Garmin | GPSMAP® 66st | User manual | Garmin GPSMAP® 66st Gebruikershandleiding

Garmin GPSMAP® 66st Gebruikershandleiding
GPSMAP 66
®
Gebruikershandleiding
© 2018 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van Garmin. Garmin
behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of
organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin , het Garmin logo, ANT+ , Auto Lap , AutoLocate , City Navigator , GPSMAP , inReach , TracBack en VIRB zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen,
geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. chirp™, Connect IQ™, Garmin Connect™, Garmin Explore™, Garmin Express™, tempe™ en Xero™ zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of
haar dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
®
®
®
®
®
®
®
®
Android™ is een handelsmerk van Google Inc. Apple en Mac zijn handelsmerken van Apple Inc., geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. Het woordmerk en de logo's van
Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG, Inc. en voor het gebruik van deze merknaam door Garmin is een licentie verkregen. microSD en het microSDHC logo zijn handelsmerken van
SD-3C, LLC. NMEA is een geregistreerd handelsmerk van de National Marine Electronics Association. Wi‑Fi is een geregistreerd handelsmerk van Wi-Fi Alliance Corporation. Windows is een
geregistreerd handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en andere landen. Overige handelsmerken en merknamen zijn het eigendom van hun respectieve eigenaars.
®
®
®
®
®
®
®
Inhoudsopgave
Inleiding........................................................................... 1
Overzicht van het toestel ............................................................ 1
Batterijgegevens ......................................................................... 1
Levensduur van de batterijen maximaliseren ........................ 1
De modus Batterijbesparing inschakelen .............................. 1
Expeditiemodus inschakelen ................................................. 1
Langdurige opslag ................................................................. 1
Batterijen plaatsen ...................................................................... 1
Een NiMH-batterijpak plaatsen ................................................... 1
Het batterijpak opladen .......................................................... 2
Het toestel inschakelen ............................................................... 2
De schermverlichting inschakelen ......................................... 2
De schermverlichting aanpassen ........................................... 2
Knoppen ..................................................................................... 2
De knoppen vergrendelen ..................................................... 2
Satellietsignalen ontvangen ........................................................ 2
De hoofdpagina's gebruiken......................................... 2
Het hoofdmenu openen .............................................................. 2
Kaart ........................................................................................... 3
De oriëntatie van de kaart wijzigen ........................................ 3
De afstand op de kaart meten ............................................... 3
Instellingen kaartpagina ......................................................... 3
Kaartinstellingen ................................................................ 3
Geavanceerde kaartinstellingen ....................................... 3
Kompas ....................................................................................... 3
Het kompas gebruiken ........................................................... 3
Koerswijzer ............................................................................ 3
Navigeren met Peil en ga ....................................................... 3
Kompasinstellingen ................................................................ 3
Het kompas kalibreren ...................................................... 4
Koersinstellingen ............................................................... 4
Tripcomputer ............................................................................... 4
Tripcomputerinstellingen ........................................................ 4
Hoogtemeter ............................................................................... 4
Instellingen voor de hoogtemeter .......................................... 4
Hoogtemeterinstellingen ................................................... 4
De barometrische hoogtemeter kalibreren ........................ 4
Navigatie......................................................................... 5
Navigeren naar een bestemming ............................................... 5
Navigeren met de kaart .......................................................... 5
Navigeren met het kompas .................................................... 5
Stoppen met navigeren .......................................................... 5
Via-punten .................................................................................. 5
Een waypoint maken .............................................................. 5
Naar een via-punt navigeren ................................................. 5
Een via-punt bewerken .......................................................... 5
Een via-punt verwijderen ....................................................... 5
Via-punt middelen .................................................................. 5
Een via-punt projecteren ........................................................ 5
Een waypoint op de kaart verplaatsen ................................... 5
Een locatie in de buurt van een waypoint zoeken ................. 5
Een nabijheidswaarschuwing voor een waypoint instellen .... 5
Een waypoint toevoegen aan uw route .................................. 5
Een waypoint verplaatsen naar uw huidige locatie ................ 6
Routes ........................................................................................ 6
Een route maken .................................................................... 6
Een opgeslagen route navigeren ........................................... 6
De actieve route weergeven ............................................. 6
Een route bewerken ............................................................... 6
Een route weergeven op de kaart .......................................... 6
De hoogtegrafiek van een route weergeven .......................... 6
De naam van een route wijzigen ........................................... 6
Een route omkeren ................................................................ 6
Inhoudsopgave
Een route verwijderen ............................................................ 6
Opnamen .................................................................................... 6
Opname-instellingen .............................................................. 6
Geavanceerde opname-instellingen ................................. 6
De huidige activiteit weergeven ............................................. 6
Navigeren met behulp van TracBack® .................................. 7
De huidige activiteit stoppen .................................................. 7
Een opgeslagen activiteit navigeren ...................................... 7
Een opgeslagen activiteit verwijderen ................................... 7
Een activiteit omkeren ............................................................ 7
Een spoor maken op basis van een opgeslagen activiteit ..... 7
Optionele kaarten ....................................................................... 7
Extra kaarten kopen ............................................................... 7
Een adres zoeken .................................................................. 7
Connected functies........................................................ 7
Vereisten voor connected functies ............................................. 7
Een smartphone met uw toestel koppelen ................................. 8
Telefoonmeldingen ..................................................................... 8
Meldingen van uw telefoon weergeven ................................. 8
Meldingen verbergen ............................................................. 8
Meldingen beheren ................................................................ 8
Verbinding maken met een draadloos netwerk .......................... 8
Connect IQ functies .................................................................... 8
Connect IQ functies downloaden ........................................... 8
Connect IQ functies downloaden via uw computer ................ 8
Connect IQ widgets weergeven ............................................. 8
Garmin Explore ........................................................................... 8
Deelnemen aan een GroupTrack sessie .................................... 8
Tips voor GroupTrack sessies ............................................... 9
Hulpmiddelen in het hoofdmenu...................................9
BirdsEye beelden ........................................................................ 9
BirdsEye beelden downloaden .............................................. 9
Geocaches ................................................................................10
Uw toestel registeren op Geocaching.com .......................... 10
Verbinding maken met Geocaching.com ........................ 10
Geocaches downloaden via een computer .......................... 10
Een geocache zoeken ......................................................... 10
De lijst met geocaches filteren ............................................. 10
Een aangepast geocachefilter opslaan ........................... 10
Uw eigen geocachefilters bewerken ............................... 10
Geocache-details weergeven .............................................. 10
Naar een geocache navigeren ............................................. 10
Hints en aanwijzingen gebruiken om een geocache te
vinden .............................................................................. 10
De poging loggen ................................................................. 11
chirp ..................................................................................... 11
Zoeken naar chirp inschakelen ....................................... 11
Een geocache met een chirp zoeken .............................. 11
Live geocachegegevens van het toestel verwijderen .......... 11
Toestelregistratie verwijderen van Geocaching.com ........... 11
Een nabijheidswaarschuwing instellen ..................................... 11
Een gevarenzone bewerken of verwijderen ......................... 11
Gegevens draadloos verzenden en ontvangen ........................ 11
Een profiel selecteren ............................................................... 11
De oppervlakte van een gebied berekenen .............................. 11
De VIRB afstandsbediening gebruiken ..................................... 11
De zaklamp gebruiken .............................................................. 12
De inReach afstandsbediening gebruiken ................................ 12
Satellietpagina .......................................................................... 12
GPS-satellietinstellingen ...................................................... 12
Het toestel aanpassen ................................................. 12
De gegevensvelden aanpassen ............................................... 12
Het menu Instellen .................................................................... 12
Systeeminstellingen ............................................................. 13
Satellietinstellingen ......................................................... 13
i
Seriële interface-instellingen ........................................... 13
Scherminstellingen ............................................................... 13
De kleurmodus wijzigen .................................................. 13
Bluetooth instellingen ........................................................... 13
Wi‑Fi instellingen .................................................................. 13
Route-instellingen ................................................................ 13
De toestelgeluiden instellen ................................................. 14
Geocaching-instellingen ....................................................... 14
Draadloze sensoren ............................................................. 14
De draadloze sensoren koppelen ................................... 14
Fitnessinstellingen ............................................................... 14
Ronden op afstand markeren ......................................... 14
Maritieme instellingen wijzigen ............................................ 14
Maritieme alarmsignalen instellen ................................... 14
Menu-instellingen ................................................................. 14
Het hoofdmenu aanpassen ............................................. 14
De paginavolgorde wijzigen ............................................ 14
Instellingen voor positieweergave ........................................ 15
De maateenheden wijzigen ................................................. 15
Tijdinstellingen ..................................................................... 15
Profielen ............................................................................... 15
Een aangepast profiel maken ......................................... 15
De naam van een profiel wijzigen ................................... 15
Een profiel verwijderen .................................................... 15
Gegevens en instellingen herstellen .................................... 15
Standaardpagina-instellingen herstellen ......................... 15
Toestelinformatie......................................................... 15
Productupdates .........................................................................15
Garmin Express instellen ..................................................... 15
De karabijnhaakclip bevestigen ................................................ 16
De karabijnhaakclip verwijderen .......................................... 16
De polsband bevestigen ........................................................... 16
Toestelonderhoud ..................................................................... 16
Het toestel schoonmaken .................................................... 16
Gegevensbeheer ...................................................................... 16
Bestandstypen ..................................................................... 16
Een geheugenkaart installeren ............................................ 16
Het toestel aansluiten op uw computer ................................ 16
Bestanden overbrengen naar uw computer ......................... 16
Bestanden verwijderen ........................................................ 17
De USB-kabel loskoppelen .................................................. 17
Specificaties .............................................................................. 17
Informatie over regelgeving en compliance op e-labels
weergeven ................................................................................ 17
Appendix....................................................................... 17
Gegevensvelden ....................................................................... 17
Meer informatie ......................................................................... 19
Optionele accessoires .............................................................. 19
tempe ................................................................................... 19
Tips voor het koppelen van ANT+ accessoires met uw
Garmin toestel ...................................................................... 19
Problemen oplossen ................................................................. 19
Het toestel opnieuw opstarten ............................................. 19
Hartslagzones ........................................................................... 19
Fitnessdoelstellingen ........................................................... 19
Berekeningen van hartslagzones ........................................ 19
Index.............................................................................. 21
ii
Inhoudsopgave
Inleiding
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Overzicht van het toestel
• Schakel Bluetooth technologie uit (Bluetooth instellingen,
pagina 13).
• Schakel GLONASS of GALILEO uit (GPS en andere
satellietsystemen, pagina 13).
®
De modus Batterijbesparing inschakelen
U kunt de modus Batterijbesparing gebruiken om de levensduur
van de batterij te verlengen.
Selecteer Stel in > Scherm > Batterijbesparing > Aan.
In de modus Batterijbesparing wordt het scherm uitgeschakeld
zodra de time-out van de schermverlichting is verstreken. U kunt
de aan-uitknop selecteren om het scherm in te schakelen.
Expeditiemodus inschakelen
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
Interne satellietantenne
Aan-uitknop
Knoppen
Micro-USB-poort (onder beschermkapje)
microSD kaartuitsparing (onder de batterijen)
®
Batterijvak
Bevestigingsclip
D-ring van de batterijklep
Batterijgegevens
WAARSCHUWING
De temperatuurgrenzen van het toestel kunnen hoger/lager
liggen dan de temperatuurgrenzen van sommige batterijen.
Sommige alkalinebatterijen kunnen bij hoge temperaturen
barsten.
U kunt de expeditiemodus gebruiken om de levensduur van de
batterij te verlengen. In de expeditiemodus wordt het scherm
uitgeschakeld, schakelt het toestel de modus voor laag
energieverbruik in en verzamelt het toestel minder GPSspoorpunten.
1 Selecteer Stel in > Expeditiemodus.
2 Selecteer een optie:
• Als u wilt dat het toestel u vraagt of u de expeditiemodus
wilt inschakelen wanneer u het toestel uitschakelt,
selecteert u Op verzoek.
• Als u de expeditiemodus na twee minuten inactiviteit
automatisch wilt inschakelen, selecteert u Automatisch.
• Als u de expeditiemodus noot wilt inschakelen, selecteert
u Nooit.
In de expeditiemodus knippert de rode LED naast de aanuitknop af en toe.
Langdurige opslag
Verwijder de batterijen als u van plan bent het toestel enige
maanden niet te gebruiken. Opgeslagen gegevens gaan niet
verloren wanneer u de batterijen verwijdert.
Batterijen plaatsen
Het handheldtoestel werkt met twee AA-batterijen (niet
meegeleverd). Gebruik NiMH- of lithiumbatterijen voor het beste
resultaat.
1 Draai de D-ring tegen de klok in en trek deze omhoog om de
klep te verwijderen.
2 Plaats twee AA-batterijen met de contacten in de juiste
richting.
LET OP
Alkalinebatterijen verliezen een groot gedeelte van hun
capaciteit wanneer de temperatuur afneemt. Gebruik
lithiumbatterijen wanneer u het toestel bij temperaturen onder
nul gebruikt.
Levensduur van de batterijen maximaliseren
U kunt verschillende acties ondernemen om de levensduur van
de batterij te verlengen.
• Beperk de helderheid van de schermverlichting (De
schermverlichting aanpassen, pagina 2).
• Beperk de time-out van de schermverlichting
(Scherminstellingen, pagina 13).
• Verlaag de helderheid van de flitser of de flitsfrequentie (De
zaklamp gebruiken, pagina 12).
• Gebruik de batterijbesparingsmodus (De modus
Batterijbesparing inschakelen, pagina 1).
• Gebruik de expeditiemodus (Expeditiemodus inschakelen,
pagina 1).
• Schakel de draadloze connectiviteit uit (Wi‑Fi instellingen,
pagina 13).
Inleiding
3 Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
Een NiMH-batterijpak plaatsen
Het toestel werkt met een optioneel NiMH-batterijpak of met
twee AA-batterijen (Batterijen plaatsen, pagina 1).
1 Draai de D-ring tegen de klok in en trek deze omhoog om de
klep te verwijderen.
2 Bepaal de positie van het batterijpak À.
1
TIP: U kunt NV selecteren om de intensiteit van de
schermverlichting te verminderen voor compatibiliteit met een
nachtzichtbril.
Knoppen
3 Plaats het batterijpak met de polen in de juiste richting.
4 Druk het batterijpak voorzichtig op zijn plaats.
5 Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
Het batterijpak opladen
LET OP
U voorkomt corrosie door de USB-poort, de beschermkap en de
omringende delen grondig af te drogen voordat u het toestel
oplaadt of aansluit op een computer.
Gebruik het toestel niet om een batterij op te laden die niet is
geleverd door Garmin . Pogingen om een batterij op te laden die
niet is geleverd door Garmin, kan schade toebrengen aan het
toestel en de garantie doen vervallen.
FIND
Selecteer om het zoekmenu te openen.
MARK
Selecteer om uw huidige locatie als waypoint op te slaan.
QUIT
Selecteer om te annuleren of om terug te gaan naar het
vorige menu of de vorige pagina.
Selecteer om door de hoofdpagina's te bladeren.
ENTER
Selecteer om opties te kiezen en berichten te bevestigen.
Selecteer om de registratie van de huidige activiteit te
controleren (vanaf de pagina's Kaart, Kompas,
Hoogtemeter en Tripcomputer).
MENU
Selecteer om het optiemenu voor de momenteel
geopende pagina weer te geven.
Selecteer tweemaal om het hoofdmenu te openen (vanuit
elke pagina).
PAGE
Selecteer om door de hoofdpagina's te bladeren.
®
Voordat u de rechte connector van de USB-kabel op uw toestel
kunt aansluiten, moet u mogelijk optionele
bevestingingsaccessoires verwijderen.
OPMERKING: Opladen is alleen mogelijk binnen het
goedgekeurde temperatuurbereik (Specificaties, pagina 17).
U kunt de batterij opladen via een standaard stopcontact of een
USB-poort op uw computer.
1 Trek de beschermkap À van de USB-poort omhoog Á.
Selecteer , ,
of
om menuopties te selecteren en
de kaartcursor te verplaatsen.
Selecteer om in te zoomen op de kaart.
Selecteer om uit te zoomen op de kaart.
De knoppen vergrendelen
U kunt de knoppen vergrendelen om te voorkomen dat iemand
per ongeluk de knoppen indrukt.
Selecteer > Vergrendel knoppen.
Satellietsignalen ontvangen
2 Steek het kleine uiteinde van de USB-kabel in de USB-poort
van het toestel.
3 Steek het grote uiteinde van de USB-kabel in een netadapter
of een USB-poort van een computer.
4 Steek de netadapter zo nodig in een standaard stopcontact.
Als u het toestel op een voedingsbron aansluit, wordt het
toestel ingeschakeld.
5 Laad de batterij volledig op.
Het toestel inschakelen
Houd
ingedrukt.
De schermverlichting inschakelen
Selecteer een willekeurige knop om de schermverlichting in
te schakelen.
De schermverlichting wordt automatisch ingeschakeld
wanneer er waarschuwingen en berichten worden
weergegeven.
De schermverlichting aanpassen
1 Selecteer om de statuspagina te openen.
2 Gebruik en om de helderheid van het scherm aan te
Het kan 30 tot 60 seconden duren voordat u satellietsignalen
ontvangt.
1 Ga naar buiten naar een open gebied.
2 Schakel het toestel in als dat nog niet is gebeurd.
3 Wacht terwijl het toestel satellieten zoekt.
Er knippert een vraagteken terwijl uw locatie wordt bepaald.
op de statusbalk geeft de signaalsterkte van de satelliet
weer. Wanneer de balken gevuld zijn, heeft het toestel
satellietsignalen ontvangen.
De hoofdpagina's gebruiken
De informatie die u nodig hebt om dit toestel te bedienen, vindt u
op de pagina's met het hoofdmenu, de kaart, het kompas, de
reiscomputer en de hoogtemeter.
Selecteer PAGE of QUIT om door de hoofdpagina's te
bladeren.
Het hoofdmenu openen
Het hoofdmenu geeft u toegang tot functies en
instellingsschermen voor waypoints, activiteiten, routes en meer
(Hulpmiddelen in het hoofdmenu, pagina 9, Het menu
Instellen, pagina 12).
Selecteer tweemaal MENU op een willekeurige pagina.
passen.
2
De hoofdpagina's gebruiken
Kaart
geeft uw positie op de kaart aan. Terwijl u zich verplaatst,
beweegt om uw route aan te geven. Waypointnamen en symbolen worden weergegeven op de kaart. Als u naar een
bestemming navigeert, wordt de route met een gekleurde lijn op
de kaart gemarkeerd.
De oriëntatie van de kaart wijzigen
1 Selecteer op de kaart MENU.
2 Selecteer Kaartinstellingen > Oriëntatie.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer Noord boven om het noorden boven aan de
pagina weer te geven.
• Selecteer Koers boven om uw huidige reisrichting boven
aan de pagina weer te geven.
• Selecteer Automodus voor een automotive perspectief
met de reisrichting bovenaan.
De afstand op de kaart meten
U kunt de afstand tussen meerdere locaties meten.
1 Verplaats op de kaart de cursor naar een locatie.
2 Selecteer MENU > Afstand meten.
3 Selecteer meer locaties op de kaart.
Instellingen kaartpagina
Selecteer op de kaart MENU.
Navigatie stoppen: Hiermee stopt u de navigatie van de
huidige route.
Kaartinstellingen: Hiermee kunt u extra kaartinstellingen
openen (Kaartinstellingen, pagina 3).
Afstand meten: Hiermee kunt u de afstand tussen meerdere
locaties meten (De afstand op de kaart meten, pagina 3).
Standaardinstellingen: Hiermee herstelt u de
fabrieksinstellingen van de kaart.
Kaartinstellingen
Selecteer op de kaart MENU, en selecteer dan
Kaartinstellingen.
Configureer kaarten: Hiermee kunt u de op het toestel geladen
kaarten in- of uitschakelen.
Oriëntatie: Hiermee stelt u in hoe de kaart wordt weergegeven
op de pagina. Selecteer Noord boven om het noorden boven
aan de pagina weer te geven. Selecteer Koers boven om uw
huidige reisrichting boven aan de pagina weer te geven.
Selecteer Automodus om een perspectief vanuit de auto met
de rijrichting naar de bovenkant van het scherm weer te
geven.
Dashboard: Selecteert een dashboard voor weergave op de
kaart. Elk dashboard bevat andere informatie over de route of
de locatie.
Navigatieaanwijzingen: Hiermee stelt u in wanneer
navigatieaanwijzingen op de kaart worden weergegeven.
Geav.instell: Hiermee kunt u geavanceerde kaartinstellingen
openen (Geavanceerde kaartinstellingen, pagina 3).
Geavanceerde kaartinstellingen
Select op de kaart MENU, en selecteer Kaartinstellingen >
Geav.instell.
Automatisch zoomen: Hiermee wordt automatisch het juiste
zoomniveau geselecteerd voor optimaal gebruik van de
kaart. Als u Uit selecteert, moet u handmatig in- en
uitzoomen.
Detail: Hiermee stelt u in hoeveel details op de kaart worden
weergegeven. Door het weergeven van meer details is het
mogelijk dat de kaart langzamer opnieuw wordt getekend.
Arcering: Geeft reliëfdetails weer op de kaart (indien
beschikbaar) of schakelt arcering uit.
De hoofdpagina's gebruiken
Voertuig: Hiermee kunt u het positiepictogram wijzigen,
waarmee uw positie op de kaart wordt aangegeven. Het
standaardpictogram is een klein blauw driekhoekje.
Zoomniveaus: Hiermee wordt het zoomniveau ingesteld voor
weergave van items op de kaart. Kaartitems worden niet
weergegeven wanneer het zoomniveau van de kaart hoger is
dan het geselecteerde niveau.
Tekstgrootte: Hiermee stelt u de tekstgrootte voor kaartitems
in.
Kompas
Tijdens het navigeren wijst naar uw bestemming, ongeacht in
welke richting u zich verplaatst. Wanneer naar de bovenkant
van het elektronische kompas wijst, reist u recht naar uw
bestemming. Als in een andere richting wijst, moet u het
draaien totdat het naar de bovenkant van het kompas wijst.
Het kompas gebruiken
U kunt het kompas gebruiken om een actieve route te
navigeren.
1 Selecteer PAGE.
2 Houd het toestel horizontaal.
3 Volg naar uw bestemming.
Koerswijzer
De koerswijzer is vooral handig bij navigatie op het water of op
open plekken zonder grote obstakels. De koerswijzer kan u ook
helpen gevaren nabij de koers, zoals ondiepten of rotsen onder
water te vermijden.
Om de koerswijzer in te schakelen, selecteert u vanuit het
kompas MENU > Stel voorliggende koers in > Ga naar lijn/
wijzer > Koers (krs.afw.indic.).
De koerswijzer À geeft uw relatie aan tot de koerslijn die naar
uw bestemming leidt. De koersafwijkingsindicator (CDI) Á geeft
de afwijking (links of rechts) ten opzichte van de koers weer. De
schaal  heeft betrekking op de afstand tussen de punten à op
de koersafwijkingsindicator, die de afwijking ten opzichte van de
koers weergeeft.
Navigeren met Peil en ga
U kunt het toestel op een object in de verte richten, de richting
vergrendelen en vervolgens naar het object navigeren.
1 Selecteer Peil en ga.
2 Richt het toestel op een object.
3 Selecteer Zet richting vast > Stel koers in.
4 Navigeer met behulp van het kompas.
Kompasinstellingen
Selecteer op het kompas MENU.
Peil en ga: Hiermee kunt u het toestel op een object in de verte
richten en navigeren met het object als referentiepunt
(Navigeren met Peil en ga, pagina 3).
Navigatie stoppen: Hiermee stopt u de navigatie van de
huidige route.
Wijzig dashboard: Hiermee wijzigt u het thema en de informatie
die op het dashboard wordt weergegeven.
3
Stel schaal in: Hiermee stelt u de schaal in voor de afstand
tussen punten op de koersafwijkingsindicator.
Kalibreer kompas: Hiermee kunt het kompas kalibreren als uw
kompas onregelmatigheden vertoont, bijvoorbeeld nadat u
lange afstanden hebt afgelegd of na extreme
temperatuurschommelingen (Het kompas kalibreren,
pagina 4).
Stel voorliggende koers in: Hiermee kunt u de instellingen
voor de kompaskoers aanpassen (Koersinstellingen,
pagina 4).
Wijzig gegevensvelden: Hiermee past u de gegevensvelden
van het kompas aan.
Standaardinstellingen: Hiermee herstelt u de
fabrieksinstellingen van het kompas.
Het kompas kalibreren
Voordat u het elektronisch kompas kunt kalibreren, moet u
buiten zijn en uit de buurt van objecten die invloed hebben op
magnetische velden, zoals auto's, gebouwen of
elektriciteitskabels.
Het toestel is voorzien van een elektronisch kompas met drie
assen. Kalibreer het kompas nadat u lange afstanden hebt
afgelegd, als u de batterijen hebt vervangen of in geval van
temperatuurschommelingen.
1 Selecteer op de kompaspagina MENU.
2 Selecteer Kalibreer kompas > Start.
3 Volg de instructies op het scherm.
Koersinstellingen
Druk vanuit het kompas op MENU en selecteer Stel
voorliggende koers in.
Scherm: Hiermee selecteert u het type koersweergave van het
kompas.
Noordreferentie: Hiermee stelt u de noordreferentie van het
kompas in.
Ga naar lijn/wijzer: Hiermee stelt u het gedrag van de wijzer op
de kaart in. Peiling wijst in de richting van uw bestemming.
Koers toont uw relatie tot de koerslijn die naar de
bestemming leidt.
Kompas: Selecteer Auto om over te schakelen van een
elektronisch kompas naar een GPS-kompas als u zich
gedurende een bepaalde periode met grotere snelheid
verplaatst.
Kalibreer kompas: Hiermee kunt het kompas kalibreren als uw
kompas onregelmatigheden vertoont, bijvoorbeeld nadat u
lange afstanden hebt afgelegd of na extreme
temperatuurschommelingen (Het kompas kalibreren,
pagina 4).
Tripcomputer
De tripcomputer geeft uw huidige snelheid, de gemiddelde
snelheid, de tripteller en andere statistische gegevens weer. U
kunt de indeling van de tripcomputer, het dashboard en de
gegevensvelden aanpassen.
Tripcomputerinstellingen
Selecteer in de tripcomputer MENU.
Herstel: Hiermee stelt u alle tripcomputerwaarden op nul in. Als
u nauwkeurige reisinformatie wilt hebben, dient u de
tripgegevens te herstellen voordat u een reis begint.
Wijzig gegevensvelden: Hiermee past u de gegevensvelden
van de tripcomputer aan.
Wijzig dashboard: Hiermee wijzigt u het thema en de informatie
die op het dashboard wordt weergegeven.
OPMERKING: Uw aangepaste instellingen worden door het
dashboard onthouden. Uw instellingen gaan niet verloren als
u van profiel verandert (Profielen, pagina 15).
4
Voeg pagina toe: Hiermee voegt u een extra pagina met
aanpasbare gegevensvelden in.
TIP: U kunt de pijlknoppen gebruiken om door de
verschillende pagina's te bladeren.
Wis pagina: Hiermee verwijdert u een extra pagina met
aanpasbare gegevensvelden.
Meer gegevens: Voegt extra gegevensvelden toe aan de
tripcomputer.
Minder gegevens: Verwijdert gegevensvelden uit de
tripcomputer.
Standaardinstellingen: Hiermee herstelt u de
fabrieksinstellingen van de tripcomputer.
Hoogtemeter
De hoogtemeter toont standaard de hoogtegegevens van de
gereisde afstand. U kunt de hoogtemeterinstellingen aanpassen
(Hoogtemeterinstellingen, pagina 4). U kunt elk punt op het
profiel selecteren om de details over dat punt te bekijken.
Instellingen voor de hoogtemeter
Selecteer MENU op hoogtemeter.
Herstel: Hiermee herstelt u de gegevens van de hoogtemeter,
waaronder waypoint-, spoor- en reisgegevens.
Stel hoogtemeter in: Geeft toegang tot extra
hoogtemeterinstellingen (Hoogtemeterinstellingen,
pagina 4).
Pas zoombereik aan: Hiermee past u de zoombereiken aan die
worden weergegeven op de hoogtemeterpagina.
Wijzig gegevensvelden: Hiermee kunt u de gegevensvelden
van de hoogtemeter aanpassen.
Standaardinstellingen: Hiermee herstelt u de
fabrieksinstellingen van de hoogtemeter.
Hoogtemeterinstellingen
Selecteer vanuit de hoogtemeter MENU > Stel hoogtemeter in.
Automatische kalibratie: Voert automatisch een kalibratie uit
telkens wanneer u het toestel inschakelt.
Barometermodus: Met Variabele hoogte kan de barometer
hoogteverschillen meten terwijl u onderweg bent. Vaste
hoogte gaat ervan uit dat het toestel stilstaat op een vaste
hoogte, zodat de barometerdruk alleen verandert door de
weersomstandigheden.
Luchtdruktrend: Hiermee stelt u in hoe het toestel
drukgegevens vastlegt. Altijd opslaan slaat alle
luchtdrukgegevens op. Dit kan handig zijn als u let op
weerfronten.
Type plot: Hiermee worden hoogteverschillen vastgelegd
gedurende een bepaalde tijd of over een bepaalde afstand,
of plaatselijke luchtdrukverschillen over een bepaalde
tijdsduur.
Kalibreer hoogtemeter: Hiermee kunt u handmatig de
barometrische hoogtemeter kalibreren (De barometrische
hoogtemeter kalibreren, pagina 4).
De barometrische hoogtemeter kalibreren
U kunt de barometrische hoogtemeter handmatig kalibreren als
de juiste hoogte of barometerdruk u bekend is.
1 Ga naar de locatie waarvan de hoogte of de barometerdruk u
bekend is.
2 Selecteer vanuit de hoogtemeter MENU.
3 Selecteer Stel hoogtemeter in > Kalibreer hoogtemeter.
4 Selecteer Methode om de meetwaarde te selecteren die u
wilt gebruiken voor kalibratie.
5 Voer de meetwaarde in.
6 Selecteer Kalibreer.
De hoofdpagina's gebruiken
Navigatie
Navigeren naar een bestemming
1
2
3
4
Selecteer FIND.
Selecteer een categorie.
Selecteer een bestemming.
Selecteer Ga.
De route wordt als een magenta lijn op de kaart
weergegeven.
5 Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart, pagina 5)
of met het kompas (Navigeren met het kompas, pagina 5).
Navigeren met de kaart
1 Start de navigatie naar een bestemming (Navigeren naar een
bestemming, pagina 5).
2 Selecteer Kaart.
Uw locatie wordt op de kaart aangegeven met een blauwe
driehoek. Terwijl u zich verplaatst, verplaatst de blauwe
driehoek zich ook en geeft uw route aan.
3 Voer een van de volgende handelingen uit:
• Als u verschillende gebieden van de kaart wilt weergeven,
selecteert u , , of .
• Selecteer en om in en uit te zoomen op de kaart.
Navigeren met het kompas
Tijdens het navigeren naar een bestemming wijst naar uw
bestemming, ongeacht in welke richting u zich verplaatst.
1 Start de navigatie naar een bestemming (Navigeren naar een
bestemming, pagina 5).
2 Selecteer Kompas.
3 Blijf draaien tot naar de bovenkant van het kompas wijst en
volg die richting om naar uw bestemming te gaan.
Stoppen met navigeren
Selecteer FIND > Navigatie stoppen.
Via-punten
Via-punten zijn locaties die u vastlegt en in het toestel opslaat.
Met via-punten kunt u markeren waar u bent, waar u naartoe
gaat of waar u bent geweest. U kunt details over de locatie
toevoegen, zoals naam, hoogte en diepte.
U kunt een .gpx-bestand met via-punten toevoegen door het
bestand over te brengen naar de GPX-map (Bestanden
overbrengen naar uw computer, pagina 16).
Een waypoint maken
U kunt uw huidige locatie als waypoint opslaan.
1 Selecteer MARK.
2 Selecteer indien nodig een veld als u wijzigingen in het
waypoint wilt aanbrengen.
3 Selecteer Sla op.
Naar een via-punt navigeren
1 Selecteer FIND > Waypoints.
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer Ga.
Een via-punt bewerken
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer een item om te bewerken, bijvoorbeeld de naam.
4 Voer de nieuwe informatie in en selecteer OK.
Een via-punt verwijderen
1 Selecteer Waypoint-beheer.
Navigatie
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer MENU > Wis.
Via-punt middelen
U kunt de locatie van een via-punt verfijnen voor een
nauwkeurigere weergave. Bij het middelen voert het toestel
verschillende metingen op dezelfde locatie uit en gebruikt de
gemiddelde waarde voor een nauwkeurigere meting.
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer MENU > Gem. locatie.
4 Ga naar de locatie van het via-punt.
5 Selecteer Start.
6 Volg de instructies op het scherm.
7 Als de statusbalk Betrouwbaarheid van meting op 100%
staat, selecteer dan Sla op.
Voor de beste resultaten kunt u maximaal acht metingen voor
een via-punt opslaan. Wacht minimaal negentig minuten tussen
de metingen.
Een via-punt projecteren
U kunt een nieuwe locatie maken door de afstand en peiling te
projecteren vanaf een gemarkeerde locatie naar een nieuwe
locatie.
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer MENU > Projecteer wayp..
4 Geef de peiling op en selecteer OK.
5 Selecteer een maateenheid.
6 Voer de afstand in en selecteer OK.
7 Selecteer Sla op.
Een waypoint op de kaart verplaatsen
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een waypoint.
3 Selecteer MENU > Verplaats via-punt.
4 Selecteer een locatie op de kaart.
5 Selecteer Verplaats.
Een locatie in de buurt van een waypoint zoeken
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een waypoint.
3 Selecteer MENU > Zoek nabij hier.
4 Selecteer een categorie.
Op de lijst staan locaties in de buurt van het oorspronkelijke
waypoint.
Een nabijheidswaarschuwing voor een waypoint
instellen
U kunt een nabijheidswaarschuwing voor een waypoint
toevoegen. Gevarenzones waarschuwen u als u zich binnen het
opgegeven bereik van een bepaalde locatie bevindt.
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een waypoint.
3 Selecteer MENU > Stel gev.zone in.
4 Voer de radius in.
Wanneer u een gebied met een nabijheidswaarschuwing
binnengaat, klinkt er een signaal.
Een waypoint toevoegen aan uw route
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een waypoint.
3 Selecteer MENU > Voeg aan route toe.
5
4 Selecteer een route.
Een waypoint verplaatsen naar uw huidige locatie
U kunt de locatie van een waypoint wijzigen. Als u bijvoorbeeld
uw voertuig verplaatst, kunt u de locatie wijzigen in uw huidige
locatie.
1 Selecteer Waypoint-beheer.
2 Selecteer een waypoint.
3 Selecteer MENU > Verplaats naar hier.
De locatie van het waypoint wordt gewijzigd in uw huidige
locatie.
Routes
Een route bestaat uit een serie via-punten of locaties die u naar
uw bestemming leidt.
Een route maken
1 Selecteer Routeplanner > Route maken > Selecteer eerste
2
3
4
5
6
punt.
Selecteer een categorie.
Selecteer het eerste punt in de route.
Selecteer Gebruik.
Selecteer Kies volgend punt om meer punten aan de route
toe te voegen.
Selecteer QUIT om de route op te slaan.
Een opgeslagen route navigeren
1 Selecteer FIND > Routes.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Ga.
De actieve route weergeven
1 Selecteer tijdens het navigeren van een route Actieve route.
2 Selecteer een punt in de route om meer details weer te
geven.
Een route bewerken
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wijzig route.
4 Selecteer een punt.
5 Selecteer een optie:
• Selecteer Controleer om het punt op de kaart weer te
geven.
• Selecteer Omhoog of Omlaag als u de volgorde van de
punten in de route wilt wijzigen.
• Selecteer Voeg in als u een punt aan de route wilt
toevoegen.
Het nieuwe punt wordt ingevoegd vóór het geselecteerde
punt.
• Selecteer Verwijder als u het punt uit de route wilt
verwijderen.
Selecteer
QUIT om de route op te slaan.
6
Een route weergeven op de kaart
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Bekijk kaart.
De hoogtegrafiek van een route weergeven
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Hoogteprofiel.
6
De naam van een route wijzigen
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wijzig naam.
4 Typ de nieuwe naam.
Een route omkeren
U kunt de begin- en eindpunten van uw route omwisselen om de
route in omgekeerde richting te volgen.
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Keer route om.
Een route verwijderen
1 Selecteer Routeplanner.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wis route.
Opnamen
Uw toestel registreert uw pad als een activiteit. Activiteiten
bevatten informatie over de punten langs de geregistreerde
route, inclusief de tijd, locatie en hoogtegegevens voor ieder
punt.
Opname-instellingen
Selecteer Stel in > Vastleggen.
Opnamemethode: Hiermee stelt u de opnamemethode in. De
optie Automatisch legt punten met variabele intervallen vast
voor een optimale weergave van uw route. U kunt ook punten
op specifieke tijd- of afstandintervallen opnemen.
Interval: Hiermee stelt u de opnamefrequentie in. Bij frequenter
vastleggen van punten ontstaat er een gedetailleerdere
route, maar raakt het opnamelog ook sneller vol.
Auto Pause: Hiermee stopt u het vastleggen van uw route
wanneer u zich niet verplaatst.
Automatisch starten: Hiermee stelt u in dat het toestel
automatisch een nieuwe opname start wanneer de vorige
opname eindigt.
Geav.instell: Hiermee kunt u extra opname-instellingen openen
(Geavanceerde opname-instellingen, pagina 6).
Geavanceerde opname-instellingen
Selecteer Stel in > Vastleggen > Geav.instell.
Uitvoerindeling: Hiermee stelt u in dat de opname wordt
opgeslagen als FIT- of GPX/FIT-bestand op het toestel
(Bestandstypen, pagina 16).
• FIT legt uw activiteit vast met fitnessinformatie die is
toegesneden op de Garmin Connect™ app en voor
navigatie kan worden gebruikt.
• FIT en GPX legt uw activiteit vast als een traditioneel
spoor dat op de kaart kan worden bekeken en kan worden
gebruikt voor navigatie, en als een activiteit met
fitnessinformatie.
GPX Auto Archive: Hiermee selecteert u een methode voor
automatisch archiveren om uw opnamen te organiseren.
Opnamen worden automatisch opgeslagen en gewist.
Reis vastleggen: Hiermee kunt u de optie voor het vastleggen
van reisgegevens instellen.
Herstel vastgelegde geg.: Hiermee kunt u een optie voor het
herstellen van gegevens instellen. Met de optie Activity and
Trip worden de opname- en reisgegevens aan het eind van
het actieve opname teruggezet op nul. De optie Op verzoek
vraagt u om de gegevens te selecteren die u wilt herstellen.
De huidige activiteit weergeven
1 Selecteer Opnameknoppen.
Navigatie
2 Selecteer
en om een optie weer te geven:
• Als u de opname van de huidige activiteit wilt regelen,
selecteert u .
• Als u gegevensvelden voor de activiteit wilt weergeven,
selecteert u .
• Als u de huidige activiteit op de kaart wilt weergeven,
selecteert u .
• Als u de hoogtegrafiek voor de huidige activiteit wilt
weergeven, selecteert u .
Navigeren met behulp van TracBack
®
Tijdens het navigeren kunt u terug navigeren naar het begin van
uw activiteit. Dit kan handig zijn als u de weg naar een kamp of
het begin van een wandelroute wilt terugvinden.
1 Selecteer Opnameknoppen.
2 Selecteer om naar het tabblad Map te schakelen.
3 Selecteer TracBack.
Op de kaart wordt uw route van begin- tot eindpunt
aangegeven met een magenta lijn.
4 Navigeren met de kaart of het kompas.
De huidige activiteit stoppen
1 Selecteer vanuit de hoofdpagina's ENTER > Stop.
2 Selecteer een optie:
• Als u de opname wilt hervatten, selecteert u Hervat.
• Selecteer om de activiteit op te slaan.
• Als u de activiteit wilt verwijderen en de tripcomputer
opnieuw wilt instellen, selecteert u .
Een opgeslagen activiteit navigeren
1 Selecteer FIND > Opgen. activiteiten.
2 Selecteer een activiteit.
3 Selecteer Ga.
Een opgeslagen activiteit verwijderen
1 Selecteer Opgen. activiteiten.
2 Selecteer een activiteit.
3 Selecteer MENU > Wis.
Een activiteit omkeren
U kunt de begin- en eindpunten van uw activiteit omwisselen om
de activiteit in omgekeerde richting te volgen.
1 Selecteer Opgen. activiteiten.
2 Selecteer een activiteit.
3 Selecteer MENU > Omgekeerde kopie.
Een spoor maken op basis van een opgeslagen
activiteit
U kunt een spoor maken op basis van een opgeslagen activiteit.
Hiermee kunt u uw spoor draadloos delen met andere
compatibele Garmin toestellen.
1 Selecteer Opgen. activiteiten.
2 Selecteer een activiteit.
3 Selecteer MENU > Opslaan als spoor.
Extra kaarten kopen
1 Ga naar de productpagina van uw toestel op
www.garmin.com.
2 Klik op het tabblad Maps.
3 Volg de instructies op het scherm.
Een adres zoeken
U kunt optionele City Navigator kaarten gebruiken om naar
adressen te zoeken.
1 Selecteer FIND > Adressen.
2 Selecteer Zoekgebied en voer het land, de regio of stad in.
3 Selecteer Nummer en voer het huisnummer in.
4 Selecteer Straatnaam en voer de straatnaam in.
Connected functies
Connected functies zijn beschikbaar voor uw GPSMAP 66
series toestel als u het toestel verbindt met een draadloos
netwerk of een compatibele smartphone via
Bluetoothtechnologie. Voor sommige functies moet u de Garmin
Connect Mobile app of Garmin Explore™ app op uw smartphone
installeren. Ga naar garmin.com/apps voor meer informatie.
Telefoonmeldingen: Geeft telefoonmeldingen en berichten
weer op uw GPSMAP 66 series toestel.
LiveTrack: Laat vrienden en familie uw activiteiten in real-time
volgen. U kunt volgers uitnodigen via e-mail of social media,
waardoor zij uw live-gegevens op een Garmin Connect
volgpagina kunnen zien.
GroupTrack: Hiermee kunt u uw connecties die LiveTrack
gebruiken, direct op het scherm en in real-time volgen.
Activiteiten uploaden naar Garmin Connect: Uw activiteit
wordt automatisch naar uw Garmin Connect account
verstuurd zodra u klaar bent met het vastleggen van de
activiteit.
Connect IQ™: Hiermee kunt u de toestelfuncties uitbreiden met
widgets, gegevensvelden en apps.
Garmin Explore: De Garmin Explore app synchronizeert en
deelt waypoints, tracks en routes met uw toestel. U kunt ook
kaarten downloaden naar uw smartphone voor offline
toegang.
Software-updates: Hiermee kunt u de toestelsoftware
bijwerken.
EPO-downloads: Hiermee kunt u een Extended Prediction
Orbit-bestand downloaden waarmee u snel GPS-satellieten
kunt vinden en de tijd kunt bekorten die nodig is om een
eerste GPS-locatie te krijgen.
Live geocachegegevens: Biedt betaalde of
abonnementservices voor het weergeven van live
geocachegegevens van www.geocaching.com.
Weer: Hiermee kunt u actuele weersomstandigheden en
weersverwachtingen weergeven. U kunt ook een weerradar
op de kaart bekijken.
Bluetooth sensoren: Hiermee kunt u Bluetooth compatibele
sensoren koppelen, bijvoorbeeld een hartslagmeter.
Vereisten voor connected functies
Optionele kaarten
U kunt deze extra kaarten in het toestel laden, zoals BirdsEye
satellietbeelden, BlueChart g2 kaarten en gedetailleerde City
Navigator kaarten. Gedetailleerde kaarten hebben bijvoorbeeld
meer nuttige punten, zoals restaurants of watersportdiensten.
Ga voor meer informatie naar http://buy.garmin.com of neem
contact op met uw Garmin dealer.
®
Sommige functies vereisen een smartphone en een specifieke
app op uw smartphone.
®
Connected functies
7
Functie
Verbonden met een
gekoppelde
smartphone via de
Garmin Connect
Mobile app
Verbonden met
een Wi‑Fi netwerk
Activiteiten uploaden
naar Garmin Connect
Ja
Ja
Software-updates
Ja
Ja
EPO-downloads
Ja
Ja
Live geocachegegevens
Ja
Ja
Weer
Ja
Ja
Telefoonmeldingen
Ja*
Nee
Connect IQ
Ja
Nee
LiveTrack
Ja
Nee
GroupTrack
Ja
Nee
BirdsEye Directe beelden Nee
®
Ja
*Het toestel ontvangt telefoonmeldingen van een gekoppelde
iOS telefoon rechtstreeks, en het ontvangt meldingen via de
Garmin Connect Mobile app op een Android™ telefoon.
®
Een smartphone met uw toestel koppelen
1 Blijf met uw compatibele smartphone binnen 10 m (33 ft.) van
uw toestel.
2 Selecteer in het hoofdmenu op uw toestel, Stel in >
Bluetooth.
3 Schakel op uw compatibele smartphone Bluetooth
technologie in en open Garmin Connect of Garmin Explore.
4 Volg de instructies op het scherm in Garmin Connect of
Garmin Explore om uw toestel te koppelen.
Telefoonmeldingen
Voor telefoonmeldingen is een compatibele smartphone vereist
die is gekoppeld met het GPSMAP 66 toestel. Wanneer uw
telefoon berichten ontvangt, worden meldingen naar uw toestel
verzonden.
Meldingen van uw telefoon weergeven
Voordat u meldingen kunt weergeven, moet u uw toestel
koppelen met uw compatibele smartphone.
1 Selecteer > Meldingen.
2 Selecteer een melding.
Meldingen verbergen
Ontvangen meldingen worden standaard op het toestelscherm
weergegeven. U kunt meldingen verbergen zodat ze niet
worden weergegeven.
Selecteer Stel in > Bluetooth > Meldingen > Verberg.
Meldingen beheren
U kunt meldingen die op uw GPSMAP 66 toestel worden
weergegeven, beheren vanaf uw compatibele smartphone.
Selecteer een optie:
• Als u een Apple smartphone gebruikt, kunt u via de
meldinginstellingen van uw smartphone de items
selecteren die u op het toestel wilt weergeven.
• Als u een smartphone met Android gebruikt, selecteert u
in de Garmin Connect Mobile app de optie Instellingen >
Slimme meldingen.
®
Verbinding maken met een draadloos
netwerk
1 Selecteer Stel in > Wi-Fi.
2 Selecteer zo nodig de schakelaar om Wi‑Fi technologie in te
schakelen.
3 Selecteer Voeg netw. toe.
8
4 Selecteer een draadloos netwerk in de lijst en voer zo nodig
het wachtwoord in.
Het toestel onthoudt de netwerkgegevens voor deze locatie en
maakt voortaan automatisch verbinding als u terugkeert op de
locatie.
Connect IQ functies
U kunt aan uw toestel Connect IQ functies toevoegen van
Garmin en andere leveranciers via de Connect IQ Mobile app. U
kunt uw toestel aanpassen met gegevensvelden, widgets en
apps.
Gegevensvelden: Hiermee kunt u nieuwe gegevensvelden
downloaden die sensors, activiteiten en historische gegevens
op andere manieren presenteren. U kunt Connect IQ
gegevensvelden toevoegen aan ingebouwde functies en
pagina's.
Widgets: Hiermee kunt u direct informatie bekijken, zoals
sensorgegevens en meldingen.
Apps: Hiermee kunt u interactieve functies toevoegen aan uw
toestel, zoals nieuwe soorten buiten- en fitnessactiviteiten.
Connect IQ functies downloaden
Voordat u Connect IQ functies kunt downloaden via de
GPSMAP 66 Mobile app, moet u uw toestel koppelen met uw
smartphone.
1 U kunt de Connect IQ Mobile app via de app store op uw
telefoon installeren en openen.
Selecteer
zo nodig uw toestel.
2
3 Selecteer een Connect IQ functie.
4 Volg de instructies op het scherm.
Connect IQ functies downloaden via uw computer
1 Sluit het toestel met een USB-kabel aan op uw computer.
2 Ga naar apps.garmin.com en meld u aan.
3 Selecteer een Connect IQ functie en download deze.
4 Volg de instructies op het scherm.
Connect IQ widgets weergeven
1 Selecteer .
2 Selecteer of om door de widgets te bladeren.
Garmin Explore
Met de Garmin Explore website en mobiele app kunt u reizen
plannen en gebruikmaken van cloudopslag voor uw waypoints,
routes en tracks. Ze bieden geavanceerde planningsfuncties,
zowel online als offline, en u kunt gegevens delen en
synchroniseren met uw compatibele Garmin toestel. U kunt de
mobiele app gebruiken om kaarten te downloaden en overal te
navigeren, zonder gebruik te maken van uw mobiele service.
U kunt de Garmin Explore app downloaden vanaf de app store
op uw smartphone, of u kunt naar explore.garmin.com gaan.
Deelnemen aan een GroupTrack sessie
Voordat u aan een GroupTrack sessie kunt deelnemen, moet u
beschikken over een Garmin Connect account, een compatibele
smartphone en de Garmin Connect Mobile app.
1 Ga naar buiten en schakel uw toestel in.
2 Koppel uw smartphone met uw toestel (Een smartphone met
uw toestel koppelen, pagina 8).
3 Selecteer in de instellingen van de Garmin Connect Mobile
app, LiveTrack > GroupTrack.
4 Als u meerdere compatibele toestellen hebt, selecteert u een
toestel voor de GroupTrack sessie.
5 Selecteer Zichtbaar voor > Alle connecties.
6 Selecteer Start LiveTrack.
Connected functies
7 Start op uw toestel een activiteit.
Tips voor GroupTrack sessies
Met de functie GroupTrack kunt u andere connecties in uw
groep die LiveTrack gebruiken, direct op het scherm volgen. Alle
leden van de groep moeten connecties van u zijn in uw Garmin
Connect account.
• Start uw activiteit buiten met GPS.
• Koppel uw GPSMAP 66 toestel met uw smartphone via
Bluetooth technologie.
• Selecteer in het instellingenmenu op de Garmin Connect
Mobile app Connecties om de lijst met connecties voor uw
GroupTrack sessie bij te werken.
• Zorg dat al uw connecties zijn gekoppeld met hun
smartphones en start een LiveTrack sessie in de Garmin
Connect Mobile app.
• Zorg dat al uw connecties binnen bereik zijn (40 km of
25 mijl).
• Blader tijdens een GroupTrack sessie naar de kaart om uw
connecties weer te geven.
Hulpmiddelen in het hoofdmenu
Selecteer MENU twee keer.
Opnameknoppen: Hiermee kunt u de details van de huidige
activiteit bekijken en het vastleggen van de huidige activiteit
controleren (De huidige activiteit weergeven, pagina 6).
Meldingen: Waarschuwt u bij inkomende oproepen, smsberichten, updates van sociale netwerken en meer volgens
de meldingsinstellingen op uw smartphone
(Telefoonmeldingen, pagina 8).
Weer: Geeft de huidige temperatuur, temperatuurvoorspelling,
weersverwachting, weerradar, bewolking en windcondities
weer.
Waypoint-beheer: Geeft alle waypoints weer die zijn
opgeslagen op het toestel (Via-punten, pagina 5)
Connect IQ: Toont een lijst met geïnstalleerde Connect IQ apps
(Connect IQ functies, pagina 8).
BirdsEye Direct: Hiermee kunt u BirdsEye Satellite Imagery
direct naar uw toestel downloaden (BirdsEye beelden,
pagina 9).
Geocaching: Toont een lijst met gedownloade geocaches
(Geocaches, pagina 10).
Opgen. activiteiten: Geeft uw huidige activiteit en een lijst met
opgenomen activiteiten weer (Opnamen, pagina 6).
Actieve route: Toont uw actieve route en eventuele
toekomstige waypoints (Routes, pagina 6).
Routeplanner: Geeft een lijst met opgeslagen routes weer en u
kunt hiermee nieuwe routes maken (Een route maken,
pagina 6).
Opgeslagen sporen: Geeft een lijst met opgeslagen tracks
weer (Een spoor maken op basis van een opgeslagen
activiteit, pagina 7).
Peil en ga: Hiermee kunt u het toestel op een object in de verte
richten en navigeren met het object als referentiepunt
(Navigeren met Peil en ga, pagina 3).
Gevarenzones: Hiermee kunt u waarschuwingen instellen die
afgaan binnen het bereik van bepaalde locaties (Een
nabijheidswaarschuwing instellen, pagina 11).
Draadloos delen: Hiermee kunt u draadloos bestanden
overbrengen naar een ander compatibel toestel (Gegevens
draadloos verzenden en ontvangen, pagina 11).
Profiel wijzigen: Hiermee kunt u het toestelprofiel wijzigen om
uw instellingen en gegevensvelden aan te passen voor een
bepaalde activiteit of reis (Een profiel selecteren, pagina 11)
Hulpmiddelen in het hoofdmenu
Oppervlakteberekening: Hiermee kunt u de oppervlakte van
een gebied berekenen (De oppervlakte van een gebied
berekenen, pagina 11).
Agenda: Geeft een agenda weer.
Jagen en vissen: Geeft voorspellingen voor de beste datums
en tijdstippen om te jagen en te vissen op uw huidige locatie
weer.
Zon en maan: Geeft de tijd van zonsopkomst en
zonsondergang en de maanfase weer, gebaseerd op uw
GPS-positie.
Fotoviewer: Hier worden opgeslagen foto's weergegeven.
Waypoint middelen: Hiermee kunt u de locatie van een
waypoint verfijnen voor een nauwkeurigere weergave (Viapunt middelen, pagina 5).
Calculator: Geeft een rekenmachine weer.
Wekker: Hiermee stelt u een hoorbaar alarm in. Als u het toestel
niet gebruikt, kunt u instellen dat het toestel op een bepaald
ogenblik wordt ingeschakeld.
VIRB afstandsbed.: Hiermee kunt u de camera bedienen als u
een VIRB toestel hebt gekoppeld aan uw GPSMAP 66
series toestel (De VIRB afstandsbediening gebruiken,
pagina 11).
Stopwatch: Hiermee kunt u ronden en rondetijden meten.
Zaklamp: Hiermee schakelt u de zaklamp in (De zaklamp
gebruiken, pagina 12).
XERO locaties: Hiermee wordt de laserlocatie-informatie
weergegeven als u een Xero™ boogvizier met uw GPSMAP
66 series toestel hebt gekoppeld.
inReach Remote: Hiermee kunt u berichten verzenden op uw
gekoppelde inReach toestel (De inReach afstandsbediening
gebruiken, pagina 12).
Satelliet: Hiermee wordt uw huidige GPS-satellietinformatie
weergegeven (Satellietpagina, pagina 12).
®
®
BirdsEye beelden
BirdsEye satellietbeelden biedt u de mogelijkheid om
kaartafbeeldingen met hoge resolutie te downloaden, zoals
gedetailleerde satellietbeelden en topografische rasterkaarten.
U kunt BirdsEye beelden direct downloaden op uw compatibele
Garmin toestel.
BirdsEye beelden downloaden
Voordat u BirdsEye beelden direct naar uw toestel kunt
downloaden, moet u verbinding maken met een draadloos
netwerk (Verbinding maken met een draadloos netwerk,
pagina 8)
1 Selecteer BirdsEye Direct > Afb. worden gedownl..
2 Selecteer een optie:
• Om BirdsEye beeldbestanden voor een specifieke locatie
of gebied te downloaden, selecteert u Locatie en
vervolgens selecteert u een categorie.
OPMERKING: De locatie is standaard uw huidige locatie.
• Om de naam van de gedownloade beeldbestanden te
bewerken, selecteert u Naam.
• Als u een optie voor beeldkwaliteit wilt selecteren,
selecteert u Detail.
• Als u de grootte van het gebied om in de gedownloade
beeldbestanden weer te geven wilt bepalen, selecteert u
Straal en voert u een afstand in van de geselecteerde
locatie.
De geschatte bestandsgrootte voor de geselecteerde
beeldkwaliteit en radius wordt weergegeven. Controleer of
uw toestel genoeg beschikbare opslagruimte voor het
beeldbestand heeft.
3 Selecteer Download.
9
Geocaches
Geocaching is een schatzoekactiviteit waarbij spelers caches
verbergen of zoeken aan de hand van aanwijzingen en GPScoördinaten.
Uw toestel registeren op Geocaching.com
U kunt uw toestel registreren op www.geocaching.com en
zoeken naar een lijst met geocaches in de buurt of naar live
informatie over miljoenen geocaches.
1 Maak verbinding met een draadloos netwerk (Verbinding
maken met een draadloos netwerk, pagina 8) of met de
Garmin Connect Mobile app (Een smartphone met uw toestel
koppelen, pagina 8).
2 Selecteer Stel in > Geocaching > Registreer toestel.
Er wordt een activeringscode weergegeven.
3 Volg de instructies op het scherm.
4 Selecteer Bevestig registratie.
Verbinding maken met Geocaching.com
Na de registratie kunt u geocaches van www.geocaching.com
weergeven op uw draadloos verbonden toestel.
• Maak verbinding met de Garmin Connect Mobile app.
• Maak verbinding met een Wi‑Fi netwerk.
Geocaches downloaden via een computer
U kunt geocaches handmatig op uw toestel laden via een
computer (Bestanden overbrengen naar uw computer,
pagina 16). U kunt de geocachebestanden in een GPXbestand plaatsen en importeren naar de GPX-map op het
toestel. Met een premium abonnement op geocaching.com kunt
u de "pocket query" functie gebruiken om een grote groep
geoaches op uw toestel te laden als een enkel GPX-bestand.
1 Sluit het toestel met een USB-kabel aan op uw computer.
2 Ga naar www.geocaching.com.
3 Maak, indien nodig, een account.
4 Meld u aan.
5 Volg de instructies op geocaching.com om geocaches te
zoeken en naar uw toestel te downloaden.
Een geocache zoeken
U kunt zoeken naar de geocaches die zijn geladen op uw
toestel. Als u bent verbonden met geocaching.com, kunt u
zoeken naar live geocachegegevens en geocaches
downloaden.
OPMERKING: U kunt gedetailleerde informatie voor een
beperkt aantal geocaches per dag downloaden. U kunt een
premium abonnement aanschaffen om meer te kunnen
downloaden. Ga naar www.geocaching.com voor meer
informatie.
1 Selecteer Geocaching.
> MENU.
2 Selecteer
Selecteer
een
optie:
3
• Als u op naam wilt zoeken naar geocaches op uw toestel,
selecteert u Spelzoeken en voert u een zoekterm in.
• Als u wilt zoeken naar geocaches bij u in de buurt of nabij
een andere locatie, selecteert u Zoek nabij en selecteert
u een locatie.
Als u bent verbonden met geocaching.com, bevatten de
zoekresultaten live geocachegegevens van GC Live
download.
• Als u op basis van een code wilt zoeken naar live
geocaches, selecteert u GC Live download.
Met deze functie kunt u een specifieke geocache
downloaden van geocaching.com wanneer u de
geocachecode kent.
10
4 Selecteer MENU > Filter om de zoekresultaten te filteren
(optioneel).
5 Selecteer > Geocaches downloaden om op de kaart
naar geocaches in de buurt te zoeken en ze te downloaden
(optioneel).
6 Selecteer een geocache.
De geocachegegevens worden weergegeven. Als u een live
geocache hebt geselecteerd en u bent verbonden, downloadt
het toestel de volledige geocachedetails naar de interne
opslag, indien nodig.
De lijst met geocaches filteren
U kunt de lijst met geocaches filteren op basis van verschillende
factoren, bijvoorbeeld de moeilijkheidsgraad.
1 Selecteer Geocaching > MENU > Filter.
2 Selecteer een of meer opties om te filteren:
• Als u wilt filteren op een geocachecategorie, zoals puzzel
of evenement, selecteert u Type.
• Als u wilt filteren op de fysieke grootte van de geocachecontainer, selecteert u Cachegrootte.
• Als u wilt filteren op de status Niet geprobeerd, Niet
gevonden of Gevonden, selecteert u Status.
• Als u wilt filteren op de moeilijkheidsgraad voor het vinden
van de geocache, of de moeilijkheidsgraad van het terrein,
selecteert u een niveau van 1 tot 5.
Selecteer
QUIT om de gefilterde geocache-lijst weer te
3
geven.
Een aangepast geocachefilter opslaan
U kunt uw eigen filters voor geocaches maken op basis van
specifieke factoren.
1 Selecteer Stel in > Geocaching > Filter instellen > Filter
maken.
2 Selecteer de items die u wilt filteren.
3 Selecteer QUIT.
Standaard wordt het nieuwe filter automatisch opgeslagen
met de naam Filter gevolgd door een nummer. Bijvoorbeeld:
Filter 2. U kunt het geocachefilter bewerken door de naam te
wijzigen (Uw eigen geocachefilters bewerken, pagina 10).
Uw eigen geocachefilters bewerken
1 Selecteer Stel in > Geocaching > Filter instellen.
2 Selecteer een filter.
3 Selecteer een item dat u wilt bewerken.
Geocache-details weergeven
1 Selecteer Geocaching.
2 Selecteer een geocache.
3 Selecteer MENU > Herziepunt.
De beschrijving en logboeken van de geocache worden
weergegeven.
Naar een geocache navigeren
1 Selecteer Geocaching.
2 Selecteer een geocache.
3 Selecteer Ga.
Hints en aanwijzingen gebruiken om een geocache te
vinden
U kunt hints of aanwijzingen gebruiken, zoals een beschrijving
of coördinaten, om een geocache te vinden.
1 Selecteer de naam van de geocache tijdens het navigeren
naar de geocache.
2 Selecteer een optie:
• Als u gegevens van de geocache wilt weergeven,
selecteert u Beschrijving.
Hulpmiddelen in het hoofdmenu
• Als u een hint over de geocachelocatie wilt weergeven,
selecteert u Tip.
• Als u de lengte- en breedtecoördinaten van de geocache
wilt weergeven, selecteert u Coördinaten.
• Als u feedback over de geocache van vorige zoekers wilt
weergeven, selecteert u Leg vast.
• Als u chirp™ zoeken wilt inschakelen, selecteert u chirp™.
De poging loggen
Nadat u hebt geprobeerd een geocache te vinden, kunt u de
resultaten loggen. U kunt sommige geocaches verifiëren op
www.geocaching.com.
1 Selecteer Geocaching > Leg vast.
2 Selecteer Gevonden, Niet gevonden, Reparatie vereist of
Niet geprobeerd.
Selecteer
een optie:
3
• Als u wilt stoppen met loggen, selecteert u OK.
• Als u wilt navigeren naar de geocache die zich het dichtst
bij u in de buurt bevindt, selecteert u Zoek vlg. dichtstbij.
• Als u een opmerking wilt invoeren over het zoeken naar
de geocache of over de geocache zelf, selecteer dan
Wijzig opmerking, voer een opmerking in en selecteer
OK.
Als u bent aangemeld op www.geocaching.com, wordt het log
automatisch geüpload naar uw account bij
www.geocaching.com.
chirp
Een chirp is een klein Garmin accessoire dat wordt
geprogrammeerd en in een geocache wordt achtergelaten. U
kunt uw toestel gebruiken om een chirp te vinden in een
geocache. Raadpleeg voor meer informatie over de chirp de
chirp gebruikershandleiding op www.garmin.com.
Zoeken naar chirp inschakelen
1 Selecteer Stel in > Geocaching.
2 Selecteer chirp™ zoeken > Aan.
Een geocache met een chirp zoeken
1 Schakel chirp zoeken in en navigeer naar een geocache.
Als u zich binnen een afstand van 10 m (33 ft.) van een
geocache met een chirp bevindt, worden details over de chirp
weergegeven.
2 Selecteer Toon details.
3 Selecteer indien nodig Ga om naar de volgende fase van de
geocache te navigeren.
Live geocachegegevens van het toestel verwijderen
U kunt live geocachegegevens verwijderen om alleen
geocaches te laten weergeven die via een computer handmatig
op het toestel zijn geladen.
Selecteer Stel in > Geocaching > Geocaching Live > Wis
Live gegevens.
Live geocachinggegevens worden verwijderd van het toestel
en niet langer weergegeven in de lijst met geocaches.
Toestelregistratie verwijderen van Geocaching.com
Als u het eigendom van uw toestel wilt overdragen, kunt u uw
toestelregistratie verwijderen van de geocachingwebsite.
Selecteer Stel in > Geocaching > Geocaching Live > Maak
toestelreg. ong..
Een nabijheidswaarschuwing instellen
Gevarenzones waarschuwen u als u zich binnen het opgegeven
bereik van een bepaalde locatie bevindt.
1 Selecteer Gevarenzones > Alarm maken.
2 Selecteer een categorie.
Hulpmiddelen in het hoofdmenu
3 Selecteer een locatie.
4 Selecteer Gebruik.
5 Voer een radius in.
Wanneer u het gevarenzonegebied betreedt, klinkt er een
signaal.
Een gevarenzone bewerken of verwijderen
1 Selecteer Gevarenzones.
2 Selecteer een alarm.
3 Selecteer een optie:
• Als u de radius wilt wijzigen, selecteert u Wijzig radius.
• Selecteer Bekijk kaart om het alarm op een kaart weer te
geven.
• Selecteer Wis om het alarm te verwijderen.
Gegevens draadloos verzenden en
ontvangen
Voor het draadloos uitwisselen van gegevens moet uw toestel
zich bevinden binnen een afstand van 3 m (10 ft.) van een
compatibel toestel.
Uw toestel kan gegevens verzenden en ontvangen als het is
gekoppeld aan een compatibel toestel dat gebruikmaakt van
Bluetooth of ANT+ draadloze technologie. U kunt waypoints,
geocaches, routes en sporen uitwisselen.
1 Selecteer Draadloos delen.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer Verzend en selecteer een type gegevens.
• Selecteer Ontvangen om gegevens te ontvangen van een
ander toestel. Het andere compatibele toestel moet
gegevens proberen te verzenden.
3 Volg de instructies op het scherm.
®
Een profiel selecteren
Als u van activiteiten verandert, kunt u de instellingen van het
toestel aanpassen door het profiel te wijzigen.
1 Selecteer Profiel wijzigen.
2 Selecteer een profiel.
De oppervlakte van een gebied berekenen
1 Selecteer Oppervlakteberekening > Start.
2 Loop rond het gebied waarvan u de oppervlakte wilt
berekenen.
3 Selecteer Bereken wanneer u daarmee klaar bent.
De VIRB afstandsbediening gebruiken
Voordat u de VIRB afstandsbediening kunt gebruiken, moet u de
instelling voor de afstandsbediening op uw VIRB camera
inschakelen. Raadpleeg de VIRB serie gebruikershandleiding
voor meer informatie.
Met de VIRB afstandsbediening kunt u uw VIRB actiecamera op
afstand bedienen met uw toestel.
1 Schakel uw VIRB camera in.
2 Selecteer VIRB afstandsbed. op uw GPSMAP 66 series
toestel.
3 Wacht totdat het toestel verbinding maakt met uw VIRB
camera.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer
om een video-opname te starten.
• Selecteer
om een foto te maken.
11
De zaklamp gebruiken
OPMERKING: Gebruik van de zaklamp kan de levensduur van
de batterij doen afnemen. U kunt de helderheid of de
knipperfrequentie beperken om de levensduur van de batterijen
te verlengen.
1 Selecteer Zaklamp > ENTER.
2 Gebruik zo nodig de schuifbalk om de helderheid aan te
passen.
3 Selecteer zo nodig een ander type flitser.
0
Geen knipperlicht, constante lichtstraal.
1 t/m 9 Aantal knipperingen per seconden.
SOS
Noodlicht.
OPMERKING: Wi‑Fi, Bluetooth en ANT+ verbindingen zijn
uitgeschakeld in de SOS-modus.
De inReach afstandsbediening gebruiken
Met de inReach afstandsbediening kunt u uw inReach toestel
bedienen met uw GPSMAP 66 series toestel.
1 Schakel het inReach toestel in.
2 Selecteer inReach Remote op uw GPSMAP 66 series
toestel.
3 Selecteer indien nodig Koppel nwe inReach.
4 Wacht totdat het GPSMAP 66 series toestel verbinding
maakt met uw inReach toestel.
5 Selecteer een optie:
• Als u een vooraf ingesteld bericht wilt verzenden,
selecteert u Verzend voorinstelling en selecteert u een
bericht in de lijst.
• Als u een sms-bericht wilt verzenden, selecteert u Nieuw
bericht, selecteert u de contactpersonen en voert u de
berichttekst in of selecteert u een snel bericht.
• Als u een SOS-bericht wilt verzenden, gebruikt u de
pijltjes om door de tabbladen te bladeren en selecteert u
SOS > Ja.
OPMERKING: U dient de SOS-functie alleen te gebruiken
in een werkelijke noodsituatie.
• Als u de timer en de afgelegde afstand wilt weergeven,
gebruikt u de pijltjes om door de tabbladen te bladeren en
selecteert u .
Satellietpagina
Op de satellietpagina wordt de volgende informatie
weergegeven: uw huidige locatie, de GPS-nauwkeurigheid, de
satellietlocaties en de signaalsterkte.
U kunt of selecteren om extra satellietbeelden te bekijken,
bijvoorbeeld wanneer het GPS + GLONASS of GPS + GALILEO
satellietsysteem is ingeschakeld.
GPS-satellietinstellingen
Selecteer Satelliet > MENU.
OPMERKING: Sommige instellingen zijn alleen beschikbaar als
Gebruik met GPS uit is ingeschakeld.
Gebruik met GPS uit: Hiermee kunt u de GPS uitschakelen.
Gebruik met GPS aan: Hiermee kunt u de GPS inschakelen.
Koers boven: Geeft aan of satellieten en halve cirkels worden
weergegeven waarbij het noorden naar de bovenkant van het
scherm wijst of uw huidige spoor naar de bovenkant van het
scherm wijst.
Eén kleur: Hiermee kunt u selecteren of de satellietpagina in
één kleur of in meerdere kleuren wordt weergegeven.
Stel locatie in op kaart: Hiermee kunt u uw huidige locatie op
de kaart markeren. U kunt deze locatie gebruiken om routes
te maken of om naar opgeslagen locaties te zoeken.
12
AutoLocate-positie: Hiermee berekent u uw GPS-positie met
behulp van de Garmin AutoLocate functie.
Satelliet instellen: Hiermee stelt u de opties voor het
satellietsysteem in (Satellietinstellingen, pagina 13).
®
Het toestel aanpassen
De gegevensvelden aanpassen
U kunt aanpassen welke gegevensvelden op elke hoofdpagina
worden weergegeven.
1 Open de pagina waarvan u de gegevensvelden wilt wijzigen.
2 Selecteer MENU.
3 Selecteer Wijzig gegevensvelden.
4 Selecteer het nieuwe gegevensveld.
5 Volg de instructies op het scherm.
Het menu Instellen
Selecteer tweemaal MENU en selecteer Stel in.
Systeem: Hiermee kunt u systeeminstellingen aanpassen
(Systeeminstellingen, pagina 13).
Scherm: Hiermee past u de schermverlichting en
scherminstellingen aan (Scherminstellingen, pagina 13).
Bluetooth: Hiermee koppelt u uw toestel aan een smartphone
en kunt u de Bluetooth instellingen (Bluetooth instellingen,
pagina 13).
Wi-Fi: Hiermee kunt u verbinding maken met draadloze
netwerken (Wi‑Fi instellingen, pagina 13).
Kaart: Hiermee stelt u de kaartweergave in (Kaartinstellingen,
pagina 3).
Vastleggen: Hiermee kunt u de instellingen voor activiteiten
vastleggen aanpassen (Opname-instellingen, pagina 6).
Routebepaling: Hiermee kunt u aanpassen hoe het toestel
routes voor elke activiteit berekent (Route-instellingen,
pagina 13).
Expeditiemodus: Hiermee kunt u instellingen aanpassen voor
het inschakelen van de expeditiemodus (Expeditiemodus
inschakelen, pagina 1).
Geluid: Hiermee kunt u de toestelgeluiden instellen, zoals
knoptonen en waarschuwingssignalen (De toestelgeluiden
instellen, pagina 14).
Koers: Hiermee kunt u de instellingen voor de kompaskoers
aanpassen (Koersinstellingen, pagina 4).
Hoogtemeter: Hiermee kunt u de hoogtemeterinstellingen
aanpassen (Hoogtemeterinstellingen, pagina 4)
Geocaching: Hiermee kunt u uw geocache-instellingen
aanpassen (Geocaching-instellingen, pagina 14)
Sensors: Hiermee koppelt u draadloze sensoren aan uw toestel
(Draadloze sensoren, pagina 14).
Fitness: Hiermee kunt u instellingen aanpassen voor het
vastleggen van fitnessactiviteiten (Fitnessinstellingen,
pagina 14).
Maritiem: Hiermee stelt u de weergave van maritieme gegevens
op de kaart in (Maritieme instellingen wijzigen, pagina 14).
Menu's: Hiermee kunt u de paginavolgorde en het hoofdmenu
aanpassen (Menu-instellingen, pagina 14).
Positieweergave: Hiermee stelt u de opties voor geografisch
positieformaat en kaartdatum in (Instellingen voor
positieweergave, pagina 15).
Eenheden: Hiermee kunt u de op het toestel gebruikte
meeteenheden instellen (De maateenheden wijzigen,
pagina 15).
Het toestel aanpassen
Tijd: Hiermee kunt u de tijdinstellingen aanpassen
(Tijdinstellingen, pagina 15).
Profielen: Hiermee kunt u activiteitenprofielen aanpassen en
nieuwe maken (Profielen, pagina 15).
Herstel: Hiermee kunt u gebruikersgegevens en -instellingen
opnieuw instellen (Gegevens en instellingen herstellen,
pagina 15).
Over: Hiermee wordt toestelinformatie, zoals de toestel-id,
softwareversie, informatie over regelgeving en
licentieovereenkomst weergegeven (Informatie over
regelgeving en compliance op e-labels weergeven,
pagina 17).
Waypoints: Hiermee kunt u een aangepast voorvoegsel
invoeren voor de automatische naam voor waypoints.
Systeeminstellingen
Selecteer Stel in > Systeem.
Satelliet: Hiermee stelt u de opties voor het satellietsysteem in
(Satellietinstellingen, pagina 13).
Taal voor tekst: Hiermee kunt u de taal selecteren voor de tekst
die op het toestel wordt weergegeven.
OPMERKING: Als u de teksttaal wijzigt, blijft de taal van de
kaartgegevens, zoals straatnamen en plaatsen, of door de
gebruiker ingevoerde gegevens, ongewijzigd.
Interface: Hiermee stelt u de indeling van de seriële interface in
(Seriële interface-instellingen, pagina 13).
RINEX logboekregistratie: Hiermee kan het toestel Receiver
Independent Exchange Format-gegevens (RINEX) naar een
systeembestand schrijven. RINEX is een
gegevensuitwisselingsformaat voor ruwe gegevens van het
satellietnavigatiesysteem.
AA-batterijtype: Hiermee kunt u selecteren welk type AAbatterijen u gebruikt.
OPMERKING: Deze instelling is niet beschikbaar als het
NiMH-batterijpak is geplaatst.
Satellietinstellingen
Selecteer Stel in > Systeem > Satelliet.
Satellietsysteem: Hiermee stelt u het satellietsysteem in op
GPS, GPS + GLONASS (Russisch satellietsysteem), GPS +
GALILEO (satellietsysteem van de Europese Unie) of
Demonstratiemodus (GPS uit).
WAAS/EGNOS: Hiermee kan het systeem gebruikmaken van
WAAS/EGNOS-gegevens (Wide Area Augmentation System/
European Geostationary Navigation Overlay Service).
GPS en andere satellietsystemen
De standaard satellietsysteeminstelling is GPS. De opties GPS
+ GLONASS of GPS + GALILEO bieden betere prestaties in
moeilijke omgevingen en u kunt er sneller uw positie mee
bepalen. Door GPS en een andere satelliet tegelijk te gebruiken,
kan de levensduur van de batterij sneller afnemen dan wanneer
alleen GPS wordt gebruikt.
Seriële interface-instellingen
Selecteer Stel in > Systeem > Interface.
Garmin Spanner: Hiermee kunt u de USB-poort van het toestel
gebruiken voor de meeste NMEA 0183-conforme
kaartprogramma's door een virtuele seriële poort te maken.
Garmin serieel: Hiermee wordt het toestel ingesteld om een
eigen standaard van Garmin te gebruiken voor uitwisseling
van gegevens over waypoints, routes en sporen met een
computer.
NMEA in/uit: Stelt het toestel in voor standaard NMEA 0183invoer en -uitvoer.
Tekst uit: Verschaft eenvoudige ASCII-tekstuitvoer van locatieen snelheidsgegevens.
Het toestel aanpassen
MTP: Hiermee kunt u instellen dat het toestel het Media
Transfer Protocol (MTP) gebruikt om toegang te krijgen tot
het bestandssysteem op het toestel in plaats van de
massaopslagmodus.
Scherminstellingen
Selecteer Stel in > Scherm.
Time-out van scherm: Hiermee kunt u de tijd instellen voordat
de schermverlichting uitgaat.
Batterijbesparing: Hiermee bespaart u batterijstroom en
verlengt u de gebruiksduur van de batterij door het scherm uit
te schakelen wanneer de schermverlichting uitgaat.
Presentatie: Hiermee wijzigt u het uiterlijk van de
schermachtergrond en selectiemarkering (De kleurmodus
wijzigen, pagina 13).
Schermafbeelding: Hiermee kunt u de afbeelding op het
scherm van het toestel opslaan.
Tekstgrootte herzien: Hiermee wijzigt u de grootte van de tekst
op het scherm.
De kleurmodus wijzigen
1 Selecteer Stel in > Scherm > Presentatie.
2 Selecteer een optie:
• Als u wilt inschakelen dat het toestel automatisch kiest
voor dag- of nachtkleuren gebaseerd op het tijdstip,
selecteert u Modus > Automatisch.
• Als u een lichte achtergrond wilt gebruiken, selecteert u
Modus > Dag.
• Als u een donkere achtergrond wilt gebruiken, selecteert u
Modus > Nacht.
• Als u het kleurenschema voor overdag wilt aanpassen,
selecteert u Dagkleur.
• Als u het kleurenschema voor de nacht wilt aanpassen,
selecteert u Nachtkleur.
Bluetooth instellingen
Selecteer Stel in > Bluetooth.
Status: Hiermee kunt u Bluetooth draadloze technologie
inschakelen en uw huidige verbindingsstatus bekijken.
Meldingen: Hiermee bekijkt of verbergt u
smartphonemeldingen.
Vergeet telefoon: Hiermee verwijdert u het verbonden toestel
uit de lijst van gekoppelde apparaten. Deze optie is alleen
beschikbaar nadat het toestel is gekoppeld.
Wi‑Fi instellingen
Selecteer Stel in > Wi-Fi.
Wi-Fi: Hiermee schakelt u draadloze technologie in.
Voeg netw. toe: Hiermee kunt u scannen naar en verbinding
maken met een draadloos netwerk.
Route-instellingen
De beschikbare route-instellingen zijn afhankelijk van de
geselecteerde activiteit.
Selecteer Stel in > Routebepaling.
Activiteit: Stelt een activiteit voor routebepaling in. Het toestel
berekent routes die zijn geoptimaliseerd voor het huidige type
activiteit.
Berekeningswijze: Hiermee stelt u de methode in waarmee uw
route wordt berekend.
Zet vast op weg: Zet het blauwe driehoekje, dat uw positie op
de kaart aangeeft, vast op de dichtstbijzijnde weg. Dit is
vooral nuttig tijdens autorijden of navigeren op wegen.
Route herberekenen: Hiermee stelt u de voorkeuren voor
herberekening van de route in wanneer u van een actieve
route weg navigeert.
13
Te vermijden instellen: Hiermee stelt u het type weg, terrein en
transportmethode in dat u wilt vermijden tijdens het
navigeren.
Routeovergangen: Hiermee stelt u in hoe het toestel routes
bepaalt van het ene punt op de route naar het volgende.
Deze instelling is alleen beschikbaar voor sommige
activiteiten. Met de optie Afstand wordt u naar het volgende
punt van de route geleid als u zich op een opgegeven
afstand van uw huidige punt bevindt.
De toestelgeluiden instellen
U kunt het geluid voor berichten, toetsaanslagen,
afslagwaarschuwingen en alarmen instellen.
1 Selecteer Stel in > Geluid > Geluid > Aan.
2 Selecteer het gewenste geluid voor ieder item.
Geocaching-instellingen
Selecteer Stel in > Geocaching.
Geocaching Live: Hiermee kunt u live geocachegegevens
verwijderen van uw toestel en verwijderen uit uw
toestelregistratie op geocaching.com (Live
geocachegegevens van het toestel verwijderen, pagina 11,
Toestelregistratie verwijderen van Geocaching.com,
pagina 11).
Geocache-stijl: Hiermee kunt u het toestel de lijst met
geocaches laten weergeven op naam of code.
chirp™ zoeken: Het toestel zoekt naar een geocache die een
chirp accessoire bevat (Zoeken naar chirp inschakelen,
pagina 11).
chirp!22 programmeren: Hiermee wordt het chirp accessoire
geprogrammeerd. Raadpleeg de chirp gebruikershandleiding
op www.garmin.com.
Filter instellen: Hiermee kunt u aangepaste filters maken en
opslaan voor geocaches (Een aangepast geocachefilter
opslaan, pagina 10).
Gevonden geocaches: Hier kunt u het aantal gevonden
geocaches wijzigen. Dit aantal wordt automatisch verhoogd
als u een gevonden geocache logt (De poging loggen,
pagina 11).
Draadloze sensoren
Uw toestel kan worden gebruikt in combinatie met draadloze
ANT+ of Bluetooth sensoren. Ga voor meer informatie over
compatibiliteit en de aanschaf van optionele sensoren naar
buy.garmin.com.
De draadloze sensoren koppelen
Voordat u kunt koppelen, moet u de hartslagmeter omdoen of
de sensor plaatsen.
Koppelen is het verbinden van draadloze sensoren met ANT+ of
Bluetooth-technologie, zoals het verbinden van een
hartslagmeter met uw toestel.
1 Breng het toestel binnen 3 m (10 ft.) van de sensor.
OPMERKING: Zorg ervoor dat u minstens 10 m (33 ft.) bij
andere sensors vandaan bent tijdens het koppelen.
2 Selecteer Stel in > Sensors.
3 Selecteer uw type sensor.
4 Selecteer Nieuwe zoeken.
Als de sensor is gekoppeld met uw toestel, wordt de status
van de sensor gewijzigd van Zoeken naar Verbonden.
Fitnessinstellingen
Selecteer Stel in > Fitness.
Auto Lap: Hiermee stelt u in dat de ronde automatisch na een
specifieke afstand wordt gemarkeerd.
Activiteittype: Hiermee kunt u de fitnessactiviteit instellen op
hiken, hardlopen, fietsen en meer. Op deze manier wordt een
14
activiteit ook weergegeven als het juiste type wanneer u deze
overzet naar Garmin Connect.
Gebruiker: Hiermee stelt u uw profielinformatie in. Het toestel
gebruikt deze informatie om nauwkeurige trainingsgegevens
te berekenen in Garmin Connect.
HS-zones: Hiermee stelt u de vijf hartslagzones en uw
maximale hartslag voor fitnessactiviteiten in.
Ronden op afstand markeren
Met Auto Lap kunt u de ronde automatisch markeren na een
bepaalde afstand. Dit is handig als u uw prestaties tijdens
verschillende delen van een activiteit wilt vergelijken.
1 Selecteer Stel in > Fitness > Auto Lap.
2 Voer een waarde in en selecteer OK.
®
Maritieme instellingen wijzigen
Selecteer Stel in > Maritiem.
Waterkaartmodus: Hiermee stelt u het type kaart in waarmee
het toestel maritieme gegevens weergeeft. Nautisch geeft
verschillende kaartelementen in verschillende kleuren weer
zodat maritieme nuttige punten beter leesbaar en de kaart
dezelfde kleuren heeft als papieren kaarten. Vissen
(watersportkaarten vereist) geeft een gedetailleerde
weergave van zeebodemcontouren en dieptepeilingen en
vereenvoudigt de kaartweergave zodat deze optimaal is om
te kunnen vissen.
Presentatie: Stelt de weergave in voor de maritieme
navigatiehulpmiddelen op de kaart.
Alarm instellen: Stelt een alarm in voor wanneer u een
opgegeven afstand afdrijft terwijl u voor anker ligt en wanneer
u water nadert met een bepaalde diepte.
Maritieme alarmsignalen instellen
Selecteer Stel in > Maritiem > Alarm instellen.
Selecteer het gewenste type alarm.
Selecteer Aan.
Voer een afstand in en selecteer OK.
1
2
3
4
Menu-instellingen
Selecteer Stel in > Menu's.
Menustijl: Hiermee stelt u de weergave van het hoofdmenu in.
Hoofdmenu: Hiermee kunt u items verplaatsen, toevoegen en
verwijderen in het hoofdmenu (Het hoofdmenu aanpassen,
pagina 14).
Paginavolgorde: Hiermee kunt u items verplaatsen, toevoegen
en verwijderen in de paginavolgorde (De paginavolgorde
wijzigen, pagina 14)
Stel in: Hiermee verandert u de itemvolgorde in het
instellingenmenu.
Zoek: Hiermee verandert u de itemvolgorde in het zoekmenu.
Het hoofdmenu aanpassen
U kunt items verplaatsen in, toevoegen aan en verwijderen uit
het hoofdmenu.
1 Selecteer MENU > Wijzig itemvolgorde in het hoofdmenu.
2 Selecteer een menu-item.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer Verplaats om de plaatsing van het item in de
lijst te wijzigen.
• Selecteer Voeg in als u een nieuw item wilt toevoegen
aan de lijst.
• Selecteer Verwijder als u een item wilt verwijderen uit de
lijst.
De paginavolgorde wijzigen
1 Selecteer Stel in > Menu's > Paginavolgorde > Bewerk
paginavolg..
Het toestel aanpassen
2 Selecteer een pagina.
3 Selecteer een optie:
• Als u een pagina omhoog of omlaag wilt verplaatsen in de
lijst, selecteert u Verplaats.
• Als u een nieuwe pagina wilt toevoegen aan de
paginavolgorde, selecteert u Voeg in, en selecteert u een
categorie.
• Als u een pagina wilt verwijderen uit de paginavolgorde,
selecteert u Verwijder.
TIP: Selecteer PAGE om de paginavolgorde weer te geven.
2 Pas uw instellingen en gegevensvelden aan.
De naam van een profiel wijzigen
Selecteer Stel in > Profielen.
Selecteer een profiel.
Selecteer Wijzig naam.
Typ de nieuwe naam.
1
2
3
4
Een profiel verwijderen
OPMERKING: Voordat u het actieve profiel kunt verwijderen,
moet u een ander profiel activeren. U kunt een profiel niet
verwijderen als het actief is.
1 Selecteer Stel in > Profielen.
2 Selecteer een profiel.
3 Selecteer Wis.
Gegevens en instellingen herstellen
1 Selecteer Stel in > Herstel.
2 Selecteer een optie:
Instellingen voor positieweergave
OPMERKING: Wijzig de positieweergave of de kaartdatum
alleen als u een kaart gebruikt die een ander positieformaat
voorschrijft.
Selecteer Stel in > Positieweergave.
Positieweergave: Hiermee selecteert u de positieformaat
waarmee een locatie wordt aangeduid.
Kaartdatum: Hiermee stelt u het coördinatensysteem van de
kaart in.
Kaartsferoïde: Hiermee geeft u het coördinatensysteem weer
dat door het toestel wordt gebruikt. Het
standaardcoördinatensysteem is WGS 84.
De maateenheden wijzigen
U kunt de eenheden voor afstand en snelheid, hoogte, diepte,
temperatuur, luchtdruk en verticale snelheid aanpassen.
1 Selecteer Stel in > Eenheden.
2 Selecteer het item waarvoor u de eenheid wilt instellen.
3 Selecteer een maateenheid.
Tijdinstellingen
Selecteer Stel in > Tijd.
Tijdweergave: Hier kunt u kiezen om de 12- of 24-uursklok in te
stellen.
Tijdzone: Hiermee stelt u de tijdzone voor het toestel in. Met
Automatisch wordt de tijdzone automatisch ingesteld op
basis van uw GPS-positie.
Profielen
Een profiel is een verzameling instellingen waarmee u het
gebruiksgemak van het toestel kunt optimaliseren. Voor
bijvoorbeeld jagen zijn de instellingen en weergaven anders dan
wanneer u het toestel gebruikt voor geocaching.
Als u een profiel gebruikt en u instellingen zoals
gegevensvelden of maateenheden wijzigt, worden de
wijzigingen automatisch in het profiel opgeslagen.
Een aangepast profiel maken
U kunt uw instellingen en de gegevensvelden voor een
bepaalde activiteit of route aanpassen.
1 Selecteer Stel in > Profielen > Maak profiel > OK.
Toestelinformatie
• Als u bepaalde gegevens van een reis wilt herstellen,
zoals afstand en gemiddelden, selecteert u Herstel
reisgegevens.
• Als u alle opgeslagen via-punten wilt verwijderen,
selecteert u Wis alle waypoints.
• Als u alle gegevens wilt wissen die sinds de start van de
huidige activiteit zijn vastgelegd, selecteert u Clear
Current Activity.
OPMERKING: Het toestel blijft nieuwe gegevens
vastleggen voor de huidige activiteit.
• Als u de instellingen voor het huidige type profiel wilt
herstellen naar de fabrieksinstellingen, selecteert u
Herstel inst..
• Als u alle toestelinstellingen en profielen wilt herstellen
naar de fabrieksinstellingen, selecteert u Herstel alle
instelling..
OPMERKING: Als u alle instellingen herstelt, worden alle
geocachingactiviteiten op uw toestel gewist. Hiermee
worden uw gebruikersgegevens, zoals tracks en
waypoints niet verwijderd.
• Als u alle opgeslagen gebruikersgegevens wilt verwijderen
en alle instellingen op het toestel opnieuw wilt herstellen
naar de fabrieksinstellingen, selecteert u Wis alles.
OPMERKING: Hiermee verwijdert u alle instellingen van
uw persoonlijke gegevens, geschiedenis en opgeslagen
gebruikersgegevens, inclusief tracks en waypoints.
Standaardpagina-instellingen herstellen
1 Open een pagina waarvan u de instellingen wilt herstellen.
2 Selecteer MENU > Standaardinstellingen.
Toestelinformatie
Productupdates
Installeer Garmin Express™ (www.garmin.com/express) op uw
computer. U kunt de Garmin Explore app op uw smartphone
installeren om uw waypoints, routes, tracks en activiteiten te
uploaden.
Garmin Express biedt eenvoudige toegang tot deze diensten
voor Garmin toestellen.
• Software-updates
• Kaartupdates
• Productregistratie
Garmin Express instellen
1 Sluit het toestel met een USB-kabel aan op uw computer.
15
2 Ga naar garmin.com/express.
3 Volg de instructies op het scherm.
Bestandstypen
De karabijnhaakclip bevestigen
1 Plaats de karabijnhaakclip À in de sleuven op de behuizing
Á van het toestel.
Het handheld-toestel biedt ondersteuning voor de volgende
bestandstypen:
• Bestanden van Garmin Explore.
• GPX-route-, spoor- en via-puntbestanden.
• GPX-geocachebestanden (Geocaches downloaden via een
computer, pagina 10).
• JPEG-afbeeldingsbestanden.
• GPI-bestanden met eigen nuttige punten van de Garmin POI
Loader. Ga naar www.garmin.com/products/poiloader.
• FIT-bestanden voor export naar Garmin Connect.
Een geheugenkaart installeren
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een scherp voorwerp om batterijen te verwijderen
die door de gebruiker kunnen worden vervangen.
2 Schuif de karabijnhaakclip omhoog totdat deze vastklikt.
De karabijnhaakclip verwijderen
Til de onderkant van de karabijnhaakclip omhoog en schuif
de karabijnhaakclip van de behuizing af.
De polsband bevestigen
U kunt een microSD geheugenkaart in het handheldtoestel
installeren voor extra opslagruimte of vooraf geladen kaarten.
1 Draai de D-ring tegen de klok in en trek deze omhoog om de
klep te verwijderen.
2 Verwijder de batterijen.
3 Schuif de kaarthouder À naar en til deze omhoog.
4 Plaats de geheugenkaart met de gouden contactpunten naar
beneden.
1 Haal de lus van de polsband door de gleuf van het toestel.
2 Haak het andere uiteinde van de band door de lus en trek
deze strak.
Het toestel aansluiten op uw computer
Toestelonderhoud
LET OP
Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen, oplosmiddelen en
insectenwerende middelen die plastic onderdelen en
oppervlakken kunnen beschadigen.
Bewaar het toestel niet op een plaats waar het langdurig aan
extreme temperaturen kan worden blootgesteld, omdat dit
onherstelbare schade kan veroorzaken.
Het toestel is waterbestendig volgens IEC-standaard 60529
IPX7. Het toestel is bestand tegen abusievelijk onderdompelen
in water tot één meter diep, gedurende maximaal dertig
minuten. Als u het toestel langer onder water houdt, kan schade
het gevolg zijn. Na onderdompeling moet u het toestel
voorzichtig afdrogen en laten opdrogen voordat u het opnieuw
gaat gebruiken of oplaadt.
Spoel het toestel na gebruik in chloor- of zout water goed uit met
zoet water.
Het toestel schoonmaken
1 Veeg het toestel schoon met een doek die is bevochtigd met
een mild schoonmaakmiddel.
2 Veeg de behuizing vervolgens droog.
Laat het toestel na reiniging helemaal drogen.
Gegevensbeheer
OPMERKING: Het toestel is niet compatibel met Windows 95,
98, ME, Windows NT , en Mac OS 10.3 en ouder.
®
®
16
5 Sluit de kaarthouder.
6 Schuif de kaarthouder naar om deze te vergrendelen.
7 Plaats de batterijen en de klep terug.
®
LET OP
U voorkomt corrosie door de USB-poort, de beschermkap en de
omringende delen grondig af te drogen voordat u het toestel
oplaadt of aansluit op een computer.
1 Trek de beschermkap van de USB-poort omhoog.
2 Steek het kleine uiteinde van de USB-kabel in de USB-poort
op het toestel.
3 Steek het grote uiteinde van de USB-kabel in een USB-poort
van de computer.
Het toestel en de geheugenkaart (optioneel) worden
weergegeven als verwisselbaar station onder Deze computer
op Windows computers en als geïnstalleerd volume op Mac
computers.
Bestanden overbrengen naar uw computer
1 Verbind het toestel met uw computer.
Op Windows computers wordt het toestel weergegeven als
verwisselbaar station of een draagbaar station, en de
geheugenkaart wordt mogelijk weergegeven als een tweede
verwisselbaar station. Op Mac computers worden het toestel
en de geheugenkaart als gekoppelde volumes weergegeven.
OPMERKING: Op sommige computers met meerdere
netwerkstations worden toestelstations mogelijk niet correct
weergegeven. Zie de documentatie bij uw besturingssysteem
voor meer informatie over het toewijzen van het station.
2 Open de bestandsbrowser op de computer.
Toestelinformatie
3 Selecteer een bestand.
4 Selecteer Edit > Copy.
5 Open het draagbare toestel, station of volume van het toestel
of geheugenkaart.
6 Blader naar een map.
7 Selecteer Edit > Paste.
Het bestand wordt weergegeven in de lijst met bestanden in
het toestelgeheugen of op de geheugenkaart.
Bestanden verwijderen
LET OP
Als u niet weet waar een bestand voor dient, verwijder het dan
niet. Het geheugen van het toestel bevat belangrijke
systeembestanden die niet mogen worden verwijderd.
1
2
3
4
Open het Garmin station of volume.
Open zo nodig een map of volume.
Selecteer een bestand.
Druk op het toetsenbord op de toets Delete.
OPMERKING: Als u een Apple computer gebruikt, moet u de
map Trash leegmaken om de bestanden volledig te
verwijderen.
De USB-kabel loskoppelen
Als uw toestel als een verwisselbaar station of volume is
aangesloten op uw computer, dient u het toestel op een veilige
manier los te koppelen om gegevensverlies te voorkomen. Als
uw toestel als een draagbaar toestel is aangesloten op uw
Windows computer, hoeft u het niet op een veilige manier los te
koppelen.
1 Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Op Windows computers: Selecteer het pictogram
Hardware veilig verewijderen in het systeemvak en
selecteer uw toestel.
• Voor Apple computers selecteert u het toestel en
selecteert u File > Eject.
2 Koppel de kabel los van uw computer.
Specificaties
Batterijtype
Twee AA-batterijen (1,5 V of alkaline,
NiMH of lithium) of optionele NiMHbatterijen
Levensduur van batterij
Maximaal 16 uur
Tot 170 uur in de expeditiemodus
Waterbestendigheid
IEC 60529 IPX7*
Bedrijfstemperatuurbereik
Van -20° tot 45°C (van -4° tot 113°F)
Laadtemperatuurbereik
Van 0° tot 40°C (van 32° tot 104°F)
Kompasveilige afstand
17,5 cm (7 in.)
Draadloze frequentie/
draadloos protocol
2,4 GHz bij 14,9 dBm nominaal
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water
tot een diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten. Ga
voor meer informatie naar www.garmin.com/waterrating.
Informatie over regelgeving en compliance
op e-labels weergeven
Het label voor dit toestel wordt op elektronische wijze geleverd.
Het e-label kan regelgeving bevatten, zoals
identificatienummers verstrekt door de FCC of regionale
compliance-markeringen, maar ook toepasselijke product- en
licentiegegevens.
1 Selecteer Stel in.
2 Selecteer Over.
Appendix
Appendix
Gegevensvelden
Sommige gegevensvelden vereisen dat u navigeert of draadloze
accessoires hebt om gegevens te kunnen weergeven.
Aanwijzer: Een pijl wijst in de richting van het volgende via-punt
of de volgende bocht. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Activity Distance: De afstand die u hebt afgelegd voor de
huidige activiteit of het huidige spoor.
Afstand tot bestemming: De resterende afstand tot de
eindbestemming. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Afstand tot volg.: De resterende afstand tot het volgende
waypoint op uw route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Alarmtimer: De huidige tijd van de afteltimer.
Barometer: De actuele, gekalibreerde druk.
Batterijniveau: De resterende batterijvoeding.
Behouden snelheid: De snelheid waarmee u een bestemming
langs uw route nadert. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Bocht: De richting van de volgende afslag op de route. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Cadans: Fietsen. Het aantal omwentelingen van de pedaalarm.
Voor weergave van deze gegevens moet uw toestel zijn
aangesloten op een cadansaccessoire.
Cadans laatste ronde: Fietsen. De gemiddelde cadans van de
laatste voltooide ronde.
Calorieën: De hoeveelheid calorieën die u hebt verbrand.
Daling - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
daling sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Daling laatste ronde: De verticale afstand van de daling van de
laatste voltooide ronde.
Daling - Maximum: De maximale daalsnelheid in meter per
minuut of voeten per minuut sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Daling ronde: De verticale afstand van de daling voor de
huidige ronde.
Daling - Totaal: De totale afstand van de daling tijdens de
activiteit of sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Datum: Huidige dag, maand en jaar.
Diepte: De diepte van het water. Uw toestel moet zijn
aangesloten op een NMEA 0183 toestel dat de waterdiepte
kan bepalen.
Elapsed Activity Time: De totale verstreken tijd. Als u
bijvoorbeeld de timer start en 10 minuten hardloopt,
vervolgens de timer 5 minuten stopt en daarna de timer weer
start en 20 minuten hardloopt, bedraagt de verstreken tijd 35
minuten.
ETA bij volgende: Het geschatte tijdstip waarop u het volgende
waypoint op de route zult bereiken (aangepast aan de lokale
tijd van het waypoint). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
ETA op bestemming: Het geschatte tijdstip waarop u de
eindbestemming zult bereiken (aangepast aan de lokale tijd
van de bestemming). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Geen: Dit is een leeg gegevensveld.
Gemiddelde cadans: Fietsen. De gemiddelde cadans voor de
huidige activiteit.
Gemiddelde hartslag: De gemiddelde hartslag voor de huidige
activiteit.
®
17
Gemiddelde HS %Max.: Het gemiddelde percentage van de
maximale hartslag voor de huidige activiteit.
Gemiddelde rondetijd: De gemiddelde rondetijd voor de
huidige activiteit.
Glijhoek: De hoek van de horizontale afgelegde afstand in
verhouding tot de wijziging in verticale afstand.
Glijhoek tot bestem.: De glijhoek die nodig is om van uw
huidige positie af te dalen naar de hoogte van uw
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
GPS-hoogte: De hoogte van uw huidige locatie op basis van
GPS.
GPS-koers: De richting waar u naartoe gaat op basis van GPS.
GPS-nauwkeurigheid: De foutmarge voor uw exacte locatie.
Uw GPS-locatie is bijvoorbeeld accuraat binnen +/- 3,65
meter (12 ft.).
GPS-signaalsterkte: De sterkte van het signaal van de GPSsatelliet.
Gradiënt: De berekening van de stijging over de afstand. Als u
bijvoorbeeld 3 m (10 ft) stijgt na elke 60 m (200 ft) die u
aflegt, is het stijgingspercentage 5%.
Hartslag: Uw aantal hartslagen per minuut. Uw toestel moet zijn
aangesloten op een compatibele hartslagmeter.
Hartslag - %Max.: Het percentage van maximale hartslag.
Hartslagzone: De prestatiezone van uw huidige hartslag (1 tot
5). De standaardzones zijn gebaseerd op uw
gebruikersprofiel en de maximale hartslag (220 min uw
leeftijd).
Hoogte: De hoogte van uw huidige locatie boven of onder
zeeniveau.
Hoogte boven grond: De hoogte van uw huidige locatie boven
grondniveau.
Hoogte - Maximum: Het hoogst bereikte punt sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Hoogte - Minimum: Het laagst bereikte punt sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
HS laatste ronde: De gemiddelde hartslag voor de laatste
voltooide ronde.
HS-percentage ronde: Het gemiddelde percentage van de
maximale hartslag voor de huidige ronde.
Huidige ronde: De stopwatchtijd voor de huidige ronde.
Kilometerteller: Een lopende meting van de afstand die is
afgelegd voor alle trips. Dit totaal wordt niet gewist als de
reisgegevens worden hersteld.
Koers: De richting van uw beginlocatie naar een bestemming.
De koers kan worden weergegeven als een geplande of
ingestelde route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Koers: De richting waarin u zich verplaatst.
Kompaskoers: De richting waar u naartoe gaat op basis van
het kompas.
Laatste rondeafstand: De afstand die u hebt afgelegd voor de
laatste voltooide ronde.
Laatste rondesnelheid: De gemiddelde snelheid voor de
laatste voltooide ronde.
Laatste rondetijd: De stopwatchtijd voor de laatste voltooide
ronde.
Locatie bestem.: De positie van uw eindbestemming. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Max.snelheid: De gerapporteerde maximumsnelheid voor de
weg. Niet beschikbaar op alle kaarten en in alle gebieden.
Let altijd op de borden langs de weg voor de juiste
maximumsnelheid.
18
Max.temperatuur 24 uur: De maximumtemperatuur gemeten in
de afgelopen 24 uur met een compatibele
temperatuursensor.
Min.temperatuur 24 uur: De minimumtemperatuur gemeten in
de afgelopen 24 uur met een compatibele
temperatuursensor.
Naar koers: De richting die u moet volgen om terug te keren
naar de route. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Omgevingsluchtdruk: De niet-gekalibreerde
omgevingsluchtdruk.
Peiling: De richting vanaf uw huidige locatie naar een
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Positie (ingesteld): De huidige positie met de geselecteerde
instelling voor de positieweergave.
Positie (lengte/breedte): De huidige positie in lengte- en
breedtegraad ongeacht de geselecteerde instelling voor de
positieweergave.
Rondeafstand: De afstand die u hebt afgelegd voor de huidige
ronde.
Rondecadans: Fietsen. De gemiddelde cadans voor de huidige
ronde.
Ronde HS: De gemiddelde hartslag voor de huidige ronde.
Ronden: Het aantal ronden dat is voltooid voor de huidige
activiteit.
Rondesnelheid: De gemiddelde snelheid voor de huidige
ronde.
Snelh: bewogen gem.: De gemiddelde snelheid waarmee u
zich verplaatst sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Snelh: totaal gem.: De gemiddelde snelheid tijdens het
verplaatsen en stoppen sinds deze waarde voor het laatst is
hersteld.
Snelheid: De huidige snelheid waarmee u zich verplaatst.
Snelheid - Maximum: De hoogste snelheid sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Stijging - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
stijging sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Stijging laatste ronde: De verticale afstand van de stijging van
de laatste voltooide ronde.
Stijging - Maximum: De maximale stijgsnelheid in voet per
minuut of meter per minuut sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Stijging ronde: De verticale afstand van de stijging van de
huidige ronde.
Stijging - Totaal: De totale afstand van de stijging tijdens de
activiteit of sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Stopwatchtimer: De stopwatchtijd voor de huidige activiteit.
Temperatuur: De temperatuur van de lucht. Uw
lichaamstemperatuur beïnvloedt de temperatuursensor. Deze
gegevens worden alleen weergegeven als uw toestel is
aangesloten op een tempe™ sensor.
Temperatuur - Water: De temperatuur van het water. Uw
toestel moet zijn aangesloten op een NMEA 0183 toestel dat
de watertemperatuur kan bepalen.
Tijd: De tijd van de dag, op basis van uw huidige locatie en
tijdinstellingen (notatie, tijdzone en zomertijd).
Tijd tot bestemming: De tijd die u naar verwachting nodig hebt
om de bestemming te bereiken. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Tijd tot vlgnde: De tijd die u naar verwachting nodig hebt om
het volgende waypoint op de route te bereiken. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Totale ronde: De stopwatchtijd voor alle voltooide ronden.
Appendix
Tripteller: Een lopende meting van de afstand die is afgelegd
sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Triptijd: Een lopende meting van de tijd die is besteed terwijl u
in beweging was en terwijl u gestopt was sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Bewogen: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Gestopt: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken zonder te bewegen sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Van koers: De afstand naar links of rechts die u van uw
oorspronkelijke koers bent afgeweken. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Vert. afst. tot bestem.: De afstand die u stijgt tussen uw
huidige positie en de eindbestemming. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Vert. afst. tot volg.: De afstand die u stijgt tussen uw huidige
positie en het volgende via-punt op de route. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Vert. snelh. tot bestem.: De stijg- of daalsnelheid naar een
vooraf bepaalde hoogte. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Verticale snelheid: De stijg- of daalsnelheid over tijd.
Wayp. bij best.: Het laatste punt op de route naar de
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Waypoint bij volgende: Het volgende punt op de route. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Wending: Het hoekverschil (in graden) tussen de richting van
uw bestemming en uw huidige koers. L betekent naar links
afbuigen. R betekent naar rechts afbuigen. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Zon onder: Het tijdstip waarop de zon ondergaat, gebaseerd op
uw GPS-positie.
Zon op: Het tijdstip waarop de zon opkomt, gebaseerd op uw
GPS-positie.
Meer informatie
Meer informatie over dit product vindt u op de Garmin website.
• Ga naar support.garmin.com voor meer handleidingen,
artikelen en software-updates.
• Ga naar buy.garmin.com of neem contact op met uw Garmin
dealer voor informatie over optionele accessoires en
vervangingsonderdelen.
Optionele accessoires
Optionele accessoires, zoals houders, kaarten,
fitnessaccessoires en vervangingsonderdelen, zijn verkrijgbaar
via http://buy.garmin.com of bij uw Garmin dealer.
tempe
De tempe is een draadloze ANT+ temperatuursensor. U kunt de
sensor aan een stevige band of lus bevestigen op een plek waar
deze is blootgesteld aan omgevingslucht en zo een consistente
bron van nauwkeurige temperatuurgegevens vormt. U moet de
tempe met uw toestel koppelen om temperatuurgegevens van
de tempe te kunnen weergeven.
Tips voor het koppelen van ANT+ accessoires met uw
Garmin toestel
• Controleer of het ANT+ accessoire compatibel is met uw
Garmin toestel.
• Voordat u het ANT+ accessoire met uw Garmin toestel
koppelt, dient u een afstand van 10 m (32,9 voet) ten
opzichte van andere ANT+ accessoires in acht te nemen.
Appendix
• Plaats het Garmin toestel binnen 3 m (10 voet) van het ANT+
accessoire.
• Nadat u de koppeling tot stand hebt gebracht, herkent het
Garmin toestel daarna automatisch het ANT+ accessoire
wanneer u het toestel activeert. Het koppelingsproces vindt
automatisch plaats wanneer u het Garmin toestel inschakelt
en zorgt ervoor dat de accessoires binnen enkele seconden
zijn geactiveerd en klaar zijn voor gebruik.
• Na het koppelen ontvangt het Garmin toestel alleen
gegevens van uw eigen accessoires. U kunt dan ook gewoon
in de buurt van andere accessoires komen.
Problemen oplossen
Het toestel opnieuw opstarten
Als het toestel niet meer reageert, moet u het mogelijk opnieuw
opstarten. Uw gegevens en instellingen worden dan niet gewist.
1 Verwijder de batterijen.
2 Plaats de batterijen opnieuw.
Hartslagzones
Vele atleten gebruiken hartslagzones om hun cardiovasculaire
kracht te meten en te verbeteren en om hun fitheid te
verbeteren. Een hartslagzone is een bepaald bereik aan
hartslagen per minuut. De vijf algemeen geaccepteerde
hartslagzones zijn genummerd van 1 tot 5 op basis van
oplopende intensiteit. Over het algemeen worden hartslagzones
berekend op basis van de percentages van uw maximale
hartslag.
Fitnessdoelstellingen
Als u uw hartslagzones kent, kunt u uw conditie meten en
verbeteren door de onderstaande principes te begrijpen en toe
te passen.
• Uw hartslag is een goede maatstaf voor de intensiteit van uw
training.
• Training in bepaalde hartslagzones kan u helpen uw
cardiovasculaire capaciteit en kracht te verbeteren.
Als u uw maximale hartslag kent, kunt u de tabel (Berekeningen
van hartslagzones, pagina 19) gebruiken om de beste
hartslagzone te bepalen voor uw fitheidsdoeleinden.
Als u uw maximale hartslag niet kent, gebruik dan een van de
rekenmachines die beschikbaar zijn op internet. Bij sommige
sportscholen en gezondheidscentra kunt u een test doen om de
maximale hartslag te meten. De standaard maximale hartslag is
220 min uw leeftijd.
Berekeningen van hartslagzones
Zone % van
maximale
hartslag
Waargenomen
inspanning
Voordelen
1
50–60%
Ontspannen,
comfortabel tempo,
regelmatige ademhaling
Aerobische training
voor beginners,
verlaagt het stressniveau
2
60–70%
Comfortabel tempo, iets
diepere ademhaling,
gesprek voeren is
mogelijk
Standaardcardiovasculaire training; korte
herstelperiode
3
70–80%
Gematigd tempo,
gesprek voeren iets
lastiger
Verbeterde aerobische
capaciteit, optimale
cardiovasculaire
training
19
Zone % van
maximale
hartslag
Waargenomen
inspanning
4
80–90%
Hoog tempo en
Verbeterde anaerobienigszins oncomfortabel; sche capaciteit en
zware ademhaling
drempel, hogere
snelheid
5
90–100%
Sprinttempo, kan niet
lang worden
volgehouden;
ademhaling zwaar
20
Voordelen
Anaerobisch en
musculair uithoudingsvermogen; meer
kracht
Appendix
Index
A
aan-uitknop 2
accessoires 14, 19
activiteiten 6, 7
adressen, zoeken 7
afstanden meten 3
agenda 9
alarmen
gevarenzone 5, 11
klok 9
maritiem 14
ANT+ sensoren 14
ANT+ sensors, koppelen 19
applicaties 7, 8
Auto Lap 14
B
batterij 1, 16
installeren 1
maximaliseren 1, 13
opladen 2
opslag 1
bestanden, overbrengen 10, 16
BirdsEye-afbeeldingen 9
Bluetooth sensoren 14
Bluetooth technologie 7, 8, 13
C
calculator 9
chirp 11, 14
City Navigator 7
computer, verbinden 16
Connect IQ 8, 9
D
dashboards 4
downloaden, geocaches 10
F
fitness 14
G
Garmin Connect 7
Garmin Explore 16
Garmin Express 15
software bijwerken 15
gebruikersgegevens, verwijderen 17
gegevens
delen 7
opslaan 8
overbrengen 8, 16
gegevens delen 7, 9, 11
gegevens opslaan 8, 16
gegevensvelden 8, 12, 17
geheugenkaart 16
geocaches 9–11, 16
downloaden 10
instellingen 14
navigeren naar 10
geschiedenis, naar de computer verzenden 8
GLONASS 13
GPS 9, 12, 13
instellingen 13
satellietpagina 12
GroupTrack 8, 9
H
hartslag, zones 19
helderheid 2
het toestel resetten 15
hoofdmenu 2
aanpassen 14
hoogte 4
grafiek 6
hoogtemeter 4
kalibreren 4
I
inReach afstandsbediening 9, 12
Index
instellingen 3, 4, 12–15
toestel 13
vastleggen 6
K
kaarten 6
afstanden meten 3
bijwerken 15
BirdsEye-afbeeldingen 9
instellingen 3
kopen 7
navigeren 3, 5, 7
optioneel 7
oriëntatie 3
zoomen 3
kalibreren, hoogtemeter 4
karabijnhaakclip 16
knoppen 1, 2
vergrendelen 2
koersen, wijzer 3
kompas 3
instellingen 3, 4
kalibreren 4
navigeren 5
koppelen
ANT+ sensors 19
sensors 14
smartphone 8
L
LiveTrack 8, 9
locaties
opslaan 5
wijzigen 5
M
maateenheden 15
maritiem
alarmen instellen 14
instellingen 14
meldingen 8, 9
microSD kaart. Zie geheugenkaart
N
nabijheidswaarschuwingen 5, 9, 11
navigatie 3, 5
kompas 5
stoppen 5
navigeren 3
O
opladen 2
oppervlakteberekening 9, 11
overbrengen
bestanden 10, 11, 16
sporen 11
instellingen 13
scherminstellingen 13
schermverlichting 1, 2, 13
smartphone 8, 11
applicaties 7
koppelen 8
software, bijwerken 15
specificaties 17
sporen 6, 7
navigeren 7
stopwatch 9
systeeminstellingen 13
T
tempe 19
temperatuur 19
tijden voor jagen en vissen 9
tijden voor zonsopkomst en zonsondergang 9
tijdinstellingen 15
tijdzones 15
toestel aanpassen 12, 14
toestel registreren 10
toestel schoonmaken 16
tonen 14
TracBack 7
tripcomputer 4
U
USB 13
bestanden overbrengen 16
connector 1
loskoppelen 17
massaopslagmodus 16
V
vastleggen 7
vergrendelen, knoppen 2
verwijderen, alle gebruikersgegevens 17
via-punten 5
bewerken 5
navigeren 5
projecteren 5
verwijderen 5
VIRB afstandsbediening 9, 11
W
WAAS 13
waypoints 5
opslaan 5
wijzigen 5, 6
Wi‑Fi 7
verbinden 8, 13
widgets 8
Z
Zaklamp 9, 12
P
Peil en ga 3
polsband 16
positieformaat 15
problemen oplossen 15, 19
productregistratie 11
profielen 9, 11, 15
R
reisinformatie, weergeven 4
reisplanner. Zie routes
routes 5, 6
bewerken 6
instellingen 13
maken 6
navigeren 6
verwijderen 6
weergeven op de kaart 6
S
satellietpagina 12
satellietsignalen 9, 12
ontvangen 2
scherm
helderheid 2
21
support.garmin.com
Augustus 2018
190-02336-00_0A
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising