Garmin | Compact Reactor™ 40 Hydraulic Autopilot with GHC™ 20 Pack | Garmin Compact Reactor™ 40 Hydraulic Autopilot with GHC™ 20 Pack Configuratiegids

Garmin Compact Reactor™ 40 Hydraulic Autopilot with GHC™ 20 Pack Configuratiegids
De Dockside Wizard uitvoeren
REACTOR™ 40 HYDRAULIC
Configuratiegids
Belangrijke veiligheidsinformatie
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
U bent verantwoordelijk voor de veilige en voorzichtige besturing
van uw vaartuig. De stuurautomaat is een hulpmiddel waarmee
u de boot beter kunt besturen. Dit ontheft u echter niet van uw
verantwoordelijkheid om de boot veilig te besturen. Voorkom
gevaarlijke navigatie en zorg ervoor dat het roer nooit
onbemand is.
Wees altijd in staat om snel de handmatige besturing van uw
boot over te nemen.
Oefen de bediening van de stuurautomaat op kalm en open
water dat vrij is van gevaren.
Wees voorzichtig met het bedienen van de stuurautomaat in de
buurt van gevaren op het water, zoals dokken, palen en andere
boten.
VOORZICHTIG
Pas tijdens het gebruik op voor hete motoronderdelen en
elektromagnetische onderdelen en voorkom beklemming tussen
bewegende onderdelen.
Het niet in overeenstemming met deze instructies installeren en
onderhouden van dit toestel kan leiden tot schade of letsel.
LET OP
Om schade aan uw boot te voorkomen, moet de stuurautomaat
door een gekwalificeerde nautische installateur worden
gemonteerd. Voor een juiste installatie is speciale kennis van
hydraulische stuurinrichtingen en nautische elektronische
systemen vereist.
De stuurautomaat configureren
De stuurautomaat moet worden geconfigureerd en afgesteld op
de dynamiek van uw boot. Gebruik de Dockside Wizard en de
Sea Trial Wizard om de stuurautomaat te configureren. Volg de
instructies in deze wizards om de vereiste configuratiestappen
te voltooien.
Als uw stuurautomaatpakket geen roerbediening bevat, moet u
de stuurautomaat configureren met behulp van een kaartplotter
die op hetzelfde NMEA 2000 netwerk is aangesloten als de
CCU van de stuurautomaat. De instructies voor configuratie met
behulp van de roerbediening of een kaartplotter zijn
meegeleverd.
®
Dockside Wizard
LET OP
Als u de Dockside Wizard uitvoert terwijl uw boot op het droge
ligt, moet u zorgen dat het roer vrij kan bewegen om schade aan
het roer of andere voorwerpen te voorkomen.
U kunt de Dockside Wizard zowel in het water als op het droge
uitvoeren.
Als de boot in het water ligt, moet deze stationair draaien terwijl
u de wizard uitvoert.
LET OP
Als uw boot stuurbekrachtiging heeft, schakelt u de
stuurbekrachtiging in voordat u de Dockside Wizard uitvoert. Zo
voorkomt u beschadiging van de stuurinrichting.
1 Schakel de stuurautomaat in.
Als u de stuurautomaat voor het eerst inschakelt, wordt u
gevraagd om een korte configuratieprocedure uit te voeren.
2 Als de Dockside Wizard na de configuratieprocedure niet
automatisch wordt opgestart, selecteert u een van de
volgende opties:
• Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Wizards > Dockside
Wizard.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Wizards >
Dockside Wizard.
Selecteer
het type vaartuig.
3
4 Volg de instructies op het scherm om lock-to-lock in te stellen
voor de roerbediening wanneer daarom wordt gevraagd.
Volg
de instructies op het scherm om de
5
roerverplaatsingswaarde op te geven wanneer daarom wordt
gevraagd.
6 Kalibreer indien nodig de roersensor (De roersensor
kalibreren, pagina 1).
7 Test de stuurrichting (De stuurrichting testen, pagina 1).
8 Selecteer indien nodig de snelheidsbron (Een snelheidsbron
selecteren, pagina 2).
9 Controleer indien nodig de tachometer (De tachometer
controleren, pagina 2).
10 Test lock-to-lock voor de roerbediening wanneer daarom
wordt gevraagd.
11 Bekijk de resultaten van de Dockside Wizard (Het resultaat
van de Dockside Wizard bekijken, pagina 2).
De roersensor kalibreren
OPMERKING: Als tijdens deze stappen een foutmelding wordt
gegeven, heeft de roerfeedbacksensor zijn limiet mogelijk
bereikt. In dat geval is de roerfeedbacksensor wellicht niet
correct geïnstalleerd. Als het probleem zich blijft voordoen, kunt
u doorgaan met kalibreren door het roer naar de uiterste positie
te bewegen waar geen fout wordt gemeld.
1 Plaats het roer zodanig dat de boot volledig naar stuurboord
zou varen en selecteer OK.
2 Nadat de stuurboordkalibratie is voltooid, plaatst u het roer
zodanig dat de boot volledig naar bakboord zou varen en
selecteert u OK.
3 Nadat de bakboordkalibratie is voltooid, plaatst u het roer in
de centrale stand, laat u het roer los en selecteert u Begin.
De stuurautomaat neemt de besturing van het roer over.
4 Raak het roer, de roerbediening of de kaartplotter niet aan en
laat de stuurautomaat het roer kalibreren.
5 Selecteer een optie:
• Als het kalibratieproces niet met succes is voltooid,
herhaalt u stap 1 t/m 4.
• Indien het kalibratieproces met succes is voltooid,
selecteert u OK.
De stuurrichting testen
1 Selecteer en terwijl u op lage snelheid vaart of stil ligt.
Als u selecteert, moet het roer de boot naar links sturen.
Als u selecteert, moet het roer de boot naar rechts sturen.
2 Selecteer Doorgaan.
November 2017
190-02314-35_0A
3 Selecteer een optie:
• Als de boot bij de test van de stuurrichting in de juiste
richting vaart, selecteert u op een roerbediening Ja.
• Als de boot bij de test van de stuurrichting in de juiste
richting vaart, selecteert u op een kaartplotter Volgende.
• Selecteer op een roerbediening Nee als de boot bij de test
van de stuurrichting in de tegenovergestelde richting vaart
en herhaal de stappen 1 t/m 3.
• Selecteer op een kaartplotter Verander richting als de
boot bij de test van de stuurrichting in de
tegenovergestelde richting vaart en herhaal de stappen 1
t/m 3.
Een snelheidsbron selecteren
Selecteer een optie:
• Als u een of meer NMEA 2000 compatibele motoren op
het NMEA 2000 netwerk hebt aangesloten, selecteert u
Tach. - NMEA 2000 of eigen.
• Als er geen NMEA 2000 tachometergegevensbron
beschikbaar is van een of meer motoren, of als deze
onbruikbaar is, selecteert u GPS als snelheidsbron.
OPMERKING: Garmin raadt het gebruik aan van een
externe GPS-antenne die is bevestigd op een locatie met
vrij uitzicht op de hemel, zodat deze betrouwbare en
nauwkeurige GPS-snelheidsinformatie kan verschaffen.
• Als u geen NMEA 2000 motor of GPS-toestel als
snelheidsbron hebt aangesloten, selecteert u Geen.
OPMERKING: Als de stuurautomaat niet goed werkt met
de instelling Geen als snelheidsbron, raadt Garmin u aan
een tachometer aan te sluiten via het NMEA 2000 netwerk
of een externe GPS-antenne te gebruiken als
snelheidsbron.
Terwijl u de Sea Trial Wizard uitvoert, moet u op de volgende
punten letten.
• Het gewicht op de boot moet in balans zijn. Terwijl u de
stappen van de Sea Trial Wizard uitvoert, mag u niet
rondlopen op de boot.
De Sea Trial Wizard uitvoeren
1 Vaar met de boot naar een open stuk kalm water.
2 Selecteer een optie:
3
®
De tachometer controleren
Deze procedure wordt niet weergegeven als GPS of Geen is
geselecteerd als de snelheidsbron.
Hiermee kunt u bij draaiende motor(en) de RPM-waarden op
de bediening vergelijken met die op de tachometer (of
tachometers) op het dashboard van uw boot.
Als de RPM-waarden niet overeenkomen, is er mogelijk een
probleem met de NMEA 2000 snelheidsbron of de
aansluiting.
Het resultaat van de Dockside Wizard bekijken
De waarden die u kiest bij het uitvoeren van de Dockside Wizard
worden weergegeven.
1 Bekijk het resultaat van de Dockside Wizard.
2 Selecteer een foutieve waarde.
3 Corrigeer de waarde.
4 Herhaal stap 2 en 3 voor alle foutieve waarden.
5 Selecteer OK als u klaar bent.
Sea Trial Wizard
Met de Sea Trial Wizard configureert u de belangrijkste
sensoren op de stuurautomaat. Het is heel belangrijk om de
wizard uit te voeren onder omstandigheden die geschikt zijn
voor uw boot.
Belangrijke overwegingen met betrekking tot de Sea
Trial Wizard
De Sea Trial Wizard moet in kalm water worden uitgevoerd. Wat
kalm water is, hangt af van de grootte en vorm van uw boot.
Voordat u begint met de Sea Trial Wizard, moet de boot zich
dan ook op een geschikte locatie bevinden.
• De boot mag niet schommelen terwijl deze stil ligt of zeer
langzaam vaart.
• De boot mag geen last hebben van de wind.
2
4
5
6
• Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Wizards > Sea Trial
Wizard.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Wizards > Sea
Trial Wizard > Begin.
Selecteer een optie:
• Configureer het toerental (RPM) bij planeren op een
motorboot met planerende romp waarvan de
snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of
eigen.
• Configureer de planeersnelheid op een motorboot met
planerende romp waarvan de snelheidsbron is ingesteld
op GPS.
• Configureer de hoge RPM-limiet op een motorboot
waarvan de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA
2000 of eigen of GPS.
• Configureer de maximumsnelheid op een motorboot
waarvan de snelheidsbron is ingesteld op GPS.
Kalibreer het kompas (Het kompas kalibreren, pagina 2).
Voer de procedure Automatisch afstemmen uit (De
procedure Automatisch afstemmen uitvoeren, pagina 3).
Stel het noorden in (Het noorden instellen, pagina 3) of stel
de instelling voor de voorliggende koers bij (De
koersinstelling aanpassen, pagina 3).
Het kompas kalibreren
1 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u op een roerbediening in het
koersscherm Menu > Stel in > Dealerinstelling
stuurautomaat > Kompas instellen > Kalibreer kompas
> Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u op een kaartplotter Instellingen
> Mijn boot > Configuratie-instel. stuurautomaat >
Kompas instellen > Kompaskalibr. > Begin.
2 Volg de instructies op tot de kalibratie is voltooid. Zorg er
daarbij voor dat u de boot zo stabiel en vlak mogelijk houdt.
Zorg dat de boot tijdens het kalibreren niet overhelt. Zorg dat
één kant van het schip niet zwaarder is beladen dan de
andere.
3 Selecteer een optie:
• Als de kalibratie op een roerbediening met succes is
voltooid, selecteert u OK.
• Als de kalibratie op een kaartplotter met succes is
voltooid, selecteert u OK.
• Als het kalibratieproces niet met succes is voltooid,
selecteert u Opnieuw en herhaalt u stap 1 t/m 3.
Als de kalibratie is voltooid, wordt een waarde voor de kwaliteit
van de magnetische omgeving weergegeven. Een waarde van
100 geeft aan dat de CCU is geïnstalleerd in een perfecte
magnetische omgeving en juist is gekalibreerd. Als deze waarde
laag is, moet u de CCU mogelijk verplaatsen en het kompas
nogmaals kalibreren.
De procedure Automatisch afstemmen uitvoeren
Voer deze procedure uit op open water.
1 Pas uw snelheid aan zodat de boot op normale kruissnelheid
(lager dan planeersnelheid) vaart zodat u goed kunt
corrigeren.
2 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u op een roerbediening, in het
koersscherm Menu > Stel in > Dealerinstelling
stuurautomaat > Stuurautomaat afstemmen >
Automatisch afstemmen > Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u op een kaartplotter Instellingen
> Mijn boot > Configuratie-instel. stuurautomaat >
Stuurautom. afstemmen > Automatisch afstemmen >
Begin.
De boot voert een aantal zigzagbewegingen uit terwijl
Automatisch afstemmen wordt uitgevoerd.
3 Nadat de procedure is voltooid, volgt u de instructies op het
scherm.
4 Als de Automatisch afstemmen procedure niet met succes
is voltooid, selecteert u een optie:
• Als de Automatisch afstemmen procedure niet met
succes is voltooid en u de maximale kruissnelheid nog
niet hebt bereikt, verhoogt u de snelheid, selecteert u
Voer normaal aut. afstemmen uit op een roerbediening
of Voer stand. autotune uit op een kaartplotter en
herhaalt u stap 1 tot en met 3 totdat de Automatisch
afstemmen procedure naar behoren verloopt.
• Als de Automatisch afstemmen procedure niet met
succes is voltooid en u wel de maximale kruissnelheid
hebt bereikt, verlaagt u de snelheid tot de initiële snelheid
voor Automatisch afstemmen en selecteert u Alt.
automatisch afstemmen om een alternatieve procedure
te starten.
• Als Automatisch afstemmen meteen mislukt en u in een
cirkel vaart in plaats van zigzagbewegingen te maken,
selecteert u Keer stuurricht. om en opnieuw > Voer
normaal aut. afstemmen uit op een roerbediening of
Verander richting > Voer stand. autotune uit op een
kaartplotter en herhaalt u stap 1 tot en met 3 totdat de
Automatisch afstemmen procedure met succes is
voltooid.
Als de procedure Automatisch afstemmen is voltooid, worden de
versterkingswaarden weergegeven. Aan de hand van deze
waarden kunt u de kwaliteit van de procedure Automatisch
afstemmen bepalen.
Versterkingswaarden voor Automatisch afstemmen
Als de procedure voor Automatisch afstemmen is voltooid, kunt
u op de roerbediening de versterkingswaarden bekijken. U kunt
deze getallen noteren en raadplegen als u de procedure voor
automatisch afstemmen later wilt uitvoeren of als u de
versterkingsinstellingen handmatig wilt aanpassen (niet
aanbevolen) (Instellingen stuurautomaatversterking aanpassen,
pagina 4).
Versterking: Stelt in hoe strak de stuurautomaat de
voorliggende koers vasthoudt en hoe snel koerswijzigingen
worden gemaakt.
Tegencorrectie: Stelt in hoe snel de stuurautomaat oversturing
na een koerswijziging corrigeert.
Het noorden instellen
Voer deze procedure uit op open water.
Deze procedure wordt weergegeven als op de stuurautomaat
een optioneel GPS-toestel is aangesloten en dit toestel een
GPS-positie heeft verkregen. Tijdens deze procedure stemt de
stuurautomaat de kompaskoers af op de koers over de grond
(COG) gegevens van het GPS-toestel.
Als u geen GPS-toestel hebt aangesloten, wordt u gevraagd om
de instelling voor de voorliggende koers bij te stellen (De
koersinstelling aanpassen, pagina 3).
1 Vaar met de boot op kruissnelheid in een rechte lijn met de
wind en de stroming mee.
2 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u deze procedure niet uitvoert als onderdeel van de
Sea Trial Wizard, selecteert u op een roerbediening in het
koersscherm Menu > Stel in > Dealerinstelling
stuurautomaat > Kompas instellen > Noord instellen >
Begin.
• Als u deze procedure niet uitvoert als onderdeel van de
Sea Trial Wizard, selecteert u op een kaartplotter
Instellingen > Mijn boot > Configuratie-instel.
stuurautomaat > Kompas instellen > Noord instellen >
Begin.
3 Blijf met de boot op kruissnelheid in een rechte lijn varen, met
de wind en stroming mee, en volg de instructies op het
scherm.
4 Selecteer een optie:
• Als de kalibratie met succes is voltooid, selecteert u OK.
• Als de kalibratie niet met succes is voltooid, herhaalt u
stap 1 t/m 3.
De koersinstelling aanpassen
Deze procedure is alleen beschikbaar als u geen optioneel
GPS-toestel hebt verbonden met de stuurautomaat. Als op de
stuurautomaat een GPS-toestel is aangesloten dat een GPSpositie heeft verkregen, wordt u gevraagd om in plaats daarvan
het noorden in te stellen (Het noorden instellen, pagina 3).
1 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, gaat u verder bij stap 3.
• Als u deze kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de
Sea Trial Wizard, selecteert op een roerbediening in het
koersscherm Menu > Stel in > Dealerinstelling
stuurautomaat > Kompas instellen > Kleine
koersaanpassing.
• Als u deze kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de
Sea Trial Wizard, selecteert u op een kaartplotter
Instellingen > Mijn boot > Configuratie-instel.
stuurautomaat > Kompas instellen > Kleine
koersaanpassing > Begin.
2 Pas de koersinstelling aan tot de juiste koers wordt
weergegeven, zoals aangegeven door een betrouwbare
koersindicator, zoals het scheepskompas of een
handkompas.
3 Selecteer Terug.
De configuratie testen en aanpassen
LET OP
Test de stuurautomaat bij een lage snelheid. Nadat de
stuurautomaat is getest en ingesteld bij een lage snelheid, dient
u de stuurautomaat bij een hogere snelheid te testen om
normale gebruiksomstandigheden te simuleren.
1 Vaar de boot in één richting met de stuurautomaat
ingeschakeld (in Heading Hold).
De boot kan licht schommelen, maar niet bovenmatig.
3
2 Draai de boot in één richting met de stuurautomaat en let op
hoe de boot zich houdt.
De boot moet rustig draaien, niet te snel of te langzaam.
Als u de boot draait met de stuurautomaat, moet de boot op
de gewenste koers komen met minimale overschrijding en
schommelingen van de koers.
3 Selecteer een optie:
• Als de boot te snel of te traag draait, stelt u de
acceleratiebegrenzer van de stuurautomaat bij
(Instellingen voor acceleratiebeperking aanpassen,
pagina 4).
• Als de koers te zeer schommelt of niet wordt gecorrigeerd
als de boot van richting verandert, stelt u de
stuurautomaatversterking nogmaals bij (Instellingen
stuurautomaatversterking aanpassen, pagina 4).
• Als de boot soepel van richting veranderd, de koers niet of
nauwelijks schommelt en na koerswijziging goed wordt
gecorrigeerd, is de configuratie juist ingesteld. Verdere
bijstellingen zijn dan niet nodig.
Instellingen voor acceleratiebeperking aanpassen
1 Schakel op een roerbediening Dealermodus
(Dealerconfiguratie inschakelen op de roerbediening,
pagina 4) in.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu
> Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Stuurautomaat afstemmen > Snelheidsbegrenzer.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuurautom.
afstemmen > Snelh. begrenz..
3 Selecteer een optie:
• Verhoog de waarde als de stuurautomaat te snel draait.
• Verlaag de waarde als de stuurautomaat te langzaam
draait.
Als u de acceleratiebeperking handmatig aanpast, moet u
relatief kleine aanpassingen maken. Test de wijziging voordat
u meer aanpassingen doet.
Test
de configuratie van de stuurautomaat.
4
5 Herhaal de stappen 2 tot en met 4 tot de stuurautomaat naar
behoren functioneert.
Instellingen stuurautomaatversterking aanpassen
De instellingen voor de stuurautomaatversterking worden
ingesteld tijdens de Automatisch afstemmen procedure. Het
wordt afgeraden om deze waarden te wijzigen en u dient de met
de Automatisch afstemmen procedure ingestelde waarden op te
slaan, voordat u wijzigingen aanbrengt.
1 Schakel op een roerbediening Dealermodus
(Dealerconfiguratie inschakelen op de roerbediening,
pagina 4) in.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu
> Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Stuurautomaat afstemmen > Roerversterking.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuurautom.
afstemmen > Roerversterking.
3 Selecteer een optie op basis van het type boot:
• Als u een zeilboot, een motorboot met waterverplaatsende
romp of een motorboot waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Geen hebt, selecteert u Versterking en stelt
u in hoe strak het roer de voorliggende koers vasthoudt en
koerswijzigingen maakt.
Als u deze waarde te hoog instelt, kan de stuurautomaat
overactief reageren door bij de geringste afwijking
4
voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan te
passen. Een overactieve stuurautomaat kan de accu
sneller dan normaal leegtrekken.
• Als u een zeilboot, een motorboot met waterverplaatsende
romp of een motorboot waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Geen hebt, selecteert u Tegencorrectie en
stelt u in hoe nauwkeurig het roer het doorschieten bij het
draaien corrigeert.
Als u deze waarde te laag instelt, kan de stuurautomaat bij
het corrigeren van de oorspronkelijke draai de boot
opnieuw laten doorschieten bij het draaien.
• Als u een motorboot met planerende romp hebt waarvan
de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of
eigen, Tachometer of GPS, selecteert u Lage snelheid
of Hoge snelheid en stelt u in hoe nauwkeurig het roer de
koers vasthoudt en bij een lage of hoge snelheid draait.
Als u deze waarde te hoog instelt, kan de stuurautomaat
overactief reageren door bij de geringste afwijking
voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan te
passen. Een overactieve stuurautomaat kan de accu
sneller dan normaal leegtrekken.
• Als u een motorboot met planerende romp hebt waarvan
de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of
eigen, Tachometer of GPS, selecteert u Tegencorr. lage
snelh. of Tegencorr. hoge snelh. en stelt u in hoe
nauwkeurig het roer het doorschieten bij het draaien
corrigeert.
Als u deze waarde te laag instelt, kan de stuurautomaat bij
het corrigeren van de oorspronkelijke draai de boot
opnieuw laten doorschieten bij het draaien.
4 Test de configuratie van de stuurautomaat en herhaal de
stappen 2 en 3 totdat de stuurautomaat naar wens werkt.
Geavanceerde configuratie-instellingen
U kunt het kompas kalibreren, de procedure voor automatisch
afstemmen uitvoeren en de stuurautomaat instellen op het
noorden zonder de wizards te moeten starten. U kunt elke
instelling ook handmatig definiëren om kleine aanpassingen aan
te brengen zonder het volledige configuratie- of kalibratieproces
te moeten doorlopen.
Dealerconfiguratie inschakelen op de roerbediening
Onder normale omstandigheden zijn er geen geavanceerde
configuratieopties beschikbaar op de bediening. Als u de
geavanceerde configuratie-instellingen van de stuurautomaat
wilt gebruiken, moet u de Dealermodus inschakelen.
Op een kaartplotter is het niet nodig om de Dealermodus in te
schakelen, als u de configuratie-opties wilt gebruiken.
1 Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu >
Stel in > Systeem > Systeeminformatie.
2 Houd de middelste knop gedurende 5 seconden ingedrukt.
Dealermodus wordt geactiveerd.
Selecteer
Terug > Terug.
3
De procedure is voltooid als de optie Dealerinstelling
stuurautomaat beschikbaar is in het Setup-scherm.
De geautomatiseerde configuratieprocessen
handmatig uitvoeren
1 Schakel op een roerbediening Dealermodus
(Dealerconfiguratie inschakelen op de roerbediening,
pagina 4) in.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu
> Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuurautom.
afstemmen.
3 Selecteer een automatisch proces:
• Selecteer Kompas instellen > Kompaskalibr. (Het
kompas kalibreren, pagina 2) om de
kompaskalibratieprocedures te starten.
• Selecteer Stuurautom. afstemmen > Automatisch
afstemmen (De procedure Automatisch afstemmen
uitvoeren, pagina 3) om de procedures voor automatische
afstemming van de stuurautomaat te starten.
• Selecteer Kompas instellen > Noord instellen (Het
noorden instellen, pagina 3) om de procedures voor het
instellen van het noorden te starten.
4 Volg de instructies op het scherm.
Individuele configuratie-instellingen handmatig
definiëren
Wanneer u bepaalde configuratie-instellingen maakt, is het
soms nodig andere instellingen te wijzigen. Lees het gedeelte
met gedetailleerde informatie over configuratie-instellingen,
voordat u instellingen wijzigtGedetailleerde configuratieinstellingen, pagina 5.
1 Schakel op een roerbediening Dealermodus
(Dealerconfiguratie inschakelen op de roerbediening,
pagina 4) in.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu
> Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat.
Selecteer
een instellingscategorie.
3
4 Selecteer een instelling die u wilt wijzigen.
Een beschrijving van alle instellingen vindt u in deze
handleiding (Gedetailleerde configuratie-instellingen,
pagina 5).
5 Wijzig de waarde van de instelling.
Meerdere bronnen met sensorinformatie
Er staan mogelijk meerdere bronnen met sensorinformatie ter
beschikking van de stuurautomaat. In dat geval kunt u de
gegevensbron van uw voorkeur selecteren.
Aangezien de GPS-snelheid van een externe antenne
bijvoorbeeld betrouwbaarder en nauwkeuriger is dan die van
een geïntegreerde GPS-ontvanger in een kaartplotter, is het
beter de externe GPS-antenne te selecteren als de gewenste
bron van GPS-gegevens. En aangezien het lastig kan zijn de
ideale montageplek te vinden voor de CCU van de
stuurautomaat, kunt u desgewenst een extern NMEA 2000
GPS-kompas of andere koerssensor selecteren als de gewenste
bron voor koersinformatie.
OPMERKING: Selectie van de koerssensor is beschikbaar na
de 2018 software-update.
De gewenste bron voor sensorinformatie selecteren
1 Selecteer een optie:
• Selecteer op een roerbediening in het koersscherm Menu
> Stel in > Voorkeursbronnen.
• Selecteer Instellingen > Communicatie >
Voorkeursbronnen op een kaartplotter.
OPMERKING: Sommige items in het menu
Voorkeursbronnen zijn alleen beschikbaar als het systeem
beschikt over meerdere sensors die dezelfde gegevens
leveren.
2 Selecteer een gegevenscategorie.
3 Selecteer een bron.
Gedetailleerde configuratie-instellingen
Hoewel de configuratie meestal met een wizard wordt
uitgevoerd, kunt u elke instelling handmatig wijzigen om de
stuurautomaat af te stellen.
OPMERKING: Afhankelijk van de configuratie van de
stuurautomaat, zijn bepaalde instellingen niet beschikbaar.
OPMERKING: Elke keer dat u op een motorboot de instelling
Bron snelheid wijzigt, moet u, indien van toepassing, de
instellingen voor Lage RPM-limiet, Hoge RPM-limiet, PlaneerRPM, Planeersnelh. of Max. snelh. controleren en moet u de
procedure voor automatische afstemming opnieuw uitvoeren
(De procedure Automatisch afstemmen uitvoeren, pagina 3).
Instellingen voor het afstemmen van de
stuurautomaat
Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Stuurautomaat
afstemmen.
Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuurautom.
afstemmen.
Snelheidsbegrenzer: Hiermee beperkt u de snelheid waarmee
de stuurautomaat koerswijzigingen maakt. U kunt het
percentage verhogen als u de snelheid voor het maken van
koerswijzigingen wilt beperken, of u kunt het percentage
verlagen, als u een hogere snelheid voor het maken van
koerswijzigingen wilt toestaan.
De bron van de snelheid instellen
Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Bron snelheid instellen.
Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Bron snelheid
instellen.
Bron snelheid: Hiermee kunt u de gewenste bron selecteren.
Controleer tachometer: Hiermee kunt u de RPM-waarden op
de roerbediening of kaartplotter vergelijken met die van de
tachometers op het dashboard van uw boot.
Planeer-RPM: Hiermee past u de RPM-waarden op de
roerbediening of kaartplotter aan als uw boot overgaat van
verplaatsing naar planeersnelheid. Als de waarde niet
overeenkomt met de waarde op de roerbediening of
kaartplotter, kunt u deze waarde aanpassen.
Lage RPM-limiet: Hiermee past u het laagste RPM-punt van uw
boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op
de roerbediening of kaartplotter, kunt u deze waarde
aanpassen.
Hoge RPM-limiet: Hiermee past u het hoogste RPM-punt van
uw boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde
op de roerbediening of kaartplotter, kunt u deze waarde
aanpassen.
Planeersnelh.: Hiermee past u de planeersnelheid van uw boot
aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op de
roerbediening of kaartplotter, kunt u deze waarde aanpassen.
Max. snelh.: Hiermee past u de maximumsnelheid van uw boot
aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op de
roerbediening of kaartplotter, kunt u deze waarde aanpassen.
Instellingen voor de roerversterking
OPMERKING: Als u deze waarde te hoog of te laag instelt, kan
de stuurautomaat overactief reageren door bij de geringste
afwijking voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan
te passen. Een overactieve stuurautomaat zorgt voor snelle
slijtage van de pomp en trekt ook de accu sneller leeg dan
normaal.
Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Roerversterking.
5
Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Roerversterking.
OPMERKING: Deze instellingen gelden uitsluitend voor
motorboten met waterverplaatsende romp en motorboten
waarvan de snelheidsbron is ingesteld op Geen.
Versterking: Hiermee stelt u in hoe strak het roer de
voorliggende koers vasthoudt en koerswijzigingen maakt.
Tegencorrectie: Hiermee stelt u in hoe strak het roer een
overschrijding van de koerswijziging corrigeert. Als u een te
hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat een
koerswijziging overschrijden bij een poging de
oorspronkelijke koerswijziging te corrigeren.
OPMERKING: Deze instellingen gelden uitsluitend voor
motorboten met planerende romp waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of eigen, Tachometer of GPS.
Lage snelheid: Hiermee kunt u de roerversterking bij lage
snelheden instellen. Deze instelling is van toepassing als het
vaartuig onder de planeersnelheid vaart.
Tegencorr. lage snelh.: Hiermee kunt u de tegencorrectie voor
de roerversterking bij lage snelheden instellen. Deze
instelling is van toepassing als het vaartuig onder de
planeersnelheid vaart.
Hoge snelheid: Met deze instelling kunt u de roerversterking bij
hoge snelheden instellen. Deze instelling is van toepassing
als het vaartuig boven de planeersnelheid vaart.
Tegencorr. hoge snelh.: Met deze instelling kunt u de
tegencorrectie voor de roerversterking bij hoge snelheden
instellen. Deze instelling is van toepassing als het vaartuig
boven de planeersnelheid vaart.
De besturing instellen
Selecteer op een roerbediening Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Stuursysteem instellen.
Selecteer op een kaartplotterInstellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuursysteem
instellen.
Control. stuurrichting of Stuurrichting: Stelt de richting in
waarin het roer moet bewegen om het vaartuig naar
bakboord en naar stuurboord te draaien. U kunt de
stuurrichting vervolgens testen en omdraaien.
Verhoogt of verlaagt de controle over de besturing. Hoe
hoger u de waarde voor verbindingscompensatie instelt, hoe
meer de stuurautomaat compenseert voor losse besturing.
Omw. max roeruitslag of Lock to Lock: Stelt het aantal
omwentelingen in dat nodig is om het stuurwiel van de ene
naar de andere kant te bewegen.
Roerverplaatsing of Roerverplaats.: Stelt de
roerverplaatsingswaarde in voor de hydraulische
stuurinrichting. Deze waarde wordt doorgaans vermeld op de
roerbediening, vlak bij de hydraulische connectors.
Instellingen voor de roersensor
OPMERKING: Instellingen voor de roersensor zijn alleen van
toepassing als er een roersensor op de stuurautomaat is
aangesloten.
Selecteer een optie om de instellingen voor de roersensor te
openen:
• Selecteer in het koersscherm van een roerbediening Menu >
Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat > Stuursysteem
instellen > Roersensor instellen.
• Selecteer op een kaartplotter Instellingen > Mijn boot >
Configuratie-instel. stuurautomaat > Stuursysteem
instellen > Roersensor instellen.
Kalibreer roersensor of Kalibreer roer: Hiermee start u een
procedure waarmee de maximale bewegingsuitslag van het
roer wordt bepaald en de roerpositiesensor wordt
gekalibreerd. Als tijdens kalibratie een fout ontstaat, heeft de
roerpositiesensor waarschijnlijk de maximumwaarde bereikt.
De sensor is mogelijk niet goed geïnstalleerd. Als het
probleem zich blijft voordoen, kunt u deze fout overslaan
door het roer naar de uiterste positie te bewegen waar geen
fout wordt gemeld.
Kalibreer midden roer of Kalibr. midden: Hiermee start u een
procedure waarmee de middenpositie van het roer wordt
bepaald. Gebruik deze kalibratie als de roerpositieaanduiding
op het scherm niet overeenkomt met de echte middenpositie
op uw boot.
Max. hoek bakboord: Hiermee stelt u de maximale hoek in die
door het roer naar bakboord wordt gemaakt.
Max. hoek stuurboord of Max. hoek stu: Hiermee stelt u de
maximale hoek in die door het roer naar stuurboord wordt
gemaakt.
© 2017 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Garmin en het Garmin logo zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar
dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen.
Reactor™ en Shadow Drive™ zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar
dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de
uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
NMEA , NMEA 2000 en het NMEA 2000 logo zijn handelsmerken van de National
Maritime Electronics Association.
®
®
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising