Garmin | T 5 Dog Device | Garmin T 5 Dog Device Alpha 100 T5/T5 mini Gebruikershandleiding

Garmin T 5 Dog Device Alpha 100 T5/T5 mini Gebruikershandleiding
Alpha 100 met T5/T5 mini
®
Gebruikershandleiding
Juli 2015
Gedrukt in Taiwan
190-01771-35_0B
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke
toestemming van Garmin. Garmin behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van
deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar
www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin , het Garmin logo, Alpha , ANT+ , BlueChart , City Navigator en VIRB zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen,
geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. BaseCamp™, Garmin Express™ en tempe™ zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar
dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
®
®
®
®
®
microSD™ en het microSDHC logo zijn handelsmerken van SD-3C, LLC. Windows en Windows NT zijn geregistreerde handelsmerken van Microsoft
Corporation in de Verenigde Staten en andere landen. Mac is een handelsmerk van Apple Computer, Inc., geregistreerd in de Verenigde Staten en andere
landen.
®
®
Overige handelsmerken en merknamen zijn het eigendom van hun respectieve eigenaars.
®
Inhoudsopgave
Aan de slag..................................................................... 1
Het Alpha systeem instellen ....................................................... 1
Overzicht van toestellen ............................................................. 1
Alpha 100 handheld-toestel ................................................... 1
Halsbandtoestel ..................................................................... 1
Meer informatie ........................................................................... 1
Het toestel registreren ................................................................ 1
Het batterijpak plaatsen .............................................................. 1
Het handheld-toestel opladen ..................................................... 1
Het halsbandtoestel opladen ...................................................... 2
De toestellen inschakelen ........................................................... 2
De toestellen uitschakelen ..................................................... 2
Satellietsignalen ontvangen ........................................................ 2
Het aanraakscherm gebruiken .................................................... 2
Het aanraakscherm vergrendelen .............................................. 2
Het aanraakscherm ontgrendelen ......................................... 2
Halsbandtoestel instellen.............................................. 2
Methoden om een halsbandtoestel toe te voegen aan een
handheld-toestel ......................................................................... 2
Informatie over VHF-radio ...................................................... 3
Een hond toevoegen via draadloze koppeling ....................... 3
Een hond toevoegen met behulp van de volg- en
trainingscodes ........................................................................ 3
Een hond draadloos delen ..................................................... 3
Hondinformatie bewerken ........................................................... 3
Statistieken en sporen van de hond herstellen ...................... 3
De lengte van het spoor van de hond wijzigen ...................... 3
De naam van de hond wijzigen .............................................. 3
De kleur van het spoor van de hond wijzigen ........................ 4
Het type hond wijzigen ........................................................... 4
Het id-nummer van de hond wijzigen ..................................... 4
Hondwaarschuwingen instellen ............................................. 4
Een hond verwijderen ............................................................ 4
De halsband omdoen ................................................................. 4
Blafdetectie inschakelen ............................................................. 4
Communicatie met de halsband ................................................. 4
Slaapmodus inschakelen ............................................................ 4
Slaapmodus uitschakelen ........................................................... 5
Honden volgen................................................................5
Uw hond volgen op de kaart ....................................................... 5
Eén hond tegelijk volgen en trainen ........................................... 5
Hondstatuspictogrammen ........................................................... 5
Hondenvolgkompas .................................................................... 5
Navigeren naar uw hond ............................................................ 5
Volgen met BaseCamp™ BaseStation ....................................... 5
hond volgen pauzeren ................................................................ 5
Alle volgactiviteiten pauzeren ..................................................... 6
Positiewaarschuwingen .............................................................. 6
Een geofencewaarschuwing instellen .................................... 6
Een radiuswaarschuwing instellen ......................................... 6
Locatiewaarschuwingen instellen .......................................... 6
Hondentraining............................................................... 6
Trainingsmethoden ..................................................................... 6
De trainingsknoppen instellen voor één hond ............................ 6
De trainingsknoppen aanpassen ................................................ 6
Contactpersonen volgen............................................... 6
Een contactpersoon toevoegen via MURS/VHF ........................ 7
Een contactpersoon toevoegen met een contact-id ................... 7
Een noodoproep verzenden ....................................................... 7
Een bericht verzenden naar uw contactpersonen ...................... 7
Een contactpersoon volgen ........................................................ 7
Uw contact-id opzoeken ............................................................. 7
Uw contact-id wijzigen ................................................................ 7
Inhoudsopgave
Een contact-id bijwerken ............................................................. 7
Jagen met het Alpha systeem ....................................... 7
De locatie van uw vrachtwagen markeren .................................. 8
Een groep vogels markeren ........................................................ 8
De halsbandlampjes inschakelen ............................................... 8
De reddingsmodus inschakelen ................................................. 8
Via-punten, routes en sporen........................................ 8
Via-punten .................................................................................. 8
Uw huidige locatie markeren .................................................. 8
Een via-punt markeren met behulp van de kaart ................... 8
Een via-punt bewerken .......................................................... 8
Een via-punt verplaatsen naar uw huidige locatie ................. 8
Een via-punt op de kaart verplaatsen .................................... 8
De nauwkeurigheid van een via-punt-locatie verbeteren ....... 8
Een via-punt projecteren ........................................................ 8
Een via-punt verwijderen ....................................................... 8
Routes ........................................................................................ 9
Een route maken .................................................................... 9
De naam van een route wijzigen ........................................... 9
Een opgeslagen route navigeren ........................................... 9
Een route bewerken ............................................................... 9
Een route omkeren ................................................................ 9
Een route weergeven op de kaart .......................................... 9
De actieve route weergeven .................................................. 9
Een route verwijderen ............................................................ 9
Sporen ........................................................................................ 9
Spoorlogs vastleggen ............................................................ 9
Details van het spoor bekijken ............................................... 9
De hoogtegrafiek van een spoor weergeven ......................... 9
Navigeren naar het begin van een spoor ............................... 9
De kleur van het spoor wijzigen ............................................. 9
Het huidige spoor opslaan ................................................... 10
Een locatie in een spoor opslaan ......................................... 10
Het huidige spoor wissen ..................................................... 10
Een spoor verwijderen ......................................................... 10
Een opgeslagen spoor in het archief opslaan ...................... 10
Sporen automatisch archiveren ........................................... 10
Gegevens draadloos verzenden en ontvangen ........................ 10
Navigatie....................................................................... 10
Kaart ......................................................................................... 10
De afstand op de kaart meten .................................................. 10
Kompas ..................................................................................... 10
Het kompas kalibreren ......................................................... 10
Navigeren met de peilingwijzer ............................................ 10
Koerswijzer .......................................................................... 10
Menu Waarheen? ..................................................................... 10
Een via-punt op naam zoeken ............................................. 11
Een via-punt in de buurt van een ander via-punt zoeken .... 11
Navigeren met Peil en ga ......................................................... 11
Hoogtegrafiek ........................................................................... 11
De barometrische hoogtemeter kalibreren .......................... 11
Navigeren naar een punt in de hoogtegrafiek ...................... 11
Het plottype wijzigen ............................................................ 11
De hoogtegrafiek herstellen ................................................. 11
Tripcomputer ............................................................................. 11
De tripcomputer herstellen ................................................... 11
Toepassingen............................................................... 11
Een nabijheidswaarschuwing instellen ..................................... 11
De oppervlakte van een gebied berekenen .............................. 11
De agenda en almanakgegevens weergeven .......................... 11
Een alarm instellen ................................................................... 11
De stopwatch openen ............................................................... 11
Satellietpagina .......................................................................... 12
De satellietweergave wijzigen .............................................. 12
GPS uitschakelen ................................................................ 12
i
Een locatie simuleren ........................................................... 12
VIRB® afstandsbediening ........................................................ 12
Een VIRB actiecamera bedienen met een handheldtoestel .................................................................................. 12
Een VIRB actiecamera bedienen met uw
halsbandtoestel .................................................................... 12
Uw toestel aanpassen.................................................. 12
Het hoofdmenu aanpassen ...................................................... 12
De gegevensvelden aanpassen ............................................... 12
Gegevensvelden op de kaart inschakelen ........................... 12
Systeeminstellingen .................................................................. 12
Hondinstellingen ....................................................................... 12
Contactinstellingen ................................................................... 12
Scherminstellingen ................................................................... 13
Het aanraakscherm kalibreren ............................................. 13
Weergave-instellingen .............................................................. 13
De toestelgeluiden instellen ...................................................... 13
Kaartinstellingen ....................................................................... 13
Geavanceerde kaartinstellingen .......................................... 13
Instellingen voor sporen ........................................................... 13
Route-instellingen ..................................................................... 13
De maateenheden wijzigen ...................................................... 13
Tijdinstellingen .......................................................................... 13
Instellingen voor positieformaat ................................................ 14
Koersinstellingen ...................................................................... 14
Hoogtemeterinstellingen ........................................................... 14
Instellingen waterkaart .............................................................. 14
Toestelinformatie......................................................... 14
Toestelgegevens weergeven .................................................... 14
Ondersteuning en updates ....................................................... 14
Ondersteuning en updates .................................................. 14
De software bijwerken .......................................................... 14
Toestelonderhoud ..................................................................... 14
Het toestel schoonmaken .................................................... 15
Het aanraakscherm schoonmaken ...................................... 15
Specificaties .............................................................................. 15
Alpha 100 handheld-toestel - specificaties .......................... 15
T5 halsbandtoestel - specificaties ........................................ 15
T5 mini halsbandtoestel - specificaties ................................ 15
Batterijgegevens ....................................................................... 15
Langdurige opslag ............................................................... 15
De levensduur van de batterij verlengen ............................. 15
Energie besparen tijdens het opladen van het toestel .............. 16
Gegevensbeheer ...................................................................... 16
Bestandstypen ..................................................................... 16
Een geheugenkaart installeren ............................................ 16
Het handheld-toestel aansluiten op een computer .............. 16
De halsband op een computer aansluiten ........................... 17
Hondsporen overbrengen naar BaseCamp ......................... 17
Bestanden verwijderen ........................................................ 17
De USB-kabel loskoppelen .................................................. 17
Appendix....................................................................... 17
Accessoires en vervangingsonderdelen ................................... 17
Accessoires aanschaffen ..................................................... 17
ANT+ sensors ...................................................................... 17
T5 instructies voor het vervangen van de batterij ................ 18
De batterijmodule van het halsbandtoestel vervangen ........ 18
De halsband vervangen ....................................................... 19
De VHF-antenne in het halsbandtoestel vervangen ............ 19
De zekering in de voertuigvoedingskabel vervangen .......... 19
Opties voor gegevensvelden .................................................... 19
Index.............................................................................. 21
ii
Inhoudsopgave
Aan de slag
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Het Alpha systeem instellen
KENNISGEVING
Gebruik nooit een radiozender met hoog vermogen (meer dan 5
watt) in de buurt van het toestel. Dit kan tot onherstelbare
schade aan het toestel leiden.
Voordat u het Alpha handheld-toestel en het T5 halsbandtoestel
kunt gebruiken, moet u de toestellen instellen.
1 Plaats de batterij in het handheld-toestel (Het batterijpak
plaatsen, pagina 1).
2 Laad het handheld-toestel op (Het handheld-toestel opladen,
pagina 1).
Laat
het halsbandtoestel op (Het halsbandtoestel opladen,
3
pagina 2).
4 Schakel de toestellen in (De toestellen inschakelen,
pagina 2).
5 Voeg indien nodig de halsband toe aan het handheld-toestel
(Een hond toevoegen via draadloze koppeling, pagina 3).
6 Ontvang satellietsignalen (Satellietsignalen ontvangen,
pagina 2).
Doe
de halsband om (De halsband omdoen, pagina 4).
7
Overzicht van toestellen
Alpha 100 handheld-toestel
À
Á
Â
Ã
VHF-antenne
GPS-antenne
Aan-uitknop
Statuslampje en knipperende bakenlampjes
Meer informatie
Meer informatie over dit product vindt u op de Garmin website.
• Ga naar www.garmin.com/alpha.
• Ga naar www.garmin.com/outdoor.
• Ga naar www.garmin.com/learningcenter.
• Raadpleeg de gebruikershandleiding bij het halsbandtoestel
voor meer informatie.
• Ga naar buy.garmin.com of neem contact op met uw Garmin
dealer voor informatie over optionele accessoires en
vervangingsonderdelen.
®
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie vandaag nog in zodat wij u beter kunnen
helpen.
• Ga naar garmin.com/express.
• Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een
veilige plek.
Het batterijpak plaatsen
1 Draai de D-ring tegen de klok in en trek deze omhoog om de
klep te verwijderen.
2 Zoek de metalen contactpunten aan het uiteinde van de
lithium-ionbatterij.
3 Plaats de batterij in het compartiment door eerst de
contacten tegen elkaar te plaatsen.
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
GPS-antenne
VHF-antenne
Trainingsknoppen
Aan-uitknop
Bevestigingsclip
microSD™ kaartuitsparing (onder de batterij)
D-ring van de batterijklep
Mini-USB-poort (onder beschermkap)
Halsbandtoestel
OPMERKING: Uw halsbandtoestel ziet er mogelijk anders uit
dan het afgebeelde toestel.
Aan de slag
4 Druk de batterij op zijn plaats.
5 Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
Het handheld-toestel opladen
KENNISGEVING
U voorkomt corrosie door de USB-poort, de beschermkap en de
omringende delen grondig af te drogen voordat u het toestel
oplaadt of aansluit op een computer.
1
U moet de batterij volledig opladen voordat u het toestel voor de
eerste keer gaat gebruiken. Het opladen van een geheel lege
batterij duurt circa 2 uur.
OPMERKING: Het opladen is alleen mogelijk binnen een
temperatuurbereik van 0° tot 40°C (32° tot 104°F).
1 Trek het beschermkapje À omhoog.
De toestellen uitschakelen
• Houd de aan-uitknop op het handheld-toestel ingedrukt totdat
het LCD-scherm wordt uitgeschakeld.
• Houd de aan-uitknop op het halsbandtoestel ingedrukt totdat
het statuslampje rood wordt.
Satellietsignalen ontvangen
Zowel de halsband als het handheld-toestel moeten
satellietsignalen ontvangen voordat u de halsband omdoet bij
uw hond. Het zoeken naar satellieten kan enkele minuten duren.
1 Ga naar buiten naar een open gebied.
2 Schakel beide toestellen in (De toestellen inschakelen,
pagina 2).
Selecteer
de aan-uitknop op het handheld-toestel.
3
geeft de GPS-signaalsterke aan.
Als de halsband satellietsignalen ontvangt, knippert het
statuslampje twee of drie keer in het groen.
2 Sluit het smalle uiteinde van de voedingskabel aan op de
mini-USB-poort Á op het toestel.
3 Sluit het andere uiteinde van de voedingskabel aan op een
geschikte stroomvoorziening.
Het LCD-scherm van het handheld-toestel geeft het actuele
oplaadniveau van de batterij aan. Het toestel is volledig geladen
als het pictogram voor het batterijniveau ophoudt te knipperen.
Het halsbandtoestel opladen
KENNISGEVING
Om corrosie te voorkomen, dient u de contactpunten op de
halsband en het omliggende gebied grondig droog te maken
voordat u oplaadclip aansluit.
OPMERKING: Uw halsbandtoestel ziet er mogelijk anders uit
dan het afgebeelde toestel.
U moet de batterij volledig opladen voordat u het toestel voor de
eerste keer gaat gebruiken. Het opladen van een lege batterij
duurt circa vijf uur.
1 Klik de oplaadclip À op het toestel Á.
Het aanraakscherm gebruiken
• Selecteer
om de toepassingenopslag te openen.
• Selecteer
om een menu te openen.
• Selecteer om de pagina te sluiten en terug te keren naar
de vorige pagina.
• Als u meerdere menu's moet doorlopen om terug te keren
naar het startscherm, kunt u ingedrukt houden om direct
terug te keren naar het startscherm.
• Selecteer om terug te keren naar de vorige pagina.
• Selecteer
om uw wijzigingen op te slaan en de pagina te
sluiten.
• Selecteer en om te bladeren.
• Selecteer
om op naam te zoeken.
Het aanraakscherm vergrendelen
U kunt het scherm vergrendelen om te voorkomen dat u per
ongeluk op het scherm tikt en functies activeert.
1 Selecteer de aan-uitknop.
2 Selecteer .
Het aanraakscherm ontgrendelen
1 Selecteer de aan-uitknop.
2 Selecteer .
Halsbandtoestel instellen
Methoden om een halsbandtoestel toe te
voegen aan een handheld-toestel
2 Sluit het smalle uiteinde van de voedingskabel aan op de
mini-USB-poort van de laadclipkabel.
3 Sluit de voedingskabel aan op een voedingsbron.
Het statuslampje brandt rood wanneer de halsband wordt
opgeladen.
4 Wanneer het statuslampje groen wordt, kunt u de oplaadclip
van de halsband verwijderen.
De toestellen inschakelen
• Houd de aan-uitknop ingedrukt op het handheld-toestel totdat
het LCD-scherm wordt ingeschakeld.
• Houd de aan-uitknop ingedrukt op het halsbandtoestel totdat
het statuslampje knippert en de halsband piept.
2
Als u de halsband en het handheld-toestel apart hebt gekocht,
moet u de halsband aan het handheld-toestel toevoegen. U kunt
maximaal 20 halsbanden toevoegen aan één handheld-toestel.
Via MURS/VHF: Hiermee kunt u een halsband toevoegen nadat
u de halsband in de koppelmodus hebt gezet door op de aanuitknop te drukken.
Deze methode is handig als u een nieuwe halsband aan het
systeem toevoegt voordat u op jacht gaat (Een hond
toevoegen via draadloze koppeling, pagina 3).
De volg- en trainingscodes invoeren: Op deze manier kunt u
een halsband toevoegen die niet van u is en zich niet in de
buurt bevindt. De eigenaar van de hond moet bepalen of u de
hond alleen kunt volgen of kunt volgen en trainen. Voor deze
methode moet de eigenaar van de hond de codes opzoeken
en doorgeven aan de persoon die de halsband toevoegt.
Deze methode is handig als u tijdens een jachtpartij een
halsband wilt toevoegen terwijl u niet in de buurt van de hond
Halsbandtoestel instellen
bent. Stel, u voegt de hondenhalsband van een andere
deelnemer aan de jachtpartij aan uw handheld-toestel toe en
u bent zelf niet de eigenaar van de halsband (Een hond
toevoegen met behulp van de volg- en trainingscodes,
pagina 3).
OPMERKING: Deze functie is afhankelijk van het type
halsbandtoestel en de beschikbaarheid van de functie in uw
gebied. Het is mogelijk dat u alleen volgcodes ziet, of volgen trainingscodes.
Draadloos delen via ANT+ draadloze technologie: Op deze
manier kunt u een halsband toevoegen die niet van u is en
zich niet in de buurt bevindt. De eigenaar van de hond moet
bepalen of u de hond alleen kunt volgen of kunt volgen en
trainen. Bij deze methode hoeft de eigenaar van de hond de
codes niet op te zoeken en door te geven aan de persoon die
de halsband toevoegt. Met deze methode wordt ook
hondinformatie, zoals de naam van de hond, communicatieinstellingen en startpositie, toegevoegd vanaf het zendende
handheld-toestel naar uw handheld-toestel. De beide
handheld-toestellen moeten zich binnen een afstand van 3 m
(10 ft.) van elkaar bevinden om draadloos gegevens te delen.
Deze methode is handig als u tijdens een jachtpartij een
halsband wilt toevoegen, maar niet in de buurt van de hond
bent. De honden zijn bijvoorbeeld al losgelaten en u bent in
de buurt van de eigenaar die zijn hond draadloos kan delen
(Een hond draadloos delen, pagina 3).
®
Informatie over VHF-radio
Dit product mag alleen worden gebruikt bij bepaalde
radiofrequenties die per land verschillen. De gebruiker kan een
andere antenne plaatsen op het handheld-toestel en het
hondentoestel. Een andere antenne kan de radioprestaties
verbeteren en het vermogen vergroten. Gebruik geen antenne
van derden of een antenne die niet is goedgekeurd voor het
toestel door Garmin. Ga naar www.garmin.com/tracking-legal
voor meer informatie over de prestaties en radiofrequentie van
dit product, goedgekeurde accessoires en voedingslimieten per
land.
Een hond toevoegen via draadloze koppeling
1 Schakel het halsbandtoestel uit indien het is ingeschakeld
(De toestellen uitschakelen, pagina 2).
ingedrukt tot het halsbandtoestel twee series
pieptonen geeft (circa 2 seconden), en laat vervolgens los.
Het statuslampje knippert snel in groen. Het halsbandtoestel
is nu gereed om te worden gekoppeld met een handheldtoestel.
3 Selecteer op het handheld-toestel Hondenlijst > Voeg hond
toe.
4 Breng het halsbandtoestel nabij het handheld-toestel en
selecteer Ja.
Nadat
het halsbandtoestel is toegevoegd, voert u de naam
5
van de hond in en selecteert u
> OK.
2 Houd
Een hond toevoegen met behulp van de volg- en
trainingscodes
OPMERKING: Deze functie is afhankelijk van het type
halsbandtoestel en de beschikbaarheid van de functie in uw
gebied.
Voordat u een hond kunt toevoegen met behulp van de volg- en
trainingscodes, moet de eigenaar van de hond de volg- en
trainingscodes opzoeken (Het id-nummer en de volg- en
trainingscodes van uw hond opzoeken en delen, pagina 3)
en aan u doorgeven.
Als u niet in de buurt van de hond bent die u wilt toevoegen of
niet de koppelmodus kunt inschakelen op de halsband, kunt u
de hond toevoegen met behulp van de volg- en trainingscodes.
1 Selecteer Voeg hond toe.
Halsbandtoestel instellen
2 Als wordt gevraagd of u in de buurt van de halsband bent,
selecteert u Nee.
3 Als wordt gevraagd of u de volg- en trainingscodes kent,
selecteert u Ja.
Voer
de volg- en trainingscodes voor de halsband in en
4
selecteer .
Met de volgcode kunt u de hond volgen. Met de
trainingscode kunt u de hond zowel volgen als trainen.
5 Voer de naam van de hond in en selecteer > OK.
Het id-nummer en de volg- en trainingscodes van uw hond
opzoeken en delen
U kunt de volgcode van een hond delen, zodat een ander uw
hond kan volgen met behulp van kaart en kompas en kan zien
waar uw hond zich bevindt. U kunt ook de trainingscode van uw
hond delen, zodat een ander uw hond kan volgen en trainen
(corrigeren).
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info.
Een hond draadloos delen
Voordat u gegevens draadloos kunt delen via ANT+, moet u uw
Alpha handheld-toestel binnen een afstand van 3 m (10 ft.) van
uw andere handheld-toestel brengen.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer de hond die u wilt delen.
3 Selecteer Draadloos delen.
4 Selecteer een optie:
• Als u de andere persoon alleen de locatie van uw hond via
de kaart en het kompas wilt laten volgen, selecteert u
Alleen volgen.
• Als u wilt toestaan dat de andere persoon niet alleen uw
hond kan volgen, maar ook het gedrag van uw hond kan
corrigeren, selecteert u Volgen en trainen.
5 Selecteer op het andere handheld-toestel Hondenlijst > >
Draadloos ontvangen.
Hondinformatie bewerken
Statistieken en sporen van de hond herstellen
Voor een nieuwe jacht wilt u de vorige statistieken en sporen
van de hond wellicht wissen.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > Herstel > Ja.
De lengte van het spoor van de hond wijzigen
U kunt de lengte van de sporen van de hond op de kaart
aanpassen. Door minder sporen op de kaart weer te geven
maakt u de kaart overzichtelijker. Aanpassing van de lengte van
het spoor heeft geen invloed op de in het interne geheugen
opgeslagen sporen.
1 Selecteer Stel in > Honden > Hondenspoor op kaart.
2 Selecteer een optie om meer of minder sporen op de kaart
weer te geven.
De naam van de hond wijzigen
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info.
4 Selecteer de naam van de hond.
5 Voer de naam in en selecteer > OK.
3
De kleur van het spoor van de hond wijzigen
U kunt de kleur van het spoor van de hond wijzigen. Het is
handig als de kleur van het spoor, zo mogelijk, overeenkomt met
de kleur van de halsband.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info.
4 Selecteer het gekleurde vierkantje naast de naam van de
hond.
5 Selecteer een kleur.
Het type hond wijzigen
Voordat u de hond de halsband omdoet, moet u het handheldtoestel en de halsband koppelen (Een hond toevoegen via
draadloze koppeling, pagina 3), en satellietsignalen zoeken
(Satellietsignalen ontvangen, pagina 2).
1 Plaats de halsband en zorg dat de VHF-sprietantenne en de
GPS-antenne omhoog wijzen, en de lampjes naar voren.
2 Doe de halsband om het midden van de hals.
3 Trek de halsband strakker rond de hals van de hond.
OPMERKING: De band moet stevig vastzitten, zodat deze
niet kan verdraaien of verschuiven. De hond moet zijn voer
en water normaal kunnen doorslikken. Observeer het gedrag
van uw hond om te controleren of de band niet te strak zit.
Voordat u het type hond kunt wijzigen, moet de halsband zijn
ingeschakeld en zich binnen bereik van het handheld-toestel
bevinden.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > > Wijzig type hond.
4 Selecteer een type hond.
Het id-nummer van de hond wijzigen
Voordat u het id-nummer van de hond kunt wijzigen, moet de
halsband zijn ingeschakeld en zich binnen bereik van het
handheld-toestel bevinden.
Als u last hebt van interferentie van andere halsbanden of
handhelds in de buurt, moet u mogelijk het id-nummer van de
hond wijzigen.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info.
4 Selecteer > Wijzig id.
5 Selecteer een beschikbaar id-nummer.
Als een ander handheld-toestel deze hond volgt, kunt u voor
een optimaal resultaat de hond uit het toestel verwijderen en de
volg- en trainingscodes (Een hond toevoegen met behulp van
de volg- en trainingscodes, pagina 3) of draadloos delen via
ANT+ (Een hond draadloos delen, pagina 3) gebruiken om de
hond weer toe te voegen.
Hondwaarschuwingen instellen
U kunt instellen hoe het handheld-toestel u waarschuwt bij
bepaalde acties van de hond.
1 Selecteer Stel in > Honden > Hondwaarschuwingen.
2 Selecteer een waarschuwing.
3 Selecteer de actie van de handheld voor de specifieke
waarschuwing.
4 Herhaal zo nodig de stappen 2 en 3.
Een hond verwijderen
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Wis.
4 Als de band te lang is, kunt u deze inkorten tot er nog
minimaal 7,62 cm (3 inch) band uitsteekt.
Blafdetectie inschakelen
OPMERKING: Deze functie is niet in alle regio's beschikbaar.
Selecteer Stel in > Honden > Blafdetectie.
Er verschijnt een blafpictogram op de hondenvolgpagina en op
de kaartpagina.
Wanneer het halsbandtoestel is ingeschakeld en goed aan de
hond is bevestigd (De halsband omdoen, pagina 4), worden
blafgeluiden automatisch gedetecteerd. Wanneer blafdetectie is
ingeschakeld, kunt u een blafwaarschuwing instellen
(Hondwaarschuwingen instellen, pagina 4).
Communicatie met de halsband
Zorg er voor het beste signaal voor dat er zich tussen uw
handheld-toestel en de halsband geen obstakels bevinden. Voor
de beste communicatieverbinding moet u op een hoog punt
staan (zoals op een heuvel).
Best
Goed
Slecht
De halsband omdoen
LET OP
Spuit geen agressieve chemische stoffen op het toestel of de
halsband, zoals anti-vlooien of anti-teken spray. Wacht tot de
anti-vlooien of anti-teken spray waarmee u de hond hebt
ingespoten volledig is opgedroogd, voordat u de hond de
halsband omdoet. Ook kleine hoeveelheden agressieve
chemische stoffen kunnen de plastic onderdelen en
beschermende laag van de halsband beschadigen.
4
Slaapmodus inschakelen
Voordat u de slaapmodus kunt inschakelen, moet u met het T5
mini halsbandtoestel traceren waar uw hond zich bevindt.
Indien gekoppeld met het Alpha handheld-toestel, kan het T5
mini halsbandtoestel in de slaapmodus worden gezet om de
batterij te sparen als u uw hond niet actief volgt.
1 Selecteer Hondenlijst.
Halsbandtoestel instellen
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info >
> Slaapmodus halsband > Slaap.
Op de pagina met informatie over de hond verandert
Bijwerkfrequentie in Slaapstand.
Slaapmodus uitschakelen
U kunt de slaapmodus op het T5 mini halsbandtoestel
uitschakelen als u uw hond niet actief volgt.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > > Slaapmodus halsband > Actief.
Op de pagina met informatie over de hond verandert Slaapstand
in Bijwerkfrequentie modus.
Wacht bij boom
Onbekend*
*Het statuspictogram Onbekend geeft aan dat de halsband geen
satellietsignaal heeft opgevangen en dat het handheld-toestel
de locatie van de hond niet kan bepalen.
Hondenvolgkompas
Selecteer
om het hondenvolgkompas te openen.
Honden volgen
Met het handheld-toestel kunt u uw hond volgen met behulp van
een kompas of kaart. De kaart toont uw locatie en de locatie en
sporen van uw hond. De wijzer op het kompas wijst in de
richting van de huidige locatie van de hond.
Uw hond volgen op de kaart
Voordat u een hond op de kaart kunt volgen, moet u deze
toevoegen op het handheld-toestel (Een hond toevoegen via
draadloze koppeling, pagina 3).
U kunt de locatie van de hond op de kaart bekijken.
1 Selecteer in het startscherm .
U kunt het hondenvolgkompas gebruiken om de richting en de
afstand naar uw hond weer te geven. Het hondenvolgkompas
toont ook de status van de hond, zoals 'rent' of 'wijst spoor aan'
(Hondstatuspictogrammen, pagina 5). De kleur van de wijzer
komt overeen met de kleur van het hondenspoor.
Het hondenvolgkompas werkt het nauwkeurigst als de hond zich
op een afstand van minimaal 9,1 m (30 ft) bevindt. Als de
afstand tot de hond minder dan 9,1 m (30 ft) bedraagt, wordt
"Nabij" weergegeven.
Navigeren naar uw hond
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer de hond.
3 Selecteer Toon info > Ga.
De kaart wordt geopend.
4 Volg de magenta lijn naar de hond.
5 Selecteer zo nodig om de hond te volgen via het
hondenvolgkompas.
2 Selecteer zo nodig
en om in en uit te zoomen op de
kaart..
TIP: Selecteer zo nodig om de hond te volgen via het
hondenvolgkompas (Hondenvolgkompas, pagina 5).
Eén hond tegelijk volgen en trainen
OPMERKING: Deze functie is alleen van toepassing op
halsbanden met trainingsfuncties.
Wanneer u meerdere honden volgt en traint, kunt u het toestel
zo instellen dat slechts één hond tegelijk wordt weergegeven,
zodat u weet dat de hond die op het kompas wordt
weergegeven, de hond is die wordt getraind.
1 Selecteer > > Lijstsynchronisatie aan.
2 Selecteer en om door de verschillende honden te
bladeren.
Hondstatuspictogrammen
Zit
Rent
Wijst
Honden volgen
Volgen met BaseCamp™ BaseStation
Voordat u uw honden en contactpersonen kunt volgen met
BaseCamp, moet u BaseCamp downloaden op uw computer
(www.garmin.com/basecamp).
De functie BaseStation van BaseCamp biedt u de mogelijkheid
uw honden en contactpersonen in real-time te volgen op een
computer. Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van
BaseCamp het Help-bestand in de toepassing.
1 Selecteer Stel in > Systeem > BaseCamp BaseStation >
Op verzoek.
2 Open BaseCamp.
3 Volg de instructies op het scherm.
hond volgen pauzeren
U kunt het volgen van een enkele hond tijdens een jachtpartij
pauzeren. Dit kan van pas komen als de hond even op adem
komt.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > > Niet meer volgen.
5
Alle volgactiviteiten pauzeren
Als u de honden tijdens een jachtpartij verplaatst en u wilt het
transport van de honden niet vastleggen, kunt u het volgen van
alle honden pauzeren.
1 Selecteer .
2 Selecteer > Pauzeer alle volgsessies.
Positiewaarschuwingen
Positiewaarschuwingen geven een melding wanneer uw honden
of contacten een bepaalde locatie betreden of verlaten. U kunt
een aangepaste geofence maken of een radius rondom uw
huidige locatie gebruiken.
Een geofence is een onzichtbare begrenzing rondom een
gebied en wordt ingesteld met punten op de kaart. De virtuele
grenzen van een geofence zijn tot op circa 3 m (10 ft)
nauwkeurig. Geofences werken het best wanneer ze een gebied
omvatten ter grootte van een gemiddelde achtertuin (circa
¼ acre).
Een geofencewaarschuwing instellen
U kunt een onzichtbare afbakening van een gebied instellen, en
een waarschuwing ontvangen wanneer een hond of contact dat
gebied betreedt of verlaat.
1 Selecteer Stel in > Positiemeldingen > Voeg melding toe >
Geofence.
2 Selecteer een punt op de kaart en selecteer Gebruik.
3 Herhaal stap 2 om een geofence met maximaal 10 punten te
definiëren.
4 Selecteer OK.
Een radiuswaarschuwing instellen
U kunt een waarschuwing krijgen wanneer een hond of
contactpersoon binnen of buiten een bepaalde afstand (radius)
van u komt.
1 Selecteer Stel in > Positiemeldingen > Voeg melding toe >
Straal.
2 Selecteer de meeteenheid.
3 Voer de radiusafstand in en selecteer .
Locatiewaarschuwingen instellen
1 Selecteer Stel in > Positiemeldingen.
2 Selecteer een waarschuwing.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer Schakel uit om meldingen voor deze
waarschuwing uit te schakelen.
• Selecteer Stel meldtype in om in te stellen welk type
waarschuwing uw toestel geeft.
• Selecteer Stel meldmodus in om in te stellen of u bij
vertrek en/of aankomst door een geluidssignaal wordt
gewaarschuwd.
• Selecteer Wis om de waarschuwing te verwijderen.
Hondentraining
Doe onderzoek naar de trainingsmethoden die het beste passen
bij u, uw hond en uw behoeften. Deze handleiding geeft een
aantal vuistregels voor training, maar elke hond heeft andere
trainingsbehoeften.
Wanneer het Alpha trainingssysteem goed wordt gebruikt, is het
een zeer effectief trainingshulpmiddel om het volledige
potentieel uit uw hond te halen. Het trainingssysteem is bedoeld
als onderdeel van een algemeen trainingsprogramma.
Begin de training van uw hond aan een riem zonder het Alpha
trainingssysteem. Uw hond moet de commando's 'volg', 'zit' en
'hier' gehoorzamen. Als de hond aan deze drie
6
basiscommando's gehoorzaamt, kunt u beginnen te trainen met
het halsbandtoestel en de riem. Wanneer de hond consequent
gehoorzaamt aan commando's met de riem en de halsband,
kunt u wellicht de riem afdoen en alleen trainen met het
halsbandtoestel.
Trainingsmethoden
Toon: Er wordt een geluidssignaal in plaats van stimulatie
geactiveerd. Een toon kan worden gebruikt als een positieve
of negatieve trainingsmethode, afhankelijk van uw
trainingsprogramma.
Vibratie: Er wordt een trilsignaal toegepast bij de hond in plaats
van stimulatie gedurende de tijd dat u de trainingsknop
indrukt, maximaal 8 seconden. De effectiviteit van het
trilsignaal is afhankelijk van het karakter en de ervaring van
de hond.
De trainingsknoppen instellen voor één hond
OPMERKING: Trainingsfuncties zijn niet in alle gebieden
beschikbaar voor halsbanden met volgtoestellen.
Voordat u de trainingsknoppen aan een hond kunt toewijzen,
moet u de hond toevoegen aan het handheld-toestel (Een hond
toevoegen via draadloze koppeling, pagina 3).
Standaard zijn de trainingsknoppen ingesteld op Toon (T),
Vibratie (V) of Licht (L) voor elke knop. Deze modus is handig
als u één hond traint. Als u meer honden traint, kan het handig
zijn om voor elke hond en elke trainingsmethode een aparte
trainingsknop in te stellen (De trainingsknoppen aanpassen,
pagina 6).
1 Selecteer Stel in > training > Trainingsknoppen.
2 Selecteer het gebied boven in het scherm, direct onder de
knoppen.
3 Selecteer .
In deze modus geeft de linkerknop een toon. De rechterknop
geeft een trilsignaal.
De trainingsknoppen aanpassen
OPMERKING: Trainingsfuncties zijn niet in alle gebieden
beschikbaar voor halsbanden met volgtoestellen.
Voordat u de trainingsknoppen aan een hond kunt toewijzen,
moet u een hond toevoegen aan het handheld-toestel (Een
hond toevoegen via draadloze koppeling, pagina 3).
U kunt aan elke trainingsknop een specifieke trainingsmethode
toewijzen. U kunt meerdere pagina's met instellingen voor
trainingsknoppen toevoegen. Deze modus is bijzonder handig
wanneer u meerdere honden traint.
1 Selecteer Stel in > training > Trainingsknoppen > Wijzig
modus.
2 Selecteer hieronder de knop die u wilt aanpassen.
3 Selecteer de hond die u met deze knop wilt trainen.
4 Selecteer Toon (T), Vibratie (V) of Licht (L).
5 Herhaal de stappen 2-4 voor alle drie de knoppen.
6 Als u met meer dan drie knoppen wilt trainen, selecteert u
> Voeg pagina toe en programmeert u de extra knoppen.
7 Selecteer .
Contactpersonen volgen
U kunt andere jagers volgen, zodat u steeds weet waar ze zijn.
U kunt ook berichten sturen naar uw contactpersonen. Eén
Alpha handheld-toestel kan tot 20 toestellen volgen, waaronder
compatibele halsbandtoestellen en Alpha handheld-toestellen.
Hondentraining
Een contactpersoon toevoegen via
MURS/VHF
Een bericht verzenden naar uw contactpersonen
Voordat u een contact kunt toevoegen via MURS/VHF, moet u
zich in de buurt van die contactpersoon bevinden en moet u de
zender inschakelen (De zender inschakelen, pagina 16).
U kunt medejagers toevoegen aan uw handheld-toestel, zodat u
ze kunt volgen op de kaart (Een contactpersoon volgen,
pagina 7) en hen berichten kunt sturen (Een bericht
verzenden naar uw contactpersonen, pagina 7).
> Contactpersonen >
1 Selecteer op uw handheld-toestel
Voeg toe.
2 Breng de beide handheld-toestellen in de buurt van elkaar en
selecteer Ja op uw handheld-toestel.
3 Selecteer op het handheld-toestel van de contactpersoon
> Contactpersonen > Koppel.
4 Voer op uw handheld-toestel de naam van de
> OK.
contactpersoon in en selecteer
De contactpersoon wordt toegevoegd aan uw handheld-toestel.
U kunt deze procedure herhalen met het handheld-toestel van
een andere jager om uw contact-id aan dat toestel toe te
voegen.
U kunt geautomatiseerde berichten verzenden en ontvangen. Er
zijn 18 berichten waar u uit kunt kiezen, zoals "Help" en "Ik
kom".
> Contactpersonen > Bericht.
1 Selecteer
2 Selecteer een bericht.
Het bericht wordt verzonden naar uw contactpersonen met uw
naam vóór het bericht. Iedereen die uw handheld-toestel volgt
ontvangt het bericht.
Een contactpersoon toevoegen met een
contact-id
Als u last hebt van interferentie van andere halsbanden of
handhelds in de buurt, moet u mogelijk de contact-id van uw
handheld-toestel wijzigen.
1 Selecteer Stel in > Contactpersonen > Koppelinstellingen
> ID.
2 Selecteer een contact-id die nog niet is toegewezen aan een
ander toestel in de buurt.
Als u een contact-id selecteert die interferentie veroorzaakt
met toestellen in de buurt, dient u een andere contact-id te
selecteren.
Elke keer dat een contactpersoon zijn contact-id wijzigt, moet u
die contact-id in uw handheld-toestel bijwerken (Een contact-id
bijwerken, pagina 7).
Voordat u een jager kunt toevoegen met diens contact-id, moet
de jager zijn contact-id opzoeken (Uw contact-id opzoeken,
pagina 7) en naar u sturen. U moet ook de zender
inschakelen (De zender inschakelen, pagina 16).
Als u niet in de buurt bent van de jager die u wilt toevoegen,
kunt u de jager toevoegen via zijn contact-id.
> Contactpersonen >
1 Selecteer op uw handheld-toestel
Voeg toe.
2 Als wordt gevraagd of u in de buurt van het andere handheldtoestel bent, selecteert u Nee.
3 Als wordt gevraagd of u de contact-id kent, selecteert u Ja.
4 Selecteer de contact-id voor de contactpersoon die u
toevoegt.
5 Voer de naam van de contactpersoon in en selecteer >
OK.
De contactpersoon wordt toegevoegd aan uw handheld-toestel.
U kunt deze procedure herhalen met het handheld-toestel van
een andere jager om uw contact-id aan dat toestel toe te
voegen.
Een noodoproep verzenden
Voordat u een noodoproep kunt verzenden, moet u de zender
inschakelen (De zender inschakelen, pagina 16).
Voordat iemand uw noodoproep kan ontvangen, moet deze
persoon u als een contact hebben toegevoegd (Een
contactpersoon toevoegen via MURS/VHF, pagina 7).
U kunt een noodoproep gebruiken wanneer u direct hulp nodig
hebt en u van uw groep bent verwijderd.
Selecteer
> Contactpersonen >
> Ja.
Wanneer uw contact uw noodoproep accepteert, wordt op
het toestel een bericht weergegeven dat het contact de
navigatie naar uw locatie heeft gestart.
Na de ontvangst van de oproep kunnen contacten naar uw
locatie navigeren.
Jagen met het Alpha systeem
Een contactpersoon volgen
U kunt met behulp van de kaart de locaties van contactpersonen
volgen.
Selecteer .
Uw contact-id opzoeken
Selecteer Stel in > Contactpersonen > Koppelinstellingen.
De contact-id voor uw handheld staat vermeld onder ID.
Uw contact-id wijzigen
Een contact-id bijwerken
Als een contactpersoon zijn contact-id heeft gewijzigd (Uw
contact-id wijzigen, pagina 7), kunt u de contact-id snel
bijwerken in uw handheld.
> Contactpersonen.
1 Selecteer
2 Selecteer de persoon.
3 Selecteer Toon info.
4 Selecteer > Wijzig id.
5 Selecteer de contact-id die overeenkomt met de nieuwe
contact-id van de contactpersoon.
Jagen met het Alpha systeem
U kunt vele handige taken uitvoeren als u op jacht gaat met het
Alpha systeem.
• De locatie van uw vrachtwagen markeren (De locatie van uw
vrachtwagen markeren, pagina 8).
• Uw honden volgen (Uw hond volgen op de kaart, pagina 5).
• Uw medejagers volgen (Een contactpersoon volgen,
pagina 7).
• De locatie van een koppel markeren (Een groep vogels
markeren, pagina 8).
• Berichten sturen naar uw medejagers (Een bericht verzenden
naar uw contactpersonen, pagina 7).
• De LED-verlichting op de halsband inschakelen (De
halsbandlampjes inschakelen, pagina 8).
• De halsband in de reddingsmodus zetten om de batterij te
sparen (De reddingsmodus inschakelen, pagina 8).
7
• Volgen pauzeren terwijl u de honden verplaatst (hond volgen
pauzeren, pagina 5).
De locatie van uw vrachtwagen markeren
U kunt de locatie van de vrachtwagen markeren, zodat u na de
jachtpartij terug kunt navigeren naar uw vrachtwagen.
1 Selecteer Nieuwe jacht.
2 Volg de instructies op het scherm.
Een groep vogels markeren
U kunt de locatie van een groep vogels markeren en het
geschatte aantal vogels dat u hebt opgejaagd en/of
meegenomen invoeren.
1 Selecteer Markeer.
2 Selecteer Koppel.
3 Voer het aantal opgejaagde vogels in.
4 Voer het aantal meegenomen vogels in.
5 Selecteer OK.
De halsbandlampjes inschakelen
U kunt de LED-lampjes op de halsband 's avonds inschakelen
om een hond gemakkelijker te traceren of bestuurders te
waarschuwen dat er een hond langs de weg loopt. Het licht van
de lampjes is zichtbaar tot op zo'n 91 meter.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info.
4 Selecteer > Wijzig halsbandlampje.
5 Selecteer Continu, Langzaam knipperen of Snel
knipperen.
TIP: Selecteer voor elke hond een andere LED-instelling om
het u gemakkelijker te maken de honden in het veld te
herkennen.
De reddingsmodus inschakelen
U kunt de reddingsmodus inschakelen om batterijen te sparen
aan het einde van een lange jachtpartij of als uw hond buiten
bereik van het toestel is.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > > Reddingsmodus.
Nadat u de reddingsmodus hebt ingeschakeld, blijft deze
ingeschakeld totdat u de modus weer uitschakelt.
Als het batterijniveau van de halsband onder de 25% komt,
worden de halsbandgegevens nog maar één keer per 2 minuten
bijgewerkt.
Via-punten, routes en sporen
Via-punten
Via-punten zijn locaties die u vastlegt en in het toestel opslaat.
Uw huidige locatie markeren
1 Selecteer Markeer.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer Nieuw.
• Selecteer een standaardlocatienaam, zoals Vrachtwagen
of Kamp.
3 Selecteer Sla op.
Een via-punt markeren met behulp van de kaart
1 Selecteer .
8
2 Selecteer de locatie op de kaart.
3 Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
4 Selecteer > OK.
Een via-punt bewerken
Voordat u een via-punt kunt bewerken, moet u er eerst een
maken.
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer een item om te bewerken, bijvoorbeeld de naam.
4 Voer de nieuwe informatie in.
5 Selecteer .
Een via-punt verplaatsen naar uw huidige locatie
U kunt de locatie van een via-punt wijzigen. Als u bijvoorbeeld
uw voertuig verplaatst, kunt u de locatie wijzigen in uw huidige
locatie.
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer > Naar hier verplaatsen.
De locatie van het via-punt wordt gewijzigd in uw huidige locatie.
Een via-punt op de kaart verplaatsen
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer > Verplaats via-punt.
4 Selecteer de nieuwe locatie op de kaart.
5 Selecteer Verplaats.
De nauwkeurigheid van een via-punt-locatie
verbeteren
U kunt de locatie van een via-punt verfijnen voor een
nauwkeurigere weergave. Bij het middelen voert het toestel
verschillende metingen op dezelfde locatie uit en gebruikt de
gemiddelde waarde voor een nauwkeurigere meting.
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer > Gemiddelde locatie.
4 Ga naar de locatie van het via-punt.
5 Selecteer Start.
6 Volg de instructies op het scherm.
7 Als de statusbalk Betrouwbaarheid van meting op 100%
staat, selecteer dan Sla op.
Voor de beste resultaten kunt u 4 tot 8 metingen voor een viapunt verzamelen. Wacht minimaal 90 minuten tussen de
metingen.
Een via-punt projecteren
U kunt een nieuwe locatie maken door de afstand en peiling te
projecteren vanaf een gemarkeerde locatie naar een nieuwe
locatie.
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer > Projecteer via-punt.
4 Geef de peiling op en selecteer .
5 Selecteer een maateenheid.
6 Geef de afstand op en selecteer .
7 Selecteer Sla op.
Een via-punt verwijderen
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
Via-punten, routes en sporen
3 Selecteer
Sporen
> Wis > Ja.
Routes
Een route bestaat uit een serie via-punten of locaties die u naar
uw bestemming leidt.
Een route maken
> Routeplanner > Maak route > Kies eerste
1 Selecteer
2
3
4
5
6
punt.
Selecteer een categorie.
Selecteer het eerste punt op de route.
Selecteer Gebruik > Kies volgend punt.
Selecteer een punt.
Herhaal de stappen 3 tot en met 6 om alle punten toe te
voegen in de route.
De naam van een route wijzigen
> Routeplanner.
1 Selecteer
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wijzig naam.
4 Voer de nieuwe informatie in en selecteer
.
Een opgeslagen route navigeren
> Routeplanner.
1 Selecteer
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Bekijk kaart > Ga.
4 Navigeer met behulp van het kompas (Navigeren met de
peilingwijzer, pagina 10) of de kaart (Kaart, pagina 10).
Een route bewerken
> Routeplanner.
1 Selecteer
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wijzig route.
4 Selecteer een punt.
5 Selecteer een optie:
• Selecteer Bekijk om het punt op de kaart weer te geven.
• Selecteer Omhoog of Omlaag als u de volgorde van de
punten in de route wilt wijzigen.
• Selecteer Voeg in als u een punt aan de route wilt
toevoegen.
Het nieuwe punt wordt ingevoegd vóór het geselecteerde
punt.
• Selecteer Wis als u het punt uit de route wilt verwijderen.
Een route omkeren
> Routeplanner.
1 Selecteer
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Keer route om.
Een spoor is een registratie van uw route. Het spoorlog bevat
informatie over de punten langs de vastgelegde route, inclusief
de tijd, de locatie en de hoogtegegevens voor ieder punt.
Spoorlogs vastleggen
> Stel in > Sporen > Spoorlog.
1 Selecteer
2 Selecteer Opslaan, niet tonen of Opslaan, tonen op kaart.
Als u Opslaan, tonen op kaart selecteert, geeft een lijn op de
kaart uw spoor weer.
3 Selecteer Opnamemethode.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer Automatisch.als u de sporen automatisch en
optimaal wilt laten vastleggen, met variabele intervallen.
• Als u de sporen op basis van een opgegeven afstand wilt
vastleggen, selecteert u Afstand.
• Als u de sporen op basis van een opgegeven tijd wilt
vastleggen, selecteert u Tijd.
5 Selecteer Interval.
6 Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Als u Automatisch hebt geselecteerd als
Opnamemethode, selecteert u een optie om sporen
vaker of minder vaak vast te leggen.
OPMERKING: De optie Vaakst geeft de meest
gedetailleerde sporen weer, maar vult het geheugen van het
toestel sneller.
• Als u Afstand of Tijd hebt geselecteerd als
Opnamemethode, voert u een waarde in en selecteert u
.
Een spoorlog wordt gemaakt wanneer u onderweg bent en het
toestel is ingeschakeld.
Details van het spoor bekijken
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer Bekijk kaart.
Het begin en het eind van het spoor worden met een vlag
aangegeven.
4 Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
Deze bevat informatie over het spoor.
De hoogtegrafiek van een spoor weergeven
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer Hoogteprofiel.
Navigeren naar het begin van een spoor
De actieve route weergeven
> Actieve route.
1 Selecteer
2 Selecteer een punt in de route om meer details weer te
U kunt terugnavigeren naar het begin van een spoor. Dit kan
handig zijn als u de weg naar een kamp of het begin van een
wandelroute wilt terugvinden.
> Sporenbeheer > Huidige track > Bekijk
1 Selecteer
kaart.
2 Selecteer TracBack.
De kaartpagina wordt geopend en uw route wordt
gemarkeerd met een magenta lijn.
3 Navigeer met de kaart (Kaart, pagina 10) of het kompas
(Navigeren met de peilingwijzer, pagina 10).
Een route verwijderen
> Routeplanner.
1 Selecteer
Selecteer
een
route.
2
3 Selecteer Wis route > Ja.
De kleur van het spoor wijzigen
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer Kies kleur.
4 Selecteer een kleur.
Een route weergeven op de kaart
> Routeplanner.
1 Selecteer
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Bekijk kaart.
geven.
Via-punten, routes en sporen
9
Het huidige spoor opslaan
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer een optie:
• Als u het hele spoor wilt opslaan, selecteert u Sla spoor
op.
• Als u een gedeelte van het spoor wilt opslaan, selecteert u
Sla gedeelte op en vervolgens het gedeelte dat u wilt
opslaan.
Een locatie in een spoor opslaan
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer Bekijk kaart.
4 Selecteer een locatie op het spoor.
5 Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
6 Selecteer .
7 Selecteer OK.
Het huidige spoor wissen
Selecteer
> Sporenbeheer > Huidige track > Wis
huidige spoor.
Een spoor verwijderen
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een spoor.
3 Selecteer Wis > Ja.
Een opgeslagen spoor in het archief opslaan
U kunt opgeslagen sporen archiveren om geheugenruimte vrij te
maken.
> Sporenbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een opgeslagen spoor.
3 Selecteer Archiveren.
Sporen automatisch archiveren
1 Selecteer Stel in > Sporen > AutoArchiveren.
2 Selecteer een optie.
Gegevens draadloos verzenden en
ontvangen
Voor het draadloos uitwisselen van gegevens moet uw toestel
zich bevinden binnen een afstand van 3 m (10 ft.) van een ander
compatibel Garmin toestel.
U kunt via-punten, geocaches, routes en sporen draadloos
uitwisselen.
> Draadloos delen.
1 Selecteer
2 Selecteer Verzend of Ontvangen.
3 Volg de instructies op het scherm.
Wanneer de kaartoriëntatie Koers boven is, lijken objecten rond
uw huidige positie te draaien. Terwijl u zich verplaatst, draait de
hele kaart in de richting waarin u zich beweegt. U kunt de
objecten stabiliseren door de oriëntatie in te stellen op Noord
boven (Kaartinstellingen, pagina 13).
Om de kaart te openen, selecteert u .
De afstand op de kaart meten
U kunt de afstand tussen twee punten meten.
1 Selecteer een locatie op de kaart.
2 Selecteer > Afstand meten > Gebruik.
3 Verplaats de pin naar een andere locatie op de kaart.
Kompas
Het handheld-toestel is voorzien van een kompas met
kantelcompensatie en 3 assen. Voor de navigatie kunt u
gebruikmaken van een peiling- of koerswijzer.
Het kompas kalibreren
KENNISGEVING
Kalibreer het elektronische kompas buiten. Zorg dat u zich niet
in de buurt bevindt van objecten die invloed uitoefenen op
magnetische velden, zoals voertuigen, gebouwen of
elektriciteitskabels.
Kalibreer het kompas nadat u lange afstanden hebt afgelegd,
als u de batterijen hebt vervangen of in geval van
temperatuurschommelingen.
> Kompas >
> Kalibreer kompas > Start.
1 Selecteer
2 Volg de instructies op het scherm.
Navigeren met de peilingwijzer
Tijdens het navigeren naar een bestemming wijst naar uw
bestemming, ongeacht in welke richting u zich verplaatst.
>
1 Selecteer terwijl u naar een bestemming navigeert
Kompas.
2 Blijf draaien tot naar de bovenkant van het kompas wijst en
volg die richting om naar uw bestemming te gaan.
Koerswijzer
De koerswijzer is vooral handig bij navigatie op het water of op
open plekken zonder grote obstakels. De functie helpt u
bovendien gevaren aan weerszijden van de koers te vermijden,
zoals ondiepten en rotsen onder water.
Om de koerswijzer in te schakelen, selecteert u vanuit het
kompas
> Stel voorliggende koers in > Ga naar lijn/wijzer
> Koers (koersafwijkingsindicator).
Navigatie
U kunt via routes en sporen navigeren naar een waypoint,
geocache, foto of iedere opgeslagen locatie op het toestel. Voor
de navigatie kunt u gebruikmaken van de kaart of het kompas.
Kaart
geeft uw positie op de kaart aan. Terwijl u zich verplaatst,
verplaatst het pictogram zich ook en laat het een spoorlog (een
spoor) achter. Via-puntnamen en -symbolen worden
weergegeven op de kaart. Als u naar een bestemming
navigeert, wordt de route met een paarse lijn op de kaart
gemarkeerd.
10
De koerswijzer À geeft uw relatie aan tot de koerslijn die naar
uw bestemming leidt. De koersafwijkingsindicator (CDI) Á geeft
de afwijking (links of rechts) ten opzichte van de koers weer. De
schaal  heeft betrekking op de afstand tussen de punten à op
de koersafwijkingsindicator, die de afwijking ten opzichte van de
koers weergeeft.
Menu Waarheen?
U kunt het menu Waarheen? gebruiken om een bestemming te
zoeken waar u naartoe wilt navigeren. Niet alle Waarheen?-
Navigatie
categorieën zijn voor alle gebieden en op alle kaarten
beschikbaar.
Een via-punt op naam zoeken
> Waarheen? > Via-punten >
1 Selecteer
Spelzoeken.
2 Voer de naam in.
3 Selecteer .
>
Een via-punt in de buurt van een ander via-punt
zoeken
> Via-puntbeheer.
1 Selecteer
2 Selecteer een via-punt.
3 Selecteer > Zoek nabij hier.
4 Selecteer een categorie.
Op de lijst staan via-punten in de buurt van het oorspronkelijke
via-punt.
Navigeren met Peil en ga
U kunt het toestel op een object in de verte richten, de richting
vergrendelen en vervolgens naar het object navigeren.
> Peil en ga.
1 Selecteer
2 Richt het toestel op een object.
3 Selecteer Zet richting vast > Stel koers in.
4 Navigeer met behulp van het kompas (Navigeren met de
peilingwijzer, pagina 10) of de kaart (Kaart, pagina 10).
Hoogtegrafiek
Standaard geeft de hoogtegrafiek gegevens weer in relatie tot
de verstreken tijd. U kunt de grafiek (Het plottype wijzigen,
pagina 11) en de gegevensvelden (De gegevensvelden
aanpassen, pagina 12) aanpassen.
Selecteer
> Hoogteprofiel om de hoogtegrafiek te openen.
De barometrische hoogtemeter kalibreren
U kunt de barometrische hoogtemeter handmatig kalibreren als
de juiste hoogte of barometerdruk u bekend is.
1 Ga naar de locatie waarvan de hoogte of de barometerdruk u
bekend is.
Selecteer
> Hoogteprofiel >
> Kalibreer
2
hoogtemeter.
3 Volg de instructies op het scherm.
Navigeren naar een punt in de hoogtegrafiek
> Hoogteprofiel.
1 Selecteer
2 Selecteer een punt in de hoogtegrafiek.
3
4
5
6
Details over de hoogte worden linksboven in de
hoogtegrafiek weergegeven.
Selecteer
> Bekijk kaart.
Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
Selecteer Ga.
Navigeer met behulp van het kompas (Navigeren met de
peilingwijzer, pagina 10) of de kaart (Kaart, pagina 10).
Het plottype wijzigen
U kunt de hoogtegrafiek zodanig instellen dat de luchtdruk en de
hoogte worden weergegeven, afgemeten tegen de tijd of de
afstand.
> Hoogteprofiel >
> Wijzig plottype.
1 Selecteer
2 Selecteer een optie.
De hoogtegrafiek herstellen
Selecteer
> Hoogteprofiel >
spoor > Ja.
Toepassingen
> Herstel > Wis huidige
Tripcomputer
De tripcomputer geeft uw huidige snelheid, de gemiddelde
snelheid, de hoogste snelheid, de tripteller en andere
statistische gegevens weer. U kunt de indeling van de
tripcomputer, het dashboard en de gegevensvelden aanpassen.
(De gegevensvelden aanpassen, pagina 12).
Selecteer
> Tripcomputer om de tripcomputer te openen.
De tripcomputer herstellen
Als u nauwkeurige reisinformatie wilt hebben, dient u de
reisinformatie opnieuw in te stellen voordat u een reis begint.
Selecteer
> Tripcomputer >
> Herstel > Herstel
reisgegevens > Ja.
Toepassingen
Een nabijheidswaarschuwing instellen
Nabijheidswaarschuwingen waarschuwen u als u of uw honden
zich binnen het opgegeven bereik van een bepaalde locatie
bevinden. Als u binnen de opgegeven straal komt, wordt een
geluidssignaal gegeven.
> Gevarenzones.
1 Selecteer
2 Selecteer Alarm maken.
3 Selecteer een categorie.
4 Selecteer een locatie.
5 Selecteer Gebruik.
6 Voer een radius in.
Wanneer u het gevarenzonegebied betreedt, klinkt er een
signaal.
De oppervlakte van een gebied berekenen
> Oppervlakteberekening > Start.
1 Selecteer
2 Loop rond het gebied waarvan u de oppervlakte wilt
berekenen.
3 Als u klaar bent, selecteert u Bereken.
De agenda en almanakgegevens weergeven
U kunt activiteiten op het toestel, zoals wanneer via-punten zijn
opgeslagen, en almanakgegevens over de zon en de maan en
de beste tijden voor jagen en vissen weergeven.
1 Selecteer .
2 Selecteer een optie:
• Selecteer Agenda als u de toestelactiviteit voor bepaalde
dagen wilt weergeven.
• Selecteer Zon en maan als u gegevens over de opkomst
en ondergang van de zon en de maan wilt weergeven.
• Selecteer Jagen en vissen als u de beste tijden voor
jagen en vissen wilt weergeven.
3 Selecteer, indien gewenst, of om een andere dag weer
te geven.
Een alarm instellen
1
2
3
4
Selecteer
> Wekker.
Selecteer en om de tijd in te stellen.
Selecteer Zet alarm aan.
Selecteer een optie.
Het alarmsignaal klinkt op de opgegeven tijd. Als het toestel op
dat moment uit staat, wordt het ingeschakeld en klinkt het alarm.
De stopwatch openen
Selecteer
> Stopwatch.
11
Satellietpagina
Op de satellietpagina wordt de volgende informatie
weergegeven: uw huidige locatie, de GPS-nauwkeurigheid, de
satellietlocaties en de signaalsterkte.
De satellietweergave wijzigen
In de satellietweergave bevindt het noorden zich standaard
bovenaan. U kunt de satellietweergave zo wijzigen dat het
huidige spoor in de richting van de bovenkant van het scherm
wordt weergegeven.
> Satelliet > .
1 Selecteer
Selecteer
Koers
boven.
2
GPS uitschakelen
Selecteer
> Satelliet >
> Gebruik met GPS uit.
Een locatie simuleren
> Satelliet >
> Gebruik met GPS uit.
1 Selecteer
2 Selecteer > Stel locatie in op kaart.
3 Selecteer een locatie.
4 Selecteer Gebruik.
VIRB afstandsbediening
®
Met de VIRB afstandsbediening kunt u uw VIRB actiecamera op
afstand bedienen met uw toestel. Ga naar www.garmin.com
/VIRB om een VIRB actiecamera te kopen.
Een VIRB actiecamera bedienen met een handheldtoestel
Voordat u de VIRB afstandsbedieningsfunctie op uw handheldtoestel kunt gebruiken, moet u de instelling voor de
afstandsbediening op uw VIRB camera inschakelen. Raadpleeg
de gebruikershandleiding van uw VIRB camera voor meer
informatie.
1 Schakel uw VIRB camera in.
> VIRB afstandsbediening op het handheld2 Selecteer
toestel.
3 Wacht totdat het handheld-toestel verbinding heeft gemaakt
met uw VIRB camera.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer REC om een video-opname te starten en te
stoppen.
• Selecteer
om een foto te maken.
Een VIRB actiecamera bedienen met uw halsbandtoestel
Voordat u de VIRB afstandsbedieningsfunctie op uw handheldtoestel kunt gebruiken, moet u de instelling voor de
afstandsbediening op uw VIRB camera inschakelen. Raadpleeg
de gebruikershandleiding van uw VIRB camera voor meer
informatie.
1 Schakel uw VIRB camera in.
2 Selecteer op het handheld-toestel Hondenlijst.
3 Selecteer de hond waarop de VIRB camera is bevestigd.
4 Selecteer Toon info.
5 Selecteer VIRB bediening.
Het halsbandtoestel wordt verbonden met de VIRB en de
VIRB bedieningspagina wordt geopend.
6 Selecteer een optie:
• Selecteer Start om te beginnen met opnemen.
• Selecteer Stop om te stoppen met opnemen.
• Selecteer Foto om te stoppen met opnemen.
12
Uw toestel aanpassen
Het hoofdmenu aanpassen
U kunt items verplaatsen in, toevoegen aan en verwijderen uit
het hoofdmenu.
1 Selecteer in het hoofdmenu Stel in > Hoofdmenu.
2 Selecteer een menu-item.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer Omhoog of Omlaag om de locatie van het item
in de lijst te wijzigen.
• Selecteer Wis als u een item wilt verwijderen uit de lijst.
• Selecteer Voeg pagina toe om een item op de lijst te
plaatsen, nadat u het hebt verwijderd.
• Selecteer
> Standaardinstellingen om de volgorde
van alle items in het menu te herstellen.
De gegevensvelden aanpassen
Voordat u de gegevensvelden op de kaart kunt aanpassen,
moeten ze worden ingeschakeld (Gegevensvelden op de kaart
inschakelen, pagina 12).
U kunt de gegevensvelden en dashboards op de kaart, het
kompas, de hoogtegrafiek en de tripcomputer aanpassen.
1 Open de pagina waarvan u de gegevensvelden wilt wijzigen.
2 Selecteer een gegevensveld dat u wilt aanpassen.
3 Selecteer het nieuwe gegevensveld.
Zie voor beschrijvingen van gegevensvelden Opties voor
gegevensvelden, pagina 19.
Gegevensvelden op de kaart inschakelen
Selecteer
>
> Stel kaart in > Dashboard > Kleine
gegevensvelden.
Systeeminstellingen
Selecteer Stel in > Systeem.
GPS: Stelt de GPS in op Normaal, WAAS/EGNOS (Wide Area
Augmentation System/European Geostationary Navigation
Overlay Service) of Demomodus (GPS uit). Ga voor meer
informatie over WAAS naar http://www.garmin.com
/aboutGPS/waas.html.
BaseCamp BaseStation: Hiermee stelt u in hoe het toestel
verbinding maakt met BaseCamp als het toestel is verbonden
met de computer.
Hondinstellingen
Selecteer Stel in > Honden.
Hondenspoor op kaart: Hiermee stelt u de lengte (duur in
minuten of uren) van het hondenspoor op de kaart in. Door
de duur (lengte) van het spoor te verkorten kunt u de kaart
overzichtelijker maken.
Zoom in op honden: Zoomt automatisch in op de kaart om de
locaties van alle honden en uw locatie weer te geven, tenzij u
de kaart handmatig verschuift.
Hondwaarschuwingen: Hiermee stelt u in hoe u wordt
gewaarschuwd bij bepaalde acties (Hondwaarschuwingen
instellen, pagina 4).
Blafdetectie: Hiermee schakelt u de blafdetectiefunctie in. Deze
functie is niet in alle regio's beschikbaar.
Contactinstellingen
Selecteer Stel in > Contactpersonen.
Contactspoor op kaart: Hiermee stelt u de lengte (duur in
minuten of uren) van het contactspoor op de kaart in.
Uw toestel aanpassen
Zoom in op contacten: Zoomt automatisch in op de kaart om
de locaties van alle contacten en uw locatie weer te geven,
tenzij u de kaart handmatig verschuift.
Berichtmeldingen: Stelt berichtmeldingen in op Toon,
Trilsignaal, Toon en trilsignaal of Alleen bericht.
Koppelinstellingen: Stelt de opties in die uw toestel gebruikt
om andere toestellen te volgen en ermee te communiceren.
Scherminstellingen
Selecteer Stel in > Scherm.
Time-out van scherm: Hiermee kunt u de tijd instellen voordat
de schermverlichting uitgaat.
Schermafbeelding: Hiermee kunt u de afbeelding op het
scherm van het toestel opslaan.
Batterijbesparing: Bespaart energie en verlengt de levensduur
van de batterij door het scherm uit te schakelen wanneer de
time-out van de schermverlichting is verstreken (De modus
Batterijbesparing op de handheld inschakelen, pagina 16).
Kalibreer scherm: Hiermee kalibreert u het scherm voor
aanraakbewegingen (Het aanraakscherm kalibreren,
pagina 13).
Het aanraakscherm kalibreren
U kunt het aanraakscherm kalibreren, als het niet goed lijkt te
reageren.
1 Selecteer Stel in > Scherm > Kalibreer scherm.
2 Volg de instructies op het scherm.
Weergave-instellingen
Selecteer Stel in > Presentatie.
Modus: Hiermee kunt u een lichte of donkere achtergrond
instellen, of automatisch overschakelen tussen de twee
achtergronden op basis van de zonsopkomst en
zonsondergang op de locatie waar u zich bevindt.
Achtergrond: Hiermee kunt u de achtergrondafbeelding
instellen.
Markeerkleur overdag: Hiermee kunt u de kleur instellen voor
selecties in de dagmodus.
Markeerkleur 's nachts: Hiermee kunt u de kleur instellen voor
selecties in de nachtmodus.
De toestelgeluiden instellen
U kunt de geluiden voor berichten, knoppen, waarschuwingen
en alarmen instellen.
1 Selecteer Stel in > Tonen.
2 Selecteer het gewenste geluid voor ieder item.
Kaartinstellingen
Selecteer Stel in > Kaart.
Oriëntatie: Hiermee stelt u in hoe de kaart wordt weergegeven
op de pagina. Noord boven geeft het noorden boven aan de
pagina weer. Koers boven geeft uw huidige reisrichting
boven aan de pagina weer. Automodus geeft een perspectief
vanuit de auto met de rijrichting naar de bovenkant van het
scherm weer.
Navigatieaanwijzingen: Stelt in wanneer navigatieaanwijzingen
op de kaart worden weergegeven.
Dashboard: Selecteert een dashboard voor weergave op de
kaart. Elk dashboard bevat andere informatie over de route of
de locatie.
Kaartinformatie: Hiermee kunt u de op het toestel geladen
kaarten in- of uitschakelen.
Tekensnelheid: Hiermee kunt u de snelheid aanpassen
waarmee de kaart wordt getekend. Als kaarten sneller
worden getekend, neemt de gebruiksduur van de batterij af.
Uw toestel aanpassen
Geavanceerde kaartinstellingen
Selecteer Stel in > Kaart > Geavanceerde instellingen.
Autozoom: Hiermee wordt automatisch het juiste zoomniveau
ingesteld voor optimaal gebruik van de kaart. Als u Uit
selecteert, moet u handmatig in- en uitzoomen.
Detail: Hiermee stelt u in hoeveel details op de kaart worden
weergegeven. Door het weergeven van meer details is het
mogelijk dat de kaart langzamer opnieuw wordt getekend.
Schaduwreliëf: Geeft reliëfdetails weer op de kaart (indien
beschikbaar) of schakelt arcering uit.
Voertuig: Hiermee kunt u een positiepictogram selecteren dat
uw positie op de kaart aangeeft.
Zoomniveaus: Hiermee stelt u het zoomniveau in waarin de
items op de kaart worden weergegeven. Kaartitems worden
niet weergegeven wanneer het zoomniveau van de kaart
hoger is dan het geselecteerde niveau.
Tekstgrootte: Hiermee wordt de tekstgrootte voor kaartitems
ingesteld.
Instellingen voor sporen
Selecteer Stel in > Sporen.
Spoorlog: Hiermee kunt u het vastleggen van sporen in- of
uitschakelen.
Opnamemethode: Hiermee selecteert u een methode om
sporen vast te leggen. Automatisch legt de sporen met
variabele intervallen vast voor een optimaal resultaat.
Interval: Hiermee selecteert u een vastleginterval voor het
spoorlog. Bij frequenter vastleggen van spoorpunten ontstaat
er een gedetailleerder spoor, maar raakt het spoorlog ook
sneller vol.
AutoArchiveren: Hiermee selecteert u een methode voor
automatisch archiveren om uw sporen te organiseren.
Sporen worden automatisch opgeslagen en gewist op basis
van de gebruikersinstellingen.
Kleur: Hiermee stelt u de kleur in van het spoor op de kaart.
Route-instellingen
Het toestel berekent routes die zijn geoptimaliseerd voor het
huidige type activiteit. De beschikbare route-instellingen zijn
afhankelijk van de geselecteerde activiteit.
Selecteer Stel in > Routebepaling.
Activiteit: Stelt een activiteit voor routebepaling in. Het toestel
berekent routes die zijn geoptimaliseerd voor het huidige type
activiteit.
Routeovergangen: Hiermee stelt u in hoe het toestel routes
bepaalt van het ene punt op de route naar het volgende.
Deze instelling is alleen beschikbaar voor sommige
activiteiten. Afstand hiermee wordt u naar het volgende punt
van de route geleid als u zich op een opgegeven afstand van
uw huidige punt bevindt.
Zet vast op weg: Zet het positiepictogram, dat uw positie op de
kaart aangeeft, vast op de dichtstbijzijnde weg.
De maateenheden wijzigen
U kunt de eenheden voor afstand, snelheid, hoogte, diepte,
temperatuur en luchtdruk aanpassen.
1 Selecteer Stel in > Eenheden.
2 Selecteer een type maatsysteem.
3 Selecteer een maateenheid voor de instelling.
Tijdinstellingen
Selecteer Stel in > Tijd.
Tijdnotatie: Hiermee stelt u de 12- of 24-uursklok in.
13
Tijdzone: Hiermee stelt u de tijdzone voor het toestel in.
Automatisch stelt de tijdzone automatisch in op basis van uw
GPS-positie.
Instellingen voor positieformaat
OPMERKING: Wijzig het positieformaat of kaartdatumcoördinaatsysteem alleen als u een kaart gebruikt die
gebruikmaakt van een ander positieformaat.
Selecteer Stel in > Positieweergave.
Positieweergave: Hiermee stelt u het positieformaat voor de
positiegegevens in.
Kaartdatum: Hiermee stelt u het coördinaatsysteem van de
kaart in.
Kaartsferoïde: Hiermee geeft u het coördinaatsysteem weer dat
door het toestel wordt gebruikt. Het
standaardcoördinaatsysteem is WGS 84.
Koersinstellingen
bodemcontouren en dieptepeilingen en vereenvoudigt de
kaartweergave zodat deze optimaal is voor vissen.
Presentatie: Hiermee stelt u de weergave in voor de maritieme
navigatiehulpmiddelen op de kaart.
Maritieme alarmen instellen: Hiermee stelt u een alarm in voor
wanneer u van een opgegeven afstand afdrijft terwijl u voor
anker ligt en wanneer u water nadert met een bepaalde
diepte.
Toestelinformatie
Toestelgegevens weergeven
U kunt de toestel-id, softwareversie en licentieovereenkomst
weergeven.
Selecteer Stel in > Over.
Ondersteuning en updates
U kunt de kompasinstellingen aanpassen.
Selecteer Stel in > Voorliggende koers.
Scherm: Hiermee selecteert u het type koersweergave van het
kompas.
Noordreferentie: Hiermee stelt u de noordreferentie van het
kompas in.
Ga naar lijn/wijzer: Hiermee stelt u het gedrag van de wijzer op
de kaart in. Peiling wijst in de richting van uw bestemming.
Koers (koersafwijkingsindicator) toont uw relatie tot de
koerslijn die naar de bestemming leidt.
Kompas: Selecteer Auto om over te schakelen van een
elektronisch kompas naar een GPS-kompas als u zich
gedurende een bepaalde periode met grotere snelheid
verplaatst.
Kalibreer kompas: Kalibreert het kompas (Het kompas
kalibreren, pagina 10).
• U kunt software en kaarten voor uw handheld-toestel
bijwerken via Garmin Express™.
• U kunt software voor uw halsbandtoestel bijwerken via
Garmin WebUpdater.
Hoogtemeterinstellingen
De software bijwerken
Selecteer Stel in > Hoogtemeter.
Automatische kalibratie: Voert automatisch een kalibratie uit
telkens wanneer u het toestel inschakelt.
Barometermodus: Hiermee stelt u in hoe het toestel
barometergegevens meet. Variabele hoogte meet de
hoogteverschillen terwijl u onderweg bent. Vaste hoogte gaat
ervan uit dat het toestel zich op een vaste hoogte bevindt,
zodat de barometerdruk alleen verandert door de
weersomstandigheden.
Luchtdruktrend: Hiermee stelt u in hoe het toestel
drukgegevens vastlegt. Altijd opslaan slaat alle
luchtdrukgegevens op. Dit kan handig zijn als u let op
weerfronten.
Type plot: Hiermee stelt u het type gegevens in dat wordt
opgenomen en in de grafiek wordt weergegeven. Hiermee
worden hoogteverschillen vastgelegd gedurende een
bepaalde tijd of over een bepaalde afstand, of plaatselijke
luchtdrukverschillen over een bepaalde tijdsduur.
Kalibreer hoogtemeter: Hiermee kalibreert u de hoogtemeter.
Voordat u het handheld-toestel of de halsbandsoftware kunt
bijwerken, moet u het handheld-toestel (Het handheld-toestel
aansluiten op een computer, pagina 16) of de halsband (De
halsband op een computer aansluiten, pagina 17) met de
computer verbinden.
U moet de software op het handheld-toestel en de halsband
apart bijwerken.
OPMERKING: Als u de software bijwerkt, gaan uw gegevens of
instellingen niet verloren.
1 Ga naar www.garmin.com/products/webupdater.
2 Volg de instructies op het scherm.
Instellingen waterkaart
Selecteer Stel in > Maritiem.
Waterkaartmodus: Hiermee stelt u het type kaart in dat op het
toestel wordt gebruikt. Nautisch geeft verschillende
kaartelementen in verschillende kleuren weer zodat
nautische nuttige punten beter leesbaar en de kaart dezelfde
kleuren heeft als papieren kaarten. Vissen (waterkaarten
vereist) geeft een gedetailleerde weergave van
14
Ondersteuning en updates
Garmin Express (www.garmin.com/express) biedt u eenvoudig
toegang tot deze services voor Garmin toestellen.
• Productregistratie
• Producthandleidingen
• Software-updates
• Kaart- of baanupdates
Garmin Express instellen
1 Sluit het toestel met een USB-kabel aan op uw computer.
2 Ga naar www.garmin.com/express.
3 Volg de instructies op het scherm.
Toestelonderhoud
KENNISGEVING
Bewaar het toestel niet op een plaats waar het langdurig aan
extreme temperaturen kan worden blootgesteld omdat dit
onherstelbare schade kan veroorzaken.
Gebruik nooit een hard of scherp object om het aanraakscherm
te bedienen omdat het scherm daardoor beschadigd kan raken.
Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen, oplosmiddelen en
insectenwerende middelen die plastic onderdelen en
oppervlakken kunnen beschadigen.
Breng de beschermkap van de USB-poort goed aan om
beschadiging van de poort te voorkomen.
Toestelinformatie
Het toestel schoonmaken
Batterijgegevens
KENNISGEVING
Ook een klein beetje zweet of vocht kan corrosie van de
elektrische contactpunten veroorzaken als het toestel is
aangesloten op een oplader. Corrosie kan opladen en
gegevensoverdracht blokkeren.
WAARSCHUWING
Dit product bevat een lithium-ionbatterij. Ter voorkoming van
persoonlijk letsel en schade aan het product als gevolg van
blootstelling van de batterij aan extreme hitte dient u het toestel
buiten het bereik van direct zonlicht te bewaren.
Gebruik nooit een scherp voorwerp om de batterijen te
verwijderen.
1 Veeg het toestel schoon met een doek die is bevochtigd met
een mild schoonmaakmiddel.
2 Veeg de behuizing vervolgens droog.
Laat het toestel na reiniging helemaal drogen.
Het aanraakscherm schoonmaken
1 Gebruik een zachte, schone, pluisvrije doek.
2 Bevochtig de doek zo nodig licht met water.
3 Als u een vochtige doek gebruikt, schakel het toestel dan uit
en koppel het los van de voeding.
4 Veeg het scherm voorzichtig met de doek schoon.
Specificaties
Alpha 100 handheld-toestel - specificaties
Batterijtype
Oplaadbare, vervangbare lithiumionbatterij
Batterijduur
Maximaal 20 uur
Bedrijfstemperatuurbereik
Van -20° tot 60°C (van -4° tot 140°F)
Laadtemperatuurbereik
Van -0° tot 40°C (van -32° tot 104°F)
Temperatuurbereik voor
langdurige opslag
Van 0° tot 25°C (van 32° tot 77°F)
VHF draadloos bereik
Tot 9 mijl
ANT+ draadloos bereik bij laag
energieverbruik
Circa 3 m (10 ft.)
Waterbestendigheid
IEC 60529 IPX7*
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water
tot een diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten. Ga
voor meer informatie naar www.garmin.com/waterrating.
T5 halsbandtoestel - specificaties
Batterijtype
Intern oplaadbare lithium-ionbatterij
Batterijduur
Tussen 20 en 40 uur
Bedrijfstemperatuurbereik
Van -20° tot 60°C (van -4° tot 140°F)
Laadtemperatuurbereik
Van 0° tot 40°C (van 32° tot 104°F)
ANT draadloos bereik
Tot 10 m (32,8 ft)
VHF-radiobereik
Tot 14,48 km (9 mijl)
Waterbestendigheid
1 ATM*
®
*Het toestel is bestand tegen druk tot een diepte van maximaal
10 meter. Ga voor meer informatie naar www.garmin.com
/waterrating.
T5 mini halsbandtoestel - specificaties
Batterijtype
Oplaadbare, vervangbare lithium-ionbatterij
Batterijduur
Maximaal 16 tot 30 uur, bij normaal gebruik
Bedrijfstemperatuurbereik Van -20° tot 60°C (van -4° tot 140°F)
Laadtemperatuurbereik
Van 5° tot 40°C (van 41° tot 104°F)
ANT draadloos bereik
Tot 5 m (16,4 ft)
VHF-radiobereik
Tot 6,44 km (4 mijl)
Waterbestendigheid
1 ATM*
*Het toestel is bestand tegen druk tot een diepte van maximaal
10 meter. Ga voor meer informatie naar www.garmin.com
/waterrating.
Toestelinformatie
LET OP
Neem contact op met uw gemeente voor informatie over het
hergebruik van de batterijen.
Langdurige opslag
KENNISGEVING
De normale afname van de oplaadcapaciteit van lithiumionbatterijen in de loop van de tijd kan worden versneld door
blootstelling aan hogere temperaturen. Als een volledig
opgeladen toestel wordt bewaard op een plek met een
temperatuur die buiten het temperatuurbereik voor langdurige
opslag valt, kan dit de oplaadcapaciteit aanzienlijk verlagen.
Verwijder de batterijen als u van plan bent het toestel enige
maanden niet te gebruiken. Opgeslagen gegevens gaan niet
verloren wanneer u de batterijen verwijdert.
Als u van plan bent het toestel enige maanden niet te gebruiken,
moet de batterij opgeladen zijn tot ongeveer 50%. Het toestel
moet worden bewaard op een koele, droge plek met ongeveer
de normale huistemperatuur. Laad de halsband na de
opslagperiode volledig op, voordat u het toestel gebruikt.
De levensduur van de batterij verlengen
U kunt de levensduur van de batterijen in het handheld-toestel
en het halsbandtoestel op verschillende manieren verlengen.
• Beperk de helderheid van de schermverlichting (De
helderheid van de schermverlichting aanpassen,
pagina 15).
• Verkort de time-out van de schermverlichting (De
verlichtingsduur instellen, pagina 16).
• Selecteer een langer interval voor de bijwerkfrequentie van
uw handheld (De bijwerkfrequentie van uw handheld
wijzigen, pagina 16).
• Schakel de zender uit (De zender uitschakelen, pagina 16).
• Gebruik de batterijbesparingsmodus (De modus
Batterijbesparing op de handheld inschakelen, pagina 16)
• Laat de kaarten minder snel tekenen (De kaarttekensnelheid
aanpassen, pagina 16).
• Zet het halsbandtoestel in reddingsmodus (De
reddingsmodus inschakelen, pagina 8) om energie te
besparen.
• Verleng het interval voor de bijwerkfrequentie van de
halsband (De bijwerkfrequentie van het halsbandtoestel
wijzigen, pagina 16) om energie te besparen.
De helderheid van de schermverlichting aanpassen
Langdurig gebruik van de schermverlichting kan de
gebruiksduur van de batterijen aanzienlijk beperken. U kunt de
helderheid van de schermverlichting aanpassen om de
levensduur van de batterijen te verlengen.
OPMERKING: De helderheid van de schermverlichting is
beperkt als de batterij bijna leeg is.
1 Selecteer .
2 Gebruik de schuifbalk om de helderheid van de
schermverlichting aan te passen.
Het toestel kan warm aanvoelen als de schermverlichting is
ingesteld op hoog.
15
De verlichtingsduur instellen
U kunt de time-out van het scherm aanpassen om de
levensduur van de batterijen te verlengen.
1 Selecteer Stel in > Scherm > Time-out van scherm.
2 Selecteer een optie.
De bijwerkfrequentie van het halsbandtoestel wijzigen
Voordat u de bijwerkfrequentie van de halsband kunt wijzigen,
moet de halsband zijn ingeschakeld en zich binnen bereik van
het handheld-toestel bevinden.
U kunt een langer interval selecteren voor de bijwerkfrequentie
om energie te besparen.
1 Selecteer Hondenlijst.
2 Selecteer een hond.
3 Selecteer Toon info > > Wijzig bijwerkfrequentie.
De bijwerkfrequentie van uw handheld wijzigen
U kunt een langer interval voor de bijwerkfrequentie selecteren
om energie te besparen.
1 Selecteer Stel in > Contactpersonen > Koppelinstellingen
> Bijwerkfrequentie.
2 Selecteer een nieuwe bijwerkfrequentie.
De modus Batterijbesparing op de handheld inschakelen
U kunt de modus Batterijbesparing gebruiken om de levensduur
van de batterij te verlengen.
Selecteer Stel in > Scherm > Batterijbesparing > Aan.
In de modus Batterijbesparing wordt het scherm uitgeschakeld
zodra de time-out van de schermverlichting is verstreken.
De kaarttekensnelheid aanpassen
U kunt de kaarttekensnelheid verlagen om de batterij te sparen.
Selecteer Stel in > Kaart > Tekensnelheid > Normaal.
Gegevensbeheer
U kunt bestanden opslaan op uw toestel. In de
geheugenuitsparing van het toestel kan een extra
geheugenkaart worden geplaatst.
OPMERKING: Het toestel is niet compatibel met Windows 95,
98, ME, Windows NT , en Mac OS 10.3 en ouder.
®
®
®
Bestandstypen
Het handheldtoestel biedt ondersteuning voor de volgende
bestandstypen.
• Bestanden van BaseCamp. Ga naar www.garmin.com/trip
_planning.
• JPEG-afbeeldingsbestanden.
• GPX-geocachebestanden. Ga naar www.geocaching.com
/play.
• GPI-bestanden met eigen nuttige punten van de Garmin POI
Loader. Ga naar www.garmin.com/products/poiloader.
Een geheugenkaart installeren
WAARSCHUWING
Gebruik nooit een scherp voorwerp om batterijen te verwijderen
die door de gebruiker kunnen worden vervangen.
U kunt een microSD geheugenkaart in het handheldtoestel
installeren voor extra opslagruimte of vooraf geladen kaarten.
1 Draai de D-ring tegen de klok in en trek deze omhoog om de
klep te verwijderen.
2 Verwijder de batterij.
3 Schuif de kaarthouder naar links en til deze omhoog.
De zender inschakelen
Voordat u een contact kunt toevoegen of een noodoproep kunt
starten, moet u controleren of de zender is ingeschakeld.
OPMERKING: Als u bij lage temperaturen uitzendt en de batterij
bijna leeg is, kan het gebeuren dat het toestel wordt
uitgeschakeld.
Selecteer Stel in > Contactpersonen > Koppelinstellingen
> Zenden > Aan.
De zender uitschakelen
U kunt de zender uitschakelen om de batterij van het handheldtoestel te sparen als u niet communiceert met contactpersonen.
OPMERKING: Wanneer u bij lage temperaturen uitzendt als de
batterij bijna leeg is, kan het toestel worden uitgeschakeld.
Selecteer Stel in > Contactpersonen > Koppelinstellingen
> Zenden > Uit.
Wanneer de zender uit is, kunt u geen locatiegegevens of
berichten sturen naar contactpersonen.
Energie besparen tijdens het opladen van
het toestel
U kunt het toestelscherm en alle andere functies uitschakelen
tijdens het opladen.
1 Sluit uw toestel aan op een exerne voedingsbron.
De resterende batterijlading wordt weergegeven.
2 Houd de aan-uitknop 4 tot 5 seconden ingedrukt.
Het scherm wordt uitschakeld en het toestel schakelt over
naar een energiezuinige modus waarin de batterij wordt
opgeladen.
3 Laad het toestel volledig op.
16
4 Plaats de geheugenkaart met de gouden contactpunten naar
beneden.
Sluit
de kaarthouder.
5
6 Schuif de kaarthouder naar rechts om deze te vergrendelen.
7 Plaats de batterij en de klep terug.
Het handheld-toestel aansluiten op een computer
KENNISGEVING
U voorkomt corrosie door de USB-poort, de beschermkap en de
omringende delen grondig af te drogen voordat u het toestel
oplaadt of aansluit op een computer.
1 Trek het beschermkapje À omhoog.
Toestelinformatie
• Op Windows-computers: Selecteer het pictogram
Hardware veilig verwijderen in het systeemvak en
selecteer uw toestel.
• Op Mac-computers: Sleep het volumepictogram naar de
prullenbak.
2 Koppel de kabel los van uw computer.
Appendix
Accessoires en vervangingsonderdelen
Accessoires aanschaffen
2 Sluit het smalle uiteinde van de USB-kabel aan op de miniUSB-connector Á op het toestel.
3 Steek het andere uiteinde van de USB-kabel in een
beschikbare USB-poort op de computer.
Het toestel en de geheugenkaart (optioneel) worden
weergegeven als verwisselbare stations onder Deze
computer op Windows computers en als gekoppelde volumes
op Mac computers.
De halsband op een computer aansluiten
KENNISGEVING
Om corrosie te voorkomen, dient u de contactpunten op de
halsband en het omliggende gebied grondig droog te maken
voordat u de oplaadclip aansluit.
U kunt de halsband op uw computer aansluiten voor gebruik met
programma's zoals BaseCamp. De halsband is geen
massaopslagapparaat.
1 Klik de oplaadclip op de halsband.
2 Sluit het smalle uiteinde van de USB-kabel aan op de miniUSB-poort op de laadclipkabel.
3 Steek het andere uiteinde van de USB-kabel in een USBpoort op de computer.
Hondsporen overbrengen naar BaseCamp
U kunt de hondsporen overbrengen naar BaseCamp.
1 Sluit de halsband aan op de computer (De halsband op een
computer aansluiten, pagina 17).
De halsband wordt automatisch ingeschakeld.
2 Selecteer .
3 Open BaseCamp.
BaseCamp herkent het interne spoorlog in de halsband en
brengt dit over.
Bestanden verwijderen
KENNISGEVING
Als u niet weet waar een bestand voor dient, verwijder het dan
niet. Het geheugen van het toestel bevat belangrijke
systeembestanden die niet mogen worden verwijderd.
1
2
3
4
Open het Garmin station of volume.
Open zo nodig een map of volume.
Selecteer een bestand.
Druk op het toetsenbord op de toets Delete.
De USB-kabel loskoppelen
Als uw toestel als een verwisselbaar station of volume is
aangesloten op uw computer, dient u het toestel op een veilige
manier los te koppelen om gegevensverlies te voorkomen. Als
uw toestel als een draagbaar toestel is aangesloten op uw
Windows-computer, hoeft u het niet op een veilige manier los te
koppelen.
1 Voer een van onderstaande handelingen uit:
Appendix
Ga naar http://buy.garmin.com.
Optionele kaarten
U kunt deze extra kaarten in het toestel laden, zoals BirdsEye
satellietbeelden, BlueChart g2 kaarten en gedetailleerde City
Navigator kaarten. Gedetailleerde kaarten hebben bijvoorbeeld
meer nuttige punten, zoals restaurants of watersportdiensten.
Ga voor meer informatie naar http://buy.garmin.com of neem
contact op met uw Garmin dealer.
®
®
ANT+ sensors
Uw toestel kan worden gebruikt in combinatie met draadloze
ANT+ sensors. Ga voor meer informatie over compatibiliteit en
de aanschaf van optionele sensors naar http://buy.garmin.com.
tempe™
De tempe is een draadloze ANT+ temperatuursensor. U kunt de
sensor aan een stevige band of lus bevestigen op een plek waar
deze is blootgesteld aan omgevingslucht en zo een consistente
bron van nauwkeurige temperatuurgegevens vormt. U moet de
tempe met uw toestel koppelen om temperatuurgegevens van
de tempe te kunnen weergeven.
Optionele fitnessaccessoires gebruiken
1 Plaats het toestel binnen 3 m (10 ft.) van het ANT+
2
3
4
5
accessoire.
Selecteer Stel in > ANT sensors.
Selecteer Hartslagmeter, Fietscadanssensor of tempe
sensor.
Selecteer Aan, Uit of Nieuwe zoeken.
Pas de gegevensvelden aan om de hartslag- of
cadansgegevens weer te geven (De gegevensvelden
aanpassen, pagina 12).
Tips voor het koppelen van ANT+ accessoires met uw
Garmin toestel
• Controleer of het ANT+ accessoire compatibel is met uw
Garmin toestel.
• Voordat u het ANT+ accessoire met uw Garmin toestel
koppelt, dient u een afstand van 10 m (32,9 voet) ten
opzichte van andere ANT+ accessoires in acht te nemen.
• Plaats het Garmin toestel binnen 3 m (10 voet) van het ANT+
accessoire.
• Nadat u de koppeling tot stand hebt gebracht, herkent het
Garmin toestel daarna automatisch het ANT+ accessoire
wanneer u het toestel activeert. Het koppelingsproces vindt
automatisch plaats wanneer u het Garmin toestel inschakelt
en zorgt ervoor dat de accessoires binnen enkele seconden
zijn geactiveerd en klaar zijn voor gebruik.
• Na het koppelen ontvangt het Garmin toestel alleen
gegevens van uw eigen accessoires. U kunt dan ook gewoon
in de buurt van andere accessoires komen.
17
T5 instructies voor het vervangen van de batterij
T5 onderdelen
2 Plaats het batterijdeksel terug.
3 Plaats de schroeven terug om het batterijdeksel vast te
zetten.
4 Sluit de batterijconnector en de voedingsconnector aan.
Gebruik zo nodig een platte schroevendraaier om de
connectors vast te maken.
5 Selecteer de aan-uitknop om de aansluitingen te testen.
Als de batterij goed is aangesloten, wordt een geluidssignaal
gegeven en knippert het statuslampje groen.
6 Schakel het toestel uit.
7 Controleer of de pakking in het onderste deksel goed op zijn
plaats zit.
8 Plaats de achterplaat terug.
9 Bevestig de achterplaat weer met de vier schroeven.
Nadat de nieuwe batterij is geplaats, laadt u de halsband
volledig op.
De batterijmodule van het halsbandtoestel vervangen
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Achterplaat
Aan-uitknop
Batterijconnector
Batterijdeksel
Batterij
Voedingsconnector
De oude batterij verwijderen
Maak het toestel helemaal schoon, droog en stofvrij voordat u
de batterij vervangt. U hebt ook een kleine
kruiskopschroevendraaier nodig.
1 Verwijder de zes schroeven uit de randen van de achterplaat.
OPMERKING: Laat de twee schroeven aan de binnenkant
op hun plaats zitten.
2 Trek de achterplaat los.
3 Maak de batterijconnector en de voedingsconnector los.
4 Verwijder de schroeven van het batterijdeksel.
5 Verwijder het batterijdeksel en de batterij.
Onthoud de stand van de batterij. U moet de nieuwe batterij
in dezelfde stand plaatsen.
Neem na het verwijderen van de oude batterij contact op met uw
gemeente voor informatie over de recycling van batterijen.
De nieuwe batterij plaatsen
Verwijder eerste de oude batterij, voordat u een nieuwe batterij
plaatst (De oude batterij verwijderen, pagina 18). U hebt ook
een kleine kruiskopschroevendraaier nodig. Mogelijk hebt u een
kleine platte schroevendraaier nodig.
1 Plaats de nieuwe batterij in dezelfde stand als de oude
batterij.
Plaats de batterij met connector À aan de kant van de aanuitknop en de uitstulping Á waar de draden zijn verbonden
met de batterij, naar de kant met de contactpunten van de
laadclip.
18
Maak het toestel helemaal schoon, droog en stofvrij voordat u
de batterij vervangt. U hebt ook een kleine
kruiskopschroevendraaier nodig en de
veiligheidsschroevendraaier die bij de vervangende batterij is
geleverd.
1 Verwijder de schroeven uit het L-vormige deksel op de VHFantenne.
2 Trek het L-vormige deksel los.
3 Verwijder de schroeven uit de randen van de achterplaat.
4 Trek de achterplaat los.
5 Pak de draden dicht bij de batterijconnector vast en trek de
connector loodrecht op de printplaat eruit om de
batterijconnector los te koppelen van het toestel.
6 Pak de kabeltjes dicht bij de voedingsconnector vast en trek
de connector in parallel met de printplaat eruit om de
voedingsconnector los te koppelen van het toestel.
7 Verwijder de schroeven uit de batterijplaat.
8 Verwijder de batterijplaat.
9 Verwijder de batterij.
De batterij zit stevig vast. Mogelijk moet u de batterij met een
niet-scherp, niet-metalen voorwerp eruit wrikken.
10 Plaats de nieuwe batterij in de voorste behuizing met het
label van de batterij naar boven en de voorrand van de
batterij onder de rand met de contactpunten van het toestel.
11 Plaats de batterijplaat en de twee schroeven terug en draai
ze vast.
Appendix
12 Controleer of de pakking niet is beschadigd en of deze goed
in de uitsparing zit.
13 Sluit de batterijconnector en de voedingsconnector aan op
het toestel.
Als de connector goed is geïnstalleerd, klikt deze vast in de
poort.
14 Plaats de achterplaat terug en bevestig de plaat door de
schroeven terug te plaatsen en vast te draaien.
15 Plaats het L-vormige deksel terug en bevestig het deksel
door de schroeven terug te plaatsen en vast te draaien.
16 Controleer of de pakking niet uit het toestel steekt.
De halsband vervangen
Maak het toestel helemaal schoon, droog en stofvrij voordat u
de halsband vervangt (Het toestel schoonmaken, pagina 15).
1 Trek de halsband los van de GPS-antenne, de VHFantennegeleider en het hondentoestel.
Het kan zijn dat u wat moet trekken en duwen om de
halsband te verwijderen. U kunt de schroeven op de
behuizing van de GPS-antenne losdraaien, maar verwijder ze
niet.
2 Duw de nieuwe halsband door het hondentoestel, de VHFantennegeleider en de GPS-antenne.
3 Draai zo nodig de schroeven op de GPS-antennebehuizing
weer vast.
De VHF-antenne in het halsbandtoestel vervangen
2 Verwijder het deksel.
3 Verwijder de schroef  waarmee de VHF-antenne is
4
5
6
7
8
De zekering in de voertuigvoedingskabel vervangen
KENNISGEVING
Bij het vervangen van zekeringen moet u ervoor zorgen dat u
geen onderdeeltjes verliest en dat u deze op de juiste plek
terugplaatst. De voertuigvoedingskabel werkt alleen als deze op
juiste wijze is samengesteld.
Als het toestel in het voertuig is aangesloten maar niet kan
worden opgeladen, moet u mogelijk de zekering aan het
uiteinde van de voertuigadapter vervangen.
1 Draai de dop À 90 graden naar links om deze los te maken.
KENNISGEVING
Buig de band die het toestel verbindt met de GPS-antenne niet
te ver door.
Zorg na verwijdering van het deksel dat de waterbestendige kit
tegenover de VHF-antenne intact blijft, anders is het
halsbandtoestel mogelijk niet meer waterdicht.
Maak het toestel helemaal schoon, droog en stofvrij voordat u
de VHF-antenne terugplaatst. U hebt ook een kleine
kruiskopschroevendraaier nodig.
1 Verwijder de 4 schroeven À uit het deksel over de VHFantenne.
OPMERKING: Kijk waar het korte schroefje zit Á.
bevestigd aan de achterplaat.
Verwijder de oude antenne door deze uit de antennegeleider
te trekken.
Wikkel de antennegeleider rond de halsband en duw de
nieuwe VHF-antenne door de geleider.
Op die manier wijst de antenne omhoog.
Plaats de schroef terug waarmee de VHF-antenne is
bevestigd aan de achterplaat.
Plaats het deksel van de VHF-antenne terug.
Plaats de 4 schroeven terug in het deksel. Zorg dat u het
korte schroefje terugplaatst in het juiste gaatje.
2
3
4
5
TIP: U dient wellicht een munt te gebruiken om de dop te
verwijderen.
Verwijder de dop, het zilverkleurige pinnetje Á en de
zekering Â.
Plaats een nieuwe snelle zekering met hetzelfde voltage,
zoals 1 A of 2 A.
Zorg dat het zilverkleurige pinnetje in de dop zit.
Plaats de dop terug en draai de dop 90 graden naar rechts
om deze te bevestigen op de voertuigvoedingskabel Ã.
Opties voor gegevensvelden
Aanwijzer: Een pijl wijst in de richting van het volgende via-punt
of de volgende bocht. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Afstand tot bestemming: De resterende afstand tot de
eindbestemming. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Appendix
19
Afstand tot volgende: De resterende afstand tot het volgende
via-punt op uw route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Baan: De richting van uw beginlocatie naar een bestemming.
De koers kan worden weergegeven als een geplande of
ingestelde route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Barometer: De actuele, gekalibreerde druk.
Batterijniveau: De resterende batterijvoeding.
Behouden snelheid: De snelheid waarmee u een bestemming
langs uw route nadert. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Cadans: Het aantal omwentelingen van de pedaalarm of aantal
stappen per minuut. Uw toestel moet zijn aangesloten op een
cadans-accessoire om deze gegevens weer te geven.
Daling - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
daling sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Daling - Maximum: De maximale daalsnelheid in voet per
minuut of meter per minuut sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Daling - Totaal: De totale afstand van de daling sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
ETA bij volgende: Het geschatte tijdstip waarop u het volgende
via-punt op de route zult bereiken (aangepast aan de lokale
tijd van het via-punt). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
ETA op bestemming: Het geschatte tijdstip waarop u de
eindbestemming zult bereiken (aangepast aan de lokale tijd
van de bestemming). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Glijhoek: De hoek van de horizontale afgelegde afstand in
verhouding tot de wijziging in verticale afstand.
Glijhoek tot bestemming: De glijhoek die nodig is om van uw
huidige positie af te dalen naar de hoogte van uw
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
GPS-nauwkeurigheid: De foutmarge voor uw exacte locatie.
Uw GPS-locatie is bijvoorbeeld nauwkeurig tot op +/- 3,65 m
(12 voet).
GPS-signaalsterkte: De sterkte van het signaal van de GPSsatelliet.
Hartslag: Uw aantal hartslagen per minuut. Uw toestel moet zijn
aangesloten op een compatibele hartslagmeter.
Hoogte: De hoogte van uw huidige locatie boven of onder
zeeniveau.
Hoogte - Maximum: Het hoogst bereikte punt sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Hoogte - Minimum: Het laagst bereikte punt sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Kilometerteller: Een lopende meting van de afstand die is
afgelegd voor alle trips. Dit totaal wordt niet gewist als de
tripgegevens worden hersteld.
Koersfout: De afstand naar links of rechts die u van uw
oorspronkelijke koers bent afgeweken. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Koerswijziging: Het hoekverschil (in graden) tussen de richting
van uw bestemming en uw huidige koers. L betekent naar
links afbuigen. R betekent naar rechts afbuigen. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Maximumsnelheid: De gerapporteerde maximumsnelheid voor
de weg. Niet beschikbaar op alle kaarten en in alle gebieden.
Let altijd op de borden langs de weg voor de juiste
maximumsnelheid.
20
Naar koers: De richting die u moet volgen om terug te keren
naar de route. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Omgevingsluchtdruk: De niet-gekalibreerde
omgevingsluchtdruk.
Peiling: De richting van uw huidige locatie naar een
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Positie (ingesteld): De huidige positie met de geselecteerde
instelling voor de positieweergave.
Positie (lgt/brd): De huidige positie in lengte- en breedtegraad
ongeacht de geselecteerde instelling voor de
positieweergave.
Snelheid: De huidige snelheid waarmee u zich verplaatst.
Snelheid - Gemiddelde snelheid: De gemiddelde snelheid
waarmee u zich verplaatst sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Snelheid - Maximum: De hoogste snelheid sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Snelheid - Totaal gemiddeld: De gemiddelde snelheid tijdens
het verplaatsen en stoppen sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Stijging - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
stijging sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Stijging - Maximum: De maximale stijgsnelheid in voet per
minuut of meter per minuut sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Stijging - Totaal: De totale afstand van de stijging sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Tijd: De huidige tijd van de dag, op basis van uw huidige locatie
en tijdinstellingen (notatie, tijdzone en zomertijd).
Tijd tot bestemming: De tijd die u naar verwachting nodig hebt
om de bestemming te bereiken. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Tijd tot volgende: De tijd die u naar verwachting nodig hebt om
het volgende via-punt op de route te bereiken. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Tripteller: Een lopende meting van de afstand die is afgelegd
sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Bewogen: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Gestopt: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken zonder te bewegen sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Triptijd - Totaal: Een lopende meting van de tijd die is besteed
terwijl u in beweging was en terwijl u gestopt was sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Verticale snelheid: De stijg- of daalsnelheid over tijd.
Verticale snelheid tot bestemming: De stijg- of daalsnelheid
naar een vooraf bepaalde hoogte. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Via-punt bij bestemming: Het laatste punt op de route naar de
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Via-punt bij volgende: Het volgende punt op de route. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Voorliggende koers: De richting waarin u zich verplaatst.
Zon onder: Het tijdstip waarop de zon ondergaat, gebaseerd op
uw GPS-positie.
Zon op: Het tijdstip waarop de zon opkomt, gebaseerd op uw
GPS-positie.
Appendix
Index
A
aan-uitknop 1, 2
aanraakscherm schoonmaken 15
accessoires 1, 17
afstanden meten 10
agenda 11
alarmen
gevarenzone 11
klok 11
maritiem 14
tonen 13
almanak 11
ANT+ sensors 17
koppelen 17
B
baken 8
BaseCamp 5, 12, 16, 17
batterij 15, 18
installeren 1
levensduur 13
maximaliseren 8, 13, 15, 16
opladen 1, 16
opslag 15
vervangen 18
berichten 7
bestanden, overbrengen 16
blafdetectie 4
C
computer, aansluiten 16, 17
contact 6, 7, 16
bijwerkfrequentie 16
id 7
instellingen 12
op kaart weergeven 7
toevoegen 7
G
Garmin Express 14
software bijwerken 14
toestel registreren 14
gebruikersgegevens, verwijderen 17
gegevens, delen 10
gegevens delen 10
gegevensvelden 12
geheugenkaart 1, 16
geofences 6
GPS 12
instellingen 12
groep vogels, markeren 8
H
halsband 4
band vervangen 19
lampje 8
omdoen 4
opladen 2
vervangen van de batterij 18
VHF-antenne 1, 19
hond 4
bijwerkfrequentie 16
halsband 8
id 3, 4
informatie 3, 4
instellingen 12
navigeren naar 5
sporen 3, 4, 17
statistieken 3
toevoegen 2, 3
training 6
training, basis 6
type 4
volg- en trainingscodes 3
volgen 5, 6
waarschuwingen 4
honden volgen pauzeren 6
hoofdmenu, aanpassen 12
Index
hoogte 9, 11
grafiek 11
hoogtemeter 14
kalibreren 11
I
instellingen 12–14
J
jagen en vissen, tijden 11
jager 6
K
kaarten 8, 9
afstanden meten 10
bijwerken 14
gegevensvelden 12
instellingen 13, 14, 16
navigatie 10
optioneel 17
oriëntatie 10, 13
zoomen 5, 13
kalibreren
hoogtemeter 11
scherm 13
knoppen 1
training 6
koers, wijzer 10
kompas 5, 10
instellingen 14
kalibreren 10
navigeren 10
koppelen, ANT+ sensors 17
M
maateenheden 13
maritiem, alarmen instellen 14
microSD kaart. Zie geheugenkaart
MicroSD kaart. Zie geheugenkaart
N
nabijheidswaarschuwingen 11
navigatie 5, 10, 11
hoogtemeter 11
O
opladen 16
halsband 2
handheld 1
oppervlakteberekening 11
overbrengen
bestanden 16
sporen 17
P
Peil en ga 11
peilingswijzer 10
pictogrammen 5
problemen oplossen 1
productregistratie 1, 14
R
radiocommunicatie 4
radiocommunicatie met vrije baan 4
radiofrequenties 3
reddingsmodus 8
reisinformatie
herstellen 11
weergeven 11
reisplanner. Zie routes
routes 9
bewerken 9
instellingen 13
maken 9
navigeren 9
verwijderen 9
weergeven op de kaart 9
scherm
instellingen 13
vergrendelen 2
schermknoppen 2
schermverlichting 13, 15, 16
software
bijwerken 14
updates 14
specificaties 15
sporen 3, 9, 10
instellingen 12, 13
navigeren 9
opnemen 9
stopwatch 11
T
tempe 17
temperatuur 17
tijdinstellingen 13
toestel
onderhoud 14
registratie 1
toestel registreren 1, 14
toestel schoonmaken 15
toestel-id 14
tonen 13
TracBack 9
training
toon 6
trilsignaal 6
U
updates, software 14
USB
bestanden overbrengen 16
connector 1
loskoppelen 17
massaopslagmodus 16
V
vergrendelen, scherm 2
vervangingsonderdelen 17–19
verwijderen, alle gebruikersgegevens 17
VHF-antenne 1, 19
via-punten 8, 11
bewerken 8
opslaan 8
projecteren 8
verwijderen 8
VIRB afstandsbediening 12
voedingskabels, zekering vervangen 19
W
waarschuwingen 7
hond 4
locatie 6
WAAS 12
Z
zekering, wijzigen 19
zonsopkomst en -ondergang, tijden 11
zoomen, kaarten 5
S
satellietsignalen 12
ontvangen 2
21
www.garmin.com/support
+43 (0) 820 220230
+ 32 2 672 52 54
0800 770 4960
1-866-429-9296
+385 1 5508 272
+385 1 5508 271
+420 221 985466
+420 221 985465
+ 45 4810 5050
+ 358 9 6937 9758
+ 331 55 69 33 99
+ 39 02 36 699699
(+52) 001-855-792-7671
0800 0233937
+47 815 69 555
00800 4412 454
+44 2380 662 915
(+35) 1214 447 460
+386 4 27 92 500
0861 GARMIN (427 646)
+27 (0)11 251 9999
+34 93 275 44 97
+ 46 7744 52020
+886 2 2642-9199 ext 2
0808 238 0000
+44 (0) 870 8501242
+49 (0) 89 858364880
zum Ortstarif - Mobilfunk
kann abweichen
913-397-8200
1-800-800-1020
© 2014 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising