Garmin | GHP Reactor™ Mechanical/Retrofit/Solenoid Corepack | Garmin GHP Reactor™ Mechanical/Retrofit/Solenoid Corepack Installatie-instructies

Garmin GHP Reactor™ Mechanical/Retrofit/Solenoid Corepack Installatie-instructies
(afzonderlijk te koop) voor verschillende onderdelen verkrijgbaar
bij uw Garmin dealer of op www.garmin.com.
Noteer het serienummer van elk onderdeel ten behoeve van de
registratie en garantie.
®
GHP™ Reactor
Mechanisch
Installatie-instructies
Belangrijke veiligheidsinformatie
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
U bent verantwoordelijk voor de veilige en voorzichtige besturing
van uw vaartuig. De stuurautomaat is een hulpmiddel waarmee
u de boot beter kunt besturen. Dit ontheft u echter niet van uw
verantwoordelijkheid om de boot veilig te besturen. Voorkom
gevaarlijke navigatie en zorg ervoor dat het roer nooit
onbemand is.
Wees altijd in staat om snel de handmatige besturing van uw
boot over te nemen.
Oefen de bediening van de stuurautomaat op kalm en open
water dat vrij is van gevaren.
Wees voorzichtig met het bedienen van de stuurautomaat in de
buurt van gevaren op het water, zoals dokken, palen en andere
boten.
LET OP
Pas tijdens het gebruik op voor hete motoronderdelen en
elektromagnetische onderdelen en voorkom beklemming tussen
bewegende onderdelen.
Het niet in overeenstemming met deze instructies installeren en
onderhouden van dit toestel kan leiden tot schade of letsel.
KENNISGEVING
Om schade aan uw boot te voorkomen, moet de stuurautomaat
door een gekwalificeerde nautische installateur worden
gemonteerd. Voor een juiste installatie is speciale kennis van
hydraulische stuurinrichtingen en nautische elektronische
systemen vereist.
De installatie voorbereiden
De stuurautomaat bestaat uit diverse onderdelen. Lees alle
aandachtspunten betreffende de montage en aansluiting van de
onderdelen goed door voordat u met de installatie begint. Om de
installatiewerkzaamheden op de boot goed te plannen, moet u
weten hoe de onderdelen samenwerken.
Raadpleeg de schema's (Schema voedings-/
gegevensaansluiting) voor een beter begrip van de
aandachtspunten bij montage en aansluiting.
Leg bij het plannen van de installatie alle onderdelen op hun
plaats op de boot om te controleren of uw kabels lang genoeg
zijn om elk onderdeel te bereiken. Zo nodig zijn verlengkabels
Mei 2015
Benodigd gereedschap
•
•
•
•
•
•
•
Veiligheidsbril
Boormachine en boren
90 mm (3,5 in.) gatenzaag of slijptol
Draadtangen/strippers
Kruiskop- en platte schroevendraaiers
Kabelbinders
Waterdichte draadconnectors (draadmoeren) of krimpkousen
en een brander
• Watervaste kit
• Draagbaar of handheld kompas (voor testen op magnetische
interferentie)
• Smeermiddel tegen vastlopen (optioneel)
OPMERKING: Bij de hoofdonderdelen van de stuurautomaat
worden montageschroeven geleverd. Als de schroeven niet
geschikt zijn voor het montageoppervlak, moet u zelf voor de
juiste schroeven zorgen.
Overwegingen bij montage en aansluiting
De onderdelen van de stuurautomaat zijn via de meegeleverde
kabels aangesloten op elkaar en op de voeding. Controleer of
voor elk onderdeel de juiste kabel is gekozen en of elk
onderdeel op een goede plaats staat voordat u de onderdelen
monteert of aansluit.
Overwegingen betreffende de montage van de
roerbediening
KENNISGEVING
Dit toestel dient te worden gemonteerd op een locatie die niet
wordt blootgesteld aan extreme temperaturen of
omstandigheden. Het temperatuurbereik voor dit toestel wordt
vermeld in de productspecificaties. Langdurige blootstelling aan
temperaturen boven het opgegeven temperatuurbereik, in
opslag- of gebruiksomstandigheden, kan tot storingen in het
toestel leiden. Schade door extreme temperaturen en
gerelateerde gevolgen vallen niet onder de garantie.
Het montageoppervlak moet vlak zijn, zodat het toestel niet
wordt beschadigd wanneer het is gemonteerd.
Met de meegeleverde hardware en sjabloon kunt u het toestel
verzonken monteren op het dashboard. Als u het toestel op een
andere manier wilt monteren waarbij het scherm op gelijke
hoogte als het dashboard ligt, moet u een pakket voor vlakke
montage (installatie door een deskundige aanbevolen)
aanschaffen bij uw Garmin dealer.
Houd rekening met deze overwegingen wanneer u een
montagelocatie selecteert.
• De montagelocatie moet zich op of onder ooghoogte
bevinden voor optimaal zicht tijdens het besturen van het
vaartuig.
• De montagelocatie moet gemakkelijk toegang bieden tot de
knoppen op het toestel.
• Het montageoppervlak moet sterk genoeg zijn om het
gewicht van het toestel te dragen en het te beschermen
tegen overmatige trillingen of schokken.
• Teneinde interferentie met een magnetisch kompas te
voorkomen, mag het toestel niet dichter bij een kompas
worden geïnstalleerd dan op de kompasveilige afstand die is
vermeld in de productspecificaties.
• Het gebied achter de montageplaats moet voldoende ruimte
bieden voor plaatsing en aansluiting van de kabels.
Gedrukt in Taiwan
190-01769-75_0A
Aandachtspunten bij de aansluiting van de roerbediening
• De roerbediening moet worden aangesloten op het NMEA
2000 netwerk.
• Optionele NMEA 0183 toestellen, zoals windsensors,
watersnelheidsensors of GPS-toestellen, kunnen met een
gegevenskabel worden aangesloten op de roerbediening
(Overwegingen betreffende NMEA 0183 verbinding).
®
®
Aandachtspunten bij de montage en aansluiting van de
CCU
• De CCU is de primaire sensor van de GHP Reactor
Mechanisch stuurautomaat. Kies voor de beste prestaties
een montageplaats aan de hand van deze aandachtspunten.
◦ U moet een handkompas gebruiken om op magnetische
interferentie te testen in de zone waar u de CCU wilt
monteren.
Als op de plaats waar u van plan bent de CCU te
installeren de naald van het handkompas beweegt, is daar
sprake van magnetische interferentie. Kies een andere
plaats en voer de controle opnieuw uit.
◦ De CCU dient voor optimale prestaties op een solide
ondergrond te worden gemonteerd.
◦ Hoewel de CCU op uw boot in elke richting kan worden
geplaatst, kunt u het instellen van het noorden in de
installatieprocedure overslaan als u bij het kiezen van een
montageplaats (optioneel) de volgende punten in acht
neemt.
◦ De connectors op de CCU moeten in de richting van de
boeg wijzen.
◦ De voet van de CCU moet loodrecht op de roll- en
pitch-as van de boot staan.
◦ De CCU moet dicht bij het draaipunt van de boot
worden geplaatst, zo nodig iets dichter bij de voorkant.
• De CCU-kabel verbindt de CCU met de ECU en is 5 m
(16 ft.) lang.
◦ Als de CCU-stuurautomaat niet op 5 m (16 ft.) van de
ECU kan worden geïnstalleerd, kunt u verlengkabels
aanschaffen bij uw lokale Garmin dealer of op
www.garmin.com.
◦ Deze kabel mag niet worden ingekort.
De beste montageplaats bepalen
1 Maak een lijst van alle geschikte montageplaatsen voor de
CCU, waar zich binnen een afstand van 60 cm (2 ft.) geen
ijzeren onderdelen, magneten of hoogspanningsdraden
bevinden.
Binnen een afstand van 1,5 m (5 ft.) van deze locaties mogen
zich geen grote magneten, zoals van een subwoofer of
luidspreker, bevinden.
2 Bepaal het draaipunt van de boot en meet de afstand tussen
het draaipunt en elk van de geschikte montageplaatsen op
de in stap 1 gemaakte lijst.
3 Selecteer de locatie die het dichtst bij het draaipunt is
gelegen.
Als er meer locaties zijn op ongeveer dezelfde afstand van
het draaipunt, kiest u de locatie die het best voldoet aan al
deze aandachtspunten.
• De beste locatie is de locatie die zich het dichtst bij het
draaipunt van de boot bevindt.
• De beste locatie is de laagst mogelijke locatie in de boot.
• De beste locatie is de locatie die iets meer naar de
voorkant van de boot toe ligt.
Aandachtspunten bij de montage en aansluiting van de ECU
• De ECU kan in elke richting worden gemonteerd op een
vlakke ondergrond.
2
• Montageschroeven zijn bijgeleverd bij de ECU, maar als
deze schroeven ongeschikt blijken voor het
montageoppervlak moet u andere schroeven gebruiken.
• De ECU moet worden geplaatst binnen een afstand van 0,5
m (19 in.) van de aandrijfeenheid.
◦ De kabels die de ECU verbinden met de aandrijfeenheid
kunnen niet worden verlengd.
• De ECU mag niet worden gemonteerd op een locatie waar
deze ondergedompeld kan raken of kan worden blootgesteld
aan aflopend water.
• De voedingskabel van de ECU wordt aangesloten op de accu
van de boot en kan zo nodig met een verlengkabel worden
verlengd (Voedingskabel verlengen).
Aandachtspunten bij de montage en bekabeling van de
aandrijfeenheid
• Als op uw boot nog geen compatibele aandrijfeenheid is
geïnstalleerd, kunt u er een aanschaffen (los verkrijgbaar).
De eenheid moet worden geïnstalleerd door een ervaren
installateur om te zorgen dat uw boot correct wordt
aangestuurd.
• De aandrijfeenheid moet worden geïnstalleerd, voordat de
ECU permanent wordt gemonteerd.
• De kabels naar de aandrijfeenheid mogen niet met
verlengkabels worden verlengd.
• Voor aansluiting op een bestaande aandrijfeenheid (niet
verkrijgbaar bij Garmin) moet een bijbehorende
voedingskabel (afzonderlijk verkrijgbaar) worden gebruikt om
uw aandrijfeenheid te kunnen gebruiken met de
stuurautomaat (Aansluiting op een bestaande
aandrijfeenheid).
◦ De voedingskabel van de aandrijfeenheid kan niet met
een verlengkabel worden verlengd.
• Voor aansluiting op een solenoïde-aandrijfeenheid moet een
solenoïde-voedingskabel (afzonderlijk verkrijgbaar) worden
gebruikt om uw solenoïde-aandrijfeenheid te kunnen
gebruiken met de stuurautomaat (Aansluiting op een
solenoïde-aandrijfeenheid).
◦ De solenoïde-voedingskabel kan niet worden verlengd.
• Voor aansluiting op een aandrijfeenheid van een andere
leverancier dan Garmin moet u tevens een
roerfeedbacksensor installeren, zoals de Garmin GRF™ 10, of
voor aansluiting van de aandrijfeenheid op een bestaande
roerfeedbacksensor een roerfeedbackkabel gebruiken
(afzonderlijk verkrijgbaar).
OPMERKING: De GHP Reactor Mechanisch stuurautomaat
is alleen compatibel met een gewone roerfeedbacksensor
(type potentiometer) met drie aansluitpunten. Het systeem
werkt niet met een roerfeedbacksensor die werkt op basis
van frequenties.
Aandachtspunten bij de Shadow Drive™ montage
OPMERKING: De Shadow Drive is een sensor die u installeert
in de leidingen van de hydraulische stuurinrichting van uw boot.
Deze detecteert wanneer u handmatig de besturing van het roer
overneemt en schakelt de stuurautomaat uit. Het is een
optioneel accessoire dat alleen kan worden gebruikt op boten
met een hydraulische stuurinrichting.
• De Shadow Drive moet horizontaal en zo vlak mogelijk
worden gemonteerd en stevig vastgezet met kabelbinders.
• Monteer de Shadow Drive op een afstand van minimaal 305
mm (12 inch) van magnetische materialen of toestellen, zoals
luidsprekers en elektrische motoren.
• Monteer de Shadow Drive dichter bij het roer dan bij de
pomp.
• Monteer de Shadow Drive lager dan het roer, maar hoger
dan de pomp.
• Sluit de Shadow Drive niet rechtstreeks aan op de fitting aan
de achterkant van het roer. Zorg voor een bepaalde
slanglengte tussen de fitting op het roer en de Shadow Drive.
• Sluit de Shadow Drive niet rechtstreeks aan op een
hydraulische T-connector in de hydraulische leiding. Zorg
voor een bepaalde slanglengte tussen de T-connector en de
Shadow Drive.
• Bij enkele bediening mag u geen T-connector tussen het roer
en de Shadow Drive plaatsen.
• Bij dubbele bediening installeert u de Shadow Drive tussen
de pomp en de hydraulische T-connector naar het roer boven
en het roer onder, dichter bij het roer dan bij de T-connector.
• Installeer de Shadow Drive ofwel in de stuurboordleiding of
de bakboordleiding.
Installeer de Shadow Drive niet in de retourleiding of de
hogedrukleiding, indien van toepassing.
Onderdeel Beschrijving
À
Á
Gegevenskabel
roerbediening
Installeer deze kabel alleen als u de
stuurautomaat aansluit op optionele
NMEA 0183 toestellen, zoals een
windsensor, een watersnelheidsensor of
een GPS-toestel (Overwegingen
betreffende NMEA 0183 verbinding).
Â
NMEA 2000
voedingskabel
Installeer deze kabel alleen als u een
NMEA 2000 netwerk opzet. Gebruik
deze kabel niet als uw boot beschikt
over een bestaand NMEA 2000 netwerk.
De NMEA 2000 voedingskabel moet
worden aangesloten op een
voedingsbron van 9-16 V gelijkstroom.
Ã
NMEA 2000
netwerk
De roerbediening en de CCU moeten
worden aangesloten op een NMEA 2000
netwerk via de meegeleverde Tconnectors (Aandachtspunten bij de
NMEA 2000 verbinding).
Als er geen bestaand NMEA 2000
netwerk op uw boot is geïnstalleerd,
kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde kabels en connectors
(Een standaard NMEA 2000 netwerk
voor de stuurautomaat opzetten).
Overwegingen bij montage en aansluiting van het alarm
• Monteer het alarm in de buurt van de primaire bediening.
• Het alarm kan onder het dashboard worden gemonteerd.
• De bedrading van het alarm kan indien nodig worden
verlengd met een 28 AWG (0,08 mm2)-draad.
Aandachtspunten bij de NMEA 2000 verbinding
• De CCU en de roerbediening moeten op een NMEA 2000
netwerk worden aangesloten.
• Als er nog geen NMEA 2000 netwerk op uw boot is
geïnstalleerd, kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde NMEA 2000 kabels en connectors (Een
standaard NMEA 2000 netwerk voor de stuurautomaat
opzetten).
• U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken door optionele NMEA 2000 toestellen, zoals een
windsensor, een watersnelheidsensor of een GPS-toestel,
aan te sluiten op het NMEA 2000 netwerk.
Ä
Å
ECU
CCU
De CCU kan in een willekeurige richting
worden bevestigd op een droge locatie
nabij het midden van de boot
(Aandachtspunten bij de montage en
aansluiting van de CCU).
Plaats de CCU niet in de buurt van
magnetische interferentie.
Æ
ECUvoedingskabel
De ECU moet worden aangesloten op
een voedingsbron van 12–24 V
gelijkstroom. Als u deze kabel wilt
verlengen, moet u de juiste
draaddiameter gebruiken
(Voedingskabel verlengen).
Ç
CCU-kabel
Als u deze kabel wilt verlengen naar de
ECU, hebt u mogelijk een verlengkabel
nodig (apart verkrijgbaar)
(Aandachtspunten bij de montage en
aansluiting van de CCU).
Deze kabel wordt aangesloten op het
alarm.
È
Aandrijfeenheid
Dit schema toont alleen de elektrische
verbinden voor de aandrijfeenheid
(afzonderlijk verkrijgbaar).
Gedetailleerde installatie-instructies zijn
bij de aandrijfeenheid meegeleverd.
Als u een aandrijfeenheid hebt gekocht
van Garmin, wordt deze geleverd
inclusief de benodigde voedings- en
feedbackkabels.
Schema voedings-/gegevensaansluiting
WAARSCHUWING
Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de
geïntegreerde zekeringhouder. Om het risico van letsel of
schade aan het product door brand of oververhitting te
voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals
vermeld in de productspecificaties. Als de voedingskabel wordt
aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de
garantie op het product.
Belangrijke aandachtspunten
Roerbediening
POWER DRIVE
CCU
FEEDBACK
3
Onderdeel Beschrijving
É
Voedingskabel
en
feedbackkabel
aandrijfeenheid
Alarm
Belangrijke aandachtspunten
De voedingskabel van de
aandrijfeenheid mag niet worden verkort
of verlengd. Als u de stuurautomaat
gebruikt in combinatie met een
aandrijfeenheid van een andere
leverancier dan Garmin, moet een
voedingskabel voor de aandrijfeenheid
(apart verkrijgbaar) worden gebruikt
(Aansluiting op een bestaande
aandrijfeenheid).
Als u de stuurautomaat gebruikt in
combinatie met een solenoïdeaandrijfeenheid, moet een solenoïdevoedingskabel (apart verkrijgbaar)
worden gebruikt (Aansluiting op een
solenoïde-aandrijfeenheid).
Als u de stuurautomaat gebruikt in
combinatie met een aandrijfeenheid van
een andere leverancier dan Garmin of in
combinatie met een solenoïdeaandrijfeenheid, moet u ook een Garmin
roerfeedbacksensor installeren
(aanbevolen), of verbinding maken met
een bestaande roerfeedbacksensor via
een roerfeedbackkabel (apart
verkrijgbaar) (Aandrijfeenheid
installeren).
Onderdeel Beschrijving
Belangrijke aandachtspunten
Â
CCU
De CCU kan in een willekeurige richting
worden bevestigd op een droge locatie
nabij het midden van de boot
(Aandachtspunten bij de montage en
aansluiting van de CCU).
Plaats de CCU niet in de buurt van
magnetische interferentie.
Ã
Aandrijfeenheid
De voedingskabel van de
aandrijfeenheid mag niet worden verkort
of verlengd.
Als u de stuurautomaat gebruikt in
combinatie met een aandrijfeenheid van
een andere leverancier dan Garmin,
moet een voedingskabel voor de
aandrijfeenheid (apart verkrijgbaar)
worden gebruikt (Aansluiting op een
bestaande aandrijfeenheid).
Als u de stuurautomaat gebruikt in
combinatie met een solenoïdeaandrijfeenheid, moet een solenoïdevoedingskabel (apart verkrijgbaar)
worden gebruikt (Aansluiting op een
solenoïde-aandrijfeenheid).
Ä
Å
ECU
NMEA 2000
netwerk
Het alarm geeft geluidssignalen van de
stuurautomaat, en moet nabij de
roerbediening worden geïnstalleerd (Het
alarm installeren).
Schema van onderdelen
Schema enkele bediening
De roerbediening en de CCU moeten
worden aangesloten op een NMEA
2000 netwerk via de meegeleverde Tconnectors (Aandachtspunten bij de
NMEA 2000 verbinding).
Als er geen bestaand NMEA 2000
netwerk op uw boot is geïnstalleerd,
kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde kabels en connectors
(Een standaard NMEA 2000 netwerk
voor de stuurautomaat opzetten).
Installatieprocedures
LET OP
Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een
stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren.
KENNISGEVING
Controleer voordat u gaat boren of zagen wat zich aan de
andere kant van het oppervlak bevindt.
Wanneer u de installatie van de stuurautomaat hebt gepland en
aan alle vereisten voor montage en bedrading van uw specifieke
installatie hebt voldaan, kunt u de onderdelen monteren en
aansluiten.
Bediening installeren
OPMERKING: Dit schema is alleen bedoeld voor
planningsdoeleinden. Indien nodig, kunt u specifieke
aansluitingsschema's vinden in de gedetailleerde installatieinstructies bij elk onderdeel.
Onderdeel Beschrijving
À
Á
4
Belangrijke aandachtspunten
De roerbediening monteren
Roerbediening
12 tot 24 VDC
accu
Installeer de bediening verzonken in het dashboard naast het
roer en sluit deze aan op een NMEA 2000 netwerk.
U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken als u optionele NMEA 2000 compatibele of
NMEA 0183 compatibele toestellen, zoals een windsensor,
watersnelheidsensor of GPS toestel, aansluit op het NMEA
2000 netwerk of aansluit op de bediening via NMEA 0183.
De ECU moet worden aangesloten op
een voedingsbron van 12–24 V
gelijkstroom. Als u deze kabel wilt
verlengen, moet u de juiste
draaddiameter gebruiken
(Voedingskabel verlengen).
De NMEA 2000 voedingskabel moet
worden aangesloten op een
voedingsbron van 9-16 V gelijkstroom.
KENNISGEVING
Als u het toestel op glasvezel monteert, is het raadzaam om bij
het boren van de vier gaten met een kleine verzinkboor alleen in
de bovenste gellaag een kleine verdieping aan te brengen. U
voorkomt hiermee dat er scheuren in de gellaag ontstaan als de
schroeven worden aangedraaid.
Roestvrijstalen schroeven kunnen zich gaan binden wanneer ze
in het glasvezel worden geschroefd en te strak worden
aangedraaid. Garmin raadt het aanbrengen van zuurvrij
smeermiddel op schroeven aan voordat u deze installeert.
Kies eerst de plaats waar u de roerbediening wilt monteren
(Overwegingen betreffende de montage van de roerbediening).
1 Knip de sjabloon voor verzonken montage op maat en
controleer of deze past op de gekozen montageplaats.
De sjabloon voor verzonken montage wordt meegeleverd in
de verpakking van de roerbediening.
2 Bevestig de sjabloon op de gekozen montageplaats.
3 Als u het gat met een slijptol wilt maken in plaats van met
een gatenzaag van 90 mm (3,5 in.), moet u een boor van 10
mm (3/8 in.) gebruiken voor het voorboorgat, als beginpunt
voor het uitslijpen van het montageoppervlak.
4 Zaag met de gatenzaag of slijptol het montageoppervlak uit
langs de binnenkant van de streepjeslijn op de sjabloon.
5 Gebruik indien nodig een vijl en schuurpapier om het gat heel
precies op maat te krijgen.
6 Plaats de roerbediening in de opening en controleer of de
vier gaten op de sjabloon goed zijn afgetekend.
Als
de montagegaten niet correct zijn, markeer dan de juiste
7
locaties voor de vier montagegaten.
8 Haal de roerbediening uit de opening.
9 Boor de vier voorboorgaten van 2,8 mm (7/64 in.).
Als u de bediening monteert op een glasvezeloppervlak,
wordt aanbevolen om een kleine verzinkboor te gebruiken.
10 Verwijder de rest van de sjabloon.
11 Installeer de meegeleverde pakking aan de achterzijde van
het toestel.
U kunt rond de pakking watervaste kit aanbrengen om
lekkage achter het dashboard te voorkomen (optioneel).
12 Plaats de bediening in de opening.
13 Draai de bediening goed vast op de montageplaats met de
meegeleverde schroeven.
Als u de bediening monteert op een glasvezeloppervlak,
wordt aanbevolen om een zuurvrij smeermiddel te gebruiken.
14 Klik de decoratieve ring À op zijn plaats.
2 Gebruik een boortje dat geschikt is voor het
bevestigingsmateriaal en boor de vier gaten in het
bevestigingsoppervlak.
3 Gebruik het gekozen bevestigingsmateriaal om de ECU
stevig op het montageoppervlak te bevestigen.
De ECU aansluiten op de voeding
WAARSCHUWING
Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de
geïntegreerde zekeringhouder. Om het risico van letsel of
schade aan het product door brand of oververhitting te
voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals
vermeld in de productspecificaties. Als de voedingskabel wordt
aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de
garantie op het product.
Sluit indien mogelijk de voedingskabel van de ECU rechtstreeks
aan op de bootaccu. Hoewel dit niet wordt aanbevolen, moet u
een zekering van 40 A gebruiken als u de voedingskabel
aansluit op een klemmenblok of een andere bron.
Als u de ECU wilt aansluiten via een onderbreker of schakelaar
in de buurt van de stuurinrichting, moet u een relais van de
juiste grootte en een controledraad gebruiken in plaats van de
ECU voedingskabel te verlengen.
1 Leid het uiteinde met de connector van de ECU
voedingskabel naar de ECU, maar sluit de kabel niet aan op
de ECU.
2 Leid het gestripte draadeinde van de ECU voedingskabel
naar de bootaccu.
Als de kabel niet lang genoeg is, kan deze worden verlengd
(Voedingskabel verlengen).
3 Sluit de zwarte draad (-) aan op de negatieve (-) pool van de
accu en sluit de rode draad (+) aan op de positieve (+) pool
van de accu.
4 Nadat u alle andere stuurautomaatonderdelen hebt
geïnstalleerd, sluit u de voedingskabel aan op de ECU.
Voedingskabel verlengen
Indien nodig kunt u de voedingskabel verlengen met een kabel
van de juiste dikte en lengte.
Onderdeel
À
Á
Â
Beschrijving
Zekering
Accu
2,7 m (9 ft.) geen verlenging
De CCU monteren
1 Kies de bevestigingsplek.
2 Gebruik de CCU als sjabloon en markeer de twee
voorboorgaten op het montageoppervlak.
3 Gebruik een boor van 3 mm (1/8 in.) om de gaatjes te boren.
4 Gebruik de meegeleverde schroeven om de CCU op het
montageoppervlak te bevestigen.
ECU installeren
De ECU monteren
Voordat u de ECU kunt monteren, moet u een montagelocatie
selecteren en kijken welke bevestigingsmaterialen u nodig hebt
(Aandachtspunten bij de montage en aansluiting van de ECU).
1 Plaats de ECU op de gewenste montageplaats en teken de
montagegaten op de ondergrond af. Gebruik de ECU zelf als
sjabloon.
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Beschrijving
Verbinding
10 AWG (5,26 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
Accu
20,3 cm (8 inch)
Max. 4,6 m (15 ft.)
5
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Beschrijving
Verbinding
8 AWG (8,36 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
4 Sluit de voedingskabel voor de aandrijfeenheid (niet
bijgeleverd) aan op uw aandrijfeenheid volgens de tabel met
draadkleuren en functies.
De voedingskabel voor de aandrijfeenheid mag niet met een
verlengkabel worden verlengd.
Accu
Draadkleur Functie
20,3 cm (8 inch)
Rood
Aandrijfeenheid positief (+)
Max. 7 m (23 ft.)
Zwart
Aandrijfeenheid negatief (-)
Blauw
Voeding koppeling (snijd en tape deze draad af als uw
aandrijfeenheid geen koppeling heeft)
Wit
Aarde koppeling (snijd en tape deze draad af als uw
aandrijfeenheid geen koppeling heeft)
5 Sluit de aandrijfeenheid met de voedingskabel aan op de
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Beschrijving
Verbinding
6 AWG (13,29 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
Accu
20,3 cm (8 inch)
Max. 11 m (36 ft.)
Aandrijfeenheid installeren
De aandrijfeenheid (afzonderlijk verkrijgbaar) moet worden
aangesloten op uw roerbediening, zodat de GHP Reactor
Mechanisch stuurautomaat uw boot kan besturen. Als u een
aandrijfeenheid van Garmin koopt, wordt deze geleverd met de
juiste kabels, connectors en instructies.
Als op uw boot al een aandrijfeenheid is geïnstalleerd, kunt u
deze met een speciale voedingskabel (afzonderlijk verkrijgbaar)
geschikt maken voor gebruik met de stuurautomaat.
Als u de stuurautomaat aansluit op een niet door Garmin
geleverde aandrijfeenheid, dient u ook te voorzien in
roerfeedbackinformatie door een Garmin roerfeedbacksensor te
installeren en aan te sluiten (aanbevolen) of door een op uw
boot aanwezige roerfeedbacksensor aan te sluiten met een
speciale roerfeedbackkabel (afzonderlijk verkrijgbaar).
ECU.
Aansluiting op een solenoïde-aandrijfeenheid
Als u een solenoïde-aandrijfeenheid wilt gebruiken met de GHP
Reactor Mechanisch stuurautomaat, moet u de solenoïdevoedingskabel installeren. Deze kabel is afzonderlijk
verkrijgbaar.
Deze instructies zijn alleen van toepassing op
elektromagnetische aandrijfeenheden.
1 Volg zo nodig de bij de solenoïde-aandrijfeenheid geleverde
installatie-instructies om deze in uw boot te installeren.
Als
op uw solenoïde-aandrijfeenheid kabels zijn aangesloten,
2
dient u deze te ontkoppelen.
3 Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van uw
solenoïde-aandrijfeenheid voor informatie over de
aansluitpunten op uw aandrijfeenheid.
4 Sluit de solenoïde-voedingskabel (niet meegeleverd) aan op
uw solenoïde-aandrijfeenheid volgens het schema en de
tabellen.
De solenoïde-voedingskabel is 0,8 m (2,6 ft.) lang en kan niet
worden verlengd.
Een Garmin aandrijfeenheid installeren
Volg de bij uw Garmin aandrijfeenheid geleverde installatieinstructies om deze te installeren en te verbinden met uw
roerbediening en stuurautomaat.
Corrosiebescherming
+
‐
+
‐
+
‐
KENNISGEVING
Breng voor een lange levensduur van alle onderdelen minstens
twee keer per jaar een roestpreventiemiddel aan op
aandrijfeenheid.
Breng na de installatie van alle verbindingen een
corrosiewerend middel aan op de aandrijfeenheid.
Aansluiting op een bestaande aandrijfeenheid
Om een niet door Garmin verkochte aandrijfeenheid aan te
sluiten op de GHP Reactor Mechanisch stuurautomaat moet u
een speciale aandrijfeenheidvoedingskabel gebruiken. Deze
kabel is afzonderlijk verkrijgbaar.
Deze instructies zijn niet van toepassing op een solenoïdeaandrijfeenheid (Aansluiting op een solenoïde-aandrijfeenheid).
1 Volg zo nodig de bij de aandrijfeenheid geleverde installatieinstructies om de aandrijfeenheid in uw boot te installeren.
2 Als op uw aandrijfeenheid kabels zijn aangesloten, dient u
deze te ontkoppelen.
3 Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van uw
aandrijfeenheid voor informatie over de aansluitpunten op uw
aandrijfeenheid.
6
Onderdeel Beschrijving
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Stuurboord solenoïde
Bakboord solenoïde
Bypass solenoïde
Mogelijk niet in alle
systemen aanwezig.
Hulpstuurinrichting
Mogelijk niet in alle
systemen aanwezig.
Draad Kleur
À
Á
Â
Ã
Opmerkingen
Solenoïde-voedingskabel Los verkrijgbaar.
Beschrijving
Rood
Aansluiten op stuurboord solenoïde positief (+).
Wit/rood
Aansluiten op stuurboord algemeen (-).
Zwart
Aansluiten op bakboord solenoïde positief (+).
Wit/zwart Aansluiten op poort algemeen (-).
Draad Kleur
Ä
Å
Blauw
Beschrijving
Aansluiten op bypass solenoïde positief (+).
Snijd en tape deze draad af als geen bypass
solenoïde aanwezig is.
Wit/blauw Aansluiten op bypass solenoïde algemeen (-).
Snijd en tape deze draad af als geen bypass
solenoïde aanwezig is.
Æ
N.v.t.
Hulpstuurinrichting stuurboord positief (+) (indien
aanwezig).
Ç
N.v.t.
Hulpstuurinrichting bakboord positief (+) (indien
aanwezig).
È
N.v.t.
Hulpstuurinrichting bypass positief (+) (indien
aanwezig).
É
N.v.t.
Hulpstuurinrichting algemeen (-) (indien
aanwezig).
5 Sluit de solenoïde-voedingskabel aan op de ECU.
Een Garmin roerfeedbacksensor installeren
Als u een aandrijfeenheid van Garmin hebt geïnstalleerd, levert
deze roerfeedbackgegevens en is een afzonderlijke
roerfeedbacksensor niet nodig. Als u de stuurautomaat aansluit
op een aandrijfeenheid die niet door Garmin wordt verkocht,
moet u ook een roerfeedbacksensor installeren, zoals de GRF
10 (afzonderlijk verkrijgbaar).
Volg de bij uw GRF roerfeedbacksensor geleverde installatieinstructies om deze te verbinden met uw roerbediening en
stuurautomaat.
Aansluiting op een bestaande roerfeedbacksensor
Als u de stuurautomaat hebt aangesloten op een niet door
Garmin geleverde aandrijfeenheid en van plan bent een niet
door Garmin verkochte roerfeedbacksensor aan te sluiten, moet
u een roerfeedbackkabel gebruiken om de sensor aan te sluiten
op de GHP Reactor Mechanisch stuurautomaat. Deze kabel is
afzonderlijk verkrijgbaar.
OPMERKING: De GHP Reactor Mechanisch stuurautomaat is
alleen compatibel met een gewone roerfeedbacksensor (type
potentiometer) met drie aansluitpunten. Het systeem werkt niet
met een roerfeedbacksensor die werkt op basis van frequenties.
1 Volg zo nodig de bij de roerfeedbacksensor geleverde
installatie-instructies om de deze in uw boot te installeren.
2 Als op uw roerfeedbacksensor kabels zijn aangesloten, dient
u deze te ontkoppelen.
3 Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van uw
roerfeedbacksensor voor informatie over de aansluitpunten
op uw roerfeedbacksensor.
4 Sluit de roerfeedbackkabel (niet bijgeleverd) aan op uw
aandrijfeenheid volgens het schema van draadkleuren en
functies.
Zo nodig kan de kabel worden verlengd met kabel met een
diameter van 0,33 mm2 (22 AWG).
3 Leid de bruine en zwarte draden van het gestripte deel van
de CCU-kabel naar de plaats waar u de Shadow Drive wilt
installeren (Installatie van Shadow Drive) (optioneel).
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de betreffende
draden verlengen door middel van een draad met een dikte
van 0,08 mm2 (28 AWG).
Als u de Shadow Drive niet wilt installeren, kunt u de bruine
en zwarte draden afsnijden en aftapen.
Installatie van Shadow Drive
OPMERKING: De Shadow Drive is een optioneel accessoire dat
alleen kan worden gebruikt op boten met een hydraulische
stuurinrichting.
De Shadow Drive aansluiten op het hydraulische systeem
Voordat u de Shadow Drive kunt installeren, dient u te bepalen
waar de Shadow Drive moet worden aangesloten op het
hydraulische stuursysteem van uw boot (Aandachtspunten bij de
Shadow Drive™ montage).
Gebruik hydraulische connectors (niet inbegrepen) om de
Shadow Drive in de juiste hydraulische leiding te installeren.
De Shadow Drive aansluiten op de CCU
1 Leid het gestripte draadeinde van de CCU-kabel naar de
Shadow Drive.
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een 28 AWG-draad (0,08 mm²).
2 Verbind de kabels volgens het schema in deze tabel.
Kleur van draad Shadow Drive
Kleur van draad CCU-kabel
Rood (+)
Bruin (+)
Zwart (-)
Zwart (-)
3 Soldeer en isoleer alle gestripte draadeinden.
Het alarm installeren
Voordat u het alarm kunt bevestigen, moet u een montageplaats
kiezen (Overwegingen bij montage en aansluiting van het
alarm).
1 Leid de alarmkabel naar het gestripte draadeinde van de
CCU-kabel.
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een draad van 0,08 mm2 (28 AWG).
2 Verbind de kabels volgens het schema in deze tabel.
Kleur van alarmdraad
Kleur van draad CCU-kabel
Wit (+)
Oranje (+)
Zwart (-)
Blauw (-)
3 Soldeer en isoleer alle gestripte draadeinden.
4 Bevestig het alarm met kabelbinders of andere
bevestigingsmaterialen (niet bijgeleverd).
Draadkleur
Functie
NMEA 2000 en de stuurautomaatonderdelen
Rood
Roerfeedback positief (+)
Zwart
Roerfeedback negatief (-)
Geel
Roerfeedback wisser
KENNISGEVING
Als u beschikt over een bestaand NMEA 2000 netwerk op uw
boot, hoort dit reeds te zijn aangesloten op de voeding. Sluit de
NMEA 2000 voedingskabel niet op een bestaand NMEA 2000
netwerk aan omdat er slechts één voedingsbron mag worden
aangesloten op een NMEA 2000 netwerk.
5 Sluit de roerfeedbackkabel aan op de ECU.
De CCU aansluiten
1 Leid het connectoruiteinde van de CCU-kabel naar de pomp
en sluit de kabel aan.
2 Leid de oranje en blauwe draden van het gestripte kabeldeel
van de CCU-kabel naar de plaats waar u het alarm wilt
installeren (Het alarm installeren).
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de betreffende
draden verlengen door middel van een draad met een dikte
van 0,08 mm2 (28 AWG).
U kunt de roerbediening via een bestaand NMEA 2000 netwerk
aansluiten op de CCU. Als er geen bestaand NMEA 2000
netwerk op uw boot is geïnstalleerd, zijn alle benodigde
onderdelen voor het netwerk meegeleverd in het
stuurautomaatpakket (Een standaard NMEA 2000 netwerk voor
de stuurautomaat opzetten).
Om de geavanceerde functies van de stuurautomaat te
gebruiken, kunt u optionele NMEA 2000 toestellen, zoals een
GPS-toestel, aansluiten op het NMEA 2000 netwerk.
7
Als u niet vertrouwd bent met NMEA 2000, kunt u het beste het
hoofdstuk 'NMEA 2000 Network Fundamentals' van de
Technical Reference for NMEA 2000 Products lezen. Als u dit
document wilt downloaden, selecteert u Handleidingen op de
productpagina voor uw toestel op www.garmin.com.
Een standaard NMEA 2000 netwerk voor de stuurautomaat
opzetten
KENNISGEVING
Als u een NMEA 2000 voedingskabel installeert, moet u deze
verbinden met de contactschakelaar van de boot of via een
andere onderbrekingsschakelaar. NMEA 2000 toestellen zullen
uw accu leegtrekken indien de NMEA 2000 voedingskabel
rechtstreeks is aangesloten op de accu.
1 Verbind de drie T-connectors À met elkaar zoals getoond.
2 Koppel op de plaats waar u de roerbediening wilt aansluiten
één kant van een NMEA 2000 T-connector à los van het
3
4
2 Sluit de meegeleverde NMEA 2000 voedingskabel Á aan op
een 9 tot 12 VDC voedingsbron  via een schakelaar Ã.
3
4
5
6
Sluit de voedingskabel zo mogelijk aan op de
contactschakelaar van de boot, of leid de kabel via een inline
schakelaar (niet meegeleverd).
OPMERKING: De omvlochten aardedraad (blank) van de
NMEA 2000 voedingskabel moet worden verbonden met
dezelfde aarding als de zwarte draad van de NMEA 2000
voedingskabel.
Sluit de NMEA 2000 voedingskabel aan op een van de Tconnectors.
Sluit een van de meegeleverde NMEA 2000 netwerkkabels Ä
aan op een van de T-connectors en de roerbediening Å.
Sluit de andere meegeleverde NMEA 2000 netwerkkabel aan
op de andere T-connector en de CCU Æ.
Sluit de mannelijke en vrouwelijke afsluitweerstanden Ç aan
op de uiteinden van de gecombineerde T-connectors.
De stuurautomaatonderdelen verbinden met het bestaande
NMEA 2000 netwerk
1 Bepaal waar u de roerbediening À en de CCU Á wilt
aansluiten op uw bestaande NMEA 2000 backbone Â.
5
6
7
netwerk.
Sluit zo nodig een NMEA 2000 backboneverlengkabel (niet
bijgeleverd) aan op de kant waar de T-connector is
losgekoppeld, als de NMEA 2000 netwerkbackbone moet
worden verlengd.
Koppel een bijgeleverde T‑connector voor de roerbediening
aan op de NMEA 2000 backbone door deze aan te sluiten op
de kant waar de T-connector is losgekoppeld of op de
backboneverlengkabel.
Leid de bijgeleverde netwerkkabel Ä naar de roerbediening
en naar de onderkant van de T-connector die u in stap 4 hebt
toegevoegd.
Als de bijgeleverde netwerkkabel niet lang genoeg is, kunt u
een netwerkkabel van maximaal 6 m (20 ft.) gebruiken (niet
bijgeleverd).
Sluit de netwerkkabel aan op de roerbediening en de Tconnector.
Herhaal de stappen 2 tot en met 6 voor de CCU.
Optionele NMEA 2000 toestellen aansluiten op de
stuurautomaat
U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken door optionele NMEA 2000 compatibele toestellen,
zoals een windsensor, een watersnelheidsensor of een GPStoestel, aan te sluiten op het NMEA 2000 netwerk.
OPMERKING: Optionele toestellen die niet NMEA 2000
compatibel zijn, kunt u aansluiten op de roerbediening via
NMEA 0183 (Overwegingen betreffende NMEA 0183
verbinding).
1 Voeg een extra T-connector (niet meegeleverd) toe aan het
NMEA 2000 netwerk.
Volg
de instructies die bij het toestel zijn geleverd om het
2
optionele NMEA 2000 toestel aan te sluiten op de Tconnector.
De stuurautomaat configureren
De stuurautomaat moet worden geconfigureerd en afgesteld op
de dynamiek van uw boot. Gebruik voor de configuratie van de
stuurautomaat de Dockside Wizard en de Sea Trial Wizard op
de bediening. Volg de instructies in deze wizards om de vereiste
configuratiestappen te voltooien.
8
De Dockside Wizard
KENNISGEVING
Als u de Dockside Wizard uitvoert terwijl uw boot op het droge
ligt, moet u zorgen dat het roer vrij kan bewegen om schade aan
het roer of andere voorwerpen te voorkomen.
U kunt de Dockside Wizard zowel in het water als op het droge
uitvoeren.
Als de boot in het water ligt, moet deze stationair draaien terwijl
u de wizard uitvoert.
De Dockside Wizard uitvoeren
KENNISGEVING
Als uw boot stuurbekrachtiging heeft, schakelt u de
stuurbekrachtiging in voordat u de Dockside Wizard uitvoert. Zo
voorkomt u beschadiging van de stuurinrichting.
1 Schakel de stuurautomaat in.
Als u de stuurautomaat voor het eerst inschakelt, wordt u
gevraagd om een korte configuratieprocedure uit te voeren.
2 Als de Dockside Wizard na de configuratieprocedure niet
automatisch wordt opgestart, selecteert u Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Wizards > Dockside
Wizard.
3 Selecteer het type vaartuig.
4 Selecteer de klasse aandrijfeenheid (Het type
aandrijfeenheid selecteren).
5 Als u een niet door Garmin geleverde aandrijfeenheid hebt,
selecteert u het voltage van de aandrijfeenheid en het
voltage van de koppeling van de aandrijfeenheid (Het voltage
van de aandrijfeenheid en het voltage van de koppeling
selecteren).
6 Als u een solenoïde-aandrijfeenheid hebt, selecteert u het
voltage voor een solenoïde-aandrijfeenheid en het voltage
voor een solenoïde-omloopklep (Het voltage voor een
solenoïde-aandrijfeenheid en een solenoïde-omloopklep
selecteren).
Schakel
indien nodig de Shadow Drive in (De Shadow Drive
7
inschakelen).
8 Kalibreer de roersensor (Het roer kalibreren).
9 Als u een niet door Garmin geleverde aandrijfeenheid hebt,
moet u de aandrijfeenheid afstellen (Een bestaande
aandrijfeenheid afstellen).
10 Test de stuurrichting (De stuurrichting testen).
11 Selecteer indien nodig de snelheidsbron (De bron van de
snelheid selecteren).
12 Controleer indien nodig de tachometer (De tachometer
controleren).
13 Bekijk de resultaten van de Dockside Wizard (Het resultaat
van de Dockside Wizard bekijken).
Het type aandrijfeenheid selecteren
Selecteer op de roerbediening een van deze opties:
• Als u een Garmin aandrijfeenheid klasse A hebt,
selecteert u Klasse A.
• Als u een Garmin aandrijfeenheid klasse B hebt,
selecteert u Klasse B.
• Als u de stuurautomaat hebt aangesloten op een
bestaande solenoïde-aandrijfeenheid, selecteert u
Solenoid.
• Als u de stuurautomaat hebt aangesloten op een niet door
Garmin geleverde aandrijfeenheid, selecteert u Overige.
Het voltage van de aandrijfeenheid en het voltage van de
koppeling selecteren
KENNISGEVING
Als u voor de aandrijfeenheid of de koppeling van de
aandrijfeenheid een onjuist voltage invoert, kan de
aandrijfeenheid worden beschadigd.
Deze instellingen zijn alleen van toepassing op
aandrijfeenheden die niet door Garmin zijn geleverd.
1 Raadpleeg de fabrikant van uw aandrijfeenheid om het
voltage van de aandrijfeenheid en de koppeling van de
aandrijfeenheid te bepalen.
2 Selecteer op de roerbediening het voor uw aandrijfeenheid
goedgekeurde voltage.
3 Selecteer het voor de koppeling van uw aandrijfeenheid
goedgekeurde voltage.
Het voltage voor een solenoïde-aandrijfeenheid en een
solenoïde-omloopklep selecteren
KENNISGEVING
Als u een onjuist voltage invoert voor uw solenoïdeaandrijfeenheid of -omloopklep van de aandrijfeenheid, kan de
aandrijfeenheid worden beschadigd.
Deze instellingen zijn alleen van toepassing op solenoïdeaandrijfeenheden.
1 Raadpleeg de fabrikant van uw solenoïde-aandrijfeenheid om
het voltage van de aandrijfeenheid en de omloopklep te
bepalen.
Selecteer
op de roerbediening het voor uw solenoïde2
aandrijfeenheid goedgekeurde voltage.
3 Selecteer het goedgekeurde voltage voor de omloopklep van
uw solenoïde-aandrijfeenheid.
Het roer kalibreren
OPMERKING: Als tijdens deze stappen een foutmelding wordt
gegeven, heeft de roerfeedbacksensor zijn limiet mogelijk
bereikt. In dat geval is de roerfeedbacksensor wellicht niet
correct geïnstalleerd. Als het probleem zich blijft voordoen, kunt
u doorgaan met kalibreren door het roer naar de uiterste positie
te bewegen waar geen fout wordt gemeld.
1 Plaats het roer zo dat de boot volledig naar stuurboord zou
varen en selecteer OK.
2 Nadat de stuurboordkalibratie is voltooid, plaatst u het roer
zodanig dat de boot volledig naar bakboord zou varen en
selecteert u OK.
3 Nadat de bakboordkalibratie is voltooid, plaatst u het roer in
de centrale stand, laat u het roer los en selecteert u Begin.
De stuurautomaat neemt de besturing van het roer over.
4 Laat het roer of de roerbediening los en laat de
stuurautomaat het roer kalibreren.
5 Selecteer een optie:
• Als het kalibratieproces niet met succes is voltooid,
herhaalt u stap 1 t/m 4.
• Als het kalibratieproces met succes is voltooid, selecteert
u OK.
De Shadow Drive inschakelen
Als u de stuurautomaat hebt geïnstalleerd op een boot met een
hydraulische stuurinrichting, kunt u een Garmin Shadow Drive
klep installeren (afzonderlijk verkrijgbaar).
Selecteer op de roerbediening een van deze opties:
• Selecteer Nee als u geen Shadow Drive klep hebt
geïnstalleerd.
• Selecteer Ja als u wel een Shadow Drive klep hebt
geïnstalleerd.
9
Een bestaande aandrijfeenheid afstellen
OPMERKING: Deze procedure is niet van toepassing op
solenoïde-aandrijfeenheden.
Als u de stuurautomaat hebt aangesloten op een niet door
Garmin geleverde aandrijfeenheid, moet u de aandrijfeenheid
afstellen op gebruik met de stuurautomaat.
1 Plaats het roer in centrale stand en laat de roerbediening los.
2 Selecteer op de roerbediening Doorgaan.
De stuurautomaat neemt de besturing van het roer over
tijdens het afstellen van de aandrijfeenheid. Als het afstellen
is voltooid, wordt op de roerbediening een bericht
weergegeven.
3 Als het afstellen is voltooid, selecteert u een van de volgende
opties:
• Als de afstelling met succes is voltooid, selecteert u OK.
• Als de afstelling niet met succes is voltooid, herhaalt u
stap 1 t/m 3.
OPMERKING: Indien nodig kunt u de afstelling later verfijnen
via de geavanceerde instellingen (Geavanceerde
afstemmingsprocedures uitvoeren voor een bestaande
aandrijfeenheid).
De stuurrichting testen
en , terwijl u op lage snelheid vaart.
1 Selecteer
Als u
selecteert, moet het roer de boot naar links sturen.
Als u
selecteert, moet het roer de boot naar rechts sturen.
Selecteer
Doorgaan.
2
3 Selecteer een optie:
• Als de boot tijdens de test in de juiste richting vaart,
selecteert u Ja.
• Selecteer Nee als de boot bij de test van de stuurrichting
in de tegenovergestelde richting vaart en herhaal stap 1
t/m 3.
De bron van de snelheid selecteren
OPMERKING: Deze procedure is alleen van toepassing op
motorboten met planerende romp en boten met een
waterverplaatsende romp. Bij het configureren van de
stuurautomaat voor een zeilboot is deze optie niet beschikbaar.
Selecteer een optie:
• Als u een NMEA 2000 compatibele motor (of motoren) op
het NMEA 2000 netwerk hebt aangesloten, selecteert u
Tach. - NMEA 2000 of eigen.
• Als er geen NMEA 2000 tachometergegevens
beschikbaar zijn of als deze onbruikbaar zijn, selecteert u
GPS als bron van snelheid.
• Als u geen NMEA 2000 tachometer of GPS-toestel als
bron van snelheid hebt aangesloten, selecteert u Geen.
OPMERKING: Als de stuurautomaat met de instelling
Geen als bron van snelheid niet goed werkt, raadt Garmin
u aan een tachometer aan te sluiten via het NMEA 2000
netwerk of een GPS-toestel te gebruiken als de bron van
snelheid.
De tachometer controleren
Deze procedure is alleen van toepassing op motorboten met
planerende romp en boten met een waterverplaatsende romp.
Bij het configureren van de stuurautomaat voor een zeilboot is
deze optie niet beschikbaar.
Deze procedure wordt niet weergegeven als GPS of Geen is
geselecteerd als de snelheidsbron.
Hiermee kunt u bij draaiende motor(en) de RPM-waarden op
de bediening vergelijken met die op de tachometer (of
tachometers) op het dashboard van uw boot.
Als de RPM-waarden niet overeenkomen, is er mogelijk een
probleem met de NMEA 2000 snelheidsbron of de
aansluiting.
10
Het resultaat van de Dockside Wizard bekijken
De bediening geeft de waarden aan die u in de Dockside Wizard
hebt geselecteerd.
1 Bekijk het resultaat van de Dockside Wizard.
2 Selecteer eventuele onjuiste waarden en kies Selecteer.
3 Corrigeer de waarde.
4 Herhaal de stappen 2 en 3 voor elke waarde die u wilt
corrigeren.
5 Selecteer OK als u klaar bent.
De Sea Trial Wizard
Met de Sea Trial Wizard configureert u de belangrijkste
sensoren op de stuurautomaat. Het is heel belangrijk om de
wizard uit te voeren onder omstandigheden die geschikt zijn
voor uw boot.
Belangrijke overwegingen met betrekking tot de Sea Trial
Wizard
De Sea Trial Wizard moet in kalm water worden uitgevoerd. Wat
kalm water is, hangt af van de grootte en vorm van uw boot.
Voordat u begint met de Sea Trial Wizard, moet de boot zich
dan ook op een geschikte locatie bevinden.
• De boot mag niet schommelen terwijl deze stil ligt of zeer
langzaam vaart.
• De boot mag geen last hebben van de wind.
Terwijl u de Sea Trial Wizard uitvoert, moet u op de volgende
punten letten.
• Het gewicht op de boot moet in balans zijn. Terwijl u de
stappen van de Sea Trial Wizard uitvoert, mag u niet
rondlopen op de boot.
• Bij zeilboten moeten de zeilen zijn gestreken.
• Bij zeilboten moet de motor in de stand blijven staan waarop
de boot in een rechte lijn vaart.
De Sea Trial Wizard uitvoeren
1 Vaar met de boot naar een open stuk kalm water.
2 Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat
> Wizards > Sea Trial Wizard.
Configureer
indien nodig de RPM bij planeren.
3
Deze stap geldt alleen voor motorboten met planerende romp
waarvan de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA
2000 of eigen.
4 Configureer indien nodig de planeersnelheid.
Deze stap geldt alleen voor motorboten met planerende romp
waarvan de snelheidsbron is ingesteld op GPS.
5 Configureer indien nodig de hoge RPM-limiet.
Deze stap geldt alleen voor motorboten waarvan de
snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of eigen of
GPS.
6 Configureer indien nodig de maximumsnelheid.
Deze stap geldt alleen voor motorboten waarvan de
snelheidsbron is ingesteld op GPS.
Kalibreer
het kompas (Het kompas kalibreren).
7
8 Voer de procedure Automatisch afstemmen uit (De
procedure Automatisch afstemmen uitvoeren).
9 Stel Noord (Het noorden instellen) in als GPSkoersinformatie beschikbaar is, of stel de instelling voor de
voorliggende koers bij (De koersinstelling aanpassen) als er
geen GPS-koersinformatie beschikbaar is.
Het kompas kalibreren
1 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u vanuit het koersscherm Menu >
Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat > Kompas
instellen > Kalibreer kompas > Begin.
2 Volg de instructies op de roerbediening op tot de kalibratie is
voltooid. Zorg er daarbij voor dat u de boot zo stabiel en vlak
mogelijk houdt.
Zorg dat de boot tijdens het kalibreren niet overhelt.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer OK als de kalibratie is voltooid.
• Als het kalibratieproces niet met succes is voltooid,
selecteert u Opnieuw en herhaalt u stap 1 t/m 3.
Als de kalibratie is voltooid, worden kalibratiewaarden
weergegeven. U kunt deze waarden gebruiken om de kwaliteit
van het kalibratieproces te bepalen.
Kompaskalibratiewaarden
Als het kompaskalibratieproces is voltooid, kunt u aan de hand
van de resultaten op de roerbediening bepalen hoe succesvol
de kalibratie is.
Magnetische omgeving: Geeft de mate van vervorming van het
aardmagneetveld op de montageplaats aan.
• Een waarde van 100 geeft aan dat het toestel geen
magnetische interferentie ondervindt op de
montageplaats.
• Als deze waarde laag is, moet u de CCU mogelijk
verplaatsen en het kompas nogmaals kalibreren.
• Een waarde van 100 is ideaal, maar is niet noodzakelijk
voor een juiste werking van de stuurautomaat. Als de
CCU is geïnstalleerd op een optimale locatie op uw boot,
kunt u verder gaan met het configureren van de
stuurautomaat en de werking ervan later nogmaals
evalueren.
Kalibratiekwaliteit: Geeft aan hoe vlak de ligging van de boot
was tijdens het kalibreren van het kompas.
• Een waarde van 100 geeft aan dat de boot volkomen vlak
heeft gelegen tijdens het kalibreren van het kompas.
• Als deze waarde laag is, moet u het kompas mogelijk
opnieuw kalibreren.
De procedure Automatisch afstemmen uitvoeren
Voer deze procedure uit op open water.
1 Pas uw snelheid aan zodat de boot op normale kruissnelheid
vaart zodat u goed kunt corrigeren.
2 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u vanuit het koersscherm Menu >
Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Stuurautomaat afstemmen > Automatisch afstemmen
> Begin.
De boot voert een aantal zigzagbewegingen uit terwijl
Automatisch afstemmen wordt uitgevoerd.
3 Nadat de procedure is voltooid, volgt u de instructies op het
scherm.
Selecteer
een optie:
4
• Als de procedure Automatisch afstemmen niet met
succes is voltooid en u de maximale kruissnelheid nog
niet hebt bereikt, verhoogt u de snelheid en herhaalt u
stap 1 t/m 3 tot de procedure Automatisch afstemmen
met succes is voltooid.
• Als de procedure Automatisch afstemmen niet met
succes is voltooid en u wel de maximale kruissnelheid
hebt bereikt, verlaagt u de snelheid tot de initiële snelheid
voor Automatisch afstemmen en selecteert u Alt.
automatisch afstemmen om een alternatieve procedure
te starten.
Als de procedure Automatisch afstemmen is voltooid, worden de
versterkingswaarden weergegeven. Aan de hand van deze
waarden kunt u de kwaliteit van de procedure Automatisch
afstemmen bepalen.
Versterkingswaarden voor automatisch afstemmen
Als de procedure voor automatisch afstemmen is voltooid, kunt
u op de roerbediening de versterkingswaarden bekijken. U kunt
deze getallen noteren en raadplegen als u de procedure voor
automatisch afstemmen later wilt uitvoeren of als u de
versterkingsinstellingen handmatig wilt aanpassen (niet
aanbevolen) (Instellingen stuurautomaatversterking aanpassen).
Versterking: Stelt in hoe strak de stuurautomaat de
voorliggende koers vasthoudt en hoe snel koerswijzigingen
worden gemaakt.
Tegencorrectie: Stelt in hoe snel de stuurautomaat oversturing
na een koerswijziging corrigeert.
Het noorden instellen
Voer deze procedure uit op open water.
OPMERKING: Als u de instructies hebt gevolgd bij het
installeren van de CCU, is deze procedure wellicht niet nodig
(Aandachtspunten bij de montage en aansluiting van de CCU).
Deze procedure wordt weergegeven als op de stuurautomaat
een optioneel GPS-toestel is aangesloten (Optionele NMEA
2000 toestellen aansluiten op de stuurautomaat) en dit toestel
een GPS-positie heeft verkregen. Tijdens deze procedure wordt
de koersinformatie van de GPS gebruikt om op de
stuurautomaat het noorden te kalibreren.
Als u geen GPS-toestel hebt aangesloten, wordt u gevraagd om
de instelling voor de voorliggende koers bij te stellen (De
koersinstelling aanpassen).
1 Breng uw boot op kruissnelheid en vaar in een rechte lijn.
2 Selecteer een optie:
• Als u de kalibratie uitvoert als onderdeel van de Sea Trial
Wizard, selecteert u Begin.
• Als u deze procedure niet uitvoert als onderdeel van de
Sea Trial Wizard, selecteert u vanuit het koersscherm
Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Kompas instellen > Noord instellen > Begin.
3 Blijf met de boot op kruissnelheid in een rechte lijn varen en
volg de instructies op het scherm.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer OK als de kalibratie is voltooid.
• Als de kalibratie niet met succes is voltooid, herhaalt u
stap 1 t/m 3.
De koersinstelling aanpassen
Deze procedure wordt alleen weergegeven als op uw
stuurautomaat geen optioneel GPS-toestel is aangesloten
(Optionele NMEA 2000 toestellen aansluiten op de
stuurautomaat). Als op de stuurautomaat een GPS-toestel is
aangesloten dat een GPS-positie heeft verkregen, wordt u
gevraagd om in plaats daarvan het noorden in te stellen (Het
noorden instellen).
1 Zoek het noorden met een handkompas.
2 Selecteer een optie:
• Als u deze procedure uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, past u de koersinstelling aan totdat het
noorden gelijk staat met het noorden op het magnetische
kompas.
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u vanuit het koersscherm Menu >
Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat > Kompas
instellen > Kleine koersaanpassing en stelt u de
instelling voor de voorliggende koers bij tot deze
overeenkomt met het noorden op het magnetische
kompas.
11
3 Selecteer OK.
De configuratie testen en aanpassen
KENNISGEVING
Test de stuurautomaat bij een lage snelheid. Nadat de
stuurautomaat is getest en ingesteld bij een lage snelheid, dient
u de stuurautomaat bij een hogere snelheid te testen om
normale gebruiksomstandigheden te simuleren.
1 Vaar de boot in één richting met de stuurautomaat
ingeschakeld (in Heading Hold).
De boot kan licht schommelen, maar niet bovenmatig.
2 Draai de boot in één richting met de stuurautomaat en let op
hoe de boot zich houdt.
De boot moet rustig draaien, niet te snel of te langzaam.
Als u de boot draait met de stuurautomaat, moet de boot op
de gewenste koers komen met minimale overschrijding en
schommelingen van de koers.
3 Selecteer een optie:
• Als de boot te snel of te traag draait, past u de
acceleratiebeperking van de stuurautomaat aan
(Instellingen voor acceleratiebeperking aanpassen).
• Als de koers te zeer schommelt of als de boot de
koerswijziging niet corrigeert, moet u de
stuurautomaatversterking aanpassen (Instellingen
stuurautomaatversterking aanpassen).
• Als de boot rustig draait, de koers slechts lichtjes of
helemaal niet schommelt en de boot goed koers houdt,
dan is de configuratie goed en hoeft u verder geen
instellingen te wijzigen.
Instellingen voor acceleratiebeperking aanpassen
1 Schakel Dealermodus in (De dealerconfiguratie inschakelen).
2 Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat
> Stuurautomaat afstemmen > Snelheidsbegrenzer.
3 Selecteer een optie:
• Verhoog de waarde als de stuurautomaat te snel draait.
• Verlaag de waarde als de stuurautomaat te langzaam
draait.
Als u de acceleratiebeperking handmatig aanpast, moet u
relatief kleine aanpassingen maken. Test de wijziging voordat
u verdere aanpassingen uitvoert.
4 Test de configuratie van de stuurautomaat.
5 Herhaal de stappen 3 en 4 totdat de stuurautomaat naar
wens werkt.
Instellingen stuurautomaatversterking aanpassen
1 Schakel Dealermodus (De dealerconfiguratie inschakelen) in.
2 Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat
> Stuurautomaat afstemmen > Roerversterking.
3 Selecteer een optie op basis van het type boot:
• Als u een zeilboot, een motorboot met waterverplaatsende
romp of een motorboot waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Geen hebt, selecteert u Versterking en stelt
u in hoe strak het roer de voorliggende koers vasthoudt en
koerswijzigingen maakt.
Als u deze waarde te hoog instelt, kan de stuurautomaat
overactief reageren door bij de geringste afwijking
voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan te
passen. Een overactieve stuurautomaat kan de accu
sneller dan normaal leegtrekken.
• Als u een zeilboot, een motorboot met waterverplaatsende
romp of een motorboot waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Geen hebt, selecteert u Tegencorrectie en
stelt u in hoe nauwkeurig het roer het doorschieten bij het
draaien corrigeert.
12
Als u deze waarde te laag instelt, kan de stuurautomaat bij
het corrigeren van de oorspronkelijke draai de boot
opnieuw laten doorschieten bij het draaien.
• Als u een motorboot met planerende romp hebt waarvan
de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of
eigen of GPS, selecteert u Lage snelheid of Hoge
snelheid en stelt u in hoe nauwkeurig het roer de
voorliggende koers vasthoudt en bij een lage of hoge
snelheid draait.
Als u deze waarde te hoog instelt, kan de stuurautomaat
overactief reageren door bij de geringste afwijking
voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan te
passen. Een overactieve stuurautomaat kan de accu
sneller dan normaal leegtrekken.
• Als u een motorboot met planerende romp hebt waarvan
de snelheidsbron is ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of
eigen of GPS, selecteert u Tegencorr. lage snelh. of
Tegencorr. hoge snelh. en stelt u in hoe nauwkeurig het
roer het doorschieten bij het draaien corrigeert.
Als u deze waarde te laag instelt, kan de stuurautomaat bij
het corrigeren van de oorspronkelijke draai de boot
opnieuw laten doorschieten bij het draaien.
4 Test de configuratie van de stuurautomaat en herhaal de
stappen 2 en 3 totdat de stuurautomaat naar wens werkt.
Geavanceerde configuratie
Onder normale omstandigheden zijn er geen geavanceerde
configuratieopties beschikbaar op de bediening. Als u
geavanceerde configuratie-instellingen voor de stuurautomaat
wilt gebruiken, moet u eerst Dealermodus inschakelen (De
dealerconfiguratie inschakelen).
De dealerconfiguratie inschakelen
1 Selecteer in het startscherm Menu > Stel in > Systeem >
Systeeminformatie.
Houd
de centertoets gedurende 5 seconden ingedrukt.
2
Dealermodus wordt geactiveerd.
3 Selecteer Terug > Terug.
De procedure is voltooid als de optie Dealerinstelling
stuurautomaat beschikbaar is in het instelscherm.
Geavanceerde configuratie-instellingen
U kunt zonder wizards de procedure voor automatisch
afstemmen uitvoeren, het kompas kalibreren en het noorden
bepalen op de stuurautomaat. U kunt ook elke instelling
afzonderlijk maken, zonder de configuratieprocedures te
doorlopen.
De geautomatiseerde configuratieprocedures handmatig
uitvoeren
1 Schakel Dealermodus (De dealerconfiguratie inschakelen) in.
2 Selecteer in het koersscherm Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat.
3 Selecteer een automatisch proces:
• Selecteer Kompas instellen > Kalibreer kompas om de
kompaskalibratieprocedures te starten (Het kompas
kalibreren).
• Selecteer Kompas instellen > Noord instellen om de
procedures voor het instellen van het noorden te starten
(Het noorden instellen).
• Selecteer Stuurautomaat afstemmen > Automatisch
afstemmen om de procedures voor automatische
afstemming van de stuurautomaat te starten (De
procedure Automatisch afstemmen uitvoeren).
4 Volg de instructies op het scherm.
Handmatig afzonderlijke configuratie-instellingen maken
Wanneer u bepaalde configuratie-instellingen maakt, is het
soms nodig andere instellingen te wijzigen. Zie het gedeelte
over gedetailleerde configuratie-instellingen (Gedetailleerde
configuratie-instellingen) voordat u een instelling wijzigt.
1 Schakel Dealermodus in (De dealerconfiguratie inschakelen).
2 Selecteer in het startscherm Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat.
3 Selecteer een instellingscategorie.
4 Selecteer een instelling die u wilt wijzigen.
Een beschrijving van alle instellingen vindt u in de appendix
(Gedetailleerde configuratie-instellingen).
5 Wijzig de waarde van de instelling.
De instellingen voor een bestaande aandrijfeenheid
handmatig aanpassen
KENNISGEVING
Als u voor uw aandrijfeenheid onjuiste waarden instelt voor
Voltage aandrijfeenh., Voltage koppeling of Max. stroom aandr.,
kan dit uw aandrijfeenheid beschadigen.
1 Schakel dealerconfiguratie in (De dealerconfiguratie
inschakelen).
2 Selecteer in het startscherm Menu > Stel in >
Dealerinstelling stuurautomaat > Stuursysteem instellen
> Klasse aandrijfeenh..
3 Selecteer Overige of Solenoid, afhankelijk van de in de
Dockside Wizard gekozen instelling.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer Algem. afstemming om de
afstemmingsprocedure die u tijdens de Dockside Wizard
(Een bestaande aandrijfeenheid afstellen).
• Selecteer Voltage aandrijfeenh. om het voltage voor de
aandrijfeenheid in te stellen volgens de door de fabrikant
van de aandrijfeenheid geleverde specificaties.
• Selecteer Voltage koppeling om het voltage van de
koppeling in te stellen volgens de door de fabrikant van de
aandrijfeenheid geleverde specificaties.
• Selecteer Max. stroom aandr. om de juiste nominale
stroom voor de aandrijfeenheid in te stellen volgens de
door de fabrikant van de aandrijfeenheid geleverde
specificaties.
• Selecteer Geavanceerd afstemmen om geavanceerde
instellingen voor de aandrijfeenheid in te stellen
(Geavanceerde afstemmingsprocedures uitvoeren voor
een bestaande aandrijfeenheid).
• Selecteer Standaardinstellingen om de
standaardwaarden van de huidige aandrijfeenheid te
herstellen.
Nadat u de instellingen voor de aandrijfeenheid hebt
hersteld naar de standaardwaarden, moet u de Algem.
afstemming procedure uitvoeren (Een bestaande
aandrijfeenheid afstellen).
Als u een van deze waarden aanpast of een van deze
afstemmingsprocedures uitvoert, moet u de automatische
afstemmingsprocedure opnieuw uitvoeren.
Geavanceerde afstemmingsprocedures uitvoeren voor een
bestaande aandrijfeenheid
KENNISGEVING
Voer deze procedures alleen uit als u de concepten van
aandrijfeenheidsnelheid en fouttolerantie, zoals hieronder
beschreven, volledig begrijpt. Onjuiste instelling van deze
waarden kan uw aandrijfeenheid beschadigen, de accu sneller
dan normaal leegtrekken of de werking van de stuurautomaat
aantasten.
die gedurende de Dockside Wizard wordt uitgevoerd, voldoende
is om de aandrijfeenheid te kalibreren voor gebruik met de
stuurautomaat. Gebruik de geavanceerde
afstemmingsprocedures alleen als u kleine aanpassingen wilt
uitvoeren in de werking van de aandrijfeenheid.
De snelheid instellen op een bestaande aandrijfeenheid
Deze instelling is niet van toepassing op solenoïdeaandrijfeenheden.
De snelheid van de aandrijfeenheid bepaalt hoe snel deze
reageert op opdrachten van de stuurautomaat.
Als u de snelheid te laag instelt, lijkt de aandrijfeenheid traag te
werken en reageert hij langzaam op opdrachten van de
stuurautomaat.
Als u de snelheid te hoog instelt, reageert de aandrijfeenheid te
snel en kan het roer te snel naar de eindstops worden
gedwongen. Hierdoor kunnen de aandrijfeenheid of de
eindstops worden beschadigd en kan de accu sneller dan
normaal leegtrekken.
1 Selecteer in het startscherm achtereenvolgens Menu > Stel
in > Dealerinstelling stuurautomaat > Stuursysteem
instellen > Klasse aandrijfeenh. > Overige > Geavanceerd
afstemmen > Afstemsnelheid.
2 Plaats het roer in centrale stand, laat de roerbediening los en
selecteer Begin.
Een grafiek wordt weergegeven. De rode lijn À geeft de
gewenste positie van het roer aan. De blauwe lijn Á geeft de
werkelijke positie van het roer aan.
3 Selecteer Stem af en let op de grafiek.
• Elke keer dat u Stem af selecteert, beweegt de roerpositie
(aangegeven door de rode lijn) van +5° naar -5° en stuurt
de aandrijfeenheid het roer in de bijbehorende richting
(aangegeven door de blauwe lijn).
• Als de aandrijfeenheid is ingesteld op een te lage
snelheid, reageert de eenheid traag. Als u Stem af hebt
geselecteerd, loopt de blauwe lijn schuin  naar de rode
lijn.
• Als de aandrijfeenheid is ingesteld op een te hoge
snelheid, reageert de eenheid meteen en kan het roer
snel naar de eindstops worden gedwongen. Als u Stem af
hebt geselecteerd, loopt de blauwe lijn niet schuin, maar
recht omhoog naar de rode lijn Ã.
Voor vrijwel elke installatie van een niet door Garmin geleverde
aandrijfeenheid geldt dat de algemene afstemmingsprocedure
13
• Als de snelheid van de aandrijfeenheid correct is
ingesteld, reageert de eenheid snel en beweegt het roer
geleidelijk naar de eindstop. Als u Stem af hebt
geselecteerd, loopt de blauwe lijn iets schuin rechts
omhoog Ä naar de rode lijn.
• Als het veld Vermogen aandrijfeenh. fluctueert, is uw
fouttolerantie te laag ingesteld.
• Als het veld Vermogen aandrijfeenh. constant 0%
aangeeft, maar het veld Roerfout een foutmarge aangeeft
van 1% of meer, is uw fouttolerantie te hoog ingesteld.
• Als de fouttolerantie goed is ingesteld, geeft het veld
Roerfout een aanvaardbare foutmarge van ongeveer 0,5%
weer en geeft het veld Vermogen aandrijfeenh. 30
seconden of langer 0% weer.
7 Selecteer indien nodig een optie:
• Als de fouttolerantie van de aandrijfeenheid te laag is
ingesteld, selecteert u Bijstellen, verhoogt u de waarde
en herhaalt u stap 3 t/m 6.
• Als de fouttolerantie van de aandrijfeenheid te hoog is
ingesteld, selecteert u Bijstellen, verlaagt u de waarde en
herhaalt u stap 3 t/m 6.
8 Als de fouttolerantie van de aandrijfeenheid goed is
ingesteld, selecteert u Terug.
Appendix
NMEA 0183 aansluitingsschema's
4 Selecteer zo nodig Bijstellen.
5 Selecteer een optie:
• Als de aandrijfeenheid is ingesteld op een te lage
snelheid, verhoogt u de waarde en herhaalt u stap 3.
• Als de aandrijfeenheid is ingesteld op een te hoge
snelheid, verlaagt u de waarde en herhaalt u stap 3.
6 Als de snelheid van de aandrijfeenheid correct is ingesteld,
selecteert u OK.
De fouttolerantie instellen op een bestaande
aandrijfeenheid
Als u een niet door Garmin geleverde aandrijfeenheid hebt, kunt
u de fouttolerantie zo nodig instellen op deze bestaande
aandrijfeenheid.
De fouttolerantie van de aandrijfeenheid bepaalt het
foutpercentage dat de stuurautomaat accepteert alvorens de
aandrijfeenheid bij te stellen.
Als u de fouttolerantie te laag instelt, reageert de
aandrijfeenheid op de geringste koerswijziging. De
aandrijfeenheid werkt dan intensiever en kan de accu sneller
dan normaal leegtrekken.
Als u de fouttolerantie te hoog instelt, reageert de
aandrijfeenheid pas wanneer al sterk van de koers is
afgeweken. De Heading Hold, het aanhouden van een vaste
voorliggende koers, werkt minder betrouwbaar, wat kan
resulteren in onnodig grote koerscorrecties.
1 Selecteer in het koersscherm achtereenvolgens Menu > Stel
in > Dealerinstelling stuurautomaat > Stuursysteem
instellen > Klasse aandrijfeenh..
2 Selecteer Overige of Solenoid, afhankelijk van uw selectie
in de Dockside Wizard.
3 Selecteer Geavanceerd afstemmen > Tolerantie
afstemfout.
4 Plaats het roer in centrale stand, laat de roerbediening los en
selecteer Begin.
5 Selecteer Stem af.
Elke keer dat u Stem af selecteert, beweegt de roerpositie
van +5° naar -5°. De aandrijfeenheid stuurt het roer in de
bijbehorende richting.
6 Als de aandrijfeenheid is gestopt, let u 30 seconden op de
velden Roerfout en Vermogen aandrijfeenh..
Deze bedradingsschema's zijn voorbeelden van verschillende
situaties die u kunt tegenkomen tijdens het aansluiten van uw
NMEA 0183 toestel op de bediening.
Overwegingen betreffende NMEA 0183 verbinding
• Raadpleeg de installatie-instructies die bij uw NMEA 0183
compatibele toestel zijn geleverd voor informatie over het
herkennen van de polen A (+) en B (-) van de zendende (Tx)
en de ontvangende draad (Rx).
• Als u NMEA 0183 toestellen aansluit met twee zendende en
twee ontvangende draden, is het niet nodig om de NMEA
2000 bus en het NMEA 0183 toestel op een
gemeenschappelijke aarding aan te sluiten.
• Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één zendende
draad (Tx) of slechts één ontvangende draad (Rx) aansluit,
moeten de NMEA 2000 bus en het NMEA 0183 toestel wel
op een gemeenschappelijke aarding worden aangesloten.
Tweerichtings NMEA 0183 communicatie
À
Á
Â
Ã
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Voedingsbron van 12 Vdc
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Draad Kleur en functie van draad
bediening
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Ï
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
n.v.t.
Voeding
n.v.t.
NMEA 0183 aarde
Blauw — Tx/A (+)
Rx/A (+)
Wit — Tx/B (-)
Rx/B (-)
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
Groen — Rx/B (-)
Tx/B (-)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel aansluit met twee
zendende en twee ontvangende leidingen, is het niet nodig om
14
de NMEA 2000 bus en het NMEA 0183 toestel op een
gemeenschappelijke aarding aan te sluiten.
Slechts één ontvangende draad
Als uw NMEA 0183 compatibele toestel slechts één
ontvangende draad (Rx) heeft, moet deze worden aangesloten
op de blauwe draad (Tx/A) van de stuurautomaat, en moet de
witte draad (Tx/B) van de stuurautomaat niet worden
aangesloten.
Draad Kleur en functie van draad
besturing
Ì
Í
Î
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
Blauw — Tx/A (+)
Rx/A (+)
Wit — Tx/B (-)
Rx/B (-)
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één
zendende draad (Tx) aansluit, moeten de NMEA 2000 bus en
het NMEA 0183 toestel op een gemeenschappelijke aarding
worden aangesloten.
Specificaties
CCU
À
Á
Â
Ã
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Voedingsbron van 12 Vdc
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Draad Kleur en functie van draad
bediening
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Ï
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
Specificatie
Waarde
Afmetingen (L × B × H)
170 x 90 x 50 mm (6,7 x 3,5 x
2 in.)
Gewicht
200 g (7 oz.)
Temperatuurbereik
Van -15° tot 70°C (van 5° tot
158°F)
Materiaal
Volledig afgedicht, schokbestendig
kunststof
Waterbestendigheid
IEC 60529 IPX7*
Lengte CCU-kabel
5 m (16 ft.)
NMEA 2000 ingangsspanning
Van 9 tot 16 V gelijkstroom
NMEA 2000 LEN
4 (200 mA)
n.v.t.
Voeding
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water tot een
diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten. Ga voor meer
informatie naar www.garmin.com/waterrating.
n.v.t.
NMEA 0183 aarde
ECU
Blauw — Tx/A (+)
Rx
Wit — niet aangesloten
n.v.t.
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
Groen — Rx/B (-)
Tx/B (-)
Specificatie
Waarde
Afmetingen (B × H × D)
168 x 117 x 51 mm (6,6 x 4,6 x 2 in.)
Gewicht
680 g (24 oz.)
Temperatuurbereik
Van -15° tot 60°C (van 5° tot 140°F)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één
ontvangende draad (Rx) aansluit, moeten de NMEA 2000 bus
en het NMEA 0183 toestel op een gemeenschappelijke aarding
worden aangesloten.
Materiaal
Volledig afgedicht, schokbestendig
aluminiumlegering
Waterbestendigheid
IEC 60529 IPX7*
Lengte voedingskabel
2,7 m (9 ft.)
Slechts één zendende draad
Als uw NMEA 0183 compatibele toestel slechts één zendende
draad (Tx) heeft, moet deze worden aangesloten op de bruine
draad (Rx/A) van de bediening. Sluit de groene draad (Rx/B)
van de bediening aan op NMEA 0183 aarde.
Ingangsspanning
Van 11,5 tot 30 V gelijkstroom
Zekering
40 A, plat
Stroomverbruik
1 A (zonder de aandrijfeenheid)
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water tot een
diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten. Ga voor meer
informatie naar www.garmin.com/waterrating.
Bediening
Specificatie
Waarde
Afmetingen zonder zonneklep (H
× B × D)
110 x 115 x 30 mm (4,33 x 4,53 x
1,18 in.)
Afmetingen met zonneklep (H × B 115 x 120 x 35,5 mm (4,53 x 4,72 x
× D)
1,40 in.)
À
Á
Â
Ã
Gewicht zonder zonneklep
247 g (8,71 oz.)
Gewicht met zonneklep
283 g (9,98 oz.)
Temperatuurbereik
Van -15° tot 70°C (van 5° tot
158°F)
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Kompasveilige afstand
209 mm (8,25 inch)
Voedingsbron van 12 Vdc
Materiaal
Behuizing: Volledig afgedicht
polycarbonaat
Lens: Glas met antireflecterende
behandeling
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
Waterbestendigheid
IEC 60529 IPX7*
n.v.t.
Voeding
Stroomverbruik
2,5 W max.
Groen — Rx/B (-) (aansluiten op
NMEA 0183 aarde)
NMEA 0183 aarde
Max. voedingsspanning
32 V gelijkstroom
NMEA 2000 ingangsspanning
9 tot 16 V gelijkstroom
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Draad Kleur en functie van draad
besturing
Ê
Ë
15
Specificatie
Waarde
NMEA 2000 (LEN)
6 (300 mA bij 9 V gelijkstroom)
Type
PGN
Beschrijving
129025 Positie - Snelle update
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water tot een
diepte van 1 meter gedurende maximaal 30 minuten. Ga voor meer
informatie naar www.garmin.com/waterrating.
129029 GNSS-positiegegevens
Alarm
129285 Navigatie - Route/WP-gegevens
Specificatie
129283 Koersafwijking
129284 Navigatiegegevens
130306 Windgegevens
Afmetingen
(29/
Afmetingen (L×diameter)
23 × 25 mm
Gewicht
68 g (2,4 oz.)
Temperatuurbereik
Van -15 tot 60°C (5 tot 140 °F)
Kabellengte
3,0 m (10 ft.)
32
NMEA 2000 PGN-informatie
CCU
Type
PGN
Zenden en
ontvangen
059392 ISO bevestiging
130576 Status kleine vaartuigen
× 1 inch)
Beschrijving
NMEA 0183 informatie
Als optionele NMEA 0183 compatibele toestellen op de
stuurautomaat zijn aangesloten, worden op de stuurautomaat de
volgende NMEA 0183 telegrammen gebruikt.
Type
Telegram
Zenden
hdg
Ontvangen
wpl
gga
grme
059904 ISO aanvraag
gsa
060928 ISO adresreservering
gsv
126208 NMEA: Opdracht/Aanvraag/Bevestiging
(groepfunctie)
rmc
126464 PGN-lijst verzenden en ontvangen
(groepfunctie)
bod
126996 Productinformatie
dtm
127257 Gedragsgegevens zenden/ontvangen
gll
127251 Draaisnelheid zenden/ontvangen
rmb
Alleen zenden
127245 Roergegevens
vhw
Alleen zenden
127250 Voorliggende koers van vaartuig
mwv
Alleen ontvangen
127245 Roergegevens
xte
Alleen ontvangen
127258 Magnetische variatie
127488 Motorparameters: Snelle update
128259 Watersnelheid
129025 Positie: Snelle update
129026 COG en SOG: Snelle update
129283 Koersfout
129284 Navigatiegegevens
130306 Windgegevens
Bediening
Type
PGN
Zenden en
ontvangen
059392 ISO Bevestiging
Beschrijving
059904 ISO Aanvraag
bwc
Fout- en waarschuwingsberichten
Foutbericht
Stuurautomaat
ontvangt geen
navigatiegegevens.
Stuurautomaat heeft
vaste voorliggende
koers.
De stuurautomaat ontvangt
geen geldige
navigatiegegevens tijdens
het uitvoeren van een
Route-naar-manoeuvre.
Dit bericht wordt ook
weergegeven als de
navigatie wordt gestopt op
een kaartplotter voordat de
stuurautomaat wordt
gedeactiveerd.
Geen verbinding
met stuurautomaat
De roerbesturing heeft geen N.v.t.
verbinding meer met de
CCU.
126208 NMEA - Opdracht/Aanvraag/Bevestiging
(groepfunctie)
126996 Productinformatie
Alleen zenden
128259 Watersnelheid
129025 Positie - Snelle update
129026 COG & SOG - Snelle update
129283 Koersafwijking
129284 Navigatiegegevens
129540 GNSS-satellieten in weergavemodus
130306 Windgegevens
Alleen
ontvangen
127245 Roergegevens
127250 Koers van schip
127488 Motorparameters - Snelle update
128259 Watersnelheid
16
Actie van
stuurautomaat
Lage ECU-spanning De pompvoedingsspanning • Er klinkt een
is langer dan 6 seconden tot
alarm gedurende
lager dan 10 V gelijkstroom
5 seconden
gedaald.
• De normale
werking wordt
hervat
060928 ISO Adresreservering
126464 PGN List Group-functie verzenden/
ontvangen
Oorzaak
• Er klinkt een
alarm gedurende
5 seconden
• Stuurautomaat
schakelt over
naar vaste
voorliggende
koers
Geen windgegevens De stuurautomaat ontvangt • Er klinkt een
(alleen zeilboot)
geen geldige windgegevens
alarm gedurende
meer.
5 seconden
• Stuurautomaat
schakelt over
naar vaste
voorliggende
koers
Lage GHC™
toevoerspanning
Het
N.v.t.
voedingsspanningsniveau is
gedaald tot onder de waarde
die is opgegeven in het
menu voor het
laagspanningsalarm.
Foutbericht
Oorzaak
Actie van
stuurautomaat
Fout: Hoge ECUspanning
De pompvoedingsspanning
is tot boven 33,5 V
gelijkstroom gestegen.
• Er klinkt een
alarm gedurende
5 seconden
• De ECU wordt
uitgeschakeld
Fout: ECU-spanning De ECU-spanning is snel
is snel gedaald
gedaald tot lager dan 7,0 V
gelijkstroom.
• Er klinkt een
alarm gedurende
5 seconden
• De fout wordt
opgeheven
wanneer de
ECU-spanning
tot boven 7,3 V
gelijkstroom is
gestegen.
Fout: Hoge ECUtemperatuur
De ECU-temperatuur is
gestegen tot hoger dan
100°C (212°F).
• Er klinkt een
alarm gedurende
5 seconden
• De ECU wordt
uitgeschakeld
Fout: Communicatie Time-out van communicatie • De roerbesturing
tussen ECU en
tussen de CCU en de pomp.
piept en de
CCU verbroken (bij
stuurautomaat
ingeschakelde
schakelt over
stuurautomaat)
naar stand-by.
Gedetailleerde configuratie-instellingen
Hoewel de configuratie meestal met een wizard wordt
uitgevoerd, kunt u elke instelling handmatig wijzigen om de
stuurautomaat af te stellen.
Geavanceerde configuratie-instellingen zijn alleen beschikbaar
als u Dealermodus gebruikt (De dealerconfiguratie inschakelen).
Gebruikersinstellingen zijn beschikbaar tijdens normale activiteit
van de stuurautomaat. Zie voor meer informatie het gedeelte
over configuratie in de gebruikershandleiding die bij de
stuurautomaat is geleverd.
OPMERKING: Afhankelijk van de configuratie van de
stuurautomaat, zijn bepaalde instellingen niet beschikbaar.
OPMERKING: Als u op een motorboot de instelling Bron
snelheid inschakelt, moet u de van toepassing zijnde
instellingen voor Controleer tachometer, Lage RPM-limiet, Hoge
RPM-limiet, Planeer-RPM, Planeersnelheid of Maximum
snelheid controleren voordat u de stuurautomaat automatisch
afstemt (De procedure Automatisch afstemmen uitvoeren).
Instellingen voor het afstemmen van de stuurautomaat
Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat
om het scherm met de instellingen voor het afstemmen van de
stuurautomaat te openen.
Snelheidsbegrenzer: Hiermee beperkt u de snelheid waarmee
de stuurautomaat koerswijzigingen maakt. Verhoog het
percentage om de snelheid van koerswijzigingen te
beperken. Verlaag het percentage om de snelheid van
koerswijzigingen te verhogen.
De bron van de snelheid instellen
OPMERKING: De bron van de snelheid kan alleen voor
motorboten worden ingesteld.
Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Bron snelheid instellen om het scherm met instellingen te
openen.
Bron snelheid: Hiermee kunt u de gewenste bron selecteren.
Controleer tachometer: Hiermee kunt u de RPM-waarden op
de bediening vergelijken met die van de tachometers op het
dashboard van uw boot.
Planeer-RPM: Hiermee past u de RPM-waarden op de
bediening aan als uw boot overgaat van verplaatsing naar
planeersnelheid. Als de waarde niet overeenkomt met de
waarde op de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.
Planeersnelheid: Hiermee past u de planeersnelheid van uw
boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op
de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.
Lage RPM-limiet: Hiermee past u het laagste RPM-punt van uw
boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op
de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.
Hoge RPM-limiet: Hiermee past u het hoogste RPM-punt van
uw boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde
op de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.
Maximum snelheid: Hiermee past u de maximumsnelheid van
uw boot aan. Als de waarde niet overeenkomt met de waarde
op de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.
Instellingen voor de roerversterking
OPMERKING: Als u deze waarde te hoog of te laag instelt, kan
de stuurautomaat overactief reageren door bij de geringste
afwijking voortdurend te proberen om de voorliggende koers aan
te passen. Een overactieve stuurautomaat zorgt voor snelle
slijtage van de pomp en trekt ook de accu sneller leeg dan
normaal.
Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Roerversterking.
OPMERKING: Deze instellingen gelden uitsluitend voor
zeilboten, motorboten met waterverplaatsende romp en
motorboten waarvan de bron van snelheid is ingesteld op Geen.
Versterking: Hiermee stelt u in hoe strak het roer de
voorliggende koers vasthoudt en koerswijzigingen maakt.
Tegencorrectie: Hiermee stelt u in hoe strak het roer een
overschrijding van de koerswijziging corrigeert. Als u een te
hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat een
koerswijziging overschrijden bij een poging de
oorspronkelijke koerswijziging te corrigeren.
OPMERKING: Deze instellingen gelden uitsluitend voor
motorboten met planerende romp waarvan de snelheidsbron is
ingesteld op Tach. - NMEA 2000 of eigen of GPS.
Lage snelheid: Hiermee kunt u de roerversterking bij lage
snelheden instellen. Deze instelling is van toepassing als het
vaartuig onder de planeersnelheid vaart.
Tegencorr. lage snelh.: Hiermee kunt u de tegencorrectie voor
de roerversterking bij lage snelheden instellen. Deze
instelling is van toepassing als het vaartuig onder de
planeersnelheid vaart.
Hoge snelheid: Met deze instelling kunt u de roerversterking bij
hoge snelheden instellen. Deze instelling is van toepassing
als het vaartuig boven de planeersnelheid vaart.
Tegencorr. hoge snelh.: Met deze instelling kunt u de
tegencorrectie voor de roerversterking bij hoge snelheden
instellen. Deze instelling is van toepassing als het vaartuig
boven de planeersnelheid vaart.
De besturing instellen
Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Stuursysteem instellen om het scherm met instellingen te
openen.
Control. stuurrichting: Hiermee stelt u de richting in waarin het
roer moet bewegen om het vaartuig naar bakboord en naar
stuurboord te draaien. U kunt de stuurrichting vervolgens
testen en omdraaien.
Instellingen voor de roersensor
OPMERKING: Instellingen voor de roersensor zijn alleen van
toepassing als er een roersensor op de stuurautomaat is
aangesloten.
Selecteer Menu > Stel in > Dealerinstelling stuurautomaat >
Stuursysteem instellen > Roersensor instellen om het
scherm met instellingen te openen.
Max. hoek bakboord: Hiermee stelt u de maximale hoek in die
door het roer naar bakboord wordt gemaakt.
17
Max. hoek stuurboord: Hiermee stelt u de maximale hoek in
die door het roer naar stuurboord wordt gemaakt.
Kalibreer roersensor: Hiermee start u een procedure waarmee
de maximale bewegingsuitslag van het roer wordt bepaald en
de roerpositiesensor wordt gekalibreerd. Als tijdens kalibratie
een fout ontstaat, heeft de roerpositiesensor waarschijnlijk de
maximumwaarde bereikt. De sensor is mogelijk niet goed
geïnstalleerd. Als het probleem zich blijft voordoen, kunt u
deze fout overslaan door het roer naar de uiterste positie te
bewegen waar geen fout wordt gemeld.
Kalibreer midden roer: Hiermee start u een procedure
waarmee de middenpositie van het roer wordt bepaald.
Gebruik deze kalibratie als de roerpositieaanduiding op het
scherm niet overeenkomt met de echte middenpositie op uw
boot.
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie nog vandaag in, zodat wij u beter
kunnen helpen.
• Ga naar http://my.garmin.com.
• Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een
veilige plek.
Contact opnemen met Garmin Product Support
• Ga naar www.garmin.com/support en klik op Contact
Support voor ondersteuningsinformatie in uw regio.
• Bel in de VS met (913) 397.8200 of (800) 800.1020.
• Bel in het VK met 0808 2380000.
• Bel in Europa met +44 (0) 870.8501241.
Garmin en het Garmin logo zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. GHP™, GHC™, Reactor™ en Shadow Drive™ zijn
handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
NMEA , NMEA 2000 en het NMEA 2000 logo zijn handelsmerken van de National Maritime Electronics Association.
®
®
© 2015 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
www.garmin.com/support
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising