 nooit iets anders aan
1/4” phone); los verkrijgbaar). Door andere expressiepedalen aan te
dan de RRC2 OUT aansluiting van de FC-300. Als u deze
sluiten riskeert u storingen en/of schade aan het apparaat.
aansluiting met een LAN of ander soort apparaat, dat modulaire
fig.XLR/TRSJack.eps
jacks van dezelfde maat en vorm (RJ45), verbindt, kan dit de VG-99
en/of het aangesloten apparaat beschadigen.
*
=CTL3
=CTL4
Als u een in de winkel verkrijgbare ethernetkabel, zoals de RRC2,
wilt gebruiken, dient u ervoor te zorgen, dat deze kabel aan de
volgende specificaties voldoet.
17
Hoofdstuk 1
*
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
• Categorie 5 (Cat5) of hoger
• Maximaal 15 meter lang
• Kabel die voor directe verbinding ontworpen is
* Cross-over kabels kunnen niet worden gebruikt.
*
Stel de ethernetkabel niet aan druk of vibratie bloot.
*
Steek de RRC2 kabel zorgvuldig helemaal in het apparaat, zodat hij
*
Als u het geluid in mono uitvoert, sluit u alleen op de MAIN OUT
• Als u de VG-99 gebruikt, terwijl er op de EXP PEDAL jack
een expressiepedaal is aangesloten, maakt u de instellingen
volgens de beschrijving op pagina 154.
• Als u de VG-99 gebruikt, , terwijl er op de CTL3/4 jack een
voetschakelaar is aangesloten, maakt u de instellingen
volgens de beschrijving op pagina 154.
stevig in de RRC2 IN aansluiting vast zit.
L/MONO jack een kabel aan.
*
U kunt geen COSM GUITAR of POLY FX gebruiken voor signalen
die via de GUITAR IN worden ingevoerd. De GT-PRO interne FX,
COSM AMP, MIXER en overige instellingen kunnen in twee
kanalen volledig worden gebruikt.
*
Als u op de EXP PEDAL jack een expressiepedaal aansluit, dient u
de pedaal te gebruiken met het volume op de minimale stand (MIN).
*
Als u een FS-6 voetschakelaar (optie) op de CTL3/4 jack aansluit,
Het apparaat aanzetten
Als u de aansluitingen eenmaal heeft gemaakt (p. 16), schakelt u de
diverse apparatuur in de aangegeven volgorde in. Door apparaten in
de verkeerde volgorde aan te zetten, riskeert u storing en/of schade
aan luidsprekers en overige apparaten.
*
stelt u de MODE schakelaar en POLARITY schakelaar in zoals
Dit apparaat is met een beschermingscircuit uitgerust. Na het
aanzetten van het apparaat duurt het korte tijd (een paar seconden),
hieronder is aangegeven.
voordat het apparaat normaal functioneert.
fig.01-010
B
*
A
Zorg er voor het aanzetten van het apparaat altijd voor, dat het
volumeniveau helemaal omlaag is gedraaid. Zelfs als het volume
helemaal omlaag staat, kan er tijdens het aanzetten van het apparaat
soms wat geluid worden waargenomen, maar dit is normaal en duidt
niet op een storing.
*
BOSS FS-6
Als u op de CTL3/4 jack een FS-6 voetpedaal aansluit (optioneel),
*
Als u de apparaten in de verkeerde volgorde aanzet, kan dit storing
en/of schade aan luidsprekers en overige apparatuur ten gevolg
hebben.
stelt u de POLARITY schakelaar als volgt in:
1.
fig.01-020
Schakel de POWER schakelaar op het
bovenpaneel van de VG-99 in.
Het beeldscherm verandert, zoals hieronder, en na een paar
seconden is de VG-99 klaar voor normaal gebruik.
Dit venster wordt het ‘Afspeelvenster’ genoemd.
BOSS FS-5U
fig.01-060d
*
Met behulp van de speciale Roland PCS-31 aansluitingskabel
*
Als u met behulp van een optionele aansluitingskabel (stereo 1/4”
(optioneel) kunt twee FS-5U’s aansluiten.
phone - stereo 1/4” phone) een FS-6 op de CTL3/4 jack heeft
aangesloten, fungeert de B pedaalschakelaar volgens de CONTROL
3 instellingen en de A pedaalschakelaar volgens de CONTROL 4
Tenzij specifiek anders aangegeven, worden de beschreven
handelingen in het weergegeven Afspeelvenster uitgevoerd.
instellingen.
fig.01-030
Naar CTL3,4 jack
Naar CTL3,4 jack
*
Naar CTL3,4 jack
Als de VG-99 aan staat, wordt de laatst geselecteerde Patch (voor het
uitschakelen van het apparaat) opgevraagd.
PCS-31 kabel
*
De uitleg in deze handleiding bevat afbeeldingen, die weergeven wat
het beeldscherm normaliter zou moeten weergeven. Houd er echter
rekening mee, dat het apparaat wellicht met een nieuwere,
Wit
Rood
Wit
uitgebreide versie van het systeem kan zijn uitgerust (d.w.z.,
Rood
nieuwere geluiden bevat), zodat wat u daadwerkelijk in het
beeldscherm ziet wellicht niet altijd met de afbeelding in de
handleiding overeenstemt.
BOSS
FS-5U
(CTL3)
BOSS
FS-5U
(CTL4)
(CTL3)
(CTL4)
(CTL4)
(CTL3)
2.
Zet de gitaarversterker of mixer aan.
*
Verhoog het volume van de versterkers pas, nadat u alle apparaten
heeft aangezet.
18
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
De VG-99 heeft diverse verschillende variaties van het
Afspeelvenster, die elk andere informatie over de huidige toestand
van de VG-99 biedt.
Met behulp van de PAGE [
][
] knoppen kunt u tussen de
diverse weergegeven informatie in het Afspeelvenster wisselen.
Hoofdstuk 1
Over het afspeelvenster
Over de informatie in het
beeldscherm (basisbediening)
Sommige vensters bevatten wellicht parameters, die over meerdere
pagina’s zijn verdeeld. Het paginanummer wordt rechtsboven in het
venster weergegeven.
Venster 1:
De eerste negen tekens van de Patchnaam worden in groot lettertype
weergegeven. Daarnaast worden er voor de gitaren en versterkers
van beide kanalen iconen weergegeven.
fig.01-060d
1.
Gebruik PAGE [
wisselen.
2.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de waarden te wijzigen.
][
] om van pagina te
Venster 2:
Alle zestien tekens van de Patchnaam worden weergegeven.
Als u, terwijl er onder in het beeldscherm SET**
verschijnt, een FUNCTION knop indrukt, zet u de
bijbehorende functie op de waarde, die door ** wordt
aangeduid.
Venster 3:
De gebruikte effecten, evenals hun verbindingssequens (CHAIN/
keten) in beide kanalen, worden weergegeven.
Venster 4:
Het venster geeft niveaumeters van de GK IN snaren 1-6, normale
element, MAIN OUT en SUB OUT niveaus weer.
Door volgens de beschrijving onder ‘Tijdens het spelen
met behulp van de draaiknoppen de geluiden
wijzigen (DIRECT EDIT)’ (p. 82) aan de F1-F6
draaiknoppen parameters toe te wijzen, kunt u deze
gebruiken, terwijl u zich in het Afspeelvenster bevindt,
om waarden te regelen. Bovendien kunt u door op de
[F1]-[F6] knoppen te drukken voor de toegewezen
parameters en hun waarden een popup weergeven.
19
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
Het volume aanpassen
Draai aan de OUTPUT LEVEL draaiknop om het volume op een
geschikt niveau te zetten.
fig.01-070
Waarde
Uitleg
JC-120
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
Roland JC-120 gitaarversterker aansluit.
SMALL AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
kleine gitaarversterker aansluit.
COMBO AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
gitaarinvoer van een andere comboversterker
dan de Roland JC-120 gitaarversterker aansluit (als de versterker en luidspreker of luidsprekers in één enkel apparaat zijn
gecombineerd).
* Afhankelijk van de gitaarversterker kunt u
wellicht met de JC-120 goede resultaten
behalen.
*
STACK AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
gitaarinvoer van een stack-type gitaarversterker (waarbij de versterker en de luidspreker of
luidsprekers van elkaar zijn gescheiden) aansluit.
JC-120 Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een JC-120 aansluit.
COMBO Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een comboversterker aansluit.
STACK Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een stack versterker of op de invoer van een op een stellage geplaatste eindversterker aansluit.
Gebruik ook de STACK Return instelling als u
een gitaar power versterker-speakerkast combinatie gebruikt.
LINE/PHONES
Gebruik deze instelling als u een koptelefoon
gebruikt of wanneer u de VG-99 voor opname
op een multi-sporige recorder aansluit.
De uitvoer van de SUB OUT aansluiting (XLR type) blijft constant,
ongeacht de instelling van de OUTPUT LEVEL draaiknop.
*
U kunt het volumeniveau aanpassen door deze functie aan het
expressiepedaal of de GK-3 GK volumeregelaar toe te wijzen. Voor
details, zie ‘De geluiden met behulp van de
schakelaars, pedalen en MIDI regelen (CONTROL
ASSIGN)’ (p. 82).
Het op de MAIN OUT aangesloten
apparaat (versterker) instellen
(Uitvoerselectie)
Volg de onderstaande procedure de instelling op het type apparaat
te zetten, dat op de MAIN OUT jacks wordt aangesloten.
fig.01-071
3
4
2
3
1
1.
Druk op [GLOBAL].
Het Global venster wordt weergegeven.
fig.01-072d
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F4] (SELECT(eren)) of draai aan de F4
draaiknop om de instelling op het type
apparaat te zetten, dat op de MAIN OUT jacks
is aangesloten.
20
] om naar pagina 1 te gaan.
4.
Druk op [EXIT] om naar het Afspeelvenster
terug te keren.
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
Hoofdstuk 1
fig.01-060d
De gesplitste element
instellingen (GK instellingen)
invoeren
Afhankelijk van de manier waarop het gesplitste element is
geïnstalleerd, variëren de kenmerken van het geluid van de VG-99
aanzienlijk. Om voor optimale geluidsproductie zeker te zijn dat de
omstandigheden consequent zijn, dient u ervoor te zorgen, dat de
instellingen op het gesplitste element (de GK instellingen) van
invloed zijn. Als deze instellingen op de juiste wijze worden
gemaakt, kan de VG-99 onder optimale omstandigheden
functioneren.
*
Voor informatie over parameters, die niet in dit hoofdstuk worden
4.
Druk op PAGE [
gaan.
5.
Selecteer het gesplitste element type.
][
] om naar pagina 2 te
Gebruik de F1 draaiknop om de instelling op het type
gesplitste element te zetten, dat op de door u gebruikte gitaar
is geïnstalleerd.
fig.01-060d
beschreven, zie ‘GK INSTELLING’ (p. 166).
Als u meer dan één gitaar op de VG-99 aansluit, kunt u
de instellingen voor elke gitaar afzonderlijk instellen.
De GK instellingen zijn van extreem belang voor het
verkrijgen van een goede toon uit de VG-99. Zorg
ervoor, dat u de instellingen goed invoert.
Instellingen
Uitleg
GK-3
Zet de instelling op de GK-3.
GK-2A
Zet de instellingen op de GK-2A.
PIEZO
Zet de instelling op een piëzo element.
*
fig.01-100
Piëzo elementen zijn een type element dat op de brug van de gitaar is
geïnstalleerd, en voor het bepalen van de snaartrillingen piëzoelektrische elementen gebruikt.
8 10 11
12
6.
2
5
6
Stel de schaallengte in.
Gebruik de F3 draaiknop om de schaallengte (de afstand
tussen de brug en de kam) van de door u gebruikte gitaar in te
stellen. Selecteer de dichtstbijzijnde waarde binnen een bereik
van 620-660mm. 648 mm komt met de ST instelling overeen,
628 mm met de LP instelling.
4 7 9
3
1
1.
7.
Druk op PAGE [
gaan.
8.
Voer de ruimte tussen het element en de brug
in.
Druk op [SYSTEM].
][
] om naar pagina 3 te
Het System venster wordt weergegeven.
Stel de tussenruimte vanaf het midden van het gesplitste
element tot de zadel van de brug in.
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F3] (GK).
] om naar pagina 1 te gaan.
Het GK Settings venster wordt weergegeven.
*
9.
Als u piëzo elementen gebruikt, is deze instelling niet verplicht.
Druk op PAGE [
] om naar pagina 4 te gaan.
21
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
fig.01-060d
De gitaar stemmen (TUNER)
Gebruik de stemfunctie (TUNER) van de VG-99 om de gitaar te
stemmen.
*
Om de beste toonkwaliteit uit de VG-99 te halen, dient u ervoor te
zorgen, dat de gitaar goed is gestemd.
10. Draai aan de F1-F6 draaiknoppen om voor elke
snaar de gevoeligheid van het gesplitste
element aan te passen.
fig.01-190
7
Speel eerst de zesde snaar met de voor de uitvoering
maximale te gebruiken kracht, en stel met behulp van de F1
draaiknop de gevoeligheid zo in dat de meter vlak voor het
punt, waarop het geluid over het maximale niveau heen gaat,
uitslaat.
Stel op dezelfde wijze de gevoeligheid van de vijfde tot en met
de eerste snaar in.
*
in dit geval de gevoeligheidsinstelling.
*
1
7
Als de niveaumeter een niveau boven het maximale niveau
registreert, betekent dit dat het niveau te hoog is ingesteld. Verlaag
2
3
1.
Druk op [TUNER].
De stemfunctie wordt ingeschakeld.
Afhankelijk van het type gitaar dat u gebruikt, kan het zijn, dat de
niveaumeter toch nog naar het maximale niveau uitslaat, terwijl de
2.
Gebruik de PAGE [ ] [ ] knoppen om de
volgende instellingen te maken.
gevoeligheid op een minimale instelling is ingesteld. Als dit het geval
is, past u de tussenruimte tussen het gesplitste element en de snaren
zo aan, dat de afstand iets groter is dan aangegeven.
11. Controleer de volumebalans van de zes
snaren.
Speel de zesde tot en met de eerste snaar met normale
hoeveelheid kracht. Als één van de snaren bijzonder luid
klinkt, verlaagt u voor de betreffende snaar de gevoeligheid,
en blijft u deze net zolang aanpassen, tot het verschil in het
volume tussen de snaren minimaal is.
TUNER
Uitleg
MULTI MODE
U kunt de zes snaren gelijktijdig spelen en
stemmen.
SINGLE MODE
U kunt slechts één afzonderlijke snaar
spelen, om deze te stemmen.
3.
Druk op de functieknop ([F5] [F6]), die met de
in te stellen functie overeenkomt en draai
vervolgens aan de draaiknoppen om de
waarde van de instelling te selecteren.
Als u deze instellingen niet wilt wijzigen, gaat u verder met
stap 4.
• [F5] (PITCH: 435 Hz-445 Hz)
Hiermee stelt u de referentietoonhoogte in.
12. Druk meerdere malen op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
Maak, telkens wanneer u het gesplitste element op een nieuwe
of andere gitaar installeert of als u de hoogte van het gesplitste
element wijzigt, de nodige instellingen opnieuw. Als de
instellingen op de juiste wijze zijn voltooid, worden ze tijdens
het uitschakelen van het apparaat opgeslagen. Daarna hoeft u
de instellingen niet telkens wanneer u het instrument bespeelt
opnieuw te maken.
Voor meer informatie over de overige parameters in de
GK instellingen, zie ‘GK INSTELLINGEN’ (p. 166).
22
*
Bij de fabrieksinstellingen is deze op 440 Hz ingesteld.
*
Deze referentietoonhoogte wordt door de effecten, die door de KEY
parameter worden geregeld, als referentie gebruikt.
Wat is de referentietoonhoogte?
Dit is de frequentie van A4 (de noot, die u speelt, als u de A
toets op het midden van het keyboard bespeelt), die wordt
gespeeld door het instrument (bijv. piano), dat voor het
stemmen van de uitvoeringen als referentie wordt gebruikt.
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
[F6] (MUTE OFF, MUTE ON)
Deze instelling bepaalt of geluiden van de uitvoer jacks
tijdens het stemmen wel of niet worden uitgevoerd.
TUNER
Uitleg
MUTE OFF
Tijdens het stemmen worden geluiden
uitgevoerd.
MUTE ON
Van toon wisselen (Patch)
Wat is een Patch?
De VG-99 kan maximaal 400 configuraties met
toongerelateerde instellingen opslaan, inclusief de COSM
gitaar, COSM versterker en effecten. Elk van deze
configuraties wordt een Patch genoemd.
Tijdens het stemmen worden geen geluiden uitgevoerd.
* Bij de fabrieksinstellingen staat deze
instelling op MUTE ON.
4.
Speel op de snaar die wordt gestemd een
losse, open noot.
5.
Stem de snaar net zolang tot de naam van de
snaar in het beeldscherm wordt weergegeven.
Als u voor de MULTI MODE (meervoudige
functie) kiest
fig.01-060d
Hoofdstuk 1
•
Telkens wanneer u van Patch wisselt, kunt u direct een
andere toon selecteren.
Over de Patchnummers
Patchnummers (banknummers) en Patchnamen worden, zoals
hieronder, in het Afspeelvenster weergegeven.
fig.01-060d
Patchnummer
Als u voor de SINGLE MODE (enkelvoudige
functie) kiest
Patchnaam
fig.01-060d
Patches zijn in gebruiker Patches (User) en voorgeprogrammeerde
Patches (Preset) ingedeeld.
Gebruiker Patches
Hiertoe behoren 200 voorgeprogrammeerde Patches. U bent vrij om
de tonen te wijzigen en uw wijzigingen op te slaan.
6.
Blijf tijdens het stemmen het beeldscherm in
de gaten houden, totdat de midden indicator
oplicht.
Herhaal stap 3-5 voor het stemmen van alle snaren.
*
Als u een gitaar met een tremolo arm stemt, kunt u ervaren, dat de
Voorgeprogrammeerde Patches
Hiertoe behoren 200 voorgeprogrammeerde Patches. Hoewel u deze
tonen kunt wijzigen, kunt u deze wijzigingen niet in een
voorgeprogrammeerde Patch opslaan. Als u een gewijzigde toon
wilt bewaren, dient u deze als gebruiker Patch op te slaan.
ene snaar op stemming is, terwijl de andere snaren dat niet zijn. Als
dit het geval is, stemt u de snaar eerst, zodat de naam in het
beeldscherm wordt weergegeven, en gaat u vervolgens door met het
een aantal keer verfijnd afstemmen van elke snaar, totdat de
stemming klopt.
7.
Als u klaar bent met stemmen, drukt u op
[TUNER] of [EXIT].
Hiermee voltooit u de voorbereidingen voor
het bespelen van het instrument. Probeer nu
een aantal geluiden uit.
23
Hoofdstuk 1 Geluiden uitvoeren
Met behulp van de PATCH/
VALUE draaischijf van Patch
wisselen
Met behulp van de PATCH/VALUE draaischijf kunt u
opeenvolgend van Patch wisselen.
1.
Controleer of het Afspeelvenster wordt
weergegeven.
Als er een ander venster dan het Afspeelvenster wordt
weergegeven, drukt u meerdere malen op [EXIT], totdat het
Afspeelvenster wordt weergegeven.
2.
Het apparaat uitzetten
1.
Voor het uitzetten van het apparaat dient u het
volgende te controleren.
• Zijn de volumeniveaus van de VG-99 en de aangesloten
versterker en overige apparaten helemaal omlaag gedraaid?
2.
Schakel de gitaarversterker uit.
3.
Druk op [POWER] om de VG-99 uit te zetten.
fig.01-190
3
Draai aan de PATCH/VALUE draaischijf om
van Patch te wisselen.
fig.01-190
2
Als u de VG-99 uitzet, verschijnt de ‘NOW
SHUTDOWN’ melding. Op dit moment worden de
huidige instellingen van de VG-99 in het geheugen
opgeslagen. Koppel de adapter pas los als deze
melding niet meer wordt weergegeven.
Draai de draaischijf naar rechts (met de klok mee) om naar het
volgende Patchnummer te gaan of naar links (tegen de klok
in) om naar het vorige Patchnummer te gaan.
24
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Laten we eerst de interne indeling van de VG-99 onder de loep
nemen.
Met behulp van COSM modulatietechnologie kunt u de klanken van
een variatie aan gitaren creëren. Tot de beschikbare geluiden behoren niet alleen elektrische en akoestische gitaartonen, maar ook de
geluiden van synthesizers en andere instrumenten, zelfs niet
bestaande, denkbeeldige gitaren. Aangezien de gemaakte geluiden
worden gebaseerd op de signalen die de GK-3 voor elke snaar afzonderlijk verstuurt, kunt u deze geluiden met behulp van dit systeem
spelen, terwijl alle specifieke smaak, die door de verschillende speltechnieken en pluknuances van de betreffende gitaar wordt bepaald,
behouden blijft.
Met behulp van de VG-99 kunt u tegelijkertijd twee verschillende
COSM gitaar types instellen, zodat u direct tussen deze instrumenten
kunt wisselen, waardoor u twee gitaren tot uw beschikking heeft en
geluiden kunt creëren, waarin twee gitaren gelijktijdig lijken te spelen.
Met behulp van de Alternate Tuning functie kunt u de
toonhoogte van elke COSM gitaarsnaar afzonderlijk
wijzigen.
● Poly effecten
Dit zijn de oorspronkelijke VG effecten, die op elke snaar afzonderlijk kunnen worden toegepast. U kunt kiezen op welke van de twee
COSM gitaren de effecten worden toegepast.
1.
Druk op [MODELING TYPE].
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
1 weer te geven.
3.
Gebruik [F1] (OFF/ON) of de F1 draaiknop om
de aan/uit instelling van de COSM GUITAR te
wijzigen.
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
het modulatietype te selecteren.
5.
Gebruik [F3] (SELECT) of de F3 draaiknop om
het COSM GUITAR type te selecteren.
6.
Druk op PAGE [
] om pagina
].
● COSM versterkers
Aangezien deze technologie het circuit van de gitaarversterker en
speakerkenmerken moduleert, simuleren de gemoduleerde versterkers exact het gedrag van de daadwerkelijke versterkers, zelfs de
manier waarop vervorming (distortion) wordt toegepast en de
manier waarop de toonregeling werkt.
U kunt de voorversterkers en speakerkasten naar wens configureren
– u kunt zelfs de studio microfooninstellingen van de versterker
moduleren. De VG-99 biedt twee afzonderlijke COSM versterkersystemen, die gelijktijdig kunnen worden gebruikt, zodat u elke van de
twee COSM gitaren door een andere versterker kunt heen leiden.
*
● Mixer
Naast de volledige vrijheid in het mixen van de geluiden van de
twee COSM gitaren, biedt de mixer tevens de mogelijkheid om de
uitvoer van de twee gitaren afzonderlijk naar de MAIN OUT en SUB
OUT uit te voeren. Bovendien kunt u met behulp van de Dynamic
functie de kracht van uw pluk attack gebruiken om tussen de twee
gitaargeluiden te wisselen of diverse overige functies te selecteren.
Daarnaast bevat het mixergedeelte tevens een delay/reverb en een
equalizer, zodat u de overkoepelende toon van de Patches kunt aanpassen.
] drukt, gaat u naar een volgend
venster, waarin u parameterinstellingen kunt maken.
7.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
8.
Pas de parameters net zolang aan, tot u het
gewenste geluid heeft behaald.
● Effecten
De VG-99 is met twee BOSS GT-PRO klasse multi-effect systemen
uitgerust. U kunt de effecten op elke van de twee COSM gitaren
afzonderlijk toepassen.
Elke keer dat u op PAGE [
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘COSM GUITAR’ (p. 101).
9.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
25
Hoofdstuk 2
● COSM gitaren
De COSM GUITAR klank
instellen
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
HARMO) van kanaal A.
De Alternate Tuning functie
instellen
*
van deze toonhoogtes geen enkele invloed.
*
De Alternate Tuning functie omvat de onderstaande vijf instellingen.
TUNING
Als de uitvoer van de toonhoogte door middel van GUITAR TO
MIDI (de MIDI nootberichten), vanwege de invloed van de
Over Alternate Tuning
Met behulp van de Alternate Tuning functie kunt u de stemming
van een COSM gitaar wijzigen, zonder de daadwerkelijke toonhoogte van de gitaarsnaren te veranderen. Om dit te bewerkstelligen
analyseert de VG-99 de toonhoogte van de signalen, die door het
gesplitste element voor elke afzonderlijke snaar wordt verzonden,
terwijl de best mogelijke geluidskwaliteit behouden blijft.
De Alternate Tuning instellingen van kanaal B hebben op de uitvoer
Alternate Tuning instellingen van kanaal A, te laag (of te hoog) is,
wordt de toonhoogte automatisch met één octaaf verhoogd (of
verlaagd).
AB LINK instellen
Als u de AB LINK optie op ON (aan) instelt, kunt u voor COSM
GUITAR [A] en COSM GUITAR [B] dezelfde TUNING en BEND
instellingen gebruiken.
Als u deze optie op OFF (uit) instelt, kunt u voor COSM GUITAR [A]
en COSM GUITAR [B] verschillende instellingen gebruiken
Gebruik deze om de stemming in open stemmingen, zoals OPEN-D
en OPEN-G, om te zetten, alle snaren van de gitaar een octaaf te verhogen of verlagen en diverse andere stemmingen te bewerkstelligen.
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
BEND
2.
Druk op PAGE [
U kunt met behulp van een pedaal de toonhoogtes van de huidige
stemming middels een vloeiende overgang in de ingestelde stemming wijzigen, net als wanneer u een ‘string bender’ of een ‘pedal
steel guitar’ gebruikt.
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
12-STRING
Deze optie wijzigt het geluid van een gewone 6-snarige gitaar in dat
van een 12-snarige gitaar.
Deze functie geeft u tevens de vrijheid om de toonhoogte en het volume van elke tweede snaar afzonderlijk in te stellen, zodat u 12snarige gitaarmodellen met volledig oorspronkelijke stemmingen
kunt creëren.
DETUNE
Hiermee kunt u de toonhoogte van elke snaar afzonderlijk op subtiele wijze verschuiven.
HARMONY
Deze optie analyseert de toonhoogte van elke snaar, en stelt de toonhoogtes vervolgens in op harmonieën, die met de toonsoort overeenstemmen.
Deze functies kunnen voor elk van de twee COSM gitaren A en B
afzonderlijk worden ingesteld, wat inhoudt dat u nu met slechts één
VG-99 gelijktijdig een zes-snarige en twaalf-snarige gitaar kunt
bespelen, door uw eigen harmonieën te creëren twin leads kunt produceren, vette unisono geluiden kunt bereiken, en eerder
onmogelijke geluiden kunt verzinnen.
Bovendien is de VG-99 met een AB LINK functie uitgerust, met
behulp waarvan u de TUNING en BEND instelling van de twee
COSM gitaren (A en B) tegelijkertijd kunt instellen, en daarom nog
snellere instellingen kunt maken.
De toonhoogtes die door GUITAR TO MIDI (de MIDI
nootberichten) worden uitgevoerd, wijzigen op basis van
de Alternate Tuning instellingen (TUNING, BEND,
26
3.
Schakel met behulp van [F1] (OFF/ON) of de F1
draaiknop de AB LINK optie in of uit.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
BEND instellen
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
2.
Druk op PAGE [
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
3.
Gebruik [F2] (A/B) of de F2 draaiknop om A of
B te selecteren.
*
3.
Deze optie is niet beschikbaar als de AB LINK functie is
Gebruik [F2] (A/B) of de F2 draaiknop om A of
B te selecteren.
*
ingeschakeld.
Deze optie is niet beschikbaar als de AB LINK functie is
ingeschakeld.
4.
Gebruik de F3 draaiknop om de functie in of
uit te schakelen.
4.
Gebruik de F5 draaiknop om de functie in of
uit te schakelen.
5.
Gebruik [F4] (TYPE) of de F4 draaiknop om het
TYPE stemming te selecteren.
5.
Druk op [F5] (EDIT)
fig.01-060d
Als u USER als TYPE heeft geselecteerd, kunt u de
oorspronkelijke gebruikerstemming instellen.
(p. 29).
• Druk op [F3] (USER).
• Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om de
gewenste parameter in te stellen.
• Druk op [EXIT].
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
6.
Gebruik de F1-F6 draaiknoppen om in stellen
naar welke toonhoogtes u de snaren wilt laten
verbuigen.
7.
Druk op PAGE [
geven.
] om pagina 2 weer te
fig.01-060d
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
8.
Controleer de wijziging in toonhoogte met
behulp van de F1 draaiknop.
9.
Stel met behulp van Control Assign de BEND
instelling in als doelparameter voor het
pedaal, waarmee de toonhoogte wordt
geregeld.
Voor gedetailleerde informatie over de Control Assign
functie, zie ‘De geluiden met behulp van de
schakelaars, pedalen en MIDI regelen (CONTROL
ASSIGN)’ (p. 82).
27
Hoofdstuk 2
TUNING instellen
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
12-STRING instellen
Voorbeeld van BEND parameterinstellingen
Door de parameter als volgt in te stellen kunt u een snaarverbuigingseffect bereiken, waarbij de toonhoogte van de tweede
snaar vloeiend met een hele stap wordt verhoogd.
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
Ingestelde warden voor de Alternate Tuning
parameter
[ALT TUNING]
AB LINK = ON
BEND SW = ON
BEND TUNING 1st = E 0
3.
Gebruik de F1 of F4 draaiknop om de functie in
of uit te schakelen.
BEND TUNING 2nd = D +2
*
BEND TUNING 3rd = G 0
afzonderlijke 12-STRING instellingen maken.
BEND TUNING 4th = D 0
BEND TUNING 5th = A 0
BEND TUNING 6th = E 0
Ingestelde waarden voor de Control Assign
parameter
[CONTROL ASSIGN]
SOURCE = FC-300 EXP 1 or RIBBON POS
(Schakel de ASSIGNABLE instelling van de bandregelaar (RIBBON CONTROLLER) in (ON).)
U kunt voor COSM GUITAR [A] en COSM GUITAR [B] geen
4.
Als u voor 12-STRING gedetailleerde
parameterinstellingen maakt, drukt u op [F1]
(12STR) of [F4] (12STR).
5.
Druk op PAGE [ ] [ ] om de in te stellen
parameter weer te geven.
fig.01-060d
SW = ON
TARGET PARAMETER = ALT TUNE/[A]BEND/BEND
10. Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
6.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter in te stellen.
7.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
het Afspeelvenster terug te keren.
*
Hoewel de door middel van Control Assign toegewezen parameterset
door middel van de Write (schrijf) procedure wordt opgeslagen,
worden de BEND parameterwaarden uit stap 8 niet opgeslagen.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
28
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
USER TUNING instellen
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
2.
Druk op PAGE [
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
] om pagina 2 weer te geven.
fig.01-060d
3.
Gebruik [F2] (A/B) of de F2 draaiknop om A of
B te selecteren.
*
Deze optie is niet beschikbaar als de AB LINK functie is
ingeschakeld.
4.
Gebruik de F3 draaiknop om de functie in of
uit te schakelen.
5.
Gebruik [F4] (TYPE) of de F4 draaiknop om het
TYPE stemming te selecteren.
6.
Druk op [F3] (USER).
Het USER TUNING venster verschijnt.
7.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste snaartoonsoort in te stellen.
8.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
3.
Gebruik de F2 of F5 draaiknop om de functie in
of uit te schakelen.
4.
Als u voor DETUNE gedetailleerde
parameterinstellingen maakt, drukt u op [F2]
(DETUNE) of [F5] (DETUNE).
fig.01-060d
5.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter in te stellen.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
29
Hoofdstuk 2
USER TUNING instellen
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Setting HARMONY
1.
Druk op [ALTERNATE TUNING].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 2 weer te geven.
De COSM AMP toon
instellen
1.
Druk op [COSM AMP[.
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
1 weer te geven.
3.
Gebruik [F1] (ON/OFF) of de F1 draaiknop om
de COSM AMP in/uit te schakelen.
fig.01-060d
] om pagina
fig.01-060d
3.
Gebruik de F3 of F6 draaiknop om de functie in
of uit te schakelen.
4.
Als u voor HARMONY gedetailleerde
parameterinstellingen maakt, drukt u op [F3]
(harmonie) of [F6] (harmonie).
fig.01-060d
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
het COSM AMP type te selecteren.
5.
Druk op PAGE [
].
fig.01-060d
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of [F2] (SELECT) of de
F1-F2 draaiknoppen om de gewenste
parameter in te stellen.
*
Elke keer dat u op PAGE [
] drukt, gaat u naar een volgend
venster, waarin u parameterinstellingen kunt maken.
Als de HARMO parameter op USER is ingesteld,
kunt u tevens de toonhoogte van elke toets instellen.
Druk op PAGE [
][
] om de in te stellen
6.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
7.
Pas de parameters net zolang aan, tot u het
gewenste geluid heeft behaald.
parameter weer te geven.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘COSM AMP’ (p. 140).
8.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘ALTERNATE TUNING’ (p. 116).
30
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
FX (effecten)
De effecten instellen
Zo stelt u de effecten in.
*
1.
U kunt de POLY FX slechts op één kanaal tegelijk gebruiken (A of
Hoofdstuk 2
POLY FX (poly effect)
Druk op [FX]
fig.01-060d
B).
1.
Druk voor het te gebruiken kanaal, A of B, op
[POLY FX].
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
1 weer te geven.
] om pagina
2.
Gebruik [F1]-[F6] (ON/OFF) om de
afzonderlijke effecten in/uit te schakelen.
fig.01-060d
*
Elke keer dat u op PAGE [
][
] drukt, gaat u naar een ander
effectvenster, waarin u parameterinstellingen kunt maken.
3.
Gebruik [F1] (ON/OFF) of de F1 draaiknop om
de COSM AMP in/uit te schakelen.
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
het POLY FX TYPE te selecteren.
5.
Gebruik [F3] (A/B] of de F3 draaiknop om te
wisselen van het kanaal, waarop POLY FX
wordt toegepast.
6.
Druk op PAGE [
].
Door op [FX] te drukken kunt u alle ingeschakelde
effecten tegelijkertijd uitschakelen (indicator onverlicht)
en inschakelen (indicator verlicht).
3.
Druk op [F1]-F6] om het te bewerken effect te
selecteren.
4.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
*
] drukt gaat u naar een volgend
venster, waarin u parameterinstellingen kunt maken.
5.
fig.01-060d
Elke keer dat u op PAGE [
Pas de parameters net zolang aan, tot u het
gewenste geluid heeft behaald.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘FX (effecten)’ (p. 120).
*
Elke keer dat u op PAGE [
] drukt, gaat u naar een volgend
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
venster, waarin u parameterinstellingen kunt maken.
7.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
8.
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Pas de parameters net zolang aan, tot u het
gewenste geluid heeft behaald.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘POLY FX (poly effect)’ (p. 118).
9.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
31
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
De volgorde waarin de
effecten en versterker op
elkaar volgen opnieuw
indelen (CHAIN)
U bent vrij om de volgorde waarin de effecten en COSM versterkers
op elkaar volgen te wijzigen.
Y
1.
Druk op [CHAIN].
Het Chain venster wordt weergegeven.
*
Voor de af te spelen song
het tempo en de toonsoort
bepalen
Zo bepaalt u voor de song, die u gaat afspelen, op welk tempo en in
welke toonsoort dit gebeurt. Stel deze parameters in, als u een delay
tijd of tempo wilt aangeven, dat bij het tempo van de song past (u
geeft het in termen van de nootlengte aan), en als u de HARMONY
functie gebruikt.
Het tempo instellen
1.
Druk op [NAME/KEY/BMP].
2.
Druk op [F3] (BPM).
3.
Tik in de maat van het song tempo (kwarten)
op [F1] (TAP) of pas het tempo aan met behulp
van de F1 draaiknop.
Als de effecten en COSM versterkers zijn uitgeschakeld, wordt hier
OFF weergegeven.
2.
Gebruik [F1] (A/B) om het kanaal, waarvoor u
de verbindingssequens wilt wijzigen, te
selecteren.
3.
Druk op [F2] ([ ] SEL) [F3] (SEL [ ]) om het/
de in de sequens te verschuiven effect, COSM
gitaar of COSM versterker te selecteren.
De uitvoer van het geselecteerde effect wordt rechts boven in
het venster weergegeven.
Druk op [F4] (← MOVE) [F5] (MOVE →) om
naar de plek in de sequens te gaan, waarop u
het verschoven item wilt invoegen.
4.
5.
Als u nog meer wijzigingen in de
verbindingssequens wilt aanbrengen, herhaalt
u stap 2-4.
*
Als u met behulp van het aangepaste tempo een Patchparameter wilt
regelen, stelt u de bijbehorende effectparameter op BPM
–BPM
.
BPM staat voor ‘beats per minute’ (aantal maatslagen
per minuut), en vertegenwoordigt het aantal
kwartnoten, dat per minuut wordt gespeeld.
U kunt tijdens het instellen van de verbindingssequens tevens
effecten, COSM gitaren en COSM versterkers in en uitschakelen.
Als u, terwijl het effect, de COSM gitaar of de COSM versterker is
geselecteerd, op [F6] drukt, wijzigt u de ON/OFF instelling van de
functie.
6.
Druk op [EXIT] om naar het Afspeelvenster
terug te keren.
7.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
32
*
Als u de MIDI SYNC functie wilt gebruiken, dient de
SYNC CLOCK parameter op AUTO (USB), AUTO
(MIDI) of AUTO (RRC2) te zijn ingesteld. Voor
gedetailleerde informatie, zie ‘De VG-99
synchroniseren met de MIDI CLOCK van een extern
apparaat’ (p. 64).
Om van de Tap invoer gebruik te maken
Druk tenminste twee maal op [F5] (TAP), op intervallen van
een kwart van het gewenste tempo. Het tempo wordt
automatisch berekend, en op het interval ingesteld, waarop u
de knop heeft indrukt.
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
De toonsoort instellen
1.
Druk op [NAME/KEY/BMP].
2.
Druk op [F2] (KEY).
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de toonsoort van de song in te stellen.
*
Geluiden creëren door de normale invoer met de GK invoer te combineren
Het is mogelijk om het geluid van de COSM gitaren en de normale
gitaar elementen gelijktijdig te combineren.
De volumebalans instellen
1.
Druk op [COSM GUITAR].
2.
Gebruik [F1] of de F1 draaiknop om de COSM
GTR SW op ON in te stellen.
De Alternate Tuning HARMONY en FX MOD HARMONIST
Als de COSM GTR SW is uitgeschakeld (OFF), worden
de geluiden van het standaard element en de COSM
gitaar niet afgespeeld.
functies corresponderen met de hier ingestelde toonsoort.
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
3.
Druk meerdere malen op PAGE [ ] om naar
het venster te gaan, waarin de volumebalans
kan worden ingesteld.
4.
Gebruik de F1 en F2 draaiknoppen om de
balans tussen het COSM gitaar geluid en het
standaard elementgeluid in te stellen.
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
F1 draaiknop
Past het volumeniveau van de COSM gitaar aan. Als POLY FX
op ON is ingesteld, past deze draaiknop het volumeniveau
van het signaal aan, nadat het door POLY FX is heen gegaan.
F2 draaiknop
Deze past het volume van het standaard element aan.
Als de COSM gitaar op een ander punt in een CHAIN (keten)
dan het begin van de effectenketen is aangesloten, kunt u het
volume van de geluiden, die door de effecten zijn heen
gegaan, aanpassen vanaf het begin van de keten tot aan het
punt waarop de gitaar is aangesloten.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
33
Hoofdstuk 2
*
Het normale elementgeluid
mixen
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Het punt, waarop de COSM
gitaar is aangesloten, wijzigen
1.
Press [CHAIN].
Normaal elementgeluid
Als u de CHAIN functie gebruikt, en de COSM gitaar op een
ander punt dan aan het begin van de keten is aangesloten, is het
standaard elementgeluid, dat met behulp van de BALANCE
draaiknop wordt gemixt, het geluid dat vanaf het begin van de
effectenketen wordt verwerkt.
Met behulp van deze functie kunt u voor het creëren van geluiden de volgende twee methoden combineren.
2.
Druk op [F2] ([ ] SEL) [F3] (SEL [ ]) om de
pijl te selecteren die het aansluitingspunt
aangeeft.
Gebruik [F4] (← MOVE) [F5] (MOVE →) om het
aansluitingspunt van de COSM gitaar te
verschuiven.
3.
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
1.
Geluiden die naast het standaard
elementgeluid een COMPRESSOR, WAH,
AMP, etc. bevatten.
2.
Geluiden waarin alleen ruimtelijke effecten
op de synthesizer van het COSM gedeelte
of een andere bron, worden toegepast.
Als het volume van (1) hierboven afzonderlijk geregeld moet
worden, dient u het niveau van de effecten vóór de COSM
gitaar aan de GK volumeregelaar van de GK-3 of een soortgelijke regelaar toe te wijzen. (p. 82).
Als u alleen het standaard elementgeluid wilt
gebruiken, zonder het COSM GUITAR of POLY FX
geluid te gebruiken, stelt u de COSM gitaar als volgt
in.
COSM GTR SW = ON
MIX LEVEL
COSM GUITAR = 0
NORMAL PU = 100
34
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Voor gedetailleerde informatie over het blokdiagram, zie
‘Signaalstroom’ (p. 183).
*
Hoofdstuk 2
Twee klanken mixen
(MIXER)
U kunt deze parameter ook in pagina 2 van het Mixer venster
aanpassen.
Het volume en de panning van
elk kanaal instellen
1.
Druk op [MIXER].
2.
Druk op PAGE [
*
Als Dynamic functie is ingeschakeld, is deze knop uitgeschakeld.
] om pagina 1 weer te geven.
De delay en reverb instellen
(DELAY/REVERB)
Hiermee stelt u de delay en reverb van het mixergedeelte in.
Maak op deze pagina de instellingen voor elk kanaal.
*
Druk op [DELAY/REVERB].
2.
Druk op PAGE [
3.
Gebruik [F1] (OFF/ON) om de delay in te
schakelen. Gebruik [F4] (OFF/ON) om de
reverb in te schakelen.
4.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de parameters in te stellen.
Pagina 2 en volgende pagina’s bevatten de algemene
mixerinstellingen.
3.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
het volume en de panning in te stellen.
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
1.
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Als u twee kanalen mixt, kunt u een realistischere twin
gitaartoon bereiken, als u in één van de kanalen een
kanaal delay instelt, zodat de twee gitaargeluiden op
verschillende momenten worden uitgevoerd.
*
U kunt de balans in de mix tussen kanaal A en kanaal B met behulp
van de BALANCE draaiknop instellen. Kort nadat u aan de
draaiknop draait, verschijnt de balanswaarde als pop-up in het venster.
] drukt gaat u naar het
instellingenvenster van de volgende parameter.
5.
Pas de parameters net zolang aan tot u het
gewenste geluid bereikt.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘MIXER’ (p. 146).
De mixbalans instellen
Elke keer dat u op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘DELAY/REVERB’ (p. 148).
35
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Met behulp van plukdynamiek
de mix tussen de twee kanalen
regelen (DYNAMIC)
U kunt de mix tussen de twee kanalen laten regelen door de kracht,
waarmee de snaren worden geplukt.
1.
Druk op [DYNAMIC].
2.
Druk op PAGE [
Het overkoepelende
volumeniveau van de Patch
instellen (PATCH LEVEL)
Met behulp van de PATCH LEVEL draaiknop kunt u het overkoepelende volumeniveau van de Patch instellen. Kort nadat u aan de
draaiknop draait, verschijnt de instellingswaarde van het Patchniveau als pop-up in het venster.
] om pagina 1 weer te geven.
*
U kunt deze parameter ook in pagina 2 van het Mixer venster
aanpassen.
fig.01-060d
3.
Gebruik [F1] (OFF/ON) om de Dynamic functie
in of uit te schakelen.
4.
Selecteer het type Dynamic functie.
5.
Druk op PAGE [
geven.
] om pagina 2 weer te
De overkoepelende klank van
de Patch aanpassen (TOTAL EQ)
U kunt in elke Patch afzonderlijk instellingen voor de overkoepelende klank maken, nadat het geluid door de mixer is heen gegaan.
6.
Gebruik de F1-F5 draaiknoppen om de
parameters in te stellen.
1.
Druk op [MIXER].
2.
Druk op PAGE [
te geven.
3.
Gebruik [F1] (OFF/ON) op pagina 3 om de EQ
in of uit te schakelen.
4.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de klankkwaliteit in te stellen.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
][
] om pagina 3 of 4 weer
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘DYNAMIC’ (p. 149).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘TOTAL EQ’ (p. 146).
36
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Het uitgaande signaal en niveau
instellen (OUTPUT)
1.
Druk op [MIXER].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Hoofdstuk 2
Hiermee stelt u voor elke jack en aansluiting op de VG-99 de signaal
en niveau uitvoer in.
Aan een Patch een naam
toewijzen (PATCH NAME)
U kunt de Patches die u maakt een naam geven.
1.
Druk op [NAME/KEY/BMP].
2.
Druk op [F1] (NAME).
3.
Druk op PAGE [ ] [ ] om de cursor op de
plek te zetten, waarop u een teken wilt
wijzigen.
4.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om het
teken te selecteren.
] om pagina 5 weer te
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de signaal en niveau uitvoer naar de MAIN
OUT, SUB OUT en DIGITAL OUT in te stellen.
Voor gedetailleerde informatie over welke parameters
kunnen worden ingesteld, zie ‘OUTPUT’ (p. 147).
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u aan de PATCH/VALUE draaischijf blijft draaien, wijzigt
de tekenselectie automatisch tussen hoofdletters, kleine
letters, cijfers en symbolen.
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Door op [F1]-[F5] te drukken, kunt u de volgende handige
handelingen gebruiken.
U kunt tevens het uigaande signaal en niveau van
het hele systeem instellen.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
te geven.
][
] om pagina 2 weer
Functieknop
Omschrijving
[F1] (INSERT)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie
in.
[F2] (DELETE)
Verwijdert het teken en schuift de daarop
volgende tekens naar links op.
[F3] (SPACE)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie
in.
[F4] (A0!)
Schakelt tussen letters, cijfers en symbolen.
3.
Druk op [F1].
[F5] (A<=>a)
Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
4.
Stel met behulp van [F1] of de F1
draaiknop de OUTPUT MODE parameter op
SYSTEM in.
[F6] (CATGRY)
Bepaalt de categorie van de huidige Patch.
Zie ‘Patch categorieën instellen’ (p.
90).
De waarde in het MIXER venster wordt genegeerd, en in
plaats daarvan wordt de SYSTEM waarde < > toegepast.
5.
Om de Patchnaam te voltooien herhaalt u stap
3 en 4.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
37
Hoofdstuk 2 Geluiden creëren
Een Patch opslaan (WRITE)
De instellingen waarmee u een geluid heeft gewijzigd zijn tijdelijk.
Als u een andere Patch selecteert, keren de instellingen naar de
waarden terug van voordat u ze heeft gewijzigd.
Als u de wijzigingen in de instellingen wilt opslaan, dient u de Write
(schrijf) procedure uit te voeren. Als u uw wijzigingen niet op wilt
slaan, drukt u op EXIT om naar het Afspeelvenster terug te keren.
1.
Druk op [WRITE].
Het Write venster verschijnt.
2.
Selecteer het Patchnummer, dat als
opslagbestemming dient door aan de PATCH/
VALUE draaischijf te draaien.
3.
Om de Patch op te slaan, drukt u op [WRITE].
Tijdens het opslaan van de Patch wordt de ‘NOW
WRITING...’ melding weergegeven. Daarna wordt het
Afspeelvenster weer weergegeven.
*
Als u uw wijzigingen niet op wilt slaan, drukt u op EXIT om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
38
Hoofdstuk 3 Uw eigen effecttypen
creëren (CUSTOMIZE)
Met behulp van de CUSTOMIZE functie kunt u zelfs nog
gedetailleerdere wijzigingen in de instellingen van de COSM AMP
(voorversterkergedeelte, speakergedeelte), Overdrive/Distortion en
Pedaal Wah aanbrengen. Het is net alsof u uw eigen oorspronkelijke
effecten processors ontwerpt.
8.
Herhaal indien nodig stap 5-7.
9.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
1.
Druk op [COSM AMP].
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘COSM AMP’ (p. 140).
Het COSM AMP bewerkingsvenster verschijnt.
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
fig.01-060d
3.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
CUSTOM als PREAMP TYPE te selecteren.
fig.01-060d
4.
Druk op PAGE [
geven.
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
het basis voorversterkertype te selecteren en
op uw wensen af te stemmen.
6.
Druk op PAGE [
geven.
7.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
] om pagina 2 weer te
] om pagina 3 weer te
Als u nog meer parameters wilt aanpassen, drukt u op PAGE
[
].
39
Hoofdstuk 3
De voorversterker op uw
wensen afstemmen
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
Hoofdstuk 3 Uw eigen effecttypen creëren (CUSTOMIZE)
De luidspreker op uw
wensen afstemmen
*
Als u bij PREAMP TYPE voor BASS AMP VINTAGE of BASS
De Overdrive/Distortion op
uw wensen afstemmen
1.
Druk op [FX].
AMP MODERN heeft gekozen, kunt u de luidspreker niet op maat
Het FX bewerkingsvenster verschijnt.
aanpassen.
1.
Druk op [COSM AMP].
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F2] (OD/DS)
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
CUSTOM als OD/DS TYPE te selecteren.
5.
Druk op PAGE [
geven.
6.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
het basistype te selecteren en op uw wensen
af te stemmen.
7.
Gebruik [F1]-[F5] of de F1-F5 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
] om pagina 1 weer te geven.
Het COSM AMP bewerkingsvenster verschijnt.
2.
Druk op PAGE [ ] [ ] om pagina het
Speaker Type selectievenster weer te geven.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
CUSTOM als SP TYPE te selecteren.
4.
Druk op PAGE [
te geven.
] om ‘Custom Speaker’ weer
5.
Gebruik [F1]-[F5] of de F1-F5 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
] om pagina 2 weer te
Als u nog meer parameters wilt aanpassen, drukt u op PAGE
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘COSM AMP’ (p. 140).
[
].
8.
Herhaal indien nodig stap 6-7.
9.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘OD/DS (Overdrive/Distortion)’ (p. 120).
40
Hoofdstuk 3 Uw eigen effecttypen creëren (CUSTOMIZE)
De pedaal wah op uw
wensen afstemmen
1.
Druk op [FX].
Het FX bewerkingsvenster verschijnt.
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F3] (WAH)
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
CUSTOM als WAH TYPE te selecteren.
5.
Druk op PAGE [
geven.
6.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
het basistype te selecteren en op uw wensen
af te stemmen.
7.
Gebruik [F1]-[F5] of de F1-F5 draaiknoppen om
de gewenste parameter aan te passen.
] om pagina 1 weer te geven.
Hoofdstuk 3
] om pagina 2 weer te
Als u nog meer parameters wilt aanpassen, drukt u op PAGE
[
].
8.
Herhaal indien nodig stap 6-7.
9.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘WAH’ (p. 122).
41
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
*
Als het apparaat wordt uitgezet, worden de in dit hoofdstuk
beschreven parameters opgeslagen. U hoeft de Write (schrijf)
procedure (p. 38) niet uit te voeren.
De instellingen voor het
gesplitste element invoeren
Om er zeker van te zijn, dat de VG-99 voor het produceren van
geluid in ideale omstandigheden verkeert, is het nodig om voor het
gesplitste element de juiste instellingen (GK instellingen) te maken.
Nadat u de diverse instellingen heeft ingevoerd, drukt u één of
meerdere keren op [EXIT] om naar het Afspeelvenster terug te keren.
De instellingen selecteren
Het volgende deel beschrijft aan de GKinstellingen gerelateerde parameters.
Als u klaar bent met het invoeren van de diverse instellingen, drukt
u één of meerdere keren op [EXIT] om naar het Afspeelvenster terug
te keren.
Aan GK instellingen een naam
toewijzen (GK NAME)
U kunt elk van de GK instellingen een naam geven.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
te openen.
2.
Druk op PAGE [
geven.
De VG-99 kan tien afzonderlijke sets met GK instellingen opslaan.
Als u op de VG-99 meer dan één gitaar aansluit (en bespeelt), kunt u
voor elke gitaar afzonderlijke instellingen opslaan, zodat u bij het
wisselen van gitaar binnen luttele seconden de nodige instellingen
kunt oproepen en weer speelklaar bent.
] om pagina 1 weer te
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
3.
Druk op [F6] (NAME)`.
3.
Druk op [F3] (GK) om het GK SETTING venster
weer te geven.
4.
Gebruik PAGE [ ] [ ], [F1]-[F5] en de
PATCH/VALUE draaischijf om de naam in te
voeren.
4.
Druk op PAGE [
5.
] om pagina 1 weer te geven.
Druk op [F4] (SELECT) of draai aan de F4
draaiknop om de gewenste GK instelling (1-10)
te selecteren.
Hiermee wordt aangegeven, dat de instelling als GK-instelling
wordt opgeslagen.
*
Als u nu op [EXIT] drukt en naar het afspeelvenster terugkeert,
*
Als u als SETTING MODE parameter PATCH heeft geselecteerd,
wordt de GK instelling geactiveerd.
krijgen de GK instellingen in elke Patch de voorkeur. Voor
gedetailleerde informatie, zie ‘Per Patch verschillende
gitaarinstellingen gebruiken’ (SET MODE)’ (p. 46).
42
*
Functieknop
Uitleg
[F1] (INSERT)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
[F2] (DELETE)
Verwijdert een teken. De daarop volgende tekens worden naar links opgeschoven.
[F3] (SPACE)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
[F4] (A0!)
Schakelt tussen letters, cijfers en symbolen.
[F5] (A<=>a)
Schakelt tussen hoofdletters en kleine
letters.
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar het vorige venster
terug te keren.
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Het gesplitste element type
selecteren
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
] om pagina 2 weer te
Gebruik [F1] of de F1 draaiknop om het
element type te selecteren.
Instellingen
GK-3
GK-2A
PIEZO
*
Er kunnen bepaalde eigenaardigheden in het geluid optreden, als
het geluid van de COSM gitaar met dat van het standaard element
wordt gemengd. Als dit het geval is, past u deze parameter aan en
verandert u de fase van de COSM gitaar.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F4] (SELECT) of de F4 draaiknop om
de fase te selecteren.
Instellingen
Uitleg
Zet de instelling op de GK-3.
NORMAL
De fase blijft ongewijzigd.
Zet de instellingen op de GK-2A.
REVRSE
De fase wordt omgekeerd.
Zet de instelling op een piëzo element.
Piëzo elementen zijn een type element dat op de brug van de gitaar is
elektrische elementen gebruikt.
De richting van de geïnstalleerhet
gesplitste element instellen
*
Stel de schaallengte in.
3.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
Druk op PAGE [
geven.
][
snaar zijn omgekeerd.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F5] (SELECT) of de F5 draaiknop om
de element richting te selecteren.
] om pagina 2 weer te
Gebruik de F3 draaiknop om de schaallengte
(de afstand tussen de brug en de kam) van de
door u gebruikte gitaar in te stellen. Selecteer
de dichtstbijzijnde waarde binnen een bereik
van 620-660mm. 648 mm komt met de ST
instelling overeen, 628 mm met de LP
instelling.
Instellingen
Uitleg
620–660 mm,
ST(648 mm),
LP(628 mm)
Bepaalt de schaal van uw gitaar.
Maak deze instelling, als het gesplitste element zo is geïnstalleerd,
dat het uiteinde van de eerste snaar en het uiteinde van de zesde
De schaal van de gitaar instellen
2.
] om pagina 2 weer te
Uitleg
geïnstalleerd, en voor het bepalen van de snaartrillingen piëzo-
1.
][
][
] om pagina 2 weer te
Instellingen Uitleg
NORMAL
De kabel komt van de zijkant van de zesde
snaar.
Normaalgesproken dient u deze instelling te
gebruiken.
REVRSE
De kabel komt van de zijkant van de eerste
snaar.
43
Hoofdstuk 4
3.
][
De fase van het gesplitste
element en het standaard
element overeen laten stemmen
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
De DOWN/S1, UP/S2
schakelaarindeling instellen
Op sommige gitaren met een ingebouwhet gesplitste element zijn de
DOWN/S1 en UP/2 schakelaars omgekeerd ingesteld als die van
het gesplitste elements.
1.
2.
3.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
Druk op PAGE [
geven.
][
De ruimte tussen het element en
de brug instellen (PICKUP ↔
BRIDGE)
Stel voor elke snaar de tussenruimte vanaf het midden van het
gesplitste element tot de zadel van de brug in.
*
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Draai aan de F1-F6 draaiknoppen om voor
snaar 1-6 de ruimte in te stellen.
] om pagina 2 weer te
Gebruik [F6] (SELECT) of de F6 draaiknop om
de element richting te selecteren.
Als u piëzo elementen gebruikt, is deze instelling niet verplicht.
][
] om pagina 3 weer te
Instellingen Uitleg
NORMAL
De schakelaars worden niet omgekeerd.
REVRSE
De DOWN/S1 en UP/2 schakelaars worden
omgekeerd.
Instellingen
Uitleg
10.0–30.0 mm
De afstand tussen het midden van het
gesplitste element en het midden van
elke brugzadel aangeven.
Snaar 6
Snaar 1
Snaar
Element
44
Brug
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
De gevoeligheid van elke snaar
aanpassen
Pas voor elke snaar de gevoeligheid van het gesplitste element aan.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
De VG-99 is met een functie uitgerust, die automatisch bepaalt of er
wel of geen GK verbinding bestaat, en de interne instellingen op
basis hiervan omschakelt. Hierdoor wordt het mogelijk om alle
andere functies dan een COSM gitaar (COSM versterker, effecten,
stemfunctie, etc.) te gebruiken, als u alleen op de GUITAR INPUT
een gitaar heeft aangesloten.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de instelling te selecteren.
] om pagina 1 weer te geven.
Draai aan de F1-F6 draaiknoppen om de
gevoeligheid aan te passen.
Speel alle snaren open, met de voor de uitvoering maximale te
gebruiken kracht, en stel de gevoeligheid zo in dat de meter
vlak voor het punt, waarop het geluid over het maximale
niveau heen gaat uitslaat.
*
Als er links en rechts van de niveaumeter grote segmenten
verschijnen, betekent dit dat het niveau te hoog is ingesteld. Verlaag
de gevoeligheidsinstelling.
*
Instellingen Uitleg
Als u op [F1]-[F6] drukt, initialiseert u de waarde van elke snaar op
65.
*
Afhankelijk van het type gitaar, dat u gebruikt, kan het zijn dat de
AUTO
De aanwezigheid van een GK aansluiting
wordt automatisch opgespoord, en op basis
hiervan worden de interne instellingen gewijzigd.
ON
De voor een GK aansluiting geschikte instellingen worden altijd gebruikt.
OFF
De voor een GUITAR INPUT geschikte instellingen worden altijd gebruikt.
niveaumeter toch nog naar het maximale niveau uitslaat, terwijl de
gevoeligheid op een minimale instelling is ingesteld. Als dit het geval
is, past u de tussenruimte tussen het gesplitste element en de snaren
zo aan, dat de afstand iets groter is dan aangegeven.
4.
Speel de zesde tot en met de eerste snaar met
een normale hoeveelheid kracht. Als bepaalde
snaren bijzonder luid klinken, verlaagt u voor
de betreffende snaren de gevoeligheid, en
blijft u deze net zolang aanpassen, tot het
verschil in het volume tussen de snaren
minimaal is.
Instellingen
Uitleg
0–100
Past de invoergevoeligheid van elk gesplitste element aan.
*
Normaalgesproken dient u de AUTO (standaard) instelling te
gebruiken. In gevallen waarin de auto-opsporingsfunctie niet goed
werkt (bijvoorbeeld als u een ander verdeeld element gebruikt dan de
GK-3), gebruikt u [F2] of de F2 draaischijf om deze instelling te
wijzigen.
45
Hoofdstuk 4
3.
] om pagina 4 weer te
Aangeven of het gesplitste element
wel of niet wordt gebruikt (GK
CONNCT)
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Volume)’ (p. 166) en ‘GK S1, S2 (GK S1, S2
schakelaar)’ (p. 166).
Per Patch verschillende
gitaarinstellingen gebruiken
(SET MODE)
*
toewijst, stelt u Control Assign op ASSIGNABLE (PATCH) in.
Voor overige instellingen worden de toewijzingen in de Patches
Deze instelling bepaalt of de VG-99 slechts één, algemene, GK
instelling gebruikt of dat de GK instellingen voor elke Patch
afzonderlijk kunnen worden aangegeven.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
3.
Gebruik [F3] (SELECT) of de F3 draaiknop om
de instelling te selecteren.
] om pagina 1 weer te geven.
Instellingen Uitleg
SYSTEM
De hier ingestelde GK SETTING wordt algemeen, voor de hele VG-99, gebruikt.
Dit is de standaard fabrieksinstelling.
PATCH
U kunt voor elke Patch afzonderlijk de GK instellingen aangeven.
Gebruik deze instelling als u tijdens uw uitvoering met verschillende gitaren werkt.
De functie van de GK
volumeregelaar en de DOWN/
S1, UP/S2 schakelaars bepalen
(GK FUNC)
Hiermee stelt u de functie van het GK-3 GK volume en de DOWN/
S1, UP/S2 schakelaars in.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De instellingen
selecteren’ (p. 42) om het GK SETTING venster
weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F2] (GK FUNC).
4.
Gebruik [F1] (SELECT), [F6] (SELECT) of de
F1, F6 draaiknoppen om de toe te wijzen
parameter in te stellen.
genegeerd.
*
Dit is dezelfde instelling, als die u bij [SYSTEM] (CTL) met behulp
van GK VOL of GK S1, S2 instelt.
De algemene toon op de
omgeving aanpassen
(GLOBAL/OUTPUT SELECT)
De VG-99 heeft een functie, waarmee u de algemene toon, die het
apparaat voortbrengt, kunt aanpassen. Deze wordt de Global functie
genoemd. U kunt de Global functie gebruiken om het algemene
geluidskarakter van de VG-99 op de gebruikte apparatuur of de
omgeving, waarin u zich bevindt, aan te passen, zonder de
afzonderlijke Patches te wijzigen.
De instellingen selecteren
De VG-99 kan tien afzonderlijke Global functie instellingen opslaan
(1-10).
Nadat u de diverse instellingen heeft ingevoerd, drukt u één of
meerdere keren op [EXIT] om naar het Afspeelvenster terug te keren.
1.
2.
Druk op [GLOBAL].
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
Het Global venster verschijnt.
] om pagina 1 weer te geven.
Voor gedetailleerde informatie over welke parameters
kunnen worden toegewezen, zie ‘GK VOL (GK
46
Als u voor elke Patch functies aan de DOWN/S1, UP/S2 schakelaars
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
een willekeurige instelling (1-10) te selecteren.
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Aan de instellingen een naam
toewijzen (GLOBAL NAME)
U kunt maximaal tien gebruikernamen toewijzen, waarvan elk
maximaal acht tekens kan bevatten. U kunt bijvoorbeeld namen
toewijzen, waaruit u kunt opmaken van welke apparatuur u in een
bepaalde instelling gebruik maakt of op welke locatie u de
uitvoering speelt.
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
4.
U kunt ervoor zorgen, dat de uitvoerrespons van de VG-99 met die
van het aangesloten apparaat overeenstemt. Door deze instelling te
maken zorgt u ervoor dat de verschillen in geluidskwaliteit ten
opzichte van het aangesloten apparaat tot een minimum beperkt
blijven.
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
3.
Gebruik [F4] (OUTPUT SELECT) of de F4
draaiknop in te stellen welk type apparaat op
de MAIN OUT jacks aangesloten wordt.
] om pagina 1 weer te geven.
Hoofdstuk 4
3.
] om pagina 1 weer te geven.
De typen van de aangesloten
apparatuur instellen (OUTPUT
SELECT)
Druk op [F3] (NAME).
Gebruik PAGE [ ] [
naam in te stellen.
] en [F1]-[F5] om de
Functieknop
Uitleg
[F1] (INSERT)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
[F2] (DELETE)
Verwijdert een teken. De daarop volgende tekens worden naar links opgeschoven.
[F3] (SPACE)
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
[F4] (A0!)
Schakelt tussen letters, cijfers en symbolen.
[F5] (A<=>a)
Schakelt tussen hoofdletters en kleine
letters.
Waarde
Uitleg
JC-120
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
Roland JC-120 gitaarversterker aansluit.
SMALL
AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
kleine gitaarversterker aansluit.
COMBO
AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
andere comboversterker dan de Roland JC-120
gitaarversterker aansluit (als de versterker en luidspreker of luidsprekers in één enkel apparaat zijn
gecombineerd).
* Afhankelijk van de gitaarversterker kunt u wellicht
met de JC-120 goede resultaten behalen.
STACK
AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
gitaarinvoer van een stack met topversterker
(waarbij de versterker en de luidspreker of luidsprekers van elkaar zijn gescheiden) aansluit.
JC-120
Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een JC-120 aansluit.
COMBO
Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een comboversterker aansluit.
STACK
Return
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een stack versterker of op de invoer
van een op een stellage geplaatste eindversterker
aansluit.
Gebruik ook de STACK Return instelling als u een
gitaar eindversterker-speakerkast combinatie
gebruikt.
LINE/
PHONES
Gebruik deze instelling als u een koptelefoon
gebruikt of wanneer u de VG-99 voor opname op
een recorder aansluit.
* Als u COSM speakerkasten gebruikt, gebruikt u de
LINE/PHONES instelling.
47
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
De algemene toon aanpassen
(GLOBAL EQ)
Zowel de MAIN OUT als de SUB OUT is met een 4-bands EQ
uitgerust. EQ (MAIN) wordt op de uitvoer van de MAIN OUT
toegepast. EQ (SUB) wordt op de uitvoer van de SUB OUT
toegepast.
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
][
] om pagina 2-5 weer te
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de toon aan te passen.
Parameterbereik
Parameterbereik
Uitleg
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het hoog-midden frequentie gebied aan.
Het algemene effect van de
ruisonderdrukker regelen
(Total NS)
Hiermee regelt u de algemene drempelwaarde voor de instellingen
van de ruisonderdrukker in de afzonderlijke Patches. Dit is een
handig gereedschap, voor wanneer u tijdens uitvoeringen van gitaar
wisselt, en voor wanneer u de respons op de ruisniveaus op de
locatie van de uitvoering wilt aanpassen. Dit is een algemene
instelling en wijzigt de instellingen van de afzonderlijke Patches niet.
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik de F1 draaiknop om het niveau aan te
passen.
] om pagina 6 weer te
Uitleg
MAIN EQ (Main Equalizer),
SUB EQ (Sub Equalizer)
U heeft een 4-bands EQ met een hoog en laag gebied tot uw beschikking. Het geluid, dat door het effect wordt verwerkt, kan voor de uitvoer door het frequentiebereik worden versterkt.
MAIN EQ SW (Main Equalizer schakelaar),
SUB EQ SW (Sub Equalizer schakelaar)
OFF, ON
Hiermee past u de drempelwaarden van de ruisonderdrukker
aan, die in elke Patch zijn ingesteld.
Past het volume van voor de EQ aan.
TOTAL GAIN
-12–+12dB
Past het volume van voor de EQ aan.
LOW GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het hoge frequentie gebied aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
Past de breedte van het gebied aan, dat door de EQ
rondom het LOW MID FREQ gebied ligt.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het laag-midden frequentie gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
48
Deze aanpassing heeft geen invloed op Patches, waarin de
ruisonderdrukker is uitgeschakeld.
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-12–+12dB
-20 dB - + 20 dB
*
Past de breedte van het gebied aan, dat door de EQ
rondom het HIGH MID FREQ gebied ligt.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Het algemene reverb niveau
regelen (Total REVERB)
Hiermee regelt u de algemene instellingen van het reverb niveau in
de afzonderlijke Patches. Dit is effectief, voor wanneer u de reverb
aan de akoestiek van de uitvoeringslocatie wilt aanpassen.
De GK VOLUME regeling en
schakelaar en de
pedaalfunctie instellen
(SYSTEM CONTROL ASSIGN)
Deze instelling is niet op de instellingen van de afzonderlijke Patches
van invloed.
1.
Druk op [SYSTEM].
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F4] (CTL].
4.
Druk op PAGE [
5.
Gebruik [F2] (SEL) of [F3] (SEL) of de F2 of F3
draaiknoppen om een willekeurige instelling,
van GK VOL tot en met FC-300 CTL8 te
selecteren en gebruik vervolgens [F5]
(SELECT) of de F5 draaiknop om de toe te
wijzen functie te selecteren.
] om pagina 6 weer te
] om pagina 1 weer te geven.
Gebruik de F2 draaiknop om het niveau aan te
passen.
Hiermee past u de drempelwaarden van de reverb aan, die in
elke Patch zijn ingesteld.
0-200%
*
Deze aanpassing heeft geen invloed op Patches, waarin de reverb is
*
Als u de niveaus van de afzonderlijke Patches wilt gebruiken, stelt u
uitgeschakeld.
deze parameter op 100% in.
De geluidsuitvoer vanaf de SUB
OUT instellen (SUB OUT LEVEL)
Als u de functies van de regelaars op basis van de
afzonderlijke Patch wilt instellen, stelt u Control Assign
op ASSIGNABLE (PATCH) in. Als Control Assign op
ASSIGNABLE (PATCH) is ingesteld, functioneert het
apparaat volgens de toewijzingen, die in elke Patch zijn
ingesteld. Zie de beschrijving onder ‘De geluiden met
behulp van de schakelaars, pedalen en MIDI regelen
(CONTROL ASSIGN)’ (p. 82).
Deze instelling bepaalt of er via de SUB OUT jacks geluiden worden
uitgevoerd.
1.
Druk op [GLOBAL].
2.
Druk op PAGE [
geven.
] om pagina 6 weer te
*
Bij overige instellingen worden de toewijzingsinstellingen in de
Patches genegeerd.
3.
Gebruik de F3 draaiknop om het niveau aan te
passen.
Hiermee past u het uitgaande niveau aan, dat in elke Patch is
ingesteld.
Voor gedetailleerde informatie over toegewezen
regelaars, zie ‘Controller’ (p. 167), voor meer informatie
over parameters die kunnen worden toegewezen, zie
‘Parameters die aan afzonderlijke regelaars kunnen
worden toegewezen’ (p. 168).
0-200%
*
Als u de niveaus van de afzonderlijke Patches wilt gebruiken, stelt u
deze parameter op 100% in.
49
Hoofdstuk 4
3.
] om pagina 1 weer te geven.
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Bij het opvragen van Patches
de waarden van een extern
pedaal, de GK VOLUME
regelaar of een andere
regelaar laten overgedragen
(ASSIGN HOLD)
Deze instelling bepaalt of de huidige instellingen van elke regelaar
(de expressiepedalen, de FC-300 expressiepedalen, regelpedalen of
overige regelaars) bij het wisselen van Patch op de Patch worden
toegepast.
*
Het aantal Patches, dat kan
worden opgevraagd,
beperken (PATCH EXTENT)
Door de boven en ondergrens van de opvraagbare Patches in te
stellen, kunt u ervoor zorgen, dat alleen de benodigde Patches
kunnen worden geselecteerd.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F6] (MISC).
4.
Druk op [F3] (FROM).
5.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf en [F3]
(FROM) of de F3 draaiknop om de ondergrens
van de batchselectie in te stellen.
6.
Druk op [F4] (TO).
7.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf en [F4]
(TO) of de F4 draaiknop om de bovengrens
van de batchselectie in te stellen.
][
] om pagina 2 weer te
De Assign Hold functie wordt niet uitgevoerd als de SW MODE
parameter bij Control Assign Source op LATCH is ingesteld.
(LATCH betekent dat er, telkens wanneer de schakelaar wordt
ingedrukt, tussen de minimale en de maximale waarde wordt
gewisseld).
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
3.
Druk op [F4] (CTL).
4.
Druk op PAGE [
geven.
] om pagina 2 weer te
Het ASSIGN HOLD venster verschijnt.
*
Deze instelling is van toepassing op Patches, die met behulp van de
PATCH/VALUE draaischijf, regelschakelaars of soortgelijke
regelaars worden opgevraagd. Aanpassingen, die u met behulp van
5.
Gebruik [F1] (OFF/ON) of de F1 draaiknop om
de Assign Hold functie in of uit te schakelen.
Instellingen Uitleg
50
ON
Als er een Patch wordt opgevraagd, worden de
huidige waarden van de regelaars toegepast.
OFF
Als er een Patch wordt opgevraagd, worden de
(op het moment van het Patch Write commando) opgeslagen waarden gebruikt. (Huidige regelaarwaarden worden genegeerd).
een aangesloten FC-300 of extern MIDI apparaat maakt, worden
niet door deze instelling beïnvloed.
Hoofdstuk 4 Algemene apparaatinstellingen (SYSTEM)
Het contrast van het
beeldscherm aanpassen
De tekst en iconen in het LCD beeldscherm kunnen soms wellicht
moeilijk zichtbaar zijn, bijvoorbeeld direct nadat de VG-99 is
aangezet of na langdurig gebruik. De omstandigheden op de locatie,
waarop u de VG-99 gebruikt, kunnen de zichtbaarheid ook
beïnvloeden. Mocht u tegen dit probleem aanlopen, dan kunt u het
contrast aanpassen.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F1] (LCD).
4.
Draai aan de F1 draaiknop om het contrast aan
te passen.
Het uitgaande signaal en
niveau aanpassen (SYSTEM
OUTPUT)
Hiermee stelt u de signaal en niveau uitvoer voor elk van de
uitgaande jacks en aansluitingen (MAIN OUT, SUB OUT en
DIGITAL OUT) van de VG-99 in.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F1] (OUTPUT).
4.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de OUTPUT MODE parameter op SYSTEM in te
stellen.
] om pagina 1 weer te geven.
][
] om pagina 2 weer te
Hoofdstuk 4
*
Als deze parameter op PATCH is ingesteld, zijn de onder ‘Het
uitgaande signaal en niveau instellen (OUTPUT)’ (p.
37) beschreven waarden van kracht. De waarde in het MIXER
venster wordt genegeerd, en in plaats daarvan wordt de waarde < >
toegepast.
5.
Gebruik PAGE [ ] [ ] of de F1-F6
draaiknoppen om het signaal en uitgaande
niveau van elke uitgang in te stellen.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘OUTPUT’ (p. 172).
51
Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie
met een FC-300 gebruiken
Als er op de VG-99 een FC-300 (optie) is aangesloten, kunt u de
volgende handelingen uitvoeren:
• Van Patch wisselen
• Ervoor zorgen, dat Patch namen in het beeldscherm van de FC300 worden weergegeven
• Met behulp van de FC-300 pedalen klanken regelen (Control
Assign)
• Als de TUNER functie wordt gebruikt, de stemmer van de VG99 in het beeldscherm van de FC-300 weergeven.
• De Amp Control functie van de FC-300 in en uitschakelen
Aansluiten via de RRC2 IN
aansluiting
Gebruik een RRC2 kabel, die met het apparaat is meegeleverd, om
de VG-99 en de FC-300 op elkaar aan te sluiten.
Aan de FC-300 gerelateerde
instellingen
Als u de VG-99 met behulp van een RRC2 kabel op een FC-300
aansluit, dient u de onderstaande instellingen te maken.
Instellingen voor regeling van
de FC-300
Hiermee bepaalt u de manier, waarop de FC-300 wordt geregeld.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F5] (FC-300).
4.
Gebruik [F1] (OFF/ON) of de F1 draaiknop om
de SYS EX MODE in te stellen.
] om pagina 1 weer te geven.
Wat is RRC2?
RRC2 is een Roland protocol, waarbij één enkele kabel voor
stroomvoorziening en een tweerichtingscommunicatie zorgt.
U kunt apparaten, in plaats van met een RRC2 kabel, ook met
behulp van een in de winkel verkrijgbare ethernet kabel op
elkaar aansluiten.
• Zorg ervoor, dat de RRC2 OUT aansluiting op een apparaat met
een RRC2 IN aansluiting wordt aangesloten. Aansluiting via
LAN of overige apparatuur kan hitte genereren en schade aan
de apparatuur veroorzaken.
• Zorg ervoor, dat de RRC2 kabel helemaal in de aansluiting
wordt gestoken, totdat hij stevig in de RRC2 IN zit.
• Stel de RRC2 kabel niet aan druk of fysieke schokken bloot.
• Als u als RRC2 aansluitingskabel een in de winkel verkrijgbare
ethernetkabel gebruikt, dient u er zeker van te zijn dat deze aan
de volgende specificaties voldoet.
• Categorie 5 (Cat5) of hoger
• Maximaal 15 meter lang
• Kabel die voor directe verbinding ontworpen is
* Voor cross-over aansluitingen ontworpen ethernetkabels kunnen
Beschikbare
instellingen
ON
Als de FC-300 op de VG-99 is aangesloten,
wijzigt hij automatisch naar de Exclusive functie,
en functioneert hij volgens de op de VG-99 gemaakte instellingen. Dit is de instelling, die normaalgesproken is geselecteerd. Zelfs zonder de
apparaat ID’s van de VG-99 en de FC-300 op elkaar af te stellen, kunt u de FC-300 regelen.
Als u een FC-300 aansluit, schakelt de FC-300 direct naar de Exclusive functie over. Normaalgesproken dient u deze instelling te selecteren.
OFF
Als u de FC-300 in een andere functie dan de System Exclusive functie wilt gebruiken, kiest u
voor OFF (uit).
Er wordt niet automatisch van functie gewisseld.
niet worden gebruikt.
52
Omschrijving
Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie met een FC-300 gebruiken
De handeling, waarmee van
Patch wordt gewisseld, instellen
Hiermee bepaalt u de timing waarop van Patch wordt gewisseld,
wanneer u op de FC-300 indrukken [
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
][
] pedalen drukt.
De stemfunctie van de VG99 via de FC-300 activeren
(QUICK TUNER)
U kunt de nummerpedalen van de FC-300 gebruiken om de
stemfunctie in en uit te schakelen.
*
De Quick Tuner functie kan alleen in het Afspeelvenster worden
geactiveerd.
] om pagina 1 weer te geven.
*
De Quick Tuner functie kan alleen worden geactiveerd als de FC300 MODE op SYS EX is ingesteld.
3.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
de BANK CHANGE parameter in te stellen.
Beschikbare Omschrijving
instellingen
IMMEDIATE
Als de [
][
] pedalen van de FC-300 worden
ingedrukt, verandert de Patch direct.
WAIT NUM
Als u de [
][
] pedalen van de FC-300 indrukt, verandert de Patch pas als u het nummer
(NUMBER) heeft ingesteld.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
3.
Druk op [F5] (FC-300).
4.
Gebruik [F3] (SELECT) of de F3 draaiknop om
QUICK TUNER in te stellen.
] om pagina 1 weer te geven.
Hoofdstuk 5
4.
Druk op [F5] (FC-300).
1.
Beschikbare
instellingen
Omschrijving
OFF
De QUICK TUNER functie is uitgeschakeld.
ON
De QUICK TUNER functie is ingeschakeld
en kan worden gebruikt. Telkens wanneer
u op het huidig geselecteerde nummerpedaal drukt, wisselt de TUNER functie
tussen aan en uit.
53
Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie met een FC-300 gebruiken
De FC-300 Amp Control
instellen
Hiermee schakelt u de AMP CTL 1 en AMP CTL 2 parameters van
de FC-300 in en uit.
Als u de kanaal schakelaar jack van de gitaarversterker op de AMP
CONTROL 1 jack (of de AMP CONTROL 2 jack) van de FC-300
aansluit, kunt u met behulp van de AMP CTL 1 (of AMP CTL 2)
parameter van de VG-99 van gitaarversterkerkanaal wisselen.
1.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om de
in te stellen Patch te selecteren.
2.
Druk op [NAME/KEY/BPM].
3.
Druk op [F4] (AMPCTL).
4.
Gebruik [F1] en [F2] of de F1 en F2
draaiknoppen om AMP CTL1 en AMP CTL2 in
(ON) en uit (OFF) te schakelen.
Beschikbare
instellingen
Omschrijving
OFF
De AMP CTL1 en AMP CTL2 parameters
van de FC-300 zijn uitgeschakeld.
ON
De AMP CTL1 en AMP CTL2 parameters
van de FC-300 zijn ingeschakeld.
54
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
worden gebruikt voor taken als het aanpassen van de parameters
van externe MIDI apparaten.
Over MIDI
MIDI, een afkorting voor Musical Instrument Digital Interface (digitale interface voor muziekinstrumenten), is een universele norm met
behulp waarvan muziekinstrumenten muziekuitvoeringgegevens,
berichten met betrekking tot wijzigingen in geluiden en overige informatie kunnen uitwisselen. Apparaten die aan de MIDI specificaties
voldoen, kunnen met ieder andere MIDI apparaat communiceren
(voor zover relevant voor beide apparaten), ongeacht van welke fabrikant ze zijn of tot welke categorie muziekinstrument ze behoren.
Onder de MIDI specificaties worden uitvoeringsgegevens, die bijvoorbeeld door het bespelen van een keyboard of het indrukken van
een pedaal worden voortgebracht, als MIDI berichten behandeld.
Wat u met behulp van MIDI kunt
doen
U kunt met behulp van MIDI op de VG-99 de volgende handelingen
uitvoeren.
Als u op de VG-99 een FC-300 aansluit, verwijzen wij u graag naar
‘Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie met een FC-300
gebruiken’ (p. 52).
*
Gebruik van MIDI vereist dat de MIDI kanalen van de aangesloten
Uitvoeringsgegevens uitvoeren
De uitvoeringsgegevens van de gitaar kunnen als nootberichten en
verbuigingsberichten worden uitgevoerd, zodat u via synthesizer
geluidsmodules en overige op de VG-99 aangesloten apparatuur
kunt spelen. Voor meer gedetailleerde informatie, zie ‘Een externe
synthesizer geluidsmodule afspelen (GUITAR TO MIDI)’
(p. 64).
Gegevens versturen
U kunt exclusieve berichten gebruiken om instellingen voor in de
VG-99 opgeslagen effectgeluiden en overige gegevens naar andere
MIDI apparaten te versturen. Hiermee kunt u een andere VG-99
exact dezelfde instellingen geven, en instellingen voor effectgeluiden
op MIDI sequencers en soortgelijke apparaten opslaan.
De VG-99 vanaf een extern MIDI
apparaat bedienen
Van Patchnummer wisselen
In reactie op de programmawijzigingberichten, die via externe MIDI
apparaten worden ontvangen, veranderen de Patches direct.
apparatuur overeenstemmen.
Bediening vanaf de VG-99
Programmawijzigingberichten uitvoeren
Als er op de VG-99 een Patch wordt geselecteerd, verzendt de VG-99
automatisch een programmawijzigingbericht, dat met het geselecteerde nummer overeenkomt. Het externe MIDI apparaat verandert
zijn instellingen in reactie op het ontvangen programmawijzigingbericht.
Met behulp van de ‘RX PC MAP (PROGRAMMAWIJZIGINGKAART ONTVANGEN)’ (p. 61) kunt de overeenstemming tussen MIDI programmawijzigingberichten en
de VG-99 Patches instellen. Om er zeker van te zijn, dat
de effectgeluiden van de VG-99 met die van de overige
MIDI apparaten overeenkomen.
Als u uw gitaarspel met een automatische sequenceruitvoering
ondersteunt, worden de in de onderstaande afbeelding weergegeven
aansluitingen gebruikt. De Patches van de VG-99 wijzigen automatisch als u op het punt, waarop u wilt dat de VG-99 van Patch wisselt, met behulp van de uitvoeringsgegevens een programmanummer invoert.
MIDI IN
MIDI OUT
MIDI OUT
MIDI IN
Controlewijzigingberichten uitvoeren
Gegevens, die de actie van een op de VG-99 aangesloten extern
apparaat (expressiepedaal of voetschakelaar) beschrijven, worden
als controlewijzigingberichten uitgevoerd. Deze berichten kunnen
55
Hoofdstuk 6
Er kunnen van andere MIDI apparaten alleen gegevens worden ontvangen, als de MIDI kanalen goed zijn ingesteld.
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Controlewijzigingberichten ontvangen
Voor het tijdens een uitvoering regelen van bepaalde
aangegeven parameters kan de VG-99 controlewijzigingberichten ontvangen. Voor het instellen van de te regelen
parameters volgt u de procedure onder ‘De geluiden
met behulp van de schakelaars, pedalen en MIDI
regelen (CONTROL ASSIGN) (p. 82).
Gegevens ontvangen
De VG-99 kan gegevens, die door andere VG-99’s zijn verzonden, en
op MIDI sequencers opgeslagen gegevens ontvangen.
Noot uit berichten
Deze berichten instrueren het apparaat om de huidig spelende geluiden te stoppen.
Verbuigingsberichten
Deze berichten zorgen voor continue wijzigingen in toonhoogte.
Systeemberichten
Tot de systeemberichten behoren de exclusieve berichten, die voor
het synchroniseren van uitvoeringen nodig zijn, en berichten die zijn
ontworpen probleem in de bediening te voorkomen.
Exclusieve berichten
Belangrijkste soorten MIDI
berichten, die de VG-99 kan
verwerken
Om u tijdens uitvoeringen het volledige scala aan expressiemogelijkheden tot uw beschikking te kunnen bieden, heeft MIDI verschillende soorten MIDI berichten. In brede zin kunnen MIDI berichten
in twee categorieën worden ingedeeld: berichten die op basis van
een afzonderlijk midi kanaal worden verwerkt (kanaalberichten), en
berichten die onafhankelijk van de MIDI kanalen worden verwerkt
(systeemberichten).
Kanaalberichten
Dit zijn berichten, die worden gebruikt voor het overdragen van de
events, die tijdens een uitvoering plaatsvinden. Normaalgesproken
kunt u de meeste uitvoeringen alleen met behulp van deze berichten
regelen. De handeling, die door elk MIDI bericht wordt geregeld,
wordt door de ontvangst van de apparaatinstellingen bepaald.
Programmawijzigingberichten
Deze berichten worden over het algemeen gebruikt voor het wisselen van geluid. Met behulp van programmawijzigingnummer
1-128 wisselt u van geluid. Bovendien kunt u op de VG-99 ook in
combinatie met de programmawijzigingberichten controlewijziging
bankselectieberichten gebruiken, zodat u tussen 400 verschillende
Patch nummers kunt schakelen.
Controlewijzigingberichten
Controlewijzigingberichten worden gebruikt om de expressie van de
uitvoering te vergroten. Functies worden door middel van controlenummers van elkaar onderscheiden. Welke specifieke functies kunnen worden geregeld, is voor elk MIDI apparaat verschillend. U
kunt op de VG-99 de aangegeven parameters regelen.
Noot aan berichten
Deze berichten dragen de toonhoogtes en volumes, waarmee de
geluiden worden gespeeld, aan het apparaat over.
56
Exclusieve berichten worden gebruikt voor het verwerken van geluiden, die specifiek zijn voor een bepaald apparaat en overige soortgelijke berichten. In algemene zin kunt u tussen apparaten van hetzelfde type en van dezelfde fabriek berichten uitwisselen. Met
behulp van exclusieve berichten kunt u parameterinstellingen op
sequencers opslaan en parameterinstellingen naar overige VG-99’s
verzenden.
Om exclusieve berichten uit te kunnen wisselen dient u ervoor te
zorgen, dat de apparaat ID nummers van alle instrumenten overeenkomen.
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Over de MIDI implementatie
Hoewel het gebruik van MIDI ervoor zorgt, dat apparaten met
elkaar kunnen communiceren, betekent dit niet, dat er een uitwisseling van alle informatie mogelijk is. De gegevens die tussen twee
apparaten kunnen worden uitgewisseld, is tot het voor beide apparaten bekende berichten beperkt.
Daarom dient de handleiding van een MIDI apparaat altijd een MIDI
implementatiekaart te bevatten, zodat de gebruiker op snelle wijze
kan bepalen welke MIDI berichten het apparaat in kwestie ondersteunt. Door de MIDI implementatiekaarten van de diverse apparaten met elkaar te vergelijken, kunt u erachter komen welke informatie kan worden uitgewisseld en hoe u dit bewerkstelligt.
MIDI berichten uitwisselen
Dit hoofdstuk biedt een eenvoudige beschrijving over hoe MIDI
berichten worden uitgewisseld.
Over MIDI aansluitingen
MIDI berichten worden via de onderstaande aansluitingen uitgewisseld.
Op deze aansluitingen sluit u op de voor het desbetreffende gebruik
geschikte manier MIDI kabels aan.
Aangezien deze kaarten een universele vorm hebben, kunt u de
kaarten bij het controleren van de informatie voor het verzenden en
ontvangen over elkaar heen leggen.
Hier vouwen
MIDI apparaat A
Function
MIDI apparaat B
Transmit
Recognized
Remarks
MIDI
aansluiting
Omschrijving
Berichten van andere apparaten worden ontvangen.
MIDI OUT
Berichten van de VG-99 worden verzonden.
Over MIDI kanalen
Er is tevens een losse publicatie, met de titel ‘MIDI Implementatie’ beschikbaar. Deze biedt volledige details over de manier,
waarop MIDI op dit apparaat is geïmplementeerd. Als u deze
publicatie nodig heeft (bijvoorbeeld wanneer u op byte-niveau
wilt gaan programmeren), kunt u deze via de Roland website
verkrijgen. http://www.roland.com
http://www.roland.com/
Met behulp van MIDI kunt u via één MIDI kabel diverse verschillende berichten afzonderlijk naar verschillende MIDI apparaten verzenden. Dit is mogelijk, dankzij het bestaan van MIDI kanalen.
MIDI kanalen gebruiken een soortgelijke benadering als televisiekanalen. Door op de TV van kanaal te wisselen kan de kijker programma’s van diverse omroepen bekijken. Dit komt, doordat de
informatie wordt verzonden via het kanaal, waarop zowel de verzender als de ontvanger zijn afgestemd.
Televisiestation A
TV informatie van diverse verschillende televisiestations
wordt door een antenne heen geleid.
Televisiestation B
Televisiestation C
Selecteer het kanaal van de televisiezen
waar u naar wilt kijken.
MIDI heeft zestien kanalen 1-16. MIDI berichten worden via hetzelfde kanaal naar de (ontvangende) instrumenten verzonden, als
waarop het versturende apparaat ze verzendt.
57
Hoofdstuk 6
MIDI IN
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Bankselectie en
programmawijziging
Bankselectie en programmawijziging MIDI berichten worden over
het algemeen voor het wisselen van Patch gebruikt.
Normaalgesproken gebruikt u programmawijzigingberichten om
van Patch te wisselen. Als u echter alleen programmawijzigingberichten gebruikt, kunt u maar maximaal 128 verschillende Patches
selecteren. Daarom gebruiken sommige apparaten ook bankselectieberichten, zodat er meer Patches kunnen worden geselecteerd.
De MIDI gerelateerde
functies instellen
Dit hoofdstuk beschrijft de MIDI gerelateerde functies van de VG-99.
Stem deze af, op de manier waarop u ze gebruikt.
1.
Druk op [SYSTEM].
Het System venster verschijnt.
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
Aan Patches van deze apparaten worden nummers toegewezen, die
uit een combinatie van bankselectie MSB, LSB nummer 0-127 en programmanummer 1-128 bestaan.
*
De VG-99 negeert de bankselectie LSB.
3.
Druk op [F6] (MIDI).
Het MIDI instellingenvenster verschijnt.
Het volgende deel beschrijft de instellingen die
voor MIDI worden gebruikt.
MIDI kanaal
Hiermee stelt u het kanaal in, dat wordt gebruikt voor het verzenden
en ontvangen van met de Patches en functies van de VG-99 overeenstemmende MIDI berichten. Als u de GUITAR TO MIDI functie
gebruikt, zie ook ‘Een externe synthesizer geluidsmodule
spelen (GUITAR TO MIDI)’ (p. 64). Als u de V-LINK functie
gebruikt, zie ook ‘Met behulp van uw gitaar videobeelden
regelen’ (p. 96).
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
3.
Draai aan de F1 draaiknop om het MIDI kanaal
(1-16) in te stellen.
] om pagina 1 weer te geven.
Zorg ervoor, dat u niet hetzelfde kanaal als MIDI kanaal
gebruikt als het kanaal, dat u voor de GUITAR TO MIDI
of V-LINK functie gebruikt.
58
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
MIDI Omni functie
3.
Als de VG-99 op de MIDI Omni functie is ingesteld, ontvangt het
apparaat, ongeacht de MIDI kanaal instellingen, berichten via alle
MIDI kanalen. U kunt de Omni functie gebruiken als u voor het
regelen van de VG-99 geen specifieke MIDI kanalen hoeft te gebruiken.
1.
2.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
Gebruik [F6] (SELECT) of de F6 draaiknop om
de MIDI Clock te selecteren, die u als
temporeferentie wilt gebruiken.
Voor gedetailleerde informatie over alle parameters, zie
‘Met de MIDI CLOCK van een extern apparaat
synchroniseren’ (p. 64).
MIDI ROUTING
Stel het regelsignaalpad van de VG-99 in.
De VG-99 heeft drie soorten aansluitingen voor het invoeren en uitvoeren van gegevens: de MIDI aansluitingen (IN/OUT), een USB
aansluiting en de RRC2 IN aansluiting. Als u de VG-99 apparatuur
op iets anders aansluit dan de FC-300, dient u de routing van de
regelsignalen te controleren.
Tijdens het instellen van de nodige aansluitingen controleert u het
beeldscherm.
3.
Gebruik [F2] of de F2 draaiknop om de Omni
functie in of uit te schakelen.
Zelfs als de Omni functie is ingeschakeld, worden alleen
exclusieve berichten met het Device ID nummer, dat als
Device ID is ingesteld, ontvangen.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F1]-[F3] of de F1-F3 draaiknoppen om
de aansluitingen in te stellen.
] om pagina’s 2-4 weer te
MIDI Device ID
Hiermee bepaalt u, welk Device ID nummer voor de transmissie en
ontvangst van exclusieve berichten wordt gebruikt.
In de fabriek wordt de Device ID op 1 ingesteld.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
3.
Draai aan de FC-300 draaiknop om het Device
ID nummer (1-32) in te stellen.
] om pagina 1 weer te geven.
SYNC CLOCK
U kunt de VG-99 synchroniseren met de MIDI Clock (het tempo), die
(dat) door een MIDI sequencer of een ander extern MIDI apparaat
wordt verzonden.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
59
Hoofdstuk 6
In de fabriek is de Omni functie ingeschakeld (ON).
De instellingen voor MIDI IN en OUT maakt u op pagina 2, die van
de USB aansluiting op pagina 3 en die van de RRC2 IN aansluiting
op pagina 4.
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
MIDI PC OUT
Deze instelling bepaalt of er bij het wisselen van Patch wel of geen
programmawijzigingberichten worden uitgevoerd.
1.
2.
3.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
Druk op PAGE [
geven.
][
TX PC MAP (TRANSMIT PROGRAM
CHANGE MAP (programmawijziging
transmissiekaart))
Deze instelling bepaalt welke sequens met programmawijzigingberichten bij het wisselen van Patch door de VG-99 wordt uitgevoerd.
U kunt kiezen of de van tevoren voor de Patch ingestelde programmawijzigingberichten worden uitgevoerd of de in elke Patch geprogrammeerde programmawijzigingberichten worden uitgevoerd.
] om pagina 5 weer te
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F2] of de F2 draaiknop om te bepalen
of het Transmit Program kanaal wel of niet
wordt gebruikt.
][
] om pagina 5 weer te
Gebruik [F1] of de F1 draaiknop om PC OUT in/
uit te schakelen.
Als u programmawijzigingberichten uitvoert, voert de
VG-99 tegelijkertijd ook MIDI bankselectieberichten uit.
Beschikbare Omschrijving
instellingen
FIX
Ongeacht de Patchinstellingen, worden de voor
elk Patchnummer van tevoren bepaalde programmawijzigingberichten uitgevoerd.
PROG
De in elke Patch geprogrammeerde programmawijzigingberichten worden uitgevoerd.
De onderstaande tabel geeft weer wat de relatie tussen de Patches en
de programmawijzigingberichten als TX PC MAP op FIX is
ingesteld.
60
Patchnummer
Bankselectie Programmanummer
001
0
1
:
:
:
100
0
100
101
1
1
:
:
:
200
1
100
201
2
1
:
:
:
400
3
100
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
De TX PC MAP instellen
Om in te stellen welke programmawijzigingberichten met
afzonderlijke Patches worden verzonden, maakt u de onderstaande
instellingen.
Patchparameters zijn instellingen, die voor elke Patch
afzonderlijk worden gebruikt. Om wijzigingen op te
slaan, dient de Write (schrijf) procedure te worden uitgevoerd (p. 38).
1.
Selecteer de Patch, waaraan u het van tevoren
bepaalde, te verzenden
programmawijzigingbericht wilt toewijzen.
2.
Druk op [NAME/KEY/BMP].
3.
Druk op [F5] (TX PC).
4.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
U kunt kiezen of u, bij het door middel van
programmawijzigingberichten afkomstig van een extern MIDI
apparaat wisselen van Patch, van een vaste of vrij in te stellen
overeenstemming tussen ontvangen programmanummers en de
geselecteerde Patch gebruik maakt.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F3] of de F3 draaiknop om te bepalen
of het Receive Program Change Map wel of
niet wordt gebruikt.
] om pagina 5 weer te
Beschikbare Omschrijving
instellingen
FIX
Ongeacht de Patchinstellingen schakelt de VG-99
over naar de van tevoren bepaalde Patch, zodra de
bijbehorende programmawijzigingberichten worden ontvangen.
PROG
De VG-99 schakelt over naar de Patches die in de
RX PC MAP zijn ingesteld.
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
][
4.
Om de aan een ontvangen programmanummer
toegewezen Patch te wijzigen, drukt u op [
[
]
] om pagina 6 weer te geven.
Het RX PC MAP venster verschijnt.
5.
Wijs de Patch aan een ontvangen
programmanummer toe.
• [F1] (BANK) / F1 draaiknop
Selecteert het banknummer.
• [F2] (SEL D) of [F3] (SEL U) / F2 of F3 draaiknop
Selecteren het programmanummer.
• [F5] (SELECT) / F5 draaiknop
Selecteert de Patch
Als de met behulp van F1, F2 en F3 ingestelde banknummer/
programmanummer combinatie wordt ontvangen, schakelt de
VG-99 over naar de met behulp van F5 geselecteerde Patch.
61
Hoofdstuk 6
Gebruik [F1]-[F3] of de F1-F3 draaiknoppen om
het programmawijzigingnummer en de
bankselectie in te stellen.
RX PC MAP (RECEIVE PROGRAM
CHANGE MAP (programmawijziging
ontvangstkaart))
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
De onderstaande tabel geeft weer wat de relatie is tussen de door de
fabriek ingestelde programmawijzigingkaart en de ontvangen
programmawijzigingberichten, als RX PC MAP op FIX is ingesteld.
Bulk Dump
Bankselectie Programmanummer
Patchnummer
Deze transmissie van gegevens wordt een ‘bulk dump’ genoemd.
0
1
001
Welke gegevens kunnen worden verzonden, wordt hieronder
omschreven.
:
:
:
0
128
128
1
1
101
:
:
:
2
128
328
3
1
:
:
3
100
*
U kunt op de VG-99 met behulp van exclusieve berichten een andere
VG-99 op dezelfde instellingen instellen of effectinstellingen op
MIDI sequencers en soortgelijke apparatuur opslaan.
Weergegeven
Verzonden gegevens
ALL
Alle verstuurbare gegevens (SYSTEM, GK SETTING, GLOBAL, PATCH 001-200, FAVORITE
SETTING)
301
SYSTEM
SYSTEM parameters
:
GK SETTING
Inhoud van de instellingen van GK SETTING
400
GLOBAL
Instellingen van de GLOBAL functie
Als u de ‘OMNI MODE’ (p. 170) uitschakelt (OFF), dient u er
PATCH
Instellingen van Patchnummer 001-200
van tevoren voor te zorgen, dat het ‘MIDI CH (MIDI kanaal)’
FAVORITE
SETTING
Inhoud van de instellingen van de FAVORITE
SETTINGS 01-10 van alle effecten
(p. 170) op het transmissiekanaal van het externe MIDI apparaat is
ingesteld.
Hoe u de gegevens verzendt
Het controlewijzigingnummer voor
MIDI uitvoer selecteren
Hiermee bepaalt u welke controlewijzigingnummers worden
verzonden, als de pedalen van de VG-99 en externe pedalen of de
FC-300 pedalen en externe pedalen worden bediend.
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
][
Als u gegevens op een MIDI sequencer wilt
opslaan
Sluit de apparaten volgens onderstaande afbeelding op elkaar aan.
Zet de MIDI sequencer vervolgens in de stand-by modus, zodat hij
klaar is om exclusieve berichten te ontvangen.
] om pagina 7 weer te
MIDI IN
Het TX CC venster verschijnt.
MIDI OUT
3.
Gebruik [F2] (SEL ) of [F3] (SEL ) of de F2
of F3 draaiknoppen om de in te stellen
regelaar te selecteren.
4.
Gebruik [F5] of de F5 draaiknop om te bepalen
welk controlewijzigingnummer dient te worden
verzonden, als de regelaar wordt aangepast.
Als de met behulp van F2 of F3 geselecteerde regelaar wordt
bediend, wordt het met behulp van F5 geselecteerde
controlewijzigingbericht verzonden.
*
Als u OFF selecteert, kunnen er geen controlewijzigingberichten
worden uitgevoerd.
62
Voor meer informatie over de bediening van de
sequencer, die u gebruikt, zie de bij dit apparaat meegeleverde handleiding.
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Als u gegevens naar een andere VG-99 wilt
versturen
Door op [EXIT] te drukken, kunt u de actieve procedure
annuleren.
Sluit de apparaten volgens onderstaande afbeelding op elkaar aan.
Zorg er vervolgens voor, dat de Device ID van het versturende apparaat met de Device ID van het ontvangende apparaat overeenstemt.
Bulk Load
De ontvangst van VG-99 gegevens, die op MIDI sequencers en
overige apparaten zijn opgeslagen, wordt Bulk Load genoemd.
Als u gegevens ontvangt, die op een MIDI
sequencer zijn opgeslagen
1.
MIDI OUT
MIDI IN
Sluit de apparaten volgens onderstaande
afbeelding op elkaar aan. Zorg er vervolgens
voor, dat de Device ID van het versturende
apparaat met de Device ID van het
ontvangende apparaat overeenstemt.
MIDI OUT
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
][
MIDI IN
] om pagina 8 weer te
2.
3.
4.
Hoofdstuk 6
1.
Gebruik [F2] (SEL D) of [F3] (SEL U) of de F2 of
F3 draaiknoppen om de te versturen gegevens
te selecteren.
Druk op [F1] (CHECK).
Verzendt de bulk gegevens van de MIDI
sequencer.
Tijdens de ontvangst van de gegevens wordt de ‘SYSTEM
EXCLUSIVE MESSAGE RECEIVING...’ melding
weergegeven. Zodra de ontvangst is voltooid, keert u naar het
venster van voor de transmissie terug.
In deze toestand kan de VG-99 vervolgens weer andere
gegevens ontvangen.
Alleen de aangevinkte datatypen worden verzonden.
Bij het selecteren van PATCH FROM/TO kunt u de
PATCH/VALUE draaischijf gebruiken om het te
verzenden bereik aan Patchnummers te selecteren.
5.
Herhaal indien nodig stap 2 en 3.
6.
Druk op [F6] (DUMP).
Als de ‘MIDI BUFFER FULL’ melding verschijnt, controleert u de aansluitingen en vermindert u het tempo van
het versturende apparaat.
De transmissie begint. Zodra dit is voltooid, keert u naar het
venster van voor de transmissie terug.
63
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Met de MIDI CLOCK van een
extern apparaat
synchroniseren
1.
Volg stap 1-3 onder ‘De MIDI gerelateerde
functies instellen’ (p. 58) om ervoor te zorgen,
dat het MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
3.
•
•
•
•
] om pagina 1 weer te geven.
Een externe synthesizer
geluidsmodule spelen
(GUITAR TO MIDI)
De VG-99 kan uitvoeringsgegevens in MIDI noot en MIDI verbuigingsberichten omzetten, en deze berichten uitvoeren. Met behulp
van deze functie kunt u uitvoeringen op sequencers opnemen en via
externe sequencer geluidsmodules geluiden afspelen.
De GUITAR TO MIDI functie bevat systeemparameters, waarvan de
instellingen op de algemene functionaliteit van het apparaat van toepassing zijn, en Patchparameters die op afzonderlijke Patchbasis
worden ingesteld.
Klanken die met behulp van GUITAR TO MIDI worden
uitgevoerd (de MIDI nootberichten) worden door de
kanaal A Alternate Tuning instellingen (TUNING,
BEND, HARMO) en de D beam/bandregelaar instellingen (T-ARM) beïnvloed.
Gebruik [F6] (SELECT) of de F6 draaiknop om
het synchroniseersignaal te selecteren.
Hiermee geeft u aan welke instelling als SYNC CLOCK
instelling wordt opgeslagen.
INTERNAL
De VG-99 functioneert zelfstandig.
AUTO (USB)
De VG-99 wordt met de via USB ontvangen MIDI Clock
gesynchroniseerd. Als de VG-99 de externe Clock echter niet
kan ontvangen, worden de functies automatisch met de
interne Clock van de VG-99 gesynchroniseerd.
AUTO (MIDI)
De VG-99 wordt met de via MIDI ontvangen MIDI Clock
gesynchroniseerd. Als de VG-99 de externe Clock echter niet
kan ontvangen, worden de functies automatisch met de
interne Clock van de VG-99 gesynchroniseerd.
AUTO (RRC2)
De VG-99 wordt met de via MIDI ontvangen MIDI Clock
gesynchroniseerd. Als de VG-99 de externe Clock echter niet
kan ontvangen, worden de functies automatisch met de
interne Clock van de VG-99 gesynchroniseerd.
*
De Alternate Tuning instellingen van kanaal B hebben geen effect op
deze uitgaande tonen.
*
Als de door middel van GUITAR TO MIDI uitgevoerde toon (de
MIDI nootberichten), onder invloed van de Alternate Tuning
instellingen van kanaal A, extreem laag is (of hoog), wordt de toon
automatisch met één octaaf verhoogd (of verlaagd).
De GUITAR TO MIDI functie
instellingen (systeemparameters)
Deze procedures worden gebruikt om het apparaat in zijn geheel in
te stellen. De wijzigingen worden direct op het moment, waarop ze
worden aangebracht, opgeslagen. Het is niet nodig om de Write
(schrijf) procedure uit te voeren.
Nadat u deze parameters heeft ingevoerd, drukt u meerdere malen
op [EXIT] om naar het afspeelvenster terug te keren.
De GUITAR TO MIDI functie in en
uitschakelen
1.
Druk op [GUITAR TO MIDI].
Het GUITAR TO MIDI venster verschijnt.
2.
Gebruik [F1] (OFF/ON) of de F1 draaiknop om
GTR TO MIDI in (ON) te schakelen.
Als u deze parameter uitschakelt, kunnen alle MIDI berichten,
die met de GUITAR TO MIDI functie te maken hebben, niet
worden verzonden.
64
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
De regelaar selecteren, die voor het
regelen van de Hold functie wordt
gebruikt (HOLD CTL)
Verbuigingsberichten uitdunnen (BEND
THIN)
1.
Daarom kan het ontvangende MIDI apparaat in het functioneren
problemen ondervinden als er toonverbuigingsberichten met grote
hoeveelheden gegevens worden gebruikt.
Druk op [GUITAR TO MIDI].
Het GUITAR TO MIDI venster verschijnt.
2.
3.
Vibrato, verschuivingen en overige gegevens uit gitaaruitvoeringen
worden in de vorm van toonverbuigingsberichten uitgevoerd.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De regelaar selecteren die
voor het regelen van de Hold functie wordt
gebruikt (HOLD CTL)’ (p. 65), zodat het GTR
TO MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Gebruik [F2] (OFF/ON) of de F2 draaiknop om
de functie in te schakelen (ON).
Druk op [F5] (SYSTEM).
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de in te stellen regelaar te selecteren.
Regelaar
GK S1, S2
GK-3 DOWN/S1, UP/S2 schakelaar
CTL 1–4
VG-99 CONTROL 1, 2 knoppen of op de
CTL 3, 4 jack aangesloten voetschakelaar
FC-300 CTL1–8
FC-300 CTL 1, 2 pedalen of op de CTL 3, 4
jack aangesloten voetschakelaar
Hoofdstuk 6
HOLD CTL
Selecteer OFF als u niet wilt dat de middels toonverbuigingsberichten verzonden hoeveelheid gegevens wordt verlaagd.
Regelaars, waaraan de HOLD CTL functie is toegewezen, worden gelijktijdig ingeschakeld met de
parameters, die door middel van de SYSTEM CONTROL
ASSIGN instellingen worden ingesteld.
Voor gedetailleerde informatie over elke parameter, zie
‘Het type Hold functie selecteren (HOLD TYPE)’ (p.
69).
65
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Het MIDI transmissiekanaal selecteren
(BASIC CH)
Hiermee stelt u in welk MIDI kanaal voor het uitvoeren van
snaaruitvoeringgegevens van de VG-99 wordt gebruikt.
Stel, volgens onderstaande situaties, de MIDI kanalen op POLY/
MONO in.
• Als u de POLY functie selecteert
De uitvoeringsgegevens van alle snaren worden via het
basiskanaal verzonden.
• Als u de MONO functie selecteert
1e snaar: Verzonden via het basiskanaal.
2e snaar: Verzonden via het, na het basiskanaal, eerstvolgende
hogere kanaalnummer.
Voorkomen, dat programmawijzigingberichten worden verzonden (PC
MASK)
U kunt voorkomen, dat programmawijzigingberichten, die onder
‘Bij het wisselen van Patch gelijktijdig
programmawijzigingberichten uitvoeren (PC)’ (p. 70)
worden ingesteld, worden verzonden.
*
Dit is niet op programmawijziging van toepassing, die onder ‘MIDI
PC OUT’ worden ingesteld (p. 60).
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De regelaar selecteren,
die voor het regelen van de Hold functie wordt
gebruikt (HOLD CTL)’ (p. 65), zodat het GTR
TO MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Gebruik [F4] (OFF/ON) of de F4 draaiknop om
de functie in te schakelen (ON).
:
6e snaar: Verzonden via het kanaal met een nummer dat vijf
stappen hoger is dan het basiskanaal.
Voor meer details over de functie, zie ‘De
transmissiefunctie instellen (MODE)’ (p. 67).
1.
2.
66
Volg stap 1-2 onder ‘De regelaar selecteren die
voor het regelen van de Hold functie wordt
gebruikt (HOLD CTL)’ (p. 65), zodat het GTR
TO MIDI venster wordt weergegeven.
Gebruik [F3] (SELECT) of de F3 draaiknop om
het kanaal in te stellen.
Als PC MASK is ingeschakeld, worden
programmawijzigingberichten, die met behulp van de PC
parameter (p. 70) onder GUITAR TO MIDI zijn ingesteld, niet
verzonden.
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
De GUITAR TO MIDI functie
instellen (Patchparameters)
Patchparameters zijn instellingen, die voor elke Patch
afzonderlijk worden gemaakt. Voor het opslaan van
wijzigingen dient de Write (schrijf) procedure te worden
uitgevoerd. Voer, indien nodig, de Write (schrijf)
procedure uit.
De transmissiefunctie instellen (MODE)
1.
Druk op [GUITAR TO MIDI].
Het GTR TO MIDI venster verschijnt.
2.
Druk op [F3] (PATCH).
3.
Druk op PAGE [
4.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de functie in te stellen.
Hoewel het via één kanaal verzenden van de MIDI berichten
van alle snaren de benodigde instellingen van de
geluidsmodule vereenvoudigt en het aantal gebruikte MIDI
kanalen vermindert, heeft dit ook enige beperkingen ten
gevolg. Zo kunt u bijvoorbeeld voor alle snaren slechts één
toon selecteren.
In de fabriek worden alle Patches op de MONO functie
ingesteld.
Als u in de POLY functie akkoorden speelt, wijzigingen
de toonverbuigingen in stappen van een halve toon,
terwijl het vibrato effect niet beschikbaar is. Toonverbuigingen en verschuivingen functioneren normaalgesproken in de POLY functie bij het spelen van losse
noten.
] om pagina 1 weer te geven.
Hoofdstuk 6
• MONO (MONO functie)
In deze functie wordt er per snaar één kanaal gebruikt, zodat
er in totaal zes kanalen worden gebruikt.
Aangezien elke snaar een ander MIDI kanaal gebruikt, kunt u
voor elke snaar een andere toon selecteren, waarbij u
toonverbuiging kunt gebruiken of de toonhoogte van een
bepaalde snaar kunt variëren. Hiervoor dient u echter een
multitimbrale geluidsmodule te gebruiken.
• POLY (POLY functie)
In deze functie worden de berichten van alle zes de snaren via
één enkel kanaal verzonden.
67
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
De ‘feel’ van het gitaarspel aanpassen
(PLAY FEEL)
De toonhoogte in eenheden van een
halve toon wijzigen (CHROMATIC)
Hiermee selecteert u de respons van het synthesizergeluid, ten
opzichte van de plukdynamiek.
Als u deze instelling wijzigt, op basis van de op de gitaar of toon
toegepaste uitvoeringsstijl, kunt u de dynamiek op nog natuurlijkere
wijze uitdrukken.
Als u snaarverbuiging of soortgelijke technieken gebruikt om de
toonhoogte met behulp van uw gitaar of basgitaar geleidelijk te
wijzigen, kunt u de VG-99 zo instellen dat de toonhoogte van de
uitgevoerde MIDI berichten in eenheden van een halve toon
wijzigen.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De transmissiefunctie
instellen (MODE)’ (p. 67), zodat het GTR TO
MIDI venster wordt weergegeven.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De transmissiefunctie
instellen (MODE)’ (p. 67), zodat het GTR TO
MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
2.
Druk op PAGE [
3.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
de instelling aan te passen.
3.
Gebruik [F3] (SELECT) of de F3 draaiknop om
de instelling aan te passen.
] om pagina 1 weer te geven.
• FEEL1-FEEL4
FEEL1 is de functie, die het geluid, op basis van de
plukdynamiek, de breedste variatie in volume geeft.
Naarmate u de instelling verhoogt, wordt het gemakkelijker
om zelfs met zwakker plukken, hoge volumegeluiden voort te
brengen.
Dit biedt u de mogelijkheid om op een consequent volume te
blijven spelen, ongeacht of u de snaren slechts aantikt of ze
hard aanslaat.
• NO DYNA
Als u deze functie selecteert, worden de geluiden, ongeacht de
kracht waarmee ze worden aangeslagen, op een vast volume
afgespeeld.
• STRUM
Hiermee onderdrukt u de uitvoer van geluiden, die door
zwakkere aanslagen worden voortgebracht. Deze instelling
biedt u de mogelijkheid om ongewenste geluiden, te
voorkomen, bijvoorbeeld tijdens het spelen van een ritme of
wanneer u per ongeluk de verkeerde snaar aanraakt.
] om pagina 1 weer te geven.
• OFF
Er worden normale toonverbuigingsberichten uitgevoerd. De
toonhoogte varieert continu in overeenstemming met de
snaarverbuiging of het vibrato effect.
• TYPE 1
Als de toonhoogte wijzigt, past deze instelling de resultaten
van de toonverbuigingsinformatie toe, zonder de huidig
spelende noot te stoppen.
Dit geeft een uniek effect, waarbij er bij het wijzigen van de
toonhoogtes geen Attack geluid optreedt. Dit lijkt op het
overslaan van een recorder.
• TYPE 2
Als de toonhoogte wijzigt, triggert (speelt) de VG-99 het
geluid op de gewijzigde toonhoogte opnieuw, zodat de
toonhoogtewijzigingen alleen in stappen van een halve toon
plaatsvinden.
Als gevolg hiervan wordt er, telkens wanneer de toonhoogte
wijzigt een attack geluid gespeeld. De afname van de
snaartrilling, die na het spelen van de snaar optreedt, wordt
door het geleidelijk wegsterven van het ge-her-triggerde
geluid weergegeven.
• TYPE 3
Net als bij TYPE 2, worden de geluiden bij het wijzigen van de
toonhoogte opnieuw getriggerd, zodat de
toonhoogtewijzigingen alleen in stappen van een halve toon
worden uitgedrukt.
Echter, in plaats van de afname van de snaartrilling weer te
geven, is het opnieuw getriggerde geluid hetzelfde als toen de
snaar werd gespeeld.
68
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
Het type Hold functie selecteren (HOLD
TYPE)
Controlewijzigingen uitvoeren door de
regelaars te bedienen (CC)
Hiermee selecteert u het type Hold functie, dat wordt gebruikt
wanneer de regelaar, die u instelt met behulp van de HOLD CTL
parameter (p. 65), wordt aangepast.
U kunt de paneeldraaiknoppen en pedalen bedienen controlewijzigingberichten uit te voeren.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De transmissiefunctie
instellen (MODE)’ (p. 67), zodat het GTR TO
MIDI venster wordt weergegeven.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De transmissiefunctie
instellen (MODE)’ (p. 67) om het GTR TO MIDI
venster weer te geven.
2.
Druk op PAGE [
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
MONO te selecteren.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop of
[F4] (SELECT) of de F4 draaiknop om de in te
stellen regelaar te selecteren.
4.
] om pagina 1 weer te geven.
Er zijn twee verschillende instellingen.
Gebruik [F4] (SELECT) of de F4 draaiknop om
de instelling aan te passen.
• HOLD1
De noot-aan berichten worden vastgehouden, wanneer de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld.
Volgende noot-aan berichten worden echter niet uitgevoerd,
als u het instrument blijft bespelen, terwijl het Hold effect nog
is ingeschakeld.
• HOLD3
De noot-aan berichten worden vastgehouden, wanneer de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld.
Als de Hold functie aan blijft, terwijl u de snaren blijft
bespelen, kunnen er noot-aan berichten van andere snaren,
dan van de snaren die al worden vastgehouden, worden
uitgevoerd, maar deze worden niet vastgehouden.
] om pagina 2 weer te
SRC
Regelaar
GK VOL
GK-3 volumedraaiknop
GK S1
GK-3 DOWN/S1 schakelaar
GK S2
GK-3 UP/S2 schakelaar
CTL1
Control knop 1
CTL2
Control knop 2
EXP PEDAL
Extern expressiepedaal
CTL3
Externe voetschakelaar 3
CTL4
Externe voetschakelaar 4
D BEAM V
D BEAM hoogte
D BEAM H
D BEAM links-rechts
RIBBON ACT
Bandregelaar aanraking
RIBBON POS
Bandregelaar aanraakpositie
FC-300 EXP1
FC-300 EXP PEDAAL 1
FC-300 EXPSW1
FC-300 EXP PEDAAL SW1
FC-300 EXP2
FC-300 EXP PEDAAL 2
FC-300 EXPSW2
FC-300 EXP PEDAAL SW2
FC-300 CTL1
FC-300 CTL1
FC-300 CTL2
FC-300 CTL2
FC-300 E3/C3
FC-300 extern expressiepedaal 3, externe
voetschakelaar 3
FC-300 CTL4
FC-300 externe voetschakelaar 4
FC-300 E4/C5
FC-300 extern expressiepedaal 4, externe
voetschakelaar 5
FC-300 CTL6
FC-300 externe voetschakelaar 6
FC-300 E5/C7
FC-300 extern expressiepedaal 5, externe
voetschakelaar 7
FC-300 CTL8
FC-300 externe voetschakelaar 8
4.
Hoofdstuk 6
Als de Hold functie aan blijft, terwijl u de snaren blijft
bespelen, wordt elk volgende noot-aan bericht vastgehouden,
en als er al een nootbericht van dezelfde snaar wordt
gespeeld, wordt het vorige nootbericht geannuleerd, en het
volgende noot-aan bericht aangehouden. Zo voorkomt u
onderbrekingen in het geluid, zelfs wat de geluiden betreft,
die door het loskomen van de snaren van de frets worden
veroorzaakt.
• HOLD2
De noot-aan berichten worden vastgehouden, wanneer de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld.
][
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop of
[F5] (SELECT) of de F5 draaiknop om het uit te
voeren controlewijzigingnummer te
selecteren.
Off, CC #1–#31, CC #64–#95
69
Hoofdstuk 6 MIDI gebruiken
In de POLY functie kunnen er alleen het basiskanaal
(MIDI kanaal) berichten worden uitgevoerd. In de
MONO functie worden de berichten via de zes kanalen
uitgevoerd, geteld vanaf het basiskanaal tot en met het
kanaal dat vijf nummers daarboven ligt.
Bij het wisselen van Patch gelijktijdig
programmawijzigingberichten
uitvoeren (PC)
Hiermee bepaalt u welke programmawijzigingberichten bij het
wisselen van Patch worden uitgevoerd.
*
Als PC MASK is ingeschakeld (ON) (p. 66), worden er geen
programmawijzigingberichten uitgevoerd.
1.
Volg stap 1-2 onder ‘De transmissiefunctie
instellen (MODE)’ (p. 67), zodat het GTR TO
MIDI venster wordt weergegeven.
2.
Druk op PAGE [
geven.
][
] om pagina 3-5 weer te
Als u MODE (p. 67) op MONO heeft ingesteld, kunt u voor
elke snaar 1-6 afzonderlijk instellingen maken (STRING 1-6).
3.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de instellingen te maken.
Stel de volgende parameters in.
BANK MSB
Uitleg
OFF, 0–127
Hiermee stelt u de bankselectie (MSB) in.
BANK LSB
Uitleg
OFF, 0–127
Hiermee stelt u de bankselectie (LSB) in.
PC
Uitleg
OFF, 1–128
Hiermee stelt u het programmanummer in.
4.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
In de POLY functie kunnen er alleen het basiskanaal
(MIDI kanaal) berichten worden uitgevoerd. In de
MONO functie worden de berichten via de zes kanalen
uitgevoerd, geteld vanaf het basiskanaal tot en met het
kanaal, dat vijf nummers daarboven ligt.
70
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met
een via USB aangesloten computer
Voordat u de USB
aansluiting gebruikt
Als u de VG-99 via USB aansluit, kunt u digitale geluidssignalen en
MIDI berichten met een computer uitwisselen.
De USB Driver installeren en instellen
Om de USB functie van de VG-99 te kunnen gebruiken, dient u eerst
de USB Driver op de computer te installeren.
Wat is een USB Driver?
Een USB Driver is software, die bij het uitwisselen van gegevens
tussen computertoepassingen (zoals opname software en
sequencer software) en het USB apparaat, die middels een USB
kabel op elkaar zijn aangesloten, als een soort tussenpersoon
fungeert.
De USB Driver verzendt gegevens van de applicaties naar het
USB apparaat, en omgekeerd geeft de Driver berichten van het
USB apparaat aan de applicaties door.
De speciale VG-99 Driver staat op de ‘VG-99 Software CD-ROM’, die
met de VG-99 is meegeleverd.
Aangezien het programma en de installatieprocedures voor de
Driver per gebruikersomgeving verschillen, dient u voor gebruik het
onderstaande Readme bestand, op de ‘VG-99 Software CD-ROM’, te
lezen.
Besturingssysteem
Bestandslocatie
Windows XP
Windows Vista
Mac OS X
\Driver\XP\Readme_E.htm
Applicatie
USB aansluiting
USB
Driver
USB kabel
\Driver\Vista\Readme_E.htm
\Driver\Readme_E.htm
Computer
VG-99
Hoofdstuk 7
71
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met een via USB aangesloten computer
Over de meegeleverde software
Naast de USB drivers bevat de meegeleverde ‘VG-99 Software CDROM’ ook speciale software, die kan worden gebruikt, wanneer de
VG-99 op een computer is aangesloten. De CD-ROM bevat
verschillende versies voor gebruik met Windows en Macintosh
besturingssystemen.
Instelling
Uitleg
STNDRD
Deze functie maakt gebruik van de standaard USB Driver van het besturingssysteem.
ADVANC
Deze functie maakt van de Driver van de
meegeleverde CD-ROM gebruik.
VG-99 Editor
Dit bestand kunt u gebruiken om via de computer voor de VG-99
instellingen te maken. U kunt tevens gegevens van tooninstellingen
(Patch gegevens), die u heeft gemaakt, als bestanden op de computer
opslaan.
*
Als u VG-99 Editor/Librarian gebruikt, stelt u deze functie op
*
Als u van DRIVER MODE wisselt, verschijnt de ‘PLEASE
ADVANC in.
RESTART’ melding.
6.
VG-99 Librarian
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
*
U kunt de instellingen en Patches van de VG-99 allemaal met behulp
van een computer beheren.
Als u voor de geselecteerde functie de Driver nog niet heeft
geïnstalleerd, schakelt u in deze toestand de VG-99 uit en installeert
u de Driver.
Driver functie
De VG-99 biedt twee bedieningsfuncties, waarvan er één van de
speciale Driver op de meegeleverde CD-ROM gebruik maakt, en er
één van de standaard Driver van het besturingssysteem (Windows/
Mac OS) gebruik maakt.
Als u van de speciale Driver gebruik maakt, kunt u het geluid met
een hoge kwaliteit en stabiele timing opnemen, afspelen en
bewerken.
Bovendien kunt u de VG-99 in deze modus door middel van MIDI
berichten bedienen.
Van Driver functie wisselen
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F2] (USB).
4.
Druk op PAGE [
geven.
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de DRIVER MODE in te stellen.
72
][
] om pagina 2 weer te
] om pagina 2 weer te
7.
Sluit alle sequencer software en overige
applicaties, die van de VG-99 gebruik maken,
op de computer af.
8.
Zet de VG-99 weer aan.
*
De functies van een bepaalde modus zijn pas beschikbaar, nadat u
het apparaat eerst heeft uit en weer aangezet.
Over MIDI in de standaard
driverfunctie
Als u als driverfunctie STNDRD heeft geselecteerd, kunt u geen
gebruik maken van MIDI. Als u door middel van een USB
aansluiting MIDI wilt gebruiken, stelt u de VG-99 op de
geavanceerde driverfunctie (ADVANC) in.
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met een via USB aangesloten computer
De USB functies instellen
Het volgende deel beschrijft de aan USB gerelateerde functies van de
VG-99. Maak deze instellingen op basis van hoe u de VG-99 wilt
gaan gebruiken.
De invoer en uitvoer van het
digitale geluidssignaal instellen
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
Parameter/
Bereik
COSM GTR A
Uitleg
De signalen zijn op het punt, waarop COSM
GUITAR A wordt uitgevoerd, met elkaar
verbonden.
In plaats van de COSM gitaargeluiden, die
door de aangesloten gitaar worden gespeeld, wordt de geluidsuitvoer van de
computer op de effecten ingevoerd.
* POLY FX worden niet toegepast.
COSM GTR B
] om pagina 2 weer te
De signalen zijn op het punt, waarop COSM
GUITAR B wordt uitgevoerd, met elkaar
verbonden.
In plaats van de COSM gitaargeluiden, die
door de aangesloten gitaar worden gespeeld, wordt de geluidsuitvoer van de
computer op de effecten ingevoerd.
* POLY FX worden niet toegepast.
3.
Druk op [F2] (USB).
4.
Druk op PAGE [
5.
De signalen zijn op de normale element invoer met elkaar verbonden.
In plaats van de normale geluiden, die door
de aangesloten gitaar worden gespeeld,
wordt de geluidsuitvoer van de computer
op de effecten ingevoerd.
MAIN OUT
De signalen zijn op het punt, waarop de
MAIN OUT wordt uitgevoerd, met elkaar
verbonden.
De signalen van de MAIN OUT van de VG99 en de geluidsuitvoer van de computer
worden gemixt en vervolgens uitgevoerd.
SUB OUT
De signalen zijn op het punt, waarop de SUB
OUT wordt uitgevoerd, met elkaar verbonden.
De signalen van de SUB OUT van de VG-99
en de geluidsuitvoer van de computer worden gemixt en vervolgens uitgevoerd.
MAIN&SUB
De signalen zijn op het punt, waarop zowel
de MAIN OUT als de SUB OUT worden uitgevoerd, met elkaar verbonden.
Elk van de signalen van de MAIN OUT en
de geluidsuitvoer van de computer worden
gemixt. De SUB OUT en de geluidsuitvoer
van de computer worden vanaf de uitvoer
gemixt.
] om pagina 1 weer te geven.
Gebruik [F1]-[F4] of de F1-F4 draaiknoppen om
de waarde van de instelling te wijzigen.
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Parameter/
Bereik
Uitleg
IN LEVEL
USB IN
0–200
Hiermee stelt u het punt in, waarop via USB (van uw computer) ontvangen digitale geluidssignalen binnen de VG-99 met elkaar zijn
verbonden.
USB OUT
* Tenzij u deze instelling op OFF zet, dient u ervoor te zorgen, dat de
software voor geluidssignalen niet op THRU is ingesteld.
Hiermee stelt u intern het punt in de VG-99 in, vanaf waar via USB
digitale geluidssignalen (naar de computer) worden verzonden.
* Als de USB IN parameter op COSM GTR A, COSM GTR B of
NORMAL PU is ingesteld, wijzigt de instelling bij de eerstvolgende
keer, dat u de VG-99 opstart automatisch in MAIN & SUB. Als u
COSM GTR A, COSM GTR B of NORMAL PU wilt gaan gebruiken,
dient u de parameter telkens, wanneer u de VG-99 opstart, opnieuw in
te stellen.
COSM GTR A
De uitvoer van de COSM GUITAR A wordt
uitgevoerd.
COSM GTR B
De uitvoer van de COSM GUITAR B wordt
uitgevoerd.
NORMAL PU
De normale element invoer wordt uitgevoerd.
OFF
CH A
De uitvoer van kanaal A wordt uitgevoerd.
CH B
De uitvoer van kanaal B wordt uitgevoerd.
MIXER (DRY)
De signalen, die met behulp van de mixer
zijn gemixt, maar voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
De signalen zijn op geen enkel punt met elkaar verbonden.
Past het volumeniveau van het via USB (van
de computer) ontvangen digitale geluidssignaal aan.
73
Hoofdstuk 7
6.
NORMAL PU
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met een via USB aangesloten computer
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
Uitleg
MIXER
De signalen, die met behulp van de mixer
zijn gemixt en waarop DELAY/REVERB is
toegepast, worden uitgevoerd.
MAIN OUT
Dezelfde signalen als die van de MAIN
OUT worden uitgevoerd.
SUB OUT
Dezelfde signalen als die van de SUB OUT
worden uitgevoerd.
DISABL
Het Direct Monitor commando is uitgeschakeld. Er wordt van de Direct Monitor instelling, zoals door de VG-99 bepaald, gebruik
gemaakt.
Past het volume van het via USB (naar de
computer) verzonden digitale geluidssignaal aan.
ENABLE
Het Direct Monitor commando is ingeschakeld, zodat de Direct Monitor functie vanaf
een extern apparaat kan worden geregeld.
MON CMD (Monitor commando)
Deze instelling bepaalt of het commando (het Direct Monitor commando), dat de Direct Monitor functie (wordt later beschreven) regelt, is ingeschakeld of niet.
OUT LEVEL
0–200
DIRECT MON (Direct Monitor functie)
De Direct Monitor (direct
beluisteren) functie instellen
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
][
Schakelt de uitvoer van het VG-99 geluid over naar de PHONES jack,
MAIN OUT jacks of de SUB OUT jacks.
Audio IN
Geluidssignaal
Computer
Audio OUT
] om pagina 2 weer te
USB OUT
USB IN
Gitaarversterker
DIRECT MON
Koptelefoon
VG-99 geluid
MAIN of SUB
3.
Druk op [F2] (USB).
4.
Druk op PAGE [
geven.
5.
] om pagina 2 weer te
Gebruik [F2] (SELECT), [F3] (ON/OFF) of de F2,
F3 draaiknoppen om de waarde van de
instelling te wijzigen.
Voor gedetailleerde informatie over de signaalpaden, die
door middel van de Direct Monitor
parameterinstellingen worden bepaald, zie
‘Signaalstroom’ (p. 140).
6.
74
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Mixer
OFF
Zet de parameter op OFF, als u intern geluidsgegevens door een computer heen
stuurt (THRU).
ON
Het VG-99 geluid wordt uitgevoerd. Schakel de parameter in (ON), als u de VG-99 als
onafhankelijk apparaat gebruikt, zonder het
apparaat op een computer aan te sluiten (als
u deze parameter uitschakelt (OFF), wordt
alleen het USB IN ingaande geluid uitgevoerd).
* Deze instelling kan niet worden opgeslagen. Zodra het apparaat wordt
aangezet, wordt deze instelling ingeschakeld (ON).
* Als u de speciale Driver gebruikt, kunt u de DIRECT MON met behulp
van een ASIO 2.0-compatibele applicatie in/uitschakelen.
Hoofdstuk 7 De VG-99 gebruiken met een via USB aangesloten computer
De uitvoer van de VG-99
met behulp van een
computer opnemen
Stel de ingaande geluidspoort in de computerapplicatie op VG-99 in.
Met behulp van ‘USB OUT’ kunt u het punt, waarop de signalen
naar de computer wordt verzonden, vrij instellen (p. 73).
Als u bijvoorbeeld COSM GTR A of COSM GTR B selecteert, kunt u
de uitvoering beluisteren, terwijl de effecten worden toegepast,
terwijl u hem zonder toegepaste effecten opneemt.
*
Als u geluidsgegevens door de gebruikte software heenleidt, schakelt
Met de VG-99 effecten aan
een geluidsweergave van
een computer toevoegen
Stel de uitgaande geluidspoort in de computerapplicatie op VG-99
in.
U kunt met behulp van de VG-99 effecten op de door de computer
gespeelde geluidsgegevens toepassen, en de gegevens vervolgens
met behulp van de computer opnieuw opnemen.
Gebruik deze procedure als u, bijvoorbeeld, aan bestaande
geluidsgegevens effecten wilt toepassen.
*
u de Direct Monitor functie uit.
Stel de software zo in, dat het geluid er niet doorheen wordt geleid
(niet op THRU).
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F2] (USB).
4.
Druk op PAGE [
geven.
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
het punt in de VG-99 in te stellen, waarop u wilt
dat de verbinding wordt gemaakt.
][
] om pagina 2 weer te
] om pagina 2 weer te
Voor meer informatie over de USB IN parameter, zie ‘De
invoer en uitvoer van het digitale geluidssignaal
instellen’ (p. 73).
6.
Gebruik [F2] of de F2 draaiknop om het niveau
van het digitale geluid van de USB (computer)
aan te passen.
7.
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
75
Hoofdstuk 7
Kies in dit voorbeeld voor COSM GTR A, COSM GTR B of
NORMAL PU.
Hoofdstuk 8 Overige functies
Met behulp van de D Beam
en bandregelaar de toon in
Realtime wijzigen
• Zorg ervoor, dat u de CALIBRATION instelling direct boven de
D Beam regelaar aanpast.
OK!
De D Beam aanpassen
(CALIBRATION)
De gevoeligheid van de D Beam regelaar kan variëren, afhankelijk
van de hoeveelheid licht in de buurt van de regelaar en het object
(bijvoorbeeld, hand, gitaarhals), waarmee hij wordt bediend. Voer
deze aanpassing uit, zodat u de toon binnen het bedoelde bereik
kunt regelen.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F5] (CALIB).
4.
Druk op PAGE [
5.
Stel het responsbereik van de balk in, terwijl u
de D Beam regelaar daadwerkelijk bedient.
][
] om pagina 2 weer te
] om pagina 1 weer te geven.
• Houd eerst het object, waarmee u de regelaar wilt gaan
activeren (uw hand, gitaarhals, etc.) op het, ten opzichte van de
VG-99, verste punt binnen het bereik, waarin u wilt dat de
regelaar reageert, en druk op [F1] (SetMIN).
• Houd het object vervolgens op het, ten opzichte van de VG-99,
dichtstbijzijnde punt binnen het bereik, waarin u wilt dat de
regelaar reageert, en druk op [F4] (SetMAX).
6.
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
• De respons van de D Beam regelaar varieert wellicht ook ten
gevolge van de belichting op het podium. Controleer de
respons van de regelaar door hem onder de daadwerkelijke
belichting te bedienen.
• Als het ingestelde bereik te smal is of de plaatsing niet geschikt
is, verschijnt de ‘OUT OF RANGE! SET AGAIN.’ Melding. Om
ervoor te zorgen dat deze melding niet verschijnt, wijzigt u het
bereik of de positie en kalibreert u opnieuw.
• Het kan zijn, dat de regelaar niet goed functioneert, als er
spotlights of soortgelijke verlichting direct op schijnt.
76
• Als de ‘MISSING THE TARGET!’ melding verschijnt, betekent
dit, dat de calibratie niet goed wordt uitgevoerd.
• De CALIBRATION instelling is een systeemparameter. Het is
niet nodig om de Write (schrijf) procedure uit te voeren.
Hoofdstuk 8 Overige functies
De D Beam uitschakelen
(DISABLE)
U kunt de D Beam regelaar voor het hele apparaat uitschakelen.
Als u de VG-99 in een stellage gebruikt of de D Beam regelaar om
een andere reden niet gebruikt, raden we u aan om de D Beam
regelaar uit te schakelen. Dit doet u door de D BEAM DISAB
instelling op OFF te zetten.
1.
Met behulp van handbewegingen
of de gitaarhals geluiden regelen
(D Beam Controller)
Met behulp van de D Beam regelaar kunt u de gespeelde geluiden
wijzigen, door uw hand of gitaarhals over de regelaar te bewegen.
Door de aan deze regelaar toegewezen te wijzigen, kunt u diverse
effecten op het geluid toepassen.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F5] (CALIB).
4.
Druk op PAGE [
][
Voordat u de D Beam regelaar kunt gaan gebruiken,
dient u eerst de gevoeligheid ervan aan te passen. Zie
‘De D Beam aanpassen (CALIBRATION)’ (p. 76).
] om pagina 2 weer te
1.
] om pagina 1 weer te geven.
Druk op de D BEAM [PITCH], [FILTER] of
[ASSIGNABLE] knop om de D beam regelaar
in te schakelen.
Het D BEAM CALIB venster verschijnt.
De D Beam regelaar ON/OFF instelling is een Patch
parameter. Voer, indien u de gegevens wilt bewaren, de
Write (schrijf) procedure uit. (p. 38).
5.
Gebruik [F6] (OFF/ON) om de regelaar in of uit
te schakelen.
Beschikbare
instellingen
Uitleg
U kunt met behulp van de T-Arm functie de
toonhoogte van de gitaar regelen, en met behulp van de Freeze functie de gitaargeluiden aanhouden.
* Het PITCH effect wordt alleen op
Beschikbare
instellingen
Uitleg
OFF
De D Beam is ingeschakeld.
COSM gitaren toegepast. Gebruik deze,
e D Beam is uitgeschakeld.
terwijl het COSM gitaarvolume omhoog
ON
6.
* Als u op de D BEAM [PITCH], [FILTER] of
[ASSIGNABLE] knop drukt om de D Beam
regelaar in te schakelen, heeft dit geen effect.
is gedraaid.
FILTER
U kunt met behulp van de D Beam regelaar
de toon wijzigen.
ASSIGNABLE
De D Beam regelaar regelt de eraan toegewezen functie. U kunt diverse functies aan
de regelaar toewijzen.
Voor gedetailleerde informatie over elke parameter, zie ‘De
De DISABLE instelling is een systeemparameter. Het is
niet nodig om de Write (schrijf) procedure uit te voeren.
geluiden met behulp van de schakelaars, pedalen en
MIDI regelen (CONTROL ASSIGN)’ (p. 82).
2.
Plaats, terwijl u de gitaar bespeelt om geluid
voort te brengen, uw hand of gitaarhals boven
de D Beam regelaar, en beweeg deze
langzaam op en neer.
Als u de D Beam ASSIGNABLE instelling gebruikt, is er
ook horizontale registratie van de beweging mogelijk
(links-rechts).
3.
Het effect wordt, volgens de aan de D Beam
regelaar toegewezen functie, op het geluid
toegepast.
77
Hoofdstuk 8
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
PITCH
Hoofdstuk 8 Overige functies
Tijdens het toepassen van het D Beam effect, licht de blauwe
indicator onder de D Beam regelaar op.
4.
Als u de D Beam regelaar uit wilt schakelen,
drukt u nogmaals op dezelfde knop als in stap
1, zodat de indicator uit gaat.
Effectief bereik van de D Beam regelaar
Het effectieve bereik van de D Beam regelaar wordt in de
onderstaande afbeelding weergegeven. Als u uw hand buiten
dit effectieve bereik beweegt, heeft dit geen effect.
De bandregelaar aanpassen
(CALIBRATION)
Hoewel de bandregelaar in de fabriek voor een optimale uitvoering
is ingesteld, kan het reactiebereik variëren, op basis van de breedte
van de vinger, waarmee de regelaar wordt geactiveerd.
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F5] (CALIB).
4.
Druk op PAGE [
geven.
5.
Dichterbij de D Beam
Verder van de D Beam De waarde wijzigt richting de MIN
af
waarde.
D BEAM horizontale bewegingen
Uitleg
Naar rechts van de D
Beam
De waarde wijzigt richting de MAX
waarde.
Naar links van de D
Beam
De waarde wijzigt richting de MIN
waarde.
78
Stel het reactiebereik van de bandregelaar in,
terwijl u de bandregelaar daadwerkelijk
bedient.
Als de ‘OUT OF RANGE! SET AGAIN.’ melding verschijnt,
voert u de kalibratieprocedure nogmaals uit. Als de melding,
zelfs na een correctie uitvoering van de kalibratie blijft
verschijnen, kan dit op schade of een storing duiden. Neem
contact op met uw Roland leverancier of het Roland Service
Centrum.
Uitleg
De waarde wijzigt richting de MAX
waarde.
] om pagina 2 weer te
• Hou eerst uw vinger op het dichtstbijzijnde uiteinde van de
bandregelaar en druk op [F1] (SetMIN).
• Houd vervolgens uw vinger op het verste uiteinde en druk op
[F4] (SetMAX).
De parameterwaarden, die u instelt door uw hand of
een ander object boven de D Beam regelaar te
houden, wijzigen volgens onderstaande tabel.
D BEAM verticale
bewegingen
] om pagina 2 weer te
Het RIBBON CALIB venster verschijnt.
Het effectieve bereik van de D Beam regelaar wordt
extreem beperkt, als u het apparaat onder sterk,
direct zonlicht gebruikt. Houd hier rekening mee,
als u de D Beam regelaar buiten wilt gaan
gebruiken.
De gevoeligheid van de D Beam regelaar kan,
afhankelijk van de hoeveelheid licht in de buurt van
het apparaat, sterk variëren. Als de D Beam regelaar
niet naar verwachting functioneert, past u de
gevoeligheid aan (p. 76).
][
6.
Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
De CALIBRATION instelling is een systeemparameter;
het is niet nodig om de Write (schrijf) procedure uit te
voeren.
Hoofdstuk 8 Overige functies
De geluiden door middel van de
beweging van uw vingertop
regelen (Ribbon Controller)
Met behulp van de bandregelaar kunt u geluiden wijzigen door uw
vinger langs de band te ‘krassen’ of slepen. Door de aan deze
regelaar toegewezen functies te wijzigen, kunt u diverse effecten op
het geluid toepassen.
1.
Druk op de RIBBON CONTROLLER [PITCH],
[FILTER] of [ASSIGNABLE] knop om de
bandregelaar in te schakelen.
Beschikbare
instellingen
PITCH
Geluiden langere perioden
aanhouden (FREEZE)
Door op de D BEAM [PITCH] knop te drukken, kunt u het FREEZE
effect gebruiken. Hiermee houdt u het geluid voor onbepaalde tijd
aan.
1.
Druk op [CONTROL ASSIGN].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F1] (PITCH).
4.
Gebruik [F1] (SELECT) of de [F1] draaiknop
om FREEZE te selecteren.
][
] om pagina 2 weer te
Uitleg
U kunt met behulp van de T-Arm functie
de toonhoogte van de gitaar regelen, en
met behulp van de Freeze functie de
gitaargeluiden aanhouden.
*
Het PITCH effect wordt alleen op
COSM gitaren toegepast. Gebruik deze,
Het D BEAM FREEZE venster verschijnt.
terwijl het COSM gitaarvolume omhoog
is gedraaid. (p. 33).
FILTER
U kunt met behulp van de bandregelaar de
toon wijzigen.
ASSIGNABLE
De bandregelaar regelt de eraan
toegewezen functie. U kunt diverse functies
aan de regelaar toewijzen.
Voor gedetailleerde informatie over het instellen van functies en
tonen, zie ‘De geluiden met behulp van de schakelaars,
pedalen en MIDI regelen (CONTROL ASSIGN)’ (p. 82).
2.
4.
Gebruik [F2] (SELECT) of de [F2] draaiknop
om het kanaal met de te ‘bevriezen’ geluiden
te selecteren.
6.
Ga naar pagina 1 of pagina 2 om de
afzonderlijke FREEZE parameters in te stellen.
Plaats, terwijl u om geluid voort te brengen de
gitaar bespeelt, uw vinger langs de
bandregelaar.
Het effect wordt, volgens de aan de
bandregelaar toegewezen functie, op het
geluid toegepast.
Als u de bandregelaar uit wilt schakelen, drukt
u nogmaals op dezelfde knop als in stap 1,
zodat de indicator uit gaat.
De instelling, die de bandregelaar in en uitschakelt, is
een Patchparameter. Voer, indien nodig de Write
(schrijf) procedure uit.
Bij het bedienen van de bandregelaar is een lichte aanraking
voldoende. Oefen nooit grote druk op de bandregelaar uit, en
gebruik geen hard of puntig object.
Voor gedetailleerde informatie over welke parameters u kunt
instellen, zie p. 151.
7.
Druk meerdere keren op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
8.
Druk op de D BEAM [PITCH] knop, zodat de
indicator oplicht.
9.
Bespeel de gitaar, en snij, tijdens het afspelen
van de geluiden, met uw hand of gitaarhals
langs de D Beam.
10. De FREEZE functie wordt ingeschakeld, en
zolang de blauwe indicator van de D Beam
regelaar oplicht, wordt hetzelfde geluid
aangehouden.
79
Hoofdstuk 8
3.
5.
Hoofdstuk 8 Overige functies
11. Als u de FREEZE functie wilt uitschakelen,
veegt u met uw hand of gitaarhals langs de
balk van de D Beam regelaar.
*
6.
Gebruik in geval van het D Beam venster [F2]
(SELECT) of de [F2] draaiknop, en in het geval
van het Ribbon Controller venster [F1]
(SELECT) of de [F1] draaiknop om het kanaal
te selecteren, waarop u het effect wilt
toepassen.
7.
Ga naar pagina 1 of pagina 2 om elk van de
T-ARM parameters in te stellen.
Als u bij Control Assign D BEAM:FREEZE:SW als doel instelt,
kunt u het FREEZE effect met behulp van een extern pedaal, MIDI
apparaat of een variatie aan andere regelaars in/uitschakelen.
De toonhoogte wijzigen met
behulp van een Tremolo Arm
(T-ARM)
Als u een T-ARM wilt gebruiken, met behulp waarvan u de
toonhoogte van de COSM gitaar kunt wijzigen, zoals met een
tremolo arm, drukt u op D BEAM of RIBBON CONTROLLER
[PITCH] knop.
1.
Druk op [CONTROL ASSIGN].
2.
Druk op PAGE [ ] [ ] om voor de D Beam
pagina 2 of voor de bandregelaar pagina 3
weer te geven.
Voor gedetailleerde informatie over welke parameters u kunt
instellen, zie ‘PITCH’ (p. 151), (p. 153).
8.
Druk meerdere keren op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
9.
Druk op de D BEAM of RIBBON CONTROLLER
[PITCH] knop, zodat de indicator oplicht.
10. Gebruik de D Beam of bandregelaar als een
tremolo arm, om de toonhoogte te wijzigen.
*
Als bij Control Assign D BEAM:T-ARM:SW of RIBBON:TARM:SW en D BEAM:CONTROL of RIBBON:CONTROL als
doel zijn ingesteld, kunt u het T-ARM effect met behulp van een
extern pedaal, MIDI apparaat of een variatie aan andere regelaars
regelen.
3.
Druk op [F1] (PITCH).
4.
Druk op PAGE [
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of de [F1] draaiknop
om T-ARM te selecteren.
].
Het D BEAM T-ARM of het RIBBON T-ARM venster verschijnt.
*
Deze stap is niet noodzakelijk als u de bandregelaar gebruikt. In dit
geval gaat u door met stap 5.
80
Hoofdstuk 8 Overige functies
Nuance aan het geluid
toevoegen (FILTER)
Door op de D BEAM of RIBBON CONTROLLER [FILTER] knop te
drukken, kunt u het FILTER effect toepassen en nuances aan de
klank van kanaal A of B of beide kanalen toevoegen.
1.
Druk op [CONTROL ASSIGN].
2.
Druk op PAGE [ ] [ ] om voor de D Beam
pagina 2 of voor de bandregelaar pagina 3
weer te geven.
3.
Druk op [F2] (FILTER).
4.
Druk op PAGE [
8.
Druk op de D BEAM of RIBBON CONTROLLER
[FILTER] knop, zodat de indicator oplicht.
9.
Gebruik de D Beam of bandregelaar, als een
tremolo arm, om de toonhoogte te wijzigen.
*
Als bij Control Assign D BEAM:FILTER:SW of RIBBON:FILTER:SW en D BEAM:CONTROL of RIBBON:CONTROL als doel
zijn ingesteld, kunt u FILTER:CONTROL met behulp van een
extern pedaal, MIDI apparaat of een variatie aan andere regelaars
regelen.
].
Het D BEAM FILTER of RIBBON CONTROLLER FILTER
venster verschijnt.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
het kanaal te selecteren, waarop u het effect
wilt toepassen.
6.
Ga naar pagina 1 om elk van de FILTER
parameters in te stellen.
Hoofdstuk 8
5.
Voor gedetailleerde informatie over welke parameters u kunt
instellen, zie ‘FILTER’ (p. 152), (p. 153).
7.
Druk meerdere malen op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
81
Hoofdstuk 8 Overige functies
De geluiden tijdens het
spelen met draaiknoppen
wijzigen (DIRECT EDIT)
U kunt aan de F1-F6 draaiknoppen parameters toewijzen, zodat u de
parameters tijdens het spelen kunt regelen.
Bovendien kunt u op [F1]-[F6] drukken om de toegewezen
parameters te bekijken (weer te geven).
1.
Druk op [CONTROL ASSIGN].
2.
Druk op PAGE [
te gaan.
] om naar de laatste pagina
De geluiden met behulp van
de schakelaars, pedalen en
MIDI regelen (CONTROL
ASSIGN)
Deze instellingen maakt u, als u parameters wilt regelen, met behulp
van de GK-3 VOLUME draaiknop of de DOWN/S1, UP/S2
schakelaars, de VG-99 CONTROL knoppen en extern pedaal of
ander soort aangesloten regelaar of een MIDI apparaat.
Naast de reeds aan regelaars toegewezen instellingen, biedt de
VG-99 tevens zestien toewijsbare regelfuncties, die voor algemeen
gebruik zijn bestemd, zodat u vrij bent om instellingen naar wens
aan regelaars toe te wijzen.
*
Als u de parameters van effecten en dergelijke wilt regelen, dient u er
*
Voor meer gedetailleerde informatie over de parameters, zie
*
Als u de instellingen wilt inschakelen, dient u elk van de regelaartoe-
eerst voor te zorgen dat het effect is ingeschakeld (ON).
‘CONTROL ASSIGN’ (p. 15).
3.
wijzingen in het SYSTEM CONTROL ASSIGN venster op ASSIG-
Druk op [F6] (F1-F6) om naar het DIRECT EDIT
venster te gaan.
NABLE in te stellen. Voor gedetailleerde informatie, zie ‘De GK
VOLUME regeling en schakelaar en de pedaalfunctie
Het DIRECT EDIT venster verschijnt.
instellen (SYSTEM CONTROL ASSIGN)’ (p. 49).
1.
Druk op [CONTROL ASSIGN].
2.
Gebruik PAGE [ ] [ ] en [F1]-[F6] om de in
te stellen parameter te selecteren.
De instellingenvensters van de diverse regelaars verschijnen.
4.
Druk op PAGE [ ] [ ] om naar de pagina
van de in te stellen draaiknop te gaan.
5.
Gebruik [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen om
de aan de draaiknop toe te wijzen parameters
te selecteren.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
82
*
Het volgende deel beschrijft de regelaars, die u kunt instellen.
Weergegeven
venster
Regelaar
GK VOL GK VOL
Instellingen voor de volumedraaiknop van de GK-3.
S1, S2
GK S1, S2
Instellingen voor de schakelaars
van de GK-3.
CTL1
CONTROL1
Instellingen voor de CONTROL 1
knop, op het bovenpaneel van de
VG-99.
CTL2
CONTROL2
Instellingen voor de CONTROL 2
knop, op het bovenpaneel van de
VG-99.
Hoofdstuk 8 Overige functies
Weergegeven
venster
Regelaar
PITCH
Regeling van TREMOLO ARM/
D BEAM T-ARM/
FREEZE met behulp van de D
D BEAM FREEZE
Beam regelaar
FILTER
D BEAM FILTER
Regeling van FILTER met behulp
van de D Beam regelaar
DBM V
D BEAM V
Verticale sensor van de D Beam regelaar
D BEAM H
Horizontale sensor van de D Beam
regelaar
DBM H
Weergegeven
venster
RIBBON PITCH
Regeling van PITCH met behulp
van de bandregelaar
FILTER
RIBBON FILTER
Regeling van FILTER met behulp
van de bandregelaar
RB POS RIBBON POS
Positiesensor van de bandregelaar
RB ACT RIBBON ACT
Aanraaksensor van de bandregelaar
Instellingen voor het expressiepedaal 1 van de op de VG-99 aangesloten FC-300.
EXPSW1 FC EXPSW1
Instellingen voor de expressiepedaalschakelaar 1 van de op de
VG-99 aangesloten FC-300.
EXP2
FC EXP2
Instellingen voor het expressiepedaal 2 van de op de VG-99 aangesloten FC-300.
EXSW2
FC EXPSW2
Instellingen voor de expressiepedaalschakelaar 3 van de op de
VG-99 aangesloten FC-300.
CTL1
FC CTL1
Instellingen voor de CTL1 van de
op de VG-99 aangesloten FC-300.
CTL2
FC CTL2
Instellingen voor de CTL2 van de
op de VG-99 aangesloten FC-300.
Weergegeven
venster
Regelaar
E3/C3
FC E3/C3
Instellingen voor het/de op het
achterpaneel van de FC-300 aangesloten expressiepedaal 3 of voetschakelaar 3.
CTL4
FC CTL4
Instellingen voor de op het achterpaneel van de FC-300 aangesloten
voetschakelaar 4.
E4/C5
FC E4/C5
EXP PEDAL
Instellingen voor het op de EXP
PEDAL jack, op het achterpaneel
van de VG-99, aangesloten expressiepedaal.
Instellingen voor het/de op het
achterpaneel van de FC-300 aangesloten expressiepedaal 4 of voetschakelaar 5.
CTL6
FC CTL6
Instellingen voor de op het achterpaneel van de FC-300 aangesloten
voetschakelaar 6.
CTL3
Instellingen voor de op de CTL3
jack, op het achterpaneel van de
VG-99, aangesloten voetschakelaar.
E5/C7
FC E5/C7
Instellingen voor het/de op het
achterpaneel van de FC-300 aangesloten expressiepedaal 5 of voetschakelaar 7.
CTL8
FC CTL8
CTL4
Instellingen voor de op de CTL4
jack, op het achterpaneel van de
VG-99, aangesloten voetschakelaar.
Instellingen voor de op het achterpaneel van de FC-300 aangesloten
voetschakelaar 8.
83
Hoofdstuk 8
CTL4
FC EXP1
Regelaar
Weergegeven
venster
CTL3
EXP1
Regelaar
Regelaar
PITCH
EXP
Weergegeven
venster
Hoofdstuk 8 Overige functies
Het volgende deel beschrijft de parameters, die u in
elke pagina kunt instellen.
*
Het weergegeven voorbeeldscherm hoort bij ASSIGN1.
Pagina 1, 3
F1: SOURCE (alleen ASSIGN1-16)
Hiermee kiest u welke regelaar aan de functie is toegewezen.
Regelaar
F3: SW (ON/OFF)
ASGN 1 ASSIGN1
:
:
ASGN16 ASSIGN16
Instellingen voor algemeen in te
stellen toewijzingen, die u, naast de
bovenstaande regelaars, vrij kunt
toewijzen als regelaars voor MIDI
berichten en overige regelaars.
F4-F6: TARGET PARAMETER
F1–F6
Instellingen voor de functiedraaiknoppen, die zich onder het LCD
venster van de VG-99 bevinden.
Weergegeven
venster
3.
DIRECT EDIT
Als u deze inschakelt (ON), wordt de regelaar ingeschakeld.
Gebruik PAGE [ ] [ ], [F1]-[F6] en de F1-F6
draaiknoppen om de toe te wijzen functie te
selecteren.
Gebruik deze om de toe te wijzen parameter te selecteren.
U kunt de gewenste parameter snel opsporen en selecteren door
eerst met behulp van F4 het parametertype te selecteren en
vervolgens met behulp van F5 en F6 naar de juiste parameter te
gaan.
Voor gedetailleerde informatie over de parameters, zie
‘CONTROL ASSIGN’ (p. 150).
Pagina 2, 4
U kunt aan één regelaar twee verschillende functies
toewijzen. Zo kunt u bijvoorbeeld aan de in het
beeldscherm weergegeven GK VOL (1) en GK VOL (2)
afzonderlijke functies toewijzen.
Voor meer informatie over de PITCH en FILTER functie van de
D Beam regelaar, zie ‘Met behulp van handbewegingen of de
gitaarhals geluiden regelen (D Beam regelaar)’ (p. 77). Voor
meer informatie over de PITCH en FILTER functie van de
bandregelaar, zie ‘De geluiden door middel van de beweging
van uw vingertop regelen (bandregelaar)’ (p. 79).
F1: MIN
Hiermee stelt u de minimale waarde voor het regelbare bereik
van het doel in.
F2: MAX
Hiermee stelt u de maximale waarde voor het regelbare bereik
van het doel in.
F4: SW MODE (alleen als er bij SOURCE een schakelaartype regelaar
is geselecteerd)
Hiermee geeft u aan hoe de schakelaars functioneren.
Beschikbare
instellingen
84
Uitleg
MOMENT
De parameter schakelt alleen over naar de
maximale waarde, zolang u de schakelaar
ingedrukt houdt, en de parameter schakelt
naar de minimale over, zodra u de schakelaar loslaat.
LATCH
Telkens wanneer de schakelaar wordt ingedrukt, schakelt de waarde afwisselend over
tussen de minimale en maximale waarde.
Hoofdstuk 8 Overige functies
F4: MODE ((alleen GK S1, S2)
Hiermee geeft u aan, hoe de functie wisselt.
*
De onderstaande handelingscombinaties zijn mogelijk.
S1: DEC / S2: INC
S1: INC / S2: DEC
S1: MIN / S2: MAX
S1: MAX / S2: MIN
Beschikbare
instellingen
Uitleg
INC
DEC
MIN
MAX
De waarde gaat omhoog.
Over het bereik van de wijziging van het doel
De waarde van het doel wijzigt tussen MIN (de minimale
waarde) en MAX (de maximale waarde).
Als u een voetschakelaar gebruikt of een andere regelaar
waarmee u instellingen kunt in en uitschakelen, bepaalt OFF de
minimumwaarde en ON de maximumwaarde.
Waarde
200%
MAX
De waarde gaat omlaag.
De waarde is op het minimum ingesteld.
De waarde is op het maximum ingesteld.
F5: RANGE LOW (alleen als er een expressiepedaal of andere
regelaar, die de waarde in een continue, niet-discrete manier
wijzigt, als bron is ingesteld.
MIN
0%
Uit
Deze bepaalt de minimumwaarde van het bereik, waarbinnen
de waarde van de instelling kan worden gewijzigd.
F6: RANGE HIGH) (alleen als er een expressiepedaal of andere
regelaar, die de waarde in een continue, niet-discrete manier
wijzigt, als bron is ingesteld.
Deze bepaalt de maximumwaarde van het bereik, waarbinnen
de waarde van de instelling kan worden gewijzigd.
Aan
Voetschakelaar
Als er een expressiepedaal wordt gebruikt of een andere
regelaar, die de waarde in een opeenvolgende manier wijzigt,
verandert de waarde binnen een bereik tussen MIN en MAX.
Waarde
200%
MAX
MIN
Mate waarin
expressiepedaal
wordt ingedrukt
0%
127
Als het pedaal
helemaal is ingedrukt
0
Als het pedaal
helemaal omhoog staat
EXP pedaal
Hoofdstuk 8
Als er een expressiepedaal of een andere regelaar, die de
waarde in een opeenvolgende manier wijzigt, wordt gebruikt
om een parameter met twee waarden (aan/uit) te regelen,
functioneert de regelaar als hieronder.
Waarde
ON
Mate waarin
expressiepedaal
wordt ingedrukt
OFF
0
Als het pedaal
helemaal omhoog
staat
Als het pedaal
voor de helft
is ingedrukt
EXP Pedaal
127
Als het pedaal
helemaal is
ingedrukt
85
Hoofdstuk 8 Overige functies
Over het bereik van de wijziging van de
regelaars
Hiermee stelt u voor een expressiepedaal, of soortgelijke
regelaar, die de waarde van een instelling op een continue
manier wijzigt, als deze als bron is ingesteld, het bedienbare
bereik in (bereik, waarbinnen de waarde daadwerkelijk
verandert).
Als de aanpassing van de regelaar buiten het ingeschakelde
bedieningsbereik valt, blijft de instellingswaarde op de
maximale of minimale waarde staan, zonder verder nog te
wijzigen.
Waarde
Met slechts één druk op de
knop uw favoriete Patches
opvragen (DIRECT PATCH)
U kunt uw favoriete Patches aan de [DIRECT PATCH 1]-[DIRECT
PATCH 5] knoppen toewijzen, zodat u deze Patches vervolgens met
slechts één druk op de betreffende knop kunt opvragen.
DIRECT PATCH instellen
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
200%
MAX
MIN
Mate waarin
expressiepedaal
wordt ingedrukt
0%
3.
127
4.
Druk op [F2] (DIRECT).
Het DIRECT PATCH venster verschijnt.
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
4.
Gebruik [F1]-[F5] of de F1-F5 draaiknoppen om
te kiezen de aan [DIRECT PATCH 1]-[DIRECT
PATCH 5] toe te wijzen Patches te selecteren.
De cijfers komen overeen, waarbij DIR. PATCH 1 aan de F1
draaiknop is toegewezen, DIR. PATCH 2 aan de F2 draaiknop,
enzovoort.
5.
86
Druk meerdere malen op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
Hoofdstuk 8 Overige functies
De Patches beheren
De huidige Patch naar een
andere Patch kopiëren (PATCH
COPY)
1.
2.
De huidige Patch en een andere
Patch verwisselen (PATCH
EXCHANGE)
Hiermee vervangt u de gebruiker Patch door een andere Patch.
*
U kunt in voorgeprogrammeerde Patches geen tonen uitwisselen.
Controleer of het Afspeelvenster wordt
weergegeven.
1.
Controleer of het Afspeelvenster van een
gebruiker Patch wordt weergegeven.
Druk op [WRITE].
2.
Druk op [WRITE].
Het PATCH WRITE venster verschijnt.
Er wordt ‘WRITE TO’ weergegeven en er wordt aangegeven
welk(e) Patchnummer en Patchnaam als schrijfbestemming
dienen.
3.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om de
Patch, die als kopieerbestemming dient, te
selecteren.
4.
3.
Druk op PAGE [
] om naar pagina 2 te gaan.
Er wordt ‘EXCHANGE’ weergegeven.
Er wordt aangegeven, welk(e) Patchnummer en Patchnaam als
uitwisselingsbestemming dienen.
4.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om de
Patch, die als verwisselbestemming dient, te
selecteren.
Druk nogmaals op [WRITE].
Tijdens het kopiëren van de Patch wordt de ‘NOW WRITING...’
melding weergegeven en schakelt de VG-99 naar het
Patchnummer van de kopieerbestemming over.
*
5.
Druk nogmaals op [WRITE].
Tijdens het verwisselen van de huidige Patch en de
geselecteerde Patch wordt de ‘NOW EXCHANGING...’ melding
weergegeven en schakelt de VG-99 naar het Patchnummer van
de uitwisselingsbestemming over.
Als u de instellingen niet op wilt slaan, drukt u op [EXIT] om naar
*
Als u de instellingen niet op wilt slaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
87
Hoofdstuk 8
het Afspeelvenster terug te keren.
Hoofdstuk 8 Overige functies
Gebruiker Patches initialiseren
(PATCH INITIALIZE)
U kunt gebruiker Patches naar hun oorspronkelijke toestand
terugbrengen, waarbij alle effecten zijn uitgeschakeld.
Instellingen tussen kanaal A en
kanaal B kopiëren (A/B COPY)
1.
Ga naar het instellingenvenster voor de
parameters, waarvan u de instellingen wilt
kopiëren.
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
de laatste pagina te gaan.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
A/B COPY te selecteren.
4.
Druk op [F6] (EXEC) om de instellingen te
kopiëren.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
Dit is handig, voor wanneer u vanuit nul een Patch wilt opbouwen.
*
Voorgeprogrammeerde Patches kunnen niet worden geïnitialiseerd.
1.
Controleer of het Afspeelvenster van een
gebruiker Patch wordt weergegeven.
2.
Druk op [WRITE].
3.
Druk op PAGE [
] om naar
] om naar pagina 3 te gaan.
Het PATCH INITIALIZE venster verschijnt.
Er wordt ‘INITIALIZE weergegeven en er wordt aangegeven
welk(e) Patchnummer en Patchnaam zullen worden
geïnitialiseerd.
4.
5.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om de
te initialiseren Patch te selecteren.
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Druk nogmaals op [WRITE].
Tijdens het verwisselen van de huidige Patch en de
geselecteerde Patch wordt de ‘NOW INITIALIZING...’ melding
weergegeven, terwijl de VG-99 naar de te initialiseren Patch
overschakelt. Daarna verschijnt het Afspeelvenster weer.
88
*
De instellingen van kanaal A en
kanaal B verwisselen
(A/B EXCHANGE)
1.
Ga naar het instellingenvenster voor de
parameters, waarvan u de instellingen wilt
verwisselen.
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
de laatste pagina te gaan.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
A/B EXCHNG te selecteren.
4.
Druk op [F6] (EXEC) om de instellingen te
verwisselen.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
] om naar
Hoofdstuk 8 Overige functies
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Een gedeelte van de parameters
naar een andere Patch kopiëren
(MODULE COPY)
U kunt gedeelten van Patchparameters (zoals COSM versterkers,
effecten en overige modules) kopiëren en opnieuw gebruiken.
1.
Ga naar het instellingenvenster voor de
parameters, waarvan u de instellingen wilt
kopiëren.
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
de laatste pagina te gaan.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
MODULE COPY te selecteren.
] om naar
Het MODULE COPY venster verschijnt.
4.
Gebruik [F2] (PATCH) of de F2 draaiknop en
[F3] (SOURCE) of de F3 draaiknop om de
kopieerbron te selecteren.
5.
Druk op [F6] (EXEC) om de instellingen te
kopiëren.
6.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
4.
Druk op [F6] (EXEC) om de instellingen te
initialiseren.
5.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
U kunt de volgende parameters als modules hanteren.
•
•
•
•
•
•
•
•
ALTERNATE TUNING
COSM GUITAR
POLY FX
Algemene FX van kanaal A en B
Alle effecten onder FX
COSM AMP
DELAY en REVERB instelling van het MIXER gedeelte
DYNAMIC instelling van het MIXER gedeelte
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Hoofdstuk 8
Een gedeelte van de
Patchparameters initialiseren
(MODULE INITIALIZE)
1.
Ga naar het instellingenvenster voor de
parameters, waarvan u de instellingen wilt
initialiseren.
2.
Druk meerdere malen op PAGE [
de laatste pagina te gaan.
3.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
MODULE INIT te selecteren.
] om naar
Het MODULE INITIALIZE venster verschijnt.
89
Hoofdstuk 8 Overige functies
Patches in groepen
uitsplitsen (CATEGORY)
De VG-99 bevat een functie, met behulp waarvan u Patches in een
aantal verschillende groepen kunt onderverdelen. Dit wordt de
CATEGORY functie genoemd. Door voor elke Patch een categorie
aan te geven, zult u Patches op handigere wijze kunnen terugvinden.
De CATEGORY functie bevat tevens tien gebruikercategorieën,
waarvan u de namen naar wens kunt instellen.
Patchcategorieën instellen
U kunt aan Patches categorieën toewijzen en ze in groepen
onderverdelen.
1.
Gebruik vanuit het PLAY (Afspeel)venster de
PATCH/VALUE draaischijf om de in een
categorie onder te brengen Patch te
selecteren.
2.
Druk op [NAME/KEY/BMP].
Met behulp van de CATEGORY
functie Patches opvragen
1.
Controleer of het Afspeelvenster wordt
weergegeven.
2.
Druk op [CATEGORY].
3.
Druk [F1] (NAME).
Het Category venster verschijnt.
De categorieën en de Patches in deze categorieën worden in
lijstvorm weergegeven.
Het Name instellingenvenster verschijnt.
4.
Druk op [F6] (CATEGORY).
De Category instellingen pop-up verschijnt.
3.
Gebruik [F1] (SEL ) of [F2] (SEL ) / F1 of F1
draaiknop om de categorie te selecteren.
4.
Gebruik [F3] (SEL ) of [F4] (SEL ) / F3 of F4
draaiknop om een Patch te selecteren.
5.
Druk nogmaals op [CATEGORY].
De VG-99 schakelt naar de geselecteerde Patch over.
Als u binnen een bepaalde tijd geen handeling uitvoert,
keert het beeldscherm naar het Afspeelvenster terug.
5.
Gebruik de F6 draaiknop om de categorie te
selecteren.
6.
Druk op [EXIT].
De categorie wordt aan de Patch toegewezen.
7.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
90
Hoofdstuk 8 Overige functies
Aan gebruikercategorieën een
naam toewijzen (CATEGORY
NAME)
1.
Controleer of het Afspeelvenster wordt
weergegeven.
2.
Druk op [SYSTEM].
3.
Druk op PAGE [
geven.
][
9.
Druk meerdere keren op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
*
Categorienamen zijn systeemparameters. Het is niet nodig om de
Write (schrijf) procedure uit te voeren.
Uw favoriete instellingen
afzonderlijk opslaan
(FAVORITE SETTINGS)
] om pagina 2 weer te
Wat zijn favoriete instellingen?
De VG-99 bevat een functie die, onafhankelijk van de Patches, de
gewenste instellingen voor elke effectprocessor opslaat. Deze
instellingen worden de favoriete instellingen (Favorite Settings)
genoemd.
4.
Druk op [F4] (CATGRY).
Het Category Name instellingenvenster verschijnt.
Door voor elk van een variatie aan effecten de gewenste instellingen
op te slaan, kunt u, simpelweg door deze instellingen te combineren,
op eenvoudige wijze geluiden creëren.
Bovendien maakt u, als u soortgelijke tonen gebruikt, bewerken vele
malen eenvoudiger door met behulp van de favoriete instellingen
Patches te creëren.
Als u bijvoorbeeld van tevoren dezelfde favoriete instelling voor
meerdere Patches selecteert, kunt u, door simpelweg de favoriete
instellingen te wijzigen, de wijzigingen in al die Patches op een later
tijdstip in één keer implementeren.
5.
Gebruik [F6] of de F6 draaiknop om de
gebruikercategorie, waarvan u de naam wilt
wijzigen, te selecteren.
6.
Druk op PAGE [ ] [ ] om de cursor op de
plek van het te wijzigen teken te zetten.
7.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om het
teken te selecteren.
Hoofdstuk 8
Als u aan de PATCH/VALUE draaischijf blijft draaien,
verspringt de tekeninstelling automatisch van hoofdletters naar
kleine letters, cijfers en symbolen.
Door op [F1]-[F6] te drukken kunt u de volgende handige
handelingen uitvoeren.
Knoppen
[F1] (INSERT}
[F2] (DELETE)
[F3] (SPACE)
[F4] (A0!)
Functies
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
Verwijdert het teken en schuift de daarop
volgende tekens op naar links.
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
Schakelt tussen letters, cijfers en symbolen.
[F5] (A<=>a)
Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
[F6] (CATGRY)
Hiermee selecteert u de gebruikercategorie,
waaraan u een naam wilt toewijzen.
8.
Herhaal stap 6 en 7 om zo de categorienaam te
voltooien.
91
Hoofdstuk 8 Overige functies
Favoriete instellingen opvragen
In het onderstaande voorbeeld wordt het compressor effect gebruikt.
1.
Druk op [FX].
2.
Druk op PAGE [
3.
] om pagina 1 weer te geven.
Klankinstellingen wijzigen
Met behulp van deze procedure wijzigt u de klanken van Patches,
die van de favoriete instellingen gebruik maken. De onderstaande
methode kan tevens worden gebruikt om de favoriete instellingen
zelf te bewerken.
In het onderstaande voorbeeld wordt het compressor effect gebruikt.
1.
Druk op [FX].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
Druk op [F1] (COMP).
3.
Druk op [F1] (COMP).
Het nummer en de naam van de huidig geselecteerde favoriete
instelling worden weergegeven.
4.
Druk op PAGE [ ] om de laatste pagina (in dit
geval pagina 3) weer te geven.
5.
Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
FAVORITE te selecteren.
Het Favorite Settings selectievenster verschijnt.
4.
Druk op [F6] (EDIT).
6.
Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
de instelling van uw voorkeur te selecteren.
5.
7.
Als u uw keuze heeft gemaakt, drukt u op [F6]
(OK). Om de procedure te annuleren, drukt u
op [F5] (CANCEL) of u drukt meerdere malen
op [EXIT] om naar het Afspeelvenster terug te
keren.
Gebruik [F1]-[F4] of de F1-F4 draaiknoppen om
de gewenste parameters op pagina 1 en 2 aan
te passen.
6.
Als u de inhoud van de instellingen wilt
opslaan, dient u de onderstaande stappen uit
te voeren.
8.
Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
92
Hoofdstuk 8 Overige functies
Gewijzigde klanken opslaan
U kunt gewijzigde klanken op twee manieren opslaan.
In Patches opslaan
1.
In de favoriete instellingen opslaan
In het onderstaande voorbeeld is de status hetzelfde, als die in het
Compressor bewerkingsvenster in stap 4 onder ‘Tooninstellingen
wijzigen’ (p. 92).
1.
Druk op PAGE [ ] om de laatste pagina (in dit
geval pagina 3) weer te geven.
2.
Draai aan de F1 (SELECT) draaiknop om
FAVORITE WRITE te selecteren.
Druk op [WRITE].
Het PATCH WRITE venster verschijnt.
Het venster waarin de favoriete instellingen kunnen worden
opgeslagen (Favorite Write) verschijnt.
2.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om de
Patch, die als opslagbestemming dient, te
selecteren.
3.
Druk op [WRITE].
3.
Draai aan de F2 (SELECT) draaiknop om de
schrijfbestemming te selecteren.
Als u een lijst wilt weergeven met Patches, die van de
favoriete instellingen van de schrijfbestemming gebruik
maken, kunt u op dit moment op [F3] (SEARCH)
drukken. Voor meer gedetailleerde informatie, zie
‘Patches zoeken, die dezelfde favoriete instellingen
gebruiken’ (p. 94).
Tijdens het opslaan van de Patch wordt de ‘NOW WRITING...’
melding weergegeven. Daarna wordt het Afspeelvenster weer
weergegeven.
Als u klanken middels deze procedure opslaat, wordt de link
tussen de Patch en de favoriete instellingen teniet gedaan.
Nadien zijn eventuele wijzigingen van klanken in eerder
gebruikte favoriete instellingen niet meer op de klank van deze
Patch van invloed.
4.
Druk op [F6] (WRITE) om de instellingen op te
slaan.
5.
Hoofdstuk 8
Tijdens het opslaan van de favoriete instellingen wordt de
‘NOW WRITING...’ melding weergegeven en geeft het
beeldscherm het nummer en de naam van de huidig
geselecteerde favoriete instellingen weer.
Druk meerdere malen op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
Door middel van deze procedure slaat u de informatie alleen in
de favoriete instellingen op. Er worden geen instellingen in de
Patches opgeslagen. Als u parameters in Patches wilt opslaan,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te voeren (p. 38).
93
Hoofdstuk 8 Overige functies
Aan favoriete instellingen een
naam toewijzen (FAVORITE
NAME)
Als u favoriete instellingen opslaat, kunt u de instellingen ook een
naam geven. Voer bij stap 2 van ‘Opslaan als favoriete instelling’
(p. 93) de volgende procedure uit.
1.
Patches zoeken, die dezelfde
favoriete instellingen gebruiken
In het onderstaande voorbeeld wordt het compressor effect gebruikt.
1.
Druk op [FX].
2.
Druk op PAGE [
] om pagina 1 weer te geven.
Druk op [F5] (NAME).
Het Name bewerkingsvenster verschijnt.
3.
Druk op [F1] (COMP).
Het nummer en de naam van de huidig geselecteerde favoriete
instelling worden weergegeven.
2.
Druk op PAGE [ ] [ ] om de cursor op de
positie van het in te voeren teken te zetten.
3.
Gebruik de PATCH/VALUE draaischijf om het
teken te selecteren.
Als u aan de PATCH/VALUE draaischijf blijft draaien,
verspringt de tekeninstelling automatisch van hoofdletters naar
kleine letters, cijfers en symbolen.
Door op [F1]-[F5] te drukken kunt u de volgende handige
handelingen uitvoeren.
Knoppen
[F1] (INSERT)
[F2] (DELETE)
[F3] (SPACE)
[F4] (A0!)
[F5] (A<=>a)
Als u niet de favoriete instellingen gebruikt, gaat u verder met
stap 4.
4.
Druk op [F6] (EDIT).
5.
Druk op PAGE [ ] om de laatste pagina (in dit
geval pagina 3) weer te geven.
6.
Draai aan de F1 (SELECT) draaiknop om
FAVORITE WRITE te selecteren.
Functies
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
Verwijdert het teken en schuift de daarop
volgende tekens op naar links.
Voegt op de cursorpositie een lege spatie in.
Schakelt tussen letters, cijfers en symbolen.
Schakelt tussen hoofdletters en kleine letters.
4.
Herhaal stap 2 en 3 om zo de naam van de
favoriete instelling te voltooien.
5.
Druk, als u klaar bent met het bewerken van de
naam, op [EXIT].
Het venster, waarin Favorite Settings worden opgeslagen, keert
terug in het beeldscherm.
6.
Druk op [F6] (WRITE). De instellingen worden
opgeslagen.
7.
Draai aan de F2 (SELECT) draaiknop om de
schrijfbestemming te selecteren.
7.
Druk meerdere keren op [EXIT] om naar het
Afspeelvenster terug te keren.
8.
Druk op [F3] (SEARCH).
94
Hoofdstuk 8 Overige functies
Er verschijnt een lijst wilt met Patches, die van de geselecteerde
favoriete instelling gebruik maken.
9.
U kunt met behulp van [F3] en [F4] of de [F3]
en [F4] draaiknoppen door de lijst heen
bladeren.
10. Druk op [F5] (EXIT).
De lijst verdwijnt uit het venster.
11. Druk één of meerdere keren op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
Bij aanvang van de
bediening het virtuele
expressiepedaal activeren
(Internal Pedal System)
De VG-99 is met een functie uitgerust, die Internal Pedal System
wordt genoemd. Deze functie wijst bepaalde parameters aan een
virtueel expressiepedaal (het interne pedaal) toe, zodat u in Realtime
het volume en de klank kunt wijzigen, net als wanneer u een echt
expressiepedaal gebruikt.
Het Internal Pedal systeem biedt de volgende twee functies, zodat u
voor elke 1-16 parameters van de Assign functie een bron (Source)
kunt instellen.
• Internal Pedal (intern pedaalfunctie)
• Wave Pedal (golfpedaalfunctie)
* Als u de Internal Pedal of Wave Pedal functie gebruikt, dient u
ASSIGN SW MODE op MOMENT in te stellen.
Intern pedaalfunctie
Het virtuele expressiepedaal begint te werken als u de ingestelde
trigger bereikt. Als u INTERNAL PEDAL op SOURCE heeft
ingesteld, stelt u de TRIGGER parameter in (p. 156).
Golfpedaalfunctie
Hiermee wijzigt u de parameter, die in een bepaalde cyclus van het
virtuele expressiepedaal als doel is geselecteerd. Als u WAVE
PEDAL als SOURCE heeft ingesteld, dient u ook de RATE parameter
(p. 156) en de FORM parameter (p. 156) in te stellen.
Hoofdstuk 8
95
Hoofdstuk 8 Overige functies
Met behulp van uw gitaar
videobeelden regelen
(V-LINK)
D VG-99 is met de V-LINK functie uitgerust.
Als u de VG-99 op een ander V-LINK compatibel apparaat aansluit,
kunt u door middel van uw gitaaruitvoering de weergave van
videobeelden regelen.
MIDI IN
Wat is V-LINK?
MIDI OUT
V-LINK is een functie, die muziekuitvoeringen en beelden
synchroniseren.
Door twee of meer V-LINK compatibele apparaten via MIDI op
elkaar aan te sluiten, kunt u op eenvoudige wijze een brede variatie
aan video effecten verbinden aan datgene wat u met uw muzikale
uitvoering uitdrukt.
Als u de VG-99 bijvoorbeeld met de EDIROL motion dive. tokyo
performance package combineert, heeft u de volgende
mogelijkheden:
• De verplichte informatie voor EDIROL motion dive. tokyo
performance package uitvoeringen instellen.
• Van motion dive. tokyo performance package videobeeld
(palettes/clips) wisselen en de helderheid en
kleurensamenstelling van de videobeelden regelen.
• Voor een prettig resultaat de muziek met videobeelden
synchroniseren.
De V-LINK functie in en
uitschakelen
1.
Sluit de MIDI OUT aansluiting van de VG-99 op
het V-LINK compatibele apparaat aan.
2.
Zet het apparaat aan, zodat het opstart.
3.
Druk op [V-LINK].
De V-LINK functie is ingeschakeld en de [V-LINK] knop licht
op.
Zorg er ook voor, dat u de handleiding van het
aangesloten V-LINK compatibele apparaat leest.
De bij ‘V-LINK instellen’ (p. 97) ingestelde functie wordt
ingeschakeld, zodat u de videobeelden kunt regelen en ze aan
de uitvoering op de VG-99 worden gekoppeld.
Het V-LINK apparaat aansluiten
Zelfs als u de V-LINK functie heeft ingeschakeld,
gebruikt de VG-99 nog steeds zijn gebruikelijke functie.
Sluit de MIDI OUT aansluiting van de VG-99 op het V-LINK
compatibele apparaat aan.
Afhankelijk van de instellingen onder ‘MIDI ROUTING’
(p. 59), is het mogelijk dat er via MIDI OUT geen
signalen worden uitgevoerd. In dergelijke gevallen
worden de V-LINK signalen ook niet uitgevoerd.
Voordat u deze en andere apparaten op elkaar aansluit, dient u
eerst het volume van alle apparaten helemaal omlaag te draaien
en alle apparatuur uit te zetten. Dit voorkomt storingen en
schade aan luidsprekers en overige apparatuur.
4.
Druk nogmaals op [V-LINK].
Het [V-LINK] lampje gaat uit, en de V-LINK functie wordt
uitgeschakeld.
Als de V-LINK functie is uitgeschakeld, wordt er geen
enkele V-LINK gerelateerd MIDI bericht meer uitvoerd.
96
Hoofdstuk 8 Overige functies
STRING CH
Uitleg
1e–6de
V-LINK instellen
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
Druk op [F3] (V-LINK).
][
B CH
Kanaal B van het V-LINK compatibele apparaat
wordt geregeld.
C CH
De MIDI Note Plug-in wordt geregeld.
] om pagina 2 weer te
Bij sommige V-LINK compatibele modellen, zoals de
DV-7PR, kan alleen kanaal A worden gebruikt.
Het V-LINK venster verschijnt.
Nootberichten, die met behulp van de V-LINK functie
worden uitgevoerd, worden door de onder ‘Een externe
synthsizer geluidsmodule afspelen (GUITAR TO MIDI)’
(p. 64), evenals de STRING CH instellingen, beïnvloed.
4.
Druk op [F1] (CLIP).
8.
Druk op [EXIT] om naar het V-LINK venster
terug te keren.
9.
Druk op [F2] (ASGN1) of [F3] (ASGN2) om
Assign 1 of Assign 2 te selecteren.
Het PATCH/CLIP venster verschijnt.
5.
Gebruik [F1] en [F2] of de F1 of F2 draaiknop
om voor V-LINK kanaal A het palette en de clip
in te stellen. Gebruik [F4] en [F5] of de F4 of F5
draaiknop om om voor V-LINK kanaal B het
palette en de clip in te stellen.
V-LINK
functie
Verzonden MIDI
berichten
CC00 (bankselectie):
00H-1FH
PALETTE
OFF, 1–32
Het palette
wijzigen
CLIP
OFF, 1–32
De clip wijzi- Programmawijziging:
gen
00H-1FH
6.
Druk op [EXIT] om naar het V-LINK venster
terug te keren.
7.
Druk op [F4] (STR CH) om te bepalen welk
kanaal elke snaar regelt.
STRING CH
Uitleg
1e–6de
OFF
Er wordt geen kanaal geregeld.
A CH
Kanaal A van het V-LINK compatibele apparaat wordt geregeld.
11. Gebruik [F2] (SELECT) of de F2 draaiknop om
het doel in te stellen.
Voor meer informatie over de bron en doelparameters, zie
‘V-LINK PATCH’ (p. 174).
12. Draai aan de F3 draaiknop om de minimale
waarde van het bedieningsbereik van de
TARGET parameter in te stellen.
13. Draai aan de F4 draaiknop om de maximale
waarde van het bedieningsbereik van de
TARGET parameter in te stellen.
14. Als u de bewerkte instellingen wilt bewaren,
dient u de Write (schrijf) procedure uit te
voeren (p. 38).
*
Als u de instellingen niet wilt opslaan, drukt u op [EXIT] om naar
het Afspeelvenster terug te keren.
97
Hoofdstuk 8
Parameter
Beschikbare
instelling
10. Gebruik [F1] (SELECT) of de F1 draaiknop om
de bron te kiezen, die wordt gebruikt om het
doel te bedienen.
Hoofdstuk 8 Overige functies
De VG-99 gebruiken op een
standaard
U kunt de VG-99 gebruiken, terwijl hij op een PDS-10 standaard is
bevestigd.
1.
928, 929
• Om te voorkomen dat de PDS-10 standaard omvalt, dient
u met behulp van de meegeleverde kabel alle kabels om
de poot heen te draaien; zie de onderstaande afbeelding.
Draai de VG-99 om en verwijder de schroeven
van het onderpaneel.
Kabelbandje
2.
3.
Gebruik de in stap 1 verwijderde schroeven of
de bij het pakket meegeleverde
draaiknopmoer om het bevestigingsplaatje,
zoals in de afbeelding is weergegeven, te
bevestigen.
Bevestig de VG-99 aan de standaard.
Voor instructies over het in elkaar zetten van de PDS-10
standaard en het bevestigen van het bevestigingsplaatje,
zie de handleiding van de PDS-10.
98
• Gebruik de bij de VG-99 meegeleverde schroeven (M5 x
10) om het PDS-10 bevestigingsplaatje te bevestigen.
Gebruik van andere schroeven kan het apparaat intern
beschadigen of ervoor zorgen, dat het apparaat niet stevig
vast zit.
• Als u het apparaat omdraait, legt u onder de vier hoeken
een stapel kranten, tijdschriften of soortgelijk materiaal.
Zo voorkomt u schade aan de knoppen, draaischrijven en
overige regelaars. Probeer het apparaat zo te plaatsen, dat
er geen knoppen of regelaars beschadigd raken.
• Als u het apparaat op zijn kop zet, dient u voorzichtig te
werk te gaan en het apparaat niet te laten (om)vallen of
kantelen.
• Als u de schroeven verwijdert, dient u ze buiten het bereik
van kinderen te bewaren, zodat kleinere kinderen ze niet
per ongeluk kunnen inslikken.
• Zorg ervoor, dat er bij het bevestigen en demonteren van
de apparatuur geen handen en vingers knel komen te
zitten.
Hoofdstuk 8 Overige functies
De VG-99 in een stellage
opstelling gebruiken
Als u een los verkrijgbare RAD-99 stellage adapter gebruikt, kunt u
de VG-99 in een stellage opstelling gebruiken.
1.
Draai de VG-99 om en verwijder de schroeven
van het onderpaneel.
2.
Gebruik de in stap 1 verwijderde schroeven of
de bij het pakket meegeleverde
draaiknopmoer om de RAD-99, zoals in de
afbeelding is weergegeven, te bevestigen.
3.
928, 929
• Gebruik de bij de VG-99 meegeleverde schroeven (M5 x
10) om de RAD-99 te bevestigen. Gebruik van andere
schroeven kan het apparaat intern beschadigen of ervoor
zorgen, dat het apparaat niet stevig vast zit.
• Als u het apparaat omdraait, legt u onder de vier hoeken
een stapel kranten, tijdschriften of soortgelijk materiaal.
Zo voorkomt u schade aan de knoppen, draaischrijven en
overige regelaars. Probeer het apparaat zo te plaatsen, dat
er geen knoppen of regelaars beschadigd raken.
• Als u het apparaat op zijn kop zet, dient u voorzichtig te
werk te gaan en het apparaat niet te laten (om)vallen of
kantelen.
• Als u de schroeven verwijdert, dient u ze buiten het
bereik van kinderen te bewaren, zodat kleinere kinderen
ze niet per ongeluk kunnen inslikken.
• Zorg ervoor, dat er bij het bevestigen en demonteren van
de apparatuur geen handen en vingers knel komen te
zitten.
Plaats de VG-99 in de stellage.
Gebruik schroeven (op vier plaatsen) om het apparaat stevig
aan de stellage vast te zetten.
*
Gebruik de bij de stellage meegeleverde schroeven.
Hoofdstuk 8
Voor instructies over hoe u de RAD-99 in elkaar zet en
hoe u de hoek ten opzichte van de VG-99 aanpast, zie de
handleiding van de RAD-99.
99
Hoofdstuk 8 Overige functies
De VG-99 naar de fabrieksinstellingen terugbrengen
(FACTORY RESET)
1.
Druk op [SYSTEM].
2.
Druk op PAGE [
geven.
3.
] om pagina 3 weer te
Druk op [F1] (F.RST).
Het FACTORY RESET venster verschijnt.
4.
Selecteer de parameters, die u op hun
oorspronkelijke fabrieksinstelling wilt
terugzetten.
Beschikbare
instellingen
Uitleg
ALL
SYSTEM
GK SETTING
Alle gegevens
Systeemparameters
Inhoud van de GK instellingen
GLOBAL
Inhoud van de instellingen van de GLOBAL
functie
PATCH
Inhoud van de instellingen van PATCH 001200
FAVORITE
SETTING
Inhoud van de instellingen van de FAVORITE SETTINGS 01-10 van alle effecten
5.
Druk op [F6] (EXEC).
6.
Als u de Factory Reset wilt uitvoeren, drukt u
op [WRITE]
*
Als u de Factory Reset wilt annuleren, drukt u op [EXIT].
100
Zodra de Factory Reset is voltooid, keert het beeldscherm naar
het Afspeelvenster terug.
Hoofdstuk 9 Parametergids
}
In dit hoofdstuk vindt u gedetailleerde beschrijvingen van alle VG-99 parameters.
De in dit document genoemde handelsmerken zijn handelsmerken van hun respectieve eigenaren. Deze bedrijven zijn onafhankelijk van
Roland.
Dergelijke bedrijven zijn niet aan Roland gelieerd, en hebben geen licentie voor de Roland VG-99 uitgegeven en het apparaat niet officieel
erkend. Hun merken worden alleen gebruikt voor het identificeren van de apparatuur, waarvan Rolands VG-99 het geluid simuleert.
COSM GUITAR
Door de diverse elementen, waaruit de toon van een gitaar bestaat, in te stellen, kunt u een brede variatie aan geluiden creëren.
U kunt daadwerkelijke gitaarparameters, zoals elementen, body en de toonhoogte van elke snaar instellen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
COSM GTR SW (COSM gitaar schakelaar)
OFF, ON
Schakelt de COSM gitaar in/uit.
MODLNG TYPE
E. GTR
Selecteert het elektrische gitaar type.
AC
Selecteert het akoestische gitaar type.
BASS
Selecteert het basgitaar type.
SYNTH
Selecteert het synthesizergeluid type.
E. GTR TYPE/AC TYPE/BASS TYPE/SYNTH TYPE
refer to Type List
Selecteert de COSM gitaar van elk modulatietype.
*
Welke parameters u kunt instellen hangt van het type af. Voor details over de parameters, zie het bijbehorende item.
Modeling Type List
E. GTR (elektrische gitaar) (p. 103)
Parameter/
Bereik
Uitleg
Het geluid van een Fender Stratocaster.
Simuleert drie Single-coil elementen (passief).
MOD-ST (Modern ST)
Het geluid van een gitaar van het Stratocaster type. Simuleert de installatie van drie EMG Single-coil elementen (actief type).
TE (Telecaster)
Het geluid van een Fender Telecaster.
Een specifiek kenmerk van dit geluid is het versterkte hoog, wanneer het volume omlaag wordt gedraaid.
LP (Les Paul)
Het geluid van een Gibson Les Paul Standard.
Simuleert de installatie van twee humbucker elementen (passief )
P-90
Het geluid van een Gibson Les Paul Junior.
Dit effect biedt twee Single-coil elementen van het type, dat ook op gitaren met een vaste hals wordt gebruikt, en die liefkozend
ook wel hondenoor elementen worden genoemd.
LIPS (Lipstick)
Het geluid van een Danelectro 56-U3.
Dit effect biedt twee Single-coil elementen, die aan de huls van een lippenstift doen denken.
RICK (Rickenbacker)
Het geluid van een Rickenbacker 360.
Semi-akoestische gitaar met twee unieke Single-coil elementen.
335
Het geluid van een Gibson ES-335 DOT.
Een bijzondere semi-akoestische gitaar met twee unieke humbucker elementen.
L4
Het geluid van een Gibson L-4 CES.
Akoestische jazz gitaar. Uitgerust met twee humbucker elementen en plat gewonden snaren.
VARI (Variable Guitar)
Hiermee kunt u uw eigen gitaar ontwerpen. U kunt maximaal twee elementen naar keuze gebruiken, waarbij u kunt kiezen uit
een humbucker, Single-coil, piëzo en akoestisch. Als u humbucker of of Single-coil elementen gebruikt, kunt u de locatie van de
elementen naar wens aanpassen. Zodoende kunt u voor de elementen, de klankkast en de toonhoogte van elke gitaar instellingen maken, en zo het geluid van de gitaar bepalen.
Hoofdstuk 9
CLA-ST (Classic ST)
101
Hoofdstuk 9 Parametergids
COSM GUITAR
AC (Akoestische gitaar) (p. 105)
Parameter/
Bereik
Uitleg
STEEL
(gitaar met stalen snaren)
Het geluid van stalen snaren.
NYLON
(gitaar met nylon snaren)
Het geluid van nylon snaren.
SITAR
Het geluid van een Coral elektrische sitar. De instellingen passen het kenmerkende dreungeluid en de toon van de sitar aan.
BANJO
Deze instelling simuleert een gewone banjo met vijf snaren.
RESO (resonator)
Deze instelling simuleert een resonerende gitaar, zoals een Dobro.
VARI (variabele gitaar)
Hiermee maakt u instellingen voor de elementen, klankkast en de toonhoogte van elke snaar om zo het geluid van de gitaar te
bepalen.
BASS (Basgitaar) (p. 109)
Parameter/
Bereik
Uitleg
JB (Jazz Bass)
Het geluid van een Fender Jazz Bass.
PB (Precision Bass)
Het geluid van een Fender Precision Bass.
SYNTH (Synthesizer) (p. 110)
Parameter/
Bereik
Uitleg
GR-300
Hiermee moduleert u de Roland GR-300, de geroemde analoge polifonische gitaarsynthesizer.
Dankzij het HEXA-DISTORTION effect en toonverschuivende, 6-snarige zaagtand golfgeneratie van de HEXA VCO en VCF van
(variabel frequentiefilter) van het instrument kunt u alle nuances uit uw gitaarspel halen, terwijl de toon van een analoge synthesizer wordt gebruikt.
BOWED
Deze instelling geeft het geluid van snaarinstrumenten, die u met een strijkstok bespeelt.
DUAL
Deze instelling voegt aan de ingevoerde snaartrilling zowel vervorming toe als gedeelten waarin de toonhoogte verglijdt.
FILTER BASS
Deze instelling klinkt als een bas waarvan het geluid door een filter wordt heengeleid.
PIPE
Deze instelling produceert geluiden als die van een zacht solo-rietblaasinstrument.
SOLO
Dit is een zacht solo instrument.
PWM (Pulse-width Modulation)
Deze instelling geeft de pulsbreedte modulatie (PWM) van een analoge synthesizer. Door de pulsbreedte van de sinusgolf, die
door de vibrerende snaar wordt voortgebracht, cyclisch te variëren, wordt er een karakteristiek geluid gecreëerd.
CRYSTL (Crystal)
Dit is een instrument dat een metaalachtig geluid biedt.
ORGAN
Dit is een instrument met lange tonen, dat geschikt is voor solo’s of langzame nummers. Net als bij een orgel, dient u de
volumeniveaus van de drie parameters (FEET 16, 8, 4) goed te balanceren, zodat u het gewenste geluid kunt creëren.
BRASS
Deze instelling registreert de toonhoogte van de elektrische gitaar en creëert een synthesizergeluid.
WAVE (Wave Synth)
Dit algoritme creëert synthesizergeluiden door het snaarsignaal van het gesplitste element direct te verwerken. Het geeft een
natuurlijk gevoel van speelbaarheid.
102
COSM GUITAR
E.GTR (elektrische gitaar)
De parameters van de elektrische gitaar instellen.
CLA-ST/MOD-ST
Parameter/
Bereik
Uitleg
PU SEL (elementselectie)
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
TONE
0–100
Past de toon aan. De standaard waarde is 100; door de
waarde te verlagen, creëert u een zachtere toon.
VARI
Parameter/
Bereik
Uitleg
REAR
Het achterste element gebruiken.
R+C
Zowel het middelste als het achterste element
gebruiken.
PU SEL (elementselectie)
REAR
Het achterste element gebruiken.
CENTER
Het middelste element gebruiken.
R+F
Zowel het achterste als het voorste element gebruiken.
C+F
Zowel het voorste als het middelste element
gebruiken.
FRONT
Het voorste element gebruiken.
FRONT
Het voorste element gebruiken.
0–100
VOL (Volume)
0–100
VOL (Volume)
Bepaalt het volume. Bij een instelling van nul is
er geen geluid.
TONE
0–100
TONE
0–100
Past de toon aan. De standaard waarde is 100;
door de waarde te verlagen, creëert u een zachtere toon.
TE/LP/P90/RICK/335/L4
Parameter/
Bereik
Uitleg
Bepaalt het volume. Bij een instelling van nul is er geen
geluid.
Past de toon aan. De standaard waarde is 100; door de
waarde te verlagen, creëert u een zachtere toon.
STRING
ROUND
Selecteert het geluid van ronde (round wound) snaren.
FLAT
Selecteert het geluid van platte (flat wound) snaren.
VOL CURVE (Volume Curve)
Bepaalt met behulp van de VOL parameter de curve van de volumewijziging.
A, B
PU SEL (elementselectie)
REAR
Het achterste element gebruiken.
R+F
Zowel het achterste als het voorste element
gebruiken.
FRONT
Het voorste element gebruiken.
Volume
B
VOL (Volume)
0–100
A
Bepaalt het volume. Bij een instelling van nul is
er geen geluid.
TONE
0–100
Past de toon aan. De standaard waarde is 100;
door de waarde te verlagen, creëert u een zachtere toon.
LIPS
TYPE
SINGLE
Single-coil element.
DOUBLE
Humbucker.
PIEZO
Piëzo element.
AC
Een gesimuleerd element, dat ideaal is voor het geluid
van een akoestische gitaar.
Uitleg
PU SEL (elementselectie)
REAR
Het achterste element gebruiken.
R+C
Zowel het middelste als het achterste element gebruiken.
CENTER
Het middelste element gebruiken.
C+F
Zowel het voorste als het middelste element gebruiken.
FRONT
Het voorste element gebruiken.
ALL
Alle elementen gebruiken
POS (positie)
5–320mm
Bepaalt de afstand, gerekend vanaf de brug, waarop het
element is geplaatst. Hogere waarden zorgen ervoor,
dat het element verder van de brug af ligt.
*
Als de Pickup Type parameter op PIEZO of AC is
ingesteld, is de POS instelling niet beschikbaar.
VOL (Volume)
0–100
Bepaalt het volume. Bij een instelling van nul is er geen
geluid.
103
Hoofdstuk 9
Parameter/
Bereik
Ingestelde
waarde
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
Uitleg
-12–+12dB
ANGLE
-315–+315mm
Dit simuleert de hoek van het element ten
opzichte van de snaren. De instelling geeft aan
op welke afstand tot de POS instelling de zesde
snaar ligt. Bij positieve (+) instellingen ligt de
zesde snaar verder van de brug af. Bij negatieve
(-) waarden bevindt de zesde snaar zich dichter
bij de brug. Bij een instelling van 0 staat het element loodrecht op de snaren.
5
BRUG
4
-12–+12dB
-12–+12dB
Als u PIEZO of AC als element heeft
geselecteerd, is de Angle instelling niet
beschikbaar.
*
Angle instellingen, die buiten het bereik
van de Position instelling (5-320 mm)
liggen, hebben geen effect. Als de Position
parameter bijvoorbeeld op 100 mm is
ingesteld, is het geldige bereik van de
Angle instelling -95 + 220 mm.
0.5–16
Als u de FRONT en REAR elementen mixt, bepaalt deze instelling de fase
van het REAR (achterste) element ten opzichte van het FRONT (voorste)
element.
Het bovenstaande geldt alleen als er twee elementen worden gebruikt.
*
De fase instelling, die deel uitmaakt van de FRONT element
parameters is hetzelfde als de bijbehorende parameter van het REAR
element. Als u één van deze parameters aanpast, wordt de andere,
bijbehorende parameter in dezelfde verhouding gewijzigd.
IN
Het heeft dezelfde fase als het FRONT element.
OUT
Het wordt in omgekeerde fase ingemengd.
E. GTR algemene parameters
Naast de overige COSM E.GTR parameters bevat de VG-99 de
volgende gedeelde parameters.
Parameter/
Bereik
Uitleg
EQ (equalizer)
Er is een 4-bands EQ met hoog en laag gebied beschikbaar. Het door het
effect verwerkte geluid kan, voordat het wordt uitgevoerd, door het
frequentie gebied worden versterkt.
EQ SW (equalizer schakelaar)
OFF, ON
TOTAL GAIN
104
Schakelt het EQ effect in/uit.
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
PHASE
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
-12–+12dB
*
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
2
POSITION (positie) ANGLE (hoek)
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
3
1
Past het volume van het signaal voor de EQ
aan.
LOW GAIN
20Hz–10.0kHz
6
Uitleg
Parameter/
Bereik
Past de toon van het hoog-midden frequentie
gebied aan.
Uitleg
STRING PAN 1e–6de
0:100–100:0
Hiermee bepaalt u de links/rechts panning van
elke snaar.
* Als er een mono effect of COSM versterker
achter de COSM gitaar is aangesloten, wordt
het pan effect geannuleerd.
STRING LEVEL 1e–6de
0–100
Bepaalt het uitgaande niveau van elke snaar.
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
Uitleg
STEEL
Bepaalt het niveau van de COSM gitaar.
NORMAL PU (normaal element)
0–100
AC (akoestische gitaar)
De parameters van de elektrische gitaar instellen.
MIX LEVEL
COSM GUITAR
0–100
Hoofdstuk 9 Parametergids
Past het volume van het standaard element aan.
Parameter/
Bereik
Uitleg
BODY TYPE
Selecteert het type resonerende klankkast.
Parameter/
Bereik
Uitleg
MA28
Het geluid van een Martin D-28.
Ouder model, dat om zijn prachtig gebalanceerde geluid bekend staat.
TRP-0
Het geluid van een Martin 000-28.
Dit model heeft een volledige resonantie en
scherpte in het lage gedeelte, kenmerkende
contouren.
GB45
Het geluid van een Gibson J-45.
Dit vintage model heeft een unieke, gemêleerde
toon met een goede respons.
GB SML
Het geluid van een Gibson B-25.
Deze gitaar heeft een zeer compacte klankkast
en wordt vaak voor blues gebruikt.
GLD 40
Het geluid van een Gulid D-40.
Dit model biedt naast een delicate snaarresonantie ook een warme resonantie van de klankkast.
NS (ruisonderdrukker)
Dit effect vermindert de ruis en het bromgeluid, dat gitaarelementen
veroorzaken. Aangezien het de ruis synchroon met de envelope van
het gitaargeluid (de manier waarop het gitaargeluid over een
bepaalde tijd wegsterft) onderdrukt, heeft het heel weinig effect op
het gitaargeluid zelf, en wordt het natuurlijke karakter van het geluid
niet negatief beïnvloed.
SW (ruisonderdrukker schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het NS effect in/uit.
THRSH (drempel)
0–100
Pas deze parameter aan op basis van het
volume van de ruis. Als het ruisniveau hoog is,
kiest u voor een hogere instelling. Als het ruisniveau laag is, voldoet een lagere instelling. Pas
deze waarde zo aan dat de Decay van het
gitaargeluid zo natuurlijk mogelijk is.
BODY
0–100
REL (release)
0–100
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt, waarop de ruisonderdrukker wordt
toegepast tot het moment, waarop het volume
volledig is verminderd.
Past de resonantie van de klankkast aan. Hoe
hoger de waarde, hoe meer u de klankkast in
het geluid terug hoort. Verlaag de waarde in
situaties, waarbij er feedback neigt op te treden.
TONE
-50–+50
Past de toon van de klankkast aan. De standaard waarde is 0. Naarmate u de waarde verhoogt, wordt het hoge gebied meer versterkt.
LEVEL
0–100
Past het volume van de klankkast aan. Bij een
instelling van 0 klinkt er geen geluid.
Hoofdstuk 9
105
Hoofdstuk 9 Parametergids
NYLON
Parameter/
Bereik
SITAR
Uitleg
BODY
0–100
De klankkast resonantie is monofoon. Dit
betekent dat, als deze Body parameter op
100 wordt ingesteld, de panning van elke
afzonderlijke snaar minder effect heeft.
ATTACK
Bepaalt de kracht van de attack, wanneer u de
snaar krachtig aanslaat. Naarmate deze instelling wordt verhoogd, wordt de attack scherper
en het geluid frisser.
FRONT
Het voorste element gebruiken.
R+F
Zowel het achterste als het voorste element
gebruiken.
REAR
Het achterste element gebruiken.
PIEZO
Piëzo element
SENS (gevoeligheid)
0–100
Past de invoergevoeligheid aan.
0–100
Past de resonantie van de klankkast aan. Hoe
hoger de waarde, hoe meer u de klankkast in
het geluid terug hoort. Verlaag de waarde in
situaties, waarbij er feedback neigt op te treden.
COLOR
Past de toon van de klankkast aan. De standaard waarde is 0. Naarmate u de waarde verhoogt, wordt het hoge gebied meer versterkt.
LEVEL
0–100
Uitleg
BODY
TONE
-50–+50
Parameter/
Bereik
PU (element)
Past de resonantie van de klankkast aan. Hoe
hoger de waarde, hoe meer u de klankkast in
het geluid terug hoort. Verlaag de waarde in
situaties, waarbij er feedback neigt op te treden.
*
0–100
COSM GUITAR
0–100
DECAY
0–100
Past het volume van de klankkast aan. Bij een
instelling van 0 klinkt er geen geluid.
Past de algemene toonkwaliteit van de sitar
aan.
Past de tijd aan, die na de attack nodig is om de
toon te wijzigen.
BUZZ
0–100
Bepaalt hoeveel gezoem de brug voortbrengt
op het moment dat de snaren contact maken
met de brug.
ATTACK LEVEL
0–100
Past het volumeniveau van de attack aan.
TONE
-50–+50
Past de toon van de klankkast aan. De standaard waarde is 0. Naarmate u de waarde verhoogt, wordt het hoge gebied meer versterkt.
LEVEL
0–100
Past het volume van de klankkast aan. Bij een
instelling van 0 klinkt er geen geluid.
BANJO
Parameter/
Bereik
Uitleg
ATTACK
0–100
Bepaalt de kracht van de attack, wanneer u de
snaar stevig aanslaat. Naarmate deze instelling
wordt verhoogd, wordt de attack scherper en
het geluid frisser.
RESO (resonantie)
0–100
Past de resonantie van de klankkast aan. Als de
waarde wordt verhoogd, wordt de hoeveelheid
resonantie groter.
TONE
-50–+50
LEVEL
106
Past de toon van de klankkast aan. De standaard waarde is 0. Naarmate u de waarde verhoogt, wordt het hoge gebied meer versterkt.
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
0–100
Uitleg
Past het volume van de klankkast aan. Bij een
instelling van 0 klinkt er geen geluid.
RESO
Parameter/
Bereik
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
RESO (resonantie)
0–100
Uitleg
0–100
U kunt aangeven wat de invloed van wijzigingen (hard/zacht dynamiek)
in de ingevoerde snaartrillingen van de gitaar op het volume is.
Past het bereik (tijd) aan, waarover signalen
met een laag niveau worden versterkt. Hoe
hoger de waarde, hoe langer het signaal wordt
aangehouden (langere sustain).
RESO (resonantie)
0–100
Past de resonantie van de klankkast aan. Als de
waarde wordt verhoogd, wordt de hoeveelheid
resonantie groter.
Bepaalt de kracht van de attack (dynamiek),
wanneer u de snaar stevig aanslaat. Naarmate
deze instelling wordt verhoogd, wordt de
attack scherper en het geluid frisser.
* Als u akkoorden speelt, is het effect makkelijker te onderscheiden dan wanneer u losse
noten speelt.
Parameter/
Bereik
Uitleg
BODY
0–100
TONE
-50–+50
Past de resonantie van de klankkast aan. Als de
waarde wordt verhoogd, wordt de hoeveelheid
resonantie groter.
ATTACK
SUSTAIN
0–100
Uitleg
Past de toon van de klankkast aan. De standaard waarde is 0. Naarmate u de waarde verhoogt, wordt het hoge gebied meer versterkt.
Past de resonantie van de klankkast aan. Hoe
hoger de waarde, hoe meer u de klankkast in
het geluid terug hoort. Verlaag de waarde in
situaties, waarbij er feedback neigt op te treden.
*
De klankkast resonantie is monofoon. Dit
betekent dat, als deze Body parameter op
100 wordt ingesteld, de panning van elke
afzonderlijke snaar minder effect heeft.
*
Als u het geluid van een massieve
klankkast wilt voortbrengen, stelt u
ATTACK en BODY op 0 in.
LEVEL
0–100
Past het volume van de klankkast aan. Bij een
instelling van 0 klinkt er geen geluid.
VARI
Parameter/
Bereik
LOW CUT
Uitleg
THRU, 55–800Hz
BODY TYPE
LEVEL
Selecteert het akoestisch klankkast type.
0–100
FLAT
De klankkast van een akoestische gitaar met
een platte boven en achterkant.
ROUND
De klankkast van een akoestische gitaar met
een platte bovenkant en een ronde achterkant
van hars.
f-HOLE
METAL
Een metalen klankkast met één enkele, ronde
kegelvormige resonator. Dit is geschikt voor
slide spel etc.
Past het volume aan. Bij een instelling van 0
klinkt er geen geluid.
PU TYPE (elementtype)
PIEZO
Piëzo element.
MIC
Een hypothetische microfoon, die ideaal is voor
het opvangen van het geluid van een akoestische gitaar.
PU TONE (elementtoon)
-50–+50
Past de toon aan.
PU LEVEL (elementniveau)
0–100
Past het volume aan. Bij een instelling van 0
klinkt er geen geluid.
Dit model is een algemene banjo met vijf snaren. Als u de omvang wijzigt, geeft dit een
effect alsof de stemming wordt veranderd.
SIZE
-50–+50
Bepaalt de omvang van de klankkast. Hiermee
wordt de resonantiefrequentie aangepast,
zodat wijzigingen in de omvang van de klankkast worden gesimuleerd. Bij een instelling van
0 wordt er een normale resonantie voortgebracht.
107
Hoofdstuk 9
BANJO
Een klankkast met een f-gat, met een gewelfde
boven en achterkant. Dit is geschikt voor wanneer u semi-akoestische of volledig akoestische
elektrische gitaren simuleert.
Bepaalt voor het bypass geluid de cutoff frequentie van het low-cut filter.
Hoofdstuk 9 Parametergids
AC algemene parameters
Naast de overige COSM AC parameters, bevat de VG-99 ook de
volgende gedeelde parameters:
Parameter/
Bereik
Uitleg
Parameter/
Bereik
Er is een 4-bands EQ met hoog en laag gebied beschikbaar. Het door het
effect verwerkte geluid kan, voordat het wordt uitgevoerd, door het frequentie gebied worden versterkt.
EQ SW (equalizer schakelaar)
Schakelt het EQ effect in/uit.
Uitleg
MIX LEVEL
COSM GUITAR
0–100
EQ (equalizer)
OFF, ON
COSM GUITAR
Bepaalt het niveau van de COSM gitaar.
NORMAL PU (normaal element)
0–100
Parameter/
Bereik
Past het volume van het standaard element aan.
Uitleg
TOTAL GAIN
NS (ruisonderdrukker)
-12–+12dB
Dit effect vermindert de ruis en het bromgeluid, dat gitaarelementen veroorzaken. Aangezien het de ruis synchroon met de envelope van het
gitaargeluid (de manier waarop het gitaargeluid over een bepaalde tijd
wegsterft) onderdrukt, heeft het heel weinig effect op het gitaargeluid
zelf, en wordt het natuurlijke karakter van het geluid niet negatief beïnvloed.
Past het volume van het signaal voor de EQ aan.
LOW GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het hoge frequentie gebied aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
SW (ruisonderdrukker schakelaar)
OFF, ON
0–100
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de EQ, die
op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt
beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
REL (release)
-12–+12dB
0–100
Past de toon van het laag-midden frequentie gebied
aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de EQ, die
op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt
beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Parameter/
Bereik
Past de toon van het hoog-midden frequentie gebied
aan.
Uitleg
STRING PAN 1e–6de
100:0–100:0
Hiermee bepaalt u de links/rechts panning van
elke snaar.
* U kunt de STRING PAN parameter niet
aanpassen, als het AC TYPE op STEEL is
ingesteld.
* Als er een mono effect of COSM versterker
achter de COSM gitaar is aangesloten, wordt
het pan effect geannuleerd.
STRING LEVEL 1e–6de
0–100
108
Bepaalt het uitgaande niveau van elke snaar.
Schakelt het NS effect in/uit.
THRSH (drempel)
Pas deze parameter aan op basis van het
volume van de ruis. Als het ruisniveau hoog is,
kiest u voor een hogere instelling. Als het ruisniveau laag is, voldoet een lagere instelling. Pas
deze waarde zo aan, dat de Decay van het
gitaargeluid zo natuurlijk mogelijk is.
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt waarop de ruisonderdrukker wordt
toegepast tot het moment, waarop het volume
volledig is verminderd.
COSM GUITAR
BASS (basgitaar)
De parameters van de basgitaar instellen.
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
JB
Parameter/
Bereik
Uitleg
REAR VOL (volume achter)
0–100
Bepaalt het volume van het achterste element.
Bij een instelling van 0, klinkt er geen geluid.
FRONT VOL (volume voor)
0–100
Bepaalt het volume van het van het voorste element. Bij een instelling van 0, klinkt er geen
geluid.
MASTER VOL (master volume)
0–100
Bepaalt het algemene volumeniveau van de
bas. Bij een instelling van 0, klinkt er geen
geluid.
TONE
0–100
Past de klank aan.
PB
Parameter/
Bereik
0–100
-12–+12dB
20Hz–10.0kHz
0.5–16
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het hoog-midden frequentie
gebied aan.
Uitleg
STRING PAN 1e–6de
Bepaalt het volume. Bij een instelling van 0,
klinkt er geen geluid.
Past de toon aan.
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
Hiermee bepaalt u de links/rechts panning van
elke snaar.
* Als er een mono effect of COSM versterker
achter de COSM gitaar is aangesloten, wordt
het pan effect geannuleerd.
TONE
0–100
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
100:0–100:0
VOL (Volume)
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
Parameter/
Bereik
Uitleg
Uitleg
STRING LEVEL 1e–6de
0–100
Bepaalt het uitgaande niveau van elke snaar.
BASS algemene parameters
Naast de overige COSM BASS parameters bevat de VG-99 ook de
volgende gedeelde parameters:
Parameter/
Bereik
Uitleg
EQ (equalizer)
Er is een 4-bands EQ met hoog en laag gebied beschikbaar. Het door het
effect verwerkte geluid kan, voordat het wordt uitgevoerd, door het frequentie gebied worden versterkt.
EQ SW (equalizer schakelaar)
Hoofdstuk 9
OFF, ON
Schakelt het EQ effect in/uit.
TOTAL GAIN
-12–+12dB
Past het volume van het signaal voor de EQ
aan.
LOW GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
109
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
Parameter/
Bereik
OFF, ON
MIX LEVEL
COSM GUITAR
0–100
COSM GUITAR
Bepaalt het niveau van de COSM gitaar.
NORMAL PU (normaal element)
0–100
Uitleg
Als u deze parameter op ON instelt, wordt de Decay tijd
van de HEXA-VCO verlengd.
Als ENV MOD SW is ingeschakeld (ON), wordt ook de
Decay tijd van het VCF (variabel frequentiefilter) verlengd.
* De HEXA-DISTORTION Decay tijd wordt niet
verlengd.
Past het volume van het standaard element aan.
CUTOFF FREQ (cutoff frequentie)
Parameter/
Bereik
Uitleg
0–100
NS (ruisonderdrukker)
Dit effect vermindert de ruis en het bromgeluid, dat gitaarelementen
veroorzaken. Aangezien het de ruis synchroon met de envelope van
het gitaargeluid (de manier waarop het gitaargeluid over een
bepaalde tijd wegsterft) onderdrukt, heeft het heel weinig effect op
het gitaargeluid zelf, en wordt het natuurlijke karakter van het geluid
niet negatief beïnvloed.
SW (ruisonderdrukker schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het NS effect in/uit.
THRSH (drempel)
0–100
Pas deze parameter aan op basis van het
volume van de ruis. Als het ruisniveau hoog is,
kiest u voor een hogere instelling. Als het ruisniveau laag is, voldoet een lagere instelling. Pas
deze waarde zo aan, dat de Decay van het
gitaargeluid zo natuurlijk mogelijk is.
RESO (resonantie)
0–100
Deze wijzigt de VCF cutoff frequentie automatisch, op basis van de
amplitude van de snaartrilling. Zodoende kunt u, telkens wanneer u een
snaar speelt, een wah effect op de toon toepassen.
SW (schakelaar)
OFF
Er wordt geen envelope modulatie toegepast.
ON
Deze instelling zorgt ervoor, dat de VCF cutoff frequentie, telkens wanneer de snaar wordt gespeeld, van een
hoge in een lage frequentie overgaat.
Hiermee produceert u een wah-achtig effect, waarbij het
geluid van lage naar hoge frequenties varieert.
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt waarop de ruisonderdrukker wordt
toegepast tot het moment, waarop het volume
volledig is verminderd.
SYNTH (Synthesizer)
Als u de cutoff frequentie op een extreem hoge
waarde instelt, is het effect moeilijk te
onderscheiden.
INV
De parameters van het synthesizer geluid instellen.
GR-300
Parameter/
Bereik
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van het geluid)
aan. Naarmate de waarde wordt verhoogd, worden de
geluiden in frequentie gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt, zodat het geluid karakteristieker en unieker wordt.
ENV MOD (envelope modulatie)
REL (release)
0–100
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen. Naarmate de waarde
wordt verhoogd, wordt het geluid helderder (harder).
Uitleg
In tegenstelling tot de ON instelling zorgt deze instelling
ervoor, dat de VCF cutoff frequentie, telkens wanneer
de snaar wordt gespeeld, van een lage in een hoge frequentie overgaat.
Hiermee produceert u een tegengesteld wah-achtig
effect, waarbij het geluid van hoge naar lage frequenties
varieert.
MODE
Als u de cutoff frequentie op een relatief hoge
waarde instelt, is het effect makkelijker te
onderscheiden.
Deze instelling bepaalt of de HEXA-VCO (zaagtandgolf) of de HEXADISTORTION (rechthoekige golf) of beide golven worden gespeeld.
VCO
Het HEXA-VCO geluid wordt gespeeld.
V+D
Het HEXA-VCO geluid en het HEXA-DISTORTION
geluid worden gelijktijdig gespeeld.
DIST
Het HEXA-DISTORTION geluid wordt gespeeld.
LEVEL
0–100
Bepaalt het volume. Bij een instelling van 0, klinkt er
geen geluid.
COMP (compressie)
110
SENS (gevoeligheid)
0–100
Past de invoergevoeligheid van de envelope modulatiefunctie aan. Naarmate de waarde wordt verhoogd, verbreedt de wijziging door de envelope modulatie, zelfs
bij een zwakkere aanslag.
Controleer of uw aanpassingen de toon wijzigen.
Probeer de waarde vlakbij 0 in te stellen, en speel
een snaar, terwijl u de waarde geleidelijk
verhoogt. Als u de attack tijd op 0 instelt, is het
makkelijker om de wijzigingen te controleren.
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
Uitleg
ATTACK
0–100
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
SW (schakelaar)
Past voor de wijziging van de envelope modulatie, die
door het spelen wordt voortgebracht, de attack tijd aan.
Als u de waarde verhoogt, vertraagt de attack van deze
wijziging.
OFF, ON
* De SWEEP functie wordt beschikbaar, als u door
PITCH SW te bedienen de hoeveelheid toonverschuiving van de HEXA-VCO wijzigt. Als de
toonverschuiving niet wijzigt, wordt hij niet in reactie
tot wijzigingen in de toonhoogte van de invoer geactiveerd. Als de SWEEP SW bij RISE en FALL op OFF
is ingesteld, wordt er geen effect voortgebracht.
Deze passen de hoeveelheid toonverschuiving aan.
* Deze parameter is beschikbaar, als de PITCH SW op een andere waarde
is ingesteld dan OFF.
* De uiteindelijke hoeveelheid toonverschuiving wordt bepaald door de
toonverschuiving instellingen van PITCH en PITCH FINE bij elkaar
op te tellen.
Hiermee stelt u de hoeveelheid toonverschuiving in,
gerekend vanaf het oorspronkelijke geluid in stappen
van een halve toon. Bij een instelling van -12 gaat de
toonhoogte met één octaaf omlaag, terwijl bij +12 de
toonhoogte met één octaaf wordt verhoogd.
PITCH A FINE Hiermee past u de toonhoogte op verfijnde wijze aan. Bij
PITCH B FINE een instelling van -50 wordt de toonhoogte met één
-50–+50
halve toon verlaagt; bij +50 wordt de toonhoogte met
één halve toon verhoogd.
In de DUET functie (zie hieronder) kunt u deze FINE
instelling effectief gebruiken.
RISE
0–100
* PITCH SHIFT wordt alleen op HEXA-VCO, dus niet op HEXA-DISTORTION,
toegepast. Stel bij gebruik van de toonverschuivingsfunctie MODE op VCO of
V+D in.
OFF
De toonhoogte van het oorspronkelijke brongeluid blijft
ongewijzigd.
A
De verschuiving in toonhoogte, die door PITCH A en
PITCH A FINE wordt bepaald, wordt toegepast.
B
De verschuiving in toonhoogte, die door PITCH B en
PITCH B FINE wordt bepaald, wordt toegepast.
0–100
Als DUET is ingeschakeld (ON), wordt er naast de
HEXA-VCO, op dezelfde toonhoogtes als het brongeluid, een zaagtand golf gespeeld, zodat het geluid breder wordt.
U kunt op de HEXA-VCO een elektronisch vibrato effect toepassen.
SW (schakelaar)
OFF, ON
Schakelt de VIBRATO functie in/uit.
Door bij Control Assign de VIBRATO SW als te
regelen functie in te stellen en vervolgens tijdens
het spelen de VIBRATO SW op ON te zetten,
kunt u op elk gewenste punt in een uitvoering
een krachtiger vibrato toepassen.
* Op de HEXA-DISTORTION kunt u geen vibrato
toepassen.
RATE
0–100
Hiermee past u het tempo van het vibrato effect aan.
Hoe hoger de waarde, hoe hoger het tempo.
DEPTH
0–100
*
Hiermee past u de diepte van het vibrato effect aan. Als
de waarde op 0 wordt gezet, wordt er geen vibrato toegepast. Hoe hoger de waarde, hoe dieper het vibrato.
Als u GR-300 als COSM gitaar heeft geselecteerd, en de Alternate
Tuning 12STR is ingeschakeld (ON) of toonhoogtes overmatig worden
verschoven, kan de uitdrukking van de geluiden instabiel worden.
SWEEP
Deze SWEEP functie zorgt er, bij het met behulp van PITCH SW wijzigen
van de hoeveelheid toonverschuiving, voordat de hoeveelheid toonverschuiving vloeiend wijzigt.
111
Hoofdstuk 9
Als u HEXA-VCO toonverschuivingen op waarden
als PITCH+/-12 (een octaaf omhoog of omlaag), +/7 (reine kwint) of +/-5 (reine kwart) instelt, wordt
er een vetter geluid, zoals dat van een synthesizer,
voortgebracht.
Door PITCH FINE op +/-5 in te stellen, en zo de
toonhoogte van de HEXA-VCO iets te verschuiven,
kunt u verdere diepte aan het geluid toevoegen.
Past de hoeveelheid tijd aan, waarbinnen de toon verschuift, wanneer de PITCH SW parameter wordt omgeschakeld en het geluid een lagere toonhoogte krijgt.
Als deze parameter op nul wordt ingesteld, wijzigt de
toon direct. Bij hogere waarden gaat de toonhoogte
langzamer omlaag.
VIBRATO
DUET
OFF, ON
Past de hoeveelheid tijd aan, waarbinnen de toon verschuift, wanneer de PITCH SW parameter wordt omgeschakeld en het geluid een hogere toonhoogte krijgt.
Als deze parameter op nul wordt ingesteld, wijzigt de
toon direct; bij hogere waarden gaat de toonhoogte langzamer omhoog.
FALL
PITCH SW (toonhoogteschakelaar)
Met behulp van deze instelling kunt u de toonverschuivingsfunctie in en
uitschakelen, waarmee de toonhoogte van het HEXA-VCO geluid verschuift, in reactie op de toon van het geluid dat door de snaartrilling
wordt voortgebracht.
Hiermee schakelt u de SWEEP functie in/uit
PITCH SW wordt normaalgesproken geregeld,
nadat u bij Control Assign de instellingen voor
de bediening van PITCH SW heeft gemaakt.
PITCH A/PITCH A FINE,
PITCH B/PITCH B FINE
PITCH A
PITCH B
-12–+12
Uitleg
Hoofdstuk 9 Parametergids
BOWED/PIPE
Parameter/
Bereik
DUAL
Uitleg
FILTER CUTOFF
0–100
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
Uitleg
FILTER CUTOFF
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
0–100
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
FILTER RESO (filter resonantie)
FILTER RESO (filter resonantie)
0–100
0–100
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
0–100
0–100
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt verhoogd. Als de waarde op 0 is
ingesteld, blijft het filter vast staan, en vindt er
geen beweging plaats.
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt verhoogd. Als de waarde op 0 is
ingesteld, blijft het filter vast staan, en vindt er
geen beweging plaats.
POWER BEND
GLIDE SENS (Glide gevoeligheid)
Hoe hoger de instelling hoe donkerder het geluid. Tegelijkertijd kan de
toon en het volume ook wijzigen door middel van fluctuaties in toonhoogte, die door een tremolo arm of overige technieken worden voortgebracht.
Speldynamiek kan de hoeveelheid toonwijziging over een bepaalde tijd
beïnvloeden. Dit wordt het Glide effect genoemd.
Bij zacht gespeelde noten, waarvoor geen attack kan worden geregistreerd, is het wellicht niet mogelijk om een glide effect te behalen.
0–100
0–100
Hoe hoger de waarde, hoe meer het geluid
wordt beïnvloed.
POWER BEND Q
0–100
GLIDE TIME
Hoe hoger de waarde, hoe meer het geluid uit
voornamelijk de harmonische componenten
bestaat, zodat er een geluid wordt gecreëerd
dat bijna geen attack vertoont.
0–100
112
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
Hiermee bepaalt u de snelheid van het glide
effect. Hoe hoger de waarde, hoe langer de
glide.
* Naarmate de GLIDE SENS waarde verder
omlaag gaat, wordt er geen GLIDE TIME
meer toegepast.
SUSTAIN
0–100
Hiermee past u de gevoeligheid van het glide
effect aan.
SUSTAIN
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
COSM GUITAR
FILTER BASS
Parameter/
Bereik
SOLO
Uitleg
FILTER CUTOFF
0–100
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
FILTER CUTOFF
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
0–100
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
FILTER RESO (filter resonantie)
FILTER RESO (filter resonantie)
0–100
0–100
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
0–100
0–100
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt
FILTER DECAY
0–100
Hiermee bepaalt u hoe snel het filter stopt. De
snelheid wordt groter, naarmate de waarde van
de instelling wordt verlaagd.
COLOR
0–100
* Als de TOUCH SENS waarde te laag is, kan
het Decay effect niet worden bereikt.
COLOR
0–100
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt verhoogd. Als de waarde op 0 is
ingesteld, blijft het filter vast staan, en vindt er
geen beweging plaats.
Past de sterkte van het lage gebied aan.
Hoe hoger de waarde, hoe sterker het lage
gebied.
Past de hoeveelheid harmonieën in het geluid
aan, wanneer de gitaarsnaren met grotere
kracht worden bespeeld. De harmonische componenten worden prominenter naarmate de
waarde wordt verhoogd.
Om de aanpassingen gemakkelijker te
maken, stelt u FILTER CUTOFF op 100
en FILTER RESO en TOUCH SENS op 0
in. Vervolgens verhoogt u de FILTER
RESO waarde, terwijl u de gitaar
bespeelt.
SUSTAIN
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
Hoofdstuk 9
113
Hoofdstuk 9 Parametergids
PWM
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
FILTER RESO (filter resonantie)
0–100
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan.Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
Parameter/
Bereik
0–100
0–100
0–100
0–100
0–100
SUSTAIN
0–100
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
Parameter/
Bereik
0–100
Uitleg
Hiermee stelt u de Decay tijd van de attack van
het geluid in. Hoe kleiner de waarde, hoe korter
de attack.
MOD TUNE (modulatiestemming)
0–100
Deze parameter bepaalt de stemming van de
modulatie, die op de attack wordt toegepast.
Hiermee stelt u de diepte van de modulatie in,
die op de attack wordt toegepast. Hogere waarden zorgen voor diepere golvingen.
Hiermee stelt u het volumeniveau voor het
attack gedeelte in.
BODY LEVEL
0–100
114
Hiermee stelt u het volumeniveau voor het sustain gedeelte in.
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van
het geluid) aan. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, worden de geluiden in frequentie
gebied vlakbij de cutoff frequentie versterkt,
zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt verhoogd. Als de waarde op 0 is
ingesteld, blijft het filter vast staan, en vindt er
geen beweging plaats.
SUSTAIN
0–100
ATTACK LEVEL
0–100
Past de cutoff frequentie aan door de helderheid (hardheid) van het geluid in te stellen.
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt
het geluid helderder (harder).
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
MOD DEPTH (modulatie diepte)
0–100
Uitleg
FILTER CUTOFF
ATTACK LENGTH
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
BRASS
0–100
0–100
Dit is een lange toon, die zich één op octaaf
boven de gitaar bevindt.
FILTER RESO (filter resonantie)
CRYSTL
Parameter/
Bereik
Dit is een lagen toon op dezelfde toonhoogte als
de gitaar.
SUSTAIN
0–100
Hiermee bepaalt u hoe snel het filter stopt. De
snelheid wordt groter, naarmate de waarde van
de instelling wordt verlaagd.
Dit is een lange toon, die zich één op octaaf
onder de gitaar bevindt.
FEET 4’
Hiermee bepaalt u de diepte waarmee de pulsbreedte van de sinusgolf wordt gevarieerd. Hoe
hoger de waarde, hoe dieper golvingen.
PWM RATE
Uitleg
FEET 16’
FEET 8’
PWM DEPTH
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
ORGAN
TOUCH SENS (aanslaggevoeligheid)
Hiermee stelt u de gevoeligheid in, als het filter
op basis van de aanslag wordt verschoven. De
mate waarin het filter op basis van de aanslag
wordt verschoven wordt groter naarmate de
waarde wordt verhoogd. Als de waarde op 0 is
ingesteld, blijft het filter vast staan, en vindt er
geen beweging plaats.
Uitleg
SUSTAIN
0–100
FILTER CUTOFF
0–100
COSM GUITAR
Past het bereik (tijd) aan waarover signalen met
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger
de waarde, hoe langer het signaal wordt aangehouden (langere sustain).
COSM GUITAR
Hoofdstuk 9 Parametergids
WAVE
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
EQ (equalizer)
Uitleg
Er is een 4-bands EQ met hoog en laag gebied beschikbaar. Het door het
effect verwerkte geluid kan, voordat het wordt uitgevoerd, door het frequentie gebied worden versterkt.
WAVE SHAPE
Selecteert het golftype, waarop het synthesizer geluid wordt
gebaseerd.
SAW
SQUARE
EQ SW (equalizer schakelaar)
Creëert een synthesizer geluid met een zaagtand sinusgolf.
OFF, ON
Creëert een synthesizer geluid met een vierkante sinusgolf.
-12–+12dB
Schakelt het EQ effect in/uit.
TOTAL GAIN
Past het volume van het signaal voor de EQ aan.
LOW GAIN
WAVE SENS (golfgevoeligheid)
0–100
Uitleg
-12–+12dB
Deze parameter regelt de invoergevoeligheid van de
golfsynthesizer.
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
WAVE ATTACK
-12–+12dB
0–100
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
Bepaalt de tijdsduur vanaf het moment van aanslag, totdat het synthesizergeluid is verhoogd. Hoe lager de
waarde, hoe sneller het geluid in volume omhoog gaat.
Hoe hoger de waarde, hoe langzamer het volume
omhoog gaat.
20Hz–10.0kHz
0.5–16
Bepaalt de tijdsduur van het wegsterven van het synthesizergeluid. Het synthesizergeluid sterft sneller weg, als
deze parameter op een lagere waarde is ingesteld. Hoe
hoger de waarde, hoe langer de Decay duurt.
-12–+12dB
Past het volume van het synthesizergeluid aan.
20Hz–10.0kHz
Past de cutoff frequentie aan, waarop het filter de harmonische componenten van het geluid weg filtert.
Deze parameter bepaalt hoe het geluid klinkt, nadat het
filter door de FILTER DEPTH parameter is gestopt met
variëren.
0.5–16
Past de resonantie (onderscheidbaarheid van het geluid)
aan. Naarmate de waarde wordt verhoogd, worden de
geluiden in frequentie gebied vlakbij de cutoff frequentie
versterkt, zodat het geluid karakteristieker en unieker
wordt.
-12–+12dB
Parameter/
Bereik
-12 dB, -24 dB Bepaalt de curve van de vermindering van het filter. De
-24 dB instelling heeft zeer steile filterkenmerken.
100:0–0:100
Bepaalt de attack tijd van het filter.
FILTER DECAY
SYNTH algemene parameters
Naast de overige COSM SYNTH parameters, bevat de VG-99 ook de
volgende gedeelde parameters.
Hiermee bepaalt u de links/rechts panning van elke
snaar.
STRING LEVEL 1e–6de
0–100
Bepaalt het uitgaande niveau van elke snaar.
.
Parameter/
Bereik
Uitleg
MIX LEVEL
COSM GUITAR
0–100
Bepaalt het niveau van de COSM gitaar.
NORMAL PU (normaal element)
0–100
Past het volume van het standaard element aan.
115
Hoofdstuk 9
Past de diepte van de filterwijziging aan. Als deze parameter op een positieve waarde is ingesteld, verschuift de
VCF cutoff frequentie van een hoge waarde naar een lage
waarde. Als de parameter op een negatieve waarde is
ingesteld, verschuift de VCF cutoff frequentie van een
lage waarde naar een hoge waarde.
Uitleg
* Als er een mono effect of COSM versterker achter de
COSM gitaar is aangesloten, wordt het pan effect
geannuleerd.
Bepaalt de Decay tijd van het filter.
FILTER DEPTH
-50–+50
Past de toon van het hoog-midden frequentie gebied
aan.
STRING PAN 1e–6de
FILTER ATTACK
0–100
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de EQ, die
op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt
beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
FILTER TYPE
0–100
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
RESO (resonantie)
0–100
Past de toon van het laag-midden frequentie gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
CUTOFF
0–100
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de EQ, die
op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt
beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
WAVE LEVEL
0–100
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
WAVE DECAY
0–100
Past de toon van het hoge frequentie gebied aan.
Hoofdstuk 9 Parametergids
ALTERNATE TUNING
Met behulp van de Alternate Tuning functie kunt u de toonhoogte
van elke snaar op een COSM gitaar omzetten, zonder de
daadwerkelijke stemming van de gitaar aan te passen.
De Alternate Tuning functie bevat de volgende vijf functies.
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
AB LINK
OFF, ON
• TUNING
• BEND
• BEND
Als u deze parameter uitschakelt (OFF), kunt u
COSM GITAAR [A] andere instellingen geven dan
COSM GITAAR [B].
• DETUNE
• HARMONY
U kunt al deze functies gelijktijdig en in elke willekeurige combinatie
gebruiken.
Tenzij u de TUNING of BEND instellingen van
COSM GITAAR [A] en COSM GITAAR [B]
specifiek wilt wijzigen, is het normaalgesproken
het handigst om de AB LINK op ON te laten
staan.
TUNING
BEND
U kunt op elke afzonderlijke snaar of snarencombinatie een toonverbuigingseffect toepassen.
Met behulp van deze mogelijkheid kunt u de hoeveelheid verbuiging van elke afzonderlijke snaar afzonderlijk instellen, net als bij
een snaarverbuiger of pedal steel gitaar. Deze functie gebruikt u
over het algemeen in combinatie met Control Assign.
12-STRING
Hiermee wijzigt u het geluid van een gewone 6-snarige gitaar in dat
van een 12-snarige gitaar met een dubbele hoeveelheid snaren (twee
per toon). Voor elke afzonderlijke snaar kunt u voor de tweede
snaar de verschuiving in toon ten opzichte van de eerste snaar, de
hoeveelheid delay en het volume instellen.
A/B
A, B
TUNING
SW
OFF, ON
*
Als u GR-300 als COSM gitaar heeft geselecteerd, en de Alternate
Tuning 12STR is ingeschakeld (ON) of toonhoogtes overmatig worden
verschoven, kan de uitdrukking van de geluiden instabiel worden.
116
Deze instelling schakelt de TUNING functie in en uit.
TYPE
Met behulp van de USER TYPE functie kunt u in elke afzonderlijke Patch
uw eigen oorspronkelijke harmonieën creëren en gebruiken.
OPEN-D
Deze stemming geeft bij het open spelen van de snaren
een D akkoord.
OPEN-E
Deze stemming geeft bij het open spelen van de snaren
een E akkoord.
OPEN-G
Deze stemming geeft bij het open spelen van de snaren
een G akkoord.
OPEN-A
Deze stemming geeft bij het open spelen van de snaren
een A akkoord.
DROP-D
Deze stemming verlaagt alleen de noot van de 6e snaar
(D).
D-MODAL
Wordt ook wel DADGAD stemming genoemd. Deze
stemming verlaagt de 6e, 2e en 1e snaar met één noot,
zodat de geluiden exotischer klinken.
-1 STEP
Deze stemming verlaagt de snaren met één halve toon.
Alle snaren worden met één halve toon verlaagd (komt
met één fret overeen).
-2 STEP
Deze stemming verlaagt de snaren met één hele toon.
Alle snaren worden met één hele toon verlaagd (komt
met twee frets overeen).
BARITONE
In deze stemming worden alle snaren met één reine
kwart verlaagd (vijf frets). Daarom is deze stemming
geschikt voor zware frasering.
NASHVL
Bij deze stemming worden de 6e, 5e, 4e en 3e snaar met
één octaaf verhoogd. Hierdoor lijkt het effect op het
geluid van een 12-snarige gitaar, waarbij alleen de
tweede snaar van het snarenpaar beschikbaar is.
-1 OCT
Deze stemming verlaagt alle snaren met één octaaf.
-2 OCT
Deze stemming verhoogt alle snaren met één octaaf.
HARMONY
Deze functie analyseert de toonhoogte van elke snaar, en past de
hoeveelheid toonverschuiving zo aan, dat de toonhoogtes in harmonieën worden omgezet, die met de toonsoort overeenkomen. In
combinatie met de USER TYPE functie kunt u in elke afzonderlijke
Patch alle gewenste harmonieën creëren en gebruiken.
Hiermee bepaalt u welk kanaal bij het instellen van
de Alternate Tuning parameter wordt gebruikt.
* Als AB LINK is ingeschakeld (ON), kunt u deze
parameter niet instellen.
DETUNE
Hiermee kunt u de toonhoogte van elke afzonderlijke snaar op subtiele wijze verschuiven.
Als u via zowel COSM GUITAR [A] als [B] geluiden speelt, zorgt
het inschakelen (ON) van de DETUNE functie voor één van de
kanalen ervoor dat de toonhoogte iets verandert, zodat u een effect
bereikt dat op een dubbele tracking lijkt, en het geluid breder en dieper van klank is.
Deze instelling schakelt de AB LINK in en uit. Als de
AB LINK is ingeschakeld (ON), kunt u voor de
onderstaande functies van zowel COSM GITAAR [A]
als COSM GITAAR [B] dezelfde instellingen gebruiken.
• TUNING
• 12-STRING
Deze verschuift de stemming van elke snaar in stappen van een
halve toon.
U kunt, terwijl u de gitaar in de standaard stemming laat staan
(EADGBE), zonder de daadwerkelijke stemming van de gitaar te
wijzigen, de stemming in een open stemming, zoals OPEN-D of
OPEN-G stemming, wijzigen, alle snaren met één octaaf verhogen of
verlagen, en diverse andere stemmingen gebruiken.
Als het type bij TUNING op iets anders is ingesteld dan een voorgeprogrammeerde stemming, kunt u naar wens met behulp van de
USER stemmingen tevens uw eigen stemmingen voor elke afzonderlijke Patch maken.
Met behulp van de TUNING functie kunt u de stemming tijdens
songs direct veranderen, zonder eerst van instrument te hoven veranderen. Bovendien u kunt tijdens uw uitvoering stemmingen,
waarin het eenvoudiger spelen is, zonder de snaarspanning te hoeven wijzigen.
Uitleg
COSM GUITAR
Parameter/
Bereik
USER
Uitleg
Hiermee wijst u de USER TUNING instelling toe als
stemming.
USER TUNING 1e–6de
-24–+24
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
OFF, ON
-50–+50
Hiermee bepaalt u de hoeveelheid toonverschuiving
van elke afzonderlijke snaar.
Deze instelling schakelt de BEND functie in en uit.
Hiermee bepaalt u de hoeveelheid toonverschuiving
van elke snaar, als de BEND parameter op 100 is ingesteld.
De hoeveelheid verschuiving ten opzichte van de huidige toonhoogte wordt op stappen van een halve toon
ingesteld.
BEND
0–100
Als deze parameter op 0 staat, zorgt het verbuigen van
de toon niet voor een verschuiving in toonhoogte; als
deze parameter op 100 is ingesteld, worden de toonhoogtes verschoven met de hoeveelheid, die bij de
BEND TUNING 1st-6th parameter is ingesteld.
Normaalgesproken staat de toonverbuiging op 0, en
wordt er gebruik gemaakt van de 0-100 instelling, die
door middel van de Control Assign functie is toegewezen.
* Deze instelling kan niet in Patches worden
opgeslagen. Zodra u van Patch wisselt, wordt deze
parameter op 0 teruggezet.
12STR (12-String)
SW
OFF, ON
-24–+24
HARMO (harmonie)
SW
OFF, ON
Deze parameter geeft het aantal halve tonen weer waarmee elke tweede snaar, ten opzichte van de bijbehorende hoofdsnaar, wordt verschoven.
C Am–B G#m
Deze parameter geeft het aantal centen (1 cent is 1/100
van een halve toon) weer waarmee elke tweede snaar,
ten opzichte van de bijbehorende hoofdsnaar, wordt
verschoven.
LEVEL 1e–6de
0–100
Past het volumeniveau van elke tweede snaar aan.
HARMO (harmonie)
-2oct–TONIC–
+2oct, USER
0–100ms
Past de delay tijd van elke tweede snaar aan, ten
opzichte van de bijbehorende hoofdsnaar.
Hiermee stelt u de toonhoogte van het harmonie interval ten opzichte van het ingevoerde geluid in.
Als deze parameter op USER is ingesteld, kunt u hem bij
USER INTERVAL op de gewenste harmonie instellen.
USER INTERVAL C–B
-24–+24
Hiermee stelt u voor de geselecteerde toonsoort de uitgaande toonhoogte ten opzichte van de ingaande toonhoogte in.
Harmonietoonladders creëren (User
Scale)
Als HARMO op een waarde tussen -2oct en +2oct is ingesteld, en de
harmonie niet zo klinkt als u wilt, gebruikt u een User toonladder. U
kunt voor elke ingaande toonhoogte de bijbehorende uitgaande
toonhoogtes instellen.
Ga naar het Harmony venster en stel HARMO op USER in.
1.
Druk op PAGE [
] om naar pagina 2 te gaan.
Het User Interval venster verschijnt.
fig.04-0100d
Bij conventionele 12-snarige gitaren worden de
1e en de 2e sub (tweede) snaar op dezelfde
toonhoogte gestemd als de hoofdsnaren, terwijl
de 3e tot en met de 6e snaar op één octaaf hoger
worden gestemd. Als u de FINE instellingen iets
verhoogt en wat delay toevoegt, krijgt u een
realistischer 12-snarig geluid.
DETUNE
SW
2.
Gebruik PAGE [
] [ ], [F1]-[F6] en de F1-F6
draaiknoppen om voor elke stem de hoeveelheid
toonverschuiving in te stellen.
117
Hoofdstuk 9
DELAY 1e–6de
Hiermee geeft u de toonsoort van de gespeelde song
aan.
Deze KEY parameter is hetzelfde als de Key
instelling in het [NAME/KEY/BPM] gedeelte (p.
163) en FX MOD1, 2 HARMONIST. Als u één van
deze instellingen wijzigt, verandert de toonsoort.
FINE 1e–6de
-50–+50
Deze instelling schakelt de HARMO functie in en uit.
KEY
Deze instelling schakelt de 12STR functie in en uit.
SHIFT 1e–6de
Hiermee bepaalt u de toonverschuiving in stappen van
één cent (1/100 halve toon).
Als u zowel COSM GITAAR [A] als COSM
GITAAR [B] gebruikt, geeft het licht
ontstemmen een effect dat op dubbele tracking
lijkt (een opnametechniek waarbij dezelfde
frase twee keer op afzonderlijke sporen wordt
opgenomen), zodat het geluid een bredere en
diepere klank krijgt.
Als u met behulp van PAN in het MIXER
gedeelte pan A op links en pan B op rechts zet,
wordt dit effect nog meer benadrukt.
BEND TUNING 1e–6de
-24–+24
Deze instelling schakelt de DETUNE functie in en uit.
1e–6de
BEND
SW
OFF, ON
Uitleg
Hoofdstuk 9 Parametergids
Poly
Poly FX (poly effect)
Parameter/
Bereik
Uitleg
POLYFX SW (poly effect schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het poly effect in/uit.
TYPE
POLY COMP
POLY DIST
POLY OCTAVE
POLY SG
Selecteert het type poly effect.
* Welke parameters u kunt instellen hangt van
het type af. Zie de afzonderlijke parameters
verderop in deze handleiding.
POLYFX CH (poly effect kanaal)
A, B
Hiermee selecteert u op welk kanaal de POLY
FX worden toegepast.
POLY COMP (poly compressor)
De compressor is een effect dat luide ingaande niveaus iets afzwakt
zachte ingaande niveaus versterkt, zodat het volume wordt
afgevlakt en er zonder vervorming sustain kan worden gecreëerd.
Parameter/
Bereik
Uitleg
POLY DIST (poly distortion)
U kunt het geluid van elke snaar afzonderlijke vervormen, zodat u
een geluid krijgt dat u akkoordsgewijs kunt spelen, zonder dat het
uit elkaar valt.
Parameter/
Bereik
Uitleg
MODE
Selecteert het type vervorming.
CLA OD
Er wordt een klassiek overdrive geluid bereikt.
TURBO OD
Hiermee kunt u, net als bij vervorming, een rijk
geluid creëren, zonder de subtiele nuance van
de overdrive kwijt te raken.
DS1
Hiermee krijgt u een standaard vervormd
geluid.
DS2
Hiermee krijgt u een vervormd geluid met een
rijk midden.
FUZZ
Hiermee creëert u een basaal ‘fuzz’ (wazig)
geluid.
DRIVE
0–100
Hiermee stelt u de mate geluidsvervorming in.
COMP TYPE
HIGH-CUT
Selecteert het type compressor.
700Hz–11.0kHz, FLAT
COMP
Het effect fungeert als compressor.
POLY BAL (poly balans)
LIMITR
Het effect fungeert als limiter.
0–100
SUSTAIN (COMP TYPE = COMP)
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarbinnen signalen van
een laag niveau worden versterkt. Hoe hoger de
waarde hoe langer de sustain.
Past de kracht van de pluk attack aan. Hoe hoger de
waarde, hoe scherper de attack, hoe helderder het
geluid wordt gedefinieerd.
THRSH (COMP TYPE = LIMITR)
0–100
Past het niveau aan, zodat de ingaande signalen van
de gitaar overeenstemmen. Signaalniveaus worden
onderdrukt, als de ingaande signalen het ingestelde
niveau overschrijden.
REL (COMP TYPE = LIMITR)
0–100
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf het
punt waarop de signalen onder de drempelwaarde
komen tot het moment waarop het effect niet meer
wordt toegepast.
TONE
-50–+50
Past de toon aan.
LEVEL
0–100
Past het volume aan.
COMP BAL (compressiebalans)
0–100
118
Past de balans van de ingaande niveaus van snaar 26 aan het ingaande niveau van snaar 1 aan. Als deze
parameter op 100 is ingesteld, worden alle snaren op
hetzelfde niveau ingevoerd. Het niveau van de 2e tot
en met de 6e snaar wordt verlaagd, naarmate de
waarde lager is.
Past voor akkoordspel de mate van vervorming
aan.
DRIVE BAL (drive balans)
0–100
ATTACK (COMP TYPE = COMP)
0–100
Past de toon van het vervormde geluid aan.
Past de mate van vervorming tussen de lage en
hoge snaren aan, zodat de volumebalans wordt
afgevlakt.
LEVEL
0–100
Past het uitgaande niveau aan, dat omhoog
gaat doordat het wordt vervormd.
Poly FX (poly effect)
Hoofdstuk 9
POLY OCTAVE (poly octave)
Dit effect ondersteunt een speltechniek op basis van octaven.
*
Als bij ALTERNATE TUNING de 12STR functie (p. 116) is
ingeschakeld (ON), kan er in het octaafgeluid ruis optreden.
Parameter/
Bereik
Uitleg
-1OCTAVE LEVEL 1e–6de
0–100
Deze voegt een geluid van één octaaf onder het
oorspronkelijke geluid toe.
+1OCTAVE LEVEL 1e–6de
0–100
Deze voegt een geluid van twee octaven onder
het oorspronkelijke geluid toe.
DIRECT LEVEL 1e–6de
0–100
Past het niveau van het oorspronkelijke geluid
aan.
POLY SG (poly slow gear)
Dit effect zorgt voor een aanzwellend volume (‘vioolachtig’ geluid).
Parameter/
Bereik
Uitleg
RISE TIME
0–100
Past de benodigde tijd aan, waarbinnen het
volume het maximum bereikt, gerekend vanaf
het moment dat u begint te spelen.
SENS (gevoeligheid)
0–100
Past de gevoeligheid aan.
Hoofdstuk 9
119
Hoofdstuk 9 Parametergids
FX (Effects)
FX (Effects)
COMP (Compressor)
OD/DS (Overdrive/Distortion)
Dit is een effect, dat, door het volumeniveau van het ingaande
signaal af te vlakken, een lange sustain voortbrengt. Als u alleen de
geluidspieken wilt onderdrukken en distortion wilt voorkomen kunt
u het effect in een limiter omzetten.
Dit effect vervormt het geluid om zo een langere sustain te creëren.
Het biedt 30 typen van vervorming en persoonlijke instellingen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
Schakelt het COMP effect in/uit.
TYPE
Uitleg
OD/DS SW
OFF, ON
COMP SW
OFF, ON
Parameter/
Bereik
Schakelt het OD/DS effect in.
TYPE
Selecteert het type vervorming.
BOOST
Dit is een booster, die erg goed werkt in combinatie met COSM versterkers.
Selecteert het type compressor.
COMP
Het effect fungeert als compressor.
BLUES OD
Dit is een crunch geluid van de BOSS BD-2.
LIMITR
Het effect fungeert als limiter.
CRUNCH
Een rijk crunch geluid, met een toegevoegde
versterker distortion.
NATURAL OD
Dit is een overdrive geluid, dat een distortion
met een natuurlijke klank voortbrengt.
TURBO OD
Dit is het hoge gain overdrive geluid van de
BOSS OD-2.
FAT OD
Dit is een mild overdrive geluid.
OD-1
Dit is het geluid van de BOSS OD-1.
T SCREAM
Hiermee moduleert u een Ibanez TS-808.
WARM OD
Overdrive met een speciale toon in het middengebied.
DIST
Dit effect geeft een basaal, traditioneel distortion geluid.
MILD DS
Dit is een distortion geluid dat een milde vervorming geeft.
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt waarop de signalen onder de drempelwaarde komen tot het moment waarop het
effect niet meer wordt toegepast.
DRIVE DS
Dit is een krachtig distortion geluid.
RAT
Hiermee moduleert u een Proco RAT.
GUV DS
Hiermee moduleert u een Marshall GUV’NOR.
DST+
Hiermee moduleert u een MXR DISTORTION+.
Past de toon aan.
SOLID DS
Dit is een distortion geluid met een ‘edge’
effect.
MID DS
Dit distortion geluid geeft een versterkt middengebied.
STACK
Een vet geluid met een toegevoegde stack versterker distortion.
MODERN DS
Geluid van een grote versterker met een hoge
gain.
POWER DS
Geluid van een Overdrive effect, dat door een
stack versterker heen gaat.
R-MAN
Hiermee moduleert u een ROCKMAN.
METAL ZONE
Dit is het geluid van de BOSS MT-2.
HEAVY METAL
Hiermee creëert u een zwaarder distortion
geluid.
LEAD
Zorgt voor een distortion geluid met zowel de
vloeiendheid van een overdrive als een diepe
distortion.
LOUD
Dit is een distortion geluid met een versterkt
laag gebied.
SHARP
Dit is een distortion geluid met een versterkt
hoog gebied.
SUSTAIN (TYPE = COMP)
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarbinnen signalen
van een laag niveau worden versterkt. Hoe
hoger de waarde hoe langer de sustain.
ATTACK (TYPE = COMP)
0–100
Past de kracht van de pluk attack aan. Hoe
hoger de waarde, hoe scherper de attack, hoe
helderder het geluid wordt gedefinieerd.
THRSH (TYPE = LIMITER)
0–100
Past het niveau aan, zodat de ingaande signalen
van de gitaar overeenstemmen. Signaalniveaus
worden onderdrukt, als de ingaande signalen
het ingestelde niveau overschrijden.
REL (TYPE = LIMITER)
0–100
TONE
-50–+50
LEVEL
0–100
120
Past het volume aan.
FX (Effects)
Parameter/
Bereik
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
Parameter/
Bereik
Uitleg
MECHANICAL
Dit distortion geluid versterkt zowel het laag
als het hoog gebied, zodat er een mechanisch
klinkende distortion wordt voortgebracht.
CUSTOM *1
TYPE
‘60S FUZZ
Hiermee moduleert u een FUZZFACE.
OCT FUZZ
Hiermee moduleert u een ACETONE FUZZ.
Hiermee selecteert u het basisgeluid, als de TYPE parameter op CUSTOM
is ingesteld.
MUFF FUZZ
Hiermee moduleert u een Electro-Harmonix
Big Muff {pi}.
CUSTOM
Past de diepte van de distortion aan.
BOTTOM
-50–+50
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
Als u deze naar links (tegen de klok in) draait,
krijgt u een geluid waarbij het lage gebied is
weg gefilterd; als u deze naar rechts draait, versterkt u het lage gebied van het geluid.
TONE
-50–+50
Past de toon aan.
EFFECT LEVEL
0–100
Dit is het geluid van de BOSS OD-1.
OD-2
OD-2. Dit is een overdrive geluid met een hoge
gain.
CRUNCH
Dit is een crunch geluid.
DS-1
Dit geeft een basaal, traditioneel distortion
geluid.
DS-2
Hiermee creëert u een zwaarder distortion
geluid.
METAL1
Dit is een metalen geluid met een karakteristiek
midden gebied.
METAL2
Hiermee creëert u een heavy metal geluid.
FUZZ
Hiermee creëert u een basaal, traditioneel fuzz
geluid.
Op maat gemaakte OD/DS
DRIVE
0–120
OD-1
Past het volume van het overdrive/distortion
geluid aan.
BOTTOM
-50–+50
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
Deze parameter regelt het lage frequentie
gebied van het ingaande geluid, en past de hoeveelheid distortion in het lage frequentie
gebied aan.
TOP
-50–+50
Deze parameter regelt het hoge frequentie
gebied van het ingaande geluid, en past de hoeveelheid distortion in het hoge frequentie
gebied aan.
LOW
-50–+50
Past de tonen in het lage gebied aan, nadat het
distortion effect is toegepast.
HIGH
-50–+50
*1
Past de tonen in het hoge gebied aan, nadat het
distortion effect is toegepast.
Instelling beschikbaar als TYPE op CUSTOM is ingesteld.
Hoofdstuk 9
121
Hoofdstuk 9 Parametergids
WAH
Parameter/
Bereik
Door het op de EXP PEDAL jack aangesloten EXP pedaal of het FC300 EXP pedaal te bedienen, kunt u het wah effect in Realtime
regelen.
Parameter/
Bereik
FX (Effects)
Uitleg
CUSTOM *1
TYPE
Hiermee selecteert u het basisgeluid, als de TYPE parameter op CUSTOM
is ingesteld.
CRY WAH
Hiermee moduleert u het geluid van het CRY
BABY wah pedaal, dat in de jaren 70 erg populair was.
VO WAH
Hiermee moduleert u het geluid van de VOX
V846.
FAT WAH
Dit is een wah geluid met een krachtige toon.
LIGHT WAH
Deze wah heeft een verfijnd, vloeiend geluid,
zonder ongewone kenmerken.
7STR WAH
Wah met een breder bereik aan variaties, voor
een zevensnarige gitaar.
WAH SW
OFF, ON
Schakelt het WAH effect in/uit.
TYPE
Selecteert het type wah.
CRY WAH
Hiermee moduleert u het geluid van het CRY
BABY wah pedaal, dat in de jaren 70 erg populair was.
VO WAH
Hiermee moduleert u het geluid van de VOX
V846.
FAT WAH
Dit is een wah geluid met een krachtige toon.
LIGHT WAH
Deze wah heeft een verfijnd geluid, zonder
ongewone kenmerken.
7STR WAH
Deze uitgebreide wah biedt een variabel bereik,
dat met zevensnarige en baritongitaren compatibel is.
RESO WAH
CUSTOM
Dit volledig oorspronkelijke effect biedt versterkingen van de karakteristieke resonantie,
die door analoge synthesizer filters worden
voortgebracht.
Op maat gemaakte wah.
Q
-50–+50
-50–+50
-50–+50
*1
0–100
122
Past het volume aan.
Selecteert welke toon er wordt voortgebracht,
wanneer het pedaal naar voren staat.
PRESENCE
0–100
LEVEL
Selecteert welke toon er wordt voortgebracht,
wanneer het pedaal naar achter staat.
Bereik HIGH
-50–+50
* Deze uitgebreide wah biedt een variabel
bereik, dat met zevensnarige en baritongitaren compatibel is.
Bepaalt hoeveel karakteristiek effect er op de
wah toon wordt toegepast.
Bereik LOW
PEDAL POS (pedaalpositie)
Past de positie van het wah pedaal aan.
Uitleg
Past de toonkwaliteit van het wah effect aan.
Instelling beschikbaar als TYPE op CUSTOM is ingesteld.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
EQ (equalizer)
DELAY
Deze past de toon aan als sub equalizer. Voor het hoog-midden en
laag-midden gebied is er een parametrisch type ingebouwd.
Dit effect voegt aan het droge geluid een vertraagd geluid toe, zodat
het geluid voller van klank wordt of u speciale effecten kunt creëren.
Parameter/
Bereik
Uitleg
Parameter/
Bereik
EQ SW (equalizer schakelaar)
DELAY SW
OFF, ON
OFF, ON
Schakelt het EQ effect in/uit.
Past het algemene volumeniveau van de EQ
aan.
LOW GAIN
-20–+20dB
Selecteert het type delay.
SINGLE
Dit is een eenvoudige mono delay.
PAN
Deze delay is specifiek bedoeld voor stereo uitvoer. U
kunt hiermee het tap delay effect bereiken, dat de delay
tijd verdeelt, en deze signalen dan afzonderlijk naar het
L en R kanaal versturen.
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-20–+20dB
fig.04-0050
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
TAP TIME
OUTPUT L
EFFECT
LEVEL
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Schakelt het DELAY effect in/uit.
DELAY TYPE
TOTAL GAIN
-20–+20dB
Uitleg
INPUT
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
-20–+20dB
20Hz–10.0kHz
STEREO
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
Het droge geluid wordt via het linker kanaal uitgevoerd, en het effect geluid wordt via het rechter kanaal
uitgevoerd.
DUAL-S (Dual Dit is een delay, die bestaat uit twee verschillende
Series)
delays in serieschakeling. Elke delay tijd kan binnen een
bereik van 1 ms tot 900 ms worden ingesteld.
fig.04-0060
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
D1
DUAL-P (Dual Dit is een delay, die bestaat uit twee verschillende
Parallel)
delays in parallelschakeling. Elke delay tijd kan binnen
een bereik van 1 ms tot 900 ms worden ingesteld.
fig.04-0070
D1
0.5–16
D2
DUAL-L/R
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-20–+20dB
FLAT, 55 Hz–800 Hz
fig04-0080
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen,
doordat het hoge component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als u
FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen effect.
D1
L
D2
R
REVRSE
Dit geeft een effect waarbij het geluid achterstevoren
wordt weergegeven.
ANALOG
Dit geeft een mild, analoog delay geluid. De delay tijd
kan binnen een bereik van 1 tot 1800 ms worden ingesteld.
TAPE
Deze instelling biedt het kenmerkende schommelende
geluid van de tape echo. De delay tijd kan binnen een
bereik van 1 tot 1800 ms worden ingesteld.
WARP
Dit effect regelt tegelijkertijd het feedbackniveau en het
volume van het delay geluid, zodat er een totaal onrealistische delay wordt voortgebracht.
LEVEL
DEPTH
INPUT
DELAY
OUTPUT
FB DEPTH
RISE TIME
123
Hoofdstuk 9
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie, een
helder, duidelijk laag creëert, waardoor het
hoge gebied van het effect extra wordt uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het low cut filter geen effect.
HIGH CUT (High Cut filter)
700 Hz–11kHz, FLAT
Dit is een delay, waarbij voor het linker en rechter
kanaal afzonderlijke instellingen beschikbaar zijn. Delay
1 gaat naar het linker kanaal, Delay 2 naar het rechter.
Past de toon van het hoog-midden frequentie
gebied aan.
LOW CUT (Low Cut filter)
D1: Delay 1
D2: Delay 2
D2
HIGH MID Q (hoge midden Q)
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
OUTPUT R
FEEDBACK
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
DELAY TIME
DELAY
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
FX (Effects)
PAN
Uitleg
MOD
(Modulate)
Deze delay voegt een prettig schommelend effect aan
het geluid toe.
HOLD
Er wordt maximaal 2,8 seconden aan uitvoeringsinhoud
opgenomen. Deze 2,8 seconden worden vervolgens herhaaldelijk afgespeeld. U kunt dit effect ook lagen, terwijl u iets anders speelt, en deze twee lagen vervolgens
ook samen opnemen (overdub opname), zodat u een
‘sound-on-sound’ of loop krijgt.
* Voor meer details over de functie, zie ‘De HOLD functie gebruiken
(Hold Delay)’ (p. 125.
* Als u van Patch wisselt, terwijl TYPE op DUAL-S, DUAL-P of
DUAL- L/R is ingesteld, en vervolgens direct na het wisselen van Patch
begint te spelen, is het mogelijk dat in het eerste gedeelte van uw
uitvoering nog niet het gewenste effect wordt behaald.
* Het stereo effect wordt geannuleerd als er na een stereo delay effect een
mono effect of COSM versterker is aangesloten.
Parameter/
Bereik
Uitleg
TAP TIME TYPE=PAN *1
0%–100%
Past de delay tijd van de delay van het linker
kanaal aan. Deze instelling past de delay tijd
van het L kanaal aan ten opzichte van de delay
tijd van het R kanaal (wordt als 100%
beschouwd).
DUAL-S, DUAL-P, DUAL-L/R
Parameter/
Bereik
Uitleg
DELAY1 TIME
1 ms–900 ms, BPM
– Hiermee bepaalt u de delay tijd.
BPM
DELAY algemene parameters
Parameter/
Bereik
Uitleg
DELAY TIME
1 ms–1800 ms, BPM
– Hiermee bepaalt u de delay tijd.
BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
* Als TYPE op DUAL-S, DUAL-P of DUAL- L/R is ingesteld, kan de
delay tijd op een willekeurige waarde tussen de 1 en 900 ms worden
ingesteld.
* Als u, nadat u DELAY TIME op BPM (
–
) heeft ingesteld, op
[F1] (TAP) tikt, verandert de BPM waarde op basis van de timing
waarop u heeft getikt.
FEEDBACK
0–100
Hiermee bepaalt u hoeveel delay geluid naar de
invoer teruggezonden wordt.
Hoe hoger de waarde hoe hoger het aantal
delay herhalingen.
Feedback is het naar de invoer terugzenden
van het delay signaal.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
* Als u, nadat u DELAY TIME op BPM (
–
) heeft ingesteld, op
[F1] (TAP) tikt, verandert de BPM waarde op basis van de timing
waarop u heeft getikt.
DELAY1 FEEDBACK
0–100
Past de hoeveelheid feedback van de Delay1
aan.
Hoe hoger de waarde, hoe vaker de delay
wordt herhaald.
DELAY HI-CUT (Delay 1 High Cut filter)
700 Hz–11 kHz, FLAT
Deze bepaalt de frequentie waarop het high cut
filter van de Delay1 begint te werken.
Als deze parameter op FLAT is ingesteld, is het
high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen
effect.
DELAY1 LEVEL
0–120
Past het volume van de Delay1 aan.
DELAY2 TIME
1 ms–900 ms, BPM
– Hiermee bepaalt u de delay tijd van de Delay2.
BPM
DELAY2 FEEDBACK
0–100
Past de hoeveelheid feedback van de Delay1
aan.
HIGH CUT (High Cut filter)
DELAY2 FEEDBACK (Delay 2 High Cut filter)
700 Hz–11 kHz, FLAT
700 Hz–11 kHz, FLAT
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen,
doordat het hoge component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als u
FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen effect.
EFFECT LEVEL
0–120
DELAY2 LEVEL
Past het volume van het delay geluid aan.
DIRECT LEVEL
0–100
124
Deze bepaalt de frequentie waarop het high cut
filter van de Delay2 begint te werken.
Als deze parameter op FLAT is ingesteld, is het
high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen
effect.
Past het volume van het droge geluid aan.
0–120
Past het volume van de Delay2 aan.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
WARP
Parameter/
Bereik
Uitleg
*
WARP SW
OFF, ON
Schakelt het WARP effect in/uit
Deze parameter is aan de
voetschakelaar (CTL 1/2, CTL 3/4)
en/of het CTL pedaal van de FC-300
toegewezen.
Past de snelheid waarmee het kromgetrokken
delay geluid omhoog gaat.
FEEDBACK DEPTH
0–100
Past het volume van het kromgetrokken delay
geluid aan.
MOD
Parameter/
Bereik
CTL4, etc
Uitleg
Past het modulatietempo van het delay geluid
aan.
MOD DEPTH (modulatie diepte)
0–100
Past de modulatiediepte van het delay geluid
aan.
TARGET PARAMETER
SW MODE
[A] FX (or [B] FX)
DELAY (HOLD)
REC
LATCH
[A] FX (or [B] FX)
DELAY (HOLD)
STOP
---
2.
Stel in het Delay venster TYPE op HOLD in.
3.
Druk op het pedaal waar REC aan is toegewezen.
Zodra u het pedaal indrukt, begint de opname.
4.
Druk nogmaals op het pedaal waar REC aan is toegewezen om
de opname te stoppen.
*
De maximale opnametijd bedraagt 2,8 seconden. Als de opnametijd
langer is dan 2,8 seconden, stopt de opname automatisch, en wordt de
opgenomen inhoud vervolgens afgespeeld.
*
Bij extreem korte opnametijden kunnen oscillerende geluiden
onhoorbaar worden.
MOD RATE (modulatietempo)
0–100
Zie ‘De geluiden met behulp van de schakelaars, pedalen en
MIDI regelen (CONTROL ASSIGN)’ (p. 82) en wijs de
volgende functies aan de aangesloten externe pedalen
(voetschakelaars) of FC-300 CTL pedalen toe.
CTL3, etc
Past het feedback niveau van het kromgetrokken delay geluid aan.
LEVEL DEPTH
0–100
1.
Terwijl de Hold functie in gebruik is, worden opnamen en weergaven
van uitvoeringen en overige handelingen uitgevoerd. Sluit externe
pedalen (voetschakelaars) of een FC-300 aan.
Controller
RISE TIME
0–100
De HOLD functie gebruiken (Hold
Delay)
5.
*
6.
Als u opnamen laagt, herhaalt u stap 4 en 5.
De opgenomen inhoud wordt gewist, als het TYPE of de Patch op
andere instellingen wordt gezet of het apparaat wordt uitgezet.
Om naar de opnameklaar modus terug te keren, drukt u op het
pedaal waar STOP aan is toegewezen.
Het apparaat keert in de opnameklaar toestand terug.
*
Als de weergave wordt gestopt, wordt de opgenomen inhoud gewist.
*
U kunt REC SW MODE ook op MOMENT instellen.
Als u deze instelling gebruikt, dient u er zeker van te zijn dat u tijdens
de opname het pedaal ingedrukt houdt.
Hoofdstuk 9
125
Hoofdstuk 9 Parametergids
FX (Effects)
CHORUS
REVERB
In dit effect wordt er aan het oorspronkelijke geluid een licht
ontstemd geluid toegevoegd, zodat het meer breedte een diepte
krijgt.
Dit effect voegt galm aan het geluid toe.
Parameter/
Bereik
Uitleg
Schakelt het CHORUS effect in/uit.
CHORUS MODE
Selectie van de chorus functie.
Uitleg
REVERB SW
OFF, ON
CHORUS SW
OFF, ON
Parameter/
Bereik
Schakelt het REVERB effect in/uit.
TYPE
Deze parameter selecteert het reverb type. Het apparaat biedt diverse
ruimtesimulaties.
AMB (Ambience)
Dit is een stereo chorus, die van ruimtelijke synthese gebruik maakt, waarbij het droge geluid
via het L kanaal wordt ingevoerd en het effect
geluid via het R kanaal wordt uitgevoerd.
Hiermee simuleert u een ambiance microfoon
(off-microfoon, op een afstand van de geluidsbron geplaatst), zoals veel gebruikt voor opnamen en andere toepassingen. In plaats van de
weergalm te benadrukken, wordt deze reverb
gebruikt om een gevoel van openheid en diepte
voort te brengen.
ROOM
Simuleert de weergalm van een kleine ruimte.
Geeft een warme galm.
HALL1
Simuleert de weergalm van een concertzaal.
Geeft een heldere en ruimtelijke galm.
Past het tempo van het chorus effect aan.
HALL2
Simuleert de weergalm van een concertzaal.
Geeft een warme galm.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
PLATE
Simuleert plaatweergalm (een galmapparaat
dat de vibratie van een metalen plaat gebruikt).
Geeft een metaalachtig geluid met een helder
hoog gebied.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
SPRING
Simuleert het geluid van de ingebouwde
springgalm van een gitaarversterker.
MOD (Modulate)
Deze galm voegt een schommelend geluid toe,
zoals bij een zaalgalm, om zo een extreem prettig galmgeluid toe te voegen.
MONO
Dit chorus effect voert via kanaal L hetzelfde
geluid uit als via kanaal R.
ST1 (Stereo1)
Dit is een stereo chorus effect, dat aan kanaal L
en R verschillende chorus geluiden toevoegt.
ST2 (Stereo2)
RATE
0–100,
BPM
–BPM
DEPTH
0–100
Past de diepte van het chorus effect aan.
Als u dit voor een dubbeleffect wilt
gebruiken, stelt u deze parameter op 0
in.
PRE DELAY
0.0 ms–40.0 ms
Past de tijd aan, die nodig is om het effectgeluid
uit te voeren, nadat het droge geluid is uitgevoerd. Als u een langere pre delay gebruikt,
kunt u een effect bereiken, waarbij het klinkt
alsof er meer dan één geluid tegelijk wordt
gespeeld (dubbeleffect).
LOW CUT (Low Cut filter)
FLAT, 55 Hz–800 Hz
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie, een
helder, duidelijk laag creëert, waardoor het
hoge gebied van het effect extra wordt uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het low cut filter geen effect.
REVERB TIME
0.1 s–10.0 s
Past de lengte (tijd) van de galm aan.
PRE DELAY
0 ms–100 ms
Past de tijd aan totdat het reverb geluid hoorbaar wordt.
LOW CUT (Low Cut filter)
FLAT, 55 Hz–800 Hz
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie, een
helder, duidelijk laag creëert, waardoor het
hoge gebied van het effect extra wordt uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het low cut filter geen effect.
High Cut (High Cut filter)
700 Hz–11 kHz, FLAT
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen,
doordat het hoge component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als u
FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen effect.
HIGH CUT (High Cut filter)
DENSTY (dichtheid)
700 Hz–11 kHz, FLAT
0–10
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen,
doordat het hoge component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als u
FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen effect.
0–100
126
0–100
Past het volume van het effectgeluid aan.
Past het volume van het effectgeluid aan.
DIRECT LEVEL
0–100
EFFECT LEVEL
Past de dichtheid van het reverb geluid aan.
EFFECT LEVEL
Past het volume van het droge geluid aan.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
MOD1, MOD2
PHASER
Met behulp van MOD1 en MOD2 kunt u uit de onderstaande lijst het
te gebruiken effect selecteren.
U kunt voor FX-1 en FX-2 hetzelfde effect selecteren.
Parameter/
Bereik
MOD TYPE
MOD1
MOD2
Common
Door aan het geluid gedeelten met gevarieerde fases toe te voegen,
zorgt het phaser effect ervoor dat het geluid een golvend, draaiend
karakter krijgt.
PHASER
Phaser
(p. 127)
FLANGR
Flanger
(p. 128)
TREML
Tremolo
(p. 128)
PAN
Pan
(p. 128)
T.WAH
Touch Wah
(p. 129)
AUTO WAH
Auto Wah
(p. 129)
OCTAVE
Octave
(p. 129)
PITCH SHIFT
Pitch Shifter
(p. 130)
HARMONIST
Harmonist
(p. 130)
PEDAL BEND
Pedal Bend
(p. 132)
2x2 CHORUS
2x2 Chorus
(p. 132)
RATE
ROTARY
Rotary
(p. 133)
0–100,
UNI-V
Uni-V
(p. 133)
BPM
VIB
Vibrato
(p. 133)
SLICER
Slicer
(p. 134)
HUMANIZER
Humanizer
(p. 134)
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
SLOW GEAR
Slow Gear
(p. 135)
DEFRET
Defretter
(p. 135)
FEEDBACKER
Feedbacker
(p. 135)
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
RING MOD
Ring Modulator
(p. 136)
DEPTH
ANTI FB
Anti Feedback
(p. 136)
0–100
ADV.COMP
Advanced Compressor
(p. 136)
LIMITR
Limiter
(p. 137)
MANUAL
SUB EQ
Sub Equalizer
(p. 137)
SUB DELAY
Sub Delay
(p. 138)
Parameter/
Bereik
TYPE
Bepaalt hoeveel stadia het phaser effect gebruikt.
4STG
Dit is een effect met vier fasen. Er wordt een
lichter phaser effect bereikt.
8STG
Dit is een effect met acht fasen. Het is een populair phaser effect.
12STG
Dit is een effect met twaalf fasen. Er wordt een
diep phaser effect bereikt.
BI-PHS
Dit is de phaser waarbij twee fase verschoven
circuits in serie zijn geschakeld.
Bepaalt het tempo van het rotatie effect.
–BPM
Bepaalt de diepte van het rotatie effect.
0–100
Past de middenfrequentie van het rotatie effect
aan.
RESO (resonantie)
0–100
Bepaalt de hoeveelheid resonantie (feedback).
Hoe hoger de waarde, hoe meer het effect
wordt benadrukt, hoe ongewoner het geluid.
Uitleg
MOD1 SW, MOD2 SW (functieschakelaar)
STEP RATE
OFF, ON
Off, 0–100,
Schakelt het MOD-1 (MOD-2) effect in/uit.
MOD 1 TYPE, MOD 2 TYPE (MODE Type)
see above
Uitleg
BPM
–BPM
Selecteert het te gebruiken effect.
Hiermee bepaalt u de cyclus van de stapfunctie,
die de rotatie wijzigt. Als deze parameter op
een hogere waarde wordt ingesteld, wordt de
wijziging fijner. Als u de Step functie niet
gebruikt, zet u deze parameter op Off.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
EFFECT LEVEL
0–100
Past het volume van de phaser aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
127
Hoofdstuk 9
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
Hoofdstuk 9 Parametergids
FX (Effects)
FLANGER
TREML (Tremolo)
Dit flanger effect geeft het geluid een draaiend, jet-vliegtuigachtig
karakter.
Een tremolo effect creëert een cyclische wijziging in volume.
Parameter/
Bereik
Uitleg
RATE
Past de curve van de volumewijziging aan.Hoe
hoger de waarde, hoe sneller de wijziging
plaatsvindt.
Bepaalt het tempo van het flanger effect.
–BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
Bepaalt de diepte van het flanger effect.
MANUAL
0 –100
Past de middenfrequentie, waarop het flanger
effect wordt toegepast aan.
Uitleg
WAVE SHAPE
0–100
0–100,
BPM
Parameter/
Bereik
RATE
0–100,
BPM
–BPM
Past de frequentie (snelheid) van de wijziging
aan.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
Past de diepte van het effect aan.
RESO (resonantie)
0–100
Bepaalt de hoeveelheid resonantie (feedback).
Hoe hoger de waarde, hoe meer het effect
wordt benadrukt, hoe ongewoner het geluid.
SEPARATION
0–100
Past de diffusie aan. Hoe hoger de waarde, hoe
hoger de mate van diffusie.
LOW CUT (Low Cut filter)
FLAT, 55 Hz–800 Hz
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie, een
helder, duidelijk laag creëert, waardoor het
hoge gebied van het effect extra wordt uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het low cut filter geen effect.
EFFECT LEVEL
0–100
Als bij stereo weergaven het volumeniveau van de linker en rechter
kant wisselend wijzigt, kunt u een effect bereiken, waarbij het lijkt
alsof het gitaargeluid tussen de luidsprekers heen en weer beweegt.
Parameter/
Bereik
Uitleg
WAVE SHAPE
0–100
Past de curve van de volumewijziging aan.
Hoe hoger de waarde, hoe sneller de wijziging
plaatsvindt.
RATE
0–100,
Past de frequentie (snelheid) van de wijziging
aan.
Past het volume van de flanger aan.
BPM
Past het volume van het droge geluid aan.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
DIRECT LEVEL
0–100
PAN
–BPM
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
Past de diepte van het effect aan.
* Als er een mono effect of na de COSM gitaar een COSM versterker
wordt aangesloten, wordt het pan effect geannuleerd.
128
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
T.WAH (Touch Wah)
U kunt een wah effect produceren, waarbij het filter wijzigt in reactie
op het gitaarniveau.
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
0–100
Past de hoeveelheid wah effect aan, die in het
gebied rond de referentiefrequentie wordt toegepast.
Hoe hoger de waarde, hoe sterker de toon, die
het wah effect meer benadrukt. Bij een waarde
van 50 wordt er een standaard wah voortgebracht.
Uitleg
MODE
Selecteert de wah functie.
LPF
(Low Pass Filter)
Dit filter creëert een wah effect over een breed
frequentie gebied.
BPF
(Band Pass Filter)
Dit filter creëert een wah effect over een smal
frequentie gebied.
POLARITY
Selecteert de richting waarin het filter in respons op de invoer wijzigt.
UP
De frequentie van het filter gaat omhoog.
DOWN
De frequentie van het filter gaat omlaag.
SENS (gevoeligheid)
0–100
Past de gevoeligheid aan waarmee het filter, in
de door de polariteit bepaalde richting, wijzigt.
Hoe hoger de waarde, hoe sterker de respons.
Bij een instelling van 0 heeft de kracht waarmee
u de snaren aanslaat geen effect.
FREQ (frequentie)
0–100
Past de middenfrequentie van het wah effect
aan.
Hoe hoger de waarde, hoe sterker de toon, die het wah effect meer benadrukt.
Past de manier aan waarop het wah effect op
het gebied rond de middenfrequentie wordt
toegepast. Bij een waarde van 50 wordt er een
standaard wah voortgebracht.
LEVEL
0–100
Past het volume van hef effectgeluid aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
AUTO WAH
Deze wijzigt de filtering over een periodieke cyclus, waardoor er een
automatisch wah effect wordt toegepast.
Parameter/
Bereik
RATE
0–100,
BPM
–BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
Past de diepte van het effect aan.
LEVEL
0–100
Past het volume van hef effectgeluid aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
Uitleg
Dit effect voegt een noot op een octaaf lager toe, zodat het geluid
rijker wordt.
*
Vanwege het feit dat de toonhoogte moet worden geanalyseerd, kunnen
er geen akkoorden (twee of meer geluiden tegelijkertijd gespeeld)
worden gespeeld.
Parameter/
Bereik
Hiermee bepaalt u binnen welk register het effect wordt toegepast.
Bereik1
B1 (komt met het geluid van een open 7e snaar
overeen) tot E6 (komt overeen met het geluid
van de 1e snaar op de 24e fret gespeeld).
Bereik2
B1 (komt met het geluid van een open 7e snaar
overeen) tot E5 (komt overeen met het geluid
van de 1e snaar op de 12e fret gespeeld).
Bereik3
B1 (komt met het geluid van een open 7e snaar
overeen) tot E4 (komt overeen met het geluid
van een open gespeelde 1e snaar).
Bereik4
B1 (komt met het geluid van een open 7e snaar
overeen) tot E3 (komt overeen met het geluid
van de 4e snaar op de 2e fret gespeeld).
LPF
(Low Pass Filter)
Dit filter creëert een wah effect over een breed
frequentie gebied.
BPF
(Band Pass Filter)
Dit filter creëert een wah effect over een smal
frequentie gebied.
FREQ (frequentie)
Past de middenfrequentie van het wah effect
aan.
OCTAVE LEVEL
0–100
Past het volume van het geluid één octaaf lager
aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
PEAK
129
Hoofdstuk 9
Selecteert de wah functie.
Uitleg
Bereik
MODE
0–100
Past de frequentie (snelheid) van de wijziging
aan.
OCTAVE
PEAK
0–100
Uitleg
Hoofdstuk 9 Parametergids
FX (Effects)
PITCH SHIFT (Pitch Shifter)
HARMONIST
Dit effect verschuift de toonhoogte van het oorspronkelijke geluid
(omhoog of omlaag), binnen een bereik van twee octaven.
Harmonist is een effect waarbij de hoeveelheid verschuiving volgens
een analyse van de gitaarinvoer wordt aangepast, zodat u op basis
van diatonische ladders harmonieën kunt creëren.
Parameter/
Bereik
Uitleg
*
Vanwege het feit dat de toonhoogte moet worden geanalyseerd, kunnen
er geen akkoorden (twee of meer geluiden tegelijkertijd gespeeld)
worden gespeeld.
Bepaalt het aantal stemmen van het toonverschoven geluid.
*
U kunt het Harmonist effect niet gebruiken, als het geluid via USB IN
wordt ingevoerd.
VOICE
1VOICE
Eén stem toonverschoven geluid, uitgevoerd in
mono.
2MONO
Twee stemmen toonverschoven geluid (PS1,
PS2), uitgevoerd in mono.
2ST (2Stereo)
Twee stemmen toonverschoven geluid (PS1,
PS2), uitgevoerd via het linker en het rechter
kanaal.
Parameter/
Bereik
KEY
C (Am)–B (G#m)
LEVEL1, LEVEL2 *1
0–100
Past het volume van het toonverschoven geluid
aan.
DIRECT LEVEL
0–100
PITCH SHIFT1, PITCH SHIFT2
MODE1, MODE2 *1
Selecteert de toonverschuiverfunctie.
MONO
PITCH 1, PITCH2 *1
-24–+24
Mineur
Majeur
Mineur
Het interval op verfijnde wijze aanpassen.
De hoeveelheid van een Fine100 wijziging is
gelijk aan die van een Pitch1 wijziging.
PRE DELAY1, PRE DELAY2 *1
BPM
Majeur
De hoeveelheid toonverschuiving (het interval)
aanpassen in stappen van een halve toon.
FINE1, FINE2 *1
0 ms –300 ms, BPM
De KEY instelling komt als volgt met de toonsoort van de song (#, b) overeen.
MONO wordt gebruikt voor het invoeren van
losse noten.
* Wanneer u akkoorden speelt (twee of meer
noten tegelijk gespeeld), kan het zijn dat u het
gewenste effect niet bereikt.
-50–+50
– Past de tijd aan, vanaf het moment waarop het
droge geluid hoorbaar is, totdat de toonverschoven geluiden worden ingevoerd. Normaalgesproken laat u deze parameter op 0 ms staan.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
VOICE
Selecteert het aantal stemmen van het toonverschoven geluid.
1VOICE
Eén stem toonverschoven geluid, uitgevoerd in
mono.
2MONO
Twee stemmen toonverschoven geluid (PS1,
PS2), uitgevoerd in mono.
2ST (2Stereo)
Twee stemmen toonverschoven geluid (PS1,
PS2), uitgevoerd via het linker en het rechter
kanaal.
FEEDBACK1
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
0–100
FEEDBACK1
0–100
0–100
*1
Past de hoeveelheid feedback van het toonverschoven geluid aan.
Als VOICE op 2MONO of 2ST is ingesteld, kunt u twee
geluiden selecteren.
130
Geef de toonsoort van de song, die u speelt,
aan. Door de toonsoort aan te geven kunt u harmonieën creëren, die in de toonsoort van de
song passen.
Deze KEY parameter is hetzelfde als de
Key instelling van het [NAME/KEY/
BPM] gedeelte (p. 163) en FX MOD1, 2
HARMONIST. Als u één van deze
instellingen wijzigt, verandert de
toonsoort.
Past het volume van het droge geluid aan.
FAST, MEDIUM, SLOW Er kan een akkoord worden ingevoerd, met een
normale toonverschuiver. De respons wordt op
volgorde van FAST, MEDIUM en SLOW steeds
langzamer, maar de modulatie wordt op
dezelfde volgorde verminderd.
Uitleg
Past de hoeveelheid feedback van het harmonist geluid aan.
DIRECT LEVEL
Past het volume van het droge geluid aan.
FX (Effects)
Parameter/
Bereik
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
HARMONY1, HARMONY2 *1
HARM1, HARM2 (harmonie) *1
Deze bepaalt de toonhoogte van het geluid, dat bij het maken van een harmonie aan het ingaande geluid wordt toegevoegd.
-2 oct–+2 oct,
USER
Hiermee kunt u het geluid maximaal 2 octaven
lager instellen dan het ingaande geluid. Als de
toonladder op USER is ingesteld, bepaalt deze
welk gebruikertoonladdernummer wordt
gebruikt.
PRE DELAY1, PRE DELAY2 *1
0 ms–300 ms, BPM
BPM
– Past de tijd aan, vanaf het moment waarop het
droge geluid hoorbaar is, totdat de toonverschoven geluiden worden ingevoerd. Normaalgesproken laat u deze parameter op 0 ms staan.
Harmonist toonladders creëren
(User Scale)
Als u HARM op een willekeurige waarde tussen -2oct en +2oct
instelt, en de harmonie niet zo klinkt als u wilt, kunt u een User
toonladder gebruiken.
U kunt voor elke ingaande toonhoogte de bijbehorende uit te voeren
toonhoogtes instellen.
1.
Ga naar het Harmonist venster en stel HARM1 (of HARM2)
op USER in.
2.
Gebruik PAGE [
] om VOICE1 INTERVAL (of VOICE2
INTERVAL) te selecteren.
Het Voice Interval venster verschijnt.
fig.04-0100d
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
LEVEL1, LEVEL2 *1
0–100
3.
Gebruik PAGE [
] [ ], [F1]-[F6] en de F1-F6
draaiknoppen om voor elke stem de hoeveelheid
toonverschuiving in te stellen.
Past het volume van het harmoniegeluid aan.
VOICE1 INTERVAL C–B, VOICE2 INTERVAL C–B *2
-24–+24
Bepaalt de uitgaande toonhoogte van de ingestelde toonsoort, ten opzichte van de ingaande
toonhoogte.
*1
HARM1 en HARM2 worden afzonderlijk ingesteld.
*2
VOICE1 INTERVAL (VOICE2 INTERVAL) is ingeschakeld, als
u HARM1 (HARM2) op USER heeft ingesteld.
Hoofdstuk 9
131
Hoofdstuk 9 Parametergids
PEDAL BEND
Met behulp van dit effect kunt u het pedaal gebruiken om een
toonverbuigingseffect te creëren.
*
Vanwege het feit dat de toonhoogte moet worden geanalyseerd, kunnen
er geen akkoorden (twee of meer geluiden tegelijkertijd gespeeld)
worden gespeeld.
FX (Effects)
Parameter/
Bereik
Uitleg
LOW DEPTH
0–100
Past de diepte van het chorus effect aan voor
het lage frequentie gebied. Als u dit als dubbeleffect wilt gebruiken, stelt u deze parameter op
0 in.
LOW PREDLY (lage pre delay)
‘Hoofdstuk 5 De VG-99 in combinatie met een FC-300
gebruiken’ (p. 52).
Parameter/
Bereik
Uitleg
PITCH MIN (minimale toonhoogte)
-24–+24
Hiermee bepaalt u de toonhoogte van het punt
waarop het expressiepedaal helemaal omhoog
staat.
PITCH MAX (maximale toonhoogte)
-24–+24
Hiermee bepaalt u de toonhoogte van het punt
waarop het expressiepedaal helemaal is ingedrukt.
PEDAL POS (pedaalpositie)
0–100
Past de pedaalpositie voor de pedaalverbuiging aan.
* Deze parameter wordt gebruikt, nadat deze
aan een expressiepedaal of soortgelijke
regelaar is toegewezen.
0–100
Past het volume van het effectgeluid in het lage
frequentie gebied aan.
HIGH RATE
0–100,
BPM
–BPM
0–100
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
HIGH DEPTH
0.0 ms–40.0 ms
2x2 CHORUS
Er wordt frequentiebandverdeling gebruikt om voor zowel het
linker als het rechter kanaal twee verschillende chorus effecten voort
te brengen, één voor lage frequenties en één voor hogere frequenties
(in totaal vier stuks). Hiermee kunt u een natuurlijker chorus geluid
creëren.
Uitleg
X-OVER FREQ (Crossover frequentie)
100 Hz–4.00 kHz
Deze bepaalt de frequentie waarop het lage frequentie gebied en het hoge frequentie gebied
worden gescheiden.
LOW RATE
0–100,
BPM
–BPM
Past de snelheid van het chorus effect aan voor
het lage frequentie gebied.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
132
Past de diepte van het chorus effect aan voor
het hoge frequentie gebied. Als u dit als dubbeleffect wilt gebruiken, stelt u deze parameter op
0 in.
HIGH PREDLY (hoge pre delay)
Past het volume van het droge geluid aan.
Parameter/
Bereik
Past de snelheid van het chorus effect aan voor
het hoge frequentie gebied.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
Past het volume van het toonverbogen geluid
aan.
DIRECT LEVEL
Past de delay van het effectgeluid aan in het
lage frequentie gebied.
Hoe langer de pre-delay, hoe meer u het idee
krijgt dat er meerdere geluiden klinken (dubbeleffect).
LOW LEVEL
0–100
EFFECT LEVEL
0–100
0.0 ms–40.0 ms
Past de delay van het effectgeluid aan in het
hoge frequentie gebied.
Hoe langer de pre-delay, hoe meer u het idee
krijgt dat er meerdere geluiden klinken (dubbeleffect).
HIGH LEVEL
0–100
Past het volume van het effectgeluid in het hoge
frequentie gebied aan.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
ROTARY
VIB (Vibrato)
Hiermee creëert u een effect dat op het geluid van een roterende
luidspreker lijkt.
Dit effect creëert een vibrato, door de toonhoogte iets te moduleren.
Parameter/
Bereik
Uitleg
SPEED
SLOW, FAST
BPM
–BPM
Deze parameter past de rotatiesnelheid aan, als
deze op Slow is ingesteld.
RATE FAST
0–100,
BPM
–BPM
Deze parameter past de rotatiesnelheid aan, als
deze op Fast is ingesteld.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
BPM
Past het tempo van het vibrato aan.
–BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
0–100
Deze parameter bepaalt hoe lang het bij het
omschakelen van Slow naar Fast duurt voordat de
rotatiesnelheid wijzigt.
FALL TIME
Deze parameter bepaalt hoe lang het bij het
omschakelen van Fast naar Slow duurt voordat de
rotatiesnelheid wijzigt.
DEPTH
0–100
Hiermee bepaalt u de tijd, gerekend vanaf het
moment dat de trigger wordt ingeschakeld totdat het ingestelde vibrato wordt bereikt.
* Als er een Patch wordt opgevraagd waarvan
de TRIG parameter is ingeschakeld (ON),
vindt exact hetzelfde effect plaats, als
wanneer u TRIG van OFF op ON zet. Als u
wilt dat het vibrato effect direct na het
wisselen van Patch wordt voortgebracht, stelt
u RISE TIME op 0 in.
RISE TIME
0–100
Past de diepte van het vibrato aan.
RISE TIME
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
0–100
Uitleg
RATE
0–100,
Deze parameter wijzigt de rotatiesnelheid van de
gesimuleerde luidspreker (langzaam of snel).
RATE SLOW
0–100,
Parameter/
Bereik
TRIG (Trigger)
OFF, ON
Deze parameter schakelt het vibrato in/uit. Er
wordt van uitgegaan dat deze parameter aan de
voetschakelaar wordt toegewezen (p. 49).
Deze parameter past de hoeveelheid diepte in het
rotatie effect aan.
UNI-V
Hiermee moduleert u het geluid van de Uni-vibe.
Hoewel dit hetzelfde soort effect is als een phaser, kenmerkt deze
functie zich door een uniek draaiend effect, dat u met een gewone
phaser niet kunt bereiken.
Parameter/
Bereik
Uitleg
RATE
BPM
Past het tempo van het Uni-V effect aan.
Hoofdstuk 9
0–100,
–BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
DEPTH
0–100
Past de diepte van het Uni-V effect aan.
LEVEL
0–100
Past het volume aan.
133
Hoofdstuk 9 Parametergids
FX (Effects)
SLICER
HUMANIZER
Dit effect onderbreekt het geluid achtereenvolgens, zodat de indruk
ontstaat dat er een ritmische achtergrondfrase wordt gespeeld.
Dit effect kan menselijke klinkerachtige geluiden creëren.
Parameter/
Bereik
Uitleg
PATTERN
P1–P20
Parameter/
Bereik
Uitleg
MODE
Hiermee bepaalt u welke functie de klinkers wisselt.
Hiermee bepaalt u met gebruik van welk slice
patroon het geluid wordt onderbroken.
PICK (Picking)
Hij wijzigt op basis van het plukken van klinker
1 naar klinker 2. De RATE parameter bepaalt
hoe lang de wijziging duurt.
Hiermee past u het tempo aan waarop het
geluid wordt onderbroken.
AUTO
Door het tempo (RATE) en de diepte (DEPTH)
aan te passen, kunnen er twee klinkers (Vowel
1 en Vowel 2) worden gewisseld.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
RANDOM
Vijf klinkers (A, E, I, O, U) worden willekeurig
opgevraagd door het tempo en de diepte opgevraagd.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
A, E, I, O, U
RATE
0–100,
BPM
–BPM
TRIG SENS (trigger gevoeligheid)
0–100
Hiermee past u de triggergevoeligheid aan.
Als deze parameter op een lage waarde is ingesteld, zorgen zacht gespeelde noten er niet voor
dat de frase opnieuw wordt getriggerd (d.w.z.,
de frase blijft spelen), maar bij krachtig
gespeelde noten wordt de frase opnieuw
getriggerd, zodat hij weer vanaf het begin gaat
spelen. Bij hoge instellingen van deze parameter wordt de frase zelfs bij zacht gespeelde
noten opnieuw getriggerd.
VOWEL1 *1
Selecteert de eerste klinker.
VOWEL2 *1
A, E, I, O, U
Selecteert de tweede klinker.
SENS (gevoeligheid) *2
0–100
Past de gevoeligheid van de humanizer.
Als deze op een lagere waarde wordt gezet,
geeft een zwakkere aanslag geen effect, terwijl
bij krachtigere aanslag effect wordt bereikt.
Als deze op een hogere waarde wordt ingesteld, kan er met zowel een zwakke als krachtige aanslag een humanizer effect worden
bereikt.
RATE
0–100,
BPM
–BPM
Past de cyclus waarover de twee klinkers wijzigen aan.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
MANUAL *3
0–100
Deze parameter bepaalt op welk punt er tussen
de twee klinkers wordt gewisseld. Als deze op
50 is ingesteld, duurt de wisseling naar klinker
1 even lang als die naar klinker 2. Als deze parameter op een lagere waarde is ingesteld, is de
tijd voor klinker 1 korter.
Als deze parameter op een hogere waarde is
ingesteld, is de tijd voor klinker 1 langer.
DEPTH
0–100
Past de diepte van het effect aan.
LEVEL
0–100
134
Past het volume aan.
*1
Instelling die beschikbaar is, als MODE op PICK of AUTO is
ingesteld.
*2
Instelling die beschikbaar is, als MODE op PICK is ingesteld.
*3
Instelling die beschikbaar is, als MODE op AUTO is ingesteld.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
SLOW GEAR
FEEDBACKER
Dit effect geeft een aanzwellend volume effect (vioolachtig geluid).
Hiermee kunt u feedback speltechnieken gebruiken.
Parameter/
Bereik
SENS (gevoeligheid)
0–100
Houd er rekening mee dat de noten waarop u feedback wilt toepassen
los en zuiver gespeeld moeten worden.
*
Met behulp van de voetschakelaar kunt u het effect in en uitschakelen.
Voor meer details, zie p. 49.
Past de gevoeligheid aan.
RISE TIME
0–100
*
Uitleg
Past de tijd aan, gerekend vanaf het moment
dat u begint te spelen, tot het moment waarop
het volume het maximum bereikt.
Parameter/
Bereik
MODE
OSC (Oscillator)
Er wordt interne een kunstmatig feedback
geluid gecreëerd.
Als u OSC heeft geselecteerd, wordt het effect
na het spelen van een losse noot en het stabiliseren van de noot geactiveerd. Als het effect
inschakelt, wordt er een feedback effect
gecreëerd; als het OSC effect wordt uitgeschakeld, verdwijnt de feedback.
NATURAL
Analyseert de toonhoogte van het ingevoerde
gitaargeluid, en creëert vervolgens een feedback geluid.
DEFRET
Hiermee simuleert u een fretloze gitaar.
Parameter/
Bereik
Uitleg
TONE
-50–+50
Past de mate waarin de tonen in elkaar overlopen.
SENS (gevoeligheid)
0–100
0–100
Past de attack van het plukgeluid aan.
DEPTH
0–100
RISE TIME *1
0–100
Hiermee bepaalt u hoe lang het duurt, gerekend vanaf het moment dat het effect is ingeschakeld, totdat het volume van het feedback
geluid het maximum bereikt.
Hiermee regelt u de invoergevoeligheid van de
defretter.
ATTACK
RISE TIME+ *1
0–100
Hiermee bepaalt u hoe lang het duurt, gerekend vanaf het moment dat het effect wordt
ingeschakeld, totdat het volume van het feedback geluid één octaaf hoger het maximum
bereikt.
Regelt het volume van de harmonieën.
RESO (resonantie)
0–100
Voegt een karakteristieke resonante kwaliteit
aan het geluid toe.
Uitleg
FB LEVEL (feedback niveau)
EFFECT LEVEL
0–100
0–100
FB LEVEL+ (feedback niveau+) *1
Past het volume van het defretter geluid aan.
0–100
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het feedbackgeluid aan.
Past het volume van het droge geluid aan.
Past het volume van het feedback geluid één
octaaf hoger aan.
VIB RATE (vibrato tempo) *1
0–100,
BPM
–BPM
Past het tempo van het vibrato aan, wanneer de
feedbacker is ingeschakeld.
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
VIB DEPTH (vibrato diepte) *1
0–100
*1
Past de diepte van het vibrato aan, wanneer de
feedbacker is ingeschakeld.
Instelling beschikbaar, als MODE op OSC is ingesteld.
135
Hoofdstuk 9
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
Hoofdstuk 9 Parametergids
RING MOD (ringmodulator)
Hiermee creëert u een belachtig geluid, door het gitaargeluid met het
signaal van de interne oscillator rond te laten moduleren. Het geluid
kan onmuzikaal lijken en bepaalde toonhoogtes missen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
MODE
Hiermee selecteert u de functie van de ringmodulator.
FX (Effects)
ADV.COMP (geavanceerde
compressor)
Dit is een effect dat, door het volumeniveau van het ingaande
signaal af te vlakken, een lange sustain geeft. U kunt het effect ook
als limiter gebruiken, en zo alleen geluidspieken onderdrukken en
distortion te voorkomen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
NORMAL
Dit is een normale ringmodulator.
TYPE
INTELLIGENT
Door het ingaande signaal rond te laten moduleren, wordt er een belachtig geluid gecreëerd.
De intelligente ringmodulator wijzigt de oscillatiefrequentie op basis van de toonhoogte van
het ingaande geluid, en geeft daarom een
geluid met een toonhoogtegevoel, die erg
anders is dan bij de NORMAL instelling. Dit
effect geeft geen bevredigend resultaat, als de
toonhoogte van het gitaargeluid niet goed kan
worden opgespoord. U dient daarom losse
noten in te voeren, geen akkoorden.
Selecteert het type compressor.
BOSS COMP
Hiermee moduleert u een BOSS C5-3.
HIBAND
Dit is een compressor, die een nog krachtiger
effect in het hoge gebied.
LIGHT
Dit is een compressor met een licht effect.
D-COMP
Hiermee moduleert u een MXR DynaComp.
OBereik
Deze wordt gemoduleerd naar het geluid van
de Dan Armstrong ORANGE SQUEEZER.
FAT
Als dit compressor effect op zware wijze wordt
toegepast, biedt het een vette toon met een versterkt middengebied.
MILD
Als dit compressor effect op zware wijze wordt
toegepast, biedt het een zoete toon met een verminderd hoog gebied.
STEREO COMP
Hiermee selecteert u een stereo compressor.
FREQ (frequentie)
0–100
Past de frequentie van de interne oscillator aan.
EFFECT LEVEL
0–100
Past het volume van het effectgeluid aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
ANTI FB (anti-feedback)
Deze voorkomt de akoestische feedback, die door de resonantie van
de klankkast van de gitaar kan worden veroorzaakt.
Parameter/
Bereik
Uitleg
FREQ1–3 (frequentie 1–3)
0–100
Bepaalt het vaste frequentiepunt, waarop de
feedback wordt geannuleerd.
U kunt maximaal drie annuleringspunten
instellen.
DEPTH1–3
0–100
136
Bepaalt de mate van de anti-feedback op elk
van de drie annuleringspunten.
SUSTAIN
0–100
Past het bereik (tijd) aan waarbinnen signalen
van een laag niveau worden versterkt. Hoe
hoger de waarde hoe langer de sustain.
ATTACK
0–100
Past de kracht van de pluk attack aan. Hoe
hoger de waarde, hoe scherper de attack, hoe
helderder het geluid wordt gedefinieerd.
TONE
-50–+50
Past de toon aan.
LEVEL
0–100
Past het volume aan.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
LIMITR (limiter)
SUB EQ (sub equalizer)
De limiter zwakt luide niveaus af, om zo distortion te voorkomen.
Hiermee past u de toon aan als sub EQ. Voor het hoog-midden en
laag-midden gebied is er een parametrisch type ingebouwd.
Parameter/
Bereik
Uitleg
TYPE
Parameter/
Bereik
Selecteert het type limiter.
TOTAL GAIN
BOSS LIMITR
Hiermee selecteert u een stereo limiter.
-12–+12dB
RACK 160D
Hiermee moduleert u een dbx 160X.
VTG RACK U
Hiermee moduleert u een UREI 1178.
ATTACK
0–100
THRSH (drempel)
0–100
Pas deze op het ingaande signaal van uw gitaar
aan. Als het ingaande signaalniveau over het
drempelniveau heen gaat, wordt het limiter
effect toegepast.
RATIO
1: 1–∞: 1
REL (release)
0–100
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt waarop het signaalniveau onder de
drempelwaarde komt tot het moment waarop
het limiter effect volledig is verwijderd.
LEVEL
0–100
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
Hiermee bepaalt u welke compressieverhouding op signalen, die boven het drempelniveau
liggen, wordt toegepast.
Past het algemene volumeniveau van de EQ
aan.
LOW GAIN
-12–+12dB
Past de kracht van de pluk attack aan. Hoe
hoger de waarde, hoe scherper de attack, hoe
helderder het geluid wordt gedefinieerd.
Uitleg
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de LOW MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Past het volume aan.
Bepaalt het midden van het frequentie gebied,
dat door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door de
EQ, die op de HIGH MID FREQ wordt gecentreerd, wordt beïnvloed.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het hoog-midden frequentie
gebied aan.
LOW CUT (Low Cut filter)
FLAT, 55 Hz–800 Hz
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie, een
helder, duidelijk laag creëert, waardoor het
hoge gebied van het effect extra wordt uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het low cut filter geen effect.
700 Hz–11 kHz, FLAT
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen,
doordat het hoge component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als u
FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het geen effect.
137
Hoofdstuk 9
HIGH CUT (High Cut filter)
Hoofdstuk 9 Parametergids
SUB DELAY (sub delay)
Dit is een delay met een maximale delay tijd van 400 ms. Dit effect is
handig voor wanneer u het geluid vetter wilt maken.
Parameter/
Bereik
Uitleg
DELAY TIME
1 ms–400 ms, BPM
– Past de delay tijd aan.
BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde ingesteld (p. 163).
Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
* Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode van 1/2 of 1/4 van
deze tijd gesynchroniseerd.
FX (Effects)
NS (ruisonderdrukker)
Dit effect vermindert de ruis en het bromgeluid, dat gitaarelementen
oppikken. Aangezien het de ruis synchroon met de envelope van het
gitaargeluid (de manier waarop het gitaargeluid over een bepaalde
tijd wegsterft) onderdrukt, heeft het heel weinig effect op het
gitaargeluid zelf, en wordt het natuurlijke karakter van het geluid
niet negatief beïnvloed.
*
Sluit de ruisonderdrukker in het signaalpad voor het galmeffect aan.
Deze installatie voorkomt een natuurlijke breuk van het galmeffect.
Parameter/
Bereik
NS SW (ruisonderdrukker schakelaar)
OFF, ON
0–100
FEEDBACK
Past het volume aan, dat naar de invoer wordt
teruggestuurd.
Feedback verwijst naar het terugsturen van het
vertraagde signaal naar de invoer van de delay.
Hogere instellingen zorgen voor meer delay
herhalingen.
EFFECT LEVEL
0–120
Schakelt het NS effect in/uit.
THRSH (drempel)
* Als u, nadat u DELAY TIME op BPM (
–
) heeft ingesteld, op
[F1] (TAP) tikt, verandert de BPM waarde op basis van de timing
waarop u heeft getikt.
0–100
Uitleg
Pas deze parameter aan op basis van het
volume van de ruis. Als het ruisniveau hoog is,
kiest u voor een hogere instelling. Als het ruisniveau laag is, voldoet een lagere instelling. Pas
deze waarde zo aan dat de Decay van het
gitaargeluid zo natuurlijk mogelijk is.
* Hogere instellingen voor de drempelparameter kunnen ervoor zorgen, dat er geen
geluid wordt voortgebracht, wanneer tijdens
uw spel het gitaarvolume omlaag is gedraaid.
REL (release)
0–100
Past het volume van het delay geluid aan.
Past de hoeveelheid tijd aan, gerekend vanaf
het punt waarop de ruisonderdrukker wordt
toegepast tot het moment waarop het volume
volledig is verminderd.
DETECT
Deze parameter regelt de ruisonderdrukker op basis van het volumeniveau van het door Detect aangegeven punt.
138
INPUT
Volume van de COSM gitaar en het standaard
element.
NS IN (NS Input)
Ingaande volume van de ruisonderdrukker.
FX (Effects)
Hoofdstuk 9 Parametergids
FV (Voetvolume)
Dit is een volumeregelingeffect.
Normaalgesproken regelt u dit met behulp van het op de EXP
PEDAL jack aangesloten expressiepedaal of het FC-300 EXP pedaal.
*
Als u de instellingen maakt waarmee u de volumefunctie van elke
voetpedaal bepaalt, zie ‘De GK VOLUME regeling en schakelaar
en de pedaalfunctie instellen (SYSTEM CONTROL ASSIGN)’
(p. 49), ‘Aan de FC-300 gerelateerde instellingen’ (p. 52).
Parameter/
Bereik
Uitleg
LEVEL
0–100
Past het volume aan.
VOL CURVE (volume curve)
U kunt kiezen hoe het daadwerkelijke volume wijzigt ten opzichte van de
mate waarin het pedaal wordt ingedrukt.
SLOW1, SLOW2, NORMAL, FAST
fig.04-0200
Volume
el)
(sn
st
a
F
l)
aa
m
or
n
2)
(
m
al
1)
aa
m
r
z
g
am
No
za
lan
(
g
2
lan
ow
1(
Sl
ow
l
S
Als het pedaal
helemaal omhoog staat
Als het pedaal
helemaal is ingedrukt.
EXP Pedaal
Als u op een punt in de effectenketen dat na de FV komt
‘FEEDBACKER’ (p. 135) aansluit, behaalt u niet het
gewenste voetvolume effect.
Hoofdstuk 9
139
Hoofdstuk 9 Parametergids
COSM AMP
COSM AMP
COSM technologie simuleert verschillende versterkerkenmerken,
speakerafmetingen en kastvormen.
*
Type
U kunt voor kanaal A en kanaal B afzonderlijke instellingen maken.
Parameter/
Bereik
Uitleg
BG LEAD
Hiermee moduleert u het lead geluid van de MESA
/ Boogie combo versterker.
BG DRIVE
Hiermee moduleert u een MESA/Boogie waarvan
de TREBEL SHIFT SW is ingeschakeld.
BG RHYTHM
Hiermee moduleert u het ritmische kanaal van een
MESA/Boogie.
SMOOTH DRIVE
Dit is een vloeiend drive geluid.
COSM AMP SW (COSM AMP schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het COSM AMP effect in/uit.
PREAMP TYPE
refer to Preamp Type
List
Hiermee stelt u het type gitaarvoorversterker
in.
Voorversterker Type lijst
Type
Uitleg
JC CLEAN (p. 141)
JC-120
Dit is het geluid van de Roland JC-120.
WARM CLEAN
Deze geeft een mild, zuiver geluid.
JAZZ COMBO
Dit is een voor jazz geschikt geluid.
FULL Bereik
Dit is een geluid met een vlakke respons. Goed
voor akoestische gitaar.
BRIGHT CLEAN
Een heldere, zuivere toon.
TW CLEAN (p. 141)
CLEAN TWIN
Hiermee moduleert u een Fender Twin Reverb.
PRO CRUNCH
Hiermee moduleert u een Fender Pro Reverb.
TWEED
Hiermee moduleert u een Fender Bassman
4x10’ Combo.
WARM CRUNCH
Deze geeft een mild, knarsend geluid.
CRUNCH (p. 141)
Uitleg
BG LEAD (p. 141)
MILD DRIVE
Dit is een mild drive geluid.
MS STACK (p. 141)
MS1959 (I)
Hiermee moduleert u het geluid dat op Input I van
een Marshall 1959 wordt ingevoerd.
MS1959 (II)
Hiermee moduleert u het geluid dat op Input II van
een Marshall 1959 wordt ingevoerd.
MS1959 (I+II)
Hiermee moduleert u het geluid van een Marshall
1959, waarop Input I en II parallel zijn geschakeld.
MS HI-GAIN
Hiermee moduleert u het geluid van een Marshall,
met een aangepaste versterking van het midden
gebied.
POWER STACK
Dit biedt het geluid van een stack versterker met
een actief type tooncircuit.
CLEAN
Moduleert het geluid van de CLEAN functie van
kanaal 1, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
RAW
Moduleert het geluid van de RAW functie van
kanaal 2, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
VINTAGE 1
Moduleert het geluid van de VINTAGE functie van
kanaal 2, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
MODERN 1
Moduleert het geluid van de MODERN functie van
kanaal 2, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
R-FIER (p. 141)
CRUNCH
Dit is een knarsend geluid dat natuurlijke distortion kan voortbrengen.
VINTAGE 2
Moduleert het geluid van de VINTAGE functie van
kanaal 3, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
BLUES
Dit is een voor blues geschikt geluid.
MODERN 2
WILD CRUNCH
Dit is een knarsend geluid met een wilde distortion.
Moduleert het geluid van de MODERN functie van
kanaal 3, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
STACK CRUNCH
Dit is een knarsend geluid met een hoge gain.
CLEAN
Hiermee moduleert u een Hughs & Kettner Triamp
AMP1.
COMBO (p. 141)
T-AMP (p. 141)
VO DRIVE
Hiermee moduleert u het drive geluid van een
VOX AC-30TB.
CRUNCH
Hiermee moduleert u een Hughs & Kettner Triamp
AMP2.
VO LEAD
Hiermee moduleert u het lead geluid van een
VOX AC-30TB.
LEAD
Hiermee moduleert u een Hughs & Kettner Triamp
AMP3.
VO CLEAN
Hiermee moduleert u het schone geluid van de
VOX AC-30TB.
EDGE LEAD
Een scherp lead geluid.
MATCH DRIVE
Hiermee moduleert u het geluid dat op een
Matchless D/C-30 in de linker invoer wordt
ingevoerd.
FAT MATCH
MATCH LEAD
140
Hiermee moduleert u het geluid van een
Matchless met een aangepaste hoge gain.
Hiermee moduleert u het geluid dat op een
Matchless D/C-30 in de rechter invoer wordt
ingevoerd.
HI-GAIN (p. 141)
SLDN
Hiermee moduleert u een Soldano SLO-100.
DRIVE STACK
Dit is een drive geluid met een hoge gain.
LEAD STACK
Dit is een lead geluid met een hoge gain.
HEAVY LEAD
Een krachtig lead geluid met extreme distortion.
COSM AMP
Type
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
METAL (p. 141)
5150 DRIVE
Hiermee moduleert u het lead kanaal van een
Peavey EVH 5150.
METAL STACK
Dit is een drive geluid, dat voor metal geschikt
is.
METAL LEAD
Dit is een lead geluid, dat voor metal geschikt
is.
CUSTOM (p. 143)
CUSTOM
Op maat gemaakte versterker.
BASS AMP (p. 144)
JC CLEAN / TW CLEAN / CRUNCH /
COMBO / BG LEAD / MS STACK /
R-FIER / T-AMP / HI-GAIN / METAL
Parameter/
Bereik
Uitleg
GAIN
0–120
Past de vervorming (distortion) van de versterker aan.
BASS
0–100
VINTAGE
Moduleert de Ampeg B-15.
MIDDLE
MODERN
Moduleert de SWR SM-400.
0–100
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
Past de toon van het midden frequentie gebied
aan.
TREBLE
0–100
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
PRESENCE
0–100
Past de toon van het ultra hoge frequentie
gebied aan.
LEVEL
0–100
Past het volume van de hele voorversterker
aan.
* Pas op dat u de Level instelling niet te hoog
zet.
BRIGHT
Schakelt de BRIGHT instelling in/uit. *1
OFF
Er wordt geen gebruik gemaakt van de Bright
instelling.
ON
De Bright instelling wordt ingeschakeld, zodat
de toon lichter en scherper wordt.
GAIN SW
LOW, MIDDLE, HIGH
U kunt kiezen uit drie vervormingniveaus:
LOW (laag), MIDDLE (midden) en HIGH
(hoog). Opeenvolgend van LOW, MIDDLE
naar HIGH gaat het vervormingniveau
omhoog.
* Het geluid van elk Type wordt op een Gain
instelling van MIDDLE gebaseerd. Normaalgesproken zet u deze parameter daarom op
MIDDLE.
SOLO SW
OFF, ON
SOLO LEVEL
0–100
*1
Past het volumeniveau aan, wanneer de Solo
schakelaar is ingeschakeld (ON).
De BRIGHT parameterinstelling is bij sommige instellingen van
de JC CLEAN, CRUNCH of BASS AMP als PREAMP TYPE
slechts gedeeltelijk beschikbaar.
141
Hoofdstuk 9
Als u op [SOLO] drukt, schakelt het instrument
over naar een voor solo’s geschikte toon.
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
COSM AMP
Parameter/
Bereik
Uitleg
SP TYPE (speakertype)
MIC POS (microfoonpositie)
Selecteert het type luidspreker.
Hiermee simuleert u de microfoonpositie.
OFF
Hiermee schakelt u de speakersimulator uit.
CENTER
ORIG
Dit is de ingebouwde luidspreker van de versterker, die u door middel van PREAMP TYPE
heeft geselecteerd.
Simuleert de toestand waarin de microfoon in
het midden van de speakerconus wordt
geplaatst.
1–10cm
Simuleert de toestand waarin de microfoon van
het midden van de speakerconus af wordt
geplaatst.
1x8”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 8 inch.
1x10”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 10 inch.
1X12”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 12 inch.
2X12”
Dit is een algemene speakerkast, met open achterkant, met twee luidsprekers van 12 inch.
4X10”
Dit is een optimale speakerkast, voor een grote,
gesloten versterker, met vier luidsprekers van
10 inch.
4X12”
Dit is een optimale speakerkast, voor een grote,
gesloten versterker, met vier luidsprekers van
12 inch.
MIC LEVEL
0–100
Parameter/
Bereik
5”–15”
-10–+10
HIGH
CUSTOM
Op maat gemaakte luidspreker.
-10–+10
Past het volume van het droge geluid aan.
Deze instelling selecteert het gesimuleerde microfoontype.
DYN57
Dit is het geluid van de SHURE SM-57.
Algemene dynamische microfoon, die voor
instrumenten en vocalen wordt gebruikt. Optimaal voor het uitversterken van gitaarversterkers.
DYN421
Dit is het geluid van de SENNHEISER MD-421.
Dynamische microfoon met uitgebreid laag
gebied.
CND451
Dit is het geluid van de AKG C415B.
Kleine condensatormicrofoon voor gebruik met
instrumenten.
CND87
Dit is het geluid van de NEUMANN U87.
Condensator microfoon met een vlakke respons.
FLAT
Simuleert een microfoon met een perfecte,
vlakke toon. Geeft een geluidsbeeld, waarbij
het lijkt alsof het u geluid direct uit de luidsprekers hoort komen (ter plekke).
MIC DIS (microfoonafstand)
Simuleert de afstand tussen de microfoon en de luidspreker.
Off MIC
Deze instelling richt de microfoon van de luidspreker af.
On MIC
Biedt omstandigheden waarbij de microfoon
meer naar de luidspreker toe wordt gericht.
142
Past de lage frequentietoon van het speakergedeelte aan.
Past de hoge frequentietoon van het speakergedeelte aan.
NUMBER
x1, x2, x4, x8
MIC TYPE
Selecteert de speakeromvang.
LOW
Dit is een dubbele stapel van twee kasten, elk
met vier spakers van 12 inch.
0–100
Uitleg
CUSTOM SPEAKER *1
SIZE
8X12”
DIRECT LEVEL
Past het volume van de microfoon aan.
Bepaalt het aantal luidsprekers.
CABINET
Selecteert het type speakerkast.
OPEN
Dit is een kast met een open achterkant.
CLOSE
Dit type kast heeft een gesloten achterpaneel.
*1
Instelling is beschikbaar, als SP TYPE op CUSTOM is ingesteld.
COSM AMP
Hoofdstuk 9 Parametergids
CUSTOM
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
CUSTOM TYPE
LEVEL
0–100
Selecteert het type voorversterker.
JC CLEAN
Dit is het geluid van de Roland JC-120.
TW CLEAN
Deze bootst een Fender Twin Reverb na.
CRUNCH
Dit is een knarsend geluid dat een natuurlijke
vervorming kan voortbrengen.
Uitleg
Past het volume van de hele voorversterker
aan.
* Pas op dat u de Level instelling niet te hoog
zet.
BRIGHT
Hiermee schakelt u de Bright instelling in/uit. *1.
VO DRIVE
Deze bootst het drive geluid van een VOX AC30TB na.
OFF
Er wordt geen gebruik gemaakt van de Bright
instelling.
BG LEAD
Deze bootst het lead geluid van de MESA/Boogie combo versterker na.
ON
De Bright instelling wordt ingeschakeld, zodat
de toon lichter en scherper wordt.
MS HI-GAIN
Deze bootst het geluid van een Marshall na,
met een aangepaste versterking van het middengebied.
GAIN SW
MODERN STACK
LOW, MIDDLE, HIGH
Moduleert het geluid van de MODERN functie
van kanaal 2, op de MESA/Boogie DUAL Rectifier.
BOTTOM
-50–+50
Deze parameter regelt het lage frequentie
gebied van het ingevoerde geluid, en past de
hoeveelheid distortion in het lage frequentie
gebied aan.
EDGE
-50–+50
BASS FREQ (basfrequentie)
-50–+50
Met behulp van de BASS draaiknop de frequentie aanpassen.
TREBLE FREQ (treble frequentie)
-50–+50
Met behulp van de TREBLE draaiknop de frequentie aanpassen.
LOW
-50–+50
* Het geluid van elk Type wordt op een Gain
instelling van MIDDLE gebaseerd. Normaalgesproken zet u deze parameter daarom op
MIDDLE.
SOLO SW
OFF, ON
Deze parameter regelt het hoge frequentie
gebied van het ingevoerde geluid, en past de
hoeveelheid distortion in het hoge frequentie
gebied aan.
Past de lage frequentietoon van het voorversterkergedeelte aan.
Past de hoge frequentietoon van het voorversterkergedeelte aan.
GAIN
0–120
Past de vervorming van de versterker aan.
0–100
0–100
SP TYPE (speakertype)
Selecteert het type luidspreker.
OFF
Hiermee schakelt u de speakersimulator uit.
ORIG
Dit is de ingebouwde luidspreker van de versterker, die u door middel van PREAMP TYPE
heeft geselecteerd.
1x8”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 8 inch.
1x10”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 10 inch.
1X12”
Dit is een compacte speakerkast, met open achterkant, met één luidspreker van 12 inch.
2X12”
Dit is een algemene speakerkast, met open achterkant, met twee luidsprekers van 12 inch.
4X10”
Dit is een optimale speakerkast, voor een grote,
gesloten versterker, met vier luidsprekers van
10 inch.
4X12”
Dit is een optimale speakerkast, voor een grote,
gesloten versterker, met vier luidsprekers van
12 inch.
8X12”
Dit is een dubbele stapel van twee kasten, elk
met vier spakers van 12 inch.
CUSTOM
Op maat gemaakte luidspreker.
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
MIDDLE
0–100
Past de toon van het midden frequentie gebied
aan.
TREBLE
0–100
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
PRESENCE
0–100
DIRECT LEVEL
0–100
Past de toon van het ultrahoge frequentie
gebied aan.
Past het volumeniveau aan, wanneer de Solo
schakelaar is ingeschakeld (ON).
*1
Past het volume van het droge geluid aan.
De BRIGHT parameterinstelling is bij sommige instellingen van
de JC CLEAN, CRUNCH of BASS AMP als PREAMP TYPE
slechts gedeeltelijk beschikbaar.
143
Hoofdstuk 9
BASS
Als u op [SOLO] drukt, schakelt het instrument
over naar een voor solo’s geschikte toon.
SOLO LEVEL
HIGH
-50–+50
U kunt kiezen uit drie vervormingniveaus:
LOW (laag), MIDDLE (midden) en HIGH
(hoog). Opeenvolgend van LOW, MIDDLE
naar HIGH gaat het vervormingniveau
omhoog.
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
COSM AMP
BASS AMP VINTAGE
Uitleg
Parameter/
Bereik
MIC TYPE
Uitleg
Deze instelling selecteert het gesimuleerde microfoontype.
GAIN
DYN57
Dit is het geluid van de SHURE SM-57.
Algemene dynamische microfoon, die voor instrumenten en vocalen wordt gebruikt. Optimaal voor
het uitversterken van gitaarversterkers.
0–100
DYN421
Dit is het geluid van de SENNHEISER MD-421.
Dynamische microfoon met uitgebreid laag gebied.
MIDDLE
CND451
Dit is het geluid van de AKG C415B.
Kleine condensatormicrofoon voor gebruik met
instrumenten.
MIDDLE FREQ (midden frequentie)
CND87
Dit is het geluid van de NEUMANN U87.
Condensator microfoon met een vlakke respons.
FLAT
Simuleert een microfoon met een perfecte, vlakke
toon. Geeft een geluidsbeeld, waarbij het lijkt alsof
het u geluid direct uit de luidsprekers hoort komen
(ter plekke).
MIC DIS (microfoonafstand)
Simuleert de afstand tussen de microfoon en de luidspreker.
Off MIC
Deze instelling richt de microfoon van de luidspreker af.
On MIC
Biedt omstandigheden waarbij de microfoon meer
naar de luidspreker toe wordt gericht.
MIC POS (microfoonpositie)
Hiermee simuleert u de microfoonpositie.
CENTER
1–10cm
Simuleert de toestand waarin de microfoon in het
midden van de speakerconus wordt geplaatst.
Simuleert de toestand waarin de microfoon van het
midden van de speakerconus af wordt geplaatst.
MIC LEVEL
0–100
Past het volume van de microfoon aan.
Past de vervorming van de versterker aan.
BASS
-50–+50
-50–+50
220Hz, 800Hz,
3.0kHz
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
Past de toon van het midden frequentie gebied aan.
Hiermee past u de middenfrequentie aan, van het
gebied dat u met behulp van de Middle regeling aangeeft.
TREBLE
-50–+50
Past de toon van het hoge frequentie gebied aan.
LEVEL
0–100
Past het volume van de hele voorversterker aan.
* Pas op dat u de Level instelling niet te hoog zet.
BRIGHT
Schakelt de BRIGHT instelling in/uit. *1
OFF
Er wordt geen gebruik gemaakt van de Bright instelling.
ON
De Bright instelling wordt ingeschakeld, zodat de
toon lichter en scherper wordt.
RESPONSE
BASS, FLAT
Deze parameter regelt de algemene versterkerkenmerken. Selecteer de positie die met de kenmerken
van één of twee typen van het geluid overeenkomt.
SP TYPE (speakertype)
Selecteert het type luidspreker.
OFF
Hiermee schakelt u de speakersimulator uit.
ORIG
CUSTOM SPEAKER *1
SIZE
Dit is de ingebouwde luidspreker van de versterker,
die u door middel van PREAMP TYPE heeft geselecteerd.
1x15”
Moduleert de Trace Elliot 1518.
1x18”
Moduleert de SWR Big Ben.
5”–15”
2x15”
Moduleert de Acoustic 402.
4x10”
Moduleert de SWR Goliath.
8x10”
Moduleert de Ampeg 810E.
Parameter/
Bereik
Uitleg
Selecteert de speakeromvang.
LOW
-10–+10
Past de lage frequentietoon van het speakergedeelte aan.
HIGH
-10–+10
Hiermee simuleert u de microfoonpositie.
Past de hoge frequentietoon van het speakergedeelte aan.
NUMBER
x1, x2, x4, x8
MIC POS (microfoonpositie)
CENTER
Simuleert de toestand waarin de microfoon in het
midden van de speakerconus wordt geplaatst.
1–10cm
Simuleert de toestand waarin de microfoon van het
midden van de speakerconus af wordt geplaatst.
Bepaalt het aantal luidsprekers.
CABINET
MIC LEVEL
Selecteert het type speakerkast.
0–100
OPEN
Dit is een kast met een open achterkant.
DIRECT LEVEL
CLOSE
Dit type kast heeft een gesloten achterpaneel.
0–100
*1
Instelling is beschikbaar, als SP TYPE op CUSTOM is ingesteld.
144
Past het volume van de microfoon aan.
Past het volume van het droge geluid aan.
COSM AMP
Hoofdstuk 9 Parametergids
BASS AMP MODERN
Parameter/
Bereik
Uitleg
GAIN
0–100
Past de vervorming van de versterker aan.
BASS
-50–+50
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
MIDDLE
-50–+50
Past de toon van het midden frequentie gebied
aan.
MIDDLE FREQ (midden frequentie)
220Hz, 800Hz, 3.0kHz
Hiermee past u de middenfrequentie aan, van
het gebied dat u met behulp van de Middle
regeling aangeeft.
TREBLE
-50–+50
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
LEVEL
0–100
Past het volume van de hele voorversterker
aan.
* Pas op dat u de Level instelling niet te hoog
zet.
ENHANCER
0–100
Deze parameter regelt de helderheid en aanwezigheid van het geluid.
SP TYPE (speakertype)
Selecteert het type luidspreker.
OFF
Hiermee schakelt u de speakersimulator uit.
ORIG
Dit is de ingebouwde luidspreker van de versterker, die u door middel van PREAMP TYPE
heeft geselecteerd.
1x15”
Moduleert de Trace Elliot 1518.
1x18”
Moduleert de SWR Big Ben.
2x15”
Moduleert de Acoustic 402.
4x10”
Moduleert de SWR Goliath.
8x10”
Moduleert de Ampeg 810E.
MIC POS (microfoonpositie)
Hiermee simuleert u de microfoonpositie.
Simuleert de toestand waarin de microfoon in
het midden van de speakerconus wordt
geplaatst.
1–10cm
Simuleert de toestand waarin de microfoon van
het midden van de speakerconus af wordt
geplaatst.
Hoofdstuk 9
CENTER
MIC LEVEL
0–100
Past het volume van de microfoon aan.
DIRECT LEVEL
0–100
Past het volume van het droge geluid aan.
145
Hoofdstuk 9 Parametergids
MIXER
Hoofdstuk 9 Parametergids
MIXER
MIXER
TOTAL EQ (totale equalizer)
Hier worden de signalen in kanaal A en kanaal B gemixt.
MIXER A, B (MIXER CHANNEL A, B)
Parameter/
Bereik
Uitleg
Deze past de toon van de gemengde signalen van kanaal A en kanaal
B aan.
Voor het hoog-midden en laag-midden gebied wordt er een parametrische EQ gebruikt.
Parameter/
Bereik
EQ SW (equalizer schakelaar)
MIX SW (mix schakelaar)
OFF, ON
OFF, ON
TOTAL GAIN
Deze instelling schakelt de mixfunctie van
kanaal A (of kanaal B) in en uit. Als u deze
parameter op OFF zet, worden de geluiden
in het respectievelijke kanaal niet gemixt.
PAN
100:0–0:100
Hiermee bepaalt u de panning van kanaal A
(of kanaal B).
LEVEL
0–100
DELAY A SEND, DELAY B SEND
0–100
-12–+12dB
Schakelt het EQ effect in/uit.
Past het volume van het signaal voor de EQ
aan.
LOW GAIN
-12–+12dB
Past de toon van het lage frequentie gebied
aan.
HIGH GAIN
-12–+12dB
Hiermee stelt u het volumeniveau van
kanaal A (of kanaal B) in.
Uitleg
Past de toon van het hoge frequentie gebied
aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het verstuurniveau van kanaal A (of
kanaal B) naar de delay van de mixer.
Bepaalt het midden van het frequentie
gebied, dat door de LOW MID GAIN wordt
aangepast.
REVERB A SEND, REVERB B SEND
LOW MID Q (lage midden Q)
0–100
0.5–16
Bepaalt het verstuurniveau van kanaal A (of
kanaal B) naar de reverb van de mixer.
CH DELAY (kanaal delay)
0–50ms
Past de tijd aan, die het algemene kanaal in
kanaal A (of kanaal B) wordt vertraagd.
Hoewel u dit normaalgesproken op 0ms laat
staan, kunt u samen met een chorus effect
een breder geluid bereiken, als u tussen het
gespeelde geluid en de geluiden van kanaal
B verschillen in tijd instelt.
PATCH LEVEL
Parameter/
Bereik
Uitleg
A/B BAL (A/B balans)
A0:100B–A100:0B
Past de volumebalans tussen kanaal A en
kanaal B aan. U kunt deze parameter in het
Mixer venster instellen of met behulp van
de BALANCE draaiknop aanpassen.
Als de DYNAMIC functie is ingeschakeld, is
deze parameter niet beschikbaar.
PATCH LEVEL
0–200
146
Past het algemene Patchvolume aan.
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door
de EQ, die op de LOW MID FREQ wordt
gecentreerd, wordt beïnvloed.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie
gebied, dat door de HIGH MID GAIN
wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
Bepaalt de breedte van het gebied, dat door
de EQ, die op de HIGH MID FREQ wordt
gecentreerd, wordt beïnvloed.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het hoog-midden frequentie gebied aan.
MIXER
Hoofdstuk 9 Parametergids
OUTPUT
Deze instelling bepaalt welke signalen vanaf elke uitgang worden
uitgevoerd en het niveau waarop ze worden uitgevoerd.
Parameter/
Bereik
Uitleg
MAIN OUT
Deze bepaalt welke signalen via de MAIN OUT worden uitgevoerd.
CH A
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
MAIN LEVEL
0–200
Deze bepaalt welke signalen via de SUB OUT worden uitgevoerd.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
Uitleg
D OUT (Digitale uitvoer)
Deze bepaalt welke signalen via de DIGITAL OUT worden uitgevoerd.
COSM GTR A
Deze voert de geluiden van COSM GTR A
uit.
COSM GTR B
Deze voert de geluiden van COSM GTR B
uit.
NORMAL PU
Deze voert de geluiden van het standaard
element uit.
CH A
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
MAIN OUT
Deze voert dezelfde signalen uit als die van
MAIN OUT.
SUB OUT
Deze voert dezelfde signalen uit als die van
SUB OUT.
Past het volume aan, dat naar de MAIN
OUT wordt uitgevoerd.
SUB OUT
CH A
Parameter/
Bereik
D OUT LEVEL (Digitaal uitvoer niveau)
0–200
*
Past het volume aan, dat naar de SUB OUT
wordt uitgevoerd.
Welke parameters beschikbaar zijn (MAIN OUT, MAIN LEVEL,
SUB OUT, SUB LEVEL, D OUT, D OUT LEVEL) verandert
volgens de instellingen onder ‘OUTPUT MODE’ (p. 172) in het
SYSTEM venster. Als een parameter niet beschikbaar is, wordt er bij
waarde < > weergegeven.
SUB LEVEL
0–200
Past het volume aan, dat naar de SUB OUT
wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk 9
147
Hoofdstuk 9 Parametergids
MIXER
DELAY/REVERB
Parameter/
Bereik
U kunt delay en reverb op kanaal A en B samen toepassen.
LEVEL
0–120
DELAY/REVERB Signal Flow
Uitleg
Past het volume van het droge geluid aan.
REVERB
LEVEL
(DELAY LEVEL)
Parameter/
Bereik
DELAY
Uitleg
REVERB SW (Reverb schakelaar)
REVERB
SEND
OFF, ON
Schakelt het REVERB effect in/uit.
TYPE
CH A
Deze selecteert het type reverb. Het apparaat biedt diverse ruimtesimulaties.
CH B
AMB (AMBIENCE)
Hiermee simuleert u een ambiance microfoon (off-microfoon, op een afstand van de
geluidsbron geplaatst), zoals veel gebruikt
voor opnamen en andere toepassingen. In
plaats van de weergalm te benadrukken,
wordt deze reverb gebruikt om een gevoel
van openheid en diepte voort te brengen.
ROOM
Simuleert de weergalm van een kleine
ruimte. Geeft een warme galm.
HALL1
Simuleert de weergalm van een concertzaal.
Geeft een heldere en ruimtelijke galm.
HALL2
Simuleert de weergalm van een concertzaal.
Geeft een warme galm.
PLATE
Simuleert plaatweergalm (een galmapparaat dat de vibratie van een metalen plaat
gebruikt). Geeft een metaalachtig geluid
met een helder hoog gebied.
DELAY
SEND
REVERB
LEVEL
(REVERB LEVEL)
DELAY
Parameter/
Bereik
Uitleg
DELAY SW (Delay schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het DELAY effect in/uit.
LEVEL
(DELAY LEVEL)
INPUT
DELAY
TIME
FEEDBACK
TIME
Hiermee bepaalt u de delay tijd.
0 ms–100 ms
–BPM
Als u deze parameter op BPM instelt, wordt de waarde van elke
parameter volgens de voor elke Patch aangegeven BPM waarde
ingesteld (p. 163). Dit maakt het gemakkelijker om instellingen voor
het effectgeluid te behalen, die met het tempo van de song overeenstemmen.
*
Als, vanwege het tempo, de tijd langer is dan door het
instellingengebied toegestaan, wordt deze waarde met een periode
van 1/2 of 1/4 van deze tijd gesynchroniseerd.
*
Als u, nadat u DELAY TIME op BPM (
–
) heeft ingesteld, op
[F1] (TAP) tikt, verandert de BPM waarde op basis van de timing
waarop u heeft getikt.
FEED BACK
0–100
Past de hoeveelheid feedback aan.
Feedback stuurt een delay signaal naar de invoer terug. Hoe hoger
de waarde hoe hoger het aantal delay herhalingen.
HIGH CUT (High Cut filter)
700 Hz–11.0 kHz,
FLAT
Deze parameter bepaalt op welke frequentie
het high cut filter begint te werken.
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen, doordat het hoge
component, boven de ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd. Als
u FLAT selecteert, is het high cut filter uitgeschakeld of heeft het
geen effect.
148
Past de lengte (tijd) van de galm aan.
PRE DELAY
1–1800 ms,
BPM
0.1 s–10.0 s
Past de tijd aan totdat het reverb geluid
hoorbaar wordt.
LOW CUT (Low Cut filter)
FLAT, 55 Hz–800 Hz
Deze parameter bepaalt op welke frequentie
het low cut filter begint te werken.
Hiermee kunt u ervoor zorgen, dat het lage
component, onder de ingestelde frequentie,
een helder, duidelijk laag creëert, waardoor
het hoge gebied van het effect extra wordt
uitgelicht. Als u FLAT selecteert, heeft het
low cut filter geen effect.
HIGH CUT (High Cut filter)
700 Hz–11 kHz, FLAT Deze parameter bepaalt op welke frequentie
het high cut filter begint te werken.
Hiermee kunt u een mild effect geluid behalen, doordat het hoge component, boven de
ingestelde frequentie, wordt weg gefilterd.
Als u FLAT selecteert, is het high cut filter
uitgeschakeld of heeft het geen effect.
DENS (dichtheid)
0–10
Past de dichtheid van het reverb geluid aan.
LEVEL
0–100
Past het volume van het reverb geluid aan.
MIXER
Hoofdstuk 9 Parametergids
DYNAMIC
Met behulp van deze functie kunt u door middel van uw plukdynamiek het volume van de mix van de twee kanalen regelen. Telkens
wanneer u de snaren aanslaat, wijzigen het volume en de balans van
de kanalen op basis van de dynamiek. U kunt het punt waarop het
volume wijzigt instellen in het instellingenvenster, waarbij u controleert welk dynamiekniveau de meter aangeeft.
Parameter/
Bereik
RELEASE
0–100
*1
*2
Als de DYNAMIC functie wordt ingeschakeld, is de A/B BAL
instelling niet beschikbaar.
Parameter/
Bereik
Uitleg
DYNA SW (DYNAMIC schakelaar)
OFF, ON
Deze instelling schakelt de DYNAMIC functie in/
uit.
TYPE
Bepaalt het DYNAMIC type.
Deze instelling bepaalt voor welk kanaal het volume door de speldynamiek wordt bepaald.
DYNA A
Het volumeniveau van kanaal A wordt geregeld.
Het volume van kanaal B staat vast.
DYNA B
Het volumeniveau van kanaal B wordt geregeld.
Het volume van kanaal A staat vast.
DYNA BAL
(DYNA
balans)
Het volumeniveau van zowel kanaal A als kanaal B
(de balans) wordt geregeld.
LOWER LEV (lager niveau)
0–100
Past het volume van de zacht gespeelde geluiden
aan. *1 Als u DYNA A gebruikt, kunt u het A niveau
aanpassen, en als u DYNA B gebruikt, kunt u het B
niveau aanpassen.
Uitleg
Deze parameter past de snelheid van de respons
aan, wanneer het ingaande niveau omlaag gaat.
Instelling is beschikbaar, als TYPE op DYNA A of DYNA B is
ingesteld.
Instelling is beschikbaar, als TYPE op DYNA BAL is ingesteld.
Bij gebruik van de DYNAMIC functie wordt, wanneer er een
nieuwe noot wordt herkend, het peak niveau op het moment
van de aanslag (d.w.z. de plukdynamiek) even vastgehouden,
en wordt de regeling van het kanaalvolume of de balans op die
waarde gebaseerd.
• Als het niveau zich op of onder de LOWER RNG instelling
bevindt, regelt de speeldynamiek het volume of de balans van
de zachtere geluiden, zoals door LOWER LEV (als TYPE op
DYNA A of DYNA B is ingesteld) of LOWER BAL (als TYPE op
DYNA BAL is ingesteld) bepaald.
• Als het niveau boven de UPPER RNG instelling uitkomt, regelt
het plukken het volume of de balans van de luidere geluiden,
die met behulp van UPPER LEV (als TYPE op DYNA A of
DYNA B is ingesteld) of UPPER BAL (als TYPE op DYNA BAL
is ingesteld) worden bepaald.
• Als het niveau zich tussen deze instellingen in bevindt, regelt de
speeldynamiek het volume of de balans tussen de bovenstaande
zachtere geluiden en luidere geluiden (waarbij het niveau
continu op basis van de speeldynamiek wordt gewijzigd).
Wijzigingen in de bovenstaande parameters worden in de
grafiek in het instellingenvenster weergegeven.
Als TYPE op DYNA A of DYNA B is ingesteld
LOWER LEV
UPPER LEV
LOWER BAL (lagere balans)
0:100–100:0
Past de balans tussen kanaal A en B aan, als geluiden
zacht worden gespeeld. *2
Volume/balans
regelstatus
LOWER RNG (lager bereik)
0–99
Hiermee bepaalt u op welk punt de speelkracht van
het zachte geluidsvolume (of balans) naar het luidere geluidsvolume (of balans) over gaat.
Als het volume onder het ingestelde punt komt,
schakelt het volume (of de balans) over naar de
waarde die, afhankelijke van de TYPE instelling,
door LOWER LEV of LOWER BAL wordt bepaald.
LOWER RNG
Ingaand niveau
UPPER RNG
Vastgehouden peak
niveau van de invoer
Als TYPE op DYNA BAL is ingesteld
LOWER BAL
UPPER BAL
UPPER LEV (hoger niveau)
Past het volume van de luid gespeelde geluiden aan.
*1 Als u DYNA A gebruikt, kunt u het A niveau aanpassen, en als u DYNA B gebruikt, kunt u het B
niveau aanpassen.
UPPER BAL (hogere balans)
0:100–100:0
Past de balans tussen kanaal A en B aan, als geluiden
luid worden gespeeld. *2
UPPER RNG (hoger bereik)
1–100
Hiermee bepaalt u op welk punt de speelkracht van
het luide geluidsvolume (of balans) naar het zachtere geluidsvolume (of balans) over gaat.
Als het volume onder het ingestelde punt komt,
schakelt het volume (of de balans) over naar de
waarde die, afhankelijke van de TYPE instelling,
door UPPER LEV of UPPER BAL wordt bepaald.
Volume/balans
regelstatus
LOWER RNG
Ingaand niveau
UPPER RNG
Vastgehouden peak
niveau van de invoer
Het ingaande niveau en vastgehouden peak niveau van de
invoer worden onder de weergave van de grafiek aangeduid.
Het is gemakkelijker om deze instellingen te maken door
daadwerkelijk de snaren te bespelen, terwijl u de meter in de
gaten houdt, en de LOWER RNG en UPPER RNG instellingen
aanpast. Bovendien kunt u met behulp van de fader, die rechts
van de grafiek wordt weergegeven, de volume/balans
regelstatus controleren.
149
Hoofdstuk 9
0–100
Hoofdstuk 9 Parametergids
MASTER
MASTER
CONTROL ASSIGN
Pas deze instellingen aan, als u een op de VG-99 aangesloten pedaal
of een extern MIDI apparaat (bedieningsbron) wilt gebruiken, om tijdens het spelen parameters te regelen.
U kunt op elke bedieningsbron twee parameters als doel instellen.
*
Schakel de COSM gitaar, COSM versterker en het effect waar de te
regelen parameter bij hoort in.
GK S1, S2
(DOWN/S1, UP/S2 Switch)
Parameter/
Bereik
Uitleg
SW (schakelaar)
OFF, ON
GK VOL (GK Volume)
Deze instelling bepaalt of regeling met
behulp van DOWN/S1 en UP/S2 is in/uitgeschakeld.
TARGET PARAMETER
Parameter/
Bereik
Uitleg
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
SW (schakelaar)
MIN (minimum)
OFF, ON
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
Deze instelling schakelt GK VOL in en uit.
TARGET PARAMETER
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MAX (maximum)
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MAX (maximum)
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MODE
Bepaalt hoe de waarde wijzigt, in reactie op een bedieningshandeling.
*
Als de DOWN/S1, UP/S2 POSI van de GK SETTING op de
REVRSE positie is ingesteld, vindt de functie van de DOWN/S1,
UP/S2 regelaar in tegengestelde richting plaats.
*
Als u KEY/BPM/AMPCTL:BPM TAP, FX-DELAY(HOLD)-REC
of FX-DELAY(HOLD)-STOP als TARGET PARAMETER heeft
ingesteld, is de regeling beschikbaar, ongeacht of de DOWN/S1 of
UP/S2 wordt ingedrukt. In dit geval is de MODE instelling
uitgeschakeld.
RANGE LOW, RANGE HIGH
Low: 0–126
High: 1–127
150
U kunt voor doelparameters binnen het
bedieningsbereik van het GK Volume het
regelbare bereik instellen. Doelparameters
worden binnen het gebied, dat door
RANGE LOW en RANGE HIGH wordt
bepaald, geregeld. Normaalgesproken dient
u RANGE LOW op 0 en RANGE HIGH op
127 in te stellen.
S1: DEC
S2: INC
S1 verlaagt de waarde en S2 verhoogt de
waarde.
S1: INC
S2: DEC
S1 verlaagt de waarde en S2 verhoogt de
waarde.
S1: MIN
S2: MAX
Als u S1 indrukt, wordt de waarde op MIN
gezet.
Als u S2 indrukt, wordt de waarde op MAX
gezet.
S1: MAX
S2: MIN
Als u S1 indrukt, wordt de waarde op MIN
gezet.
Als u S2 indrukt, wordt de waarde op MAX
gezet.
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
PANEL CTL1/CTL2
(Control Button 1/2)
Parameter/
Bereik
Uitleg
D BEAM
PITCH
Parameter/
Bereik
Uitleg
SW (schakelaar)
PITCH TYPE
OFF, ON
Deze bepaalt welk effect wordt toegepast, wanneer [PITCH] wordt
ingedrukt.
Deze instelling schakelt de CONTROL knop
in en uit.
TARGET PARAMETER
T-ARM
Deze functie wijzigt de toonhoogte van de
COSM gitaar op dezelfde wijze als een tremolo arm dat doet. U kunt het geluid van
een tremolo arm simuleren door uw gitaarhals of hand boven de D BEAM regelaar te
houden.
FREEZE
Deze houdt het geluid van de COSM gitaar
constant vast.
U kunt het FREEZE effect in en uitschakelen, door uw gitaarhals of hand boven de D
BEAM regelaar te houden.
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MAX (maximum)
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
Parameter/
Bereik
Uitleg
* Hoewel u aan zowel CTL1 als CTL2 twee verschillende parameters kunt
toewijzen, lichten de CTL1 en CTL2 knoppen op, als de waarde van de
eerste parameter, die op één van beide is ingesteld, MAX bereikt.
T-ARM CH (tremolo arm kanaal)
SW MODE (schakelaarfunctie)
A
T-ARM wordt alleen op kanaal A toegepast.
B
T-ARM wordt alleen op kanaal B toegepast.
A+B
T-ARM wordt op zowel kanaal A als B toegepast.
Deze instelling bepaalt hoe de waarde zich, telkens wanneer de schakelaar wordt bediend, gedraagt.
MOMENT
LATCH
De instelling staat normaalgesproken op
OFF (minimumwaarde), en schakelt om
naar ON (maximumwaarde), wanneer de
CONTROL knop ingedrukt wordt gehouden.
Telkens wanneer de CONTROL knop wordt
ingedrukt, wisselt de instelling tussen OFF
(minimumwaarde) en ON (maximumwaarde).
Deze bepaalt op welk kanaal de tremolo arm wordt toegepast.
TYPE
Deze bepaalt het T-ARM type.
S-TYPE
Deze simuleert de kenmerken van een
gesynchroniseerd type tremolo arm op de
Fender Stratocaster.
B-TYPE
Deze simuleert een Bigsby type tremolo
arm op de Gibson of de Rickenbacker.
F-TYPE
Deze simuleert de kenmerken van een
Floyd Rose slot-type tremolo arm.
TRANS
Deze simuleert hoe een Trans-tremolo type
arm de toonhoogte van alle snaren gelijkmatig wijzigt.
DOWN MIN (minimum omlaag)
-24–+24 (TRANS)
Deze bepaalt de toonhoogte waarop de TARM wordt geactiveerd (minimum
waarde).
Als u deze op een negatieve waarde instelt,
gaat de toonhoogte omhoog, terwijl positieve waarden ervoor zorgen, dat de toonhoogtes worden verlaagd.
DOWN MAX (maximum omlaag)
-50–+50 (S-TYPE, BTYPE, F-TYPE)
-24–+24 (TRANS)
Deze bepaalt de toonhoogte waarop de TARM ten volste wordt toegepast (maximum waarde).
Als u deze op een negatieve waarde instelt,
gaat de toonhoogte omhoog, terwijl positieve waarden ervoor zorgen, dat de toonhoogtes worden verlaagd.
151
Hoofdstuk 9
-50–+50 (S-TYPE, BTYPE, F-TYPE)
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
FREEZE CH (Freeze Channel)
Deze bepaalt op welk kanaal het FREEZE effect wordt toegepast.
A
FREEZE wordt alleen op kanaal A toegepast.
B
FREEZE wordt alleen op kanaal B toegepast.
A+B
FREEZE wordt op zowel kanaal A als B toegepast
MASTER
Parameter/
Bereik
FREQ MIN (frequentieminimum)
0–100
Hiermee bepaalt u de attack tijd van het
FREEZE geluid, als FREEZE wordt ingeschakeld. Hoe hoger de waarde, hoe langer
de attack tijd.
0–100
Hiermee bepaalt u hoe lang het duurt voordat de FREEZE wordt losgelaten, als
FREEZE wordt uitgeschakeld. Hoe hoger de
waarde, hoe langer de release tijd.
0–100
Deze bepaalt het volumeniveau van het
freeze geluid. Als de waarde wordt verhoogd, gaat het volume omhoog.
DIRECT
0–100
Deze bepaalt het volumeniveau van het
droge geluid. Als de waarde wordt verhoogd, gaat het volume omhoog.
0–100
Past het volumeniveau aan. Hoe hoger de
waarde, hoe hoger het volume.
ASSIGNABLE
Parameter/
Bereik
Uitleg
SW (schakelaar)
OFF, ON
Deze instelling schakelt de D BEAM ASSIGNABLE instelling in en uit.
TARGET PARAMETER
FILTER
Deze laat alleen bepaalde gedeelten van de frequentie gebieden van
het geluid door, zodat het geluid een unieke toon krijgt. Door de frequenties (toonhoogtes), die worden doorgelaten, te wijzigen, kunt u
verschillende soorten expressie aan het geluid toevoegen.
Parameter/
Bereik
Past de hoeveelheid gebruikte filterresonantie (kenmerkendheid van het geluid) aan.
Hoe hoger de waarde, hoe sterker de kenmerkende kleuring van de toon.
LEVEL
LEVEL
0–100
Deze bepaalt op welke frequentie het filter
ten volste wordt toegepast (de maximumwaarde). Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt de frequentie op een hogere
instelling gezet.
RESO (resonantie)
REL (release)
0–100
Deze parameter bepaalt op welke frequentie
het filter wordt geactiveerd. Naarmate de
waarde wordt verhoogd, wordt de frequentie op een hogere instelling gezet.
FREQ MAX (frequentiemaximum)
ATTACK
0–100
Uitleg
Uitleg
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
FILTER CH (filter kanaal)
MAX (maximum)
Deze bepaalt op welk kanaal het filter effect wordt toegepast.
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
A
Het filter wordt alleen op kanaal A toegepast.
B
Het filter wordt alleen op kanaal B toegepast.
A+B
Het filter wordt op zowel kanaal A als B toegepast
TYPE
Hiermee selecteert u het type filter.
LPF
Het filter laat alleen de lage frequenties
door.
BPF
Het filter laat alleen de frequenties binnen
een bepaald gebied door.
HPF
Het filter laat alleen de hoge frequenties
door.
152
RANGE LOW, RANGE HIGH
Low: 0–126
High: 1–127
U kunt voor doelparameters binnen het responsbereik van de D BEAM regelaar het
regelbare bereik instellen. Doelparameters
worden binnen het gebied, dat door
RANGE LOW en RANGE HIGH wordt
bepaald, geregeld. Normaalgesproken dient
u RANGE LOW op 0 en RANGE HIGH op
127 in te stellen.
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
RIBBON
FREQ MIN (frequentie minimum)
PITCH
0–100
Parameter/
Bereik
Uitleg
Uitleg
T-ARM CH (tremolo arm kanaal)
Deze bepaalt op welk kanaal de tremolo arm wordt toegepast.
A
T-ARM wordt alleen op kanaal A toegepast.
B
T-ARM wordt alleen op kanaal B toegepast.
A+B
T-ARM wordt op zowel kanaal A als B toegepast.
FREQ MAX (frequentie maximum)
0–100
TYPE
Deze bepaalt het T-ARM type.
S-TYPE
Deze simuleert de tremolo arm van een Strat-type
gitaar.
B-TYPE
Deze simuleert een Bigsby-type tremolo arm.
F-TYPE
Deze simuleert de kenmerken van een Floyd
Rose-type tremolo arm.
TRANS
Deze simuleert hoe een Trans-tremolo type arm
de toonhoogte van alle snaren gelijkmatig wijzigt.
Deze bepaalt de frequentie wanneer de bandregelaar op het uiteinde, dat het dichtst bij de voorkant
zit, wordt ingedrukt. Naarmate de waarde wordt
verhoogd, wordt de frequentie op een hogere
instelling gezet.
Deze bepaalt de frequentie wanneer de bandregelaar op het uiteinde, dat het verst van de voorkant
af zit, wordt ingedrukt (de maximumwaarde).
Naarmate de waarde wordt verhoogd, wordt de
frequentie op een hogere instelling gezet.
RESO (resonantie)
0–100
Past de hoeveelheid gebruikte filterresonantie
(kenmerkendheid van het geluid) aan. Hoe hoger
de waarde, hoe sterker de kenmerkende kleuring
van de toon.
LEVEL
0–100
Past het volumeniveau aan. Hoe hoger de waarde,
hoe hoger het volume.
DOWN MIN (minimum omlaag)
-50–+50
(S-TYPE, BTYPE, F-TYPE)
-24–+24
(TRANS)
Deze bepaalt de toonhoogte wanneer de bandregelaar op het uiteinde, dat het dichtst bij de voorkant
zit, wordt ingedrukt. Als u deze op een negatieve
waarde instelt, gaat de toonhoogte omhoog, terwijl positieve waarden ervoor zorgen, dat de toonhoogtes worden verlaagd.
ASSIGNABLE
Parameter/
Bereik
Uitleg
SW (schakelaar)
DOWN MAX (maximum omlaag)
OFF, ON
-50–+50
(S-TYPE, BTYPE, F-TYPE)
TARGET PARAMETER
-24–+24
(TRANS)
Deze bepaalt de toonhoogte wanneer de bandregelaar op het uiteinde, dat het verst van de voorkant
af zit, wordt ingedrukt. Als u deze op een
negatieve waarde instelt, gaat de toonhoogte
omhoog, terwijl positieve waarden ervoor zorgen,
dat de toonhoogtes worden verlaagd.
FILTER
Deze laat alleen bepaalde gedeelten van de frequentie gebieden van
het geluid door, zodat het geluid een unieke toon krijgt. Door de frequenties (toonhoogtes), die worden doorgelaten, te wijzigen, kunt u
verschillende soorten expressie aan het geluid toevoegen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
FILTER CH (filter kanaal)
A
Het filter wordt alleen op kanaal A toegepast.
B
Het filter wordt alleen op kanaal B toegepast.
A+B
Het filter wordt op zowel kanaal A als B toegepast
TYPE
Hiermee selecteert u het type filter.
LPF
Het filter laat alleen de lage frequenties door.
BPF
Het filter laat alleen de frequenties binnen een
bepaald gebied door.
HPF
Het filter laat alleen de hoge frequenties door.
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MAX (maximum)
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
RANGE LOW, RANGE HIGH
Low: 0–126
High: 1–127
U kunt voor doelparameters binnen het responsbereik van de bandregelaar het regelbare bereik instellen. Doelparameters worden binnen het gebied, dat door RANGE
LOW en RANGE HIGH wordt bepaald,
geregeld. Normaalgesproken dient u
RANGE LOW op 0 en RANGE HIGH op 127
in te stellen.
153
Hoofdstuk 9
Deze bepaalt op welk kanaal het filter effect wordt toegepast.
Deze instelling schakelt de RIBBON ASSIGNABLE instelling in en uit.
Hoofdstuk 9 Parametergids
MASTER
EXP PEDAL (Expression Pedal)
CTL3, CTL4 (Control3, Control4)
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
Uitleg
SW (schakelaar)
SW (schakelaar)
OFF, ON
OFF, ON
Deze instelling bepaalt of regeling met
behulp van een op de EXP PEDAL jack aangesloten expressiepedaal is in of uitgeschakeld.
Deze instelling bepaalt of regeling met
behulp van een op de CTL3 of CTL4 jack
aangesloten voetschakelaar is in of uitgeschakeld.
TARGET PARAMETER
TARGET PARAMETER
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
MAX (maximum)
MAX (maximum)
Bepaalt de maximumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
RANGE LOW, RANGE HIGH
SW MODE (schakelaar functie)
Low: 0–126
High: 1–127
Deze instelling bepaalt hoe de waarde zich, telkens wanneer de schakelaar wordt bediend, gedraagt.
154
U kunt voor doelparameters binnen het responsbereik van een expressiepedaal het
regelbare bereik instellen. Doelparameters
worden binnen het gebied, dat door
RANGE LOW en RANGE HIGH wordt
bepaald, geregeld. Normaalgesproken dient
u RANGE LOW op 0 en RANGE HIGH op
127 in te stellen.
MOMENT
De instelling staat normaalgesproken op
OFF (minimumwaarde), en schakelt om
naar ON (maximumwaarde), wanneer de
voetschakelaar ingedrukt wordt gehouden.
LATCH
Telkens wanneer de voetschakelaar wordt
ingedrukt, wisselt de instelling tussen OFF
(minimumwaarde) en ON (maximumwaarde).
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
FC-300 CONTROL
Hieronder ziet u welke regelaars (bronnen) de doelen regelen, als er
een FC-300 is aangesloten.
Source
Uitleg
ASSIGN 1–16
U kunt aan de regelaars van de VG-99 en de FC-300 vrij functies toewijzen.
Parameter/
Bereik
Uitleg
FC-300 EXP1 *1
FC-300 expressiepedaal1
FC-300 EXPSW1 *2
FC-300 expressiepedaalschakelaar1
SOURCE
FC-300 EXP2 *1
FC-300 expressiepedaal2
Deze selecteert de regelaar waaraan de functie wordt toegewezen.
FC-300 EXPSW2 *2
FC-300 expressiepedaalschakelaar2
GK VOL
GK-3 GK volume draaiknop
FC-300 CTL1 *2
FC-300 regelpedaal1
GK S1
GK-3 DOWN/S1 schakelaar
FC-300 CTL2 *2
FC-300 regelpedaal2
GK S2
GK-3 UP/S2 schakelaar
FC-300 E3/C3 *3
FC-300 extern expresseipedaal3/externe
voetschakelaar 3
CTL1
Regelknop 1
CTL2
Regelknop 2
FC-300 CTL4 *2
FC-300 externe voetschakelaar 4
EXP PEDAL
FC-300 E4/C5 *3
FC-300 extern expresseipedaal4/externe
voetschakelaar 5
Op de EXP PEDAL jack aangesloten expressiepedaal
D BEAM V
Verticale D BEAM bewegingen
FC-300 CTL6 *2
FC-300 externe voetschakelaar 6
D BEAM H
Horizontale D BEAM bewegingen
FC-300 E5/C7 *3
FC-300 extern expresseipedaal5/externe
voetschakelaar 7
RIBBON ACT
Aanraking van de bandregelaar
RIBBON POS
Positie van de bandregelaar
CTL3
Op de CTL3,4 jack (jack punt) aangesloten
voetschakelaar
CTL4
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar
FC-300 EXP1
FC-300 expressiepedaal 1
FC-300 EXPSW1
FC-300 expressiepedaalschakelaar 1
FC-300 EXP2
FC-300 expressiepedaal 2
FC-300 EXPSW2
FC-300 expressiepedaalschakelaar 2
FC-300 CTL1
FC-300 regelpedaal 1
FC-300 CTL2
FC-300 regelpedaal 2
FC-300 E3/C3
FC-300 extern expressiepedaal 3 / externe
voetschakelaar 3
FC-300 CTL4
FC-300 externe voetschakelaar 4
FC-300 E4/C5
FC-300 extern expressiepedaal 4 / externe
voetschakelaar 5
FC-300 CTL6
FC-300 externe voetschakelaar 6
FC-300 E5/C7
FC-300 extern expressiepedaal 5 / externe
voetschakelaar 7
FC-300 CTL8
FC-300 externe voetschakelaar 8
INTRNL PEDAL
Intern pedaal
WAVE PEDAL
Golfpedaal
INPUT LEVEL
Ingaand niveau
CC
Controlewijziging
FC-300 CTL8 *2
*1
*2
*3
FC-300 externe voetschakelaar 8
Voor de typen parameters die kunnen worden ingesteld, zie
‘EXP PEDAL (expressiepedaal)’ (p. 154).
Voor de typen parameters die kunnen worden ingesteld, zie
‘CTL3, CTL4 (regelaar3, regelaar4)’ (p. 154).
Als er een expressiepedaal is aangesloten, zijn de typen
parameters die kunnen worden ingesteld, hetzelfde als die
onder ‘EXP PEDAL (expressiepedaal) (p. 154); Als er een
expressiepedaal is aangesloten, zijn de typen parameters die
kunnen worden ingesteld, hetzelfde als die onder ‘CTL3, CTL4
(regelaar3, regelaar4)’ (p. 154).
OFF, ON
Deze instelling schakelt de VG-99 en FC-300
regelaars in en uit.
TARGET PARAMETER
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MIN (minimum)
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
155
Hoofdstuk 9
SW (schakelaar)
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
Uitleg
MASTER
Parameter/
Bereik
Uitleg
MAX (maximum)
CURVE
Bepaalt de minimumwaarde van het gebied waarbinnen de parameter kan wijzigen.
De waarde hangt van de als TARGET PARAMETER toegewezen
parameter af.
Deze selecteert één van de drie typen, die bepalen hoe het interne
pedaal wijzigt. *1
LINEAR
SLOW RISE
FAST RISE
SW MODE (schakelaar functie)
Deze instelling bepaalt hoe de waarde zich, telkens wanneer de schakelaar wordt bediend, gedraagt.
MOMENT
LATCH
De instelling staat normaalgesproken op
OFF (minimumwaarde), en schakelt om
naar ON (maximumwaarde), wanneer de
voetschakelaar ingedrukt wordt gehouden.
Telkens wanneer de voetschakelaar wordt
ingedrukt, wisselt de instelling tussen OFF
(minimumwaarde) en ON (maximumwaarde).
RANGE LOW, RANGE HIGH
Low: 0–126
High: 1–127
U kunt voor doelparameters binnen het
bedieningsbereik van de bron het regelbare
bereik instellen. Doelparameters worden
binnen het gebied, dat door RANGE LOW
en RANGE HIGH wordt bepaald, geregeld.
Normaalgesproken dient u RANGE LOW
op 0 en RANGE HIGH op 127 in te stellen.
TRIGGR (trigger)
RATE
0–100
Deze bepaalt hoeveel tijd één cyclus van
het golfpedaal in beslag neemt. *2
FORM
Deze selecteert één van de drie typen, die bepalen hoe het golfpedaal
wijzigt. *2
SAW
TRI
INPUT SENS
0–100
Deze bepaalt welke trigger het interne pedaal activeert. *1
Deze past de invoergevoeligheid aan, als
INPUT LEVEL als SOURCE is geselecteerd.
*3
PATCH CHANGE
Functioneert wanneer u van Patch wisselt.
GK VOL
Functioneert wanneer de volumedraaiknop
van het gesplitste element wordt aangepast.
GK S1, S2
Functioneert wanneer de positie van de
DOWN/S1 of UP/S2 van het gesplitste element wordt gewijzigd.
CTL1–CTL4
Functioneert wanneer de CTL1, 2 knoppen
of op de CTL3,4 jack aangesloten voetschakelaar worden bediend.
EXP PEDAL
Functioneert wanneer het op de EXP
PEDAL jack aangesloten expressiepedaal
wordt bediend.
DIRECT EDIT F1–F6
D BEAM V, H
Functioneert wanneer de verticale of horizontale positie door de D Beam regelaar
wordt herkend.
Parameter/
Bereik
RIBBON ACT, POS
Functioneert wanneer de bandregelaar door
aanraking wordt bediend of de positie
wordt opgespoord.
FC-300 EXP1, EXP2
Functioneert wanneer EXP PEDAL1 of 2
van de FC-300 wordt bediend.
FC-300 CTL1, CTL2
Functioneert wanneer CTL1 of CTL 2 van de
FC-300 wordt bediend.
FC-300 E3/C3, CTL4,
E4/C5, CTL6, E5/C7,
CTL8
Functioneert wanneer er een op de FC-300
E3/C3, CTL4, E5/C5, CTL6, E5/C7 of CTL8
jack aangesloten pedaal wordt bediend.
TIME
0–100
156
Past de hoeveelheid tijd aan waarin het
interne pedaal van de volledig losgelaten
positie (pedaalteen omhoog) naar de volledig ingedrukte positie (pedaalteen omlaag)
wijzigt. *1
SIN
**1 De TRIGGR, TIME en CURVE parameters zijn beschikbaar, als
de SOURCE parameter op INT PEDAL is ingesteld.
*2
De RATE en FORM parameters zijn beschikbaar, als SOURCE
parameter op WAVE PEDAL is ingesteld.
*3
De INPUT SENS parameter is beschikbaar, als SOURCE
parameter op INPUT LEVEL is ingesteld.
Uitleg
Deze wijst functies toe aan de functieknoppen, die in het Afspeelvenster kunnen worden bediend, en de [F1]-[F6] of de F1-F6 draaiknoppen.
TARGET PARAMETER
Deze selecteert de te wijzigen parameter.
Zie ‘TARGET PARAMETER’ (P. 157).
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
TARGET PARAMETER
Parameter (F4) Parameter (F5)
Parameter (F4) Parameter (F5)
Parameter (F6)
KEY
BPM
KEY/BPM/
AMPCTL
-
[A] TUNING/
[B] TUNING
TUNING SW
[A] BEND/
[B] BEND
BEND SW
SELECT
-
PITCH TYPE
-
ALT TUNE
[A] 12STRING/
[B] 12STRING
FREEZE
D BEAM
CONTROL
T-ARM CH
HARMO SW
E.GTR
DOWN MAX
SW
TYPE
AC TYPE
[A] COSM GTR/
[B] COSM GTR
AC STEEL
AC NYLON
TONE
ATTACK
TONE
LEVEL
DOWN MIN
PU SEL
DOWN MAX
SENS
Hoofdstuk 9
DOWN MIN
BODY
DOWN MAX
COLOR
AC SITAR
DECAY
BUZZ
ATTACK LEVEL
TYPE
TONE
FREQ MIN
LEVEL
FREQ MAX
ATTACK
RESO
LEVEL
BODY
BODY
FILTER CH
FILTER
-
LEVEL
TYPE
CONTROL
POS
BODY TYPE
CONTROL
SW
POS
ANGLE
FREQ MIN
SW
RIBBON
VOL CURVE
TYPE
E.GTR FRONT PU
RESO
T-ARM (TRANS)
VOL
ANGLE
FREQ MAX
T-ARM (S/B/F)
PU SEL
TYPE
E.GTR REAR PU
FILTER CH
T-ARM CH
MODELING TYPE
PHASE
LEVEL
CONTROL
T-ARM
COSM GTR SW
STRING
E.GTR VARI
REL
-
HARMO
TONE
FREEZE CH
SW
SELECT
1e–6de
E.GTR TYPE
DOWN MIN
LEVEL
LEVEL 1e–6de
[A] HARMONY/
[B] HARMONY
DOWN MAX
DIRECT
FILTER
FINE 1e–6de
DETUNE SW
COMMON
DOWN MIN
ATTACK
FREEZE (A)
FREEZE (B)
SHIFT 1e–6de
[A] DETUNE/
[B] DETUNE
TYPE
T-ARM (TRANS)
BEND
DELAY 1e–6de
SW
T-ARM (S/B/F)
TYPE
12STRING SW
FC AMP CTL1
V-LINK SW
T-ARM
-
BPM TAP
FC AMP CTL2
Parameter (F6)
AB LINK
AC BANJO
RESO
TONE
LEVEL
157
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter (F4) Parameter (F5)
AC RESO
Parameter (F6)
MASTER
Parameter (F4) Parameter (F5)
FILTER CUTOFF
RESO
FILTER RESO
TONE
SYNTH FILTBASS
FILTER DECAY
BODY TYPE
COLOR
SIZE
FILTER CUTOFF
RESO
FILTER RESO
SYNTH PIPE
BODY
LEVEL
SUSTAIN
PU TYPE
FILTER CUTOFF
FILTER RESO
SYNTH SOLO
COLOR
REAR VOL
SUSTAIN
FRONT VOL
FILTER CUTOFF
(MASTER) VOL
FILTER RESO
SYNTH PWM
-
PWM RATE
SUSTAIN
RESO
ENV MOD SW
ATTACK LENGTH
[A] COSM GTR/
[B] COSM GTR
MOD TUNE
SYNTH CRYSTAL
ATTACK LEVEL
BODY LEVEL
ATTACK
SUSTAIN
PITCH A
FEET 16
FINE A
PITCH SW
SYNTH ORGAN
FEET 8
FEET 4
PITCH B
SUSTAIN
FINE B
FILTER CUTOFF
SWEEP SW
SYNTH BRASS
FILTER RESO
TOUCH SENS
SWEEP RISE
SUSTAIN
SWEEP FALL
WAVE SHAPE
VIBRATO SW
WAVE SENS
VIBRATO RATE
WAVE ATTACK
VIBRATO DEPTH
WAVE DECAY
FILTER CUTOFF
FILTER RESO
WAVE LEVEL
SYNTH WAVE
CUTOFF
TOUCH SENS
RESO
POWER BEND
FILTER TYPE
POWER BEND Q
FILTER ATTACK
SUSTAIN
FILTER DECAY
FILTER CUTOFF
FILTER DEPTH
FILTER RESO
TOUCH SENS
GLIDE SENS
GLIDE TIME
SUSTAIN
158
MOD DEPTH
SENS
DUET
SYNTH DUAL
PWM DEPTH
LEVEL
CUTOFF FREQ
SYNTH BOWED
TOUCH SENS
MODE
COMP
SYNTH GR-300
TOUCH SENS
BASS TYPE
TONE
[A] COSM GTR/
[B] COSM GTR
POWER BEND
POWER BEND Q
PU LEVEL
SYNTH TYPE
TOUCH SENS
LOW CUT
PU TONE
BASS
TOUCH SENS
LEVEL
ATTACK
AC VARI
Parameter (F6)
SUSTAIN
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter (F4) Parameter (F5)
Parameter (F6)
Parameter (F4) Parameter (F5)
OD/DS SW
LOW GAIN
TYPE
HIGH GAIN
DRIVE
LOW MID FREQ
EQ
[A] COSM GTR/
[B] COSM GTR
OD/DS
BOTTOM
LOW MID Q
TONE
LOW MID GAIN
EFFECT LEVEL
HIGH MID FREQ
DIRECT LEVEL
HIGH MID Q
TYPE
HIGH MID GAIN
BOTTOM
TOTAL GAIN
OD/DS (CUSTOM)
TOP
STRING PAN
1e–6de
LOW
STRING LEVEL
1e–6de
HIGH
COSM GUITAR
WAH SW
MIX LEVEL
NORMAL PU
WAH
SW
NS
COMMON
POLY COMP
LEVEL
TYPE
POLY FX SW
Q
TYPE
POLY OCTAVE
RANGE HIGH
PRESENCE
SUSTAIN
EQ SW
ATTACK
LOW GAIN
THRSH
HIGH GAIN
REL
LOW MID FREQ
[A] FX/[B] FX
LOW MID Q
EQ
LOW MID GAIN
HIGH MID FREQ
MODE
HIGH MID Q
DRIVE
HIGH MID GAIN
HIGH CUT
LOW CUT
POLY BAL
HIGH CUT
DRIVE BAL
TOTAL GAIN
LEVEL
DELAY SW
-1OCT 1e–6de
TYPE
-2OCT 1e–6de
DELAY TIME
RISE TIME
DELAY
TAP TIME
FEEDBACK
SENS
HIGH CUT
COMP SW
EFFECT LEVEL
TYPE
DIRECT LEVEL
SUSTAIN
TIME
ATTACK
THRSH
DELAY (DELAY1)/
DELAY (DELAY2)
FEEDBACK
HIGH CUT
REL
LEVEL
TONE
WARP SW
LEVEL
DELAY (WARP)
Hoofdstuk 9
COMP
RANGE LOW
COMP TYPE
DIRECT 1e–6de
POLY SLOW GEAR
WAH (CUSTOM)
POLY FX CH
COMP BAL
POLY DIST
PEDAL POS
REL
LEVEL
POLY FX
TYPE
THRSH
TONE
[A] FX/[B] FX
Parameter (F6)
EQ SW
RISE TIME
FB DEPTH
LEVEL DEPTH
DELAY (MOD)
MOD RATE
MOD DEPTH
159
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter (F4) Parameter (F5)
DELAY (HOLD)
Parameter (F6)
MASTER
Parameter (F4) Parameter (F5)
MODE
STOP
FREQ
CHORUS SW
MOD1 A.WAH/
MOD2 A.WAH
CHORUS MODE
RATE
CHORUS
DIRECT LEVEL
MOD1 OCTAVE/
MOD2 OCTAVE
MODE1, 2
REVERB TIME
PITCH1, 2
MOD1 P.SHIFT/
MOD2 P.SHIFT
LOW CUT
PREDELAY1, 2
LEVEL1, 2
DENS
FEEDBACK1
EFFECT LEVEL
DIRECT LEVEL
DIRECT LEVEL
VOICE
MOD SW
HARM1, 2
MOD TYPE
MOD1 HARMONIST/ PREDELAY1, 2
MOD2 HARMONIST LEVEL1, 2
RATE
FEEDBACK1
DEPTH
DIRECT LEVEL
MANUAL
RESO
PITCH MIN
[A] FX/[B] FX
MOD1 PDL BEND/
MOD2 PDL BEND
PITCH MAX
PEDAL POS
EFFECT LEVEL
DIRECT LEVEL
DIRECT LEVEL
RATE
X-OVER FREQ
DEPTH
LOW RATE
MANUAL
LOW DEPTH
RESO
SEPARATION
LOW CUT
LOW PREDELAY
MOD1 2X2CHORUS/
LOW LEVEL
MOD2 2X2CHORUS
HIGH RATE
EFFECT LEVEL
HIGH DEPTH
DIRECT LEVEL
HIGH PREDELAY
WAVE SHAPE
HIGH LEVEL
RATE
SPEED
DEPTH
WAVE SHAPE
RATE
RATE SLOW
MOD1 ROTARY/
MOD2 ROTARY
RATE FAST
RISE TIME
DEPTH
FALL TIME
MODE
DEPTH
POLARITY
MOD1 T.WAH/
MOD2 T.WAH
FINE1, 2
HIGH CUT
EFFECT LEVEL
MOD1 PAN/MOD2
PAN
DIRECT LEVEL
VOICE
STEP RATE
MOD1 TREMOLO/
MOD2 TREMOLO
OCTAVE LEVEL
TYPE
TYPE
MOD1 FLANGER/
MOD2 FLANGER
RANGE
REVERB SW
PREDELAY
[A] FX/[B] FX
DEPTH
PREDELAY
EFFECT LEVEL
MOD1 PHASER/
MOD2 PHASER
RATE
LEVEL
HIGH CUT
MOD1/MOD2
PEAK
DEPTH
LOW CUT
REVERB
Parameter (F6)
REC
SENS
FREQ
MOD1 UNI-V/
MOD2 UNI-V
PEAK
LEVEL
DIRECT LEVEL
RATE
DEPTH
LEVEL
RATE
MOD1 VIBRATO/
MOD2 VIBRATO
DEPTH
TRIG
RISE TIME
160
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter (F4) Parameter (F5)
MOD1 SLICER/
MOD2 SLICER
Parameter (F6)
Parameter (F4) Parameter (F5)
LOW GAIN
RATE
HIGH GAIN
TRIG SENS
LOW MID FREQ
MODE
LOW MID Q
VOWEL1, 2
MOD1 SUB EQ/
MOD2 SUB EQ
SENS
MOD1 HUMANIZER/
RATE
MOD2 HUMANIZER
DEPTH
LEVEL
MOD1 SLOW GEAR/ SENS
MOD2 SLOW GEAR RISE TIME
TOTAL GAIN
MOD1 SUB DELAY/
MOD2 SUB DELAY
ATTACK
NS
RESO
FV
MODE
RISE TIME
COMMON
RISE TIME+
THRSH
REL
LEVEL
VOL CURVE
COSM AMP SW
PREAMP TYPE
GAIN
FB LEVEL+
BASS
VIB RATE
MIDDLE
PREAMP
MODE
TREBLE
PRESENCE
FREQ
LEVEL
EFFECT LEVEL
BRIGHT
DIRECT LEVEL
GAIN SW
FREQ1, 2, 3
PREAMP (SOLO)
DEPTH1, 2, 3
SW
LEVEL
TYPE
SP TYPE
SUSTAIN
MIC TYPE
ATTACK
TONE
[A] COSM AMP/
[B] COSM AMP
SPEAKER
MIC DIS
MIC POS
LEVEL
MIC LEVEL
TYPE
DIRECT LEVEL
ATTACK
CUSTOM TYPE
THRSH
BOTTOM
RATIO
REL
LEVEL
Hoofdstuk 9
MOD1 LIMITER/
MOD2 LIMITER
EFFECT LEVEL
FB LEVEL
VIB DEPTH
MOD1 ADV COMP/
MOD2 ADV COMP
FEEDBACK
DETECT
DIRECT LEVEL
MOD1 ANTI-FB/
MOD2 ANTI-FB
DELAY TIME
NS SW
DEPTH
EFFECT LEVEL
MOD1 RING MOD/
MOD2 RING MOD
HIGH MID Q
HIGH CUT
[A] FX/[B] FX
SENS
MOD1 FEEDBACK/
MOD2 FEEDBACK
HIGH MID FREQ
LOW CUT
TONE
[A] FX/[B] FX
LOW MID GAIN
HIGH MID GAIN
MANUAL
MOD1 DEFRETTER/
MOD2 DEFRETTER
Parameter (F6)
PATTERN
EDGE
PREAMP (CUSTOM)
BASS FREQ
TREBLE FREQ
LOW
HIGH
SIZE
LOW
SPEAKER (CUSTOM) HIGH
NUMBER
CABINET
161
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter (F4) Parameter (F5)
BASS AMP
Parameter (F6)
MASTER
Parameter (F4) Parameter (F5)
EQ SW
BASS
LOW GAIN
MIDDLE
HIGH GAIN
TREBLE
LOW MID FREQ
LEVEL
TOTAL EQ (A&B)
BRIGHT
[A] COSM AMP/
[B] COSM AMP
MIDDLE FREQ
RESPONSE
ENHANCER
BASS AMP SP
HIGH MID GAIN
SP TYPE
TOTAL GAIN
MIC POS
MAIN OUT
MIC LEVEL
MAIN LEVEL
OUTPUT
TIME
-
-
LEVEL
PATCH LEVEL
-
-
PREDELAY
LOW CUT
HIGH CUT
DENS
LEVEL
DYNA SW
TYPE
LOWER RNG
UPPER RNG
A LOWER LEV
A UPPER LEV
B LOWER LEV
B UPPER LEV
LOWER BAL
UPPER BAL
RELEASE
MIX SW
PAN
[A] MIXER/
[B] MIXER
-
LEVEL
DELAY SEND
REVERB SEND
CH DELAY
162
D OUT LEVEL
A/B BALANCE
TYPE
-
SUB LEVEL
HIGH CUT
TIME
DYNAMIC
SUB OUT
D OUT
FEEDBACK
REVERB SW
REVERB
LOW MID GAIN
HIGH MID Q
MIXER (A&B)
DELAY SW
DELAY/REVERB
LOW MID Q
HIGH MID FREQ
DIRECT LEVEL
DELAY
Parameter (F6)
GAIN
MASTER
Hoofdstuk 9 Parametergids
NAME/KEY/BPM
Parameter/
Bereik
PATCH NAME
Parameter/
Bereik
Uitleg
Hiermee bepaalt u de Patchnaam.
INSERT
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
DELETE
Het teken verwijderen en de daarop volgende tekens naar links opschuiven.
SPACE
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
A0!
Tussen letters, cijfers en symbolen schakelen.
A<=>a
Tussen hoofdletters en kleine letters schakelen.
CATEGORY
De categorie van de huidige Patch bepalen.
Zie ‘Patch categorieën instellen’ (p. 90).
Uitleg
CATEGORY
Hiermee selecteert u de categorienaam.
*
In SYSTEM kunt u USER1-USER10
instellen (p. 176).
Past voor elke Patch de BPM waarde aan.
Regeling door middel van de Master BPM
Door op [F1] te tikken kunt u de BPM waarde invoeren.
AMP CONTROL
Parameter/
Bereik
Uitleg
AMP CTL1, AMP CTL2
OFF, ON
Deze instelling schakelt de AMP CTL1 en
AMP CTL2 parameters van de FC-300 in en
uit.
Parameter/
Bereik
Uitleg
U kunt elk gewenste programmawijzigingnummer aan Patches toewijzen.
* Deze instelling is beschikbaar, als de SYSTEM MIDI TX PC MAP
parameter op PROG is ingesteld (p. 171).
BANK MSB
OFF, 1–127
Hiermee zorgt u ervoor dat de bankselectie
(MSB) wordt uitgevoerd.
BANK LSB
OFF, 1–127
KEY
Parameter/
Bereik
40–250
TX PC (programmawijziging
verzenden)
CATEGORY
USER 1–10
ELECTRIC
ACOUSTIC
BASS
SYNTH
ROCK
JAZZ
ETHNIC
DYNAMIC
RIBBON
Uitleg
BPM
PATCH NAME
Parameter/
Bereik
BPM
Hiermee zorgt u ervoor dat de bankselectie
(LSB) wordt uitgevoerd.
PC (programmawijziging)
1–128
Uitleg
Zorgt u ervoor dat de programmawijziging
wordt uitgevoerd.
KEY
C (Am)–B (G#m)
Hiermee stelt u de toonsoort van de COSM
gitaar en de FX HARMONIST in.
Majeur
Parameter/
Bereik
PATCH LEVEL
0–200
Mineur
Uitleg
Past het volume van de Patch aan.
* Dit is dezelfde parameter als ‘PATCH
LEVEL’ (p. 146) in het MIXER gedeelte.
Majeur
Mineur
163
Hoofdstuk 9
De KEY instelling komt als volgt met de toonsoort van de song (#, b)
overeen.
PATCH LEVEL
Hoofdstuk 9 Parametergids
GUITAR TO MIDI
GUITAR TO MIDI
Parameter/
Bereik
Uitleg
Parameter/
Range
Uitleg
GTR TO MIDI
CHROMATIC
OFF, ON
Hiermee stelt u de VG-99 zo in dat als u verbuigingen of verglijdingen (slides) speelt, het apparaat geen toonverbuigingbericht verzendt, maar de noten in plaats daar van in halve stappen speelt.
Deze parameter schakelt de GUITAR TO MIDI
functie in en uit. Als u deze op OFF zet, voorkomt
u de uitvoer van alle GUITAR TO MIDI gerelateerde MIDI berichten.
PATCH
OFF
Er worden normale toonverbuigingberichten uitgevoerd.
De toonhoogte varieert continu, in overeenstemming met de snaarverbuiging of het vibrato.
TYPE1
Als de toonhoogte wijzigt, past deze instelling de
resultaten van de informatie over de toonhoogtewijziging toe, zonder de spelende noot te
stoppen.
Dit geeft een uniek effect, waarbij er, zelfs bij het
wijzigen van de toonhoogtes, geen attack geluid is.
Dit lijkt op het slepende geluid van een klarinet of
saxofoon.
TYPE2
Als de toonhoogte wijzigt, triggert (herspeelt) de
VG-99 het geluid opnieuw op de gewijzigde toonhoogte, zodat er alleen op stappen van een halve
toon wijzigingen in toonhoogte plaatsvinden.
Als gevolg hiervan begint de attack van de nieuwe
noot op het huidige snaarvolume, niet op het oorspronkelijke volume.
TYPE3
Net als bij CHROMATIC TYPE 2 worden geluiden
op de gewijzigde toonhoogte opnieuw getriggerd,
zodat er alleen toonhoogtewijzigingen van halve
tonen plaatsvinden.
Echter, in plaats van de vermindering in snaarvibratie weer te geven, is het geluid, dat opnieuw
wordt getriggerd, hetzelfde als toen de snaar oorspronkelijk werd gespeeld.
Deze parameters worden met de GUITAR TO MIDI functie voor elke
afzonderlijke Patch ingesteld.
Parameter/
Range
Uitleg
MODE
Hiermee bepaalt u de transmissiefunctie voor de MIDI berichten.
MONO
POLY
In deze functie wordt per snaar er één kanaal
gebruikt, wat in totaal zes kanalen maakt.
Aangezien elke snaar een ander MIDI kanaal
gebruikt, kunt u voor elke snaar een andere toon
selecteren, waarbij u op een bepaalde snaar snaarverbuiging of een variatie in toonhoogte kunt toepassen; hier heeft u echter een multitimbrale
geluidsmodule voor nodig.
In deze functie worden de berichten van alle zes de
snaren via één enkel kanaal verzonden.
Hoewel het versturen van de MIDI berichten van
alle snaren via één kanaal de benodigde instellingen voor de geluidsmodule vereenvoudigt en het
aantal gebruikte MIDI kanalen vermindert, heeft
dit bepaalde beperkingen ten gevolg; zo kunt u bijvoorbeeld voor alle zes de snaren slechts één toon
selecteren.
PLAY FEEL
HOLD TYPE
Hiermee bepaalt u hoe de Hold functie werkt.
HOLD1
Noot-aan berichten worden vastgehouden, als de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld. Als de Hold functie ingeschakeld
blijft, terwijl u de snaren blijft bespelen, wordt elk
volgende noot-aan bericht vastgehouden. Als er al
via dezelfde snaar een nootbericht wordt gespeeld,
wordt het vorige nootbericht geannuleerd en het
volgende noot-aan bericht vastgehouden. Zodoende voorkomt u eventuele onderbrekingen in
het geluid, inclusief de geluiden van het loslaten
van de snaren op de frets.
HOLD2
Noot-aan berichten worden vastgehouden, als de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld. Volgende noot-aan berichten worden
echter niet uitgevoerd, als u het instrument bespeelt, terwijl het Hold effect aan laat staan.
HOLD3
Noot-aan berichten worden vastgehouden, als de
Hold functie met behulp van de regelaar wordt ingeschakeld. Als de Hold functie ingeschakeld
blijft, terwijl u de snaren blijft bespelen, kunnen
noot-aan berichten van andere snaren dan de
snaar, die al wordt vastgehouden, wel worden uitgevoerd, maar niet worden vastgehouden.
Hiermee selecteert u de ‘feel’ van het gitaarspel; u kunt kiezen voor
plukken met uw vingers of een plectrum, zodat u een natuurlijkere
dynamische expressie tot uw beschikking heeft.
FEEL1–4
FEEL1 is de functie, die het geluid op basis van de
speeldynamiek de breedste volumevariatie geeft.
Naargelang de instelling wordt verhoogd, wordt
het eenvoudiger om zelfs met zwakke aanslag
hogere volumeniveaus te bereiken. Zodoende
kunt u of u de snaren slechts aantikt of ruw plukt,
op een consequent volume spelen. Over het algemeen gebruikt u hogere instellingen voor zwakkere aanslag, tokkelen of tikken.
NO DYNA
In deze functie worden de geluiden op een vast
volume gespeeld, ongeacht de speelkracht.
STRUM
Deze functie onderdrukt de uitvoer van geluiden,
die door een zwakkere aanslag worden voortgebracht.
Met behulp van deze instelling voorkomt u het
voortbrengen van ongewenste geluiden, als u een
ritme speelt of door onbedoeld contact met snaren
door onjuiste aanslagen.
164
GUITAR TO MIDI
Parameter/
Bereik
Uitleg
CC (Control Change)
U kunt de acties van de door SRC aangegeven regelaars als controlewijzigingbericht verzenden.
U kunt twee soorten instellingen maken, 1 en 2.
SRC (Source)
Hoofdstuk 9 Parametergids
Parameter/
Bereik
OFF, 1–127
Uitleg
Hiermee bepaalt u de bankselectie (LSB).
PC (programmawijziging)
OFF, 1–128
Hiermee bepaalt u het programmanummer.
SYSTEM
GK VOL
GK-3 GK volumedraaiknop.
GK S1
GK-3 DOWN/S1 schakelaar
GK S2
GK-3 UP/S2 schakelaar
CTL1
Regelknop1
CTL2
Regelknop2
EXP PEDAL
Op de EXP PEDAL jack aangesloten expressiepedaal.
HOLD CTL (Hold regeling)
CTL3
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar.
Deze instelling bepaalt welke regelaar voor de HOLD functie wordt
gebruikt.
CTL4
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar.
GK S1, S2
GK-3 DOWN/S1, UP/S2 schakelaar
CTL1, 2
Regelknop1, 2
D BEAM V
D BEAM verticale bewegingen.
CTL3
D BEAM H
D BEAM horizontale bewegingen.
Op de CTL3,4 jack aangesloten voetschakelaar
RIBBON ACT
RIBBON CONTROLLER (bandregelaar)
aanraking
FC-300 CTL1,2
FC-300 regelpedaal1, 2
FC-300 CTL3–8
FC-300 externe voetschakelaar 3-8
RIBBON POS
RIBBON CONTROLLER (bandregelaar)
positie.
BEND THIN
FC-300 EXP1
FC-300 expressiepedaal1
OFF, ON
FC-300 EXPSW1
FC-300 expressiepedaalschakelaar1
FC-300 EXP2
FC-300 expressiepedaal2
FC-300 EXPSW2
FC-300 expressiepedaalschakelaar2
BASIC CH (basiskanaal)
FC-300 CTL1
FC-300 regelpedaal1
1–11
FC-300 CTL2
FC-300 regelpedaal2
FC-300 E3/C3
FC-300 externe expressiepedaal3/externe
voetschakelaar3
PC MASK (programmwijziging maskeren)
FC-300 CTL4
FC-300 externe voetschakelaar4
OFF, ON
FC-300 E4/C5
FC-300 externe expressiepedaal4/externe
voetschakelaar5
FC-300 CTL6
FC-300 externe voetschakelaar6
FC-300 E5/C7
FC-300 externe expressiepedaal5/externe
voetschakelaar7
FC-300 CTL8
FC-300 externe voetschakelaar8
Deze parameters worden in de GUITAR TO MIDI functie op de hele
VG-99 toegepast.
Parameter/
Bereik
Uitleg
Als u deze parameter inschakelt (ON), dunt
u de Pitch Bend (toonverbuiging) berichten
uit, en vermindert u het aantal MIDI gegevens.
Hiermee bepaalt u welk MIDI transmissiekanaal voor de GUITAR TO MIDI functie
wordt gebruikt.
Als deze parameter is ingeschakeld (ON),
worden de voor de GUITAR TO MIDI functie gebruikte programmwijzigingberichten
bij het wisselen van Patch niet verzonden.
CC (Control Change)
OFF, #1–#31, #64–#95 Hiermee bepaalt u welk controlewijzigingnummer wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk 9
* Als de MONO/POLY instelling op POLY is
ingesteld, worden er alleen via het
basiskanaal berichten uitgevoerd; als u deze
parameter op MONO instelt, worden de
berichten uitgevoerd via de zes kanalen,
geteld vanaf het basiskanaal.
TX PC STRING 1–6
(Transmit Program Change String 1–6)
Hiermee bepaalt u welke programmawijzigingberichten voor elke
snaar worden uitgevoerd, als er van VG-99 Patch wordt gewisseld.
BANK MSB
OFF, 1–127
Hiermee bepaalt u de bankselectie (MSB).
BANK LSB
165
Hoofdstuk 9 Parametergids
SYSTEM
SYSTEM
LCD CONTRAST
Parameter/
Bereik
Uitleg
CONTRAST
1–50
Uitleg
Uitleg
AUTO
Deze instelling bepaalt automatisch de GK
aansluiting en de interne instellingen. Als
de GK aansluiting in gebruik is, is de GUITAR INPUT aansluiting niet beschikbaar.
OFF
Gebruik deze instelling als u normaliter de
GUITAR INPUT aansluiting gebruikt.
ON
Gebruik deze instelling als u normaliter een
GK aansluiting gebruikt.
GK FUNC (GK functie)
GK VOL (GK volume)
Hiermee bepaalt u welke functie aan GK VOL is toegewezen.
DIRECT PATCH
DIR.PATCH 1–5
Parameter/
Bereik
GK CONNCT (GK aansluiting)
Als u de VG-99 in bepaalde standen zet, kan
het zijn dat het beeldscherm moeilijk te
lezen is. In dit geval past u het contrast van
het beeldscherm (leesbaarheid) aan.
DIRECT PATCH
Parameter/
Bereik
GK SETTING
Hiermee stelt u de gewenste [DIRECT
PATCH 1]-[DIRECT PATCH 5].
Voor meer informatie over de toegewezen functies, zie
de GK VOL kolom onder ‘Parameters die aan
afzonderlijke regelaars kunnen worden toegewezen’
(p. 168).
GK S1, S2 (GK S1, S2 schakelaar)
Hiermee bepaalt u welke functies aan GK S1, S2 zijn toegewezen.
Voor meer informatie over de toegewezen functies, zie
de GK VOL kolom onder ‘Parameters die aan
afzonderlijke regelaars kunnen worden toegewezen’
(p. 168).
SET MODE
Met behulp van deze instelling kunt u bepalen of voor de hele
VG-99 één GK SETTING wordt gebruikt of er voor elke Patch afzonderlijk verschillende GK SETTINGEN worden aangegeven.
SYSTEM
De hier ingestelde GK SETTING wordt algemeen voor de hele VG-99 gebruikt. Dit is de
standaard fabrieksinstelling.
PATCH
Voor elke Patch worden afzonderlijke GK
SETTINGEN aangegeven. Voer na het wijzigen van de instellingen in elke Patch de
Write (schrijf) procedure uit. Gebruik deze
instelling als u tijdens het spelen meerdere
gitaren wilt gebruiken, zodat u afhankelijk
van de gebruikte Patch van instrument kunt
wisselen.
SETTING1–10
1–10
Hiermee bepaalt u de in te stellen GK
SETTING.
NAME
Hiermee bepaalt u de naam van de GK SETTING (maximaal acht
tekens).
INSERT
166
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
SYSTEM
Parameter/
Bereik
DELETE
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
Het teken verwijderen en de daarop volgende tekens naar links opschuiven.
CONTROL ASSIGN
Parameter/
Bereik
Uitleg
SPACE
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
Controller
A0!
Tussen letters, cijfers en symbolen schakelen.
U bent vrij om functies aan de regelaars van de VG-99 en de FC-300
toe te wijzen.
A<=>a
Tussen hoofdletters en kleine letters schakelen.
GK VOL
GK-3 GK volumedraaiknop.
GK S1, S2
GK-3 DOWN/S1, UP/S2 schakelaar
CTL1
Regelknop1
CTL2
Regelknop2
EXP PEDAL
Op de EXP PEDAL jack aangesloten expressiepedaal.
CTL3
Op de CTL3,4 jack (jack punt) aangesloten
voetschakelaar.
Parameter/
Bereik
Uitleg
GK PU TYPE (GK elementtype)
GK-3
Geeft de GK-3 aan.
GK-2A
Geeft de GK-2A aan.
PIEZO
Geeft een piëzo element aan.
CTL4
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar.
Hiermee bepaalt u de schaallengte van uw
gitaar.
FC-300 EXP1
FC-300 expressiepedaal1
FC-300 EXP SW1
FC-300 expressiepedaalschakelaar1
FC-300 EXP2
FC-300 expressiepedaal2
FC-300 EXP SW2
FC-300 expressiepedaalschakelaar2
FC-300 CTL1
FC-300 regelpedaal1
FC-300 CTL2
FC-300 regelpedaal2
FC-300 E3/C3
FC-300 externe expressiepedaal3/externe
voetschakelaar3
FC-300 CTL4
FC-300 externe voetschakelaar4
FC-300 E4/C5
FC-300 externe expressiepedaal4/externe
voetschakelaar5
GUITAR SCALE
620–660mm,
ST (648mm),
LP (628mm)
GK PU PHASE (GK element fase)
Hiermee bepaalt u de fase voor het gesplitste element en het standaard element.
De geluiden van het gesplitste element en het standaard element
worden gemixt, zodat de juiste instellingen beschikbaar zijn.
Stel deze parameter normaliter op NORMAL in. Als het lage frequentie gebied wordt weg gefilterd, stelt u deze parameter op
INVERS in.
NORMAL
De fase wordt niet gewijzigd.
INVERS
De fase wordt omgekeerd.
FC-300 CTL6
FC-300 externe voetschakelaar6
GK PU DIRECTION (GK elementrichting)
FC-300 E5/C7
Hiermee bepaalt u de richting van de plaatsing van het gesplitste
element.
FC-300 externe expressiepedaal5/externe
voetschakelaar7
FC-300 CTL8
FC-300 externe voetschakelaar8
NORMAL
Zo geplaatst dat de kabel in de buurt van de
zesde snaar naar buiten gaat.
ASSIGN HOLD
REVRSE
Zo geplaatst dat de kabel in de buurt van de
eerste snaar naar buiten gaat.
S1, S2 POS (S1, S2 positie)
Deze parameter ruilt de functie van de DOWN/S1, UP/S2 schakelaars van de GK-3 of de GK-2A om.
NORMAL
De schakelaars worden niet gewijzigd.
REVRSE
De DOWN/S1 en UP/S2 schakelaars worden omgeruild.
10.0–30.0mm
ON
Als er een Patch wordt opgevraagd, worden
de waarden (posities) van de regelaars toegepast, zodat het geluid de regelaarinstellingen weergeeft.
OFF
Als er van Patch wordt gewisseld, wordt het
in de Patch ingestelde geluid afgespeeld,
ongeacht de regelaarwaarden (posities).
Hiermee bepaalt u de afstand van de ruimte
tussen elk gesplitste element en de brug.
Als u het GK PU TYPE op PIEZE heeft ingesteld, wordt deze instelling genegeerd.
SENS 1e–6de
0–100
Hiermee bepaalt u de invoergevoeligheid
van elke snaar.
167
Hoofdstuk 9
PICKUP↔BRIDGE 1e–6de
Deze instelling bepaalt of de waarden (posities) van de D BEAM (H)
of RIBBON CONTROLLER, de expressiepedalen of andere regelpedalen van de FC-300 of overige regelaars bij het opvragen van een
Patch al dan niet in het geluid worden weergegeven.
Hoofdstuk 9 Parametergids
SYSTEM
Parameters die aan
afzonderlijke regelaars kunnen
worden toegewezen
CTL1-4, FC-300 EXP SW1/EXP SW2,
FC-300 CTL1, 2, 4, 6, 8
FC-300 EXP3/CTL3, EXP4/CTL5, EXP5/CTL7
GK S1, S2
GK VOL, EXP PEDAL, FC-300 EXP1/EXP2
Parameter
CTL1-4, FC-300 EXP SW1/EXP SW2,
FC-300 CTL1, 2, 4, 6, 8
FC-300 EXP3/CTL3, EXP4/CTL5, EXP5/CTL7
GK S1, S2
GK VOL, EXP PEDAL, FC-300 EXP1/EXP2
Parameter
Als deze op INC is ingesteld,
en er van Patch wordt gewisseld, gaat het Patchnummer
omhoog; als u deze op DEC
instelt, gaat de VG-99 bij het
wisselen van Patch naar een
lager Patchnummer.
✔
PU SEL [A&B]
Hiermee kunt u in kanaal A en
kanaal B gelijktijdig van element wisselen.
✔
PU SEL [A]
Hiermee kunt u in kanaal A of
kanaal B van element wisselen.
✔
S1:TUNER/
S2:BPM TAP
Met behulp van S1 wordt naar
het TUNER venster geschakeld. Met behulp van S2 kunt u
door te tikken (tap) de BPM
waarde invoeren.
✔
PATCH LEVEL
DEC/INC
Biedt regeling van het Patchniveau.
✔
AB BALANCE
toA/toB
Biedt regeling van de volumebalans tussen kanaal A en
kanaal B. Met behulp van S1
verhoogt u het niveau van
kanaal A; met behulp van S2
verhoogt u het niveau van
kanaal B.
✔
Uitleg
Parameters waar een ✔ bij wordt weergegeven, kunnen aan de
onderstaande regelaars worden toegewezen.
OFF
Er is geen functie toegewezen. ✔ ✔ ✔ ✔
ASSIGNABLE
(PATCH)
Functioneert volgens de Control Assign instellingen van
elke afzonderlijke Patch.
✔ ✔ ✔ ✔
Uitleg
PATCH SEL
DEC/INC
PU SEL [B]
✔
Biedt regeling van het Patchni- ✔
veau.
✔
✔
AB BALANCE
Biedt regelaar van de volume- ✔
balans tussen kanaal A en
kanaal B.
✔
FOOT VOLUME
[A&B]
Biedt gelijktijdige regeling van ✔
het voetvolume in kanaal A en
kanaal B.
✔
FOOT VOLUME
[A]
Biedt regeling van het voet✔
volume van kanaal A of kanaal
B.
✔
✔
Biedt regeling van de pedaal
✔
wah, als de pedaal wah is ingeschakeld.
✔
MIDI START/
STOP
Verzendt de Start en Stop melding voor het versturen van
MIDI Realtime berichten.
✔ ✔ ✔
WAH
Biedt gelijktijdige regeling van ✔
het COSM gitaarvolume in
kanaal A en kanaal B.
✔
MMC PLAY/
STOP
Verzendt de Play en Stop melding voor het versturen van
MIDI machineregeling.
✔ ✔ ✔
GUITAR
VOLUME [A&B]
Biedt regeling van het COSM
gitaarvolume van kanaal A of
kanaal B.
✔
✔
FC-300
AMP CTL 1/2
✔
✔
GUITAR TONE
[A&B]
Biedt gelijktijdige regeling van ✔
de COSM gitaartoon in kanaal
A en kanaal B.
✔
Biedt regeling van de AMP
CONTROL1 en AMP
CONTROL2 jacks van de FC300. Hiermee kunt u voor op
deze jacks aangesloten gitaarversterkers van kanaal wisselen.
✔
GUITAR
VOLUME [A]
PATCH SELECT
INC
✔ ✔
GUITAR TONE
[A]
Biedt regeling van de COSM
gitaartoon van kanaal A of
kanaal B.
✔
✔
Schakelt bij het wisselen van
Patch naar een hoger Patchnummer.
✔
Schakelt bij het wisselen van
Patch naar een lager Patchnummer.
✔ ✔
✔
PATCH SELECT
DEC
MIXER LEVEL
[A&B]
Biedt gelijktijdige regeling van ✔
het mixer volumeniveau in
kanaal A en kanaal B.
✔
PU SEL
toFRONT [A&B]
Schakelt de elementen van
kanaal A en kanaal B naar
voren.
✔ ✔
MIXER LEVEL
[A]
Biedt regeling van het mixer
volumeniveau in kanaal A of
kanaal B.
✔
✔
PU SEL toREAR
[A&B]
✔ ✔
✔
✔
Schakelt de elementen van
kanaal A en kanaal B naar achteren.
PATCH LEVEL
0–100
PATCH LEVEL
0–200
FOOT VOLUME
[B]
GUITAR
VOLUME [B]
GUITAR TONE
[B]
MIXER LEVEL
[B]
168
✔
✔
PU SEL toFRONT Schakelt het element van
[A]
kanaal A naar voren.
✔ ✔
PU SEL toREAR
[A]
✔ ✔
Schakelt het element van
kanaal A naar achteren.
SYSTEM
Hoofdstuk 9 Parametergids
CTL1-4, FC-300 EXP SW1/EXP SW2,
FC-300 CTL1, 2, 4, 6, 8
FC-300 EXP3/CTL3, EXP4/CTL5, EXP5/CTL7
GK S1, S2
GK VOL, EXP PEDAL, FC-300 EXP1/EXP2
Parameter
Uitleg
✔ ✔
PU SEL toREAR
[B]
✔ ✔
TUNER ON/OFF Schakelt naar het TUNER
venster.
✔ ✔
BPM TAP
Hiermee kunt u door te tikken
(tap) de BPM waarde invoeren.
✔ ✔
PATCH LEVEL
INC
Verhoogt het Patchniveau.
✔ ✔
PATCH LEVEL
DEC
Verlaagt het Patchniveau.
✔ ✔
AB BALANCE
toB
Verhoogt in de balans tussen
kanaal A en kanaal B het volumeniveau van kanaal B.
✔ ✔
AB BALANCE
toA
Verhoogt in de balans tussen
kanaal A en kanaal B het
volumeniveau van kanaal A.
✔ ✔
FC-300
AMP CTL 1
Schakelt naar het kanaal, dat
aan de op de AMP
CONTROL1 jack van de FC300 aangesloten gitaarversterker is toegewezen.
✔ ✔
Schakelt naar het kanaal, dat
aan de op de AMP
CONTROL2 jack van de FC300 aangesloten gitaarversterker is toegewezen.
✔ ✔
FC-300
AMP CTL 2
Parameter/
Bereik
Uitleg
SYS EX MODE (systeem exclusieve functie)
Hiermee bepaalt u de regelmethode van de FC-300.
PU SEL toFRONT Schakelt het element van
[B]
kanaal B naar voren.
Schakelt het element van
kanaal B naar achteren.
FC-300
ON
Als de FC-300 op de VG-99 is aangesloten,
komt hij automatisch in de systeem exclusieve functie terecht, en functioneert het
apparaat in overeenstemming met de op de
VG-99 gemaakte instellingen. Dit is de
instelling, die u normaalgesproken moet
selecteren.
U kunt de FC-300 zelfs regelen, als de
apparaat ID’s van de VG-99 en de FC300 niet overeenstemmen.
OFF
Kies voor OFF, als u de regelaars van de FC300 met behulp van de FC-300 (handmatig)
bedient.
BANK CHANGE
Hiermee bepaalt u de timing waarmee tonen wisselen, als er met
behulp van de FC-300 van Patch wordt gewisseld.
IMMEDIATE
Wanneer de
pedalen van de FC-300
worden ingedrukt, wijzigt de toon direct.
WAIT NUM
Zelfs na het indrukken van de
pedalen van de FC-300 worden ingedrukt, wijzigt de toon niet zolang u het NUMBER
(nummer) niet instelt.
QUICK TUNER
Deze maakt het mogelijk om voor het in en uitschakelen van de
stemfunctie de FC-300 nummerpedalen te gebruiken.
De Quick Tuner functie is alleen beschikbaar, als de MODE van de
FC-300 op SYS EX is ingesteld.
OFF
De QUICK TUNER functie is niet functioneel.
ON
De QUICK TUNER functie is functioneel.
Telkens wanneer u het huidig geselecteerde
nummerpedaal indrukt, wordt de TUNER
functie afwisselend in en uitgeschakeld.
Hoofdstuk 9
169
Hoofdstuk 9 Parametergids
MIDI
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
MIDI CH (MIDI kanaal)
1–16ch
SYSTEM
Deze parameter bepaalt welk kanaal voor
het verzenden en ontvangen van MIDI
berichten wort gebruikt.
Als u door middel van de GUITAR TO MIDI
functie een andere synthesizer geluidsmodule bedient, zie ook ‘GUITAR TO MIDI’ (p.
164).
MIDI OUT
Hiermee bepaalt u de routing van de signalen via de MIDI OUT
aansluiting
OFF
Er worden geen signalen via de MIDI OUT uitgevoerd.
MAIN
Er worden signalen vanaf de VG-99 uitgevoerd.
USB
Er worden via USB ontvangen MIDI signalen uitgevoerd.
MIDI
De via de MIDI IN ontvangen MIDI signalen worden via MIDI OUT (thru) uitgevoerd.
Als er gelijktijdig ook andere signalen via MIDI
OUT worden uitgevoerd, worden de signalen
gemixt en vervolgens samen uitgevoerd (samenvoegen).
RRC2
De via de RRC2 ontvangen MIDI signalen worden
via MIDI OUT (thru) uitgevoerd.
Als er gelijktijdig ook andere signalen via MIDI
OUT worden uitgevoerd, worden de signalen
gemixt en vervolgens samen uitgevoerd (samenvoegen).
OMNI MODE
OFF, ON
Als de MIDI OMNI MODE is ingeschakeld
(ON), worden er via alle MIDI kanalen
berichten ontvangen, ongeacht de MIDI
kanaalinstelling.
DEVICE ID
1–32
Uitleg
Hiermee bepaalt u welke apparaat ID voor
het verzenden en ontvangen van exclusieve
berichten wordt gebruikt.
SYNC CLOCK
USB (MIDI)→
Deze instelling bepaalt de basis voor het synchroniseren van de
timing voor effectmodulatietempi en andere parameters, die op tijd
zijn gebaseerd.
Hiermee bepaalt u de routing van de via USB ontvangen signalen.
INTERNAL
Functies worden met de interne klok van de
VG-99 gesynchroniseerd.
AUTO (USB)
Functies worden met de via USB ontvangen
MIDI Clock gesynchroniseerd. Als de VG99 de externe klok echter niet kan ontvangen, worden de functies automatisch met de
interne klok van de VG-99 gesynchroniseerd.
AUTO (MIDI)
AUTO (RRC2)
Functies worden met de via MIDI ontvangen MIDI Clock gesynchroniseerd. Als de
VG-99 de externe klok echter niet kan ontvangen, worden de functies automatisch
met de interne klok van de VG-99 gesynchroniseerd.
Functies worden met de via de RRC2 aansluiting ontvangen MIDI Clock gesynchroniseerd. Als de VG-99 de externe klok echter
niet kan ontvangen, worden de functies
automatisch met de interne klok van de VG99 gesynchroniseerd.
OFF
Er worden geen signalen via USB ontvangen.
MAIN
De via USB ontvangen signalen worden naar het
interne gedeelte van de VG-99 verzonden.
USB (MIDI)←
Hiermee bepaalt u de routing van de via de USB aansluiting verzonden signalen.
OFF
Er worden geen signalen via de USB aansluiting
uitgevoerd.
MAIN
Er worden MIDI signalen vanaf de VG-99 uitgevoerd.
MIDI
Er worden via MIDI IN ontvangen MIDI signalen
uitgevoerd.
RRC2
Er worden via RRC2 ontvangen MIDI signalen uitgevoerd.
RRC2→
Hiermee bepaalt u de routing van de via RRC ontvangen signalen.
OFF
Er worden geen signalen via RRC2 ontvangen.
MAIN
De via de RRC2 aansluiting ontvangen signalen
worden naar het interne gedeelte van de VG-99
verzonden.
MIDI
MIDI IN
RRC2←
Deze parameter bepaalt de routing van signalen, die via de MIDI IN
aansluiting binnen komen.
OFF
Er worden via de USB aansluiting geen signalen
uitgevoerd.
Hiermee bepaalt u de routing van de via RRC ontvangen signalen.
OFF
Er worden geen signalen via MIDI IN ontvangen.
MAIN
MAIN
De via MIDI IN ontvangen signalen worden
naar het interne gedeelte van de VG-99 verzonden.
Er worden vanaf de VG-99 MIDI signalen uitgevoerd.
USB
De MIDI signalen, die via USB zijn ontvangen,
worden uitgevoerd.
MIDI
De via MIDI IN ontvangen MIDI signalen worden
via de RRC2 aansluiting (thru) uitgevoerd.
Als er gelijktijdig ook andere signalen via de RRC2
aansluiting worden uitgevoerd, worden de signalen gemixt en vervolgens samen uitgevoerd
(samenvoegen).
170
SYSTEM
Parameter/
Bereik
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
PC (programmawijziging)
PC OUT (uitgaande programmawijziging)
OFF, ON
Deze instelling bepaalt of er bij het wisselen
van VG-99 Patch wel of geen programmawijzigingberichten worden uitgevoerd.
Als deze instelling op ON staat, worden er
programmawijzigingberichten uitgevoerd.
Parameter/
Bereik
Uitleg
BULK DUMP
U kunt op de VG-99 exclusieve berichten gebruiken om een andere
VG-99 op dezelfde instellingen in te stellen of om instellingen van
effectgeluiden op MIDI sequencers en soortgelijke apparaten op te
slaan.
ALL
TX PC MAP (programmawijzigingkaart
verzenden)
Alle verstuurbare gegevens (SYSTEM, GK
SETTING, GLOBAL, PATCH 001-200,
FAVORITE SETTING)
SYSTEM
SYSTEM parameters
Deze instelling bepaalt welke sequens met programmawijzigingberichten bij het wisselen van Patch door de VG-99 wordt uitgevoerd.
GK SETTING
Inhoud van de GK SETTING instellingen.
GLOBAL
Instellingen van de GLOBAL functie.
PATCH
Instellingen van Patchnummer 001-200
FAVORITE SETTING
Instellingen van de FAVORITE SETTINGS
01-10 van alle effecten.
FIX
PROG
Ongeacht de Patchinstellingen worden voor
elk Patchnummer van tevoren bepaalde
programmawijzigingberichten uitgevoerd.
De in elke Patch geprogrammeerde programmawijzigingberichten worden uitgevoerd.
RX PC MAP (programmawijzigingkaart
ontvangen)
U kunt kiezen of u, bij het door middel van programmawijzigingberichten afkomstig van een extern MIDI apparaat wisselen van Patch,
van een vaste of vrij in te stellen overeenstemming tussen ontvangen
programmanummers en de geselecteerde Patch gebruik maakt.
FIX
Ongeacht de instellingen van de Receive
Program Change Map instellingen, schakelt
de VG-99 naar van tevoren bepaalde
Patches over, behorende bij de ontvangen
programmawijzigingberichten.
PROG
De VG-99 schakelt naar de door de Receive
Program Change Map instellingen bepaalde
Patches over.
RX PC MAP (programmawijzigingkaart
ontvangen)
U kunt de relatie tussen de ontvangen programmawijzigingnummers en de Patches waar naartoe wordt geschakeld bewerken.
[F1] (BANK)
Selecteert het banknummer.
[F2] [F3] (SEL)/
F2, F3 draaiknop
Selecteert het programmanummer.
[F5] (SELECT)/
F5 draaiknop
Selecteert de Patch.
Als de combinatie van het met behulp van
F1, F2 en F3 geselecteerde banknummer en
het programmanummer wordt ontvangen,
schakelt de VG-99 naar de met behulp van
F5 geselecteerde Patch over.
Hoofdstuk 9
CC (controlewijziging)
Hiermee bepaalt u welke controlewijzigingnummers bij het bedienen van de VG-99 pedalen, externe pedalen of de FC-300 pedalen
worden uitgevoerd.
[F2] [F3] (SEL)/
F2, F3 draaiknop
Selecteert de regelaar.
[F5] (SET OFF)/
F5 knob
Als de met behulp van F2 of F3 geselecteerde regelaar wordt bediend, wordt het
met behulp van F5 geselecteerde controlewijzigingbericht verzonden.
171
Hoofdstuk 9 Parametergids
OUTPUT
Parameter/
Bereik
Parameter/
Bereik
Uitleg
OUTPUT MODE
SYSTEM
PATCH
SYSTEM
De in de SYSTEM parameters ingestelde
waarden van MAIN OUT, MAIN LEVEL,
SUB OUT, SUB LEVEL, D OUT, D OUT
LEVEL zijn beschikbaar.
De in elke afzonderlijke Patch ingestelde
waarden van MAIN OUT, MAIN LEVEL,
SUB OUT, SUB LEVEL, D OUT, D OUT
LEVEL zijn beschikbaar.
D OUT (Digitale uitvoer)
Deze bepaalt welke signalen via de DIGITAL OUT worden uitgevoerd.
COSM GTR A
Deze voert de geluiden van COSM GTR A
uit.
COSM GTR B
Deze voert de geluiden van COSM GTR B
uit.
NORMAL PU
Deze voert de geluiden van het standaard
element uit.
CH A
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
MAIN OUT
Deze voert dezelfde signalen uit als die van
MAIN OUT.
SUB OUT
Deze voert dezelfde signalen uit als die van
SUB OUT.
MAIN OUT
Deze bepaalt welke signalen via de MAIN OUT worden uitgevoerd.
CH A
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
MAIN LEVEL
0–200
Past het volume aan, dat naar de MAIN
OUT wordt uitgevoerd.
D OUT LEVEL (digitaal uitvoerniveau)
0–200
*
SUB OUT
Deze bepaalt welke signalen via de SUB OUT worden uitgevoerd.
Uitleg
Past het volume aan, dat naar de SUB OUT
wordt uitgevoerd.
Welke parameters beschikbaar zijn (MAIN OUT, MAIN LEVEL,
SUB OUT, SUB LEVEL, D OUT, D OUT LEVEL) verandert op
basis van de OUTPUT MODE instellingen.
Als een parameter niet beschikbaar is, wordt er bij waarde < >
weergegeven.
CH A
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
CH B
Deze voert kanaal A uit.
Deze uitvoer geeft ook de MIX SW, PAN,
LEVEL en A/B BAL instellingen van de
mixer weer.
MIXER (DRY)
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
voordat de DELAY/REVERB wordt toegepast.
USB IN
MIXER
Deze voert de post-A/B mix signalen uit,
nadat de DELAY/REVERB en TOTAL EQ
zijn toegepast.
Hiermee stelt u het punt in waarop via USB (van uw computer) ontvangen digitale geluidssignalen binnen de VG-99 met elkaar zijn
verbonden.
SUB LEVEL
0–200
Past het volume aan, dat naar de SUB OUT
wordt uitgevoerd.
USB
Parameter/
Bereik
* Tenzij u deze instelling op OFF zet, dient u ervoor te zorgen, dat de
software voor geluidssignalen niet op THRU is ingesteld.
* Als de USB IN parameter op COSM GTR A, COSM GTR B of
NORMAL PU is ingesteld, wijzigt de instelling bij de eerstvolgende
keer dat u de VG-99 opstart automatisch in MAIN & SUB. Als u
COSM GTR A, COSM GTR B of NORMAL PU wilt gaan gebruiken,
dient u de parameter telkens wanneer u de VG-99 opstart opnieuw in te
stellen.
OFF
172
Uitleg
De signalen zijn op geen enkel punt met elkaar
verbonden.
SYSTEM
Parameter/
Bereik
COSM GTR A
Hoofdstuk 9 Parametergids
Uitleg
De signalen zijn op het punt, waarop COSM
GUITAR A wordt uitgevoerd, met elkaar verbonden.
In plaats van de COSM gitaargeluiden, die door
de aangesloten gitaar worden gespeeld, wordt de
geluidsuitvoer van de computer op de effecten
ingevoerd.
* POLY FX worden niet toegepast.
COSM GTR B
De signalen zijn op het punt, waarop COSM
GUITAR B wordt uitgevoerd, met elkaar verbonden.
In plaats van de COSM gitaargeluiden, die door
de aangesloten gitaar worden gespeeld, wordt de
geluidsuitvoer van de computer op de effecten
ingevoerd.
* POLY FX worden niet toegepast.
NORMAL PU
MAIN OUT
SUB OUT
MAIN&SUB
De signalen zijn aan de invoer van het standaard
element met elkaar verbonden.
In plaats van de normale geluiden, die door de
aangesloten gitaar worden gespeeld, wordt de
geluidsuitvoer van de computer op de effecten
ingevoerd.
De signalen zijn op het punt waarop de MAIN
OUT wordt uitgevoerd met elkaar verbonden.
De signalen van de MAIN OUT van de VG-99 en
de geluidsuitvoer van de computer worden
gemixt en vervolgens uitgevoerd.
De signalen zijn op het punt waarop de SUB OUT
wordt uitgevoerd met elkaar verbonden.
De signalen van de SUB OUT van de VG-99 en de
geluidsuitvoer van de computer worden gemixt
en vervolgens uitgevoerd.
De signalen zijn op het punt waarop zowel de
MAIN OUT als de SUB OUT worden uitgevoerd
met elkaar verbonden.
Elk van de signalen van de MAIN OUT en de
geluidsuitvoer van de computer worden gemixt.
De SUB OUT en de geluidsuitvoer van de computer worden vanaf de uitvoer gemixt.
IN LEVEL
0–200
Parameter/
Bereik
Past het volumeniveau van het via USB (van de
computer) ontvangen digitale geluidssignaal
aan.
Uitleg
USB OUT
COSM GTR A
De uitvoer van de COSM GUITAR A wordt uitgevoerd.
COSM GTR B
De uitvoer van de COSM GUITAR B wordt uitgevoerd.
NORMAL PU
De invoer van het standaard element wordt uitgevoerd.
CH A
De uitvoer van kanaal A wordt uitgevoerd.
CH B
De uitvoer van kanaal B wordt uitgevoerd.
MIXER (DRY)
De signalen, die met behulp van de mixer zijn
gemixt, maar voordat de DELAY/REVERB wordt
toegepast.
Uitleg
MIXER
Dezelfde signalen als die van de MAIN OUT worden uitgevoerd.
MAIN OUT
Dezelfde signalen als die van de SUB OUT worden
uitgevoerd.
SUB OUT
De uitvoer van de COSM GUITAR A wordt uitgevoerd.
OUT LEVEL
0–200
Past het volume van het via USB (naar de computer) verzonden digitale geluidssignaal aan.
DRIVER MODE
Deze instelling bepaalt welke bedieningsfunctie wordt gebruikt: de
functie, die van de speciale Driver van de meegeleverde CD-ROM
(ADVANC) gebruik maakt of de functie, die van de standaard Driver (STANDRD) van het besturingssysteem (Windows/Mac OS)
gebruik maakt.
STANDRD
Deze functie gebruikt de standaard USB Driver
van het besturingssysteem.
ADVANC
Deze functie gebruikt de speciale Driver van de
meegeleverde CD-ROM.
Met behulp van de functie, die van deze Driver
gebruik maakt, kunt u met hoge geluidskwaliteit
en stabiele timing geluiden opnemen, afspelen en
bewerken.
MON CMD (Monitor commando)
Deze instelling bepaalt of het commando (het Direct Monitor commando), dat de Direct Monitor (wordt later beschreven) regelt wel of
niet is ingeschakeld.
DISABL
Het Direct Monitor commando is uitgeschakeld;
de Direct Monitor functie, zoals door de VG-99 is
ingesteld, blijft behouden.
ENABLE
Het Direct Monitor commando is ingeschakeld,
zodat de Direct Monitor functie vanaf een extern
apparaat kan worden geschakeld.
DIRECT MON (Directe monitor)
Schakelt de uitvoer van het VG-99 geluid naar de PHONES jack,
MAIN OUT jacks of SUB OUT jacks over.
OFF
Schakel deze uit (OFF), als u geluidsgegevens
intern, door een computer heen stuurt (Thru).
ON
Het geluid van de VG-99 wordt uitgevoerd. Schakel deze parameter in (ON), als u de VG-99 als
onafhankelijk apparaat gebruikt, zonder hem op
een computer aan te sluiten (als deze instelling is
uitgeschakeld (OFF), wordt alleen het via USB IN
ingevoerde geluid uitgevoerd.)
* Deze instelling kan niet worden opgeslagen. Als het apparaat wordt
aangezet, is deze instelling ingeschakeld (ON).
* Als u de speciale Driver gebruikt, kunt u de DIRECT MON aan/uit
instelling via een ASIO 2.0 compatibele applicatie regelen.
173
Hoofdstuk 9
Hiermee stelt u intern het punt in de VG-99 in, vanaf waar via USB
digitale geluidssignalen (naar uw computer) worden verzonden.
Parameter/
Bereik
Hoofdstuk 9 Parametergids
V-LINK
SYSTEM
Parameter/
Bereik
Uitleg
FC-300 E4/C5
FC-300 externe expressiepedaal4/externe
voetschakelaar5
FC-300 CTL6
FC-300 externe voetschakelaar6
FC-300 E5/C7
FC-300 externe expressiepedaal5/externe
voetschakelaar7
FC-300 CTL8
FC-300 externe voetschakelaar8
INTRNL PEDAL
Interne pedaal
Hiermee bepaalt u welke programmawijzigingberichten worden
verzonden, als er van Patch wordt gewisseld.
U kunt voor kanaal A en kanaal B verschillende programmawijzigingen instellen. De clips (videobeelden) op het ontvangende apparaat worden door deze programmawijzigingberichten gewisseld.
WAVE PEDAL
Wave (golf) pedaal
COLOR EQ-FG
Kleur voorgrond
A ch/B ch PALETTE
COLOR EQ-BG
Kleur achtergrond
OFF, 1–32
SCRTCH SW
Scratch schakelaar
SPEED KNOB
Speed (snelheid) draaiknop
TOTAL FADER
Totaalfader
CROSS FADER
Cross fader
BPM SYNC
BMP sync schakelaar
CLIP LOOP
Clip loop schakelaar
ASSIGN KNOB
Toewijsbare draaiknop
FADE TIME
Fade tijd schakelaar
VISUAL KNOB
Visuele plug-in regeldraaiknop
AB SW
A/B schakelaar
TAP SW
Tap schakelaar
TOTAL SELECT
Totaalselectie
FX SELECT
Effectselectie
PLAY POS
Afspeelpositie
V-LINK PATCH
CLIP
Parameter/
Bereik
Uitleg
Hiermee bepaalt u het baanselectienummer
(CC#0, #32).
A ch/B ch CLIP
OFF, 1–32
Hiermee bepaalt u de programmawijzigingnummers.
ASSIGN 1–2
Parameter/
Bereik
Uitleg
Deze instellingen zijn nodig voor wanneer u met behulp van de uitvoeringsgegevens van de gitaar en berichten van de VG-99 regelaars
videomateriaal wilt regelen.
U kunt maximaal twee typen instellingen maken.
SOURCE
TARGET
Gebruikt in het motion dive.tokyo performance pakket.
OFF
De V-LINK functie is niet toegewezen.
LOOP START
Loop startpositie
BEND
Toonverbuigingberichten (Pitch Bend)
LOOP END
Loop eindpositie
VELO
Velocity berichten
LAYER MODE
Layer (laag) functieselectie
GK VOL
GK-3 GK volumedraaiknop
DV-7PR
GK S1
GK-3 DOWN/S1 schakelaar
PLAY SPEED
Afspeelsnelheid
GK S2
GK-3 UP/S2 schakelaar
DISLV TIME
CTL1
Regelknop1
CTL2
Regelknop2
Oplostijd
(tijd die verstrijkt wanneer u van videobeeld
wisselt)
EXP PEDAL
Op de EXP PEDAL jack aangesloten expressiepedaal.
T BAR
T balk
COLOR Cb
Kleur cb (kleurdifferentiesignaal)
CTL3
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar
COLOR Cr
Kleur cr (kleurdifferentiesignaal)
BRIGHTNESS
Helderheid
CTL4
Op de CTL3,4 jack (jack ring) aangesloten
voetschakelaar.
VFX 1
Visuele effecten1
D BEAM V
D BEAM verticale bewegingen.
VFX 2
Visuele effecten2
D BEAM H
D BEAM horizontale bewegingen.
VFX 3
Visuele effecten3
RIBBON
RIBBON CONTROLLER
VFX 4
Visuele effecten4
FC-300 EXP1
FC-300 expressiepedaal1
OUTPUT FADE
Uitvoerfade
FC-300 EXPSW1
FC-300 expressiepedaalschakelaar1
DUAL STREAM
Duale stroom
FC-300 EXP2
FC-300 expressiepedaal2
FC-300 EXPSW2
FC-300 expressiepedaalschakelaar2
FC-300 CTL1
FC-300 regelpedaal1
FC-300 CTL2
FC-300 regelpedaal2
FC-300 E3/C3
FC-300 externe expressiepedaal3/externe
voetschakelaar3
FC-300 CTL4
FC-300 externe voetschakelaar4
174
MIN (minimum) *1
0–127
Bepaalt de ondergrens van het gebied van
de parameterwijziging.
MAX (maximum) *1
0–127
Bepaalt de bovengrens van het gebied van
de parameterwijziging.
SYSTEM
Hoofdstuk 9 Parametergids
*1
Parameter/
Bereik
Uitleg
TRIGGR (Trigger) *2
Stel het punt in, waar u wilt dat het virtuele expressiepedaal begint
te werken.
Als de TARGET parameter op één van de onderstaande functies
is ingesteld, kunt u de MIN of MAX parameters niet instellen.
De MIN parameter staat dan vast op 0 en de MAX parameter op
127.
• SCRTCH SW
• BPM SYNC
PATCH CHANGE
Functioneert wanneer er van Patch wordt
gewisseld.
GK VOL
Functioneert wanneer de volumedraaiknop
van het gesplitste element wordt aangepast.
GK S1, S2
Functioneert wanneer de positie van de
DOWN/S1 of UP/S2 schakelaar van het
gesplitste element wordt gewijzigd.
*2
CTL1–CTL4
Functioneert wanneer het op de EXP
PEDAL jack aangesloten expressiepedaal
wordt bediend.
Als de SOURCE parameter op INT PEDAL is ingesteld, zijn de
TRIGGER, TIME en CURVE parameters beschikbaar.
*3
Als de SOURCE parameter op WAVE PEDAL is ingesteld, zijn
de RATE en FORM parameters beschikbaar.
EXP PEDAL
Functioneert wanneer de verticale of horizontale positie door de D BEAM regelaar
wordt herkend.
D BEAM V, H
Functioneert wanneer bandregelaar wordt
aangeraakt of de positie wordt herkend.
RIBBON ACT, POS
Functioneert wanneer het EXP PEDAAL1
van de FC-300 wordt bediend.
FC-300 EXP1, EXP2
Functioneert wanneer het EXP PEDAAL1
van de FC-300 wordt bediend.
FC-300 CTL1, CTL2
Functioneert wanneer de CTL1 of CTL2 van
de FC-300 wordt bediend.
FC-300 E3/C3, CTL4,
E4/C5, CTL6, E5/C7,
CTL8
Functioneert wanneer er een op de FC-300
E3/C3, CTL4, E5/C5, CTL6, E5/C7 of CTL8
jack aangesloten pedaal wordt bediend.
Deze past de hoeveelheid tijd aan, waarin
het virtuele expressiepedaal van de helemaal losgelaten stand (pedaalteen omhoog)
naar de helemaal ingedrukte stand (pedaalteen omlaag gedrukt) verandert.
CURVE *2
Deze selecteert één van de drie typen, die bepalen hoe het aangenomen expressiepedaal wijzigt.
LINEAR
SLOW RISE
FAST RISE
• TAP SW
• DUAL STREAM
Hoewel de aangegeven doelnamen (target) naar de EDIROL
DV-7PR en motion dive.tokyo verwijzen, worden er in
werkelijkheid controlewijzigingberichten verzonden.
Voor meer informatie over de relatie tussen de doelnamen en
controlewijzigingnummers, zie pagina 181.
Voor meer gedetailleerde informatie over de EDIROL DV-7PR
en het motion dive.tokyo performance pakket, zie de
handleidingen van de afzonderlijke producten.
Parameter/
Bereik
Uitleg
1e–6de
Bepaalt welk kanaal door elke snaar wordt geregeld.
OFF
Er wordt geen kanaal geregeld.
A CH
Kanaal A van het V-LINK compatibele
apparaat wordt geregeld.
B CH
Kanaal B van het V-LINK compatibele
apparaat wordt geregeld.
C CH
De MIDI Note plug-in wordt geregeld.
Bij sommige V-LINK compatibele modellen, zoals de DV-7PR,
kan alleen kanaal A worden gebruikt.
RATE *3
Bepaalt hoeveel tijd één cyclus van het aangenomen expressiepedaal in beslag neemt.
Hoofdstuk 9
0–100
• AB SW
STRING CH (snaarkanaal)
TIME *2
0–100
• CLIP LOOP
FORM *3
Deze selecteert één van de drie typen, die bepalen hoe het aangenomen expressiepedaal wijzigt.
SAW
TRI
SIN
175
Hoofdstuk 9 Parametergids
V-LINK SYSTEM
SYSTEM
D BEAM CALIB
(D BEAM Calibration)
MIDI CH (MIDI kanaal)
Parameter/
Bereik
Uitleg
Hiermee bepaalt u het MIDI ontvangstkanaal van het op de VG-99
aangesloten V-LINK compatibele apparaat.
Parameter/
Bereik
Uitleg
D BEAM DISAB (D BEAM uitschakelen)
U kunt voor het hele apparaat de D BEAM regelaar uitschakelen.
MIDI A CH (MIDI A Channel)
OFF
De D BEAM is ingeschakeld.
1–16ch
ON
De D BEAM is uitgeschakeld.
Bepaalt het MIDI kanaal van kanaal A van
het V-LINK compatibele apparaat.
* Als u op de D BEAM [PITCH], [FILTER] of
[ASSIGNABLE] knop drukt om de D Beam
regelaar in te schakelen, heeft dit geen effect.
MIDI B CH (MIDI B Channel)
1–16ch
Bepaalt het MIDI kanaal van kanaal B van
het V-LINK compatibele apparaat.
MIDI C CH (MIDI B Channel)
1–16ch
Bepaalt welk MIDI kanaal de MIDI noot
plug-in regelt.
• De MIDI CH parameter van het V-LINK venster is een
systeemparameter.
• Als er een V-LINK compatibele apparaat op de VG-99 is
aangesloten, stelt u deze parameter zo in dat het MIDI kanaal
van het V-LINK compatibele apparaat en het MIDI kanaal dat
de VG-99 gebruikt niet gelijk zijn.
• Zodra de VG-99 wordt aangezet worden de hier ingestelde
MIDI kanalen, als de V-LINK functie is ingeschakeld, als
systeem exclusieve berichten verzonden.
• Op sommige V-LINK compatibele apparaten, zoals de EDIROL
DV-7PR, kan er maar één MIDI kanaal, MIDI A CH, worden
gebruikt.
PATCH EXTENT
Parameter/
Bereik
Uitleg
PATCH EXTENT
U kunt de onder en bovengrens aangeven, om zo het gebied aan te
geven, waarbinnen Patches kunnen worden gewijzigd.
FROM
Bepaalt de ondergrens van het Patchbereik.
TO
Bepaalt de bovengrens van het Patchbereik.
FACTORY RESET
Parameter/
Bereik
Uitleg
FACTORY RESET
GATEGORY NAME
Parameter/
Bereik
Uitleg
Hiermee zet u de VG-99 op de instellingen terug, die het apparaat
had toen hij vanuit de fabriek werd geleverd.
ALL
Alle gegevens
SYSTEM
Inhoud van de instellingen van de SYSTEM
parameters, HARMONIST toonladders,
AUTO RIFF frasen, voorversterkers en
luidsprekers, overdrive/distortion en
bewerkingsparameters van de op maat
gemaakte (custom) wah.
CATEGORY NAME
Hiermee bepaalt u de categorienaam.
INSERT
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
GK SETTING
Inhoud van de GK SETTING instellingen.
DELETE
Het teken verwijderen en de daarop volgende tekens naar links opschuiven.
GLOBAL
Instellingen van de GLOBAL functie.
SPACE
Op de cursorpositie een lege spatie invoegen.
PATCH
Instellingen van Patchnummer 001-200
FAVORITE SETTING
A0!
Tussen letters, cijfers en symbolen schakelen.
Inhoud van de instellingen van de FAVORITE SETTINGS 01-10 van alle effecten.
A<=>a
Tussen hoofdletters en kleine letters schakelen.
CATGRY
Hiermee selecteert u de gebruikercategorie,
waaraan u een naam wilt toewijzen.
176
GLOBAL
Hoofdstuk 9 Parametergids
GLOBAL
Parameter/
Bereik
Uitleg
MAIN OUTPUT SELECT
Hiermee bepaalt u welk type apparaat wordt aangesloten.
JC-120
SMALL AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een
Roland JC-120 gitaarversterker aansluit.
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op een kleine
gitaarversterker aansluit.
COMBO AMP Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de gitaarinvoer van een andere comboversterker dan de
Roland JC-120 gitaarversterker aansluit (als de versterker en luidspreker of luidsprekers in één enkel
apparaat zijn gecombineerd).
* Afhankelijk van de gitaarversterker kunt u wellicht
met de JC-120 goede resultaten behalen.
STACK AMP
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de gitaarinvoer van een stack-type gitaarversterker (waarbij
de versterker en de luidspreker of luidsprekers van
elkaar zijn gescheiden) aansluit.
JC-120
RETURN
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een JC-120 aansluit.
COMBO
RETURN
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een comboversterker aansluit.
STACK
RETURN
Gebruik deze instelling als u de VG-99 op de
RETURN van een stack versterker of op de invoer
van een op een stellage geplaatste eindversterker
aansluit. Gebruik ook de STACK Return instelling
als u een gitaar power versterker-speakerkast combinatie gebruikt.
LINE/
PHONES
Gebruik deze instelling als u een koptelefoon
gebruikt of wanneer u de VG-99 voor opname op
een multi-sporige recorder aansluit.
* Gebruik de LINE/PHONES instelling als u een
speakersimulator gebruikt.
EQ MAIN (Equalizer Main),
EQ SUB (Equalizer Sub)
Parameter/
Bereik
LOW GAIN
-12–+12dB
Parameter/
Bereik
Uitleg
EQ MAIN (hoofdequalizer)
EQ SUB (sub equalizer)
EQ (MAIN) wordt op de uitvoer van de MAIN OUT toegepast;
EQ (SUB) wordt op de uitvoer van de SUB OUT toegepast.
Uitleg
-12–+12dB
Past de toon van het hoge frequentie gebied aan.
LOW MID FREQ (lage midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de LOW MID GAIN wordt aangepast.
LOW MID Q (lage midden Q)
0.5–16
Past de breedte van het gebied aan, dat door de EQ
rondom het LOW MID FREQ gebied ligt.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
LOW MID GAIN (lage midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het laag-midden frequentie
gebied aan.
HIGH MID FREQ (hoge midden frequentie)
20Hz–10.0kHz
Bepaalt het midden van het frequentie gebied, dat
door de HIGH MID GAIN wordt aangepast.
HIGH MID Q (hoge midden Q)
0.5–16
Past de breedte van het gebied aan, dat door de EQ
rondom het HIGH MID FREQ gebied ligt.
Hoe hoger de waarde, hoe smaller het gebied.
HIGH MID GAIN (hoge midden gain)
-12–+12dB
Past de toon van het hoog-midden frequentie
gebied aan.
NS (ruisonderdrukker)
Parameter/
Bereik
Uitleg
NS (ruisonderdrukker)
Hiermee regelt u het algemene drempelniveau van de ruisonderdrukkerinstellingen in elke Patch. Deze functie is handig,
voor wanneer u een andere gitaar aansluit
of u aanpassingen wilt doen met betrekking
tot wijzigingen in de ruisniveaus in de uitvoeringsruimte.
Om de instelling van de afzonderlijke
Patches te gebruiken stelt u deze
instelling op 0 dB in.
MAIN EQ SW (hoofdequalizer schakelaar),
SUB EQ SW (sub equalizer schakelaar)
OFF, ON
Schakelt het EQ effect in/uit.
TOTAL GAIN
-12–+12dB
Past het volume van voor de EQ aan.
177
Hoofdstuk 9
U heeft een 4-bands EQ met een hoog en laag gebied tot uw beschikking. Het geluid, dat door het effect wordt verwerkt, kan voor de uitvoer door het frequentiebereik worden versterkt.
Past de toon van het lage frequentie gebied aan.
HIGH GAIN
-20–20dB
Parameter/
Bereik
Uitleg
Hoofdstuk 9 Parametergids
REVERB
Parameter/
Bereik
TUNER
Uitleg
MULTI MODE, SINGLE MODE
REVERB
0–200%
Hiermee regelt u het algemene reverb
niveau van de reverb instellingen in elke
Patch. Het aanpassen van deze reverb functie is handig, voor wanneer u het geluid aan
de akoestiek van de uitvoeringsruimte wilt
aanpassen.
Om de instelling van de afzonderlijke
Patches te gebruiken stelt u deze
instelling op 100% in.
SUB OUT LEVEL
Parameter/
Bereik
Uitleg
SUB OUT LEVEL
0–200%
Deze instelling regelt het algemene uitvoerniveau van de SUB OUT aansluitingen. De
instelling is niet op de instellingen van de
afzonderlijke Patches van toepassing.
Om het lijnniveau (+4dBu) als
uitgaand niveau te gebruiken, stelt u
deze instelling op 100% in.
178
TUNER
Parameter/
Bereik
Uitleg
PITCH
435–445Hz
Hiermee stelt u de referentietoonhoogte in.
MUTE
Deze instelling bepaalt of het stemminggeluid vanaf het aangesloten
apparaat (zoals een versterker) wordt uitgevoerd of niet.
OFF
Het stemminggeluid wordt niet uitgevoerd.
ON
Het stemminggeluid wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk 10 Bijlagen
MIDI implementatiekaart
V-Guitar System
MIDI implementatiekaart (hoofdgedeelte)
Model VG-99
Verzonden
Functie...
Basic
Channel
Default
Changed
Mode
Note
Number
Herkend
1–16
1–16
1–16
1–16
x
x
x
x
Default
Messages
Altered
**************
True Voice
**************
x
**************
Note ON
Note OFF
x
x
x
x
Key's
Ch's
x
x
x
x
x
Velocity
After
Touch
Pitch Bend
0, 32
1 – 31
33 – 63
64 – 95
Control
Change
Program
Change
True #
o
*1
x
o
o
o
o
*1
*1
o
o
x
o
o
0 – 127
*1
*1
o
o
Common
Song Position
Song Select
Tune Request
x
x
x
x
x
x
System
Realtime
Clock
Commands
x
o
Local ON/OFF
All Notes OFF
All Sound OFF
Reset All Controller
Active Sense
System Reset
x
x
x
x
o
x
AUX
Messages
Mode 1: OMNI ON, POLY
Mode 3: OMNI OFF, POLY
Memorized
Bank Select
o
x
*1
x
x
x
x
o
x
Hoofdstuk 10
Notes
Opmerkingen
o
0 – 127
System Exclusive
*2
Versie : 1.00
*1 O X is selectable.
*2 MIDI START/STOP can be set with SYSTEM - CONTROL ASSIGN.
Mode 2: OMNI ON, MONO
Mode 4: OMNI OFF, MONO
o: Ja
x: Nee
179
Hoofdstuk 10 Bijlagen
V-Guitar System
Model VG-99
MIDI implementatiekaart (GUITAR TO MIDI gedeelte)
Verzonden
Functie...
Basic
Channel
Default
Changed
Mode
Note
Number
x
x
Memorized
Mode 3, 4 (M=6)
x
Mode 3, 4 (M=6)
x
Memorized
Default
Messages
Altered
**************
True Voice
0–127
Note ON
Note OFF
o
x
Key's
Ch's
x
x
After
Touch
Pitch Bend
0, 32
1 – 31
33 – 63
64 – 95
6, 38
98, 99
100, 101
Control
Change
Program
Change
True #
x
**************
*2
x
x
x
x
o
*3
x
o
o
x
o
o
x
o
*1
*1
x
x
x
x
x
x
x
o
0 – 127
*1
*1
x
x
Common
Song Position
Song Select
Tune Request
x
x
x
x
x
x
System
Realtime
Clock
Commands
x
x
x
x
Local ON/OFF
All Notes OFF
All Sound OFF
Reset All Controller
Active Sense
System Reset
x
x
x
x
o
x
x
x
x
x
x
x
Notes
Mode 1: OMNI ON, POLY
Mode 3: OMNI OFF, POLY
Bank Select
Data Entry
NRPN LSB, MSB
RPN LSB, MSB
x
**************
System Exclusive
AUX
Messages
Opmerkingen
1–11
1–11
o
Velocity
180
Herkend
Versie : 1.00
*1 O X is selectable.
*2 Note On is always transmitted with 9nH kkH 00H.
*3 Can be set with the CHROMATIC parameter.
Mode 2: OMNI ON, MONO
Mode 4: OMNI OFF, MONO
o: Ja
x: Nee
Hoofdstuk 10 Bijlagen
V-LINK
V-Guitar System
MIDI implementatiekaart (V-LINK gedeelte)
Model VG-99
Verzonden
Functie...
Basic
Channel
Default
Changed
Mode
Note
Number
Velocity
Herkend
1–16
1–16
x
x
x
x
x
x
Default
Messages
Altered
**************
True Voice
o
0–127
*1
Key's
Ch's
x
x
x
x
x
x
Pitch Bend
0, 32
1
3
8
10
11
64
65
71
72
73
74
81
83
85
86
91
92
93
94
Control
Change
Program
Change
True #
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
o
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
*1, *3
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
o
0 – 31
*1, *3
x
**************
System Exclusive
o
x
Common
Song Position
Song Select
Tune Request
x
x
x
x
x
x
System
Realtime
Clock
Commands
x
x
x
x
Local ON/OFF
All Notes OFF
All Sound OFF
Reset All Controller
Active Sense
System Reset
x
x
x
o
o
x
x
x
x
x
x
x
AUX
Messages
Notes
Bank Select
Modulation
Balance MSB
Pan MSB
Expression MSB
Hold-1
Portamento
Resonance
Release
Attack
Cutoff
General Purpose 6
General Purpose 8
Reverb
Effects Depth 2
Effects Depth 3
Effects Depth 4
*1 O X is selectable.
*2 The Note OFF messages (9nH kkH 00H) are always transmitted.
*3 For correspondences with this device's parameters, refer to the “V-LINK Correspondence Table.”
Mode 2: OMNI ON, MONO
Mode 4: OMNI OFF, MONO
Hoofdstuk 10
Mode 1: OMNI ON, POLY
Mode 3: OMNI OFF, POLY
Memorized
x
x
o
x
After
Touch
Opmerkingen
x
**************
Note ON
Note OFF
*2
Versie : 1.00
o: Ja
x: Nee
181
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Tabel voor V-LINK overeenstemming
V-LINK functie
Verzonden MIDI bericht
Verzonden kanaal
Deze worden gebruikt voor modellen als de EDIROL DV-7PR of het motion dive.tokyo performance pakket.
PALETTE 1–32 (Palette Change)
CC 0 (Bank Select MSB): 0–31
ch.A / ch.B
CC 32 (Bank Select LSB): 0
CLIP 1–32 (Clip Change)
Program Change: 0–31
ch.A / ch.B
Deze worden gebruikt voor het motion dive.tokyo performance pakket
COLOR EQ–FG
CC 1 (Modulation)
ch.A & ch.B
COLOR EQ–BG
CC 71 (Resonance)
ch.A & ch.B
SCRTCH SW
CC 3 (---)
ch.A & ch.B
SPEED KNOB
CC 8 (Balance)
ch.A & ch.B
TOTAL FADER
CC 10 (Panpot)
ch.A
CROSS FADER
CC 11 (Expression)
ch.A
BPM SYNC
CC 64 (Hold 1)
ch.A & ch.B
CLIP LOOP
CC 65 (Portamento)
ch.A & ch.B
ASSIGN KNOB
CC 72 (Release)
ch.A & ch.B
FADE TIME
CC 73 (Attack)
ch.A
VISUAL KNOB
CC 74 (Cutoff)
ch.A
AB SW
CC 81 (General Purpose 6)
ch.A
TAP SW
CC 83 (General Purpose 8)
ch.A
TOTAL SELECT
CC 85 (---)
ch.A
FX SELECT
CC 86 (---)
ch.A
PLAY POS
CC 91 (Reverb)
ch.A & ch.B
LOOP START
CC 92 (Tremolo)
ch.A & ch.B
LOOP END
CC 93 (Chorus)
ch.A & ch.B
LAYER MODE
CC 94 (Celeste)
ch.A
Deze worden gebruikt voor modellen als de EDIROL DV-7PR
182
PLAY SPEED
CC 8 (Balance)
ch.A
DISLV TIME
CC 73 (Attack)
ch.A
T BAR
CC 11 (Expression)
ch.A
COLOR Cb
CC 1 (Modulation)
ch.A
COLOR Cr
CC 71 (Resonance)
ch.A
BRIGHTNESS
CC 74 (Cutoff)
ch.A
VFX 1
CC 72 (Release)
ch.A
VFX 2
CC 91 (Reverb)
ch.A
VFX 3
CC 92 (Tremolo)
ch.A
VFX 4
CC 93 (Chorus)
ch.A
OUTPUT FADE
CC 10 (Panpot)
ch.A
DUAL STREAM
CC 64 (Hold 1)
ch.A
GUITAR
OUT
GUITAR
IN
NORMAL
PU
DIVIDED
PU
Hoofdstuk 10
Gitaarversterker
Gitaar
GK-3
verdeeld element
Audiosignaal
POLYFX
CH
(OFF)
FX
POLY
Computer
Audio IN
USB IN
POLYFX
SW
Audio OUT
COSM GTR A
A
COSM GTR B B
NORMAL PU C
MAIN OUT D
SUB OUT E
MAIN & SUB D E
GUITAR B
GUITAR A
3
2
1
USB IN
LEVEL
C
B
A
USB
USB OUT
LEVEL
GK
CONNCT
FX
FX
USB OUT
FX
FX
9 SUB OUT
8 MAIN OUT
7 MIXER
6 MIXER (DRY)
5 CH B
4 CH A
3 NORMAL PU
2 COSM GTR B
1 COSM GTR A
AMP B
CHAIN B
AMP A
CHAIN A
LEVEL
6 MIXER (DRY)
5 CH B
4 CH A
A/B
PAN
BALANCE
CH
LEVEL
DELAY
CH
DELAY
PAN
8
DIRECT MON
D OUT LEVEL
GLOBAL
SUB
EQ
SUB OUT LEVEL
9
GLOBAL
MAIN
EQ
MAIN OUT LEVEL
SUB OUT
D OUT
REVERB
SEND
MIXER
DELAY
SEND
MAIN OUT
5
4
DELAY/REVERB
E
D
6
DIGITAL
SUB
OUTPUT
SELECT
MAIN
TOTAL
EQ
GLOBAL
SUBOUT
LEVEL
SUB OUT
PHONES
MAIN
OUT
OUTPUT
LEVEL
DIGITAL OUT
PATCH
LEVEL
7
Digitale
recorder etc.
Mixer
Koptelefoon
Gitaarversterker
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Signaalstroom
183
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Specificaties
VG-99 V-gitaar systeem
EXIT knop
AD conversie
PAGE knoppen x2 (links, rechts)
24 bits + AF methode
WRITE knop
GUITAR TO MIDI knop
SYSTEM knop
DA conversie
24 bits
Samplingfrequentie
44,1 kHz
Programmageheugens
400:200 (gebruiker) + 200 (voorgeprogrammeerd)
Nominaal invoerniveau
GUITAR INPUT: -10 dBu
GLOBAL knop
TUNER knop
CATEGORY knop
PATCH/VALUE draaischijf
Aan/uit (power) schakelaar
D BEAM
D Beam regelaar
PITCH knop
FILTER knop
ASSIGNABLE knop
RIBBON CONTROLLER (bandregelaar)
Invoerimpedantie
GUITAR INPUT: 2.2 M ohm
Bandregelaar
PITCH knop
FILTER knop
Nominaal uitvoerniveau
MAIN OUT: -10 dBu
SUB OUT (XLR): +4 dBu
ASSIGNABLE knop
[Achterpaneel]
Ground Lift schakelaar (SUB OUT)
GUITAR OUT: -10 dBu
Uitvoerimpedantie
Beeldscherm
Grafisch LCD met 240x64 pixels (van achter belicht)
MAIN OUT: 1 k ohm
SUB OUT (XLR): 600 ohm
Dynamisch bereik
100 dB of hoger (IHF-A)
Regelaars
Aansluitingen
[Bovenpaneel]
GK IN aansluiting (13-pins DIN type)
[Achterpaneel]
GUITAR INPUT jack (1/4" type)
[Bovenpaneel]
GUITAR OUTPUT jack (1/4" type)
OUTPUT LEVEL draaiknop
SUB OUT jacks x 2 (L, R) (XLR type)
Functiedraaiknoppen x 6 (F1-F6)
BALANCE draaiknop
V-LINK knop
DIRECT PATCH knoppen x 5 (1-5)
CONTROL knoppen x 2 (1, 2)
COSM GUITAR MODELING TYPE knoppen x 2 (A, B)
COSM GUITAR ALTERNATE TUNING knop
POLY FX A/B knoppen x 2 (A, B)
FX knoppen x 2 (A, B)
COSM AMP knoppen x 2 (A, B)
MIXER knoppen x 2 (A, B)
DELAY/REVERB knop
DYNAMIC knop
CHAIN knop
CONTROL ASSIGN knop
NAME/KEY/BMP knop
Functieknoppen x 6 (F1-F6)
184
MAIN OUT jacks x 2 (L/MONO, R) (1/4" type)
PHONES jack (stereo 1/4" type)
DIGITAL OUT jack (coaxiaal, IEC60958-3 conform)
EXP PEDAL jack (1/4" TRS type)
CTL3,4 jack (1/4" TRS type)
USB aansluiting (B type)
RRC2 IN aansluiting (RJ45 type)
MIDI aansluitingen x 2 (IN, OUT) (5-pins DIN type)
DC IN jack
Stroomvoorziening
Adapter (PSB-1U)
Stroomverbruik
1,3 A
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Afmetingen
340,0 (L) x 218,0 (B) x 93,5 (H) mm
*
EIA-5U stellagetype: optische stellage (rack mount) adapter RAD-99
Gewicht
2,1 kg (exclusief adapter)
Accessoires
Handleiding
GK kabel (5m)
USB kabel
RRC2 kabel
VG-99 software CD-ROM
VG-99 software
systeemvereisten
Voor Windows
Besturingssysteem
•
•
CPU/Clock
•
Adapter (PSB-1U)
Draaiknop bout x 4
Roland Service (informatieblad)
Opties
Verdeeld element: GK-3
MIDI voetregelaar: FC-300
Voetschakelaar: BOSS FS-5U
Dubbele voetschakelaar: BOSS FS-6
Microsoft Windows XP
Microsoft Windows Vista
Pentium/Celeron, Intel-compatibele processor 1 Ghz of
hoger
RAM
•
512 MB of meer
Benodigde ruimte op harde schijf
•
190 MB of meer
Resolutie beeldscherm/kleurdiepte
•
Expressiepedaal: EV-5, BOSS FV-500L/500H
1024 x 768 of hoger / 65.536 kleuren (16 bits High Color
kwaliteit) of meer
GK kabel: GKC-10/5/3
Unit Selector (apparaatselector): US-20
Voor MAC OS
GK Parallel Box: GKP-4
Rack Mount (stellage) adapter: RAD-99
Pad standaard: PDS-10
Voetschakelaarkabel: PCS-31
*
*
0 dBu = 0,775 V rms
In belang van productverbetering zijn de specificaties en/of het
uiterlijk van dit apparaat, zonder berichtgeving van tevoren, aan
wijzigingen onderhevig.
Besturingssysteem
•
Mac OS X 10.4.3 of later
CPU/Clock
•
•
PowerPC G4, G5 1 GHz of hoger
Intel processor
RAM
•
512 MB of meer
Benodigde ruimte op harde schijf
•
190 MB of meer
Resolutie beeldscherm/kleurdiepte
•
1024 x 768 of hoger / 32.000 kleuren of meer
185
Hoofdstuk 10
Hoewel Roland vele configuraties heeft getest, en heeft bepaald
dat, gemiddeld genomen, een computersysteem dat ongeveer
aan bovenstaande beschrijving voldoet, normale bediening van
de VG-99 Editor en VG-99 Librarian software biedt. Roland kan
echter niet louter op basis van het feit, dat een bepaalde
computer aan de bovenstaande vereisten voldoet, garanderen
dat er op de desbetreffende computer naar tevredenheid met de
VG-99 Editor en VG-99 Librarian software kan worden gewerkt.
Dit komt, doordat er te veel andere variabelen zijn, die op de
werkomgeving van invloed kunnen zijn, inclusief verschillen in
moederboard, ontwerp en de specifieke combinatie van andere
betrokken apparaten.
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Foutmeldingen
Als er bij het uitvoeren van een functie een fout is gemaakt of de
functie niet goed wordt uitgevoerd, verschijnt er in het beeldscherm
een foutmelding.
Volg de onderstaande, bij de betreffende melding behorende
instructies, om het probleem te verhelpen.
Probleemoplossing
Als de VG-99 geen geluiden voortbrengt of u het idee heeft, dat hij
niet goed functioneert, controleert u eerst de volgende punten. Als u
het probleem niet kunt verhelpen door deze punten te controleren,
vraagt u het dichtstbijzijnde Roland Service centrum om advies.
Voor meer informatie over USB drivers en problemen bij
het gebruik van de drivers, zie het volgende bestand op
de VG-99 Software CD-ROM.
‘DATA WRITE ERROR’
● Het schrijven van de gegevens in het geheugen, voor het opslaan
van gebruikergegevens, is mislukt.
❍ Het apparaat is wellicht beschadigd. Vraag het dichtstbijzijnde
Roland Service centrum om advies.
‘MIDI BUFFER FULL’
‘RRC2 BUFFER FULL’
‘USB BUFFER FULL’
● Vanwege de grote hoeveelheid MIDI berichten konden de
gegevens niet goed worden verwerkt.
Besturingssysteem
Locatie
Windows XP
\Driver\XP\Readme_E.htm
Windows Vista
\Driver\Vista\Readme_E.htm
Mac OS X
/Driver/Readme_E.htm
Problemen met geluid
Geen geluid/laag volume
❍ Verminder het aantal MIDI berichten, dat naar de VG-99 wordt
verzonden.
❏
Is er kortsluiting in één van de aansluitingskabels
→ Vervang de aansluitingskabel.
‘MIDI OFFLINE’
‘RRC2 OFFLINE’
‘USB OFFLINE’
● Transmissies van het aangesloten apparaat zijn onderbroken.
Deze melding verschijnt soms ook als het aangesloten apparaat
wordt uitgezet. Dit duidt niet op schade.
❍ Controleer of er geen kabel is losgekoppeld, en of er geen
kortsluiting heeft plaatsgevonden.
‘OUT OF RANGE! SET AGAIN’
● De D Beam regelaar of bandregelaar kan niet worden
gekalibreerd.
❍ Als u de D Beam regelaar gebruikt, wijzigt u het bereik of de
positie en kalibreert u vervolgens opnieuw, zodat de melding
niet nogmaals verschijnt.
❍ Als u de bandregelaar gebruikt, voert u de kalibratieprocedure
nogmaals uit om de kalibratie te bevestigen.
Als de melding, zelfs na het juist uitvoeren van de
kalibratieprocedure, blijft verschijnen, kan dit op schade of een
storing duiden. Vraag of Roland leverancier om advies of neem
contact op met het Roland service centrum.
‘USB DEVICE ERROR’
● Initialisatie van het interne USB apparaat van de VG-99 is niet
gelukt. USB kan niet worden gebruikt.
❍
Het apparaat is wellicht beschadigd. Vraag het dichtstbijzijnde
Roland Service centrum om advies.
186
❏
Zijn de VG-99 en overige apparaten goed aangesloten?
→ Controleer de aansluitingen met andere apparaten
(p. 16).
❏
Staat de aangesloten versterker of mixer soms uit of is
het volume ervan omlaag gedraaid?
→ Controleer de instellingen van het aangesloten apparaat.
❏
Is de OUTPUT LEVEL draaiknop helemaal omlaag
gedraaid?
→ Zet de draaiknop op een geschikte instelling (p. 20).
❏
Is de stemfunctie (Tuner) ingeschakeld?
→ Als de stemfunctie is ingeschakeld en de volume
instelling tijdens het stemmen op MUTE ON is ingesteld,
wordt het droge geluid niet uitgevoerd (p. 22).
❏
Is de [SYSTEM] - GK - GK CONNCT goed ingesteld?
→ Als er een verdeeld element is aangesloten: zet
[SYSTEM] GK - GK CONNCT op ON (als AUTO niet
goed functioneert).
→ Als er geen verdeeld element is aangesloten: zet
[SYSTEM] GK - GK CONNCT op OFF.
❏
Is [COSM GUITAR A] of [COSM GUITAR B]
ingeschakeld?
→ Als [COSM GUITAR] is uitgeschakeld, worden er geen
geluiden van het gesplitste element gespeeld. Schakel de
[COSM GUITAR] in.
Hoofdstuk 10 Bijlagen
❏
Als dit het geval is, kunt u één van de volgende
methoden gebruiken om het probleem te voorkomen.
Is de [A/B BALANCE] goed ingesteld?
→ Stel voor het kanaal, waarop geluiden worden gespeeld,
de [A/B BALANCE] in.
❏
•
•
•
Is elk effect goed ingesteld?
Stop de weergave met de software of stelt Soft Thru op
OFF in.
Schakel de geluidsinvoer van de software uit.
Zet de [SYSTEM] - USB - USB IN op OFF.
→ Gebruik de ‘Meter functie’ (p. 34) onder [CHAIN] om
het uitgaande niveau van elk effect te controleren. Als de
meter van een bepaald effect niet fluctueert, controleert
u de instellingen van dat effect.
Er wordt geen stereo effect
voortgebracht
❏
❏
Zijn volumeparameters, zoals GUITAR: VOLUME,
FV:LEVEL en PATCH LEVEL op de toegewezen doelen
ingesteld?
→ Bedien deze in overeenstemming met de bronnen.
❏
Heeft u de juiste OUTPUT instellingen gemaakt?
→ Controleer de uitvoerinstellingen van [SYSTEM] OUTPUT en [MIXER] - OUTPUT.
❏
Als er via USB geen geluid wordt voortgebracht: zijn
de [SYSTEM] - USB instellingen goed?
→ Zet de instellingen op de juiste waarden (p. 73) (p. 173).
❏
Als er via USB geen geluid wordt voortgebracht: zijn
de [SYSTEM] - GK SETTING instellingen goed?
→ Als GK CONNCT is uitgeschakeld (of het gesplitste
element niet is aangesloten), is het mogelijk dat de
geluidsinvoer via USB niet wordt uitgevoerd. Zorg
ervoor dat de instelling op de juiste waarden staat (p.
166).
❏
Is [SYSTEM] - USB - DIRECT MON (p. 173)
uitgeschakeld?
→ Schakel deze parameter in.
Op INPUT aangesloten apparaat
heft laag volume
❏
Gebruikt u wellicht een geluidskabel met een
weerstand?
→ Gebruik alleen aansluitingskabel (zoals een kabel uit de
Roland PCS serie), die geen weerstand bevat.
Oscillatiegeluid hoorbaar
❏
Heeft u in de keten na het stereo effect (STRING PAN,
CHORUS, etc.) een mono effect of COSM versterker
aangesloten?
→ Als u het signaal door een mono effect of COSM
versterker heen leidt, annuleert u het stereo effect. Druk
op [CHAIN] om de verbindingssequens van de effecten
te controleren (p. 34).
Kan met behulp van de
draaiknoppen of PATCH/VALUE
draaischijf geen parameters
wijzigen
❏
Gebruikt u het INTERNAL PEDAL (p. 155) met de
Control Assign functie?
→ Als u als toewijzingsbron het INTERNAL PEDAL of
WAVE PEDAL gebruikt, worden de effectparameters,
die als toewijzingsbron zijn ingesteld, automatisch
gewijzigd.
Als u met behulp van de draaiknoppen of de PATCH/
VALUE draaischijf parameters wilt wijzigen, schakelt u
de Control Assign functie uit en annuleert u de
INTERNAL PEDAL instelling.
❏
Is de bron bij Control Assign op INPUT LEVEL (p. 155)
ingesteld?
→ Als de toewijzingsbron op INPUT LEVEL is ingesteld,
worden de effectparameters, die als toewijzingsdoel zijn
ingesteld, op basis van het ingaande niveau van de
gitaar (de speeldynamiek) automatisch gewijzigd.
Als u de parameters met behulp van de draaiknoppen of
de PATCH/VALUE draaischijf wilt wijzigen, dient u
eerst de Control Assign functie uit te schakelen.
Zijn er bepaalde gain waarden of volumegerelateerde
parameterwaarden in de effectinstellingen te hoog
ingesteld?
❏
Hoofdstuk 10
→ Verlaag de waarden.
Staat de [SYSTEM] - USB - USB IN (p. 173) parameter
op iets anders ingesteld dan OFF?
→ Als u deze op iets anders instelt dan OFF, kan het zijn
dat de software instellingen ervoor zorgen, dat de
geluidssignalen worden geloopt.
187
Hoofdstuk 10 Bijlagen
Overige problemen
Kan de SYSTEM/ USB USB IN
instellingen niet opslaan
→ Als de USB IN parameter op COSM GTR A, COSM GTR
B of NORMAL PU is ingesteld, worden de MAIN & SUB
parameters de volgende keer, dat de VG-99 wordt
aangezet, ingesteld. Als u COSM GTR A, COSM GTR B
of NORMAL PU wilt gebruiken, dient u deze instelling
elk keer dat u de VG-99 opnieuw opstart, opnieuw te
maken (p. 173).
Er worden geen MIDI berichten
verzonden/ontvangen
❏
Is er wellicht kortsluiting in de MIDI kabel?
→ Vervang de MIDI kabel.
❏
Zijn de VG-99 en het externe MIDI apparaat goed
aangesloten?
→ Controleer de aansluiting met het externe MIDI
apparaat.
❏
Komen de MIDI kanalen overeen?
De Patch wisselt niet
→ Controleer of beide apparaten op hetzelfde MIDI kanaal
zijn ingesteld (p. 58).
❏
❏
Wordt er in het beeldscherm een ander venster dan het
Afspeelvenster weergegeven?
→ U kunt op de VG-99 alleen in het Afspeelvenster van
Patch wisselen. Druk één of meerdere keren op [EXIT]
om naar het Afspeelvenster terug te keren (p. 19).
❏
Is [SYSTEM] - MISC - PATCH EXTENT goed
ingesteld?
→ Het bereik aan Patches, die kunnen worden geselecteerd,
wordt door de PATCH EXTENT parameter beperkt.
Zorg ervoor, dat dit goed is ingesteld.
Kan parameters, die met behulp
van Assign zijn ingesteld, niet
volgens verwachting regelen
❏
Zijn de effecten uitgeschakeld?
→ Controleer de instellingen, om er zeker van te zijn, dat de
effecten, waar de betreffende te regelen parameters bij
horen, zijn ingeschakeld.
❏
Is de Patch bij [SYSTEM] - CONTROL ASSIGN op iets
anders ingesteld dan ASSIGNABLE (PATCH)?
→ Ook al heeft u de [CONTROL ASSIGN] instelling van de
Patch heeft gemaakt, de instellingen van [SYSTEM] CONTROL ASSIGN krijgen voorrang.
Om de instellingen van de Patch in te schakelen, zet u de
regelaars onder [SYSTEM] - CONTROL ASSIGN op
ASSIGNABLE (PATCH).
❏
Komen de MIDI kanalen overeen?
→ Als u met behulp van MIDI functies uitvoert, dient u te
controleren of beide apparaten op hetzelfde MIDI kanaal
zijn ingesteld (p. 58).
❏
Komen de regelaarnummers (CC#) overeen?
→ Controleer of de gebruikte regelaarnummers hetzelfde
zijn (p. 62).
188
Als u gegevens van de VG-99 verzendt: heeft u de
transmissie instellingen gemaakt?
→ Controleer de programmawijzigingbericht ON/OFF
instelling (p. 60) en de instellingen van het te verzenden
regelaarnummer (p. 62).
Overzicht van voorgeprogrammeerde Patches
Kanaal A
Kanaal B
Patch
#
Patchnaam
Categorie
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
001
ST+TWIN
ROCK
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN TWEED
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN PRO CRUNCH
002
Fat LP
ROCK
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I+II)
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
003
Strat+LP
ROCK
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
004
Acoustic
ACOUSTIC AC
STEEL
---
---
---
---
005
Sevilla NYLON
ACOUSTIC AC
NYLON
---
AC
NYLON
---
006
D-Beam Whammy
ROCK
E.GTR
LP
CRUNCH STACK CRUNCH
E.GTR
LP
CRUNCH STACK CRUNCH
007
DADGAD 12String
ALT.TUNE
AC
VARI
JC CLEAN FULL RANGE
AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
008
2nd St Bend
ALT.TUNE
E.GTR
TE
TW CLEAN TWEED
E.GTR
TE
TW CLEAN TWEED
009
Freeze+Lead
OTHERS
E.GTR
LP
CRUNCH STACK CRUNCH
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN FULL RANGE
010
LP+GR300
SYNTH
SYNTH GR-300
---
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
011
BRUTAL BARI
METAL
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
E.GTR
LP
METAL METAL STACK
012
Ribbon Rhythm
OTHERS
AC
STEEL
---
E.GTR
RICK
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
013
Jazz combo
JAZZ
E.GTR
L4
JC CLEAN JAZZ COMBO
---
---
---
014
Sitar&Pad
SYNTH
AC
SITAR
JC CLEAN JC-120
SYNTH BOWED
015
TRACER
BASS
BASS
JB
BASS AMP MODERN
---
---
---
016
G RESONATOR
ACOUSTIC AC
RESO
COMBO VO CLEAN
AC
RESO
---
017
RB+VOX
ROCK
E.GTR
RICK
COMBO VO CLEAN
E.GTR
RICK
COMBO VO CLEAN
018
TE+TWIN
ROCK
E.GTR
TE
TW CLEAN TWEED
E.GTR
TE
TW CLEAN PRO CRUNCH
019
JD AC_Gt CH
ACOUSTIC AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
020
SLDN/MRSHL L/R
METAL
E.GTR
LP
HI-GAIN SLDN
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS HI-GAIN
021
BIG KLEEN
CLEAN
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN JC-120
022
Classic NYLON
ACOUSTIC AC
NYLON
JC CLEAN FULL RANGE
AC
NYLON
JC CLEAN FULL RANGE
023
HOTEL CA
ROCK
E.GTR
LP
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
024
Shredder*
METAL
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
VARI
025
5th’s Rule!
SYNTH
E.GTR
CLA-ST
COMBO MATCH LEAD
SYNTH GR-300
---
HI-GAIN SLDN
---
026
Arming Gt
OTHERS
E.GTR
VARI
MS STACK MS HI-GAIN
---
---
---
027
Holds Clean
CLEAN
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
028
CHICKEN
ROCK
E.GTR
TE
JC CLEAN JC-120
E.GTR
TE
BG LEAD BG RHYTHM
029
AcousticFusion
CLEAN
AC
NYLON
---
AC
VARI
JC CLEAN FULL RANGE
030
CC-TOP
ROCK
E.GTR
P-90
CRUNCH CRUNCH
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN WARM CRUNCH
031
All E Moving
EFFECTS
E.GTR
LIPS
JC CLEAN FULL RANGE
E.GTR
CLA-ST
032
ORE GUNS
SYNTH
SYNTH ORGAN
TW CLEAN PRO CRUNCH
SYNTH ORGAN
TW CLEAN CLEAN TWIN
033
Dano Buzz
OTHERS
AC
SITAR
JC CLEAN JC-120
AC
SITAR
JC CLEAN JC-120
034
DUELIN B
ACOUSTIC AC
BANJO
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
AC
RESO
JC CLEAN FULL RANGE
035
OpenG&P90
ALT.TUNE
E.GTR
P-90
COMBO MATCH DRIVE
---
---
---
036
BRIDGE SHRED
METAL
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
E.GTR
LP
037
GR-300 Solo
SYNTH
SYNTH GR-300
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH GR-300
038
BROWN SHUGA
OTHERS
E.GTR
TE
COMBO VO DRIVE
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
039
Solid Hi Gain
ROCK
E.GTR
VARI
HI-GAIN LEAD STACK
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
040
Dyna AG
ACOUSTIC E.GTR
TE
JC CLEAN JC-120
AC
STEEL
---
041
Sitari
EFFECTS
AC
SITAR
---
SYNTH PWM
---
042
BFcln:BFlead A:B
CLEAN
E.GTR
VARI
COMBO FAT MATCH
E.GTR
COMBO MATCH LEAD
MOD-ST
JC CLEAN FULL RANGE
METAL 5150 DRIVE
JC CLEAN FULL RANGE
043
Synthy
SYNTH
SYNTH GR-300
JC CLEAN FULL RANGE
---
---
---
044
Poly Dist +GR
OTHERS
SYNTH GR-300
---
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
045
StratEdge
ROCK
E.GTR
MOD-ST
MS STACK MS1959 (I)
---
---
---
046
InTheMetalZone
METAL
E.GTR
LP
JC CLEAN FULL RANGE
E.GTR
LP
JC CLEAN FULL RANGE
047
HIGH VOLTAGE
ROCK
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
P-90
COMBO VO DRIVE
048
A:PB+12 B:PB-2
EFFECTS
E.GTR
LP
HI-GAIN DRIVE STACK
E.GTR
LP
HI-GAIN DRIVE STACK
049
2VirtualNylons
ACOUSTIC AC
NYLON
---
AC
NYLON
JC CLEAN FULL RANGE
050
GR-300 OctUnizon
SYNTH
---
SYNTH GR-300
SYNTH GR-300
---
189
Overzicht van voorgeprogrammeerde Patches
Kanaal A
Kanaal B
Patch
#
Patchnaam
051
Crusher
METAL
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
LP
R-FIER MODERN 2
052
Jazzy 335/L4
JAZZ
E.GTR
335
JC CLEAN JAZZ COMBO
E.GTR
L4
JC CLEAN JAZZ COMBO
053
D-BeamLead+^^12
ROCK
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
P-90
CRUNCH STACK CRUNCH
054
8/8 QuadSlices
EFFECTS
SYNTH DUAL
MS STACK MS1959 (II)
SYNTH BRASS
CRUNCH STACK CRUNCH
055
MODAL SITAR
OTHERS
AC
SITAR
---
---
---
---
056
FoxyPurpl
METAL
E.GTR
VARI
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I)
057
Open ToP
ALT.TUNE
AC
RESO
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
AC
RESO
JC CLEAN WARM CLEAN
058
VG StringOrch
SYNTH
E.GTR
VARI
JC CLEAN WARM CLEAN
SYNTH GR-300
059
AND NASH
ACOUSTIC AC
STEEL
JC CLEAN JC-120
---
---
---
060
Bass+12StrSplit
OTHERS
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
BASS
JB
JC CLEAN WARM CLEAN
Categorie
Modulatiegitaar type
type
AC
Versterkertype
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
---
061
Bell&Slice
EFFECTS
SYNTH CRYSTL
---
E.GTR
LIPS
---
062
SoftStrat
CLEAN
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
---
---
---
063
Stereo Crunch
ROCK
E.GTR
P-90
COMBO VO DRIVE
E.GTR
TE
COMBO MATCH DRIVE
064
PdlWah JC:MS A:B
ROCK
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
E.GTR
LP
HI-GAIN DRIVE STACK
065
GR-300 9thStack
SYNTH
SYNTH GR-300
---
SYNTH GR-300
066
Double 12
ACOUSTIC AC
STEEL
---
AC
STEEL
---
067
Doom Metal
METAL
LP
HI-GAIN SLDN
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
068
GUIT’N BASS
OTHERS
BASS
PB
BASS AMP MODERN
E.GTR
CLA-ST
069
Paragliding
EFFECTS
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH BOWED
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
070
RobinVibe
ROCK
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I+II)
---
---
---
071
Ac12st
ACOUSTIC AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
---
---
072
OctaveOrch
SYNTH
SYNTH GR-300
BG LEAD BG RHYTHM
SYNTH BRASS
073
D-BagDrp*
METAL
E.GTR
LP
T-AMP LEAD
E.GTR
VARI
HI-GAIN SLDN
074
Strange Bend
ALT.TUNE
E.GTR
LIPS
JC CLEAN WARM CLEAN
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN WARM CLEAN
075
DynaBoogie
OTHERS
E.GTR
VARI
R-FIER MODERN 2
E.GTR
VARI
BG LEAD BG DRIVE
076
YeR BLues
JAZZ
AC
VARI
JC CLEAN JC-120
E.GTR
L4
JC CLEAN JC-120
077
Bluesy335
ROCK
E.GTR
335
COMBO FAT MATCH
---
---
---
078
GT Fantasia Bend
EFFECTS
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
AC
STEEL
---
079
12STRING STRUM
CLEAN
E.GTR
LIPS
JC CLEAN JC-120
AC
STEEL
080
ResoPWMWavePedal
SYNTH
SYNTH WAVE
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH PWM
E.GTR
081
PinkEcho
METAL
E.GTR
082
LO Synth
OTHERS
SYNTH GR-300
MOD-ST
MS STACK MS1959 (I)
---
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH WAVE
---
---
JC CLEAN JC-120
--BG LEAD SMOOTH DRIVE
--BG LEAD BG RHYTHM
--JC CLEAN FULL RANGE
083
BIGFOOT
EFFECTS
SYNTH GR-300
MS STACK MS1959 (I+II)
---
---
---
084
VariDS|Metal A&B
METAL
E.GTR
METAL 5150 DRIVE
E.GTR
VARI
METAL METAL LEAD
SYNTH GR-300
VARI
085
CRIMSON SYNTH
SYNTH
---
---
---
---
086
AG+Mandolin
ACOUSTIC AC
VARI
---
AC
STEEL
---
087
Liquid Guitar
EFFECTS
E.GTR
LIPS
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH DUAL
088
DynaDistortion
OTHERS
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I)
AC
STEEL
---
089
TL Soul Cln
CLEAN
E.GTR
TE
TW CLEAN TWEED
---
---
---
090
Frippertonics
OTHERS
SYNTH GR-300
T-AMP CLEAN
E.GTR
LP
BG LEAD MILD DRIVE
091
JAZZ CHORUS
JAZZ
E.GTR
335
JC CLEAN JAZZ COMBO
---
---
---
092
DEZTRUKT
METAL
E.GTR
LP
METAL METAL STACK
---
---
---
093
PolyGuitar
SYNTH
SYNTH GR-300
---
E.GTR
VARI
---
094
FVolumeSwells+DD
EFFECTS
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
095
DuelingBanjo/AcG
ACOUSTIC AC
BANJO
---
AC
STEEL
---
096
CTL Lead&Freeze
OTHERS
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
097
Ambi ST
ROCK
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN TWEED
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN TWEED
098
CrystalSitarPad
SYNTH
AC
SITAR
---
SYNTH CRYSTL
---
099
BASS FEST
BASS
BASS
JB
METAL 5150 DRIVE
BASS
JB
BASS AMP VINTAGE
100
PHstep:RTs/f A:B
CLEAN
E.GTR
335
JC CLEAN JC-120
E.GTR
335
JC CLEAN JC-120
190
JC CLEAN FULL RANGE
Overzicht van voorgeprogrammeerde Patches
Kanaal A
Patch
#
Patchnaam
101
102
Kanaal B
Categorie
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
1-NoteTechnoGTR
EFFECTS
SYNTH ORGAN
JC CLEAN WARM CLEAN
SYNTH BOWED
---
DoubleTubeheads
METAL
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
R-FIER MODERN 2
103
Gut+Syn
ACOUSTIC AC
NYLON
---
SYNTH WAVE
---
104
Down Tune w/Drop
ALT.TUNE
VARI
METAL METAL LEAD
E.GTR
METAL METAL STACK
105
PolyBowedOrch
SYNTH
E.GTR
VARI
---
SYNTH BOWED
---
106
ClnFreeze
OTHERS
E.GTR
LP
TW CLEAN CLEAN TWIN
---
---
---
107
OCTIVITY
ALT.TUNE
E.GTR
CLA-ST
METAL METAL STACK
---
---
---
108
Clean St Lead
ROCK
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN PRO CRUNCH
---
---
---
109
SpAce3750
EFFECTS
SYNTH PWM
R-FIER CLEAN
SYNTH PWM
CRUNCH CRUNCH
110
JazzGtr/Ac.Bass
JAZZ
E.GTR
L4
JC CLEAN JAZZ COMBO
BASS
JB
BASS AMP VINTAGE
111
RunDevil
METAL
E.GTR
VARI
MS STACK MS1959 (I)
---
---
---
112
PiëzoPad
CLEAN
E.GTR
VARI
---
AC
VARI
---
E.GTR
335
---
---
---
---
STEEL
---
AC
STEEL
E.GTR
LP
LP
113
7ChrdDist
ROCK
114
BIG TWELVER
ACOUSTIC AC
115
GR 300+UP
SYNTH
SYNTH GR-300
T-AMP LEAD
SYNTH GR-300
COMBO VO CLEAN
116
MAX Modulation
EFFECTS
E.GTR
LIPS
JC CLEAN FULL RANGE
AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
117
12STGrng
ALT.TUNE
E.GTR
CLA-ST
R-FIER MODERN 1
AC
STEEL
JC CLEAN WARM CLEAN
118
TurnOnFxW.DBeam
ROCK
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I)
119
NECK PU LEAD
METAL
E.GTR
LP
HI-GAIN SLDN
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS HI-GAIN
120
Con Ukulele
ACOUSTIC AC
NYLON
---
---
---
121
A=JazzGT B=Synth
JAZZ
E.GTR
LP
TW CLEAN CLEAN TWIN
SYNTH BRASS
---
122
BluesHarp
OTHERS
SYNTH SOLO
TW CLEAN TWEED
---
---
123
GRWaveSynthPad
SYNTH
SYNTH WAVE
---
SYNTH GR-300
---
124
J-Bass+PiëzoBass
BASS
BASS
BASS AMP MODERN
E.GTR
JC CLEAN FULL RANGE
JB
--VARI
---
---
125
Soundtrack
EFFECTS
SYNTH GR-300
---
E.GTR
CLA-ST
HI-GAIN LEAD STACK
126
NORDIC COWBOYS!
ROCK
E.GTR
TW CLEAN CLEAN TWIN
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN PRO CRUNCH
127
DynaClean
OTHERS
SYNTH PIPE
---
E.GTR
CLA-ST
---
128
5-STRNG BANJO
OTHERS
AC
BANJO
---
---
---
---
129
Z DADGAD
ALT.TUNE
E.GTR
LIPS
TW CLEAN TWEED
---
---
---
130
Organ!
SYNTH
SYNTH ORGAN
TW CLEAN TWEED
SYNTH ORGAN
TW CLEAN TWEED
131
FunkCaster
CLEAN
E.GTR
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
132
6/8 TwinSlices
EFFECTS
SYNTH DUAL
MS STACK MS1959 (II)
SYNTH BRASS
133
Trogdor
METAL
E.GTR
LP
HI-GAIN HEAVY LEAD
---
---
---
134
BIG BALLAD SOULO
ROCK
E.GTR
LP
METAL 5150 DRIVE
E.GTR
LP
HI-GAIN SLDN
135
Baritones
ALT. TUNE E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN FULL RANGE
E.GTR
LIPS
---
136
BIN BIN
EFFECTS
E.GTR
P-90
R-FIER MODERN 1
E.GTR
L4
METAL METAL STACK
137
Rotary Gt+Bs
OTHERS
E.GTR
335
CRUNCH CRUNCH
E.GTR
335
BASS AMP VINTAGE
138
AG&Pad
ACOUSTIC SYNTH BRASS
---
AC
STEEL
---
139
St+12st AG
CLEAN
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN JC-120
AC
STEEL
---
140
PowerMan
METAL
E.GTR
VARI
METAL 5150 DRIVE
---
---
---
141
GR-Heaven
EFFECTS
SYNTH DUAL
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH BRASS
JC CLEAN FULL RANGE
142
Reincarnation
OTHERS
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
143
Rockabily
ROCK
E.GTR
LIPS
TW CLEAN TWEED
---
---
---
144
Aurelius
SYNTH
SYNTH PIPE
---
E.GTR
LIPS
---
145
InstaBass
BASS
BASS
JB
BASS AMP MODERN
---
---
---
146
Concert Hall
ACOUSTIC AC
NYLON
JC CLEAN FULL RANGE
---
---
---
147
SmoothHollowLead
CLEAN
E.GTR
335
JC CLEAN JAZZ COMBO
AC
VARI
JC CLEAN JAZZ COMBO
148
Spaced Out
EFFECTS
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
149
LA-Lead
ROCK
E.GTR
LP
HI-GAIN HEAVY LEAD
E.GTR
LP
HI-GAIN SLDN
150
OpG Ac12+Sitar
ALT. TUNE AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
TE
TE
TE
CRUNCH STACK CRUNCH
191
Overzicht van voorgeprogrammeerde Patches
Kanaal A
Kanaal B
Patch
#
Patchnaam
Categorie
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
Modulatiegitaar type
type
Versterkertype
151
Space Sitar
OTHERS
AC
SITAR
JC CLEAN FULL RANGE
AC
SITAR
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
152
TWahCl:TWahCrA:B
CLEAN
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
E.GTR
MOD-ST
TW CLEAN PRO CRUNCH
153
IN THA 70’S
EFFECTS
SYNTH FILTER BASS
---
E.GTR
P-90
BG LEAD BG DRIVE
154
SouthernDual
ALT. TUNE E.GTR
TW CLEAN TWEED
E.GTR
P-90
CRUNCH BLUES
155
SynFifths C1&2+5
SYNTH
SYNTH GR-300
---
SYNTH PIPE
---
156
Everlong
METAL
AC
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
METAL METAL STACK
157
ClassicZZ
METAL
E.GTR
TE
MS STACK MS1959 (I)
---
---
---
158
STRATUS
ROCK
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I+II)
---
---
---
159
DADGAD CTL
ACOUSTIC E.GTR
LIPS
COMBO VO DRIVE
AC
STEEL
---
160
Ribbon Slide
OTHERS
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
LP
MS STACK MS1959 (I)
161
StringOrch
EFFECTS
E.GTR
VARI
JC CLEAN WARM CLEAN
SYNTH GR-300
---
162
Floydish
SYNTH
SYNTH GR-300
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH BRASS
TW CLEAN PRO CRUNCH
163
PoliceClean
CLEAN
E.GTR
MOD-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
---
---
---
164
PINK WALL
ROCK
E.GTR
VARI
COMBO MATCH LEAD
E.GTR
VARI
COMBO MATCH LEAD
165
Creamy LP+ES
ROCK
E.GTR
LP
CUSTOM
E.GTR
335
CRUNCH STACK CRUNCH
166
Harmonist+3 A&B
ALT. TUNE E.GTR
MOD-ST
COMBO MATCH LEAD
E.GTR
LP
BG LEAD SMOOTH DRIVE
167
Sweep Synth
OTHERS
SYNTH WAVE
---
E.GTR
LP
T-AMP LEAD
168
Pedal PH
EFFECTS
E.GTR
JC CLEAN JC-120
E.GTR
LP
HI-GAIN DRIVE STACK
169
HeavySynthBass
SYNTH
SYNTH GR-300
---
SYNTH FILTER BASS
---
170
Rick 12st Stereo
CLEAN
E.GTR
RICK
COMBO MATCH DRIVE
E.GTR
TW CLEAN CLEAN TWIN
171
Bootzilla Bass
BASS
BASS
JB
JC CLEAN FULL RANGE
SYNTH FILTER BASS
JC CLEAN FULL RANGE
172
ROCK LEAD
METAL
E.GTR
LP
HI-GAIN LEAD STACK
---
---
173
DistSynth
OTHERS
SYNTH GR-300
R-FIER VINTAGE 1
SYNTH BRASS
174
2GT Crunch
ROCK
E.GTR
TE
TW CLEAN TWEED
E.GTR
RICK
COMBO VO DRIVE
175
Step Phaser
EFFECTS
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN JC-120
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
176
OCT TWIN GUITAR
ROCK
E.GTR
LP
R-FIER VINTAGE 1
E.GTR
CLA-ST
BG LEAD BG LEAD
177
HYSTERIA
CLEAN
E.GTR
RICK
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN JC-120
178
D-BeamWah
OTHERS
E.GTR
LP
TW CLEAN CLEAN TWIN
---
---
---
179
Stereo Strings
ALT. TUNE E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
180
CLASSIC CRUNCH
ROCK
E.GTR
LP
T-AMP LEAD
E.GTR
LP
HI-GAIN DRIVE STACK
181
SEARCH N’DESTROY METAL
E.GTR
LP
R-FIER MODERN 2
E.GTR
LP
R-FIER MODERN 1
182
Poly Comp 12st
ACOUSTIC E.GTR
RICK
JC CLEAN JC-120
BASS
PB
BASS AMP MODERN
183
Voxy P90+Strat
ROCK
E.GTR
P-90
COMBO VO LEAD
E.GTR
CLA-ST
CRUNCH STACK CRUNCH
184
CR + GR
SYNTH
SYNTH CRYSTAL
---
SYNTH GR-300
185
AC 6+12 STR
ACOUSTIC AC
STEEL
JC CLEAN FULL RANGE
AC
VARI
JC CLEAN FULL RANGE
186
Tele B-Bender <
ALT. TUNE E.GTR
TE
TW CLEAN PRO CRUNCH
E.GTR
TE
JC CLEAN FULL RANGE
187
LIZZY 3RD’S
OTHERS
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
E.GTR
CLA-ST
HI-GAIN LEAD STACK
188
MoreThanARockMan
ROCK
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
TE
STEEL
MOD-ST
TE
RICK
---
BG LEAD SMOOTH DRIVE
---
189
Scorps
METAL
E.GTR
LP
MS STACK MS HI-GAIN
---
---
---
190
Crazy Diamond
EFFECTS
E.GTR
CLA-ST
MS STACK MS1959 (I+II)
E.GTR
CLA-ST
JC CLEAN FULL RANGE
191
70’s BASS
BASS
BASS
JB
BASS AMP MODERN
BASS
PB
BASS AMP VINTAGE
192
SunshineGang
CLEAN
E.GTR
CLA-ST
TW CLEAN CLEAN TWIN
E.GTR
MOD-ST
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
193
Real Mandolin
ACOUSTIC AC
VARI
---
---
---
---
194
Late70sCrunch+CE
ROCK
MOD-ST
T-AMP EDGE LEAD
E.GTR
LP
T-AMP EDGE LEAD
195
2050
METAL
E.GTR
CLA-ST
HI-GAIN HEAVY LEAD
---
---
---
196
Morphing CTL
OTHERS
E.GTR
TE
CRUNCH CRUNCH
E.GTR
TE
TW CLEAN CLEAN TWIN
197
NASHVILLE
ALT. TUNE E.GTR
LIPS
TW CLEAN TWEED
---
---
---
198
PhunkyTouch
CLEAN
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
E.GTR
VARI
JC CLEAN BRIGHT CLEAN
199
Sharp+Stratty
ROCK
E.GTR
CLA-ST
CUSTOM
E.GTR
CLA-ST
T-AMP EDGE LEAD
200
70’sStack
ROCK
E.GTR
335
MS STACK MS1959 (I)
E.GTR
335
BG LEAD SMOOTH DRIVE
192
E.GTR
Index
Symbolen
-1OCTAVE LEVEL........................................................119
+1OCTAVE LEVEL.......................................................119
Cijfers
12STR ..............................................................................117
12-STRING .........................................................26, 28, 116
1st-6th......................................................................117, 175
2x2 CHORUS .........................................................127, 132
335....................................................................................103
A
A ch/B ch CLIP .............................................................174
A ch/B ch PALETTE.....................................................174
Aan de FC-300 gerelateerde instellingen.....................52
Aansluiting.......................................................................16
Aansluitingspunt.............................................................34
A/B..................................................................................116
A/B BAL.........................................................................146
A/B COPY........................................................................88
A/B EXCHANGE ...........................................................88
AB LINK ...................................................................26, 116
AC............................................................................102, 105
AC TYPE.........................................................................101
Afspeelvenster .................................................................19
Akoestische gitaar 105
ADV.COMP ...........................................................127, 136
Alternate Tuning functie................................................26
ALTERNATE TUNING knop .......................................12
AMP CONTROL ...........................................................163
AMP CTL1......................................................................163
AMP CTL2......................................................................163
ANGLE ...........................................................................104
ANTI FB..................................................................127, 136
ASSIGN.....................................................................82, 150
ASSIGN 1-16 ..................................................................155
ASSIGN 1-2 ....................................................................174
ASSIGN HOLD........................................................50, 167
ASSIGNABLE ........................................................ 152-153
ATTACK.................. 106-107, 111, 118, 120, 135-137, 152
ATTACK LENGTH.......................................................114
ATTACK LEVEL ...................................................106, 114
AUTO WAH ..........................................................127, 129
B
BALANCE draaiknop.....................................................13
Bandregelaar ....................................................................79
BANJO ............................................................................106
BANK CHANGE...........................................................169
BANK LSB..............................................................163, 165
BANK MSB.............................................................163, 165
Basgitaar .........................................................................109
BASIC CH (basiskanaal) ..............................................165
BASS................................................ 102, 109, 141, 143-145
BASS AMP......................................................................141
BASS AMP MODERN ..................................................145
BASS AMP VINTAGE ..................................................144
BASS FREQ ....................................................................143
BASS TYPE .....................................................................101
BEND ........................................................... 26-27, 116-117
BEND THIN ...................................................................165
BEND TUNING 1st-6th ................................................117
BG LEAD ................................................................ 140-141
BODY ...................................................................... 105-107
BODY LEVEL.................................................................114
BODY TYPE ...........................................................105, 107
BOTTOM ................................................................121, 143
BOWED/PIPE................................................................112
BPM .................................................................................163
BRASS .............................................................................114
BRIGHT .......................................................... 141, 143-144
BULK DUMP .................................................................171
Bulk dump........................................................................62
Bulk load...........................................................................63
BUZZ...............................................................................106
C
CABINET................................................................142, 144
CALIBRATION..........................................................76, 78
CATEGORY .............................................................90, 163
CATEGORY knop ...........................................................12
CATEGORY NAME........................................................91
CC ......................................................................69, 165, 171
CH DELAY.....................................................................146
CHAIN..............................................................................32
CHAIN knop....................................................................13
CHORUS.........................................................................126
CHORUS MODE ...........................................................126
CHORUS SW .................................................................126
CHORMATIC ................................................................164
CLA-ST............................................................................103
CLIP.................................................................................174
COLOR....................................................................106, 113
COMBO .................................................................. 140-141
COMP......................................................................110, 120
COMP BAL.....................................................................118
COMP SW ......................................................................120
COMP TYPE...................................................................118
Compressor ....................................................................120
CONTRAST....................................................................166
Contrast.............................................................................51
CONTROL ASSIGN........................................82, 150, 167
CONTROL ASSIGN knop..............................................13
CONTROL knoppen .......................................................13
Controller (regelaar)......................................................167
COSM ................................................................................11
COSM AMP..............................................................30, 140
COSM AMP knoppen.....................................................12
COSM AMP SW.............................................................140
COSM versterkers ...........................................................25
COSM gitaren ..................................................................25
COSM GTR SW..............................................................101
COSM GUITAR .............................101, 105, 108, 110, 115
CRUNCH................................................................ 140-141
CRYSTL...........................................................................114
CTL3 ................................................................................154
193
Index
CTL3,4...............................................................................14
CTL4................................................................................154
CURVE....................................................................156, 175
CUSTOM ........................................................ 121-122, 141
CUSTOM SPEAKER .............................................142, 144
CUSTOM TYPE .............................................................143
CUSTOMIZE....................................................................39
CUTOFF..........................................................................115
CUTOFF FREQ ..............................................................110
D
D BEAM....................................................................12, 151
D BEAM CALIB.............................................................176
D Beam regelaar ..............................................................77
D BEAM DISAB.............................................................176
D OUT.....................................................................147, 172
D OUT LEVEL .......................................................147, 172
DC IN jack ........................................................................14
DECAY ...........................................................................106
DEFRET ..................................................................127, 135
DELAY....................................................................123, 148
DELAY 1st-6th ...............................................................117
DELAY A SEND............................................................146
DELAY B SEND ............................................................146
DELAY HI-CUT ............................................................124
DELAY SW.............................................................123, 148
DELAY TIME.........................................................124, 138
DELAY TYPE.................................................................123
DELAY/REVERB....................................................35, 148
DELAY/REVERB knop..................................................12
DELAY1 FEEDBACK ...................................................124
DELAY1 LEVEL ............................................................124
DLEAY1 TIME...............................................................124
DELAY2 FEEDBACK ...................................................124
DELAY2 LEVEL ............................................................124
DLEAY2 TIME...............................................................124
DENS...............................................................................148
DENSTY..........................................................................126
DEPTH............................................. 111, 126-129, 133-135
DEPTH1-3.......................................................................136
DETECT ..........................................................................138
DETUNE..................................................... 26, 29, 116-117
DEVICE ID .....................................................................170
DIGITAL OUT aansluiting ............................................14
DIRECT...........................................................................152
DIRECT EDIT ..................................................................82
DIRECT EDIT F1-F6......................................................156
DIRECT LEVEL ..... 119, 121, 124, 126-130, 132, 135-136,
.................................................................................. 142-145
DIRECT MON..........................................................74, 173
Direct Monitor functie ....................................................74
DIRECT PATCH......................................................86, 166
DIRECT PATCH knop....................................................13
DISABLE...........................................................................77
DOWN MAX..........................................................151, 153
DOWN MIN...........................................................151, 153
DOWN/S1, UP/S2 schakelaar indeling ......................44
DRIVE .....................................................................118, 121
194
DRIVE BAL ....................................................................118
Driver functie ...................................................................72
DRIVER MODE .............................................................173
DUAL ..............................................................................112
DUAL-L ..........................................................................124
DUAL-P ..........................................................................124
DUAL-S...........................................................................124
DUET...............................................................................111
DV-7PR ...........................................................................174
DYNA SW ......................................................................149
DYNAMIC................................................................36, 149
DYNAMIC knop .............................................................12
E
E. GTR .............................................................................101
E. GTR TYPE ..................................................................101
E.GTR ..............................................................................103
EDGE...............................................................................143
Effecten ...............................................................25, 31, 120
EFFECT LEVEL ...... 121, 124, 126-128, 132, 135-136, 138
Elektrische gitaar ...........................................................103
ENHANCER ..................................................................145
ENV MODE....................................................................110
EQ .................................................... 104, 108-109, 115, 123
EQ MAIN........................................................................177
EQ SUB............................................................................177
EQ SW ..................................... 104, 108-109, 115, 123, 146
Equalizer.........................................................................123
EXIT knop.........................................................................13
EXP PEDAL....................................................................154
EXP PEDAL jack..............................................................14
F
FACTORY RESET..................................................100, 176
FALL................................................................................111
FALL TIME.....................................................................133
FAVORITE NAME..........................................................94
FAVORITE SETTINGS ...................................................91
FB LEVEL .......................................................................135
FC-300 .......................................................................52, 169
FC-300 Amp Control (FC-300 versterkerregeling) .....54
FC-300 CONTROL155
FEED BACK ...........................................................124, 138
FEEDBACK ....................................................................125
FEEDBACK DEPTH......................................................130
FEEDBACK1 ..................................................................130
FEEDBACKER .......................................................127, 135
FEET 16’ ..........................................................................114
FEET 4’ ............................................................................114
FEET 8’ ............................................................................114
FILTER .............................................................. 81, 152-153
FILTER ATTACK ..........................................................115
FILTER BASS .................................................................113
FILTER CH ............................................................. 152-153
FILTER CUTOFF ................................................... 112-114
FILTER DECAY .....................................................113, 115
FILTER DEPTH .............................................................115
FILTER RESO.........................................................112–114
Index
FILTER TYPE .................................................................115
FINE 1e–6de ...................................................................117
FINE1 ..............................................................................130
FINE2 ..............................................................................130
FLANGER ......................................................................128
FLANGR.........................................................................127
FORM .....................................................................156, 175
Foutmeldingen ..............................................................186
FREEZE.............................................................................79
FREEZE CH....................................................................152
FREQ .......................................................................129, 136
FREQ MAX.............................................................152–153
FREQ MIN..............................................................152–153
FREQ1–3 .........................................................................136
Fretloze gitaar ................................................................135
FRONT VOL ..................................................................109
FUNCTION knoppen .....................................................12
FUNCTION draaiknop...................................................12
FV.....................................................................................139
FX...............................................................................31, 120
FX knoppen ......................................................................12
G
GAIN...............................................................141, 143–145
GAIN SW................................................................141, 143
GATEGORY NAME .....................................................176
Gebruiker Patches (User Patches).................................23
Gebruiker toonladder (User Scale) .....................117, 131
Geluid van het standaard element .........................30, 34
Gevoeligheid (zie ‘SENS’)
Gevoeligheid van elke snaar .........................................45
GK CONNCT...........................................................45, 166
GK FUNC .................................................................46, 166
GK IN aansluiting ...........................................................13
GK instellingen ................................................................21
GK NAME ........................................................................42
GK PU DIRECTION .....................................................167
GK PU PHASE...............................................................167
GK PU TYPE ..................................................................167
GK S1, S2 ........................................................................166
GK SETTING..................................................................166
GK VOL ..................................................................150, 166
GLIDE SENS ..................................................................112
GLIDE TIME ..................................................................112
GLOBAL .........................................................................177
GLOBAL EQ ....................................................................48
GLOBAL knop.................................................................13
GLOBAL NAME .............................................................47
GLOBAL/OUTPUT SELECT ........................................46
GND LIFT schakelaar .....................................................14
GR-300.............................................................................110
GTR TO MIDI ................................................................164
GUITAR INPUT jack ......................................................14
GUITAR OUTPUT jack ..................................................14
GUITAR SCALE ............................................................167
GUITAR TO MIDI...................................................64, 164
GUITAR TO MIDI knop.................................................13
H
HARM1...........................................................................131
HARM2...........................................................................131
HARMO..........................................................................117
HARMONIST.........................................................127, 130
Harmonie toonladder ...................................................117
Harmonist toonladder ..................................................131
HARMONY........................................................26, 30, 116
HARMONY1..................................................................131
HARMONY2..................................................................131
HI-GAIN .................................................................140–141
HIGH...............................................................121, 142–144
HIGH CUT .....................................123–124, 126, 137, 148
High Cut .........................................................................126
HIGH DEPTH ................................................................132
HIGH GAIN...........104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
HIGH LEVEL .................................................................132
HIGH MID FREQ 104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
HIGH MID GAIN 104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
HIGH MID Q .........104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
HIGH PREDLY ..............................................................132
HIGH RATE ...................................................................132
HIGH-CUT ....................................................................118
HOLD CTL .....................................................................165
Hold Delay .....................................................................125
HOLD TYPE.............................................................69, 164
HUMANIZER ........................................................127, 134
I
IN LEVEL ................................................................73, 173
Instellingen van het gesplitste element ........................42
Intern pedaal ....................................................................95
Internal pedaal systeem..................................................95
J
JB ......................................................................................109
JC CLEAN ..............................................................140–141
K
Kabelhaak .........................................................................13
KEY..................................................................117, 130, 163
L
L4 .....................................................................................103
LCD .............................................................................12, 51
LCD CONTRAST ..........................................................166
LEVEL ............105–107, 110, 118, 120, 122, 129, 133–134,
..........................136–137, 139, 141, 143–146, 148, 152–153
LEVEL 1e–6de................................................................117
LEVEL DEPTH ..............................................................125
LEVEL1 ...................................................................130–131
LEVEL2 ...................................................................130–131
LIMITR....................................................................127, 137
LINE/PHONES ...............................................................47
LIPS .................................................................................103
LOW ................................................................121, 142–144
LOW CUT...............................107, 123, 126, 128, 137, 148
LOW DEPTH .................................................................132
195
Index
LOW GAIN ............104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
LOW LEVEL ..................................................................132
LOW MID FREQ ...104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
LOW MID GAIN ...104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
LOW MID Q...........104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
LOW PREDLY ...............................................................132
LOW RATE ....................................................................132
LOWER BAL ..................................................................149
LOWER LEV ..................................................................149
LOWER RNG.................................................................149
LP.....................................................................................103
M
MAIN EQ .......................................................................177
MAIN EQ SW ................................................................177
MAIN LEVEL ........................................................147, 172
MAIN OUT ............................................................147, 172
MAIN OUT jacks L/MONO, R.....................................14
MAIN OUTPUT SELECT.............................................177
MANUAL.......................................................127–128, 134
MASTER .........................................................................150
MASTER VOL................................................................109
MAX ........................................................150–154, 156, 174
METAL ...........................................................................141
MIC DIS ..................................................................142, 144
MIC LEVEL ....................................................142, 144–145
MIC POS .........................................................142, 144–145
MIC TYPE...............................................................142, 144
MIDDLE .........................................................141, 143–145
MIDDLE FREQ ......................................................144–145
MIDI ..........................................................................55, 170
MIDI A CH.....................................................................176
MIDI apparaat ID ............................................................59
MIDI B CH .....................................................................176
MIDI C CH ....................................................................176
MIDI CH.................................................................170, 176
MIDI IN ..........................................................................170
MIDI Omnifunctie...........................................................59
MIDI OUT ......................................................................170
MIDI OUT, IN aansluiting.............................................14
MIDI PC OUT ..................................................................60
MIN .................................................................150–154, 174
Mix balans ........................................................................35
MIX LEVEL ............................................105, 108, 110, 115
MIX SW...........................................................................146
MIXER.......................................................................35, 146
Mixer .................................................................................25
MIXER A.........................................................................146
MIXER B .........................................................................146
MIXER knoppen ..............................................................12
MOD................................................................................125
MOD 1 TYPE..................................................................127
MOD 2 TYPE..................................................................127
MOD DEPTH.........................................................114, 125
MOD RATE ....................................................................125
MOD TUNE ...................................................................114
MOD1..............................................................................127
MOD2..............................................................................127
196
MOD2 SW.......................................................................127
MODE .............................110, 118, 129, 134–136, 150, 164
MODE1 ...........................................................................130
MODE2 ...........................................................................130
MODELING TYPE knoppen .........................................12
MODLNG TYPE ............................................................101
MOD-ST..........................................................................103
MODULE COPY..............................................................89
MODULE INITIALIZE ...................................................89
MON CMD...............................................................74, 173
MS STACK .............................................................140–141
MULTI MODE .........................................................23, 178
MUTE ..............................................................................178
N
NAME
CATEGORY .........................................................91, 176
FAVORITE ...................................................................94
GK..........................................................................42, 166
GLOBAL .......................................................................47
PATCH..................................................................37, 163
NAME/KEY/BPM........................................................163
NAME/KEY/BPM knop ...............................................13
NORMAL PU.........................................105, 108, 110, 115
NOW SHUTDOWN........................................................24
NS ....................................................105, 108, 110, 138, 177
NS SW .............................................................................138
NUMBER ................................................................142, 144
NYLON...........................................................................106
O
OCTAVE .................................................................127, 129
OCTAVE LEVEL ...........................................................129
OD/DS ............................................................................120
OD/DS SW.....................................................................120
OMNI MODE.................................................................170
ORGAN ..........................................................................114
OUT LEVEL .............................................................73, 173
OUTPUT .................................................................147, 172
OUTPUT LEVEL draaiknop ..........................................13
OUTPUT SELECT ...........................................................47
Overdrive/Distortion .............................................40, 120
P
P90 ...................................................................................103
PAGE knop.......................................................................13
PAN .........................................................124, 127–128, 146
PANEL CTL1/CTL2 .....................................................151
PATCH............................................................................164
COPY.............................................................................87
EXCHANGE.................................................................... 87
EXTENT ....................................................................50, 176
INITIALIZE ..................................................................88
LEVEL .................................................................146, 163
NAME ...................................................................37, 163
Patch ..................................................................................23
PATCH LEVEL draaiknop.............................................13
Patchnummers .................................................................23
Index
Een Patch opslaan ...........................................................38
Patch volumeniveau .......................................................36
PATCH/VALUE draaischijf....................................12, 24
PATTERN.......................................................................134
PC ..............................................................70, 163, 165, 171
PC MASK .......................................................................165
PC OUT...........................................................................171
PEAK...............................................................................129
Pedaal wah .......................................................................41
PEDAL BEND........................................................127, 132
PEDAL POS ...........................................................122, 132
PHASE ............................................................................104
Phase van het standaard element .................................43
PHASER..........................................................................127
PHONES jack ...................................................................14
PICKUP÷BRIDGE 1e–6de ............................................167
PITCH .............................................................151, 153, 178
PITCH 1 ..........................................................................130
PITCH A .........................................................................111
PITCH A FINE...............................................................111
PITCH B..........................................................................111
PITCH B FINE ...............................................................111
PITCH MAX...................................................................132
PITCH MIN....................................................................132
PITCH SHIFT.........................................................127, 130
PITCH SHIFT1...............................................................130
PITCH SHIFT2...............................................................130
PITCH SW ......................................................................111
PITCH TYPE ..................................................................151
PITCH2 ...........................................................................130
PLAY FEEL ....................................................................164
Play venster (Afspeelvenster)........................................19
POLARITY .....................................................................129
POLY BAL ......................................................................118
POLY COMP..................................................................118
Poly Compressor ...........................................................118
POLY DIST .....................................................................118
Poly Distortion...............................................................118
Poly effect .................................................................31, 118
Poly effecten ....................................................................25
POLY FX ...................................................................31, 118
POLY FX knoppen ..........................................................12
POLY OCTAVE .............................................................119
Poly Octave ....................................................................119
POLY SG.........................................................................119
Poly Slow Gear ..............................................................119
POLYFX CH ...................................................................118
POLYFX SW ...................................................................118
POS ..................................................................................103
POWER BEND...............................................................112
POWER BEND Q...........................................................112
POWER schakelaar .........................................................13
PRE DELAY ...........................................................126, 148
PRE DELAY2 .........................................................130–131
PREAMP TYPE..............................................................140
PRESENCE .....................................................122, 141, 143
Probleemoplossing........................................................186
PU ....................................................................................106
PU LEVEL.......................................................................107
PU SEL ............................................................................103
PU TONE........................................................................107
PU TYPE .........................................................................107
PWM................................................................................114
PWM DEPTH.................................................................114
PWM RATE....................................................................114
Q
Q.......................................................................................122
QUICK TUNER .......................................................53, 169
R
Rack (stellage) ..................................................................99
RANGE ...........................................................................129
RANGE HIGH ...............................122, 150, 152–154, 156
RANGE LOW.................................122, 150, 152–154, 156
RATE ...............................111, 126–129, 133–134, 156, 175
RATE FAST ....................................................................133
RATE SLOW ..................................................................133
RATIO .............................................................................137
REAR VOL .....................................................................109
Referentie toonhoogte.....................................................22
Regelaar ..........................................................................167
REL ..........................105, 108, 110, 118, 120, 137–138, 152
RELEASE ........................................................................149
RESO ...............106–107, 110, 115, 127–128, 135, 152–153
RESPONSE .....................................................................144
REVERB ..........................................................126, 148, 177
REVERB A SEND ..........................................................146
REVERB B SEND...........................................................146
REVERB SW ...........................................................126, 148
REVERB TIME ...............................................................126
R-FIER .............................................................................140
R-FIRE .............................................................................141
RIBBON ..........................................................................153
RIBBON CONTROLLER................................................13
Richting van het geïnstalleerde gesplitste element ....43
RICK ................................................................................103
RING MOD ............................................................127, 136
RISE .................................................................................111
RISE TIME ..............................................119, 125, 133, 135
RISE TIME+....................................................................135
ROTARY .................................................................127, 133
RRC2 IN aansluiting .................................................14, 52
RRC2 {pijltjelinks} 170
RRC2 {pijltje} ..................................................................170
Ruimte...............................................................................44
Ruisonderdrukker (ruisonderdrukker)......................138
RX PC MAP..............................................................61, 171
S
S1, S2 POS .......................................................................167
Schaal van de gitaar ........................................................43
Schrijven (zie ‘WRITE’)
SENS........................................ 106, 111, 119, 129, 134-135
SENS 1e–6de...................................................................167
SEPARATION................................................................128
197
Index
SEQ ..................................................................................123
SET MODE ...............................................................46, 166
SETTING1–10 ................................................................166
SHIFT 1e–6de .................................................................117
Signaalstroom ................................................................183
SINGLE MODE .......................................................23, 178
SITAR ..............................................................................106
SIZE .................................................................107, 142, 144
SLICER....................................................................127, 134
SLOW GEAR..........................................................127, 135
SOLO...............................................................................113
SOLO LEVEL .........................................................141, 143
SOLO SW................................................................141, 143
SOURCE .........................................................................174
SP TYPE ..................................................................142–145
Speaker .............................................................................40
Specificaties ....................................................................184
SPEED .............................................................................133
SRC ..................................................................................165
Standaard .........................................................................98
STEEL..............................................................................105
Stellage (rack)...................................................................99
STEP RATE.....................................................................127
STRING...........................................................................103
STRING CH....................................................................175
STRING LEVEL 1e–6de........................104, 108–109, 115
STRING PAN 1e–6de............................104, 108–109, 115
SUB DELAY ...........................................................127, 138
SUB EQ ...................................................................127, 177
SUB EQ SW ....................................................................177
SUB LEVEL ............................................................147, 172
SUB OUT ................................................................147, 172
SUB OUT aansluitingen L, R .........................................14
SUB OUT LEVEL.....................................................49, 178
SUSTAIN ................................107, 112–114, 118, 120, 136
SW............................105, 108, 110–111, 116–117, 150–154
SW MODE ......................................................151, 154, 156
SWEEP ............................................................................111
SYNC CLOCK..........................................................59, 170
SYNTH....................................................................102, 110
SYNTH TYPE.................................................................101
Synthesizer .....................................................................110
SYS EX MODE ...............................................................169
SYSTEM ............................................................42, 165–166
SYSTEM knop ..................................................................13
SYSTEM CONTROL ASSIGN .......................................49
SYSTEM OUTPUT ..........................................................51
T
T.WAH....................................................................127, 129
T-AMP.....................................................................140–141
TAP TIME.......................................................................124
TARGET .........................................................................174
TARGET PARAMETER .......................150–154, 156–157
T-ARM ..............................................................................80
T-ARM CH .............................................................151, 153
TE.....................................................................................103
Tempo ...............................................................................32
198
THRSH............................105, 108, 110, 118, 120, 137–138
TIME................................................................148, 156, 175
TONE (toon)...103, 105–107, 109, 118, 120–121, 135–136
Toonsoort (KEY) ..............................................................33
TOP..................................................................................121
TOTAL EQ................................................................36, 146
TOTAL GAIN ........104, 108–109, 115, 123, 137, 146, 177
Totale NS ..........................................................................48
Totale REVERB ................................................................49
TOUCH SENS ........................................................112–114
TOUCH WAH ...............................................................129
TREBLE...........................................................141, 143–145
TREBLE FREQ ...............................................................143
TREML ............................................................................127
TREMOLO......................................................................128
TRIG ................................................................................133
TRIG SENS .....................................................................134
TRIGGR...................................................................156, 175
TUNER......................................................................22, 178
TUNER knop....................................................................13
TUNING .............................................................26–27, 116
TW ...................................................................................129
TW CLEAN ............................................................140–141
TX PC ..............................................................................163
TX PC MAP ..............................................................60, 171
TX PC STRING 1–6 .......................................................165
TYPE103, 116, 118, 120–122, 126–127, 136–137, 148–149,
151–153
Type gesplitste element ..................................................43
U
Uitvoerselectie .................................................................20
Uitvoersignaal en niveau ...............................................37
UNI-V......................................................................127, 133
UPPER BAL....................................................................149
UPPER LEV ....................................................................149
UPPER RNG...................................................................149
USB ............................................................................71, 173
USB (MIDI) {pijltjelinks}...............................................170
USB (MIDI) {pijltje} .......................................................170
USB aansluiting ...............................................................14
USB Driver........................................................................71
USB IN ......................................................................73, 173
USB OUT ..................................................................73, 173
USER INTERVAL C–B .................................................117
User Patches (gebruiker Patches)..................................23
User Scale (gebruiker toonladder) ......................117, 131
USER TUNING................................................................29
USER TUNING 1e–6de.................................................117
V
VARI........................................................................103, 107
Veiligheidssleuf ...............................................................14
VG-99 Editor ....................................................................72
VG-99 Librarian ...............................................................72
VG-99 Software systeemvereisten ..............................185
VIB ..........................................................................127, 133
VIB DEPTH ....................................................................135
Index
VIB RATE .......................................................................135
VIBRATO................................................................111, 133
V-LINK ...............................................................11, 96, 174
V-LINK knop ...................................................................13
V-LINK PATCH ............................................................174
V-LINK SYSTEM...........................................................176
Voetvolume....................................................................139
VOICE .............................................................................130
VOICE1 INTERVAL C–B .............................................131
VOICE2 INTERVAL C–B .............................................131
VOL .........................................................................103, 109
VOL CURVE ..........................................................103, 139
Volume..............................................................................20
Volumebalans ..................................................................33
Volume-aanzwellend effect .........................................135
Voorgeprogrammeerde Patches ...................................23
VOWEL1.........................................................................134
VOWEL2.........................................................................134
W
WAH ...............................................................................122
WAH SW ........................................................................122
WARP .............................................................................125
WARP SW ......................................................................125
WAVE .............................................................................115
WAVE ATTACK ...........................................................115
WAVE DECAY ..............................................................115
WAVE LEVEL................................................................115
Wave Pedal (golfpedaal) ................................................95
WAVE SENS ..................................................................115
WAVE SHAPE.......................................................115, 128
WRITE knop.....................................................................13
WSY.................................................................................123
X
X-OVER FREQ ...............................................................132
199
MEMO
200
MEMO
201
Voor EU-landen
Voor EU-Landen
Dit product voldoet aan de voorwaarden van Europese Richtlijnen 89/336/EEC en LVD 73/23/EEC.
For the USA
FEDERAL COMMUNICATIONS COMMISSION
RADIO FREQUENCY INTERFERENCE STATEMENT
This equipment has been tested and found to comply with the limits for a Class B digital device, pursuant to Part 15 of the
FCC Rules. These limits are designed to provide reasonable protection against harmful interference in a residential
installation. This equipment generates, uses, and can radiate radio frequency energy and, if not installed and used in
accordance with the instructions, may cause harmful interference to radio communications. However, there is no guarantee
that interference will not occur in a particular installation. If this equipment does cause harmful interference to radio or
television reception, which can be determined by turning the equipment off and on, the user is encouraged to try to correct the
interference by one or more of the following measures:
— Reorient or relocate the receiving antenna.
— Increase the separation between the equipment and receiver.
— Connect the equipment into an outlet on a circuit different from that to which the receiver is connected.
Download PDF