Canon | PowerShot SX430 IS | Canon PowerShot SX430 IS handleiding

Canon PowerShot SX430 IS handleiding
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Gebruikershandleiding
●● Zorg dat u deze handleiding leest, inclusief het gedeelte
“Veiligheidsinstructies” (= 12), voordat u de camera in gebruik
neemt.
●● Door deze handleiding te lezen, leert u de camera correct te
gebruiken.
●● Bewaar deze handleiding goed zodat u deze in de toekomst
kunt raadplegen.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
NEDERLANDS
●● Klik op de knoppen rechtsonder om andere pagina´s te openen.
: Volgende pagina
: Vorige pagina
: Pagina voordat u op een koppeling klikte
●● Als u naar het begin van een hoofdstuk wilt gaan, klikt u op de
hoofdstuktitel aan de rechterkant.
© CANON INC. 2017
CEL-SW9DA280
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
1
Compatibele geheugenkaarten
Vóór gebruik
De volgende geheugenkaarten (afzonderlijk verkrijgbaar) kunnen,
ongeacht de capaciteit, worden gebruikt.
●● SD-geheugenkaarten*
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● SDHC-geheugenkaarten*
Informatie om te beginnen
Inhoud van de verpakking
●● SDXC-geheugenkaarten*
* Kaarten die voldoen aan de SD-normen. Niet voor alle geheugenkaarten
is de werking in deze camera geverifieerd.
Controleer, voordat u de camera in gebruik neemt, of de verpakking
de onderstaande onderdelen bevat.
Indien er iets ontbreekt, kunt u contact opnemen met uw leverancier.
Camera
Batterij
NB-11LH*
Batterijlader
CB-2LF/CB-2LFE
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Polsriem
Lensdop
(met snoer)
* Verwijder het stickerlabel niet van een batterij.
●● De verpakking bevat ook gedrukt materiaal.
●● Een geheugenkaart is niet bijgesloten (= 2).
2
Opmerkingen vooraf en wettelijke
informatie
Conventies die in deze handleiding
worden gebruikt
●● Maak enkele proefopnamen en bekijk deze om te controleren of de
beelden goed zijn opgenomen. Canon Inc., dochterondernemingen
van Canon en andere aangesloten bedrijven en distributeurs zijn
niet aansprakelijk voor welke gevolgschade dan ook die voortvloeit
uit enige fout in de werking van een camera of accessoire, inclusief
kaarten, die ertoe leidt dat een opname niet kan worden gemaakt
of niet kan worden gelezen door apparaten.
●● In deze handleiding worden pictogrammen gebruikt om de bijbehorende
cameraknoppen, waarop de pictogrammen zijn afgebeeld of die erop
lijken, aan te duiden.
●● Wanneer de gebruiker onrechtmatig mensen of materiaal waarop
auteursrecht rust fotografeert of opneemt (video en/of geluid), kan
dit de privacy van deze mensen schenden en/of een inbreuk zijn
op de juridische rechten van anderen, waaronder auteursrechten
en andere intellectuele eigendomsrechten, zelfs wanneer dergelijke
foto’s of opnamen uitsluitend voor persoonlijk gebruik zijn bedoeld.
●● Meer informatie over de garantie voor uw camera of de Canon
Klantenservice vindt u in de garantie-informatie in het pakket met
het instructieboekje dat bij uw camera wordt geleverd.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● De onderstaande cameraknoppen en bedieningselementen worden
met de volgende pictogrammen aangeduid: Nummers tussen haakjes
geven de nummers weer van de overeenkomstige bedieningselementen
in “Onderdeelnamen” (= 4).
[ ] Knop omhoog (9) aan de achterkant
[ ] Knop links (13) aan de achterkant
[ ] Knop rechts (11) aan de achterkant
[ ] Knop omlaag (12) aan de achterkant
●● Opnamemodi en pictogrammen en tekst op het scherm worden tussen
haakjes weergegeven.
●●
: Wat u beslist moet weten
●●
: Opmerkingen en tips voor deskundig cameragebruik
●● = xx: Pagina’s met verwante informatie (in dit voorbeeld staat “xx”
voor een paginanummer)
●● Hoewel het scherm (de monitor) onder productieomstandigheden voor
uitzonderlijk hoge precisie is vervaardigd en meer dan 99,99% van de
pixels voldoet aan de ontwerpspecificaties, kunnen pixels in zeldzame
gevallen gebreken vertonen of als rode en zwarte punten zichtbaar zijn.
Dit is geen teken van beschadiging van de camera en heeft geen
invloed op de opgenomen beelden.
●● De symbolen “ Foto’s” en “ Films” onder titels geven aan of de
functie wordt gebruikt voor foto’s of films.
●● De camera kan warm worden als deze gedurende langere tijd wordt
gebruikt. Dit is geen teken van beschadiging.
●● Voor het gemak verwijst “de geheugenkaart” naar alle ondersteunde
geheugenkaarten.
●● De instructies in deze handleiding gelden voor een camera die op
de standaardinstellingen is ingesteld.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
3
Vóór gebruik
Onderdeelnamen
Basishandleiding
(1) (2) (3) (4)
(5)
(1)
(2)
(3)
(5)
(6)
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
(7)
(3)
(8)
(8)
(6)
(9)
(10)
(11)
(9) (10)
(12)
(4)
(7)
(1)
Zoomknop
(telelens)]/
Opnamen maken: [
(groothoek)]
[
Afspelen: [ (vergroten)]/
(index)]
[
(2)
Ontspanknop
(3)
Riembevestigingspunt
(4)
ON/OFF-knop
* Gebruikt met NFC-functie (= 77).
(13)
(14) (15)
(5)
Flitser
(1)
Luidspreker
(6)
Lampje
(2)
Microfoon
(7)
Lens
(3)
AV OUT (audio/video-uitgang)/
DIGITAL-aansluiting
(10) Knop FUNC. (functie)/SET
(4)
Scherm (monitor)
(11) Knop [ (Flitser)]/Rechts
(5)
Indicator
(6)
Knop [
(12) Knop [
Omlaag
(7)
Filmknop
(8)
Aansluiting statief
(9)
Klepje van geheugenkaart/
batterijhouder
(10) [
] (N-teken)*
(8)
Knop [
(9)
(Afspelen)]
Knop
[ (Belichtingscompensatie)]/
[ (1 beeld wissen)]/Omhoog
(13) Knop [
(Auto)]
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
(Informatie)]/
(Macro)]/Links
(14) Knop [
(Wi-Fi)]
(15) Knop [
]
4
Inhoudsopgave
Handleiding voor gevorderden
1
Basishandelingen van de camera............................... 23
Inhoud van de verpakking......................................................... 2
Spaarstandfuncties (Automatisch Uit)........................................24
Spaarstand in de opnamemodus...........................................24
Spaarstand in de afspeelmodus.............................................24
Compatibele geheugenkaarten................................................. 2
Ontspanknop........................................................................... 24
Opmerkingen vooraf en wettelijke informatie............................ 3
Opties opnameweergave........................................................ 25
Conventies die in deze handleiding worden gebruikt................ 3
Het menu FUNC. gebruiken.................................................... 25
Onderdeelnamen...................................................................... 4
Het menuscherm gebruiken.................................................... 26
Algemene bediening camera...................................................11
Toetsenbord op het scherm..................................................... 27
Informatie om te beginnen................................................ 2
Voordat u begint...................................................................... 15
De accessoires bevestigen.........................................................15
De camera vasthouden..............................................................16
De batterij opladen.....................................................................16
De batterij en uw geheugenkaart plaatsen.................................17
De batterij en geheugenkaart verwijderen..............................17
De datum en tijd instellen...........................................................18
De datum en tijd wijzigen.......................................................18
Weergavetaal.............................................................................19
De camera testen.................................................................... 20
Opnamen maken (Smart Auto)...................................................20
Bekijken......................................................................................21
Beelden wissen......................................................................22
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Indicatorweergave................................................................... 28
Veiligheidsinstructies............................................................... 12
Basishandelingen............................................................ 15
Basishandleiding
Aan/Uit.................................................................................... 23
Vóór gebruik
Basishandleiding
Vóór gebruik
Klok......................................................................................... 28
2
Auto-modus................................................................ 29
Opnamen maken met door de camera bepaalde
instellingen.............................................................................. 29
Opnamen maken (Smart Auto)...................................................29
Foto’s/films.............................................................................31
Foto’s......................................................................................31
Films.......................................................................................31
Scènepictogrammen...................................................................32
Pictogrammen voor beeldstabilisatie..........................................33
Kaders op het scherm................................................................33
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Algemene, handige functies.................................................... 34
Nader inzoomen op het onderwerp (Digitale Zoom)...................34
De zelfontspanner gebruiken......................................................34
Camerabeweging vermijden met de zelfontspanner..............35
De zelfontspanner aanpassen................................................35
Een datumstempel toevoegen....................................................36
Continue opnamen maken.........................................................36
5
Functies voor de beeldaanpassing......................................... 37
De verhouding wijzigen..............................................................37
Het aantal opnamepixels wijzigen (beeldgrootte).......................38
Richtlijnen voor het kiezen van de opnamepixelinstelling
op basis van het papierformaat (voor 4:3-beelden)................38
Beeldkwaliteit van films wijzigen.................................................38
Handige opnamefuncties........................................................ 39
Raster weergeven......................................................................39
De camerabewerkingen aanpassen........................................ 39
3
4
P-modus...................................................................... 49
Vóór gebruik
Opnamen maken met programma automatische belichting
([P]-modus)............................................................................. 49
Basishandleiding
Helderheid van het beeld (Belichting)..................................... 50
Handleiding voor gevorderden
De helderheid van het beeld aanpassen
(Belichtingscompensatie)...........................................................50
De meetmethode wijzigen..........................................................50
De ISO-waarde wijzigen.............................................................51
De helderheid corrigeren (i-Contrast).........................................51
Het AF-hulplicht uitschakelen.....................................................39
Het lampje voor rode-ogenreductie uitschakelen.......................40
De weergavestijl van het beeld na opnamen wijzigen................40
De weergaveduur van het beeld na opnamen wijzigen..........40
Het weergegeven scherm na de opname wijzigen.................41
Beeldkleuren........................................................................... 52
Andere opnamestanden.................................................. 42
Opnamebereik en scherpstellen............................................. 54
Helderheid/kleur aanpassen (Directe effecten)....................... 42
Close-ups maken (Macro)..........................................................54
Opnamen maken van onderwerpen op grote afstand
(Oneindig)...................................................................................54
Digitale telelens..........................................................................54
De modus AF Frame wijzigen.....................................................55
Centrum..................................................................................55
Gezichts-AiAf..........................................................................55
Onderwerpen selecteren om op scherp te stellen
(AF Tracking)..........................................................................56
Opnamen maken met Servo AF.............................................56
De focusinstelling veranderen....................................................57
Specifieke scènes................................................................... 43
Speciale effecten toepassen................................................... 44
Opnamen maken met het effect van een visooglens
(Fisheye-effect)...........................................................................44
Foto’s die lijken op een miniatuurmodel (Miniatuureffect)..........45
Afspeelsnelheid en geschatte afspeeltijd
(voor clips van één minuut)....................................................45
Opnamen maken met een speelgoedcamera-effect
(Speelgoedcamera-effect)..........................................................46
Opnamen maken in monochroom..............................................46
Speciale modi voor andere doeleinden................................... 47
Automatisch opnamen maken nadat een nieuwe persoon
wordt gedetecteerd (Gezicht-zelfontspanner)............................47
Opnamen met lange sluitertijd maken (Lange sluiter)................47
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De witbalans aanpassen............................................................52
Aangepaste witbalans............................................................52
De kleurtoon van een beeld wijzigen (My Colors)......................52
Custom Kleur..........................................................................53
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Flitser...................................................................................... 57
Flitsmodus wijzigen....................................................................57
Auto........................................................................................57
Aan.........................................................................................57
Slow sync...............................................................................57
Uit...........................................................................................58
6
5
Overige instellingen................................................................. 58
Beelden roteren....................................................................... 70
De compressieverhouding wijzigen (Beeldkwaliteit)...................58
Instellingen van de IS‑modus wijzigen.......................................59
Films opnemen met onderwerpen op hetzelfde formaat
als waarop ze voor de opname worden weergegeven...........59
Via het menu..............................................................................70
Automatisch draaien uitschakelen..............................................70
Beelden markeren als favoriet................................................ 71
Foto’s bewerken...................................................................... 72
Bekijken................................................................................... 60
Het formaat van beelden wijzigen..............................................72
Trimmen.....................................................................................72
De kleurtoon van een beeld wijzigen (My Colors)......................73
De helderheid corrigeren (i-Contrast).........................................74
Rode ogen corrigeren.................................................................74
Van weergavemodus wisselen...................................................61
Overbelichtingswaarschuwing (voor highlights
van beelden)...........................................................................61
Histogram...............................................................................62
GPS-informatieweergave.......................................................62
Bladeren door beelden in een index...........................................62
Beelden zoeken die voldoen aan opgegeven voorwaarden.......63
Opties voor het weergeven van foto’s..................................... 64
Beelden vergroten......................................................................64
Diavoorstellingen bekijken..........................................................64
Instellingen voor diavoorstellingen wijzigen...........................64
Vergelijkbare beelden automatisch afspelen (Smart Shuffle).....65
Beelden beveiligen.................................................................. 66
Via het menu..............................................................................66
Afzonderlijke beelden selecteren................................................66
Een reeks selecteren..................................................................67
Alle beelden in één keer beveiligen............................................68
Alle beveiligingen in één keer opheffen..................................68
Beelden wissen....................................................................... 68
Meerdere beelden tegelijk wissen..............................................68
Een selectiemethode selecteren............................................68
Afzonderlijke beelden selecteren...........................................69
Een reeks selecteren..............................................................69
Alle beelden in één keer opgeven..........................................69
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Via het menu..............................................................................71
Afspeelmodus............................................................. 60
Door beelden bladeren en beelden filteren............................. 62
Vóór gebruik
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films bewerken....................................................................... 75
6
Wi-Fi-functies.............................................................. 76
Beschikbare Wi-Fi-functies..................................................... 76
Beelden naar een smartphone verzenden.............................. 77
Beelden verzenden naar een smartphone die NFC
ondersteunt.................................................................................77
Verbinding maken via NFC wanneer de camera
uit staat of in de opnamemodus staat....................................77
Verbinding maken via NFC wanneer de camera
in de afspeelmodus staat.......................................................79
Een smartphone toevoegen.......................................................80
Een ander toegangspunt gebruiken...........................................82
Eerdere toegangspunten............................................................82
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Beelden opslaan op een computer......................................... 83
Voorbereidingen voor het registreren van een computer...........83
CameraWindow installeren....................................................83
De computer configureren voor een Wi-Fi-verbinding
(alleen Windows)....................................................................83
Beelden opslaan op een aangesloten computer........................84
Compatibiliteit van het toegangspunt vaststellen...................84
7
WPS‑compatibele toegangspunten gebruiken.......................85
Verbinding maken met toegangspunten in de lijst..................87
Eerdere toegangspunten........................................................88
7
Basisfuncties van de camera aanpassen.............................. 103
Camerageluiden dempen.........................................................103
Het volume aanpassen.............................................................104
Hints en tips verbergen.............................................................104
Datum en tijd............................................................................104
Wereldklok................................................................................104
Timing voor het intrekken van de lens......................................105
Eco-modus gebruiken...............................................................105
De spaarstand aanpassen........................................................105
Schermhelderheid....................................................................106
Het opstartscherm verbergen...................................................106
Geheugenkaarten formatteren.................................................106
Low Level Format.................................................................107
Bestandsnummering.................................................................107
Beelden opslaan op datum.......................................................108
Metrische/niet-metrische weergave..........................................108
Certificatielogo’s controleren....................................................108
Weergavetaal...........................................................................108
Andere instellingen aanpassen................................................109
Standaardinstellingen van de camera herstellen......................109
Beelden verzenden naar een geregistreerde webservice....... 88
Webservices registreren.............................................................88
CANON iMAGE GATEWAY registreren..................................89
Andere webservices registreren.............................................90
Beelden uploaden naar webservices..........................................91
Beelden draadloos afdrukken met een verbonden printer...... 92
Beelden naar een andere camera verzenden......................... 93
Opties voor het verzenden van beelden................................. 95
Meerdere beelden verzenden.....................................................95
Een reeks selecteren..............................................................95
Favoriete beelden verzenden.................................................95
Opmerkingen over het verzenden van beelden..........................96
Het aantal opnamepixels kiezen (beeldformaat)........................96
Opmerkingen toevoegen............................................................96
Beelden automatisch verzenden (beeldsynchronisatie).......... 97
Voordat u begint.........................................................................97
De camera voorbereiden........................................................97
De computer voorbereiden.....................................................97
Beelden verzenden.....................................................................98
Beelden die via beeldsynchronisatie zijn verzonden,
op een smartphone bekijken..................................................98
Beelden op de camera geotaggen.............................................99
Op afstand opnamen maken van livebeelden..........................100
Wi-Fi-instellingen bewerken of wissen.................................. 101
Verbindingsinformatie bewerken..............................................101
De bijnaam van een apparaat wijzigen................................101
Verbindingsinformatie wissen...............................................101
De bijnaam van het apparaat wijzigen......................................102
De standaardinstellingen voor Wi-Fi herstellen........................102
Menu Instellingen..................................................... 103
8
Accessoires.............................................................. 110
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Systeemoverzicht...................................................................110
Optionele accessoires............................................................ 111
Voedingen................................................................................. 111
Flitseenheid.............................................................................. 112
Overige accessoires................................................................. 112
Printers..................................................................................... 112
Foto- en filmopslag................................................................... 112
Optionele accessoires gebruiken...........................................113
Afspelen op een tv.................................................................... 113
8
De software gebruiken...........................................................114
Aansluiten op een computer via een kabel............................... 114
De computeromgeving controleren...................................... 114
De software installeren......................................................... 114
Beelden opslaan op een computer........................................... 114
Beelden afdrukken.................................................................116
Eenvoudig afdrukken................................................................ 116
Afdrukinstellingen configureren................................................ 117
Beelden bijsnijden vóór het afdrukken................................. 117
Het papierformaat en de indeling selecteren
vóór het afdrukken................................................................ 118
Beschikbare indelingsopties................................................. 118
Id-foto’s afdrukken................................................................ 118
Filmscènes afdrukken............................................................... 119
Afdrukopties voor films......................................................... 119
Beelden toevoegen aan de printlijst (DPOF)............................ 119
Afdrukinstellingen configureren............................................ 119
Afdrukinstellingen voor afzonderlijke beelden......................120
Afdrukinstellingen voor een reeks beelden..........................121
Afdrukinstellingen voor alle beelden.....................................121
Alle beelden in de printlijst wissen........................................121
Beelden afdrukken die zijn toegevoegd aan de printlijst
(DPOF).................................................................................121
Beelden toevoegen aan een fotoboek......................................121
Een selectiemethode selecteren..........................................121
Afzonderlijke beelden toevoegen.........................................122
Alle beelden toevoegen aan een fotoboek...........................122
Alle beelden verwijderen uit een fotoboek............................122
9
Bijlage........................................................................ 123
Vóór gebruik
Problemen oplossen............................................................. 123
Berichten op het scherm....................................................... 127
Informatie op het scherm...................................................... 129
Opname (informatieweergave).................................................129
Batterijniveau........................................................................129
Afspelen (uitgebreide informatieweergave)..............................130
Overzicht van filmbedieningspaneel.....................................130
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Functies en menutabellen..................................................... 131
Beschikbare functies per opnamemodus.................................131
Menu FUNC..............................................................................132
Opnametabblad........................................................................134
Tabblad Instellen.......................................................................136
Tabblad Afspelen......................................................................136
Tabblad Print.............................................................................137
Afspeelmodus menu FUNC......................................................137
Voorzorgsmaatregelen.......................................................... 137
Specificaties.......................................................................... 138
Beeldsensor.........................................................................138
Lens......................................................................................138
Sluiter...................................................................................138
Diafragma.............................................................................138
Flitser....................................................................................138
Monitor.................................................................................138
Opnamen maken..................................................................139
Opname................................................................................139
Voeding................................................................................140
Interface...............................................................................140
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
9
Gebruiksomgeving...............................................................140
Afmetingen (conform CIPA)..................................................140
Gewicht (conform CIPA).......................................................140
Batterij NB-11LH...................................................................141
Batterijlader CB-2LF/CB-2LFE.............................................141
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Index..................................................................................... 142
Voorzorgsmaatregelen voor draadloze functies
(Wi‑Fi en overige).................................................................144
Voorzorgsmaatregelen voor storing van radiogolven...........144
Veiligheidsmaatregelen........................................................144
Software van derden............................................................145
Persoonsgegevens en veiligheidsmaatregelen....................146
Handelsmerken en licenties.................................................146
Vrijwaring..............................................................................146
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
10
Algemene bediening camera
●● Beeldinstellingen aanpassen tijdens het maken van opnamen
(Directe effecten)
-- = 42
●● Scherpstellen op gezichten
-- = 29, = 43, = 55
Opnamen maken
●● Door de camera bepaalde instellingen gebruiken (Auto-modus)
-- = 29
Goede opnamen van mensen maken
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Zonder gebruik van de flitser (Flitser Uit)
-- = 29
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Een foto maken met uzelf erbij (zelfontspanner)
-- = 34, = 47
●● Een datumstempel toevoegen
-- = 36
Portretten
(= 43)
Weergeven
●● Beelden bekijken (afspeelmodus)
-- = 60
Specifieke scènes afstemmen
Weinig licht
(= 43)
●● Automatisch afspelen (Diavoorstelling)
-- = 64
●● Op een tv
-- = 113
Vuurwerk
(= 43)
●● Op een computer
-- = 114
Speciale effecten toepassen
●● Snel door beelden bladeren
-- = 62
Levendige kleuren
(= 44)
Poster-effect
(= 44)
Fisheye-effect
(= 44)
Miniatuureffect
(= 45)
Speels effect
(= 46)
Monochroom
(= 46)
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Beelden wissen
-- = 68
11
Films opnemen/bekijken
●● Films opnemen
-- = 29
●● Films bekijken (afspeelmodus)
-- = 60
Veiligheidsinstructies
Basishandleiding
●● Zorg dat u deze instructies leest om het product veilig te kunnen
gebruiken.
Opslaan
●● Beelden opslaan op een computer
-- = 114
Wi-Fi-functies gebruiken
WAARSCHUWING
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Hiermee wordt gewezen op het risico
van ernstig letsel of levensgevaar.
●● Houd het product buiten bereik van jonge kinderen.
Een draagriem rond de nek van een persoon wikkelen kan leiden tot
verstikking.
Het klepje van het accessoiresschoentje kan gevaarlijk zijn als dit wordt
ingeslikt. Zoek onmiddellijk medische hulp indien het klepje wordt ingeslikt.
●● Gebruik alleen stroombronnen waarvan in deze gebruiksaanwijzing
wordt vermeld dat ze kunnen worden gebruikt voor dit product.
●● Demonteer of wijzig het product niet.
●● Beelden naar een smartphone verzenden
-- = 77
●● Stel het product niet bloot aan harde schokken of trillingen.
●● Beelden online delen
-- = 88
●● Stop onmiddellijk met het gebruik van het product in geval van vreemde
verschijnselen zoals de aanwezigheid van rook of een vreemde geur.
●● Beelden naar een computer verzenden
-- = 83
Handleiding voor gevorderden
●● Volg deze instructies om letsel of schade aan de gebruiker van het
product of anderen te voorkomen.
Afdrukken
●● Foto’s afdrukken
-- = 116
Vóór gebruik
●● Raak geen blootliggende interne onderdelen aan.
●● Gebruik geen organische oplosmiddelen zoals alcohol, wasbenzine
of verfverdunner om het product schoon te maken.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Laat het product niet nat worden. Stop geen vreemde voorwerpen
of vloeistoffen in het product.
●● Gebruik het product niet op plaatsen waar brandbare gassen aanwezig
kunnen zijn.
Dit kan een elektrische schok, explosie of brand veroorzaken.
●● Heeft uw product een zoeker, kijk dan niet door de zoeker of de lens
naar sterke lichtbronnen zoals de zon op een heldere dag of lasers
en andere sterke kunstmatige lichtbronnen.
Dit kan uw gezichtsvermogen beschadigen.
12
●● Neem de volgende instructies in acht bij gebruik van in de winkel
verkrijgbare batterijen of bijgeleverde batterijen.
-- Gebruik alleen de batterij/batterijen die voor het product bedoeld zijn.
-- Verwarm de batterij/batterijen niet en stel ze niet bloot aan vuur.
-- Laad de batterij/batterijen niet op met niet-goedgekeurde
batterijladers.
-- Stel de polen niet bloot aan vuil en laat ze niet in contact komen
met metalen spelden of andere metalen objecten.
-- Gebruik geen lekkende batterij/batterijen.
-- Breng tape of ander isolatiemateriaal aan over de polen van de
batterij/batterijen wanneer u deze weggooit.
Dit kan een elektrische schok, explosie of brand veroorzaken.
Indien een batterij lekt en het materiaal in contact komt met uw huid of
kleding, moet u het getroffen gebied grondig afspoelen met stromend water.
In geval van contact met de ogen moet u de ogen grondig spoelen met
ruime hoeveelheden schoon, stromend water en onmiddellijk medische
hulp inroepen.
●● Neem de volgende instructies in acht bij gebruik van een batterijlader.
-- Verwijder regelmatig met een droge doek stof dat zich op de stekker
en het stopcontact ophoopt.
-- Steek of trek de stekker van het product niet in of uit het stopcontact
met natte handen.
-- Gebruik het product niet als de stekker niet volledig in het stopcontact
is gestoken.
-- Stel de stekker en de polen niet bloot aan vuil en laat ze niet in contact
komen met metalen spelden of andere metalen objecten.
-- Raak de batterijlader of netadapter niet aan tijdens onweer indien
deze in het stopcontact is gestoken.
-- Plaats geen zware voorwerpen op het netsnoer. Demonteer, breek
of wijzig het netsnoer niet.
-- Wikkel het product niet in doek of andere materialen tijdens of kort
na gebruik, wanneer het product nog steeds een warme temperatuur
heeft.
-- Houd het product niet langdurig aangesloten op een stroombron.
Dit kan een elektrische schok, explosie of brand veroorzaken.
●● Laat het product tijdens gebruik niet langdurig in contact komen met
hetzelfde gebied van de huid.
Dit kan leiden tot eerstegraads verbrandingen zoals een rode huid of blaren,
zelfs als het product niet heet aanvoelt. Het gebruik van een statief of
vergelijkbare apparatuur wordt aanbevolen wanneer het product wordt
gebruikt op hete locaties of door mensen met een slechte bloedsomloop
of een minder gevoelige huid.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Volg aanwijzingen op om het product uit te schakelen op plaatsen waar
het gebruik ervan verboden is.
Als u dit niet doet, kan de werking van andere apparatuur verstoord raken
door het effect van elektromagnetische golven en kunt u zelfs ongelukken
veroorzaken.
VOORZICHTIG
Hiermee wordt gewezen op het risico
van letsel.
●● Laat de flitser niet flitsen in de buurt van de ogen.
Dit kan de ogen beschadigen.
●● De riem is alleen bedoeld voor gebruik op het lichaam. Door de riem
met een bevestigd product op te hangen aan een haak of ander object,
kan het product beschadigd raken. Schud daarnaast het product niet
en stel het product niet bloot aan harde schokken.
●● Oefen geen sterke druk uit op de lens en laat geen voorwerpen de lens
raken.
Dit kan letsel of schade aan het product veroorzaken.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De flitser krijgt een hoge temperatuur wanneer deze flitst. Houd vingers,
andere lichaamsdelen en voorwerpen uit de buurt van de flitsereenheid
terwijl u foto’s maakt.
Dit kan brandwonden of een storing van de flitser veroorzaken.
●● Laat het product niet achter op plaatsen die worden blootgesteld aan
extreem hoge of lage temperaturen.
Het product kan extreem heet/koud worden en brandwonden of letsel
veroorzaken wanneer het wordt aangeraakt.
13
Voorzichtig
Hiermee wordt gewezen op het risico van schade
aan eigendommen.
●● Richt de camera niet op krachtige lichtbronnen, zoals de zon op een
heldere dag of een krachtige kunstmatige lichtbron.
Als u dit wel doet, kunt u de beeldsensor of andere interne onderdelen
beschadigen.
●● Als u de camera gebruikt op een zandstrand of op een winderige plek,
moet u erop letten dat er geen zand of stof in het apparaat terechtkomt.
●● Ga niet zitten terwijl u de camera in uw broekzak hebt.
Dit kan leiden tot storingen of schade aan het scherm.
●● Let erop dat harde voorwerpen niet in contact komen met het scherm
als u de camera in uw tas stopt. Doe ook het scherm dicht (zodat het
naar de camerabody is gericht), als uw product een scherm heeft dat
ingeklapt kan worden.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Bevestig geen harde voorwerpen aan het product.
Dit kan leiden tot storingen of schade aan het scherm.
●● Veeg stof, vuil of andere stoffen die niet op de flitser thuishoren af met
een wattenstaafje of doek.
De warmte die de flitser produceert, kan ervoor zorgen dat stoffen die niet
op de flitser thuishoren rook afgeven. Ook kan de werking van het product
verstoord raken.
●● Verwijder de batterij/batterijen en berg deze op wanneer u het product
niet gebruikt.
Elke batterijlekkage die zich voordoet kan schade aan het product
veroorzaken.
●● Breng, voordat u de batterij/batterijen weggooit, tape of ander
isolatiemateriaal aan over de polen van de batterij/batterijen.
Contact met andere metalen kan leiden tot brand of een explosie.
●● Haal altijd de batterijlader uit het stopcontact wanneer deze niet
gebruikt wordt. Bedek de lader niet met een doek of andere voorwerpen
wanneer deze gebruikt wordt.
Als u de lader gedurende een lange periode in het stopcontact laat,
kan deze oververhit en beschadigd raken, waardoor brand kan ontstaan.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Laat batterijen van het product niet in de buurt van huisdieren liggen.
Als huisdieren op de batterij kauwen kan dit leiden tot lekkage, oververhitting
of een explosie, met brand of schade aan het product als gevolg.
●● Als uw product meerdere batterijen gebruikt, dient u geen combinatie
van batterijen te gebruiken met verschillende spanningsniveaus. Gebruik
geen oude en nieuwe batterijen samen. Let er bij het plaatsen van de
batterijen op dat u de + en – polen niet verwisselt.
Dit kan de werking van het product negatief beïnvloeden.
14
Basishandleiding
Voordat u begint
Vóór gebruik
Basishandleiding
Tref de volgende voorbereidingen voordat u opnamen maakt.
Handleiding voor gevorderden
De accessoires bevestigen
Basishandelingen
Algemene informatie en instructies, van de eerste voorbereidingen
tot opnamen maken en afspelen
1
(2)
(1)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Bevestig de riem.
●● Steek het uiteinde van de riem door
het riembevestigingspunt (1) en haal
het andere uiteinde van de riem door
het oog aan het draadeinde (2).
2
Bevestig de lensdop.
●● Verwijder de lensdop tijdelijk van de lens,
steek het uiteinde van het snoer door
het riembevestigingspunt (1) en haal
vervolgens de lensdop door het oog (2).
●● Verwijder altijd eerst de lensdop voordat
u de camera inschakelt.
●● Zorg dat de lensdop op de camera zit als
de camera niet in gebruik is.
(1)
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
(2)
15
(1)
De camera vasthouden
●● Doe de riem om uw pols.
●● Houd bij het maken van opnamen uw
armen tegen uw lichaam gedrukt en houd
de camera stevig vast om te voorkomen
dat deze beweegt. Laat uw vingers niet
op de uitgeklapte flitser rusten.
De batterij opladen
Laad voor gebruik de batterij op met de meegeleverde oplader. Bij aankoop
van de camera is de batterij niet opgeladen. Zorg er daarom voor dat u de
batterij eerst oplaadt.
(1)
(2)
1
●● Zorg eerst dat de markering
op de
batterij op één lijn ligt met die op de oplader
en plaats dan de batterij door deze naar
binnen (1) en naar beneden (2) te duwen.
2
(1 )
(2)
CB-2LF
Plaats de batterij.
Laad de batterij op.
●● CB-2LF: kantel de stekker naar buiten (1)
en steek de oplader in een stopcontact (2).
(2)
3
Verwijder de batterij.
●● Haal het netsnoer van de batterijlader
uit het stopcontact en verwijder de batterij
door deze naar binnen (1) en omhoog (2)
te drukken.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Laad de batterij niet langer dan 24 uur achtereen op, om de batterij
te beschermen en in goede staat te houden.
●● Bij batterijladers die gebruik maken van een netsnoer mag u de
lader of het snoer niet op andere voorwerpen aansluiten. Dit kan
defect of schade aan het product tot gevolg hebben.
●● Zie “Opname” (= 139) voor meer informatie over de oplaadduur,
het aantal opnamen en de opnametijd met een volledig opgeladen
batterij.
●● Opgeladen batterijen verliezen geleidelijk hun lading, ook als ze
niet worden gebruikt. Laad de batterij op de dag dat u deze wilt
gebruiken op, of vlak daarvoor.
●● De lader kan worden gebruikt in gebieden met een wisselspanning
van 100–240 V (50/60 Hz). Als de stekker niet in het stopcontact
past, moet u een geschikte stekkeradapter gebruiken. Gebruik
geen elektrische transformator die is bedoeld voor op reis, omdat
deze de batterij kan beschadigen.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● CB-2LFE: sluit het netsnoer aan op de
oplader en steek het andere uiteinde in
een stopcontact.
●● Het oplaadlampje gaat oranje branden
en het opladen begint.
CB-2LFE
●● Wanneer het opladen is voltooid, wordt
het lampje groen.
16
●● Controleer altijd of de geheugenkaart in
de juiste richting geplaatst wordt. Als u de
geheugenkaart in de verkeerde richting
probeert te plaatsen, kunt u de camera
beschadigen.
De batterij en uw geheugenkaart plaatsen
Plaats de meegeleverde batterij en een geheugenkaart (afzonderlijk
verkrijgbaar).
Voordat u een nieuwe geheugenkaart gaat gebruiken of een geheugenkaart
die in een ander apparaat is geformatteerd, moet de geheugenkaart met
deze camera worden geformatteerd (= 106).
1
(2 )
Open het klepje.
●● Verschuif het klepje (1) en maak het
open (2).
(2)
●● Als u de batterij verkeerd om plaatst,
kan deze niet in de juiste positie worden
vergrendeld. Controleer altijd of de batterij
in de juiste richting is geplaatst en wordt
vergrendeld.
3
(1)
(2)
Handleiding voor gevorderden
Sluit het klepje.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Sluit het klepje (1) en duw het lichtjes
aan terwijl u de schakelaar verschuift,
totdat het klepje vastklikt (2).
Plaats de batterij.
●● Terwijl u de batterij met de aansluitpunten
(1) in de getoonde positie vasthoudt,
duwt u de batterijvergrendeling (2) in de
richting van de pijl en plaatst u de batterij
totdat de vergrendeling vastklikt.
(1)
(1)
Basishandleiding
●● Zie “Opname” (= 139) voor richtlijnen over hoeveel foto’s of
uren aan opnamen op één geheugenkaart passen.
(1)
2
4
Vóór gebruik
Controleer het schuifje voor
schrijfbeveiliging van uw kaart
en plaats de geheugenkaart.
●● Bij geheugenkaarten met een schuifje
voor schrijfbeveiliging kunt u geen
opnamen maken als het schuifje is
ingesteld op vergrendeld. Verschuif het
schuifje naar de ontgrendelde positie.
De batterij en geheugenkaart verwijderen
Verwijder de batterij.
●● Open het klepje en duw de
batterijvergrendeling in de richting
van de pijl.
●● De batterij wipt nu omhoog.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Verwijder de geheugenkaart.
●● Duw de geheugenkaart naar binnen
tot u een klik hoort en laat de kaart
langzaam los.
●● De geheugenkaart wipt nu omhoog.
●● Plaats de geheugenkaart met het label (1)
in de getoonde richting totdat deze vastklikt.
17
De datum en tijd instellen
Stel de datum en tijd als volgt in als het scherm [Datum/Tijd] verschijnt
wanneer u de camera aanzet. Informatie die u op deze manier opgeeft,
wordt opgeslagen in de beeldeigenschappen wanneer u een foto maakt
en wordt gebruikt bij het beheer van uw foto’s of wanneer u foto’s afdrukt
met de datum erop.
Desgewenst kunt u ook een datumstempel aan uw foto’s toevoegen
(= 36).
1
●● Om de zomertijd in te stellen (normale tijd plus 1 uur), kiest u [
bij stap 2. Kies vervolgens [ ] door op de knoppen [ ][ ] te
drukken.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
]
Wijzig de datum en tijd als volgt.
1
Stel de datum en tijd in.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een item
te selecteren.
●● Druk op de knoppen [
en tijd in te voeren.
][
Open het menuscherm.
●● Druk op de knop [
].
] om de datum
●● Als u klaar bent, drukt u op de knop [
].
2
Kies [Datum/Tijd].
●● Beweeg de zoomknop om het
tabblad [ ] te selecteren.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Datum/Tijd] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
Stel de tijdzone thuis in.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om de tijdzone
thuis te selecteren.
4
Handleiding voor gevorderden
De datum en tijd wijzigen
●● Het scherm [Datum/Tijd] verschijnt.
3
Basishandleiding
Schakel de camera in.
●● Druk op de ON/OFF-knop.
2
Vóór gebruik
●● Het scherm [Datum/Tijd] verschijnt telkens wanneer u de camera
inschakelt, tenzij u de datum, tijd en tijdzone al hebt ingesteld.
Geef de juiste informatie op.
Voltooi de instellingsprocedure.
●● Als u klaar bent, drukt u op de knop [ ].
Nadat een bevestigingsbericht is
weergegeven, wordt het instellingenscherm
niet meer weergegeven.
3
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Wijzig de datum en tijd.
●● Volg stap 2 bij “Datum en tijd instellen”
(= 18) om de instellingen aan te
passen.
] om het
●● Druk op de knop [
menuscherm te sluiten.
●● Druk op de ON/OFF-knop om de camera
uit te schakelen.
18
●● Dankzij de ingebouwde datum/tijd-batterij (reservebatterij) kunnen
de datum- en tijdinstellingen ongeveer 3 weken behouden blijven
nadat de batterij is verwijderd.
●● De datum/tijd-batterij wordt in ongeveer 4 uur opgeladen nadat
u een opgeladen batterij hebt geplaatst, zelfs als de camera is
uitgeschakeld.
●● Zodra de datum/tijd-batterij leeg is, verschijnt het scherm
[Datum/Tijd] als u de camera inschakelt. Stel de juiste datum
en tijd in zoals beschreven bij “De datum en tijd instellen” (= 18).
Vóór gebruik
Weergavetaal
Basishandleiding
U kunt de weergavetaal desgewenst wijzigen.
1
Open de afspeelmodus.
●● Druk op de knop [
2
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
].
Open het instellingenscherm.
●● Houd de knop [ ] ingedrukt en druk
direct op de knop [
].
3
Stel de weergavetaal in.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
een taal te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Nadat u de weergavetaal hebt ingesteld,
wordt het instellingenscherm niet langer
weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De huidige tijd wordt weergegeven als u bij stap 2, nadat u op
de knop [ ] hebt gedrukt, te lang wacht voordat u op de knop
] drukt. Druk in dat geval op [ ] om de tijdweergave
[
verwijderen en herhaal stap 2.
]
●● U kunt de weergavetaal ook wijzigen door op de knop [
] te selecteren op het tabblad [ ].
te drukken en [Taal
19
3
De camera testen
Foto’s
Films
Probeer de camera uit door deze in te schakelen, enkele foto- of
filmopnamen te maken en ze te bekijken.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1) Stel scherp.
●● Druk de ontspanknop half in. Nadat
is scherpgesteld hoort u tweemaal
een pieptoon en worden AF-kaders
weergegeven om aan te geven op
welke beeldgebieden is scherpgesteld.
Schakel de camera in.
●● Druk op de ON/OFF-knop.
●● Het opstartscherm wordt weergegeven.
Open de modus [
Basishandleiding
4
Laat de camera het onderwerp en de opnameomstandigheden bepalen
voor volledig automatische selectie van de optimale instellingen voor
specifieke scènes.
2
Vóór gebruik
Maak de opname.
Foto’s maken
Opnamen maken (Smart Auto)
1
Kies de scène.
●● Om in te zoomen en het onderwerp
te vergroten, duwt u de zoomknop naar
[ ] (telelens) en om uit te zoomen duwt
u de knop naar [ ] (groothoek).
].
●● Druk meerdere malen op de knop [
totdat [
] wordt weergegeven.
]
●● Als [Flitser Opklappen] op het scherm
verschijnt, klapt u de flitser uit met uw
vingers. De flitser flitst wanneer u een
opname maakt. Als u liever geen flitser
gebruikt, drukt u de flitser met uw vinger
omlaag.
●● Richt de camera op het onderwerp.
Terwijl de camera de scène bepaalt,
maakt deze een licht klikkend geluid.
●● De pictogrammen die de modus voor
scènes en de beeldstabilisatiestand
aanduiden, worden rechtsboven in het
scherm weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Kaders rond gedetecteerde onderwerpen
geven aan dat de camera daarop is
scherpgesteld.
20
2) Maak de opname.
●● Druk de ontspanknop helemaal naar
beneden.
●● Wanneer de camera de opname maakt,
hoort u het sluitergeluid en wanneer er
weinig licht is, gaat de flitser, als u deze
hebt uitgeklapt, automatisch af.
●● Houd de camera stil tot het sluitergeluid
stopt.
●● Nadat de opname is weergegeven,
schakelt de camera weer over naar
het opnamescherm.
Films opnemen
Bekijken
Vóór gebruik
Na het maken van foto’s of het opnemen van films kunt u deze, zoals
hieronder is beschreven, op het scherm bekijken.
Basishandleiding
1
Handleiding voor gevorderden
Open de afspeelmodus.
●● Druk op de knop [
1
2
3
4
5
6
7
8
9
].
●● Uw laatste opname wordt weergegeven.
2
Selecteer de beelden.
●● Als u het vorige beeld wilt bekijken, drukt
u op de knop [ ]. Als u het volgende beeld
wilt bekijken, drukt u op de knop [ ].
1) Start de opname.
(1)
●● Druk op de filmknop. Zodra de camera
met opnemen begint, hoort u één pieptoon
en verschijnen [ REC] en de verstreken
tijd op het scherm (1).
●● Er verschijnen zwarte balken aan de
boven- en onderkant van het scherm
en het onderwerp wordt iets vergroot.
De zwarte balken geven beeldgebieden
aan die niet worden vastgelegd.
●● Kaders rond gedetecteerde gezichten
geven aan dat de camera daarop is
scherpgesteld.
●● Om dit scherm te openen (modus Beeld
scrollen), houdt u de knoppen [ ][ ] ten
minste een seconde lang ingedrukt. Druk
in deze modus op de knoppen [ ][ ] om
door beelden te bladeren.
●● Zodra de opname is begonnen, haalt
u uw vinger van de filmknop.
●● Druk op de knop [ ] om terug te keren
naar de enkelvoudige weergave.
2) Beëindig de opname.
●● Druk nogmaals op de filmknop om de
filmopname te stoppen. De camera piept
tweemaal als de opname stopt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Films zijn herkenbaar aan het pictogram
[
]. Ga naar stap 3 als u films wilt
afspelen.
21
3
Speel films af.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om [ ] te selecteren
en druk vervolgens nogmaals op de
knop [ ].
●● U kunt meerdere beelden selecteren om in één keer te wissen
(= 68).
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Het afspelen begint en na de film
].
verschijnt [
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Om het volume aan te passen, drukt
u op de knoppen [ ][ ].
●● Om vanuit de afspeelmodus naar de opnamemodus te gaan,
drukt u de ontspanknop half in (= 24).
Beelden wissen
U kunt beelden die u niet meer nodig hebt één voor één selecteren en
wissen. Wees voorzichtig bij het wissen van beelden, want ze kunnen
niet worden hersteld.
1
Selecteer het beeld dat u wilt wissen.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een beeld
te selecteren.
2
Wis het beeld.
●● Druk op de knop [
].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Als [Wissen ?] verschijnt, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [Wissen] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
●● Het huidige beeld wordt nu gewist.
●● Als u het wissen wilt annuleren, drukt
u op de knoppen [ ][ ] om [Annuleer] te
kiezen. Druk vervolgens op de knop [ ].
22
Handleiding voor
gevorderden
1
Basishandelingen van de camera
Overige basishandelingen en meer manieren om van de camera te genieten,
inclusief opties voor opnemen en afspelen
Vóór gebruik
Aan/Uit
Basishandleiding
Opnamemodus
●● Druk op de ON/OFF-knop om de camera
in te schakelen en gereed te maken om
op te nemen.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk opnieuw op de ON/OFF-knop om
de camera uit te schakelen.
Afspeelmodus
●● Druk op de knop [
] om de camera
in te schakelen en uw foto’s te bekijken.
●● Om de camera uit te schakelen drukt
u opnieuw op de knop [
].
●● Om van de afspeelmodus naar de opnamemodus te gaan,
].
drukt u op de knop [
●● Om vanuit de afspeelmodus naar de opnamemodus te gaan,
drukt u de ontspanknop half in (= 24).
●● Als de camera in de afspeelmodus is, wordt ongeveer na één
minuut de lens ingetrokken. U kunt de camera uitschakelen
]
terwijl de lens is ingetrokken door nogmaals op de knop [
te drukken.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
23
Spaarstandfuncties (Automatisch Uit)
Om de batterij te sparen worden het scherm (Display uit) en de camera
automatisch uitgeschakeld na een bepaalde inactieve periode.
Spaarstand in de opnamemodus
Het scherm wordt automatisch uitgeschakeld nadat het ongeveer één
minuut inactief is geweest. Ongeveer na nog 2 minuten wordt de lens
ingetrokken en de camera uitgeschakeld. Als het scherm is uitgeschakeld
maar de lens nog niet is ingetrokken, kunt u het scherm weer inschakelen
en gereedmaken voor het maken van opnamen door de ontspanknop half
in te drukken (= 24).
Spaarstand in de afspeelmodus
De camera wordt na ongeveer 5 minuten inactiviteit automatisch
uitgeschakeld.
●● U kunt desgewenst Automatisch Uit uitschakelen en de timing
van Display uit aanpassen (= 105).
●● De spaarstand is niet actief wanneer de camera via Wi-Fi
op andere apparaten is aangesloten (= 76) of als deze is
aangesloten op een computer (= 114).
Vóór gebruik
Ontspanknop
Basishandleiding
Om de scherpte van uw foto´s te waarborgen, houdt u de ontspanknop
altijd eerst half ingedrukt. Zodra het onderwerp is scherpgesteld, drukt
u de knop helemaal in om de foto te maken.
In deze handleiding wordt de bediening van de ontspanknop omschreven
als de knop half of helemaal indrukken.
1
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Druk half in. (Licht indrukken om
scherp te stellen.)
●● Druk de ontspanknop half in. De camera
piept twee keer en er worden kaders
weergegeven rond de beeldgebieden
waarop is scherpgesteld.
2
Druk helemaal in. (Druk, vanaf de
positie halverwege, helemaal in om
de opname te maken.)
●● De camera maakt de opname en er klinkt
een sluitergeluid.
●● Houd de camera stil tot het sluitergeluid
stopt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De beelden worden mogelijk onscherp als u de opname maakt
zonder eerst de ontspanknop half in te drukken.
●● Het geluid van de sluiter kan korter of langer duren, afhankelijk
van de tijd die nodig is om de opname te maken. Bij sommige
opnamescènes kan het langer duren en de beelden worden vaag
als u de camera beweegt (of als het onderwerp beweegt) voordat
het geluid van de sluiter stopt.
24
Opties opnameweergave
Vóór gebruik
Het menu FUNC. gebruiken
Basishandleiding
Druk op de knop [ ] om andere informatie weer te geven op het scherm
of om de informatie te verbergen. Zie “Informatie op het scherm” (= 129)
voor meer informatie over de weergegeven gegevens.
Configureer veelgebruikte functies als volgt via het menu FUNC.
Menu-items en -opties zijn afhankelijk van de opnamemodus (= 132)
of afspeelmodus (= 137).
1
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Open het menu FUNC.
●● Druk op de knop [
].
Informatie wordt weergegeven
2
Selecteer een menu-item.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
menu-item (1) te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ] of [ ].
Geen informatie weergegeven
(1)
●● Als u in een omgeving met weinig licht opnamen maakt, wordt met
de nachtschermfunctie de helderheid van het scherm automatisch
verhoogd. Zo kunt u de compositie van uw opnamen gemakkelijker
controleren. Mogelijk komen de beeldhelderheid op het scherm en
de helderheid van uw foto’s niet overeen. Vervorming van het beeld
op het scherm of schokkerige bewegingen van het onderwerp
hebben geen invloed op vastgelegde beelden.
●● Zie “Van weergavemodus wisselen” (= 61) voor
weergaveopties.
(2)
●● De beschikbare opties (2) worden
naast menu-items weergegeven,
aan de rechterkant.
●● Afhankelijk van het menu-item kunnen
functies eenvoudig worden opgegeven
door op de knop [ ] of [ ] te drukken, of
er wordt een ander scherm weergegeven
om de functie te configureren.
3
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Selecteer een optie.
●● Druk op de knoppen [
te selecteren.
Basishandelingen
van de camera
][
] om een optie
] kunnen
●● Items met het pictogram [
worden geconfigureerd door op de knop
[
] te drukken.
●● Druk op de knop [ ] om terug te gaan
naar de menu-items.
25
4
Bevestig uw keuze en verlaat
het menu.
●● Druk op de knop [
].
●● Het scherm voordat u bij stap 1 op
de knop [ ] drukte, wordt opnieuw
weergegeven en toont de optie die
u hebt geconfigureerd.
●● Als u per ongeluk een instelling hebt gewijzigd, kunt u dat
ongedaan maken door de standaardinstellingen van de camera
te herstellen (= 109).
Vóór gebruik
Het menuscherm gebruiken
Basishandleiding
Configureer verschillende camerafuncties als volgt via het menuscherm.
De menu-items zijn op tabbladen per doel gegroepeerd, zoals opnamen
maken [ ], afspelen [
], enzovoort. De beschikbare menu-items
verschillen afhankelijk van de geselecteerde opname- of afspeelstand
(= 134–= 137).
1
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Open het menuscherm.
●● Druk op de knop [
2
Handleiding voor gevorderden
].
Selecteer een tabblad.
●● Beweeg de zoomknop om een tabblad
te selecteren.
●● Nadat u eerst op de knoppen [ ][ ]
hebt gedrukt om een tabblad te selecteren,
kunt u met de knoppen [ ][ ] van tabblad
wisselen.
3
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Selecteer een menu-item.
●● Druk op de knoppen [
te selecteren.
][
] om een item
●● Bij menu-items met opties die niet worden
weergegeven, drukt u eerst op de knop
[ ] of [ ] om van scherm te wisselen.
Daarna drukt u op de knoppen [ ][ ]
om het menu-item te selecteren.
] om terug
●● Druk op de knop [
te keren naar het vorige scherm.
26
4
Selecteer een optie.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
optie te selecteren.
5
Bevestig uw keuze en verlaat
het menu.
●● Druk op de knop [
] om terug
te gaan naar het scherm dat werd
weergegeven voordat u bij stap 1
op de knop [
] drukte.
●● Als u per ongeluk een instelling hebt gewijzigd, kunt u dat
ongedaan maken door de standaardinstellingen van de camera
te herstellen (= 109).
Vóór gebruik
Toetsenbord op het scherm
Basishandleiding
Gebruik het toetsenbord op het scherm om informatie in te voeren voor
Wi-Fi-verbindingen (= 76). De lengte en het soort informatie dat u in
kunt voeren hangt af van de functie die u gebruikt.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Tekens invoeren
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om een
teken te selecteren en druk vervolgens op
de knop [ ] om het in te voeren.
Cursor verplaatsen
●● Selecteer [
knop [ ].
] of [
] en druk op de
Tekens verwijderen
●● Selecteer [ ] en druk op de knop [
Het vorige teken wordt gewist.
].
Invoer bevestigen en terugkeren naar
het vorige scherm
●● Druk op de knop [
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
].
27
Indicatorweergave
De indicator achterop de camera (= 4) knippert groen in de volgende
gevallen.
-- Er is verbinding met een computer (= 114)
-- Display uit (= 24, = 105)
-- Opstarten, opnemen of lezen
-- Communicatie met andere apparaten
-- Opnamen met lange sluitertijd maken (= 47)
-- Verbinden/verzenden via Wi-Fi
●● Als het lampje groen knippert, mag u de camera niet uitschakelen,
het klepje van de geheugenkaart/batterijhouder niet openen en de
camera niet schudden of aanstoten, omdat hierdoor de beelden,
camera of geheugenkaart beschadigd kunnen raken.
Vóór gebruik
Klok
Basishandleiding
U kunt kijken hoe laat het is.
●● Houd de knop [
Handleiding voor gevorderden
] ingedrukt.
●● De huidige tijd verschijnt.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Als u de camera verticaal houdt
wanneer u de klokfunctie gebruikt,
schakelt het scherm over naar verticale
weergave. Druk op de knoppen [ ][ ]
om de weergavekleur te wijzigen.
●● Druk nogmaals op de knop [
klokweergave te annuleren.
] om de
●● Als de camera is uitgeschakeld, houdt u de knop [ ] ingedrukt
en drukt u op de ON/OFF-knop om de klok weer te geven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
28
2
Auto-modus
Vóór gebruik
Opnamen maken met door de
camera bepaalde instellingen
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Laat de camera het onderwerp en de opnameomstandigheden bepalen
voor volledig automatische selectie van de optimale instellingen voor
specifieke scènes.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Opnamen maken (Smart Auto)
Handige modus voor eenvoudige opnamen met een betere controle
bij het maken van opnamen
Foto’s
1
Films
Schakel de camera in.
●● Druk op de ON/OFF-knop.
●● Het opstartscherm wordt weergegeven.
2
Open de modus [
].
●● Druk meerdere malen op de knop [
totdat [
] wordt weergegeven.
]
●● Richt de camera op het onderwerp.
Terwijl de camera de scène bepaalt,
maakt deze een licht klikkend geluid.
●● Pictogrammen die de modus voor scènes
en de beeldstabilisatiestand aanduiden,
worden rechtsboven in het scherm
weergegeven (= 32, = 33).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Kaders rond gedetecteerde onderwerpen
geven aan dat de camera daarop is
scherpgesteld.
29
3
(1)
Kies de scène.
2) Maak de opname.
●● Druk de ontspanknop helemaal naar
beneden.
●● Wanneer de camera de opname maakt,
hoort u het sluitergeluid en wanneer er
weinig licht is, gaat de flitser, als u deze
hebt uitgeklapt, automatisch af.
●● Houd de camera stil tot het sluitergeluid
stopt.
●● Nadat de opname is weergegeven,
schakelt de camera weer over naar
het opnamescherm.
●● Om in te zoomen en het onderwerp
te vergroten, duwt u de zoomknop naar
[ ] (telelens) en om uit te zoomen
duwt u de knop naar [ ] (groothoek).
(Op het scherm verschijnt de zoombalk (1),
die de zoompositie aangeeft.)
●● Om snel in of uit te zoomen, beweegt u de
zoomknop helemaal naar [ ] (telelens)
of [ ] (groothoek) en om langzaam in of
uit te zoomen, beweegt u de zoomknop
een beetje in de gewenste richting.
4
1) Stel scherp.
●● Wanneer op meer dan één gebied
is scherpgesteld, worden meerdere
AF‑kaders weergegeven.
●● Als [Flitser Opklappen] op het scherm
verschijnt, klapt u de flitser uit met uw
vingers. De flitser flitst wanneer u een
opname maakt. Als u liever geen flitser
gebruikt, drukt u de flitser met uw vinger
omlaag.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films opnemen
1) Start de opname.
Maak de opname.
Foto’s maken
●● Druk de ontspanknop half in. Nadat
is scherpgesteld hoort u tweemaal
een pieptoon en worden AF-kaders
weergegeven om aan te geven op
welke beeldgebieden is scherpgesteld.
Vóór gebruik
(1)
●● Druk op de filmknop. Zodra de camera
met opnemen begint, hoort u één pieptoon
en verschijnen [ REC] en de verstreken
tijd op het scherm (1).
●● Er verschijnen zwarte balken aan de
boven- en onderkant van het scherm
en het onderwerp wordt iets vergroot.
De zwarte balken geven beeldgebieden
aan die niet worden vastgelegd.
●● Kaders rond gedetecteerde gezichten
geven aan dat de camera daarop is
scherpgesteld.
●● Zodra de opname is begonnen, haalt
u uw vinger van de filmknop.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
2)Pas de grootte van het onderwerp
aan en wijzig zo nodig de compositie
van de opname.
●● Om de grootte van het onderwerp te
wijzigen, herhaalt u de bewerkingen van
stap 3.
Denk er echter wel aan dat het geluid van de
camerabewerkingen ook wordt opgenomen.
Houd er rekening mee dat films die worden
opgenomen met zoomfactoren die blauw
worden getoond, er korrelig uitzien.
30
●● Als u tijdens de opname de compositie
wijzigt, worden de focus, helderheid en
kleurtoon automatisch aangepast.
●● U kunt wijzigen hoe lang beelden worden weergeven na opnamen
(= 40).
Vóór gebruik
Basishandleiding
3) Beëindig de opname.
●● Druk nogmaals op de filmknop om de
filmopname te stoppen. De camera piept
tweemaal als de opname stopt.
●● De camera stopt automatisch met opnemen
zodra de geheugenkaart vol raakt.
Foto’s/films
●● Als de camera geen bedieningsgeluiden maakt, is deze misschien
] werd ingedrukt.
ingeschakeld terwijl de knop [
] te drukken
U geeft geluiden weer door op de knop [
en [Mute] te kiezen op het tabblad [ ]. Druk vervolgens op
de knoppen [ ][ ] om [Uit] kiezen.
Foto’s
●● Een knipperend [ ]-pictogram is een waarschuwing dat de
beelden mogelijk onscherp worden door camerabewegingen.
Bevestig in dat geval de camera op een statief of neem andere
maatregelen om de camera stil te houden.
●● Zijn uw opnamen te donker, ondanks dat er is geflitst, ga dan
dichter naar het onderwerp toe. Zie “Flitser” (= 138) voor meer
informatie over het flitsbereik.
●● Het onderwerp is mogelijk te dichtbij als de camera maar één
keer piept wanneer u de ontspanknop half ingedrukt houdt. Zie
“Opnamebereik (gemeten vanaf de punt van de lens)” (= 138)
voor meer informatie over het scherpstelbereik (opnamebereik).
●● Om rode ogen te corrigeren en om het scherpstellen te
vergemakkelijken, kan het lampje worden ingeschakeld bij
opnamen in omgevingen met weinig licht.
●● Als een knipperend [ ]-pictogram wordt weergegeven als u een
opname probeert te maken, geeft dat aan dat u pas een opname
kunt maken als de flitser klaar is met opladen. U kunt weer
opnemen zodra de flitser gereed is. U kunt nu de ontspanknop
helemaal indrukken en wachten, of u laat de knop los en drukt
de ontspanknop opnieuw in.
●● Hoewel u nog een opname kunt maken voordat het opnamescherm
wordt weergegeven, worden de gebruikte focus, helderheid en
kleuren mogelijk bepaald door uw vorige opname.
Handleiding voor gevorderden
Films
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Klap met uw vinger de flitser in voordat u een film opneemt. Zorg
dat u de microfoon (1) niet aanraakt wanneer u een film opneemt.
Wanneer u de flitser uitgeklapt laat of de microfoon blokkeert,
wordt geluid mogelijk niet opgenomen of klinkt het opgenomen
geluid gedempt.
(1)
●● Vermijd tijdens het opnemen van een film om andere
camerabediening dan de filmknoppen aan te raken, omdat
de geluiden van de camera ook worden opgenomen.
●● Zodra de filmopname begint, wordt het beeldgebied gewijzigd
en worden onderwerpen uitvergroot. Op deze manier worden
vervormingen gecorrigeerd die ontstaan doordat de camera erg
beweegt. Als u onderwerpen wilt filmen met hetzelfde formaat
als waarop ze vóór het filmen worden weergegeven, wijzigt
u de instelling voor beeldstabilisatie (= 59).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Het geluid wordt in mono opgenomen.
31
Scènepictogrammen
Foto’s
In de modus [
] geeft de camera een pictogram weer voor
devastgestelde scène. De bijbehorende instellingen voor optimale
scherpstelling, helderheid en kleur van het onderwerp worden
automatisch geselecteerd.
Opnamen maken van mensen
Achtergrond
Mensen
In
Schaduwen
beweging*1 op gezicht*1
Achtergrond
Films
Achtergrondkleur
pictogram
Helder
Opnamen maken van overige
onderwerpen
Overige
In
Dichtbij
onderwerbeweging*1
pen
Vóór gebruik
Achtergrondkleur
pictogram
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Helder
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Grijs
Helder en tegenlicht
Met blauwe lucht
Lichtblauw
Blauwe lucht
en tegenlicht
Zonsondergangen
–
Oranje
Grijs
–
Helder en tegenlicht
Spotlights
Met blauwe lucht
Donker
Lichtblauw
Blauwe lucht
en tegenlicht
–
Donker
Donker, met statief
Donker, met statief
*1
*2
Spotlights
Donkerblauw
*2
–
–
Donkerblauw
*2
–
–
Wordt niet voor films weergegeven.
Wordt weergegeven bij donkere scènes, als de camera wordt stilgehouden alsof
deze op een statief staat.
●● Probeer op te nemen in de modus [ ] (= 49) als het
scènepictogram niet bij de huidige opnameomstandigheden past
of als het niet mogelijk is om een opname te maken met de door
u verwachte effecten, kleuren of helderheid.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
32
Pictogrammen voor beeldstabilisatie
Vóór gebruik
Kaders op het scherm
Foto’s
Films
Optimale beeldstabilisatie voor de opnameomstandigheden wordt automatisch
toegepast (Intelligent IS). Daarnaast worden in de modus [
] de
volgende pictogrammen weergegeven.
Beeldstabilisatie voor foto’s (Normaal)
Beeldstabilisatie voor foto’s tijdens pannen (Pan)*
Beeldstabilisatie voor haakse camerabewegingen en
verschuivingsbewegingen bij macro-opnamen (Hybrid IS).
Bij films wordt [
] weergegeven en wordt ook [ ]-beeldstabilisatie
toegepast.
Beeldstabilisatie voor films, vermindering van sterke
camerabeweging, zoals wanneer u lopend opneemt (Dynamisch)
Beeldstabilisatie voor subtiele camerabeweging, zoals bij het
opnemen van films met de telelens (Powered)
Geen beeldstabilisatie, omdat de camera op een statief
is bevestigd of op een andere manier stil wordt gehouden.
Tijdens filmopname wordt echter [ ] weergegeven en wordt
beeldstabilisatie gebruikt om trillingen door wind of andere
oorzaken tegen te gaan (Statief IS).
* Wordt weergegeven tijdens panning, terwijl u met de camera bewegende
onderwerpen volgt. Wanneer u een onderwerp volgt dat zich horizontaal verplaatst,
heft beeldstabilisatie alleen het effect van verticale camerabeweging op en stopt
de horizontale beeldstabilisatie. Op dezelfde wijze wordt, wanneer u een onderwerp
volgt dat zich verticaal verplaatst, alleen het effect van horizontale camerabeweging
door beeldstabilisatie opgeheven en stopt de verticale beeldstabilisatie.
Foto’s
Films
Zodra de camera onderwerpen waarop u de camera richt, waarneemt,
worden verschillende kaders weergegeven.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Rond het onderwerp (of het gezicht) dat door de camera als
hoofdonderwerp wordt vastgesteld, wordt een wit kader weergegeven en
om andere gezichten die zijn herkend worden grijze kaders weergegeven.
De kaders volgen bewegende onderwerpen binnen een bepaald bereik
om de camera er steeds op scherpgesteld te houden. Als de camera
echter waarneemt dat het onderwerp beweegt, blijft alleen het witte
kader op het scherm staan.
●● Als de camera beweging van het onderwerp detecteert terwijl u de
ontspanknop half indrukt, dan wordt een blauw kader weergegeven
en worden de focus en helderheid voortdurend aangepast (Servo AF).
●● Probeer in de modus [ ] (= 49) op te nemen als er geen
kaders worden weergegeven, als er geen kaders om de gewenste
onderwerpen worden weergegeven of als kaders worden
weergegeven op de achtergrond of soortgelijke gebieden.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Om de beeldstabilisatie te annuleren, stelt u [IS modus] in op [Uit]
(= 59). In dat geval wordt het IS-pictogram niet weergegeven.
33
Vóór gebruik
●● Als u de digitale zoomfunctie wilt uitschakelen, kiest u MENU
(= 26) > tabblad [ ] > [Digitale Zoom] > [Uit].
Algemene, handige functies
Foto’s
Basishandleiding
Films
Handleiding voor gevorderden
Nader inzoomen op het onderwerp (Digitale Zoom)
De zelfontspanner gebruiken
Foto’s
Als onderwerpen te ver weg zijn om met behulp van de optische zoom
te vergroten, gebruikt u de digitale zoom om tot 180x te vergroten.
1
Duw de zoomknop naar [
].
●● Houd de zoomknop vast totdat het
zoomen stopt.
●● Het inzoomen stopt wanneer de grootst
mogelijke zoomfactor voordat het beeld
merkbaar korrelig wordt, is bereikt.
Dit wordt vervolgens weergegeven
op het scherm.
(1)
2
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films
Met de zelfontspanner kunt u een groepsfoto maken waar u zelf ook
op staat. De camera maakt de foto ongeveer 10 seconden nadat u de
ontspanknop indrukt.
1
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [ ], kies [ ] in het
menu en selecteer vervolgens [ ]
(= 25).
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
Duw de zoomknop nogmaals
naar [ ].
●● De camera zoomt nog verder in op
het onderwerp.
●● (1) is de huidige zoomfactor.
2
●● Als u de zoomknop tijdens de opname beweegt, wordt de zoombalk
weergegeven (die de zoompositie aangeeft). De zoombalk gebruikt
kleurcodes om het zoombereik aan te geven.
-- Wit bereik: optisch zoombereik waarbij het beeld niet korrelig oogt.
-- Geel bereik: digitaal zoombereik waarbij het beeld niet merkbaar
korrelig wordt (ZoomPlus).
-- Blauw bereik: digitaal zoombereik waarbij het beeld korrelig oogt.
●● Omdat het blauwe bereik bij bepaalde opnamepixelinstellingen
(= 38) niet beschikbaar is, kunt u de maximale zoomfactor
bereiken door stap 1 te volgen.
Maak de opname.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Voor foto’s: druk de ontspanknop half in
om scherp te stellen op het onderwerp
en druk de knop daarna helemaal naar
beneden.
●● Voor films: druk op de filmknop.
34
●● Zodra u de zelfontspanner start, gaat het
lampje knipperen en speelt de camera
het geluid van de zelfontspanner af.
●● Twee seconden voor de opname
versnellen het knipperen en het geluid.
(In het geval dat de flitser afgaat, blijft
de lamp branden.)
●● Om het maken van opnamen met
de zelfontspanner te annuleren nadat
u deze hebt ingesteld, drukt u op de
].
knop [
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, selecteert u [ ] bij stap 1.
Camerabeweging vermijden met de zelfontspanner
Foto’s
Films
Met deze optie reageert de sluiter nadat u de ontspanknop indrukt
met een vertraging van ongeveer twee seconden. Zou de camera dan
bewegen terwijl u de ontspanknop indrukt, dan heeft dat geen invloed op
uw opname.
●● Voer stap 1 uit bij “De zelfontspanner
gebruiken” (= 34) en kies [ ].
●● Als de instelling is voltooid, wordt [ ]
weergegeven.
●● Voer stap 2 uit in “De zelfontspanner
gebruiken” (= 34) om de opname te
maken.
De zelfontspanner aanpassen
Vóór gebruik
Foto’s
Films
Basishandleiding
U kunt de vertraging (0–30 seconden) en het aantal opnamen
(1–10 opnamen) aangeven.
1
Handleiding voor gevorderden
Selecteer [ ].
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Voer stap 1 uit bij “De zelfontspanner
gebruiken” (= 34), kies [ ] en druk
daarna op de knop [
].
2
Configureer de instelling.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Vertraging] of [Beelden] te selecteren.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
waarde te kiezen en druk daarna op
de knop [ ].
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
●● Voer stap 2 uit in “De zelfontspanner
gebruiken” (= 34) om de opname te
maken.
●● Voor films die worden opgenomen met behulp van de zelfontspanner,
geeft [Vertraging] de vertraging aan voordat het opnemen begint,
maar de instelling van [Beelden] heeft geen effect.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Wanneer u meerdere opnamen opgeeft, worden de beeldhelderheid
en witbalans bij de eerste opname vastgesteld. Tussen de opnamen
in is meer tijd nodig als de flitser afgaat of als u hebt opgegeven
dat u veel opnamen wilt maken. De camera stopt automatisch met
opnemen zodra de geheugenkaart vol raakt.
●● Als u een vertraging van meer dan twee seconden instelt, versnellen
het geluid en het lampje van de zelfontspanner twee seconden voor
de opname. (In het geval dat de flitser afgaat, blijft de lamp branden.)
35
Een datumstempel toevoegen
Foto’s
Films
De camera kan de opnamedatum aan beelden toevoegen, rechtsonder
in het beeld.
Datumstempels kunnen echter niet worden bewerkt of verwijderd.
Zorg er dus voor dat datum en tijd correct zijn ingesteld (= 18).
1
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [
], kies
[Datumstemp. ] op het tabblad [ ]
en kies vervolgens de gewenste optie
(= 26).
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
Continue opnamen maken
Foto’s
Films
Houd de ontspanknop volledig ingedrukt om continue opnamen te maken.
Zie “Continue opnamen maken” (= 139) voor meer informatie over de
snelheid van continue opnamen.
1
2
Vóór gebruik
●● Opnamen die zonder datumstempel zijn gemaakt, kunnen als
volgt met stempel worden afgedrukt.
Als u echter een datumstempel toevoegt aan beelden die al
van deze informatie zijn voorzien, kan het gevolg zijn dat deze
tweemaal wordt afgedrukt.
-- De printerfuncties gebruiken om af te drukken (= 116)
-- De DPOF-afdrukinstellingen van uw camera gebruiken
(= 119) om af te drukken.
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [ ], kies [ ] in het
menu en selecteer vervolgens [ ]
(= 25).
Maak de opname.
●● Wanneer u opnamen maakt, voegt de
camera de opnamedatum of -tijd in de
rechterbenedenhoek van een beeld toe.
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, selecteert u [Uit] in stap 1.
●● Datumstempels kunnen niet worden bewerkt of verwijderd.
Basishandelingen
van de camera
2
Maak de opname.
●● Houd de ontspanknop volledig ingedrukt
om continue opnamen te maken.
36
●● Tijdens continue opnamen zijn de focus en belichting vergrendeld
op de positie die of het niveau dat wordt vastgesteld wanneer
u de ontspanknop half indrukt.
●● Kan niet worden gebruikt met de zelfontspanner (= 34).
●● Opnamen maken kan tijdelijk stoppen of continue opnamen
maken kan langzamer worden, afhankelijk van de
opnameomstandigheden, camera-instellingen en zoompositie.
●● Opnamen maken kan langzamer worden wanneer meer opnamen
worden gemaakt.
●● Als u flitst, kan de opnamesnelheid afnemen.
Vóór gebruik
Functies voor de beeldaanpassing
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
De verhouding wijzigen
Foto’s
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films
Wijzig de verhouding (breedte-hoogteverhouding) als volgt:
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
●● Zodra de instelling is voltooid, wordt de
verhouding van het scherm gewijzigd.
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [ ].
Dezelfde verhouding als breedbeeld HD-tv’s.
Dezelfde verhouding als 35 mm-film, die wordt gebruikt voor het
afdrukken van beelden op 130 x 180 mm of briefkaartformaat.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Normale verhouding van het camerascherm. Wordt gebruikt voor
de weergave op SD-tv’s of vergelijkbare weergaveapparatuur.
Wordt ook gebruikt voor het afdrukken van afbeeldingen op
90 x 130 mm of diverse A-papierformaten.
Vierkante verhouding.
37
Het aantal opnamepixels wijzigen (beeldgrootte)
Foto’s
Beeldkwaliteit van films wijzigen
Films
Kies als volgt uit 4 niveaus het aantal opnamepixels van het beeld. Zie
“Vastgelegde pixels, aantal opnamen per geheugenkaart” (= 139) voor
richtlijnen over hoeveel opnamen bij elke opnamepixelinstelling op een
geheugenkaart passen.
Vóór gebruik
Foto’s
Films
Er zijn twee instellingen voor beeldkwaliteit beschikbaar. Zie “Vastgelegde
pixels, aantal opnamen per geheugenkaart” (= 139) voor richtlijnen over
de totale opnametijd van films die bij elk beeldkwaliteitsniveau op een
geheugenkaart past.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [ ].
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [ ].
Richtlijnen voor het kiezen van de opnamepixelinstelling
op basis van het papierformaat (voor 4:3-beelden)
Beeldkwaliteit
Aantal
opnamepixels
Framesnelheid
1280 x 720
25 fps
Voor opnamen in HD.
640 x 480
30 fps
Voor opnamen in SDkwaliteit.
A2 (420 x 594 mm)
A3–A5 (297 x 420 – 148 x 210 mm)
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Details
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
90 x 130 mm, 130 x 180 mm, briefkaartformaat
Voor e-mail en vergelijkbare doeleinden
●● In de modus [ ] geven zwarte balken aan de boven- en
onderkant van het scherm aan welke gebieden niet worden
vastgelegd.
38
Handige opnamefuncties
De camerabewerkingen aanpassen
Vóór gebruik
Basishandleiding
Raster weergeven
Foto’s
Films
Als verticale en horizontale referentie tijdens het opnemen kunnen op het
scherm rasterlijnen worden weergegeven.
●● Druk op de knop [
], selecteer
[Raster] op het tabblad [ ] en selecteer
vervolgens [Aan] (= 26).
●● Zodra de instelling is voltooid, wordt het
raster op het scherm weergegeven.
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [Uit].
Pas de opnamefuncties als volgt aan op het tabblad [ ] van het
menuscherm.
Zie “Het menuscherm gebruiken” (= 26) voor instructies over
menufuncties.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Het AF-hulplicht uitschakelen
Foto’s
Films
U kunt het lampje uitschakelen dat gewoonlijk gaat branden als hulp bij
het scherpstellen als u de ontspanknop half indrukt in omstandigheden
met weinig licht.
●● Druk op de knop [
], kies
[AF‑hulplicht] op het tabblad [ ]
en kies vervolgens [Uit] (= 26).
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [Aan].
●● Rasterlijnen worden niet opgeslagen bij de opname.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
39
Het lampje voor rode-ogenreductie uitschakelen
Foto’s
Films
U kunt het lampje voor rode-ogenreductie uitschakelen, dat gaat branden
om het effect van rode ogen te verminderen dat optreedt wanneer
u opnamen maakt met de flitser in een omgeving met weinig licht.
1
De weergavestijl van het beeld na opnamen wijzigen
Foto’s
U kunt instellen hoe lang na de opname beelden worden weergegeven en
welke informatie wordt weergegeven.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De weergaveduur van het beeld na opnamen wijzigen
Open het scherm [Flits Instellingen].
1
●● Druk op de knop [
], selecteer
[Flits Instellingen] op het tabblad [ ]
en druk daarna op de knop [ ] (= 26).
2
Films
Vóór gebruik
Open het scherm [Afbeelding direct
bekijken].
●● Druk op de knop [
], kies
[Afbeelding direct bekijken] op het
tabblad [ ] en druk daarna op de
knop [ ] (= 26).
Configureer de instelling.
●● Kies [Lamp Aan] en kies vervolgens [Uit]
(= 26).
2
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [Aan].
Configureer de instelling.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Weergavetijd] te selecteren. Druk op
de knoppen [ ][ ] om de gewenste
optie te kiezen.
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [Snel].
Snel
Geeft beelden alleen weer totdat u weer kunt fotograferen.
2 sec.,
4 sec.,
8 sec.
Beelden worden gedurende de opgegeven tijd weergegeven.
Zelfs wanneer de foto nog op het scherm staat, kunt u de
ontspanknop al half indrukken om een volgende foto te
maken.
Vastzetten
Beelden worden weergegeven totdat u de ontspanknop
half indrukt.
Uit
Na de opname worden geen beelden weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
40
Het weergegeven scherm na de opname wijzigen
Wijzig als volgt de manier waarop beelden na de opname worden
weergegeven.
1
2
Stel [Weergavetijd] in op [2 sec.],
[4 sec.], [8 sec.] of [Vastzetten]
(= 40).
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Configureer de instelling.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Scherminfo] te selecteren. Druk op
de knoppen [ ][ ] om de gewenste
optie te kiezen.
●● Als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke
instelling, herhaalt u deze procedure,
maar selecteert u [Uit].
Uit
Geeft alleen het beeld weer.
Details
Geeft details van de opname weer (= 130).
●● Wanneer [Weergavetijd] (= 40) is ingesteld op [Uit] of [Snel],
is [Scherminfo] ingesteld op [Uit]. Dit kan niet worden gewijzigd.
●● U kunt de scherminformatie wijzigen door op de knop [ ] te
drukken terwijl na de opname een beeld wordt weergegeven.
De instellingen van [Scherminfo] worden niet gewijzigd. U kunt
ook beelden wissen door op de knop [ ] te drukken of beelden
beschermen (= 66) of als favorieten markeren (= 71) door
op de knop [ ] te drukken.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
41
3
Andere opnamestanden
Vóór gebruik
Helderheid/kleur aanpassen
(Directe effecten)
Basishandleiding
Foto’s
Films
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
U kunt de beeldhelderheid en -kleuren op de volgende manier eenvoudig
aanpassen tijdens het opnemen.
1
Maak effectiever opnamen in verschillende composities en maak betere
opnamen met unieke beeldeffecten of vastgelegd met speciale functies
Open de modus [
].
●● Druk meerdere malen op de knop [
totdat [
] wordt weergegeven.
2
]
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [ ] om het
instellingenscherm te openen.
Druk op de knoppen [ ][ ] om een
instellingsoptie te selecteren. Druk
vervolgens terwijl u naar het scherm
kijkt op de knoppen [ ][ ] om de
instelling aan te passen.
●● Druk op de knop [
3
].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Maak de opname.
Helderheid
Pas het niveau aan naar rechts voor helderdere
beelden en naar links voor donkerdere beelden.
Kleur
Pas het niveau aan naar rechts voor levendigere
beelden en naar links voor meer ingetogen beelden.
Tint
Pas het niveau aan naar rechts voor een warme,
rode kleur en naar links voor een koele, blauwe kleur.
Index
42
pnamen maken van vuurwerk
O
(Vuurwerk)
Specifieke scènes
Foto’s
Kies een modus die past bij de opnamelocatie en de camera maakt
automatisch de instellingen voor optimale foto’s.
1
Films
●● Levendige foto’s van vuurwerk.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer een opnamemodus.
●● Druk meerdere malen op de knop [
totdat [
] wordt weergegeven.
]
] in het
●● Druk op de knop [ ] en kies [
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
2
Vóór gebruik
●● Plaats de camera op een statief of neem andere maatregelen om
de camera stil te houden en camerabeweging te voorkomen in de
modus [ ]. Stel daarnaast [IS modus] in op [Uit] als u opnamen
maakt met een statief of een ander middel gebruikt om de camera
stil te houden (= 59).
Maak de opname.
Portretopnamen maken (Portret)
Foto’s
Films
●● Mensen fotograferen met een
verzachtend effect.
●● De opnamepixelinstelling van de modus [ ] is [ ] (2560 x 1920)
en kan niet worden gewijzigd.
●● In de modus [ ] wordt de optimale scherpstelling nog steeds
bepaald, ook al worden er geen kaders weergegeven wanneer
u de ontspanknop half indrukt.
O
pnamen maken bij weinig licht
(Weinig licht)
Foto’s
Films
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Opnamen maken met minimale beweging
van de camera en het onderwerp, zelfs in
omstandigheden met weinig licht.
43
Opnamen maken met het effect van een visooglens
(Fisheye-effect)
Speciale effecten toepassen
Voeg diverse effecten toe aan uw opnamen.
1
Foto’s
Selecteer een opnamemodus.
1
2
O
pnamen maken in levendige
kleuren (Extra levendig)
Films
●● Opnamen met rijke, levendige kleuren.
Foto’s met postereffect (Poster‑effect)
Foto’s
Handleiding voor gevorderden
Selecteer [
1
2
3
4
5
6
7
8
9
].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
Maak de opname.
Foto’s
Basishandleiding
Maak opnamen met het vervormende effect van een visooglens.
●● Voer stap 1 in “Specifieke scènes”
(= 43) uit om een opnamemodus
te kiezen.
2
Films
Vóór gebruik
Films
●● Foto’s die lijken op oude posters
of illustraties.
Kies een effectniveau.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om een effectniveau
te selecteren en druk vervolgens op
de knop [ ].
●● U ziet een voorbeeld van uw foto waarop
het effect is toegepast.
3
Maak de opname.
●● Probeer eerst een aantal testopnamen te maken om zeker te zijn
dat u het gewenste resultaat verkrijgt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Probeer in de standen [ ] en [ ] eerst een aantal testopnamen
maken te om zeker te zijn dat u het gewenste resultaat verkrijgt.
44
Afspeelsnelheid en geschatte afspeeltijd
(voor clips van één minuut)
Foto’s die lijken op een miniatuurmodel
(Miniatuureffect)
Basishandleiding
Snelheid
Foto’s
Films
Geeft het effect van een miniatuurmodel door beeldgebieden boven en
onder uw geselecteerde gebied te vervagen.
U kunt ook films maken die lijken op scènes in miniatuurmodellen door
de afspeelsnelheid te kiezen voordat de film wordt opgenomen. Mensen
en onderwerpen in de scène zullen tijdens het afspelen snel bewegen.
Het geluid wordt niet opgenomen.
1
Selecteer [
].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
●● Op het scherm verschijnt een wit
kader dat het beeldgebied aangeeft
dat scherp blijft.
2
Kies het gebied waarop u wilt
scherpstellen.
●● Druk op de knop [ ].
●● Beweeg de zoomknop om de afmetingen
van het kader te wijzigen en druk op
de knoppen [ ][ ] om het kader te
verplaatsen.
3
Vóór gebruik
Selecteer voor films de
afspeelsnelheid van de film.
Afspeeltijd
Circa 12 sec.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Circa 6 sec.
Circa 3 sec.
Films worden met 30 fps afgespeeld.
●● De zoomfunctie is niet beschikbaar voor het opnemen van films.
Stel de zoomfunctie in voordat u de opname start.
●● Probeer eerst een aantal testopnamen te maken om zeker te zijn
dat u het gewenste resultaat verkrijgt.
●● Als u bij stap 2 op de knoppen [ ][ ] drukt, wordt de richting van
het kader verticaal. Om de richting van het kader weer horizontaal
te zetten, drukt u op de knoppen [ ][ ].
●● Als u het kader wilt verplaatsen terwijl het in de horizontale
richting staat, drukt u op de knoppen [ ][ ]. Als u het kader
wilt verplaatsen terwijl het in de verticale richting staat, drukt
u op de knoppen [ ][ ].
●● Houd de camera verticaal om de richting van het kader te wijzigen.
●● De beeldkwaliteit van films is [ ] bij een verhouding van
] en [ ] bij een verhouding van [
] (= 37). Deze
[
kwaliteitsinstellingen kunnen niet worden gewijzigd.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knop [
] en druk
vervolgens op de knoppen [ ][ ] om
de snelheid te selecteren.
4
Ga terug naar het opnamescherm
en maak de opname.
●● Druk op de knop [
] om terug te
keren naar het opnamescherm en maak
de opname.
45
Opnamen maken met een speelgoedcamera-effect
(Speelgoedcamera-effect)
Foto’s
Films
Foto’s
Opnamen maken in zwart-wit, sepia of blauw en wit.
Met dit effect lijkt het alsof het beeld is gemaakt met een speelgoedcamera
doordat vignetvorming optreedt (donkerder, vage hoeken) en de algehele
kleur wordt aangepast.
1
Selecteer [
1
].
2
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om een kleurtoon
te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Maak de opname.
Standaard
Foto’s die lijken op opnamen die zijn gemaakt met een
speelgoedcamera.
Warm
Beelden hebben een warmere tint dan met [Standaard].
Koel
Beelden hebben een koelere tint dan met [Standaard].
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
].
Selecteer een kleurtoon.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om een kleurtoon
te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
Selecteer een kleurtoon.
●● U ziet een voorbeeld van uw foto
waarop het effect is toegepast.
Selecteer [
Films
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [
].
2
Vóór gebruik
Opnamen maken in monochroom
●● U ziet een voorbeeld van uw foto
waarop het effect is toegepast.
3
Maak de opname.
Zwart/wit
Zwart-witfoto’s.
Sepia
Sepiakleurige foto’s.
Blauw
Foto’s in blauw en wit.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Probeer eerst een aantal testopnamen te maken om zeker te zijn
dat u het gewenste resultaat verkrijgt.
46
Speciale modi voor andere doeleinden
Automatisch opnamen maken nadat een nieuwe
persoon wordt gedetecteerd (Gezicht-zelfontspanner)
Foto’s
Films
Ongeveer twee seconden nadat het gezicht van een andere persoon
(zoals de fotograaf) het opnamegebied betreedt, maakt de camera een
foto (= 55). Dit is handig wanneer u zelf ook op een groepsfoto of een
vergelijkbare foto wilt staan.
1
Selecteer [
].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
2
Kies de scène en druk
de ontspanknop half in.
●● Controleer of een groen kader wordt
weergegeven rond het gezicht waarop
is scherpgesteld en of er witte kaders
rond de andere gezichten worden
weergegeven.
3
4
Ga bij de anderen staan in het
opnamegebied en kijk naar de
camera.
●● De camera gaat nu in stand-bystand voor
de opname en op het scherm verschijnt
[Kijk recht naar camera om aftellen te
starten].
●● Het lampje knippert en u hoort het geluid
van de zelfontspanner.
Basishandleiding
●● Nadat de camera een nieuw gezicht
detecteert, knippert het lampje en het
geluid van de zelfontspanner versnelt.
(Wanneer de flitser afgaat, blijft de lamp
branden.) Ongeveer twee seconden later
maakt de camera een foto.
●● Om het maken van opnamen met
de zelfontspanner te annuleren nadat
u deze hebt ingesteld, drukt u op de
knop [
].
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Ook als uw gezicht niet wordt gedetecteerd nadat u bij de
anderen bent gaan staan, maakt de camera na ongeveer
15 seconden een opname.
●● Als u het aantal opnamen wilt wijzigen nadat u [ ] hebt
geselecteerd bij stap 1, drukt u op de knop [ ]. Druk op de
knoppen [ ][ ] om het aantal opnamen te kiezen en druk
vervolgens op de knop [ ].
Opnamen met lange sluitertijd maken (Lange sluiter)
Foto’s
Druk de ontspanknop helemaal
naar beneden.
Vóór gebruik
Films
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Geef een sluitertijd van 1–15 seconden op om opnamen met een lange
sluitertijd maken. Plaats in dit geval de camera op een statief of neem
andere maatregelen om de camera stil te houden en camerabeweging
te voorkomen.
1
Selecteer [ ].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
47
2
Selecteer de sluitertijd.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om de sluitertijd te
kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
3
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Controleer de belichting.
●● Druk de ontspanknop half in om de
belichting voor de door u geselecteerde
sluitertijd te bekijken.
4
Maak de opname.
●● De helderheid van het beeld kan afwijken van de helderheid van
het scherm bij stap 3 toen de ontspanknop half werd ingedrukt.
●● Als u een sluitertijd van 1,3 seconde of een langere sluitertijd
gebruikt, treedt een vertraging op voordat u opnieuw een foto
kunt maken, omdat de camera de beelden verwerkt om ruis
te voorkomen.
●● Stel [IS modus] in op [Uit] als u opnamen maakt met een statief of
een ander middel gebruikt om de camera stil te houden (= 59).
●● Als de flitser afgaat, kan uw foto overbelicht raken. Stel in dat
geval de flitser in op [ ] en maak een nieuwe opname (= 57).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
48
4
P-modus
Meer onderscheidende foto’s in de opnamestijl van uw voorkeur
●● In dit hoofdstuk wordt verondersteld dat de camera is ingesteld op de
modus [ ].
●● [ ]: programma automatische belichting; AE: automatische belichting
●● Voordat u een in dit hoofdstuk beschreven functie gebruikt in een andere
modus dan [ ], dient u te controleren of de functie in die modus
beschikbaar is (= 131).
Opnamen maken met programma
automatische belichting ([P]-modus)
Foto’s
Films
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
U kunt tal van functie-instellingen aanpassen aan uw favoriete opnamestijl.
1
Open de modus [ ].
●● Voer stap 1 bij “Specifieke scènes”
(= 43) uit en kies [ ].
2
Pas de instellingen naar wens
aan (= 50–= 59) en maak een
opname.
●● Als de optimale belichting niet kan worden verkregen wanneer
u de ontspanknop half indrukt, worden de sluitertijd en de
diafragmawaarde in het oranje weergegeven. Probeer in dat
geval de ISO-waarde aan te passen (= 51) of de flitser te
activeren (bij donkere onderwerpen, = 57) om zo de optimale
belichting te verkrijgen.
●● U kunt ook films opnemen in de modus [ ] door op de filmknop
te drukken. Sommige FUNC.- (= 25) en MENU-instellingen
(= 26) kunnen echter automatisch worden aangepast voor
filmopnamen.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
49
Vóór gebruik
De meetmethode wijzigen
Helderheid van het beeld
(Belichting)
Foto’s
Films
U kunt op de volgende manier de meetmethode (functie voor meten van
helderheid) aanpassen aan de opnameomstandigheden.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
De helderheid van het beeld aanpassen
(Belichtingscompensatie)
Foto’s
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
Films
U kunt de standaardbelichting die door de camera wordt ingesteld,
aanpassen in stappen van 1/3 stop in een bereik van –2 tot +2.
●● Druk op de knop [ ]. Kijk naar het
scherm en druk op de knoppen [ ][ ]
om de helderheid aan te passen.
●● Wanneer u films opneemt, moet de
belichtingscompensatiebalk worden
weergegeven.
Deelmeting
Voor standaardomstandigheden, inclusief
onderwerpen die van achteren worden belicht.
De belichting wordt automatisch aangepast aan
de opnameomstandigheden.
●● Wanneer u foto’s maakt, drukt
u op de knop [ ] om de ingestelde
belichtingscompensatie weer te geven.
Maak vervolgens de opname.
Gem. centrum
meeting
Bepaalt de gemiddelde helderheid van het
gehele beeldgebied. Dit wordt berekend door
de helderheid in het centrumgebied als het
belangrijkste te behandelen.
Spot
Meting wordt beperkt tot het [ ] (spotmetingpuntkader) dat wordt weergegeven in het midden
van het scherm.
●● U kunt ook foto’s maken terwijl de belichtingscompensatiebalk
wordt weergegeven.
] weergegeven en wordt
●● Wanneer u een film maakt, wordt [
de belichting vergrendeld.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
50
De ISO-waarde wijzigen
Vóór gebruik
De helderheid corrigeren (i-Contrast)
Foto’s
Films
Stel de ISO-waarde in op [AUTO] om deze automatisch aan te laten
passen aan de opnamemodus en -omstandigheden. Kies anders een
hogere ISO-waarde voor meer gevoeligheid of een lagere waarde voor
minder gevoeligheid.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
●● Druk de ontspanknop half in als u de automatisch bepaalde
ISO-waarde wilt bekijken wanneer de ISO-waarde is ingesteld
op [AUTO].
●● Kiezen voor een lagere ISO-waarde levert wel scherpere beelden,
maar onder bepaalde opnameomstandigheden neemt de kans op
een onscherp onderwerp en bewogen beelden toe.
●● De keuze voor een hogere ISO-waarde zal de sluitertijd verhogen,
wat onscherpe en bewogen onderwerpen vermindert en het
flitserbereik vergroot. Foto’s kunnen er echter wel korrelig uitzien.
Foto’s
Films
Voordat u een opname maakt, kunnen extreem heldere of donkere gebieden
(zoals gezichten of achtergronden) worden gedetecteerd en automatisch
worden aangepast aan de optimale helderheid. Als het gehele beeld niet
genoeg contrast heeft, kan dat ook automatisch worden gecorrigeerd,
zodat onderwerpen beter opvallen.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knop [
], kies
[i-Contrast] op het tabblad [ ] en
kies [Automatisch] (= 26).
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
●● In sommige opnameomstandigheden kan de correctie
onnauwkeurig zijn of korrelige beelden veroorzaken.
●● U kunt ook bestaande beelden corrigeren (= 74).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
51
Aangepaste witbalans
Beeldkleuren
Vóór gebruik
Foto’s
Films
Basishandleiding
Pas de witbalans aan de lichtbron aan terwijl u opnamen maakt voor
beeldkleuren die natuurlijk lijken in het licht van uw opname. Stel de
witbalans in onder dezelfde lichtbron die uw opname zal verlichten.
De witbalans aanpassen
Foto’s
Films
Door de witbalans aan te passen kunt u beeldkleuren natuurlijker laten
lijken voor de scène waarvan u een opname maakt.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(=25).
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
Handleiding voor gevorderden
●● Voer de stappen in “De witbalans
aanpassen” (= 52) uit om [ ] te
selecteren.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Richt de camera op een effen wit
onderwerp, zodat het hele scherm wit is.
Druk op de knop [
].
●● De schermtint verandert nadat de
witbalansgegevens zijn vastgelegd.
●● Kleuren kunnen onnatuurlijk lijken wanneer u de camera-instellingen
wijzigt nadat de witbalansgegevens zijn vastgelegd.
Auto
Hiermee wordt de optimale witbalans automatisch
ingesteld voor de opnameomstandigheden.
Dag Licht
Voor opnamen buitenshuis bij mooi weer.
Bewolkt
Voor opnamen bij bewolkt weer of in de schemering.
Lamplicht
Voor opnamen bij normale gloeilampen.
TL licht
Voor opnamen bij wit tl-licht.
TL licht H
Voor opnamen bij daglichtlampen.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(=25).
Custom
Voor handmatig instellen van een aangepaste
witbalans (= 52).
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt nu
weergegeven.
De kleurtoon van een beeld wijzigen (My Colors)
Foto’s
Films
U kunt naar wens de kleurtonen van het beeld wijzigen, zoals beelden
converteren naar sepia of zwart-wit.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
52
My Colors Uit
–
Levendig
De nadruk komt te liggen op contrast en
kleurverzadiging, voor scherpere beelden.
Neutraal
Hiermee worden het contrast en de
kleurverzadiging afgevlakt, voor zachte
beelden.
Sepia
Hiermee maakt u sepiakleurige beelden.
Zwart/wit
Hiermee maakt u zwart-witfoto’s.
Positief Film
Hiermee worden de effecten van Levendig
Blauw, Levendig Groen en Levendig Rood
gecombineerd om intense maar natuurlijke
kleuren te krijgen, zoals de kleuren van dia’s.
Lichtere huidtint
Hiermee maakt u huidtinten lichter.
Donkerder huidtint
Hiermee maakt u huidtinten donkerder.
Levendig Blauw
Legt de nadruk op blauwe tinten in beelden.
Hierdoor worden blauwe onderwerpen,
zoals de lucht of de zee, levendiger.
Levendig Groen
Legt de nadruk op groene tinten in beelden.
Hierdoor worden groene onderwerpen,
zoals bergen en flora, levendiger.
Levendig Rood
Legt de nadruk op rode tinten in beelden.
Hierdoor worden rode onderwerpen
levendiger.
Custom Kleur
U kunt het contrast, de scherpte,
kleurverzadiging, enzovoort aanpassen
aan uw voorkeur (= 53).
Custom Kleur
Vóór gebruik
Foto’s
Films
Kies het gewenste niveau voor beeldcontrast, scherpte, kleurverzadiging
en rode, groene, blauwe en huidkleurige tinten uit een bereik van 1–5.
1
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Open het instellingenscherm.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Voer de stappen bij “De kleurtoon van
een beeld wijzigen (My Colors)” (= 52)
uit om [ ] te selecteren. Druk vervolgens
op de knop [
].
2
Configureer de instelling.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een item
te selecteren. Voer vervolgens de waarde
in door op de knoppen [ ][ ] te drukken.
●● Pas de waarde naar rechts aan
voor sterkere/intensere effecten
(of donkerdere huidtinten) en pas de
waarde naar links aan voor zwakkere/
lichtere effecten (of lichtere huidtinten).
●● Druk op de knop [
instelling te voltooien.
] om de
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● U kunt de witbalans (= 52) niet instellen in de modus [ ]
of [ ].
●● Met de modus [ ] of [ ] kunnen mogelijk andere kleuren dan
huidtinten worden gewijzigd. Deze instellingen geven mogelijk
niet het verwachte resultaat met sommige huidtinten.
53
Foto’s
Close-ups maken (Macro)
Foto’s
Vóór gebruik
Opnamen maken van onderwerpen op grote
afstand (Oneindig)
Opnamebereik en scherpstellen
Films
Basishandleiding
Films
Handleiding voor gevorderden
Stel de camera in op [ ] om de scherpte te beperken tot onderwerpen
die zich veraf bevinden. Zie “Opnamebereik (gemeten vanaf de punt van
de lens)” (= 138) voor meer informatie over het scherpstelbereik.
Stel de camera in op [ ] om de scherpte te beperken tot onderwerpen
die zich dichtbij bevinden. Zie “Opnamebereik (gemeten vanaf de punt
van de lens)” (= 138) voor meer informatie over het scherpstelbereik.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om [ ] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om [ ] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Als de instelling is voltooid, wordt [
weergegeven.
]
●● Als de instelling is voltooid, wordt [ ]
weergegeven.
Digitale telelens
Foto’s
●● Als u flitst, kan vignetvorming optreden.
●● Zorg dat u de lens niet beschadigt.
●● In het weergavegebied in de gele balk onder de zoombalk
wordt [ ] grijs en de camera stelt niet scherp.
●● Om camerabeweging te voorkomen, plaatst u de camera op een
statief en neemt u opnamen met de camera ingesteld op [ ]
(= 35).
Films
De brandpuntsafstand van de lens kan worden vergroot met ongeveer
1,6x of 2,0x. Dit kan het effect van camerabeweging verminderen doordat
de sluitertijd korter is dan wanneer u zou inzoomen (inclusief het gebruik
van digitale zoom) naar dezelfde zoomfactor.
●● Druk op de knop [
], kies [Digitale
Zoom] op het tabblad [ ] en kies de
gewenste optie (= 26).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Het beeld wordt vergroot en de zoomfactor
verschijnt op het scherm.
●● Kan niet worden gebruikt met digitale zoom (= 34).
●● De sluitertijd kan equivalent zijn wanneer u de zoomknop helemaal naar
[
] duwt voor een maximale telelensinstelling en wanneer u inzoomt om
het onderwerp te vergroten tot hetzelfde formaat door stap 2 van “Nader
inzoomen op het onderwerp (Digitale Zoom)” (= 34) uit te voeren.
54
Gezichts-AiAf
De modus AF Frame wijzigen
Vóór gebruik
Foto’s
Foto’s
Films
Pas de modus AF Frame (automatisch scherpstellen) als volgt aan
de opnameomstandigheden aan.
Films
●● Hiermee kan de camera gezichten detecteren en vervolgens erop
scherpstellen, de belichting bepalen (alleen deelmeting) en de
witbalans instellen (alleen [ ]).
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Nadat u de camera op het onderwerp hebt gericht, wordt een wit
kader weergegeven rondom het gezicht dat door de camera als
hoofdonderwerp wordt vastgesteld. Maximaal twee grijze kaders
worden weergegeven rond andere gedetecteerde gezichten.
●● Druk op de knop [
], kies
[AF Frame] op het tabblad [ ] en
kies de gewenste optie (= 26).
●● Wanneer de camera beweging detecteert, volgen de kaders de
bewegende onderwerpen binnen een bepaald bereik.
●● Als u de ontspanknop half indrukt, worden er maximaal negen
groene kaders weergegeven rond de gezichten waarop de camera
scherpstelt.
Centrum
Foto’s
Films
Eén AF-kader wordt in het midden weergegeven. Effectief voor betrouwbaar
scherpstellen.
●● Een geel AF-kader wordt weergegeven met [ ] als de camera
niet kan scherpstellen wanneer u de ontspanknop half indrukt.
●● Druk op de knop [
] en stel [AF kader afm.] op het tabblad
[ ] in op [Klein] (= 26) om de afmetingen van het AF-kader
te verkleinen.
●● De afmeting van het AF-kader wordt ingesteld op [Normaal]
wanneer u de digitale telelens (= 54) gebruikt.
●● Om scènes te maken met de onderwerpen aan de rand of
in een hoek, richt u de camera eerst zo dat u het onderwerp
in het AF‑kader ziet en vervolgens houdt u de ontspanknop
half ingedrukt. Terwijl u de ontspanknop half ingedrukt blijft
houden, creëert u de gewenste scène en vervolgens drukt
u de ontspanknop helemaal in (Focusvergrendeling).
●● Als er geen gezichten worden gedetecteerd of wanneer er alleen
grijze kaders (zonder wit kader) worden weergegeven, worden
maximaal negen groene kaders weergegeven in de scherpgestelde
gebieden wanneer u de ontspanknop half indrukt.
●● Wanneer geen gezichten worden gedetecteerd wanneer Servo AF
(= 56) is ingesteld op [Insch.], verschijnt het AF-kader in het
midden van het scherm als u de ontspanknop half indrukt.
●● Voorbeelden van gezichten die niet kunnen worden gedetecteerd:
-- Onderwerpen die ver weg zijn of extreem dichtbij
-- Onderwerpen die donker of licht zijn
-- Gezichten en profil, vanuit een hoek of gedeeltelijk verborgen
●● De camera kan niet-menselijke onderwerpen identificeren als
gezichten.
●● Als de camera niet kan scherpstellen wanneer u de ontspanknop
half indrukt, worden er geen AF-kaders weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
55
Onderwerpen selecteren om op scherp te stellen
(AF Tracking)
Foto’s
Films
Maak als volgt een opname nadat u het onderwerp hebt gekozen waarop
moet worden scherpgesteld.
1
Kies een onderwerp waarop u wilt
scherpstellen.
●● Richt de camera zo dat [ ] op het
gewenste onderwerp valt en druk op
de knop [ ].
●● De camera piept en [ ] verschijnt
zodra het onderwerp is gedetecteerd.
De camera blijft het onderwerp binnen
een bepaald bereik volgen, zelfs als het
onderwerp beweegt.
●● [ ] wordt weergegeven wanneer geen
onderwerp is gedetecteerd.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] om het
volgen te stoppen.
3
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer [AF Tracking].
●● Voer de stappen bij “De modus AF Frame
wijzigen” (= 55) uit om [AF Tracking] te
selecteren.
●● [ ] wordt weergegeven in het midden
van het scherm.
2
●● [Servo AF] (= 56) is ingesteld op [Insch.] en kan niet worden
gewijzigd.
●● Mogelijk kan de camera het onderwerp niet volgen als dit te
klein is, te snel beweegt of als het contrast tussen het onderwerp
en de achtergrond te klein is.
●● [ ] en [ ] zijn niet beschikbaar.
Maak de opname.
●● Druk de ontspanknop half in. [ ] verandert
in een blauw [ ] dat het onderwerp volgt
terwijl de scherpstelling en belichting
worden aangepast (Servo AF) (= 56).
●● Druk de ontspanknop helemaal naar
beneden om de opname te maken.
●● Zelfs nadat de opname is gemaakt,
wordt [ ] nog steeds weergegeven en
blijft de camera het onderwerp volgen.
●● De camera kan zelfs onderwerpen detecteren wanneer u de
ontspanknop half ingedrukt houdt zonder op de knop [ ] te drukken.
Nadat u de opname hebt gemaakt, wordt [ ] weergegeven in het
midden van het scherm.
Opnamen maken met Servo AF
Foto’s
Films
Deze modus helpt u om te voorkomen dat u foto’s mist van bewegende
onderwerpen, omdat de camera blijft scherpstellen op het onderwerp en
de belichting aanpast zolang u de ontspanknop half ingedrukt houdt.
1
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [
], selecteer
[Servo AF] op het tabblad [ ] en
selecteer vervolgens [Insch.] (= 26).
2
Stel scherp.
●● De focus en belichting blijven
behouden als het blauwe AF-kader
wordt weergegeven wanneer u de
ontspanknop half indrukt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● In sommige opnameomstandigheden kan de camera mogelijk niet
scherpstellen.
●● In omstandigheden met weinig licht worden de AF-kaders mogelijk
niet geactiveerd (en worden mogelijk niet blauw) wanneer u de
ontspanknop half indrukt. In dat geval worden de focus en belichting
ingesteld overeenkomstig de opgegeven modus voor AF Frame.
●● Als de optimale belichting niet kan worden verkregen, worden
de sluitertijd en de diafragmawaarde in het oranje weergegeven.
Laat de ontspanknop los en druk deze opnieuw half in.
●● Niet beschikbaar als u de zelfontspanner gebruikt (= 34).
56
De focusinstelling veranderen
Vóór gebruik
Flitser
Foto’s
Basishandleiding
Films
U kunt de standaardwaarden van de camera zo instellen dat deze constant
scherpstelt op de onderwerpen waarop deze wordt gericht, zelfs wanneer
de ontspanknop niet wordt ingedrukt. U kunt in plaats hiervan de camera
beperken tot scherpstellen op het moment waarop u de ontspanknop half
indrukt.
●● Druk op de knop [
], kies [Continu]
op het tabblad [ ] en kies vervolgens
[Uitsch.] (= 26).
Insch.
Helpt te voorkomen dat u onverwachte fotokansen mist,
doordat de camera continu scherpstelt op onderwerpen
totdat u de ontspanknop half indrukt.
Uitsch.
De camera stelt niet continu scherp, zodat de batterij
minder snel leeg is.
Handleiding voor gevorderden
Flitsmodus wijzigen
Foto’s
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films
U kunt de flitsmodus wijzigen en aanpassen aan de opnamescène.
Zie “Flitser” (= 138) voor meer informatie over het flitsbereik.
1
2
Klap de flitser uit.
Configureer de instelling.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om een flitsmodus
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● De optie die u hebt ingesteld, wordt
nu weergegeven.
●● Als de flitser is ingeklapt, kan het instellingenscherm niet worden
geopend door op de knop [ ] te drukken. Klap eerst met uw
vinger de flitser uit.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Auto
Als er weinig licht is, wordt er automatisch geflitst.
Aan
Er wordt bij elke opname geflitst.
Slow sync
Er wordt geflitst om de helderheid van het hoofdonderwerp (zoals mensen)
te verbeteren terwijl er opnamen gemaakt worden met een langere sluitertijd,
zodat de achtergrond buiten het flitsbereik verlicht wordt.
57
●● Plaats de camera op een statief of neem andere maatregelen om
de camera stil te houden en camerabeweging te voorkomen in de
modus [ ]. Stel daarnaast [IS modus] in op [Uit] als u opnamen
maakt met een statief of een ander middel gebruikt om de camera
stil te houden (= 59).
●● In de modus [ ] mag het hoofdonderwerp niet bewegen totdat
het sluitergeluid stopt, zelfs nadat de flitser geflitst heeft.
Vóór gebruik
Overige instellingen
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
De compressieverhouding wijzigen
(Beeldkwaliteit)
Foto’s
Uit
Voor het maken van opnamen zonder flitser.
●● Als bij omstandigheden die ervoor zorgen dat de camera
wordt bewogen of bij situaties met weinig licht een knipperend
pictogram [ ] wordt weergegeven wanneer u de ontspanknop
half indrukt, plaatst u de camera op een statief of neemt u andere
maatregelen om de camera stil te houden.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Films
Selecteer als volgt een van de twee compressieverhoudingen,
[ ] (Superfijn) en [ ] (Fijn). Zie “Opname” (= 139) voor richtlijnen over
hoeveel opnamen bij elke compressieverhouding op een geheugenkaart
passen.
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(=25).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
58
Films opnemen met onderwerpen op hetzelfde formaat
als waarop ze voor de opname worden weergegeven
Instellingen van de IS‑modus wijzigen
Foto’s
1
Films
Open het instellingenscherm.
●● Druk op de knop [
], selecteer
[IS‑instellingen] op het tabblad [ ] en
druk daarna op de knop [ ] (= 26).
2
Configureer de instelling.
●● Kies [IS modus] en kies vervolgens
de gewenste optie (= 26).
Continu
Optimale beeldstabilisatie voor de opnameomstandigheden
wordt automatisch toegepast (Intelligent IS) (= 33).
Opname*
Beeldstabilisatie is alleen actief op het moment van de
opname.
Uit
Schakelt de beeldstabilisatie uit.
* De instelling wordt gewijzigd in [Continu] voor filmopnamen.
●● Wanneer beeldstabilisatie camerabeweging niet kan voorkomen,
plaatst u de camera op een statief of neemt u andere maatregelen
om de camera stil te houden. Stel in dat geval [IS modus] in op [Uit].
Foto’s
Films
Normaal gesproken, wordt zodra de filmopname begint het beeldgebied
gewijzigd en worden onderwerpen uitvergroot. Op deze manier worden
vervormingen gecorrigeerd die ontstaan doordat de camera erg beweegt.
Als u onderwerpen wilt filmen op hetzelfde formaat als waarop ze voor
het filmen worden weergegeven, kunt u ervoor kiezen om ernstige
camerabewegingen niet te corrigeren.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Voer de stappen bij “Instellingen van
de IS‑modus wijzigen” (= 59) uit om
het scherm [IS-instellingen] te openen.
●● Kies [Dynamic IS] en kies vervolgens [2]
(= 26).
●● Als de filmkwaliteit [ ] (= 38) is, is Dynamic IS [1]. Deze
instelling kan niet worden gewijzigd.
●● U kunt ook [IS modus] op [Uit] zetten, zodat onderwerpen op
hetzelfde formaat worden opgenomen als waarop ze voor het
filmen worden weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
59
5
Afspeelmodus
Veel plezier bij het bekijken van uw opnamen. U kunt ze op tal van
manieren doorbladeren en bewerken.
●● Druk op de knop [
] om de afspeelmodus te openen en de camera
voor te bereiden op deze handelingen.
●● Beelden die zijn bewerkt op een computer, beelden waarvan
de bestandsnaam is gewijzigd en beelden die met een andere
camera zijn gemaakt, kunnen mogelijk niet worden afgespeeld
of bewerkt.
Vóór gebruik
Bekijken
Basishandleiding
Foto’s
Films
Na het maken van foto’s of het opnemen van films kunt u deze, zoals
hieronder is beschreven, op het scherm bekijken.
1
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Open de afspeelmodus.
●● Druk op de knop [
].
●● Uw laatste opname wordt weergegeven.
2
Selecteer de beelden.
●● Als u het vorige beeld wilt bekijken,
drukt u op de knop [ ]. Als u het volgende
beeld wilt bekijken, drukt u op de knop [ ].
●● Om dit scherm te openen (modus Beeld
scrollen), houdt u de knoppen [ ][ ]
ten minste een seconde lang ingedrukt.
Druk in deze modus op de knoppen [ ][ ]
om door beelden te bladeren.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knop [ ] om terug te keren
naar de enkelvoudige weergave.
●● Druk in de modus Beeld scrollen op
de knoppen [ ][ ] om door beelden
te bladeren die per opnamedatum
gegroepeerd zijn.
60
●● Films zijn herkenbaar aan het pictogram
]. Ga naar stap 3 als u films wilt
[
afspelen.
Vóór gebruik
Van weergavemodus wisselen
Foto’s
3
Druk op de knop [ ] om andere informatie weer te geven op het
scherm of om de informatie te verbergen. Zie “Afspelen (uitgebreide
informatieweergave)” (= 130) voor meer informatie over de
weergegeven gegevens.
Speel films af.
●● Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om [ ] te selecteren
en druk vervolgens nogmaals op de
knop [ ] om het afspelen te starten.
4
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Geen informatieweergave
] om het
●● Om het volume aan te passen wanneer
de volumeaanduiding (1) niet langer
wordt weergegeven, drukt u op de
knoppen [ ][ ].
5
Basishandleiding
Pas het volume aan.
●● Druk op de knoppen [ ][
volume aan te passen.
(1)
Films
Beknopte informatieweergave
Onderbreek het afspelen.
●● Druk op de knop [ ] als u het afspelen
wilt onderbreken of hervatten.
●● Na de film verschijnt [
].
●● Om vanuit de afspeelmodus naar de opnamemodus te gaan,
drukt u de ontspanknop half in.
●● Als u Beeld scrollen wilt uitschakelen, kiest u MENU (= 26) >
] > [Beeld scrollen] > [Uit].
tabblad [
●● Als u de meest recente opname wilt weergeven wanneer
de afspeelmodus geopend wordt, kiest u MENU (= 26) >
] > [Ga verder] > [Laatste f.].
tabblad [
●● Om de weergegeven overgang tussen beelden te wijzigen,
opent u MENU (= 26) en vervolgens kiest u het door
] > [Overgang].
u gewenste effect op het tabblad [
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Uitgebreide informatieweergave
Overbelichtingswaarschuwing (voor highlights van
beelden)
Foto’s
Films
In de uitgebreide informatieweergave (= 61) knipperen de vervaagde
highlights van het beeld op het scherm.
61
Histogram
Foto’s
Films
●● De grafiek die verschijnt in de uitgebreide
informatieweergave (= 61) is een
histogram dat de distributie van de
helderheid in het beeld toont. Op de
horizontale as staat de helderheidsgraad
en de verticale geeft aan welk gedeelte
van het beeld zich op elk helderheidsniveau
bevindt. Het histogram bekijken is een
manier om de belichting te controleren.
Foto’s
Films
●● Met een smartphone die via Wi-Fi is
verbonden met de camera, kunt u beelden
op de camera geotaggen en informatie
toevoegen zoals de breedtegraad,
lengtegraad en hoogte (= 99).
U kunt deze informatie controleren
in de GPS‑informatieweergave.
●● Van boven naar onder worden
breedtegraad, lengtegraad, hoogte en
UTC (opnamedatum en -tijd) getoond.
●● De GPS-informatieweergave is niet beschikbaar voor beelden
waarvoor deze informatie ontbreekt.
●● [---] wordt weergegeven in plaats van numerieke waarden voor
items die niet beschikbaar zijn op uw smartphone of voor items
die niet juist zijn vastgelegd.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Bladeren door beelden in een index
Foto’s
Films
U kunt snel de beelden vinden die u zoekt door meerdere beelden in een
index weer te geven.
1
GPS-informatieweergave
Vóór gebruik
Door beelden bladeren en beelden
filteren
Geef beelden weer in een index.
●● Verschuif de zoomknop naar [ ] als
u beelden in een index wilt weergeven.
Als u de zoomknop nogmaals verschuift,
worden meer beelden weergegeven.
●● Verschuif de zoomknop naar [ ] om
minder beelden weer te geven. Het aantal
beelden neemt elke keer af wanneer u de
zoomknop verschuift.
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][
een beeld te selecteren.
][ ][ ] om
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Er wordt een oranje kader rond het
geselecteerde beeld weergegeven.
●● Druk op de knop [ ] om het geselecteerde
beeld in de enkelvoudige weergave te
bekijken.
●● UTC: staat voor “Coordinated Universal Time” en komt vrijwel
overeen met Greenwich Mean Time.
62
Beelden zoeken die voldoen aan opgegeven
voorwaarden
Foto’s
●● Als op de camera voor bepaalde voorwaarden geen
overeenkomende beelden zijn gevonden, zijn die voorwaarden
niet beschikbaar.
Films
Vind snel de gewenste beelden op een geheugenkaart vol beelden door
de beeldweergave te filteren op de door u opgegeven voorwaarden. U kunt
deze beelden ook allemaal tegelijk beveiligen (= 66) of verwijderen
(= 68).
Mensen
Hiermee worden beelden weergegeven met
gedetecteerde gezichten.
Opnamedatum
Geeft beelden weer die op een bepaalde datum
zijn opgenomen.
Favorieten
Geeft beelden weer die gemarkeerd zijn als
favoriet (= 71).
Foto/film
Geeft alleen foto’s of films weer.
1
Kies een zoekvoorwaarde.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knop [ ] bij stap 2 om informatie weer te geven
of te verbergen.
●● Opties voor het bekijken van de gevonden beelden (stap 2)
zijn “Bladeren door beelden in een index” (= 62), “Beelden
vergroten” (= 64) en “Diavoorstellingen bekijken” (= 64).
U kunt ook beeldbewerkingen toepassen op alle gevonden
beelden, door [Alle beelden in zoekopdr. bev.] te selecteren
in “Beelden beveiligen” (= 66) of [Alle beelden zoekopdr.
sel.] in “Meerdere beelden tegelijk wissen” (= 68), “Beelden
toevoegen aan de printlijst (DPOF)” (= 119) of “Beelden
toevoegen aan een fotoboek” (= 121).
●● Als u beelden bewerkt en opslaat als nieuwe beelden
(= 72–= 75) wordt een bericht weergegeven en worden
de gevonden beelden niet meer weergegeven.
●● Druk op de knop [ ], kies [ ] in het
menu en selecteer vervolgens een
voorwaarde (= 25).
●● Wanneer u [ ] of [ ] hebt geselecteerd,
kiest u de voorwaarde door op de knoppen
[ ][ ][ ][ ] op het weergegeven
scherm te drukken. Druk vervolgens
op de knop [ ].
2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Bekijk de gefilterde beelden.
●● Beelden die voldoen aan uw voorwaarden,
worden in gele kaders weergegeven.
Druk op de knoppen [ ][ ] om alleen
deze beelden te bekijken.
●● Kies [ ] bij stap 1 om gefilterde
weergave te stoppen.
63
Opties voor het weergeven van foto’s
Vóór gebruik
Diavoorstellingen bekijken
Foto’s
Beelden die zijn opgeslagen op een geheugenkaart, kunt u als volgt
automatisch afspelen. Elk beeld wordt ongeveer 3 seconden weergegeven.
Beelden vergroten
Foto’s
1
Films
Vergroot een beeld.
●● Verschuif de zoomknop naar [ ] als u wilt
inzoomen op het beeld en het beeld wilt
vergroten. [
] wordt weergegeven.
Als u de zoomknop vasthoudt, wordt er
verder ingezoomd tot een factor van 10x.
●● Voor de duidelijkheid wordt het
weergegeven gebied (1) bij benadering
getoond.
(1)
Films
●● Verschuif de zoomknop naar [ ] om uit
te zoomen. Als u de zoomknop vasthoudt,
keert u terug naar de enkelvoudige
weergave.
2
Verschuif de weergavelocatie en
wissel indien nodig van beeld.
●● Als u de weergavepositie wilt verschuiven,
drukt u op de knoppen [ ][ ][ ][ ].
] op het scherm wordt
●● Wanneer [
weergegeven, kunt u naar [
]
gaan door op de knop [ ] te drukken.
Druk tijdens het in- of uitzoomen op de
knoppen [ ][ ] om van beeld te wisselen.
Druk nogmaals op de knop [ ] om terug
te keren naar de oorspronkelijke instelling.
●● U kunt direct van de vergrote weergave naar de enkelvoudige
] te drukken.
weergave gaan door op de knop [
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knop [ ] en kies [ ] in het
menu. Kies vervolgens de gewenste optie
(= 25).
●● De diavoorstelling begint nadat [Laden
van beeld] enkele seconden wordt
weergegeven.
] om de
●● Druk op de knop [
diavoorstelling te beëindigen.
●● De spaarstandfuncties van de camera (= 24) werken niet
tijdens diavoorstellingen.
●● Druk op de knop [ ] als u het afspelen van diavoorstellingen
wilt onderbreken of hervatten.
●● U kunt naar andere beelden gaan tijdens het afspelen als
u op de knoppen [ ][ ] drukt. Houd voor vooruitspoelen of
achteruitspoelen de knoppen [ ][ ] ingedrukt.
●● Bij gefilterde weergave (= 63) worden alleen beelden
afgespeeld die overeenkomen met de zoekvoorwaarden.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Instellingen voor diavoorstellingen wijzigen
U kunt instellen dat de diavoorstelling wordt herhaald of u kunt overgangen
tussen beelden en de weergaveduur van elk beeld wijzigen.
1
Open het instellingenscherm.
●● Druk op de knop [
] en kies
vervolgens [Diavoorstelling] op het
tabblad [
] (= 26).
64
2
2
Configureer de instellingen.
●● Kies het menu-item dat u wilt configureren
en kies de gewenste optie (= 26).
●● Selecteer [Start] en druk op de knop [
als u de diavoorstelling volgens uw
instellingen wilt starten.
]
●● Druk op de knop [
] om terug
te gaan naar het menuscherm.
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ]
om het beeld te selecteren dat u wilt
weergeven.
●● Het geselecteerde beeld wordt in het
midden weergegeven, omgeven door
de volgende vier mogelijke beelden.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Als u op de knop [ ] drukt, verschijnt
het middelste beeld op volledige grootte.
Druk nogmaals op de knop [ ] om
terug te keren naar de oorspronkelijke
weergave.
●● U kunt [Speeltijd] niet wijzigen als [Bubbel] is geselecteerd
bij [Effect].
●● Druk op de knop [
] om terug te
keren naar de enkelvoudige weergave.
Vergelijkbare beelden automatisch afspelen
(Smart Shuffle)
Foto’s
Films
Op basis van het huidige beeld biedt de camera vier beelden aan die
u wellicht wilt bekijken. Nadat u een van deze beelden hebt geselecteerd,
worden op de camera opnieuw vier beelden weergegeven, zodat u beelden
in een onverwachte volgorde kunt weergeven. Probeer deze functie eens
als u veel opnamen hebt gemaakt, in verschillende omgevingen.
1
Selecteer Smart Shuffle.
●● Smart Shuffle is niet beschikbaar in de volgende situaties:
-- Als er minder dan 50 beelden met deze camera zijn gemaakt
-- Als op dit moment een niet-ondersteund beeld wordt weergegeven
-- Beelden worden weergegeven in gefilterde weergave (= 63)
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knop [ ] en selecteer
vervolgens [ ] in het menu (= 25).
●● Vier beelden worden weergegeven
als mogelijke optie.
65
Vóór gebruik
Via het menu
Beelden beveiligen
Basishandleiding
Foto’s
Films
Beveilig belangrijke beelden, zodat ze niet per ongeluk kunnen worden
gewist (= 68).
●● Druk op de knop [ ] en selecteer
vervolgens [
] in het menu (= 25).
[Beveiligd] wordt weergegeven.
●● Als u de beveiliging wilt annuleren,
herhaalt u deze procedure en selecteert
] nogmaals. Druk vervolgens op
u[
de knop [ ].
●● Beveiligde beelden op een geheugenkaart worden gewist als
u de kaart formatteert (= 106, = 107).
●● Beveiligde beelden kunnen niet worden gewist met de wisfunctie
van de camera. Als u ze wel op die manier wilt wissen, moet
u eerst de beveiliging opheffen.
1
Open het instellingenscherm.
●● Druk op de knop [
] en selecteer
[Beveilig] op het tabblad [
] (= 26).
2
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer een selectiemethode.
●● Kies een menu-item en de gewenste
optie (= 26).
●● Druk op de knop [
] om terug
te gaan naar het menuscherm.
Afzonderlijke beelden selecteren
1
Selecteer [Selectie].
●● Volg stap 2 bij “Via het menu” (= 66),
kies [Selectie] en druk op de knop [ ].
2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens op
de knop [ ]. [ ] wordt weergegeven.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] als
u de selectie wilt opheffen. [ ] wordt
niet meer weergegeven.
●● Herhaal deze procedure om andere
beelden op te geven.
66
3
Beveilig het beeld.
●● Druk op de knop [
]. Er verschijnt
een bevestigingsbericht op het scherm.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Als u overschakelt naar de opnamemodus of de camera
uitschakelt voordat u de instellingsprocedure in stap 3 hebt
voltooid, worden de beelden niet beveiligd.
Een reeks selecteren
3
Selecteer [Select. reeks].
●● Volg stap 2 bij “Via het menu” (= 66),
kies [Select. reeks] en druk op de
knop [ ].
2
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Beelden vóór het eerste beeld kunt
u niet als het laatste beeld selecteren.
4
1
Selecteer het laatste beeld.
●● Druk op de knop [ ] om [Laatste beeld]
te selecteren en druk vervolgens op de
knop [ ].
Beveilig de beelden.
●● Druk op de knop [ ] om [Beveilig] te
kiezen en druk daarna op de knop [ ].
Selecteer het eerste beeld.
●● Druk op de knop [
].
●● Selecteer [Beveilig. uit] bij stap 4 als u de beveiliging wilt opheffen
voor groepen beelden.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
67
Alle beelden in één keer beveiligen
Vóór gebruik
Beelden wissen
Basishandleiding
1
Foto’s
Selecteer [Alle beelden beveiligen].
●● Volg stap 2 bij “Via het menu” (= 66),
kies [Alle beelden beveiligen] en druk
op de knop [ ].
2
Beveilig de beelden.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Alle beveiligingen in één keer opheffen
U kunt de beveiliging van alle beelden tegelijk opheffen.
Om de beveiliging op te heffen, selecteert u [Beveiliging alle beelden oph.]
bij stap 1 van “Alle beelden in één keer beveiligen”. Voer vervolgens
stap 2 uit.
Films
U kunt beelden die u niet meer nodig hebt één voor één selecteren en
wissen. Wees voorzichtig bij het wissen van beelden, want ze kunnen niet
worden hersteld. Beveiligde beelden (= 66) kunnen echter niet worden
gewist.
1
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer het beeld dat u wilt wissen.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een beeld
te selecteren.
2
Wis het beeld.
●● Druk op de knop [ ].
●● Als [Wissen ?] verschijnt, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [Wissen] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
●● Het huidige beeld wordt nu gewist.
●● Als u het wissen wilt annuleren, drukt
u op de knoppen [ ][ ] om [Annuleer] te
kiezen. Druk vervolgens op de knop [ ].
Meerdere beelden tegelijk wissen
U kunt meerdere beelden selecteren om in één keer te wissen.
Wees voorzichtig bij het wissen van beelden, want ze kunnen niet worden
hersteld. Beveiligde beelden (= 66) kunnen echter niet worden gewist.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Een selectiemethode selecteren
1
Open het instellingenscherm.
●● Druk op de knop [
] en selecteer
[Wissen] op het tabblad [
] (= 26).
68
2
Selecteer een selectiemethode.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
een selectiemethode te kiezen.
Druk vervolgens op de knop [ ].
] om terug
●● Druk op de knop [
te gaan naar het menuscherm.
Afzonderlijke beelden selecteren
1
Selecteer [Selectie].
●● Volg stap 2 bij “Een selectiemethode
selecteren” (= 68) om [Selectie] te
selecteren en druk op de knop [ ].
2
Selecteer een beeld.
●● Nadat u een beeld hebt gekozen
bij stap 2 van “Afzonderlijke beelden
selecteren” (= 66), wordt [ ]
weergegeven.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] als
u de selectie wilt opheffen. [ ] wordt
niet meer weergegeven.
●● Herhaal deze procedure om andere
beelden op te geven.
3
Wis de beelden.
●● Druk op de knop [
]. Er verschijnt
een bevestigingsbericht op het scherm.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Een reeks selecteren
1
Vóór gebruik
Selecteer [Select. reeks].
●● Volg stap 2 bij “Een selectiemethode
selecteren” (= 68) om [Select. reeks]
te selecteren en druk op de knop [ ].
2
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer de beelden.
●● Voer stap 2 en 3 uit van “Een reeks
selecteren” (= 67) om beelden op
te geven.
3
Wis de beelden.
●● Druk op de knop [ ] om [Wissen]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Alle beelden in één keer opgeven
1
Selecteer [Sel. alle beelden].
●● Voer stap 2 uit bij “Een selectiemethode
selecteren” (= 68), kies [Sel. alle
beelden] en druk op de knop [ ].
2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Wis de beelden.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
69
2
Beelden roteren
Foto’s
Films
Wijzig de stand van beelden en sla ze als volgt op.
1
Selecteer [ ].
●● Druk op de knop [ ] en selecteer
vervolgens [ ] in het menu (= 25).
2
Draai het beeld.
●● Druk op de knop [ ] of [ ], afhankelijk
van de gewenste richting. Het beeld
wordt telkens als u op de knop drukt
90° geroteerd. Druk op de knop [ ]
om de instelling te voltooien.
Draai het beeld.
Vóór gebruik
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te selecteren.
Basishandleiding
●● Het beeld wordt telkens als u op de
knop [ ] drukt 90° gedraaid.
Handleiding voor gevorderden
●● Druk op de knop [
] om terug
te gaan naar het menuscherm.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Roteren is niet mogelijk als [Autom. draaien] is ingesteld op [Uit]
(= 70).
Automatisch draaien uitschakelen
Voer deze stappen uit om automatisch draaien van beelden uit te schakelen.
Bij automatisch draaien worden beelden gedraaid, afhankelijk van de
huidige oriëntatie van de camera.
●● Druk op de knop [
] om [Autom.
draaien] te selecteren op het tabblad [ ].
Selecteer vervolgens [Uit] (= 26).
Via het menu
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
1
Selecteer [Roteren].
●● Druk op de knop [
] en kies
[Roteren] op het tabblad [
] (= 26).
●● Beelden kunnen niet worden geroteerd (= 70) als u [Autom.
draaien] instelt op [Uit]. Daarnaast worden reeds geroteerde
beelden ook in hun oorspronkelijke richting weergegeven.
●● In de modus Smart Shuffle (= 65) worden beelden die verticaal
zijn gemaakt verticaal weergegeven, zelfs als [Autom. draaien]
is ingesteld op [Uit], en verschijnen gedraaide beelden in de
gedraaide stand.
70
2
Beelden markeren als favoriet
Foto’s
Films
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens op
de knop [ ]. [ ] wordt weergegeven.
U kunt beelden ordenen door ze als favorieten te markeren. Als u een
categorie kiest in gefilterd afspelen, kunt u de volgende handelingen
beperken tot die beelden.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] om de
markering van het beeld op te heffen.
[ ] wordt niet meer weergegeven.
●● “Bekijken” (= 60), “Diavoorstellingen bekijken” (= 64), “Beelden
beveiligen” (= 66), “Beelden wissen” (= 68), “Beelden toevoegen
aan de printlijst (DPOF)” (= 119), “Beelden toevoegen aan een
fotoboek” (= 121)
●● Herhaal deze procedure als u meerdere
beelden wilt selecteren.
●● Druk op de knop [ ] en selecteer
vervolgens [ ] in het menu (= 25).
●● [Gemarkeerd als favoriet] wordt
weergegeven.
●● Als u de markering van het beeld wilt
opheffen, herhaalt u deze procedure
en selecteert u [ ] nogmaals. Druk
vervolgens op de knop [ ].
3
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Voltooi de instellingsprocedure.
●● Druk op de knop [
]. Er verschijnt
een bevestigingsbericht op het scherm.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Als u overschakelt naar de opnamemodus of de camera
uitschakelt voordat u de instellingsprocedure in stap 3 hebt
voltooid, worden de beelden niet gemarkeerd als favoriet.
Via het menu
1
Selecteer [Favorieten].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knop [
] en kies
[Favorieten] op het tabblad [
]
(= 26).
71
5
Foto’s bewerken
Bekijk het nieuwe beeld.
●● Druk op de knop [
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Bewerkt
beeld] te kiezen en druk daarna op de
knop [ ].
●● Beeldbewerking (= 72–= 74) is alleen mogelijk als er op de
geheugenkaart voldoende vrije ruimte is.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Het opgeslagen beeld wordt nu
weergegeven.
Het formaat van beelden wijzigen
Foto’s
Vóór gebruik
].
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Beelden die zijn vastgelegd met een opnamepixelinstelling
van [ ] (= 38) kunnen niet worden bewerkt.
Films
Sla een kopie van beelden op met een lager aantal opnamepixels.
1
●● Beelden kunnen niet worden voorzien van een hoger aantal
opnamepixels.
●● Door [Origineel beeld] te kiezen bij stap 5 wordt het originele
beeld weergegeven.
Selecteer [Veranderen].
●● Druk op de knop [
] en kies
[Veranderen] op het tabblad [
]
(= 26).
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Selecteer een beeldformaat.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om het
formaat te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● [Nieuw beeld opslaan?] wordt
weergegeven.
4
Sla het nieuwe beeld op.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Het beeld wordt nu opgeslagen als
een nieuw bestand.
Trimmen
Foto’s
Films
U kunt een gedeelte van een beeld opgeven om als afzonderlijk
afbeeldingsbestand op te slaan.
1
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Selecteer [Trimmen].
●● Druk op de knop [
] en selecteer
vervolgens [Trimmen] op het tabblad [
]
(= 26).
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
72
(1)
(2)
(3)
3
Pas het bijsnijgebied aan.
●● Er verschijnt een kader rond het gedeelte
van het beeld dat u wilt bijsnijden (1).
●● Het oorspronkelijke beeld wordt linksboven
in het scherm weergegeven en een
voorbeeld van het bijgesneden beeld (2)
wordt rechtsonder weergegeven.
U kunt ook het aantal opnamepixels
na bijsnijden (3) zien.
●● Om de grootte van het kader te wijzigen,
beweegt u de zoomknop.
●● Als u het kader wilt verplaatsen, drukt u op
de knoppen [ ][ ][ ][ ].
●● Als u de richting van het kader wilt wijzigen,
drukt u op de knop [ ].
●● Druk op de knop [
4
].
Sla het beeld op als een nieuw beeld
en bekijk dit.
●● Voer stap 4 en 5 uit van “Het formaat van
beelden wijzigen” (= 72).
●● Beelden die zijn vastgelegd met een opnamepixelinstelling
van [ ] (= 38) of waarvan het formaat gewijzigd is in [ ]
(= 72) kunnen niet worden bewerkt.
●● Beelden waarvoor bijsnijden wordt ondersteund, behouden
dezelfde beeldverhouding na het bijsnijden.
●● Bijgesneden beelden hebben een lager aantal opnamepixels
dan niet-bijgesneden beelden.
De kleurtoon van een beeld wijzigen (My Colors)
Foto’s
Films
U kunt de kleuren van een beeld wijzigen en het gewijzigde beeld
opslaan als een apart bestand. Zie “De kleurtoon van een beeld wijzigen
(My Colors)” (= 52) voor meer informatie over elke optie.
1
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer [My Colors].
●● Druk op de knop [
] en selecteer
[My Colors] op het tabblad [ ] (= 26).
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Selecteer een optie.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
optie te selecteren en druk daarna
op de knop [ ].
4
Sla het beeld op als een nieuw
beeld en bekijk dit.
●● Voer stap 4 en 5 uit van “Het formaat
van beelden wijzigen” (= 72).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Als u beelden meerdere keren op deze manier bewerkt, neemt de
kwaliteit geleidelijk af en krijgt u mogelijk niet de gewenste kleur.
●● De kleur van de beelden die u met deze functie hebt bewerkt,
kan licht afwijken van die van de beelden die zijn opgenomen
met de functie My Colors (= 52).
73
De helderheid corrigeren (i-Contrast)
Foto’s
Films
Extreem heldere of donkere gebieden (zoals gezichten of achtergronden)
kunnen worden gedetecteerd en automatisch worden aangepast aan de
optimale helderheid. Als het gehele beeld niet genoeg contrast heeft, kan
dat voor het maken van opnamen ook automatisch worden gecorrigeerd,
zodat onderwerpen beter opvallen. Kies uit vier correctieniveaus, en sla
het beeld vervolgens op als een apart bestand.
1
Selecteer [i-Contrast].
●● Druk op de knop [
] en kies
[i-Contrast] op het tabblad [ ] (= 26).
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Selecteer een optie.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
optie te selecteren en druk daarna
op de knop [ ].
4
Vóór gebruik
Rode ogen corrigeren
Sla het beeld op als een nieuw
beeld en bekijk dit.
●● Voer stap 4 en 5 uit van “Het formaat
van beelden wijzigen” (= 72).
●● Bij sommige beelden kan de correctie onnauwkeurig zijn of kan
korrelige beelden veroorzaken.
●● Beelden zien er wellicht korrelig uit nadat u ze herhaaldelijk hebt
bewerkt met behulp van deze functie.
●● Als met [Automatisch] niet de verwachte resultaten kunnen
worden bereikt, probeert u de beelden te corrigeren met [Laag],
[Middel] of [Hoog].
Foto’s
Films
Hiermee corrigeert u automatisch beelden met rode ogen. U kunt het
gecorrigeerde beeld opslaan als een afzonderlijk bestand.
1
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer [Rode-Ogen Corr.].
●● Druk op de knop [
] en selecteer
[Rode-Ogen Corr.] op het tabblad [
]
(= 26).
2
Selecteer een beeld.
3
Corrigeer het beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een beeld
te selecteren.
●● Druk op de knop [ ].
●● Het gebied met rode ogen dat door
de camera wordt gedetecteerd, wordt
nu gecorrigeerd en er worden kaders
weergegeven om de gecorrigeerde
gedeelten op het beeld.
●● Vergroot of verklein de beelden naar wens.
Volg de stappen in “Beelden vergroten”
(= 64).
4
Sla het beeld op als een nieuw
beeld en bekijk dit.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Nieuw bestand] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
●● Het beeld wordt nu opgeslagen als een
nieuw bestand.
●● Voer stap 5 in “Het formaat van beelden
wijzigen” (= 72) uit.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Sommige beelden worden mogelijk niet juist gecorrigeerd.
●● Als u bij stap 4 [Overschrijven] selecteert, wordt het oorspronkelijke
beeld overschreven door het gecorrigeerde beeld. Het oorspronkelijke
beeld wordt dan gewist.
●● Beveiligde beelden kunnen niet worden overschreven.
74
3
Films bewerken
Foto’s
Films
U kunt onnodige delen aan het begin en einde van films verwijderen.
1
Selecteer [ ].
●● Het filmbewerkingspaneel en de
bewerkingsbalk worden nu weergegeven.
2
Geef aan welke delen u eruit wilt
knippen.
●● (1) is het filmbewerkingspaneel en (2)
is de bewerkingsbalk.
●● Druk op de knoppen [
[ ] of [ ].
(2)
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Herhaal stap 2 als u de film nog een
keer wilt bewerken.
●● Volg stap 1–5 bij “Bekijken” (= 60),
kies [ ] en druk op de knop [ ].
(1)
Bekijk de bewerkte film.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [ ]
te selecteren en druk vervolgens op
de knop [ ]. De bewerkte film wordt
nu afgespeeld.
][
] en selecteer
●● Als u de delen wilt weergeven die u kunt
bijsnijden (aangegeven met [ ] op het
scherm), drukt u op de knoppen [ ][ ]
om [ ] te verschuiven. Snijd het begin
van de film af (vanaf [ ]) door [ ] te
selecteren en snijd het einde van de film
af met behulp van [ ].
●● Als u [ ] verplaatst naar een andere
positie dan een [ ]-markering, wordt
bij [ ] alleen het gedeelte voor het
dichtstbijzijnde [ ] aan de linkerzijde
afgesneden en wordt bij [ ] alleen het
gedeelte na het dichtstbijzijnde [ ] aan
de rechterzijde afgesneden.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Als u de bewerking wilt annuleren, drukt
u op de knoppen [ ][ ] en selecteert
u [ ]. Druk op de knop [ ], druk op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren
en druk vervolgens nogmaals op de
knop [ ].
4
Sla de bewerkte film op.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [ ]
te selecteren en druk vervolgens op
de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Nieuw bestand] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
●● De film wordt nu opgeslagen als een
nieuw bestand.
●● Als u bij stap 4 [Overschrijven] selecteert, wordt de oorspronkelijke
film overschreven door de ingekorte film. De oorspronkelijke film
wordt dan gewist.
●● Als er op de geheugenkaart onvoldoende vrije ruimte is, is alleen
[Overschrijven] beschikbaar.
●● Als de batterij halverwege het opslaan leeg raakt worden films
mogelijk niet opgeslagen.
●● Gebruik tijdens het bewerken van films een volledig opgeladen
batterij.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
75
6
Wi-Fi-functies
U kunt beelden draadloos vanaf de camera naar tal van compatibele
apparaten verzenden en de camera gebruiken met webservices
●● Voordat u Wi-Fi gebruikt, leest u eerst “Voorzorgsmaatregelen
voor draadloze functies (Wi‑Fi en overige)” (= 144).
Beschikbare Wi-Fi-functies
Vóór gebruik
Basishandleiding
U kunt beelden versturen en ontvangen of de camera op afstand bedienen
door de camera via Wi-Fi aan te sluiten op deze apparaten en diensten.
Handleiding voor gevorderden
●● Smartphones en tablets
Verzend beelden naar smartphones en tablets met Wi-Fi-functionaliteit.
Op afstand opnamen maken van livebeelden is ook mogelijk vanaf een
smartphone of tablet en u kunt uw opnamen op afstand geotaggen.
Voor het gemak worden in deze handleiding smartphones, tablets en
andere compatibele apparaten gezamenlijk aangeduid met de term
“smartphones”.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Computer
Gebruik software om beelden van de camera op te slaan op een
computer die via Wi-Fi verbonden is.
●● Webservices
Voeg uw accountgegevens toe aan de camera voor de online
fotografieservice CANON iMAGE GATEWAY of voor andere webservices
om camerabeelden naar deze webservices te versturen. Niet-verzonden
beelden op de camera kunnen ook naar een computer of webservice
worden verzonden via CANON iMAGE GATEWAY.
●● Printers
U kunt beelden draadloos verzenden naar een PictBridge-compatibele
printer (die DPS over IP ondersteunt) om ze af te drukken.
●● Andere camera
Verzend beelden draadloos tussen Wi-Fi-compatibele Canon-camera’s.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
76
Beelden naar een smartphone
verzenden
Er zijn meerdere manieren om de camera met een smartphone te verbinden
en beelden te versturen.
●● Verbinding maken via NFC (= 77)
Houd gewoon een Android-smartphone die NFC ondersteunt tegen
de camera om de apparaten met elkaar te verbinden.
●● Verbinding maken via het Wi-Fi-menu (= 80)
U kunt de camera verbinden met een smartphone, net zoals u dat
zou doen met een computer of ander apparaat. Er kunnen meerdere
smartphones worden toegevoegd.
Voordat u verbinding maakt met de camera, dient u eerst de speciale
gratis app Camera Connect op de smartphone te installeren. Raadpleeg
de website van Canon voor details over deze toepassing (ondersteunde
smartphones en functies).
●● Gebruikers van Wi-Fi-compatibele Canon-camera’s die hun
camera via Wi-Fi aansluiten op een smartphone, kunnen overwegen
om van de mobiele CameraWindow-app over te schakelen naar
de mobiele Camera Connect-app.
Beelden verzenden naar een smartphone die NFC
ondersteunt
Vóór gebruik
Gebruik de NFC-functie van een Android-smartphone om de procedure
om Camera Connect te installeren en verbinding te maken met de camera
te vereenvoudigen.
Bediening direct nadat de apparaten via NFC zijn verbonden, is afhankelijk
van de cameramodus op het moment dat de apparaten elkaar aanraken.
Handleiding voor gevorderden
Basishandleiding
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Wanneer de camera uit staat of in de opnamemodus staat wanneer de
apparaten elkaar aanraken, kunt u beelden kiezen en verzenden op het
scherm voor beeldselectie. Zodra de apparaten met elkaar verbonden zijn,
is het ook mogelijk om op afstand opnamen te maken van livebeelden
en kunt u uw opnamen op afstand geotaggen (= 99). Het is erg
eenvoudig om opnieuw verbinding te maken met recente apparaten,
die in een lijst in het Wi-Fi-menu worden weergegeven.
●● Als de camera zich in de afspeelmodus bevindt wanneer de
apparaten elkaar raken, kunt u beelden selecteren en verzenden
in de indexweergave die wordt weergegeven voor beeldselectie.
Volg de instructies in het volgende gedeelte voor een verbinding die via
NFC tot stand wordt gebracht met een camera die uit staat of die in de
opnamemodus staat.
Verbinding maken via NFC wanneer de camera uit
staat of in de opnamemodus staat
1
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Installeer Camera Connect.
●● Raadpleeg de handleiding van de
smartphone voor meer informatie
over de locatie van het N-teken ( ).
●● Activeer NFC op de smartphone en houd
de N-tekens van de apparaten ( ) tegen
elkaar. Google Play wordt vervolgens
automatisch op de smartphone geopend.
Zodra de downloadpagina van Camera
Connect wordt weergegeven, downloadt
en installeert u de app.
77
2
Breng de verbinding tot stand.
●● Zorg dat de camera is uitgeschakeld
of in de opnamemodus staat.
●● Houd het N-teken ( ) op de smartphone
waarop Camera Connect geïnstalleerd is,
tegen het N-teken van de camera.
●● De camera gaat automatisch aan.
●● Als het scherm [Bijnaam apparaat]
wordt weergegeven, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
●● Camera Connect wordt geopend
op de smartphone.
●● De apparaten worden automatisch
met elkaar verbonden.
3
Pas de privacyinstelling aan.
●● Wanneer dit scherm wordt weergegeven,
drukt u op de knoppen [ ][ ] om [Ja]
te selecteren. Druk vervolgens op de
knop [ ].
●● U kunt de smartphone nu gebruiken
om op afstand opnamen te maken
van livebeelden of om door beelden
op de camera te bladeren, beelden
te verzenden of te geotaggen.
4
Verzend een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Select. en verz.] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Selectie]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ]
om een beeld te selecteren dat u wilt
verzenden. Druk op de knop [ ] om het
beeld als geselecteerd te markeren ([ ])
en druk vervolgens op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Verzenden] te kiezen en druk daarna
op de knop [ ].
●● Nadat het beeld is verzonden, wordt
[Transfer gereed] weergegeven en
wordt het scherm voor beeldoverdracht
opnieuw weergegeven.
●● Om de verbinding te beëindigen, drukt
]. Selecteer in
u op de knop [
het bevestigingsscherm [OK] door op
de knoppen [ ][ ] te drukken en druk
daarna op de knop [ ]. U kunt ook de
smartphone gebruiken om de verbinding
te verbreken.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
78
●● Houd rekening met het volgende als u NFC gebruikt.
-- Voorkom dat u de camera en de smartphone hard tegen elkaar
slaat. Dit kan de apparaten beschadigen.
-- Afhankelijk van de smartphone kan het voorkomen dat de
apparaten elkaar niet meteen herkennen. Probeer in dat geval
de apparaten in iets andere posities tegen elkaar te houden.
Als er geen verbinding tot stand wordt gebracht, houdt u de
apparaten tegen elkaar totdat het camerascherm wordt
bijgewerkt.
-- Al u probeert verbinding te maken terwijl de camera is
uitgeschakeld, kan er een bericht op de smartphone worden
weergegeven om u eraan te herinneren dat u de camera dient
in te schakelen. Zet in dat geval de camera aan en houd de
apparaat opnieuw tegen elkaar aan.
-- Plaats geen andere voorwerpen tussen de camera en smartphone.
Houd er ook rekening mee dat camera- of smartphonehoezen
of gelijksoortige accessoires de communicatie kunnen
blokkeren.
●● Alle beelden op de camera kunnen worden bekeken op de
verbonden smartphone wanneer u bij stap 3 [Ja] kiest. Als u de
camerabeelden privé wilt houden, zodat ze niet kunnen worden
bekeken op de smartphone, kiest u [Nee] bij stap 3.
●● Zodra u een smartphone hebt geregistreerd, kunt u de bijbehorende
privacyinstelling op de camera aanpassen (= 101).
●● Om verbinding te kunnen maken, moet er een geheugenkaart
in de camera zitten.
●● U kunt ook de bijnaam van de camera op het scherm wijzigen
in stap 2 (= 78).
●● U kunt ook meerdere beelden in een keer verzenden en het
beeldformaat wijzigen voordat u verzendt (= 95).
●● U kunt het huidige beeld verzenden door [Dit beeld verz.]
te kiezen op het scherm bij stap 4.
●● Om NFC-verbindingen uit te schakelen, kiest u MENU (= 26) >
tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] > [Instellingen
Wi‑Fi] > [NFC] > [Uit].
Verbinding maken via NFC wanneer de camera
in de afspeelmodus staat
●● Druk op de knop [
aan te zetten.
Vóór gebruik
Basishandleiding
] om de camera
●● Houd de smartphone waarop Camera
Connect geïnstalleerd is (= 77) tegen
het N-teken van de camera ( ).
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ]
om een beeld te selecteren dat u wilt
verzenden en druk vervolgens op de
knop [ ]. [ ] wordt weergegeven.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] als
u de selectie wilt opheffen. [ ] wordt
niet meer weergegeven.
●● Herhaal deze procedure als u meerdere
beelden wilt selecteren.
●● Wanneer u klaar bent met het selecteren
].
van beelden, drukt u op de knop [
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Verzenden] te kiezen en druk daarna
op de knop [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De beelden worden nu verzonden.
●● Als u in een bericht op de camera wordt gevraagd om de
bijnaam in te voeren, volgt u stap 2 bij “Beelden verzenden
naar een smartphone die NFC ondersteunt” (= 77) om deze
in te voeren.
●● De camera houdt niet bij met welke smartphones via NFC
verbinding is gemaakt in de afspeelmodus.
●● U kunt vooraf instellen dat beelden worden overgedragen
met een door u gewenste grootte (= 95).
79
4
Een smartphone toevoegen
Deze stappen leggen uit hoe u de camera als toegangspunt kunt gebruiken,
maar u kunt ook een bestaand toegangspunt gebruiken (= 82).
1
Kies [Apparaat toevoegen].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Apparaat toevoegen] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Installeer Camera Connect.
●● Voor Android-smartphones vindt
u Camera Connect in Google Play
en downloadt en installeert u de app.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● De SSID en het wachtwoord van
de camera worden weergegeven.
●● Voor een iPhone of iPad vindt u Camera
Connect in de App Store en downloadt
en installeert u de app.
2
Open het Wi-Fi-menu.
●● Druk op de knop [
].
●● Als het scherm [Bijnaam apparaat]
wordt weergegeven, selecteert u [OK]
(= 78).
3
Selecteer [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ]
om [ ] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
5
Verbind de smartphone met het
netwerk.
●● Kies in het menu met Wi-Fi-instellingen
van de smartphone de SSID (netwerknaam)
die op de camera wordt weergegeven
om de verbinding tot stand te brengen.
●● Voer in het wachtwoordveld het wachtwoord
in dat wordt weergegeven op de camera.
6
Open Camera Connect.
●● Open Camera Connect op de smartphone.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
80
7
Selecteer de camera om verbinding
mee te maken.
●● Op de smartphone wordt een scherm
weergegeven waarmee de camera kan
worden geselecteerd. Selecteer de
camera om te beginnen met koppelen.
8
Pas de privacyinstelling aan.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Ja] te
kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● U kunt de smartphone nu gebruiken
om op afstand opnamen te maken
van livebeelden of om door beelden
op de camera te bladeren, beelden
te verzenden of te geotaggen.
9
Verzend een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Select. en verz.] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Selectie]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om een
beeld te selecteren dat u wilt verzenden.
Druk op de knop [ ] om het beeld als
geselecteerd te markeren ([ ]) en druk
vervolgens op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK] te
kiezen en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Verzenden] te kiezen en druk daarna
op de knop [ ].
●● Nadat het beeld is verzonden, wordt
[Transfer gereed] weergegeven en wordt
het scherm voor beeldoverdracht opnieuw
weergegeven.
●● Om de verbinding te beëindigen, drukt
u op de knop [
]. Selecteer in het
bevestigingsscherm [OK] door op de
knoppen [ ][ ] te drukken en druk daarna
op de knop [ ]. U kunt ook de smartphone
gebruiken om de verbinding te verbreken.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Om meerdere smartphones toe te voegen,
herhaalt u de bovenstaande procedure
vanaf stap 1.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Alle beelden op de camera kunnen worden bekeken op de
verbonden smartphone wanneer u bij stap 8 [Ja] kiest. Als u de
camerabeelden privé wilt houden, zodat ze niet kunnen worden
bekeken op de smartphone, kiest u [Nee] bij stap 8.
●● Zodra u een smartphone hebt geregistreerd, kunt u de bijbehorende
privacyinstelling op de camera aanpassen (= 101).
●● Om verbinding te kunnen maken, moet er een geheugenkaart
in de camera zitten.
●● Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het
Wi‑Fi‑menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het Wi-Fi-menu opent. U kunt eenvoudig opnieuw
verbinding maken door op de knoppen [ ][ ] te drukken om
het apparaat te kiezen en vervolgens op de knop [ ] te drukken.
Als u een nieuw apparaat wilt toevoegen, opent u het scherm
voor apparaatselectie door op de knoppen [ ][ ] te drukken
en vervolgens de instelling te configureren.
●● Als u liever geen recente doelapparaten wilt weergeven, kiest
u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [Doelhistorie] > [Uit].
●● U kunt het scherm bij stap 3 ook openen door MENU (= 26) >
tabblad [ ] > [Wi-Fi-verbinding] te kiezen.
●● Om verbinding te maken zonder dat u bij stap 5 een wachtwoord
moet invoeren, kiest u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst.
draadloze communicatie] > [Instellingen Wi-Fi] > [Wachtwoord] >
[Uit]. [Wachtwoord] wordt niet meer weergegeven op het
SSID‑scherm (in stap 4).
●● U kunt ook meerdere beelden in een keer verzenden en het
beeldformaat wijzigen voordat u verzendt (= 95).
●● U kunt het huidige beeld verzenden door [Dit beeld verz.]
te kiezen op het scherm bij stap 9.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
81
Een ander toegangspunt gebruiken
Als u de camera met een smartphone verbindt via het Wi-Fi-menu,
kunt u ook een bestaand toegangspunt gebruiken.
1
Bereid de verbinding voor.
●● Open het scherm [Wachten op verbinding]
door stap 1–4 te doorlopen van “Een
smartphone toevoegen” (= 80).
2
3
Verbind de smartphone met het
toegangspunt.
Selecteer de camera om verbinding
mee te maken.
●● Op de smartphone wordt een scherm
weergegeven waarmee de camera kan
worden geselecteerd. Selecteer de camera
om te beginnen met koppelen.
6
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Configureer de privacyinstellingen
en verzend de beelden.
●● Volg stap 8–9 bij “Een smartphone
toevoegen” (= 80) om de
privacyinstellingen te configureren
en de beelden te verzenden.
Eerdere toegangspunten
Selecteer [Ander netwerk].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Ander
netwerk] te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Er wordt een lijst met waargenomen
toegangspunten weergegeven.
4
5
Maak verbinding met een
toegangspunt.
●● Bij toegangspunten die WPS
ondersteunen, maakt u verbinding
met het toegangspunt en zoals
wordt beschreven bij stap 5–8 van
“WPS‑compatibele toegangspunten
gebruiken” (= 85).
U kunt automatisch opnieuw verbinding maken met een eerder
toegangspunt als u stap 4 volgt bij “Een smartphone toevoegen”
(= 80).
●● Om de camera als toegangspunt te gebruiken, selecteert u [Ander
netwerk] in het scherm dat wordt getoond wanneer de verbinding tot
stand wordt gebracht. Kies vervolgens [Camera Access Point modus].
●● Als u een ander toegangspunt wilt, selecteert u [Ander netwerk]
in het scherm dat wordt getoond wanneer de verbinding tot stand
wordt gebracht en volgt u de procedure bij “Een ander toegangspunt
gebruiken” (= 82) vanaf stap 4.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Bij toegangspunten die WPS niet
ondersteunen, volgt u stap 2–4 van
“Verbinding maken met toegangspunten
in de lijst” (= 87) om verbinding te
maken met het toegangspunt.
82
Beelden opslaan op een computer
Voorbereidingen voor het registreren van een
computer
Voor uitgebreide informatie over computers waarmee u via Wi-Fi
verbinding kunt maken met de camera, systeemvereisten en andere
compatibiliteitsgegevens (inclusief ondersteuning door nieuwe
besturingssystemen), gaat u naar de website van Canon.
●● De Windows 7-edities Starter en Home Basic worden niet
ondersteund.
●● Voor Windows 7 N (Europese versie) en KN (Zuid-Koreaanse
versie) is een afzonderlijke download en installatie van Windows
Media Feature Pack vereist.
Raadpleeg de volgende website voor meer informatie.
http://go.microsoft.com/fwlink/?LinkId=159730
CameraWindow installeren
1
Download de software.
●● Ga met een computer met
internetverbinding naar de volgende
website.
http://www.canon.com/icpd/
●● Toegang tot internet is vereist. Eventuele providerkosten en
kosten voor internettoegang moeten apart worden betaald.
●● Om de software te verwijderen, volgt u deze stappen.
-- Windows: selecteer [Start]-menu > [Alle programma’s] > [Canon
Utilities] en kies vervolgens de software die u wilt verwijderen.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De computer configureren voor een Wi-Fi-verbinding
(alleen Windows)
Op een computer met Windows dient u de volgende instellingen
te configureren voordat u de camera draadloos kunt verbinden met
de computer.
1
Controleer of de computer verbonden
is met een toegangspunt.
●● Raadpleeg de handleiding van de
computer voor instructies voor het
controleren van de netwerkverbinding.
2
Configureer de instelling.
●● Klik achtereenvolgens op: [Start]-menu >
[Alle programma’s] > [Canon Utilities] >
[CameraWindow] > [Wi-Fi connection
setup/Wi-Fi-verbinding instellen].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Configureer in de toepassing die wordt
geopend de instellingen volgens de
instructies op het scherm.
●● Kies uw land of regio en volg daarna de
weergegeven instructies om de download
voor te bereiden.
2
Volg de weergegeven instructies.
●● Dubbelklik op het gedownloade bestand
om het te installeren.
83
●● Wanneer u het hulpprogramma bij stap 2 uitvoert, worden de
volgende Windows-instellingen geconfigureerd.
-- Zet mediastreaming aan.
Dit zorgt ervoor dat de camera via Wi-Fi de computer kan zien
(vinden).
-- Zet netwerkdetectie aan.
Dit zorgt ervoor dat de computer de camera kan zien (vinden).
-- Zet ICMP aan (Internet Control Message Protocol).
Hiermee controleert u de verbindingsstatus van het netwerk.
-- Zet UPnP (Universal Plug & Play) aan.
Dit zorgt ervoor dat netwerkapparaten elkaar automatisch
kunnen detecteren.
●● Sommige beveiligingssoftware verhindert dat u de hier
beschreven instellingen invoert. Controleer de instellingen
van uw beveiligingssoftware.
Beelden opslaan op een aangesloten computer
Verbind de camera als volgt met uw toegangspunt via Wi-Fi.
Raadpleeg ook de gebruikshandleiding van het toegangspunt.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Compatibiliteit van het toegangspunt vaststellen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Controleer of de Wi-Fi-router of het basisstation voldoet aan de
Wi‑Fi‑normen bij “Interface” (= 140).
Er zijn verschillende verbindingsmethoden, afhankelijk van of het
toegangspunt WPS (Wi-Fi Protected Setup, = 85) ondersteunt
of niet (= 87). Bij toegangspunten die WPS niet ondersteunen,
controleert u de volgende gegevens.
●● Netwerknaam (SSID/ESSID)
De SSID of ESSID van het toegangspunt dat u gebruikt. Dit wordt ook
wel de “naam van het toegangspunt” of de “netwerknaam” genoemd.
●● Netwerkverificatie/gegevenscodering (coderingsmethode/
coderingsmodus)
De methode om gegevens te coderen tijdens draadloze verzending.
Controleer welke beveiligingsinstelling gebruikt wordt: WPA2-PSK
(AES), WPA2-PSK (TKIP), WPA-PSK (AES), WPA-PSK (TKIP),
WEP (open systeemauthenticatie) of geen beveiliging.
●● Wachtwoord (versleutelingscode/netwerksleutel)
De sleutel om gegevens te coderen tijdens draadloze verzending.
Ook wel “versleutelingscode” of “netwerksleutel” genoemd.
●● Sleutelindex (verzendsleutel)
De ingestelde sleutel wanneer WEP wordt gebruikt voor
netwerkverificatie/gegevenscodering. Gebruik “1” als instelling.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Indien systeembeheerderrechten nodig zijn om
netwerkinstellingen aan te passen, dient u contact op
te nemen met de systeembeheerder voor meer informatie.
●● Deze instellingen zijn erg belangrijk voor netwerkbeveiliging.
Wees voorzichtig wanneer u deze instellingen wijzigt.
84
●● Raadpleeg de handleiding van het toegangspunt voor informatie
over WPS-compatibiliteit en instructies voor het controleren van
de netwerkinstellingen.
●● Een router is een apparaat dat een netwerkstructuur (LAN) maakt
om meerdere computers met elkaar te verbinden. Een router
die een interne draadloze functie bevat, wordt een “Wi-Fi-router”
genoemd.
●● In deze handleiding worden alle Wi-Fi-routers en basisstations
“toegangspunten” genoemd.
●● Zorg dat u het MAC-adres van de camera toevoegt aan het
toegangspunt als u MAC-adressen filtert in uw Wi-Fi-netwerk.
U kunt het MAC-adres van uw camera controleren door MENU
(= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [MAC-adres controleren] te kiezen.
WPS‑compatibele toegangspunten gebruiken
Met WPS kunt u eenvoudig instellingen voltooien wanneer u apparaten
via Wi-Fi verbindt. Om de instellingen te configureren op een apparaat
dat WPS ondersteunt, kunt u de methode gebruiken waarbij u op de
WPS‑knop drukt of de PIN-methode gebruiken.
1
Controleer of de computer verbonden
is met een toegangspunt.
●● Raadpleeg de gebruikshandleidingen
van het toegangspunt en het apparaat
voor instructies om de verbinding te
controleren.
2
Open het Wi-Fi-menu.
●● Druk op de knop [
].
●● Als het scherm [Bijnaam apparaat]
wordt weergegeven, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
3
Selecteer [
1
2
3
4
5
6
7
8
9
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[ ] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
4
Kies [Apparaat toevoegen].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Apparaat toevoegen] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
5
Kies [Verbind via WPS].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Verbind via WPS] te selecteren en
druk vervolgens op de knop [ ].
6
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Kies [WPS (PBC-modus)].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[WPS (PBC-modus)] te kiezen en
druk daarna op de knop [ ].
85
7
Breng de verbinding tot stand.
●● Houd op het toegangspunt de WPSverbindingsknop enkele seconden
ingedrukt.
●● Druk op de camera op de knop [ ]
om naar de volgende stap te gaan.
●● De camera maakt verbinding met het
toegangspunt en geeft op het scherm
[Apparaat selecteren] een overzicht van
apparaten die ermee verbonden zijn.
8
Kies het doelapparaat.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om de
naam van het doelapparaat te kiezen
en druk vervolgens op de knop [ ].
9
Installeer een stuurprogramma
(alleen wanneer u voor het eerst
verbinding maakt met Windows).
●● Wanneer dit scherm wordt
weergegeven op de camera, klikt
u op het menu Start op de computer,
vervolgens op [Configuratiescherm]
en op [Een apparaat toevoegen].
10
Geef CameraWindow weer.
●● Windows: open CameraWindow door
op [Downloads Images From Canon
Camera/Beelden van Canon-camera
downloaden] te klikken.
11
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Importeer afbeeldingen.
●● Klik op [Import Images from Camera/
Beelden importeren van camera] en
vervolgens op [Import Untransferred
Images/Niet-verzonden afbeeldingen
importeren].
●● De beelden worden nu in afzonderlijke
mappen op datum op de computer
opgeslagen in de map Afbeeldingen.
●● Klik op [OK] in het scherm dat wordt
weergegeven nadat het importeren
van afbeeldingen is voltooid.
●● Om beelden te bekijken die u op een
computer opslaat, gebruikt u vooraf
geïnstalleerde of algemeen verkrijgbare
software die compatibel is met de
beelden die door de camera worden
vastgelegd.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Dubbelklik op het pictogram van de
verbonden camera.
●● Het stuurprogramma wordt geïnstalleerd.
●● Nadat het stuurprogramma is geïnstalleerd
en de camera en computer met elkaar zijn
verbonden, wordt het scherm Automatisch
afspelen weergegeven. Er wordt niets
weergegeven op het camerascherm.
86
●● Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het
Wi‑Fi‑menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het Wi-Fi-menu opent. U kunt eenvoudig opnieuw
verbinding maken door op de knoppen [ ][ ] te drukken om
het apparaat te kiezen en vervolgens op de knop [ ] te drukken.
Als u een nieuw apparaat wilt toevoegen, opent u het scherm
voor apparaatselectie door op de knoppen [ ][ ] te drukken
en vervolgens de instelling te configureren.
●● Als u liever geen recente doelapparaten wilt weergeven, kiest
u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [Doelhistorie] > [Uit].
●● U kunt ook de bijnaam van de camera op het scherm wijzigen
in stap 2 (= 85).
●● Wanneer de camera verbonden is met een computer, is het
camerascherm leeg.
●● Schakel de camera uit om de verbinding te verbreken.
●● Als u [WPS (PIN-modus)] kiest bij stap 6, wordt een pincode op
het scherm weergegeven. Stel deze code in bij het toegangspunt.
Kies een apparaat in het scherm [Apparaat selecteren]. Raadpleeg
voor meer informatie de gebruikshandleiding die bij uw toegangspunt
is geleverd.
Verbinding maken met toegangspunten in de lijst
1
Bekijk de lijst met toegangspunten.
2
Kies een toegangspunt.
●● Geef de lijst met netwerken
(toegangspunten) weer, zoals
wordt beschreven bij stap 1–4 van
“WPS‑compatibele toegangspunten
gebruiken” (= 85).
3
Voer het wachtwoord in voor het
toegangspunt.
●● Druk op de knop [ ] om het toetsenbord
te openen en voer vervolgens het
wachtwoord in (= 27).
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Volgende]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
4
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Kies [Auto].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Auto]
te selecteren en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Om beelden op te slaan op een verbonden
computer, volgt u de procedure bij
“WPS‑compatibele toegangspunten
gebruiken” (= 85) vanaf stap 8.
●● Kijk op het toegangspunt zelf of in de gebruikershandleiding
als u het wachtwoord van het toegangspunt wilt vaststellen.
●● Als er geen toegangspunten worden gevonden, zelfs niet
nadat u bij stap 2 [Vernieuwen] hebt gekozen om de lijst bij
te werken, kiest u bij stap 2 [Handmatige instellingen] om
handmatig instellingen in te voeren voor het toegangspunt.
Volg de instructies op het scherm en voer een SSID,
beveiligingsinstellingen en een wachtwoord in.
●● Wanneer u een toegangspunt waarmee u al eerder verbinding
hebt gemaakt, gebruikt om verbinding te maken met een ander
apparaat, wordt [*] weergegeven voor het wachtwoord bij stap 3.
Als u hetzelfde wachtwoord wilt gebruiken, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [Volgende] te selecteren. Druk vervolgens
op de knop [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
netwerk (toegangspunt) te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
87
Eerdere toegangspunten
U kunt automatisch opnieuw verbinding maken met een eerder
toegangspunt als u stap 4 volgt bij “WPS‑compatibele toegangspunten
gebruiken” (= 85).
●● Om verbinding te maken met een apparaat via een toegangspunt,
controleert u eerst of het doelapparaat al verbonden is met het
toegangspunt. Doorloop vervolgens de procedure bij “WPS‑compatibele
toegangspunten gebruiken” (= 85) vanaf stap 8.
●● Als u een ander toegangspunt wilt, selecteert u [Ander netwerk]
in het scherm dat wordt getoond nadat een verbinding tot stand is
gebracht. Vervolgens volgt u de procedure bij “WPS‑compatibele
toegangspunten gebruiken” (= 85) vanaf stap 5 of de procedure
bij “Verbinding maken met toegangspunten in de lijst” (= 87)
vanaf stap 2.
Beelden verzenden naar een
geregistreerde webservice
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Webservices registreren
Gebruik een smartphone of computer om de camera toe te voegen aan
webservices die u wilt gebruiken.
●● Een smartphone of computer met browser en internettoegang is nodig
om de camera-instellingen voor CANON iMAGE GATEWAY en andere
webservices in te voeren.
●● Raadpleeg de CANON iMAGE GATEWAY-website voor meer informatie
over de browservereisten (Microsoft Internet Explorer, enzovoort),
inclusief instellingen en versiegegevens.
●● Voor informatie over landen en regio’s waar CANON iMAGE
GATEWAY beschikbaar is, raadpleegt u de website van Canon
(http://www.canon.com/cig/).
●● Als u in plaats van CANON iMAGE GATEWAY een andere webservice
wilt gebruiken, hebt u daar een account voor nodig. Voor meer informatie
gaat u naar de website van elke webservice die u wilt registreren.
●● Mogelijk worden kosten in rekening gebracht voor een internetverbinding
en het gebruik van een toegangspunt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● CANON iMAGE GATEWAY biedt ook gebruikshandleidingen
die u kunt downloaden.
88
4
CANON iMAGE GATEWAY registreren
Koppel de camera en CANON iMAGE GATEWAY door CANON iMAGE
GATEWAY toe te voegen als bestemmingswebservice op de camera.
Houd er rekening mee dat u een e-mailadres dient in te voeren dat u op
uw computer of smartphone gebruikt, om een melding te krijgen wanneer
de koppelinstellingen zijn voltooid.
1
Open het Wi-Fi-menu.
●● Druk op de knop [
].
●● Als het scherm [Bijnaam apparaat]
wordt weergegeven, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
2
Selecteer [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[
] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Ga akkoord met de overeenkomst
om een e-mailadres in te voeren.
Maak verbinding met een
toegangspunt.
Vóór gebruik
●● Maak verbinding met het toegangspunt
zoals wordt beschreven bij stap 5–7
van “WPS‑compatibele toegangspunten
gebruiken” (= 85) of stap 2–4 van
“Verbinding maken met toegangspunten
in de lijst” (= 87).
5
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Voer uw e-mailadres in.
●● Zodra de camera is verbonden met
CANON iMAGE GATEWAY via het
toegangspunt, wordt een scherm
weergegeven waarmee u een
e-mailadres kunt invoeren.
●● Voer uw e-mailadres in en druk op
de knoppen [ ][ ] om [Volgende]
te selecteren. Druk vervolgens op
de knop [ ].
6
Voer een getal in met vier cijfers.
●● Voer een zelfgekozen getal van vier
cijfers in en druk op de knoppen [ ][
om [Volgende] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
]
●● Dit getal van vier cijfers hebt u later nodig
wanneer u bij stap 8 de koppeling met
CANON iMAGE GATEWAY instelt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Lees de overeenkomst die wordt
weergegeven en druk op de knoppen
[ ][ ] om [Akkoord] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
89
7
Controleer of u een melding hebt
ontvangen.
●● Zodra de gegevens naar CANON iMAGE
GATEWAY zijn verzonden, ontvangt
u een bericht via het e-mailadres dat
u bij stap 5 hebt ingevoerd.
●● Druk op [ ] in het volgende scherm, dat
aangeeft dat de melding is verzonden.
●● [
] verandert nu in [
].
8
Open de pagina in de melding en
voltooi de koppelingsinstellingen
van de camera.
●● Het bericht met de melding bevat een
koppeling naar een internetpagina.
Open deze pagina vanaf een computer
of smartphone .
●● Volg de instructies om de instellingen
te voltooien op de pagina met
koppelingsinstellingen van de camera.
9
Voltooi de instellingen voor CANON
iMAGE GATEWAY op de camera.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[
] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● [ ] (= 97) en CANON iMAGE
GATEWAY zijn nu toegevoegd als
bestemmingen.
●● U kunt andere webservices naar
wens toevoegen. In dat geval volgt
u de instructies vanaf stap 2 bij “Andere
webservices registreren” (= 90).
●● Controleer eerst of de e-mailtoepassing op uw computer of
smartphone niet is geconfigureerd om e-mail van relevante
domeinen te blokkeren. Dit kan namelijk verhinderen dat
u het bericht met de melding ontvangt.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● U kunt ook de bijnaam van de camera op het scherm wijzigen
in stap 1 (= 89).
●● Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het
Wi‑Fi‑menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het menu opent. Druk op de knoppen [ ][ ] om het
scherm voor apparaatselectie te openen. Configureer vervolgens
de instelling.
Andere webservices registreren
U kunt ook andere webservices naast CANON iMAGE GATEWAY
toevoegen aan de camera.
1
Meld u aan bij CANON iMAGE
GATEWAY en open de pagina
met koppelingsinstellingen
van de camera.
●● Ga op een computer of smartphone
naar http://www.canon.com/cig/ om naar
CANON iMAGE GATEWAY te gaan.
2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Stel de webservice in die u wilt
gebruiken.
●● Open op de computer of smartphone
het scherm met instellingen voor de
webservice.
●● Volg de instructies op het scherm
om de instellingen te voltooien voor
de webservices die u wilt gebruiken.
90
3
Selecteer [
3
].
●● Druk op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[
] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● De instellingen voor de webservice zijn
nu bijgewerkt.
●● Als geconfigureerde instellingen worden gewijzigd, voert u deze
stappen nogmaals uit om de camera-instellingen bij te werken.
Open het Wi-Fi-menu.
●● Druk op de knop [
2
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Selectie]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om een
beeld te selecteren dat u wilt verzenden.
Druk op de knop [ ] om het beeld als
geselecteerd te markeren ([ ]) en druk
vervolgens op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Beelden uploaden naar webservices
1
Verzend een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Select. en verz.] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
].
Kies de bestemming.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ]
om het pictogram te kiezen van de
webservice waarmee u verbinding
wilt maken en druk vervolgens op
de knop [ ].
●● Als meerdere ontvangers of opties
om te delen worden gebruikt voor een
webservice, kiest u het gewenste item
op het scherm [Ontvanger selecteren]
door op de knoppen [ ][ ] te drukken
en vervolgens op de knop [ ] te drukken.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Verzenden] te kiezen en druk daarna
op de knop [ ].
●● Wanneer u uploadt naar YouTube,
leest u de servicevoorwaarden, kiest
u [Akkoord] en drukt u op de knop [ ].
●● Wanneer [OK] wordt weergegeven
nadat het beeld is verzonden, drukt
u op de knop [ ] om terug te keren
naar het afspeelscherm.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Om verbinding te kunnen maken, moet een geheugenkaart met
opgeslagen beelden in de camera zitten.
●● U kunt ook meerdere beelden in een keer verzenden, het formaat
van beelden wijzigen en opmerkingen toevoegen voordat u beelden
verzendt (= 95).
●● U kunt het huidige beeld verzenden door [Dit beeld verz.] te kiezen
op het scherm bij stap 3.
●● Als u beelden die u naar CANON iMAGE GATEWAY hebt geüpload,
wilt bekijken op een smartphone, probeert u de speciale Canon
Online Photo Album-app. Download en installeer de Canon Online
Photo Album-app voor iPhones of iPads via de App Store of voor
Android-apparaten via Google Play.
91
Beelden draadloos afdrukken
met een verbonden printer
Verbind de camera als volgt met een printer via Wi-Fi.
Deze stappen leggen uit hoe u de camera als toegangspunt kunt gebruiken,
maar u kunt ook een bestaand toegangspunt gebruiken (= 82).
1
Open het Wi-Fi-menu.
●● Druk op de knop [
2
Selecteer [
].
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[ ] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
4
Laat de printer verbinding maken
met het netwerk.
●● Kies in het menu met Wi-Fi-instellingen
van de printer de SSID (netwerknaam)
die op de camera wordt weergegeven
om de verbinding tot stand te brengen.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Voer in het wachtwoordveld het
wachtwoord in dat wordt weergegeven
op de camera.
5
Selecteer de printer.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om de
naam van de printer te kiezen en druk
vervolgens op de knop [ ].
6
Selecteer een beeld om af te drukken.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een beeld
te selecteren.
Kies [Apparaat toevoegen].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Apparaat toevoegen] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knop [ ], kies [
nogmaals op de knop [ ].
] en druk
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Print]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● Zie “Beelden afdrukken” (= 116) voor
gedetailleerde instructies voor afdrukken.
●● De SSID en het wachtwoord van
de camera worden weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Om de verbinding te beëindigen,
drukt u op de knop [ ]. Selecteer in
het bevestigingsscherm [OK] door op
de knoppen [ ][ ] te drukken en druk
daarna op de knop [ ].
92
●● Om verbinding te kunnen maken, moet een geheugenkaart
met opgeslagen beelden in de camera zitten.
●● Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het
Wi‑Fi‑menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het Wi-Fi-menu opent. U kunt eenvoudig opnieuw
verbinding maken door op de knoppen [ ][ ] te drukken om
het apparaat te kiezen en vervolgens op de knop [ ] te drukken.
Als u een nieuw apparaat wilt toevoegen, opent u het scherm
voor apparaatselectie door op de knoppen [ ][ ] te drukken
en vervolgens de instelling te configureren.
●● Als u liever geen recente doelapparaten wilt weergeven, kiest
u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [Doelhistorie] > [Uit].
●● Om verbinding te maken zonder dat u bij stap 4 een wachtwoord
moet invoeren, kiest u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst.
draadloze communicatie] > [Instellingen Wi-Fi] > [Wachtwoord]
> [Uit]. [Wachtwoord] wordt niet meer weergegeven op het
SSID‑scherm (in stap 3).
●● Om een ander toegangspunt te gebruiken, volgt u stap 3–4 bij
“Een ander toegangspunt gebruiken” (= 82).
Beelden naar een andere camera
verzenden
U kunt als volgt twee camera’s via Wi-Fi verbinden en beelden tussen
de twee camera’s verzenden.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Er kan alleen via Wi-Fi verbinding worden gemaakt met camera’s
van Canon die Wi-Fi ondersteunen. U kunt alleen verbinding maken
met een camera van Canon die Wi-Fi-compatibel is, ongeacht of deze
camera FlashAir-/Eye-Fi-kaarten ondersteunt.
1
Open het Wi-Fi-menu.
●● Open het Wi-Fi-menu zoals wordt
beschreven bij stap 2 van “Een smartphone
toevoegen” (= 80).
2
Selecteer [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[ ] te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
3
Kies [Apparaat toevoegen].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Apparaat toevoegen] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Doorloop stap 1–3 ook op de doelcamera.
●● Er wordt informatie over de verbinding met
de camera toegevoegd als [Verbinding op
doel- camera starten] wordt weergegeven
op beide cameraschermen.
93
4
Verzend een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Select. en verz.] te selecteren en druk
vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Selectie]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om een
beeld te selecteren dat u wilt verzenden.
Druk op de knop [ ] om het beeld als
geselecteerd te markeren ([ ]) en druk
vervolgens op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK] te
kiezen en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[Verzenden] te kiezen en druk daarna
op de knop [ ].
●● Om verbinding te kunnen maken, moet er een geheugenkaart
in de camera zitten.
●● Zodra u verbinding hebt gemaakt met apparaten via het
Wi‑Fi‑menu, worden recente bestemmingen als eerste vermeld
wanneer u het Wi-Fi-menu opent. U kunt eenvoudig opnieuw
verbinding maken door op de knoppen [ ][ ] te drukken om
het apparaat te kiezen en vervolgens op de knop [ ] te drukken.
Als u een nieuw apparaat wilt toevoegen, opent u het scherm
voor apparaatselectie door op de knoppen [ ][ ] te drukken
en vervolgens de instelling te configureren.
●● Als u liever geen recente doelapparaten wilt weergeven, kiest
u MENU (= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [Doelhistorie] > [Uit].
●● U kunt ook meerdere beelden in een keer verzenden en het
beeldformaat wijzigen voordat u verzendt (= 95).
●● U kunt het huidige beeld verzenden door [Dit beeld verz.]
te kiezen op het scherm bij stap 4.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Nadat het beeld is verzonden, wordt
[Transfer gereed] weergegeven en
wordt het scherm voor beeldoverdracht
opnieuw weergegeven.
●● Om de verbinding te beëindigen,
]. Selecteer
drukt u op de knop [
in het bevestigingsscherm [OK] door op
de knoppen [ ][ ] te drukken en druk
daarna op de knop [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
94
Opties voor het verzenden van
beelden
U kunt meerdere beelden selecteren om in een keer te verzenden en de
opnamepixelinstelling van het beeld (het formaat) wijzigen voordat u verzendt.
Met sommige webservices is het ook mogelijk om opmerkingen toe te
voegen aan de beelden die u wilt verzenden.
Meerdere beelden verzenden
Op het scherm voor beeldoverdracht kunt u een reeks beelden selecteren om
te verzenden of alleen beelden verzenden die als favoriet zijn gemarkeerd.
1
Kies [Select. en verz.].
●● Druk op het scherm voor beeldoverdracht
op de knoppen [ ][ ] om [Select. en verz.]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
2
Selecteer een selectiemethode.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
selectiemethode te kiezen.
Selecteer [Select. reeks].
●● Volg stap 2 bij “Meerdere beelden
verzenden” (= 95), kies [Select. reeks]
en druk op de knop [ ].
Selecteer de beelden.
●● Voer stap 2 en 3 uit van “Een reeks
selecteren” (= 67) om beelden op te
geven.
●● Als u films wilt toevoegen, drukt u op de
knoppen [ ][ ][ ][ ] om [Incl. movies]
te selecteren en vervolgens drukt u op de
knop [ ] om de optie als geselecteerd te
markeren [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
[OK] te kiezen en druk vervolgens op
de knop [ ].
3
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Verzend de beelden.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Verzenden]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
Favoriete beelden verzenden
Verzend alleen beelden die zijn gemarkeerd als favoriet (= 71).
1
Selecteer [Favoriete foto’s].
●● Volg stap 2 bij “Meerdere beelden
verzenden” (= 95), kies [Favoriete
foto’s] en druk op de knop [ ].
●● Er wordt een scherm voor de selectie
van favoriete beelden weergegeven.
Als u een beeld uit de selectie wilt halen,
selecteert u het beeld en drukt u op de
knop [ ] om [ ] te verwijderen.
●● Druk op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK] te
kiezen en druk vervolgens op de knop [ ].
2
Een reeks selecteren
1
2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Verzend de beelden.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Verzenden]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● In stap 1 is [Favoriete foto’s] alleen beschikbaar indien u beelden
als favoriet hebt gemarkeerd.
95
Opmerkingen over het verzenden van beelden
Opmerkingen toevoegen
●● Afhankelijk van de eigenschappen van het netwerk dat u gebruikt, kan
het lang duren om films te verzenden. Houd het batterijniveau van de
camera in het oog.
U kunt met de camera opmerkingen toevoegen aan beelden die u naar
e-mailadressen, sociale netwerkservices en dergelijke verzendt. Hoeveel
ruimte u voor uw opmerkingen hebt, is afhankelijk van de webservice.
●● Webservices kunnen het aantal beelden dat of de lengte van films die
u kunt versturen beperken.
●● Houd er rekening mee dat wanneer u films verzendt naar smartphones,
de ondersteunde beeldkwaliteit kan variëren afhankelijk van de
smartphone. Raadpleeg de handleiding van de smartphone voor
meer informatie.
●● Op het scherm wordt de sterkte van het draadloze signaal aangegeven
met de volgende pictogrammen.
[ ] hoog, [ ] normaal, [ ] laag, [ ] zwak
●● Afbeeldingen verzenden naar webservices kost minder tijd wanneer
u beelden opnieuw verzendt die al eerder zijn verzonden en die nog
op de CANON iMAGE GATEWAY-server staan.
Het aantal opnamepixels kiezen (beeldformaat)
Kies op het scherm voor beeldoverdracht [ ] door op de knoppen [ ][ ]
te drukken. Druk daarna op de knop [ ]. Op het getoonde scherm kiest
u de opnamepixelinstelling (beeldformaat) door op de knoppen [ ][ ]
te drukken. Druk vervolgens op de knop [ ].
1
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Open het scherm om opmerkingen
toe te voegen.
●● Kies op het scherm voor beeldoverdracht
[ ] door op de knoppen [ ][ ][ ][ ] te
drukken. Druk daarna op de knop [ ].
2
3
Voeg een opmerking toe (= 27).
Verzend het beeld.
●● Wanneer u geen opmerking hebt ingevoerd, wordt automatisch
de opmerking verzonden die in CANON iMAGE GATEWAY is
ingesteld.
●● U kunt ook meerdere beelden van een opmerking voorzien
voordat u ze verzendt. Dezelfde opmerking wordt toegevoegd
aan alle beelden die samen worden verzonden.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Als u beelden met het oorspronkelijke formaat wilt verzenden, selecteert
u [Nee] als optie voor het wijzigen van het formaat.
●● Als u [ ] selecteert, wordt het formaat van beelden die groter zijn dan
het geselecteerde formaat, gewijzigd voordat ze worden verzonden.
●● Het formaat van films kan niet worden aangepast.
●● Het beeldformaat kan ook worden geconfigureerd in MENU
(= 26) > tabblad [ ] > [Inst. draadloze communicatie] >
[Instellingen Wi-Fi] > [Vergr./verkl. voor versturen].
96
Beelden automatisch verzenden
(beeldsynchronisatie)
Beelden op de geheugenkaart die nog niet zijn overgedragen, kunnen
naar een computer of webservices worden verzonden via CANON iMAGE
GATEWAY.
Houd er rekening mee dat beelden niet alleen naar webservices kunnen
worden verzonden.
Voordat u begint
2
Kies het type beelden dat u wilt
verzenden (alleen wanneer u ook
films verzendt).
●● Druk op de knop [
] en kies
[Inst. draadloze communicatie] op
het tabblad [ ]. Kies vervolgens
[Instellingen Wi-Fi] (= 26).
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Beeldsync.] te selecteren en druk
vervolgens op de knoppen [ ][ ]
om [Foto’s/films] te selecteren.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De computer voorbereiden
Installeer en configureer de software op de doelcomputer.
De camera voorbereiden
Registreer [ ] als de bestemming. Installeer en configureer Image
Transfer Utility op de doelcomputer. Deze gratis software is compatibel
met beeldsynchronisatie.
1
Voeg [ ] toe als bestemming.
●● Voeg [ ] toe als bestemming, zoals
wordt beschreven bij “CANON iMAGE
GATEWAY registreren” (= 89).
●● Als u een webservice wilt configureren
als de bestemming, meldt u zich aan
bij CANON iMAGE GATEWAY (= 89),
selecteert u uw cameramodel, opent
u het scherm waarmee u instellingen
voor webservices invoert en selecteert
u de webservice die u als de bestemming
wilt gebruiken in de instellingen voor
beeldsynchronisatie. Voor meer informatie
raadpleegt u de Help bij CANON iMAGE
GATEWAY.
1
Installeer Image Transfer Utility.
●● Installeer Image Transfer Utility op
een computer met internetverbinding
volgens stap 1–2 van “CameraWindow
installeren” (= 83) (= 114).
●● Image Transfer Utility kan ook worden
gedownload via de pagina met instellingen
voor beeldsynchronisatie van CANON
iMAGE GATEWAY (= 89).
2
Registreer de camera.
●● Windows: klik met de rechtermuisknop
in de taakbalk op [ ] en klik op [Add new
camera/Nieuwe camera toevoegen].
●● Mac OS: klik in de menubalk op [ ] en
klik vervolgens op [Add new camera/
Nieuwe camera toevoegen].
●● Er wordt een lijst weergegeven met
camera’s die zijn gekoppeld aan CANON
iMAGE GATEWAY. Kies de camera die
u wilt gebruiken om beelden te versturen.
●● Zodra de camera is geregistreerd en
de computer gereed is om beelden te
ontvangen, wordt het pictogram gewijzigd
in [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
97
Beelden die via beeldsynchronisatie zijn verzonden,
op een smartphone bekijken
Beelden verzenden
Beelden die worden verzonden vanaf de camera, worden automatisch
opgeslagen op de computer.
Als de computer waarnaar u beelden wilt verzenden is uitgeschakeld,
worden de beelden tijdelijk op de CANON iMAGE GATEWAY-server
opgeslagen. Opgeslagen beelden worden regelmatig gewist. Zorg er
daarom voor dat u de computer aanzet en de beelden opslaat.
1
Verzend de beelden.
●● Volg stap 1–2 bij “Beelden uploaden naar
webservices” (= 91) en selecteer [ ].
●● Er wordt een pictogram [ ] bij de
verzonden beelden geplaatst.
2
Sla de beelden op de computer op.
●● Beelden worden automatisch op de
computer opgeslagen wanneer u deze
aanzet.
●● Beelden worden automatisch verzonden
naar webservices vanaf de CANON iMAGE
GATEWAY-server, zelfs als de computer
is uitgeschakeld.
●● Gebruik tijdens het verzenden van beelden een volledig
opgeladen batterij.
Door de Canon OPA-app (Canon Online Photo Album) te installeren,
kunt u uw smartphone gebruiken om beelden die via beeldsynchronisatie
zijn verzonden, te bekijken en downloaden terwijl deze tijdelijk op de
CANON iMAGE GATEWAY-server worden opgeslagen.
Ter voorbereiding schakelt u de toegang tot de smartphone als volgt in.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Zorg ervoor dat u de instellingen die beschreven zijn in “De computer
voorbereiden” (= 97) hebt voltooid.
●● Download en installeer de Canon Online Photo Album-app voor iPhones
of iPads via de App Store of voor Android-apparaten via Google Play.
●● Meld u aan bij CANON iMAGE GATEWAY (= 89), selecteer uw
cameramodel, open het scherm waarmee u instellingen voor webservices
invoert en schakel het bekijken en downloaden vanaf een smartphone
in bij de instellingen voor beeldsynchronisatie. Voor meer informatie
raadpleegt u de Help bij CANON iMAGE GATEWAY.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Zelfs als beelden met een andere methode op de computer zijn
geïmporteerd, worden alle beelden naar de computer verzonden
die niet via CANON iMAGE GATEWAY naar de computer zijn
verzonden.
●● Het verzenden wordt sneller uitgevoerd als de bestemming
op een computer is op hetzelfde netwerk als de camera, omdat
beelden worden verzonden via het toegangspunt in plaats van via
CANON iMAGE GATEWAY. Beelden die worden opgeslagen op
de computer, worden verzonden naar CANON iMAGE GATEWAY.
Daarom moet de computer verbonden zijn met internet.
98
●● Zodra beelden die tijdelijk worden opgeslagen op de CANON
iMAGE GATEWAY-server zijn verwijderd, kunnen deze niet meer
worden bekeken.
●● Beelden die u hebt verzonden voordat u het bekijken en downloaden
vanaf een smartphone hebt ingeschakeld in de instellingen voor
beeldsynchronisatie, kunnen niet op deze manier worden geopend.
Een smartphone gebruiken om
camerabeelden te bekijken en de
camera te bedienen
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Met de speciale smartphoneapp Camera Connect kunt u het volgende
doen.
●● Voor Canon Online Photo Album-instructies raadpleegt u de Help
bij Canon Online Photo Album.
●● Door beelden op de smartphone bladeren en ze op de smartphone
opslaan
●● Beelden op de camera geotaggen (= 99)
●● Op afstand opnamen maken van livebeelden (= 100)
●● Om beelden op de smartphone te kunnen bekijken, moeten vooraf
privacyinstellingen worden geconfigureerd (= 80, = 101).
Beelden op de camera geotaggen
GPS-gegevens die zijn vastgelegd op een smartphone met de speciale
toepassing Camera Connect, kunnen worden toegevoegd aan beelden
op de camera. Beelden worden gelabeld met informatie, waaronder de
breedtegraad, lengtegraad en hoogte.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Voordat u opnamen maakt, zorgt u ervoor dat de datum en tijd en
uw eigen tijdzone correct zijn ingesteld, zoals wordt beschreven
bij “De datum en tijd instellen” (= 18). Volg ook de stappen bij
“Wereldklok” (= 104) om eventuele opnamebestemmingen in
andere tijdzones aan te geven.
●● Met behulp van de locatiegegevens die als geotag aan uw foto’s
of films zijn toegevoegd, kunnen andere mensen u herkennen
of uw locatie bepalen. Wees voorzichtig als u deze beelden met
anderen deelt, bijvoorbeeld als u beelden online plaatst waar vele
anderen ze kunnen bekijken.
99
Op afstand opnamen maken van livebeelden
Terwijl u een opnamescherm bekijkt op uw smartphone, kunt u de smartphone
gebruiken om op afstand een opname te maken.
1
Zet de camera vast.
●● Zodra er begonnen wordt met op afstand
opnamen maken van livebeelden, wordt
de lens van de camera uitgeschoven.
De camera kan ook worden verplaatst
door lensbewegingen als gevolg van
zoomen. Om de camera stil te houden,
plaatst u deze op een statief of neemt
u andere maatregelen.
2
Sluit de camera en de smartphone
aan (= 80).
4
Maak de opname.
●● Gebruik de smartphone om een opname
te maken.
●● De camera werkt tijdens de opname in de stand [ ]. Sommige
FUNC.- en MENU-instellingen die u vooraf hebt geconfigureerd,
kunnen echter automatisch worden aangepast.
●● Filmopnamen maken is niet beschikbaar.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Eventuele schokkerige bewegingen die op de smartphone worden
getoond en die het gevolg zijn van de verbindingskwaliteit,
hebben geen invloed op vastgelegde beelden.
●● Vastgelegde beelden worden niet overgedragen naar de smartphone.
Gebruik de smartphone om door beelden te bladeren en vanaf de
camera over te dragen.
●● Kies [Ja] voor de privacy-instellingen.
3
Kies op afstand opnamen maken
van livebeelden.
●● Selecteer in Camera Connect op de
smartphone de optie voor op afstand
opnamen maken van livebeelden.
●● De lens van de camera wordt uitgeschoven.
Houd uw vingers uit de buurt van de lens
en zorg ervoor dat er geen voorwerpen in
de weg van de lens zitten.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Zodra de camera klaar is voor op afstand
opnamen maken van livebeelden, wordt
een livebeeld van de camera weergegeven
op de smartphone.
●● Er wordt dan een bericht weergegeven
op de camera en alle bedieningsfuncties
worden uitgeschakeld. De ON/OFF-knop
kan wel worden ingedrukt.
100
Wi-Fi-instellingen bewerken
of wissen
U kunt Wi-Fi-instellingen als volgt bewerken of wissen.
Verbindingsinformatie bewerken
1
Open het Wi-Fi-menu en kies een
apparaat dat u wilt bewerken.
●● Druk op de knop [
].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om het
pictogram te selecteren van het apparaat
dat u wilt bewerken en druk vervolgens
op de knop [ ].
2
Kies [Apparaat bewerken].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Apparaat bewerken] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
Vóór gebruik
Verbinding
Configureerbare items
Webservices
[Bijnaam apparaat veranderen]
(= 101)
O
O
O
O
–
[Instell. tonen] (= 80)
–
O
–
–
–
[Verbindingsinfo wissen] (= 101)
O
O
O
O
–
Kies het apparaat dat u wilt bewerken.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om het
apparaat te selecteren dat u wilt bewerken
en druk vervolgens op de knop [ ].
4
Kies het item dat u wilt bewerken.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om het
item te kiezen dat u wilt bewerken.
Druk vervolgens op de knop [ ].
●● Welke items u kunt wijzigen, hangt af
van het apparaat of de service.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
O : configureerbaar – : niet configureerbaar
De bijnaam van een apparaat wijzigen
U kunt de bijnaam van het apparaat (weergavenaam) die op de camera
wordt weergegeven, wijzigen.
●● Voer stap 4 bij “Verbindingsinformatie
bewerken” (= 101) uit, kies [Bijnaam
apparaat veranderen] en druk op de
knop [ ].
●● Selecteer het invoerveld en druk op
de knop [ ]. Gebruik het toetsenbord
op het scherm om een nieuwe bijnaam
in te voeren (= 27).
Verbindingsinformatie wissen
3
Basishandleiding
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
U kunt verbindingsinformatie (over apparaten waarmee u verbinding hebt
gemaakt) als volgt wissen.
●● Voer stap 4 bij “Verbindingsinformatie
bewerken” (= 101) uit, kies
[Verbindingsinfo wissen] en druk
op de knop [ ].
●● Als [Wissen ?] verschijnt, drukt u op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren.
Druk daarna op de knop [ ].
●● De verbindingsinformatie wordt gewist.
101
De bijnaam van het apparaat wijzigen
De standaardinstellingen voor Wi-Fi herstellen
Wijzig naar wens de bijnaam van de camera (weergegeven op verbonden
apparaten).
Reset de standaardinstellingen van Wi-Fi als u niet meer eigenaar bent
van de camera of als u deze weggooit.
Door de Wi-Fi-instellingen te resetten worden ook alle instellingen voor
webservices gewist. Als u deze optie wilt gebruiken, dient u zeker te weten
dat u alle Wi-Fi-instellingen wilt resetten.
1
Selecteer [Inst. draadloze
communicatie].
●● Druk op de knop [
] en kies
[Inst. draadloze communicatie] op
het tabblad [ ] (= 26).
2
Selecteer [Bijnaam].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Bijnaam]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
1
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer [Inst. draadloze
communicatie].
●● Druk op de knop [
] en kies
[Inst. draadloze communicatie] op
het tabblad [ ] (= 26).
2
Kies [Instellingen resetten].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Instellingen resetten] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
3
Wijzig de bijnaam.
●● Druk op de knop [ ] om het toetsenbord
te openen (= 27) en voer vervolgens
de bijnaam in.
3
Herstel de standaardinstellingen.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● Er wordt een bericht weergegeven als de bijnaam die u invoert,
met een symbool of spatie begint. Druk op de knop [ ] en voer
een andere bijnaam in.
●● U kunt ook de bijnaam die in het scherm [Bijnaam apparaat]
wordt weergegeven, wijzigen wanneer u Wi-Fi voor de eerste
keer gebruikt. In dat geval selecteert u het tekstvak, drukt u op
de knop [ ] om het toetsenbord te openen en vervolgens voert
u een nieuwe bijnaam in.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De standaardinstellingen van Wi-Fi zijn
nu gereset.
●● Om andere standaardinstellingen te resetten (naast Wi-Fi),
kiest u [Reset alle] op het tabblad [ ] (= 109).
102
7
Menu Instellingen
Basisfuncties van de camera
aanpassen
Basisfuncties van de camera worden ingesteld op het tabblad [ ]
van het MENU (= 26). Voor meer gebruiksgemak kunt u handige
en veelgebruikte functies naar wens aanpassen.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Camerageluiden dempen
Basisfuncties van de camera aanpassen voor meer gebruiksgemak
U dempt camerageluiden en films als volgt.
●● Selecteer [Mute] en kies vervolgens [Aan].
●● U kunt de camerageluiden ook dempen door de knop [
]
ingedrukt te houden terwijl u de camera inschakelt.
●● Als u de camerageluiden dempt worden films afgespeeld zonder
geluid (= 60). Om films weer af te spelen met geluid, drukt
u op de knop [ ]. Pas het volume naar wens aan met de
knoppen [ ][ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
103
Vóór gebruik
Het volume aanpassen
Wereldklok
U past het volume van afzonderlijke camerageluiden als volgt aan.
Als u in het buitenland bent en wilt dat uw foto’s de juiste lokale tijd en
datum krijgen, moet u gewoon uw bestemming van tevoren registreren
en naar die tijdzone overschakelen. Deze handige functie maakt het
onnodig om de datum/tijd-instelling handmatig te wijzigen.
Voordat u de wereldklok gebruikt, moet u de datum en tijd in uw tijdzone
thuis instellen, zoals wordt beschreven in “De datum en tijd instellen”
(= 18).
●● Selecteer [Volume] en druk daarna
op de knop [ ].
●● Kies een item en druk daarna op de
knoppen [ ][ ] om het volume aan
te passen.
1
Hints en tips verbergen
Er verschijnen normaal gesproken hints en tips wanneer u items kiest
in FUNC. (= 25) of MENU (= 26). U kunt deze informatie desgewenst
uitschakelen.
●● Selecteer [Hints en tips] en selecteer
vervolgens [Uit].
●● Selecteer [Datum/Tijd] en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
item te selecteren. Druk vervolgens
op de knoppen [ ][ ] om de instelling
te wijzigen.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Selecteer [Tijdzone] en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[ Wereld] te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om de
bestemming te selecteren.
●● Om de zomertijd in te stellen (normale
tijd plus 1 uur), kiest u [ ] door op
de knoppen [ ][ ] te drukken. Kies
vervolgens [ ] door op de knoppen [ ][ ]
te drukken.
2
Wijzig de datum en tijd als volgt.
Handleiding voor gevorderden
Geef uw bestemming op.
●● Druk op de knop [
Datum en tijd
Basishandleiding
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
].
Index
Schakel over naar de tijdzone van
uw bestemming.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[ Wereld] te kiezen en druk vervolgens
].
op de knop [
●● [ ] verschijnt nu op het opnamescherm
(= 129).
●● Als u in de modus [ ] de datum of tijd wijzigt (= 18), worden
de datum en tijd voor de optie [ Thuis] automatisch bijgewerkt.
104
Timing voor het intrekken van de lens
Nadat u op de knop [
] hebt gedrukt in een opnamemodus (= 23)
wordt om veiligheidsredenen na ongeveer een minuut de lens ingetrokken.
Als u wilt dat de lens direct wordt ingetrokken nadat u op de knop [
]
drukt, stelt u de tijdsduur voor het intrekken in op [0 sec.].
●● Selecteer [Lens intrekken] en selecteer
vervolgens [0 sec.].
2
Maak de opname.
●● Als het scherm is uitgeschakeld maar
de lens nog niet is ingetrokken, kunt u het
scherm weer inschakelen en gereedmaken
voor het maken van opnamen door de
ontspanknop half in te drukken.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De spaarstand aanpassen
U kunt desgewenst de timing voor het automatisch uitschakelen van
de camera en het scherm (respectievelijk Automatisch Uit en Display uit)
aanpassen (= 24).
●● Selecteer [Spaarstand] en druk daarna
op de knop [ ].
●● Nadat u een item hebt geselecteerd,
drukt u op de knoppen [ ][ ] om dit item
aan te passen.
Eco-modus gebruiken
Met deze functie kunt u batterijvermogen sparen in de opnamemodus.
Wanneer de camera niet in gebruik is, wordt het scherm snel donker
om het batterijverbruik te beperken.
1
Configureer de instelling.
●● Kies [Eco-modus] en kies vervolgens [Aan].
●● Om de batterij te sparen, kiest u gewoonlijk [Aan] voor
[Automatisch Uit] en [1 min] of minder voor [Display uit].
●● [
] verschijnt nu op het opnamescherm
(= 129).
●● Het scherm wordt donkerder wanneer
de camera gedurende ongeveer
twee seconden niet wordt gebruikt.
Daarna gaat het scherm na ongeveer
tien seconden uit. De camera wordt
na ongeveer drie minuten inactiviteit
uitgeschakeld.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● De instelling van [Display uit] wordt ook toegepast als
u [Automatisch Uit] instelt op [Uit].
●● Deze energiebesparende functies zijn niet beschikbaar
wanneer u Eco-modus (= 105) op [Aan] hebt gezet.
105
Schermhelderheid
Geheugenkaarten formatteren
Pas de helderheid van het scherm als volgt aan.
Voordat u een nieuwe geheugenkaart of een geheugenkaart die is
geformatteerd in een ander apparaat gaat gebruiken, moet u de kaart
formatteren met deze camera.
Bij het formatteren worden alle gegevens op de geheugenkaart
verwijderd. Voordat u gaat formatteren, kopieert u eerst de beelden
van de geheugenkaart naar een computer, of stelt u de beelden op
een andere manier veilig.
●● Selecteer [Displayheldrh.] en druk
vervolgens op de knoppen [ ][ ] om
de helderheid aan te passen.
1
●● Voor maximale helderheid houdt u de knop [ ] minstens een
seconde ingedrukt terwijl het opnamescherm wordt weergegeven
of wanneer de enkelvoudige weergave is ingeschakeld. (Hiermee
negeert u de instelling van [Displayheldrh.] op het tabblad [ ].)
Druk nogmaals minstens een seconde op de knop [ ] of herstart
de camera om de oorspronkelijke helderheid van het scherm te
herstellen.
Het opstartscherm verbergen
U kunt desgewenst het opstartscherm dat normaal verschijnt wanneer
u de camera inschakelt, deactiveren.
●● Selecteer [Opstart scherm] en selecteer
vervolgens [Uit].
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Open het scherm [Formatteren].
●● Selecteer [Formatteren] en druk
vervolgens op de knop [ ].
2
Kies [OK].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Annuleer] te selecteren, druk op de
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
3
Formatteer de geheugenkaart.
●● Om het formatteren te starten, drukt u op
de knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren.
Druk vervolgens op de knop [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Als het formatteren is voltooid, verschijnt de
melding [Geheugenkaart is geformatteerd].
Druk op de knop [ ].
●● Door het formatteren van de geheugenkaart of het wissen van
de gegevens op de geheugenkaart wordt alleen de bestandsbeheerinformatie op de kaart gewijzigd. Hiermee wordt dus niet
de volledige inhoud gewist. Tref voorzorgsmaatregelen wanneer
u een geheugenkaart weggooit, zoals het fysiek vernietigen van
de kaart, om te voorkomen dat persoonlijke informatie wordt
verspreid.
106
●● De totale capaciteit van de geheugenkaart die bij het formatteren
wordt weergegeven op het scherm, kan minder zijn dan de
aangegeven capaciteit.
Low Level Format
Vóór gebruik
Bestandsnummering
Uw opnamen worden automatisch opeenvolgend genummerd (0001–9999)
en opgeslagen in mappen die elk maximaal 2.000 opnamen kunnen
bevatten. U kunt de toewijzing van de bestandsnummers wijzigen.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● Selecteer [Bestandnr.] en kies een optie.
Voer een Low Level Format uit in de volgende gevallen: [Geheugenkaart
fout] wordt weergegeven, de camera functioneert niet goed, beelden op
de kaart worden trager gelezen of opgeslagen, het maken van continue
opnamen gaat langzamer of het opnemen van een film wordt plotseling
afgebroken. Bij een Low Level Format worden alle gegevens op de
geheugenkaart gewist. Voordat u een Low Level Format uitvoert, kopieert
u eerst de beelden van de geheugenkaart naar een computer, of stelt
u de beelden op een andere manier veilig.
●● Druk op het scherm bij stap 2 van
“Geheugenkaarten formatteren” (= 106)
op de knoppen [ ][ ] om [Low Level
Format] te kiezen. Druk daarna op
de knoppen [ ][ ] om deze optie te
selecteren. Het pictogram [ ] wordt
weergegeven.
●● Voer de stappen 2–3 in “Geheugenkaarten
formatteren” (= 106) uit om door te
gaan met het formatteren.
●● Een Low Level Format duurt langer dan “Geheugenkaarten
formatteren” (= 106), omdat de gegevens in alle opslaggebieden
van de geheugenkaart worden gewist.
●● U kunt een Low Level Format van een geheugenkaart annuleren
door [Stop] te selecteren. In dat geval zijn de gegevens gewist
maar kunt u de geheugenkaart normaal blijven gebruiken.
Continu
Ook als u een andere geheugenkaart gebruikt, worden
de beelden oplopend genummerd totdat u een opname
maakt en opslaat met het nummer 9999.
Auto reset
Als u een andere geheugenkaart gebruikt of een nieuwe
map maakt, begint de bestandsnummering weer bij 0001.
●● Ongeacht welke optie u bij deze instelling selecteert, kunnen de
opnamen oplopend worden genummerd na het laatste nummer
van bestaande beelden, als u een andere geheugenkaart in
de camera plaatst. Als u opnamen wilt opslaan met nummers
vanaf 0001, gebruikt u een lege (of geformatteerde, = 106)
geheugenkaart.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
107
Beelden opslaan op datum
Certificatielogo’s controleren
Vóór gebruik
U kunt beelden opslaan in mappen die elke maand worden gemaakt,
maar u kunt de camera ook mappen laten maken voor elke dag waarop
u opnamen maakt.
Sommige logo’s voor certificatievereisten waaraan de camera voldoet,
kunnen op het scherm worden bekeken. Andere certificatielogo’s staan
in deze handleiding afgedrukt, op de verpakking van de camera, of op
de camerabehuizing.
Basishandleiding
●● Selecteer [Maak folder] en selecteer
vervolgens [Dagelijks].
Desgewenst kunt u de maateenheden die in de hoogte-informatie voor
GPS-gegevens (= 99) en op andere plaatsen worden weergegeven,
wijzigen van m/cm in ft/in.
●● Selecteer [Maateenheden] en selecteer
vervolgens [ft/in].
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Selecteer [Certificaatlogo weergeven]
en druk vervolgens op de knop [ ].
●● Beelden worden nu opgeslagen in
mappen die op de opnamedatum
worden gemaakt.
Metrische/niet-metrische weergave
Handleiding voor gevorderden
Weergavetaal
U kunt de weergavetaal desgewenst wijzigen.
●● Selecteer [Taal ] en druk daarna
op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ][ ][ ] om
een taal te selecteren en druk vervolgens
op de knop [ ].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● U kunt het scherm [Taal] ook openen in de afspeelmodus door de
]
knop [ ] ingedrukt te houden en meteen op de knop [
te drukken.
108
Vóór gebruik
Andere instellingen aanpassen
De volgende instellingen kunt u ook aanpassen op het tabblad [
].
●● [Video Systeem] (= 113)
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
●● [Inst. draadloze communicatie] (= 76)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Standaardinstellingen van de camera herstellen
Als u per ongeluk een instelling hebt gewijzigd, kunt u de standaardinstellingen
van de camera herstellen.
1
Open het scherm [Reset alle].
●● Selecteer [Reset alle] en druk daarna
op de knop [ ].
2
Herstel de standaardinstellingen.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
●● De standaardinstellingen zijn nu hersteld.
●● De volgende functies worden niet hersteld naar de
standaardinstellingen.
-- [ ]-tabbladinstellingen [Datum/Tijd] (= 104), [Tijdzone]
] (= 108) en [Video Systeem] (= 113)
(= 104), [Taal
-- De gegevens voor een aangepaste witbalans die u hebt
vastgelegd (= 52)
-- Opnamemodus (= 43)
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
109
8
Vóór gebruik
Systeemoverzicht
Basishandleiding
Meegeleverde accessoires
Accessoires
Polsriem
Handleiding voor gevorderden
Batterij
NB-11LH*1
Batterijlader
CB-2LF/CB-2LFE*1
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Lensdop
(met snoer)
Haal meer uit uw camera met optionele Canon-accessoires en andere
apart verkrijgbare, compatibele accessoires
USB-kabel (op het uiteinde voor de camera: mini-B)*2
Geheugenkaart
Kaartlezer
Computer
Kabels
Flitseenheid
AV-kabel AVC-DC400
Tv-/videosysteem
PictBridge-compatibele
printers
Krachtige flitser
HF-DC2
*1
*2
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Connect Station
CS100
Ook afzonderlijk verkrijgbaar.
Er is ook een origineel Canon-accessoire beschikbaar
(interfacekabel IFC‑400PCU).
110
Gebruik van originele Canon-accessoires wordt aanbevolen.
Dit product is ontworpen om een uitstekende prestatie neer te zetten
wanneer het wordt gebruikt in combinatie met accessoires van het merk
Canon.
Canon is niet aansprakelijk voor eventuele schade aan dit product en/of
ongelukken zoals brand, enzovoort, die worden veroorzaakt door defecten
aan accessoires van een ander merk (bijvoorbeeld lekkage en/of explosie
van een batterij). Houd er rekening mee dat eventuele reparaties van uw
Canon-product die het gevolg zijn van dergelijke defecten, niet onder de
garantie vallen en dat hieraan kosten verbonden zullen zijn.
Optionele accessoires
Vóór gebruik
Basishandleiding
De volgende camera-accessoires worden apart verkocht. De verkrijgbaarheid
varieert per gebied en sommige accessoires zijn wellicht niet meer
verkrijgbaar.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Voedingen
Batterij NB-11LH
●● Oplaadbare lithium-ionbatterij
Batterijlader CB-2LF/CB-2LFE
●● Lader voor batterij NB-11LH
●● De batterijlader kan worden gebruikt in gebieden met een
wisselspanning van 100–240 V (50/60 Hz).
●● Als de stekker niet in het stopcontact past, moet u een geschikte
stekkeradapter gebruiken. Gebruik geen elektrische transformator
die is bedoeld voor op reis, omdat deze de batterij kan beschadigen.
●● De batterij is voorzien van een handig klepje dat u kunt
bevestigen om zo de batterijstatus in een oogopslag te kunnen
zichtbaar is op een opgeladen
zien. Bevestig het klepje zo dat
niet zichtbaar is op een niet-opgeladen batterij.
batterij en
●● Batterij NB-11L wordt ook ondersteund.
●● Batterijladers CB-2LD en CB-2LDE worden ook ondersteund.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
111
Foto- en filmopslag
Flitseenheid
Vóór gebruik
Basishandleiding
Krachtige flitser HF-DC2
●● Externe flitser voor de belichting van
onderwerpen die buiten het bereik van
de ingebouwde flitser zijn.
Connect Station CS100
Handleiding voor gevorderden
●● Een mediahub waarmee u beelden kunt
opslaan, bekijken op een aangesloten tv,
draadloos afdrukken op een printer die
Wi-Fi ondersteunt, delen op internet
en meer.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Overige accessoires
Interfacekabel IFC-400PCU
●● Om de camera op een computer
of printer aan te sluiten.
AV-kabel AVC-DC400
●● Als u de camera aansluit op een televisie,
kunt u uw opnamen afspelen op een
groter scherm.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Printers
PictBridge-compatibele printers
van Canon
●● Zelfs zonder een computer te gebruiken,
kunt u beelden afdrukken door de camera
rechtstreeks aan te sluiten op een printer.
Ga voor meer informatie naar een
Canon-verkoper bij u in de buurt.
112
3
Optionele accessoires gebruiken
Schakel de tv in en stel deze
in op de video-ingang.
●● Stel de tv-ingang in op de externe
ingang waarop u in stap 2 de kabel
hebt aangesloten.
Afspelen op een tv
Foto’s
Films
Met de afzonderlijk verkrijgbare AV-kabel AVC-DC400 kunt u de camera
aansluiten op een tv om uw opnamen te bekijken op een groter scherm
terwijl u de camera bedient.
Raadpleeg de handleiding van de tv voor meer informatie over de aansluiting
en over het wijzigen van de ingangen.
●● Sommige gegevens worden mogelijk niet weergegeven als
u beelden bekijkt op een tv (= 130).
1
2
Zorg dat de camera en de tv zijn
uitgeschakeld.
4
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Schakel de camera in.
●● Druk op de knop [
aan te zetten.
] om de camera
●● De camerabeelden worden nu weergegeven
op de tv. (Het camerascherm blijft leeg.)
●● Als u klaar bent, schakelt u de camera en
de tv uit en verwijdert u daarna de kabel.
●● Correcte weergave is alleen mogelijk als de video-uitvoerindeling
van de camera (NTSC of PAL) gelijk is aan die van de televisie.
Om het video-uitvoerformaat te wijzigen, drukt u op de knop
] en selecteert u [Video Systeem] op het tabblad [ ].
[
Sluit de camera aan op de tv.
●● Steek de kabelstekker volledig in
de video-ingangen van de tv, zoals
weergegeven.
●● Zorg ervoor dat de kabelstekkers in
video-ingangen met dezelfde kleur zitten.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Open het klepje van de camera-aansluiting
en steek de kabelstekker er volledig in.
113
De software gebruiken
Om de functies van de volgende software te gebruiken, downloadt u de
software vanaf de website van Canon en installeert u deze op uw computer.
●● CameraWindow
-- Beelden importeren en de camera-instellingen wijzigen
Met behulp van een USB-kabel (los verkrijgbaar, aan het uiteinde voor de
camera: mini-B) kunt u de camera op de computer aansluiten en beelden
op de computer opslaan.
1
●● Image Transfer Utility
-- Beeldsynchronisatie (= 97) instellen en beelden ontvangen
●● Map Utility
-- Een kaart gebruiken om GPS-informatie te bekijken die aan beelden
is toegevoegd
●● Om beelden te bekijken en bewerken op een computer, gebruikt
u vooraf geïnstalleerde of algemeen verkrijgbare software die
compatibel is met de beelden die door de camera worden
vastgelegd.
Aansluiten op een computer via een kabel
De computeromgeving controleren
Voor uitgebreide informatie over compatibiliteit en systeemvereisten
van software (inclusief ondersteuning door nieuwe besturingssystemen),
gaat u naar de website van Canon.
De software installeren
Vóór gebruik
Beelden opslaan op een computer
(2)
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Sluit de camera aan op de computer.
●● Open het klepje terwijl de camera is
uitgeschakeld (1). Steek de kleinste
stekker van de USB-kabel in de
aangegeven richting helemaal in
de aansluiting van de camera (2).
(1)
●● Steek de grote stekker van de USB‑kabel
in de USB-poort van de computer.
Raadpleeg de computerhandleiding voor
meer informatie over USB-aansluitingen
op de computer.
2
Zet de camera aan om
CameraWindow te openen.
●● Druk op de knop [
aan te zetten.
] om de camera
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Mac OS: CameraWindow wordt
weergegeven als er een verbinding
tot stand is gebracht tussen de camera
en de computer.
Installeer de software zoals wordt beschreven bij stap 1–2 van
“CameraWindow installeren” (= 83).
●● Om de software te verwijderen in Mac OS, sleept u in de map
[Canon Utilities] in de map [Programma’s] de map van de
software die u wilt verwijderen naar de prullenmand. Maak
vervolgens de prullenmand leeg.
114
●● Windows: volg de onderstaande stappen.
●● In het scherm dat wordt weergegeven,
klikt u op de koppeling om het programma
].
te wijzigen van [
●● Kies [Downloads Images From Canon
Camera/Beelden van Canon-camera
downloaden] en klik op [OK].
●● Dubbelklik op [
3
].
●● Windows 7: als het scherm bij stap 2 niet wordt weergegeven,
klikt u op het pictogram [ ] in de taakbalk.
●● Mac OS: als CameraWindow niet wordt weergegeven na stap 2,
klikt u op het [CameraWindow]-pictogram in het dock.
●● U kunt uw camerabeelden zelfs zonder de software op uw computer
opslaan door uw camera op de computer aan te sluiten, maar
daarvoor gelden wel de volgende beperkingen.
-- Nadat u de camera hebt aangesloten op de computer, kan het
enkele minuten duren voordat u beelden kunt openen.
-- Beelden die verticaal zijn opgenomen, worden mogelijk horizontaal
opgeslagen.
-- Beveiligingsinstellingen voor beelden kunnen bij het opslaan
van de beelden op de computer worden verwijderd.
-- Er kunnen bepaalde problemen ontstaan bij het opslaan van
beelden of beeldgegevens, afhankelijk van de versie van het
besturingssysteem, de gebruikte software of de grootte van
de beeldbestanden.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Sla de beelden op de computer op.
●● Klik op [Import Images from Camera/
Beelden importeren van camera] en
vervolgens op [Import Untransferred
Images/Niet-verzonden afbeeldingen
importeren].
●● De beelden worden nu in afzonderlijke
mappen op datum op de computer
opgeslagen in de map Afbeeldingen.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Wanneer de beelden zijn opgeslagen,
sluit u CameraWindow en drukt u op
] om de camera uit te
de knop [
schakelen. Koppel vervolgens de
kabel los.
●● Om beelden te bekijken die u op een
computer opslaat, gebruikt u vooraf
geïnstalleerde of algemeen verkrijgbare
software die compatibel is met de
beelden die door de camera worden
vastgelegd.
115
3
4
Beelden afdrukken
Foto’s
Films
U kunt uw foto’s eenvoudig afdrukken door de camera aan te sluiten
op een printer. Op de camera kunt u beelden opgeven voor afdrukken
in serie, bestellingen bij fotozaken voorbereiden en bestellingen
voorbereiden of beelden afdrukken voor fotoboeken.
Hier wordt een compacte fotoprinter van de Canon SELPHY CP-serie
gebruikt als voorbeeld. Afhankelijk van de printer kunnen de weergegeven
schermen en beschikbare functies verschillen. Lees ook de handleiding
van de printer voor aanvullende informatie.
Foto’s
Schakel de camera in.
Basishandleiding
●● Druk op de knop [
aan te zetten.
5
] om de camera
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te selecteren.
6
Open het afdrukscherm.
] en druk
Films
U kunt uw foto’s eenvoudig afdrukken als u de camera aansluit op een
PictBridge-compatibele printer (afzonderlijk verkrijgbaar) met behulp van
de meegeleverde USB-kabel.
2
Vóór gebruik
●● Druk op de knop [ ], kies [
nogmaals op de knop [ ].
Eenvoudig afdrukken
1
Schakel de printer in.
Zorg dat de camera en de printer
zijn uitgeschakeld.
Sluit de camera aan op de printer.
●● Open het aansluitingenklepje. Houd de
kleinste kabelstekker in de getoonde
richting, en steek de stekker volledig
in de aansluiting op de camera.
●● Sluit de grote kabelstekker aan op de
printer. Raadpleeg de handleiding van
de printer voor meer informatie over
de aansluiting.
7
Druk het beeld af.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [Print]
te kiezen en druk daarna op de knop [ ].
●● Het afdrukken start nu.
●● Om andere beelden af te drukken, herhaalt
u na het afdrukken de bovenstaande
procedures vanaf stap 5.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Wanneer u klaar bent met afdrukken,
schakelt u de camera en de printer uit
en verwijdert u de kabel.
●● Zie “Printers” (= 112) voor PictBridge-compatibele printers van
het merk Canon (afzonderlijk verkrijgbaar).
116
Beelden bijsnijden vóór het afdrukken
Afdrukinstellingen configureren
Foto’s
1
Films
Open het afdrukscherm.
●● Voer stap 1–6 bij “Eenvoudig afdrukken”
(= 116) uit om dit scherm te openen.
2
Vóór gebruik
Foto’s
Configureer de instellingen.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
item te selecteren en druk vervolgens
op de knoppen [ ][ ] om een optie te
selecteren.
Films
Als u vóór het afdrukken de beelden bijsnijdt, kunt u het gewenste
beeldgebied afdrukken in plaats van het hele beeld.
1
Handleiding voor gevorderden
Selecteer [Trimmen].
●● Er verschijnt een kader voor bijsnijden dat
het af te drukken beeldgebied aanduidt.
2
Pas het kader naar wens aan.
Hiermee worden de huidige printerinstellingen
gebruikt.
●● Om de grootte van het kader te wijzigen,
beweegt u de zoomknop.
Datum
Hiermee worden de beelden afgedrukt met
een datum.
●● Als u het kader wilt verplaatsen, drukt
u op de knoppen [ ][ ][ ][ ].
File No.
Hiermee worden de beelden afgedrukt met
een bestandsnummer.
●● Om het kader te draaien, drukt u op de
knop [ ].
Hiermee worden de beelden afgedrukt met
een datum en een bestandsnummer.
–
], druk op de
●● Druk op de knop [
knoppen [ ][ ] om [OK] te selecteren
en druk vervolgens op de knop [ ].
Uit
Default
Uit
Aan
R-Ogen1
Hiermee worden de huidige printerinstellingen
gebruikt.
–
Hiermee wordt opname-informatie gebruikt
om de afdrukinstellingen te optimaliseren.
Hiermee worden rode ogen gecorrigeerd.
Aantal
exemplaren
Hiermee selecteert u het aantal af te drukken
exemplaren.
Trimmen
–
Hiermee kunt u een beeldgebied opgeven dat
u wilt afdrukken (= 117).
Papier
inst.
–
Hiermee geeft u het papierformaat, de indeling
en andere gegevens op (= 118).
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Voer eerst stap 1 bij “Afdrukinstellingen
configureren” (= 117) uit om het
afdrukscherm te openen, kies [Trimmen]
en druk op de knop [ ].
Default
Beide
Basishandleiding
3
Druk het beeld af.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Voer stap 7 in “Eenvoudig afdrukken”
(= 116) uit om af te drukken.
●● Bijsnijden is wellicht niet mogelijk bij kleine beeldformaten of bij
bepaalde verhoudingen.
●● Datums worden wellicht niet goed afgedrukt als u beelden bijsnijdt
].
die zijn vastgelegd met de instelling [Datumstemp.
117
Het papierformaat en de indeling selecteren vóór het
afdrukken
Foto’s
1
Films
Beschikbare indelingsopties
Default
Randen
Selecteer [Papier inst.]
●● Voer eerst stap 1 bij “Afdrukinstellingen
configureren” (= 117) uit om
het afdrukscherm te openen, kies
[Papier inst.] en druk op de knop [ ].
Randloos
N-plus
ID Foto
Vaste afm.
2
Selecteer een papiersoort.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
optie te selecteren en druk daarna op
de knop [ ].
4
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
][
] om een
●● Wanneer u [N-plus] selecteert, drukt
u op de knoppen [ ][ ] om het aantal
beelden per vel op te geven.
●● Druk op de knop [
Id-foto’s afdrukken
Foto’s
1
Films
Selecteer [ID Foto].
●● Voer stap 1–4 bij “Het papierformaat en
de indeling selecteren vóór het afdrukken”
(= 118) uit, kies [ID Foto] en druk op de
knop [ ].
2
Selecteer de lengte van de lange
en de korte zijde.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
item te selecteren. Om de lengte te
kiezen, drukt u op de knoppen [ ][ ].
Druk vervolgens op de knop [ ].
Selecteer een indeling.
●● Druk op de knoppen [
optie te selecteren.
5
Hiermee worden de huidige printerinstellingen gebruikt.
Hiermee worden de beelden afgedrukt met een lege ruimte
eromheen.
Hiermee maakt u randloze afdrukken.
Hiermee geeft u het aantal beelden per vel op.
Hiermee drukt u foto’s af voor identiteitsbewijzen.
Alleen beschikbaar voor beelden met opnamepixelinstelling
L en een verhouding van 4:3.
Hiermee wordt het afdrukformaat geselecteerd.
Kies uit 90 x 130 mm, briefkaart of brede afdrukken.
Selecteer een papierformaat.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
optie te selecteren en druk daarna op
de knop [ ].
3
Vóór gebruik
3
Selecteer het afdrukgebied.
4
Druk het beeld af.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Voer stap 2 in “Beelden bijsnijden
vóór het afdrukken” (= 117) uit om
het afdrukgebied te selecteren.
].
Druk het beeld af.
118
Filmscènes afdrukken
Foto’s
1
Films
Open het afdrukscherm.
●● Voer stap 1–6 bij “Eenvoudig afdrukken”
(= 116) uit om een film te kiezen.
Dit scherm wordt weergegeven.
2
Selecteer een afdrukmethode.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [ ]
te selecteren en druk vervolgens op de
knoppen [ ][ ] om de afdrukmethode
te selecteren.
3
Foto’s
Reeks
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Afdrukinstellingen configureren
Foto’s
Films
U kunt de instellingen, zoals de afdrukindeling, toevoegen van datum
of bestandsnummer, en de overige instellingen, als volgt opgeven.
Deze instellingen worden toegepast op alle beelden in de printlijst.
] en selecteer
●● Druk op de knop [
[Print instellingen] op het tabblad [ ].
Selecteer en configureer de gewenste
items (= 26).
Druk het beeld af.
Hiermee wordt de huidige scène afgedrukt als een foto.
Hiermee wordt een reeks scènes met een bepaald interval
afgedrukt op een enkel vel papier. Als u [Onderschrift] instelt
op [Aan], kunt u ook het mapnummer, bestandsnummer en
de verstreken tijd van het beeld afdrukken.
Standaard
Afdruktype
●● Als u het afdrukken wilt annuleren, drukt u op de knop [ ].
Selecteer [OK] en druk vervolgens nogmaals op de knop [ ].
●● Nadat u een scène hebt weergegeven om af te drukken, zoals
beschreven bij stap 2–5 van “Bekijken” (= 60), kunt u hier ook
het scherm van stap 1 openen door op de knoppen [ ][ ] te
drukken om [ ] te kiezen in het filmbedieningspaneel. Druk
vervolgens op de knop [ ].
Films
U kunt op de camera instellingen kiezen voor afdrukken in serie (= 121)
en bestellingen bij fotozaken. Selecteer maximaal 998 beelden op een
geheugenkaart en configureer de nodige instellingen, zoals het aantal
exemplaren, als volgt. De afdrukinformatie die u op deze wijze voorbereidt,
voldoet aan de DPOF-normen (Digital Print Order Format).
Afdrukopties voor films
Enkel
Vóór gebruik
Beelden toevoegen aan de printlijst (DPOF)
Index
Beiden
Datum
Aan
Uit
File No.
Aan
Uit
Wis DPOF
data
Aan
Uit
Hiermee drukt u één foto per vel af.
Hiermee drukt u meerdere verkleinde
beelden per vel af.
Hiermee worden zowel standaard- als
indexformaten afgedrukt.
Hiermee worden de beelden afgedrukt
met de opnamedatum.
–
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Hiermee worden de beelden afgedrukt
met het bestandsnummer.
–
Alle instellingen voor printlijsten worden
na het afdrukken verwijderd.
–
119
●● Sommige printers of fotozaken zijn wellicht niet in staat om alle
DPOF-instellingen toe te passen bij het afdrukken.
●● [ ] kan op de camera verschijnen om u te waarschuwen dat de
geheugenkaart afdrukinstellingen bevat die zijn geconfigureerd
op een andere camera. Als u de afdrukinstellingen wijzigt met
deze camera, worden alle bestaande instellingen wellicht
overschreven.
Afdrukinstellingen voor afzonderlijke beelden
Foto’s
1
Basishandleiding
Selecteer [Sel. beeld & aantal].
●● Druk op de knop [
] en selecteer
[Sel. beeld & aantal] op het tabblad [ ].
Druk vervolgens op de knop [ ].
2
●● Als u [Index] opgeeft, kunt u niet tegelijkertijd [Aan] kiezen voor
zowel [Datum] als [File No.].
●● Indexafdrukken zijn niet beschikbaar op sommige PictBridgecompatibele printers van het merk Canon (afzonderlijk verkrijgbaar).
●● De datum wordt afgedrukt in een indeling die overeenkomt met
de instelgegevens in [Datum/Tijd] op het tabblad [ ] (= 18).
Vóór gebruik
Films
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● U kunt nu het aantal af te drukken
exemplaren opgeven.
●● Als u indexafdrukken opgeeft voor
het beeld, wordt het beeld gemarkeerd
met een [ ]-pictogram. Druk nogmaals
op de knop [ ] om indexafdrukken te
annuleren voor het beeld. [ ] wordt
niet meer weergegeven.
3
Geef het aantal afdrukken op.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
het aantal afdrukken op te geven
(maximaal 99).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Herhaal stap 2 en 3 om het afdrukken
van andere beelden in te stellen en het
aantal afdrukken van elk beeld op te
geven.
●● Voor indexafdrukken kunt u het aantal
afdrukken niet instellen. U kunt alleen
via stap 2 de af te drukken beelden
selecteren.
●● Als u klaar bent, drukt u op de knop
] om terug te keren naar het
[
menuscherm.
120
Afdrukinstellingen voor een reeks beelden
Foto’s
Films
●● Voer stap 1 bij “Afdrukinstellingen voor
afzonderlijke beelden” (= 120) uit om
[Select. reeks] te kiezen en druk op
de knop [ ].
●● Voer stap 2 en 3 uit van “Een reeks
selecteren” (= 67) om beelden op
te geven.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om
[Opdracht] te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
Afdrukinstellingen voor alle beelden
Foto’s
Beelden afdrukken die zijn toegevoegd aan de printlijst
(DPOF)
Foto’s
Films
●● Als er afbeeldingen aan de printlijst
zijn toegevoegd (= 119–= 121),
wordt dit scherm weergegeven wanneer
u de camera aansluit op een PictBridgecompatibele printer. Druk op de knoppen
[ ][ ] om [Print nu] te selecteren en
druk vervolgens op de knop [ ] om de
beelden in de printlijst af te drukken.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Elke DPOF-afdruktaak die u tijdelijk
onderbreekt, wordt hervat bij het
volgende beeld.
Films
●● Voer stap 1 bij “Afdrukinstellingen voor
afzonderlijke beelden” (= 120) uit om
[Sel. alle beelden] te kiezen en druk
op de knop [ ].
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Alle beelden in de printlijst wissen
●● Voer stap 1 bij “Afdrukinstellingen voor
afzonderlijke beelden” (= 120) uit,
selecteer [Wis alle selecties] en druk
op de knop [ ].
Beelden toevoegen aan een fotoboek
Foto’s
Films
U kunt fotoboeken instellen op de camera door maximaal 998 beelden
te selecteren op een geheugenkaart en deze met CameraWindow te
importeren naar uw computer (= 114), waar ze naar een aparte map
worden gekopieerd. Deze functie is handig wanneer u online afgedrukte
fotoboeken bestelt of wanneer u fotoboeken afdrukt op uw eigen printer.
Een selectiemethode selecteren
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Druk op de knop [
], selecteer
[Fotoboek instellen] op het tabblad [
]
en bepaal hoe u de beelden wilt selecteren.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
121
●● [ ] kan op de camera verschijnen om u te waarschuwen dat
de geheugenkaart afdrukinstellingen bevat die zijn geconfigureerd
op een andere camera. Als u de afdrukinstellingen wijzigt met deze
camera, worden alle bestaande instellingen wellicht overschreven.
Afzonderlijke beelden toevoegen
Foto’s
1
Films
Alle beelden toevoegen aan een fotoboek
Foto’s
Vóór gebruik
Films
●● Volg de procedure bij “Een selectiemethode
selecteren” (= 121), selecteer [Sel. alle
beelden] en druk op de knop [ ].
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
Selecteer [Selectie].
●● Selecteer [Selectie] volgens de procedure
bij “Een selectiemethode selecteren”
(= 121) en druk op de knop [ ].
Alle beelden verwijderen uit een fotoboek
Foto’s
Films
●● Volg de procedure bij “Een selectiemethode
selecteren” (= 121), selecteer [Wis alle
selecties] en druk op de knop [ ].
2
Selecteer een beeld.
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om een
beeld te kiezen en druk vervolgens
op de knop [ ].
●● [
●● Druk op de knoppen [ ][ ] om [OK]
te kiezen en druk vervolgens op de
knop [ ].
] wordt weergegeven.
●● Druk nogmaals op de knop [ ] om het
beeld te verwijderen uit het fotoboek.
[ ] wordt niet meer weergegeven.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Herhaal deze procedure om andere
beelden op te geven.
●● Als u klaar bent, drukt u op de knop
] om terug te keren naar het
[
menuscherm.
122
9
Bijlage
Nuttige informatie over het gebruik van de camera
Problemen oplossen
Vóór gebruik
Basishandleiding
Controleer eerst het volgende als u denkt dat er een probleem is met de
camera. Als u met de onderstaande tips uw probleem niet kunt verhelpen,
neemt u contact op met de helpdesk van Canon Klantenservice.
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Voeding
Er gebeurt niets als u op de ON/OFF-knop drukt.
●● Controleer of de batterij is opgeladen (= 16).
●● Controleer of de batterij in de juiste richting is geplaatst (= 17).
●● Controleer of het klepje van de geheugenkaart/batterijhouder goed is gesloten
(= 17).
●● Als de batterijpolen vuil zijn, nemen de prestaties van de batterij af. Reinig
de polen met een wattenstaafje en plaats de batterij enige malen opnieuw.
De batterij raakt snel leeg.
●● Bij lage temperaturen nemen de prestaties van batterijen af. Maak de batterij
een beetje warm, bijvoorbeeld door deze in uw zak te houden. Zorg dat de polen
niet in contact komen met metalen voorwerpen.
●● Als de batterijpolen vuil zijn, nemen de prestaties van de batterij af. Reinig de polen
met een wattenstaafje en plaats de batterij enige malen opnieuw.
●● Als dit niet helpt en de batterij weer snel leeg is na het opladen, is de levensduur
verstreken. Koop dan een nieuwe batterij.
De lens wordt niet ingetrokken.
●● Open het klepje van de geheugenkaart/batterijhouder niet als de camera
aanstaat. Sluit het klepje en schakel de camera in en daarna weer uit (= 17).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
De batterij is opgezwollen.
●● Het is normaal dat batterijen een beetje zwellen. Dit is niet gevaarlijk. Als de batterij
echter zodanig opzwelt dat deze niet meer in de camera past, dient u contact op
te nemen met de helpdesk van Canon Klantenservice.
Weergave op een tv
De camerabeelden worden vervormd of helemaal niet weergegeven
op een tv (= 113).
123
Opnamen maken
Er kunnen geen opnamen worden gemaakt.
●● Druk in de afspeelmodus (= 60) de ontspanknop half in (= 24).
Vreemde weergave op het scherm bij weinig licht (= 25).
Vreemde weergave op het scherm bij opnamen.
●● Houd er rekening mee dat de volgende weergaveproblemen niet op foto’s worden
vastgelegd, maar wel in films worden opgenomen.
-- Bij helder licht kan het scherm donker worden.
-- Bij TL- of LED-verlichting kan het scherm flikkeren.
-- Als u een opname maakt met een heldere lichtbron, kan er een paarsachtige
band verschijnen op het scherm.
Er is geen datumstempel aan de beelden toegevoegd.
●● Configureer de instelling [Datumstemp.
] (= 18). Datumstempels worden
niet automatisch aan beelden toegevoegd, alleen maar omdat u de instelling
[Datum/Tijd] hebt geconfigureerd (= 36).
●● Datumstempels worden niet toegevoegd in opnamestanden (= 134) waarin
] niet kan worden geconfigureerd (= 36).
[Datumstemp.
[ ] knippert op het scherm wanneer de ontspanknop wordt ingedrukt
en opnemen is niet mogelijk (= 31).
[
●●
●●
●●
●●
] verschijnt wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt (= 31).
Stel [IS modus] in op [Continu] (= 59).
Klap de flitser uit en stel de flitsmodus in op [ ] (= 57).
Verhoog de ISO-waarde (= 51).
Plaats de camera op een statief of neem andere maatregelen om de camera
stil te houden. Stel daarnaast [IS modus] in op [Uit] als u opnamen maakt met
een statief of een ander middel gebruikt om de camera stil te houden (= 59).
De opnamen zijn niet scherp.
●● Druk de ontspanknop half in om scherp te stellen op het onderwerp en druk
de knop daarna volledig in om een opname te maken (= 24).
●● Zorg dat de onderwerpen zich binnen het scherpstelbereik bevinden (= 138).
●● Stel [AF-hulplicht] in op [Aan] (= 39).
●● Bevestig dat onnodige functies zoals macro worden uitgeschakeld.
●● Probeer een opname te maken met vergrendelde scherpstelling (= 55)
Er worden geen AF-kaders weergegeven en de camera stelt niet scherp
wanneer de ontspanknop half wordt ingedrukt.
●● Om de AF-kaders weer te geven en de camera goed te laten scherpstellen,
probeert u de gebieden met veel contrast in het centrum van de scène te
plaatsen voordat u de ontspanknop half indrukt. Of probeer de ontspanknop
meerdere malen half in te drukken.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De onderwerpen in de opnamen zijn te donker.
●●
●●
●●
●●
Klap de flitser uit en stel de flitsmodus in op [ ] (= 57).
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie (= 50).
Pas het contrast aan met i-Contrast (= 51, = 74).
Gebruik spotmeting (= 50).
De onderwerpen zijn te helder, de highlights zijn vervaagd.
●●
●●
●●
●●
Klap de flitser in en stel de flitsmodus in op [ ] (= 29).
Pas de helderheid aan met behulp van belichtingscompensatie (= 50).
Gebruik spotmeting (= 50).
Verminder de belichting van het onderwerp.
De opnamen zijn te donker, ondanks dat er is geflitst (= 31).
●● Maak de opname binnen het bereik van de flits (= 138).
●● Verhoog de ISO-waarde (= 51).
De onderwerpen in geflitste foto’s zijn te helder, de highlights zijn vervaagd.
●● Maak de opname binnen het bereik van de flits (= 138).
●● Klap de flitser in en stel de flitsmodus in op [ ] (= 29).
Er verschijnen witte vlekken in geflitste opnamen.
●● Dit komt doordat het licht van de flitser wordt weerspiegeld door stof- of andere
deeltjes in de lucht.
Opnamen zien er korrelig uit.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Verlaag de ISO-waarde (= 51).
De onderwerpen hebben rode ogen.
●● Stel [Lamp Aan] in op [Aan] (= 40) om het licht voor rode-ogenreductie (= 4)
te activeren voor foto’s die met de flitser worden gemaakt. Houd er rekening
mee dat u geen opname kunt maken terwijl het licht voor rode-ogenreductie
brandt (dit duurt ongeveer 1 seconde), omdat het licht op dat moment rode
ogen tegengaat. U krijgt de beste resultaten als uw onderwerpen naar het licht
voor rode-ogenreductie kijken. Probeer ook om de verlichting binnenshuis te
verbeteren of dichter bij het onderwerp te gaan.
●● Bewerk beelden met rode-ogencorrectie (= 74).
124
Het schrijven naar een geheugenkaart duurt te lang of het maken van
continue opnamen gaat langzamer.
●● Voer via de camera een low-level format van de geheugenkaart uit (= 107).
Instellingen voor opnamen of voor het menu FUNC. zijn niet beschikbaar.
●● Beschikbare instellingen variëren per opnamemodus. Zie “Beschikbare functies
per opnamemodus”, “Menu FUNC.” en “Opnametabblad” (= 131–= 134).
Films opnemen
Geluid wordt niet weergegeven tijdens films.
●● Pas het volume aan (= 104) als [Mute] is geactiveerd (= 103) of als het
geluid van de film zwak is.
●● Bij films die zijn opgenomen in de modus [ ] (= 45) wordt geen geluid
weergegeven, omdat in deze modus geen geluid wordt opgenomen.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Geheugenkaart
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De geheugenkaart wordt niet herkend.
●● Herstart de camera met de geheugenkaart erin (= 23).
De verstreken tijd wordt verkeerd weergegeven, of de opname wordt
onderbroken.
●● Formatteer de geheugenkaart via de camera of gebruik een geheugenkaart
die hogesnelheidsopnamen ondersteunt. Denk erom dat ook als de verstreken
tijd verkeerd wordt weergegeven, de lengte van de films op de geheugenkaart
overeenstemt met de werkelijke opnametijd (= 106, = 140).
[
] verschijnt en de opname stopt automatisch.
●● De interne geheugenbuffer van de camera raakt vol omdat de camera niet snel
genoeg naar de geheugenkaart kan schrijven. Probeer een van de volgende
maatregelen:
-- Voer via de camera een low-level format van de geheugenkaart uit (= 107).
-- Verlaag de beeldkwaliteit (= 38).
-- Gebruik een geheugenkaart die hogesnelheidsopnamen ondersteunt (= 140).
In- en uitzoomen is niet mogelijk.
●● In- en uitzoomen is niet mogelijk als u films opneemt in de modus [
Computer
Kan geen beelden overdragen naar een computer.
●● Als u beelden wilt overdragen naar de computer via een kabel, probeert u als
volgt de overdrachtssnelheid te verlagen:
] om de afspeelmodus in te schakelen. Houd de knop
-- Druk op de knop [
] ingedrukt terwijl u tegelijkertijd op de knoppen [ ] en [ ] drukt.
[
Druk in het volgende scherm op de knoppen [ ][ ] om [B] te selecteren.
Druk daarna op de knop [ ].
] (= 45).
Afspelen
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Afspelen is niet mogelijk.
●● U kunt mogelijk geen beelden of films afspelen als u de bestandsnaam
of mapstructuur hebt gewijzigd via een computer.
Het afspelen stopt of het geluid hapert.
●● Gebruik een geheugenkaart waarop u via de camera een low-level format
hebt uitgevoerd (= 107).
●● Korte onderbrekingen zijn mogelijk als u films afspeelt die zijn gekopieerd
naar geheugenkaarten met trage leessnelheden.
●● Als u films afspeelt op een computer met onvoldoende capaciteit, kunnen
er kaders wegvallen en kan het geluid haperen.
125
Kan het formaat van beelden niet wijzigen voor verzending.
Wi-Fi
Het Wi-Fi-menu kan niet worden geopend door op de knop [
] te drukken.
●● Het Wi-Fi-menu kan niet worden geopend wanneer de camera via een kabel is
aangesloten op een printer of computer. Koppel de kabel los.
Kan geen apparaat/bestemming toevoegen.
●● Er kan in totaal voor 20 items verbindingsinformatie aan de camera worden
toegevoegd. Wis eerst overbodige verbindingsinformatie van de camera en
voeg daarna nieuwe apparaten/bestemmingen toe (= 101).
●● Gebruik een computer of smartphone om webservices te registreren (= 88).
●● Om een smartphone toe te voegen, installeert u eerst de toepassing Camera
Connect op uw smartphone (= 77).
●● Om een computer toe te voegen, installeert u eerst de software CameraWindow
op uw computer. Controleer ook de omgeving en instellingen van uw computer
en Wi-Fi (= 83, = 84).
●● Vermijd het gebruik van de camera op plaatsen waar het Wi-Fi-signaal verstoord
kan worden, zoals bijvoorbeeld in de buurt van magnetrons, Bluetooth-apparaten
en andere apparaten die op de 2,4 GHz-band werken.
●● Plaats de camera dichter bij het apparaat waarmee u verbinding wilt maken
(zoals het toegangspunt) en zorg ervoor dat er zich geen voorwerpen tussen
de apparaten bevinden.
●● De afbeeldingsgrootte kan niet worden aangepast naar een opnamepixelinstelling
die hoger is dan de oorspronkelijke instelling.
●● Het formaat van films kan niet worden aangepast.
Het verzenden van beelden duurt lang./De draadloze verbinding is verbroken.
●● Het kan lang duren om meerdere afbeeldingen te verzenden. Probeer het
beeldformaat te wijzigen om het verzenden te versnellen (= 96).
●● Het kan lang duren om films te verzenden.
●● Vermijd het gebruik van de camera op plaatsen waar het Wi-Fi-signaal verstoord
kan worden, zoals bijvoorbeeld in de buurt van magnetrons, Bluetooth-apparaten
en andere apparaten die op de 2,4 GHz-band werken. Het verzenden van beelden
] wordt weergegeven.
kan lang duren, zelfs als [
●● Plaats de camera dichter bij het apparaat waarmee u verbinding wilt maken
(zoals het toegangspunt) en zorg ervoor dat er zich geen voorwerpen tussen
de apparaten bevinden.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Er wordt geen melding ontvangen op een computer of smartphone nadat
CANON iMAGE GATEWAY is toegevoegd aan de camera.
●● Controleer of u het juiste e-mailadres hebt ingevoerd en probeer de bestemming
nogmaals toe te voegen.
●● Controleer de e-mailinstellingen op de computer of smartphone. Indien de
instellingen e-mail van bepaalde domeinen blokkeren, kunt u het bericht met
de melding mogelijk niet ontvangen.
Kan geen verbinding maken met het toegangspunt.
●● Controleer of het toegangspunt is ingesteld op een kanaal dat wordt ondersteund
door de camera (= 140). In plaats van automatische kanaaltoewijzing kunt u het
beste handmatig een ondersteund kanaal toewijzen.
Wis de gegevens van de Wi-Fi-verbinding voordat u de camera weggooit
of aan iemand anders geeft.
●● Reset de instellingen voor Wi-Fi (= 102).
Kan geen beelden verzenden.
●● Het bestemmingsapparaat heeft onvoldoende opslagruimte. Vergroot de opslagruimte
op het bestemmingsapparaat en verzend de beelden opnieuw.
●● Het schuifje voor schrijfbeveiliging van de geheugenkaart van de bestemmingscamera
staat in de vergrendelde positie. Verschuif het schuifje voor schrijfbeveiliging naar
de ontgrendelde positie.
●● Beelden kunnen niet worden verzonden naar CANON iMAGE GATEWAY of
andere webservices als u beeldbestanden of mappen verplaatst of een andere
naam geeft op de computer waarop beelden zijn ontvangen die zijn verzonden
met beeldsynchronisatie via een toegangspunt (= 97). Voordat u deze
beeldbestanden of mappen verplaatst of een andere naam geeft op de computer,
dient u te controleren of de beelden al zijn verzonden naar CANON iMAGE
GATEWAY of andere webservices.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
126
Berichten op het scherm
Indien er een foutmelding verschijnt op het scherm, reageert u als volgt.
Opnamen maken of afspelen
Geen geheugenkaart
●● Wellicht is de geheugenkaart in de verkeerde richting geplaatst. Plaats de
geheugenkaart opnieuw en in de juiste richting (= 17).
Geheugenkaart op slot
●● Het schuifje voor schrijfbeveiliging van de geheugenkaart is vergrendeld.
Verschuif het schuifje voor schrijfbeveiliging naar de ontgrendelde positie
(= 17).
Kan niet opnemen
●● U probeert een opname te maken zonder geheugenkaart in de camera.
Plaats een geheugenkaart in de juiste richting om opnamen te maken (= 17).
Geheugenkaart fout (= 107)
●● Als dezelfde foutmelding blijft verschijnen nadat u een ondersteunde
geheugenkaart (= 2) hebt geformatteerd en correct hebt geplaatst (= 17),
neemt u contact op met een helpdesk van Canon Klantenservice.
Te weinig kaartruimte
●● Er is onvoldoende ruimte vrij op de geheugenkaart om opnamen te maken
(= 29, = 42, = 49) of beelden te bewerken (= 72). Wis overbodige
beelden (= 68) of plaats een geheugenkaart met voldoende vrije ruimte
(= 17).
Laad de accu op (= 16)
Geen beeld.
●● De geheugenkaart bevat geen beelden die kunnen worden weergegeven.
Beveiligd! (= 66)
Onbekend beeld/Incompatible JPEG/Beeld te groot./Kan geen MP4 afspelen
●● Niet-ondersteunde of beschadigde beelden kunnen niet worden weergegeven.
●● Beelden die zijn bewerkt op een computer, beelden waarvan de bestandsnaam is
gewijzigd en beelden die met een andere camera zijn gemaakt, kunnen mogelijk
niet worden afgespeeld.
Kan niet vergroten!/Kan dit niet afspelen in Smart Shuffle/Kan niet roteren/
Kan beeld niet wijzigen/Kan Niet Wijzigen/Niet selecteerbaar beeld.
●● De volgende functies zijn wellicht niet beschikbaar voor beelden waarvan de
bestandsnaam is gewijzigd of die al zijn bewerkt op een computer, of beelden
die met een andere camera zijn gemaakt. Houd er rekening mee dat functies
met een sterretje (*) niet beschikbaar zijn voor films.
Vergroten* (= 64), Smart Shuffle* (= 65), Roteren* (= 70),
Favorieten (= 71), Bewerken* (= 72), Printlijst* (= 119) en
Fotoboek instellen* (= 121).
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Ongeldig selectiebereik
●● U wilde een bereik opgeven voor beeldselectie (= 67, = 69, = 121) en
u probeerde als eerste beeld een beeld te kiezen dat na het laatste beeld
komt of omgekeerd.
Selectielimiet bereikt
●● U hebt meer dan 998 beelden geselecteerd voor de printlijst (= 119)
of fotoboekinstellingen (= 121). Selecteer 998 beelden of minder.
●● De instellingen voor de printlijst (= 119) of voor de fotoboekinstellingen
(= 121) konden niet correct worden opgeslagen. Verminder het aantal
geselecteerde beelden en probeer het opnieuw .
●● U probeerde 500 beelden of meer te kiezen bij Beveilig (= 66),
Wissen (= 68), Favorieten (= 71), Printlijst (= 119) of Fotoboek
instellen (= 121).
Fout in benaming.
●● De map kon niet worden gemaakt of opnamen konden niet worden gemaakt,
omdat het maximum aantal mappen (999) voor de opslag van beelden op de
kaart en het maximum aantal beelden (9999) voor beelden in mappen zijn
bereikt. Wijzig op het tabblad [ ] de optie [Bestandnr.] in [Auto reset] (= 107)
of formatteer de geheugenkaart (= 106).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Lens fout
●● Deze fout kan optreden als u de lens vasthoudt terwijl deze in beweging is of als
u de camera gebruikt in een omgeving met veel stof of zand in de lucht.
●● Als deze foutmelding vaak verschijnt, kan dit duiden op schade aan de camera.
Neem contact op met de helpdesk van Canon Klantenondersteuning.
Camerafout gedetecteerd (foutnummer)
●● Als deze foutmelding verschijnt direct nadat u een opname hebt gemaakt, is het
beeld mogelijk niet opgeslagen. Ga naar de afspeelmodus om dit te controleren.
●● Als deze foutmelding vaak verschijnt, kan dit duiden op schade aan de camera.
Schrijf in dat geval de foutcode op (Exx) en neem contact op met de helpdesk
van Canon Klantenondersteuning.
127
Bestandsfout
●● Foto’s die met een andere camera zijn gemaakt of beelden die zijn gewijzigd
met computersoftware, kunt u wellicht niet correct afdrukken (= 116), zelfs als
de camera is aangesloten op de printer.
Print fout
●● Controleer de instelling voor het papierformaat (= 118). Als dit bericht wordt
weergegeven terwijl de instelling correct is, herstart u de printer en maakt
u de instellingen opnieuw op de camera.
Absorptiekussen inkt vol
●● Neem contact op met een helpdesk van Canon Klantenondersteuning en vraag
om een vervangend inktabsorptiekussen.
Wi-Fi
Verbinding mislukt
●● Er zijn geen toegangspunten herkend. Controleer de instellingen van de
toegangspunten (= 84).
●● Een apparaat wordt niet gevonden. Zet de camera uit en weer aan en probeer
opnieuw verbinding te maken.
●● Controleer het apparaat waarmee u verbinding wilt maken en zorg dat het
apparaat is voorbereid om verbinding te maken.
Verbinding verbroken/Bestand(en) niet ontvangen/Bestand(en) niet
verzonden
●● Mogelijk worden in uw omgeving Wi-Fi-signalen belemmerd.
●● Vermijd het gebruik van de Wi-Fi-functie van de camera in de buurt van magnetrons,
Bluetooth-apparaten en andere apparaten die op de 2,4 GHz-band werken.
●● Plaats de camera dichter bij het apparaat waarmee u verbinding wilt maken
(zoals het toegangspunt) en zorg ervoor dat er zich geen voorwerpen tussen
de apparaten bevinden.
●● Controleer het verbonden apparaat om te zien of er geen fouten zijn.
●● Er is onvoldoende vrije ruimte op de geheugenkaart van de doelcamera om beelden
te ontvangen. Wis beelden om ruimte vrij te maken op de geheugenkaart of
plaats een geheugenkaart met voldoende ruimte.
Bestand(en) niet ontvangen
Geheugenkaart op slot
Bestand(en) niet ontvangen
Fout in benaming.
●● Controleer de beveiligingsinstellingen van de toegangspunten (= 84).
IP-adresconflict
●● Stel het IP-adres opnieuw in zodat er geen conflict is met een ander IP-adres.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Bestand(en) niet ontvangen
Te weinig kaartruimte
Geen toegangspunten gevonden
Wachtwoord is onjuist/Onjuiste beveiligingsinstellingen Wi-Fi
Handleiding voor gevorderden
●● Neem contact op met een helpdesk van Canon Klantenservice indien dezelfde
foutmelding blijft verschijnen nadat u een geformatteerde geheugenkaart correct
hebt geplaatst.
Kan toegangspunt niet bepalen
●● Controleer of het toegangspunt is ingeschakeld.
●● Zorg dat u de juiste SSID invoert als u handmatig verbinding maakt met een
toegangspunt.
Basishandleiding
Bestand(en) niet verzonden
Geheugenkaart fout
●● Het schuifje voor schrijfbeveiliging van de geheugenkaart in de camera staat
in de vergrendelde positie. Verschuif het schuifje voor schrijfbeveiliging naar
de ontgrendelde positie.
●● De WPS-knoppen van meerdere toegangspunten zijn gelijktijdig ingedrukt.
Probeer opnieuw verbinding te maken.
Vóór gebruik
●● Als het hoogste mapnummer (999) en het hoogste beeldnummer (9999) zijn
bereikt op de ontvangende camera, kunnen er geen beelden worden ontvangen.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Onvoldoende ruimte op server
●● Verwijder overbodige beelden die u naar CANON iMAGE GATEWAY hebt
geüpload, om ruimte vrij te maken.
●● Sla de beelden die via beeldsynchronisatie (= 97) zijn verzonden op uw
computer op.
Controleer netwerkinstellingen
●● Controleer of uw computer met de huidige netwerkinstellingen verbinding
kan maken met internet.
128
Informatie op het scherm
Opname (informatieweergave)
(26)
(27)
(9) (10) (11) (12)
(20) i-Contrast (= 51)
(26) Zoombalk (= 29)
(21) Raster (= 39)
(27) Pictogram IS-modus (= 33)
(22) AE lock (= 50)
(28) Tijdzone (= 104)
(23) Sluitertijd
(29) Beeldstabilisatie (= 59)
(24) Diafragmawaarde
(30) Belichtingscompensatiebalk
(= 50)
(25) Belichtingscompensatieniveau
(= 50)
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
(13) (14)
Batterijniveau
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
(15)
Op het scherm verschijnt een pictogram of bericht dat het resterende
niveau van de batterij aangeeft.
(16)
Scherm
(17)
Details
Voldoende opgeladen
(7)
(8)
(21) (22) (23)
(24) (25)
(28) (29)
(18)
(19)
(20)
Iets leger, maar nog voldoende opgeladen
(Knippert rood)
[Laad de accu op]
Bijna leeg; batterij moet worden opgeladen
Leeg; batterij moet onmiddellijk worden opgeladen
(30)
Batterijniveau (= 129)
(11) Filmkwaliteit (= 38)
(2)
Witbalans (= 52)
(12) Resterende tijd (= 140)
(3)
My Colors (= 52)
(1)
(4)
Transportmodus (= 36)
(13) Zoomvergroting (= 34),
digitale telelens (= 54)
(5)
Eco-modus (= 105)
(14) Scherpstelbereik (= 54)
(6)
Zelfontspanner (= 34)
(7)
Waarschuwing: camera
beweegt (= 31)
(15) Opnamemodus (= 131),
scènepictogram (= 32)
(16) Flits-modus (= 57)
(8)
Meetmethode (= 50)
(9)
Fotocompressie (= 58),
opnamepixelinstelling (= 38)
(17) AF frame (= 55),
spotmetingpuntkader (= 50)
(10) Aantal opnamen (= 139)
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
(18) Datumstempel (= 36)
(19) ISO-waarde (= 51)
129
Afspelen (uitgebreide informatieweergave)
(8) (9)(10)
Vóór gebruik
●● Sommige gegevens worden mogelijk niet weergegeven
als u beelden bekijkt op een tv (= 113).
Basishandleiding
(11)
Overzicht van filmbedieningspaneel
(1)
(12)
(13)
(2)
(14)
(15)
(16)
(17)
(18)
(3)
(4)
(5)
(6)
(19)
(7)
(20) (21)(22)
(1)
Films (= 29, = 60)
(2)
Opnamemodus (= 131)
(3)
ISO-waarde (= 51),
afspeelsnelheid (= 45)
(23) (24)
(25)
(13) Sluitertijd (foto’s),
beeldkwaliteit/framesnelheid
(films) (= 38)
(14) Diafragmawaarde
(15) Flitser (= 57)
(4)
Belichtingscompensatieniveau
(= 50)
(16) i-Contrast (= 51, = 74)
(5)
Witbalans (= 52)
(17) Scherpstelbereik (= 54)
(6)
Histogram (= 62)
(18) Bestandsgrootte
(7)
Compressie (beeldkwaliteit)
(= 58)/opnamepixelinstelling
(= 38), MP4 (films)
(19) Foto’s: opnamepixelinstelling
(= 139)
Films: afspeeltijd (= 140)
(8)
Beeldsynchronisatie (= 97)
(20) Beeld bewerken (= 72)
(9)
Batterijniveau (= 129)
(21) Beveiligen (= 66)
(10) Meetmethode (= 50)
(22) Favorieten (= 71)
(11) Mapnummer–bestandnummer
(= 107)
(23) My Colors (= 52, = 73)
(12) Nummer huidig beeld/totaal
aantal beelden
(25) Opnamedatum/-tijd (= 18)
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
De volgende handelingen zijn beschikbaar op het filmbedieningspaneel,
dat geopend kan worden volgens de beschrijving bij “Bekijken” (= 60).
Afsluiten
Afspelen
Slow motion (Druk op de knoppen [ ][ ] om de afspeelsnelheid
aan te passen. Er wordt geen geluid afgespeeld.)
Achteruit springen* (Om verder terug te springen, houdt u de
knop [ ] ingedrukt.)
Eerder beeld (Om snel terug te spoelen, houdt u de knop [
ingedrukt.)
]
Volgend beeld (Om snel vooruit te spoelen, houdt u de knop [
ingedrukt.)
]
Vooruit springen* (Om verder vooruit te springen, houdt u de
knop [ ] ingedrukt.)
Bewerken (= 75)
Verschijnt als de camera is aangesloten op een PictBridgecompatibele printer (= 116).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
* Geeft het beeld ongeveer 4 seconden voor of na het huidige beeld weer.
●● Om tijdens het afspelen van films vooruit of achteruit te springen,
drukt u op de knoppen [ ][ ].
(24) Rode-ogencorrectie (= 74)
130
Vóór gebruik
Functies en menutabellen
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
Beschikbare functies per opnamemodus
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Opnamemodus
Functie
Belichtingscompensatie (= 50)
Flitser (= 57)
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
–
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
–
O
O
O
O
–
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
–
*1
O
O
–
O
–
O
O
–
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
–
O
O
O
–
O
O
–
O
O
O
–
O
–
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
O
–
O
O
–
–
–
O
O
O
O
Scherpstelbereik (= 54)
AF Tracking (= 56)
Display wijzigen (= 25)
*1
Niet beschikbaar, maar schakelt in sommige gevallen over naar [
O
].
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
131
Vóór gebruik
Menu FUNC.
Basishandleiding
Opnamemodus
Handleiding voor gevorderden
Functie
Lichtmeting (= 50)
O
–
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
–
O
–
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
O
–
O
–
O
O
–
O
–
O
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
O
–
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
–
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
1
2
3
4
5
6
7
8
9
My Colors (= 52)
*1 *1
Witbalans (= 52)
*2
O
O
O
O
ISO-waarde (= 51)
Zelfontspanner (= 34)
Instellingen voor zelfontspanner (= 35)
O
O
O
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Transportmodus (= 36)
*1
*2
Basishandelingen
van de camera
O
O
O
O
O
–
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
Witbalans is niet beschikbaar.
Instellen in een bereik van 1–5: contrast, scherpte, kleurverzadiging, rood, groen,
blauw en huidtint.
132
Opnamemodus
Vóór gebruik
Basishandleiding
Functie
Hoogte/breedte foto (= 37)
–
O
O
–
O
–
O
O
O
O
–
O
O
–
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
–
O
–
O
–
–
O
–
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
–
–
–
–
–
O
–
O
–
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Pixels opnemen (= 38)
–
Compressie (= 58)
–
O
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
*1
O
O
O
O
Filmkwaliteit (= 38)
*1Synchroniseert met de ingestelde beeldverhouding en wordt automatisch aangepast
(= 45).
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
133
Vóór gebruik
Opnametabblad
Basishandleiding
Opnamemodus
Handleiding voor gevorderden
Functie
AF Frame (= 55)
Gezichts-AiAf
AF Tracking
O
–
Centrum
–
O
–
–
AF kader afm. (= 55)*1
Normaal
Klein
Digitale Zoom (= 34)
Standaard
Uit*2
1.6x/2.0x
Servo AF (= 56)
Insch.
Uitsch.
Continu (= 57)
Insch.
Uitsch.
*1
*2
*3
O
O
–
O
O
–
O
–
–
O
O
–
O
–
O
O
–
O
O
O
–
O
O
O
O
O
–
O
–
O
O
–
O
O
O
–
O
O
–
O
–
–
–
–
–
–
–
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
–
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
–
O
–
–
O
O
O
–
O
O
–
–
–
O
O
–
–
*3
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
–
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Beschikbaar wanneer het AF-kader is ingesteld op [Centrum].
Digitale zoom wordt ook geannuleerd als u overschakelt naar een opnamemodus
waar deze optie niet beschikbaar is.
[Insch.] wanneer een bewegend onderwerp wordt gedetecteerd.
134
Opnamemodus
Basishandleiding
Functie
AF-hulplicht (= 39)
Aan
Uit
Flits Instellingen (= 40)
Lamp Aan
i-Contrast (= 51)
Vóór gebruik
Aan/Uit
Auto
Uit
Afbeelding direct bekijken (= 40)
Uit/Snel/2 sec./4 sec./
Weergavetijd
8 sec./Vastzetten
Scherminfo
Uit/Details
Raster (= 39)
Aan/Uit
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
–
O
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
O
O
O
O
–
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
Opname
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
1
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
–
O
O
O
O
2
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
O
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
IS-instellingen (= 59)
Continu/Uit
IS modus
Dynamic IS
Datumstemp.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
(= 36)
Uit
O
O
O
O
O
Datum/Datum & Tijd
O
O
O
O
O
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
–
O
O
O
O
135
Tabblad Instellen
Vóór gebruik
Tabblad Afspelen
Basishandleiding
Item
Referentiepagina
Item
Referentiepagina
Mute
= 103
Diavoorstelling
= 64
Volume
= 104
Wissen
= 68
Hints en tips
= 104
Beveilig
= 66
Datum/Tijd
= 18
Roteren
= 70
Tijdzone
= 104
Favorieten
= 71
Lens intrekken
= 105
Fotoboek instellen
= 121
Eco-modus
= 105
i-Contrast
= 74
Spaarstand
= 24, = 105
Rode-ogencorrectie
= 74
Displayheldrh.
= 106
Trimmen
= 72
Opstart scherm
= 106
Veranderen
= 72
Formatteren
= 106, = 107
My Colors
= 73
Bestandsnummering
= 107
Overgang
= 60
Maak folder
= 108
Beeld scrollen
= 60
Maateenheden
= 108
Autom. draaien
= 70
Video Systeem
= 113
Ga verder
= 60
Wi-Fi-verbinding
= 81
Inst. draadloze communicatie
= 76
Certificaatlogo weergeven
= 108
Taal
= 19
Reset alle
= 109
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
136
Tabblad Print
Voorzorgsmaatregelen
Vóór gebruik
Basishandleiding
Item
Print
Referentiepagina
–
●● De camera is een apparaat met zeer geavanceerde elektronica. Laat
de camera niet vallen en stel deze niet bloot aan schokken of stoten.
Sel. beeld & aantal
= 120
Select. reeks
= 121
Sel. alle beelden
= 121
●● Plaats de camera nooit in de nabijheid van magneten, motoren of
andere apparaten die sterke elektromagnetische velden genereren.
Dit kan leiden tot storing of verlies van beeldgegevens.
Wis alle selecties
= 121
Print instellingen
= 119
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Als er waterdruppels of vuil vastzitten op de camera of het scherm,
wrijft u dit af met een droge zachte doek, zoals een brillendoekje.
Niet hard wrijven of hard drukken.
●● Gebruik nooit reinigingsmiddelen die organische oplosmiddelen
bevatten om de camera of het scherm schoon te maken.
●● Gebruik een lensblazer om stof en vuil te verwijderen van de lens.
Als het schoonmaken niet goed lukt, kunt u contact opnemen met
de helpdesk van Canon Klantenservice.
Afspeelmodus menu FUNC.
Item
Referentiepagina
Roteren
= 70
Beveilig
= 66
Favorieten
= 71
Print
= 116
Film afspelen
= 60
Smart Shuffle
= 65
Beeld zoeken
= 63
Diavoorstelling
= 64
●● Er kan condensatie ontstaan op de camera na plotselinge
temperatuursveranderingen (wanneer de camera wordt verplaatst
van een koude naar een warme omgeving). U kunt dit voorkomen
door de camera in een luchtdichte, hersluitbare plastic tas te plaatsen
en zo geleidelijk aan de temperatuursveranderingen te laten wennen
voordat u de camera uit de tas haalt.
●● Staak het gebruik van de camera onmiddellijk als er condensatie
ontstaat. Als u de camera in deze toestand toch blijft gebruiken, kan
deze beschadigd raken. Verwijder de batterij en de geheugenkaart
en wacht tot het vocht is verdampt voordat u de camera weer in
gebruik neemt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Bewaar ongebruikte batterijen in een plastic zak of een vergelijkbare
verpakking. Om ervoor te zorgen dat de prestaties van de batterij
behouden blijven wanneer u de batterij gedurende langere tijd niet
gaat gebruiken, laadt u de batterij circa een keer per jaar op en
gebruikt u de resterende lading op voordat u de batterij opbergt.
137
Sluiter
Specificaties
Beeldsensor
Beeldformaat.....................................Type 1/2,3
Effectieve pixels in de camera
(*Pixels kunnen afnemen
door beeldverwerking) ...........................Ongeveer 20,0 megapixel
Totale pixels.......................................Ongeveer 20,5 megapixel
Lens
Brandpuntsafstand
(equivalent aan 35mm-film).....................4,3–193,5 mm (24–1080 mm)
Opnamebereik (gemeten vanaf de punt van de lens)
Scherpstelbereik
–
Anders dan
hierboven
*
Maximale groothoek
( )
Maximale telelens
( )
0 cm–oneindig
1,3 m–oneindig
5 cm–oneindig
1,3 m–oneindig
0–50 cm
3,0 m–oneindig
* Niet beschikbaar in bepaalde opnamestanden.
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Diafragma
F-nummer
Groothoek......................................3,5–8,0
Telelens ........................................6,8–8,0
Flitser
Zoomvergroting.................................45x
Opnamemodus
Sluitertijd
Auto-modus (automatische instellingen)
Max. Tv..........................................1 sec.
Min. Tv...........................................1/4000 sec.
Bereik bij elke opnamemodus
Max. Tv..........................................15 sec.
Min. Tv...........................................1/4000 sec.
Vóór gebruik
–
3,0 m–oneindig
Ingebouwde flitser
Max. groothoek
dichtstbije punt...............................50 cm
verste punt.....................................5,0 m
Telelenskant
dichtstbije punt...............................1,3 m
verste punt.....................................2,7 m
Monitor
Type...................................................Kleuren-TFT LCD
Schermgrootte...................................7,5 cm (3,0 inch)
Effectieve pixels.................................Circa 230.000 pixels
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
138
Opnamen maken
Digitale zoom
Vergroting..........................................Circa 4x
Maximum met optische zoom............Circa 180x
Brandpuntsafstand
(Telelenskant, equivalent aan 35mm-film)....Equivalent aan circa 4320 mm
ZoomPlus
(Aantal opnamepixels L).........................Circa 90x
Continue opnamen maken
Opnamesnelheid*
Auto/P normaal continu.................Circa 0,5 beelden/sec.
Modus weinig licht.........................Circa 2,2 beelden/sec.
* Snelheid van continue opnamen kan afnemen door de volgende factoren:
Tv-waarde/Av-waarde/onderwerpomstandigheden/belichtingsomstandigheden/
gebruik van flitser/zoomstand
Opname
Vóór gebruik
Bestandsindeling...................................Voldoet aan DCF, compatibel met
DPOF (versie 1.1)
Gegevenstype
Foto’s
Opname-indeling...........................Exif2.3 (DCF2.0)
Beeld.............................................Alleen JPEG
Films
Opname-indeling...........................MP4
Video.............................................MPEG-4 AVC/H.264
Audio.............................................MPEG-4 AAC-LC (mono)
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Vastgelegde pixels, aantal opnamen per geheugenkaart
Foto
Met een (UHS-I)-geheugenkaart van 16 GB (opnamen bij benadering)
2015
3397
3982
6656
10563
18689
60741
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
80988
139
Interface
Films
Met een (UHS-I) geheugenkaart van 16 GB
Pixels
Framesnelheid/
videosysteem
(1280 x 720)
(640 x 480)
Opnametijd per
geheugenkaart
(bij benadering)
(NTSC) 2 uur 35 min.
37 sec.
(PAL)
(NTSC) 8 uur 25 min.
48 sec.
(PAL)
Opnametijd van een
afzonderlijke clip
(bij benadering)
29 min. 59 sec.
1 uur
●● Beperkingen van filmopname: continue opname is mogelijk totdat de
geheugenkaart vol is of de opnametijd van een film circa 29 minuten
en 59 seconden bereikt.
Voeding
Batterij NB-11LH
Aantal foto-opnamen (conform CIPA)
Circa 195 beelden
Aantal foto-opnamen (Eco-modus aan)
Circa 260 beelden
Opnametijd film (conform CIPA)
Circa 50 min.
Opnametijd film (continue opname)
Circa 90 min.
Afspeeltijd*
Circa 5 uur
Vóór gebruik
Bekabeld
Digitale aansluiting
(Conform Hi-Speed USB)..................Mini-B
Analoge video-uitgang (NTSC/PAL)
Analoge audio-uitgang.......................Mono
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Draadloos
NFC��������������������������������������������������Conform NFC Forum Type 3/4 Tag
(dynamisch)
Wi-Fi
Conform normen���������������������������IEEE 802.11b/g/n
Verzendfrequentie
Frequentie��������������������������������2,4 GHz
Kanalen������������������������������������1–11 kanalen
Beveiliging
Infrastructuurmodus������������������WPA2-PSK (AES/TKIP),
WPA-PSK (AES/TKIP), WEP
* Voldoet aan Wi-Fi Protected Setup
Camera access point modus����WPA2-PSK (AES)
Ad-hocmodus���������������������������WPA2-PSK (AES)
Gebruiksomgeving
Temperatuur������������������������������������������Min. 0 °C, max. 40 °C
Afmetingen (conform CIPA)
* Tijd bij het afspelen van een diavoorstelling van foto’s.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
B............................................................104,4 mm
H............................................................69,1 mm
D............................................................85,1 mm
Gewicht (conform CIPA)
Alleen camerabody................................Circa 306 g
Inclusief batterij en geheugenkaart.........Circa 323 g
140
Batterij NB-11LH
Type:
Nominale spanning:
Nominale capaciteit:
Oplaadcycli:
Bedrijfstemperatuur:
Vóór gebruik
Oplaadbare lithium-ionbatterij
3,6 V gelijkstroom
800 mAh
Circa 300 keer
0–40 °C
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Batterijlader CB-2LF/CB-2LFE
Nominale invoer:
Nominale uitvoer:
Oplaadduur:
Bedrijfstemperatuur:
100–240 V wisselstroom (50/60 Hz)
4,2 V gelijkstroom, 0,41 A
Circa 2 uur 20 min. (bij gebruik van NB-11LH)
5–40 °C
●● Het aantal opnamen dat kan worden gemaakt, is gebaseerd op richtlijnen
voor metingen van CIPA (Camera & Imaging Products Association).
●● Onder bepaalde opnameomstandigheden zijn het aantal opnamen
en de opnametijd lager dan hierboven is aangegeven.
●● Aantal opnamen/tijd met een volledig opgeladen batterij.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
141
Index
A
Aangepaste witbalans 52
Aansluiting 113, 116
Accessoires 111
AE lock 50
Afdrukken 116
AF-kaders 55
Afspelen → Bekijken
AF Tracking 56
Alles wissen 68
Auto-modus (opnamemodus) 20, 29
AV-kabel 112, 113
B
Batterij
Eco-modus 105
Niveau 129
Opladen 16
Spaarstand 24
Batterijen → Datum/tijd
(datum/tijd-batterij)
Spaarstand 24
Batterijlader 2, 111
Beelden
Afspelen → Bekijken
Beveiligen 66
Weergaveduur 40
Wissen 68
Beelden opslaan op
een computer 83, 114
Beelden verzenden 95
Beelden verzenden naar
een andere camera 93
C
Beelden verzenden naar
een computer 83
Beelden verzenden naar
een printer 92
Beelden verzenden naar
een smartphone 77
Beelden verzenden naar
webservices 91
Beeldkwaliteit
→ Compressieverhouding
(beeldkwaliteit)
Beeldstabilisatie 59
Beeldsynchronisatie 97
Beeldverhouding 37
Bekijken 21
Beeld zoeken 63
Diavoorstelling 64
Eén beeld weergeven 21
Indexweergave 62
Smart Shuffle 65
Tv-weergave 113
Vergrote weergave 64
Belichting
Compensatie 50
Bestandsnummering 107
Beveiligen 66
Bewerken
Bijsnijden 72
Formaat wijzigen 72
i-Contrast 74
My Colors 73
Rode-ogencorrectie 74
Bijsnijden 72, 117
Camera
Reset alle 109
Camera access point modus 82
Camera Connect 77
CameraWindow 114
CANON iMAGE GATEWAY 76, 88
Centrum (modus AF Frame) 55
Compressieverhouding
(beeldkwaliteit) 58
D
Datum/tijd
Datumstempels toevoegen 36
Datum/tijd-batterij 19
Instellingen 18
Vervangen 18
Wereldklok 104
Diavoorstelling 64
Digitale telelens 54
Digitale Zoom 34
Directe effecten (opnamemodus) 42
DPOF 119
Flitser
Aan 57
Flitser uitschakelen 58
Slow sync 57
Focusvergrendeling 55
Formaat wijzigen 72
Fotoboek instellen 121
Foutmeldingen 127
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
G
Geheugenkaarten 2
Opnametijd 140
Geluiden 103
Gezichts-AiAf (modus AF Frame) 55
Gezicht-zelfontspanner
(opnamemodus) 47
I
i-Contrast 51, 74
Indicator 28, 39, 40
Inhoud van de verpakking 2
ISO-waarde 51
K
E
Eco-modus 105
Extra levendig (opnamemodus) 44
Kleur (witbalans) 52
Klok 28
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
L
F
Favorieten 71
Films
Beeldkwaliteit (opnamepixels/
framesnelheid) 38
Bewerken 75
Opnametijd 140
Fisheye-effect (opnamemodus) 44
Lange sluiter (opnamemodus) 47
M
Macro (scherpstelbereik) 54
Meetmethode 50
Menu
Basishandelingen 26
Tabel 131
142
Menu FUNC.
Basishandelingen 25
Tabel 132, 137
Miniatuureffect (opnamemodus) 45
Monochroom (opnamemodus) 46
My Colors 52, 73
O
Oneindig (scherpstelbereik) 54
Op afstand opnamen maken van
livebeelden 100
Opname
Opnamedatum/-tijd → Datum/tijd
Opname-informatie 129
Opnamepixels (beeldformaat) 38
P
P (opnamemodus) 49
PictBridge 112, 116
Polsriem → Riem
Portret (opnamemodus) 43
Postereffect (opnamemodus) 44
Problemen oplossen 123
Programma automatische
belichting 49
S
W
Scherm
Menu → Menu FUNC., Menu
Pictogrammen 129, 130
Weergavetaal 19
Scherpstelbereik
Macro 54
Oneindig 54
Scherpstellen
AF-kaders 55
Servo AF 56
SD/SDHC/SDXC-geheugenkaarten
→ Geheugenkaarten
Sepiakleurige beelden 53
Servo AF 56
Smart Shuffle 65
Software
Beelden opslaan op een
computer 83, 114
Installatie 114
Spaarstand 24
Speelgoedcamera-effect
(opnamemodus) 46
Standaardwaarden → Reset alle
Weergavetaal 19
Weinig licht (opnamemodus) 43
Wereldklok 104
Wi-Fi-functies 76
Wi-Fi-menu 80
Wissen 68
Witbalans (kleur) 52
T
R
Raster 39
Reizen met de camera 104
Reset alle 109
Riem 2, 15
Rode-ogencorrectie 74
Roteren 70
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Z
Zelfontspanner 34
2 seconden zelfontspanner 35
Gezicht-zelfontspanner
(opnamemodus) 47
Zelfontspanner aanpassen 35
Zoeken 63
Zoomen 20, 30, 34
Zwart-witfoto’s 53
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
Tv-weergave 113
V
Verbinden via een toegangspunt 84
Verbindingsinformatie bewerken
of wissen 101
Vergrote weergave 64
Voeding 111
→ Batterij,
→ Batterijlader
Vuurwerk (opnamemodus) 43
143
Voorzorgsmaatregelen voor draadloze functies
(Wi‑Fi en overige)
●● Landen en regio’s waarin het gebruik van draadloze functies is
toegestaan
-- Gebruik van draadloze functies is beperkt in bepaalde landen
en regio’s en illegaal gebruik kan strafbaar zijn volgens nationale
of lokale voorschriften. Om te voorkomen dat u de voorschriften
met betrekking tot draadloze verbindingen schendt, controleert
u op de website van Canon waar het gebruik is toegestaan.
Houd er rekening mee dat Canon niet aansprakelijk kan worden
gehouden voor problemen die voortkomen uit het gebruik van
draadloze functies in andere landen en regio’s.
●● Indien u één van de volgende handelingen uitvoert, kan dit juridische
gevolgen hebben:
-- Het product wijzigen of aanpassen
-- De certificeringslabels van het product verwijderen
●● Voordat goederen of technologieën in de camera worden geëxporteerd
die worden gereguleerd door de Foreign Exchange and Foreign Trade Act
(met inbegrip van het meenemen van de goederen of technologieën
uit Japan of ze aan niet-ingezetenen laten zien in Japan), is mogelijk
een exportvergunning of vergunning voor een servicetransactie nodig
van de Japanse overheid.
●● Aangezien dit product Amerikaanse coderingsitems bevat, valt het
onder de regelgeving van de U.S. Export Administration en mag het
product niet worden geëxporteerd naar of binnengebracht worden in
een land waarop een handelsembargo van de VS van toepassing is.
●● Noteer de draadloze Wi-Fi-instellingen die u gebruikt.
De draadloze instellingen die op dit product zijn opgeslagen, kunnen
worden gewijzigd of gewist door foutief gebruik van het product, de
gevolgen van radiogolven of statische elektriciteit, of een ongeval of
fout. Houd er rekening mee dat Canon niet verantwoordelijk is voor
directe of indirecte schade of verlies van inkomsten als gevolg van
het verslechteren of verdwijnen van inhoud.
●● Wanneer u niet meer eigenaar van de camera bent, het product
weggooit of ter reparatie opstuurt, dient u de standaardinstellingen
voor draadloze communicatie te herstellen door eventuele instellingen
te wissen die u hebt ingevoerd.
●● Canon compenseert geen schade als gevolg van verlies of diefstal
van dit product.
Canon is niet verantwoordelijk voor schade of verlies als gevolg van
ongeoorloofde toegang tot of gebruik van doelapparaten die op dit
product zijn geregistreerd doordat het product is verloren of gestolen.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● Gebruik de draadloze functie van dit product niet in de buurt van
medische apparatuur of andere elektronische apparatuur.
Het gebruik van de draadloze functie in de buurt van medische
apparatuur of andere elektronische apparatuur kan de werking van
deze apparaten beïnvloeden.
Voorzorgsmaatregelen voor storing van radiogolven
●● Dit product kan storing ondervinden van andere apparaten die
radiogolven uitzenden. Om storing te vermijden, dient u dit product
zo ver mogelijk van dergelijke apparaten te gebruiken of probeert
u de apparaten niet op hetzelfde moment als dit product te gebruiken.
Veiligheidsmaatregelen
Aangezien Wi-Fi radiogolven gebruikt om signalen te verzenden, zijn er
strengere veiligheidsmaatregelen nodig dan wanneer u een LAN-kabel
gebruikt.
Houd rekening met de volgende punten wanneer u Wi-Fi gebruikt.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Gebruik alleen netwerken die u mag gebruiken.
Dit product zoekt naar Wi-Fi-netwerken in de buurt en geeft de
resultaten op het scherm weer. Netwerken waarvoor u geen toestemming
hebt (onbekende netwerken), worden mogelijk ook weergegeven.
Als u probeert verbinding te maken met deze netwerken of deze
probeert te gebruiken, kan dit echter als ongeoorloofde toegang worden
beschouwd. Gebruik alleen netwerken die u mag gebruiken en probeer
geen verbinding te maken met andere onbekende netwerken.
144
Als de veiligheidsinstellingen niet correct zijn ingesteld, kunnen zich de
volgende problemen voordoen.
Software van derden
●● Bekijken van de overdracht
Derden met slechte bedoelingen kunnen Wi-Fi-overdrachten opsporen
en proberen om de gegevens op te halen die u verzendt.
●● expat.h
Copyright (c) 1998, 1999, 2000 Thai Open Source Software Center Ltd
●● Ongeoorloofde netwerktoegang
Derden met slechte bedoelingen kunnen ongeoorloofde toegang
krijgen tot het netwerk dat u gebruikt en informatie stelen, wijzigen of
vernietigen. U kunt daarnaast ook het slachtoffer worden van andere
ongeoorloofde toegang zoals imitatie (waarbij iemand een andere
identiteit aanneemt om ongeoorloofde toegang te krijgen tot informatie)
of springplankaanvallen (waarbij iemand ongeoorloofde toegang krijgt
tot uw netwerk als een springplank om hun sporen uit te wissen terwijl
ze in andere systemen inbreken).
Permission is hereby granted, free of charge, to any person
obtaining a copy of this software and associated documentation files
(the “Software”), to deal in the Software without restriction, including
without limitation the rights to use, copy, modify, merge, publish,
distribute, sublicense, and/or sell copies of the Software, and to permit
persons to whom the Software is furnished to do so, subject to the
following conditions:
Beveilig dus uw Wi-Fi-netwerk voldoende om dit soort problemen te
vermijden.
Gebruik de Wi-Fi-functie van deze camera alleen met voldoende kennis
van Wi-Fi-beveiliging en zorg voor een goede balans tussen risico en
gemak wanneer u de veiligheidsinstellingen aanpast.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
The above copyright notice and this permission notice shall be
included in all copies or substantial portions of the Software.
THE SOFTWARE IS PROVIDED “AS IS”, WITHOUT WARRANTY OF
ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED
TO THE WARRANTIES OF MERCHANTABILITY, FITNESS FOR A
PARTICULAR PURPOSE AND NONINFRINGEMENT. IN NO EVENT
SHALL THE AUTHORS OR COPYRIGHT HOLDERS BE LIABLE FOR
ANY CLAIM, DAMAGES OR OTHER LIABILITY, WHETHER IN AN
ACTION OF CONTRACT, TORT OR OTHERWISE, ARISING FROM,
OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE SOFTWARE OR THE USE
OR OTHER DEALINGS IN THE SOFTWARE.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
145
Persoonsgegevens en veiligheidsmaatregelen
Indien persoonsgegevens en/of Wi-Fi-beveiligingsinstellingen zoals
wachtwoorden enz. worden opgeslagen op de camera, dient u zich
ervan bewust te zijn dat dergelijke informatie en instellingen op de
camera bewaard kunnen blijven.
Wanneer u het eigendom van de camera aan een andere persoon
overdraagt, de camera weggooit of ter reparatie opstuurt, dient u de
volgende maatregelen te nemen om te voorkomen dat dergelijke
gegevens en instellingen uitlekken.
●● Wis geregistreerde Wi-Fi-beveiligingsgegevens door [Instellingen
resetten] te kiezen in de Wi-Fi-instellingen.
Vrijwaring
●● Onrechtmatige verveelvoudiging van deze handleiding is verboden.
●● Alle metingen zijn gebaseerd op teststandaarden van Canon.
●● Informatie kan zonder kennisgeving worden gewijzigd, evenals
productspecificaties en het uiterlijk.
Vóór gebruik
Basishandleiding
Handleiding voor gevorderden
1
2
3
4
5
6
7
8
9
●● De illustraties en schermafbeeldingen in deze handleiding kunnen
enigszins afwijken van het werkelijke apparaat.
●● Niettegenstaande het bovenstaande kan Canon niet aansprakelijk
worden gehouden voor eventuele schade die ontstaat door het
gebruik van dit product.
Handelsmerken en licenties
●● Microsoft en Windows zijn handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/
of andere landen.
●● Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken van Apple Inc., gedeponeerd
in de U.S. en andere landen.
●● App Store, iPhone en iPad zijn handelsmerken van Apple Inc.
●● Het SDXC-logo is een handelsmerk van SD-3C, LLC.
●● Wi-Fi®, Wi-Fi Alliance®, WPA™, WPA2™ en Wi-Fi Protected Setup™
zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van de Wi-Fi
Alliance.
●● Het N-teken is een handelsmerk of gedeponeerd handelsmerk
van NFC Forum, Inc. in de Verenigde Staten en in andere landen.
Basishandelingen
van de camera
Auto-modus
Andere opnamestanden
P-modus
Afspeelmodus
Wi-Fi-functies
Menu Instellingen
Accessoires
Bijlage
Index
●● Alle andere handelsmerken zijn eigendom van hun respectieve
eigenaren.
●● Dit apparaat gebruikt exFAT-technologie die in licentie is gegeven
door Microsoft.
●● This product is licensed under AT&T patents for the MPEG-4 standard
and may be used for encoding MPEG-4 compliant video and/or decoding
MPEG-4 compliant video that was encoded only (1) for a personal
and non-commercial purpose or (2) by a video provider licensed under
the AT&T patents to provide MPEG-4 compliant video. No license is
granted or implied for any other use for MPEG-4 standard.*
* Kennisgeving in Engels weergegeven, zoals vereist.
146
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising