Garmin | GHP™ 20 Marine Autopilot System with SmartPump | Garmin GHP™ 20 Marine Autopilot System with SmartPump Installatie-instructies

Garmin GHP™ 20 Marine Autopilot System with SmartPump Installatie-instructies
Benodigd gereedschap
GHP™ 20 SmartPump - Installatieinstructies
Volg deze instructies voor de installatie van de Garmin®
stuurautomaat op, voor optimale prestaties en om schade aan
uw boot te voorkomen.‍ Het wordt sterk aangeraden om de
installatie van de stuurautomaat over te laten aan deskundige
personen.‍ Voor de installatie van de stuurautomaat is kennis
van besturingen en elektrische aansluitingen op vaartuigen
vereist.‍
Lees alle installatie-instructies zorgvuldig door voordat u met de
installatie begint.‍ Neem bij problemen met de installatie contact
op met Garmin Product Support (pagina 22).‍
Belangrijke veiligheidsinformatie
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.‍
U bent verantwoordelijk voor de veilige en voorzichtige
besturing van uw vaartuig.‍ De stuurautomaat is een hulpmiddel
waarmee u de boot beter kunt besturen.‍ Het ontheft u echter
niet van uw verantwoordelijkheid om de boot veilig te besturen.‍
Voorkom gevaren tijdens de navigatie en zorg ervoor dat het
roer nooit onbemand is.‍
Wees er altijd op voorbereid om snel de handmatige besturing
van uw boot over te nemen.‍
Oefen de bediening van de stuurautomaat op kalm en risicoloos
open water.‍
Wees voorzichtig met het bedienen van de stuurautomaat in de
buurt van gevaren op het water, zoals dokken, palen en andere
boten.‍
LET OP
Het niet in overeenstemming met deze instructies installeren en
onderhouden van dit toestel kan leiden tot schade of letsel.‍
Apparatuur die op dit product wordt aangesloten, moet
beschikken over een brandveilige behuizing of in een
brandveilige behuizing worden geplaatst.‍
Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een
stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren.‍
De installatie voorbereiden
LET OP
Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een
stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren.‍
KENNISGEVING
Controleer voordat u gaat boren of zagen wat zich aan de
andere kant van het oppervlak bevindt.‍
De stuurautomaat bestaat uit diverse onderdelen.‍ Lees alle
overwegingen betreffende de montage en aansluiting van de
onderdelen goed door voordat u met de installatie begint.‍ Zorg
dat u weet hoe de onderdelen samenwerken om de installatie
op uw boot goed te kunnen plannen.‍
Raadpleeg de schema's (pagina 3) voor een beter begrip
van de overwegingen bij montage en aansluiting.‍
Noteer het serienummer van elk onderdeel ten behoeve van de
registratie en garantie (pagina 22).‍
Juni 2013
•
•
•
•
•
•
•
•
Veiligheidsbril
Boormachine en boren
Moersleutels
Gatenzaag van 90 mm (3½ inch)
Draadtangen/strippers
Kruiskop- en platte schroevendraaiers
Kabelbinders
Waterproof draadconnectors of krimpkousen en een
warmtepistool
• Watervaste kit
• Corrosieremmende spray voor boten
• Draagbaar of handheld kompas (voor testen op magnetische
interferentie)
• Hydraulische slang met krimp of vervangbare fittingen die
een minimale classificatie hebben van 1000 lbf/in2
• Hydraulische T-fittingen
• Inline hydraulische terugslagkleppen
• Hydraulische vloeistof
• Schroefdraadkit
• Hydraulisch ontluchtingsgereedschap
• Smeermiddel tegen vastlopen (optioneel)
OPMERKING: Er worden montageschroeven geleverd voor de
bediening, CCU (course computer unit) en pomp.‍ Als de
schroeven niet geschikt zijn voor het montageoppervlak, moet u
zelf voor de juiste schroeven zorgen.‍
Overwegingen bij montage en aansluiting
De onderdelen van de stuurautomaat zijn via de meegeleverde
kabels aangesloten op elkaar en op de voeding.‍ Controleer of
voor elk onderdeel de juiste kabel is gekozen en of elk
onderdeel op een goede plaats staat voordat u de onderdelen
monteert of aansluit.‍
Overwegingen betreffende de montage van de CCU
• De CCU (course computer unit) of kompasbol moet op de
voorste helft van de boot worden bevestigd, niet hoger dan 3
m (10 ft.‍) boven de waterspiegel.‍
• De CCU (of de pomp) mag niet worden bevestigd op een
plaats waar deze wordt ondergedompeld in of blootgesteld
aan schoonmaakwater.‍
• De CCU mag niet worden bevestigd in de buurt van
magnetische materialen, magneten (luidsprekers en
elektrische motoren) of hoogspanningsdraden.‍
• Bevestig de CCU op minimaal 0,6 m (24 inch) afstand van
verplaatsbare of veranderende magnetische storingsvelden,
zoals ankers, ankerkettingen, ruitenwissermotoren en
gereedschapskisten.‍
• Gebruik een handkompas om het gebied waar de CCU wordt
bevestigd te controleren op magnetische storingen.‍
Als het handkompas niet naar het noorden wijst terwijl u het
vasthoudt op de plaats waar u de CCU wilt bevestigen,
betekent dit dat daar een magnetische storing is.‍ Kies een
andere plaats en voer de controle opnieuw uit.‍
• De CCU kan onder de waterspiegel worden bevestigd, maar
niet op een plaats waar deze wordt ondergedompeld in of
blootgesteld aan schoonmaakwater.‍
• De CCU-steun moet worden bevestigd op een verticaal
oppervlak of onder een horizontaal oppervlak, zodanig dat
de aangesloten draden recht omlaag hangen.‍
• De CCU wordt geleverd met montageschroeven.‍ U moet zelf
voor andere schroeven zorgen als de meegeleverde
schroeven niet geschikt zijn voor het montage-oppervlak.‍
190-01454-55_0A
Gedrukt in Taiwan
Overwegingen betreffende de CCU-aansluiting
• De CCU-kabel verbindt de CCU met de pomp en is 5 m (16
ft.‍) lang.‍
◦ Als de CCU-stuurautomaat niet op 5 m (16 ft.‍) van de
pomp kan worden geïnstalleerd, kunt u vervangende
kabels en verlengkabels aanschaffen bij een dealer in de
buurt Garmin of bij http:​/‍​/‍buy​.garmin​.com.‍
◦ De CCU-kabel mag niet worden ingekort.‍
Overwegingen bij montage en aansluiting van het alarm
• Monteer het alarm in de buurt van de primaire bediening.‍
• Het alarm kan onder het dashboard worden gemonteerd.‍
• De bedrading van het alarm kan indien nodig worden
verlengd met een 28 AWG (0,08 mm2)-draad.‍
Overwegingen betreffende de NMEA 2000® verbinding
• De CCU en de bediening moeten op een NMEA 2000
netwerk worden aangesloten.‍
• Als er nog geen NMEA 2000 netwerk op uw boot is
geïnstalleerd, kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde NMEA 2000 kabels en -connectors
(pagina 13).‍
• U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken door optionele NMEA 2000 compatibele
toestellen, zoals een windsensor, een watersnelheidsensor
of een GPS-toestel, aan te sluiten op het NMEA 2000
netwerk.‍
Overwegingen betreffende de montage van de
roerbediening
KENNISGEVING
Dit toestel dient te worden gemonteerd op een locatie die niet
wordt blootgesteld aan extreme temperaturen of
omstandigheden.‍ Het temperatuurbereik voor dit toestel wordt
vermeld in de productspecificaties.‍ Langdurige blootstelling aan
temperaturen boven het opgegeven temperatuurbereik, in
opslag- of gebruiksomstandigheden, kan tot storingen in het
toestel leiden.‍ Schade door extreme temperaturen en
gerelateerde gevolgen vallen niet onder de garantie.‍
Het montageoppervlak moet vlak zijn, zodat het toestel niet
wordt beschadigd wanneer het is gemonteerd.‍
Met de meegeleverde hardware en sjabloon kunt u het toestel
verzonken monteren op het dashboard.‍ Als u het toestel op een
andere manier wilt monteren waarbij het scherm op gelijke
hoogte als het dashboard ligt, moet u een pakket voor vlakke
montage (installatie door een deskundige aanbevolen)
aanschaffen bij uw Garmin dealer.‍
Houd rekening met deze overwegingen wanneer u een
montagelocatie selecteert.‍
• De montagelocatie moet zich op of onder ooghoogte
bevinden voor optimaal zicht tijdens het besturen van het
vaartuig.‍
• De montagelocatie moet gemakkelijk toegang bieden tot de
knoppen op het toestel.‍
• Het montageoppervlak moet sterk genoeg zijn om het
gewicht van het toestel te dragen en het te beschermen
tegen overmatige trillingen of schokken.‍
• Teneinde interferentie met een magnetisch kompas te
voorkomen, mag het toestel niet dichter bij een kompas
worden geïnstalleerd dan op de kompasveilige afstand die is
vermeld in de productspecificaties.‍
• Het gebied achter de montageplaats moet voldoende ruimte
bieden voor plaatsing en aansluiting van de kabels.‍
Overwegingen betreffende de aansluiting van de bediening
• De bediening moet worden aangesloten op het NMEA 2000
netwerk.‍
2
• Optionele NMEA® 0183 compatibele toestellen, zoals
windsensors, watersnelheidsensors of GPS toestellen,
kunnen met een gegevenskabel worden aangesloten op de
bediening (pagina 14).‍
Overwegingen betreffende de montage van de pomp
Raadpleeg de hydraulische schema's vanaf pagina 6 om te
bepalen waar de pomp kan worden geïnstalleerd.‍
• Monteer de pomp op een plaats waar de hydraulische
stuurlijnen van de boot kunnen komen.‍
• De pomp heeft vijf hydraulische fittingen, maar slechts drie
daarvan worden gebruikt wanneer de aanbevolen
installatiemethode voor de pomp wordt gebruikt.‍ Het schema
met pagina 2 kan u helpen bij het bepalen van het beste
aansluitschema voor uw installatielocatie.‍
Overwegingen betreffende de hydrauliek van de pomp
KENNISGEVING
Wanneer er een hydraulische leiding wordt toegevoegd aan het
systeem, gebruik dan alleen leidingen met machinaal
vervaardigde of zelf te vervangen fittingen met een minimum
belasting van 1000 lbf/inch² (6.‍895 kPa).‍
Gebruik geen loodgieterstape voor hydraulische fittingen.‍
Gebruik een schroefdraadborging die speciaal is bedoeld voor
watersporttoepassingen op alle pijpdraden in het hydraulische
systeem.‍
Gebruik de stuurautomaat nooit om de boot te besturen voordat
elk onderdeel van het hydraulische systeem is ontlucht.‍
Raadpleeg de hydraulische schema's vanaf pagina 6 om te
bepalen op welke wijze de pomp het beste in de hydraulische
besturing van de boot kan worden geïnstalleerd.‍
Bij de aanbevolen methode is installatie van T-fittingen en
terugslagkleppen vereist, zodat de pomp kan worden verwijderd
voor onderhoud zonder dat het stuursysteem wordt
uitgeschakeld.‍ Voor deze installatie hebt u slechts drie van de
vijf poorten in het pompspruitstuk nodig.‍ Hoewel dit niet wordt
aanbevolen, kunnen alle vijf poorten worden gebruikt in plaats
van terugslagkleppen te installeren.‍ Zie pagina 2 voor meer
informatie over de fittingen en andere verbindingsmethoden.‍
Kleppen en fittingen van de pomp
De pomp kan op twee manieren worden aangesloten op de
hydraulische besturing.‍ Bij de aanbevolen methode met drie
aansluitingen worden alleen de fittingen H1 À en H2 Á
gebruikt, en een T-connector die de verbinding tussen het roer
en de cilinder splitst.‍ De fitting  van de retourleiding wordt
alleen op het roer aangesloten.‍ De controlekleppen à moeten
niet opnieuw worden geconfigureerd als de boot is uitgerust met
een gebalanceerde cilinder.‍ Als de boot een niet-gebalanceerde
cilinder heeft, moeten de controlekleppen wel opnieuw worden
geconfigureerd (pagina 3).‍ De bypassklep Ä wordt alleen
voor hydraulische ontluchting geopend en moet tijdens normaal
bedrijf geheel gesloten zijn.‍
Indien nodig kunnen de fittingen C1 Å en C2 Æ bij de
aanbevolen installatie met drie aansluitingen worden gebruikt in
plaats van de fittingen H1 en H2.‍
De pomp kan eventueel ook met alle vijf aansluitingen worden
geïnstalleerd.‍ Hierbij worden fittingen C1 en C2 gebruikt voor de
aansluiting van de pomp op de cilinder, en worden de fittingen
H1 en H2 voor de verbinding tussen pomp en roer gebruikt.‍ Dit
type installatie wordt niet aanbevolen omdat de pomp dan niet
voor onderhoud kan worden verwijderd zonder de besturing van
de boot uit te schakelen.‍
De pomp configureren voor een niet-gebalanceerde cilinder
KENNISGEVING
Houd alle onderdelen schoon en stofvrij tijdens het configureren
van de pomp voor een stuurinrichting met een ongebalanceerde
cilinder om te voorkomen dat de pomp beschadigd raakt.‍
Als u de terugslagkleppen verwijdert nadat het hydraulische
systeem is ontlucht, moet dit opnieuw worden ontlucht.‍ Door het
configureren van de terugslagklep komt er mogelijk weer lucht
in het hydraulische systeem.‍
Als de boot een besturing met niet-gebalanceerde cilinder heeft,
moet u de pomp configureren zodat deze goed met de
besturing werkt.‍
1 Verwijder de controlekleppen À van het pompspruitstuk.‍
2 Trek de zuigers Á uit het pompspruitstuk.‍
De pomp is in de fabriek ingesteld met de zuigers in de
gebalanceerde configuratie Â.‍
3 Verwijder de O-ringen à van de zuigers en gooi de ringen
weg.‍
Als u de O-ringen niet gemakkelijk van de zuigers kunt
trekken, zult u ze mogelijk moeten lossnijden.‍
4 Plaats de zuigers opnieuw in het pompspruitstuk in de nietgebalanceerde configuratie Ä.‍
5 Plaats de terugslagkleppen in het pompspruitstuk en draai ze
vast.‍
Overwegingen betreffende de montage van de Shadow
Drive™
• De Shadow Drive moet horizontaal en zo vlak mogelijk
worden gemonteerd en stevig vastgezet met kabelbinders.‍
• Monteer de Shadow Drive op een afstand van minimaal 305
mm (12 inch) van magnetische materialen, zoals
luidsprekers en elektrische motoren.‍
• Monteer de Shadow Drive dichter bij het roer dan bij de
pomp.‍
• Monteer de Shadow Drive lager dan het roer, maar hoger
dan de pomp.‍
• Sluit de Shadow Drive niet rechtstreeks aan op de fitting aan
de achterkant van het roer.‍ Zorg voor een bepaalde
slanglengte tussen de fitting op het roer en de Shadow Drive.‍
• Sluit de Shadow Drive niet rechtstreeks aan op een
hydraulische T-connector in de hydraulische leiding.‍ Zorg
voor een bepaalde slanglengte tussen de T-connector en de
Shadow Drive.‍
• Bij enkele bediening mag u geen T-connector tussen het roer
en de Shadow Drive plaatsen.‍
• Bij dubbele bediening installeert u de Shadow Drive tussen
de pomp en het onderste roer, dichter bij het roer dan bij de
pomp.‍
• Installeer de Shadow Drive ofwel in de stuurboordleiding of
de bakboordleiding.‍
Installeer de Shadow Drive niet in de retourleiding of de
hogedrukleiding, indien van toepassing.‍
Schema voedings-/gegevensaansluiting
WAARSCHUWING
Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de geïntegreerde zekeringhouder.‍ Om het risico van letsel of schade aan het
product door brand of oververhitting te voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals vermeld in de
productspecificaties.‍ Als de voedingskabel wordt aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de garantie op het
product.‍
3
Onderdeel Beschrijving
À
Á
Â
Belangrijke overwegingen
Bediening
CCU
Dit is de kompasbol.‍
Gegevenskabel
bediening
Installeer deze kabel alleen als u de stuurautomaat aansluit op optionele NMEA 0183 compatibele toestellen,
zoals een windsensor, een watersnelheidsensor of een GPS-toestel (pagina 14)
Ã
NMEA 2000 netwerk
De bediening en de CCU moeten worden aangesloten op een NMEA 2000 netwerk via de meegeleverde Tconnectors (pagina 2).‍
Als er geen bestaand NMEA 2000 netwerk op uw boot is geïnstalleerd, kunt u zelf een netwerk opzetten met
de meegeleverde kabels en connectors (pagina 13).‍
Ä
CCU-kabel
Als u deze kabel wilt doortrekken naar de pomp, dient u zelf de vereiste verlengkabels aan te schaffen
(pagina 2).‍
Deze kabel dient voor het aansluiten van het alarm en de shadow drive.‍
Å
Pomp
In dit schema worden geen hydraulische verbindingen getoond.‍ Zie pagina 6 voor schema's van het
hydraulische systeem.‍
4
Onderdeel Beschrijving
Belangrijke overwegingen
Æ
NMEA 2000
voedingskabel
Installeer deze kabel alleen als u een NMEA 2000 netwerk opzet.‍ Installeer deze kabel niet als u een
bestaand NMEA 2000 netwerk op uw boot hebt (pagina 2).‍
De NMEA 2000 voedingskabel moet worden aangesloten op een 9–16 VDC voedingsbron.‍
Ç
Voedingskabel pomp
De pomp kan worden aangesloten op een voedingsbron van 12–24 VDC.‍ Als u deze kabel wilt verlengen,
moet u de juiste draaddiameter gebruiken (pagina 15).‍
Alarm
Zie pagina 13 voor informatie over de bedrading.‍
Shadow Drive
Zie pagina 13 voor Shadow Drive informatie over de bedrading.‍
È
É
Schema van onderdelen
Schema enkele bediening
OPMERKING: Dit schema is alleen bedoeld voor planningsdoeleinden.‍ Meer specifieke aansluitingsschema's vindt u in de
gedetailleerde instructies bij elk onderdeel.‍ Hydraulische verbindingen worden in dit schema niet aangegeven.‍
Onderdeel Beschrijving
À
Á
Â
Ã
Ä
Belangrijke overwegingen
Bediening
Pomp
12–24 VDC accu
De pomp kan worden aangesloten op een voedingsbron van 12–24 VDC.‍
De NMEA 2000 voedingskabel moet worden aangesloten op een 9–16 VDC voedingsbron.‍
CCU
Installeer de CCU in de voorste helft van de boot, niet hoger dan 3 m (10 ft.‍) boven de waterspiegel.‍
NMEA 2000 netwerk De bediening en de CCU moeten worden aangesloten op een NMEA 2000 netwerk via de meegeleverde Tconnectors (pagina 2).‍
Als er geen bestaand NMEA 2000-netwerk op uw boot is geïnstalleerd, kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde kabels en connectors (pagina 13).‍
5
Richtlijnen voor schema met dubbele bediening
OPMERKING: Dit schema is alleen bedoeld voor planningsdoeleinden.‍ Meer specifieke aansluitingsschema's vindt u in de
gedetailleerde instructies bij elk onderdeel.‍ Hydraulische verbindingen worden in dit schema niet aangegeven.‍
Onderdeel Beschrijving
À
Á
Â
Ã
Ä
Belangrijke overwegingen
Bediening
12–24 VDC accu
De pomp kan worden aangesloten op een voedingsbron van 12–24 VDC.‍
De NMEA 2000 voedingskabel moet worden aangesloten op een 9–16 VDC voedingsbron.‍
Pomp
NMEA 2000 netwerk De bediening en de CCU moeten worden aangesloten op een NMEA 2000-netwerk via de meegeleverde Tconnectors (pagina 2).‍
Als er geen bestaand NMEA 2000 netwerk op uw boot is geïnstalleerd, kunt u zelf een netwerk opzetten met de
meegeleverde kabels en connectors (pagina 13).‍
CCU
Installeer de CCU in de voorste helft van de boot, niet hoger dan 3 m (10 ft.‍) boven de waterspiegel.‍
Hydraulische schema's
KENNISGEVING
Indien de stuurinrichting van uw boot niet overeenkomt met een
van de hydraulische schema's in deze handleiding en u niet
zeker weet hoe u de pomp moet installeren, neem dan contact
op met Garmin productondersteuning.‍
Voordat u de pomp installeert, moet u bepalen welk type
hydraulische besturing in uw boot aanwezig is.‍ Elke boot is
anders.‍ Daarom moet u rekening houden met bepaalde
aspecten van het bestaande hydraulische schema voordat u
een montageplaats voor de pomp kiest.‍
Belangrijke overwegingen
• De pomp moet opnieuw worden geconfigureerd als de boot
is uitgerust met een niet-gebalanceerde stuurcilinder
(pagina 3).‍
6
• Garmin raadt het gebruik van T-connectors aan voor de
aansluiting van de hydraulische leidingen op de pomp.‍
• Voor het eenvoudig uitschakelen en verwijderen van de
pomp, raadt Garmin aan de terugslagkleppen te installeren
in de hydraulische leidingen tussen het pompspruitstuk en de
T-connectors.‍
• Gebruik geen Teflon® tape voor hydraulische fittingen.‍
• Gebruik een geschikte schroefdraadafdichting op alle
pijpdraden in het hydraulische systeem.‍
Schema enkele bediening zonder stuurbekrachtiging
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
Shadow Drive
Stuurboordleiding
Retourleiding
Bakboordleiding
Terugslagkleppen
Pomp
Roer
Stuurcilinder
7
Schema dubbele bediening zonder stuurbekrachtiging
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
È
Retourleiding
Shadow Drive
Stuurboordleiding
Bakboordleiding
Terugslagkleppen
Pomp
Bovenste bediening
Onderste bediening
Stuurcilinder
Schema enkele bediening met stuurbekrachtiging
KENNISGEVING
De pomp moet voor een goede werking worden geïnstalleerd tussen de cilinder en de stuurbekrachtiging.‍
OPMERKING: Het kan nodig zijn de stuurbekrachtiging te verwijderen om bij de fittingen, slangen en ontluchtingsfitting te kunnen
komen.‍
8
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
È
Shadow Drive
Stuurboordleiding
Bakboordleiding
Retourleiding
Roer
Stuurbekrachtiging
Terugslagkleppen
Pomp
Stuurcilinder
9
Schema enkele bediening met Uflex® MasterDrive™
P L T R
LET OP
Let op dat u bij het installeren van de pomp in een systeem met een Uflex MasterDrive nooit de hogedrukleiding doorsnijdt die de
voeding met het roer verbindt om letsel of beschadiging van eigendommen te voorkomen.‍
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
È
É
Roer
Shadow Drive
Stuurboordleiding
Stuurcilinders
Bakboordleiding
Hogedrukleiding - NIET DOORKNIPPEN
Retourleiding
Terugslagkleppen
Uflex MasterDrive voedingseenheid
Pomp
Schema dubbele bediening met Uflex MasterDrive
LET OP
Let op dat u bij het installeren van de pomp in een systeem met een Uflex MasterDrive nooit de hogedrukleiding doorsnijdt die de
voeding met het roer verbindt om letsel of beschadiging van eigendommen te voorkomen.‍
10
P L T R
P L T R
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
È
É
Stuurcilinders
Bakboordleiding
Terugslagkleppen
Retourleiding
Pomp
Shadow Drive
Stuurboordleiding
Bedieningen
Uflex MasterDrive voedingseenheid
Hogedrukleiding - NIET DOORKNIPPEN
Installatieprocedures
Wanneer u de installatie van de stuurautomaat hebt gepland en
aan alle vereisten voor montage en bedrading van uw
specifieke installatie hebt voldaan, kunt u de onderdelen
monteren en aansluiten.‍
CCU installeren
Voordat u de CCU kunt installeren, bevestigt u deze aan uw
boot (pagina 11), sluit u deze aan op de pomp (pagina 12),
verbindt u deze met een NMEA 2000 netwerk (pagina 2) en sluit
u deze aan op het alarm (pagina 13).‍
De CCU-bevestigingssteun installeren
Voordat u de CCU kunt bevestigen, moet u een montageplaats
kiezen (pagina 1) en het juiste bevestigingsmateriaal uitzoeken
(pagina 1).‍
De CCU-steun bestaat uit twee delen, het steundeel en het
bevestigingsdeel.‍
1 Gebruik het steundeel van de CCU-steun als
montagesjabloon.‍
Als u de CCU op een verticaal oppervlak installeert, monteert
u de steun met een opening onder, zodat de kabels recht
omlaag hangen en niet door het bevestigingsmateriaal
worden geblokkeerd À.‍
2 Geef met een potlood de plaats van de gaten aan op de
montageplaats.‍
3 Boor de gaten.‍
4 Gebruik schroeven Á om de CCU-steun op de
montageplaats te bevestigen.‍
De CCU in de CCU steun bevestigen
1 Sluit de CCU kabel en de NMEA 2000 netwerkkabel aan op
de CCU.‍
2 Plaats de CCU in de CCU steun met de draden À recht
omlaag hangend.‍
11
voorkomt hiermee dat er scheuren in de gellaag ontstaan als de
schroeven worden aangedraaid.‍
Roestvrijstalen schroeven kunnen zich gaan binden wanneer ze
in het glasvezel worden geschroefd en te strak worden
aangedraaid.‍ Garmin raadt het aanbrengen van zuurvrij
smeermiddel op schroeven aan voordat u deze installeert.‍
3 Plaats de bovenkant van de steun over de bal en druk deze
vast in de steun, beginnend met de twee armen Á waarop
geen duimschroef  is bevestigd.‍
4 Sluit, terwijl de kabels recht omlaag hangen, de arm aan met
de duimschroef.‍
OPMERKING: De kabels moeten recht omlaag hangen
zodat de CCU nauwkeurig uw koers kan lezen.‍
5 Draai de duimschroef met de hand aan totdat de CCU stevig
in de steun vastzit.‍
Draai de duimschroef niet te strak aan.‍
De CCU aansluiten
1 Leid de CCU-kabelconnector naar de pomp en sluit de kabel
aan.‍
2 Voer de rode en blauwe draad van het gestripte draaddeel
van de CCU-kabel naar de plaats waar u het alarm wilt
installeren (pagina 13).‍
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een 28 AWG-draad (0,08 mm2).‍
3 Voer de bruine en zwarte draad van het gestripte draaddeel
van de CCU-kabel naar de plaats waar u de Shadow
Drivewilt installeren (pagina 13).‍
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een 28 AWG-draad (0,08 mm2).‍
4 Knip de overige gestripte draden af en isoleer ze.‍ De overige
gestripte draden worden niet gebruikt.‍
Bediening installeren
Installeer de bediening verzonken in het dashboard naast het
roer en sluit deze aan op een NMEA 2000 netwerk.‍
U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken als u optionele NMEA 2000 compatibele of
NMEA 0183 compatibele toestellen, zoals een windsensor,
watersnelheidsensor of GPS toestel, aansluit op het NMEA
2000 netwerk of aansluit op de bediening via NMEA 0183.‍
De roerbediening monteren
KENNISGEVING
Dit toestel dient te worden gemonteerd op een locatie die niet
wordt blootgesteld aan extreme temperaturen of
omstandigheden.‍ Het temperatuurbereik voor dit toestel wordt
vermeld in de productspecificaties.‍ Langdurige blootstelling aan
temperaturen boven het opgegeven temperatuurbereik, in
opslag- of gebruiksomstandigheden, kan tot storingen in het
toestel leiden.‍ Schade door extreme temperaturen en
gerelateerde gevolgen vallen niet onder de garantie.‍
Als u het toestel op glasvezel monteert, is het raadzaam om bij
het boren van de vier gaten met een kleine verzinkboor alleen in
de bovenste gellaag een kleine verdieping aan te brengen.‍ U
12
Kies eerst de plaats waar u de bediening wilt monteren
(pagina 2).‍
1 Knip de sjabloon voor verzonken montage op maat en
controleer of deze past op de plaats waar u de bediening wilt
bevestigen.‍
De sjabloon voor verzonken montage wordt meegeleverd in
de verpakking van de bediening.‍
2 Verwijder de strip van de zelfklevende achterzijde van de
sjabloon en breng de sjabloon aan op de plek waar u de
bediening wilt monteren.‍
3 Als u de opening wilt maken met een decoupeerzaag in
plaats van met een gatenzaag van 3,5 inch (90 mm), moet u
een bitje van 3/8 inch (10 mm) gebruiken om een
voorboorgat te boren zoals aangegeven op de sjabloon om
een startpunt voor het zagen te maken.‍
4 Gebruik de decoupeerzaag of de gatenzaag van 3,5 inch (90
mm) om de opening uit te zagen langs de binnenkant van de
streepjeslijn die op de sjabloon is aangegeven.‍
5 Gebruik indien nodig een vijl en schuurpapier om het gat
heel precies op maat te krijgen.‍
6 Plaats de bediening in de opening en controleer of de vier
gaten op de sjabloon goed zijn afgetekend.‍
7 Als de montagegaten niet correct zijn, markeer dan de juiste
locaties voor de vier montagegaten.‍
8 Haal de bediening uit de opening.‍
9 Boor de vier gaten van 7/64 inch (2,8 mm).‍
Als u de bediening monteert op een glasvezeloppervlak,
wordt aanbevolen om een kleine verzinkboor te gebruiken.‍
10 Verwijder de rest van de sjabloon.‍
11 Plaats de meegeleverde pakking aan de achterkant van het
apparaat en breng rond de pakking watervaste kit aan.‍ Dit
voorkomt waterschade achter het dashboard.‍
12 Plaats de bediening in de opening.‍
13 Draai de bediening goed vast op de montageplaats met de
meegeleverde schroeven.‍
Als u de bediening monteert op een glasvezeloppervlak,
wordt aanbevolen om een smeermiddel te gebruiken om
vastlopen van de schroeven te voorkomen.‍
14 Klik de decoratieve ring À op zijn plaats.‍
netwerk aan omdat er slechts één voedingsbron mag worden
aangesloten op een NMEA 2000 netwerk.‍
Sluit de bediening via een bestaand NMEA 2000 netwerk aan
op de CCU.‍ Als er geen bestaand NMEA 2000 netwerk op uw
boot is geïnstalleerd, zijn alle benodigde onderdelen voor het
netwerk meegeleverd in het stuurautomaatpakket (pagina 13).‍
Om de geavanceerde functies van de stuurautomaat te
gebruiken, kunt u de optionele, met NMEA 2000 compatibele
toestellen, zoals een GPS toestel aansluiten op het NMEA 2000
netwerk.‍
Ga voor meer informatie over NMEA 2000 naar
www.garmin.com.‍
Een standaard NMEA 2000 netwerk voor de stuurautomaat
opzetten
KENNISGEVING
Als u de meegeleverde NMEA 2000 voedingskabel installeert,
moet u deze verbinden met de contactschakelaar van de boot
of via een andere onderbrekingsschakelaar.‍ NMEA 2000
toestellen zullen uw accu leegtrekken indien de NMEA 2000
voedingskabel rechtstreeks is aangesloten op de accu.‍
Het alarm installeren
Voordat u het alarm kunt bevestigen, moet u een
montageplaats kiezen (pagina 2).‍
1 Leid de alarmkabel naar het gestripte draadeinde van de
CCU-kabel.‍
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een 28 AWG-draad (0,08 mm2).‍
2 Verbind de kabels volgens het schema in deze tabel.‍
Kleur van alarmdraad
Kleur van draad CCU-kabel
Wit (+)
Rood (+)
Zwart (-)
Blauw (-)
1 Sluit de drie T-connectors À op elkaar aan.‍
3 Soldeer en isoleer alle gestripte draadeinden.‍
4 Maak het alarm vast met kabelbinders of ander
montagemateriaal (niet meegeleverd).‍
Installatie van Shadow Drive
De Shadow Drive aansluiten op het hydraulische systeem
Nadat u de aandachtspunten bij montage en aansluiting hebt
gelezen (pagina 3), dient u een plaats te kiezen waar u de
Shadow Drive wilt aansluiten op de hydraulische stuurinrichting
van uw boot voordat u de Shadow Drive gaat installeren.‍
Raadpleeg voor verdere hulp de schema's van het hydraulische
systeem (pagina 6).‍
Gebruik hydraulische connectors (niet inbegrepen) om de
Shadow Drive in de juiste hydraulische leiding te installeren
De Shadow Drive aansluiten op de CCU
1 Leid het gestripte draadeinde van de CCU-kabel naar de
Shadow Drive.‍
Als de kabel niet lang genoeg is, kunt u de desbetreffende
draden verlengen met een 28 AWG-draad (0,08 mm²).‍
2 Verbind de kabels volgens het schema in deze tabel.‍
Kleur van draad Shadow Drive
Kleur van draad CCU-kabel
Rood (+)
Bruin (+)
Zwart (-)
Zwart (-)
2 Sluit de meegeleverde NMEA 2000 voedingskabel Á via een
schakelaar aan op een 12-vdc voedingsbron Â.‍
Sluit de voedingskabel aan op de schakelaar à van de boot,
of leid de kabel via een inline schakelaar (niet meegeleverd).‍
3 Sluit de NMEA 2000 voedingskabel aan op een van de T-
connectors.‍
4 Sluit een van de meegeleverde NMEA 2000 netwerkkabels
Ä aan op een van de T-connectors en de bediening Å.‍
5 Sluit de andere meegeleverde NMEA 2000 netwerkkabel
aan op de andere T-connector en de CCU Æ.‍
6 Sluit de mannelijke en vrouwelijke afsluitweerstand Ç aan op
de uiteinden van de gecombineerde T-connectors.‍
De roerbesturing verbinden met het bestaande NMEA 2000
netwerk
1 Bepaal waar u de roerbesturing À wilt aansluiten op uw
bestaande NMEA 2000 backbone Á.‍
3 Soldeer en isoleer alle gestripte draadeinden.‍
Info over NMEA 2000 en de stuurautomaatonderdelen
KENNISGEVING
Als u beschikt over een bestaand NMEA 2000 netwerk op uw
boot, hoort dit reeds te zijn aangesloten op de voeding.‍ Sluit de
NMEA 2000 voedingskabel niet op een bestaand NMEA 2000
13
3 Sluit, indien nodig om de NMEA 2000 netwerkbackbone te
verlengen, een NMEA 2000 backboneverlengkabel (niet
bijgeleverd) aan, aan de kant van de T-connector die u hebt
losgekoppeld.‍
4 Koppel de bijgeleverde T‑connector  voor de CCU aan de
NMEA 2000 backbone door deze te verbinden met de zijde
van de losgekoppelde T-connector of de
backboneverlengkabel.‍
5 Leid de bijgeleverde netwerkkabel à naar de CCU en naar
de onderkant van de T-connector die u in stap 4 hebt
toegevoegd.‍
Als de bijgeleverde netwerkkabel niet lang genoeg is, kunt u
een netwerkkabel van maximaal 6 m (20 voet) gebruiken
(niet bijgeleverd).‍
6 Sluit de netwerkkabel aan op de CCU en de T-connector.‍
Optionele toestellen aansluiten op de stuurautomaat
2 Koppel één kant van een NMEA 2000 T-connector  los van
3
4
5
6
het netwerk.‍
Sluit, indien nodig om de NMEA 2000 netwerkbackbone te
verlengen, een NMEA 2000 backboneverlengkabel (niet
bijgeleverd) aan, aan de kant van de T-connector die u hebt
losgekoppeld.‍
Koppel de bijgeleverde T‑connector voor de roerbesturing
aan de NMEA 2000 backbone door deze te verbinden met
de zijde van de losgekoppelde T-connector of de
backboneverlengkabel.‍
Leid de bijgeleverde netwerkkabel à naar de roerbesturing
en naar de onderkant van de T-connector die u in stap 4
hebt toegevoegd.‍
Als de bijgeleverde netwerkkabel niet lang genoeg is, kunt u
een netwerkkabel van maximaal 6 m (20 voet) gebruiken
(niet bijgeleverd).‍
Sluit de netwerkkabel aan op de roerbesturing en de Tconnector.‍
De CCU verbinden met het bestaande NMEA 2000 netwerk
1 Bepaal waar u de CCU À wilt aansluiten op uw bestaande
NMEA 2000 backbone Á.‍
2 Koppel één kant van een NMEA 2000 T-connector los van
het netwerk.‍
14
U kunt de geavanceerde functies van de stuurautomaat
gebruiken door optionele NMEA 2000 compatibele toestellen,
zoals een windsensor, een watersnelheidsensor of een GPStoestel, aan te sluiten op het NMEA 2000 netwerk.‍
Optionele toestellen die niet NMEA 2000 compatibel zijn, kunt u
aansluiten op de bediening via NMEA 0183 (pagina 14).‍
1 Voeg een extra T-connector (niet meegeleverd) toe aan het
NMEA 2000 netwerk.‍
2 Volg de instructies die bij het toestel zijn geleverd om het
toestel aan te sluiten op de T-connector.‍
Overwegingen betreffende NMEA 0183 verbinding
• Raadpleeg de installatie-instructies die bij uw NMEA 0183
compatibele toestel zijn geleverd voor informatie over hoe u
de polen A (+) en B (-) van de zendende (Tx) en
ontvangende draad (Rx) kunt herkennen.‍
• Als u NMEA 0183 toestellen aansluit met twee zendende en
twee ontvangende draden, is het niet nodig om de NMEA
2000 bus en het NMEA 0183 toestel op een
gemeenschappelijke aarding aan te sluiten.‍
• Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één zendende
draad (Tx) of slechts één ontvangende draad (Rx) aansluit,
moeten de NMEA 2000 bus en het NMEA 0183 toestel wel
op een gemeenschappelijke aarding worden aangesloten.‍
De pomp installeren
De pomp monteren
Als uw boot een besturing met niet-gebalanceerde cilinder
heeft, moet u de pomp opnieuw configureren voordat u de
pomp kunt monteren (pagina 3).‍
Kies eerst een plaats voor de pomp (pagina 2) en bepaal welk
bevestigingsmateriaal u nodig hebt (pagina 1).‍
1 Plaats de pomp op de gewenste montageplaats en teken de
montagegaten op de ondergrond af.‍ Gebruik de pomp zelf
als sjabloon.‍
2 Gebruik een boortje dat geschikt is voor het
bevestigingsmateriaal en boor de vier gaten in het
bevestigingsoppervlak.‍
3 Gebruik het betreffende bevestigingsmateriaal om de pomp
op de plaats te bevestigen.‍
De hydraulische leidingen aansluiten op de pomp
Raadpleeg de indelingsschema's in pagina 8 voor hulp.‍
1 Koppel de benodigde leidingen los van het hydraulische
systeem.‍
2 Voeg een T-connector toe aan de stuurboord- en
bakboordleidingen van het systeem tussen het roer en de
stuurcilinder.‍
OPMERKING: Als de boot een stuurbekrachtiging heeft,
voegt u de T-connectors toe tussen de stuurbekrachtiging en
de stuurcilinder.‍
3 Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Als de boot geen stuurbekrachtiging heeft, voegt u
voldoende hydraulische slang toe om de retourfitting op
het roer te verbinden met de pompfitting met het label T.‍
• Als de boot wel stuurbekrachtiging heeft, moet reeds een
retourleiding aanwezig zijn tussen het roer en de
stuurbekrachtiging.‍ Voeg een T-connector toe aan de
retourleiding van het systeem tussen de
stuurbekrachtiging en het roer.‍
4 Voeg hydraulische slang toe aan de ongebruikte fitting op
elke T-connector.‍ Gebruik voldoende slang om de Tconnector te verbinden met de pompfittingen.‍
Verbind
de T-connector van de stuurboordleiding met een
5
pompfitting met het label C1 of C2.‍
6 Verbind de T-connector van de bakboordleiding met de
pompfitting met het label C1 of C2 die u niet in stap 4 hebt
gebruikt.‍
Voer
een van onderstaande handelingen uit:
7
• Als de boot geen stuurbekrachtiging heeft, verbindt u de
retourfitting op het roer met de pompfitting met het label
T.‍
• Als de boot wel stuurbekrachtiging heeft, sluit u de Tconnector van de retourleiding aan op de pompfitting met
het label T.‍
8 Installeer de Shadow Drive in de hydraulische leiding aan
stuurboord of bakboord tussen het roer en de T-connector
(pagina 13).‍
Installeer
een terugslagklep (niet meegeleverd) op elke
9
hydraulische leiding die rechtstreeks met de pomp is
verbonden.‍
10 Plaats, indien dat nog niet is gebeurd, de meegeleverde
stoppen in de ongebruikte pompfittingen, draai ze vast en
verzegel ze.‍
De pomp aansluiten op voeding
WAARSCHUWING
Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de
geïntegreerde zekeringhouder.‍ Om het risico van letsel of
schade aan het product door brand of oververhitting te
voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals
vermeld in de productspecificaties.‍ Als de voedingskabel wordt
aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de
garantie op het product.‍
Sluit indien mogelijk de voedingskabel van de pomp
rechtstreeks aan op de bootaccu.‍ Hoewel dit niet wordt
aanbevolen, moet u een zekering van 40 A gebruiken als u de
voedingskabel aansluit op een accublok of een andere bron.‍
Als u de pomp via een zekeringautomaat of schakeling in de
nabijheid van de besturing wilt voeren, moet u een relais en
controledraad van de juiste grootte gebruiken.‍ Verleng in dit
geval niet de voedingskabel van de pomp.‍
1 Leid het uiteinde met de connector van de voedingskabel
naar de pomp, maar sluit de kabel niet aan op de pomp.‍
2 Leid het gestripte draadeinde van de voedingskabel naar de
bootaccu.‍
AIs de kabel niet lang genoeg is, kan deze worden verlengd
door verbinding met een langere draad (pagina 15).‍
Neem de waarschuwingen betreffende het verlengen van de
voedingskabel aan het begin van dit gedeelte in acht.‍
3 Sluit de zwarte draad (-) aan op de negatieve (-) accupool.‍
4 Sluit de rode draad (+) aan op de positieve (+) accupool.‍
5 Sluit de voedingskabel nu nog niet aan op de pomp.‍
Sluit de voedingskabel pas aan als u alle andere onderdelen
voor de stuurautomaat hebt geïnstalleerd om ongewenste
activiteit van de pomp te voorkomen.‍
Voedingskabel verlengen
Indien nodig kunt u de voedingskabel verlengen met een kabel
van de juiste dikte en lengte.‍
Onderdeel
À
Á
Â
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Onderdeel
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Beschrijving
Zekering
Accu
2,7 m (9 ft.‍) geen verlenging
Beschrijving
Verbinding
10 AWG (5,26 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
Accu
20,3 cm (8 inch)
Max.‍ 4,6 m (15 ft.‍)
Beschrijving
Verbinding
8 AWG (8,36 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
Accu
20,3 cm (8 inch)
Max.‍ 7 m (23 ft.‍)
Beschrijving
Verbinding
6 AWG (13,29 mm²) verlengdraad
Zekering
20,3 cm (8 inch)
Accu
20,3 cm (8 inch)
Max.‍ 11 m (36 ft.‍)
De hydraulische besturing ontluchten
KENNISGEVING
Dit is een algemene procedure voor het ontluchten van een
hydraulische stuurinrichting.‍ Raadpleeg de instructies van de
fabrikant van de stuurinrichting voor meer specifieke informatie
over de ontluchting van het systeem.‍
15
Zorg voordat u de hydraulische besturing ontlucht dat alle
slangaansluitingen zijn geïnstalleerd en volledig zijn
aangedraaid.‍
1 Selecteer een optie:
• Als het roerreservoir onvoldoende vloeistof bevat, vult u
voldoende hydraulische vloeistof bij.‍
• Als het roerreservoir te veel vloeistof bevat, verwijdert u
hydraulische vloeistof om overlopen tijdens het ontluchten
te voorkomen.‍
2 Draai het roer handmatig naar beide cilinderstops.‍
3 Draai het roer handmatig naar bakboord.‍
4 Open een bypassklep bij de cilinderfitting.‍
5 Draai het roer langzaam gedurende drie minuten naar
bakboord.‍
6 Sluit de bypassklep van de cilinder.‍
7 Voeg indien nodig vloeistof toe aan het roerreservoir.‍
8 Herhaal de stappen 2 tot en met 7 totdat het roerreservoir vol
blijft.‍
9 Open de bypassklep op het pompspruitstuk.‍
10 Schakel de stuurautomaat in en schakel de Shadow Drive
uit.‍
Raadpleeg de gebruikershandleiding van de stuurautomaat
voor meer informatie over het uitschakelen van de Shadow
Drive.‍
op de bediening gedurende 10 seconden
11 Houd de knop
ingedrukt en wacht op stuurbeweging.‍
12 Selecteer een optie:
• Zodra u een stuurbeweging opmerkt, gaat u verder met
stap 13.‍
• Als er geen stuurbeweging is, houdt u de knop
ingedrukt totdat een stuurbeweging ontstaat.‍
13 Houd de knop waarmee een stuurbeweging wordt
geproduceerd ingedrukt, en stuur helemaal tot aan de stop.‍
14 Draai het roer met de bediening naar de andere kant.‍
15 Sluit de bypassklep aan op het pompspruitstuk.‍
De ontluchting van de hydraulische besturing is nu voltooid.‍
Schakel de Shadow Drive weer in.‍
Corrosiebescherming
KENNISGEVING
Breng voor een lange levensduur van alle onderdelen minstens
twee keer per jaar een roestpreventiemiddel aan op aan de
pomp.‍
Breng na de installatie van alle hydraulische en elektrische
verbindingen en na ontluchting van de hydraulische besturing
een corrosiebescherming met nautisch keurmerk aan op de
pomp.‍
De stuurautomaat configureren
De stuurautomaat moet worden geconfigureerd en afgesteld op
de dynamiek van uw boot.‍ Gebruik voor de configuratie van de
stuurautomaat de Dockside Wizard en de Sea Trial Wizard op
de bediening.‍ Volg de instructies in deze wizards om de
vereiste configuratiestappen te voltooien.‍
De Dockside Wizard
KENNISGEVING
Als u de Dockside Wizard uitvoert terwijl uw boot op het droge
ligt, moet u zorgen dat het roer vrij kan bewegen om schade
aan het roer of andere voorwerpen te voorkomen.‍
U kunt de Dockside Wizard zowel in het water als op het droge
uitvoeren.‍
16
Als de boot in het water ligt, moet deze stationair draaien terwijl
u de wizard uitvoert.‍
De Dockside Wizard uitvoeren
1 Schakel de stuurautomaat in.‍
Als u de stuurautomaat voor het eerst inschakelt, wordt u
gevraagd om een korte configuratieprocedure uit te voeren.‍
2 Als de Dockside Wizard na de configuratieprocedure niet
automatisch wordt opgestart, selecteert u Menu > Setup >
Dealer Autopilot Configuration > Wizards > Dockside
Wizard.‍
3 Selecteer het type vaartuig.‍
4 Kalibreer indien nodig de roersensor.‍
5 Test de stuurrichting (pagina 16).‍
6 Selecteer indien nodig de snelheidsbron (pagina 16).‍
7 Controleer indien nodig de tachometer (pagina 16).‍
8 Test de bediening lock-to-lock.‍
9 Bekijk het resultaat van de wizard (pagina 16).‍
De stuurrichting testen
1 Test de stuurrichting.‍
Als u
selecteert, draait het roer en vaart de boot naar
links.‍ Als u selecteert, draait het roer en vaart de boot
naar rechts.‍
2 Selecteer Continue.‍
3 Selecteer een optie:
• Als de boot tijdens de test in de juiste richting vaart,
selecteert u Yes.‍
• Als de boot tijdens de test in de tegenovergestelde
richting vaart, selecteert u No.‍
4 Als u in stap 3 No hebt geselecteerd, herhaalt u de stappen
1 en 2.‍
De bron van de snelheid selecteren
Selecteer een optie:
• Als u een NMEA 2000 compatibele motor (of motoren) op
het NMEA 2000 netwerk hebt aangesloten, selecteert u
NMEA 2000.‍
• Als de gegevens van een NMEA 2000 tachometer niet
beschikbaar of onbruikbaar zijn, selecteert u GPS als de
bron.‍
• Als u geen NMEA 2000 tachometer of GPS-toestel als
bron van snelheid hebt aangesloten, selecteert u None.‍
OPMERKING: Als de stuurautomaat met de instelling
None als bron van snelheid niet goed werkt, raadt Garmin
u aan een tachometer aan te sluiten via NMEA 2000 of
een GPS-toestel te gebruiken als de bron van snelheid.‍
De tachometer controleren
Deze procedure wordt niet weergegeven als GPS of None is
geselecteerd als de bron van snelheid.‍
1 Hiermee kunt u bij draaiende motor(en) de RPM-waarden op
de bediening vergelijken met die op de tachometer (of
tachometers) op het dashboard van uw boot.‍
2 Pas indien nodig de waarden op de bediening aan zodat
deze overeenkomen met die op de tachometer (of
tachometers) van uw boot.‍
Het resultaat van de Dockside Wizard bekijken
De bediening geeft de waarden aan die u in de Dockside
Wizard hebt geselecteerd.‍
1 Bekijk het resultaat van de Dockside Wizard.‍
2 Selecteer eventuele onjuiste waarden en kies Select.‍
3 Corrigeer de waarde.‍
4 Herhaal de stappen 2 en 3 voor elke waarde die u wilt
corrigeren.‍
5 Selecteer Done als u klaar bent.‍
De Sea Trial Wizard
Met de Sea Trial Wizard configureert u de belangrijkste
sensoren op de stuurautomaat.‍ Het is heel belangrijk om de
wizard uit te voeren onder omstandigheden die geschikt zijn
voor uw boot.‍
Belangrijke overwegingen met betrekking tot de Sea Trial
Wizard
De Sea Trial Wizard moet in kalm water worden uitgevoerd.‍
Wat kalm water is, hangt af van de grootte en vorm van uw
boot.‍ Voordat u begint met de Sea Trial Wizard, moet de boot
zich dan ook op een geschikte locatie bevinden:
• De boot mag niet schommelen terwijl deze stil ligt of zeer
langzaam vaart.‍
• De boot mag geen last hebben van de wind.‍
Terwijl u de Sea Trial Wizard uitvoert, moet u deze punten in
overwegingen nemen:
• Het gewicht op de boot moet in balans zijn.‍ Terwijl u de
stappen van de Sea Trial Wizard uitvoert, mag u niet
rondlopen op de boot.‍
• Bij zeilboten moeten de zeilen zijn gestreken.‍
• Bij zeilboten moet de motor in de stand blijven staan waarop
de boot in een rechte lijn vaart.‍
De Sea Trial Wizard uitvoeren
1 Vaar met de boot naar een open stuk kalm water.‍
2 Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration
> Wizards > Sea Trial Wizard.‍
Configureer indien nodig de RPM bij planeren.‍
3
Deze stap is alleen van toepassing op motorboten met
planerende romp waarvan de snelheidsbron is ingesteld op
None.‍
4 Configureer indien nodig de planeersnelheid.‍
Deze stap geldt alleen voor motorboten met planerende
romp waarvan de snelheidsbron is ingesteld op GPS.‍
5 Configureer indien nodig de hoge RPM-limiet.‍
Deze stap geldt alleen voor motorboten waarvan de
snelheidsbron is ingesteld op GPS.‍
6 Configureer indien nodig de maximumsnelheid.‍
Deze stap geldt alleen voor motorboten waarvan de
snelheidsbron is ingesteld op GPS.‍
7 Kalibreer het kompas (pagina 17).‍
8 Voer de afstemprocedure uit (pagina 17).‍
9 Stel het noorden in (pagina 17).‍
10 Pas indien nodig de koersinstelling aan (pagina 17).‍
Het kompas kalibreren
1 Breng uw boot op kruissnelheid en vaar in een rechte lijn.‍
2 Selecteer een optie:
• Als u deze procedure uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Begin en blijft u in een rechte
lijn varen.‍
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Menu > Setup > Dealer
Autopilot Configuration > Automated Setup >
Calibrate Compass > Begin in het startscherm.‍
3 Wanneer dit wordt gevraagd, draait u de boot langzaam
tegen de klok in totdat de kalibratie is voltooid.‍ Maak de
koerswijziging zo stabiel en vlak mogelijk.‍
Zorg dat de boot tijdens het kalibreren niet overhelt.‍
4 Selecteer een optie:
• Selecteer Done als de kalibratie is voltooid.‍
• Selecteer Retry en herhaal de stappen 1 tot en met 3 als
de kalibratie is mislukt.‍
De procedure voor automatisch afstemmen uitvoeren
Voer deze procedure uit op open water.‍
1 Pas uw snelheid aan zodat de boot op normale kruissnelheid
vaart zodat u goed kunt corrigeren.‍
2 Selecteer een optie:
• Als u deze procedure uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Begin en blijft u in een rechte
lijn varen.‍
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Menu > Setup > Dealer
Autopilot Configuration > Automated Setup >
Autotune > Begin in het startscherm.‍
De boot voert tijdens het automatisch afstemmen een aantal
zigzag-bewegingen uit.‍
Er verschijnt een bericht als de procedure is voltooid.‍
3 Selecteer een optie:
• Als het automatisch afstemmen is voltooid, selecteert u
Done en schakelt u de handmatige bediening van de boot
weer in.‍
• Als het automatisch afstemmen is mislukt, geeft u gas bij,
selecteert u Retry en voert u de automatische
afstemming opnieuw uit.‍
4 Selecteer een optie:
• Als het automatisch afstemmen mislukt, maar u nog niet
op maximum kruissnelheid zit, herhaalt u de stappen 1 tot
en met 3 totdat de procedure slaagt.‍
• Als het automatisch afstemmen mislukt en u de maximum
kruissnelheid hebt bereikt, neemt u gas terug totdat u op
de oorspronkelijke afstemsnelheid zit en selecteert u
Alternate Autotune om een alternatieve
afstemmingsprocedure te starten.‍
Het noorden instellen
Voer deze procedure uit op open water.‍
Deze procedure wordt weergegeven als op de stuurautomaat
een optioneel GPS-toestel is aangesloten (pagina 14) en dit
toestel een GPS-positie heeft verkregen.‍ Tijdens deze
procedure wordt de koersinformatie van de GPS gebruikt om op
de stuurautomaat het noorden te kalibreren.‍
Als u geen GPS-toestel hebt aangesloten, wordt u gevraagd in
plaats daarvan de koersinstelling aan te passen (pagina 17).‍
1 Breng uw boot op kruissnelheid en vaar in een rechte lijn.‍
2 Selecteer een optie:
• Als u deze procedure uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Begin en blijft u in een rechte
lijn varen.‍
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u Menu > Setup > Dealer
Autopilot Configuration > Automated Setup > Set
North > Begin in het startscherm.‍
3 Laat de stuurautomaat het noorden kalibreren.‍
Er verschijnt een bericht als de kalibratie is voltooid.‍
4 Selecteer een optie:
• Selecteer Done als de kalibratie is voltooid.‍
• Herhaal de stappen 1 tot en met 3 als de kalibratie is
mislukt.‍
De koersinstelling aanpassen
Deze procedure wordt alleen weergegeven als op uw
stuurautomaat geen optioneel GPS-toestel is aangesloten
(pagina 14).‍ Als op de stuurautomaat een GPS-toestel is
aangesloten dat een GPS-positie heeft verkregen, wordt u
gevraagd om in plaats daarvan het noorden in te stellen
(pagina 17).‍
1 Zoek het noorden met een handkompas.‍
17
2 Selecteer een optie:
• Als u deze procedure uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, past u de koersinstelling aan totdat het
noorden gelijk staat met het noorden op het magnetische
kompas.‍
• Als u de kalibratie niet uitvoert als onderdeel van de Sea
Trial Wizard, selecteert u in het startscherm Menu >
Setup > Dealer Autopilot Configuration > Automated
Setup > Fine Heading Adjustment, en past u de
koersinstelling aan totdat het noorden gelijk staat met het
noorden op het magnetische kompas.‍
3 Zodra de koersinstelling overeenkomt met het noorden op
het magnetische kompas, selecteert u Done.‍
De configuratie testen en aanpassen
KENNISGEVING
Test de stuurautomaat bij een lage snelheid.‍ Nadat de
stuurautomaat is getest en ingesteld op lage snelheid, dient u
de stuurautomaat bij een hogere snelheid te testen om normale
gebruiksomstandigheden te simuleren.‍
1 Vaar de boot in één richting met de stuurautomaat
ingeschakeld (in Heading Hold).‍
De boot kan licht schommelen, maar niet bovenmatig.‍
2 Draai de boot in één richting met de stuurautomaat en let op
hoe de boot zich houdt.‍
De boot moet rustig draaien, niet te snel of te langzaam.‍
Als u de boot draait met de stuurautomaat, moet de boot op
de gewenste koers komen met minimale overschrijding en
schommelingen van de koers.‍
3 Selecteer een optie:
• Als de boot te snel of te traag draait, past u de
acceleratiebeperking van de stuurautomaat aan
(pagina 18).‍
• Als de koers te zeer schommelt of als de boot de
koerswijziging niet corrigeert, moet u de
stuurautomaatversterking aanpassen (pagina 18).‍
• Als de boot rustig draait, de koers slechts lichtjes of
helemaal niet schommelt en de boot goed koers houdt,
dan is de configuratie goed en hoeft u verder geen
instellingen te wijzigen.‍
Instellingen voor acceleratiebeperking aanpassen
1 Schakel Dealer Mode in (pagina 18).‍
2 Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration
> Autopilot Tuning > Acceleration Limiter.‍
3 Selecteer een optie:
• Verhoog de waarde als de stuurautomaat te snel draait.‍
• Verlaag de waarde als de stuurautomaat te langzaam
draait.‍
Als u de acceleratiebeperking handmatig aanpast, moet u
relatief kleine aanpassingen maken.‍ Test de wijziging
voordat u verdere aanpassingen uitvoert.‍
4 Test de configuratie van de stuurautomaat.‍
5 Herhaal de stappen 3 en 4 totdat de stuurautomaat naar
wens werkt.‍
Instellingen stuurautomaatversterking aanpassen
1 Schakel Dealer Mode in (pagina 18).‍
2 Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration
> Autopilot Tuning > Rudder Gains.‍
3 Selecteer een optie op basis van het type boot:
• Als u een zeilboot hebt, selecteert u Gain en stelt u in hoe
strak het roer koers houdt en koerswijzigingen maakt.‍
Als u een te hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat
overactief worden en bij de geringste afwijking de koers
18
gaan corrigeren.‍ Een overactieve stuurautomaat kan de
accu sneller dan normaal leegtrekken.‍
• Als u een zeilboot hebt, selecteert u Counter Gain en
stelt u in hoe strak het roer het doorschieten van een
koerswijziging corrigeert.‍
Als u een te hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat
de koerswijziging opnieuw laten doorschieten bij een
poging de originele koerswijziging te corrigeren.‍
• Als u een motorboot hebt, selecteert u Low Speed of
High Speed en stelt u in hoe strak het roer koers houdt
en koerswijzigingen maakt bij lage of hoge snelheid.‍
Als u een te hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat
overactief worden en bij de geringste afwijking de koers
gaan corrigeren.‍ Een overactieve stuurautomaat kan de
accu sneller dan normaal leegtrekken.‍
• Als u een motorboot hebt, selecteert u Low Speed
Counter of High Speed Counter om in te stellen hoe
strak het roer doorschieten van een koerswijziging
corrigeert.‍
Als u een te hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat
de koerswijziging opnieuw laten doorschieten bij een
poging de originele koerswijziging te corrigeren.‍
4 Test de configuratie van de stuurautomaat en herhaal de
stappen 2 en 3 totdat de stuurautomaat naar wens werkt.‍
Geavanceerde configuratie
Onder normale omstandigheden zijn er geen geavanceerde
configuratieopties beschikbaar op de bediening.‍ Als u
geavanceerde configuratie-instellingen voor de stuurautomaat
wilt gebruiken, moet u eerst Dealer Mode inschakelen
(pagina 18).‍
De dealerconfiguratie inschakelen
1 Selecteer in het startscherm Menu > Setup > System >
System Information.‍
2 Houd de centertoets gedurende 5 seconden ingedrukt.‍
Dealer Mode wordt geactiveerd.‍
3 Selecteer Back > Back.‍
De procedure is voltooid als de optie Dealer Autopilot
Configuration beschikbaar is in het instelscherm.‍
Geavanceerde configuratie-instellingen
U kunt zonder wizards de procedure voor automatisch
afstemmen uitvoeren, het kompas kalibreren en het noorden
bepalen op de stuurautomaat.‍ U kunt ook elke instelling
afzonderlijk maken, zonder de configuratieprocedures te
doorlopen.‍
De geautomatiseerde configuratieprocedures handmatig
uitvoeren
1 Schakel Dealer Mode (pagina 18) in.‍
2 Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration
> Automated Setup in het scherm met de peiling.‍
3 Selecteer Calibrate Compass, Set North of Autotune.‍
4 Volg de instructies op het scherm.‍
Handmatig afzonderlijke configuratie-instellingen maken
Wanneer u bepaalde configuratie-instellingen maakt, is het
soms nodig andere instellingen te wijzigen.‍ Zie het gedeelte
over gedetailleerde configuratie-instellingen (pagina 21)
voordat u een instelling wijzigt.‍
1 Schakel Dealer Mode in (pagina 18).‍
2 Selecteer in het startscherm Menu > Setup > Dealer
Autopilot Configuration.‍
3 Selecteer een instellingscategorie.‍
4 Selecteer een instelling die u wilt wijzigen.‍
Een beschrijving van alle instellingen vindt u in de appendix
(pagina 21).‍
5 Wijzig de waarde van de instelling.‍
Appendix
NMEA 0183 aansluitingsschema's
Deze bedradingsschema's zijn voorbeelden van verschillende
situaties die u kunt tegenkomen tijdens het aansluiten van uw
NMEA 0183 toestel op de bediening.‍
Tweerichtings NMEA 0183 communicatie
Draad Kleur en functie van draad
bediening
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Ï
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
n.‍v.‍t.‍
Voeding
n.‍v.‍t.‍
NMEA 0183 aarde
Blauw — Tx/A (+)
Rx
Wit — niet aangesloten
n.‍v.‍t.‍
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
Groen — Rx/B (-)
Tx/B (-)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één
ontvangende draad (Rx) aansluit, moeten de NMEA 2000 bus
en het NMEA 0183 toestel op een gemeenschappelijke aarding
worden aangesloten.‍
Slechts één zendende draad
Als uw NMEA 0183 compatibele toestel slechts één zendende
draad (Tx) heeft, moet deze worden aangesloten op de bruine
draad (Rx/A) van de bediening.‍ Sluit de groene draad (Rx/B)
van de bediening aan op NMEA 0183 aarde.‍
À
Á
Â
Ã
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Voedingsbron van 12 Vdc
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Draad Kleur en functie van draad
bediening
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Ï
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
n.‍v.‍t.‍
Voeding
n.‍v.‍t.‍
NMEA 0183 aarde
Blauw — Tx/A (+)
Rx/A (+)
Wit — Tx/B (-)
Rx/B (-)
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
Groen — Rx/B (-)
Tx/B (-)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel aansluit met twee
zendende en twee ontvangende leidingen, is het niet nodig om
de NMEA 2000 bus en het NMEA 0183 toestel op een
gemeenschappelijke aarding aan te sluiten.‍
Slechts één ontvangende draad
Als uw NMEA 0183 compatibele toestel slechts één
ontvangende draad (Rx) heeft, moet deze worden aangesloten
op de blauwe draad (Tx/A) van de stuurautomaat, en moet de
witte draad (Tx/B) van de stuurautomaat niet worden
aangesloten.‍
À
Á
Â
Ã
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Voedingsbron van 12 Vdc
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Draad Kleur en functie van draad
besturing
Ê
Ë
Ì
Í
Î
Functie van draad NMEA
0183 compatibel toestel
n.‍v.‍t.‍
Voeding
Groen — Rx/B (-) (aansluiten op
NMEA 0183 aarde)
NMEA 0183 aarde
Blauw — Tx/A (+)
Rx/A (+)
Wit — Tx/B (-)
Rx/B (-)
Bruin — Rx/A (+)
Tx/A (+)
OPMERKING: Als u een NMEA 0183 toestel met slechts één
zendende draad (Tx) aansluit, moeten de NMEA 2000 bus en
het NMEA 0183 toestel op een gemeenschappelijke aarding
worden aangesloten.‍
Specificaties
SmartPump
Specificatie
Waarden
Afmetingen (H×B×D) 197 x 190 x 244 mm (7¾ × 7½ × 95/8 in.‍)
À
Á
Â
Ã
Gewicht
7,5 kg (16,5 lbs)
Temperatuurbereik
Van -15 tot 55°C (van 5 °F tot 131 °F)
Materiaal
• ECU (Electronics control unit): volledig
afgedicht, aluminiumlegering
• Steun: koolstofstaal
• Spruitstuk: aluminiumlegering
• Motor: aluminiumlegering
NMEA 2000 netwerk (levert voeding aan de bediening)
Voedingsbron van 12 Vdc
Bediening
NMEA 0183 compatibel toestel
Lengte voedingskabel 2,7 m (9 ft.‍)
Vermogen
11,5–30 VDC
19
Specificatie
Waarden
Zekering
Stroomverbruik
Type
PGN
Beschrijving
40 A, plat
127488
• Standby: minder dan 1 A
• Ingeschakeld: 5–10 A
• Piek: 34 A
Motorparameters Snelle update
128259
Watersnelheid
129025
Positie - Snelle update
129026
COG & SOG - Snelle
update
129283
Koersafwijking
129284
Navigatiegegevens
130306
Windgegevens
CCU
Specificatie
Waarden
Afmetingen (diameter) 91,4 mm (319/32 inch)
Gewicht
159 g (5,6 oz.‍)
Temperatuurbereik
Van -15 tot 60°C (5 tot 140 °F)
Materiaal
Volledig afgedicht, schokbestendig kunststof,
waterbestendig conform IEC 60529 IPX7-norm
Lengte CCU-kabel
5 m (16 ft.‍)
NMEA 2000 LEN
3 (150 mA)
Bediening
Type
PGN
Beschrijving
Zenden en
ontvangen
059392 ISO Bevestiging
059904 ISO Aanvraag
Bediening
060928 ISO Adresreservering
Specificatie
Waarde
Afmetingen zonder
zonneklep (H×B×D)
110 x 115 x 30 mm (4,33 x 4,53 x 1,18
inch)
Afmetingen met zonneklep
(H×B×D)
115 x 120 x 35,5 mm (4,53 x 4,72 x 1,40
inch)
Gewicht zonder zonneklep
247 g (8,71 oz.‍)
Gewicht met zonneklep
283 g (9,98 oz.‍)
129025 Positie - Snelle update
Temperatuurbereik
Van 5° tot 158°F (van -15° tot 70°C)
129026 COG & SOG - Snelle update
Kompasveilige afstand
209 mm (8,25 inch)
129283 Koersafwijking
Materiaal
Behuizing: volledig afgedicht
polycarbonaat, waterbestendig conform
IEC-standaard 60529 IPX7
Lens: glas met antireflecterende
behandeling
129284 Navigatiegegevens
126208 NMEA - Opdracht/Aanvraag/Bevestiging
(groepfunctie)
126464 PGN List Group-functie verzenden/
ontvangen
126996 Productinformatie
Alleen zenden
128259 Watersnelheid
129540 GNSS-satellieten in weergavemodus
130306 Windgegevens
Alleen
ontvangen
127245 Roergegevens
Stroomverbruik
2,5 W max.‍
Max.‍ voedingsspanning
32 V gelijkstroom
127250 Koers van schip
NMEA 2000ingangsspanning
9 - 16 V gelijkstroom
127488 Motorparameters - Snelle update
NMEA 2000 Load
Equivalency Number (LEN)
6 (300 mA bij 9 V gelijkstroom)
128259 Watersnelheid
129025 Positie - Snelle update
129029 GNSS-positiegegevens
Alarm
129283 Koersafwijking
Specificatie
Afmetingen
129284 Navigatiegegevens
Afmetingen (L×diameter)
23 × 25 mm (29/32 × 1 inch)
129285 Navigatie - Route/WP-gegevens
Gewicht
68 g (2,4 oz.‍)
130306 Windgegevens
Temperatuurbereik
Van -15 tot 60°C (5 tot 140 °F)
130576 Status kleine vaartuigen
Kabellengte
3,0 m (10 ft.‍)
NMEA 0183 informatie
Als optionele NMEA 0183 compatibele toestellen op de
stuurautomaat zijn aangesloten, worden op de stuurautomaat
de volgende NMEA 0183 telegrammen gebruikt.‍
NMEA 2000 PGN-informatie
CCU
Type
PGN
Beschrijving
Type
Telegram
ISO Bevestiging
Zenden
hdg
059904
ISO Aanvraag
Ontvangen
wpl
060928
ISO Adresreservering
gga
126208
NMEA - Opdracht/
Aanvraag/Bevestiging
(groepfunctie)
grme
Zenden en ontvangen 059392
Alleen zenden
Alleen ontvangen
20
gsa
gsv
126464
PGN List Groupfunctie verzenden/
ontvangen
126996
Productinformatie
bwc
127245
Roergegevens
dtm
127250
Koers van schip
gll
127245
Roergegevens
rmb
127258
Magnetische variatie
vhw
rmc
bod
Type
OPMERKING: Als u op een motorboot de instelling Speed
Source inschakelt, moet u de van toepassing zijnde instellingen
voor Verify Tachometer, Low RPM Limit, High RPM Limit,
Planing RPM, Planing Speed of Max.‍ Speed controleren
voordat u de stuurautomaat automatisch afstemt (pagina 17).‍
Telegram
mwv
xte
Fout- en waarschuwingsberichten
Foutbericht
Oorzaak
ECU Voltage is
Low
De pompvoedingsspanning is • Er klinkt een
langer dan 6 seconden tot
alarm gedurende
lager dan 10 VDC gedaald.‍
5 seconden
• De normale
werking wordt
hervat
Autopilot is not
receiving
navigation data.‍
Autopilot placed
in Heading Hold.‍
De stuurautomaat ontvangt
• Er klinkt een
geen geldige
alarm gedurende
navigatiegegevens tijdens het
5 seconden
uitvoeren van een Route• Stuurautomaat
naar-manoeuvre.‍
schakelt over
Dit bericht wordt ook
naar vaste
weergegeven als de navigatie
voorliggende
wordt gestopt op een
koers
kaartplotter voordat de
stuurautomaat wordt
gedeactiveerd.‍
Connection with
Autopilot Lost
De roerbesturing heeft geen N.‍v.‍t.‍
verbinding meer met de CCU.‍
Lost Wind Data
(alleen zeilboot)
De stuurautomaat ontvangt
geen geldige windgegevens
meer.‍
Low GHC™
Supply Voltage
Het voedingsspanningsniveau N.‍v.‍t.‍
is gedaald tot onder de
waarde die is opgegeven in
het menu voor het
laagspanningsalarm.‍
Error: ECU High
Voltage
De pompvoedingsspanning is • De ECU wordt
tot boven 33,5 VDC gestegen.‍
uitgeschakeld
Error: ECU
De ECU-spanning is snel
Voltage has
gedaald tot lager dan 7,0
Dropped Rapidly VDC.‍
Actie van
stuurautomaat
• Er klinkt een
alarm gedurende
5 seconden
• Stuurautomaat
schakelt over
naar vaste
voorliggende
koers
• Er klinkt een
alarm tot dit wordt
bevestigd.‍
• De fout wordt
opgeheven
wanneer de ECUspanning tot
boven 7,3 VDC is
gestegen.‍
Error: ECU High
Temperature
De ECU-temperatuur is
• Er klinkt een
gestegen tot hoger dan 100°C
alarm gedurende
(212°F).‍
5 seconden
• De pomp is
uitgeschakeld
Error: Lost
Communication
Between ECU
and CCU (bij
ingeschakelde
stuurautomaat)
Time-out van communicatie
tussen de CCU en de pomp.‍
• De roerbesturing
piept en de
stuurautomaat
schakelt over
naar stand-by.‍
Gedetailleerde configuratie-instellingen
Hoewel de configuratie meestal met een wizard wordt
uitgevoerd, kunt u elke instelling handmatig wijzigen om de
stuurautomaat af te stellen.‍
Geavanceerde configuratie-instellingen zijn alleen beschikbaar
als u Dealer Mode gebruikt (pagina 18).‍ Gebruikersinstellingen
zijn beschikbaar tijdens normale activiteit van de stuurautomaat.‍
Zie voor meer informatie het gedeelte over configuratie in de
gebruikershandleiding die bij de stuurautomaat is geleverd.‍
OPMERKING: Afhankelijk van de configuratie van de
stuurautomaat, zijn bepaalde instellingen niet beschikbaar.‍
Instellingen voor het afstemmen van de stuurautomaat
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration om
het scherm met de instellingen voor het afstemmen van de
stuurautomaat te openen.‍
Acceleration Limiter: Hiermee beperkt u de snelheid waarmee
de stuurautomaat koerswijzigingen maakt.‍ Verhoog het
percentage om de snelheid van koerswijzigingen te
beperken.‍ Verlaag het percentage om de snelheid van
koerswijzigingen te verhogen.‍
De bron van de snelheid instellen
OPMERKING: De bron van de snelheid kan alleen voor
motorboten worden ingesteld.‍
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration >
Speed Source Setup om het scherm met instellingen te
openen.‍
Speed Source: Hiermee kunt u de gewenste bron selecteren.‍
Verify Tachometer: Hiermee kunt u de RPM-waarden op de
bediening vergelijken met die van de tachometers op het
dashboard van uw boot.‍
Planing RPM: Hiermee past u de RPM-waarden op de
bediening aan als uw boot overgaat van verplaatsing naar
planeersnelheid.‍ Als de waarde niet overeenkomt met de
waarde op de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.‍
Planing Speed: Hiermee past u de planeersnelheid van uw
boot aan.‍ Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op
de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.‍
Low RPM Limit: Hiermee past u het laagste RPM-punt van uw
boot aan.‍ Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op
de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.‍
High RPM Limit: Hiermee past u het hoogste RPM-punt van
uw boot aan.‍ Als de waarde niet overeenkomt met de
waarde op de bediening, kunt u deze waarde aanpassen.‍
Max.‍ Speed: Hiermee past u de maximumsnelheid van uw boot
aan.‍ Als de waarde niet overeenkomt met de waarde op de
bediening, kunt u deze waarde aanpassen.‍
Instellingen voor de roerversterking
OPMERKING: Als u te hoge waarden instelt, kan de
stuurautomaat overactief worden en bij de geringste afwijking
de koers gaan corrigeren.‍ Een overactieve stuurautomaat zorgt
voor snelle slijtage van de pomp en trekt ook de accu sneller
leeg dan normaal.‍
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration >
Rudder Gains om het scherm met instellingen te openen.‍
Gain: Hiermee stelt u in hoe strak het roer koers houdt en
koerswijzigingen maakt (alleen zeilboten).‍
Counter Gain: Hiermee stelt u in hoe strak het roer een
overschrijding van de koerswijziging corrigeert (alleen
zeilboten).‍ Als u een te hoge waarde instelt, kan de
stuurautomaat een koerswijziging overschrijden bij een
poging de originele koerswijziging te corrigeren.‍
Low Speed: Hiermee stelt u de roerversterking bij lage snelheid
in (alleen motorboten).‍ Deze instelling is van toepassing als
het schip langzamer dan de planeersnelheid vaart.‍
Low Speed Counter: Hiermee stelt u de correctie van de
roerversterking bij lage snelheid in (alleen motorboten).‍ Deze
instelling is van toepassing als het schip langzamer dan de
planeersnelheid vaart.‍
High Speed: Hiermee stelt u de roerversterking bij hoge
snelheid in (alleen motorboten).‍ Deze instelling is van
21
toepassing als het schip sneller dan de planeersnelheid
vaart.‍
High Speed Counter: Hiermee stelt u de correctie van de
roerversterking bij hoge snelheid in (alleen motorboten).‍
Deze instelling is van toepassing als het schip sneller dan de
planeersnelheid vaart.‍
Navigatie-instellingen
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration >
Navigation Setup om navigatie-instellingen te maken.‍
Fine Heading Adjustment: Hiermee stelt u de koerslijn
(koerscorrectie) voor de stuurautomaat in.‍
Navigation Gain: Hiermee stelt u in hoe precies de
stuurautomaat een koersafwijking corrigeert wanneer een
route wordt gevolgd.‍
Als u een te hoge waarde instelt, kan de stuurautomaat over
een lange afstand heen en weer over de koerslijn oscilleren.‍
Als de waarde te laag is, reageert de stuurautomaat te traag
bij de correctie van een koersafwijking.‍
Navigation Trim Gain: Hiermee stelt u een acceptabele
koersafwijking over een grote afstand voor een route in.‍ Geef
hier alleen een waarde op als u ook de optie Navigation Gain
hebt ingesteld.‍
Als de waarde te hoog is, zal de stuurautomaat de
koersafwijking overcompenseren.‍ Als de waarde te laag is,
staat de stuurautomaat een grote koersafwijking over een
grote afstand toe.‍
NMEA navigatie-instellingen
OPMERKING: NMEA navigatie-instellingen zijn alleen van
toepassing als een NMEA 0183 GPS-toestel op de
stuurautomaat is aangesloten.‍
Open het scherm met de NMEA-instellingen door Menu >
Setup > Dealer Autopilot Configuration > Navigation Setup
> NMEA Setup te selecteren.‍
NMEA Checksum: Als deze optie is ingesteld op Off kunt u het
aangesloten NMEA 0183 GPS-toestel ook gebruiken als
controlesommen verkeerd worden berekend.‍ Bij de instelling
Off wordt de gegevensintegriteit niet gewaarborgd.‍
Reversed XTE: Hiermee kunt u de stuurrichting corrigeren als
het aangesloten NMEA 0183 GPS-toestel een onjuiste
stuurrichting verzendt met een koersafwijkingsignaal.‍
Instellingen voor de roersensor
OPMERKING: Instellingen voor de roersensor zijn alleen van
toepassing als er een roersensor op de stuurautomaat is
aangesloten.‍
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration >
Steering System Setup > Rudder Sensor Setup om het
scherm met instellingen te openen.‍
Max.‍ Port Angle: Hiermee stelt u de maximale hoek in die door
het roer naar bakboord wordt gemaakt.‍
Max.‍ Starboard Angle: Hiermee stelt u de maximale hoek in
die door het roer naar stuurboord wordt gemaakt.‍
Calibrate Rudder Sensor: Hiermee start u een procedure
waarmee de maximale bewegingsuitslag van het roer wordt
bepaald en de roerpositiesensor wordt gekalibreerd.‍ Als
tijdens kalibratie een fout ontstaat, heeft de roerpositiesensor
waarschijnlijk de maximumwaarde bereikt.‍ De sensor is
mogelijk niet goed geïnstalleerd.‍ Als het probleem zich blijft
voordoen, kunt u deze fout overslaan door het roer naar de
uiterste positie te bewegen waar geen fout wordt gemeld.‍
Calibrate Rudder Center: Hiermee start u een procedure
waarmee de middenpositie van het roer wordt bepaald.‍
Gebruik deze kalibratie als de roerpositieaanduiding op het
scherm niet overeenkomt met de echte middenpositie op uw
boot.‍
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie nog vandaag in, zodat wij u beter
kunnen helpen.‍
• Ga naar http:​/‍​/‍my​.garmin​.com.‍
• Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een
veilige plek.‍
Contact opnemen met Garmin Product Support
• Ga naar www.garmin.com/‍support en klik op Contact
Support voor ondersteuningsinformatie in uw regio.‍
• Bel in de VS met (913) 397.‍8200 of (800) 800.‍1020.‍
• Bel in het VK met 0808 2380000.‍
• Bel in Europa met +44 (0) 870.‍8501241.‍
De besturing instellen
Selecteer Menu > Setup > Dealer Autopilot Configuration >
Steering System Setup om het scherm met instellingen te
openen.‍
Verify Steering Dir.‍: Hiermee stelt u de richting in waarin het
roer moet bewegen om het vaartuig naar bakboord en naar
stuurboord te draaien.‍ U kunt de stuurrichting vervolgens
testen en omdraaien.‍
Garmin International, Inc.
1200 East 151st Street
Olathe, Kansas 66062, VS
Garmin (Europe) Ltd.
Liberty House, Hounsdown Business Park
Southampton, Hampshire, SO40 9LR, Verenigd
Koninkrijk
Garmin® en het Garmin-logo zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde
Staten en andere landen. GHP™, GHC™ en Shadow Drive™ zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen.
Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
NMEA® en NMEA 2000® zijn handelsmerken van de National Marine Electronics Association. Uflex® en MasterDrive™ zijn
gedeponeerde handelsmerken van de UltraFlex Group. Teflon® is een handelsmerk van DuPont™.
Garmin Corporation
No. 68, Zhangshu 2nd Road, Xizhi Dist.
New Taipei City, 221, Taiwan (Republiek China)
© 2013 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
www.garmin.com/support
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising