Volvo S60 User manual

Volvo S60 User manual
 6FKHLEHQUHLQLJXQJVIOVVLJNHLW: Darauf
achten, daß der Behälter stets gut gefüllt ist. Im
Winter Frostschutz nicht vergessen! Siehe Seite
136.
6HUYROHQNXQJ: Der Füllstand muß zwischen
der MIN- und der MAX-Markierung liegen, siehe
Seite 137.
.KOPLWWHO: Der Füllstand muß zwischen der
MIN- und der MAX-Markierung des Ausgleichbehälters liegen, siehe Seite 136.
gO: Der Füllstand muß zwischen der MIN- und
der MAX-Markierung des Meßstabs liegen, siehe
Seite 135.
%UHPVIOVVLJNHLW: Der Füllstand muß
zwischen der MIN- und der MAX-Markierung
liegen, siehe Seite 137.
1. Blinkerleuchte
PY21W (gelb)
2. Abblendlicht
55W H7
B E T R I E B S A N L E I T U N G V O LV O S 6 0
*OKODPSHQ
5HJHOPl‰LJEHUSUIHQ
VOLVO
S60 & S60 R
WEB EDITION
3. Positionsleuchten/StandlichtW5W
4. Fernlicht
55W HB3
5. Nebelscheinwerfer
R-Modelle
55W H1
55W H3
6. Nebelschlußleuchte
21W BA5
7. Positionsleuchten/Standlicht
und Rücklicht
5W BA15
8. Bremsleuchten
21W BA15
9. Seitenmarkierungsleuchte P10W
PY21W (gelb)
11. Rückfahrscheinwerfer
21W BA15
TP 6680
TP 6680 (German) AT0346 4.200.10.03 Printed in Sweden, T Elanders Graphic Systems AB, Göteborg 2003
10. Blinkerleuchte
2004
52759 S60 Tysk.indd 1
2003-09-12, 11.10.02
Volvo Service
Bepaalde onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische systemen van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd
met speciaal ontwikkelde elektronische apparatuur. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats,
voordat u onderhoudswerkzaamheden aan het elektrisch systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en installatie van accessoires kan de werking van de elektronische systemen van de auto
negatief beïnvloeden. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de elektronische
systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats, voordat u accessoires installeert die in verbinding staan met of van invloed zijn op het elektrisch systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen opslaan. Deze informatie kan gegevens bevatten over (maar niet beperkt zijn tot) zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door
bestuurder en passagiers, gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modules en informatie
over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke informatie omvat (zonder
beperkt te zijn tot) zaken als de rijsnelheid, het gebruik van het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De genoemde
informatie kan tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd.
De vastgelegde informatie kan uitgelezen en gebruikt worden door:
•
•
•
•
52762 S60 Holland.indd 2
Volvo Car Corporation,
service- en reparatiepersoneel,
personeel van de politiemacht en andere instanties,
andere belanghebbenden die kunnen aantonen dat ze het recht bezitten (of uw toestemming hebben) om
toegang te krijgen tot deze informatie.
2003-09-12, 11.50.04
,QOHLGLQJ
Inhoud
Gebruik van het instructieboekje
In het instructieboekje vindt u tips en adviezen
voor het gebruik en onderhoud van uw auto. U
vindt er tevens belangrijke informatie voor de
veiligheid van u en uw medepassagiers.
Gebruik het instructieboekje om specifieke
informatie op te zoeken en de verschillende
functies van uw auto te leren kennen. Het
instructieboekje helpt u om de mogelijkheden
van uw Volvo maximaal te benutten.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
In het alfabetische trefwoordenregister achter in
het boekje vindt aan de hand van bepaalde
trefwoorden verwijzingen naar pagina’s waar u
meer informatie kunt lezen.
‹9ROYR&DU&RUSRUDWLRQ
Behalve de standaarduitrusting worden ook de
extra uitrusting en in sommige gevallen ook de
accessoires besproken. In sommige landen
gelden er wettelijke bepalingen die van invloed
zijn op het uitrustingsniveau van de auto.
'DQNXGDWXJHNR]HQKHEWYRRU9ROYR
1
2
Inhoud
Veiligheid
Instrumenten, schakelaars en bediening
Klimaatregeling
Interieur
Sloten en alarm
Starten en rijden
Wielen en banden
Verzorging
Onderhoud en service
Technische gegevens
Audiosysteem (extra)
Telefoon (extra)
Alfabetisch register
9
27
51
63
79
91
117
123
129
153
163
183
197
3
Dashboard
Auto met linkse besturing
4
1. Mistlampen, vóór
2. Koplampen/Zijmarkeringslichten/stadslichten
3. Mistachterlicht
4. Richtingaanwijzers/
Schakelaarhendel groot
licht/dimlicht
5. Cruise control
6. Claxon
7. Instrumentenpaneel
8. Toetsenset telefoon-/
Audiosysteem
9. Voorruitwisser
10. Handrem (parkeerrem)
11. Schakelaarpaneel
12. Klimaatregeling
13. Audiosysteem
14. Elektrische aansluiting/
Aansteker
15. Alarmlichten
16. Dashboardkastje
17. Blaasmond
18. Display
19. Temperatuurmeter
20. Kilometerteller/Dagteller/
Cruise control
21. Snelheidsmeter
22. Indicatorlampjes
richtingaanwijzers
23. Toerenteller
3DJLQD
36
36
36
37
41
6
28
183/163
38
42
34
54/58
163
42
39
72
53
33
28
28/28/41
24. Buitentemperatuurmeter/
Klokje/Schakelstandindicatie
25. Brandstofmeter
26. Controle- en
waarschuwingslampjes
27. Blaasmonden
28. Instrumentenverlichting
29. Koplamphoogteverstelling
30. Verlichtingspaneel
31. Leeslampjes
32. Interieurverlichting
33. Knop, elektrisch bediend
schuifdak
34. Gordelwaarschuwing
35. Achteruitkijkspiegel
36. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle
portieren
37. Blokkeerknop raambediening achterportieren
38. Knop, elektrisch bediende
ramen
39. Knop, buitenspiegels
40. Actief chassis
3DJLQD
28/28/28
28
29
53
36
36
36
68
68
48
%HGLHQLQJVSDQHHORSEHVWXXUGHUVSRUWLHU
46
46
82
44
44
46
29/106
28
37
28
5
Dashboard
Auto met rechtse besturing
6
1. Mistachterlicht
2. Koplampen/Zijmarkeringslichten/stadslichten
3. Mistlampen, vóór
4. Voorruitwisser
5. Toetsenset telefoon-/
Audiosysteem
6. Claxon
7. Instrumentenpaneel
8. Cruise control
9. Richtingaanwijzers/
Schakelaarhendel groot licht/
dimlicht
10. Handrem (parkeerrem)
11. Elektrische aansluiting/
Aansteker
12. Klimaatregeling
13. Audiosysteem
14. Schakelaarpaneel
15. Alarmlichten
16. Dashboardkastje
17. Blaasmond
18. Controle- en
waarschuwingslampjes
19. Brandstofmeter
20. Buitentemperatuurmeter/
Klokje/Schakelstandindicatie
21. Toerenteller
22. Indicatorlampjes
richtingaanwijzers
3DJLQD
36
36
36
38
183/163
8
28
41
37
42
42
54/58
163
34
39
72
53
29
23. Snelheidsmeter
24. Kilometerteller/Dagteller/
Cruise control
25. Temperatuurmeter
26. Display
27. Blaasmonden
28. Verlichtingspaneel
29. Koplamphoogteverstelling
30. Instrumentenverlichting
31. Leeslampjes
32. Interieurverlichting
33. Knop, elektrisch bediend
schuifdak
34. Gordelwaarschuwing
35. Achteruitkijkspiegel
36. Vergrendelingsknop,
simultaanvergrendeling alle
portieren
37. Blokkeerknop raambediening achterportieren
38. Knop, elektrisch bediende
ramen
39. Knop, buitenspiegels
40. Actief chassis
3DJLQD
28
28/28/41
28
33
53
36
36
36
68
68
48
46
46
82
%HGLHQLQJVSDQHHORSEHVWXXUGHUVSRUWLHU
44
44
46
29/106
28
28/28/28
28
37
7
8
Veiligheid
Veiligheidsgordels
10
Airbags (SRS)
12
SIPS-airbags (Zij-airbag)
15
Opblaasgordijn (IC-systeem)
17
Activering van de airbags en de opblaasgordijnen
18
Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen en
gordelspanners
19
WHIPS-systeem
20
Kinderen en veiligheid
22
9
9HLOLJKHLG
9HLOLJKHLGVJRUGHOV
Doe altijd de veiligheidsgordel
om
Zelfs bij alleen hard remmen kan het niet
dragen van een veiligheidsgordel ernstige
gevolgen hebben! Vraag daarom altijd aan uw
passagiers om de veiligheidsgordel om te doen!
Dit om te voorkomen dat bij een aanrijding de
passagiers op de achterbank tegen de
rugleuning van de voorstoelen worden
geslingerd. Alle inzittenden kunnen daarbij
gewond raken.
Gebruik de veiligheidsgordel als volgt: trek de
gordel langzaam uit en maak deze vast door de
borglip in de vergrendeling te steken. Een
duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel vastzit.
De gordel is normaalgesproken niet geblokkeerd, zodat u zich ongehinderd kunt bewegen.
In de volgende gevallen is de gordel geblokkeerd, zodat deze niet verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt;
• wanneer u remt of optrekt;
als de auto sterk overhelt.Voor optimale
bescherming van de veiligheidsgordel is het van
belang dat de gordel goed tegen het lichaam
ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
10
+HXSJRUGHOVWUDNWUHNNHQ
Let op het volgende:
• gebruik geen klemmen of andere accessoires die ervoor zorgen dat u de gordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken;
• zorg dat er geen slagen in de gordel zitten;
• de heupgordel moet laag zitten – niet over
de buik;
• trek de heupgordel over de heupen door
aan de diagonale schoudergordel te
trekken, zie de bovenstaande figuur.
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts ppQ persoon!
'RHKHWYROJHQGHRPGHJRUGHOORVWHPDNHQ
Druk op de rode knop van de vergrendeling.
Laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo
ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten extra voorzichtig
zijn bij het gebruik van de veiligheidsgordels!
Let er altijd op de gordel zodanig aan te
brengen, dat er geen druk op de baarmoeder
wordt uitgeoefend. De heupgordel van de
driepuntsgordel moet laag zitten.
9HLOLJKHLG
Veiligheidsgordels en
gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met
gordelspanners. Een geringe hoeveelheid
springstof, ingebouwd in het oprolmechanisme,
wordt bij een botsing tot ontploffing gebracht.
Hierdoor wordt de veiligheidsgordel strak over
het lichaam van de inzittende getrokken om
eventuele speling door dikke kledingsstukken
weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo
beter tegen.
*RHGNHXUODEHOVRS
YHLOLJKHLGVJRUGHOV
PHWJRUGHOVSDQQHU
WAARSCHUWING
Als de veiligheidsgordel heeft blootgestaan
aan grote krachten, zoals het geval is bij een
aanrijding, dan moeten de veiligheidsgordels in hun geheel, d.w.z. inclusief oprolmechanisme, bevestigingen, bouten en
vergrendelingen worden vervangen. Zelfs
als de gordel er intact uitziet, kan de gordel
een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren. Vervang de
veiligheidsgordel ook als deze versleten of
beschadigd is. Repareer of wijzig de veiligheidsgordels QRRLW zelf, maar laat dergelijke
werkzaamheden aan een erkende Volvowerkplaats over.
11
9HLOLJKHLG
$LUEDJV656
$XWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
$XWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
Airbag aan bestuurderszijde
Om de passieve veiligheid van uw auto nog
verder te verhogen is uw auto uitgerust met een
airbag (SRS1) als aanvulling op de driepuntsgordels. De airbag, een opblaasbare luchtzak, is
opgevouwen in het hart van het stuurwiel
gemonteerd. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS.
In opgeblazen toestand heeft de airbag een
inhoud van ca. 60 liter. Omdat de airbag aan de
bestuurderszijde op het stuurwiel gemonteerd
zit, is de airbag kleiner dan die aan de passagierszijde. Beide airbags bieden echter een even
goede bescherming.
1.
12
“Supplemental Restraint System”
Airbag aan passagierszijde
(extra)
De airbag aan de passagierszijde ligt
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het dashboardpaneel is
voorzien van het opschrift SRS. In opgeblazen
toestand heeft de airbag aan de passagierszijde
een inhoud van ca. 145 liter.
WAARSCHUWING
Bevestig geen klemmen of andere
voorwerpen op het dashboard of het
stuurwiel!
Ze kunnen letsel veroorzaken en/of de
beschermende werking van de airbags
negatief beïnvloeden.
3RVLWLHYDQDLUEDJDDQSDVVDJLHUV]LMGH
WAARSCHUWING
De airbags (SRS) vormen een aanvulling op
(en dus geen alternatief voor) de veiligheidsgordels. Voor optimale bescherming moet u
DOWLMGJHEUXLNPDNHQYDQGHYHLOLJKHLGV
JRUGHO.
9HLOLJKHLG
WAARSCHUWING
$LUEDJSDVVDJLHUV]LMGH
• Bevestig QRRLW een kinderzitje op de
passagiersstoel, als de auto is uitgerust
met een airbag aan de passagierszijde
(SRS).
• Laat kinderen QRRLW voor de passagierstoel zitten of staan.
• Personen kleiner dan 1,40 m mogen
QRRLW op de passagiersstoel plaatsnemen.
• Laat de passagier zoveel mogelijk
rechtop zitten met de voeten op de
vloer en de rug tegen de rugleuning.
De passagier moet de veiligheidsgordel omdoen.
• Breng voorwerpen of accessoires
nooit op of in de buurt van het SRSpaneel (boven het dashboardkastje) of
binnen de actieradius van de airbag
aan.
• Vervoer geen losse voorwerpen op de
vloer, de stoel, of het dashboard.
• Verricht nooit zelf werkzaamheden
aan de onderdelen van het SRSsysteem in de stuurwielnaaf of op het
paneel boven het dashboardkastje.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje (SRS) blijft
branden of kortstondig oplicht tijdens het
rijden, dan betekent dit dat het SRS-systeem
niet naar behoren werkt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Het SRS-systeem wordt continu gecontroleerd
door de sensor/regeleenheid. Op het instrumentenpaneel bevindt zich een waarschuwingslampje. Dit lampje gaat branden, wanneer u de
contactsleutel in stand I, II of III draait. Het
lampje dooft, wanneer de sensor/regeleenheid
heeft vastgesteld dat er geen storingen zijn in
het SRS-systeem. Een dergelijke controle
neemt doorgaans ca. 7 seconden in beslag.
13
9HLOLJKHLG
$LUEDJV656(vervolg)
WAARSCHUWING
Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRSof SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het
systeem kunnen aanleiding geven tot
storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke
ingrepen daarom over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
656V\VWHHPDXWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
656V\VWHHPDXWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
SRS-systeem
Het SRS-systeem bestaat uit een gasgenerator
(1) met daaromheen een opblaasbare airbag (2).
Bij een voldoende krachtige botsing wordt de
ontsteking van de gasgenerator geactiveerd
door een sensor (3). De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg,
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is
volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen, neemt enkele
tienden van seconden in beslag.
14
1%Hoe de sensor (3) reageert hangt af van de
vraag of de veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of de passagierszijde wel of niet is
omgedaan. Er kunnen daardoor ongelukken
ontstaan, waarbij slechts één van de airbags
wordt opgeblazen.
“Volvo Dual-Stage Airbag”
(tweetraps airbags)
Bij minder zware aanrijdingen die desondanks
gevaar voor verwondingen opleveren, worden
de airbags opgeblazen tot ruim de helft van het
totale volume. Bij zware aanrijdingen worden
de airbags volledig opgeblazen.
9HLOLJKHLG
6,36DLUEDJV=LMDLUEDJ
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Als uw auto alleen voorzien is van SIPS-airbags
(en dus geen airbag aan de passagierszijde
(SRS)), mag u een kinderzitje op de passagiersstoel aanbrengen.
WAARSCHUWING
2SJHEOD]HQ6,36DLUEDJ
SIPS-airbags, (zij-airbags)
De SIPS-airbags verhogen de passieve
veiligheid in de passagiersruimte.
Het SIPS-airbagsysteem is opgebouwd uit twee
hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de
sensoren. De SIPS-airbags zijn in het frame van
de rugleuning van de voorstoelen gemonteerd.
De sensoren zitten aan de binnenzijde van de Bstijlen. In opgeblazen toestand hebben de SIPSairbags een inhoud van ca. 12 liter.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags (zijairbags) vormen een
aanvulling op het aanwezige SIPS-systeem
(Side Impact Protection System). Voor
optimale bescherming moet uDOWLMG
JHEUXLNPDNHQYDQGHYHLOLJKHLGVJRUGHO.
6,36DLUEDJ
• Gebruik alleen stoelhoezen die tot het
originele stoelhoezenassortiment van
Volvo behoren of door Volvo zijn
goedgekeurd voor gebruik op stoelen
met SIPS-airbag.
• Breng geen voorwerpen of accessoires
aan tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de
actieradius van de SIPS-airbag ligt.
• Verricht nooit zelf werkzaamheden uit
aan het SIPS-airbagsysteem.
15
9HLOLJKHLG
6,36DLUEDJV=LMDLUEDJ(vervolg)
$XWRPHWOLQNVHEHVWXULQJ
SIPS-airbagsysteem
Het SIPS-airbagsysteem bestaat uit gasgeneratoren (1), elektrische sensoren, kabels (3) en
SIPS-airbags (2). Bij een voldoende krachtige
aanrijding, worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensoren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen. De airbags
worden opgeblazen tussen de inzittenden en het
portierpaneel. De klap van een aanrijding wordt
opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen.
De SIPS-airbags worden normaalgesproken
alleen opgeblazen aan de kant waar de
aanrijding plaatsvindt.
16
$XWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
9HLOLJKHLG
2SEODDVJRUGLMQ,&V\VWHHP
Opblaasgordijn
(IC-systeem) (Inflatable Curtain)
Het opblaasgordijn beschermt de inzittenden
tegen hoofdletsel, wanneer ze met hun hoofd
tegen de zijkant of het plafond van de auto
stoten. Het opblaasgordijn biedt eveneens
bescherming tegen de obstakels waar de auto
tegenop botst. Het IC-systeem beschermt de
inzittenden voor en achter in de auto. Het
opblaasgordijn gaat schuil achter de plafondbekleding. Het IC-systeem (het opblaasgordijn)
bedekt het bovenste gedeelte van het interieur
bij de voorstoelen en de achterbank.
Bij een aanrijding van opzij wordt het ICsysteem geactiveerd door de opblaasgordijn
van het SIPS-airbagsysteem. Na activering van
het IC-systeem wordt het opblaasgordijn
gevuld met gas uit de gasgenerator die zich bij
het achtereind van het gordijn bevindt.
WAARSCHUWING
Schroef of bevestig geen onderdelen aan de
plafondbekleding, de portierstijlen of de
zijpanelen. De beschermende werking kan
erdoor verloren gaan.
17
9HLOLJKHLG
$FWLYHULQJYDQGHDLUEDJVHQGHRSEODDVJRUGLMQHQ
Airbags aan bestuurderszijde en
passagierszijde (SRS)
De airbags worden geactiveerd:
SIPS-airbags en
opblaasgordijnen (SIPS-airbag
en IC-systeem)
• als het gevaar bestaat dat de inzittenden
op de voorstoelen verwondingen oplopen,
wanneer ze in contact komen met het
dashboard of het stuurwiel.
Het SRS-systeem registreert de kracht van een
eventuele botsing en de mate van vertraging die
deze veroorzaakt. De sensor bepaalt aan de
hand van berekening of de botsing dusdanig
zwaar is dat de airbags moeten worden geactiveerd om de inzittenden te beschermen.
De SIPS-airbags en opblaasgordijn worden
normaalgesproken alleen geactiveerd:
Het kan zijn dat de airbags niet werden geactiveerd, ondanks dat de carrosserie van de auto
danig vervormd is. Dit houdt niet per definitie
in dat de airbags niet goed werkten. Het
betekent alleen dat activering van deze aanvullende veiligheidssystemen niet nodig was,
omdat de bestaande systemen de inzittenden
voldoende bescherming boden.
• Sleep de auto naar een Volvo-werkplaats.
Rijd niet in een auto met geactiveerd
airbags, zelfs niet als u na het ongeluk
nog verder kunt rijden.
Laat het vervangen van de onderdelen van het
SRS-, SIPS-airbag-, of IC-systeem over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
• wanneer een obstakel met voldoende
kracht de zijkant van de auto raakt.
1%De SRS-, SIPS-airbag- en IC-systemen
worden bij een botsing slechts eenmaal geactiveerd.
Na activering van de airbags/opblaasgordijn
adviseren wij u het volgende:
WAARSCHUWING
De sensor van het SRS-systeem zit op de
middenconsole van de auto. Als de vloer van
de passagiersruimte doorweekt geraakt is,
moet u de accukabels in de bagageruimte
loskoppelen.
Probeer de auto niet te starten, omdat de
airbags daarbij geactiveerd kunnen worden.
Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats.
18
WAARSCHUWING
Rijd nooit met geactiveerde airbags! Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd raken. Langdurige
blootstelling aan de rook en stof die
vrijkomen bij activering van de airbags kan
oog- en huidirritatie c.q. -letsel veroorzaken.
Spoel bij irritatie met koud water en/of neem
contact op met een arts. De snelheid
waarmee de airbags/gordijnen worden
opgeblazen kan in combinatie met de toegepaste materialen aanleiding geven tot
schaaf- en brandwonden.
9HLOLJKHLG
,QVSHFWLHYDQGHDLUEDJVRSEODDVJRUGLMQHQHQJRUGHOVSDQQHUV
De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar
en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats
om de airbags en/of gordelspanners te laten
controleren en eventueel vervangen. Neem voor
meer informatie over de systemen contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
'H]HVWLFNHUYLQGWX
LQGHSRUWLHURSHQLQJ
OLQNVDFKWHU
Datum voor de
inspectie van:
$LUEDJDDQ
EHVWXXUGHUV]LMGH
$LUEDJDDQSDVVD
JLHUV]LMGH
6,36DLUEDJDDQ
EHVWXXUGHUV]LMGH
6,36DLUEDJDDQ
SDVVDJLHUV]LMGH
2SEODDVJRUGLMQDDQ
EHVWXXUGHUV]LMGH
2SEODDVJRUGLMQDDQ
SDVVDJLHUV]LMGH
19
9HLOLJKHLG
:+,36V\VWHHP
WHIPS-systeem (Whiplash
Protection System)
Het WHIPS-systeem bestaat uit energie-absorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde
hoofdsteunen voor de voorstoelen.
Stoel met WHIPS-systeem
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig. Bij
activering worden de rugleuningen van de
voorstoelen (voor zover deze bezet zijn) achterovergekanteld, waardoor de houding van de
bestuurder en een eventuele passagier
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash beperkt.
20
Juiste zithouding
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk
in het midden van de stoelen plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
Het WHIPS-systeem heeft geen negatieve
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes. Zolang de auto geen airbag (SRS)
aan de passagierszijde heeft, mag u een kinderzitje van Volvo op de passagiersstoel
aanbrengen. Het WHIPS-systeem werkt
eveneens naar behoren, als u een kinderzitje
achterstevoren op de achterbank hebt aangebracht, met het ruggedeelte van het zitje tegen
de rugleuning van de voorstoel aan.
9HLOLJKHLG
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Let erop dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt!
• Als u één van de ruggedeelten van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u
de voorstoel aan dezelfde kant
zodanig bijstellen dat de rugleuning
van de stoel niet tegen het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank
aankomt.
• Plaats geen koffers en dergelijke
tussen het zitgedeelte van de
achterbank en de rugleuning van de
voorstoelen.
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten, zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren in een erkende Volvowerkplaats. Zelfs als de stoel op het oog
intact is, kan het zijn dat het WHIPSsysteem geactiveerd werd zonder zichtbare
schade aan de stoel. De beschermende
eigenschappen van het WHIPS-systeem
kunnen daarbij verloren zijn gegaan. Laat
ook na een lichte aanrijding van achteren het
systeem nakijken in een erkende Volvowerkplaats. Verricht nooit zelf reparaties
aan of wijzigingen in de stoel of het WHIPSsysteem!
21
9HLOLJKHLG
.LQGHUHQHQYHLOLJKHLG
Kinderen moeten comfortabel
en veilig zitten
Onthoud dat alle kinderen, ongeacht hun
leeftijd en lengte, een veiligheidsgordel moeten
dragen. Laat kinderen nooit bij passagiers op
schoot zitten!
Aan de hand van het gewicht van het kind
bepaalt u welke uitrusting u nodig hebt en waar
u deze moet aanbrengen (zie pagina 25).
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Als u voor de uitrusting van Volvo kiest,
dan weet u ook zeker dat de bevestigingspunten
en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze
worden aangebracht en sterk genoeg zijn.
Kinderen tot 3 jaar zitten het veiligst in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje.
In veel landen gelden er wettelijke
voorschriften voor het vervoer van kinderen in
de auto. Informeer ook naar de bepalingen die
gelden in de landen die u tijdens buitenlandse
reizen aandoet.
WAARSCHUWING
Bevestig nooit een kinderzitje op de passagiersstoel, als de auto is uitgerust met een
airbag aan de passagierszijde (SRS).
22
$LUEDJVHQNLQGHU]LWMHVJDDQQLHWVDPHQ
Kinderzitjes en airbags
Wanneer uw auto is uitgerust met een airbag
aan passagierszijde, moet u kinderen altijd op
de achterbank vervoeren.
Kinderen die u in een kinderzitje op de
voorstoel vervoert kunnen ernstige verwondingen oplopen, wanneer de airbag aan passagierszijde wordt opgeblazen.
Laat passagiers kleiner dan 1,40 m QRRLW op de
passagiersstoel plaatsnemen, als uw auto is
uitgerust met een airbag aan passagierszijde.
9HLOLJKHLG
Plaatsing van het kind
*HZLFKW
OHHIWLMG
9RRUVWRHO
%XLWHQVWH]LWSODDWVHQDFKWHUEDQN
<10 kg
(tot 9 maanden)
Mogelijkheden:
1. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel.
L: 7\SHJRHGN(
2. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met ISOFIX-systeem.
L: 7\SHJRHGN(
3. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
Mogelijkheden:
1. Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
1.
bevestigen met veiligheidsgordel en
steunbeen.
L: 7\SHJRHGN(
2. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met ISOFIX-systeem en steunbeen.
L: 7\SHJRHGN(
3. Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen
en extra bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
9–18 kg
(9–36 maanden)
Mogelijkheden:
1. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel.
L: 7\SHJRHGN(
2. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met ISOFIX-systeem.
L: 7\SHJRHGN(
3. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
Mogelijkheden:
1.
1. Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en steunbeen.
L: 7\SHJRHGN(
2. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te
bevestigen met ISOFIX-systeem en steunbeen.
L:7\SHJRHGN(
3. Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen
en extra bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
15–36 kg
(3–12 jaar)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds- 1. Kinderzitje met of zonder rugleuning.
L: 7\SHJRHGN(
categorie.
WAARSCHUWING
* Bevestig NOOIT een kinderzitje op de
passagiersstoel, wanneer uw auto uitgerust is
met een airbag aan de passagierszijde.
0LGGHOVWH]LWSODDWVDFKWHUEDQN
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steunbeen en extra bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steunbeen en extra bevestigingsband.
L: 7\SHJRHGN(
Mogelijkheden:
1. Kinderzitje met of zonder rugleuning.
L: 7\SHJRHGN(
2. Geïntegreerd kinderzitje.
L: 7\SHJRHGN(
L: Geschikt voor speciale kinderzitjes, zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring. Kinderzitjes
kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel
of universeel zijn.
23
9HLOLJKHLG
.LQGHUHQHQYHLOLJKHLG(vervolg)
Zorg dat:
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens
slap hangt of verdraaid is;
• de veiligheidsgordel goed over de
schouder loopt;
• de heupgordel laag over de heupen, het
bekken, loopt om optimale bescherming
te bieden;
• de diagonale schoudergordel niet tegen de
nek van het kind aankomt of onder de
schouder langs loopt.
Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af
op de lengte van het kind.
,VRIL[EHYHVWLJLQJVSXQWHQ
Isofix-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (extra)
In de fabriek zijn voorbereidingen getroffen
voor de montage van het Isofix-bevestigingssysteem voor kinderzitjes op de beide buitenste
zitplaatsen van de achterbank. Neem contact op
met uw Volvo-dealer voor meer informatie over
de verkrijgbare veiligheidsuitrusting voor
kinderen.
De Isofix-bevestigingspunten zitten op de beide
buitenste zitplaatsen van de achterbank. U kunt
de Isofix-geleider zo nodig verplaatsen.
24
Geïntegreerd kinderzitje (extra)
De geïntegreerde kinderzitjes van Volvo zijn
speciaal ontworpen om kinderen maximale
bescherming te bieden.
In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor
kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
Kinderzitje uitklappen:
• klap het kinderzitje omlaag;
• haal de klittenband los;
• klap het bovenste gedeelte weer op.
9HLOLJKHLG
WAARSCHUWING
Kinderzitje uitklappen:
• klap het kinderzitje omlaag;
• haal de klittenband los;
klap het bovenste gedeelte weer op.
Opklappen in ruggedeelte achterbank:
• klap het ruggedeelte (A) van het kinderzitje omlaag;
• bevestig het stuk klittenband (B);
• klap het kinderzitje in het ruggedeelte (C)
van de achterbank op.
1%Als u het ruggedeelte en het zitgedeelte
niet aan elkaar vastzet voordat u het kinderzitje
opklapt, kan het ruggedeelte een volgende keer
dat u het zitje uitklapt in de opening blijven
steken.
Als het geïntegreerde kinderzitje aan grote
krachten blootgestaan heeft, zoals bij een
aanrijding, moet u het zitje met de gordel in
zijn geheel, d.w.z. inclusief de schroeven,
vervangen door een nieuw zitje en nieuwe
schroeven. Ook als het geïntegreerde
kinderzitje er op het oog intact uitziet, kan
het zitje een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren.
Het kinderzitje moet eveneens worden
vervangen, als het erg versleten of
beschadigd is. Let er echter op dat het zitje
vakkundig wordt vervangen, omdat het voor
de overige inzittenden van groot belang is
dat het nieuwe zitje op de juiste wijze wordt
gemonteerd. Laat het vervangen en
repareren van het kinderzitje daarom over
aan een erkende Volvo-werkplaats. Als het
zitje vuil geworden is, moet u het ter plekke
schoonmaken. Als de bekleding dusdanig
vuil is dat u deze apart moet reinigen, gelden
de bovenstaande aanwijzingen voor
vervanging en montage van het zitje.
Verricht geen wijzigingen in of aanvullingen op de constructie van het kinderzitje.
25
9HLOLJKHLG
.LQGHUHQHQYHLOLJKHLG(vervolg)
Belangrijke adviezen!
Bij het gebruik van andere in de handel zijnde
veiligheidsproducten voor kinderen is het
EHODQJULMN dat u de meegeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en
nauwkeurig opvolgt. Hier volgen enkele punten
waar u op moet letten:
• Gebruik geen kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting aan kunnen komen. Dit om te
voorkomen dat de gordels plotseling
kunnen ontgrendelen.
• Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
• Breng kinderzitjes altijd volgens de
instructies van de fabrikant aan.
• Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit aan de hendel vast
waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren, rails of
balken met scherpe randen onder de stoel.
• Laat het ruggedeelte van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. (Geldt voor
auto’s dieQLHW zijn uitgerust met een
airbag (SRS) aan de passagierszijde.)
• Zorg dat het kinderzitje niet met de
bovenkant tegen de voorruit aan komt.
Bevestig nooit een kinderzitje op de passagiersstoel, wanneer uw auto uitgerust is met een
airbag (SRS) aan de passagierszijde.
26
1%Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten moet u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
28
Controle- en waarschuwingslampjes
29
Schakelaars op middenconsole
34
Verlichtingspaneel
36
Richtingaanwijzerhendel
37
Ruitenwisser/-sproeier
38
Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/
buitenspiegels/voorstoelen
39
Boordcomputer (extra)
40
Cruise control (extra)
41
Handrem, elektrische aansluiting/ aansteker 42
Stuurwielafstelling
43
Elektrisch bediende ramen
44
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
46
Elektrisch bediend schuifdak (extra)
48
27
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
,QVWUXPHQWHQSDQHHO
7HPSHUDWXXUPHWHU
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het
rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers
voor de radiateurgrille het koelvermogen
verminderen bij een hoge buitentemperatuur en
een zware belasting van de motor.
'LVSOD\
Op het display worden informatieve berichten
en waarschuwingsberichten weergegeven.
6QHOKHLGVPHWHU
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de auto
aan.
'DJWHOOHUV
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand
in honderden meters aan. U kunt de dagtellers
op nul zetten door de knop langer dan 2
28
seconden in te drukken. U wisselt van dagteller
door de knop korte tijd in te drukken.
,QGLFDWLHYRRU&UXLVHFRQWURO
Zie pagina 41.
.LORPHWHUWHOOHU
De kilometerteller geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
*URRWOLFKWDDQXLW
:DDUVFKXZLQJVODPSMH
Als er een storing optreedt, licht het waarschuwingslampje op en verschijnt er een bericht op
het display.
7RHUHQWHOOHU
De toerenteller geeft het motortoerental aan in
duizenden toeren per minuut. Laat de naald van
de toerenteller niet tot in het rode gebied uitslaan.
,QGLFDWLHYRRUDXWRPDWLVFKHYHUVQHO
OLQJVEDN
U ziet hier welk schakelprogramma er wordt
aangehouden. Als uw auto is uitgerust met een
Geartronic automatische versnellingsbak en u het
handmatige schakelprogramma gebruikt, ziet u
hier welke versnelling u hebt ingeschakeld.
%XLWHQWHPSHUDWXXUPHWHU
De buitentemperatuurmeter geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het
interval van –5°C tot +2°C ligt, verschijnt er
een sneeuwvlokje op het display. Het symbool
wijst op het gevaar voor gladheid.
.ORNMH
Draai aan de knop om het klokje op de juiste tijd
in te stellen.
%UDQGVWRIPHWHU
De brandstoftank heeft een inhoud van
ongeveer 70 liter. Er zit nog ongeveer 8 liter
brandstof in de tank, wanneer het lampje op het
instrumentenpaneel oplicht.
&RQWUROHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHV
,QGLFDWRUODPSMHVULFKWLQJDDQZLM]HUV
OLQNVUHFKWV
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
&RQWUROHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHV
De controle- en waarschuwingslampjes lichten
korte tijd op, wanneer u vóór het starten de
contactsleutel in de rijstand (stand II) draait. Dit
geeft aan dat de lampjes naar behoren werken.
Wanneer de motor is aangeslagen, doven alle
lampjes weer. Als de motor niet binnen
5 seconden aanslaat, doven alle lampjes
behalve de symbolen
en
. Afhankelijk
van het uitrustingsniveau van uw auto kan het
zijn dat bepaalde symbolen geen functie
vervullen. Het symbool voor de handrem dooft,
wanneer u de auto van de handrem haalt.
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het chassis
dusdanig afgestemd, dat de carrosserie niets
van de oneffenheden in het wegdek merkt en de
auto als het ware over de weg zweeft. De schokdemping is soepeler dan normaal, waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal zijn.
Waarschuwingssymbool
instrumentenpaneel
Advanced
In de stand Advanced zijn de bewegingen van
de schokdempers minimaal, reageert de motor
sneller op het gaspedaal en helt de auto
minimaal over in bochten.
op
Het waarschuwingssymbool knippert met een
rood of oranje licht afhankelijk van de ernst van
de geregistreerde storing.
5RRG licht:
2UDQMH licht:
Sport
De vering is stugger dan normaal om bij het
snelle bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken. De auto reageert als een echte sportwagen.
%UHQJGHDXWRWRWVWLOVWDQG
Lees het bericht op het
display.
Lees het bericht op het
display. Verhelp de storing!
Actief chassis
(alleen R-versie)
De R-versie van de S60 is uitgerust met een zeer
geavanceerd actief chassissysteem dat elektronisch gestuurd is.
Zie pagina 106 voor meer informatie over het
systeem.
Met de knoppen op het dashboard kunt u op
ieder gewenst moment één van de drie
mogelijke chassisstanden selecteren: Comfort,
Sport of Advanced.
29
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
&RQWUROHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHV(vervolg)
Storing in remsysteem
Storing in ABS-systeem
Als het waarschuwingssymbool voor
het ABS-systeem oplicht, werkt het
ABS-systeem niet meer. Het normale
remsysteem van de auto werkt dan nog, zij het
zonder ABS-regeling.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingssymbool dooft,
kunt u verder rijden. Er was dan geen
sprake van een werkelijke storing.
• Als het waarschuwingssymbool echter
blijft branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren.
30
Als het symbool voor het remsysteem
oplicht, kan het zijn dat het remvloeistofpeil te laag is.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
• Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het reservoir, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de waarschuwingssymbolen voor
het UHPsysteem en het $%6-systeem
tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
•Breng de auto op een veilige plaats
tot stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als de beide symbolen weer doven, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
• Als de waarschuwingssymbolen echter
blijven branden, moet u het peil in het
remvloeistofreservoir controleren.
• Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te controleren.
• Als de symbolen echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil in orde is, moet u de auto uiterst
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS-systeem tegelijkertijd
oplichten, bestaat het gevaar dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat slippen.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
Gordelwaarschuwing
Storing in SRS-systeem
Handrem aangetrokken
Het waarschuwingssymbool voor de
veiligheidsgordels brandt, zolang de
bestuurder de gordel niet heeft omgedaan.
Als het waarschuwingssymbool voor het
ABS-systeem oplicht, is er een storing in
het SRS geregistreerd. Rijd de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Let erop dat het lampje alleen aangeeft
dát u de handrem hebt aangetrokken en
niet hoe hard. Controleer dit laatste door
aan de hendel te trekken! U moet altijd
zo hard aan de hendel te trekken, dat
deze in een “nokje” blijft steken.
Te lage oliedruk
Dynamo laadt niet bij
Mistachterlicht
Als het lampje tijdens het rijden oplicht,
is de druk van de motorolie te laag. Zet de
motor onmiddellijk af en controleer het
motoroliepeil. Als het lampje oplicht
terwijl het oliepeil in orde is, moet u de
auto tot stilstand brengen en contact
opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is
er waarschijnlijk sprake van een storing in
het elektrisch systeem. Breng een bezoek
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje brandt, wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Voorgloeifunctie motor
(diesel)
Controlelampje aanhanger
Rijd de auto naar een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten
controleren.
Het lampje licht op wanneer de voorgloeifunctie van de motor actief is. Wanneer het
lampje dooft, kunt u de motor starten.
Geldt alleen voor dieselmodellen.
Het controlelampje knippert, wanneer u
de richtingaanwijzers op de auto en op
de aanhanger gebruikt. Als het lampje
niet knippert, is één van de richtingaanwijzers op de auto of de aanhanger
defect.
31
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
&RQWUROHHQZDDUVFKXZLQJVODPSMHV(vervolg)
Stabiliteitssysteem STC* en
DSTC*
Storing in STC/DSTC-systeem
Als het waarschuwingssymbool oplicht
en continu brandt, terwijl u geen van de
systemen hebt uitgeschakeld is er sprake van
een storing in één van de systemen. De tekst
“ANTI-SKID SERVICE VEREIST” verschijnt
op het display.
Het STC/DSTC-systeem staat uitvoeriger
beschreven op pagina 34 en pagina 104. Het
systeem bestaat uit meerdere deelsystemen:
Gevaar voor gripverlies
Als het waarschuwingssymbool NQLSSHUW, is
het STC/DSTC-systeem actief. U kunt dan
merken dat de motor niet normaal op het
gaspedaal reageert. Een dergelijke situatie kan
zich voordoen, wanneer u harder wilt optrekken
dan de wrijvingscoëfficiënt van het wegdek
toelaat.
• Rijd voorzichtig!
Beperkte tractie
Het symbool licht op en brandt continu,
wanneer er beperkingen voor het STC/DSTCsysteem gelden door een te hoge temperatuur
van de remmen. De tekst “TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT” verschijnt op het
display.
* Extra uitrusting op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de R-versie.
32
Beperkte anti-doorslipregeling
Het symbool in de knop dooft, wanneer u de
functie van het STC/DSTC-systeem beperkt
hebt met een druk op de knop STC/DSTC.
De tekst “STC/DSTC SPIN CONTROL UIT”
verschijnt op het display.
• Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
• Als het waarschuwingssymbool dooft,
was er geen sprake van een werkelijke
storing. U hoeft dan geen bezoek aan een
werkplaats te brengen.
• Als het waarschuwingssymbool echter
blijft branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
systeem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden.
Wees altijd voorzichtig bij het nemen van
bochten en het rijden op gladde wegen.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
Displaybericht
Wanneer er een controle- of waarschuwingssymbool oplicht, verschijnt er tevens een bericht
op het display. Wanneer u het bericht gelezen en
begrepen hebt, kunt u op de knop READ (A)
drukken. Het bericht wordt dan van het display
gewist en in een geheugen opgeslagen. Het bericht
blijft in het geheugen opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
%HULFKWHQGLHGXLGHQRS]HHUHUQVWLJH
VWRULQJHQNXQWXQLHWYDQKHWGLVSOD\ZLVVHQ
'HEHULFKWHQEOLMYHQRSKHWGLVSOD\VWDDQ
WRWGDWXGHRQGHUOLJJHQGHVWRULQJKHEWODWHQ
YHUKHOSHQ
Berichten die in het geheugen liggen
opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals
doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de
opgeslagen berichten wilt bekijken. U kunt
door de berichten bladeren door op de knop
READ (A) te drukken. Druk nogmaals op de
knop READ (A) om de berichten weer in het
geheugen op te slaan.
1%Als er een waarschuwingsbericht verschijnt
terwijl u zich bijv. in een menu van de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren, moet u
eerst bevestigen dat u het bericht hebt gezien. U
doet dat door op de knop READ (A) te drukken.
Bericht:
Betekenis:
STOP AUTO Z.S.M.
ZET DE MOTOR AF
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
BIJ ONDERHOUD
TIJD VOOR REG. SERVICE
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng uw auto voor controle naar de werkplaats.
Raadpleeg het instructieboekje.
Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.
Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een servicebeurt naar de werkplaats. Wanneer de tekst verschijnt, hangt af van
de afgelegde afstand, het aantal maanden dat verstreken is sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.
Het oliepeil van de motor is te laag. Controleer het peil en vul zo spoedig mogelijk olie bij, zie pagina 135 voor meer informatie.
1)
OLIEPEIL LAAG – BIJVULLEN*
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand om het oliepeil te controleren. Zie
pagina 135.
2)
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de motor af om het oliepeil te
OLIEPEIL LAAG – ZET MOTOR UIT*
controleren. Zie pagina 135.
2)
OLIEPEIL LAAG – ZIE HANDLEIDING* Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de motor af om het oliepeil te
controleren. Zie pagina 135.
1)
* Alleen op de R-versie
Verschijnt samen met een RUDQMHwaarschuwingssymbool.
2)
OLIEPEIL LAAG - STOP AUTO Z.S.M.*
2)
Verschijnt samen met een URRG waarschuwingssymbool.
33
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
6FKDNHODDUVRSPLGGHQFRQVROH
2PODDJNODSSHQYDQEXLWHQVWHKRRIG
VWHXQHQDFKWHUEDQN(extra)
Klap de hoofdsteunen niet omlaag, als er
iemand op één van beide buitenste zitplaatsen
van de achterbank zit.
,QNODSEDUHEXLWHQVSLHJHOV(extra)
Met deze knop kunt u de elektrisch bediende
buitenspiegels in- en uitklappen.
• Draai de contactsleutel in stand I of II.
• Druk de knop 1 in om de hoofdsteunen
van de achterbank neer te klappen en zo
een beter zicht naar achteren te
verkrijgen.
U moet de hoofdsteunen na afloop handmatig
weer opklappen.
• Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk
naar voren toe.
• Draai de contactsleutel in stand II.
• Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens
weer naar buiten toe. De buitenspiegels
staan daarna weer in hun oorspronkelijke
stand.
1%Als u de beide ruggedeelten van de
achterbank voorover wilt klappen, moeten de
hoofdsteunen rechtop staan.
34
Ga als volgt te werk, als één van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
9HUVWUDOHUV (extra)
Met deze knop kunt u de verstralers op de auto
in- en uitschakelen. Wanneer de verstralers
branden, licht de LED in de knop op.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
67&'67&V\VWHHP
Met deze knop kunt u de functie van het STC/
DSTC-systeem beperken of een geldende
beperking opheffen.
Wanneer de LED in de knop brandt, is het STC/
DSTC-systeem actief (voor zover er geen
sprake is van een storing).
.RIIHUGHNVHOYHUJUHQGHOHQ (bepaalde
landen)
Druk op de aangegeven knop om het
kofferdeksel te vergrendelen. Het kofferdeksel
blijft daarna vergrendeld, ook al ontgrendelt u
de portieren handmatig met de hoofdsleutel, de
afstandsbediening daarvan of de servicesleutel.
1%Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het STC/DSTCsysteem te beperken.
De tekst “STC/DSTC SPIN CONTROL UIT”
verschijnt op het display.
Beperk de functie van het systeem als u een wiel
met een afwijkende maat gebruikt.
6DIHORFNIXQFWLHHQDODUPVHQVRUHQ
XLWVFKDNHOHQ
Maak gebruik van deze knop kunt u de
safelock-functie desgewenst uitschakelen
(safelock houdt in dat de portieren na vergrendeling niet meer vanaf de binnenkant te openen
zijn). Gebruik deze knop ook om de bewegingsen niveausensoren van het alarmsysteem buiten
werking stellen, wanneer u bijvoorbeeld met de
auto een veerverbinding neemt. De LED in de
knop brandt, wanneer de functies zijn uitgeschakeld c.q. buiten werking zijn gesteld.
De volgende keer dat u de motor start, is het
STC/DSTC-systeem weer actief.
WAARSCHUWING
Let erop dat de rijeigenschappen van de auto
veranderen, als u het STC/DSTC-systeem
uitschakelt.
.LQGHUVORWRS
DFKWHUSRUWLHUHQ(extra)
Met deze knop kunt u het elektrische kinderslot
op de achterportieren in- of uitschakelen. De
contactsleutel moet daarbij in stand I of II staan.
Wanneer het kinderslot geactiveerd is, brandt
de LED in de knop. Er verschijnt een bericht op
het display, wanneer u het kinderslot in- of
uitschakelt.
(OHNWULVFKHDDQVOXLWLQJ$DQVWHNHU (extra)
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of een koelbox. U activeert de
aansteker door de knop in te drukken. Wanneer
de aansteker heet genoeg is, veert de knop
automatisch uit. Haal de aansteker uit de
opening en gebruik het roodgloeiende stuk
metaal om een sigaar of sigaret aan te steken.
Om veiligheidsredenen moet u het deksel altijd
op de aansluiting laten zitten, wanneer deze niet
in gebruik is. U kunt maximaal 10 A via de
aansluiting afnemen.
* Extra uitrusting op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de R-versie.
35
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
9HUOLFKWLQJVSDQHHO
A – Koplampen en stadslichten
D – Mistlampen, vóór (extra)
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,, Druk op de knop.
De mistlampen vóór branden in combinatie met
de stadslichten en het groot licht/dimlicht. De
LED in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen hebt ingeschakeld.
Alle verlichting uit.
$XWR¶VPHWDXWRPDWLVFKGLPOLFKW
EHSDDOGHODQGHQ
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,, Dimlicht
aan (plus stadslichten voor en
verlichting achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting).
Het dimlicht gaat automatisch aan,
wanneer u de contactsleutel in de startstand draait en kan niet worden uitgeschakeld. Als dat voor buitenlandse
reizen noodzakelijk is, kunt u het
automatische dimlicht in uw Volvowerkplaats buiten werking laten stellen.
1%In sommige landen mag u geen dimlicht
voeren in combinatie met mistlampen.
E – Mistachterlicht
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,,Druk op de knop.
Het mistachterlicht brandt in combinatie met het
groot-/dimlicht. De LED in de knop en het
symbool op het instrumentenpaneel branden,
wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stadslichten voor en verlichting achter.
B – Koplamphoogteverstelling
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG: Alle
verlichtinguit.
Bepaalde modellen zijn uitgerust met stelmotoren bij de beide koplampen waarmee u de
koplamphoogte kunt afstemmen op de belading
van de auto. Draaiknop omhoog: Normale
koplamphoogte.
Draaiknop omlaag: Koplamp lager afstellen.
&RQWDFWVOHXWHOLQVWDQG,, Koplampen
aan (plus stadslichten vóór en
verlichting achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting).
U moet de verlichtingsdraaiknop altijd
in deze stand zetten, voordat u het groot
licht kunt inschakelen.
Auto’s met Bi-Xenon-koplampen (extra) zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteverstelling.
C – Instrumentenverlichting
Draaiknop omhoog: Fellere verlichting.
Draaiknop omlaag: Zwakkere verlichting.
Een schemeringssensor (zie pagina 54) stemt de
instrumentenverlichting automatisch af op de
lichtinval.
36
2SJHOHW De regels voor het gebruik van de
mistlampen vóór en achter verschillen van land
tot land.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
5LFKWLQJDDQZLM]HUKHQGHO
7HUXJYHUHQGHVWDQG
Bij het wisselen van rijstrook of inhalen duwt u
de hendel zo ver omhoog of omlaag dat deze
merkbaar weerstand biedt. De hendel keert in
de ruststand terug, wanneer u deze loslaat.
1RUPDOHERFKW
De richtingaanwijzers gaan knipperen, wanneer
u de hendel met het stuurwiel mee beweegt.
Wanneer u het stuurwiel na de bocht weer in de
uitgangspositie terugdraait, worden de richtingaanwijzers automatisch uitgeschakeld.
/LFKWVLJQDDO
U kunt lichtsignalen geven, wanneer u de
hendel voorzichtig naar u toe trekt (totdat u een
lichte weerstand voelt). Het groot licht blijft
branden, totdat u de hendel weer loslaat.
³)ROORZ0H+RPH´YHUOLFKWLQJ
Doe het volgende, als u uw auto bij donker
verlaat:
• Neem de contactsleutel uit het
contactslot.
• Haal de linker stuurhendel (richtingaanwijzerhendel) naar u toe.
• Stap uit de auto.
• Vergrendel de portieren.
Het dimlicht, de stadslichten, de achterlichten,
de kentekenplaatverlichting en de verlichting
van de buitenspiegels (extra) lichten vervolgens
op. De lampen blijven 30, 60 of 90 seconden
lang branden. In een erkende Volvo-werkplaats
kunt u een voor u passende inschakelduur laten
instellen.
:LVVHOHQJURRWOLFKWGLPOLFKW
Haal de hendel via de lichtsignaalstand naar u
toe en laat de hendel vervolgens weer los om te
wisselen tussen groot licht en dimlicht.
37
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
5XLWHQZLVVHUVSURHLHU
Regensensor (extra)
De regensensor vervangt de intervalfunctie. De
ruitenwissers gaan automatisch sneller of
langzamer slaan afhankelijk van de hoeveelheid
regen op de voorruit die de regensensor registreert. U kunt de JHYRHOLJKHLG van de sensor
afstellen met behulp van de ring (zie
afbeelding) op de wisserhendel.
Doe het volgende om de regensensor te
activeren:
• Schakel het contact in.
Duw de hendel vanuit stand 0 in de intervalstand.
Voorruitwisser
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld.
Wanneer u de hendel vanuit stand 0
omhoogduwt, maken de wissers slagen
zolang u de hendel vasthoudt.u de
hendel vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van wissers voor de
intervalstand bijstellen. Wanneer u de
ring omhoogdraait, neemt de frequentie
van de wisserslagen toe. Wanneer u de
ring (A op de afbeelding) omlaagdraait,
neemt de frequentie van de wisserslagen
af.
38
De regensensor wordt buiten werking gesteld,
wanneer u het contact uitschakelt. Doe het
volgende om de regensensor weer in te
schakelen:
• Schakel het contact in.
• Duw de hendel in stand 0 en vervolgens
in de intervalstand.
1%In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit (zet de hendel in stand 0) of
schakel het contact uit. Als u dat niet doet zal de
regensensor de ruitenwissers activeren, waarbij
deze beschadigd kunnen raken.
De wissers werken op normale snelheid.
De wissers werken op hoge snelheid.
3 – Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer 1 liter sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de
koplampen en de achterruit niet langer schoongesproeid. Dit omdat het sproeifunctie van de
voorruit de voorrang heeft.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
$ODUPOLFKWHQHOHNWULVFKYHUZDUPGHDFKWHUUXLWEXLWHQVSLHJHOVYRRUVWRHOHQ
Elektrisch
verwarmde
buitenspiegels
en achterruit
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen of moet
parkeren op een plaats waar deze gevaar of
hinder voor het overige verkeer oplevert.
Druk op de knop om de alarmlichten in te
schakelen.
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de achterruit
en buitenspiegels te
verwijderen. Wanneer u
eenmaal op de schakelaar
drukt, worden de
verwarming van de achterruit en die van de
buitenspiegels geactiveerd. De LED in de
schakelaar gaat branden. Een ingebouwde
tijdschakelaar zorgt dat de verwarming van de
buitenspiegels na ongeveer 6 minuten en die
van de achterruit na ongeveer 12 minuten wordt
uitgeschakeld.
Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 56 of 59 voor
meer informatie.
2SJHOHW De regels voor het gebruik van de
alarmlichten verschillen van land tot land.
39
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
%RRUGFRPSXWHU(extra)
Bediening
Functies
Om toegang te krijgen tot de informatie van de
boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel
stapsgewijs linksom of rechtsom draaien.
Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de
ring draait, keert u terug in de uitgangspositie.
De boordcomputer krijgt een grote hoeveelheid
gegevens binnen die voortdurend door een
microprocessor worden beoordeeld. Het
systeem bestaat uit vier functies die op het
display worden weergegeven:
1%Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijv. in een menu van
de boordcomputer bevindt of wilt telefoneren,
moet u eerst bevestigen dat u het bericht hebt
gezien. U doet dat door op de knop READ (A)
te drukken. U keert dan terug naar het menu van
de boordcomputer waarin u zich bevond.
• Gemiddelde snelheid.
• Huidig brandstofverbruik.
• Gemiddeld brandstofverbruik.
• Bereik tot lege brandstoftank.
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als
uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U kunt de waarde op nul zetten met een druk
op de knop RESET (C) op de hendel.
40
Huidig brandstofverbruik
In het menu voor het huidige brandstofverbruik
wordt het brandstofverbruik voortdurend bijgehouden. Het brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het display
wordt om de paar seconden bijgewerkt.
Wanneer de auto stilstaat, geeft het display
“----” aan.
1%Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet
(RESET). Wanneer u het contact uitschakelt,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik
opgeslagen. De waarde blijft in het geheugen
opgeslagen, totdat u deze met een druk op de
knop RESET (C) op nul zet.
1%Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank is de afstand
die kan worden afgelegd met de resterende
hoeveelheid brandstof in de tank (d.w.z. de
actieradius). De waarde is berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Wanneer de actieradius kleiner is
dan 20 km, geeft het display “----” aan.
1%Na gebruik van een standverwarming op
brandstof kan de displaywaarde iets afwijken.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
&UXLVHFRQWUROH[WUD
Tijdelijk uitschakelen
Uitschakelen
Druk op om de Cruise control tijdelijk uit te
schakelen.
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. De tekst “CRUISE” verdwijnt van
het instrumentenpaneel.
U kunt van de ingestelde snelheid afwijken,
wanneer u op het rem- of koppelingspedaal
trapt. De eerder ingestelde snelheid blijft in het
geheugen opgeslagen.
De Cruise control wordt bovendien uitgeschakeld, als:
• de snelheid tot onder de grenswaarde
voor inschakeling daalt;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren.
Inschakelen
De bedieningsorganen voor de Cruise control
vindt u links op het stuurwiel.
*HZHQVWHVQHOKHLGLQVWHOOHQ
• Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
“CRUISE”.
• Verhoog of verlaag de gewenste snelheid
met de knoppen + en –.
1% De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan
35 km/h.
Druk lichtjes op + of – om de gewenste snelheid
vast te zetten.
De Cruise control wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u het contact uitschakelt.
1%Als u één van de knoppen van de Cruise
control langer dan één minuut ingedrukt houdt,
wordt het systeem uitgeschakeld. Om de Cruise
control weer in te schakelen, moet u eerst het
contact uitschakelen.
Snelheid hervatten
Wanneer u op
drukt, neemt de auto de
eerder ingestelde snelheid weer aan.
Snelheid meerderen
Een tijdelijke verhoging van de snelheid, zoals
bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. De auto neemt
automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
Als u de Cruise control hebt ingeschakeld, kunt
u de aan te houden kruissnelheid verhogen of
verlagen door de knop + of – ingedrukt te
houden. Een korte druk komt overeen met een
snelheidswijziging van 1,6 km/h. De nieuwe
snelheid die de auto heeft op het moment dat u
de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
41
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
+DQGUHPHOHNWULVFKHDDQVOXLWLQJDDQVWHNHU
Handrem (parkeerrem)
De handremhendel zit tussen de beide
voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen. Wanneer u de handrem hebt aangetrokken, brandt het waarschuwingssymbool op
het instrumentenpaneel. Om de auto van de
handrem te halen moet u de hendel iets
omhoogtrekken en de knop indrukken.
Let erop dat het waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel ook brandt, als u de
handrem slechts “een stukje” hebt aangetrokken. Controleer of u de hendel goed hebt
aangetrokken. U moet altijd zo hard aan de
hendel trekken, dat deze in een “nokje” blijft
steken.
42
Elektrische aansluiting
(standaard)/aansteker
achterin (extra)
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een autotelefoon of koelbox.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is,
veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende stuk metaal om een sigaar of
sigaret aan te steken.
Om veiligheidsredenen moet u het deksel op de
aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in
gebruik is. U kunt maximaal 10 A via de
aansluiting afnemen.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
6WXXUZLHODIVWHOOLQJ
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet
vervolgens het stuurwiel in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u het stuurwiel
lichtjes omhoog- of omlaagbewegen wanneer u
de blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af, voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
43
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
(OHNWULVFKEHGLHQGHUDPHQ
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ramen elektrisch bedienen.
U kunt de ramen alleen bedienen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer
de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt
uitgenomen, kunt u de ramen nog steeds openen
en sluiten zolang u geen van de voorportieren
hebt geopend.
De ramen gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht,
wanneer u de voorzijde van de schakelaar
omhoogtrekt.
44
Elektrisch bediende ramen in de
voorportieren
Elektrisch bediening van ramen
in achterportieren blokkeren
U kunt de ramen in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
1. Druk de schakelaars (A) YRRU]LFKWLJ
omlaag of trek zeYRRU]LFKWLJ omhoog. De
elektrisch bediende ramen gaan dan steeds
verder omhoog of omlaag zolang u de
schakelaars bedient.
2. Druk de schakelaars (A) YROOHGLJomlaag
of trek ze YROOHGLJomhoog en ODDW]H
YHUYROJHQVZHHUORV. De zijramen gaan
dan automatisch volledig open of dicht. Als
de ramen worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van de
zijramen afgebroken.
1%Alleen op bepaalde markten werkt de
automatische sluitingsfunctie ook aan de
passagierszijde.
Met de achterste schakelaars (B) bedient u de
ramen in de achterportieren.
U kunt de elektrische bediening van de ramen in
de achterportieren blokkeren met de schakelaar
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bediende ramen verbreekt
(d.w.z. de contactsleutel verwijdert en één van
de voorportieren opent), wanneer u kinderen
alleen in de auto achterlaat.
'H/('LQGHVFKDNHODDUEUDQGWQLHW
U kunt de ramen in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterportieren
als met de schakelaars op het bestuurdersportier
bedienen.
'H/('LQGHVFKDNHODDUEUDQGW
U kunt de ramen in de achterportieren alleen
vanaf het bestuurdersportier bedienen.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
WAARSCHUWING
Als er kinderen op de achterbank zitten,
moet u zorgen dat ze bij het sluiten van de
ramen niet met hun handen bekneld kunnen
raken.
Wanneer u de zijramen in de achterportieren
met de knoppen op het bestuurdersportier
sluit,
moet u erop letten dat eventuele achterpassagiers niet met hun handen bekneld kunnen
raken.
Elektrisch bediend raam in
voorportier, passagierszijde
Elektrisch bediende ramen in
achterportieren
Met de schakelaars voor elektrische bediening
van de ramen op het passagiersportier kunt u
alleen het raam in het passagiersportier bedienen.
U kunt de ramen in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterportieren
als met de schakelaars op het bestuurdersportier
bedienen. Als de LED in de schakelaar
waarmee u de elektrische bediening van de
ramen in de achterportieren blokkeert (op het
bedieningspaneel op het bestuurdersportier)
brandt, kunt u de ramen in de achterportieren
alleen vanaf het bestuurdersportier bedienen.
45
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
$FKWHUXLWNLMNVSLHJHOHQEXLWHQVSLHJHOV
Achteruitkijkspiegel
A: Normale stand.
B: Anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand,
als u de koplampen van het achteropkomende
verkeer als hinderlijk ervaart.
Bepaalde modellen hebben een zogeheten
DXWRGLP-functie, hetgeen inhoudt dat de
achteruitkijkspiegel automatisch in de antiverblindingsstand gaat staan afhankelijk van de
lichtinval. De gevoeligheid van deze functie
kunt u in uw Volvo-werkplaats laten afstellen.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingssymbool voor de veiligheidsgordels op de bovenkant van de achteruitkijkspiegel brandt, zolang de bestuurder zijn of
haar gordel niet heeft omgedaan. Op sommige
modellen wordt de gordelwaarschuwing na
6 seconden automatisch uitgeschakeld.
46
Als vervolgens bij een snelheid hoger dan
10 km/h blijkt dat de bestuurder de veiligheidsgordel niet om heeft, wordt de waarschuwingsfunctie opnieuw ingeschakeld. De functie wordt
weer uitgeschakeld, wanneer de snelheid tot
onder 5 km/h terugloopt. Als de bestuurder de
gordel tijdens het rijden losmaakt, wordt de
functie opnieuw geactiveerd bij snelheden
hoger dan 10 km/h.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
Buitenspiegels met geheugen
Als de auto is uitgerust met buitenspiegels met
geheugen, werkt het geheugen synchroon met
dat van de bestuurdersstoel, pagina 66.
Instelling buitenspiegels opslaan
in afstandbediening
Wanneer u de auto met één van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening
opgeslagen. De volgende keer dat u de auto
ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen twee minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
Buitenspiegels
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient vindt u voor op de armleuning
van het bestuurdersportier.
• Druk de schakelaar L of R in (L = linker
buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel).
De LED in de schakelaar brandt.
• U stelt de stand van de buitenspiegels bij
met het centrale hendeltje. Druk
vervolgens eenmaal op de schakelaar. De
LED mag niet langer branden.
Gebruik geen krabber met een stalen blad om de
spiegels van ijs te ontdoen. Er kunnen daarbij
krassen ontstaan!
47
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
(OHNWULVFKEHGLHQGVFKXLIGDN (extra)
3
1
4
2
5
6
Openingsstanden
De bedieningsknoppen voor het schuifdak
zitten op het plafond. U kunt het schuifdak op
twee manieren bedienen:
• achterkant omhoog/omlaag (ventilatiestand)
• achteruit/vooruit (openingsstand/comfortstand*)
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
Ventilatiestand
2SHQHQ: Duw de achterkant van de schakelaar
(5) omhoog.
6OXLWHQ: Trek de achterkant van de schakelaar
(6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de YHQWLODWLHVWDQG
rechtstreeks in de c RPIRUWVWDQGzetten: Trek
de schakelaar achteruit in de eindstand (4) en
laat de schakelaar los.
* In de comfortstand staat het schuifdak op een
kier om de rijwindgeluiden te beperken.
48
$XWRPDWLVFKVOXLWHQ
+DQGPDWLJVOXLWHQ
+DQGPDWLJRSHQHQ
$XWRPDWLVFKRSHQHQ
2SHQHQWRWLQYHQWLODWLHVWDQG
6OXLWHQYDQXLWYHQWLODWLHVWDQG
Openen/comfortstand*
$XWRPDWLVFKHEHGLHQLQJ
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het drukpunt (2) in
de voorste eindstand (1) en laat de schakelaar
vervolgens los. Het schuifdak schuift dan tot in
de FRPIRUWVWDQG open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
FRPIRUWVWDQG volledig te openen: trek de
schakelaar nogmaals achteruit in de eindstand
(4) en laat de schakelaar vervolgens los.
+DQGPDWLJHEHGLHQLQJ
2SHQHQ Trek de schakelaar achteruit naar het
drukpunt (3). Het schuifdak schuif steeds verder
open zolang u de schakelaar in deze stand
vasthoudt.
6OXLWHQ Duw de schakelaar naar vooruit in het
drukpunt (2). Het schuifdak schuift steeds verder
dicht zolang u de schakelaar in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten, moet u
zorgen dat ze bij het sluiten van het
schuifdak niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
Zonnescherm
Beveiliging tegen overbelasting
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak.
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een bepaald voorwerp wordt
gehinderd.
Het schuifdak komt dan tot stilstand en neemt
daarna automatisch de laatst gebruikte stand
weer in.
Doe het volgende om het zonnescherm te
sluiten: Pak de handgreep beet en schuif het
scherm naar voren.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen wanneer het schuifdak op de normale
manier openstaat – niet in de ventilatiestand.
=RUJGDWXKHWVFKXLIGDNYROOHGLJKHEW
JHVORWHQYRRUGDWXGHDXWRYHUODDW
49
,QVWUXPHQWHQVFKDNHODDUVHQEHGLHQLQJ
50
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Standverwarming (extra)
52
53
54
58
61
51
.OLPDDWUHJHOLQJ
$OJHPHQHLQIRUPDWLHRYHUGHNOLPDDWUHJHOLQJ
Beslagen ramen
Auto’s met ECC
Een probaat middel om het beslaan van de
voorruit en/of andere ruiten tegen te gaan is
poetsen. Gebruik een normaal poetsmiddel voor
glaswerk. Let erop dat u vaker moet poetsen, als
er in de auto gerookt wordt.
Werkelijke temperatuur, ECC
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en rond de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de motorkap
en de voorruit).
Interieurfilter
Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden
vervangt. Informeer bij uw Volvo-werkplaats.
Storingen opsporen
Uw Volvo-werkplaats beschikt over de juiste
uitrusting en instrumenten voor het opsporen
van storingen en het uitvoeren van reparaties
aan de klimaatregeling. Laat controle- en
reparatiewerkzaamheden alleen over aan
gekwalificeerd personeel.
Milieuzorg
Het AC-systeem bevat het koudemiddel R134a.
Het bevat geen chloor, hetgeen inhoudt dat het
koudemiddel volledig onschadelijk is voor de
ozonlaag.
Voor het bijvullen/verversen van koudemiddel
mag alleen gebruik maken van R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende werkplaats.
52
Sensoren, ECC
De zonnesensor zit boven op het dashboard. Let
erop dat u deze niet mag afdekken. Dek de
interieurtemperatuursensor op het bedieningspaneel van de klimaatregeling evenmin af.
Zijramen en schuifdak
Voor een goede werking van het AC-systeem
moet u de zijramen en een eventueel schuifdak
gesloten houden. Let er tevens op dat u de
afvoerkanalen in de hoedenplank niet mag
afdekken.
Snelheid meerderen
Wanneer u volgas optrekt, wordt het ACsysteem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie/Droogblazen
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van het AC-systeem een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal. Zo nodig slaat de ventilator
50 minuten nadat u het contact in stand 0 hebt
gezet, nog eens aan om de klimaatregeling tot
maximaal zeven minuten lang droog te blazen.
De ventilator wordt vervolgens automatisch
uitgeschakeld.
Brandstofbesparing, elektronische
klimaatregeling (ECC)
Bij gebruik van ECC wordt ook het ACsysteem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden ontdaan.
Zo wordt meer brandstof bespaard dan bij
gebruik van conventionele systemen, waarbij
het AC-systeem tot net boven het vriespunt de
lucht voortdurend afkoelt.
.OLPDDWUHJHOLQJ
/XFKWYHUGHOLQJ
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
A: Open.
B: Dicht.
C: Luchtstroom naar links of rechts.
D: Luchtstroom omhoog of omlaag.
• Richt de buitenste blaasmonden op de
zijramen om ze te ontwasemen.
• Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden
en de ruiten optimaal te ontwasemen.
Blaasmonden in portierstijlen
(standaard op auto’s met ECC extra op bepaalden markten)
A: Open.
B: Dicht.
C: Luchtstroom naar links of rechts.
D: Luchtstroom omhoog of omlaag.
• Richt de blaasmonden op de achterste
zijramen om ze te ontwasemen.
• Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
53
.OLPDDWUHJHOLQJ
(OHNWURQLVFKHNOLPDDWUHJHOLQJ(&&
Recirculatie/Combifilter
met “Air Quality Sensor”
Recirculatie
AUTO
Interieurtemperatuursensor
Ontdooier voorruit en
zijramen
Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
AC aan/uit
Stoelverwarming
rechterzijde
Ventilator
Stoelverwarming
linkerzijde
Temperatuur
linkerzijde
* De schemersensor stemt de verlichting van de
instrumenten automatisch af op de lichtinval.
54
Luchtverdeling
Schemersensor*
Temperatuur
rechterzijde
.OLPDDWUHJHOLQJ
AUTO
Bij activering van de
AUTO-functie wordt u
de klimaatregeling
automatisch zodanig
ingesteld dat de gekozen
temperatuur wordt bereikt. De automatische
functie regelt de verwarming, het AC-systeem,
de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling. Ook als u één of meer van de
genoemde functies handmatig instelt, worden
de resterende functies nog
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
AUTO-functie activeert.
Elektrisch
verwarmde
achterruit en
buitenspiegels
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen
van condens of ijs, zie pagina 39 voor meer
informatie over deze functie.
Temperatuur
Met de twee draaiknoppen kunt u de
temperatuur aan de
bestuurderszijde en de
passagierszijde
instellen. Let erop dat de
passagiersruimte niet sneller warm of koud
wordt, wanneer u een hogere of lagere temperatuur kiest dan de gewenste temperatuur.
Ventilator
U kunt de snelheid
waarmee de ventilator
draait verhogen of
verlagen door aan de
knop te draaien. In de
stand AUTO wordt de ventilatorsnelheid
automatisch geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
1%Als u de knop voor de ventilatorsnelheid
zo ver linksom draait dat alleen de oranje LED
links boven de knop oplicht, zijn de ventilator
en het AC-systeem uitgeschakeld.
Ontdooier,
voorruit en
zijramen
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijramen
snel ontwasemen en
ontdooien. De ventilator draait dan op hoge
snelheid en stuurt lucht naar de zijramen. De
LED in de ontdooierknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld. Het AC-systeem wordt
automatisch zodanig ingesteld, dat de binnenkomende lucht zoveel mogelijk van vocht
ontdaan wordt. De lucht wordt niet gerecirculeerd.
55
.OLPDDWUHJHOLQJ
(OHNWURQLVFKHNOLPDDWUHJHOLQJ(&&(vervolg)
Luchtverdeling
Lucht naar de ramen.
Lucht naar hoofd en
borstkas.
Lucht naar benen en
voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
AC, ON/OFF
Wanneer de LED bij ON
brandt, wordt het ACsysteem automatisch
geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan.
Wanneer u gekozen hebt voor AC OFF en de
LED bij OFF brandt, blijft het AC-systeem
uitgeschakeld totdat u het weer handmatig
inschakelt. De overige functies van de klimaatregeling worden nog steeds automatisch
geregeld. Het AC-systeem werkt tot temperaturen tot ongeveer 0°C.
Wanneer u de ontdooierfunctie
selecteert, zorgt het AC-systeem dat de lucht
maximaal ontvochtigd wordt.
Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
56
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
• Eenmaal indrukken: Maximale
verwarming – beide LED’s in de
schakelaar(s) gaan branden.
• Nogmaals indrukken: Minimale
verwarming – één van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
• Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
uw Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Recirculatie
De recirculatie kan
handmatig worden
ingeschakeld, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in het
passagierscompartiment
wordt dan gerecirculeerd,
d.w.z. er wordt geen lucht
van buiten de auto aangezogen, wanneer de
functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de WLPHUIXQFWLH(op modellen met een
combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt
de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
• Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De LED knippert gedurende
5 seconden. De lucht in de auto wordt
gedurende 3 tot 12 minuten gerecirculeerd,
afhankelijk van de buitentemperatuur.
• Telkens wanneer u op
drukt,
wordt de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
• Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Wanneer u de ontdooierfunctie
de recirculatie altijd uitgeschakeld.
kiest, is
.OLPDDWUHJHOLQJ
Combifilter met
“Air Quality
Sensor” (extra)
Bepaalde auto’s zijn
uitgerust met een
zogeheten combifilter
met “Air Quality Sensor”. Het combifilter
ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en
stofdeeltjes en beperkt zo eventuele hinderlijke
geuren en verontreinigingen. De “Air Quality
Sensor” meet de concentratie van de verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor
een verhoogde concentratie registreert, wordt
de luchtinlaat afgesloten en recirculeert de lucht
in het passagierscompartiment. De lucht in het
passagierscompartiment wordt ook tijdens de
recirculatie door het combifilter gereinigd.
Wanneer de “Air Quality Sensor” actief is,
brandt de groene LED AUT in de knop
.
Bediening
Druk op
om de “Air Quality Sensor”
te activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
drukken.
te
1. De LED AUT brandt om aan te geven dat
de “Air Quality Sensor” actief is.
2. Geen van de LED’s brandt om aan te geven
dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is
om voor verkoeling te zorgen bij warm
weer).
3. De LED MAN brandt om aan te geven dat
de recirculatiefunctie opnieuw
ingeschakeld is.
Let erop dat:
• U de “Air Quality Sensor” altijd hebt
ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ramen beslaan.
• U de “Air Quality Sensor” uitschakelt,
wanneer de ramen beslaan.
• Wanneer de ramen beslaan, u beter ook
de ontdooiers van de voorruit, de
zijramen en de achterruit kunt inschakelen. Zie pagina 55.
• Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval voor het combifilter. In zeer
sterk verontreinigde gebieden kan het zijn
dat u het combifilter vaker moet
vervangen.
57
.OLPDDWUHJHOLQJ
+DQGPDWLJHNOLPDDWUHJHOLQJPHWDLUFRQGLWLRQLQJ$&
• Als u het AC-systeem wilt inschakelen,
moet u aan de ventilatorknap draaien
(uit stand 0).
• Gebruik het AC-systeem ook bij lage
temperaturen (0–15°C) om de inkomende
lucht van vocht te ontdoen.
5HFLUFXODWLH
/XFKWYHUGHOLQJ
(OHNWULVFKYHUZDUPGH
DFKWHUUXLWHQEXLWHQVSLHJHOV
$&DDQXLW
9HQWLODWRU
58
7HPSHUDWXXUOLQNHU]LMGH
7HPSHUDWXXUUHFKWHU]LMGH
6WRHOYHUZDUPLQJ
.OLPDDWUHJHOLQJ
AC, ON/OFF
De koel- en ontwasemingsfunctie van de
airconditioning is actief,
wanneer de LED (ON)
brandt. De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer de LED
(OFF) brandt.
Temperatuur,
links/rechts
Draai aan de knop om de
temperatuur van de
binnenkomende lucht te
regelen. Koeling is
alleen mogelijk, wanneer de airconditioning
actief is.
Wanneer u op de ontdooierknop
drukt, is
de airconditioning ook altijd actief (voor zover
de draaiknop voor de ventilatorsnelheid niet in
stand 0 staat).
Ventilator
U kunt de snelheid
waarmee de ventilator
draait verhogen of
verlagen door aan de
knop te draaien. Als de
draaiknop in stand 0
staat, is de airconditioning niet ingeschakeld.
Elektrisch
verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
• Eenmaal indrukken: Maximale
verwarming – beide LED’s in de
schakelaar(s) gaan branden.
• Nogmaals indrukken: Minimale
verwarming – één van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
• Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
uw Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Elektrisch
verwarmde
achterruit en
buitenspiegels
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen
van condens of ijs, zie pagina 39 voor meer
informatie over deze functie.
59
.OLPDDWUHJHOLQJ
+DQGPDWLJHNOLPDDWUHJHOLQJPHWDLUFRQGLWLRQLQJ$&(vervolg)
Recirculatie
U kunt de recirculatie
inschakelen, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in het
passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van buiten de
auto aangezogen, wanneer de functie actief is.
Bij gebruik van de recirculatie (in combinatie
met het AC-systeem) wordt de lucht in de
passagiersruimte bij warm weer sneller
afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de
timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem en
een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
• Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De LED knippert gedurende
5 seconden. De lucht in de auto wordt
gedurende 3 tot 12 minuten gerecirculeerd,
afhankelijk van de buitentemperatuur.
• Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
60
• Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Wanneer u de ontdooierfunctie
de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Luchtverdeling
Lucht via de
blaasmonden
voor- en achterin.
Toepassing
Voor een goede
koeling bij warm
weer.
Lucht naar de
ramen.
In deze stand
vindt er geen luchtrecirculatie plaats. Het ACsysteem is altijd
ingeschakeld. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Lucht naar de
vloer en de
ramen. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Voor het verwijderen van ijs en
wasem. Laat de
ventilator op hoge
snelheid draaien.
kiest, is
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort
kunt u de met stippen
gemarkeerde luchtverdelingsstanden tussen de
verschillende symbolen
gebruiken om de luchtverdeling precies af te stellen.
Voor een comfortabel klimaat en een
goede ontwaseming
bij koude weer.
Laat de ventilator
niet te langzaam
draaien.
Voor verwarming
van de voeten.
Lucht naar de
vloer. Er komt
een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden en uit de
ontdooieropeningen voor
de voorruit en de
zijramen.
Lucht naar de
Bij zonnig weer en
vloer en de blaas- matige buitentemmonden.
peraturen.
.OLPDDWUHJHOLQJ
6WDQGYHUZDUPLQJ(extra)
Korte druk op de knop RESET (C) weergave van uren en minuten
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden
voor de standverwarming instellen: TIMER 1
en TIMER 2.
Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip
verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is. De elektronica van de auto rekent aan
de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de standverwarming moet worden
ingeschakeld om de ingestelde uitschakeltijd te
kunnen halen. Bij een buitentemperatuur hoger
dan 25°C vindt geen activering van de standverwarming plaats.
Bij temperaturen van –7°C en lager is de
maximale bedrijfstijd van de standverwarming
60 minuten.
Wanneer de standverwarming meerdere malen
achtereen niet kon worden ingeschakeld,
verschijnt er een storingsmelding op het
display. Neem in dat geval contact op met een
Volvo-werkplaats.
Lange druk op de knop RESET
activering van de timer (AAN)
Lange druk op de knop RESET
uitschakelen van de timer (UIT)
Het lampje AAN brandt continu
de timer is geactiveerd
Het lampje AAN knippert
de standverwarming is geactiveerd
In de buitenlucht
Let erop dat de auto bij het gebruik van de
standverwarming op benzine of dieselolie in de
buitenlucht moet staan.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Standverwarming meteen
inschakelen
• Ga met de draairing (B) naar "Immediate
Start" (onmiddellijke inschakeling).
• Druk op de knop RESET (C) om één van
de opties AAN of UIT te selecteren. Kies
voor AAN.
De standverwarming zal 60 minuten lang
blijven werken. De verwarming van het
interieur van de auto gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor een temperatuur van
20°C heeft bereikt.
Handmatig geactiveerde verwarming
uitschakelen
• Ga met de draairing (B) naar
"IMMEDIATE START" (onmiddellijke
inschakeling).
• Druk op de knop RESET (C) om één van
de opties AAN of UIT te selecteren.
• Kies voor UIT.
61
.OLPDDWUHJHOLQJ
6WDQGYHUZDUPLQJH[WUD (vervolg)
Instellen van TIMER 1 of 2
Displaybericht
De accu en brandstof
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
1. Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
2. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
3. Ga met de draairing naar de gewenste ureninstelling.
4. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Ga met de draairing naar de gewenste
minuten-instelling.
6. Druk kort op de knop RESET (C) om de
instelling te bevestigen.
7. Druk kort op de knop RESET (C) om de
timer te activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u naar
TIMER 2 bladeren. U stelt deze timer op
dezelfde manier in als TIMER 1.
Tijdgestuurde verwarming uitschakelen
Doe het volgende om de tijdgestuurde
verwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
1. Druk op de knop READ (A).
2. Ga met de draairing (B) naar de tekst
TIMER PARK. VERW 1 (of 2). De tekst
ON (AAN) knippert.
Druk op de knop RESET (C). De tekst OFF
(UIT) brandt continu en de verwarming wordt
uitgeschakeld.
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en “Immediate Start”
(onmiddellijke inschakeling) activeert, brandt
het oranje waarschuwingssymbool op het
instrumentenpaneel. Op het display verschijnt
bovendien een verklarende tekst.
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de standverwarming uitgeschakeld.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
bericht met de status van de standverwarming.
.
62
Het klokje en het gebruik van de
timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het klokje
bijstelt, worden alle timer-instellingen om
veiligheidsredenen geannuleerd.
Er verschijnt in dat geval een bericht op het
display. U moet dit bericht met de READ-knop
(A) te bevestigen.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u evenlang met de auto rijden
als de verwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
produceren als de verwarming verbruikt.
Interieur
Voorstoelen
Interieurverlichting
Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment
Achterbank en bagageruimte
Reservewiel en gereedschap
Gevarendriehoek (bepaalde landen)
64
68
70
75
77
78
63
,QWHULHXU
9RRUVWRHOHQ
Afstelling in de hoogte
De voorzijde van het zitgedeelte van de beide
voorstoelen kunt u in zeven verschillende
standen zetten, de achterzijde in negen.
Voorste hendel (A): Voorzijde zitting afstellen.
Achterste hendel (B): Achterzijde zitting
afstellen.
Afstelling in de lengte
Wanneer u de beugel optilt, kunt u de stoel naar
voren of naar achteren schuiven.
/HQGHVWHXQ
Controleer of de stoel na het afstellen in de
nieuwe positie geblokkeerd staat.
+HOOLQJVKRHNYDQ
GHUXJOHXQLQJ
WAARSCHUWING
Stel de stoel in, voordat u gaat rijden.
$IVWHOOLQJLQ
GHOHQJWH
5HFKWVRP±DFKWHURYHU
/LQNVRP±YRRURYHU
(OHNWULVFKEHGLHQLQJVFHQWUXP
64
,QWHULHXU
Rugleuning voorstoel naar
voren klappen
U kunt de rugleuning van de passagiersstoel
horizontaal vooroverklappen om lange
voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de
rugleuning als volgt naar voren:
• Schuif de stoel zo ver mogelijk naar
achteren.
• Zet de rugleuning rechtop.
• Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog.
• Klap tegelijkertijd de rugleuning naar
voren.
65
,QWHULHXU
9RRUVWRHOHQ(vervolg)
Elektrisch bediende voorstoel
(extra)
Voorbereidingen
3DVVDJLHUVVWRHO U kunt de stoel alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of II
staat.
%HVWXXUGHUVVWRHO U kunt de stoel alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of II
staat. U kunt de bestuurdersstoel ook in de
volgende gevallen verstellen:
1. Gedurende een periode van 40 seconden,
nadat u de contactsleutel in stand 0 hebt
gedraaid of uit het contactslot hebt genomen.
2. Gedurende een periode van ca. 10 minuten,
nadat u het bestuurdersportier met de sleutel
of de afstandsbediening hebt ontgrendeld en
geopend, ]RODQJKHWSRUWLHURSHQVWDDW Na
het sluiten van het portier hebt u slechts
40 seconden om de instellingen te wijzigen.
U mag de contactsleutel daarbij in stand hebben staan of nog niet in het contactslot
hebben gestoken.
Stoelinstelling in afstandsbediening
opslaan
Wanneer u de auto met één van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
bestuurdersstoel wijzigt, wordt de nieuwe stand
van de stoel in het geheugen van de afstandsbediening opgeslagen. Een volgende keer dat u de
auto met dezelfde afstandsbediening
ontgrendelt en het bestuurdersportier binnen
twee minuten opent, neemt de bestuurdersstoel
de stand in die in het geheugen opgeslagen ligt.
66
Stoel afstellen
Als uw Volvo is uitgerust met elektrisch
bediende voorstoelen, kunt u met behulp van de
twee schakelaars op de zijkant van de
voorstoelen het volgende afstellen:
A: Hoogte van voorzijde zitting.
B: Beenruimte (stoel vooruit – achteruit)
C: Hoogte van achterzijde zitting.
D: Hellingshoek van rugleuning.
1%De elektrisch bediende voorstoelen zijn
voorzien van een beveiliging tegen overbelasting, die geactiveerd wordt als één van de
stoelen door een obstakel wordt geblokkeerd.
Als dit het geval is, moet u het contact uitschakelen (contactsleutel in stand 0) en 20 seconden
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te
verstellen.
Stoel met geheugen (extra)
U kunt drie verschillende standen in het
geheugen opslaan. Na afstelling van de stoel en
de buitenspiegels moet u de knop MEM
ingedrukt houden, terwijl u op knop 1 drukt.
Met de knoppen 2 en 3 kunt u nog twee anderen
standen van de stoel en de spiegels in het
geheugen opslaan.
Stoel in opgeslagen stand zetten
Houd één van de knoppen 1, 2 of 3 ingedrukt,
totdat de stoel niet verder beweegt.
$OVXGHJHKHXJHQNQRSYRRUWLMGLJORVODDW]DO
GHDIVWHOOLQJYDQGHVWRHORPYHLOLJKHLGVUH
GHQHQRQPLGGHOOLMNZRUGHQVWRSJH]HW
,QWHULHXU
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op één van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Zorg dat er bij het afstellen geen voorwerpen
vóór of achter de stoel liggen.
Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld raakt. Vanwege het
gevaar voor beknelling mag u kinderen niet
met de schakelaars laten spelen.
67
,QWHULHXU
,QWHULHXUYHUOLFKWLQJ
De algemene verlichting gaat uit, wanneer...
• ...u de motor start;
• ...u de auto vanaf de buitenzijde
vergrendelt met de sleutel of de afstandsbediening.
De algemene verlichting gaat 10 minuten na het
afzetten van de motor automatisch uit, voor
zover u de verlichting niet eerder handmatig
hebt uitgeschakeld.
U kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende knop
te drukken.
Algemene verlichting
U schakelt de algemene verlichting in en uit,
wanneer u op de middelste knop drukt. De
algemene verlichting is voorzien van een
automatische inschakelfunctie die ervoor zorgt
dat de verlichting wordt ingeschakeld en
30 seconden blijft branden, wanneer u...
• ...de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
• ...de motor hebt afgezet en de contactsleutel in stand 0 draait.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 10 minuten lang te blijven branden,
wanneer...
• ...één van de portieren openstaat;
• ...de algemene verlichting niet eerder
wordt uitgeschakeld.
68
U kunt de automatische inschakelfunctie buiten
werking stellen door de bijbehorende knop
langer dan 3 seconden ingedrukt te houden.
Wanneer u dezelfde knop nogmaals kort
indrukt, stelt u de automatische inschakelfunctie weer in werking.
De voorgeprogrammeerde inschakeltijden van
30 seconden en 10 minuten kunt u desgewenst
laten wijzigen. Neem hiervoor contact op met
uw Volvo-werkplaats.
Leeslampjes voor en achter
U schakelt de leeslampjes voor- en achterin in
met een druk op de bijbehorende knop.
De leeslampjes gaan 10 minuten na het afzetten
van de motor automatisch uit, voor zover u ze
niet eerder handmatig hebt uitgeschakeld.
,QWHULHXU
Vloermatten (extra)
Volvo biedt vloermatten aan die speciaal voor
uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloermatten goed in de bevestigingsklemmen voor
matten aanbrengt en vastzet om te voorkomen
dat ze achter of onder de pedalen aan de
bestuurderszijde blijven haken.
Make-upspiegel
Wanneer u het deksel van de make-upspiegel
opklapt, gaat het ingebouwde lampje branden.
69
,QWHULHXU
2SEHUJPRJHOLMNKHGHQLQSDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW
2SEHUJYDN
2SEHUJYDNLQSRUWLHUSDQHHO
3DUNHHUNDDUWKRXGHU
%HNHUKRXGHU
'DVKERDUGNDVWMH
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of
zware voorwerpen in de opbergruimten liggen of er uitsteken om te
voorkomen dat ze verwondingen
kunnen veroorzaken bij een krachtige
remmanoeuvre.
Maak zware voorwerpen altijd vast
met één van de veiligheidsgordels.
2SEHUJYDNLQPLGGHQFRQVROH
%HNHUKRXGHULQDUPOHXQLQJDFKWHUEDQN
70
,QWHULHXU
Opbergvak in middenconsole
Bekerhouder (extra)
Sommige modellen zijn uitgerust met bekerhouders voor de voorpassagiers.
%HNHUKRXGHU
$VEDN
U kunt de ruimte in de middenconsole
natuurlijk ook gebruiken om cd’s e.d. in op te
bergen.
Muntvakje
U kunt het muntvakje als volgt verwijderen:
trek het recht omhoog los.
Asbak (extra)
Om de asbak te legen moet u het insteekelement
uitnemen.
0XQWYDNMH
71
,QWHULHXU
2SEHUJPRJHOLMNKHGHQLQSDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW(vervolg)
Bekerhouder in het dashboard
(extra)
• Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
• Stel de houder af op de grootte van de
beker door de grijparmen van de houder
naar binnen te duwen.
• Duw de houder na gebruik weer in het
dashboard.
1%Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens
op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren.
72
Penhouder
Dashboardkastje
Op het dashboard vindt u een penhouder.
In het dashboardkastje kunt u bijv. het instructieboekje, wegenkaarten, pennen en tankpassen
bewaren.
,QWHULHXU
Kledinghaak
Gebruik de kledinghaak voor niet al te zware
kledingsstukken.
Bekerhouder in armleuning,
achterbank
73
,QWHULHXU
2SEHUJPRJHOLMNKHGHQLQSDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW(vervolg)
Afvalbak/flessenhouder achterin
(extra)
U kunt de afvalzak van de afvalbak als volgt
vervangen:
1. Klap de houder uit.
2. Duw met beide handen het onderste
gedeelte van de houder af.
3. Vouw de randen van de nieuwe afvalzak
om het onderste gedeelte heen en druk het
onderste gedeelte weer in het bovenste
gedeelte vast.
4. De afvalzak is daarmee klaar voor gebruik.
1%Er bestaan geen speciale afvalzakken voor
de houder. U kunt gebruik maken van gewone
plastic zakken.
74
U kunt de afvalbak tevens gebruiken als houder
voor grote flessen.
1%Om veiligheidsredenen kunt u beter geen
glazen flessen in de auto bewaren!
,QWHULHXU
$FKWHUEDQNHQEDJDJHUXLPWH
'HKRRJWHYDQGHKRRIGVWHXQLQVWHOOHQ
Hoofdsteunen, achterbank
De middelste hoofdsteun van de achterbank
kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van de
passagier. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog
als nodig is. Als u de hoofdsteun lager wilt
zetten, moet u tegelijkertijd de pal achter de
rechter poot indrukken. Zie de figuur!
Ruggedeelte achterbank
neerklappen
U kunt de beide ruggedeelten van de achterbank
tegelijk of elk apart vooroverklappen. Dit maakt
het vervoer van lange bagage eenvoudiger.
Ga als volgt te werk om de ruggedeelten van de
achterbank voorover te klappen:
• Zorg dat de hoofdsteunen rechtop staan.
• Trek aan de handgrepen in de bagageruimte zoals aangegeven in de figuur.
• Klap de ruggedeelten voorover.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage
namelijk gaan schuiven en inzittenden
verwonden. Dek scherpe randen met iets
zachts af. Zet de motor af en trek de
handrem aan bij het in- en uitladen van lange
voorwerpen! Lange voorwerpen kunnen
namelijk tegen de versnellingspook of
keuzehendel aan komen en zo per ongeluk
een versnelling inschakelen, waarna de auto
kan gaan rollen.
75
,QWHULHXU
$FKWHUEDQNHQEDJDJHUXLPWH(vervolg)
Doorsteekluik
In het rechter ruggedeelte van de achterbank zit
een luik, dat u kunt openen voor het vervoer van
lange bagage zoals ski’s of latten. U opent het
luik als volgt:
• Klap het rechter ruggedeelte voorover.
Zie pagina 75.
• Duw de grendel van het luik omhoog en
klap het luik naar voren toe open.
• Klap het ruggedeelte met het geopende
luik voorover.
• Maak gebruik van de veiligheidsgordel
om de lading vast te zetten.
76
Houder voor
boodschappentassen (extra)
Open het luik in de bagageruimte. Hang of bind
de boodschappentassen vast met bagagebanden
of houders.
,QWHULHXU
5HVHUYHZLHOHQJHUHHGVFKDS
.ULN
*HUHHGVFKDSVWDVPHWVOHHSRRJ
%HYHVWLJLQJ
• Breng het reservewiel weer aan, schroef
de bevestiging vast en breng alle verwijderde onderdelen in omgekeerde
volgorde weer aan. Zorg dat het reservewiel goed vastzit en dat de krik en de
gereedschapstas stevig vastzitten met de
banden van bij de bevestiging.
5HVHUYHZLHO
Reservewiel, gereedschap en
krik
Het reservewiel met de krik en de gereedschapstas vindt u onder de bodem van de
bagageruimte. Ga als volgt te werk om het
reservewiel te verwijderen:
• Pak de vloermat aan de achterzijde beet
en klap de mat naar voren toe op.
• Haal de krik en de gereedschapstas naar
buiten.
• Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de bagageruimte.
Doe het volgende als uw auto is
uitgerust met een houder voor
boodschappentassen:
• Verdraai de twee klemmen aan de achterzijde van de vloermat 90°.
• Klap de voorzijde van de vloermat naar
achteren toe op, in de richting van de
opening voor het kofferdeksel.
• Til de mat iets op en verdraai deze 90°
zodat u deze kunt verwijderen.
• Til de vloermat uit de bagageruimte.
• Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de bagageruimte.
77
,QWHULHXU
*HYDUHQGULHKRHN(bepaalde landen)
Doe het volgende na gebruik:
• Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
• Zorg dat de houder met de gevarendriehoek stevig op het kofferdeksel
vastzit.
Gevarendriehoek
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
• Draai de beide bevestigingsschroeven in
de verticale stand.
• Haal voorzichtig de houder met de
gevarendriehoek erin los.
• Neem de gevarendriehoek uit de houder
(A).
• Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
• Klap de beide rode zijden van de
driehoek uit. Plaats de gevarendriehoek
op een geschikt punt, rekening houdend
met de verkeerssituatie.
78
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Vergrendelen en ontgrendelen
Kinderslot
Alarm (extra)
80
82
85
87
79
6ORWHQHQDODUP
6OHXWHOVHQDIVWDQGVEHGLHQLQJ
Sleutels, immobilizer
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd. Eén hoofdsleutel is
inklapbaar en voorzien van een ingebouwde
afstandsbediening.
Hoofdsleutel
De hoofdsleutel past op alle sloten.
Verlies van een sleutel
Als u één van de sleutels verliest, moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels van de
auto meenemen. Ter voorkoming van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten
de codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
Bij de sleutels werd een etiket met de codes van
het mechanische deel van de sleutels geleverd.
Bewaar het etiket zorgvuldig. Neem het etiket
mee naar de Volvo-dealer, als u nieuwe sleutels
wilt bestellen. Er kunnen maximaal zes sleutels/
afstandsbedieningen worden geprogrammeerd
en gebruikt.
Servicesleutel*
De servicesleutel past alleen op het
bestuurdersportier en op het contactslot/
stuurslot.
* Alleen op bepaalde markten.
80
Immobilizer
De sleutels zijn voorzien van een gecodeerde
chip. De code in de transponderchips moet
overeenkomen met die van de ontvanger in het
contactslot. U kunt de auto alleen starten,
wanneer u een sleutel met de juiste code
gebruikt.
6
1
2
5
4
3
2QWJUHQGHOHQ
.RIIHUGHNVHORSHQHQ
3DQLHNIXQFWLH
³$SSURDFK´YHUOLFKWLQJ
9HUJUHQGHOHQ
6OHXWHOLQXLWNODSSHQ
Functies afstandsbediening
1. Ontgrendelen
Met knop (1) ontgrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
2. Kofferdeksel
Wanneer u knop (2) eenmaal indrukt,
ontgrendelt u alleen het kofferdeksel.
6ORWHQHQDODUP
3. Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode knop (3) minstens 3
seconden lang indrukt of binnen deze tijd
tweemaal achtereen indrukt, worden de richtingaanwijzers en de claxon geactiveerd. Als u
niets doet, wordt de paniekfunctie na 25
seconden automatisch uitgeschakeld.
4. “Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto
toeloopt:
• Druk op de gele knop (4) van uw
afstandsbediening.
De interieurverlichting, de breedtelichten/
parkeerlichten, de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van de buitenspiegels (extra) lichten vervolgens op. De
lampen blijven 30, 60 of 90 seconden lang
branden.In een Volvo-werkplaats kunt u een
passende tijd laten instellen.
Doe het volgende om de “Approach”verlichting uit te schakelen:
• Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
6. Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
5. Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van
ca. 10 minuten.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende
servicebeurt vervangen.
• Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de
achterkant voorzichtig open te wrikken.
• Vervang de batterij (type CR 2032, 3 volt)
en zorg dat de pluspool omhoogwijst.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
• Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendingen.
Geef de lege batterij af bij uw Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
81
6ORWHQHQDODUP
9HUJUHQGHOHQHQRQWJUHQGHOHQ
Auto van de buitenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Met de hoofdsleutel of de bijbehorende
afstandsbediening kunt u alle portieren en het
kofferdeksel van de buitenzijde vergrendelen
en ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en
de openingshendels zijn dan niet meer van de
binnenzijde te bedienen.
Automatische vergrendeling
Als u geen van de portieren noch het
kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de afstandsbediening opent, worden alle sloten automatisch
weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u
de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan.
Voor auto’s met alarm, zie pagina 88.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft tien minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
82
Auto van de binnenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Met de schakelaar op het portierpaneel kunt u
alle portieren en het kofferdeksel tegelijkertijd
vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt alle portieren ook vergrendelen en
ontgrendelen met de vergrendelingsknoppen.
Het bovenstaande geldt, zolang u de auto niet
van de buitenzijde hebt vergrendeld!
6ORWHQHQDODUP
Kofferdeksel met
afstandsbediening openen/
vergrendelen
Ga als volgt te werk om het kofferdeksel alleen
te ontgrendelen:
• Druk tweemaal langzaam op de knop
voor het kofferdeksel op de afstandsbediening. Het kofferdeksel wordt dan
geopend.
Als alle portieren zijn vergrendeld wanneer u
het kofferdeksel weer sluit, wordt ook het
kofferdeksel automatisch vergrendeld.
Kofferdeksel handmatig
ontgrendelen met hoofdsleutel
Kofferdeksel vergrendelen*
(bepaalde landen)
In noodgevallen (als de afstandsbediening
defect is of als de stroom is weggevallen) kunt
u de hoofdsleutel gebruiken om het
kofferdeksel handmatig te ontgrendelen. U doet
dat als volgt:
Druk op de aangegeven knop om het
kofferdeksel te vergrendelen. Het kofferdeksel
blijft daarna vergrendeld, ook al ontgrendelt u
de portieren met één van de sleutels of de
afstandsbediening.
• Steek de hoofdsleutel boven of onder in
het kapje dat het slot afdekt.
• Wip het kapje vervolgens naar boven of
beneden toe los.
• Ontgrendel het kofferdeksel met de
sleutel.
• Draai de hoofdsleutel in stand II.
• Druk op de knop. De LED in de knop
licht op om aan te geven dat de functie
geactiveerd is. Er verschijnt tevens een
tekst op het display.
• Draai de sleutel in stand II en druk
nogmaals op de knop om de functie te
deactiveren.
* Alleen mogelijk met de hoofdsleutel
83
6ORWHQHQDODUP
9HUJUHQGHOHQHQRQWJUHQGHOHQ(vervolg)
Dashboardkastje vergrendelen
Safelock-functie
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/openen met de hoofdsleutel en dus niet
met de servicesleutel.
Bij activering van de zogeheten safelock-functie
zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te
openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening
te vergrendelen. Alle portieren moeten zijn
gesloten, voordat u de safelock-functie kunt
activeren. De portieren kunnen daarna niet meer
van de binnenzijde worden geopend. De auto
kan alleen van de buitenzijde worden geopend
met de sleutel in het bestuurdersportier of via de
afstandsbediening.
De safelock-functie treedt 25 seconden na
vergrendeling van de portieren in werking.
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht met een
veerverbinding), kunt u de safelock-functie
tijdelijk deactiveren. U doet dat als volgt:
• Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze in stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
• Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook de
bewegings- en niveausensoren buiten werking,
zie pagina 88.
84
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een bericht
op het display zolang de sleutel in het
contactslot steekt. De volgende keer dat u het
contact inschakelt, worden de sensoren weer
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het moment
dat de safelock-functie geactiveerd is.
6ORWHQHQDODUP
.LQGHUVORW
WAARSCHUWING
Geef aan de achterpassagiers door dat ze de
portieren niet van de binnenzijde kunnen
openen, als u het kinderslot hebt geactiveerd.
+RXGGHYHUJUHQGHOLQJVNQRSSHQYDQGH
SRUWLHUHQWLMGHQVKHWULMGHQRPKRRJ!
Bij ongelukken kunnen hulpverleners de
portieren dan van de buitenzijde openen.
%HGLHQLQJVFLOLQGHUNLQGHUVORWOLQNHUDFKWHU
SRUWLHU
%HGLHQLQJVFLOLQGHUNLQGHUVORWUHFKWHUDFKWHU
SRUWLHU
Handmatig kinderslot,
achterportieren
De bedieningscilinders van de kindersloten
vindt u achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer
de portieren openstaan. Gebruik de contactsleutel van de auto om de bedieningscilinder te
verdraaien en zo de kindersloten in of uit te
schakelen.
A: De portieren kunnen niet van de binnenzijde
worden geopend (naar buiten toe draaien).
B: De portieren kunnen wel van de binnenzijde
worden geopend (naar binnen toe draaien).
85
6ORWHQHQDODUP
.LQGHUVORW(vervolg)
Wanneer u het elektrische kinderslot DFWLYHHUW,
worden tegelijkertijd de instellingen van het
handmatige kinderslot tenietgedaan.
Elektrisch kinderslot,
achterportieren (extra)
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen. Het contactslot moet daarbij in stand
I of II staan. De LED in de knop brandt om aan
te geven dat het kindersloten is ingeschakeld. Er
verschijnt tevens een melding op het display,
wanneer u het kinderslot in- of uitschakelt.
1%Zolang het HOHNWULVFKHNLQGHUVORW
ingeschakeld is, kunnen de achterportieren niet
vanaf de binnenzijde worden geopend.
86
6ORWHQHQDODUP
$ODUP(extra)
Alarmsysteem
Uitschakelen van het alarm
Geluidssignalen, alarm
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle
beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Het alarm gaat af, als:
Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld. In
bepaalde landen kunt u het alarm ook met de
sleutel uitschakelen.
Een sirene met reservebatterij geeft de geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen
duren telkens 25 seconden.
•
•
•
•
•
•
•
•
de motorkap wordt geopend;
het kofferdeksel wordt geopend;
één van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
er een beweging in het passagierscompartiment wordt waargenomen (op auto’s
met een bewegingsmelder (extra op
bepaalde markten));
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (extra op
bepaalde markten));
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert uit te
schakelen.
Inschakelen van het alarm
Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging
dat het alarm is ingeschakeld en dat alle
portieren zijn gesloten. In bepaalde landen kunt
u het alarm inschakelen met de sleutel of met de
knop op het bestuurdersportier.
Automatische inschakeling van
het alarm
Als u de portieren of het kofferdeksel niet
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer u de auto via de afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt het alarm
automatisch weer ingeschakeld. De auto wordt
bovendien vergrendeld. Deze functie voorkomt
dat u de auto onbedoeld kunt achterlaten zonder
het alarm in te schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch weer ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar
daarna niet werd vergrendeld.
Lichtsignalen, alarm
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter
wanneer u het alarm volgens de bovenstaande
aanwijzingen eerder uitschakelt.
1%Als uw afstandsbediening niet werkt of
zoek is, kunt u de auto toch starten en wel op de
volgende manier. Open het bestuurdersportier
met de sleutel. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt. Start de motor op de gebruikelijke
manier. Het alarm wordt vervolgens gedeactiveerd.
Uitschakelen van geactiveerd
alarm
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
87
6ORWHQHQDODUP
$ODUPH[WUD(vervolg)
keer dat u het contact inschakelt, worden de
sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten
safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd, zie pagina 84.
Controlelampje op dashboard
(bepaalde landen)
Een controlelampje (LED) boven op het
dashboard geeft de status van het alarmsysteem
aan:
Alarmsensoren en safelockfunctie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer
u bijv. een hond in de auto achterlaat of gebruik
maakt van een veerboot, kunt u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
• Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze in stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
• Druk op de knop.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een bericht op het display zolang
de sleutel in het contactslot steekt. De volgende
88
• Het lampje brandt niet: Het alarm is
uitgeschakeld.
• Het lampje licht éénmaal per seconde op:
Het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het
moment van uitschakelen van het alarm
tot het moment van inschakelen van het
contact: Het alarm is afgegaan.
Als er een storing is opgetreden in het alarmsysteem, verschijnt er een displaybericht.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats laten
nakijken.
WAARSCHUWING
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
6ORWHQHQDODUP
Alarmsysteem testen
Test van de bewegingsmelder
1. Open alle portierruiten.
2. Activeer het alarm. De LED knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm op
scherp staat.
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder in het passagierscompartiment door bijv. een tas van de
stoelzitting te nemen. Het alarmsysteem
moet dan geluids- en knippersignalen
afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van de motorkap
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
2. Activeer het alarm (blijf in de auto zitten
en vergrendel de portieren met de knop op
de afstandsbediening).
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van de portieren
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel de auto met de sleutel in het
bestuurdersportier.
4. Open één van de portieren. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
5. Herhaal deze test voor het andere
voorportier.
6. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van het kofferdeksel
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel het kofferdeksel met behulp
van de sleutel in het bestuurdersportier.
4. Open het kofferdeksel. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats laten
nakijken.
89
6ORWHQHQDODUP
90
Starten en rijden
Tanken
92
Motor starten
93
Algemene informatie
94
Handgeschakelde versnellingsbak
96
Automatische versnellingsbak (extra)
97
Geartronic (extra)
99
Vierwielaandrijving (extra)
101
Remsysteem
102
Stabiliteitssysteem (extra*)
104
Slepen
108
Starten met hulpaccu
109
Rijden met een aanhanger
110
Trekhaak
112
Lading op het dak
116
91
Starten en rijden
Tanken
Tankvuldop
Benzine tanken
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in
het spatscherm rechtsachter.
1%Voeg nooit zelf reinigende additieven
(dopes) aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke advies van een Volvo-werkplaats.
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankvuldop dan langzaam
open. Tank niet te veel brandstof in de tank.
Laat het vulpistool bij voorkeur niet meer dan
éénmaal automatisch afslaan! Als de brandstoftank te vol zit, kan het zijn dat de tank bij
hoge buitentemperaturen overloopt!
Breng na het tanken de tankvuldop weer aan en
draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken
hoort.
Tankvulklep openen
BELANGRIJK!
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de katalysator beschadigd raakt.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5°C tot –40°C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat tot
startproblemen kan leiden. Zorg er daarom voor
dat u tijdens de wintermaanden speciale winterbrandstof gebruikt.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
1%De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld.
WAARSCHUWING!
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon XLW. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
92
Starten en rijden
Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
1. Trek de handrem (parkeerrem) aan.
2. $XWRPDWLVFKHYHUVQHOOLQJVEDN
Zet de keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGHYHUVQHOOLQJVEDN
Zet de versnellingspook in de vrijstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de startstand. Als
de motor niet binnen 5 tot 10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
U start de motor als volgt
(diesel)
1. Trek de handrem (parkeerrem) aan.
2. $XWRPDWLVFKHYHUVQHOOLQJVEDN
Zet de keuzehendel in stand P of N.
+DQGJHVFKDNHOGHYHUVQHOOLQJVEDN
Zet de versnellingspook in de vrijstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge kou.
3. Draai de contactsleutel in de rijstand. Een
controlesymbool op het instrumentenpaneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel in de startstand, wanneer
het controlesymbool is gedoofd.
.
1%Afhankelijk van de motortemperatuur kan
het tijdens de koude start gebeuren dat het
motortoerental van bepaalde motortypes (korte
tijd) iets hoger is dan normaal.
Dit omdat Volvo ernaar streeft de uitstoot te
beperken van stoffen die schadelijk zijn voor
het milieu door het uitlaatgasreinigingssysteem
van de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur te brengen.
Contactsleutels en elektronische startblokkering
Let er bij het starten op dat er geen andere
contactsleutels met transponderchip aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als dat wel het
geval is, kan de elektronische startblokkering
worden geactiveerd. Wanneer dat gebeurt, moet
u de andere sleutels van de sleutelbos halen en
de motor opnieuw starten.
/DDWGHPRWRUPHWHHQQDHHQNRXGHVWDUW
QRRLWRSWHKRJHWRHUHQGUDDLHQ1HHP
FRQWDFWRSPHWGHGLFKWVWELM]LMQGH9ROYR
ZHUNSODDWVDOVGHPRWRUQLHWDDQVODDWRI
RYHUVODDW
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot! Schakel
nooit tijdens het rijden het contact uit
(sleutel in stand 0) en neem de contactsleutel
evenmin uit het contactslot. U loopt dan het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waarbij de auto onbestuurbaar wordt.
Contact- en
stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van het
elektrisch systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrisch systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden staat.
Het complete elektrisch
systeem van de auto is
ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze automatisch terug in de
rijstand. Als het u moeite kost om de sleutel om
te draaien, kan het zijn dat de stand van de
voorwielen voor spanningen in het stuurslot
zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om,
terwijl u het stuurwiel heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer u
de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
93
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
• Laat de motor zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u
de motor niet stationair moet laten lopen,
maar zo snel mogelijk moet wegrijden en
de motor licht moet belasten.
• Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
• Laat de auto zoveel mogelijk staan voor
de kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
• Rijd rustig! Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije en droge wegen.
• Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
• Open de zijramen niet onnodig.
94
Rijd niet met een geopend
kofferdeksel!
Wanneer u met het kofferdeksel open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen. Als u echter toch een
stukje met een geopende kofferdeksel moet
rijden, kunt u het volgende doen:
• Doe alle ramen dicht.
• Stuur de lucht naar de voorruit en de
vloer en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder gecontroleerde omstandigheden (zoals op een slipbaan) te
testen hoe de auto bij gladheid reageert.
Automatische versnellingsbak,
koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, kan het zijn dat de
schakelingen stug aandoen. Dit komt omdat de
versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt.
Om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger
toerental op dan normaal. Dit om ervoor te
zorgen dat de katalysator sneller op de juiste
temperatuur komt.
Adaptieve schakelpatronen,
automatische versnellingsbak
De versnellingsbak wordt geregeld aan de hand
van zogeheten adaptieve schakelpatronen. De
regeleenheid “ leert” voortdurend hoe de
versnellingsbak zich gedraagt. De regeleenheid
registreert de wijze waarop de versnellingsbak
schakelt, zodat er in elke situatie optimaal
wordt geschakeld. De regeleenheid analyseert
ook uw rijstijl, bijv. hoe snel u het gaspedaal
intrapt, en stemt de gevoeligheid van de schakelingen af op uw specifieke rijstijl.
Starten en rijden
Veiligheidssystemen,
automatische
versnellingsbakken
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale veiligheidssystemen:
“Keylock”, sleutelblokkering
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
moet de contactsleutel minstens in stand I staan.
Om na de rit de contactsleutel te kunnen
uitnemen moet de keuzehendel in stand P staan.
“Shiftlock”, schakelblokkering
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen
terwijl de contactsleutel in stand I of II staat,
moet u op het rempedaal trappen.
:DDUXRSPRHWOHWWHQELMKHWZHJULMGHQ
YDQXLWVWLOVWDQG
Houd u voet op het rempedaal, wanneer u de
keuzehendel uit stand P haalt!
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
In speciale omstandigheden, bijv. op steile
hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het
bijzonder bij warm weer.
Doe het volgende om oververhitting
van het koelsysteem te voorkomen:
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
• Schakel van tijd tot tijd de airconditioning uit.
• Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min, wanneer u met een aanhanger
of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied
rijdt. Als u dat wel doet, kan de olietemperatuur
te hoog oplopen.
95
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen
altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van de 5de versnelling.
96
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto stilstaat!
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de neutraalstand zetten (tussen de 3de en 4de versnelling
in). Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit de stand voor de 5de versnelling
in die voor de achteruitversnelling zetten.
Schakelstanden
zesversnellingsbak
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van de hoogste versnellingen.
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak (extra)
ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de
auto stilstaat en de keuzehendel in stand 1 staat.
D, Rijstand
Stand ' is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u
de keuzehendel vanuit stand 5in stand ' zet.
4, Lageversnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1ste, 2de, 3de en 4de versnelling. Er
wordt niet opgeschakeld naar de 5de
versnelling.
Stand 4 leent zich voor...
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer
u de motor start of de auto parkeert.
=HWGHNHX]HKHQGHODOOHHQLQVWDQG3
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDW
In stand3 is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek na het parkeren altijd de
handrem aan!
R, Achteruitrijstand
=HWGHNHX]HKHQGHODOOHHQLQVWDQG5
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDW
N – Neutraalstand
Stand 1is de neutraalstand. In deze stand kunt
u de motor starten, maar er is geen versnelling
L, Lageversnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand/ als u in de 1ste
of 2de versnelling wilt rijden. Bij het rijden in
de bergen is de motorrem het krachtigst met de
keuzehendel in stand /.
Terugschakelblokkering
De versnellingsbak is voorzien van een
ingebouwde blokkering die verhindert dat de
motor te hoge toeren maakt, wanneer u de
keuzehendel in één van de lageversnellingsstanden zet.
• ...het rijden in de bergen;
• ...het rijden met een aanhanger;
• ...een verhoogde mate van afremmen op
de motor.
3, Lageversnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1ste, 2de en 3de versnelling. Er wordt
niet opgeschakeld naar de 4de versnelling.
Stand 3 leent zich voor...
• ...het rijden in de bergen;
• ...het rijden met een aanhanger;
• ...een verhoogde mate van afremmen op
de motor.
97
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak (extra) (vervolg)
W, Winterprogramma
Keuzehendelblokkering
Met de knop W schakelt u het winterprogramma in of uit.
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen 1en '. Om de
hendel in één van de overige standen te kunnen
zetten moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
U gebruikt het winterprogramma bij het
optrekken en rijden op gladde wegen. Wanneer
u het winterprogramma hebt ingeschakeld,
wordt de aandrijvingskracht van de wielen
beperkt en wordt er bij een lager motortoerental
dan normaal opgeschakeld.
Bij inschakeling van het programma licht het
symbool : op het instrumentenpaneel op.
1%U kunt het winterprogramma :niet
activeren, als u voor de handmatige schakelstand hebt gekozen. Het winterprogramma is
alleen te activeren, wanneer de keuzehendel in
stand ' staat.
98
Wanneer u de blokkeerknop op de keuzehendel
indrukt, kunt u de hendel overlangs tussen de
standen 5 en 1heen en weer halen en
overdwars tussen de standen 'en /.
“Kickdown”
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand) schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten
“kickdown”. Wanneer de maximale snelheid
voor de ingeschakelde versnelling is bereikt of
wanneer u het gaspedaal uit de “ kickdown”
loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch weer op.
Gebruik de “ kickdown” om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Starten en rijden
Geartronic (extra)
D – Rijstand
Stand ' is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u
de keuzehendel vanuit stand 5in stand ' zet.
Handmatige schakelstanden
keuzehendel
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer
u de motor start of de auto parkeert.
=HWGHNHX]HKHQGHODOOHHQLQVWDQG3
ZDQQHHUGHDXWRVWLOVWDDW
In stand 3 is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek na het parkeren altijd de
handrem aan!
R – Achteruitrijstand
Zet de keuzehendel alleen in stand 5, wanneer
de auto stilstaat!
N – Neutraalstand
Stand 1is de neutraalstand. In deze stand kunt
u de motor starten, maar er is geen versnelling
ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de
auto stilstaat en de keuzehendel in stand 1 staat.
Als u vanuit stand 'wilt overgaan op de
handmatige standen, moet u de hendel naar
links duwen. Als u vanuit stand 0$1 wilt
overgaan op ' moet u de hendel naar rechts in
stand ' duwen.
De 3de, 4de en 5de versnelling hebben een
slipvrije overbruggingsfunctie (lock-up),
waardoor er beter op de motor kan worden
afgeremd en er minder brandstof wordt verbruikt.
Tijdens het rijden
Tijdens het rijden is het altijd mogelijk voor de
handmatige schakelstanden te kiezen. De
ingeschakelde versnelling is geblokkeerd,
zolang u geen andere versnelling kiest. De
versnellingsbak schakelt alleen terug, als u uw
vaart drastisch mindert.
Als u de keuzehendel naar de min (–) haalt,
schakelt de versnellingsbak één versnelling
terug en wordt er op de motor afgeremd. Als u
de keuzehendel naar de plus (+) haalt, schakelt
de versnellingsbak één versnelling op.
De 3de versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
U kunt de kickdown niet gebruiken, zolang de
keuzehendel in de handmatige schakelstanden
staat. Zet de keuzehendel in dat geval eerst
terug in de automatische stand '.
Geartronic op R-versie (extra)
De R-versie van de S60 met een automatische
versnellingsbak is uitgerust met een S-knop bij
de keuzehendel in plaats van een W-knop.
Met de S-knop schakelt u het sportprogramma
van de versnellingsbak in of uit. Het
programma is actief, wanneer de LED in de
knop oplicht.
Het sportprogramma levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere
toeren te maken in de versnellingen. De motor
reageert bovendien sneller op de commando’s
die u met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling
van het sportprogramma wordt tevens de
voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen,
zodat er met enige vertraging wordt
opgeschakeld.
99
Starten en rijden
Geartronic (extra) (vervolg)
“Kickdown”
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand) schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten “kickdown”.
Wanneer de maximale snelheid voor de
ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer
u het gaspedaal uit de “ kickdown” loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch weer
op.
Gebruik de “kickdown” om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
W, Winterprogramma*
Keuzehendelblokkering
Met de knop : schakelt u het winterprogramma in of uit.
U gebruikt het winterprogramma bij het
optrekken en rijden op gladde wegen. Wanneer
u het winterprogramma hebt ingeschakeld,
wordt de aandrijvingskracht van de wielen
beperkt en wordt er bij een lager motortoerental
dan normaal opgeschakeld.
Bij inschakeling van het programma licht het
symbool : op het instrumentenpaneel op.
1%U kunt het winterprogramma :niet
activeren, als u voor de handmatige schakelstand hebt gekozen. Het winterprogramma is
alleen te activeren, wanneer de keuzehendel in
stand ' staat.
* Niet aanwezig op de R-versie met een S-knop
en het programma FOUR-C.
100
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen '1en de
KDQGPDWLJHVFKDNHOVWDQG Om de hendel in
één van de overige standen te kunnen zetten
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop op de keuzehendel
indrukt, kunt u de hendel overlangs heen en
weer halen tussen de standen 351en '.
1%U kunt de NLFNGRZQniet gebruiken,
zolang de keuzehendel in de handmatige
schakelstanden staat. Zet de keuzehendel in dat
geval eerst terug in de automatische stand '.
Starten en rijden
Vierwielaandrijving (extra)
AWD, “All Wheel Drive”
De vierwielaandrijving van uw Volvo is altijd
actief en voldoet aan zeer strenge eisen qua
technische standaard. Bij het juiste gebruik
ervan biedt vierwielaandrijving in vergelijking
tot conventionele voor- of achterwielaandrijving de bestuurder grotere mogelijkheden om zich uit onvoorziene situaties op
verschillende soorten ondergrond te redden.
Vierwielaandrijving houdt in dat alle vier de
wielen van de auto tegelijkertijd worden aangedreven. De kracht wordt automatisch verdeeld
over de voor- en achterwielen. Een elektronisch
geregeld koppelingssysteem verdeelt de kracht
over het wielpaar dat op dat moment de beste
grip op het wegdek heeft. Dit om een optimale
wegligging te verkrijgen en te voorkomen dat
de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Deze verbeterde vorm van aandrijving verhoogt
de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en
bij ijzel.
Sneeuwkettingen
Op auto’s met vierwielaandrijving mag u alleen
sneeuwkettingen aanbrengen op de voorwielen.
BELANGRIJK!
Let op het volgende om schade aan de
onderdelen in de wielkuip te voorkomen:
Maak uitsluitend gebruik van sneeuwkettingen die bestemd zijn voor modellen met
AWD.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
De S60 R is uitgerust met snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging.
Deze functie maakt de auto gemakkelijker te
besturen bij lage snelheden, zodat bijvoorbeeld
het parkeren minder moeite kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter gevoel
met de weg krijgt.
* Alleen op de R-versie
Bandenmaat en bandenspanning
Volvo adviseert u alleen gebruik te maken van
banden die alle vier van hetzelfde merk zijn,
dezelfde maat en aanduiding hebben en
voorzien zijn van dezelfde index voor het
draagvermogen en de snelheidslimiet. Welke
bandenspanning de juiste is, ziet u in de tabel
aan de binnenzijde van de tankvulklep.
101
Starten en rijden
Remsysteem
Als een remkring
defect raakt
Als er een storing in één van de
remkringen optreedt, kunt u de
auto nog steeds remmen. Trap in één keer hard
op het rempedaal – dus niet pompen. U moet het
rempedaal verder dan normaal intrappen. Het
pedaal voelt bovendien iets minder stug aan.
Ook moet u meer kracht uitoefenen voor
hetzelfde remmende vermogen.
'HUHPEHNUDFKWLJLQJZHUNWDOOHHQDOVGH
PRWRUORRSWAls de auto rijdt of wordt gesleept
met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer
vijfmaal zoveel druk uitoefenen op het
rempedaal als wanneer de motor loopt.
+HWUHPSHGDDOYRHOWVWXJHQVWLMIDDQ
102
9RFKWRSGHUHPVFKLMYHQHQUHPYRHULQJHQ
NDQGHHLJHQVFKDSSHQYDQGHUHPPHQ
EHwQYORHGHQ
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Het
vocht beïnvloedt de wrijvingseigenschappen
van de remvoeringen negatief, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur van
de remmen kunt merken. Trap het rempedaal
van tijd tot tijd lichtjes in, wanneer u lange
afstanden in de regen of in sneeuwmodder
aflegt. Doe dit ook voordat u de auto voor
langere tijd parkeert in dergelijke weersomstandigheden. Op die manier verwarmt u de
remvoeringen zodat het vocht verdampt. Doe
dit ook, wanneer u meteen na een wasbeurt of in
zeer vochtige of koude weersomstandigheden
wegrijdt.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden uitermate
zwaar belast, wanneer u in de Alpen of op
wegen met vergelijkbare niveauverschillen
rijdt; zelfs als u niet bijzonder hard op het
rempedaal trapt. Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de
remmen niet even goed gekoeld als bij het
rijden op egale wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten, kunt
u beter geen gebruik maken van het rempedaal,
maar in plaats daarvan terugschakelen en
tijdens het klimmen en dalen dezelfde
versnelling gebruiken (handgeschakelde
versnellingsbak). Op die manier kunt u beter op
de motor afremmen en hoeft u de voetrem
slechts kortstondig te gebruiken.
Let erop dat u de remmen van de auto zwaarder
belast, wanneer u met een aanhanger rijdt.
Starten en rijden
Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock
Braking System) is ontworpen
om te voorkomen dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan
tijdens het remmen een zo groot mogelijke
respons van het stuurwiel worden verkregen.
Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter
bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te
kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert
de totale remcapaciteit niet. Als bestuurder hebt
u echter wel meer controle over de besturing
van de auto, wat voor meer veiligheid zorgt.
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest van
start die te horen en te voelen is. Wanneer het
ABS-systeem actief is, treden er merkbare
pulsaties in het rempedaal op. Dit is volkomen
normaal.
1%Om het ABS-systeem optimaal te benutten
moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen. Haal uw voet niet van het rempedaal,
wanneer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt. Aarzel niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te
testen hoe het ABS-systeem werkt.
Het ABS-symbool licht op en blijft
continu branden...
• ... gedurende twee seconden tijdens de
start om het systeem te controleren.
• ... als het ABS-systeem uitgeschakeld
werd wegens een storing.
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce
Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig
af dat de maximale remwerking wordt
verkregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingssymbolen voor het
UHPsysteem
en $%6-systeem
tegelijkertijd oplichten, bestaat het gevaar
dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen. Als de symbolen echter blijven
branden ondanks dat het peil in het
remvloeistofpeil in orde is, moet u de auto
uiterst voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
103
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem (extra*)
Stabiliteits- en
tractieregelsysteem
(STC/DSTC*)
Het STC-systeem (Stability and Traction
Control) bestaat uit de deelsystemen SC en TC.
Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and
Traction Control) bestaat uit de deelsystemen
SC, TC, AYC en EBA.
Tractieregeling, TC
De tractieregeling hevelt de aandrijfkracht
bestemd voor een slippend wiel over op een
aandrijfwiel dat niet slipt, door het slippende
wiel af te remmen. Om de aandrijfkracht in een
dergelijke situatie te verhogen kan het zijn dat u
het gaspedaal verder dan normaal moet
intrappen. Wanneer de tractieregeling actief is,
kunt u een tikkend geluid horen. Dit is
volkomen normaal. De tractieregeling is
voornamelijk actief op lage snelheden. U kunt
de tractieregeling niet uitschakelen.
Stabiliteitssysteem, SC
Het stabiliteitsysteem (Stability Control, SC) is
ontwikkeld om te voorkomen dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken hun grip op
het wegdek verliezen door het motorkoppel te
beperken dat op de wielen wordt overgebracht.
Het systeem verbetert de aandrijving en
verhoogt de veiligheid op gladde wegen. In
bijzondere omstandigheden zoals bij het
gebruik van sneeuwkettingen of bij het rijden in
diepe sneeuw of zand, kan het handig zijn het
SC-systeem buiten werking te stellen om de
tractie te verhogen. U doet dat met een druk op
de knop STC/DSTC.
104
Anti-slipregeling, AYC
De anti-slipregeling (Active Yaw Control,
AYC) zorgt ervoor dat één of meer wielen van
de auto automatisch worden afgeremd. Dit om
de auto te stabiliseren als deze in de slip dreigt
te raken. Als u in een dergelijke situatie zelf op
de rem trapt, zal het rempedaal stugger aandoen
dan normaal en tikkende geluiden maken. De
anti-slipregeling is altijd actief en kan om
veiligheidsredenen niet buiten werking worden
gesteld.
$<&5YHUVLH
Bij de R-versie kunt u de regeling uitschakelen
met de knop DSTC. U moet de procedure voor
het beperken/reactiveren van de regeling
driemaal herhalen (knop vijfmaal – aan-uit-aanuit-aan – achtereen indrukken) om de AYCregeling volledig uit te schakelen.
1%Wanneer het EBA-systeem geactiveerd
wordt, zakt het rempedaal omlaag en kunt u het
maximale remvermogen van de auto afnemen.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal. Het EBAsysteem wordt uitgeschakeld, wanneer u de
druk van het rempedaal haalt.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake
Assistance) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet afremmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u het rempedaal intrapt.
+HWZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
OLFKWRSHQ
EOLMIWFRQWLQXEUDQGHQZDQQHHU
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief en
kan (om veiligheidsredenen) niet buiten
werking worden gesteld.
Frictiedetetectiesysteem, RFD (extra)
Het RFD-systeem (Road Friction Detection) is
een geavanceerd systeem voor detectie van de
frictie tussen de banden het wegdek. Het
systeem is ontwikkeld om u zo spoedig
mogelijk te waarschuwen voor gladheid.
Het RFD-systeem is actief op lage en hoge
snelheden en kan om veiligheidsredenen niet
buiten werking worden gesteld.
• ...het RFD-systeem de frictie tussen de
banden en het wegdek als laag
beschouwt.
+HWRUDQMHZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
OLFKWRSHQEOLMIWFRQWLQXEUDQGHQHQGH
PHOGLQJ³5)'6(59,&(9(5(,67´
YHUVFKLMQWRSKHWGLVSOD\ZDQQHHU
• ...het RFD-systeem uitgeschakeld werd
wegens een storing.
* Het STC- of DSTC-systeem is extra op
bepaalde markten.
Starten en rijden
Knop STC/DSTC
Met de knop STC/DSTC op de middenconsole
kunt u de functie van het STC/DSTC-systeem
beperken of een gelden beperking opheffen.
Wanneer GH/('LQGHNQRSEUDQGW is het
STC/DSTC-systeem DFWLHI (voor zover er geen
storingen zijn).
Bij beperking van de functie van het STC/
DSTC-systeem, wordt het stabiliteitssysteem
(SC) uitgeschakeld en gelden er beperkingen
voor de anti-slipregeling (AYC). De overige
systemen werken onverminderd voort.
1%Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het STC/DSTCsysteem te beperken.
'H/(' in de knop GRRIWen op het display
verschijnt de tekst: “67&'67&63,1
&21752/8,7´.
Het STC/DSTC-systeem wordt iedere keer dat
u de motor start automatisch geactiveerd.
+HWZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
ZDQQHHU
NQLSSHUW
• ...het SC-systeem actief is om te
voorkomen dat de aangedreven wielen
van de auto doorslippen;
• ...de TC-regeling actief is om de tractie
van de auto te verbeteren;
• ...het AYC-systeem actief is om te
voorkomen dat de auto in de slip raakt;
+HWZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
OLFKWRSHQ
GRRIWZHHUQDFDVHFRQGHQZDQQHHU
• ... u de motor start. (Het lampje licht op
om het systeem te testen.)
'H/('LQGHNQRSGRRIWHQGHWHNVW³67&
'67&63,1&21752/8,7´YHUVFKLMQWRS
KHWGLVSOD\ZDQQHHU
• ...u de functie van het SC-systeem van het
STC/DSTC-systeem beperkt hebt met
een druk op de knop STC/DSTC.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Wees
altijd voorzichtig bij het nemen van bochten
en het rijden op gladde wegen.
Let erop dat de rijeigenschappen van de auto
veranderen, als u het STC/DSTC-systeem
uitschakelt.
+HWRUDQMHZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
OLFKWRSHQEOLMIWFRQWLQXEUDQGHQHQGHWHNVW
³75$&7,(&21752/(7,-'(/,-.8,7´
YHUVFKLMQWRSKHWGLVSOD\ZDQQHHU
• ...de functie van de TC-regeling van het
remsysteem tijdelijk beperkt is wegens
een te hoge remtemperatuur. De
beperking van de TC-regeling wordt
automatisch opgeheven, wanneer de
remtemperatuur weer normaal is.
+HWRUDQMHZDDUVFKXZLQJVV\PERRO
OLFKWRSHQEOLMIWFRQWLQXEUDQGHQHQGHWHNVW
³$17,6.,'6(59,&(9(5(,67´
YHUVFKLMQWRSKHWGLVSOD\ZDQQHHU
• ...het DSTC-systeem uitgeschakeld is
wegens een storing.
105
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem (extra*) (vervolg)
Actief chassis, FOUR-C*
De R-versie is uitgerust met een zeer geavanceerd actief chassissysteem, het FOUR-C
(Continuously Controlled Chassis Concept),
dat elektronisch gestuurd is. Het systeem werkt
op basis van enkele sensoren die continu de
bewegingen en reacties van de auto in de gaten
houden, zoals de verticale en zijdelingse
versnelling, de rijsnelheid en de wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert
gegevens afkomstig van de sensoren en regelt
zo nodig de schokdemperinstellingen tot
500 keer per seconde bij. Dit levert een
uitermate snelle en nauwkeurige afregeling van
elk van de schokdempers op. Dit verklaart de
verschillen in de chassiseigenschappen.
De knoppen op het instrumentenpaneel (zie
afbeelding) zijn altijd te gebruiken om te
wisselen tussen drie mogelijke standen:
Comfort, Sport en Advanced.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te
passen, wanneer u uw rijstijl wijzigt of als er
wijzigingen in het wegdek optreden. Deze
aanpassing neemt slechts enkele milliseconden
in beslag.
Hoe de motor op het gaspedaal reageert hangt af
van de geselecteerde chassiseigenschappen: in
de stand Advanced reageert de motor sneller op
het geven van gas.
* Alleen op de R-versie
106
Starten en rijden
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op de
beweging van het stuurwiel dan in de stand
Comfort. De vering is stugger en de carrosserie
volgt het wegdek om bij het snelle bochtenwerk
de mate van overhellen te beperken.
Wanneer u het contact uitschakelt na een rit in
de stand Sport, zal de volgende keer dat u het
contact inschakelt dezelfde stand worden
aangehouden.
Advanced
In de stand Advanced zijn de bewegingen van
de schokdempers minimaal en geoptimaliseerd
voor maximale grip en minimale overhelling in
bochten. De auto reageert sneller op het
bijgeven van gas en de automatische versnellingsbak hanteert een sportiever schakelpatroon. U wordt geadviseerd deze stand alleen te
activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het chassis
dusdanig afgestemd, dat de carrosserie niets
van de oneffenheden in het wegdek merkt en de
auto als het ware over de weg zweeft. De schokdemping is soepeler dan normaal, waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal zijn.
Deze stand wordt aanbevolen tijdens lange
ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitschakelt na een rit in
de stand Advanced, zal de volgende keer dat u
het contact inschakelt de stand Sport worden
aangehouden.
Wanneer u het contact uitschakelt na een rit in
de stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact inschakelt dezelfde stand worden
aangehouden.
107
Starten en rijden
Slepen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te
slepen, kan/kunnen de katalysator(en)
beschadigd worden. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang
slepen. Als de accu uitgeput is, moet u een
opgeladen hulpaccu gebruiken.
Als de auto gesleept moet
worden
• Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
‡ /HWHURSGDWXGHPD[LPDDOWRHJHVWDQH
VQHOKHLGDDQKRXGW
• Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken, als u de motor hebt
afgezet! U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder.
• Rijd rustig.
• Houd de sleepkabel gespannen om schokkende bewegingen te voorkomen.
Modellen met een automatische
versnellingsbak
• Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
• De maximaal toelaatbare snelheid voor
auto’s met een automatische versnellingsbak (AW) bedraagt 80 km/h.
• De maximaal toelaatbare afstand
bedraagt 80 km.
• U kunt de motor niet op gang trekken.
Voor “Starten met hulpaccu”, zie de
volgende pagina.
108
6OHHSRRJYyyU
6OHHSRRJDFKWHU
Sleepoog*
Bergen
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte. Schroef het sleepoog op zijn
plaats vóór het slepen. De aansluitingen en
afdekkapjes voor het sleepoog bevinden zich
aan de rechterzijde van de voor- en achterbumpers.
Ga als volgt te werk om een afdekkapje te
verwijderen:
$. Haal de onderkant van het afdekkapje los met
een muntstuk.
%. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de
wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats het
afdekkapje terug.
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden
moet u professionele hulp inroepen.
* (bepaalde modellen) Om het sleepoog in de
achterbumper te bevestigen moet u eerst de
kunststof schroef uit de console voor het
achterste sleepoog verwijderen. Gebruik de
wielsleutel om de kunststof schroef los te
draaien. Draai de kunststof schroef na gebruik
van het sleepoog weer vast.
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Ga als volgt te werk om de auto
met een hulpaccu te starten:
Als de accu om wat voor reden dan ook
ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse
reserveaccu of van een accu in een andere auto
om op die manier de motor te starten.
Controleer altijd of de accuklemmen goed
vastzitten, zodat ze geen vonken trekken tijdens
de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij
u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te
volgen:
• Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
• Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode
aansluiting in de motorruimte van uw
auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt één geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
• Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
• Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op één van de hijsogen van de motor
(4–).
• Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
• Start de motor van de auto met de uitgeputte accu.
• Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
1%Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING!
Let erop dat accu’s, en dan met name de
hulpaccu, het zeer explosieve knalgas
bevatten. Eén enkele vonk, veroorzaakt door
een onjuiste aansluiting van de startkabels,
volstaat om een accu te laten ontploffen en
zo schade aan de auto en verwondingen te
veroorzaken.
Een accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken.
Als u accuzuur in uw ogen krijgt, of op uw
huid of kleren morst, moet u onmiddellijk
met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt!
• Draai de contactsleutel in stand 0.
• Zorg dat de hulpaccu een spanning van
YROWOHYHUW
109
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn. Uw Volvo-dealer
kan u informeren over de mogelijke
trekhaken.
• Verdeel de lading in de aanhanger
dusdanig, dat het gewicht op de trekhaak
bij aanhangers tot 1200 kg ongeveer 50
kg en bij aanhangers zwaarder dan 1200
kg ongeveer 75 kg bedraagt.
• Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting.
Raadpleeg de bandenspanningstabel!
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel* en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
• Rijd niet met een zware aanhanger,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is!
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile
hellingen worden de remmen veel
zwaarder belast dan normaal. Schakel dan
terug naar een lagere versnelling en pas
uw snelheid aan.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de
versnellingsbak oververhit raken. Bij
oververhitting slaat de temperatuurmeter
in het instrumentenpaneel tot in het rode
gebied uit. Breng de auto dan tot stilstand
en laat de motor enkele minuten afkoelen.
• Bij oververhitting schakelt de airconditioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
• Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie in. Zie het displaybericht!
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder dan normaal belast.
• Rijd als veiligheidsmaatregel niet harder
dan 80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Het maximaal toelaatbare gewicht voor
een ongeremde aanhanger bedraagt
750 kg.
• Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automatische versnellingsbak) of schakel een
versnelling in (handgeschakelde versnellingsbak). Gebruik wielblokken bij het
parkeren op steile hellingen.
• Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingspercentages van meer dan 12%. Bij
hellingspercentages van meer dan 15%
ontraden wij het gebruik van een
aanhanger.
* Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een
aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
110
Starten en rijden
0D[LPDDOWRHODDWEDDU 0D[LPDOH
DDQKDQJHUJHZLFKW
NRJHOGUXN
YRRUJHUHPGH
DDQKDQJHUV
0–1200 kg
50 kg
1201–1600 kg
75 kg
1%De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo Car Corporation bepaald. Let erop dat er op grond van de
wetgeving voor motorvoertuigen in uw land
verdere beperkingen van de maximale aanhangergewichten en snelheden kunnen gelden.
Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de
auto.
WAARSCHUWING!
Als u de vermelde aanbevelingen niet
opvolgt, kan de combinatie van auto plus
aanhanger onbestuurbaar worden bij
uitwijk- en remmanoeuvres, met alle risico’s
van dien voor uzelf en de overige weggebruikers.
Rijden met een aanhanger,
automatische versnellingsbak
• Trek bij het parkeren op hellingen eerst
de handrem aan, voordat u de keuzehendel in stand P zet. Zet bij het
wegrijden op een helling eerst de keuzehendel in de rijstand en haal de auto
vervolgens van de handrem.
• Kies op steile hellingen of in langzaam
rijdend verkeer de juiste lageversnellingsstand. Zo voorkomt u dat de automatische
versnellingsbak opschakelt. De versnellingsbakolie wordt dan minder warm.
• Als uw auto is uitgerust met een
Geartronic-versnellingsbak, moet u geen
hogere handmatige versnelling inschakelen dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein tijdens het
rijden altijd de juiste rijhoogte aan ongeacht de
belading. Wanneer de auto stilstaat, zakt de
achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal.
1%Sommige modellen moeten worden
uitgerust met een oliekoeler om met aanhangers
te rijden.
Informeer daarom bij de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer of er een oliekoeler nodig is, als u
een trekhaak DFKWHUDIPRQWHHUW.
111
Starten en rijden
Trekhaak
Vaste trekhaak (A)
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de
daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie
figuur!
WAARSCHUWING!
A
Afneembare trekhaak (B)
Volg altijd nauwkeurig de montagevoorschriften op.
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de
daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie
figuur!
/HWHUWHYHQVRSGDWXGHNRSSHOSHQUHJHO
PDWLJVFKRRQPDDNWHQLQYHW
0DDNGDDUYRRUJHEUXLNYDQGHDDQEHYROHQ
YHWVRRUWPHWKHWDUWQU
1%Het kan zijn dat er op uw auto een
trekhaak zit met een 13-polig contact dat u wilt
aansluiten op een aanhanger met een 7-polig
contact. Maak in dat geval alleen gebruik van
een originele adapterkabel van Volvo. Zorg dat
de kabel niet over de grond sleept.
112
B
Let op het
volgende als
uw auto is
uitgerust met
de afneembare
trekhaak van
Volvo:
• Zorg dat u de trekhaak hebt
vergrendeld, voordat u wegrijdt.
• De rode indicatorpen (zie de pijl in de
bovenstaande figuur) mag niet
zichtbaar zijn.
• Zorg dat u de trekhaak met de sleutel
hebt vergrendeld. Zie de beschrijving
op pagina 114.
Starten en rijden
B
A
%HYHVWLJLQJVSXQWHQRQGHUGHDXWR
Specificaties
Afstand A
Vaste trekhaak:
1057 mm
Afneembare trekhaak:1078 mm
Maximale kogeldruk:
Afstand B
Vaste trekhaak:
83 mm
Afneembare trekhaak: 104 mm
75 kg
113
Starten en rijden
Trekhaak (vervolg)
Afneembare trekhaak, kogelsegment
monteren
2
1
ONTGRENDELD
3
ONTGRENDELD
%
Verwijder de beschermkap.
4
BLOKKEREN
Duw het kogelsegment zo ver op de
koppelpen dat het blokkeert. Wees
voorzichtig, omdat de handgreep met
kracht in positie schiet!
114
Steek de sleutel in het slot en draai de
Neem het kogelsegment en draai de handgreep
sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. rechtsom in de vergrendelde stand.
VERGRENDELD
RODE PIN (B) NIET
ZICHTBAAR
Controleer of de indicatorpen (B)
ingeschoven is.
Draai de sleutel linksom in de vergrendelde
stand.
Neem de sleutel uit het slot.
Starten en rijden
Afneembare trekhaak, kogelsegment
demonteren
1
217*5(1'(/'
2
217*5(1'(/'
Steek de sleutel in het slot en draai de
Draai de handgreep linksom in de
sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. vergrendelde stand.
4
9(5*5(1'(/'
Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
3
Trek het kogelsegment van de koppelpen.
5
Schuif de beschermkap over de
koppelpen zoals aangegeven in de figuur.
115
Starten en rijden
Lading op het dak
Gebruik van lastdragers (accessoire)
Om schade aan de auto te voorkomen en op een
veilige manier lading op het dak te kunnen
vervoeren, adviseren wij u alleen gebruik te
maken van de lastdragers die Volvo speciaal
voor uw auto ontwikkeld heeft.
• Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
• U mag een gewicht van PD[LPDDO
NJ op het dak vervoeren (incl.
lastdragers).
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Zorg dat
u de zwaarste voorwerpen onderop legt.
• Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
• Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
• Verwijder de lastdragers, wanneer u ze
niet hoeft te gebruiken. U verlaagt op die
manier de luchtweerstand en daarmee
ook het brandstofverbruik.
116
Lastdrager monteren
1. Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
aanbrengt (zie de aanduiding op de sticker
onder de dekkap).
2. Zorg dat de paspennen in de geleidegaten
(1) vallen.
3. Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
4. Draai de draaiknop enkele slagen losser.
5. Duw de knop in de richting van de dakbevestiging en zorg dat de haak in de dakbevestiging onder de dekstrip vasthaakt.
6. Draai de lastdrager vast.
7. Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de geleidegaten vallen.
8. Draai de lastdrager vast.
9. Controleer of de haak goed vastgrijpt in de
dakbevestiging.
10. Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
11. Klap de dekkap omlaag.
12. Controleer of de dakreling stevig vastzit.
13. Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden verwisselen
118
120
117
Wielen en banden
Algemene informatie
Algemene informatie over
wielen en banden
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 5:.
Deze aanduiding die door alle bandenfabrikanten wordt toegepast houdt het volgende in:
215 Breedte van de band (mm).
55 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%).
R
Aanduiding voor radiaalbanden.
16 Velgdiameter van de band in inch (").
93 Index van het draagvermogen van de
band, in dit geval 650 kg.
W
Index van de snelheidslimiet van de
band die aangeeft dat de band bestemd
is voor snelheden tot en met 270 km/h.
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dit betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en prestaties die staan aangegeven op het kentekenbewijs van de auto. De
enige uitzondering daarop vormt het gebruik
van winterbanden en banden met "spikes", voor
zover deze met de snelheidsindex op het kentekenbewijs staan vermeld. Bij gebruik van
dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan
de maximumsnelheid die voor het gebruikte
bandentype geldt.
De meest voorkomende snelheidsklassen staan
in de navolgende tabel.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
118
Q
160 km/h, veelal toegepast voor
banden met "spikes"
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Let op het volgende bij het verwisselen van
banden: Zorg dat alle vier de banden van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting en
aanduiding hebben en van hetzelfde merk zijn.
Anders kunnen de rijeigenschappen van de auto
veranderen.
Informeer bij uw dealer naar de bandenmaten
die voor uw auto verkrijgbaar zijn.
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsindex van de banden.
1%Dit is in het bijzonder van belang voor
modellen met vierwielaandrijving (AWD),
omdat bij dergelijke modellen zelfs geringe
verschillen tussen de wielen al tot schade aan de
aandrijflijn kunnen zorgen.
Nieuwe banden
Let erop dat banden een
beperkte houdbaarheidsdatum hebben – na enkele
jaren worden banden hard
en neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik daarom zo mogelijk nieuwe banden
bij het verwisselen. Dit geldt in het bijzonder
voor winterbanden. Het jaar en de week van
productie worden aangeduid met vier cijfers (zo
betekent 1502 dat de band de 15de week van het
jaar 2002 werd gemaakt).
WAARSCHUWING!
De enige "speciale wielvelgen" die Volvo
goedkeurt zijn de velgen die door Volvo zijn
gecontroleerd en deel uitmaken van het assortiment aan "originele Volvo-accessoires" .
Winterbanden
Volvo adviseert voor alle auto’s winterbanden
met de maten 195/65 R15, behalve voor de
modellen met een benzinemotor en turbocompressor (B5204T5, B5234T3 en B5244T3).
Voor dergelijke modellen adviseert Volvo
winterbanden met de maten 205/55 R16. Op de
S60 R moet u winterbanden met de maten
235/45R17 of 235/40R18 gebruiken.
Gebruik altijd winterbanden op alle vier de
wielen!
1%Neem contact op met uw Volvo-dealer
voor advies over de beste velgen en banden
voor uw auto.
Spijkerbanden
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500 tot 1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de "spikes" langer
mee en maakt de auto minder lawaai.
Houd er rekening met dat de wettelijke
bepalingen voor het gebruik van spijkerbanden
van land tot land verschillen.
Wielen en banden
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is beperkt tot
de voorwielen.
Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat zowel
de banden als de sneeuwkettingen daardoor
overmatig slijten.
BELANGRIJK!
Het is alleen toegestaan om sneeuwkettingen te gebruiken die door Volvo zijn
goedgekeurd. Gebruik van andere sneeuwkettingen kan schade aan de auto veroorzaken.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen!
Maak nooit gebruik van sneeuwkettingen
met zogeheten snelsluitingen, omdat de
ruimte tussen de schijfremmen en de wielen
te gering is.
De bandenspanning is
belangrijk!
Controleer de bandenspanning regelmatig. De
juiste spanning staat in de nevenstaande tabel en
op de sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep.
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt, is
het rijgedrag van de auto opvallend veel
slechter en slijten de banden sterker dan
normaal.
Let erop dat de waarden in de tabel gelden voor
koude banden (buitentemperatuur). Al na
enkele kilometers rijden worden de banden
warm en loopt de spanning op. Omdat dit een
volkomen normaal verschijnsel is, moet u dan
ook geen lucht laten ontsnappen wanneer u de
spanning van warme banden controleert. U
moet de spanning echter wel verhogen als deze
te laag is.
Bandenspanning
1%Op de sticker aan de binnenzijde van de
tankvulklep staat de juiste bandenspanningvoor
uw auto aangegeven.
Let erop dat de bandenspanning ook kan
variëren al naar gelang de omgevingstemperatuur. Controleer daarom de spanning in de
buitenlucht, wanneer de banden koud zijn.
119
Wielen en banden
Banden verwisselen
Banden met
slijtageindicatoren
De slijtage-indicatoren
bestaan uit smalle
ophogingen die dwars
op het profiel staan (de
letters TWI op de zijkant van de band geven aan
dat de band is uitgerust met slijtage-indicatoren). Wanneer een band dusdanig versleten is
dat de profieldiepte nog slechts 1,6 mm
bedraagt, zijn de indicatoren duidelijk zichtbaar
en moet u de band ]RVSRHGLJPRJHOLMN
vervangen. Let erop dat een band met een
profieldiepte van 3-4 mm al beduidend minder
grip op het wegdek heeft bij sneeuw of regen en
het water minder snel kan afvoeren.
Banden verwisselen
(zomer/winter)
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de band
noteren waar de band zat: bijv. L voor links en
R voor rechts enz.
1%
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aangegeven
met een pijl op de zijkant van de band.
Als u de wielen verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen de
banden sneeuw en drab minder goed afvoeren.
%(/$1*5,-.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras, ongeacht de vraag of de
auto voorzien is van voorwiel- of achterwielaandrijving.
Neem ter controle contact op met de dichtstbijzijnde Volvo-dealer als er onzekerheid
bestaat.
Bewaar de wielen liggend of hangend. Laat
ze nooit rechtop staan.
120
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat
als de bandenspanning zijn van grote invloed op
het rijgedrag van de auto. Wanneer u de banden
verwisselt, moet u erop letten dat de nieuwe
banden op alle vier de wielen van hetzelfde type
als de oude zijn, dezelfde afmetingen hebben en
van hetzelfde merk zijn. Volg tevens de aanbevelingen voor de bandenspanning op.
Wielen en banden
Compact reservewiel
Het compacte reservewiel (“Temporary Spare”)
mag alleen worden gebruikt gedurende de korte
tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
9ROJHQVGHZHWPDJKHWUHVHUYHZLHOGHEDQG
DOOHHQWLMGHOLMNZRUGHQJHEUXLNWZDQQHHU
HHQEDQGEHVFKDGLJGLV(HQZLHOEDQGYDQ
GLWW\SHPRHWGDDURP]RVSRHGLJPRJHOLMN
GRRUHHQQRUPDDOZLHOQRUPDOHEDQG
ZRUGHQYHUYDQJHQ
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden
wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. De maximumsnelheid bij gebruik van
een compact reservewiel bedraagt
80 km/h.
1%Gebruik DOOHHQhet originele reservewiel
dat bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroorzaken.
U mag per keer slechts ppQ reservewiel
gebruiken.
Banden verwisselen
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet,
wanneer u de band moet verwisselen aan de
kant van de weg. Het reservewiel zit onder de
kunststof bak in de bagageruimte.
2. Auto’s met stalen velgen hebben verwijderbare wieldoppen. Verwijder de
wieldoppen met een dopsleutel. Wanneer u
geen dopsleutel hebt, kunt u de wieldoppen
met de hand proberen los te halen. Draag
bij voorkeur werkhandschoenen. Wanneer
u de wieldoppen terugplaatst, moet u erop
letten dat de opening in de wieldop recht
tegenover het ventiel komt te zitten.
3. Draai de wielbouten 1/2–1 slag los met de
dopsleutel. U draait de bouten linksom los.
1. Trek de handrem aan en schakel de 1ste
versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op
auto’s met een automatische versnellingsbak). Breng houten wielblokken of
grote stenen aan vóór en achter de wielen
die op de grond blijven staan.
121
Wielen en banden
Banden verwisselen (vervolg)
4. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
Houd de krik tegen de pen in het krikpunt
zoals aangegeven in de figuur en draai de
voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer nogmaals of de krik
juist is aangebracht aan de hand van de
figuur en zorg dat de voet recht onder het
krikpunt zit.
5. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Draai de wielbouten
los en verwijder het wiel.
Monteren
Reinig de contactvlakken op het wiel en de naaf.
1. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
122
2. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment: ca. 140
Nm (14,0 kpm). Het is belangrijk dat u de
bouten met het juiste aanhaalmoment
vastdraait. Controleer het aanhaalmoment
dan ook met een momentsleutel.
3. Breng de wieldop aan. Schroef de krik
weer volledig in elkaar, voordat u deze in
de bagageruimte teruglegt. Zorg dat de krik
en de gereedschapstas stevig vastzitten en
niet kunnen gaan rammelen.
.ULNEHVWHPGYRRUDXWR¶VPHWYLHUZLH
ODDQGULMYLQJ
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat!
• De auto en de krik moeten op een
stevige en egale ondergrond staan.
Gebruik de krik die bij de auto werd
geleverd alleen voor het verwisselen
van wielen. Voor de overige
werkzaamheden moet u gebruik maken
van een garagekrik en steunbokken
onder het geheven deel van de auto
aanbrengen. Zorg dat de auto stilstaat,
wanneer u de wielen verwisselt.
• Zorg dat u schroef van de krik altijd
goed ingevet houdt.
Verzorging
Schoonmaken
124
Lakschade herstellen
126
Roestwering
127
123
Verzorging
Schoonmaken
Was de auto regelmatig!
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is
met name ’s winters van belang, omdat
strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen
geven tot corrosie.
Was de auto als volgt:
• Spoel zorgvuldig het vuil van het
onderstel van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd
bij het wassen de spuitkop van de
hogedrukreiniger ten minste 30 cm van
de carrosserie af. Spuit niet direct in de
richting van de sloten.
• Gebruik een spons en veel water met of
zonder schoonmaakmiddel.
• Gebruik bij voorkeur handwarm water
(maximaal 35°C) en geen heet water.
• Als het vuil uiterst hardnekkig is, kunt u de
auto met een ontvettingsmiddel voor
koude toepassingen wassen. Zorg in dat
geval dat de auto op een spoelplaat met
afvoerscheiding staat. Als u een ontvettingsmiddel voor koude toepassingen
gebruikt, moet u zorgen dat de auto niet in
direct zonlicht staat. De lak mag evenmin
warm zijn geworden door blootstelling aan
zonlicht of de uitgestraalde motorwarmte.
Zonlicht en warmte kunnen blijvende
schade aan de lak veroorzaken. Vraag uw
Volvo-werkplaats om advies.
124
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer.
• Reinig de wisserbladen met een
handwarme zeepoplossing.
Geschikt schoonmaakmiddel
Autoshampoo.
Let op het volgende:
Verwijder YRJHOSRHS altijd zo spoedig
mogelijk van de lak.
Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak
aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
Een dergelijke verkleuring kunt u niet
wegpoetsen.
WAARSCHUWING!
Maak de motor niet schoon, wanneer de
motor nog warm is. Brandgevaar! Laat het
schoonmaken van de motor over aan een
specialist.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig wassen. Let er echter op dat
een wasbeurt in een automatische wasstraat
geen goede vervanging vormt voor een goede
wasbeurt met de hand, omdat de borstels van de
wasstraat niet overal even goed bij kunnen
komen.
We raden u dan ook aan om een nieuwe auto de
eerste maanden alleen met de hand te wassen.
WAARSCHUWING!
7HVWQDKHWZDVVHQDOWLMGGHUHPPHQ om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remvoeringen kunnen aantasten waardoor de
remwerking afneemt! Trap tijdens het rijden
bij regen of natte sneeuw af en toe lichtjes op
het rempedaal zodat de remvoeringen warm
worden en het vocht kan verdampen. Doe dit
ook bij het starten onder zeer vochtige of
koude weersomstandigheden.
Verzorging
Schoonmaken (vervolg)
Bekleding reinigen
Veiligheidsgordels reinigen
Behandeling van vlekken op textiel
Uw Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel.
Behandeling van vlekken op vinyl
• Krab of wrijf QRRLW over een vlek.
• Gebruik QRRLW sterke ontvlekkingsmiddelen.
• Neem het vinyl af met een milde zeepoplossing en handwarm water.
Behandeling van vlekken op leer
Maak bij voorkeur gebruik van de speciale
reinigingsmiddelen voor leren bekleding die bij
uw Volvo-dealer te verkrijgen zijn.
We raden u aan de leren bekleding een- tot
tweemaal per jaar te behandelen met de speciale
leerverzorgingskit van Volvo om het leer soepel
en comfortabel te houden.
Gebruik QRRLW sterke oplosmiddelen zoals
benzine, alcohol, terpentine e.d., omdat dergelijke middelen textiel, vinyl en leer kunnen
beschadigen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto op en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet en u deze extra bescherming
wilt bieden zoals net voor het begin van de
winterperiode.
Normaalgesproken hoeft u de auto pas na een
jaar te poetsen. Was kunt u eerder aanbrengen.
Was de auto schoon en droog deze zorgvuldig
af, voordat u begint te poetsen/de was
aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
terpentine. De hardnekkiger vlekken kunt u
verwijderen met een speciaal voor autolak
bestemde fijne schuurpasta (“rubbing
compound”). Poets de lak eerst op en behandel
deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking
nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel
poetsmiddel als was.
Onderdelen die warmer zijn dan 45°C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
125
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u
meteen herstellen om roestvorming te
voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn:
• minder grote steenslagplekken en
krassen,
• schade aan de spatbordranden en de
portieren.
9RRUKHWKHUVWHOYDQODNVFKDGHPRHWXGH
DXWRHHUVWVFKRRQZDVVHQHQ]RUJYXOGLJODWHQ
GURJHQ=RUJGDWGHDXWRHHQWHPSHUDWXXU
YDQPHHUGDQƒ&KHHIW
Kleurcode
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De kleurcode
staat op het typeplaatje in de motorruimte.
126
Minder grote steenslagplekken
en krassen
Benodigdheden:
• Grondlak (primer) in een bus.
• Lak in een bus of een zogeheten bijtip-pen.
• Kwastje.
• Afplaktape.
• Als de steenslagplek niet tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen en er
nog een intacte laklaag over is, volstaat
het om na verwijdering van het vuil de
ontbrekende lak aan te brengen.
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan:
• Plak een stuk afplaktape over het
beschadigd gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om zoveel mogelijk
lakresten te verwijderen (figuur 1).
• Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng met een fijn kwastje of een
lucifer (figuur 2) aan.
• Wanneer de grondlak droog is, brengt u
de lak aan met een kwastje.
• Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd en
breng de lak vervolgens in meerdere, dunne
lagen aan. Laat de lak na elke laag drogen.
• Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, zij het dat u de onbeschadigde
lak het beste met afdektape kunt
beschermen (zie figuur 3).
• Wacht enkele dagen en rond de werkzaamheden af door de bijgewerkte lak op te
poetsen. Gebruik daarvoor een zachte
doek en wees zuinig met de schuurpasta.
9HUZLMGHUHYHQWXHOHODNUHVWHQPHWHHQVWXNWDSH
3ODN]RQRGLJDI
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat gedeeltelijk
uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming
(“undercoating”). In de langsdragers, de holle
ruimten en de gesloten profielen werd een
dunne, penetrerende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon! Spoel het onderstel
af.
Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af!
• Laat de roestwering regelmatig controleren en bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaalgesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de 3 jaar
een nabehandeling ondergaan. Laat u hierin
assisteren door uw Volvo-werkplaats.
Roestwering herstellen
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied schoon en
droog is. Spoel de auto af, was deze schoon en
droog deze zorgvuldig af. Gebruik een spuitbus
of breng het roestwerende middel met een
kwastje op.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine of
thinner (en dan met name middelen die geen
emulgatoren bevatten), moet u de waslaag na
het reinigen vernieuwen. Uw Volvo-dealer
heeft dergelijke wassen op voorraad.
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
a) dunne (kleurloze) middelen, voor de
zichtbare plaatsen
b) dikke middelen, voor de slijtplekken op het
onderstel
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
• zichtbare lasnaden en paneelverbindingen
(dunne vloeistof);
• onderstel (dikke vloeistof);
• portierscharnieren (dunne vloeistof);
• scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof).
Wanneer u klaar bent met de behandeling, kunt
u het teveel aan roestwerend middel verwijderen met een doek die u hebt bevochtigd met
het aanbevolen reinigingsmiddel. Onderdelen
van de motor en de veerpootbevestigingen in de
motorruimte zijn in de fabriek behandeld met
een kleurloos roestwerend middel op wasbasis.
Dit middel is bestand tegen normale wasmiddelen zonder dat het middel daarbij oplost of
wordt afgebroken.
127
Verzorging
128
Onderhoud en service
Volvo Service
130
Onderhoud
131
Motorkap en motorruimte
132
Diesel
133
Oliën en vloeistoffen
134
Wisserbladen
138
Accu
139
Gloeilampen
141
Zekeringen
148
129
Onderhoud en service
Volvo Service
Volvo Serviceprogramma
Ongunstige rijomstandigheden
Milieuzorg
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd.
Bij gebruik van de auto in ongunstige rijomstandigheden wordt u geadviseerd de motorolie,
het oliefilter en het luchtfilter vaker te
verversen/vervangen dan aangegeven in het
Service- en garantieboekje.
De bedrijfsactiviteiten van Volvo getuigen op
vele punten van een grote zorg voor het milieu.
Volvo past een chloorvrij koudemiddel toe in de
klimaatregelingssystemen dat geheel
ongevaarlijk is voor de ozonlaag en slechts in
zeer beperkte mate bijdraagt aan het broeikaseffect. Asbestvrije remmen, katalysatoren en
motoren op biogas zijn andere voorbeelden van
Volvo’s inspanningen voor het milieu.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, moet u de voorschriften van het
Volvo Serviceprogramma opvolgen zoals die
omschreven staan in het Volvo Service- en
Garantieboekje. Wij raden u aan om de serviceen reparatiewerkzaamheden altijd door een
erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren.
Uw Volvo-werkplaats beschikt over het
personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken die u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit garanderen. Uw Volvowerkplaats maakt altijd gebruik van originele
vervangingsonderdelen. Het Volvo Serviceprogramma is ontwikkeld voor normale rijomstandigheden.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het van
belang dat u het Volvo Service- en Garantieboekje controleert en de aanwijzingen opvolgt.
130
Tot ongunstige rijomstandigheden behoren:
• lange ritten in een stoffige/zanderige
omgeving,
• lange ritten met een caravan of aanhanger
achter de auto,
• lange ritten in bergachtig gebied,
• lange ritten op hoge snelheid,
• langdurig stationair draaien en/of rijden
op lage snelheden,
• ritten bij lage temperaturen (onder 0°C)
over veelal korte afstanden; minder dan
10 km.
Ook andere aspecten zijn van invloed op het
milieu, zoals het gebruik van originele Volvoonderdelen, een goede afstelling van de
ontsteking en brandstofinspuiting en andere
maatregelen die de uitstoot van uitlaatgassen
direct beperken. Verder willen wij de milieuvriendelijkheid benadrukken van de wijze
waarop de Volvo-werkplaatsen schadelijke
stoffen e.d. hanteren.
Onderhoud en service
Onderhoud
WAARSCHUWING!
Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRSof SIPS-airbagsysteem.
Ingrepen in het systeem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking en ernstige
verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke
ingrepen daarom over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Let op het volgende, voordat u
met de werkzaamheden begint:
Accu
• Zorg dat de accukabels op de juiste manier
zijn aangesloten en stevig vastzitten.
• Ontkoppel de accu nooit, wanneer de
motor draait (bij het vervangen van de
accu).
• Gebruik nooit een snellader voor het
opladen van de accu. Zorg dat de
accukabels zijn ontkoppeld tijdens het
opladen.
• De accu bevat een zuur dat zowel giftig
als corrosief is. Het is om die reden van
belang dat u de accu op een milieuvriendelijke manier hanteert. Neem hiervoor
contact op met uw Volvo-dealer.
Omhoogbrengen van de auto
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van de
motordraagarm aanbrengen. Zorg dat de
spatplaat onder de motor niet beschadigd raakt.
Let erop dat u de krik dusdanig aanbrengt, dat
de auto er niet vanaf kan glijden. Maak altijd
gebruik van steunbokken of vergelijkbare
hulpmiddelen.
• Als u de auto met een tweekoloms
hefbrug omhoogbrengt, moet u zorgen
dat de voorste en achterste dragerarmen
onder de hefpunten bij de drempelkokers
komen te zitten, zie figuur.
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines niet
aan, wanneer de motor draait of het contact
is ingeschakeld!
=HWFRQWDFWDIELM
• het aansluiten van motortestapparatuur;
• het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies,
de bobine, de verdelerkap, de bougiekabels e.d.
131
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
7UHNDDQGHKDQGJUHHS
GUXNGHSDORPKRRJHQRSHQGHPRWRUNDS
$XWR¶VPHWOLQNVHEHVWXULQJ
$XWRPHWUHFKWVHEHVWXULQJ
Motorkap openen
Motorruimte
Trek aan de ontgrendelingshandgreep uiterst
rechts onder het dashboard. U hoort dat de
slotpal losschiet. Steek uw hand recht boven de
grille onder de voorzijde van de motorkap om
de hendel van de slotpal omhoog te duwen.
Open de motorkap.
1. Expansiereservoir, koelsysteem.
10. Luchtfilter.
2. Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof.
11. Accu (in de bagageruimte).
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt!
3. Sproeiervloeistofreservoir.
4. Peilstok, motorolie.
5.Radiateur.
6. Koelventilator.
De koelventilator (6) kan tot enige tijd QD
het afzetten van de motor nog automatisch
aanslaan! Gevaar voor verwondingen!
7. Vultuit, motorolie.
8a. Reservoir koppelings-/remvloeistof
(auto met linkse besturing).
8b. Reservoir koppelings-/remvloeistof
(auto met rechtse besturing).
9. Relais- en zekeringenkastje.
132
WAARSCHUWING!
WAARSCHUWING!
Maak de motor niet schoon, wanneer de
motor nog warm is. Brandgevaar! Laat het
schoonmaken van de motor over aan een
specialist.
Onderhoud en service
Diesel
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van
dieselolie van de gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote
oliemaatschappijen hebben tevens een speciale
dieselolie bestemd voor gebruik tijdens de
wintermaanden. Deze dieselolie is dunner bij
lage temperaturen en beperkt de kans op
uitvlokkingen in het brandstofsysteem.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater
aan de intervallen voor de servicebeurten die in
uw Service- en Garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er
vervuilde brandstof is gebruikt, moet u het
brandstoffilter aftappen.
De kans op condens in de brandstoftank neemt
af, als u de tank altijd goed gevuld houdt. Houd
tijdens het tanken het gebied rond de vulpijp
goed schoon.
Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Bij
morsen het gebied met water en zeep schoonwassen.
Wanneer u de brandstoftank
leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Bij het tanken wordt het brandstofsysteem
automatisch ontlucht.
RME (“Rape Methyl Ester” of
biodiesel)
U mag maximaal 5% RME in de dieselolie
mengen.
133
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliekwaliteit:
%HQ]LQHPRWRUHQ$&($$
U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de
kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een
bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel
ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag
of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
Voor de motorvarianten van de R-versie wordt
u geadviseerd gebruik te maken van een
motoroliesoort die voldoet aan ACEA A3.
Olie verversen en oliefilter
vervangen
In het Volvo Service- en garantieboekje vindt u
aanwijzingen voor passende termijnen voor het
verversen van de olie en het vervangen van het
oliefilter.
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden*
wordt u geadviseerd kortere intervallen aan te
houden.
* Zie pagina 130
'LHVHOPRWRUHQ$&($%
Let erop dat een bepaalde soort olie kan
voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als
ACEA B4. Dit ongeacht de vraag of de
gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
2OLHVRRUWHQPHWHHQYLVFRVLWHLWVLQGH[YDQ
:±HQ:±PRHWHQYROGRHQDDQGHHLVHQ
YDQGHNZDOLWHLWVQRUPHQ$&($$EHQ]LQH
PRWRUHQ
9RHJJHHQH[WUDWRHYRHJLQJVPLGGHOHQDDQGH
ROLHWRH=HNXQQHQGHPRWRUEHVFKDGLJHQ
Viscositeit
Voor benzinemotoren met turbocompressor en
dieselmotoren wordt de volledig synthetische
motorolie van CastrolŠ geadviseerd.
Onder extreme rijomstandigheden die tot een
abnormaal hoge olietemperatuur of olieconsumptie leiden, zoals wanneer u in de bergen
rijdt en veelvuldig op de motor afremt of op
hoge snelheden over de autosnelweg rijdt,
wordt het gebruik van oliesoorten aanbevolen
die voldoen aan de kwaliteitsnorm ACEA A3
(benzinemotoren).
9ROYRDGYLVHHUWGHROLHSURGXFWHQYDQ
&DVWUROŠ
134
(bij een constante luchttemperatuur)
Onderhoud en service
Oliepeil controleren
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te
controleren.
Het is buitengewoon belangrijk dat u het oliepeil
van de motor controleert, voordat de olie de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Parkeer de auto op een egale ondergrond, zet de motor af en wacht ten minste vijf
minuten, zodat de olie terug het carter in kan
lopen.
De beste meting wordt verkregen bij een koude
motor, voordat u wegrijdt. Veeg de peilstok
schoon, voordat u gaat meten.
R-versie
De R-versie van de S60 is voorzien van een
systeem dat u er met een melding op het display
van het instrumentenpaneel op attent maakt dat
het motoroliepeil te laag is.
Wanneer het oranje waarschuwingssymbool
oplicht en de waarschuwingsmelding
“OLIEPEIL LAAG – BIJVULLEN”, moet u één
liter olie bijvullen. Controleer vervolgens met de
oliepeilstok of het peil binnen het aangegeven
gebied ligt, voordat u de motor opnieuw start.
Wanneer er een rood waarschuwingssymbool
oplicht en de waarschuwingsmelding
“OLIEPEIL LAAG – STOP AUTO Z.S.M./–
ZET MOTOR UIT/– ZIE HANDLEIDING”,
moet u ten minste één liter olie bijvullen maar niet
meer dan 1,5 liter. Controleer vervolgens met de
oliepeilstok of het peil binnen het aangegeven
gebied ligt, voordat u de motor opnieuw start.
Zie voor meer informatie over het controleren
van het oliepeil op de R-versie pagina 33.
'HROLHPRHWLQKHWJHPDUNHHUGHJHELHGRSGH
SHLOVWRNVWDDQ
De afstand tussen het MIN- en MAX-streepje
op de peilstok komt overeen met een
hoeveelheid olie van
ca. 1,5 liter voor benzinemotoren* en ca.
2,0 liter voor dieselmotoren.
Als de olie op het MIN-streepje staat, moet u de
volgende hoeveelheid olie bijvullen bij een...
...koude motor: 1,0 liter.
...warme motor: 0,5 liter.
MIN
MAX
&DOLWHUYRRUEHQ]LQHPRWRUHQ
&DOLWHUYRRUGLHVHOPRWRUHQ
&DOLWHUELMGH5YHUVLH
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk.
Brandgevaar!
135
Onderhoud en service
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
Als u koelvloeistof moet bijvullen wanneer de
motor warm is, moet u de dop van het expansiereservoir langzaam losdraaien om de overdruk
van het systeem te halen.
6SURHLHUYORHLVWRIUHVHUYRLU
.RHOYORHLVWRIUHVHUYRLU
Reservoir sproeiervloeistof
Koelvloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan allemaal in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. Het reservoir bevindt zich in de
motorruimte en heeft een inhoud van ca. 4,5 liter.
Vul het reservoir nooit alleen met schoon water!
Maak het hele jaar door gebruik van water en
Volvo-koelvloeistof in een verhouding van 1:1.
Het is belangrijk dat u deze mengverhouding
aanhoudt. De kans op bevriezing neemt toe,
wanneer het percentage koelvloeistof te laag of
te hoog is.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in
de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
136
1%Sommige onderdelen van de motor zijn
gemaakt van een aluminiumlegering. Het is
daarom erg belangrijk dat u altijd gebruik maakt
van Volvo-koelvloeistof. Een dergelijke
koelvloeistof heeft uitstekende roestwerende
eigenschappen! Het koelsysteem van nieuwe
auto’s is gevuld met koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35°C.
1%De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. Als er te weinig
koelvloeistof in het systeem zit, kunnen er
plaatselijk hoge temperaturen optreden met
gevaar voor schade aan de cilinderkop (scheurvorming).
WAARSCHUWING!
Als u koelvloeistof moet bijvullen wanneer
de motor warm is, moet u de dop van het
expansiereservoir langzaam losdraaien om
de overdruk van het systeem te halen.
Onderhoud en service
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
De rem en de koppeling maken gebruik van
hetzelfde vloeistofreservoir. Waar het vloeistofreservoir zit hangt af van de positie van het
stuurwiel.
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
9ORHLVWRIW\SHRemvloeistof DOT 4++.
&RQWUROHHUKHWSHLO regelmatig.
9ORHLVWRIYHUYHUVHQ om de twee jaar of iedere
tweede geplande servicebeurt.
1%Wanneer uw vaak met uw auto in de
bergen of in landen met een tropisch klimaat en
een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
Verversing van de remvloeistof maakt
weliswaar geen deel uit van het serviceschema,
maar kan het beste tijdens een servicebeurt in
uw Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Reservoir voor
stuurbekrachtigingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
9ORHLVWRINZDOLWHLWStuurbekrachtigingsvloeistof van het type Pentosin CHF 11S of iets
dergelijks.
3HLOFRQWUROHUHQ bij iedere servicebeurt.
Verversing van de vloeistof is niet nodig.
1%Als er een storing in de stuurbekrachtiging
optreedt of als de stroom is weggevallen en u de
auto wilt wegslepen, blijft de auto bestuurbaar.
Let er echter op dat de auto in dat geval veel
zwaarder stuurt dan normaal, zodat u meer
moeite moet doen om het stuurwiel te
verdraaien.
137
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit
vervangen
1. Klap de wisserarm uit en houd het
wisserblad onder 45° ten opzichte van de
wisserarm. Druk de borgveer op het
wisserblad in.
2. Trek het complete wisserblad omlaag,
zodat het oog van de wisserarm door het
gat in de wisserbladhouder gaat.
3. Til het wisserblad vervolgens omhoog,
zodat het oog van de wisserarm aan de
zijkant van de wisserbladhouder kan
passeren. Breng het nieuwe wisserblad in
omgekeerde volgorde aan en FRQWUROHHURI
KHWJRHGYDVW]LW
1%Let erop dat het wisserblad aan de bestuurderszijde recht is en van een spoiler is voorzien,
terwijl dat aan de passagierszijde enigszins
gekromd is. De spoiler op het wisserblad aan de
bestuurderzijde moet onderaan komen te zitten.
De kromming van het wisserblad aan de passagierszijde moet overeenkomen met die van de
onderkant van de voorruit.
138
Wisserbladen koplampwisser
vervangen
Klap de wisserarm voorover. Trek het
wisserblad naar buiten toe los. Druk het nieuwe
wisserblad in positie vast.
&RQWUROHHURIKHWEODGJRHGYDVW]LW
Onderhoud en service
Accu
1%Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan het
MAX-streepje (A)!
• Gebruik geen gewoon leidingwater.
Gebruik in plaats daarvan gedestilleerd of
gedeïoniseerd water (accuwater).
• Als u de accu om wat voor reden dan ook
hebt moeten opladen, moet u achteraf het
vloeistofpeil controleren en zo nodig
water bijvullen.
• Zorg dat u de celdoppen goed vastdraait.
1%Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
WAARSCHUWING!
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn stuk voor stuk van invloed op de
levensduur en de werking van de accu. Om de
accu in optimale staat te houden moet op het
volgende letten:
• Controleer regelmatig of het peil van de
accuvloeistof in orde is (A).
• Controleer alle accucellen. Verwijder de
celdoppen met een schroevendraaier. Met
een zaklamp kunt u het peil gemakkelijker controleren. Elke cel heeft zijn
eigen MAX-streepje (A).
• Vul zo nodig water bij tot aan het MAXstreepje op de accu.
• Let erop dat de accu het zeer explosieve knalgas bevat. Roken of open
vuur in de onmiddelijke omgeving
van de accu is al voldoende om de
accu te doen ontploffen. Daarbij kan
er schade aan de auto ontstaan en kunt
uzelf ook verwondingen oplopen.
• De accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken. Als u accuzuur in uw
ogen krijgt, of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote
hoeveelheden water spoelen. Neem
onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Symbolen:
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat bij
de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
139
Onderhoud en service
Accu (vervolg)
$
%
Accu vervangen
A. Accu zonder dekplaat (zie afbeelding)
• Zorg dat het contact is afgezet.
• :DFKW ten minste 10 minuten, voordat u
één van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie van de
elektrische systemen van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden).
• Draai de bouten uit de borgklem die over
de accu heen zit en verwijder de
borgklem.
‡ 2QWNRSSHOHHUVWGHPLQNDEHO
• Klap het kunststof klepje boven de
pluspool van de accu open.
140
• Ontkoppel de pluskabel en haal het
kunststof klepje van de pluspool.
• Ontkoppel de ontluchtingsslang voor het
knalgas van de accu.
• Draai de moer bij de onderste console los
en verwijder de console.
• Til de oude accu uit de auto.
• Breng de nieuwe accu aan.
• Breng de onderste console aan en draai de
moer vast.
• Duw het kunststof klepje boven de
pluspool van de accu vast en sluit de
pluskabel aan.
• Klap het kunststof klep over de pluspool
omlaag en sluit vervolgens de minkabel
aan.
• Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
• Breng de borgklem aan die over de accu
heen zit en haal de bouten aan.
B. Accu met dekplaat (zie afbeelding)
Om de accu te verwijderen nadat u de console
en de dekplaat van de accu hebt gehaald, moet
u de methode onder A aanhouden.
.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming en soortgelijke grote stroomverbruikers bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de grote
stroomverbruikers afnemen, moet u bij
regelmatig gebruik van dergelijke grote
stroomverbruikers minstens even lang met
de auto rijden als de inschakelduur van deze
stroomverbruikers.
WAARSCHUWING!
$IYRHUYDQNQDOJDV
De accu kan het zeer explosieve knalgas
produceren. Om te voorkomen dat dit
knalgas in de bagageruimte en passagiersruimte blijft hangen, is er een ontluchtingsslang waardoor het gas kan ontsnappen.
Als u de accu om welke reden dan ook moet
vervangen, dient de ontluchtingsslang altijd
te worden aangesloten op de nieuwe accu en
omlaag lopen naar de bijbehorende afvoeropening in de carrosserie.
Onderhoud en service
Gloeilampen
Uw auto is voorzien van de
onderstaande gloeilampen:
1. Dimlicht
55W H7
2. Bi-Xenon (extra)
35W D2R
(gasontladingslamp)
3. Groot licht
55W HB3
4. Remlichten
P21W
Mistachterlicht
P21W
5. Richtingaanwijzers, voor- en achteraan
(oranje)
PY21W
6. Achterlichten,
P5W
Stadslichten
Zijmarkeringslicht, achteraanP10W
7. Instapverlichting
W5W
Bagageruimteverlichting
W5W
8. Make-upspiegel
1,2W
9. Kentekenplaatverlichting
Stadslichten
in koplampen
Zijrichtingaanwijzers
(oranje)
10. Mistlampen, vóór
R-versie
W5W
W5W
Gloeilamp groot licht en dimlicht
vervangen
W5W
Vervang de gloeilampen van de koplampen
vanuit de motorruimte.
55W H1
55W H3
1%Raak het glas van de gloeilampen 1, 2, 3
en 10 nooit met blote vingers aan. De vetten en
oliën van uw vingers kunnen door de hitte
verdampen en voor aanslag op de reflector
zorgen, waardoor deze al snel kapotgaat.
WAARSCHUWING!
Als uw auto is uitgerust met zogeheten BiXenon-koplampen (extra), moet u de
lampen vanwege de hoge spanning laten
vervangen door een erkende Volvowerkplaats.
1%Bi-Xenon-koplampen bevatten een
geringe hoeveelheid kwik. Om die reden
moeten kapotte lampen op de juiste wijze
worden verwerkt. Neem daarvoor contact op
met uw Volvo-dealer of -werkplaats.
141
Onderhoud en service
Gloeilampen (vervolg)
Gloeilamp dimlicht
Gloeilamp verwijderen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Open de motorkap.
• Draai het buitenste afdekkapje linksom los
(1).
• Trek de connector (2) los.
• Haal de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts, zodat deze loslaat en haal de
klem vervolgens naar buiten toe omlaag
(3).
• Trek de gloeilamp naar buiten en vervang
deze door een nieuwe (4).
142
Gloeilamp groot licht
Gloeilamp aanbrengen
• Breng de nieuwe gloeilamp (1) aan. Dit
kan slechts op één manier.
• Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten (2).
• Druk de connector (3) in positie terug.
• Draai het afdekkapje weer vast. Het
opschrift “ TOP” moet naar boven wijzen
(4).
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Open de motorkap.
• Draai het binnenste afdekkapje linksom
los.
• Draai de gloeilamp linksom, trek de lamp
naar buiten en vervang deze door een
nieuwe. Let erop hoe de oude lamp was
aangebracht!
• Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
• Draai het afdekkapje weer vast. Het
opschrift “TOP” moet naar boven
wijzen!.
Onderhoud en service
W5W
PY21W
W5W
Gloeilamp stadslichten voor
vervangen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Draai het afdekkapje van het dimlicht*
linksom los.
• Verwijder de gloeilamp en de houder.
Vervang de gloeilamp.
• Druk de gloeilamp met de houder in
positie terug.
• Controleer of de nieuwe gloeilamp
brandt.
• Draai het afdekkapje weer vast. Het
opschrift “TOP” moet naar boven wijzen!
Gloeilamp zijrichtingaanwijzer
vervangen
• Zet het voorportier half open.
• Steek een hand achter het voorspatscherm
en druk de lamp naar buiten. Laat de
kabels in de lamphouder zitten.
• Draai de lamphouder een kwartslag
linksom en trek deze recht naar buiten
toe.
• Trek de defecte gloeilamp recht naar
buiten toe.
• Vervang de gloeilamp en druk deze recht
naar binnen.
Gloeilamp richtingaanwijzer*
linksvoor vervangen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Draai de lamphouder linksom en
verwijder deze.
• Haal de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en deze
tegelijkertijd linksom te draaien.
• Breng een nieuwe gloeilamp in de
lamphouder aan en plaats de lamphouder
in het lamphuis terug.
Schakel het contact in en controleer of de
nieuwe gloeilamp brandt.
* Op auto’s met Bi-Xenon-koplampen zit ook
deze gloeilamp in het richtingaanwijzerhuis.
143
Onderhoud en service
Gloeilampen (vervolg)
PY21W
55W H1*
Gloeilamp richtingaanwijzer
rechtsvoor vervangen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Neem de koelbuis (1) van de koudebox
los.
• Draai de schroef (2) van de vulbuis los.
• Trek de buis (3) recht omhoog.
• Neem de ontluchtingsslang (4) van de
buis los.
• Neem de lamphouder los door deze
UHFKWVRPte draaien.
• Haal de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en deze
tegelijkertijd linksom te draaien.
144
• Breng een nieuwe gloeilamp in de
lamphouder aan en plaats de lamphouder
in het lamphuis terug.
• Controleer of de pakking van het
sproeiervloeistofreservoir tussen de
vulbuis en het reservoir goed zit.
• Duw de vulbuis (3) in positie terug.
• Duw de ontluchtingsslang (4) van de
vulbuis in positie terug.
• Draai de schroef (2) van de vulbuis weer
vast.
• Sluit de koelbuis (1) weer op de
koudebox aan.
Gloeilamp mistlampen voor
(extra) vervangen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Draai de lamphouder iets naar links.
• Verwijder de gloeilamp.
• Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het
profiel van de lamphouder past in de voet
van de lamp.
• Plaats de lamphouder terug door deze iets
naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift “TOP” omhoogwijst!
* H3 bij de R-versie
Onderhoud en service
Positie van gloeilampen
1. Remlichten
2. Stadslichten
3. Mistachterlicht
(één zijde)
4. Zijmarkeringslicht
5. Richtingaanwijzers
6. Achteruitrijlichten
Gloeilampen achterlichten
vervangen
De gloeilampen van de achterlichten zijn
allemaal vanuit de bagageruimte te bereiken.
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Maak de zijwand los en klap deze open
om bij de gloeilampen te komen.
De gloeilampen zijn ondergebracht in twee
aparte lamphouders: één boven en één onder.
Elke lamphouder heeft een borgnok.
21 W BA 15
5 W BA 15
21 W BA 5
10W
PY 21 W (oranje)
21 W BA 15
Derde remlicht
Ga als volgt te werk om een gloeilamp uit de
bovenste of onderste lamphouder te vervangen:
• Haal de connector van de lamphouder los
om de werkzaamheden te vergemakkelijken.
• Duw de borghaken bijeen om de
lamphouder naar buiten te kunnen
trekken.
• Vervang de gloeilamp.
• Sluit de connector weer op de
lamphouder aan.
• Klap de zijwand weer op en zet deze vast.
De gloeilampen van het derde remlicht zijn van
een speciaal type. Wij raden u aan de
vervanging door een Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren.
145
Onderhoud en service
Gloeilampen (vervolg)
W5W
W5W
W5W
Gloeilamp
kentekenplaatverlichting
vervangen
• Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel in stand 0.
• Draai de schroef los met een schroevendraaier.
• Verwijder voorzichtig het complete
lamphuis en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
• Vervang de gloeilamp.
• Plaats de connector terug en draai deze
rechtsom.
• Plaats het complete lamphuis terug en
draai de schroef vast.
146
Gloeilamp instapverlichting
vervangen
De instapverlichting vindt u onder het
dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde. Vervang de gloeilampen van de instapverlichting als volgt:
• Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
• Verwijder de defecte gloeilamp.
• Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
• Plaats het lamphuis terug.
Gloeilamp
bagageruimteverlichting
vervangen
• Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
• Verwijder de defecte gloeilamp.
• Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
• Plaats het lamphuis terug.
Onderhoud en service
0DNHXSVSLHJHO
Gloeilamp verlichting
make-upspiegel vervangen
• Steek een schroevendraaier achter het
lampglas en verdraai deze iets, zodat het
lampglas loskomt.
• Haal de gloeilamp naar buiten en vervang
deze.
• Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk
vervolgens de bovenkant van het
lampglas vast.
0DNHXSVSLHJHOEHSDDOGHPRGHOOHQ
Plafondverlichting met
leeslampjes voorin
De gloeilampen van het derde remlicht zijn van
een speciaal type. Wij raden u aan de
vervanging door een Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren.
147
Onderhoud en service
Gloeilampen (vervolg)
Zekeringen
Leeslampjes achterin
De gloeilampjes zijn van een speciaal type. Wij
raden u aan de vervanging door een Volvowerkplaats te laten uitvoeren.
Zekeringen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen
van uw auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en componenten door een
aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op verschillende plaatsen
in de auto:
A. Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
B. Zekeringenkastje in de passagiersruimte.
C. Relais- en zekeringenkastje in de bagageruimte.
148
Als één van de elektrische componenten of
functies niet werkt, dan kan dit te wijten zijn aan
het feit dat de bijbehorende zekering overbelast
werd en daardoor gesmolten is. Zoek in de
zekeringentabel op waar de zekering zit. Trek de
zekering naar buiten en bekijk deze van opzij om
te kijken of het gebogen draadje soms doorgebrand is. Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In het zekeringenkastje van de motorruimte
zitten enkele reservezekeringen. U vindt er ook
een zekeringtrekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is er
sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats om de auto te
laten controleren.
Onderhoud en service
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
Het zekeringenkastje in de motorruimte biedt plaats aan 24 zekeringen.
Let erop dat u een doorgebrande zekering altijd vervangt door een nieuwe
zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
$
=HNHULQJWUHNNHU
,QWDFWH]HNHULQJ
'RRUJHEUDQGH]HNHULQJ
$'XZGHNXQVWVWRIERUJQRNNHQDDQGHDFKWHU]LMGHYDQ
KHWNDVWMHLQHQWUHNKHWGHNVHORPKRRJ
Zekeringen in de motorruimte
1U
$PSHUDJH
1. Standverwarming (extra) ..............................................................25
2. Verstralers (extra) .........................................................................20
3. .........................................................................................................–
4. Lambdasondes, motorregeleenheid (diesel),
hogedrukklep (diesel)....................................................................20
5. Carterventilatieverwarming, magneetkleppen,
brandstofverdeler (Bi-Fuel) ..........................................................10
6. Luchtmassameter, motorregeleenheid, injectoren ........................15
Luchtmassameter (diesel) ...............................................................5
7. Gasklepmodule .............................................................................10
8. AC-compressor, gaspedaalsensor, ventilator elektronicakastje....10
9. Claxon ...........................................................................................15
10. .........................................................................................................–
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
AC-compressor, bobines, magneetkleppen (diesel)......................20
Remlichtschakelaar .........................................................................5
Voorruitwisser...............................................................................25
ABS/STC/DSTC ...........................................................................30
Gastankklep (Bi-Fuel)...................................................................15
Ruitensproeiers (voorruit), koplampwissers .................................15
Dimlicht (rechts) ...........................................................................10
Dimlicht (links).............................................................................10
ABS/STC/DSTC ...........................................................................30
Groot licht (links)..........................................................................15
Groot licht (rechts)........................................................................15
Startmotor .....................................................................................40
Motorregeleenheid ..........................................................................5
.........................................................................................................–
149
Onderhoud en service
Zekeringen in de passagiersruimte
Het zekeringenkastje in de passagiersruimte biedt plaats aan 38
zekeringen. De zekeringen zitten achter het luikje aan de korte kant van
het dashboard. U vindt er ook een aantal reservezekeringen.
1U
$PSHUDJH
1. Koplampen (dimlicht), Bi-Xenon (extra) .....................................15
2. Koplampen (groot licht)20 ................................................................
3. Elektrisch bediende stoel (bestuurder)..........................................30
4. Elektrisch bediende stoel (passagier)............................................30
5. Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging, vacuümpomp ............15
6. Gastankklep (Bi-Fuel).....................................................................5
7. Elektrisch verwarmde stoel (linksvoor) ........................................15
8. Elektrisch verwarmde stoel (rechtsvoor) ......................................15
9. ABS/STC/DSTC .............................................................................5
10. .........................................................................................................–
11. .........................................................................................................–
12. Koplamphoogteverstelling, koplampwissers ................................15
13. Elektrische aansluiting 12 V .........................................................15
14. Elektrisch bediende stoel (passagier)..............................................5
15. Audiosysteem, RTI (extra)..............................................................5
16. Audiosysteem................................................................................20
17. Versterker audiosysteem ...............................................................30
18. Mistlampen (vóór) ........................................................................15
19. RTI-display (extra)........................................................................10
20. .........................................................................................................–
21. Aanvullende D2-voeding: automatische versnellingsbak,
schakelblokkering .........................................................................10
22. Indicatorlampjes richtingaanwijzers .............................................20
23. Bedieningseenheid verlichting, bedieningseenheid
klimaatregeling, diagnose-aansluiting, bedieningseenheid
stuurhendels ....................................................................................5
24. Aanvullende D1-voeding, klimaatregeling,
elektrisch bediende stoel (bestuurder), instrumentenpaneel,
standverwarming (extra) ...............................................................10
150
25. Contactslot (30-voeding), centrale elektronische module,
relais startmotor, motorregeleenheid ............................................10
26. Ventilator klimaatregeling ............................................................30
27. Actief chassis, FOUR-C................................................................15
28. Elektronische module (plafond), interieurverlichting (plafond) ...10
29. Telefoon (extra) ............................................................................10
30. Stadslichten/achterlichten (linksvoor en -achter).........................7,5
31. Stadslichten/achterlichten (rechtsvoor en -achter),
kentekenplaatverlichting ..............................................................7,5
32. Centrale elektronische module, verlichting
make-upspiegel, stuurbekrachtiging, algemene verlichting,
verlichting dashboardkastje ..........................................................10
33. Brandstofpomp..............................................................................15
34. Schuifdak ......................................................................................15
35. Centrale vergrendeling, elektrisch bediend raam, buitenspiegel
(linksvoor) .....................................................................................25
36. Centrale vergrendeling, elektrisch bediend raam, buitenspiegel
(rechtsvoor) ...................................................................................25
37. Elektrisch bediende ramen (achterportieren), kindersloten ..........30
38. Sirene alarmsysteem .......................................................................5
Onderhoud en service
Zekeringen in de bagageruimte
=HNHULQJWUHNNHU
,QWDFWH]HNHULQJ
'RRUJHEUDQGH]HNHULQJ
1U
$PSHUDJH
1. Achterste elektronische module (REM),
verlichting (bagageruimte) ............................................................10
2. Mistachterlicht ..............................................................................10
3. Remlichten ....................................................................................15
4. Achteruitrijlichten .........................................................................10
5. Achterruitverwarming, relais 15I-voeding (achterin) .....................5
6. Ontgrendeling kofferdeksel ..........................................................10
7. Omlaagklappen hoofdsteunen.......................................................10
8. Vergrendeling achterportieren, tankvulklep .................................15
9. Trekhaak (30-voeding)..................................................................15
10. Cd-wisselaar (extra), RTI (extra) ..................................................10
11. Elektronische module, AEM (extra) .............................................15
12. .........................................................................................................–
13.
14.
15.
16.
17.
.........................................................................................................–
Remlichten ...................................................................................7,5
Trekhaak (15I-voeding) ................................................................20
Elektrische aansluiting (extra) ......................................................15
Elektrisch verwarmd brandstoffilter (diesel)
Regeleenheid vierwielaandrijving (AWD) ..................................7,5
18. Elektrisch verwarmd brandstoffilter (diesel) ................................15
151
Onderhoud en service
152
Technische gegevens
Type-aanduidingen
154
Maten, gewichten, inhouden
155
Smeermiddelen
156
Koelsysteem
156
Katalysator
157
Brandstof
158
Wielophanging, vering
159
Elektrisch systeem
160
Motorspecificaties
161
153
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangingsonderdelen en accessoires
wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto bij de hand hebt.
7\SHPRGHOMDDUDDQGXLGLQJHQFKDVVLV
QXPPHU
In de motorruimte gestampt, onder de
voorruit.
7\SHDDQGXLGLQJFKDVVLVQXPPHU
PD[LPDDOWRHODDWEDDUJHZLFKWNOHXU
FRGHVYRRUGHODNHQGHEHNOHGLQJHQ
W\SHJRHGNHXULQJVQXPPHU
Op het plaatje op het binnenspatbord achter
het rechter koplamphuis.
7\SHDDQGXLGLQJYDQGHPRWRU
RQGHUGHHOHQVHULHQXPPHU
Aan de rechterzijde van het motorblok.
7\SHDDQGXLGLQJHQVHULHQXPPHUYDQ
GHYHUVQHOOLQJVEDN
D Handgeschakelde versnellingsbak: aan
de voorzijde.
E Automatische versnellingsbak AW: aan
de bovenzijde.
154
Technische gegevens
Maten, gewichten, inhouden
Maten en gewichten
Inhouden
Lengte
458 (R: 461) cm
Breedte
180 cm
Hoogte
143 cm
Brandstoftank (liter)
Benzine
AWD-Diesel
Wielbasis
272 cm
Spoorbreedte, vooras
156 cm
Spoorbreedte, achteras 156 cm
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
Totaalgewicht, rijklaar gewicht
Voertuigidentificatienummer (VIN) met
gewichten op het plaatwerk in de
motorruimte.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Max. belasting, zie kentekenbewijs
Max. dakbelasting
Max. aanhangergewicht
100 kg
1600 kg
Motorolie, incl. inhoud filter1
(liter)
B5204T5
B5234T3
B5234T7
B5244S
(170 pk)
B5244S2 (140 pk)
B5254T2 2.5T
B5254T4 R
D5244T
D5
D5244T2 2.4D
D5244T3 2.4D
70
68
ca.
5,5
5,5
5,5
5,5
5,5
5,5
5,5
7,0
7,0
7,0
Versnellingsbakolie (liter)
Handgesch. (5 versn.)
Handgesch. (6 versn.)
Automaat
2,1
2,0
7,2
Diversen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Sproeiervloeistof
Rem- en koppelingsvloeistof
Airconditioning
0,9 liter
4,5 liter
0,65 liter
1000 gram
1: Om te controleren welke motor er in uw auto
zit kunt u de typeaanduiding in de motorruimte
bekijken (voorgaande pagina, punt 3).
BELANGRIJK!
Controleer na verversing van de motorolie
met de peilstok of de juiste hoeveelheid olie
in de motor zit. Controleer het peil bij een
warme motor enkele minuten nadat de
motor is afgezet.
155
Technische gegevens
Smeermiddelen
Motor
Benzinemotoren: ACEA A1
U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de
kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een
bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel
ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag
of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
Voor benzinemotoren met turbocompressor en
dieselmotoren adviseren wij het gebruik van
volledig synthetische motorolie van Volvo.
Dieselmotoren: ACEA B4
Let erop dat een bepaalde soort olie kan
voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als
ACEA B4. Dit ongeacht de vraag of de
gebruikte olie van minerale oorsprong is of
geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is.
9RHJJHHQH[WUDWRHYRHJLQJVPLGGHOHQDDQGH
ROLHWRH=HNXQQHQGHPRWRUEHVFKDGLJHQ
Viscositeit
Zie ook pagina 134.
1%Oliesoorten met een viscositeitsindex van
0W–30 en 0W–40 moeten voldoen aan de eisen
van de kwaliteitsnormen ACEA A3 (benzinemotoren).
Versnellingsbak
Handmatig
Uitsluitend de synthetische versnellingsbakolie
van Volvo gebruiken.
Autom.
Uitsluitend versnellingsbakolie van Volvo met
art.nr. 1161540–8.
Niet met andere soorten olie mengen!
Stuurbekrachtigingsvloeistof
9ORHLVWRINZDOLWHLW Stuurbekrachtigingsvloeistof van het type Pentosin CHF 11S of iets
dergelijks.
,QKRXG ca. 0,9 liter.
(bij een constante luchttemperatuur)
Onder extreme rijomstandigheden die tot een
abnormaal hoge olietemperatuur of olieconsumptie leiden (zoals het geval kan zijn
wanneer u in de bergen rijdt en veelvuldig op de
motor afremt of op hoge snelheden over de
autosnelweg rijdt) wordt het gebruik van
oliesoorten aanbevolen die voldoen aan de
kwaliteitsnorm ACEA A3 (benzinemotoren).
156
Remvloeistof
9ORHLVWRIW\SH Remvloeistof DOT 4+.
,QKRXG ca. 0,6 liter.
BELANGRIJK!
Neem bij twijfel over de juiste oliekwaliteit
contact op met een Volvo-werkplaats.
Koelsysteem
0RWRU
Benzine zonder turbo
Benzine met turbo
Diesel
+RHYHHOKHLG
(liter)
ca. 8,0
ca. 9,0
ca. 12,5
Alle systemen bestaat uit gesloten overdruksystemen. Thermostaat opent bij 90 °C.
Technische gegevens
Katalysator
Katalysator
De katalysator vormt een aanvulling op het
uitlaatsysteem en heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator bestaat in hoofdzaak
uit een behuizing met daarin twee zogeheten
monolieten, die zó geconstrueerd zijn dat de
uitlaatgassen er via kanalen doorheen stromen.
De wanden van deze kanalen zijn bekleed met
een dun laagje platina/rhodium/palladium.
Deze edelmetalen hebben een katalytische
werking, d.w.z. ze versnellen een chemische
reactie zonder dat ze daar actief aan deelnemen.
Lambdasonde TM (zuurstofsensor,
alleen benzinemotoren)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten. Een zuurstofsensor registreert
het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de
motor verlaten. De waarde van de uitlaatgasanalyse wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren
afregelt. De lucht-brandstofverhouding die de
motor ontvangt wordt continu afgeregeld. De
afregeling schept de ideale omstandigheden
voor een effectieve verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide
en stikstofoxiden) in de driewegkatalysator.
157
Technische gegevens
Brandstof
Benzine
Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide
De motor loopt op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
• 98 (RON) wordt geadviseerd
voor een maximaal rendement
tegen een minimaal brandstofverbruik.
• 95 (RON) is te gebruiken in de
normale rijomstandigheden.
• 91 (RON) kunt u beter alleen in
uitzonderingsgevallen
gebruiken. De motor loopt door
deze brandstofkwaliteit echter
geen schade op.
Norm DIN 51600.
Min. octaangetal 91 (RON), loodvrij.
0RWRU
9HUVQHOOLQJVEDN
B5204T5
Diesel
Norm SS–EN 590.
De officiële brandstofverbruikscijfers
zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform de EUrichtlijn 80/1268 voor voertuigen met
verbrandingsmotoren.
Het gebruik van extra accessoires kan
de verbruikscijfers beïnvloeden
omdat de accessoires het gewicht van
de auto verhogen. Ook de rijstijl en
andere technische factoren kunnen
van invloed zijn op het brandstofverbruik.
158
9HUEUXLNLQ
OLWHUNP
8LWVWRRWYDQNRROGL
R[LGH&2ðJNP
Handmatig
Automaat
9,1 - 9,2
9,9 - 10,1
215 - 218
236 - 240
Handmatig
Automaat
9,2 - 9,3
10,0 - 10,2
219 - 222
236 - 240
B5244S
Handmatig
Automaat
8,9 - 9,0
9,5 - 9,6
212 - 215
226 - 229
B5244S2
Handmatig
Automaat
8,8 - 8,9
9,5 - 9,6
209 - 212
226 - 229
B5234T3
HT
B5254T2
FWD
2.5T
Handmatig
Automaat
9,1 - 9,2
9,8 - 9,9
217 - 220
232 - 236
B5254T2
AWD 2.5T
Handmatig
Automaat
9,8
10,3 - 10,5
234
246 - 251
B5254T4
R
Handmatig
Automaat
10,5 - 10,7
10,9 - 11,1
252 - 256
261 - 266
D5244T
D5
Handmatig
Automaat
6,3 - 6,5
7,6
166 - 171
201
D5244T2
2.4D
Handmatig
Automaat
6,3 - 6,5
7,6
167 - 171
201
D5244T3
2.4D
Handmatig
6,3 - 6,5
167 - 171
Technische gegevens
Wielophanging, vering
Voortrein
McPherson-veerpoten. De schokdempers zijn
in de veerpoten ingebouwd. Rondsel-entandheugelstuurinrichting. Veiligheidsstuurkolom. De instelwaarden gelden voor een
onbelaste auto inclusief brandstof,
koelvloeistof en reservewiel.
Achtertrein
Gescheiden ophanging met onafhankelijk
afgeveerde wielen en schokdempers. De
ophanging bestaat uit naar achteren gerichte
wieldraagarmen, bovenste en onderste
ophangarmen, spoorstangen en een stabilisatorstang.
6SRULQJ
Toespoor vooras
(graden)
Toespoor achteras
(graden)
0,1° ±0,1°
0,1° ±0,1°
0,2° ±0,2°
0,2° ±0,2°
159
Technische gegevens
Elektrisch systeem
12-voltsysteem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar.
Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als
geleiders worden gebruikt. De minpool is verbonden met het
chassis.
Accu
Spanning
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE) 520 A
Reservecapaciteit (RC)
90 min.
12 V
600 A
115 min.
12 V (diesel)
800 A*
Als u de accu moet vervangen, moet u erop letten dat de nieuwe
accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de
originele accu heeft (zie de sticker op de accu).
Maximale stroomsterkte
G\QDPR
6WDUWPRWRU, vermogen
140 A
1,4 kW
*Auto’s met standverwarming zijn uitgerust met een accu van 800 A.
160
Gloeilampen
Vermogen Lampvoet
Dimlicht
Groot licht
Bi-Xenon-systeem
Mistlampen, vóór
Stadslichten, voor
Zijrichtingaanwijzers
Richtingaanwijzers, vooraan (oranje)
Richtingaanwijzers, achterzijde (oranje)
Achterlicht/stadslicht, achter
Remlichten
Achteruitrijlichten
Mistachterlicht, achterlicht/stadslicht
achter
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting, vooraan
Bagageruimteverlichting
55 W
55 W
35 W
55 W
5W
5W
21 W
21 W
5W
21 W
21 W
21/4 W
H7
HB3
D2R
H 11
W 2.1x9.5 d
W 2.1x9.5 d
BA 15
BA 15
BA 15
BA 15
BA 15
BA 15
5W
5W
5W
W 2.1x9.5 d
SV 8,5
SV 8,5
Verlichting dashboardkastje
Make-upspiegel
3W
1,2 W
BA 9
SV 5,5
1:
R-versie H3
Technische gegevens
Motorspecificaties
Vermogen*(kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
Koppel*
(Nm bij omw/s)
(kpm bij omw/min)
Aantal cilinders
Cilinderboring (mm)
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (dm³of liter)
Compressieverhouding
Bougies
elektrode-afstand (mm)
aanhaalmoment (Nm)
B5204T5
B5234T3
B5234T7
147/83
200/5000
285/33-83
29,1/2000-5000
5
81
90
2,32
8,5:1
B5244S
(170)
125/100
170/6000
225/75
23,0/4500
5
83
90
2,44
10,3:1
B5244S2
(140)
103/75
140/4500
220/55
22,4/3300
5
83
90
2,44
10,3:1
B5254T2
2.5T FWD/AWD
154/83
210/5000
320/25-75
32,6/1500-4500
5
83
93,2
2,52
9,0:1
132/88
180/5300
240/37-88
24,5/2200-5300
5
81
77
1,98
9,5:1
184/87
250/5200
330/42-87
33,7/2500-5200
5
81
90
2,32
8,5:1
0,7-0,8
30
0,7-0,8
30
0,7-0,8
30
1,2
30
1,2
30
0,7-0,8
30
* Vermogen en koppel gemeten conform de
testnorm 80/1269/EEG. Voor benzinemotoren
wordt tijdens deze tests gebruik gemaakt van 98
octaan.
Om te controleren welke motor er in uw auto zit
kunt u de typeaanduiding in de motorruimte
bekijken (Typeaanduidingen pagina 154,
punt 3).
161
Technische gegevens
B5254T4
R
Vermogen*(kW bij omw/s)
220/90
(pk bij omw/min)
300/5400
Koppel*
(Nm bij omw/s)
400/31-95
(kpm bij omw/min) 40,7/1850-5700
Aantal cilinders
5
Cilinderboring (mm)
83
Slaglengte (mm)
93,2
Cilinderinhoud (dm³ (l))
2,52
Compressieverhouding
8,5:1
Bougies
elektrode-afstand (mm)
0,7
aanhaalmoment (Nm)
28
* Vermogen en koppel gemeten conform de
testnorm 80/1269/EEG. Voor benzinemotoren
wordt tijdens deze tests gebruik gemaakt van 98
octaan.
Om te controleren welke motor er in uw auto zit
kunt u de typeaanduiding in de motorruimte
bekijken (Typeaanduidingen pagina 154,
punt 3).
162
B5244SG
CNG (gas)
103/97
140/5800
192/75
19,6/4500
5
83
90
2,44
10,3:1
B5244SG2
LPG (gas)
103/85
140/5100
214/75
21,8/4500
5
83
90
2,44
10,3:1
D5244T
D5
120/67
163/4000
340/29-50
34,7/1750-3000
5
81
93,2
2,40
18,0:1
D5244T2
2.4D
96/67
130/4000
280/29-50
28,6/1750-3000
5
81
93,2
2,40
18,0:1
D5244T3
2.4D
85/67
116/4000
280/29-50
28,6/1750-3000
5
81
93,2
2,40
18,0:1
1,2
30
1,2
30
–
–
–
–
–
–
Audiosysteem (extra)
Audiosysteem (HU-403)
164
Audiosysteem (HU-603)
165
Audiosysteem (HU-803)
166
Radio (HU-403, -603, -803)
167
Cassettedeck (HU-403, -603)
176
Cd-speler (HU-603)
177
Cd-speler met interne cd-wisselaar (HU-803)
178
Externe cd-wisselaar (HU-403, -603, -803) (accessoire)
179
Dolby Surround Pro Logic
180
Technische gegevens
182
163
Audiosysteem (extra)
Audiosysteem (HU-403)
1. $DQXLW – indrukken
9ROXPH – omdraaien
2. .HX]HNQRS
Opgeslagen radiozenders
Cd-wisselaar (extra)
3. .HX]HNQRS
Radio
Cassette
Cd-wisselaar (extra)
TV (extra)
4. )DGHU – indrukken en omdraaien
%DODQV – indrukken, uittrekken en
omdraaien
164
5. 5DGLR – zender zoeken omhoog/omlaag
&DVVHWWH – vorige/volgende nummer kiezen
6. 5DGLR- handmatig zender zoeken
&DVVHWWH – versneld vooruit/achteruit
spoelen
7. 'LVSOD\
8. 3URJUDPPDW\SH
9. 1LHXZVHQUDGLRWHNVW
10. 9HUNHHUVLQIRUPDWLH
11. $XWRPDWLVFKHYRRUNHX]HYDQUDGLR
]HQGHUV
12. /DJHWRQHQ – indrukken en omdraaien
+RJHWRQHQ – indrukken, uittrekken en
omdraaien
13. .HX]HWRHWVEDQGULFKWLQJ
14. &DVVHWWHRSHQLQJ
15. &DVVHWWHXLWZHUSHQ
Audiosysteem (extra)
Audiosysteem (HU-603)
1. $DQXLW – indrukken
9ROXPH – omdraaien
2. .HX]HNQRS
Opgeslagen radiozenders
Cd-wisselaar (extra)
3. .HX]HNQRS
Radio
Cassette
Cd
Cd-wisselaar (extra)
TV (extra)
4. )DGHU – indrukken en omdraaien
%DODQV – indrukken, uittrekken en
omdraaien
5. 5DGLR – zender zoeken omhoog/omlaag
&DVVHWWH – vorige/volgende nummer kiezen
&G – vorige/volgende nummer kiezen
6. 5DGLR – handmatig zender zoeken
&DVVHWWH – versneld vooruit/achteruit
spoelen
&G – versneld vooruit/achteruit spoelen
7. &GXLWZHUSHQ
8. &GRSHQLQJ
9. :LOOHNHXULJHDIVSHHOYROJRUGHFG
10. 3URJUDPPDW\SH
11. 1LHXZVHQUDGLRWHNVW
12. 9HUNHHUVLQIRUPDWLH
13. $XWRPDWLVFKHYRRUNHX]HYDQUDGLR
]HQGHUV
14. /DJHWRQHQ – indrukken en omdraaien
+RJHWRQHQ – indrukken, uittrekken en
omdraaien
15. .HX]HWRHWVEDQGULFKWLQJ
16. &DVVHWWHRSHQLQJ
17. &DVVHWWHXLWZHUSHQ
18. 'LVSOD\
165
Audiosysteem (extra)
Audiosysteem (HU-803)
1. $DQXLW– indrukken
9ROXPH – omdraaien
2. /DJHWRQHQ – indrukken en omdraaien
+RJHWRQHQ – indrukken, uittrekken en
omdraaien
3. )DGHU – indrukken en omdraaien
%DODQV – indrukken, uittrekken en
omdraaien
4. 9ROXPHFHQWUDOHOXLGVSUHNHU – indrukken
en omdraaien
8LWJDQJVYHUPRJHQUXLPWHOLMNHIIHFW –
indrukken en omdraaien
166
5. .HX]HNQRS
Opgeslagen zenders
Interne cd-wisselaar – cd kiezen
Externe cd-wisselaar – cd kiezen
6. .HX]HNQRS
Radio
Cd
Cd-wisselaar (extra)
TV (extra)
7. 5DGLR – zender zoeken omhoog/omlaag
&G – vorige/volgende nummer kiezen
8. 5DGLR – handmatig zender zoeken
&G – versneld vooruit/achteruit spoelen
9. &GXLWZHUSHQ
'ROE\3UR/RJLF
NDQDDOVVWHUHR
NDQDDOVVWHUHR
&GRSHQLQJ
:LOOHNHXULJHDIVSHHOYROJRUGHFG
3URJUDPPDW\SH
1LHXZVHQUDGLRWHNVW
9HUNHHUVLQIRUPDWLH
$XWRPDWLVFKHYRRUNHX]HYDQUDGLR
]HQGHUV
19. 'LVSOD\
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
Audiosysteem (extra)
Radio (HU-403, -603, -803)
Knop aan/uit
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Druk op de draaiknop om de radio aan of uit te
zetten.
Als er verkeersinformatie, nieuws of een
uitzending van het gekozen programmatype
binnenkomt terwijl u een cassette of cd
beluistert, wordt de geluidsbron onderbroken en
hoort u de berichten op het volume dat u van te
voren voor verkeersinformatie, nieuws en PTYuitzendingen hebt ingesteld. Na afloop van de
informatie c.q. uitzending speelt het systeem de
cassette of cd op het laatst ingestelde volume
verder af.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om het volume te
verhogen. De volumeregeling verloopt elektronisch en heeft geen eindstand. Als uw stuurwiel
is uitgerust met een toetsenset, kunt u het volume
verhogen of verlagen met de toetsen (+) of (–).
Volumeregeling voor geïntegreerde telefoon (extra)
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio
luistert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder. U
kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek
bijregelen, waarna de radio na afloop van het
gesprek op het nieuwe volume verder speelt. In
de actieve stand staan er altijd telefoongegevens
op het display.
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo. Zie pagina 183.
167
Audiosysteem (extra)
Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg)
Keuzeknop golflengte
Scannen
Draai aan de knop 6285&( om te kiezen uit
FM en AM. De zender en de bijbehorende
frequentie verschijnen op het display.
Druk op de knop 6285&(om het scannen te
starten. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden, wordt het scannen enkele seconden
stopgezet. De radio gaat daarna verder met
scannen. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de
knop 6285&( drukken.
Als het audiosysteem (HU-403,
-603) in de cassettestand staat, worden van elk
nummer enkele seconden weergegeven.
Als het audiosysteem (HU-403, -603, -803) in
de cd- of cassettestand staat, worden van elk
nummer enkele seconden weergegeven.
Wanneer u een nummer hebt gevonden dat u
wilt beluisteren, moet u nogmaals op de knop
6285&( drukken.
U kunt met deze knop ook kiezen uit het cassettedeck, de cd of de cd-wisselaar (voor zover
aanwezig).
168
Audiosysteem (extra)
Fader, balans voor/achter
Lage tonen
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers
voor- en achterin door de knop in te drukken en
vervolgens naar links (geluid van achteren) of
naar rechts (geluid van voren) te draaien. In de
middelste stand is de balans tussen de
luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangspositie
terug.
Stel de weergave van de lage tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien. In de middelste stand is
de weergave van de lage tonen normaal. Druk
na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
Balans links/rechts
Stel de juiste balans in door de knop in te
drukken en vervolgens naar links of naar rechts
te draaien. In de middelste stand is de balans
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
Hoge tonen
Stel de weergave van de hoge tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien. In de middelste stand is
de weergave van de hoge tonen normaal. Druk
na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
169
Audiosysteem (extra)
Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg)
Zender instellen
Toetsenset op stuurwiel
Druk op de linker toets
voor een lagere
frequentie en op de rechter
voor een hogere
frequentie. De ingestelde frequenties worden
aangegeven op het display.
Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset,
kunt u op de pijl naar rechts of links drukken om
één van de voorkeurzenders te selecteren.
Zender zoeken omhoog/omlaag
Druk langere tijd op de linkerof rechterzijde
van de knop om naar een zender met
een lagere of hogere frequentie te zoeken. De
radio stopt bij de eerstvolgende zender met een
goede ontvangst en stelt deze in. Druk
nogmaals op de toets, als u door wilt gaan met
zoeken.
170
1%Als uw auto is uitgerust met een geïntegreerde telefoon, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor activering van
de telefoonfuncties wanneer u de telefoon hebt
geactiveerd. In de actieve stand staan er altijd
telefoongegevens op het display. Druk op
om de telefoon te deactiveren. Als er geen SIMkaart in uw telefoon zit, moet u de telefoon
uitschakelen, zie pagina 186.
Audiosysteem (extra)
Zenders programmeren
Auto, automatische zenderinstelling
Met behulp de AUTO-functie kunt u tot 10
goed te ontvangen AM- of FM-zenders
opzoeken en deze opslaan in een afzonderlijk
geheugen. Deze functie is met name bruikbaar
in gebieden waar u de radiozenders niet kent.
1. Druk op de toets $872 en houd deze
minstens twee seconden lang ingedrukt.
Een aantalzenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) op de gekozen golflengte
worden automatisch in het geheugen
opgeslagen. De tekst “AUTO” verschijnt
op het display. Als er geen radiozender is
met een signaal dat krachtig genoeg is,
verschijnt de tekst “NO STATION”.
2. Draai aan de knop ±',6&, als u naar
een andere, automatisch ingestelde zender
wilt gaan. Bij iedere draai wordt er een
nieuwe zender ingesteld (A0–A9).
3. Om terug te gaan naar het menu waarin u
uit de voorgeprogrammeerde radiozenders
kunt kiezen, moet u nogmaals op de knop
$872 drukken. De tekst AUTO op het
display verdwijnt dan.
Handmatig zenders programmeren
1. Stel de gewenste frequentie in met de
pijltoetsen.
2. Druk kort op de knop ±',6&. Kies een
nummer waaronder u de zender op wilt
slaan door de knop naar links of naar rechts
te draaien (u kunt maximaal 20 verschillende zenders opslaan). Druk nogmaals op
de knop om de gewenste frequentie en
zender op te slaan.
Voorkeurzenders
Om één van de voorgeprogrammeerde radiozenders te selecteren moet u aan de knop ',6& draaien, totdat het nummer van de zender
op het display verschijnt. De voorgeprogrammeerde zender verschijnt op het display.
171
Audiosysteem (extra)
Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg)
NEWS
Nieuws aan/uit
Druk kort op de toets NEWS om de nieuwsfunctie te activeren. De tekst NEWS verschijnt
in kleine letters op het display. Druk nogmaals
op de toets NEWS, als u de nieuwsfunctie wilt
uitschakelen.
Zodra er een nieuwsbulletin binnenkomt, wordt
de weergave van het cassettedeck, de cd-speler
of de cd-wisselaar onderbroken zodat u het
nieuws kunt beluisteren.
TP
Verkeersinformatie
Wanneer u kort op de toets TP drukt, krijgt u
verkeersinformatie van RDS-zenders door. Als
u deze functie hebt ingeschakeld, staat er “TP”
op het display. Wanneer het systeem in de
cassette- of cd-stand staat, stemt de radio op de
achtergrond automatisch af op een goed te
ontvangen FM-zender die verkeersinformatie
uitzendt. Als u een cassette of cd beluistert
wanneer er verkeersinformatie binnenkomt,
wordt de weergave van de cassette of cd onderbroken en hoort u de verkeersinformatie op het
volume dat u hebt ingesteld voor het beluisteren
van verkeersinformatie.
Na afloop van de verkeersinformatie neemt het
systeem het oude volume weer aan en wordt de
cassette of cd verder afgespeeld.
172
• Verkeersinformatie is alleen te beluisteren, wanneerTP en
tegelijk op het
display staan.
• Als het display alleen TP aangeeft,
betekent dit dat er geen verkeersinformatie wordt uitgezonden door de beluisterde radiozender.
• Als u een verkeersbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets TP drukken.
De TP-functie is dan nog steeds actief,
maar de radio wacht op het volgende
verkeersbulletin.
• Als u de TP-functie wilt uitschakelen,
moet u op de toets TP drukken. De
aanduiding TP verdwijnt dan van het
display.
Als u een nieuwsbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets NEWS drukken.
De weergave van het nieuwsbulletin wordt dan
beëindigd. De nieuwsfunctie is dan nog steeds
actief, maar de radio wacht op het volgende
nieuwsbulletin. Druk nogmaals op de toets
NEWS om de nieuwsfunctie uit te schakelen.
De tekst NEWS verdwijnt dan van het display.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie
verschijnt dan in tekstvorm op het display. Druk
enkele seconden op de toets NEWS om een
verzonden radiotekst op te roepen. De tekst
verschijnt vervolgens op het display. Wanneer
u kort op de toets NEWS drukt, beëindigt u de
weergave van de radiotekst.
Audiosysteem (extra)
Programmatype
Met de PTY-functie kunt u direct programma’s
met een bepaald onderwerp kiezen. Ga als volgt
te werk om een zender met een bepaald
programmatype te zoeken.
1. Druk op de toets 37<. Het programmatype
van de ingestelde radiozender verschijnt op
het display.
2. Wanneer u aan de knop ±',6& draait,
kunt u door de lijst met programmatypes
bladeren.
3. Wanneer u het gewenste programmatype
hebt gevonden, drukt u op de knop ±
',6& om uw keuze te bevestigen. De radio
zoekt vervolgens naar een radiozender met
het geselecteerde programmatype.
4. Als de radio een zender met het gekozen
programmatype heeft gevonden, wordt
deze zender ingesteld. Als er geen zender
met het gekozen programmatype kan
worden gevonden, hervat de radio de
voorgaande stand. De PTY-functie is dan
stand-by. Dit blijft zo totdat er een
programma van het gekozen type wordt
uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat
de radio automatisch over op de zender die
het geselecteerde programmatype uitzendt.
5. Als er meerdere zenders met het gekozen
programmatype zijn, kunt u één van de
zenders kiezen met de toetsen
,
of
SCAN. De PTY-functie blijft actief, totdat
de radio een zender met het gekozen
programmatype heeft gevonden. Dit is
tevens het geval zolang de ingestelde
zender een programma van het gekozen
type uitzendt.
6. Om de radio weer stand-by te zetten moet u
nogmaals op de toets PTY drukken.
Wanneer u een cd of cassette beluisterde,
wordt deze verder afgespeeld totdat het
gekozen programmatype opnieuw wordt
uitgezonden.
7. Om de PTY-functie uit de stand-by-stand te
halen, moet u nogmaals op de toets PTY
drukken. Het PTY-symbool verdwijnt dan.
3URJUDPPDW\SH
Nieuws
Actualiteiten
Informatie
Sport
'LVSOD\WHNVW
Nieuws
Current
Info
Sport
3URJUDPPDW\SH
Educatie
Hoorspel
Kunst en cultuur
Wetenschap
Vermaak
Pop
Rock
Easy listening
Licht klassiek
Serieus klassiek
Overige muziek
Weer
Financieel nieuws
Kinderprogramma’s
Maatschappelijke
programma’s
Religie
Inbelprogramma’s
Reizen
Ontspanning
Jazz
Country
Nationale muziek
Gouwe ouwe
Volksmuziek
Documentaires
Alarmtest
!!ALARM!!
PTY ontbreekt
'LVSOD\WHNVW
Educ
Hoorspel
Culture
Science
Enterta
Pop
Rock
Easy list
L Class
Classical
Other M
Weer
Financieel nieuws
Kinderprogramma’s
Social
Spiritual
Telephone
Travel
Leisure
Jazz
Country
Nation M
“Oldies”
Folk
Document
Alarmtest
!!Alarm!!
Pty Miss
173
Audiosysteem (extra)
Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg)
Geavanceerde gebruikersstand
(Advanced User Mode)
1. Om één van de functies in de AUM-stand
te activeren moet u het volgende doen.
Zorg dat de radio is uitgeschakeld, druk de
volumeknop in en houd deze minstens 5
seconden lang in deze stand vast.
2. Draai aan de knop±',6& om uw
keuze te maken uit de mogelijke functies
(zie het overzicht met functies op pagina
175).
3. Wanneer u uw keuze gemaakt hebt,
knippert de uitgangswaarde (“default”) die
bij de geselecteerde functie hoort. Druk op
de knop ±',6& om de uitgangswaarde
van de functie te wijzigen (in bijv. ON/
OFF, LOW/MID/HIGH e.d. afhankelijk
van de functie).
4. Selecteer zo nodig andere functies/alternatieven.
Om de fabrieksinstellingen voor alle AUMfuncties te KHUYDWWHQmoet u aan de knop ',6& draaien, totdat de tekst “SET TO
DEFAULT” (uitgangswaarden hervatten) op
het display van de radio verschijnt. Druk
vervolgens op dezelfde knop. Alle fabrieksinstellingen van de AUM-functies worden dan
hervat, waarna de radio de normale stand
inneemt (muziek, nieuws e.d.).
Om eventuele wijzigingen RSWHVODDQen terug
te gaan naar de normale stand, moet u aan de
174
knop ',6&draaien totdat de tekst “BACK
and SAVE” (teruggaan en opslaan) op het
display van de radio verschijnt. Druk
vervolgens nogmaals op knop ',6&.
Om terug te gaan naar de normale stand ]RQGHU
HYHQWXHOHZLM]LJLQJHQRSWHVODDQ, moet u aan de
knop',6&draaien totdat de tekst “BACK
without SAVE” (teruggaan zonder opslaan) op
het display van de radio verschijnt. Druk
vervolgens nogmaals op knop ',6&.
Audiosysteem (extra)
Geavanceerde
gebruikersinstellingen
(de uitgangswaarden zijn onderstreept)
• SET TO DEFAULT (zie pagina 174).
• AF SWITCHING ON/OFF (automatische afstemfunctie) – de AF-afstemfunctie zorgt ervoor dat het toestel op het
sterkste zendersignaal voor het gekozen
programmatype afstemt.
• REGIONAL ON/OFF (regionale radioprogramma’s met automatische afstemfunctie geactiveerd) – Deze functie maakt
het mogelijk om op een bepaalde
regionale zender afgestemd te blijven,
ook al is het bijbehorende zendersignaal
niet bijster krachtig.
• EON (Enhanced Other Networks)
LOCAL/DISTANT – Deze functie geeft
aan of het radioprogramma dat u
beluistert alleen moet worden onderbroken voor bijv. verkeersinformatie of
nieuwsbulletins (voor zover u deze
functies hebt geselecteerd) wanneer het
signaal krachtig is (LOCAL) of ook
wanneer het binnenkomende signaal
zwakker (DISTANT) is.
• NETWORK ALL/TUNED – Met deze
functie kunt u aangeven of het radioprogramma dat u beluistert alleen moet
worden onderbroken voor bijv. verkeersinformatie of nieuwsbulletins (voor
zover u deze functies hebt geselecteerd)
wanneer het signaal afkomstig is van de
zender waarop u hebt afgestemd, bijv.
RADIO3 (TUNED), of ook wanneer er
een signaal binnenkomt via een willekeurig andere zender (ALL).
• LANGUAGE – Met deze functie kunt u
aangeven in welke taal de displayberichten moeten verschijnen (Engels,
Duits, Frans of Zweeds). Deze functie
werkt alleen voor PTY-berichten.
• ASC (Active Sound Control) ON/OFF
(actieve geluidsregeling) – Met de ASCfunctie kunt u het volume van de radiozender automatisch laten afstemmen op
de snelheid waarmee u rijdt.
• ASC TABLE – Met deze functie kunt u
het uitgangsvolume voor de ASC-functie
aangeven (LOW/MID/HIGH).
• SRC ON/OFF – Met deze functie kunt u
de regeling in- of uitschakelen die ervoor
zorgt dat de weergave van de hoge tonen
wordt bijgesteld bij een slechte ontvangst.
Activering van deze functie kan de
ervaren ontvangstkwaliteit verbeteren.
• SRC TABLE – Met deze functie kunt u
het uitgangsvolume voor de SRC-functie
aangeven (LOW/MID/HIGH).
• TAPE DOLBY ON/OFF – Met deze
functie kunt u de Dolby-ruisonderdrukkingsregeling uitschakelen, wanneer u
een cassette beluistert (HU-403/603).
• BACK and SAVE (zie voorgaande
pagina).
• BACK without SAVE (zie voorgaande
pagina).
175
Audiosysteem (extra)
Cassettedeck (HU-403, -603)
Cassetteopening
Cassette uitwerpen
Versneld spoelen
Steek de cassette met de open kant naar rechts
in de opening. Op het display verschijnt “TAPE
Side A”. Wanneer één kant van de cassette is
afgespeeld, schakelt het deck automatisch over
naar de andere kant (auto-reverse). Als er al een
cassette in het deck zit, kunt u de cassette laten
afspelen door aan de knop SOURCE te draaien.
Als u op de uitwerptoets drukt, stopt de cassette
waarna deze wordt uitgeworpen. Draai aan de
knop SOURCE om een andere geluidsbron te
kiezen. Ook als het systeem is uitgeschakeld,
kunt u een cassette plaatsen of uitwerpen.
U kunt de cassette versneld vooruitspoelen met
en achteruitspoelen met
. Tijdens het
versneld spoelen geeft het display “FF”
(vooruit) en “REW” (achteruit) aan. Het
versneld spoelen wordt beëindigd, als u de toets
nogmaals indrukt.
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant van
de cassette wilt beluisteren. Op het display staat
aangegeven welke kant van de cassette wordt
afgespeeld.
176
Ruisonderdrukking Dolby B
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal
geactiveerd. Ga als volgt te werk, als u de
functie wilt uitschakelen. Houd de toets REV
ingedrukt, totdat het Dolby-symbool
van
het display verdwijnt. Druk nogmaals op
dezelfde toets om de Dolby-functie weer te
activeren.
Volgende nummer, vorige
nummer kiezen
Als u de toets
indrukt, spoelt de cassette
automatisch vooruit naar het volgende nummer.
Als u de toets
indrukt, spoelt de cassette
automatisch achteruit naa het vorige nummer.
Deze functie werkt alleen goed wanneer er
tussen de nummers een stilte van ongeveer vijf
seconden is ingelast. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de pijltoetsen.
Audiosysteem (extra)
Cd-speler (HU-603)
Cd-speler
Versneld spoelen
Willekeurige afspeelvolgorde
Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt
ingebracht, moet u voor weergave van de cd
kiezen door aan de knop SOURCE te draaien.
Druk op
of
om een bepaald gedeelte
van een nummer op te zoeken.
Druk op “RND” (random) om de willekeurige
afspeelvolgorde te activeren. De cd-speler
speelt de nummers van de cd dan in een willekeurige volgorde af. Zolang deze functie actief
is staat er “RND” op het display.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande toets drukt, stopt de
cd-speler waarna de cd wordt uitgeworpen.
1%Om veiligheidsredenen hebt u twaalf
seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te
nemen. Daarna wordt de cd weer ingenomen en
verder afgespeeld.
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het nummer dat wordt afgespeeld staat
aangegeven op het display. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de pijltoetsen.
1%Als de kwaliteit van de cd niet voldoet aan
de vereisten zoals beschreven in de norm
EN60908 of als de opname op ondermaatse
apparatuur heeft plaatsgevonden, kan het zijn
dat het geluid te wensen over laat of zelfs
helemaal uitblijft.
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van cd’s met een
opgeplakt etiket. Door de warmte in de cdspeler kan het gebeuren dat het etiket van de
cd loskomt. De cd-speler kan daarbij
beschadigd raken.
177
Audiosysteem (extra)
Cd-speler met interne cd-wisselaar (HU-803)
Cd-speler
Versneld spoelen
Willekeurige afspeelvolgorde
Een interne cd-wisselaar met een magazijn voor
4 cd’s maakt deel uit van het audiosysteem
(HU-803).
Draai aan de knop 6285&(om de cd-wisselaar
in te schakelen. De cd-wisselaar speelt het laatst
gekozen nummer op de laatst gekozen cd af. U
kunt 4 cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar
aanbrengen. Om een nieuwe cd aan te kunnen
brengen moet u een lege positie selecteren. Draai
aan ',6& om een lege positie te vinden.
Zorg dat er “LOAD DISC” verschijnt, voordat u
een nieuwe cd aanbrengt.
Druk op
of
om een bepaald gedeelte
van een nummer op te zoeken.
Druk op 51' (random) om de willekeurige
afspeelvolgorde te activeren. De cd-wisselaar
speelt dan een willekeurig nummer van een
willekeurige cd. De cd-wisselaar kiest daarna
een nieuw willekeurig nummer van een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
“RND” op het display.
Nummer cd selecteren
Draai aan de knop ',6&. Het nummer van
de geselecteerde cd en het gekozen nummer op
deze cd verschijnen op het display.
178
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het nummer van de geselecteerde cd en
het nummer op deze cd dat wordt afgespeeld
staan aangegeven op het display. Als uw
stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u
gebruik maken van de pijltoetsen.
1%Speel uitsluitend cd’s met een diameter
van 12 cm af! Probeer nooit kleinere cd’s af te
spelen!
Audiosysteem (extra)
Externe cd-wisselaar (HU-403, -603, -803) (accessoire)
De cd-wisselaarfuncties zijn alleen
beschikbaar, wanneer het audiosysteem is
aangesloten op de cd-wisselaar van Volvo die
als accessoire verkrijgbaar is.
Cd-wisselaar
Draai aan de knop SOURCE om de cdwisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar
speelt het laatst gekozen nummer op de laatst
gekozen cd af. Als het magazijn van de cdwisselaar leeg is, verschijnt er
“LOAD CARTRIDGE” op het display.
Versneld spoelen
Willekeurige afspeelvolgorde
Druk op
of
om een bepaald gedeelte
van een nummer op te zoeken.
Druk op RND (geldt voor HU-603 en -803) om
de willekeurige afspeelvolgorde te activeren.
Bij het audiosysteem (HU-403) moet u op de
knop SOURCE drukken. De cd-wisselaar speelt
dan een willekeurig nummer van een willekeurige cd. De cd-wisselaar kiest daarna een
nieuw willekeurig nummer van een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
“RND” op het display.
Van nummer wisselen
Druk op
om naar het volgende nummer te
gaan of op
om naar het vorige nummer te
gaan. Het nummer van de geselecteerde cd en
het nummer op deze cd dat wordt afgespeeld
staan aangegeven op het display. Als uw
stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u
gebruik maken van de pijltoetsen.
Nummer cd selecteren
Draai aan de knop 1-20/DISC. Het nummer van
de geselecteerde cd en het gekozen nummer op
deze cd verschijnen op het display.
179
Audiosysteem (extra)
Dolby Surround Pro Logic
In combinatie met een centrale luidspreker in
het midden van het dashboard zorgt Dolby
Surround Pro Logic voor een zeer realistische
geluidsweergave.
De normale stereokanalen links en rechts
worden dan opgedeeld in links, midden en
rechts. Bovendien produceren de luidsprekers
achterin het zogeheten “Ambient Surround
Sound”. Dit effect evenaart de nagalm in de
opnameruimte.
Tegenwoordig wordt de meeste muziek
zodanig opgenomen, dat het geluid van de
vocalist/solist recht van voren komt en dat van
het begeleidende orkest van links, rechts en van
achteren. Op die manier zorgt Dolby Surround
Pro Logic voor een geluidsweergave die zeer
dicht bij de originele opnamesituatie ligt.
Let er bij het gebruik van Dolby Surround Pro
Logic op dat de geluidsweergave voor de inzittenden achterin verschilt van die voor de inzittenden voorin.
Dolby Surround Pro Logic
Mode*
Druk op “
PL” om Dolby Surround Pro
Logic Mode in te schakelen. Op het display
verschijnt “Dolby Pro Logic”. Druk op 2))
om terug te keren naar 2-kanaals stereoweergave.
* De Dolby Surround Pro Logic Mode werkt
alleen, wanneer u een cd, cassette of FM-zender
beluistert. Als u naar een andere radiozender
luistert, moet u voor 3-kanaals stereoweergave
(3–CH) kiezen.
180
3-kanaal stereo
Druk op de toets&+om de 3-kanaals stereoweergave te activeren. Op het display verschijnt
de tekst “3 ch”. Druk op 2)) om terug te keren
naar de 2-kanaals stereoweergave.
Audiosysteem (extra)
vermogen van “Ambient Surround Sound”,
wanneer “Dolby Surround Pro Logic” actief is.
Volume centrale luidspreker
Stel het volume van de centrale luidspreker in
door de knop in te drukken, deze naar buiten te
trekken en vervolgens naar links of rechts te
draaien. In de middelste stand is het volume
normaal. Druk de knop na de instelling weer in
de oorspronkelijk stand terug.
Uitgangsvermogen
achterluidsprekers (“Ambient
Surround Sound”)
Stel het uitgangsvermogen van de achterste
luidsprekerkanalen in door de knop in te
drukken, deze uit te trekken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien. In de middelste
stand is het uitgangsvermogen normaal. Druk
na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug. Met deze knop regelt u het uitgangs181
Audiosysteem (extra)
Technische gegevens
Alarm
HU-403
HU-803
Vermogen
Impedantie
Bedrijfsspanning
4 x 25 W
4 Ohm
12V, negatieve massa
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
53 – 279 kHz
HU-603
Vermogen
Impedantie
Bedrijfsspanning
Externe versterker
(extra)
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
182
4 x 25 W
4 Ohm
12V, negatieve massa
4 x 50 W of 4 x 75 W
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
153 – 279 kHz
Vermogen
1 x 25 W
(centrale luidspreker)
Impedantie
4 Ohm
Bedrijfsspanning
12V, negatieve massa
Externe versterker 4 x 50 W of 4 x 75 W
HU-803 moet worden aangesloten op een
externe versterker.
5DGLR
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
153 – 279 kHz
Er verschijnt “Alarm!” op het display, wanneer
er een alarmmelding wordt verzonden. Deze
functie wordt gebruikt om u attent te maken op
ernstige ongelukken of calamiteiten, zoals
ingestorte bruggen of ongelukken in kerncentrales.
Dolby ruisonderdrukking wordt geproduceerd
onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby en de dubbele D
zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing Corporations.
Dolby Surround Pro Logic is een geregistreerd
handelsmerk van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround Pro Logic wordt
geproduceerd onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Telefoon (extra)
Telefoonsysteem
184
Beknopte bedieningsinstructies
186
Bel-opties
187
Geheugenfuncties
190
Menu’s
191
Overige informatie
195
183
Telefoon (extra)
Telefoonsysteem
Algemene voorschriften
• Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset in de armleuning, moet u de auto
eerst op een veilige plaats parkeren.
• Schakel het systeem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te
bellen, zelfs als de contactsleutel of de SIMkaart is uitgenomen.
• Druk op de Aan/Uit-knop.
• Kies het alarmnummer van het land
waarin u zich bevindt (112 binnen de
EU).
• Druk op de groene toets
.
184
7RHWVHQVHWLQPLGGHQFRQVROH
Met de toetsenset op de middenconsole
kunt u alle functies van het telefoonsysteem sturen.
7RHWVHQVHWRSVWXXUZLHO
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u
de meeste functies van uw telefoonsysteem
regelen.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de
telefoonfuncties. In de actieve stand staan
er altijd telefoongegevens op het display.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om
radio-instellingen te verrichten, moet u
eerst de actieve stand van de telefoon
verlaten, pagina 186.
'LVSOD\
Op het display verschijnen menu’s,
berichten, telefoonnummers e.d.
+DQGVHW
De handset kunt u gebruiken voor privégesprekken waarin u niet gestoord wil
worden.
6,0NDDUW
U brengt de SIM-kaart aan de voorkant van
de toetsenset op de middenconsole aan.
Schakel de telefoon uit en verlaat de
actieve stand als u geen SIM-kaart hebt
aangebracht, omdat u anders geen
berichten voor de overige functies kunt
aflezen van het display.
0LFURIRRQ
De microfoon is ingebouwd in de achteruitkijkspiegel
/XLGVSUHNHU
De luidspreker is ingebouwd in de hoofdsteun van de bestuurdersstoel.
$QWHQQH
De antenne is tegen de voorruit aangebracht, achter de achteruitkijkspiegel.
Telefoon (extra)
185
Telefoon (extra)
Beknopte bedieningsinstructies
SIM-kaart
Systeem in- en uitschakelen
Actieve stand
De telefoon is alleen te gebruiken in combinatie
met een geldige SIM-kaart (Subscriber Identity
Module). U kunt een dergelijke kaart bij uw
provider verkrijgen.
Om het systeem in te schakelen: draai de
contactsleutel in stand I. Druk op de aangegeven knop in de bovenstaande figuur.
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die het telefoonsysteem u biedt, moet het
telefoonsysteem in de actieve stand staan (dit
geldt niet voor binnenkomende gesprekken).
Breng altijd de SIM-kaart aan, wanneer u
gebruik wilt maken van de telefoon. De naam
van uw provider verschijnt dan op het display.
Schakel de telefoon uit en verlaat de actieve
stand als u geen SIM-kaart hebt aangebracht,
omdat u anders geen berichten voor de overige
functies kunt aflezen van het display en de
toetsenset op het stuurwiel niet kunt gebruiken
om de radio te bedienen.
186
U schakelt het systeem als volgt uit: houd de
knop waarmee u het systeem inschakelde ca.
drie seconden ingedrukt. Als u het contact afzet
terwijl het telefoonsysteem actief is, zal het
telefoonsysteem eveneens actief zijn wanneer u
het contact opnieuw inschakelt.
Wanneer u het telefoonsysteem hebt uitgeschakeld, kunt u geen gesprekken aannemen.
Zet de telefoon in de actieve stand door te
drukken op
op het bedieningspaneel of op
de toetsenset op het stuurwiel.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display.
Druk op
om de actieve stand te verlaten.
Telefoon (extra)
Bel-opties
Display
Bellen en gesprekken aannemen
Op het display verschijnen de actuele functies
zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of
instellingen.
U kunt als volgt EHOOHQ kies het nummer en
druk op
op de toetsenset op het stuurwiel of
op de middenconsole (of til de handset op).
U kunt als volgt een inkomend gesprek
DDQQHPHQ Druk op
(of til de handset op).
U kunt ook gebruik van de automatische
aanneemfunctie “Auto antw.”, zie menuoptie 4.3.
Een gesprek beëindigen
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op
de toetsenset van het stuurwiel of op de middenconsole of u legt de handset op. Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande stand staan.
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een
telefoongesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5 voor
het volume van het audiosysteem.
187
Telefoon (extra)
Bel-opties (vervolg)
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een voorkeuzetoets opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van het systeem kunt u koppelen
aan een bepaalde voorkeuzetoets (1–9). U doet
dat als volgt:
Laatst gekozen nummer
Handset
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren,
moet u gebruik maken van de handset.
1. Druk op
van de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole.
2. Blader met de pijltoetsen vooruit
of
achteruit
door de laatst gekozen
nummers.
1. Neem de handset op. Voer het gewenste
nummer in met de toetsenset op de
middenconsole. Druk op
om te bellen.
U regelt het volume met de draaiknop op
de zijkant van de handset.
2. U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
Doe het volgende als u tijdens een lopend
gesprek wilt overgaan op het gebruik van
de handsfree zonder daarvoor het gesprek
te beëindigen: druk op
en kies voor
Handsfree. Druk op
en leg de handset
op, zie pagina 189.
Druk op
bellen.
188
(of neem de handset op) om te
1. Blader met
naar Geheugen bewerken
(menu 3) en druk op
.
2. Blader verder naar Verk. kiezen (menu 3.4)
en druk op
.
3. Druk op de voorkeuzetoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk op
om uw
keuze te bevestigen.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer te
selecteren.
Voorkeuzetoets gebruiken
Druk een voorkeuzetoets ca. twee seconden
lang in om het telefoonnummer te kiezen dat
met de toets opgeslagen is.
1%Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet Menu 4.5
geactiveerd zijn, pagina 194.
Telefoon (extra)
Functies tijdens lopende
gesprekken
Tijdens HHQORSHQG gesprek kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op YES om een keuze te maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Wachten/
Wachten uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Om het lopende wel of
niet te parkeren
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Wanneer u tijdens een ORSHQGJHVSUHNeen
tweede gesprek hebt JHSDUNHHUG, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Samenvoegen
Wisselen
Ruggespraakstand
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Om twee gespreken tegelijk
te voeren (conferentie)
Om te wissen tussen de
twee gesprekken
Wanneer u gekozen hebt voor Samenvoegen en
WZHHORSHQGH gesprekken voert, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/
Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek een geluidssignaal onmiddellijk gevolgd door twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen.
De twee korte geluidssignalen worden
herhaald, totdat u het gesprek beantwoordt of de
beller oplegt.
U kunt het tweede gesprek dan wel of niet
aannemen.
SMS
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een SMSbericht is binnengekomen.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken. Verlaag
het volume door op de (–) van de toetsenset op
het stuurwiel te drukken.
Als u het gesprekQLHW wilt aannemen, moet u op
drukken of niets doen.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen
de telefoonfuncties regelen.
Als het gesprek echter ZHO wilt aannemen, moet
u op
drukken. U parkeert het lopende
gesprek dan tijdelijk. Als u op
drukt,
worden beide gesprekken beëindigd.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radioinstellingen te verrichten, moet u eerst de
actieve stand van de telefoon verlaten, pagina
186.
189
Telefoon (extra)
Geheugenfuncties
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de SIM-kaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van één van de nummers die in het telefoonboek
liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam
op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
1. Druk op
en blader naar Geheugen
bewerken (menu 3). Druk vervolgens op
.
2. Blader verder naar Toevoegen (menu 3.1)
en druk op
.
3. Voer het gewenste nummer in en druk op
.
4. Voer de bijbehorende naam in en druk op
.
5. Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met
en druk
vervolgens op
.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
190
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1 om
een spatie in te voegen.
spatie 1 - ? ! , . : ' ( )
abc2äåàáâæç
def3èéëê
ghi4ìíîï
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
wxyz9
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken van een toets in te voeren
moet u na de eerste maal op *
drukken of enkele seconden
wachten.
[email protected]*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters
en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken te
wissen. Wanneer u de toets lang
ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn geheel
wissen.
Nummers uit het geheugen
bellen
1. Druk op
.
2. Kies uit de volgende mogelijkheden:
• Druk op
en blader met de pijltoetsen
naar de naam van uw keuze.
• Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
.
3. Druk op
om het geselecteerde nummer
te bellen.
Telefoon (extra)
Menu’s
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende
menu-opties worden op het display weergegeven.
Verkeersveiligheid
Menusysteem
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
Druk op
Om veiligheidsredenen is het menusysteem niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U
kunt de begonnen activiteiten in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
om het menusysteem te activeren.
In het menusysteem geldt het volgende:
• Wanneer u
lang ingedrukt houdt,
verlaat u het menusysteem.
• Wanneer u kort op
drukt, annuleert,
hervat of verwerpt u een
optie.
• Wanneer u op
drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
• Met de toets
gaat u naar het volgende
submenu. Met de toets
gaat u naar
het vorige submenu.
Sneltoetsen
Wanneer u met de toets
naar het
menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de cijfertoetsen in plaats van de
pijltoetsen en de groene toets
om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau (1, 2, 3
etc.), het eerste subniveau (1.1, 2.1, 3.1 etc.) en
het tweede subniveau (1.1.1, 2.1.1 etc.) te
springen. De cijferaanduiding van het geselecteerde menu staat samen met de naam van de
menu-optie op het display weergegeven.
191
Telefoon (extra)
Menu’s (vervolg)
Hoofdmenu’s/Submenu’s
2SURHSUHJLVWHU
*HPRSURHS
2QWYRSURHS
*HEHOG
:LVOLMVW
1.4.1. Alles
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
'XXURSURHS
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
%RRGVFKDSSHQ
/H]HQ
,QYRHUHQ
9RLFHPDLO
,QVWHOOLQJHQ
2.4.1. SMSC-nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
192
*HKHXJHQEHZHUNHQ
7RHYRHJHQ
=RHNHQ
3.2.1. Bewerken
3.2.2. Wissen
3.2.3. Kopiëren
3.2.4. Verplaatsen
$OOHVNRSLsUHQ
3.3.1. SIM naar tel
3.3.2. Tel naar SIM
9HUNNLH]HQ
6,0JHKHXJHQZLVVHQ
7HOHIRRQJHKHXJHQZLVVHQ
6WDWXV
%HORSWLHV
1XPPHUPHH
2SURHSZDFKW
$XWRDQWZ
$XWRKHUN
9HUNNLH]HQ
'RRUVFKDNHOHQ
4.6.1. Alle oproepen
4.6.2. Bij bezet
4.6.3. Onbeantwoord
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Faxoproepen
4.6.6. Dataoproepen
4.6.7. Alles annul.
,QVWHOOLQJHQ
)DEULHN
1HWZHUN
7DDO
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
6,0EHYHLOLJG
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
:LM]LJFRGHV
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode
*HOXLGHQ
5.6.1. Belvolume
5.6.2. Belsignaal
5.6.3. Toetsklik
5.6.4. Aanp. Snelh.
5.6.5. RadioAutMute
5.6.6. Nieuw SMS-bericht
5LMYHLOLJ
Telefoon (extra)
0HQX2SURHSUHJLVWHU
*HPLVWHRSURHSHQ
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de SIM-kaart om ze later te
bewerken.
2QWYDQJHQRSURHSHQ
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
ontvangen oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen
van de telefoon of op de SIM-kaart om ze later
te bewerken.
*HEHOG
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gekozen nummers. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de SIM-kaart om ze later te
bewerken.
:LVOLMVW
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1. Alles
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
'XXURSURHS
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen de laatste te zien.
U kunt ook het aantal oproepen bekijken en de
timer resetten.
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over de
telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
0HQX%RRGVFKDSSHQ
/H]HQ
In dit menu kunt u de ingekomen boodschappen
lezen. U kunt de gelezen boodschappen (of
gedeelten ervan) vervolgens wissen,
doorsturen, wijzigen of opslaan.
,QYRHUHQ
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
9RLFHPDLO
In dit menu kunt u de binnengekomen
gesproken boodschappen beluisteren.
,QVWHOOLQJHQ
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de geadresseerde moet bereiken en hoelang deze in de
mailbox moet blijven liggen.
2.4.1. SMSC-nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
Neem contact op met uw provider voor informatie
over deze instellingen en het SMSC-nummer.
0HQX*HKHXJHQEHZHUNHQ
7RHYRHJHQ
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het geheugen
van de telefoon of op de SIM-kaart. Zie het
hoofdstuk over de geheugenfuncties voor meer
informatie.
=RHNHQ
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in
het geheugen.
3.2.1. Bewerken: Gegevens in de verschillende geheugens wijzigen.
3.2.2. Wissen: Een opgeslagen naam wissen.
3.2.3. Kopiëren: Een opgeslagen naam
kopiëren.
3.2.4. Verplaatsen: Gegevens overhevelen
tussen het geheugen van de telefoon
en dat van de SIM-kaart.
$OOHVNRSLsUHQTelefoonnummers en
namen op de SIM-kaart kopiëren naar het
geheugen van de telefoon.
3.3.1. Van het geheugen op de SIM-kaart
naar dat van de telefoon
3.3.2. Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de SIM-kaart
9HUNRUWNLH]HQ
Een nummer dat in het telefoonboek ligt
opgeslagen, kunt u aan een voorkeuzetoets met
een bepaald nummer koppelen.
6,0JHKHXJHQZLVVHQ
In dit menu kunt u het complete geheugen op de
SIM-kaart wissen.
7HOHIRRQJHKHXJHQZLVVHQ
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
6WDWXV
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de namen
en telefoonnummers in het geheugen op de
SIM-kaart en in dat van de telefoon.
193
Telefoon (extra)
Menu’s (vervolg)
0HQX%HORSWLHV
1XPPHUPHH
Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op het
display van de ontvanger moet verschijnen.
Neem contact op met uw provider voor een
permanent geheim nummer.
2SURHSZDFKW
Geef aan of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede oproep wacht.
$XWRDQWZ
Geef aan of u wilt kunnen antwoorden zonder
gebruik te maken van de toetsenset.
$XWRPDWLVFKKHUNLH]HQ
Geef aan of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten herkiezen.
9HUNRUWNLH]HQ
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeuzetoets. De
functie moet geactiveerd zijn om verkort te
kunnen kiezen.
'RRUVFKDNHOHQ
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld naar
het gespecificeerde telefoonnummer.
4.6.1. Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
4.6.2. Bij bezet
4.6.3. Onbeantwoord
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Faxoproepen
4.6.6. Dataoproepen
4.6.7. Alles annul.
194
0HQX,QVWHOOLQJHQ
)DEULHNVLQVWHOOLQJHQ
Functie om de fabrieksinstellingen te herstellen.
1HWZHUN
Geef aan of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren.
5.2.1. Auto
5.2.2. Handmatig
7DDO
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10.Italiano
5.3.11.Español
5.3.12.Português P
5.3.13.Português BR
6,0EHYHLOLJG
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van de
PIN-code actief of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
:LM]LJFRGHV
In dit menu kunt u uw PIN-code of uw
telefooncode wijzigen.
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode (gebruik 1234, voordat
u overgaat op uw eigen code). U
gebruikt de telefooncode om de
timer op nul te kunnen stellen.
1%Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
*HOXLGHQ
5.6.1. Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.6.2. Belsignaal: In dit menu kunt u kiezen uit verschillende soorten belsignalen.
5.6.3. Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4. Aanp. Snelh.: Geef aan of het
volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.6.5. RadioAutMute: Hier kunt u aangeven of u het geluid van de radio wel
of niet wilt uitschakelen tijdens een
telefoongesprek.
5.6.6. Nieuw SMS-bericht: Geef aan of u
wel of geen geluidssignaal wenst bij
de binnenkomst van een nieuw
SMS-bericht.
5LMYHLOLJ
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheidsbegrenzing die geldt voor het menusysteem wel of
niet wilt uitschakelen, zodat u het menusysteem
ook tijdens het rijden kunt gebruiken.
Telefoon (extra)
Overige informatie
Specificaties
Vermogen
SIM-kaart
Geheugenposities
SMS
(Short Message Service)
Data/Fax
Dualband
a.
Radio/Telefoon
Dubbele SIM-kaarten SIM-kaart
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen.
Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten
aan: één voor de autotelefoon en één voor een
andere telefoon. Als u over dubbele SIMkaarten beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van dubbele SIM-kaarten.
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen moet het telefoonsysteem in de
actieve stand staan, pagina 186. Als u de toetsen
wilt gebruiken om radio-instellingen te
verrichten, moet u eerst de actieve stand van de
telefoon verlaten. Druk in dat geval op
.
2W
klein
255a
Ja
Nee
Ja (900/1800)
255 geheugenposities in het
geheugen van de telefoon. Het aantal
geheugenposities op de SIM-kaart
verschilt afhankelijk van het
abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het
IMEI-nummer van de telefoon aan uw
provider doorgeven. Dit nummer is een
serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in
de telefoon geprogrammeerd is. Toets
*#06# op uw telefoon in om het nummer op
het display te zien. Noteer het nummer en
bewaar het op een veilige plaats.
195
Telefoon (extra)
196
Alfabetisch register
Alfabetisch register
Symbols
A
Aanhanger ..................................................110
Aansteker ................................................35, 42
ABS ......................................................30, 103
AC ..........................................................56, 59
Accu ...........................................131, 139, 160
Achterbank ...................................................75
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels .........46
Achteruitrijlichten ......................................145
Actieve stand ..............................................186
Afstandsbediening ........................................80
Afvalbak .......................................................74
“Air Quality Sensor” ....................................56
Airbags .........................................................12
Alarm ............................................................87
Alarmlichten .................................................39
Algemene verlichting ...................................68
“All Wheel Drive” ......................................101
Asbak ............................................................71
Audiosysteem .............................................163
AUTO ...........................................................55
Auto wassen ...............................................124
Automatische vergrendeling ........................82
Automatische versnellingsbak ................94, 97
AWD ..........................................................101
B
Bagageruimte ...............................................75
Bagageruimteverlichting ............................146
Balans .........................................................169
Banden ........................................................118
Banden verwisselen ....................................120
Bandenspanning .........................................119
Bekerhouder ...........................................71, 72
Bekleding ...................................................125
Bel-opties ...................................................187
Benzine .......................................................158
Benzine tanken .............................................92
Bereik tot lege brandstoftank .......................40
Bergen ........................................................108
Blaasmonden ................................................53
Blokkering achteruitversnelling ...................96
Boordcomputer .............................................40
Brandstof ....................................................158
Brandstofmeter .............................................28
Brandstoftank .............................................155
Brandstofverbruik .......................................158
Buitenspiegels ..............................................34
Buitenste hoofdsteunen achterbank ..............34
Buitentemperatuurmeter ...............................28
C
Cassettedeck ...............................................176
Cd-speler ............................................177, 178
Cd-wisselaar ...............................................179
Combifilter met “Air Quality Sensor” .........57
Comfortstand ................................................48
Compact reservewiel ..................................121
Contact- en stuurslot ...............................92, 93
Contactsleutels en elektronische
startblokkering ..............................................93
Controle- en waarschuwingslampjes ......28, 29
Controlelampje .............................................88
Controlelampje aanhanger ............................31
Cruise control ...............................................41
D
D–Rijstand ..............................................97, 99
Dagtellers .....................................................28
Dashboardkastje ...........................................84
Diesel ..................................................133, 158
Dieselolie tanken ..........................................92
Dimlicht ........................................................37
Display .........................................................28
Dolby Surround Pro Logic .........................180
DSTC ......................................................32, 35
E
EBA ............................................................104
EBD ............................................................103
ECC ..............................................................54
Elektrisch bediende ramen ...........................44
Elektrisch bediende voorstoel ......................66
Elektrisch kinderslot .....................................86
Elektrisch systeem ......................................160
Elektrisch verwarmde achterruit ............39, 59
Elektrisch verwarmde buitenspiegels ...........39
Elektrisch verwarmde voorstoelen .........56, 59
Elektrische aansluiting ...........................35, 42
197
Alfabetisch register
F
I
Fader ...........................................................169
Flessenhouder ...............................................74
“Follow-Me-Home”verlichting ....................37
IC-systeem ....................................................17
IEMI-nummer .............................................195
Immobilizer ..................................................80
In de was zetten ..........................................125
Indicatorlampjes richtingaanwijzers ............28
Inhouden .....................................................155
Instapverlichting .........................................146
Instrumentenverlichting ...............................36
Interieurfilter ................................................52
Interieurverlichting .......................................68
Intervalstand .................................................38
Isofix .............................................................24
G
Geartronic .....................................................99
Geavanceerde gebruikersstand ...........173, 174
Gemiddeld brandstofverbruik ......................40
Gereedschap .................................................77
Gevarendriehoek ..........................................78
Geïntegreerd kinderzitje ...............................24
Gloeilamp dimlicht .....................................142
Gloeilamp groot licht .................................142
Gloeilampen .......................................141, 160
Gordelspanners .............................................11
Gordelwaarschuwing ..............................31, 46
Groot licht ..............................................28, 37
H
Handgeschakelde versnellingsbak ................96
Handmatige klimaatregeling met
airconditioning .............................................58
Handrem .................................................31, 42
Handset .......................................................188
Hoge tonen .................................................169
Hoofdsteunen ...............................................75
Houder voor boodschappentassen ................76
Huidig brandstofverbruik .............................40
198
K
Katalysator .................................................157
Kentekenplaatverlichting ...........................146
Kilometerteller .............................................28
Kinderen en veiligheid .................................22
Kinderslot ...............................................35, 85
Kinderzitje ..............................................22, 24
Kleurcode ...................................................126
Klokje ...........................................................28
Knalgas .......................................................140
Koelsysteem ...............................................156
Koelventilator .............................................132
Koelvloeistof ..............................................136
Kooldioxide ................................................158
Koplampen ...........................................36, 141
Koplamphoogteverstelling ...........................36
Koplampsproeier ..........................................38
Koplampwisser ...........................................138
Koude start ...................................................94
Krik .......................................................77, 122
L
L – Lageversnellingsstand ............................97
Lage tonen ..................................................169
Lageversnellingsstand ..................................97
Lak ..............................................................126
Lakschade ...................................................126
Lambdasonde TM ......................................157
Leeslampje ...........................................68, 148
Lichtsignaal ..................................................37
Luchfilter ....................................................132
Luchtverdeling .......................................56, 60
M
Maataanduiding ..........................................118
Maten en gewichten ...................................155
Menu’s ........................................................191
Middenconsole .............................................71
Mistachterlicht ..............................................36
Mistlampen ...........................................31, 145
Mistlampen voor ........................................144
Motor starten ................................................93
Motorkap ....................................................132
Motorruimte ...............................................132
Motorspecificaties ......................................161
Muntvak .......................................................71
N
N – Neutraalstand ...................................97, 99
Alfabetisch register
Nieuws, NEWS ..........................................172
Noodoproepen ............................................184
Normale bocht ..............................................37
O
Olie .............................................................134
Oliedruk ........................................................31
Oliefilter .....................................................134
Ontdooier ......................................................55
Ontgrendelen ................................................82
Opbergmogelijkheden in
passagierscompartiment ...............................70
Opbergvakken ..............................................71
Opblaasgordijn .............................................17
P
P – Parkeerstand .....................................97, 99
Plafondverlichting ......................................147
Poetsen .......................................................124
Programmatype, PT ....................................173
R
R – Achteruitrijstand ..............................97, 99
Radiateur ....................................................132
Radio ..........................................................167
Recirculatie .............................................56, 60
Regensensor .................................................38
Remkring ....................................................102
Remlichten .................................................145
Remsysteem .........................................30, 102
Remvloeistof ..............................................137
Reservewiel ..........................................77, 121
Reservoir sproeiervloeistof ........................136
Richtingaanwijzer .......................................143
Richtingaanwijzerhendel ..............................37
Richtingaanwijzers .....................................145
Roestwering ................................................127
Ruggedeelte ..................................................75
Rugleuning ...................................................65
Ruitensproeier ..............................................38
Ruitenwisser .................................................38
SRS ...............................................................12
Stabiliteitssysteem ......................................104
Stadslichten ..........................................36, 143
Standverwarming .........................................61
Starten met hulpaccu ..................................109
Starthulp .....................................................109
STC .................................................32, 34, 104
Steenslagplekken ........................................126
Stuurbekrachtiging .....................................101
Stuurwielafstelling .......................................42
S
T
Safelock-functie ...........................................84
Schakelaars op middenconsole .....................34
Schakelblokkering ........................................95
Schakelstanden .............................................96
Schoonmaken .............................................124
Schuifdak ......................................................48
Service ........................................................130
SIM-kaart ...................................184, 186, 195
SIPS-airbags .................................................15
Sleepoog .....................................................108
Slepen .........................................................108
Sleutelblokkering .........................................95
Sleutels .........................................................80
Slijtage-indicatoren ....................................120
Smeermiddelen ...........................................156
Sneeuwkettingen ................................101, 119
Snelheidsmeter .............................................28
Spijkerbanden .............................................118
Spoilerlampen ...............................................36
Sproeiervloeistofreservoir ..........................132
Tanken ..........................................................92
Tankvuldop ...................................................92
Technische gegevens ..................................153
Telefoon .....................................................183
Temperatuur .................................................55
Temperatuurmeter ........................................28
Terugschakelblokkering ...............................97
Terugverende stand ......................................37
Toerenteller ..................................................28
Trekhaak .....................................................112
Type-aanduidingen .....................................154
U
Uitlaatgasreinigingssysteem .........................31
Uitschakelen, safelock-functie .....................35
V
Veiligheidsgordel .........................................10
Ventilatiestand ..............................................48
199
Alfabetisch register
Ventilator ................................................55, 59
Vergrendelen ................................................82
Verkeersinformatie, TP ..............................172
Verlichtingspaneel ........................................36
Verstralers ....................................................34
Vierwielaandrijving ....................................101
Viscositeit ...................................................134
Vloermatten ..................................................69
Voorgloeifunctie motor ................................31
Voorruitwisser ............................................138
Voorstoelen ..................................................64
W
W – Winterprogramma .........................98, 100
Waarschuwingssymbool ...............................29
Wielen ........................................................118
Wielophanging ...........................................159
Winterbanden .............................................118
Wisserbladen ..............................................138
Z
Zekeringen ..................................................148
Zij-airbag ......................................................15
Zijmarkeringslicht ......................................145
Zonnescherm ................................................48
Zuinig rijden .................................................94
200
6SURHLHUYORHLVWRI Zorg dat u het reservoir
altijd goed gevuld houdt. Gebruik tijdens de
wintermaanden antivries! Zie pagina 136.
6WXXUEHNUDFKWLJLQJ Zorg dat het peil tussen
de MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 137.
.RHOYORHLVWRI Zorg dat het peil tussen de
MIN- en MAX-streepjes op het expansiereservoir
ligt. Zie pagina 136.
1. Richtingaanwijzers
PY21W
(oranje)
2. Dimlicht
55W H7
5HPYORHLVWRI Zorg dat het peil tussen de
MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 137.
3. Stadslichten
W5W
4. Groot licht
55W HB3
5. Mistlampen, vóór
R-versie
55W H1
55W H3
6. Mistachterlicht
21W BA5
7. Stadslichten
en achterlichten
5W BA15
8. Remlichten
21W BA15
9. Zijmarkeringslicht
P10W
10. Richtingaanwijzers
PY21W
(oranje)
11. Achteruitrijlichten
21W BA15
TP 6682 (Dutch) AT0346 2.700.10.03 Printed in Sweden, TElanders Graphic Systems AB, Göteborg 2003
VOLVO
S60 & S60 R
TP 6682
0RWRUROLH Zorg dat het peil tussen de streepjes
op de peilstok ligt. Zie pagina 135.
I N S T R U C T I E B O E K J E V O LV O S 6 0
*ORHLODPSHQ
5HJHOPDWLJFRQWUROHUHQ
2004
52762 S60 Holland.indd 1
2003-09-12, 11.49.57
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertisement