Garmin | VHF 110/110i Marine Radio | User manual | Garmin VHF 110/110i Marine Radio Gebruikershandleiding

Garmin VHF 110/110i Marine Radio Gebruikershandleiding
VHF 11X/21X SERIE GEBRUIKERSHANDLEIDING
110, 110i, 115, 115i, 210, 210i, 210 AIS, 210i AIS, 215, 215i,
215 AIS, 215i AIS
© 2018 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van Garmin. Garmin
behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of
organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin en het Garmin logo zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. GHS™ is een handelsmerk van Garmin
Ltd. of haar respectievelijke dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
NMEA en NMEA 2000 zijn geregistreerde handelsmerken van de National Marine Electronics Association. NOAA is een geregistreerd servicemerk van de National Oceanic and Atmospheric
Administration. BoatU.S. is een geregistreerd handelsmerk van de Boat Owners Association of the United States. Sea Tow is een geregistreerd handelsmerk van Sea Tow Services
International, Inc. United States Power Squadrons is een geregistreerd handelsmerk van United States Power Squadrons. Overige handelsmerken en merknamen zijn het eigendom van hun
respectieve eigenaars.
®
®
®
®
®
®
Inhoudsopgave
Inleiding........................................................................... 1
Overzicht marifoon ...................................................................... 1
Overzicht handset ....................................................................... 1
Startscherm ................................................................................ 1
Systeemstatuspictogrammen ................................................. 1
Basisbediening ............................................................... 2
Het toestel inschakelen en uitschakelen .................................... 2
Het volume van de marifoon aanpassen .................................... 2
Het squelch-niveau aanpassen .................................................. 2
Een frequentieband selecteren ................................................... 2
Een kanaal selecteren ................................................................ 2
Uitzenden met de marifoon ......................................................... 2
De instelling Laag uitzendvermogen omzeilen ........................... 2
Kanalen scannen en opslaan ..................................................... 2
Alle kanalen scannen ............................................................. 2
Een kanaal opslaan ............................................................... 2
Een opgeslagen kanaal verwijderen ...................................... 2
Opgeslagen kanalen scannen ............................................... 3
Meerdere kanalen bewaken .................................................. 3
Een ander tweede-prioriteitskanaal selecteren .......................... 3
Overschakelen naar prioriteitskanalen ....................................... 3
Ontvangstgevoeligheid instellen ................................................. 3
Schakelen tussen de uitzendmodi 1 W en 25 W ........................ 3
De megafoon gebruiken ............................................................. 4
Misthoorn .................................................................................... 4
De misthoorn automatisch laten afgaan ................................ 4
De misthoorn handmatig laten afgaan ................................... 4
De geluidsfrequentie van de misthoorn afstellen ................... 4
Tekst invoeren ............................................................................ 4
NOAA®-weeruitzendingen en -waarschuwingen........ 4
Afstemmen op weerkanalen ....................................................... 4
Weerwaarschuwingen in- en uitschakelen ................................. 4
Digital Selective Calling (DSC)...................................... 5
Digital Selective Calling (DSC) ................................................... 5
Uw MMSI-nummer invoeren ....................................................... 5
Uw MMSI-nummer weergeven ................................................... 5
Noodoproepen ............................................................................ 5
Een algemene noodoproep verzenden .................................. 5
Een specifieke noodoproep verzenden ................................. 5
Wachten op een bevestiging voor een noodoproep en deze
bevestiging ontvangen ........................................................... 6
Automatische heruitzending van noodoproepen
beëindigen ............................................................................. 6
Een DSC-noodoproep intrekken ............................................ 6
Gesprekken plaatsen .................................................................. 6
Individuele oproepen plaatsen ............................................... 6
Groepsoproepen plaatsen ..................................................... 6
Kanalen voor persoonlijke oproepen of groepsoproepen ...... 6
Oproepen aan alle schepen plaatsen .................................... 6
De positie van een vaartuig opvragen ................................... 7
Oproepen ontvangen .................................................................. 7
Noodoproepen en doorgegeven noodoproepen
ontvangen .............................................................................. 7
Spoed- en veiligheidsoproepen aan alle schepen
ontvangen .............................................................................. 7
Persoonlijke standaardoproepen ontvangen ......................... 7
Positieaanvragen ontvangen ................................................. 7
Positieoproepen ontvangen ................................................... 7
Groepsoproepen ontvangen .................................................. 7
Positie bijhouden ........................................................................ 8
Vaartuigen selecteren en positie bijhouden activeren ........... 8
Schepen op de lijst voor positie bijhouden weergeven en
deactiveren ............................................................................ 8
Inhoudsopgave
Een vaartuig verwijderen uit de lijst met bijgehouden
posities ................................................................................... 8
Oproeplog ................................................................................... 8
De oproepen in het oproeplog weergeven ............................. 8
Een oproep plaatsen vanuit een oproeplog ........................... 8
Een schip of station vanuit het oproeplog opslaan in de
schepenlijst ............................................................................ 8
Een item uit het oproeplog verwijderen ................................. 8
Schepenlijst ................................................................................ 8
Vaartuigen en stations bekijken die zijn opgeslagen in de
schepenlijst ............................................................................ 9
Een item toevoegen aan de schepenlijst ............................... 9
Een item in de schepenlijst bewerken ................................... 9
Een item uit de schepenlijst verwijderen ................................ 9
Een groep toevoegen ............................................................ 9
Een groep bewerken .............................................................. 9
Een groep verwijderen ........................................................... 9
DSC-instellingen ......................................................................... 9
Handmatig ingevoerde positie-informatie .............................. 9
Automatisch overschakelen naar kanaal 16 .......................... 9
Automatische antwoorden verzenden ................................... 9
Automatic Transmitter Identification System.............. 9
Uw ATIS-identificatienummer invoeren .................................... 10
ATIS in- en uitschakelen ........................................................... 10
Uw ATIS-identificatienummer weergeven ................................. 10
Automatic Identification System................................. 10
AIS in- en uitschakelen ............................................................. 10
NMEA 0183 en NMEA 2000® ....................................... 10
Extra functionaliteit met andere Garmin toestellen ................... 10
Communiceren via NMEA 0183 of NMEA 2000 ....................... 10
DSC NMEA uitzendingen configureren .................................... 10
Systeeminstellingen..................................................... 11
Instellingen voor getallen .......................................................... 11
Eenheden instellen ................................................................... 11
Tijdsverschil configureren .................................................... 11
Een frequentieband selecteren ................................................. 11
Een kanaalnaam wijzigen ......................................................... 11
De fabrieksinstellingen herstellen ............................................. 11
Appendix....................................................................... 11
Waarschuwingen en berichten ................................................. 11
Kanalenlijst ............................................................................... 12
Specificaties .............................................................................. 12
NMEA ....................................................................................... 12
NMEA 0183 informatie ......................................................... 12
NMEA 2000 PGN informatie ................................................ 12
De behuizing schoonmaken ..................................................... 12
Index.............................................................................. 13
i
Inleiding
Overzicht handset
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Overzicht marifoon
PTT
Houd deze knop ingedrukt om te zenden.
of
Selecteer deze optie om het kanaal op de
marifoon te wijzigen.
VHF 110/115
Noord-Amerika: 16/9 Selecteer een optie om te schakelen tussen
Internationaal: 16+ voorkeuzezenders.
Startscherm
VHF 210/215
Onderdeel Knop
Beschrijving
DISTRESS
Til de klep op en druk op de knop om een
DSC-noodoproep te verzenden met een
geprogrammeerd MMSI-nummer (Uw
MMSI-nummer invoeren, pagina 5).
VOL/SQ
Druk op de knop om te schakelen tussen
volume en squelch.
Draai de knop om het volume- of squelchniveau af te stellen.
Radio-systeemstatus, instellingen en waarschuwingen.
Selecteer de knop die hoort bij het item op
het scherm om dat item te selecteren.
*Breedtegraad
SELECT
Draai de knop in het startscherm om een
ander kanaal te selecteren.
Druk op het startscherm op de draaiknop
om weerkanalen in of uit te schakelen
(NOAA -weeruitzendingen en -waarschuwingen, pagina 4).
Draai de knop om een item in een lijst te
markeren.
Druk op de knop om een item te selecteren.
Internationale, Canadese of Amerikaanse frequentieband
*Lengtegraad
*Tijd
**Snelheid over de grond (SOG) of koers over de grond (COG)
®
PWR
NoordAmerika: 16/9
Internationaal: 16+
Houd deze knop ingedrukt om de marifoon
in of uit te schakelen.
Druk op de knop om te schakelen tussen
voorkeuzezenders.
DSC
Selecteer deze knop om een menu met
DSC-opties weer te geven.
HI/LO
Selecteer deze knop om de zendmodus en
ontvangstgevoeligheid te wijzigen.
CLEAR
Selecteer deze knop om terug te keren
naar de vorige menuoptie.
Selecteer deze knop om een inkomende
DSC-oproep te annuleren of te dempen.
MENU
Selecteer deze knop in het startscherm om
configuratieopties weer te geven.
Selecteer deze knop in een menu om terug
te keren naar het startscherm.
Afhankelijk van uw huidige activiteit veranderen de functies van de
schermknoppen
Werkkanaal
*De breedtegraad, lengtegraad en tijd verschijnen wanneer de
marifoon een GPS-signaal heeft ontvangen. U kunt gegevens
handmatig invoeren wanneer de marifoon geen GPS-signaal
heeft.
** De SOG en COG verschijnen wanneer de marifoon een GPSsignaal heeft, en de optie is ingeschakeld in het menu
(Instellingen voor getallen, pagina 11).
Systeemstatuspictogrammen
Pictogram Status
Een inkomend signaal ontvangen
Uitzenden
Uitzenden op 25 W
Uitzenden op 1 W
Opgeslagen kanaal
Modus voor lokale ontvangst, vaak gebruikt in gebieden
met interferentie op de marifoonfrequentie (zoals havens)
ATIS ingeschakeld
Inleiding
1
Pictogram Status
Positietracering ingeschakeld
Automatische kanaalwisseling uitgeschakeld
Inkomende of gemiste DSC-oproep
Weeralarmen ingeschakeld
GPS-signaal gevonden
Basisbediening
Het toestel inschakelen en uitschakelen
Houd de knop PWR ingedrukt.
TIP: U kunt instellen dat het toestel automatisch wordt
ingeschakeld (Systeeminstellingen, pagina 11).
Het volume van de marifoon aanpassen
1 Stel het squelch-niveau in op MIN voordat u het volume van
de marifoon aanpast (optioneel).
2 Draai de knop VOL/SQ om het volume van de marifoon te
verhogen of te verlagen.
Het squelch-niveau aanpassen
U kunt het gevoeligheidsniveau van de squelch aanpassen om
achtergrondgeluiden uit te filteren. Als u het squelch-niveau
verhoogt, hoort u tijdens ontvangst minder achtergrondruis.
1 Druk op de knop VOL/SQ.
SQUELCH wordt op het scherm weergegeven.
2 Draai de knop VOL/SQ linksom tot u geluid hoort.
3 Draai de knop VOL/SQ rechtsom tot u geen achtergrondruis
meer hoort.
Een frequentieband selecteren
U kunt schakelen tussen de Amerikaanse, internationale en
Canadese frequentiebanden (Kanalenlijst, pagina 12).
OPMERKING: Niet alle frequentiebanden zijn beschikbaar op
alle modellen.
1 Selecteer MENU > KANAAL > FREQUENTIEBAND.
2 Selecteer een frequentieband.
Een kanaal selecteren
U kunt een internationaal, Canadees of Amerikaans kanaal
selecteren (Een frequentieband selecteren, pagina 2).
Selecteer een optie:
• Als u op het toestel een kanaal wilt selecteren, draait u de
knop SELECT.
• Als u op de handset een kanaal wilt selecteren, selecteert
u of .
Uitzenden met de marifoon
1 Selecteer een geschikt kanaal.
2 Controleer of het kanaal vrij is.
OPMERKING: U mag volgens de regels van de Federal
Communications Commission (FCC) en internationale
richtlijnen de communicatie van andere personen niet
hinderen.
3 Selecteer PTT op de handset.
Bovenaan het scherm wordt weergegeven.
4 Spreek in de handset.
OPMERKING: U kunt maximaal vijf minuten uitzenden. Na
vijf minuten uitzenden wordt PTT uitgeschakeld tot u PTT
loslaat.
5 Laat PTT los.
2
De instelling Laag uitzendvermogen
omzeilen
In de Amerikaanse en Canadese frequentiebanden is vereist dat
uitzendkanalen standaard laag vermogen (1 W) hebben, omdat
ze bedoeld zijn voor intership (brug-naar-brug) communicatie
(Schakelen tussen de uitzendmodi 1 W en 25 W, pagina 3).
Als andere marifoons deze kanalen niet kunnen ontvangen
vanwege de instelling op laag vermogen, kunt u de
standaardbeperking tijdelijk uitschakelen tijdens de uitzending.
OPMERKING: In de Internationale kanaalband staat de zender
niet toe dat het vermogen van uitzendingen op deze kanalen
wordt gewijzigd naar hoog (25 W).
1 Selecteer PTT in een Amerikaans of Canadees kanaal dat
standaard is ingesteld op laag vermogen, zoals 13,17 of 77.
2 Selecteer tijdens uitzending 25W.
Kanalen scannen en opslaan
Alle kanalen scannen
Als u kanalen scant, zoekt de marifoon naar kanalen die
uitzenden. Als er op een kanaal wordt uitgezonden, stopt de
marifoon bij dat kanaal tot de uitzending wordt beëindigd. Na
vier seconden inactiviteit op een kanaal hervat de marifoon het
scannen.
OPMERKING: Als u ATIS (Automatic Transmitter Identification
System, pagina 9) inschakelt, zal de radio geen kanalen
scannen of opslaan.
1 Selecteer SCAN > ALLE.
2 Selecteer een optie:
• Als u het huidige actieve kanaal wilt uitsluiten van
volgende scans en het scannen wilt hervatten, selecteert
u SLA OVER.
• Als u elke keer dat een kanaal wordt gescand ook kanaal
16 wilt scannen, selecteert u +CH16.
De radio scant dan bijvoorbeeld kanaal 21, kanaal 16,
kanaal 22, kanaal 16, enzovoort.
Op het scherm van het toestel wordt +CH16
weergegeven .
• Als u kanaal 16 wilt scannen in de gebruikelijke volgorde,
selecteert u -CH16.
De radio scant dan bijvoorbeeld kanaal 14, kanaal 15,
kanaal 16, kanaal 17, enzovoort.
• Selecteer AFSLUITEN als u het scannen wilt beëindigen.
De radio stopt met scannen en stemt af op het laatst
gebruikte, actieve kanaal.
Een kanaal opslaan
U kunt elk kanaal opslaan, behalve de weerkanalen (WXkanalen). Er is geen limiet aan het aantal kanalen dat u kunt
opslaan.
1 Selecteer SCAN.
2 Draai de knop SELECT tot u een kanaal vindt dat u wilt
opslaan.
3 Selecteer SLA KN OP.
Boven een opgeslagen kanaal wordt
weergegeven.
Een opgeslagen kanaal verwijderen
1 Selecteer SCAN.
2 Draai de knop SELECT tot u een opgeslagen kanaal hebt
gevonden.
OPMERKING: Boven een opgeslagen kanaal wordt
weergegeven.
3 Selecteer SLA KN OP.
Basisbediening
Opgeslagen kanalen scannen
U kunt alleen de kanalen scannen die u hebt opgeslagen. Als er
op een opgeslagen kanaal wordt uitgezonden, stopt de marifoon
bij dat kanaal tot de uitzending wordt beëindigd. Na vier
seconden inactiviteit op een kanaal hervat de marifoon het
scannen.
OPMERKING: Als u ATIS (Automatic Transmitter Identification
System, pagina 9) inschakelt, zal de radio geen kanalen
scannen of opslaan.
1 Selecteer SCAN > OPGESLAGEN.
2 Selecteer een optie:
• Als u het huidige actieve kanaal wilt uitsluiten van
volgende scans en het scannen wilt hervatten, selecteert
u SLA OVER.
• Als u elke keer dat een opgeslagen kanaal wordt gescand
ook kanaal 16 wilt scannen, selecteert u +CH16.
De marifoon scant dan bijvoorbeeld opgeslagen kanaal
21, kanaal 16, opgeslagen kanaal 25, kanaal 16,
enzovoort.
Op het scherm van het toestel wordt +CH16
weergegeven .
• Selecteer -CH16 als u het scannen van kanaal 16 wilt
stoppen.
De marifoon scant dan bijvoorbeeld opgeslagen kanaal
21, opgeslagen kanaal 25, enzovoort.
• Selecteer AFSLUITEN als u het scannen wilt beëindigen.
De marifoon stopt met scannen en stemt af op het laatst
gebruikte, actieve kanaal.
Meerdere kanalen bewaken
Voordat u meerdere kanalen kunt bewaken, moet u ATIS
(Automatic Transmitter Identification System, pagina 9)
uitschakelen.
U kunt prioriteitskanalen en het momenteel geselecteerde
kanaal bewaken op uitzendactiviteit. Kanaal 16 is het eersteprioriteitskanaal op de marifoon. Kanaal 9 is het standaard
tweede-prioriteitskanaal. U kunt een ander kanaal
programmeren als uw tweede-prioriteitskanaal (Een ander
tweede-prioriteitskanaal selecteren, pagina 3).
Selecteer WATCH.
Twee kanalen bewaken
U kunt tegelijk uw huidige kanaal en kanaal 16 bewaken.
Selecteer WATCH > DUBBEL.
DUAL WATCH. De kanalen die u bewaakt, worden nu op het
scherm weergegeven. Bijvoorbeeld, DUAL WATCH KANAAL
en 16 + 9.
Drie kanalen bewaken
U kunt tegelijk het huidige kanaal, kanaal 16 en uw tweedeprioriteitskanaal bewaken.
Selecteer WATCH > TRI.
TRI WATCH, het huidige kanaal, kanaal 16 en uw tweedeprioriteitskanaal worden op het scherm weergegeven.
Bijvoorbeeld, TRI WATCH KANAAL en 75 + 16 + 9.
Een ander tweede-prioriteitskanaal
selecteren
U kunt een ander kanaal dan kanaal 9 selecteren als uw
tweede-prioriteitskanaal.
1 Selecteer MENU > KANAAL > 2E PRIORITEIT.
2 Selecteer een optie:
• Draai op de marifoon de knop SELECT op het
voorkeurskanaal.
Basisbediening
• Selecteer of
te zoeken.
3 Selecteer OK.
op de handset om het voorkeurskanaal
Overschakelen naar prioriteitskanalen
U kunt snel schakelen tussen uw huidige actieve kanaal en een
prioriteitskanaal. Als u overschakelt naar een prioriteitskanaal,
wordt het zendvermogen automatisch ingesteld op hoog (25 W)
en als u weer terugschakelt naar uw huidige kanaal, wordt de
zendvermogeninstelling hersteld.
Op Noord-Amerikaanse modellen kunt u snel schakelen tussen
kanaal 16, uw tweede-prioriteitskanaal en uw oorspronkelijke
kanaal met de knop 16/9.
Op internationale modellen kunt u snel schakelen tussen kanaal
16 en uw oorspronkelijke kanaal met de knop 16+.
1 Als u van het huidige kanaal wilt overschakelen naar kanaal
16, selecteert u 16/9 of 16+.
Het zendvermogen wordt automatisch ingesteld op hoog
(25 W). U kunt HI/LO > 1W selecteren om het zendvermogen
op laag (1 W) in te stellen.
2 Selecteer op Noord-Amerikaanse modellen 16/9 om over te
schakelen naar uw tweede-prioriteitskanaal.
3 Selecteer 16/9 of 16+ om terug te keren naar uw vorige
kanaal en uw vorige zendvermogeninstelling.
Ontvangstgevoeligheid instellen
U kunt de ontvangstgevoeligheid van de marifoon regelen. Als u
last hebt van ruis in gebieden met veel verkeer of in gebieden
waar sprake is van elektromagnetische interferentie,
bijvoorbeeld in de buurt van zendmasten voor mobiele telefonie,
kunt u de ontvangstgevoeligheid instellen op LOC om de
gevoeligheid van de ontvanger te verlagen. In afgelegen
gebieden en op open water kunt u de ontvangstgevoeligheid
instellen op DIST om het bereik van de ontvanger te
maximaliseren.
1 Selecteer HI/LO.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer LOC om de lokale ontvangstgevoeligheid in te
schakelen.
• Selecteer DIST om de ontvangstgevoeligheid over lange
afstanden in te schakelen.
Schakelen tussen de uitzendmodi 1 W en 25
W
U kunt het uitzendvermogen van de marifoon instellen. Laag
(1 W) wordt gebruikt voor lokale uitzendingen en hoog (25 W)
voor uitzendingen over lange afstanden en nooduitzendingen.
Als twee signalen op dezelfde frequentie worden uitgezonden,
ontvangt een VHF-marifoon alleen het krachtigste signaal. Voor
niet-noodoproepen moet u de laagste zendvermogeninstelling
gebruiken waarop u kunt communiceren. Op die manier verlaagt
u de kans dat u met uw uitzendingen de uitzendingen van
anderen verstoort.
Uitzendingen via de Amerikaanse kanaalband op kanaal 13, 17,
67 en 77 moeten standaard bij laag vermogen (1 W)
plaatsvinden.
Uitzendingen via de Canadese kanaalband op kanaal 13, 15,
17, 20, 1066, 67, 75, 76 en 77 moeten standaard bij laag
vermogen (1 W) plaatsvinden.
Uitzendingen via de Internationale kanaalband op kanaal 15, 17,
75 en 76 moeten standaard bij laag vermogen (1 W)
plaatsvinden.
OPMERKING: In de Amerikaanse en Canadese kanaalbanden
kunt u de vermogensinstelling voor deze kanalen tijdelijk
uitschakelen tijdens de transmissie (De instelling Laag
3
uitzendvermogen omzeilen, pagina 2) In de Internationale
kanaalband staat de zender niet toe dat uitzendingen op deze
kanalen worden gewijzigd (25 W).
1 Selecteer HI/LO.
2 Selecteer 1W of 25W.
3 Selecteer OK.
Geluiden worden via de hoorn ontvangen en zijn via de
marifoonluidspreker te beluisteren.
2 Houd PTT ingedrukt.
OPMERKING: De hoorn stopt met signalen uitzenden als u
PTT loslaat.
3 Draai de knop SELECT om het volume van de hoorn in te
stellen (optioneel).
De megafoon gebruiken
De geluidsfrequentie van de misthoorn afstellen
Voordat u de megafoonfunctie kunt gebruiken, moet u een
megafoonhoorn installeren op het dek of de toren van de boot
(optioneel). Zie voor meer informatie de installatie-instructies.
Met de scheepsmegafoon kunt u aan boord of naar de kust
mededelingen omroepen. De megafoon biedt ook de
mogelijkheid van tweewegscommunicatie tussen verbonden
marifoons. U kunt communiceren met het schip via de marifoon
of handset en met de megafoon opgevangen geluiden
beluisteren via de luidspreker van de marifoon. Op vaartuigen
met gesloten cabines kunt u via de megafoon de geluiden aan
dek horen.
OPMERKING: De megafoonfunctie is niet beschikbaar op alle
VHF-marifoonmodellen.
OPMERKING: Als de marifoon in de megafoonmodus staat,
ontvangt deze geen uitzendingen via uw huidige actieve kanaal.
1 Selecteer PA > MEGAFOON.
Geluiden die via de megafoon worden ontvangen, zijn te
horen via de marifoonluidspreker.
2 Houd PTT ingedrukt.
3 Selecteer een optie:
• Spreek in de handset, als u een mededeling wilt
omroepen.
• Als u het volume van de megafoonzender wilt afstellen,
draait u aan de knop SELECT op de marifoon of
selecteert u of op de handset.
4 Laat PTT los als u het zenden wilt stoppen en uitzendingen
van andere verbonden marifoons op het schip wilt
beluisteren.
Misthoorn
U kunt de geluidsfrequentie van de misthoorn verhogen of
verlagen. De hoogte van de toon stijgt bij een verhoging van de
frequentie en daalt bij een verlaging van de frequentie. De
minimale instelling is 200 Hz en de maximale instelling is 850
Hz. De standaardinstelling is 350 Hz. Er zijn regels voor de
juiste frequentie van misthoorns. Deze is afhankelijk van de
grootte van uw vaartuig.
1 Selecteer MENU > SYSTEEM > MISTFREQUENTIE.
2 Draai de knop SELECT om de frequentie af te stellen in
stappen van 50 Hz.
3 Selecteer ACCEPTEER.
Tekst invoeren
Mogelijk moet u een naam, een nummer of een andere tekst
invoeren in de marifoon.
1 Draai in een nummer- of tekstveld de knop SELECT om het
nummer, de letter of het teken te wijzigen.
2 Druk op de knop SELECT om het nummer, de letter of het
teken te accepteren en naar de volgende positie in de reeks
te gaan.
3 Herhaal deze procedure voor elk nummer, elke letter of elk
teken.
OPMERKING: U kunt
selecteren om terug te keren naar
het vorige invoerveld in de reeks.
4 Selecteer ACCEPTEER.
NOAA -weeruitzendingen en waarschuwingen
®
OPMERKING: De misthoornfunctie is niet beschikbaar op alle
VHF-marifoonmodellen.
Voordat u de misthoorn kunt gebruiken, moet u een
megafoonhoorn (optioneel) installeren op het dek of de toren
van uw boot. Zie voor meer informatie de installatie-instructies.
De misthoorn is onderdeel van het PA-systeem (Public Address)
van de marifoon. U kunt de misthoorn laten klinken via een
megafoonhoorn of een externe luidspreker. De marifoon kan de
misthoorn automatisch laten afgaan met standaardpatronen. U
kunt de misthoorn ook handmatig bedienen. Als u de misthoorn
handmatig bedient, kunt u geluiden die de misthoorn heeft
opgevangen beluisteren via de luidspreker van de marifoon.
OPMERKING: Deze functie is niet op alle marifoonmodellen
beschikbaar.
NOAA-weeruitzendingen via de weerkanalen (WX) zijn alleen
beschikbaar in de VS en bepaalde delen van Canada.
Compatibele marifoonmodellen zijn geprogrammeerd met 10
WX-kanalen om weeruitzendingen van de National Oceanic and
Atmospheric Organization (NOAA) in de gaten te houden. WXkanalen zijn alleen te beluisteren, zenden continu uit en worden
regelmatig bijgewerkt. NOAA-weersinformatie is regionaal en
relevant voor uw ontvangstgebied.
De misthoorn automatisch laten afgaan
1 Selecteer PA > MIST > AUTO.
2 Selecteer een type misthoorn.
1 Druk in het startscherm op de knop SELECT.
De marifoon schakelt tussen het uitzenden van
geluidssignalen in een vast patroon en het ontvangen van
signalen van andere marifoons.
3 Draai de knop SELECT om het volume van de hoorn in te
stellen (optioneel).
De misthoorn handmatig laten afgaan
OPMERKING: Als u de hoorn handmatig bedient, ontvangt de
marifoon geen signalen tussen uitgezonden hoornsignalen door.
1 Selecteer PA > MIST > HANDMATIG.
4
Afstemmen op weerkanalen
WX wordt op het scherm weergegeven.
2 Draai de knop SELECT om een ander weerkanaal te kiezen.
Weerwaarschuwingen in- en uitschakelen
U kunt weerwaarschuwingen (WX) inschakelen als u
standaardmarifoonkanalen gebruikt.
1 Selecteer bij het afstemmen op weerkanalen
WAARSCHUWING om weerwaarschuwingen in of uit te
schakelen.
Met
wordt aangegeven dat weerwaarschuwingen zijn
ingeschakeld.
2 Selecteer AFSLUITEN.
NOAA -weeruitzendingen en -waarschuwingen
®
5 Selecteer zo nodig OPNIEUW en voer het nummer nogmaals
De marifoon werkt weer normaal, maar blijft letten op
weerwaarschuwingen.
in.
Uw MMSI-nummer weergeven
Digital Selective Calling (DSC)
Selecteer MENU > DSC > MIJN MMSI.
Digital Selective Calling (DSC)
OPMERKING: Voordat u DSC-functies kunt gebruiken, moet u
een MMSI- nummer (Mobile Marine Safety Identity) invoeren
(Uw MMSI-nummer invoeren, pagina 5). Een MMSI-nummer
identificeert elke DSC-marifoon, net als een telefoonnummer.
DSC (Digital Selective Calling) is een belangrijk onderdeel van
het GMDSS (Global Maritime Distress and Safety System). Met
DSC kunnen VHF-marifoons rechtstreeks digitale oproepen
verzenden naar en ontvangen van andere vaartuigen en
stations langs de kust, inclusief de Amerikaanse en Canadese
kustwacht. De marifoon beschikt over volledige DSCfunctionaliteit van klasse D.
Als u een GPS-toestel op de zendontvanger aansluit, worden
uw lengtegraad, breedtegraad en de huidige tijd verzonden als u
een noodoproep of een ander type DSC-oproep plaatst. Als u
uw positiegegevens handmatig invoert, worden uw lengtegraad,
breedtegraad en tijd van invoer verzonden met de oproep. Als
uw locatiegegevens automatisch worden verzonden, is hulp in
noodgevallen sneller ter plaatse.
Kanaal 70 is gereserveerd voor DSC-oproepen en uw toestel
gebruikt een speciale ontvanger voor continue bewaking van
kanaal 70. U hoeft het kanaal niet te wijzigen om een DSCoproep te plaatsen. Uw toestel schakelt automatisch over op
kanaal 70 om een DSC-oproep te verzenden. Het verzenden
van de DSC-gegevens via kanaal 70 neemt minder dan één
seconde in beslag, waarna wordt afgestemd op een geschikt
kanaal voor spraakcommunicatie.
wordt weergegeven op het toestelscherm in geval van een
inkomende of gemiste DSC-oproep.
OPMERKING: Het toestel schakelt DSC automatisch uit als u
ATIS (Automatic Transmitter Identification System, pagina 9)
inschakelt.
Uw MMSI-nummer invoeren
LET OP
U kunt uw MMSI-nummer slechts één keer invoeren. Als u uw
MMSI-nummer moet wijzigen nadat u het hebt ingevoerd, moet
u de marifoon naar de Garmin dealer brengen voor
herprogrammering.
®
Het MMSI-nummer (Mobile Marine Safety Identity) is een
negencijferige code die fungeert als een DSCidentificatienummer en is vereist om de DSC-functies van de
marifoon te kunnen gebruiken. U kunt een MMSI-nummer
aanvragen bij de telecommunicatie-instantie of het
scheepsregister voor uw land. In de VS kunt u bij de volgende
instanties een MMSI-nummer aanvragen:
• FCC (Federal Communications Commission): Toegewezen
nummers worden internationaal herkend
• BoatU.S. , Sea Tow of United States Power Squadrons :
Toegewezen nummers gelden alleen voor Amerikaanse
wateren.
1 Selecteer MENU > DSC > MIJN MMSI.
2 Voer uw MMSI-nummer in (Tekst invoeren, pagina 4).
3 Selecteer ACCEPTEER.
U wordt gevraagd uw identiteit te bevestigen.
4 Voer uw MMSI-nummer nogmaals in en selecteer
ACCEPTEER.
Als de MMSI-nummers die u hebt ingevoerd niet
overeenkomen, wordt een bericht weergegeven.
®
®
Digital Selective Calling (DSC)
®
Noodoproepen
Als u een noodoproep plaatst, wordt deze verzonden naar alle
DSC-compatibele marifoons binnen het ontvangstbereik. Uw
huidige GPS-positie (lengte- en breedtegraad) en de huidige tijd
worden in de verzending meegenomen als een GPS-toestel op
uw zendontvanger is aangesloten. Als u uw positiegegevens en
de tijd handmatig hebt ingevuld, wordt die informatie verzonden
met de oproep.
OPMERKING: Maak uzelf de standaardopmaak van
noodoproepen en het protocol eigen, zodat uw oproepen
duidelijk en effectief zijn.
Een algemene noodoproep verzenden
Als u een algemene noodoproep verzendt, wordt de aard van de
noodsituatie niet verzonden naar de ontvangende stations. Het
verzenden van een algemene noodoproep is een snellere
procedure waarmee u tijd kunt besparen in een noodsituatie.
1 Til de veerklep op en houd de knop DISTRESS gedurende
ten minste 3 seconden ingedrukt.
De marifoon piept en telt de seconden af. AFTELLEN
OPROEP NOODSITUATIE wordt op het scherm
weergegeven.
De marifoon geeft een waarschuwingssignaal, schakelt over
naar kanaal 70 en verzendt uw oproep met hoog vermogen
(25 W).
2 Druk op een knop om het waarschuwingssignaal uit te
schakelen.
De marifoon stemt af op kanaal 16 met hoog (25 W)
vermogen.
3 Selecteer PTT op de handset of de marifoon om uw
noodoproep te verzenden.
De marifoon wacht op bevestiging (ACK) via kanaal 70 door
een luisterend station.
Een specifieke noodoproep verzenden
Als u een specifieke noodoproep verzendt, wordt de aard van de
noodsituatie verzonden naar de ontvangende stations.
1 Til de veerklep op en druk op de knop DISTRESS.
2 Draai de knop SELECT en selecteer het type noodoproep.
TIP: U kunt CLEAR selecteren om het scherm af te sluiten
zonder een noodoproep te verzenden.
3 Houd de knop DISTRESS ten minste drie seconden
ingedrukt.
De marifoon piept en telt de seconden af. AFTELLEN
OPROEP NOODSITUATIE wordt op het scherm
weergegeven.
De marifoon geeft een waarschuwingssignaal, schakelt over
naar kanaal 70 en verzendt uw oproep met hoog vermogen
(25 W).
4 Druk op een knop om het waarschuwingssignaal uit te
schakelen.
De marifoon stemt af op kanaal 16 met hoog (25 W)
vermogen.
5 Selecteer PTT op de handset of de marifoon om uw bericht
te verzenden.
De marifoon wacht op bevestiging (ACK) via kanaal 70 door
een luisterend station.
5
Wachten op een bevestiging voor een noodoproep en
deze bevestiging ontvangen
Als de marifoon geen bevestiging ontvangt voor een
noodoproep, wordt de noodoproep nogmaals verzonden op enig
moment tussen 3,5 en 4,5 minuten later en wordt dit op
willekeurige intervallen herhaald tot de marifoon een bevestiging
ontvangt.
Als de marifoon de bevestiging ontvangt, klinkt er een
piepsignaal en wordt NOODSITUATIE BEV. op het scherm
weergegeven.
1 Druk op een knop om de pieptonen uit te schakelen.
2 Selecteer om extra informatie weer te geven.
TIP: Als het MMSI-nummer van het station dat het
bevestigingssignaal verzendt in uw schepenlijst staat, wordt
de naam die bij dat MMSI-nummer hoort op het scherm
weergegeven. Als het MMSI-nummer van het station niet in
uw schepenlijst staat, wordt het op het scherm weergegeven.
3 Selecteer ACCEPTEER.
Automatische heruitzending van noodoproepen
beëindigen
Selecteer ANNULEER.
De marifoon blijft afgestemd op kanaal 16.
OPMERKING: Door ANNULEER te selecteren wordt de
automatische herhaling van de oproep beëindigd, maar aan
andere stations wordt niet doorgegeven dat er geen sprake
meer is van een noodsituatie. Als u zich niet langer in een
noodsituatie bevindt, moet u de noodoproep intrekken (Een
DSC-noodoproep intrekken, pagina 6).
Een DSC-noodoproep intrekken
Een noodoproep wordt pas verzonden nadat u de knop
DISTRESS minstens drie seconden ingedrukt hebt gehouden.
Als u per ongeluk een noodoproep plaatst of als er geen sprake
meer is van een noodsituatie, dient u de oproep direct te
annuleren door via kanaal 16 een spraakbericht naar alle
stations te verzenden.
1 Selecteer ANNULEER > JA en wacht tot ANNULEREN
NOODSITUATIE VERZONDEN op het scherm wordt
weergegeven.
2 Selecteer OK.
3 Houd PTT op de handset ingedrukt en verzend een duidelijk
spraakbericht om de noodoproep te annuleren (Script voor
annulering van noodoproepen, pagina 6).
4 Selecteer een optie:
• Selecteer EINDE om de annulering van de noodoproep te
voltooien en de normale werking van de marifoon te
herstellen.
• Selecteer VERZEND OPNIEUW om de annulering van de
noodoproep nogmaals te verzenden en het proces
opnieuw te starten.
Script voor annulering van noodoproepen
Wanneer u een DSC-noodoproep intrekt (Een DSC-noodoproep
intrekken, pagina 6), moet u een passend annuleringsbericht
verzenden.
Bijvoorbeeld: "All stations, all stations, all stations, this is _____
(naam van vaartuig), MMSI number ____, position ____ (North
of South), ____ (West of East). Cancel my distress alert of ____
(datum en tijd). This is ____ (naam van vaartuig), MMSI number
____. Out."
Gesprekken plaatsen
Individuele oproepen plaatsen
1 Selecteer DSC > INDIVIDUEEL.
2 Selecteer een optie:
6
• Selecteer HANDMATIG om het MMSI-nummer handmatig
in te voeren, voer het MMSI-nummer in en selecteer
ACCEPTEER.
• Selecteer DIRECTORY om een item te selecteren in de
schepenlijst en selecteer een item.
• Selecteer RECENTE OPROEPEN als u een recente
oproep wilt selecteren.
3 Selecteer een kanaal (Kanalen voor persoonlijke oproepen of
groepsoproepen, pagina 6).
De marifoon verzendt het verzoek tegelijk met uw oproep.
4 Selecteer OPROEP.
De marifoon verzendt deze oproep via kanaal 70 en gaat
terug naar het vorige kanaal, maar blijft ook luisteren naar
een bevestiging op kanaal 70. Zodra de bevestiging is
ontvangen, schakelt de marifoon over naar het kanaal dat u
hebt geselecteerd voor de oproep.
Groepsoproepen plaatsen
Voordat u een oproep kunt verzenden naar een groep, moet u
eerst het MMSI-nummer van de groep invoeren in de
schepenlijst (Een groep toevoegen, pagina 9).
U kunt contact maken met een groep specifieke schepen,
bijvoorbeeld een zeilclub of een vloot, door een groepsoproep
uit te voeren.
1 Selecteer DSC > GROEP > OPROEP.
2 Selecteer een opgeslagen groep.
3 Selecteer een kanaal (Kanalen voor persoonlijke oproepen of
groepsoproepen, pagina 6).
De marifoon verzendt het kanaalverzoek tegelijk met uw
oproep.
4 Selecteer OPROEP.
De marifoon verzendt deze oproep op kanaal 70 en schakelt
vervolgens naar het geselecteerde kanaal.
Kanalen voor persoonlijke oproepen of
groepsoproepen
Wanneer u een persoonlijke oproep of groepsoproep plaatst,
moet u een keuze maken uit de aangewezen DSC-kanalen. De
marifoon verzendt dit verzoek tegelijk met uw oproep.
• VS: Kanaal 6, 8, 9, 10, 13, 17, 67, 68, 69, 71, 72, 73 of 77.
• Canada en internationaal: Alle Amerikaanse kanalen plus
kanaal 15
DSC-kanalen zijn beperkt tot kanalen die beschikbaar zijn op
alle frequentiebanden. U kunt AANGEPAST selecteren als u
een kanaal wilt selecteren dat niet wordt vermeld. Als u een
aangepast selecteert, kan het station dat u oproept dit kanaal
mogelijk niet verwerken. U moet een kanaal selecteren dat
geschikt is voor communicatie.
Oproepen aan alle schepen plaatsen
Een oproep aan alle schepen wordt verzonden naar alle stations
binnen ontvangstafstand van uw marifoon. U kunt twee soorten
oproepen aan alle schepen plaatsen. Veiligheidsoproepen om
belangrijke informatie over navigatie of over het weer te
verzenden. Spoedoproepen om informatie te verzenden over de
veiligheid van een vaartuig of persoon wanneer er geen direct
gevaar is. De kapitein moet bepalen of in een bepaalde situatie
een veiligheidsoproep of een spoedoproep vereist is.
1 Selecteer DSC > ALLE SCHEPEN.
2 Selecteer VEILIGHEID of URGENTIE.
3 Selecteer een kanaal (Kanalen voor persoonlijke oproepen of
groepsoproepen, pagina 6).
De marifoon verzendt het kanaalverzoek tegelijk met uw
oproep.
4 Selecteer OPROEP.
Digital Selective Calling (DSC)
De marifoon verzendt deze oproep via kanaal 70 en schakelt
vervolgens over naar het geselecteerde kanaal.
De positie van een vaartuig opvragen
Positiegegevens die worden ontvangen van stations die
reageren op positieaanvraagoproepen, worden verzonden via
het NMEA netwerk. U kunt de vaartuigen volgen op uw Garmin
kaartplotter.
1 Selecteer DSC > POS. VERZOEK.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer HANDMATIG om het MMSI-nummer handmatig
in te voeren, voer het MMSI-nummer in en selecteer
ACCEPTEER.
• Selecteer DIRECTORY om een item te selecteren in de
schepenlijst en selecteer een item.
3 Selecteer OPROEP.
De marifoon verzendt deze oproep via kanaal 70 en gaat
terug naar het vorige kanaal. Op het scherm wordt
WACHTEN OP BEVESTIGING weergegeven.
®
Oproepen ontvangen
Noodoproepen en doorgegeven noodoproepen
ontvangen
Als een noodoproep of een doorgegeven noodoproep wordt
ontvangen, wordt op het marifoonscherm de tekst DISTRESS of
RELAIS VOOR NOODSITUATIE weergegeven, evenals
informatie over de oproep (zoals het MMSI-nummer en de aard
van het noodgeval). Een noodoproep wordt verzonden vanaf
een vaartuig dat hulp nodig heeft, en een doorgegeven
noodoproep wordt verzonden vanaf een ander vaartuig of vanaf
een station namens een vaartuig dat hulp nodig heeft.
De marifoon verstuurt, afhankelijk van de instelling van de
MMSI-filtering, gegevens over de oproep via het NMEA netwerk
(DSC NMEA uitzendingen configureren, pagina 10).
OPMERKING: Wanneer een noodoproep wordt ontvangen,
schakelt de marifoon na tien seconden automatisch over naar
kanaal 16 .
Wanneer u een noodoproep ontvangt, selecteert u een optie:
• Selecteer om extra informatie over de noodoproep te
bekijken en over te schakelen naar kanaal 16.
• Selecteer OK om de noodoproep te accepteren en over te
schakelen naar kanaal 16.
• Als u informatie over de noodoproep wilt bekijken zonder
automatisch over te schakelen naar kanaal 16, selecteert
u PAUZE.
• Druk op CLEAR om de noodoproep te negeren en op het
huidige kanaal te blijven.
Spoed- en veiligheidsoproepen aan alle schepen
ontvangen
Wanneer u een spoed- of veiligheidsoproep aan alle schepen
ontvangt, wordt op het scherm ALLE SCHEPEN en als type
oproep URGENTIE of VEILIGHEID weergegeven. Als de
kanaalaanvraag voor een ongeldig kanaal is, wordt
ONGELDIGE KANAALAANVRAAG weergegeven op het
scherm.
OPMERKING: Wanneer een oproep aan alle schepen wordt
ontvangen, schakelt de marifoon na tien seconden automatisch
naar het gevraagde kanaal.
Wanneer u een spoed- of veiligheidsoproep ontvangt,
selecteert u een optie:
• Selecteer om extra informatie over de oproep te
bekijken en over te schakelen naar het aangevraagde
kanaal.
• Selecteer OK om de oproep te accepteren en over te
schakelen naar het aangevraagde kanaal.
Digital Selective Calling (DSC)
• Als u informatie wilt over de oproep zonder het gevraagde
kanaal automatisch in te schakelen, selecteert uPAUZE.
• Druk op CLEAR om de oproep te negeren en op het
huidige kanaal te blijven.
Persoonlijke standaardoproepen ontvangen
Wanneer u een persoonlijke standaardoproep ontvangt, wordt
op het scherm INDIVIDUEEL en als type oproep ROUTINE
weergegeven. Als de kanaalaanvraag voor een ongeldig kanaal
is, wordt ONGELDIGE KANAALAANVRAAG weergegeven op
het scherm.
OPMERKING: Wanneer een individuele oproep wordt
ontvangen, schakelt de marifoon na tien seconden automatisch
naar het gevraagde kanaal.
Wanneer een oproep op een geldig kanaal wordt ontvangen,
selecteert u een optie:
• Selecteer OK om de oproep te accepteren en over te
schakelen naar het aangevraagde kanaal.
• Als u informatie wilt over de oproep zonder het gevraagde
kanaal automatisch in te schakelen, selecteert uPAUZE.
• Druk op CLEAR om de oproep te negeren en op het
huidige kanaal te blijven.
Positieaanvragen ontvangen
U kunt de marifoon zodanig configureren dat binnenkomende
positieaanvragen automatisch worden beantwoord. U kunt ook
instellen dat u binnenkomende aanvragen wilt beoordelen en
goedkeuren voordat deze worden beantwoord (Automatische
antwoorden verzenden, pagina 9).
Wanneer u een positieaanvraag ontvangt terwijl automatische
beantwoording van positieaanvragen is ingeschakeld, wordt op
het scherm de tekst BEVESTIGING VERZENDEN weergegeven
en wordt uw positie automatisch verzonden. Zodra de positie is
verzonden, wordt op het scherm de tekst POSITIE
VERZONDEN weergegeven.
Wanneer u een positieaanvraag ontvangt terwijl automatische
beantwoording van positieaanvragen is uitgeschakeld, wordt op
het scherm de tekst POS. VERZOEK weergegeven.
Wanneer u een positieaanvraag ontvangt terwijl
automatische beantwoording van positieaanvragen is
uitgeschakeld, kiest u OK en selecteert u vervolgens een
optie:
• Selecteer OK als u op de positieaanvraag wilt
beantwoorden met uw huidige positie.
Als er GPS-positiegegevens of handmatig ingevoerde
positiegegevens beschikbaar zijn, wordt uw positie naar
het andere vaartuig verzonden.
• Als u de positieaanvraag wilt negeren, drukt u op CLEAR.
Positieoproepen ontvangen
Wanneer u een positieoproep ontvangt, worden op het scherm
de tekst POS. VERZENDEN en de positiegegevens
weergegeven.
Selecteer OK.
Het positierapport wordt opgeslagen in het oproeplog.
Groepsoproepen ontvangen
Wanneer u een groepsoproep ontvangt, wordt op het scherm
GROEP weergegeven en wordt er gevraagd of u wilt
overschakelen naar het aangevraagde kanaal. Als het
aangevraagde kanaal ongeldig is, wordt ONGELDIGE
KANAALAANVRAAG weergegeven op het scherm.
1 Selecteer OK.
2 Draai aan de knop SELECT om het aangevraagde kanaal te
selecteren.
3 Selecteer OK.
7
Positie bijhouden
Type oproep
Oproeplog
Als u de functie voor positie bijhouden inschakelt, verzendt de
marifoon met regelmatige tussenpozen positieaanvragen om de
positie van maximaal drie vaartuigen bij te houden.
De marifoon verzendt ontvangen positiegegevens via het NMEA
netwerk en u kunt de vaartuigen volgen met de Garmin
kaartplotter (DSC NMEA uitzendingen configureren,
pagina 10).
Noodoproep
Noodoproep
Doorgegeven noodoproep
Noodoproep
Bevestiging van noodoproep
Noodoproep
Positie verzenden
Positie
Positieaanvraag
Positie
Groep
Overige
Alle schepen
Overige
Persoonlijk
Overige
Vaartuigen selecteren en positie bijhouden activeren
Voordat u positie bijhouden kunt gebruiken, moet u minimaal
één vaartuig hebben opgeslagen in de schepenlijst
(Schepenlijst, pagina 8).
1 Selecteer DSC > POS. VOLGEN > VOEG PUNT TOE.
2 Tik op de vaartuigen die u wilt bijhouden.
U kunt de positie bijhouden van maximaal drie vaartuigen
tegelijk. Wanneer u een vierde vaartuig selecteert, klinkt er
een fouttoon en moet u een vaartuig verwijderen voordat u
een nieuw kunt toevoegen.
3 Selecteer BEGIN MET VOLGEN.
Op het scherm wordt weergegeven wanneer de marifoon
vaartuigen volgt.
Volgorde voor pollinginterval voor positie bijhouden
Volgens de regels is het toegestaan om eenmaal per vijf
minuten een positieaanvraagoproep te verzenden. Wanneer u
meerdere vaartuigen volgt, verzendt de marifoon om de beurt
een oproep naar elk vaartuig in de lijst, met tussenpozen van vijf
minuten. Als een vaartuig niet reageert op vijf opeenvolgende
positieaanvraagoproepen, verwijdert de marifoon dat vaartuig uit
de lijst met bijgehouden posities.
In deze tabel ziet u hoe het tijdsinterval wordt toegepast op de
vaartuigen in de lijst voor het bijhouden van posities.
Schip
Tijd
Schip 1 0 minuten (onmiddellijk na starten van positie bijhouden)
Schip 2 5 minuten
Schip 3 10 minuten
Schip 1 15 minuten
Schip 2 20 minuten
Schip 3 25 minuten
Schepen op de lijst voor positie bijhouden weergeven
en deactiveren
De vaartuigen die u in de lijst voor positie bijhouden wilt laten
staan maar niet actief wilt volgen, kunt u deactiveren.
1 Selecteer DSC > POS. VOLGEN > VAARTUIGEN.
2 Selecteer een schip.
3 Selecteer UIT.
Een vaartuig verwijderen uit de lijst met bijgehouden
posities
Vaartuigen die u niet meer wilt volgen, kunt u verwijderen uit de
lijst met vaartuigen waarvan u de positie bijhoudt.
1 Selecteer DSC > POS. VOLGEN > WIS.
2 Selecteer een schip.
3 Selecteer JA.
Oproeplog
Wanneer de marifoon een DSC-oproep ontvangt, worden de
datum en tijd, het oproepende station en het type oproep
opgeslagen in het oproeplog. De marifoon slaat ook de breedteen lengtegraad op van het oproepende station, als die gegevens
met de oproep worden meegezonden.
DSC-oproepen worden opgeslagen als noodoproep,
positieoproep of andere oproepen.
8
Wanneer u een oproepend station invoert in de schepenlijst,
wordt de naam van het station weergegeven in de lijst met
oproepen. Als het oproepende station niet is opgeslagen in de
schepenlijst, wordt het MMSI-nummer weergegeven in de lijst
met oproepen. Het stationstype wordt aangegeven met een
symbool.
Symbool
Betekenis
MMSI-nummerindeling
Scheepsstation
XXXXXXXXX
Groepsoproep
0XXXXXXXX
Kuststation
00XXXXXXX
De oproepen in het oproeplog weergeven
1 Selecteer DSC > OPROEPLOG.
2 Selecteer een oproeplogcategorie.
3 Selecteer een oproep.
Informatie over de oproep wordt weergegeven op het
scherm.
Een oproep plaatsen vanuit een oproeplog
Oproepen die worden geplaatst vanuit het oproeplog, worden
geplaatst als persoonlijke standaardoproepen.
1 Selecteer DSC > OPROEPLOG.
2 Selecteer een type oproeplog.
3 Selecteer het MMSI-nummer of de stationsnaam.
4 Selecteer OPROEP.
5 Selecteer een kanaal waarop u de oproep wilt verzenden
(Kanalenlijst, pagina 12).
De marifoon verzendt het kanaalverzoek tegelijk met uw
oproep.
6 Selecteer OPROEP.
Een schip of station vanuit het oproeplog opslaan in
de schepenlijst
1 Selecteer DSC > OPROEPLOG.
2 Selecteer een oproeplogcategorie.
3 Selecteer het MMSI-nummer dat u wilt opslaan.
4 Selecteer SLA OP.
5 Voer een naam in voor het opgeslagen vaartuig of station of
bewerk dit (optioneel) (Tekst invoeren, pagina 4).
Een item uit het oproeplog verwijderen
1 Selecteer DSC.
2 Selecteer een oproeplogcategorie.
3 Selecteer het MMSI-nummer of station.
4 Selecteer .
5 Selecteer WIS.
Schepenlijst
U kunt de MMSI-nummers van vaartuigen en stations opslaan
en hieraan namen toewijzen zodat u deze snel kunt vinden of
eenvoudig kunt herkennen.
Digital Selective Calling (DSC)
Vaartuigen en stations bekijken die zijn opgeslagen in
de schepenlijst
1 Selecteer DSC > DIRECTORY > DIRECTORY.
2 Selecteer een opgeslagen vaartuig of station.
Een item toevoegen aan de schepenlijst
1 Selecteer DSC > DIRECTORY > VOEG PUNT TOE.
2 Voer het MMSI-nummer in (Tekst invoeren, pagina 4).
3 Voer een naam in (optioneel).
4 Selecteer ACCEPTEER.
Een item in de schepenlijst bewerken
1 Selecteer DSC > DIRECTORY > BEWERK PUNT.
2 Selecteer een item.
3 Bewerk het MMSI-nummer, de naam of beide (Tekst
invoeren, pagina 4).
4 Selecteer ACCEPTEER.
Een item uit de schepenlijst verwijderen
1 Selecteer DSC > DIRECTORY > WIS.
2 Selecteer een item.
3 Selecteer JA.
Een groep toevoegen
Een DSC-groep is een verzameling specifieke vaartuigen,
bijvoorbeeld een zeilclub of een vloot, met een
gemeenschappelijk MMSI-nummer.
1 Selecteer DSC > GROEP > VOEG PUNT TOE.
2 Voer het MMSI-nummer van de groep in (Tekst invoeren,
pagina 4).
Voer
een naam in voor de groep (optioneel).
3
4 Selecteer ACCEPTEER.
Een groep bewerken
1 Selecteer DSC > GROEP > BEWERK PUNT.
2 Selecteer een groep.
3 Bewerk het MMSI-nummer van de groep, de naam van de
groep of beide (Tekst invoeren, pagina 4).
4 Selecteer ACCEPTEER.
Een groep verwijderen
1 Selecteer DSC > GROEP > WIS.
2 Selecteer een groep.
3 Selecteer JA.
DSC-instellingen
Handmatig ingevoerde positie-informatie
Als er geen GPS-toestel is aangesloten op uw marifoon, kunt u
uw positie en het invoertijdstip handmatig opslaan. De
positiegegevens worden verzonden met DSC-oproepen. Als u
uw positie en de tijd handmatig invoert, wordt de tekst
HANDMATIGE POS weergegeven op het scherm.
Handmatig ingevoerde positie-informatie moet regelmatig
worden bijgewerkt. Op de marifoon worden twee
waarschuwingen weergegeven om u eraan te herinneren dat u
de positiegegevens moet bijwerken.
• Als de handmatig ingevoerde positiegegevens meer dan vier
uur oud zijn, wordt de tekst GEGEVENS ZIJN MEER DAN 4
UUR OUD weergegeven op het scherm. De marifoon gaat
door met het verzenden van deze positiegegevens, maar u
moet deze bijwerken voordat ze ongeldig worden.
• Als de handmatig ingevoerde positiegegevens meer dan 23,5
uur oud zijn, worden deze als ongeldig beschouwd en wordt
de tekst GEGEVENS ZIJN ONGELDIG weergegeven op het
scherm. De marifoon verzendt geen ongeldige
Automatic Transmitter Identification System
positiegegevens en u moet deze dan ook onmiddellijk
bijwerken.
Positie-informatie handmatig invoeren
1 Selecteer MENU > SYSTEEM > HANDMATIGE GPS.
2 Voer de huidige coördinaten en tijd in (Tekst invoeren,
pagina 4).
3 Selecteer ACCEPTEER.
Automatisch overschakelen naar kanaal 16
De marifoon schakelt automatisch over naar kanaal 16 wanneer
er noodoproepen, doorgegeven noodoproepen of
spoedoproepen aan alle schepen worden ontvangen. In
bepaalde situaties, bijvoorbeeld als u een kanaal continu wilt
volgen om ononderbroken communicatie met een ander
vaartuig te handhaven, kunt u deze functie uitschakelen.
1 Selecteer MENU > DSC > AUTOM. WIJZIGEN KN..
2 Selecteer een optie:
• Selecteer AAN als u de marifoon zodanig wilt instellen dat
deze automatisch overschakelt naar kanaal 16 wanneer u
een oproep ontvangt die aan de criteria voldoet.
• Selecteer UIT als u de marifoon zodanig wilt instellen dat
aan u wordt gevraagd of u van kanaal wilt wisselen
wanneer u een oproep ontvangt die aan de criteria
voldoet.
Automatische antwoorden verzenden
U kunt de marifoon configureren om automatisch te reageren op
inkomende oproepen, inclusief positieverzoeken.
OPMERKING: Wanneer u de marifoon configureert om
automatisch te reageren op inkomende oproepen, verandert de
marifoon automatisch het kanaal voor alle inkomende
individuele oproepen.
1 Selecteer MENU > DSC > INDIV. REACTIE.
2 Selecteer een optie:
• Als u automatische antwoorden wilt verzenden, selecteert
uAUTO.
• Selecteer HANDMATIG om handmatig antwoorden te
verzenden.
Automatic Transmitter Identification
System
ATIS (Automatic Transmitter Identification System) is een
vaartuigidentificatiesysteem dat op bepaalde waterwegen in een
aantal Europese landen wordt gebruikt. Neem contact op met
uw Garmin dealer om uw VHF-marifoon te programmeren als u
van plan bent de marifoon te gebruiken op waterwegen die
binnen de grenzen van de Regional Arrangement Concerning
the Radiotelephone Service on Inland Waterways (de Baselovereenkomst) vallen. ATIS is niet toegestaan buiten de
Europese binnenwateren die onder de Basel-overeenkomst
vallen.
Als u ATIS inschakelt, verzendt de marifoon na afloop van elke
uitzending een gegevenssignaal waaraan uw station is te
identificeren. Er worden geen gegevens over uw positie
verzonden, maar uw positie wordt berekend via driehoeksmeting
die wordt gebruikt door stations langs de kust die uw
uitzendingen ontvangen.
Als u ATIS wilt inschakelen, voert u uw ATISidentificatienummer in (Uw ATIS-identificatienummer invoeren,
pagina 10) en schakelt u ATIS in (ATIS in- en uitschakelen,
pagina 10). Neem contact op met de Garmin dealer om uw
ATIS-identificatienummer te bepalen en voor meer informatie
over de ATIS-vereisten binnen uw regio.
De marifoon schakelt deze functies uit als u ATIS inschakelt.
• DSC (Digital Selective Calling)
9
• Twee of drie kanalen bewaken (Dual Watch en Tri Watch)
• Kanalen scannen
De internationale kanalen 6, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 71, 72, 74 en
77 moeten uitzenden met laag vermogen (1 W) als u ATIS
inschakelt.
Uw ATIS-identificatienummer invoeren
LET OP
U kunt uw ATIS-identificatienummer maar eenmaal invoeren.
Als u uw ATIS-nummer moet wijzigen nadat u het hebt
ingevoerd, moet u de marifoon naar de Garmin dealer brengen
voor herprogrammering.
OPMERKING: U kunt toegang krijgen tot de ATIS-instellingen
op de marifoon nadat de ATIS-functie is geactiveerd door uw
Garmin dealer.
1 Selecteer MENU > ATIS > MIJN ATIS ID.
2 Voer uw ATIS-nummer in (Tekst invoeren, pagina 4).
3 Selecteer ACCEPTEER.
U wordt gevraagd het nummer opnieuw in te voeren.
4 Voer uw ATIS-nummer opnieuw in en selecteer
ACCEPTEER.
Als de ATIS-nummers niet overeenkomen, wordt er een
bericht weergegeven.
5 Selecteer zo nodig OPNIEUW en voer het nummer nogmaals
in.
ATIS in- en uitschakelen
1 Selecteer MENU > ATIS > ATIS.
2 Selecteer AAN of UIT.
Op het scherm wordt
ingeschakeld.
3 Selecteer OK.
weergegeven wanneer ATIS is
Uw ATIS-identificatienummer weergeven
Selecteer MENU > ATIS > MIJN ATIS ID.
Automatic Identification System
Het Automatic Identification System (AIS) is een automatisch
volgsysteem dat wordt gebruikt op vaartuigen en door VTSsystemen (vessel traffic services). Hiermee kunnen vaartuigen
en VTS-systemen andere vaartuigen herkennen en lokaliseren
via elektronische gegevensuitwisseling met andere vaartuigen
die zich in de buurt bevinden en met AIS-basisstations.
Wanneer het AIS wordt gebruikt in combinatie met een
compatibele kaartplotter of multifunctioneel display (MFD), kan
het hulp bieden bij het vermijden van aanvaringen.
OPMERKING: Een AIS is niet op alle modellen beschikbaar.
AIS in- en uitschakelen
1 Selecteer MENU > AIS.
2 Selecteer AANof UIT.
3 Selecteer OK.
NMEA 0183 en NMEA 2000
®
Als u de marifoon aansluit op een NMEA 0183 toestel of een
NMEA 2000 netwerk, kunt u ontvangen DSC-noodsignalen en
positiegegevens doorsturen naar een compatibele verbonden
kaartplotter (NMEA, pagina 12).
De marifoon kan ook GPS-positiegegevens ontvangen van een
NMEA 0183 toestel of een NMEA 2000 netwerk. Ontvangen
GPS-positiegegevens verschijnen op het startscherm en worden
10
verzonden met DSC-oproepen.Het pictogram verschijnt als er
GPS-gegevens beschikbaar zijn, en knippert als er geen GPSgegevens beschikbaar zijn. Wanneer er geen GPS-gegevens
beschikbaar zijn, moet u uw positie handmatig invoeren
(Handmatig ingevoerde positie-informatie, pagina 9).
Meer informatie over het aansluiten van de radio op een NMEA
0183 toestel of een NMEA 2000 netwerk vindt u in de installatieinstructies.
Extra functionaliteit met andere Garmin
toestellen
De marifoon beschikt over extra mogelijkheden wanneer u deze
aansluit op andere Garmin toestellen zoals een kaartplotter.
OPMERKING: Mogelijk moet u de software van uw Garmin
kaartplotter upgraden om NMEA 0183 of NMEA 2000 functies te
gebruiken.
Als u de marifoon aansluit op een Garmin kaartplotter via NMEA
0183 of NMEA 2000, houdt de kaartplotter de huidige en
eerdere posities van de contacten in de schepenlijst bij.
Als u de marifoon aansluit op hetzelfde NMEA 2000 netwerk als
een Garmin kaartplotter, kunt u de kaartplotter gebruiken voor
het uitvoeren van persoonlijke standaardoproepen.
Als u de marifoon aansluit op hetzelfde NMEA 2000 netwerk als
een Garmin kaartplotter en u initieert een noodoproep voor een
man-over-boord vanaf de marifoon, vraagt de kaartplotter u om
naar het punt te navigeren waarop de persoon van boord is
gevallen. Als u een Garmin stuurautomaat verbindt met
hetzelfde NMEA 2000 netwerk, vraagt uw kaartplotter u een
MOB-manoeuvre uit te voeren naar dit punt.
Communiceren via NMEA 0183 of NMEA
2000
OPMERKING: Deze functie is niet op alle toestellen
beschikbaar.
U kunt een verbinding met een NMEA 0183 toestel of met een
NMEA 2000 netwerk selecteren. De marifoon kan slechts via
één communicatieprotocol tegelijk communiceren.
1 Selecteer MENU > COMMUNICATIE > PROTOCOL.
2 Selecteer NMEA0183 of NMEA2000.
DSC NMEA uitzendingen configureren
U kunt een filter instellen voor de gegevenstypen van DSCoproepen die de marifoon verzendt naar een aangesloten
NMEA 0183 toestel via een NMEA 2000 netwerk.
1 Selecteer MENU > COMMUNICATIE > OUTPUT ANN.
NOODSIT..
2 Selecteer een optie:
• Als u NMEA gegevens wilt verzenden wanneer u een
DSC-oproep ontvangt van een MMSI-nummer, selecteert
u ALLE VAARTUIGEN en gaat u verder naar de laatste
stap.
• Als u het verzenden van NMEA gegevens wilt
uitschakelen wanneer u een DSC-oproep ontvangt,
selecteert u GEEN VAARTUIGEN en gaat u verder naar
de laatste stap.
• Als u alleen NMEA gegevens wilt verzenden wanneer u
een oproep ontvangt van een vaartuig uit uw schepenlijst,
selecteert u SELECTEER VAARTUIGEN en gaat u verder
met de volgende stap.
OPMERKING: Als u de marifoon configureert voor de
optie SELECTEER VAARTUIGEN, worden alle ontvangen
DSC-noodoproepen verzonden via NMEA, zelfs wanneer
het vaartuig niet voorkomt in uw schepenlijst.
3 Selecteer een vaartuig in de schepenlijst.
Automatic Identification System
4 Selecteer een optie:
Tijdsverschil configureren
• Als u alle gegevens van DSC-oproepen van dit vaartuig
wilt verzenden, selecteert u AAN.
• Als u alleen de gegevens van DSC-noodoproepen van dit
vaartuig wilt verzenden, selecteert u UIT.
5 Herhaal deze procedure voor elk vaartuig in uw schepenlijst.
6 Selecteer TERUG als u uw wijzigingen wilt opslaan en het
menu wilt afsluiten.
In plaats van de UTC-tijd (Universal Coordinated Time) kunt u
de lokale tijd weergeven. Als u de instelling aanpast voor de
lokale tijd, verschijnt de aanduiding LOC achter de tijd op het
startscherm.
OPMERKING: Als u een DSC-oproep plaatst, wordt de tijd
verzonden in UTC-notatie.
1 Selecteer MENU > SYSTEEM > EENHEDEN > TIJD >
AFWIJKING.
2 Draai aan de knop SELECT om het tijdsverschil met UTC
aan te passen.
Selecteer
OK.
3
Systeeminstellingen
Selecteer MENU > SYSTEEM.
SCHERM: Hiermee stelt u de schermverlichting en het
contrastniveau in.
ZOEMER: Hiermee stelt u het volume in of schakelt u de
pieptoon uit die klinkt als u op een knop drukt of aan een
knop draait.
AUTOM. INASCHAKELEN: Hiermee stelt u in dat de marifoon
automatisch wordt ingeschakeld als deze stroom ontvangt.
TAAL: Hiermee kunt u de taal voor de marifoon instellen.
INT GPS-INSTALLATIE: Hiermee schakelt u de interne GPSantenne in of uit.
Instellingen voor getallen
U kunt de getallen aanpassen die worden weergegeven op het
startscherm van de marifoon.
Selecteer MENU > SYSTEEM > CIJFERS.
LENGTE/BREEDTE: Toont of verbergt de breedtegraad- en
lengtegraad-waarden van de GPS-positie of van handmatig
ingevoerde positiegegevens.
TIJD: Toont of verbergt de tijd die wordt aangeleverd door het
GPS-signaal of door handmatig ingevoerde informatie.
OPMERKING: De tijd wordt alleen automatisch bijgewerkt als
u een GPS-positie ontvangt. Als u uw tijd en positie
handmatig invoert, wordt de weergegeven tijd niet
automatisch bijgewerkt. Bij handmatig ingevoerde positie- en
tijdgegevens wordt op het startscherm altijd het invoertijdstip
weergegeven, zelfs als u er bij deze instelling voor kiest om
de tijd te verbergen.
COG/SOG: Hiermee toont of verbergt u informatie over de koers
over de grond (COG) en snelheid over de grond (SOG).
OPMERKING: U moet een GPS-positie ontvangen om
informatie over de koers over de grond (COG) en de snelheid
over de grond (SOG) weer te geven.
Eenheden instellen
U kunt de maateenheid instellen die u wilt gebruiken voor de
waarden die op de marifoon worden weergegeven.
Selecteer MENU > SYSTEEM > EENHEDEN.
SNELHEID: Hiermee stelt u de maateenheid in voor de
weergave van snelheidgerelateerde velden, zoals snelheid
over de grond.
TIJD > INDELING: Hiermee stelt u de tijdnotatie in.
VOORLIGGENDE KOERS: Hiermee stelt u in of de marifoon
voor weergave van alle berekeningen van voorliggende
koersen, zoals de koers over de grond (COG), het ware of
het magnetische noorden gebruikt.
OPMERKING: Als de marifoon is geconfigureerd voor NMEA
2000 communicatie, wordt de eenheid voor voorliggende
koers ingesteld op AUTO en worden de gegevens over de
voorliggende koers weergegeven op basis van de informatie
die wordt verstrekt via het netwerk. Deze instelling kan niet
worden gewijzigd.
Systeeminstellingen
Een frequentieband selecteren
U kunt schakelen tussen de Amerikaanse, internationale en
Canadese frequentiebanden (Kanalenlijst, pagina 12).
OPMERKING: Niet alle frequentiebanden zijn beschikbaar op
alle modellen.
1 Selecteer MENU > KANAAL > FREQUENTIEBAND.
2 Selecteer een frequentieband.
Een kanaalnaam wijzigen
De kanaalnamen verschijnen op het startscherm en bestaan uit
negen tekens. Als een kanaalnaam langer is dan negen tekens,
schuift de volledige naam over de bovenkant van het scherm,
waarna de verkorte naam wordt weergegeven. U kunt de naam
van een kanaal desgewenst wijzigen in een naam met een
lokale beschrijving.
1 Selecteer MENU > KANAAL > NAAM.
2 Draai aan de knop SELECT om een kanaal te selecteren en
selecteer OK.
3 Wijzig de naam van het kanaal (Tekst invoeren, pagina 4).
4 Selecteer ACCEPTEER.
De fabrieksinstellingen herstellen
U kunt de instellingen van de marifoon terugzetten naar de
standaardfabrieksinstellingen. Als u de fabrieksinstellingen van
de marifoon herstelt, gaan alle wijzigingen en aanpassingen aan
het systeem verloren. Bij het herstellen van de
fabrieksinstellingen worden de oproeplogs verwijderd, maar
blijven groepitems, schepenlijstitems, het MMSI-nummer en het
ATIS-identificatienummer bewaard.
1 Selecteer MENU > SYSTEEM > SYSTEEMINFO >
HERSTEL.
2 Selecteer JA om het herstellen van de fabrieksinstellingen te
bevestigen.
Appendix
Waarschuwingen en berichten
BATTERIJ-ALARM: Gaat af wanneer de batterij een
opgegeven minimum- of maximumvoltage bereikt. Controleer
de bedrading van de batterij.
WX: Gaat af wanneer u een weeralarm instelt en de marifoon
detecteert een binnenkomend weeralarm (NOAA weeruitzendingen en -waarschuwingen, pagina 4). De
marifoon wordt automatisch afgestemd op het weerkanaal
dat het alarm uitzendt.
GPS-ALARM: Gaat voor de eerste keer af wanneer GPSgegevens van een NMEA netwerk of handmatige ingevoerde
positiegegevens meer dan vier uur oud zijn. Gaat nogmaals
af wanneer GPS-gegevens van een NMEA netwerk of
handmatige ingevoerde positiegegevens meer dan 23,5 uur
oud zijn (Handmatig ingevoerde positie-informatie, pagina 9).
®
11
POSITIE VOLGEN: Verschijnt na vijf opeenvolgende mislukte
pogingen om de positiegegevens van een vaartuig op te
vragen (Positie bijhouden, pagina 8).
Ontvangen
Kanalenlijst
De internationale, Amerikaanse en Canadese kanaallijsten zijn
online beschikbaar voor referentie. U bent zelf verantwoordelijk
voor het correcte gebruik van kanalen overeenkomstig de
plaatselijke regelgeving.
• Ga naar www.navcen.uscg.gov/?pageName=apps18 om de
laatste internationale lijst te bekijken.
• Ga naarwww.navcen.uscg.gov/?pageName=mtVhf om de
meest recente Amerikaanse kanaallijst te bekijken.
• Ga naar www.ic.gc.ca/eic/site/smt-gst.nsf/eng/sf01011
.html#sched1 om de meest recente Canadese kanaallijst te
bekijken.
Specificaties
Telegram
Beschrijving
GGA
GPS-positiebepalingsgegevens
GLL
Geografische positie (breedtegraad/lengtegraad)
GNS
GNSS positiebepalingsgegevens
RMA
Aanbevolen minimum specifieke Loran-C gegevens
RMB
Aanbevolen minimum navigatie-informatie
RMC
Aanbevolen minimum specifieke GNSS-gegevens
U kunt de volledige informatie over NMEA indeling (National
Marine Electronics Association) en telegrammen aanschaffen op
www.nmea.org.
NMEA 2000 PGN informatie
Zenden
PGN
Beschrijving
059392
ISO bevestiging
Specificatie
Afmetingen
060928
ISO adresreservering
Afmetingen (H x B x D)
VHF 110/115: 8,5 x 17 x 14,6 cm (3,35 x
6,7 x 5,75 in.)
VHF 210/215: 9,8 x 19,7 x 14,9 cm
(3,86 x 7,76 x 5,78 in.)
126208
NMEA aanvraag/commando/bevestiging
126464
PGN-lijst
126996
Productinformatie
129799
Radiofrequentie/modus/vermogen
129808
DSC Call-informatie
Gewicht
VHF 110/115 (met microfoon): 1,241 kg
(43,77 oz.)
VHF 210/215 (zonder microfoon):
1,212 kg (42,75 oz.)
VHF 210/215 microfoon: 0,248 kg
(8,75 oz.)
Ontvangen
PGN
Beschrijving
059392
ISO bevestiging
ISO-aanvraag
Bedrijfstemperatuurbereik
Van -15° tot 70°C (van 5° tot 158°F)
Bereik opslagtemperatuur
Van -20° tot 70°C (van -4° tot 158°F)
059904
Kompasveilige afstand
VHF 110/115: 70 cm (27,6 in.)
VHF 210/215: 75 cm (29,5 in.)
060928
ISO adresreservering
126208
NMEA aanvraag/commando/bevestiging
129026
COG/SOG, snelle update
129029
GNSS positiegegevens
IPX71
Waterbestendigheid
IEC 60529
Antenneconnector
S0-239 (50 Ω)
Bedrijfsspanning
12,0 V gelijkstroom
Stand-by huidig vermogen
350 mA
Zenden (alleen AIS modellen)
Huidig vermogen ontvangen
600 mA
PGN
Beschrijving
Transmissie huidig vermogen Van 2,0 A tot 6,0 A (van 1 W tot 25 W)
129038
Klasse A positierapport
Maximale antenneversterking 9 dBi
129039
Klasse B positierapport
Impedantie antennepoort
50 Ω
129040
Klasse B uitgebreid positierapport
Audio-uitgangsvermogen
interne luidspreker
1 W (bij 4 Ω met 10% vervorming)
129794
AIS klasse A vaste gegevens en vaargegevens
129798
AIS, SAR, positierapport voor vliegtuigen
Audio-uitgangsvermogen
externe luidspreker
4 W (4 Ω/max)
129802
AIS broadcast safety-bericht
Impedantie externe luidspreker
4Ω
129809
AIS klasse B vaste gegevens, deel A
129810
AIS klasse B vaste gegevens, deel B
Uitgangsvermogen scheeps- 20 W bij 4 Ω
megafoon
Impedantie scheepsmegafoon
4Ω
NMEA
NMEA 0183 informatie
Zenden
Telegram
Beschrijving
DSC
DSC-informatie
DSE
Uitgebreide DSC
1
12
De behuizing schoonmaken
LET OP
Vermijd chemische schoonmaakmiddelen en oplosmiddelen die
de kunststofonderdelen kunnen beschadigen.
1 Maak de behuizing van het toestel (niet het scherm) schoon
met een doek die is bevochtigd met een mild
schoonmaakmiddel.
2 Veeg het toestel vervolgens droog.
Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water tot een diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten.
Ga voor meer informatie naar www.garmin.com/waterrating.
Appendix
Index
A
AIS 10
alarmen 11
automatic transmitter identification system 9,
10
C
contrast 11
D
Digital Selective Calling (DSC) 5, 7, 8
instellingen 9
DSC. Zie Digital Selective Calling (DSC)
dual watch 3
F
fabrieksinstellingen 11
systeeminstellingen 11
T
tekst, inschakelen 4
tijd
instellen 11
zone 11
toestel, schoonmaken 12
tri watch 3
V
veiligheidsoproep 6
vermogen 3
VHF radio, uitzenden 2
volume, aanpassen 2, 11
W
weer
berichten 4
uitzendingen 4
G
groepsoproepen 6, 7, 9
I
instellingen 2, 11
K
kaartplotter 10
kanalen 2, 11, 12
16/9 3
16+ 3
bewaken 3
Canada 6
Internationaal 6
opslaan 2
prioriteit 3
scannen 2, 3
uitzenden 3
vermogen 3
VS 6
knoppen 1
voeding 2
M
maateenheden 11
marifoon, persoonlijke standaardoproep 2
megafoon 4
misthoorn 4
MMSI 5
N
netwerk 10
NMEA 0183 10, 12
NMEA 2000 10, 12
noodoproepen 5–7
annuleren 6
intrekken 6
O
ontvanger, gevoeligheid 3
oproepen ontvangen 7, 9
oproepen plaatsen 6
alle schepen 6
oproeplog 8
P
pictogrammen 1
pieper 11
positie 9
aanvraag 7
volgen 8
positieaanvraag 9
S
schepenlijst 8, 9
schermverlichting 11
spoedoproep 6
squelch 2
startscherm 1
aanpassen 11
systeeminformatie 1
Index
13
support.garmin.com
Juni 2019
190-02426-00_0B
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising