PE242SHI010 | Honda PE242SHI010 PETROL GENERATOR instruction manual

GX120 GX160 GX200
Serienummer en motortype
INSTRUKTIEHANDLEIDING
39ZH7710
00X39-ZH7-7101
HONDA EUROPE N.V.(EEC)
1
www.honda-engines-eu.com
Wij danken U voor de aankoop van een Honda-motor.
Dit handboek behandelt de bediening en het onderhoud van de motoren
GX120 GX160 GX200
Alle informatie in deze publikatie is gebaseerd op de laatste informatie, die
beschikbaar was op het tijdstip van goedkeuring voor druk.
Honda Motor Co., Ltd. houdt zich het recht voor op elke moment
wijzigingen aan te brengen zonder voorafgaandelijke kennisgeving en zonder enige verplichting aan te gaan.
Geen enkel deel van deze publikatie mag zonder schriftelijke toestemming
gekopieerd worden.
Deze handleiding dient beschouwd te worden als een permanent onderdeel
van de motor en dient bij doorverkoop bij de motor te blijven.
Besteed bijzondere aandacht aan de verklaringen, die voorafgegaan worden door de volgende woorden:
Duidt op een grote mogelijkheid van ernstig persoonlijk letsel of de dood, als de aanwijzigingen niet opgevolgd worden.
Duidt op mogelijk persoonlijk letsel of schade aan uitrusting, indien de aanwijzigingen niet opgevolgd worden.
Duidt erop, dat bij het niet in acht nemen van de instrukties een beschadiging van de machine of andere materiële schade kan
optreden.
Geeft bruikbare informatie.
Indien storingen optreden, of indien U eventuele vragen over uw motor
heeft, neem dan kontakt op met uw erkende Honda-verdeler.
De Honda-motor is gekonstrueerd voor een veilig en betrouwbaar gebruik,
wanneer hij overeenkomstig de instruktiehandleiding bediend wordt. Lees
deze instruktiehandleiding voor een goed begrip door, voordat U de motor
in bedrijf neemt. Het niet in acht nemen van de instrukties kan persoonlijk
letsel of beschadiging van de uitrusting tot gevolg hebben.
2
VEILIGHEIDSINSTRUKTIES
Om veilig te werken−
De Honda motor is ontworpen voor veilig en
betrouwbaar gebruik indien deze volgens de aanwijzingen wordt bediend. Lees de gebruiksaanwijzing alvorens gebruik van de motor zorgvuldig
door. Dit nalaten kan persoonlijk letsel of beschadiging van de apparatuur veroorzaken.
Voor het begin van het werk altijd een nazicht vóór inbedrijfsname
uitvoeren (pag. 6 ). U kunt daardoor een ongeval of een beschadiging
van de motor vermijden.
Om brandgevaar te voorkomen en om voor voldoende ventilatie te zorgen de motor bij bedrijf op minstens 1 m afstand van gebouwen en andere uitrusting opstellen. Geen brandbare stoffen in de buurt van de motor
brengen.
Kinderen en huisdieren moet uit de werkzone gehouden worden, omdat
de mogelijkheid van verbranding door hete onderdelen van de motor of
letsels door andere uitrusting, waarvoor de motor moet dienen, bestaat.
U moet weten, hoe U de motor snel kunt uitzetten, bovendien dient
U zich vertrouwd te maken met de werking van bedieningselementen.
Laat niemand zonder juiste instruktie de motor gebruiken.
Geen licht ontvlambare stoffen zoals benzine, lucifers, enz. in de buurt
van de motor bewaren, wanneer deze in bedrijf is.
Brandstof moet bijgevuld worden in een goed geventileerde ruimte met
uitgeschakelde motor. Benzine is uiterst brandgevaarlijk en onder bepaalde omstandigheden explosief.
Vul de tank niet tot aan de rand.
Let erop, dat de tankdop goed gesloten is.
Indien benzine gemorst is, beslist ervoor zorgen, dat deze plek vóór het
starten van de motor volkomen droog is en dat de benzinedampen
vervlogen zijn.
Bij het tanken of in de ruimte waar brandstof is opgeslagen niet roken of
open vuur gebruiken.
De uitlaatgassen bevatten giftig koolmonoxidegas; het inademen ervan
kan leiden tot bewusteloosheid of zelfs tot de dood. De motor nooit in
een afgesloten of te kleine ruimte laten draaien.
De motor op een stabiele basis plaatsen. De motor niet meer dan 20° uit
de horizontale positie kantelen. Als de motor te scheef staat, bestaat het
gevaar dat er brandstof uitloopt.
3
VEILIGHEIDSINSTRUKTIES
Om veilig te werken−
Geen voorwerpen op de motor leggen, aangezien dit een brand kan veroorzaken.
Voor deze motor is een vonkenvanger als accessoire verkrijgbaar. In
veel gebieden is het gebruik van een vonkenvanger wettelijk voorgeschreven. Kontroleer daarom vóór de inbedrijfsname de plaatselijke
voorschriften.
De geluiddemper wordt tijdens bedrijf zeer heet en blijft ook na het uitzetten van de motor lang tijd heet. Let erop de geluiddemper niet aan te
raken, wanneer deze heet is. Om zware verbrandingen en brandgevaar
te vermijden de motor laten afkoelen, alvorens te verplaatsen of in een
binnenruimte op te slaan.
PLAATS VAN VEILIGHEIDSLABEL
Dit label waarschuwt u voor gevaren die mogelijk ernstig letsel tot gevolg
hebben. Lees goed door.
Raadpleeg uw Honda dealer indien een label niet goed te lezen is of loszit.
LEES GEBRUIKSAANWIJZING
4
AKKUAANSLUITINGEN
(voor elektrische startmotor)
Gebruik een akku van 12 Volt met een kapaciteit van minstens 18 AH.
Sluit de positieve (+) accukabel aan op de solenoid-aansluiting van de
starter, zoals aangegeven.
De negatieve (−) akkukabel aan een bevestigingsbout van de motor, bout
van het chassis of een andere geschikte plaats van de motor met massa
aansluiten.
Zorg ervoor, dat de aansluitingen van de akkukabels goed bevestigd en niet
gekorrodeerd zijn. Evtl. sporen van korrosie verwijderen en de
aansluitingen en uiteinden van de kabels met een laag vet insmeren.
NEGATIEVE(−)
AKKUKABEL
SOLENOIDSCHAKELAAR
VAN DE STARTMOTOR
POSITIEVE(+)
AKKUKABEL
(naar motorbak)
De akku produceert een explosief gasmengsel; vonken, open vuur en sigaretten uit de buurt van de akku houden. Zorg bij het laden of gebruik
van akku’s in een afgesloten ruimte voor een goede ventilatie.
De akku bevat zwavelzuur (elektroliet); aanraking met de huid of de
ogen kan zware verbrandingen veroorzaken. Beschermkleding en een
gelaatmasker dragen.
− Wanneer akkuzuur op de huid komt onmiddellijk met water afwassen.
− Wanneer dit in de ogen komt minstens 15 minuten met water
uitspoelen en onmiddellijk een arts raadplegen.
Akkuzuur is giftig.
− Wanneer akkuzuur ingeslikt wordt, overvloedig water of melk drinken,
dan magnesiummelk of slaolie innemen en onmiddellijk een arts
raadplegen.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN.
Voor het bijvullen alleen gedistilleerd water gebruiken. Normaal
leidingwater verkort de levensduur van de akku.
De akku niet boven het merkteken UPPER vullen, aangezien dit kan leiden tot overlopen en daardoor korrosieschade aan de motor of onderdelen in de buurt kan veroorzaken. Gemorst akkuzuur onmiddellijk met water afwassen.
Let erop, dat de akku met de juiste polariteit aangesloten wordt. Door
een onjuiste aansluiting kan in het laadsysteem een kortsluiting ontstaan, waardoor de circuitbreker uitschakelt.
5
NAZICHT VOOR DE INBEDRIJFSNAME
1. Motoroliepeil
Wanneer de motor werkt met te weinig olie, kan dit ernstige
motorschade tot gevolg hebben.
Zorg ervoor, de motor op een vlakke ondergrond met uitgeschakelde
motor na te zien.
1. De olievuldop verwijderen en de oliepeilstaat schoon vegen.
2. Steek de peilstok in de olievulpijp maar draai hem niet in. Controleer het
olieniveau op de peilstok.
3. Bij laag oliepeil de aanbevolen olie tot aan de rand van de olievulopening
bijvullen.
Honda-viertakt-motorolie of een gelijkwaardige, top kwaliteit motorolie met
een hoog detergentgehalte gebruiken,
dat overeenstemt met de
kwaliteitsklasse SG,SF van de
Amerikaanse auto mobielfabrikanten of
deze overtreft. De houders van motorolie
van de kwaliteitsklasse SG, SF zijn overeenkomstig gekenmerkt.
SAE 10W-30 wordt aanbevolen voor de
algemene toepassing bij alle temperaturen. Wanneer single grade-olie gebruikt
wordt, dan moet de geschikte viskositeit
voor de gemiddelde temperatuur van het
gebied, waar de motor gebruikt wordt,
gekozen worden.
Ambient temperature
SINGLE VISCOSITY
MULTI VISCOSITY
Het gebruik van niet-oplosbare olie of 2-takt olie zou de levensduur van de
motor kunnen verkorten.
OLIEVULDOP/PEILSTOK
OLIEPEIL
6
2. Olie van de reduktiekast
Kontroleer het oliepeil van de reduktiekast.
Indien nodig motorolie van de klasse SG, SF bijvullen.
〈1/2 reduktie met automatische centrifugale koppeling〉
1. De olievuldop verwijderen en de oliepeilstaat schoon vegen.
2. Steek de peilstok in de vulpijp maar draai hem niet in. Controleer het
olieniveau op de peilstok.
3. Wanneer het oliepeil te laag is, met de aanbevolen motorolie tot aan het
bovenste merkteken opvullen (zie motorolie-aanbevelingen op pag. 6 ).
Olie-inhoud:
0,50
VULDOP/PEILSTOK
BOVENSTE PEIL
AFTAPSTOP
〈1/6 reduktie〉
1. Verwijder de oliepeilstop.
2. Kontroleer het oliepil; het dient aan de rand van het gat van de
oliepeilstop te staan. Als het peil te laag is, verwijder de olievulstop en
vul olie bij, tot deze uit het gat van de oliepeilstop begint te lopen.
Gebruik dezelfde olie als voorgeschreven voor de motor (zie
motorolieaanbevelingen op pagina 6 ).
3. Installeer de oliepeilstop en vulstop. Draai ze stevig vast.
Olie-inhoud:
0,15
VULSTOP
OLIEPEILSTOP
7
3. Luchtfilter
De motor nooit zonder luchtfilter laten
draaien, aangezien dit tot een versnelde
slijtage van de motor leidt.
ELEMENTEN
〈Uitvoering met dubbel element〉
1. De elementen van de luchtfilter kontroleren om er zeker van te zijn, dat deze
proper en in goede staat zijn.
2. De elementen, indien nodig, reinigen of
vervangen (pag. 21 ).
(GX120/160) (GX120/160/200)
〈Cycloon-type〉
1. Kontroleer of de elementen van de luchtfilter vuil of verstopt zijn.
2. Het cycloonhuis op vuilaanslag kontroleren. Zo nodig reinigen (pag. 22 ).
CYCLOON
ELEMENTEN
8
〈Half droog-type〉
Kontroleer of het element van de luchtfilter vuil of verstopt is (pag. 23 ).
ELEMENT
〈Oliebad-uitvoering〉
1. Het luchtfilterelement kontroleren en U ervan overtuigen, dat dit proper
en in goede staat is. Eventueel het element reinigen of vervangen (pag.
23 ).
2. Controleer het oliepeil en de toestand van de olie.
De motor nooit zonder luchtfilter laten draaien, aangezien dit tot een
versnelde slijtage van de motor leidt.
OLIEPEIL
9
4. Brandstof
Benzine voor auto’s gebruiken (bij voorkeur loodvrije of benzine met een
laag loodgehalte gebruiken, om aanslag in de verbrandingskamer tot een
minimum te beperken).
Nooit een olie-benzine-mengsel of verontreinigde benzine gebruiken. Vermijd, dat vuil, stof of water in de brandstoftank terecht komen.
Benzine is uiterst brandbaar en onder bepaalde omstandigheden
explosief.
Tank in een goed geventileerde ruimte met stilstaande motor. Bij het
tanken en op plaatsen, waar benzine is opgeslagen, niet roken en open
vuur en vonken uit de buurt houden.
Wees voorzichtig dat u geen brandstof morst wanneer u aan het tanken
bent. Gemorste brandstof of brandstofdampen kunnen ontvlammen.
Als er eventueel brandstof gemorst is, moet u ervoor zorgen dat dit
opgeruimd is voor u de motor weer gaat starten.
Vermijd herhaaldelijk of langdurig kontakt met de huid of het inademen
van dampen. BUITEN BEREIK VAN KINDEREN HOUDEN.
Parkeer op een vlakke ondergrond, zet de motor af, verwijder de
brandstoftankdop en controleer het brandstofniveau.
Vul de tank bij als het brandstofniveau laag staat.
Vul de tank niet tot aan de rand. Vul de tank tot ca. 25 mm onder de
bovenrand van de brandstoftank, zodat de brandstof nog ruimte heeft om
uit te zetten. Eventueel moet u het brandstofniveau iets verlagen, dat hangt
af van de gebruiksomstandigheden.
Controleer na bijvullen of de tankdop deugdelijk en stevig is afgesloten.
MAXIMUMNIVEAU
BRANDSTOF
BOVENRAND
BRANDSTOFTANK
(zeeftype)
MAXIMUMNIVEAU
BRANDSTOF
(niet-zeeftype)
25 mm
10
ALCOHOLHOUDENDE BENZINE
Indien U besluit alcoholhoudende benzine (gasohol) te gebruiken, overtuig
U er dan van, dat het octaangetal ervan minstens even hoog is als dat wat
door Honda wordt aanbevolen. Er zijn twee soorten ‘‘gasohol’’; de ene bevat ethanol en de andere methanol. Gebruik geen gasohol, dat meer dan
10% ethanol bevat. Gebruik geen benzine, waarin methanol (methyl- of
houtalcohol) gemengd is, die ook geen oplos- of antiroestmiddelen voor
methanol bevat. Gebruik in geen geval benzine met meer dan 5%
methanol, zelfs wanneer deze oplos- en antiroestmiddelen bevat.
Beschadigingen aan het brandstofsysteem of bedrijfsstoringen van de
motor, die te wijten zijn aan het gebruik van dergelijke brandstoffen, worden niet gedekt door de garantie. Honda kan het gebruik van
brandstoffen met methanol niet goedkeuren, aangezien het bewijs van
de geschiktheid ervan nog onvolledig is.
Voordat U brandstof van een onbekend tankstation koopt, probeer
erachter te komen, of de brandstof alcohol bevat, en zo ja, welke soort
en hoeveel. Indien U na het gebruik van alcoholhoudende benzine eventuele ongewenste bijverschijnselen vaststelt, gebruik dan benzine,
waarvan U weet dat deze geen alcohol bevat.
11
DE MOTOR STARTEN
1. De brandstofkraan op ON draaien.
BRANDSTOFKRAAN
ON
……ON
2. De chokehendel op de stand CLOSE schuiven.
De choke niet gebruiken, wanneer de motor warm of de temperatuur van
de lucht hoog is.
CHOKEHENDEL
SLUITEN……
(CLOSE)
SLUITEN
(CLOSE)
12
3. Druk de gasregelhendel ietwat naar links.
LAAG
HOOG
GASHENDEL
4. De motor starten.
Met terugloopstarter:
De motorschakelaar op ON zetten.
MOTORSCHAKELAAR
ON
ON
ON
13
ON
Lichtjes aan de startergreep trekken,
totdat U weerstand voelt, dan de
greep krachtig verder trekken.
De startergreep niet tegen de motor laten terug slaan. De greep voorzichtig
terug brengen om een beschadiging
van de starter te voorkomen.
Met elektrische startmotor (bij
overeenkomstige uitrusting):
De motorschakelaar op de stand
START draaien en deze daar
vasthouden, tot de motor aanslaat.
STARTEN
De elektrische startmotor niet langer
dan 5 sekonden laten draaien. Indien
de motor niet aanslaat, de
startschakelaar loslaten end 10 sekonden wachten, alvorens de startmotor
opnieuw te gebruiken.
Nadat de motor gestart is de schakelaar weer op de stand ON
terugdraaien.
14
MOTORSCHAKELAAR
BEDIENING
1. Gedurende het opwarmen van de motor de chokehendel geleidelijk naar
de stand OPEN schuiven.
CHOKEHENDEL
……OPEN
OPEN
2. Met de gashendel het gewenste toerental van de motor instellen.
GASHENDEL
HOOG
15
LAAG
Oliealarmsysteem (bij overeenkomstige uitrusting)
Het oliealarmsysteem dient om schade aan de motor te voorkomen, indien
in het carter onvoldoende olie zit. Voordat het oliepeil in het carter onder de
veiligheidsgrens daalt, schakelt het oliealarmsysteem automatisch de motor uit (de motor schakelaar blijft daarbij in de stand ON staan).
Wanneer de motor stilvalt en niet meer gestart kan worden, moet U eerst
het oliepeil kontroleren (pag. 6) alvorens naar andere storingen te zoeken.
Veiligheidsschakelaar (voor elektrische startmotor)
De veiligheidsschakelaar beveiligt het laadcircuit van de akku. Door een
kortsluiting van een akku, die met verwisselde polariteit aangesloten
is, wordt de veiligheidsschakelaar uitgeschakeld.
De groene indikator in de veiligheidsschakelaar springt naar buiten, om
aan te duiden, dat de veiligheidsschakelaar uitgeschakeld is. Wanneer dit
gebeurt de oorzaak van de storing opzoeken en opheffen, voordat U de
veiligheidsschakelaar terug inschakelt.
De terugstelknop van de veiligheidsschakelaar indrukken.
ON
OFF
VEILIGHEIDSSCHAKELAAR
16
DE MOTOR UITZETTEN
Om de motor in geval van nood uit te schakelen, de motorschakelaar op
OFF zetten. In het normale geval de motor als volgt uitzetten:
1. De gashendel helemaal naar rechts schuiven.
GASHENDEL
LAAG
2. De motorschakelaar op OFF zetten.
MOTORSCHAKELAAR
OFF
OFF
OFF
OFF
3. De brandstofkraan op OFF draaien.
BRANDSTOFKRAAN
OFF……
OFF
17
ONDERHOUD
Vóór het begin van de onderhoudswerkzaamheden de motor uitzetten.
Om te vermijden dat de motor per ongeluk start de motorschakelaar
uitschakelen en de bougiedop eraf trekken.
De motor dient door een erkende Honda-handelaar onderhouden te worden, tenzij de eigenaar het vereiste gereedschap en de noodzakelijke
onderhoudsgegevens bezit en over de nodige mechanische kennis
beschikt.
Alleen originele Honda-wisselstukken of gelijkwaardige onderdelen gebruiken. Bij het gebruik van wisselstukken, welke niet aan de kwaliteitseisen
voldoen, kan de motor beschadigd worden.
Het nazicht en de afstelling van deze Honda-motor op regelmatige
tijdstippen zijn voorwaarde voor een voortdurend hoge prestatie. Regelmatig onderhoud draagt bij tot een lange levensduur. De noodzakelijke
onderhoudsintervallen en het soort van uit te voeren
onderhoudswerkzaamheden worden beschreven in onderstaande tabel.
18
Onderhoudsschema
Na de
Om de 6
leder
Om de 3
Uitvoeren na iedere maand of aangeduide
Eerste
eerste
maanden
jaar of
maanden
bedrijfsperiode,wat het eerste komt
nazicht
maand of
of
om de
of
20 uren
100 uren
300 uren
50 uren
NORMALE ONDERHOUDSPERIODE
ITEM
Motorolie
○
Controleer niveau
Verwisselen
Olie reductietandwiel
Controleer niveau
(indien van toepassing)
Verwisselen
Luchtfilter
Controleren
○
○
○
○
○
○
○ (1)
Reinigen
○ * (1)
○ **
Vervangen
Bezinkselkom
Reinigen
○
Bougie
Controleren-verstellen
○
○
Vervangen
Vonkenvanger
○
Reinigen
(optioneel onderdeel)
Stationair toerental
Controleren-verstellen
Klepspeling
Controleren-verstellen
Verbrandingskamer
Reinigen
Brandstoftank & -filter
Reinigen
Brandstofleiding
Controleren
○ (2)
○ (2)
Na iedere 500 uren (2)
○ (2)
Om de 2 jaar (2)
(Vervangen indien nodig)
*
Alleen carburateur met interne ontluchting en met dubbel element.
(Cycloonfiltertype telkens na 6 maanden of 150 uur.)
**
Vervang alleen type met papieren element. (Cycloonfiltertype telkens na 2 jaar of 600 uur.)
(1): Bij gebruik in stoffige omgeving vaker onderhouden.
(2): Deze punten dienen door een erkende Honda-verdeler onderhouden te worden, wanneer de eigenaar niet
over de juiste gereedschappen en mechanische kennis beschikt. Zie het Werkplaatshandboek van Honda.
(3): Bij commercieel gebruik de bedrijfsuren bijhouden voor het bepalen van de juiste onderhoudstijdstippen.
19
1. Olie verversen
De olie bij nog warme motor aftappen, om er zeker van te zijn, dat deze
er snel en volledig uitloopt.
1. Olievuldop en aftapstop verwijderen om de olie af te tappen.
2. De aftapstop terug indraaien en vast aantrekken.
3. Met de aanbevolen olie vullen (zie pag. 6 ) en het oliepeil kontroleren.
4. De olievuldop terug aanbrengen.
INHOUD MOTOROLIE: 0,60
[MOTOROLIE]
INHOUD 1/2-REDUKTIEKAST: 0,50
INHOUD 1/6-REDUKTIEKAST: 0,15
OLIEVULDOP
OLIEPEIL
[OLIE REDUKTIEKAST]
AFTAPSTOP
AFTAPSTOP
OLIEVULDOP
Gebruikte motorolie kan bij herhaaldelijk en langdurig kontakt met de
huid tot huidkanker leiden. Hoewel dit onwaarschijnlijk is, tenzij U
dagelijks met gebruikte olie omgaat, is het toch raadzaam na ieder kontakt met gebruikte olie de handen onmiddellijk na het aanraken grondig
met water en zeep te wassen.
Ontdoet u zich alstublieft van de afgewerkte motorolie op een manier die in
overeenstemming is met de milieuwetgeving. Brengt u het bijvoorbeeld
in afgesloten jerrycan naar een plaatselijke garage waar het eventueel voor
hergebruik ingeleverd kan worden. Gooi het niet weg met het gewone
afval en giet het niet in de grond of in een afvoerput.
20
2. Reinigen van de luchtfilter
Een vuile luchtfilter belemmert de luchtstroom naar de carburator. Om
storingen van de carburator te vermijden de luchtfilter regelmatig reinigen.
De filter vaker reinigen, wanneer de motor in een uiterst stoffige omgeving
gebruikt wordt.
Nooit benzine of oplosmiddelen met een laag vlampunt gebruiken voor
het reinigen van het luchtfilterelement, aangezien dit een brand of een
explosie tot gevolg kan hebben.
De motor nooit zonder luchtfilter laten draaien, aangezien dit tot een
versnelde slijtage van de motor leidt.
VLEUGELMOER
〈Uitvoering met dubbel element〉
1. De vleugelmoeren en het deksel van
de luchtfilter verwijderen. De
elementen eruit nemen en uit elkaar
halen. Beide elementen zorgvuldig op
gaten of scheuren nazien en deze bij
beschadiging vervangen.
2. Sponselement: Het element in een oplossing van huishoudelijk wasmiddel
en warm water uitwassen, dan deze
grondig uitspoelen of in een niet
ontvlambaar oplosmiddel met een
PAPIEREN ELEMENT
hoog vlampunt uitwassen. Het element
grondig laten drogen.
SPONSELEMENT
Het element in propere motorolie
dompelen en overtollige olie
uitknijpen. Bij de eerste maal starten
rookt de motor, wanneer teveel olie in
de spons achterblijft.
3. Papierelement: Het element meerdere
malen tegen een hard oppervlak
kloppen, om overtollig vuil te verwijderen, of perslucht van binnen naar buiten door de filter blazen. Nooit proberen de filter af te borstelen, omdat anders het vuil in de vezels gedrukt
wordt. Als het papierelement te sterk ONTLUCHTINGSSLANG
(carburator met interne ontluchting)
vervuild is, dit vervangen.
(GX120/160)
21
(GX120/160/200)
〈Cycloon-type〉
1. De vleugelmoeren en het deksel van
de l u c h t f i l t e r v e r w i j d e r e n . De
elementen eruit nemen en uit elkaar
halen. Beide elementen zorgvuldig op
gaten of scheuren nazien en deze bij
beschadiging vervangen.
2. Sponselement: Het element in warm
zeepwater uitwassen, afspoelen en
grondig laten drogen. Naar keuze
het element in een reinigingsmiddel
met hoog vlampunt uitwassen en laten drogen. Het element in propere
motorolie dompelen en de overtollige
olie uitknijpen. Bij de eerste maal starten rookt de motor, wanneer teveel
olie in de spons achterblijft.
VLEUGELMOER
GROEF
PAPIERELEMENT
LUCHTGELEIDING
LUCHTINLAATLIP
CYCLOON
SPONSELEMENT
3. Papierelement: Het element meerdere malen tegen een hard oppervlak
kloppen, om overtollig vuil te verwijderen, of perslucht van binnen naar
buiten door de filter blazen. Nooit proberen de filter af te borstelen,
omdat anders het vuil in de vezels gedrukt wordt. Als het papierelement
te sterk vervuild is, dit vervangen.
(Reinigen van cycloonhuis)
1. Wanneer zich in het cycloonhuis vuil verzameld heeft de drie speciale
schroeven met vlakke kop eruit draaien en de onderdelen afvegen of
met water afwassen. Daarna de onderdelen grondig afdrogen en
zorgvuldig monteren.
Bij het hermonteren van de cycloon erop letten, dat de lip van de luchtinlaat korrekt in de groef van het voor-filterdeksel past.
De luchtgeleiding in de juiste richting inbouwen.
22
〈Half droog-type〉
1. De vleugelmoer afschroeven, deksel van
luchtfilter verwijderen en het element eruit
nemen.
2. H e t e l e m e n t i n n i e t - b r a n d b a a r
reinigingsmiddel of met zo’n hoog
vlampunt uitwassen en grondig laten drogen.
3. Het element met propere motorolie
doordrenken en de overtollige olie
uitknijpen.
4. Het luchtfilterelement en het deksel terug
monteren.
〈Oliebad-uitvoering〉
1. De vleugelmoer afschroeven, deksel van
luchtfilter verwijderen en het element eruit
nemen.
2. Het luchtfilterelement in warm water en
huishoudelijk wasmiddel reinigen, dan
grondig uitspoelen, of in geen brandbaar
of moeilijk ontvlambaar oplosmiddel
uitwassen. Het element goed laten drogen.
3. Het element in propere motorolie laten
weken, dan de overtollige olie uitknijpen.
Wanneer er teveel olie in het luchtfilterelement blijft zitten, veroorzaakt dit bij het starten van de motor een sterke
rookontwikkeling.
4. De olie, die in het luchtfilterhuis achter ge
bleven is uitgieten en vuilresten met een
niet-brandbaar of moeilijk ontvlambaar oplosmiddel uitwassen. Het huis laten drogen.
5. Het luchtfilterhuis tot aan het bovenste
merkteken vullen met de voor de smering
van de motor aanbevolen olie (zie
motorolieadvies op pag. 6 ).
6. Het luchtfilterelement en het deksel terug
monteren.
23
VLEUGELMOER
LUCHTFILTERDEKSEL
ELEMENT
VLEUGELMOER
LUCHTFILTERDEKSEL
ELEMENT
3. Reinigen van de filterbeker
Benzine is uiterst brandbaar en onder bepaalde omstandigheden
explosief. Waar met benzine gewerkt wordt niet roken en open vuur en
vonken uit de buurt houden.
Na het aanbrengen van de filterbeker op lekkages kontroleren en U ervan overtuigen, dat de plek droog is, voordat de motor gestart wordt.
De brandstofkraan op OFF zetten. Filterbeker met O-ring demonteren en
met niet-brandbaar of moeilijk ontvlambaar oplosmiddel uitwassen. Grondig laten drogen, dan weer inbouwen en goed aantrekken. De
brandstofkraan op ON zetten en kontroleren of er geen lekkages zijn.
O-RING
4. Onderhoud van de bougies
FILTERBEKER
Aanbevolen bougies: BPR6ES (NGK)
W20EPR-U (DENSO)
Nooit een bougie met de verkeerde warmtewaarde gebruiken.
Om te garanderen dat de motor storingsvrij draait, moet de bougie korrekt
afgesteld en vrij van aanslag zijn.
1. De bougiedop aftrekken en de bougies met een bougiesleutel eruit draaien.
Wanneer de motor juist gedraaid heeft, is de uitlaatdemper zeer heet. Let
erop de uitlaatdemper niet aan te raken.
24
2. Kontroleer het uiterlijk van de bougie. De bougie weggooien, wanneer
deze zichtbaar afgesleten of de isolator gescheurd of afgesplinterd is.
Wanneer de bougies opnieuw gebruikt dienen te worden, reinig deze
dan met een staalborstel.
3. Meet de elektrodeafstand met een voeler maat. Door de
massaelektrode te buigen de afstand eventueel bijstellen.
Elektrodeafstand:
0,70−0,80 mm
0,70−0,80 mm
4. Kontroleer dat de sluitringen van de bougies in orde zijn en draai de
bougie met de hand in zodat deze niet scheef wordt gedraaid.
5. Nadat de bougie handvast zit, deze met een bougiesleutel aantrekken
om de dichtingsring samen te drukken.
Wanneer een nieuwe bougie handvast is aangedraaid, moet deze 1/2 slag
aangetrokken worden om de dichtingsring samen te drukken. Wanneer
een oude bougie nogmaals gebruikt wordt, deze nadat hij handvast zit
1/8−1/4 aantrekken om de dichtingsring samen te drukken.
De bougie moet goed aangedraaid worden. Een bougie, die niet goed
aangedraaid is, kan zeer heet worden en schade aan de motor veroorzaken.
25
5. Reinigen van de vonkenvanger (optie)
Bij het draaien van de motor wordt de uitlaat zeer heet. Daarom de uitlaat,
voor verdere werkzaamheden aan de motor, laten afkoelen.
De vonkenvanger moet om de 100 bedrijfsuren gereinigd worden om zijn
doeltreffendheid niet te verliezen.
1. De twee 4 mm-schroeven van de deflektorplaat van de uitlaat
verwijderen en de deflektorplaat afnemen.
2. De vier 5 mm-schroeven van het hitteschild van de uitlaatdemper
verwijderen en het hitteschild afnemen.
3. De 4 mm-schroef van de vonkenvanger verwijderen en de vonkenvanger
van de uitlaatdemper afnemen.
5 mm SCHROEVEN
UITLAATDEFLEKTOR
HITTESCHILD VAN
UITLAATDEMPER
4 mm SCHROEVEN
UITLAATDEMPER
4 mm SCHROEF
VONKENVANGER
4. Met een borstel de koolstofaanslag van de vonkenvangerzeef verwijderen.
Let erop de zeef van de vonkenvanger niet te beschadigen.
ZEEF VAN DE VONKENVANGER
De vonkenvanger mag geen scheuren en gaten vertonen. Indien nodig, deze vervangen.
5. De vonkenvanger en uitlaatdemper in omgekeerde volgorde terug aanbrengen.
26
6. Instellen stationair toerental carburator
1. De motor starten en hem tot de normale bedrijfstemperatuur warm laten
draaien.
2. Met de motor stationair draaiend, verdraai de gasstopschroef om het standaard stationair toerental te verkrijgen.
200
Normaal stationair toerental: 1.400 ± 150 t/min
AANSLAGSCHROEF VOOR HET
STATIONAIR TOERENTAL
Bedrijf op grote hoogtes
Op grote hoogtes boven de zeespiegel verandert het normale brandstof/
luchtmengsel in een te rijk mengsel. Dit veroorzaakt zowel een verlies van
het vermogen als een hoger brandstofverbruik.
De prestaties op grote hoogte kunnen worden verbeterd door bepaalde
modificaties aan de carburator. Wanneer de motor voortdurend op
hoogtes van 1.500 m en meer boven de zeespiegel gebruikt wordt, gelieve
deze wijziging van de carburator door uw Honda-verdeler te laten
uitvoeren.
Ook met een goed afgestelde carburator zal het motorvermogen
ongeveer 3,5% afnemen voor elke 300 meter stijging. En als de carburator
niet wordt afgesteld, zal het motorvermogen bij het klimmen nog sterker
teruglopen.
Wanneer de motor gebruikt wordt op een lagere hoogte dan waarvoor de
bijstelling van de carburator voorzien is, kan verlies van vermogen, oververhitting en zelfs ernstige motorschade optreden door een te arm brandstof/luchtmengsel.
27
SMOORKLEP- EN CHOKEKABEL
(ACCESSOIRES)
De gas- en choke-hendels zijn voorzien van boringen voor het bevestigen
van optionele k abels. Onders taande afbeeldingen tonen de
montagevoorbeelden voor een massieve kabel en een gevlochten kabel.
Wanneer een gevlochten kabel gebruikt wordt, moet de getoonde
terugtrekveer ook gemonteerd worden.
Wanneer de smoorklep met een afstandskabel bediend wordt, moet de
wrijvingsmoer van de smoorkleparm losgedraaid worden.
TERUGKEERVEER
WRIJVINGSMOER VAN
SMOORKLEPARM
DRAADEBEVESTIGINGSMOER
4 mm SCHROEF
GEVLOCHTEN KABEL
KABEL
MASSIEVE KABEL
5 mm BORGKLEM
GASHENDEL
DRAADEBEVESTIGINGSMOER
5 mm BORGKLEM
28
TRANSPORTOPSLAG
Bij het transport van de motor de brandstofkraan op OFF zetten en de motor horizontaal houden, om te vermijden dat de brandstof eruit loopt.
Gemorste brandstof of brandstofdampen kunnen ontbranden.
Alvorens de motor voor langere tijd op te slaan:
1. Overtuig U ervan, dat de opslagplaats niet te vochtig of te stoffig is.
2. Tap de brandstof af...
Benzine is uiterst brandbaar en onder bepaalde omstandigheden explosief.
Waar met benzine gewerkt wordt niet roken en open vuur en vonken uit
de buurt houden.
a. De brandstofkraan op OFF zetten en de
FILTERBEKER
AFTAPSCHROEF
filterbeker eruit nemen en leegmaken.
b. De brandstofkraan op ON zetten en de
brandstof in de tank in een geschikte
opvangbak aftappen.
c. De filterbeker weer inbouwen en goed
aantrekken.
d. De carburator leeg laten lopen door de
aftapschroef van de carburator los te
draaien. De brandstof in een geschikte
opvangbak aftappen.
3. De motorolie verversen (pag. 20).
4. De bougie eruit draaien en een eetlepel propere motorolie in de cilinder
gieten. De motor meerdere malen doordraaien om de olie te verdelen,
dan de bougie terug indraaien.
5. Aan de startgreep trekken, totdat U weerstand voelt. Nu nog iets verder
aantrekken, totdat de snede op de starterriemschijf op één lijn staat met
de boring op de terugveerstarter (zie onderstaande afbeelding). In deze
toestand zijn de in-en uitlaatkleppen gesloten, waardoor het inwendige
van de motor beter tegen korrosie beschermd is.
De markering op de starterriemschijf op één lijn brengen met
het gat in het bovenste gedeelte
van de terugveerstarter.
6. Bij modellen met elektrische starter : De akku uitbouwen en op een koele,
droge plaats bewaren. De akku eenmaal per maand bijladen.
7. De motor afdekken om deze tegen stof te beschermen.
29
STORINGEN ZOEKEN
De motor slaat bij het starten met de terugveerstarter niet aan:
1. Staat de motorschakelaar op ON?
2. Is er voldoende olie in de motor?
3. Staat de brandstofkraan op ON?
4. Is er brandstof in de tank?
5. Komt er brandstof in de carburator?
Om dit te kontroleren de aftapschroef met geopende brandstofkraan
losdraaien.
In geval dat brandstof gemorst wordt, ervoor zorgen dat de plek droog is,
voordat de bougie nagezien of de motor gestart wordt. Gemorste brandstof of brandstofdampen kunnen ontbranden.
AFTAPSCHROEF
6. Is de bougie in orde? (blz.24)
7. Wanneer de motor nog niet aanslaat, deze naar een erkende Hondaverdeler brengen.
De motor slaat niet aan als de elektrische startmotor gebruikt wordt:
1. Zijn de akkukabels korrekt aangesloten en vrij van korrosie?
2. Is de akku volledig geladen?
Wanneer de akku niet oplaadt, de beveiligingsschakelaar kontroleren.
3. Werkt de startmotor, maar slaat de motor niet aan, volg dan de stappen
voor het storing zoeken onder ‘‘Bediening van de terugveerstarter’’.
30
SPECIFICATIES
*
Afmetingen
Aanduidingskode
voor motor aangedreven produkten
Lengte
Breedte
Hoogte
〈Lengte〉
〈Breedte〉
〈Hoogte〉
Leeggewicht
GX 120
GX 160
GX 200
GC01
GC02
GCAE
300 mm
345 mm
320 mm
305 mm
365 mm
335 mm
〈305 mm〉
〈385 mm〉
〈335 mm〉
313 mm
376 mm
335 mm
〈313 mm〉
〈395 mm〉
〈335 mm〉
12,0 kg
14,0 kg
〈 16,0 kg 〉
16,0 kg
〈 17,9 kg 〉
〈 〉: Model met startmotor
Motor
Motortype
Cilinderinhoud
Boring×slag
Max. geleverd
vermogen
Max. koppel
Brandstoftankinhoud
Brandstofverbruik
Koelsysteem
Ontsteking
Draaiing van de
aftakas
*
: ‘‘S’’type
4-takt, 1-cilinder motor met bovenliggende klep
118 cm
163 cm
196 cm
60 x 42 mm
68 x 45 mm
68 x 54 mm
2,9 kW/
4 kW/
4,8 kW/
4.000 t/min
4.000 t/min
3.600 t/min
0,75 kg-m/
2.500 t/min
2,5
1,1 kg-m/
2.500 t/min
3,6
1,35 kg-m/
2.500 t/min
3,6
230 g/HPu
Geforceerde koeling
Transistor-magneetontsteking
Tegen de richting van de wijzers van de klok
De specifikaties kunnen verschillen naar gelang de uitvoering en kunnen
zonder voorafgaandelijke aankondiging gewijzigd worden.
31
Met cycloon-luchtfilter
*
Afmetingen
Aanduidingskode
voor motor aangedreven produkten
Lengte
Breedte
Hoogte
Leeggewicht
Motor
Motortype
Cilinderinhoud
Boring×slag
Max. geleverd
vermogen
Max. koppel
Brandstoftankinhoud
Brandstofverbruik
Koelsysteem
Ontsteking
Draaiing van de
aftakas
*
: ‘‘S’’type
GX 120
GX 160
GX 200
GC01
GC02
GCAE
310 mm
410 mm
325 mm
12,0 kg
345 mm
420 mm
335 mm
14,0 kg
313 mm
430 mm
335 mm
16,0 kg
4-takt, 1-cilinder motor met bovenliggende klep
118 cm
163 cm
196 cm
60 x 42 mm
68 x 45 mm
68 x 54 mm
2,9 kW/
4 kW/
4,8 kW/
4.000 t/min
4.000 t/min
3.600 t/min
0,75 kg-m/
2.500 t/min
2,5
1,1 kg-m/
2.500 t/min
3,6
1,35 kg-m/
2.500 t/min
3,6
230 g/HPu
Geforceerde koeling
Transistor-magneetontsteking
Tegen de richting van de wijzers van de klok
De specifikaties kunnen verschillen naar gelang de uitvoering en kunnen
zonder voorafgaandelijke aankondiging gewijzigd worden.
32
MEMORANDUM
Head office :
HONDA EUROPE N.V.
European Engine Center
Langerbruggestraat 104, B-9000 GENT
TEL. +32(0)9 250 12 11
FAX +32(0)9 250 14 24
VAT: BE 418.250.835 - HRG 125.024
Fortis Bank : BE33 2900 0170 0046
BIC GEBABEBB
www.honda-engines-eu.com
33
Download PDF

advertising