Garmin | GPSMAP 4010 | Operating instructions | Garmin GPSMAP 4010 gebruiksaanwijzing

Garmin GPSMAP 4010 gebruiksaanwijzing
GPSMAP 4000/5000-serie
®
gebruikshandleiding
© 2009–2011 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Alle rechten voorbehouden. Behoudens voor zover uitdrukkelijk hierin voorzien, mag geen enkel deel van deze handleiding worden
vermenigvuldigd, gekopieerd, overgebracht, verspreid, gedownload of opgeslagen in enig opslagmedium voor enig doel zonder vooraf de
uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van Garmin te hebben verkregen. Garmin verleent hierbij toestemming voor het downloaden naar een
harde schijf of ander elektronisch opslagmedium van een enkele kopie van deze handleiding of van elke revisie van deze handleiding voor het
bekijken en afdrukken van een enkele kopie van deze handleiding of van elke revisie van deze handleiding, mits deze elektronische of afgedrukte
kopie van deze handleiding de volledige tekst van deze copyrightbepaling bevat en gesteld dat onrechtmatige commerciële verspreiding van deze
handleiding of van elke revisie van deze handleiding uitdrukkelijk is verboden.
Informatie in dit document kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Garmin behoudt zich het recht voor om haar producten te
wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud zonder de verplichting personen of organisaties over dergelijke wijzigingen
of verbeteringen te informeren. Ga naar de website van Garmin (www.garmin.com) voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het
gebruik en de werking van dit product en andere Garmin-producten.
Garmin®, het Garmin-logo, GPSMAP®, AutoLocate®, BlueChart®, g2 Vision® en MapSource® zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar
dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. GFS™, GHP™, GMR™, GSD™, HomePort™ en UltraScroll™
zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochterondernemingen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder uitdrukkelijke
toestemming van Garmin. NMEA 2000® en het NMEA 2000-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van de National Maritime Electronics
Association. Windows® is een geregistreerd handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en andere landen. XM® en XM WX
Satellite Weather® zijn gedeponeerde handelsmerken van XM Satellite Radio Inc.
Inleiding
Inleiding
 WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
In deze handleiding vindt u informatie over de volgende producten:
•
•
•
•
•
•
GPSMAP® 4008
GPSMAP 4010
GPSMAP 4012
GPSMAP 5008
GPSMAP 5012
GPSMAP 5015
Tips en snelkoppelingen
•
•
•
•
Selecteer Thuis in een scherm om terug te keren naar het startscherm.
Selecteer Menu in een hoofdscherm  om toegang te krijgen tot de aanvullende instellingen.
Selecteer de aan-uitknop om de weergave-instellingen van schermverlichting en kleurmodus aan te passen.
Houd de aan-uitknop langer ingedrukt om de kaartplotter in of uit te schakelen.
Uitleg over de handleiding
•
•
•
•
Wanneer u wordt gevraagd een item te selecteren:
◦◦ Druk bij de GPSMAP 4000-serie op de schermtoets aan de rechterkant van het scherm.
◦◦ Tik bij de GPSMAP 5000-serie met uw vinger op het betreffende item op het scherm.
Wanneer u wordt gevraagd een locatie te selecteren in een scherm met navigatie-, weer-, radar- of echoloodgegevens:
◦◦ Druk bij de GPSMAP 4000-serie op de tuimelschakelaar om de positie met behulp van de cursor ( ) te selecteren.
◦◦ Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de navigatiekaart om de positie met behulp van de cursor ( ) te selecteren.
Wanneer u wordt gevraagd tekst of numerieke tekens in te voeren:
◦◦ Gebruik bij de GPSMAP 4000-serie de tuimelschakelaar of het numerieke toetsenblok.
◦◦ Gebruik bij de GPSMAP 5000-serie het schermtoetsenbord.
Pijlen (>) in de tekst geven aan in welke volgorde u de items moet selecteren. Als er bijvoorbeeld Selecteer Kaarten >
Navigatiekaart staat, moet u eerst Kaarten selecteren en vervolgens Navigatiekaart.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
iii
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
Inleiding...............................................................iii
Tips en snelkoppelingen.................................................iii
Uitleg over de handleiding..............................................iii
Aan de slag..........................................................1
Voor- en achterpaneel.................................................... 1
De kaartplotter inschakelen............................................ 2
De kaartplotter uitschakelen........................................... 2
De begininstellingen van de kaartplotter........................ 2
Zoeken van het GPS-satellietsignaal............................. 2
De schermverlichting aanpassen................................... 2
De kleurmodus aanpassen............................................. 3
Gegevens- en geheugenkaarten plaatsen en
verwijderen.................................................................. 3
Systeeminformatie weergeven....................................... 3
Informatie over het startscherm...................................... 4
Weergave van kaarten en 3D-kaarten................5
Navigatiekaart................................................................ 5
Automatic Identification System................................... 15
Perspective 3D............................................................. 19
Radaroverlay................................................................ 21
BlueChart g2 Vision...................................................... 21
Mariner's Eye 3D.......................................................... 22
Fish Eye 3D.................................................................. 23
Viskaart......................................................................... 24
Satellietbeelden op de navigatiekaart weergeven........ 25
Luchtfoto's van oriëntatiepunten weergeven................ 26
Bewegende indicaties voor getijden en stromingen..... 26
Gedetailleerde gegevens over wegen en
nuttige punten............................................................ 26
Autobegeleiding............................................................ 26
Combinaties.......................................................27
Het combinatiescherm.................................................. 27
Het combinatiescherm instellen................................... 27
Navigatie............................................................31
Elementaire navigatievragen........................................ 31
Navigatie met een kaartplotter..................................... 31
Waypoints..................................................................... 32
Routes.......................................................................... 33
Sporen.......................................................................... 36
Navigeren met een Garmin-stuurautomaat.................. 38
De radar richten............................................................ 68
Waypoints en routes op het radarscherm..................... 72
Info over de radaroverlay............................................. 73
Het radarbeeld optimaliseren....................................... 74
Presentatie van het radarbeeld.................................... 80
Presentatie van het radaroverlaybeeld......................... 84
Echolood............................................................87
Echoloodweergaven..................................................... 87
Watertemperatuurlog.................................................... 88
Waypoints in het echoloodscherm................................ 88
Instellingen voor het echoloodscherm.......................... 89
Frequenties.................................................................. 91
Presentatie van het echoloodscherm........................... 92
Echoloodalarmen......................................................... 94
De transducer instellen................................................. 95
DSC (Digital Selective Calling).........................97
Kaartplotter en marifoonfunctionaliteit.......................... 97
DSC inschakelen.......................................................... 97
Informatie over de DSC-lijst......................................... 97
Inkomende noodoproepen........................................... 98
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren via een
marifoon..................................................................... 98
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren vanaf de
kaartplotter................................................................. 98
Positie bijhouden.......................................................... 98
Persoonlijke standaardoproepen................................ 100
Een individuele routineoproep voor een AIS-doel...... 101
Appendix..........................................................102
Specificaties............................................................... 102
Het aanraakscherm van de GPSMAP 5000-serie
kalibreren................................................................. 103
Schermafbeeldingen.................................................. 103
GPS-satellietlocaties weergeven................................ 103
Systeeminformatie...................................................... 103
NMEA 0183 en NMEA 2000....................................... 104
Het toestel registreren................................................ 107
Contact opnemen met Garmin Product Support........ 107
Conformiteitverklaring................................................ 107
Softwarelicentieovereenkomst................................... 107
Index.................................................................108
Waarheen?.........................................................39
Watersportdiensten als bestemming............................ 39
Almanak-, omgevings- en bootgegevens.......42
Almanakgegevens........................................................ 42
Omgevingsgegevens.................................................... 44
Bootgegevens.............................................................. 47
Het toestel instellen..........................................51
Standaardvragen over het instellen van het toestel..... 51
Simulatormodus........................................................... 51
Het scherm instellen..................................................... 52
avigatievoorkeuren....................................................... 52
Informatie over uw boot................................................ 59
Alarmen........................................................................ 59
Beheer van kaartplottergegevens................................ 60
Netwerktoestellen configureren.................................... 62
Radar..................................................................63
Radarsignalen.............................................................. 63
Weergavemodi voor de radar....................................... 64
iv
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Aan de slag
Aan de slag
Voor- en achterpaneel
➋
➎
➊
➌
➍
➏
➐
➑
GPSMAP 4012
➊
➋
➑
GPSMAP 5008
Item
Beschrijving
➊
Aan-uitknop
➋
Sensor automatische schermverlichting
➌
Bereiktoetsen
➍
Tuimelschakelaar
➎
Schermtoetsen
➏
De knoppen MARK, SELECT, MENU en HOME
➐
Numeriek toetsenblok (alleen 4012 en 4212)
➑
Uitsparing voor gegevenskaart
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
1
Aan de slag
➋
➌
➊
➍
Item
Beschrijving
➊
Netwerkconnectors
➋
NMEA 2000-connector
➌
Stroomconnector
➍
Videoconnector
➎
NMEA 0183-connector
➎
De kaartplotter inschakelen
Selecteer
.
De kaartplotter uitschakelen
Houd
ingedrukt.
De begininstellingen van de kaartplotter
Wanneer u de kaartplotter voor het eerst gaat gebruiken, moet u een aantal begininstellingen configureren. U moet deze
instellingen ook configureren wanneer u de fabrieksinstellingen herstelt (pagina 104). Deze instellingen kunnen naderhand
afzonderlijk worden bijgewerkt.
De begininstellingen van de kaartplotter configureren
Volg de instructies op het scherm om de begininstellingen te configureren.
Zoeken van het GPS-satellietsignaal
Wanneer u de kaartplotter inschakelt, moet de GPS-ontvanger de gegevens van de satellieten verzamelen en de actuele locatie
bepalen. Wanneer de kaartplotter satellietsignalen ontvangt, worden de signaalsterktebalken boven aan het startscherm groen
. Wanneer de kaartplotter het satellietsignaal verliest, verdwijnen de groene balken en
knippert er een vraagteken op het
voertuigpictogram (boot) op het kaartscherm.
Ga voor meer informatie over GPS naar www.garmin.com/aboutGPS.
De schermverlichting aanpassen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Pieper/scherm > Schermverlichting > Schermverlichting.
Tip: selecteer in een scherm om het venster Scherm weer te geven.
2. De schermverlichting aanpassen:
• Selecteer Auto als u de kaartplotter de schermverlichting automatisch wilt laten aanpassen, op basis van het
omgevingslicht.
• Selecteer Omhoog of Omlaag als u de schermverlichting handmatig wilt aanpassen.
2
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Aan de slag
De kleurmodus aanpassen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Pieper/scherm > Schermverlichting.
Tip: selecteer in een scherm om het venster Scherm weer te geven.
2. Selecteer Kleurmodus.
3. Selecteer Dagkleuren, Nachtkleuren of Auto.
Met de instelling Automatisch wordt het kleurschema automatisch aan de zonsopkomst en -ondergang aangepast.
Gegevens- en geheugenkaarten plaatsen en verwijderen
U kunt de optionele BlueChart® g2 Vision®-gegevenskaarten plaatsen om satellietbeelden met een hoge resolutie en luchtfoto's
van havens, jachthavens en andere interessante locaties weer te geven. U kunt een lege SD-geheugenkaart in het toestel plaatsen
om gegevens, zoals de waypoints, routes en sporen, naar een andere, compatibele Garmin-kaartplotter of een computer over te
zetten (pagina 60). De gegevenskaartuitsparing vindt u aan de voorkant van de kaartplotter.
•
•
Open het klepje, steek de gegevenskaart (met het label ➊ naar rechts voor een verticale uitsparing of omhoog voor een
horizontale uitsparing) in de sleuf en duw op de kaart totdat deze vastklikt.
U verwijdert een geplaatste kaart door op de kaart te duwen waarna deze enigszins naar buiten komt.
➊
➊
Horizontale SD-kaartuitsparing
Verticale SD-kaartuitsparing
Systeeminformatie weergeven
U kunt de softwareversie, de basiskaartversie, aanvullende kaartinformatie (indien beschikbaar) en de toestel-ID weergeven.
U kunt deze gegevens nodig hebben om de systeemsoftware bij te werken of aanvullende kaartgegevens aan te schaffen.
Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Systeeminformatie.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
3
Aan de slag
Informatie over het startscherm
Via het startscherm hebt u toegang tot alle andere schermen.
Opmerking: de beschikbare opties in dit scherm zijn afhankelijk van het type kaartplotter en de overige aangesloten
toestellen.
Startscherm van de GPSMAP 4000-serie
Startscherm van de GPSMAP 5000-serie
Menu-item
Beschrijving
Kaarten
Hiermee hebt u toegang tot de volgende kaarten: de navigatiekaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D, Fish
Eye 3D, de viskaart en de radaroverlay (pagina 5).
Opmerking: Mariner's Eye 3D en Fish Eye 3D zijn alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Visiongegevenskaart gebruikt (pagina 21). De viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Visiongegevenskaart of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning
biedt voor viskaarten.
Echolood
Hiermee kunt u echoloodinformatie instellen en ontvangen (alleen beschikbaar als de kaartplotter is
aangesloten op een Garmin-echoloodmodule) (pagina 87).
Combinaties
Hiermee stelt u een gedeeld scherm in, met kaart-, echolood-, radar- motor- en brandstofgegevens en video
in twee of drie vensters (pagina 27).
Informatie
Toont informatie over bijvoorbeeld getijden, stromingen, zon- en maanstanden, gebruikersgegevens, andere
schepen, meters en video(pagina 42).
Markeer
Hiermee markeert, bewerkt, of verwijdert u uw huidige locatie als een waypoint- of een man-overboord-locatie
(pagina 33).
Waarheen?
Bevat navigatiefuncties (pagina 39).
Radar
Hiermee kunt u de radar instellen en weergeven (alleen beschikbaar als de kaartplotter is aangesloten op
een Garmin-scheepsradar) (pagina 63).
Weer
(alleen in Noord-Amerika) hiermee stelt u de diverse weerparameters in en geeft u die weer, zoals neerslag,
weersverwachting, visvooruitzichten, situatie op zee en zichtbaarheid (alleen beschikbaar als de kaartplotter
is aangesloten op een weermodule en u een XM®-abonnement hebt afgesloten). Zie het XM WX Satellite
Weather® en XM Satellite Radio Supplement (alleen in Noord-Amerika).
Instellen
Hiermee kunt u de instellingen van de kaartplotter en het systeem weergeven en wijzigen (pagina 51).
Man-over-boord
Hiermee markeert u uw huidige positie als een waypoint en wordt een koers berekend die terugvoert naar de
gemarkeerde locatie (pagina 33).
4
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Alle kaartplotters uit de GPSMAP 4000/5000-serie zijn voorzien van een eenvoudige basiskaart. De GPSMAP 4208-, 4210-,
4212-, 5208-, 5212-, en 5215-kaartplotters hebben ingebouwde, gedetailleerde BlueChart g2-cartografie voor de Amerikaanse
wateren. De onderstaande kaarten en 3D-kaartweergaven zijn beschikbaar op de kaartplotter.
Opmerking: Mariner's Eye 3D en Fish Eye 3D zijn alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt
(pagina 21). De viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart of een BlueChart g2-gegevenskaart
gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten.
Voorliggende koers
Beschrijving
Navigatiekaart
Geeft alle beschikbare navigatiegegevens weer die op de vooraf geïnstalleerde kaarten en eventuele extra
kaarten beschikbaar zijn. Deze gegevens omvatten boeien, lichten, kabels, dieptepeilingen, jachthavens en
getijdenstations in één overzichtskaart (pagina 5).
Perspective 3D
Geeft een panoramisch beeld van boven en achter uw boot voor een betere visuele herkenning
(pagina 19).
Mariner's Eye 3D
Geeft een gedetailleerd driedimensionaal beeld van boven en achter uw boot voor een betere visuele
herkenning‑ (pagina 22).
Fish Eye 3D
Geeft een panoramisch onderwaterbeeld met visuele weergave van de zeebodem op basis van de
kaartinformatie (pagina 23).
Viskaart
Verwijdert de navigatiegegevens van de kaart en benadrukt de bodemgegevens voor dieptewaarneming
(pagina 24).
Radaroverlay
Projecteert radargegevens over de navigatiekaart of viskaart heen (pagina 73).
Navigatiekaart
Gebruik de navigatiekaart om uw koers te bepalen en kaartinformatie weer te geven, en als navigatiehulpmiddel.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart.
➍
➊
➎
➋
➏
➌
➐
Navigatiekaart met BlueChart g2 Vision-gegevens
➊
Watersportdiensten
➎
Uw boot
➋
Zichtbaar wrak
➏
Boei
➌
Wrak onder water
➐
Zoomschaal
➍
Baken
Op de kaart in- en uitzoomen
Het zoomniveau wordt aangegeven door het schaalnummer onder aan de navigatiekaart (
de afstand op de kaart weer.
•
•
). Het balkje onder het cijfer geeft
Druk bij de GPSMAP 4000-serie op een van de bereiktoetsen (-/+) om uit of om in te zoomen.
of
om uit of in te zoomen.
Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de knop
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
5
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Kaartsymbolen
BlueChart g2- en BlueChart g2 Vision-kaarten gebruiken grafische symbolen om kaartkenmerken aan te duiden, conform de
Amerikaanse en internationale normen. Hieronder ziet u enkele andere algemene symbolen die u kunt tegenkomen.
Pictogram Beschrijving
Stromingenstation
Informatie
Watersportdiensten
Getijdenstation
Foto van bovenaf beschikbaar
Perspectieffoto beschikbaar
Andere functies die op de meeste kaarten voorkomen zijn dieptelijnen (bij diep water zijn deze wit), getijdenzones,
dieptepeilingen (zoals weergegeven op de originele papieren kaart), navigatiehulpmiddelen en symbolen, en obstakels en
kabelgebieden.
Navigeren naar een punt op een kaart
 LET OP
De functie Autobegeleiding van de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart is gebaseerd op elektronische kaartinformatie. De
gegevens garanderen niet dat de route vrij is van obstakels en dat deze diep genoeg is. Vergelijk de koers met alle visuele
waarnemingen en vermijd land, ondiep water en andere obstakels die u kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik
visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden.
Opmerking: de viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart of een BlueChart g2gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
Selecteer waar u naartoe wilt.
Selecteer Navigeren naar.
Selecteer een optie:
• Selecteer Ga naar als u rechtstreeks naar de positie wilt navigeren.
• Selecteer Route naar als u een route naar de locatie wilt maken, inclusief koerswijzigingen (pagina 34).
• Selecteer Begeleid naar als u de functie Autobegeleiding wilt gebruiken (pagina 26).
6. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Opmerking: als u de functie Autobegeleiding gebruikt, geeft een grijze lijn binnen de magenta lijn aan dat de functie
Autobegeleiding een deel van de automatische begeleiding niet kan berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen
voor een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en obstakelhoogte (pagina 53).
7. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
1.
2.
3.
4.
5.
De navigatiekaart of viskaart verschuiven
U kunt het beeld van uw huidige positie op de navigatiekaart, viskaart of radaroverlay naar een andere positie schuiven.
Opmerking: de viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart of een BlueChart g2gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten. De radaroverlay is beschikbaar als het
toestel op een compatibele radar is aangesloten.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
6
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Bij de GPSMAP 4000-serie verschuift u de kaart op met de tuimelschakelaar.
• Bij de GPSMAP 5000-serie verschuift u de kaart op door deze met een vinger te verschuiven.
Als u voorbij de rand van de kaart schuift, schuift het scherm mee, zodat de route die u volgt continu zichtbaar blijft. Het
) blijft op uw huidige locatie staan. Als het positiepictogram tijdens het schuiven van de kaart
positiepictogram (
verdwijnt, wordt er een klein venster (ijkaart) aan de linkerzijde van het scherm weergegeven, zodat u uw huidige positie kunt
bijhouden. De coördinaten van de cursor staan linksboven op de kaart en daarbij staan tevens de afstand en de peiling van de
cursor vanaf uw huidige locatie.
➊
➋
➌
➎
➍
➊
Cursorcoördinaten
➋
Cursorafstand en peiling vanaf huidige positie
➌
Cursor
➍
Bijkaart
➎
Verschuifopties
4. Selecteer Stop schuiven om het schuiven te stoppen en terug te keren naar uw huidige positie.
Een bijkaart weergeven
U kunt zelf bepalen of er een bijkaart bij de navigatiekaart of de viskaart moet worden weergegeven.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2- of BlueChart g2 Vision-gegevenskaart, of
door te updaten naar meest actuele ingebouwde kaart.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
Selecteer Menu > Kaartinstelling > Bijkaart.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aan als u de bijkaart altijd wilt laten weergeven.
• Selecteer Uit als u de bijkaart nooit wilt laten weergeven.
• Selecteer Auto als u de bijkaart tijdens het schuiven wilt laten weergeven wanneer het positiepictogram (
op het scherm staat.
) niet meer
De weergave van waypoint-symbolen configureren
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart, Viskaart of Radaroverlay.
3. Selecteer Menu >Waypoints en tracks > Waypoint-weergave.
4. Selecteer een waypointsymbool.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
7
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
5. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Label om de naam en het symbool weer te geven.
• Selecteer Opmerking om de opmerkingen weer te geven die u hebt toegevoegd.
• Selecteer Symbool om alleen het symbool weer te geven.
• Selecteer Verberg om het symbool te verbergen.
De kleur van het actieve spoor instellen
Zie (pagina 37).
Gekleurde sporen weergeven of verbergen
U kunt de kleur van de sporen opgeven (pagina 37) en vervolgens alle sporen met een bepaalde kleur weergeven of verbergen.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart of Radaroverlay.
Selecteer Menu >Waypoints en tracks > Tracks weergave.
Selecteer de kleur van de sporen die u wilt weergeven of verbergen.
Informatie over locaties en objecten op een kaart weergeven
Op de navigatiekaart of de viskaart kunt u informatie over een locatie of een object bekijken.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
3. Selecteer een locatie of een object.
Er wordt een lijst met opties rechts van de kaart weergegeven. Het hangt van de locatie of het object af welke opties er in de
lijst staan.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Herzie om de details van objecten in de buurt van de cursor weer te geven. (Herzie wordt niet weergegeven
als de cursor niet vlak bij een object staat. Staat de cursor in de buurt van één object, dan wordt de naam van dat object
weergegeven.)
• Selecteer Navigeren naar om naar de geselecteerde locatie te gaan (pagina 6).
• Selecteer Waypoint maken om een waypoint te maken op de plaats waar de cursor staat.
• Selecteer Afstand meten om de afstand en de peiling van het object vanaf uw huidige locatie te bekijken. De informatie
wordt linksboven op het scherm weergegeven. Selecteer Referentie instellen om de meting vanaf een andere plaats dan
van uw huidige locatie te verrichten.
• Selecteer Informatie om getijden (pagina 42), stromingen (pagina 43), zon- en maanstanden (pagina 44), kaartnotities of
informatie over plaatselijke diensten in de buurt van de cursor te bekijken.
• Selecteer Stop wijzen om de aanwijzer van het scherm te verwijderen. Selecteer Stop schuiven om het schuiven te
stoppen en terug te keren naar uw huidige positie.
8
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Overige objectinformatie bekijken
U kunt informatie over kaartitems, waypoints en kaarten op het scherm weergeven.
Opmerking: Mariner's Eye 3D en Fish Eye 3D zijn alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt
(pagina 21). De viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als
de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Selecteer een object ➊.
➋
➊
4. Selecteer de knop met de naam van het item waarover u de informatie wilt bekijken ➋.
Informatie van het getijdenstation weergeven
Informatie van een getijdenstation wordt met een pictogram van een getijdenstation ( ) op de kaart weergegeven. U kunt
een uitgebreide grafiek voor een getijdenstation weergeven die u helpt het getijde voor verschillende tijdstippen of dagen te
voorspellen (pagina 42).
Opmerking: de pictogrammen voor de viskaart en het getijdenstation staan op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2
Vision-gegevenskaart.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
3. Selecteer het getijdenstationspictogram.
Naast het pictogram wordt informatie weergegeven over de getijdenrichting ➊ en het getijdenniveau ➋.
➌
➋
➊
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer de knop met de stationsnaam ➌.
• Selecteer Herzie als er zich meerdere objecten in de nabijheid bevinden en selecteer vervolgens de knop met de
stationsnaam.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
9
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Getijden en stromingen weergeven en configureren
U kunt informatie over de getijden en stromingen op de navigatiekaart of viskaart weergeven.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1.
2.
3. 4.
5.
6.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu.
Selecteer Kaartinstelling.
Selecteer Getijde/stromingen.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aan als u de indicaties van stromingenstations en getijdenstations op de kaart wilt weergeven of Uit als u deze
wilt verbergen.
• Selecteer Geanimeerd om bewegende indicaties van getijdenstations en van de richting van stromingen op de kaart weer
te geven (pagina 26).
Details over navigatiekenmerken weergeven
Op de navigatiekaart, de viskaart, Perspective 3D of Mariner's Eye 3D kunt u de details over de diverse typen navigatiemiddelen
zoals bakens, lichten en obstructies bekijken. Zie pagina 13 als u de weergave van de navigatiesymbolen wilt wijzigen.
Opmerking: Mariner's Eye 3D is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt (pagina 21). De
viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde
kaart ondersteuning biedt voor viskaarten.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
3. Selecteer een navigatiekenmerk met de cursor.
Daarop wordt het type navigatiekenmerk aangegeven, bijvoorbeeld Baken of Licht.
4. Selecteer de naam van het navigatiekenmerk (of selecteer Herzie en vervolgens de naam van het navigatiekenmerk) om de
details van het navigatiekenmerk weer te geven.
Weergave van de navigatiekaart
De oriëntatie van de kaart wijzigen
U kunt het perspectief van de kaart op de navigatiekaart of de viskaart instellen.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1.
2.
3. 4.
5. 6. 7.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu.
Selecteer Kaartinstelling.
Selecteer Kaartweergave.
Selecteer Oriëntatie.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Noord boven om de bovenkant van de kaart naar het noorden te laten wijzen.
• Selecteer Koers boven om de bovenkant van de kaart in te stellen volgens de gegevens van de voorliggende koers die van
een koerssensor zijn ontvangen (ook wel de magnetische koers genaamd) of om de GPS-koersgegevens te gebruiken. De
koerslijn wordt verticaal op het scherm weergegeven.
• Selecteer Koers boven om de kaart zodanig in te stellen dat er op de kaart altijd naar boven wordt gevaren.
10
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Het zoomdetail van de kaart wijzigen
U kunt voor de navigatiekaart en de viskaart instellen hoe gedetailleerd die kaarten op verschillende zoomniveaus moeten worden
weergegeven.
1.
2.
3. 4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Detail.
Selecteer een detailniveau.
Een wereldkaart selecteren
U kunt een eenvoudige wereldkaart of een satellietbeeld op de navigatiekaart of de viskaart weergeven.
Opmerking: de viskaart en het satellietbeeld staan op een voorgeprogrammeerde gegevenskaart van BlueChart g2 Vision. Op
alle kaartplotters uit de GPSMAP 4000/5000-serie staat een eenvoudige wereldkaart.
1.
2.
3. 4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wereldkaart > Volledig om een satellietbeeld van de kaart weer te geven.
• Selecteer Wereldkaart > Basis om alleen de hoofdgegevens op de kaart weer te geven.
De koerslijn weergeven en configureren
De koerslijn is een lijn op de kaart vanaf de boeg van de boot in de richting van de koers die de boot gaat varen. U kunt de
weergave van de koerslijn voor de navigatiekaart, de viskaart of de radaroverlay instellen.
Koerslijn
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, of Radaroverlay.
Selecteer Menu.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Kaartinstelling > Kaartweergave op de navigatiekaart of de viskaart.
• Selecteer Instellen > Kaartinstelling op de radaroverlay.
5. Selecteer Koerslijn > Scherm.
6. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Afstand > Wijzig afstand. Voer de afstand tot het einde van de koerslijn in. Selecteer OK.
• Selecteer Tijd > Wijzig tijd. Voer de benodigde tijd in voor het bereiken van het einde van de koerslijn. Selecteer OK.
1.
2.
3.
4.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
11
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
De bron van de koerslijn selecteren
De bron voor de weergave van de koerslijn op de kaartplotter wordt bepaald door de instelling van de bron van de koerslijn (Auto
of GPS-koers) en de beschikbaarheid van koersinformatie van een koerssensor.
•
•
•
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Als er koersinformatie beschikbaar is van een koerssensor en de bron van de koers is ingesteld op Auto, worden zowel de
koerslijn als het voertuigpictogram uitgelijnd met de koers van de sensor.
Als er koersinformatie beschikbaar is van een koerssensor en de bron van de koers is ingesteld op GPS-koers, wordt de
koerslijn uitgelijnd met de GPS-koers, maar wordt het voertuigpictogram uitgelijnd met de koers van de sensor.
Als er geen koersinformatie beschikbaar is van een koerssensor, worden zowel de koerslijn als het voertuigpictogram
uitgelijnd met de GPS-koers.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu.
Selecteer Kaartinstelling.
Selecteer Kaartweergave > Koerslijn > Bron.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer GPS-koers.
• Selecteer Auto.
Peilingen van plaatselijke diepten weergeven en configureren
Op de navigatiekaart kunt u dieptepeilingen inschakelen en gevaarlijke diepten instellen.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Puntpeilingen >
Aan.
2. Selecteer Puntpeilingen > Gevaarlijk.
3. Voer de gevaarlijke diepte in.
4. Selecteer OK.
De arcering van de diepte instellen
U kunt de weergave van de arcering van de diepte op de navigatiekaart aanpassen.
Opmerking: arcering van diepte is beschikbaar op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2- of BlueChart g2 Visiongegevenskaart.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Puntpeilingen >
Aan.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Handmatig (of Wijzig diepte), voer de diepte in en selecteer OK. Gebieden op de kaart die ondieper zijn
dan de opgegeven waarde, worden blauw gearceerd, en gebieden die dieper zijn dan de opgegeven waarde, worden wit
gearceerd. De contour wordt altijd getekend op de geselecteerde diepte of dieper dan de geselecteerde diepte.
• Selecteer Auto als u de standaarddiepte van de g2- of g2 Vision-kaart wilt gebruiken.
12
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Navigatiesymbolen weergeven en configureren
U kunt navigatiesymbolen op de navigatiekaart, de viskaart of de radaroverlay tonen en de weergave configureren.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Symbolen.
• Selecteer Viskaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave.
• Selecteer Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Symbolen.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Grootte navigatiekenmerken om in te stellen hoe groot de symbolen van de navigatiekenmerken op de kaart
worden weergegeven. Selecteer een grootte.
• Selecteer Type navigatiekenmerk > NOAA om het navigatiekenmerk als NOAA-symbool op de kaart weer te geven.
• Selecteer Type navigatiekenmerk > IALA om het navigatiekenmerk als IALA-symbool op de kaart weer te geven.
Aanvullende kaartdetails weergeven
U kunt nuttige punten, lichtsectoren, kaartranden en fotopunten op de navigatiekaart weergeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Symbolen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Nuttige punten land > Aan om nuttige punten op het land weer te geven.
• Selecteer Lichtsectoren om de sector weer te geven waar zich een navigatielicht bevindt. Selecteer Aan als u de
lichtsectoren altijd wilt laten weergeven of Auto als u de lichtsectoren automatisch op basis van het zoomniveau door de
kaartplotter wilt laten uitfilteren.
• Selecteer Kaartgrenzen > Aan om bij gebruik van een gegevenskaart van BlueChart g2 Vision het gebied te tonen dat op
de kaarten staat.
• Selecteer Fotopunten > Aan om bij gebruik van een gegevenskaart van BlueChart g2 Vision de camerapictogrammen
weer te geven. Op die manier kunt u luchtfoto's van oriëntatiepunten bekijken (pagina 26).
Een ander voertuigpictogram kiezen
U kunt een kleine, middelgrote of kleine boot of een driehoek als voertuigpictogram instellen.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Symbolen >
Voertuigpictogram.
2. Selecteer het gewenste voertuigpictogram voor uw boot op de navigatiekaart en de viskaart.
Watersportdiensten weergeven
Servicepunten zijn locaties waar u terecht kunt voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden aan uw boot.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Kaartweergave > Puntpeilingen >
Aan.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
13
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Kompasroos weergeven en configureren
Op de navigatiekaart of de viskaart kunt u een kompasroos ➊ rond uw boot weergeven en daarmee de kompasrichting aangeven
op basis van de koers van de boot. De ware of schijnbare windrichting wordt weergegeven ➋ als de kaartplotter is aangesloten op
een compatibele maritieme windsensor.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
➋
1.
2.
3. 4.
➊
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
Selecteer Menu > Kaartinstelling > Rozen.
Selecteer een type kompasroos (Ware wind, Schijnbare wind of Kompas).
Overige schepen weergeven
Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 58).
Gegevensbalken weergeven en configureren
Zie “Gegevensbalken” (pagina 56).
Waypoints gebruiken
Zie “Waypoints” (pagina 32).
Sporen gebruiken
Zie “Sporen” (pagina 36).
14
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Automatic Identification System
Met het Automatic Identification System (AIS) kunt u andere schepen identificeren en volgen.
Informatie over AIS
AIS waarschuwt u als er zich schepen in uw buurt bevinden. Wanneer de kaartplotter is aangesloten op een extern AIS-toestel, kan
de kaartplotter AIS-informatie geven over andere schepen in de nabijheid die een transponder hebben en die actief AIS-informatie
uitzenden. Over die schepen ontvangt u informatie, zoals Maritime Mobile Service Identity (MMSI), de locatie, de GPS-snelheid,
de GPS-koers, de tijd die is verstreken na de melding van de laatste positie van het schip, het moment waarop dat schip het dichtst
bij u was en het tijdstip daarvan.
➊
➍
➋
➎
➏
➌
AIS-doelen volgen op de navigatiekaart
Symbolen van AIS-doelen
Symbool
➊
Beschrijving
AIS-schip. Het schip geeft AIS-informatie. De richting waarin het driehoekje wijst, geeft de richting aan
waarin het AIS-schip vaart.
Het AIS-doel is geselecteerd.
➋
Het AIS-doel is geactiveerd. Het object wordt groter op de kaart. Een groene lijn die aan het object vastzit,
geeft de voorliggende koers van het object aan. De MMSI, snelheid en richting van het schip staan onder
het object als de instelling hiervoor is gezet op Toon (pagina 16). Als de AIS-transmissie van het schip is
weggevallen, wordt er een melding weergegeven.
➌
Het AIS-doel is verloren gegaan. Een groene X geeft aan dat de AIS-transmissie van het schip is
weggevallen. Op de kaartplotter wordt dan een melding weergegeven met de vraag of het schip verder
moet worden gevolgd. Als u het schip niet meer volgt, verdwijnt het symbool voor het weggevallen object
van de kaart of de driedimensionale weergave van een kaart.
➍
Gevaarlijk AIS-object binnen bereik. Het object knippert als het waarschuwingssignaal klinkt en er een
melding verschijnt. Nadat het alarm is bevestigd, geeft een effen, rode driehoek met een rode lijn de
locatie en de voorliggende koers van het object aan. Als het alarm voor aanvaringsgevaar is ingesteld
op Uitgeschakeld, knippert het object maar gaat er geen waarschuwingssignaal af en wordt er geen
melding getoond (pagina 17). Als de AIS-transmissie van het schip is weggevallen, wordt er een melding
weergegeven.
➎
De plaats van dit symbool geeft de kortste afstand tussen uw schip en het gevaarlijke object aan. De
getallen naast het symbool geven bij de kortste afstand tussen uw schip en dat object aan hoe lang het nog
zou duren voordat beide met elkaar in aanvaring zouden komen.
➏
Het gevaarlijke object is weggevallen. Een rode X geeft aan dat de AIS-transmissie van het schip is
weggevallen. Op de kaartplotter wordt dan een melding weergegeven met de vraag of het schip verder
moet worden gevolgd. Als u het schip niet meer volgt, verdwijnt het symbool voor het weggevallen
gevaarlijke object van de kaart of de driedimensionale weergave van een kaart.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
15
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Voorliggende koers en geprojecteerde koers van geactiveerde AIS-doelen
Wanneer informatie over de voorliggende koers en over de COG (koers over de grond) door een geactiveerd AIS-doel wordt
aangeleverd, wordt de voorliggende koers van het doel als een lijn die aan het symbool van het AIS-doel vastzit op de kaart
weergegeven. Koerslijnen worden niet weergegeven in een driedimensionale weergave van een kaart.
De geprojecteerde koers van een geactiveerd AIS-doel wordt als een stippellijn op een kaart of in een driedimensionale weergave
van een kaart weergegeven. De lengte van de geprojecteerde koerslijn is gebaseerd op de waarde van de instelling van de
geprojecteerde koers (pagina 16). Als er voor een geactiveerd AIS-doel geen informatie over de snelheid wordt verschaft of als het
schip voor anker ligt of is afgemeerd, wordt er geen geprojecteerde koerslijn weergegeven. Veranderingen in de snelheid, de COG
(Course Over Ground) of informatie over de richting van de koerswijziging die door het schip wordt uitgezonden, kunnen van
invloed zijn op de berekende koerslijn.
Wanneer er door een geactiveerd AIS-doel ➊ informatie over de koers over de grond, de voorliggende koers of de grootte van de
koerscirkel wordt aangeleverd, wordt de geprojecteerde koers ➋ van het object berekend op basis van de informatie over de koers
over de grond en de grootte van de koerscirkel. De richting waarin het object draait, die eveneens is gebaseerd op de informatie
over de grootte van de koerscirkel, wordt aangegeven door de richting van de pijlpunt ➌ aan het einde van de koerslijn ➍. De
lengte van de pijlpunt verandert niet.
➋
➊
➍
➌
Doel met Geprojecteerde koers, Voorliggende koers en Richting van koerswijziging
Wanneer er informatie over de koers over de grond en de voorliggende koers ➎ door een geactiveerd AIS-doel ➏ wordt geleverd,
maar geen informatie over de grootte van de koerscirkel, dan wordt de geprojecteerde koers ➐ van het object berekend op basis
van de informatie over de koers over de grond.
➐
➏
➎
Doel met Geprojecteerde koers en Voorliggende koers
AIS-ontvangst uitschakelen
De ontvangst van het AIS-signaal is standaard ingeschakeld.
Selecteer in het startscherm Instellen > Overige schepen > AIS > Uit.
De AIS-functionaliteit wordt uitgeschakeld voor alle kaarten en 3D-kaarten, inclusief het zoeken en volgen van AIS-schepen,
het melden en volgen van aanvaringsgevaar als schepen te dicht in de buurt komen en informatie over AIS-schepen.
AIS- en MARPA-schepen op een kaart of een 3D-kaartweergave weergeven
AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt.
MARPA (Mini Automatic Radar Plotting Aid) werkt bij radar (pagina 68).
U kunt instellen hoe andere schepen op een kaart of een driedimensionale weergave van een kaart worden weergegeven.
Het weergavebereik en de MARPA-instellingen die voor één kaart of één driedimensionale weergave van een kaart worden
opgegeven, gelden alleen voor die kaart en de driedimensionale weergave van die kaart. De instellingen voor details,
geprojecteerde koersen en sporen die voor één kaart of één driedimensionale weergave van een kaart worden opgegeven, gelden
voor alle kaarten en alle driedimensionale kaartweergaven.
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
16
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Radaroverlay.
Selecteer Menu > Overige schepen > AIS-weergave-instelling.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Weergavebereik en geef de afstand ten opzichte van uw locatie op waarbinnen AIS-schepen zichtbaar worden.
Selecteer een afstand.
• Selecteer MARPA > Toon om MARPA-schepen weer te geven.
Opmerking: deze optie is niet beschikbaar voor de radaroverlay omdat u MARPA-tags niet kunt verbergen op het
overlayscherm (pagina 68).
• Selecteer Details > Toon om gedetailleerde informatie over schepen met AIS en met een MARPA-tag weer te geven.
• Selecteer Geprojecteerde koers, voer de geprojecteerde koerstijd voor schepen met AIS en met een MARPA-tag in, en
selecteer OK.
• Selecteer Sporen om de sporen van schepen met AIS weer te geven en selecteer de lengte van het spoor dat moet worden
weergegeven.
Een doel voor een AIS-schip activeren
Opmerking: de pictogrammen voor de viskaart en Mariner's Eye 3D staan op een voorgeprogrammeerde gegevenskaart van
BlueChart g2 Vision.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Radaroverlay.
Selecteer een schip met AIS.
Selecteer AIS-schip > Activeer doel.
Informatie over een gevonden AIS-schip bekijken
U kunt de status van het AIS-signaal, MMSI, GPS-snelheid, GPS-koers en andere informatie over een gevonden AIS-schip
bekijken.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Radaroverlay.
Selecteer een schip met AIS.
Selecteer AIS-schip.
Een doel voor een AIS schip deactiveren
Opmerking: de pictogrammen voor de viskaart en Mariner's Eye 3D staan op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2
Vision-gegevenskaart.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Radaroverlay.
Selecteer het schip met AIS.
Selecteer AIS-schip > Uitschakelen.
Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen
De veilige zone voor aanvaringsgevaar wordt alleen bij AIS en MARPA gebruikt. MARPA werkt bij radar (pagina 68). De veilige
zone wordt gebruikt om aanvaringen met andere schepen te voorkomen. Deze zone kan worden aangepast. Alle instellingen voor
de veilige zone voor aanvaringsgevaar gelden voor alle kaarten, alle driedimensionale weergaven van kaarten, alle radarmodi en
de radaroverlay.
Opmerking: het veilige zone aanvaringsalarm wordt automatisch ingesteld op Aan telkens wanneer u de kaartplotter
inschakelt.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Overige schepen > Aanvaringsgevaar > Aan.
Wanneer een object dat met een MARPA-tag is gelabeld, of een schip met AIS de veilige zone rond uw schip binnenvaart,
verschijnt er een melding en gaat er een alarmsignaal af. Het object wordt als een gevaar op het scherm aangegeven. Bij de
instelling Uit zijn de melding en het hoorbare alarmsignaal uitgeschakeld. Het object wordt echter nog wel als een gevaar op
het scherm aangegeven.
2. Selecteer Bereik om de straal van de cirkel voor de veilige zone te wijzigen in een opgegeven afstand van 500 voet tot
2,0 zeemijl (of 150 m tot 3,0 km, of 500 voet tot 2,0 mijl).
3. Selecteer een afstand.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
17
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
4. Met Tijd tot stelt u een alarm in dat afgaat wanneer AIS of MARPA vaststelt dat een vaartuig of object de veilige zone binnen
het ingestelde tijdinterval (van 1 tot 24 minuten) zal doorkruisen.
5. Selecteer een tijd.
Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Radaroverlay.
Selecteer Menu > Overige schepen > Lijst > Toon.
Selecteer het type gevaar dat u in de lijst wilt opnemen (Alle gevaren, alleen AIS-gevaren of alleen MARPA-gevaren).
Een oproep voor een AIS-doel
Zie “Een individuele routineoproep voor een AIS-doel” (pagina 100).
AIS Search and Rescue-zenders
AIS Search and Rescue-zenders (AIS-SART of SART) zijn volledig zelfstandig werkende toestellen die uw positie uitzenden
indien deze in noodgevallen worden geactiveerd. SART-uitzendingen zijn andere uitzendingen dan standaard-AIS-uitzendingen.
Ze zien er ook anders uit dan standaard-AIS-symbolen op de kaartplotter. In plaats van een SART-uitzending te volgen om een
aanvaring te voorkomen, kunt u een SART-uitzending volgen om een vaartuig in nood te lokaliseren en te helpen.
Navigeren naar een SART-uitzending
Als u een SART-uitzending ontvangt, wordt er een noodsignaalalarm weergegeven.
Selecteer Herzie > Ga naar om naar de oorsprong van de SART-uitzending te navigeren.
AIS-SART-symbolen voor doelen
Symbool
Beschrijving
AIS-SART-uitzending. U kunt dit symbool selecteren om meer
informatie over de SART-uitzending weer te geven en de navigatie te
starten.
AIS-SART-uitzending weggevallen.
AIS-SART-testuitzending. Dit symbool wordt weergegeven als het
SART-toestel van een vaartuig wordt getest. Het gaat in dit geval niet
om een noodgeval. U kunt deze testsymbolen en waarschuwingen
uitschakelen.
AIS-SART-testuitzending weggevallen.
AIS-SART-uitzendingen met testwaarschuwingen inschakelen
Omdat u in drukke gebieden zoals jachthavens een groot aantal testwaarschuwingen en symbolen ontvangt, worden AISSART-testwaarschuwingen standaard genegeerd. Als u een AIS SART-toestel wilt testen, moet u de kaartplotter inschakelen om
testwaarschuwingen te ontvangen.
Selecteer in het startscherm de opties Configureer > Overige schepen > AIS SART-test.
18
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Perspective 3D
Perspective 3D biedt een panoramisch beeld van bovenaf en van achter uw boot (in overeenstemming met uw koers) en dient als
visueel navigatiekenmerk. Deze weergave is nuttig voor het navigeren rond verraderlijke ondiepten, riffen, bruggen of kanalen en
komt van pas bij het binnenvaren en verlaten van onbekende havens of ankerplaatsen.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Perspective 3D.
Perspective 3D
Navigatiekaart
De weergave aanpassen
• Plaats het beeld dichter naar de boot en het water:
◦◦ Druk bij de GPSMAP 4000-serie op de bereiktoets (+).
.
◦◦ Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de knop
• Plaats het beeld verder van de boot:
◦◦ Druk bij de GPSMAP 4000-serie op de bereiktoets (-).
.
◦◦ Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de knop
) wordt kort onder aan het scherm weergegeven.
De schaal (
De weergave Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Fish Eye 3D roteren
U kunt de weergave Perspective 3D, Mariner’s Eye 3D of Fish Eye 3D naar wens roteren.
Opmerking: Mariner's Eye 3D en Fish Eye 3D zijn alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt
(pagina 21).
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Mariner’s Eye 3D, Perspective 3D of Fish Eye 3D.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Druk bij de GPSMAP 4000-serie de tuimeltoets naar links of naar rechts om de 3D-weergave te roteren.
• Tik en sleep bij de GPSMAP 5000-serie de navigatiekaart naar links of naar rechts om de 3D-weergave te roteren.
4. Selecteer Stop schuiven om het roteren te stoppen en terug te keren naar uw huidige positie.
Weergave 3D-perspectiefkaart
Afstandcirkels weergeven
Met behulp van de afstandcirkels kunt u de afstanden in Perspective 3D of Mariner's Eye 3D bekijken.
Opmerking: de kaart Mariner’s Eye 3D staat op een voorgeprogrammeerde gegevenskaart van BlueChart g2 Vision.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
3. Selecteer Menu > Kaartweergave > Afstandcirkels > Aan.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
19
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Een corridorbreedte selecteren
U kunt de breedte van de navigatiecorridor in Perspective 3D of Mariner’s Eye 3D aangeven.
Opmerking: de kaart Mariner’s Eye 3D staat op een voorgeprogrammeerde gegevenskaart van BlueChart g2 Vision.
1.
2.
3. 4.
5.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
Selecteer Menu > Kaartweergave > Corridorbreedte.
Geef de breedte op.
Selecteer OK.
Oppervlakteradar weergeven
De oppervlakteradar kan alleen worden weergegeven als de kaartplotter verbinding met een scheepsradar heeft.
U kunt radarresultaten vanaf het wateroppervlak weergeven in Perspective 3D of Mariner’s Eye 3D.
Opmerking: Mariner’s Eye 3D is beschikbaar op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
Perspective 3D met oppervlakteradargegevens
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
3. Selecteer Menu > Oppervlakteradar > Aan.
Overige schepen weergeven
Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 58).
Gegevensbalken weergeven en configureren
Zie “Gegevensbalken” (pagina 56).
Waypoints en sporen gebruiken
Zie “Waypoints” (pagina 32) of “Sporen” (pagina 36).
20
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Radaroverlay
Wanneer u uw kaartplotter aansluit op een optionele maritieme radar van Garmin, kunt u de radaroverlay gebruiken om
radargegevens te projecteren op de navigatiekaart of de viskaart (pagina 73).
BlueChart g2 Vision
Met een optionele, voorgeprogrammeerde gegevenskaart voor BlueChart g2 Vision kunt u alle functies van de kaartplotter
gebruiken. Naast gedetailleerde navigatiekaarten biedt BlueChart g2 Vision de volgende functies:
Voorliggende koers
Beschrijving
Mariner's Eye 3D
Geeft een panoramisch beeld van bovenaf en achter uw boot dat dient als visueel driedimensionaal
‑navigatiehulpmiddel. De gegevens van BlueChart g2 Vision Mariner’s Eye 3D zijn gedetailleerder dan de
voorgeladen gegevens (pagina 22).
Fish Eye 3D
Geeft een driedimensionale onderwaterweergave van de zeebodem aan de hand van de gegevens op de
kaart. (pagina 23).
Viskaarten
Geven een beeld waarin de navigatiegegevens van de kaart zijn verwijderd en de bodemgegevens
worden benadrukt voor de dieptewaarneming. Deze kaart is zeer geschikt voor diepzeevissen
(pagina 24).
Satellietbeelden met
hoge resolutie
Tonen satellietbeelden met hoge resolutie voor een realistische weergave van land en water op de
navigatiekaart (pagina 25).
Luchtfoto's
Luchtfoto's van jachthavens en andere belangrijke navigatiepunten helpen u een beeld te krijgen van uw
omgeving (pagina 26).
Gedetailleerde gegeven Tonen wegen, restaurants en andere nuttige punten (POI's) langs de kust (pagina 26).
over wegen en nuttige
punten
Autobegeleiding
Maakt gebruik van kaartgegevens en ingevoerde gegevens met betrekking tot veilige diepte en hoogte
om de beste doorvaartroute naar uw bestemming te bepalen (pagina 26).
BlueChart g2 Vision-gegevenskaarten
OPMERKING
Gegevenskaarten van BlueChart g2 Vision zijn niet waterbestendig. Bewaar de kaart die u niet gebruikt, in de originele
verpakking en op een veilige plaats en laat de kaart niet in het zonlicht of de regen liggen om beschadiging te voorkomen.
BlueChart g2 Vision-gegevenskaarten zijn gevoelig voor statische elektriciteit. Bij een lage vochtigheid moet u eerst een metalen
voorwerp aanraken voordat u de kaart beetpakt, om beschadiging van de kaart te voorkomen.
U kunt BlueChart g2 Vision-kaartgegevens op een gegevenskaart die in een kaartplotter uit de GPSMAP 4000- of GPSMAP
5000-serie is geplaatst, delen met elke kaartplotter uit de GPSMAP 4000-, 5000-, 6000- en 7000-serie die verbinding heeft met
het Garmin Marine Network (pagina 104). De kaarten van BlueChart g2 Vision kunnen alleen bij de kaartplotters uit de GPSMAP
4000-serie en nieuwere kaartplotters worden gebruikt. Oudere met het Garmin Marine Network compatibele kaartplotters (zoals
de GPSMAP 3000-serie) kunnen wel op uw netwerk worden aangesloten, maar geen BlueChart g2 Vision-gegevens delen.
U kunt geen BlueChart g2 Vision-gegevens van de gegevenskaart als back-up naar uw computer overzetten of op uw computer
bekijken. U kunt de gegevenskaart alleen gebruiken bij Garmin GPS-toestellen of Garmin HomePort™-toestellen die compatibel
zijn met BlueChart g2 Vision.
Gegevenskaarten van BlueChart g2 Vision kunt u plaatsen en verwijderen als de kaartplotter is in- of uitgeschakeld (pagina 3).
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
21
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Mariner's Eye 3D
Een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart bevat de weergave Mariner’s Eye 3D, een gedetailleerd, driedimensionaal beeld van
boven en achter uw boot (op basis van uw koers) dat u als visueel navigatiehulpmiddel kunt gebruiken. Deze weergave komt van
pas bij het navigeren rond verraderlijke ondiepten, riffen, bruggen of kanalen en bij het binnenvaren en verlaten van onbekende
havens of ankerplaatsen.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Mariner’s Eye 3D.
Mariner's Eye 3D met afstandcirkels
Navigatiekaart
De weergave aanpassen
Zie “De weergave aanpassen” (pagina 19).
Details over navigatiekenmerken weergeven
Zie “Details over navigatiekenmerken weergeven” (pagina 10).
Weergave van de kaart Mariner’s Eye 3D
De weergave van 3D-terrein aanpassen
U kunt instellen hoe kaartgegevens bij driedimensionaal terrein worden weergegeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Mariner's Eye 3D > Menu > Kaartweergave > Stijl.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Klassiek om 3D-terrein met een kleurenschema aan te geven.
• Selecteer Kaarten om kaartgegevens driedimensionaal weer te geven.
• Selecteer Foto's om satellietbeelden en kaartgegevens driedimensionaal weer te geven.
Gevarenkleuren weergeven of verbergen
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Mariner's Eye 3D > Menu > Kaartweergave > Gevarenkleuren.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aan om ondiep water en land met behulp van een kleurenschaal weer te geven. Blauw geeft diep water aan,
geel betekent ondiep water en rood staat voor zeer ondiep water.
• Selecteer Uit om het land weer te geven zoals gezien vanaf het water.
Mariner's Eye 3D,
gevarenkleuren uitgeschakeld
22
Mariner's Eye 3D,
gevarenkleuren ingeschakeld
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Afstandcirkels weergeven
Zie “Afstandcirkels weergeven” (pagina 19).
Weergave van een veilige diepte selecteren
U kunt de weergave van een veilige diepte voor Mariner’s Eye 3D instellen.
Opmerking: deze instelling heeft alleen gevolgen voor de gevarenkleuren in Mariner’s Eye 3D. Er zijn geen gevolgen voor
de veilige waterdiepte van de instelling Autobegeleiding (pagina 53) of voor de instelling van het ondiepwateralarm (echolood)
(pagina 94).
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Mariner's Eye 3D > Menu > Kaartweergave > Veilige diepte.
2. Geef de diepte op.
3. Selecteer OK.
Een corridorbreedte selecteren
Zie “Een corridorbreedte selecteren” (pagina 20).
Overige schepen weergeven
Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 58).
Oppervlakteradar weergeven
Zie “Oppervlakteradar weergeven” (pagina 20).
Gegevensbalken weergeven en configureren
Zie “Gegevensbalken” (pagina 56).
Waypoints en sporen gebruiken
Zie “Waypoints” (pagina 32) of “Sporen” (pagina 36).
Fish Eye 3D
Aan de hand van de dieptecontouren van de BlueChart g2 Vision-kaarten geeft Fish Eye 3D een onderwaterweergave van de
bodem van de zee of het meer.
Zwevende doelen, zoals vissen, worden aangeduid met rode, groene en gele bollen. Rood verwijst hierbij naar de grootste
objecten en groen naar de kleinste objecten.
Fish Eye 3D
De weergave aanpassen
Zie “De weergave aanpassen” (pagina 19).
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
23
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Weergave van de Fish Eye 3D-kaart
De richting van de weergave op de Fish Eye 3D-kaartweergave aangeven
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Fish Eye 3D > Menu > Weergave.
2. Selecteer Voorschip, Achterschip, Bakboord of Stuurboord.
Een echoloodkegel op de kaart weergeven
U kunt een kegel weergeven die het gebied aangeeft dat onder de dekking van uw transducer valt.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Fish Eye 3D > Menu > Echoloodkegel > Aan.
Zwevende doelen weergeven
Selecteer in het startscherm Kaarten > Fish Eye 3D > Menu > Vissymbolen > Aan.
Sporen weergeven
Selecteer in het startscherm Kaarten > Fish Eye 3D > Menu > Tracks > Aan.
Gegevensbalken weergeven
Zie “Gegevensbalken” (pagina 56).
Viskaart
Gebruik de viskaart voor een gedetailleerde weergave van de bodemcontouren en dieptepeilingen op de kaart.
Viskaart
Navigatiekaart
De viskaart maakt gebruik van gedetailleerde bathymetrische gegevens op een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Visiongegevenskaart en is de meest geschikte kaart voor diepzeevissen.
Weergave van de viskaart
Waypoints gebruiken
Zie “Waypoints” (pagina 32).
Sporen gebruiken
Zie “Sporen” (pagina 36).
Overige schepen weergeven
Zie “De weergave van andere schepen configureren” (pagina 58).
Navigatiekenmerken weergeven
Selecteer in het startscherm Kaarten > Viskaart > Menu > Navigatiekenmerken > Aan.
Gegevensbalken weergeven
Zie “Gegevensbalken” (pagina 56).
24
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Satellietbeelden op de navigatiekaart weergeven
Bij gebruik van een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart kunt u op de navigatiekaart satellietbeelden met
hoge resolutie gebruiken voor weergave van het land en/of de zee.
OPMERKING: als deze functie is ingeschakeld, worden de satellietbeelden alleen bij lagere zoomniveaus met een hoge resolutie
weergegeven. Als u de satellietbeelden met hoge resolutie niet in uw BlueChart g2 Vision-regio ziet, kunt u verder inzoomen met
(GPSMAP 5000-serie). U kunt het detailniveau ook hoger instellen door
de bereiktoets (+) (GPSMAP 4000-serie) of de knop
het zoomdetail van de kaart te wijzigen (pagina 11).
1. Selecteer in het startscherm Navigatiekaart > Menu > Kaartinstelling > Foto's.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Alleen land om voor het water alleen standaardkaartinformatie weer te geven, terwijl voor het land
overlappende foto's worden gebruikt.
• Selecteer Fotokaart om foto's van zowel het land als het water bij een bepaalde mate van doorzichtigheid weer te geven.
Houd de toets Omhoog of Omlaag ingedrukt om de doorzichtigheid van de foto in te stellen en laat de toets los als de
foto de gewenste doorzichtigheid heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer het land en het water door satellietfoto's
worden bedekt.
Foto-overlapping uit
Foto-overlapping alleen voor land
Fotokaart op 50%
Fotokaart op 100%
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
25
Weergave van kaarten en 3D-kaarten
Luchtfoto's van oriëntatiepunten weergeven
Om luchtfoto's op de navigatiekaart te kunnen bekijken moet de instelling Fotopunten zijn ingeschakeld (pagina 13).
Voorgeprogrammeerde gegevenskaarten van BlueChart g2 Vision bevatten luchtfoto's van een groot aantal oriëntatiepunten,
jachthavens en havens. Met deze foto's kunt u zich op de omgeving oriënteren of uzelf voor aankomst alvast vertrouwd maken
met (jacht)havens.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart.
2. Selecteer een camerapictogram.
• Een standaardcamerapictogram ( ) verwijst naar een panoramische foto.
) verwijst naar een foto vanuit een lager perspectief. De foto is
• Een camerapictogram met een kegelvormige lijn (
gemaakt vanuit het perspectief van de camera in de richting van de kegelvormige lijn.
3. Selecteer Herzie > Luchtfoto.
Opmerking: druk op de bereiktoetsen (-/+) (GPSMAP 4000-serie) of tik op of (GPSMAP 5000-serie) om uit of in te
zoomen terwijl de luchtfoto schermgroot wordt weergegeven.
Bewegende indicaties voor getijden en stromingen
U kunt de bewegende indicatoren voor getijdenstations en stromingsrichtingen op de navigatiekaart of de viskaart weergeven. Dan
moet de informatie over getijdenstations en de stromingsrichting wel op de voorgeladen kaart of in de BlueChart g2 Vision-regio
beschikbaar zijn. U moet ook een waarde voor Geanimeerd voor de instelling Getijden/stromingen selecteren (pagina 10).
Een getijdenstation wordt als een verticale balk met een pijl op de kaart aangegeven. Een omlaag wijzende
rode pijl wijst op een afgaand getijde en een omhoog wijzende pijl wijst op een opkomend getijde. Wanneer
u met de cursor over de indicatie van het getijdenstation gaat, wordt de hoogte van het getijde bij het station
boven de stationsindicatie weergegeven.
De richting van de stroming wordt met pijlen op de kaart aangegeven. De richting van elke pijl geeft de
richting van de stroming bij de desbetreffende locatie op de kaart aan. De kleur van de stromingspijl geeft het Getijdenstation
met vallend tij
snelheidsbereik van de stroming op die locatie aan. Wanneer u met de cursor over de indicatie van de richting
van de stroming gaat, wordt de snelheid van de stroming op die locatie boven de richtingsindicatie weergegeven.
Richtingindicatie
Kleur
Snelheidsbereik van de
stroming
Geel
0 tot 1 knoop
Oranje
1 tot 2 knopen
Rood
2 of meer knopen
Informatie van getijdenstation weergeven
Zie “Informatie over stromingen” (pagina 43).
Gedetailleerde gegevens over wegen en nuttige punten
BlueChart g2 Vision bevat gedetailleerde gegevens over wegen en nuttige punten (POI's), waaronder zeer gedetailleerde
kustwegen en nuttige punten, zoals restaurants, logies, plaatselijke attracties en meer.
Zoeken en navigeren naar nuttige punten
Zie “Waarheen?” (pagina 39).
Autobegeleiding
Bij Autobegeleiding wordt op basis van de beschikbare kaartgegevens van BlueChart g2 Vision de beste route naar een
bestemming gemaakt en voorgesteld. Autobegeleiding is beschikbaar wanneer u met 'Begeleid naar' naar een bestemming
navigeert (pagina 32).
Instellingen voor autobegeleiding configureren
Zie “Configuraties van autobegeleidingslijnen” (pagina 53).
26
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Combinaties
Combinaties
Het combinatiescherm
In het combinatiescherm kunt u meerdere schermen tegelijk weergeven. Het aantal beschikbare opties voor het combinatiescherm
is afhankelijk van de optionele netwerktoestellen die u op uw kaartplotter hebt aangesloten en van het feit of u een optionele
BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. In de GPSMAP 4000-serie kunt u maximaal drie schermen combineren en in de
GPSMAP 5000-serie zelfs vier.
Het combinatiescherm instellen
Een combinatie selecteren
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
Het combinatiescherm aanpassen
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
3. Selecteer Menu > Wijzig combinatie.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Functies om het aantal combinatieschermen te selecteren. Selecteer een aantal.
• Selecteer Indeling > Vert. om de schermen verticaal te rangschikken.
• Selecteer Indeling > Horiz. om de schermen horizontaal te rangschikken.
• Selecteer Databalk > Aan om de verticale balk ➊ weer te geven waarin zich de gegevensvelden bevinden.
• Selecteer een genummerde optie, zoals 1. Nav.kaart of 2. Echolood in de nu volgende afbeelding om het informatietype
in het corresponderende scherm te wijzigen ➋.
5. Selecteer OK.
➋
➊
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
27
Combinaties
Gegevensvelden van de combinatieschermen
Gegevensvelden kunnen worden weergegeven op combinatieschermen. De velden bevatten realtime informatie die u in één
oogopslag kunt zien. U kunt de overlay van de gegevensvelden voor elke combinatie afzonderlijk configureren.
Er bestaan verschillende mogelijkheden voor cijfers projecteren in combinatieschermen. Voor iedere cijferweergave kunt u
selecteren welke velden ➊ moeten worden weergegeven.
➊
Een gegevensveld toevoegen
In het combinatiescherm van de GPSMAP 4000-serie kunnen maximaal zes gegevensvelden worden weergegeven. In de
GPSMAP 5000-serie kunnen acht velden worden weergegeven.
1.
2.
3.
4.
Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
Selecteer een combinatie.
Selecteer een ongebruikt gegevensveld ➊.
Selecteer het type gegevens dat in het veld wordt weergegeven.
Afhankelijk van de kaartplotter en de netwerkconfiguratie kunnen de beschikbare opties variëren.
➊
Een gegevensveld verwijderen
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
3. Selecteer een gegevensveld met gegevens.
4. Selecteer Geen.
28
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Combinaties
Een gegevensveld bewerken
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
3. Selecteer een gegevensveld.
4. Selecteer het type gegevens dat in het veld wordt weergegeven.
Afhankelijk van de kaartplotter en de netwerkconfiguratie kunnen de beschikbare opties variëren.
Instrumentgegevens weergeven
U kunt motor- of brandstofmeters weergeven in een combinatiescherm.
1.
2.
3.
4.
5.
Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
Selecteer een combinatie.
Selecteer Menu > Wijzig combinatie.
Selecteer een genummerde optie.
Voer een actie uit om de meters weer te geven in een combinatiescherm:
• Selecteer Instrumenten > Motor > OK om de motormeters weer te geven.
• Selecteer Instrumenten > Brandstof > OK om de brandstofmeters weer te geven.
De instrumentenschermen doorlopen
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie die een scherm met instrumentgegevens bevat.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie gebruikt, selecteer dan rechtsonder in het scherm het pictogram voor het
meterscherm dat u wilt doorlopen.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 5000-serie gebruikt, selecteer dan de naar links en rechts wijzende pijlen onder de
meter.
De kaartplotter geeft het volgende brandstof- of motormeterscherm weer.
4. Herhaal stap 3 om alle meterschermen te doorlopen.
De instrumentgegevens aanpassen
Zie “Motormeters” (pagina 47) of “Brandstofmeters” (pagina 49).
Een scherm instellen als het focusscherm
Het grootste scherm in het combinatiescherm wordt het focusscherm genoemd. Als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie
gebruikt, kunt u kiezen wat in het focusscherm wordt weergegeven.
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
3. Selecteer rechtsonder in het scherm het pictogram ➊ voor het scherm dat u wilt weergeven in het focusscherm.
➊
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
29
Combinaties
Volledige schermweergave gebruiken
U kunt de inhoud van elk combinatiescherm weergeven op het volledige kaartplotterscherm.
1. Selecteer de optie Combinaties in het startscherm.
2. Selecteer een combinatie.
3. Als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie gebruikt, zorg dan dat het combinatiescherm dat u op het volledige
kaartplotterscherm wilt weergeven, zich in het focusscherm bevindt. Als dat niet het geval is, selecteer dan rechtsonder in het
scherm het pictogram voor het scherm dat u wilt weergeven op het volledige kaartplotterscherm.
4. Voer een actie uit om het volledige kaartplotterscherm weer te geven:
• Als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie hebt, gebruik dan de tuimelschakelaar om het focusscherm te schuiven.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 5000-serie hebt, tik dan op een combinatiescherm.
5. Voer een actie uit om terug te keren naar het combinatiescherm:
• Selecteer Stop wijzen in een radarscherm.
• Selecteer Stop schuiven in een grafiekscherm.
• Selecteer Terug in een echolood- of videoscherm.
• In een meterscherm voert u een van de volgende acties uit:
◦◦ Als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie hebt, selecteer dan Terug.
◦◦ Als u een toestel uit de GPSMAP 5000-serie hebt, tik dan op het instrumentenscherm.
30
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Navigatie
Navigatie
Elementaire navigatievragen
Vraag
Antwoord
Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kaartplotter mij in Navigeren met Ga naar. Zie “Een directe koers instellen en volgen met behulp
de richting wijst waarin ik wil gaan (peiling)?
van Ga naar” (pagina 32).
Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kaartplotter mij
in een rechte lijn naar een locatie begeleidt (met
minimale koersafwijkingen), waarbij de kortste
weg vanaf de huidige positie wordt gevolgd?
Stel een route in die uit één routedeel bestaat en navigeer langs deze route met
behulp van Route naar (pagina 34).
Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kaartplotter
obstakels omzeilt bij het navigeren naar een
locatie?
Stel een route in die uit meerdere routedelen bestaat en navigeer langs deze
route met behulp van Route naar. Zie “Een route vanaf uw huidige positie maken
en navigeren” (pagina 34).
Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kaartplotter
gebruikmaakt van de stuurautomaat?
Navigeer met behulp van Route naar (pagina 34).
Opmerking: als u een route die met de functie Autobegeleiding is gemaakt,
met een stuurautomaat wilt navigeren, moet uw kaartplotter via een NMEA
2000-netwerk aangesloten zijn op een stuurautomaat uit de Garmin GHP-serie.
Kan de kaartplotter een koers voor mij
samenstellen?
pagina 32).
Hoe kan ik de instellingen voor Autobegeleiding
wijzigen voor mijn boot?
Zie “Configuraties van autobegeleidingslijnen” (pagina 53).
Navigatie met een kaartplotter
Als u wilt navigeren met een kaartplotter uit de GPSMAP 4000- of 5000-serie, moet u eerst een bestemming kiezen, een koers
uitzetten of een route maken en vervolgens de koers of route volgen. Volg de koers of route op de navigatiekaart, de viskaart, in
het scherm Perspective 3D of in het scherm Mariner’s Eye 3D.
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
Bestemmingen
U kunt bestemmingen selecteren met behulp van de navigatiekaart of de viskaart of u kunt de functie Waarheen? gebruiken om
een bestemming te selecteren.
Een bestemming selecteren op de navigatiekaart
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart.
2. Selecteer de bestemming waar u naartoe wilt navigeren.
Een bestemming kiezen met Waarheen?
1. Selecteer in het beginscherm Waarheen?
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Waypoints om een lijst met voorgeladen locaties en eerder gemarkeerde locaties te bekijken (pagina 32).
• Selecteer Routes om een lijst met eerder opgeslagen routes te bekijken (pagina 33).
• Selecteer Tracks om een lijst met opgenomen sporen te bekijken (pagina 36).
• Selecteer Buitengaatsdiensten om een lijst met jachthavens en andere nuttige buitengaatse punten in de nabijheid op
naam weer te geven (pagina 39).
• Selecteer Zoek op naam om op naam te zoeken naar waypoints, routes, sporen en nuttige buitengaatse punten
(pagina 40).
3. Selecteer een bestemming.
Koersen
U kunt een koers naar een bestemming instellen en deze volgen met behulp van een van de volgende drie methoden: Ga naar,
Route naar of Begeleid naar.
•
•
Ga naar: brengt u direct naar uw bestemming.
Route naar: berekent een route van uw locatie naar een bestemming, met de mogelijkheid om koerswijzigingen aan te
brengen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
31
Navigatie
•
Begeleid naar: zoekt in de BlueChart g2 Vision-kaartgegevens de optimale route naar uw bestemming met behulp van
Autobegeleiding. Voor deze optie moet u beschikken over een BlueChart g2 Vision-geheugenkaart.
Een directe koers instellen en volgen met behulp van Ga naar
 LET OP
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik
visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden.
U kunt een directe koers uitzetten en deze volgen vanaf uw huidige positie naar een geselecteerde bestemming.
1. Selecteer een bestemming met behulp van een kaart of met Waarheen? (pagina 31).
2. Selecteer Navigeer naar > Ga naar.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. De dunnere paarse lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u van de
koers afwijkt.
3. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Opmerking: wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw
bestemming te gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
Een nieuwe route maken en volgen met behulp van Route naar
Zie “Een route vanaf uw huidige positie maken en navigeren” (pagina 34).
Een opgeslagen route volgen met Route naar
Zie “Naar een opgeslagen route zoeken en navigeren” (pagina 40).
Een koers instellen en volgen met behulp van Autobegeleiding
 LET OP
De functie Autobegeleiding van de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart is gebaseerd op elektronische kaartinformatie. De
gegevens garanderen niet dat de route vrij is van obstakels en dat deze diep genoeg is. Vergelijk de koers met alle visuele
waarnemingen en vermijd land, ondiep water en andere obstakels die u kunt tegenkomen.
1. Selecteer een bestemming met behulp van een kaart of met Waarheen? (pagina 31).
2. Selecteer Navigeer naar > Begeleid naar.
3. Controleer de koers, die met de magenta lijn voor Autobegeleiding is aangegeven.
Opmerking: als u de functie Autobegeleiding gebruikt, geeft een grijze lijn binnen de magenta lijn aan dat de functie
Autobegeleiding een deel van de automatische begeleiding niet kan berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen
voor een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en obstakelhoogte (pagina 53).
4. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Waypoints
U kunt maximaal 5000 waypoints opslaan met een door de gebruiker gedefinieerd(e) naam, symbool, diepte, watertemperatuur en
opmerking voor elk waypoint.
Uw huidige positie als waypoint markeren
Voer een van onderstaande handelingen uit:
•
•
Selecteer Markeer op een willekeurig scherm bij de GPSMAP 4000-serie.
Tik op Markeer boven aan het scherm bij de GPSMAP 5000-serie.
Een waypoint op een andere positie maken
1. Selecteer in het startscherm achtereenvolgens Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints > Nieuw waypoint.
2. Voer de positie van het waypoint in:
• Selecteer Gebruik kaart als u het waypoint wilt verplaatsen terwijl u een kaart bekijkt. Selecteer Kies.
• Selecteer Invoer coördinaten om het waypoint aan de hand van coördinaten te verplaatsen. Selecteer OK.
3. Indien nodig kunt u het waypoint een naam geven en informatie over de waypoint invoeren. Selecteer vervolgens het
waypoint aan de rechterkant van het scherm en selecteer Wijzig waypoint.
• Selecteer Naam. Selecteer OK.
• Selecteer Symbool. Selecteer een nieuw symbool.
32
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Navigatie
•
•
•
Selecteer Diepte. Selecteer OK.
Selecteer Watertemperatuur. Selecteer OK.
Selecteer Commentaar. Selecteer OK.
Een MOB-positie markeren en er naartoe navigeren
Als u een waypoint markeert, kunt u deze als MOB-positie (man-over-boord) opslaan.
Selecteer in een willekeurig scherm Markeer > Man-over-boord.
Een internationaal MOB-symbool markeert het actieve MOB-punt en de kaartplotter stelt met de functie Ga naar een koers in
terug naar de gemarkeerde positie.
Een lijst met alle waypoints weergeven
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints.
Een opgeslagen waypoint bewerken
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints.
2. Selecteer een waypoint.
3. Selecteer Herzie > Wijzig.
4. Selecteer een optie:
• Selecteer Naam. Selecteer OK.
• Selecteer Symbool. Selecteer een nieuw symbool.
• Selecteer Diepte. Selecteer OK.
• Selecteer Watertemperatuur. Selecteer OK.
• Selecteer Commentaar. Selecteer OK.
Een nieuw waypoint maken vanuit de lijst met waypoints
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints-lijst > Nieuw waypoint.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Voer coördinaten in om een nieuw waypoint te maken door coördinaten op te geven.
• Selecteer Gebruik kaart om een nieuw waypoint op de kaart te selecteren.
• Selecteer Huidige positie gebruiken om een nieuw waypoint te maken op uw huidige locatie.
Een opgeslagen waypoint verplaatsen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints.
2. Selecteer een waypoint.
3. Selecteer Herzie > Verplaats.
4. Geef een nieuwe locatie voor het waypoint aan:
• Selecteer Gebruik kaart als u het waypoint wilt verplaatsen terwijl u een kaart bekijkt. Selecteer Verplaats waypoint.
• Selecteer Invoer coördinaten om het waypoint aan de hand van coördinaten te verplaatsen. Selecteer OK.
Een waypoint of MOB verwijderen
U kunt een opgeslagen waypoint of een MOB ook verwijderen.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Waypoints.
2. Selecteer een waypoint of MOB.
3. Selecteer Herzie > Verwijder.
Alle waypoints verwijderen
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Waypoints > Alles.
Waypoints kopiëren
Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 60).
Routes
U kunt maximaal 20 routes maken en opslaan. Elke route kan maximaal 250 waypoints bevatten.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
33
Navigatie
Een route vanaf uw huidige positie maken en navigeren
U kunt een route op de navigatiekaart of de viskaart maken en deze meteen gaan volgen. Met deze procedure worden de route- of
waypointgegevens niet opgeslagen.
Opmerking: de viskaart is alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart of een BlueChart g2gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart ondersteuning biedt voor viskaarten.
1. Selecteer Kaart in het startscherm.
2. Selecteer Navigatiekaart of Viskaart.
3. Selecteer een bestemming ➊ met behulp van de cursor.
➊
4. Selecteer Navigeer naar > Route naar.
5. Selecteer de locatie ➋ waar u de laatste koerswijziging in de richting van uw bestemming wilt maken ➌.
6. Selecteer Voeg koerswijziging toe.
➋
➌
7. Herhaal de stappen 5 en 6 als u meer koerswijziging wilt toevoegen. Werk daarbij terug vanaf de bestemming naar de huidige
positie van uw boot.
De laatste koerswijziging die u toevoegt, dient overeen te komen met de eerste koerswijziging van vanaf uw huidige positie.
Dit is dus de koerswijziging die zich het dichtst bij de boot bevindt.
8. Selecteer OK als de route is voltooid.
Opmerking: als u de cursor verplaatst nadat u de laatste koerswijziging hebt geselecteerd maar voordat u OK hebt
geselecteerd, dan wordt er nog een koerswijziging aan de route toegevoegd.
9. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
10. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Als u uw bestemming hebt bereikt, wordt u erop gewezen dat u de route kunt opslaan.
34
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Navigatie
11. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Nee.
• Selecteer Ja > Wijzig route > Naam. Voer de naam van de route in. Selecteer OK.
Een route maken en opslaan
Met deze procedure worden de route en alle hierin opgenomen waypoints opgeslagen. Het startpunt kan uw huidige positie of een
willekeurige andere positie zijn.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikergegevens > Routes > Nieuwe route.
2. Selecteer het beginpunt ➊ van de route:
• Selecteer Gebruik kaart. Selecteer een locatie op het kaart.
• Selecteer Waypointlijst gebruiken en selecteer een opgeslagen waypoint.
➊
3. Selecteer Voeg koerswijziging toe om het beginpunt van de route te markeren.
4. Selecteer de locatie waar u de volgende koerswijziging wilt toevoegen ➋:
• Selecteer Gebruik kaart. Selecteer een locatie op het kaart.
• Selecteer Waypointlijst gebruiken en selecteer een opgeslagen waypoint.
5. Selecteer Voeg koerswijziging toe.
De kaartplotter markeert de positie van de koerswijziging met een waypoint.
6. Herhaal de stappen 4 en 5 als u meer koerswijziging wilt opgeven.
7. Selecteer de eindbestemming ➌:
• Selecteer Gebruik kaart. Selecteer een locatie op het kaart.
• Selecteer Waypointlijst gebruiken en selecteer een opgeslagen waypoint.
➌
➋
•
8. Selecteer OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
35
Navigatie
Een lijst met opgeslagen routes weergeven
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes.
Een opgeslagen route bewerken
U kunt de naam van een route wijzigen of de koerswijzigingen in een route aanpassen.
1.
2.
3.
4.
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes.
Selecteer de route die u wilt bewerken.
Selecteer Herzie > Wijzig route.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Naam. Voer de naam in. Selecteer OK.
• Selecteer Wijzig routepunten > Gebruik kaart. Selecteer de koerswijziging op de kaart. Selecteer Wijzig
koerswijziging > Verplaats koerswijziging. Selecteer een nieuwe locatie voor de koerswijziging op de kaart. Selecteer
Voeg koerswijziging toe > OK.
• Selecteer Wijzig routepunten > Lijst met koerswijzigingen gebruiken. Selecteer een waypoint in de lijst. Selecteer
Herzie > Verplaats > Invoer coördinaten. Voer een nieuwe locatie voor de koerswijziging in. Selecteer OK.
Een opgeslagen route verwijderen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Routes.
2. Selecteer een route.
3. Selecteer Herzie > Verwijder.
Alle opgeslagen routes verwijderen
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Routes.
Een waypoint op een opgeslagen route omzeilen
U kunt vanaf elk willekeurig waypoint in de route beginnen met het langs een opgeslagen route navigeren.
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Routes.
Selecteer een route.
Selecteer Navigeren naar.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Volgende om langs de route te navigeren in de omgeving van het beginpunt dat is gebruikt bij het maken van de
route.
• Selecteer Terug om langs de route te navigeren in de omgeving van het bestemmingspunt dat is gebruikt bij het maken
van de route.
• Selecteer Offset om parallel aan de route te navigeren, op een specifieke afstand van de route (pagina 41).
5. Selecteer het waypoint dat u als volgende koerswijziging in uw route wilt gebruiken.
6. Selecteer Route naar.
7. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
8. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Routes kopiëren
Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 60).
1.
2.
3.
4.
Sporen
Een spoor (track) is een registratie van de door uw boot afgelegde weg. Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd is het
actieve spoor. Dit kan worden opgeslagen. U kunt sporen weergeven op elke kaart of in elke 3D-kaartweergave.
Sporen weergeven
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Selecteer Menu > Waypoints en tracks > Tracks > Aan.
Een lijn ➊ achter uw boot op de kaart geeft de route aan.
36
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Navigatie
➊
De kleur van het actieve spoor instellen
U kunt de kleur van uw huidige spoor selecteren.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Actieve trackopties > Trackkleur.
2. Selecteer een spoorkleur.
Het actieve spoor opslaan
Het spoor dat momenteel wordt geregistreerd, wordt het actieve spoor genoemd.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Opslag actieve track.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer de tijd waarop het huidige spoor is begonnen of Middernacht, indien weergegeven.
• Selecteer Geheel log.
3. Selecteer Sla op.
Een lijst met opgeslagen sporen weergeven
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Bewaarde tracks.
Een opgeslagen spoor bewerken
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Bewaarde tracks.
2. Selecteer een spoor.
3. Selecteer Kies > Wijzig track.
4. Voer een actie uit.
• Selecteer Naam. Pas de naam aan. Selecteer OK.
• Selecteer Kleur en selecteer een kleur voor het spoor.
Een spoor opslaan als route
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Bewaarde tracks.
2. Selecteer een spoor.
3. Selecteer Kies > Wijzig track > Route opslaan.
Een opgeslagen spoor verwijderen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Bewaarde tracks.
2. Selecteer een spoor.
3. Selecteer Kies > Verwijder.
Alle opgeslagen sporen verwijderen
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Bewaarde tracks.
Het actieve spoor volgen in tegengestelde richting
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Volg actieve track.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
37
Navigatie
• Selecteer de tijd waarop het huidige spoor is begonnen of Middernacht, indien weergegeven.
• Selecteer Geheel log.
3. Selecteer Volg track.
4. Controleer de koers, die met een gekleurde lijn is aangegeven.
5. Volg de gekleurde lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Het actieve spoor wissen
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Wis actieve track.
Het spoorgeheugen wordt gewist; het huidige spoor wordt echter nog steeds opgeslagen.
Het spoorloggeheugen beheren tijdens het opslaan
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Actieve track opties > Opslag modus.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vul om een spoorlogboek bij te houden tot het geheugen vol is.
• Selecteer Wikkel om het spoorlogboek continu bij te houden, waarbij de oudste koersgegevens worden vervangen door
nieuwe gegevens.
Het opslaginterval van het logboek met sporen configureren
U kunt de frequentie aangeven waarmee de sporen worden geregistreerd. Het frequent registreren van profielen is nauwkeuriger
maar hierdoor raakt het spoorlog wel sneller vol.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Tracks > Actieve track opties > Interval > Interval.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Afstand om het spoor te registreren op basis van een afstand tussen twee punten. Selecteer Wijzig. Stel de
afstand in. Selecteer OK.
• Selecteer Tijd om het spoor te registreren op basis van een tijdsinterval. Selecteer Wijzig. Stel de tijd in. Selecteer OK.
• Selecteer Resolutie om het spoor vast te leggen op basis van een afwijking in de koers. Selecteer Wijzig. Voer de
maximale toegestane fout in te voeren van de ware koers voordat er een spoorpunt wordt geregistreerd. Selecteer OK.
3. Selecteer OK.
Sporen kopiëren
Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 60).
Alle opgeslagen waypoints, routes en sporen verwijderen
Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Wis gebruikersgegevens > Alles.
Navigeren met een Garmin-stuurautomaat
Als u de navigatie start (met Ga naar, Route naar of Begeleid naar) en via een National Marine Electronics Association (NMEA)
2000-netwerk bent verbonden met een compatibele Garmin-stuurautomaat (zoals de GHP™ 10), wordt gevraagd of u de
stuurautomaat wilt inschakelen.
38
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Waarheen?
Waarheen?
Gebruik de optie Waarheen? in het startscherm om te zoeken en te navigeren naar brandstofleveranciers, reparatiewerkplaatsen
en andere services in de omgeving, maar ook naar waypoints en routes die u hebt samengesteld.
Watersportdiensten als bestemming
OPMERKING: deze functie is niet in alle regio’s beschikbaar.
De kaartplotter bevat informatie over duizenden bestemmingen waar watersportdiensten worden aangeboden.
Naar een watersportdienst navigeren
 LET OP
De functie Autobegeleiding van de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart is gebaseerd op elektronische kaartinformatie. De
gegevens garanderen niet dat de route vrij is van obstakels en dat deze diep genoeg is. Vergelijk de koers met alle visuele
waarnemingen en vermijd land, ondiep water en andere obstakels die u kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik
visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden.
Opmerking: Autobegeleiding is beschikbaar bij gebruik van een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1. Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Buitengaats diensten.
2. Selecteer de watersportdienst waar u naartoe wilt navigeren.
De kaartplotter geeft een lijst met de 50 dichtstbijzijnde posities en de afstand en peiling tot deze posities weer.
3. Selecteer een bestemming.
Tip: selecteer Volgende bladzijde om extra informatie of om de positie op een kaart weer te geven.
4. Selecteer Navigeren naar.
5. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Ga naar.
• Selecteer Route naar.
• Selecteer Begeleid naar als u de functie Autobegeleiding wilt gebruiken.
6. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Opmerking: als u de functie Autobegeleiding gebruikt, geeft een grijze lijn binnen de magenta lijn aan dat de functie
Autobegeleiding een deel van de automatische begeleiding niet kan berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen
voor een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en obstakelhoogte (pagina 53).
7. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Scherm Ga naar
Scherm Begeleid naar (BlueChart g2 Vision)
Stoppen met navigeren
Selecteer in het startscherm Waarheen? > Stop navigatie.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
39
Waarheen?
Naar een bestemming zoeken en navigeren
 LET OP
De functie Autobegeleiding van de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart is gebaseerd op elektronische kaartinformatie. De
gegevens garanderen niet dat de route vrij is van obstakels en dat deze diep genoeg is. Vergelijk de koers met alle visuele
waarnemingen en vermijd land, ondiep water en andere obstakels die u kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik
visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden.
U kunt op naam zoeken naar opgeslagen waypoints, opgeslagen routes, opgeslagen sporen en watersportdiensten.
1. Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Zoek op naam.
2. Spel minimaal een gedeelte van de naam van de bestemming.
3. Selecteer OK.
De 50 dichtstbijzijnde bestemmingen die met uw zoekcriteria overeenkomen, worden weergegeven.
4. Selecteer de locatie.
5. Selecteer Navigeren naar.
6. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Ga naar.
• Selecteer Route naar.
• Selecteer Begeleid naar als u de functie Autobegeleiding wilt gebruiken.
7. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Opmerking: als u de functie Autobegeleiding gebruikt, geeft een grijze lijn binnen de magenta lijn aan dat de functie
Autobegeleiding een deel van de automatische begeleiding niet kan berekenen. Dit wordt veroorzaakt door de instellingen
voor een veilige, vrije doorvaart bij een minimale waterdiepte en obstakelhoogte (pagina 53).
8. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Naar een opgeslagen waypoint zoeken en navigeren
 LET OP
De functie Autobegeleiding van de BlueChart g2 Vision-gegevenskaart is gebaseerd op elektronische kaartinformatie. De
gegevens garanderen niet dat de route vrij is van obstakels en dat deze diep genoeg is. Vergelijk de koers met alle visuele
waarnemingen en vermijd land, water en andere obstakels die u kunt tegenkomen.
Wanneer u Ga naar gebruikt, kunnen een directe koers en een gecorrigeerde koers over land of door ondiep water lopen. Gebruik
visuele waarnemingen om land, ondiep water en andere gevaarlijke objecten te vermijden.
Voordat u een lijst met waypoints kunt doorzoeken en naar het gewenste waypoint kunt navigeren, moet u ten minste één
waypoint maken en opslaan (pagina 32).
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Waypoints.
Selecteer een waypoint.
Selecteer Navigeren naar.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Ga naar.
• Selecteer Route naar.
• Selecteer Begeleid naar als u de functie Autobegeleiding wilt gebruiken.
5. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Opmerking: als u de functie Autobegeleiding gebruikt, geeft een grijze lijn binnen de magenta lijn aan dat de functie
Autobegeleiding een deel van de automatische begeleiding niet kan berekenen vanwege de instellingen voor een veilige, vrije
doorvaart bij een minimale waterdiepte en obstakelhoogte (pagina 53).
6. Volg de magenta lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
1.
2.
3.
4.
Naar een opgeslagen route zoeken en navigeren
Om door een lijst met routes te kunnen bladeren en naar een van die routes te kunnen navigeren moet u minimaal één route
hebben vastgelegd en opgeslagen (pagina 35).
40
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Waarheen?
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Routes.
Selecteer een route.
Selecteer Navigeren naar.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vooruit om de route te navigeren vanaf het vertrekpunt dat tijdens het maken van de route is ingesteld.
• Selecteer Terug om de route te navigeren vanaf de bestemming die tijdens het maken van de route is ingesteld.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. De dunnere paarse lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u van de
koers afwijkt.
5. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
6. Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Opmerking: Wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw
bestemming te gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
1.
2.
3.
4.
Naar een opgeslagen route zoeken en parallel aan deze route navigeren
Om door een lijst met routes te kunnen bladeren en naar een van die routes te kunnen navigeren moet u minimaal één route
hebben vastgelegd en opgeslagen (pagina 35).
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Routes.
Selecteer een route.
Selecteer Herzie > Navigeer naar.
Selecteer Offset om met een opgegeven afstand parallel aan de oorspronkelijke route te navigeren.
Selecteer Offset.
Geef de gewenste afstand op.
Selecteer OK.
Geef aan hoe u langs de route wilt navigeren:
• Selecteer Vooruit - bakboord om de route vanaf het beginpunt links van de oorspronkelijke route af te leggen.
• Selecteer Vooruit - stuurboord om de route te volgen vanaf het vertrekpunt bij het maken van de route naar rechts van de
oorspronkelijke route.
• Selecteer Achteruit - bakboord om de route te volgen vanaf het eindpunt bij het maken van de route naar links van de
oorspronkelijke route.
• Selecteer Achteruit - bakboord om de route te volgen vanaf het eindpunt bij het maken van de route naar links van de
oorspronkelijke route.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. De dunnere paarse lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u van de
koers afwijkt.
9. Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
10. Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Opmerking: Wanneer u van de koers bent afgeweken, volg dan de paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw
bestemming te gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Naar een opgeslagen spoor zoeken en navigeren
Voordat u een lijst met sporen kunt doorzoeken en naar het gewenste spoor kunt navigeren, moet u ten minste één spoor maken en
opslaan (pagina 37).
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Tracks.
Selecteer een spoor.
Selecteer Volg track.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vooruit om het spoor te volgen vanaf het vertrekpunt dat tijdens het maken van het spoor is ingesteld.
• Selecteer Terug om het spoor te volgen vanaf de bestemming die tijdens het maken van het spoor is ingesteld.
5. Controleer de koers, die met een gekleurde lijn is aangegeven.
6. Volg de gekleurde lijn, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
1.
2.
3.
4.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
41
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Het informatiescherm bevat informatie over getijden, stromingen, zon- en maanstanden, meters en video.
Almanakgegevens
Informatie van het getijdenstation
Het scherm Getijden verschaft informatie over een getijdenstation ➊ voor een specifieke datum en tijd ➋, zoals de vloedhoogte
➌ en de eb- en vloedtijden ➍. Standaard bevat de kaartplotter informatie over het laatst weergegeven getijdenstation en
informatie voor de huidige datum en tijd.
Selecteer Informatie > Getijde/stromingen > Getijden in het startscherm.
➊
➌
➋
➍
Informatie van het getijdenstation
Informatie weergeven over een nabijgelegen getijdenstation
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Getijde/stromingen > Getijden > Nabije stations.
2. Selecteer een station.
Getijdenstationinformatie voor een andere datum weergeven
U kunt aangeven voor welke datum u getijdenstationinformatie wilt weergeven.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Getijde/stromingen > Getijden > Nabije stations.
2. Selecteer een station.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wijzig datum om getijdeninformatie voor een andere datum weer te geven. Voer de datum in. Selecteer OK.
• Selecteer Huidige datum/tijd om de getijdeninformatie voor de huidige dag en tijd weer te geven.
• Selecteer Volgende dag om getijde-informatie weer te geven voor de dag na de weergegeven datum.
• Selecteer Vorige dag om getijde-informatie weer te geven voor de dag vóór de weergegeven datum.
42
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Informatie over stromingen
Opmerking: informatie over stromingenstations is beschikbaar op een BlueChart g2 Vision-kaart.
Het scherm Stromen bevat informatie over een getijdenstation ➊ voor een specifieke datum en tijd, zoals de actuele snelheid
van de stroming en het niveau ➋. Standaard bevat de kaartplotter informatie over het laatst weergegeven stromingenstation en
informatie voor de huidige datum en tijd.
Selecteer in het startscherm Informatie > Getijde/stromingen > Stromingen.
➊
➋
Informatie van stromingenstation
Informatie weergeven over een nabijgelegen stromingenstation
Opmerking: informatie over stromingenstations is beschikbaar via een BlueChart g2 Vision-kaart.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Getijde/stromingen > Stromingen > Nabije stations.
2. Selecteer een station.
Informatie over stromingenstations instellen
U kunt aangeven voor welke datum u informatie over stromingenstations wilt weergeven en u kunt deze informatie weergeven in
grafiek- of rapportvorm.
Opmerking: informatie over stromingenstations is beschikbaar op een BlueChart g2 Vision-kaart.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Getijde/stromingen > Stromingen > Nabije stations.
2. Selecteer een station.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wijzig datum > Handmatig om getijdeninformatie voor een andere datum weer te geven. Voer de datum in.
Selecteer OK.
• Selecteer Wijzig datum > Huidige datum/tijd om de getijdeninformatie voor de huidige datum weer te geven.
• Selecteer Toon rapport om het getijdenrapport voor het geselecteerde station weer te geven. Dit rapport bevat informatie
over doodtij, vloed en eb.
• Selecteer Volgende dag om de getijdeninformatie voor de dag na de weergegeven datum weer te geven.
• Selecteer Vorige dag om de getijdeninformatie voor de dag vóór de weergegeven datum weer te geven.
• Selecteer of om de tijd in intervallen van vier of vijf minuten in te stellen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
43
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Zon- en maanstanden
Het scherm Zon en maan bevat informatie over de zonsopgang en zonsondergang, de op- en ondergang van de maan, de
maanfase en een benadering van de positie van de zon ➊ en de maan ➋. Standaard geeft de kaartplotter informatie over de
zon- en maanstanden van de actuele dag en tijd weer. Het midden van het scherm ➌ stelt de lucht voor en de buitenste cirkels de
horizon ➍.
Selecteer Informatie > Getijde/stromingen > Zon en maan in het startscherm.
➋
➌
➍
➊
Zon- en maanstanden
Informatie over de zon- en maanstanden voor een andere datum weergeven
U kunt een datum en tijd selecteren waarvoor u informatie over de zon- en maanstanden wilt weergeven en u kunt de maanfase
voor de geselecteerde datum en tijd weergeven.
1. Selecteer Informatie > Getijde/stromingen > Zon en maan in het startscherm.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wijzig tijd om informatie over een bepaald tijdstip op de desbetreffende datum weer te geven. Selecteer
Omhoog of Omlaag om een nieuwe tijd in te voeren.
• Selecteer Wijzig datum > Handmatig om informatie voor een andere datum weer te geven. Voer de datum in. Selecteer
OK.
• Selecteer Wijzig datum > Hudige datum/tijd om de getijdeninformatie voor de huidige datum weer te geven.
• Selecteer Maanfase om de maanfase voor de aangegeven datum en tijd weer te geven. Selecteer Skyview om terug te
gaan naar de skyview bij het weergeven van de maanfase.
Omgevingsgegevens
Grafieken van omgevingsgegevens
U kunt grafieken voor verschillende typen omgevingsgegevens weergeven en instellen, zoals de windsnelheid, de windhoek, de
lucht -of watertemperatuur, de atmosferische druk en de diepte. Deze grafieken tonen gegevenspatronen gedurende een bepaalde
tijdsperiode. U kunt één of meer grafieken opnemen in een combinatiescherm (pagina 27).
U hebt verschillende sensors, transducers of antennes nodig voor het registreren van de gegevens die worden weergegeven in de
grafieken. Raadpleeg de Technische handleiding voor Garmin NMEA 2000-producten op de product-cd voor informatie over het
aansluiten van de kaartplotter op randapparatuur met gebruik van een NMEA 2000-netwerk.
44
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Een grafiek instellen
U kunt de schaal en duur van de grafieken Atmosferische druk en Diepte instellen. De duur verwijst naar het tijdinterval in
de grafiek en de schaal verwijst naar het bereik van de gemeten gegevens in de grafiek, inclusief specifieke maximum- en
minimumwaarden.
1.
2.
3.
4.
Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken.
Selecteer Atmo. druk of Diepte.
Selecteer Grafiekinstellingen.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer eerst Duur en vervolgens Omhoog of Omlaag om de duur in te stellen.
• Selecteer Schaal. Selecteer Omhoog, Omlaag of Auto. Als u Auto selecteert, stelt de kaartplotter de optimale minimumen maximumwaarden voor het bereik in op basis van de omgevingsomstandigheden. Als de kaartplotter nieuwe informatie
over de omgevingsomstandigheden ontvangt, wordt de schaal automatisch aangepast.
• Selecteer Reset schaal om de kaartplotter toe te staan de optimale minimum- en maximumwaarden voor het bereik
in te stellen, op basis van de omgevingsomstandigheden. Reset schaal wordt alleen weergegeven wanneer Auto al is
geselecteerd voor Schaal.
• Selecteer voor alleen atmosferische druk Drukref. en selecteer de referentietijd die wordt gebruikt om de barometertrend
te berekenen die in de linkerbovenhoek van de grafiek wordt weergegeven.
Windsnelheidgegevens
De werkelijke wind, schijnbare wind of grondwind voor de windgrafiek selecteren
De kaartplotter moet zijn aangesloten op de hieronder vermelde randapparatuur om de gegevens te kunnen registreren die in de
windsnelheidgrafiek worden weergegeven.
Windsnelheid
Beschrijving
Vereiste sensors
Schijnbare wind Hiermee worden gegevens over de windsnelheid
weergegeven op basis van de luchtstroom die wordt
gemeten terwijl een boot in beweging is.
Een windsensor.
Ware wind
Hiermee worden gegevens over de windsnelheid
weergegeven op basis van de luchtstroom die
wordt gemeten op een stationaire boot. De meest
nauwkeurige gegevens krijgt u als de instelling Bron
windsnelheid op Auto wordt gezet (pagina 52).
Een windsensor en een watersnelheidsensor; of een
windsensor en een GPS-antenne.
Grondwind
Hiermee worden gegevens over de windsnelheid
weergegeven op basis van de luchtstroom die wordt
gemeten aan wal.
Een windsensor, een sensor voor de watersnelheid,
een koerssensor en een GPS-antenne; of een
windsensor en een GPS-antenne; of een windsensor,
een sensor voor de watersnelheid en een koerssensor.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken > Windsnelheid.
2. Selecteer het type windsnelheidgegevens dat in de grafiek moet worden opgenomen (Schijnbare wind, Ware wind of
Grondwind).
De bronnen van de windsnelheid configureren
U kunt opgeven of de snelheid van het vaartuig die op het kompas wordt weergegeven op de watersnelheid of de GPS-snelheid
moet worden gebaseerd. De watersnelheid is de door een water-snelheidsensor gemeten snelheidmeting; de GPS-snelheid wordt
berekend op basis van uw GPS-positie.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Snelheidsbronnen.
2. Selecteer Wind.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Watersnelheid om aan te geven dat de berekende windsnelheid is gebaseerd op gegevens van een
watersnelheidsensor.
• Selecteer GPS-snelheid om aan te geven dat de berekende windsnelheid is gebaseerd op gegevens van een GPS-antenne.
• Selecteer Auto om de kaartplotter automatisch een bron van snelheidsgegevens te laten selecteren.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
45
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Windhoekgegevens
De windhoekgrafiek weergeven
De kaartplotter moet zijn aangesloten op de hieronder vermelde randapparatuur om de gegevens te kunnen registreren die in de
windsnelheidgrafiek worden weergegeven.
Windhoek
Beschrijving
Schijnbare wind Hiermee worden gegevens over de windrichting
weergegeven op basis van de luchtstroom die wordt
gemeten terwijl een boot in beweging is. Dit is de
schijnbare windhoek, die wordt berekend in relatie tot
de boeg van de boot en die wordt weergegeven in
graden bakboord of graden stuurboord.
Vereiste sensors
Een windsensor.
Ware wind
Een windsensor en een snelheidsensor; of een
Hiermee worden gegevens over de windrichting
windsensor en een GPS-antenne.
weergegeven op basis van de luchtstroom die wordt
gemeten op een stationaire boot. Dit is de ware
windhoek, die wordt berekend in relatie tot de boeg van
de boot en die wordt weergegeven in graden bakboord
of graden stuurboord. De meest nauwkeurige gegevens
krijgt u als de instelling Bron windsnelheid op Auto
wordt gezet (pagina 52).
Grondwind
Hiermee worden gegevens over de windrichting
weergegeven op basis van de luchtstroom die wordt
gemeten aan wal. Dit is de grondwindhoek, die wordt
berekend in relatie tot het noorden en die wordt
weergegeven in graden naar rechts. Het noorden kan
het ware noorden, het magnetische noorden of het grid
noorden zijn, afhankelijk van de configuratie van de
instelling voor koersreferentie (pagina 54).
Een windsensor, een sensor voor de watersnelheid,
een koerssensor en een GPS-antenne; of een
windsensor en een GPS-antenne; of een windsensor,
een sensor voor de watersnelheid en een koerssensor.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken > Windhoek.
2. Selecteer het type windrichtinggegevens dat in de grafiek moet worden opgenomen (Schijnbare wind, Ware wind of
Grondwind).
Gegevens over water- en luchttemperatuur
De grafiek voor water- en luchttemperatuur weergeven
De kaartplotter moet zijn aangesloten op een watertemperatuursensor of een transducer die de temperatuur kan meten om de
gegevens te kunnen registreren die worden weergegeven in de watertemperatuurgrafiek. De kaartplotter moet zijn aangesloten op
een luchttemperatuursensor om de gegevens te kunnen registreren die worden weergegeven in de luchttemperatuurgrafiek.
Als u het watertemperatuuralarm hebt ingeschakeld en ingesteld (pagina 94), verwijzen de rood weergegeven
temperatuurgegevens in de grafiek naar temperaturen die 2° F (1,1 °C) boven of onder de voor het alarm opgegeven temperatuur
liggen.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken > Temperatuur.
2. Selecteer het type temperatuurinformatie dat in de grafiek wordt opgenomen (L-temp of Watertemperatuur).
Gegevens over atmosferische druk
De grafiek voor atmosferische druk weergeven
De kaartplotter moet zijn aangesloten op een barometerdruksensor om de gegevens te kunnen registreren die worden weergegeven
in de atmosferische-drukgrafiek.
Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken > Atmo. druk.
Dieptegegevens
De dieptegrafiek weergeven
De kaartplotter moet zijn aangesloten op een transducer die de diepte kan meten om de gegevens te kunnen vastleggen die worden
weergegeven in de dieptegrafiek.
Selecteer in het startscherm Informatie > Grafieken > Diepte.
Als u de alarmen voor diep en ondiep water hebt ingeschakeld en ingesteld (pagina 94), verwijzen de rode gegevens in de
grafiek naar een waterdiepte die ondieper is dan de diepte die voor het alarm voor ondiep water is opgegeven of naar een
waterdiepte die dieper is dan het voor diep water opgegeven alarm.
46
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Bootgegevens
Motor- en brandstofmeters
Instrumenten van de motor weergeven
U moet zijn aangesloten op een NMEA 2000-netwerk dat motorgegevens kan verwerken om de motormeters te kunnen
weergeven. Raadpleeg de installatie-instructies voor de GPSMAP 4000/5000-serie voor meer gegevens.
Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren.
De motor- en brandstofmeterschermen doorlopen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren.
2. Navigeer van het ene meterscherm naar het andere:
• Gebruik de tuimelschakelaar als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie hebt.
• Selecteer de pijlen links en rechts boven aan de pagina als u een toestel uit de GPSMAP 5000-serie hebt.
De kaartplotter geeft het volgende motor- of brandstofmeterscherm weer.
3. Herhaal stap 2 om alle motor- en brandstofmeterschermen te doorlopen.
De motor- en brandstofmetergrenzen aanpassen
U kunt maximaal vier waarden configureren voor elke motor- of brandstofmeter, om de onder- en bovengrens van de meter en het
gewenste bereik voor normaal functioneren te bepalen. Als een waarde dit bereik overschrijdt, wordt de balk of de display van de
meter rood.
Instelling
Beschrijving
Schaalminimum
Deze waarde is lager dan het vastgestelde minimum en vertegenwoordigt de ondergrens van de meter.
Deze instelling is niet op alle meters beschikbaar.
Schaalmaximum
Deze waarde is hoger dan het vastgestelde maximum en vertegenwoordigt de bovengrens van de meter.
Deze instelling is niet op alle meters beschikbaar.
Vastgesteld
minimum
Vertegenwoordigt de minimumwaarde van het standaardbedrijfsbereik.
Vastgesteld
maximum
Vertegenwoordigt de maximumwaarde van het standaardbedrijfsbereik.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Stel metergrenzen in.
Selecteer een meter.
Selecteer Modus > Aangepast.
Selecteer de meter die u wilt instellen (Schaalmin., Schaalmax., Vastgest. min of Vastgest. max).
Selecteer Aan.
Selecteer de gewenste metergrens in de lijst.
Herhaal stap 4 tot en met 6 om meer metergrenzen in te stellen.
Statusalarmen voor motormeters en brandstofmeters activeren
Als u de alarmen voor de meterstatus hebt geactiveerd en de motor een waarschuwing verzendt via het NMEA 2000-netwerk,
wordt een alarmbericht voor de meterstatus weergegeven. Afhankelijk van het type alarm, kan de display of de balk rood worden.
Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Statusalarmen > Aan.
Alarmen voor motor- en brandstofmeterstatus aanpassen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Statusalarmen > Aangepast.
2. Selecteer een of meer alarmen voor de brandstof- of motormeters die u wilt in- of uitschakelen.
3. Selecteer Terug.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
47
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Het type motormeter selecteren
U kunt het type meter instellen dat wordt weergegeven op de eerste pagina met motormeters. Als u een of twee motoren hebt, kunt
u analoge of digitale meters weergeven. Als u drie of meer motoren hebt, kunt u alleen digitale meters weergeven.
Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Stijl.
Analoge instrumenten
Digitale instrumenten
Het aantal motoren selecteren dat door de meters wordt weergegeven
Digitale brandstofmeters kunnen informatie over maximaal vier motoren verschaffen. Analoge brandstofmeters kunnen informatie
over maximaal twee motoren verschaffen.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Motorselectie > Aantal motoren.
2. Selecteer het aantal motoren.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Terug.
• Voltooi stap 2 en 3 van “Selecteren welke motoren in de meters worden weergegeven” (pagina 48) om de motoren te
selecteren waarvoor informatie wordt weergegeven in de meters.
Selecteren welke motoren in de meters worden weergegeven
U dient handmatig het aantal motoren te selecteren dat wordt weergegeven in de brandstofmeters (pagina 48) voordat u kunt
selecteren voor welke motoren informatie wordt weergegeven.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen > Motorselectie.
2. Selecteer Eerste motor.
3. Selecteer de motor waarvoor u informatie wilt zien in de eerste meter of balk.
Als u bijvoorbeeld Motor 2 selecteert, ziet u in de eerste motormeter of balk informatie over de motor die in het NMEA
2000-netwerk wordt aangeduid als Motor 2.
4. Herhaal desgewenst stap 2 en 3 voor de tweede, derde en vierde motormeter of balk.
5. Selecteer Terug.
48
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
Brandstofmeters
Maximaal twee brandstofmeters, één hoge en één lage, verschijnen boven en onder de snelheidsmeter in het midden van de pagina
Brandstofmeters. Uw brandstoftanks dienen te beschikken over sensors voor het brandstofniveau of voor de brandstofstroom om
de gegevens te kunnen registreren die worden weergegeven in de brandstofmeters.
Als u alleen een sensor voor de brandstofstroom gebruikt, verwijst de hoeveelheid brandstof aan boord naar het geschatte
brandstofniveau op basis van de totale omvang van de tank, de geregistreerde hoeveelheid brandstof in de tanks en op de
stroomsnelheid.
Het aantal weergegeven brandstofmeters en de instelling van deze meters is gebaseerd op het aantal en het type brandstofsensors
aan boord, zoals uit onderstaande tabel blijkt.
0 brandstofniveausensors
0 brandstofstroomsensors
1 brandstofniveausensor
2 of meer brandstofniveausensors
Er worden geen
Er wordt één brandstofmeter Er worden twee brandstofmeters
brandstofmeters weergegeven. weergegeven.
weergegeven.
1 of meer
Er wordt één brandstofmeter
brandstofstroom-sensors weergegeven met een geschat
brandstofniveau.
Er wordt één brandstofmeter Er worden twee brandstofmeters
weergegeven.
weergegeven.
Brandstofmeters weergeven
Om brandstofinformatie te kunnen zien, moet uw kaartplotter zijn aangesloten op een externe brandstofsensor, zoals de Garmin
GFS™ 10.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren.
2. Navigeer van de motormeterschermen naar het brandstofmeterscherm:
• Gebruik de tuimelschakelaar als u een toestel uit de GPSMAP 4000-serie hebt.
• Selecteer de pijlen links en rechts boven aan de pagina als u een toestel uit de GPSMAP 5000-serie hebt.
Metergrenzen aanpassen
Zie “De motor- en brandstofmetergrenzen aanpassen” (pagina 47).
Meteralarmen activeren en aanpassen
Zie “Alarmen voor motor- en brandstofmeterstatus activeren” (pagina 47) en “Alarmen voor motor- en brandstofmeterstatus
aanpassen” (pagina 47).
Brandstofmetermetingen synchroniseren met het brandstofniveau
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vul alle tanks als de tanks vol zijn. Het brandstofniveau wordt ingesteld op de maximale capaciteit. Pas deze
indien nodig aan.
• Selecteer Voeg brandstof toe aan boot als u minder dan een volle tank hebt toegevoegd. Voer de hoeveelheid brandstof
in die u hebt toegevoegd. Selecteer OK. Er wordt dan een schatting van de hoeveelheid toegevoegde brandstof
weergegeven. Pas deze indien nodig aan.
• Selecteer Stel totale hoeveelheid brandstof in om het totaal aan brandstof in de tanks op te geven. Voer de hoeveelheid
brandstof in. Selecteer OK.
De gegevensbron voor brandstofverbruik selecteren
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Motoren > Menu > Meterinstellingen.
2. Bepaal de bron van de snelheidsgegevens aan de hand waarvan het brandstofverbruik wordt berekend.
• Selecteer Brandstofverbruik > GPS-snelheid.
• Selecteer Brandstofverbruik > Water om de gegevens van een snelheidswieltje te gebruiken.
Tripmeters
Tripmeters weergeven
Reistellers bevatten gegevens over de afgelegde kilometers, snelheid, tijd en brandstof voor de huidige trip.
Selecteer in het startscherm Informatie > Trip.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
49
Almanak-, omgevings- en bootgegevens
De tripmeters opnieuw instellen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Trip.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Reset trip om alle metingen voor de huidige trip in te stellen op 0,0.
• Selecteer Reset maximale snelheid om de meting van de maximumsnelheid in te stellen op 0,0.
• Selecteer Reset tripteller om de tripteller op 0,0 te zetten.
• Selecteer Reset alles om alle waarden op 0,0 te zetten.
Video weergeven
De kaartplotter kan videobeelden weergeven als u deze met de meegeleverde videokabel op een of meer videobronnen aansluit.
Raadpleeg de installatie-instructies voor de GPSMAP 4000/5000-serie voor meer gegevens.
Selecteer in het startscherm Informatie > Video.
Een videobron selecteren
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Video > Menu.
2. Selecteer Bron.
3. Selecteer Video 1 of Video 2 om de bron van de videofeed aan te geven en video-invoer weer te geven.
De videoweergave configureren
Voordat u de videoweergave kunt configureren, moet u de videobron instellen op Video 1 of Video 2 (pagina 50).
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Video > Menu.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aspect > Strek om het beeld met een opgerekte beeldverhouding weer te geven. Het beeld kan niet verder
worden opgerekt dan de afmetingen die worden aangeleverd door het aangesloten videotoestel, en mogelijk vult het niet
het gehele scherm.
• Selecteer Aspect > Standaard om de video weer te geven met een standaardbeeldverhouding.
• Selecteer Helderheid. Selecteer Omhoog, Omlaag of Auto.
• Selecteer Verzadiging om de kleurverzadiging aan te passen. Selecteer Omhoog, Omlaag of Auto.
• Selecteer Contrast. Selecteer Omhoog, Omlaag of Auto.
• Selecteer Standaard. Selecteer het bronformaat van de video (PAL of NTSC). Selecteer Auto als u de kaartplotter
automatisch het bronformaat wilt laten selecteren.
Afwisselen tussen meerdere videobronnen
Als u twee of meer videobronnen hebt, kunt u hiertussen afwisselen met behulp van een specifiek tijdsinterval.
1. Selecteer in het startscherm Informatie > Video > Menu > Bron > Wissel af.
2. Geef op hoe lang elke video wordt weergegeven.
50
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
Het toestel instellen
Standaardvragen over het instellen van het toestel
Vraag
Antwoord
Hoe kan ik de mate van detail op de kaart aanpassen?
Zie “Zoomdetails van de kaart wijzigen” (pagina 11).
Hoe kan ik de tijdzone-instelling wijzigen?
Zie “De tijd instellen” (pagina 55).
Hoe kan ik de taalinstelling wijzigen?
Zie “De taal instellen” (pagina 52).
Hoe kan ik de helderheid van de schermverlichting
aanpassen?
Zie “De schermverlichting aanpassen” (pagina 2).
Hoe kan ik een kompaslijn weergeven boven aan de kaart?
Zie “De kompaslijnbalk tonen” (pagina 58).
Hoe kan ik de kleur van het actieve spoor wijzigen?
Zie “De kleur van het actieve spoor instellen” (pagina 37).
Hoe kan ik het spoorlog op de kaart verwijderen?
Zie “Het actieve spoor wissen” (pagina 38).
Hoe kan ik waypoints overbrengen naar een geheugenkaart?
Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 60).
Hoe kan ik alle waypoints, routes en sporen wissen?
Zie “Alle opgeslagen waypoints, routes en sporen verwijderen”
(pagina 38).
Hoe kan ik de software- en kaartversie op de kaartplotter
controleren?
Zie “Systeeminformatie weergeven” (pagina 3).
Simulatormodus
 WAARSCHUWING
U dient in de simulatormodus niet te navigeren omdat de GPS-ontvanger is uitgeschakeld. Weergegeven signaalsterktebalken zijn
simulaties en geven dus niet de sterkte van werkelijke satellietsignalen weer.
De simulatormodus schakelt de GPS-ontvanger uit, voor gebruik binnenshuis of om te oefenen met de kaartplotter. De kaartplotter
ontvangt in de simulatormodus geen satellietsignalen.
De simulatormodus inschakelen
Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Simulator > Aan.
De simulatormodus instellen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Simulator > Instellen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Snelheid. Voer in de simulatormodus de snelheid van uw schip in. Selecteer OK.
• Selecteer Track controle. Selecteer Auto koers om de voorliggende koers automatisch te laten instellen door de
kaartplotter of Gebr. track om de koers handmatig in te stellen.
• Selecteer Stel positie in. Selecteer de gesimuleerde positie van uw schip. Selecteer Kies.
• Selecteer Tijd instellen. Voer de simulatietijd in. Selecteer OK.
• Selecteer Datum instellen. Voer de simulatiedatum in. Selecteer OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
51
Het toestel instellen
Het scherm instellen
Het geluid instellen
U kunt instellen wanneer de kaartplotter hoorbare signalen afgeeft.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Pieper/scherm > Pieper.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Alleen alarmen om de kaartplotter alleen een alarmsignaal te laten weergeven wanneer de alarmen worden
geactiveerd (standaardinstelling).
• Selecteer Toets en alarm om de kaartplotter te laten piepen wanneer de toetsen worden ingedrukt en wanneer de alarmen
worden geactiveerd.
De taal instellen
U kunt kiezen welke taal wordt weergegeven op de kaartplotter.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Taal.
2. Selecteer een taal.
avigatievoorkeuren
Route-instellingen
Een labeltype selecteren voor een route
U kunt selecteren welk type labels wordt weergegeven voor koerswijzigingen op de kaart.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Routelabels.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Naam weergeven om koerswijzigingen aan te duiden aan de hand van waypointnamen.
• Select Toon cijfer om koerswijzigingen aan te duiden aan de hand van nummers, zoals Koerswijziging 1 en
Koerswijziging 2.
Koerswijzigingovergangen instellen
U kunt instellen hoe ver of hoe lang voor een koerswijziging in een route u overgaat op het volgende deel. Door deze waarde te
verhogen, kunt u de nauwkeurigheid van de stuurautomaat bij het navigeren van een route of het volgen van een automatische
begeleidingslijn vergroten bij veel wendingen en bij hoge snelheden. Voor rechtere routes en lagere snelheden kan het verlagen
van deze waarde de nauwkeurigheid van de stuurautomaat vergroten.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Koerswijziging overgang > Activering.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Tijd. Selecteer Wijzig tijd. Voer de tijd in.
• Selecteer Afstand. Selecteer Wijzig afstand. Voer de afstand in.
3. Selecteer OK.
Bronnen voor snelheidsgegevens instellen
U kunt de bron bepalen van de snelheidsgegevens op basis waarvan de ware windsnelheid of het brandstofverbruik wordt
berekend. De watersnelheid is de door een water-snelheidsensor gemeten snelheidmeting; de GPS-snelheid wordt berekend op
basis van uw GPS-positie.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Snelheidsbronnen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wind en geef aan of de berekende windsnelheidsgegevens afkomstig zijn van een watersnelheidsensor,
gebaseerd zijn op de GPS-snelheid of dat de kaartplotter automatisch een snelheidsgegevensbron selecteert.
• Selecteer Brandstofverbruik en geef aan of de snelheidsgegevens op basis waarvan het brandstofverbruik wordt
berekend, afkomstig zijn van een watersnelheidsensor of gebaseerd zijn op de GPS-snelheid.
52
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
Configuraties van automatische begeleidingslijnen
U kunt de gegevens instellen die de kaartplotter gebruikt bij het berekenen van een automatische begeleidingslijn.
Opmerking: Autobegeleiding is beschikbaar bij gebruik van een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
Veilige waterdiepte en veilige obstakelhoogte
 LET OP
De instellingen voor Veilige diepte en Veilige hoogte zijn van invloed op de manier waarop de kaartplotter een automatische
begeleidingslijn berekent. Als de waterdiepte of de obstakelhoogte in een gebied niet bekend is, wordt geen automatische
begeleidingslijn berekend voor dat gebied. Als een gebied aan het begin of einde van een automatische begeleidingslijn minder
diep is dan de veilige waterdiepte of lager dan de veilige obstakelhoogte, wordt geen automatische begeleidingslijn berekend
voor dat gebied. De koers door deze gebieden wordt op de kaart weergegeven als een grijze lijn. Er wordt een alarmbericht
weergegeven wanneer uw boot een van deze gebieden binnenvaart.
De veilige waterdiepte en de veilige obstakelhoogte instellen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Autobegeleiding.
2. Selecteer Veilige diepte om de minimale diepte in te stellen die door de kaartplotter wordt gebruikt voor het berekenen van de
automatische begeleidingslijn.
3. Geef de minimale veilige diepte op.
4. Selecteer OK.
5. Selecteer Veilige hoogte om de minimale hoogte voor een brug in te stellen waar uw boot veilig onderdoor kan varen.
6. Geef de minimale veilige hoogte op.
7. Selecteer OK.
Instelling voor afstand tot de kustlijn (automatische begeleiding)
De instelling Afstand tot kustlijn geeft aan hoe dicht op de kust u de automatische begeleidingslijn wilt plaatsen. De automatische
begeleidingslijn wordt mogelijk verplaatst als u deze instelling tijdens het navigeren wijzigt.
De afstand ten opzichte van de kust instellen
De beschikbare waarden voor de instelling Afstand kustlijn (Dichtstbijzijnd, Nabij, Normaal, Ver of Verst) zijn relatief, niet
absoluut. Om ervoor te zorgen dat de automatische begeleidingslijn op een geschikte afstand van de kust wordt geplaatst, kunt u
de plaatsing van de lijn beoordelen aan de hand van een of meer bekende bestemmingen waarvoor navigatie door nauw vaarwater
is vereist.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Meer uw boot af of ga voor anker.
Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Navigatie > Autobegeleiding > Afstand kustlijn > Normaal.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Navigatiekaart.
Gebruik de cursor om een bestemmin te selecteren waar u al eerder naartoe bent genavigeerd.
Selecteer Navigeer naar > Begeleid naar.
Bekijk de plaatsing van de autobegeleidingslijn. Bepaal of de lijn veilig om bekende obstakels heen gaat en of de route met
koerswijzigingen een efficiënte route is.
7. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Als u tevreden bent met de plaatsing van de automatische begeleidingslijn, kiest u Menu > Stop navigatie. Ga door naar
stap 11.
• Als de automatische begeleidingslijn te dicht bij bekende obstakels is geplaatst, selecteert u Instellen > Voorkeuren >
Navigatie > Autobegeleiding > Afstand kustlijn > Ver in het startscherm.
• Als de koerswijzigingen in de automatische begeleidingslijn te omslachtig zijn, selecteert u Instellen > Voorkeuren >
Navigatie > Autobegeleiding > Afstand kustlijn > Nabij in het startscherm.
8. Als u in stap 7 Nabij of Ver hebt gekozen, controleer dan de plaatsing van de autobegeleidingslijn. Bepaal of de lijn veilig om
bekende obstakels heen gaat en of de route met koerswijzigingen een efficiënte route is.
De automatische begeleidingslijn zorgt ervoor dat u ver bij obstakels in open water vandaan blijft, ook als u Afstand tot
kustlijn instelt op Nabij of Dichtstbijzijnd. Dit betekent dat de kaartplotter de positie van de automatische begeleidingslijn
wellicht niet wijzigt, tenzij navigatie door nauw vaarwater is vereist voor de in stap 4 geselecteerde bestemming.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
53
Het toestel instellen
9. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Als u tevreden bent met de plaatsing van de automatische begeleidingslijn, selecteer dan Menu > Navigatieopties > Stop
navigatie. Ga door naar stap 11.
• Als de automatische begeleidingslijn te dicht bij bekende obstakels is geplaatst, selecteert u Instellen > Voorkeuren >
Navigatie > Autobegeleiding > Afstand kustlijn > Verst in het startscherm.
• Als de koerswijzigingen in de automatische begeleidingslijn te omslachtig zijn, selecteert u Instellen > Voorkeuren >
Navigatie > Autobegeleiding > Afstand kustlijn > Dichtstbijzijnd in het startscherm.
10. Als u in stap 9 Verst of Dichtstbijzijnd hebt gekozen, controleer dan de plaatsing van de automatische begeleidingslijn.
Bepaal of de lijn veilig om bekende obstakels heen gaat en of de route met koerswijzigingen een efficiënte route is.
De automatische begeleidingslijn zorgt ervoor dat u ver bij obstakels in open water vandaan blijft, ook als u Afstand tot
kustlijn instelt op Nabij of Dichtstbijzijnd. Dit betekent dat de kaartplotter de positie van de automatische begeleidingslijn
wellicht niet wijzigt, tenzij navigatie door nauw vaarwater is vereist voor de in stap 4 geselecteerde bestemming.
11. Herhaal stap 1 t/m 10 in ieder geval nog één keer. Gebruik daarbij iedere keer een andere afstand tot u vertrouwd bent met de
functionaliteit van de instelling Afstand tot kustlijn.
De koersreferentie instellen
U kunt de koersreferentie instellen die wordt gebruikt voor het berekenen van de voorliggende koers.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Eenheden > Koers.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Auto magnetisch (automatische magnetische afwijking) om de magnetische afwijking voor uw locatie
automatisch in te stellen.
• Selecteer Waar om het ware noorden in te stellen als de koersreferentie.
• Selecteer Grid om het grid (noorden) in te stellen als de koersreferentie (000º).
• Selecteer Gebruiker magnetisch om de waarde voor de magnetische afwijking handmatig in te stellen. Voer de
magnetische variatie in. Selecteer OK.
Coördinatensystemen
De coördinatensystemen op basis van positieformaat of kaartdatum instellen
U kunt zowel het positieformaat waarin een bepaalde locatiemeting wordt weergegeven als het coördinatensysteem voor de
structuur van de kaart instellen. Het standaardcoördinatensysteem is WGS 84.
Opmerking: wijzig het positieformaat of het coördinatensysteem van de kaart alleen als u een kaart gebruikt die een ander
positieformaat voorschrijft.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Eenheden.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Positieformaat om het formaat te bepalen waarin een bepaalde locatiemeting wordt weergegeven. Selecteer
vervolgens een positieformaat.
• Selecteer Kaartdatum om het coördinatensysteem in te stellen dat de structuur van de kaart bepaalt. Selecteer daarna een
coördinatensysteem.
54
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
De tijd instellen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Eenheden > Tijd.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Tijdformaat om een standaard voor het bijhouden van de tijd in te stellen. Selecteer 12 uur, 24 uur of UTC
(Universal Time Coordinate).
• Selecteer Tijdzone om de tijdzone te selecteren.
• Selecteer Zomertijd. Selecteer Aan, Uit of Auto.
Eenheden
U kunt de eenheden instellen die op de kaartplotter worden weergegeven. U kunt een standaardsysteem voor eenheden gebruiken
of uw eigen systeem instellen.
Een standaardsysteem voor eenheden selecteren
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Eenheden > Systeem eenheden.
2. Selecteer Statuut (m/h, ft, °F), Metrisch (km/h, m, ºC) of Nautisch (kt, ft, ºF).
Een aangepast eenhedensysteem maken
Om informatie over diepte en temperatuur te kunnen weergeven, moet u NMEA-dieptegegevens van een echolood ontvangen of
een Garmin-peilmodule gebruiken.
U kunt individuele eenheden selecteren om een aangepast eenhedensysteem te maken dat de kaartplotter kan weergeven.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Voorkeuren > Eenheden > Systeem eenheden > Aangepast.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer eerst Diepte en vervolgens Voet, Vadem of Meters.
• Selecteer eerst Temperatuur en vervolgens Fahrenheit of Celsius.
• Selecteer Afstand en vervolgens Mijlen, Kilometers, Zeemijlen (nm) of Naut. (nm, m).
• Selecteer eerst Snelheid > Snelheid vaartuig en vervolgens Mijlen per uur, Kilometers per uur of Knopen.
• Selecteer eerst Snelheid > Windsnelheid en vervolgens Mijlen per uur, Meter Per Sec of Knopen.
• Selecteer eerst Hoogte en vervolgens Voeten of Meters.
• Selecteer eerst Volume en vervolgens Liters, US Gallons of UK Gallons.
• Selecteer eerst Druk > Meterdruk en vervolgens kPa of psi.
• Selecteer eerst Druk > Atmosferische druk en vervolgens Millibars of Inches kwik.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
55
Het toestel instellen
Gegevensbalken
Gegevensbalken ➊ worden weergegeven op bepaalde kaarten en 3D-kaartweergaven, radarweergaven en combinatieschermen. U
dient de gegevensbalken voor elke kaart of één 3D-kaartweergave afzonderlijk in te stellen.
➊
Perspective 3D met gegevensbalken
Er bestaan verschillende gegevensbalken. Voor iedere gegevensbalk kunt u selecteren welke gegevensvelden daarbij moeten
worden weergegeven. Als de cijfers van de gegevensbalk op de kaart worden weergegeven, wordt de bijkaart tijdens de
navigatie weergegeven.
De kruisgegevensbalk tonen
De kruisgegevensbalk wordt weergegeven als u naar een bestemming navigeert. U kunt hier de GPS-snelheid, GPS-koers, diepte
en GPS-positiegegevens aflezen.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Selecteer Menu > Gegevensbalken > Kruisvaart > Aan.
De kruisgegevensbalk instellen
U kunt deze gegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 56).
Deze gegevensbalk bestaat uit vier gedeelten die elk een andere hoek van de kaart in beslag nemen. U kunt opgeven welk type
gegevens in elk gedeelte van de gegevensbalk moet worden weergegeven.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
Selecteer Menu > Gegevensbalken > Kruisvaart > Instellingen voor gegevensbalk.
Selecteer Linksboven.
Selecteer het type gegevens dat linksboven op de gegevensbalk moet worden weergegeven.
Herhaal stap 4 en 5 voor de gedeelten Rechtsboven, Linksonder en Rechtsonder van de gegevensbalk.
De navigatiegegevensbalk tonen
De navigatiegegevensbalk wordt in een rij boven de kaart weergegeven. Op deze gegevensbalk kunt u de afstand tot de
bestemming, aankomst, koers en de volgende koerswijziging aflezen en ziet u in hoeverre u van de koers bent afgeweken.
1.
2.
3.
4.
56
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
Selecteer Menu > Gegevensbalken > Navigatie.
Selecteer Aan of Auto.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
De navigatiegegevensbalk instellen
U kunt de navigatiegegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 56).
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
Selecteer Menu > Gegevensbalken > Navigatie > Instellingen voor gegevensbalk.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Routedeel. Selecteer Aan om de behouden snelheid te tonen tijdens het volgen van een route of een
automatische begeleidingslijn (pagina 58).
• Selecteer Volgende koerswijziging > Afstand om op afstand gebaseerde gegevens over de volgende koerswijziging weer
te geven.
• Selecteer Volgende koerswijziging > Tijd om op tijd gebaseerde gegevens over de volgende koerswijziging weer te
geven.
• Selecteer eerst Bestemming en vervolgens Afstand, Tijd tot bestemming of ETA om aan te geven hoe de
bestemmingsgegevens worden weergegeven.
De gegevensbalken Vissen, Brandstof en Onder zeil
Gegevensbalk
Getoonde gegevens
Vissen
Diepte, watertemperatuur en watersnelheid
Brandstof
Brandstofverbranding, resterende brandstof, bereik en brandstofverbruik
Onder zeil
Watersnelheid, windsnelheid, windhoek en behouden windsnelheid.
De vis-, brandstof- en vaarbalken tonen
De vis-, brandstof- en vaarbalken worden in een rij onder aan de kaart weergegeven. Er kan echter maar één balk tegelijk worden
weergegeven.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Databalken > Viskaart > Aan.
• Selecteer Menu > Databalken > Brandstof > Aan.
• Selecteer Menu > Databalken > Onder zeil > Aan.
Opmerking: wanneer u een van deze drie gegevensbalken weergeeft, worden de andere twee balken automatisch
verborgen.
Ware wind of schijnbare wind voor de gegevensbalk Onder zeil instellen
U kunt deze gegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 57).
U kunt selecteren welk type windgegevens wordt weergegeven in de vaarbalk.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
Selecteer Menu > Databalken > Onder zeil.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wind > Schijnbaar om de schijnbare windrichting weer te geven op een varende boot.
• Selecteer Wind > Waar om de werkelijke windrichting weer te geven op een stilliggende boot.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
57
Het toestel instellen
Behouden windsnelheid en behouden waypointsnelheid op de gegevensbalken
De kaartplotter schakelt automatisch over tussen weergave van de behouden windsnelheid en de behouden waypointsnelheid op
de gegevensbalken.
Behouden waypointsnelheid wordt onder de volgende omstandigheden weergegeven:
•
In het routedeelgedeelte van de navigatiebalk ziet u de behouden waypointsnelheid als u een route of een automatische
begeleidingslijn volgt.
• De vaarbalk toont de behouden waypointsnelheid als u een route of een automatische begeleidingslijn volgt en u het
routedeelgedeelte van de navigatiebalk uitschakelt.
Behouden windsnelheid wordt onder de volgende omstandigheden weergegeven:
•
•
Behouden windsnelheid wordt op de vaarbalk weergegeven wanneer u niet een route aflegt of de automatische
begeleidingslijn volgt.
De vaarbalk toont de behouden windsnelheid wanneer het routedeelgedeelte van de navigatiebalk ingeschakeld is en u een
route aflegt.
De kompaslijn in een kaart weergeven
De kompaslijn wordt boven in een kaart of een 3D-kaart weergegeven. Deze bevat de volgende informatie: de huidige
voorliggende koers en een indicatie van de peiling voor de gewenste koers tijdens het navigeren.
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Selecteer Menu > Databalken > Kompaslijn > Aan.
Overige schepen
U kunt informatie over andere schepen tonen en instellen op de navigatiekaart, de viskaart, Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
Opmerking: uw kaartplotter moet zijn aangesloten op een extern AIS-toestel om AIS-gegevens (Automatic Identification
System) voor andere schepen te kunnen instellen. Voor MARPA is een koerssensor vereist. De koerssensor moet het
NMEA 0183-telegram HDM of HDG uitvoeren. Zie “Informatie over MARPA” (pagina 68).
Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven
Zie “Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven” (pagina 18).
De weergave van andere schepen configureren
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
Selecteer Menu > Overige schepen > AIS-weergave-instelling.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Weergavebereik en geef de afstand ten opzichte van uw locatie op waarbinnen AIS-schepen zichtbaar worden.
Selecteer een afstand.
• Selecteer MARPA > Toon om informatie over schepen met MARPA-labels weer te geven.
• Selecteer Details > Toon om gegevens over andere schepen weer te geven.
• Selecteer Geprojecteerde koers om de geprojecteerde koerstijd voor schepen met MARPA-labels in te stellen. Voer de
koers in. Selecteer OK.
• Selecteer Sporen om het pad van AIS-schepen te tonen. Selecteer de lengte van het spoor dat met behulp van een spoor
wordt weergegeven.
58
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
Informatie over uw boot
Een toestel voor watersnelheid kalibreren
Als u over een transducer met snelheidmeting beschikt, kunt u dat toestel voor de snelheid door het water kalibreren.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Mijn boot > Vaarsnelheid kalibreren.
2. Volg de instructies op het scherm.
Opmerking: als de boot te traag is of als de snelheidsensor niets registreert, verschijnt de melding “Snelheid te laag”.
Selecteer OK en verhoog geleidelijk de snelheid van de boot. Als het bericht weer wordt weergegeven, stop dan de boot
en controleer of het wieltje met de sensor niet is vastgelopen. Als het wieltje zonder problemen draait, controleer dan de
kabelverbindingen. Neem contact op met de productondersteuning van Garmin als de melding blijft verschijnen.
De brandstofcapaciteit van uw boot instellen
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Mijn boot > Brandstofcapaciteit.
2. Voer de totale brandstofcapaciteit in van alle tanks op uw boot.
3. Selecteer OK.
Alarmen
Standaard zijn alle alarmen uitgeschakeld, behalve het bestemmings- en weeralarm. De alarmen werken alleen als de kaartplotter
is ingeschakeld.
Navigatiealarmen
Een aankomstalarm instellen
U kunt een alarm laten klinken wanneer u binnen een bepaalde afstand of tijd van een koerswijziging of bestemmingswaypoint
arriveert.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Navigatie > Aankomst.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Type. Kies of u alleen een aankomstalarm wilt horen wanneer u uw bestemming nadert of ook wanneer u
koerswijzigingen nadert.
• Selecteer Activering. Kies of het aankomstalarm afhankelijk is van de Tijd of de Afstand ten opzichte van de aankomst.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wijzig tijd (als activering is ingesteld op Tijd) om aan te geven hoe lang voor aankomst (in minuten) het alarm
moet klinken. Voer de tijd in. Selecteer OK.
• Selecteer Wijzig afstand (als activering is ingesteld op Afstand) om aan te geven hoe ver voor aankomst (in
afstandseenheden) het alarm moet klinken. Voer de afstand in. Selecteer OK.
Het krabbend-ankeralarm instellen
U kunt een alarm laten afgaan wanneer u voor anker ligt en verder dan een opgegeven afstand afdrijft.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Navigatie > Krabbend anker > Aan.
2. Voer de afdrijfafstand in waarbij het alarm moet worden geactiveerd.
3. Selecteer OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
59
Het toestel instellen
Het koersfoutalarm instellen
U kunt een alarm laten afgaan wanneer u een opgegeven afstand van de koers afwijkt.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Navigatie > Van koers > Aan.
2. Voer de afwijkende afstand in waarbij het alarm wordt geactiveerd.
3. Selecteer OK.
Systeemalarmen
De wekker instellen
U kunt een alarm instellen met gebruik van de klok van het (GPS-)systeem.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Systeem > Klok > Aan.
2. Voer de tijd in waarop het alarm moet afgaan.
3. Selecteer OK.
Het voedingspanningsalarm instellen
U kunt een alarm instellen dat afgaat wanneer de accuspanning is gedaald tot een opgegeven spanning.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Systeem > Voeding > Aan.
2. Voer de spanning in waarbij het alarm moet afgaan.
3. Selecteer OK.
Het alarm voor GPS-nauwkeurigheid instellen
U kunt een alarm laten afgaan wanneer de nauwkeurigheid van de GPS-locatie buiten een door de gebruiker gedefinieerde waarde
valt.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Systeem > GPS miswijzing > Aan.
2. Voer de nauwkeurigheid van de GPS-locatie in waarbij het alarm moet afgaan.
3. Selecteer OK.
Het alarm voor de totale hoeveelheid brandstof aan boord instellen
De kaartplotter moet zijn aangesloten op een externe brandstofsensor om gegevens over het brandstofverbruik te kunnen
registreren.
U kunt een alarm laten afgaan wanneer de totale hoeveelheid resterende brandstof aan boord het door u opgegeven niveau bereikt.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Brandstof > Totaal brandstof aan boord > Aan.
2. Voer de hoeveelheid brandstof in waarbij het alarm afgaat.
3. Selecteer OK.
Aanvaringsgevaar
Zie “Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen” (pagina 17).
Echoloodwaarschuwingen instellen
Zie “Echoloodalarmen” (pagina 93).
Weeralarmen instellen
Zie het XM WX Satellite Weather® en XM Satellite Radio Supplement (alleen in Noord-Amerika).
Beheer van kaartplottergegevens
Waypoints, routes en sporen kopiëren naar een kaartplotter
Voer de volgende handelingen uit voordat u MapSource®- of HomePort™-gegevens naar een kaartplotter kopieert:
•
•
60
De eerste keer dat u HomePort- of MapSource-gegevens via een geheugenkaart naar een kaartplotter kopieert, dient u deze
kaart voor te bereiden. Dat doet u door de geheugenkaart in de kaartplotter te plaatsen, zodat deze een bestand op de kaart kan
plaatsen. Dit bestand verschaft HomePort of MapSource informatie over de gegevensindeling.
Controleer welke versie van MapSource op de computer staat door op Help > Info over MapSource te klikken. Als de
softwareversie ouder is dan 6.12.2, voer dan als volgt een update uit naar de huidige versie: klik op Help > Controleer of er
software-updates zijn of ga naar www.garmin.com.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Het toestel instellen
1. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Kopieer de gegevens van HomePort naar de voorbereide geheugenkaart (via een geheugenkaartlezer die op de computer
is aangesloten). Volg hierbij het proces dat wordt beschreven in het helpsysteem van HomePort.
• Kopieer de gegevens van MapSource naar de voorbereide geheugenkaart (via een gegevenskaartlezer die op de computer
is aangesloten). Volg hierbij het proces dat wordt beschreven in het helpsysteem van MapSource.
2. Kopieer de gegevens van de gegevenskaart naar de kaartplotter. Zie “Gegevens van een gegevenskaart kopiëren” pagina 61).
Gegevens van een gegevenskaart kopiëren
1. Plaats een gegevenskaart in de gegevenskaartuitsparing van de kaartplotter.
2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Voeg in van kaart om gegevens op de gegevenskaart over te brengen naar de kaartplotter en deze te
combineren met de bestaande gebruikersgegevens.
• Selecteer Vervang van kaart om gegevens op de gegevenskaart over te brengen naar de kaartplotter en zo de bestaande
gebruikersgegevens te vervangen.
4. Selecteer de bestandsnaam in de lijst als er meerdere bestanden worden vermeld.
Waypoints, routes en sporen kopiëren naar een geheugenkaart
1. Plaats een geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing van de kaartplotter.
2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart > Bewaar op kaart.
3. Geef de naam van het nieuwe bestand aan:
• Selecteer de bestandsnaam in de lijst.
• Selecteer Voeg nieuw bestand toe om een nieuw bestand te maken. Typ de bestandsnaam. Selecteer OK.
4. Selecteer Bewaar op kaart.
De bestandsnaam krijgt de toevoeging ADM.
Geïntegreerde kaarten naar een geheugenkaart kopiëren
U kunt kaarten van de kaartplotter kopiëren naar een geheugenkaart, zodat u deze kunt gebruiken met HomePort.
1. Plaats een geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing van de kaartplotter.
2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart.
3. Selecteer Ingebouwde kaart kopiëren > Start kopiëren om de kaarten die op de kaartplotter zijn geladen te kopiëren naar de
geheugenkaart.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
61
Het toestel instellen
Waypoints, routes en sporen van of naar alle kaartplotters op een netwerk kopiëren
U kunt waypoint-, route- en koersgegevens overbrengen van één op het Garmin Marine Network aangesloten kaartplotter naar alle
andere op dit netwerk aangesloten kaartplotters.
1. Sluit de kaartplotter via de netwerkpoort aan de achterkant met een Garmin-netwerkkabel aan op een Garmin Marine
Network.
2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikergegevens > Data verzenden > Netwerk.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Kloon om gegevens van de kaartplotter over te brengen naar de andere op het netwerk aangesloten kaartplotters.
De bestaande gegevens op deze kaartplotters worden overschreven.
• Selecteer Voeg gebruikergegevens in om gegevens over te brengen tussen alle op het netwerk aangesloten kaartplotters.
Unieke gegevens worden op elke kaartplotter gecombineerd met bestaande gegevens.
Een back-up van gegevens maken op een PC
1. Plaats een geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing van de kaartplotter.
2. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart > Bewaar op kaart.
3. Voer een van de volgende handelingen uit om aan te geven van welk bestand u een back-up wilt maken:
• Selecteer de bestandsnaam in de lijst.
• Selecteer Voeg nieuw bestand toe om een nieuw bestand te maken. Typ de bestandsnaam. Selecteer OK.
4. Selecteer Bewaar op kaart.
De bestandsnaam krijgt de toevoeging ADM.
5. Verwijder de geheugenkaart uit de kaartplotter en plaats deze in een gegevenskaartlezer die is aangesloten op een computer.
6. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Klik in Windows® op Start > My Computer > Secure Digital storage device > Garmin > UserData.
• Open in Apple OS X het geheugenkaartpictogram op het bureaublad. Open vervolgens Garmin > UserData.
7. Kopieer het desbetreffende back-upbestand op de kaart en plak dit in een willekeurige locatie op de computer.
De back-upgegevens herstellen naar een kaartplotter
1. Plaats de geheugenkaart in een gegevenskaartlezer die is aangesloten op de computer.
2. Kopieer een back-upbestand van de computer naar de map Garmin\UserData op de geheugenkaart.
3. Plaats de geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing op de kaartplotter.
4. Selecteer in het startscherm Informatie > Gebruikersgegevens > Gegevens verzenden > Kaart > Vervang van kaart.
Netwerktoestellen configureren
Aangesloten Garmin Marine Network-toestellen weergeven
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > Marine Netwerk.
Elk aangesloten toestel wordt links op het scherm weergegeven.
Een naam toewijzen aan een toestel op het Garmin Marine Network
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > Marine Netwerk.
2. Selecteer een toestel.
3. Selecteer Herzie.
4. Geef het toestel een naam.
5. Selecteer OK.
62
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Radar
 WAARSCHUWING
De scheepsradar zendt microgolfenergie uit, die een gevaar kan vormen voor mens en dier. Controleer, vóór de radar wordt
ingeschakeld, of de directe omgeving vrij is. De radarbundel bestrijkt een gebied van ca. 12° boven en onder de horizontale lijn
vanuit het midden van de radar. Kijk niet direct in de radarbundel; de ogen zijn namelijk het gevoeligste deel van het lichaam.
Wanneer u de kaartplotter aansluit op een optionele Garmin-radar, bijvoorbeeld een GMR™ 404/406 of GMR 18/24, kunt u meer
informatie weergeven over uw omgeving. De radar maakt verbinding via het Garmin Marine Network en deelt radargegevens met
alle kaartplotters binnen het netwerk.
De GMR zendt tijdens het ronddraaien in een patroon van 360° een smalle bundel microgolfenergie uit. Wanneer die
energiebundel op een object stuit, kaatst een deel van de energie terug naar de radar.
Radarsignalen
Radiosignalen uitzenden
1. Schakel de kaartplotter uit en sluit de radar aan zoals beschreven in de installatie-instructies van de radar.
2. Schakel het netwerk in.
De radar warmt op en een aftelsignaal maakt u erop attent wanneer de radar gereed is.
OPMERKING: om veiligheidsredenen gaat de radar na het opwarmen in de stand-bymodus. Dat geeft u de gelegenheid om
te controleren of de omgeving van de radar vrij is, voordat u begint met de radartransmissie.
3. Selecteer Radar in het startscherm.
4. Selecteer Haven, Buitengaats, Dubbel bereik, Wachtpost of Radaroverlay.
Tijdens het opstarten van de radar wordt er een aftelbericht weergegeven, waarna wordt gemeld dat de radar kan gaan zenden.
5. Selecteer Menu > Radar zenden.
Gedurende enkele seconden verschijnt een “indraai”-bericht, waarna de radar een beeld begint op te bouwen.
Het uitzenden van radarsignalen stopzetten
Selecteer op het radarscherm Menu > Radar stand-by.
De zoomschaal op het radarscherm aanpassen
De zoomschaal (ook radarbereik genoemd) geeft de afstand van uw positie (het midden) tot aan de buitenste rand van de cirkel
weer. Elke ring vertegenwoordigt een gelijk deel van de zoomschaal. Als bijvoorbeeld de zoomschaal is ingesteld op drie
kilometer, is elke ring gelijk aan één kilometer verder uit het midden.
•
•
en .
Tik bij de GPSMAP 5000-serie op
Druk bij de GPSMAP 4000-serie op de bereiktoetsen (-/+).
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
63
Radar
Weergavemodi voor de radar
Op het radarscherm staan vijf standaardbedrijfsmodi. Elke modus kan alleen bij een compatibele radar worden gebruikt
(pagina 64).
•
•
•
•
•
De modus Kruisvaart: hiermee kunt u een schermvullend beeld weergeven van de verzamelde radarinformatie.
De modus Haven: deze modus is bedoeld voor binnenwateren en werkt het beste bij radarsignalen met een kort bereik
(2 zeemijl of minder).
De modus Buitengaats: deze modus is bedoeld voor open water en werkt het beste bij radarsignalen met een lang bereik.
De modus Dubbel bereik: geeft de radargegevens met een kort bereik en de radargegevens met een lang bereik naast elkaar
weer.
De modus Wachtpost: hiermee kunt u de radar op bepaalde tijden laten overschakelen op transmissie en zo een transmissie/
stand-bycyclus configureren en daarmee stroom besparen. U kunt ook een bewakingszone instellen in de wachtpostmodus
waarmee u een veilige zone rond uw boot instelt.
Radarmodus
Kruisvaart
Compatibele radar
GMR 20, 21, 40, 41
GMR 18, 18 HD, 24,
24 HD
GMR 404, 406
X
X
X
GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD,
1206 xHD
Haven
X
Buitengaats
X
Dubbel bereik
Wachtpost
X
X
X
X
X
De modus Kruisvaart
De modus Kruisvaart is de standaardmodus van een aantal radars (GMR 20, 21, 40, 41, 18, 18 HD, 24, 24 HD, 404 en 406).
Opmerking: als u overschakelt van de modus Wachtpost naar de modus Kruisvaart, schakelt de radar over op
fulltimetransmissie en worden eventuele bewakingszones uitgeschakeld.
De modus Kruisvaart weergeven
Selecteer in het startscherm Radar > Kruisvaart.
Er wordt een schermvullend beeld weergeven van de verzamelde radarinformatie. Uw positie is in het midden van het scherm
en de cirkels ➊ geven de afstanden weer. De afstand tussen de cirkels ➋ en het radarbereik ➌ wordt onder in het scherm
weergegeven.
➊
➌
➋
De modus Kruisvaart
64
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
De modus Haven
De modus Haven is de standaardradar voor binnenwateren bij de volgende typen radar: GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD en
1206 xHD. Deze modus werkt het beste bij radarsignalen met een kort bereik (2 zeemijlen of minder).
Opmerking: als u overschakelt van de modus Wachtpost naar de modus Haven, schakelt de radar over op fulltimetransmissie
en worden eventuele bewakingszones uitgeschakeld.
De modus Haven weergeven
Selecteer in het startscherm Radar > Haven.
De modus Haven
De modus Buitengaats
De modus Buitengaats is de standaardradar voor open water bij de volgende typen radar: GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD en
1206 xHD.
Opmerking: als u overschakelt van de modus Wachtpost naar de modus Buitengaats, schakelt de radar over op
fulltimetransmissie en worden eventuele bewakingszones uitgeschakeld.
De modus Buitengaats weergeven
Selecteer in het startscherm Radar > Buitengaats.
De modus Buitengaats
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
65
Radar
De modus Dubbel bereik
In de modus Dubbel bereik worden de radargegevens met een kort bereik en de radargegevens met een lang bereik met een
van de volgende typen radar (GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD of 1206 xHD) naast elkaar weergegeven. Deze dubbele
radarweergave komt vooral 's nachts en bij slechte weersomstandigheden van pas.
De radargegevens met een kort bereik staan links ➊ op het scherm. Dit signaalbereik mag niet langer zijn dan 3 zeemijlen (4 km).
De radargegevens met een lang bereik staan rechts ➋ op het scherm. Dit signaalbereik moet groter zijn dan het signaalbereik van
de gegevens met een kort bereik. Het scherm met het korte bereik is vergelijkbaar met de modus Haven en het scherm met het
lange bereik is vergelijkbaar met de modus Buitengaats.
➊
➋
De modus Dubbel bereik
Opmerking: als u overschakelt van de modus Wachtpost naar de modus Dubbel bereik, schakelt de radar over op
fulltimetransmissie en worden eventuele bewakingszones uitgeschakeld. Als u overschakelt van de modus Haven of de modus
Buitengaats naar de modus Dubbel bereik, worden alle MARPA-objecten geannuleerd en kunt u pas weer naar MARPA-objecten
gaan zoeken als u de modus Dubbel bereik afsluit.
De modus Dubbel bereik weergeven
Selecteer in het startscherm Radar > Dubbel bereik.
De modus Wachtpost
In de modus Wachtpost gaat de radar op bepaalde tijden over op transmissie. U kunt zo een transmissie/stand-bycyclus
configureren en daarmee stroom besparen. In deze modus kunt u ook een bewakingszone inschakelen. Deze zone is het
veilige gebied rond uw boot. Wanneer de radar een object oppikt dat deze zone binnengaat, wordt u door middel van een
waarschuwingssignaal gewaarschuwd. De modus Wachtpost werkt bij alle Garmin GMR-radars.
De modus Wachtpost weergeven
OPMERKING: als u overschakelt naar de modus Wachtpost en MARPA is in deze modus uitgeschakeld, worden alle MARPAobjecten geannuleerd en kunt u pas weer naar MARPA-objecten gaan zoeken als u de modus Wachtpost afsluit. Als MARPA in de
modus Wachtpost is ingeschakeld, worden er geen MARPA-objecten geannuleerd.
Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost.
MARPA in de modus Wachtpost inschakelen
Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > MARPA > Aan.
Gepland zenden inschakelen
Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > Gepland zenden > Aan.
66
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
De tijd voor stand-by en zenden instellen
Voordat u de stand-bytijd en zendtijd kunt instellen, moet u eerst gepland zenden inschakelen (pagina 66).
U kunt stroom besparen door de stand-bytijd en zendtijd zo in te stellen dat er maar op bepaalde tijden radarsignalen worden
uitgezonden.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in.
Selecteer Stand-bytijd.
Geef de tijdinterval op tussen het verzenden van de radarsignalen.
Selecteer OK.
Selecteer Zendtijd.
Voer de lengte in voor de duur van ieder radarsignaal.
Selecteer OK.
Een bewakingszone inschakelen
Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > Bewakingszone.
Een gedeeltelijke bewakingszone inschakelen
Eerst moet u een bewakingszone inschakelen voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen (pagina 67).
U kunt ook de grenzen opgeven van een bewakingszone die uw boot niet volledig omsluit.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > Bijstellen
bewakingszone > Verplaats bewakingszone > Hoek 1.
2. De locatie van de hoek van de bewakingszone aanpassen:
• Gebruik bij de GPSMAP 4000-serie de tuimelschakelaar en de pijlen op het scherm
( en ).
• Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de hoek van de bewakingszone en sleep die hoek naar de
gewenste locatie.
3. Selecteer Hoek 2 en herhaal stap 2 om de locatie van de tweede hoek van de bewakingszone aan
te passen.
4. Selecteer OK.
Hoek 1
Hoek 2
Een cirkelvormige bewakingszone inschakelen
Eerst moet u een bewakingszone inschakelen voordat u de grenzen van de zone kunt bepalen
(pagina 67).
U kunt een cirkelvormige bewakingszone definiëren die uw boot volledig omsluit.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Wachtpost > Menu > Stel wachtpost in > Bijstellen bewakingszone > Verplaats
bewakingszone.
Opmerking: de bewakingszone wordt als gedeeltelijke bewakingszone weergegeven tijdens stap 2 en 3 van deze
procedure.
2. Stel de binnenste ring van de bewakingszone in:
Cirkelvormig
• Gebruik bij de GPSMAP 4000-serie de tuimelschakelaar en de pijlen op het scherm
en ).
(
• Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de hoek van de bewakingszone en sleep die hoek naar de
gewenste locatie.
3. Selecteer Hoek 2 en herhaal stap 2 om de locatie van de buitenste ring van de bewakingszone aan te
passen.
4. Selecteer Cirkel > OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
67
Radar
De radar richten
Een gerichte radar kan objecten identificeren en volgen.
Info over MARPA
MARPA wordt hoofdzakelijk gebruikt voor het voorkomen van aanvaringen tussen schepen door objecten te zoeken en te volgen.
Om MARPA te kunnen gebruiken moet u eerst een MARPA-tag aan een object toewijzen. De radar controleert automatisch het
gelabelde object en geeft u informatie over dat object, waaronder het bereik, de peiling, snelheid, GPS-koers, het moment waarop
dat object het dichtst bij u was en het tijdstip daarvan. MARPA geeft de status van elk gelabeld object aan (zoeken, verloren,
volgen of gevaarlijk) en de kaartplotter kan een waarschuwingssignaal geven als het object uw veiligheidszone binnenkomt.
➌
➊
➍
➋
➎
Symbolen voor zoeken met MARPA
Symbool
Beschrijving
➊
Een object zoeken. Concentrische, gestippelde groene cirkels stralen golven vanuit het object uit als de radar op
het object is gericht.
➋
Het object is gevonden. Een effen groene cirkel geeft de locatie van het object aan waarop de radar is gericht.
Een groene stippellijn die aan de cirkel vastzit, geeft de geprojecteerde koers over de grond of de GPS-koers van
het object aan.
➌
Dichtstbijzijnd punt van nadering en tijd tot dichtstbijzijnd punt van nadering voor een gevaarlijk object.
➍
Gevaarlijk object binnen bereik. Een rode cirkel knippert bij het object terwijl er een waarschuwingssignaal klinkt
en een melding wordt gegeven. Nadat het alarm is bevestigd, geeft een effen rode punt met daaraan een rode
stippellijn de locatie en de geprojecteerde koers over de grond of de GPS-koers van het object aan. Als het alarm
voor het aanvaringsgevaar is uitgeschakeld, knippert het object maar gaat er geen hoorbaar alarmsignaal af en
wordt er geen melding gegeven (pagina 17).
➎
Het object is verdwenen. Een effen groene cirkel met een X erin geeft aan dat de radar niet op het doel kon
worden gericht en vastgezet.
68
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Een MARPA-tag aan een object toewijzen
Opmerking: om MARPA te kunnen gebruiken hebt u een koerssensor en een actief GPS-signaal nodig. De koerssensor moet
het NMEA 2000-parametergroepsnummer (PGN) 127250 van de NMEA 0183 HDM- of HDG-uitvoertelegram opgegeven.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer een object of een locatie ➊.
Selecteer Bepaal target ➋.
➋
➊
Een MARPA-tag van een doelobject verwijderen
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer een doelobject.
Selecteer MARPA-doel > Verwijder.
Informatie weergeven over een object dat met een MARPA-tag is gelabeld
U kunt het bereik, de peiling, de snelheid en andere informatie over een object bekijken dat met een MARPA-tag is gelabeld.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer een doelobject.
Selecteer MARPA-doel.
Radar richten stoppen
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer een doelobject.
Selecteer Stop wijzen.
Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen
Zie “Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen” (pagina 17).
Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven
Vanuit elke radarweergave of de radaroverlay kunt u de vormgeving van een lijst met AIS- en MARPA-gevaren bekijken en
aanpassen.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik, Wachtpost of Radaroverlay.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Overige schepen > Lijst > Toon om de lijst in de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel
bereik of Wachtpost of in de radaroverlay te openen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
69
Radar
Open de lijst in de modus Dubbel bereik. Selecteer
> Menu > Overige schepen > Lijst > Toon voor de GPSMAP
4000-serie. Selecteer Links > Overige schepen > Lijst > Toon voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer het type gevaar dat u in de lijst wilt opnemen (Alle gevaren, alleen MARPA-gevaren of alleen AIS-gevaren).
•
AIS-schepen op het radarscherm weergeven
AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt.
U kunt instellen hoe andere schepen op het radarscherm moeten worden weergegeven. Als u een instelling (behalve Bereik
AIS-weergave) van één radarmodus wijzigt, worden de nieuwe instellingen ook op alle andere radarmodi toegepast, behalve de
radaroverlay. De details en instellingen van de geprojecteerde koers die zijn geconfigureerd voor één radarmodus, gelden voor
elke andere radarmodus, inclusief de radaroverlay.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
Selecteer Menu > Overige schepen > AIS-weergave-instelling.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Weergavebereik en geef de afstand ten opzichte van uw locatie op waarbinnen AIS-schepen zichtbaar worden.
Selecteer een afstand.
• Selecteer Details > Toon om gedetailleerde informatie over schepen met AIS en met een MARPA-tag weer te geven.
• Selecteer Geprojecteerde koers om de tijd van de geprojecteerde koers voor schepen met AIS en een MARPA-tag in te
stellen. Voer de tijd in. Selecteer OK.
VRM en EBL
De VRM (variabele afstandsring) en de EBL (elektronische peillijn) meten de afstand en peiling van uw schip tot een doelobject.
De VRM wordt op het radarscherm als een cirkel rond de huidige positie van uw schip weergegeven en de EBL is een lijn die op
de huidige positie van uw schip begint en de VRM snijdt. Het snijpunt is het object van de VRM en de EBL.
De VRM en de EBL weergeven
De VRM en de EBL die voor één modus zijn geconfigureerd, gelden ook voor alle andere radarmodi.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Dubbel bereik.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Toon VRM/EBL voor de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
> Menu > Toon VRM/
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Toon VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Toon VRM/
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Toon VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
70
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
De VRM en de EBL aanpassen
U moet de VRM en de EBL weergeven om ze te kunnen aanpassen (pagina 70).
U kunt de diameter van de VRM en de hoek van de EBL aanpassen, waardoor het snijpunt van de VRM en EBL wordt verplaatst.
De VRM en de EBL die voor één modus zijn geconfigureerd, gelden ook voor alle andere radarmodi.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Dubbel bereik.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
> Menu > Bijstellen
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats
VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Bijstellen
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats
VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer een nieuwe locatie voor het snijpunt van de VRM en de EBL.
5. Selecteer OK.
Het bereik en de peiling tot een doelobject meten
U moet de VRM en de EBL weergeven om ze te kunnen aanpassen (pagina 70).
De VRM en de EBL die voor één modus zijn geconfigureerd, gelden ook voor alle andere radarmodi.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Dubbel bereik.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
> Menu > Bijstellen
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats
VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Bijstellen
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
VRM/EBL > Verplaats VRM/EBL voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Bijstellen VRM/EBL > Verplaats
VRM/EBL voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Gebruik bij de GPSMAP 4000-serie de tuimelschakelaar om de diameter van de VRM en de hoek van de EBL zodanig
aan te passen, dat het snijpunt van de VRM en EBL zich op de doellocatie bevindt.
• Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de doellocatie.
Het bereik en de peiling voor de doellocatie staan linksboven op het scherm.
5. Selecteer OK.
De afstand tot een punt op het radarscherm weergeven
U kunt een punt op het radarscherm selecteren om de afstand en de peiling van die locatie ten opzichte van uw huidige locatie in
de linkerbovenhoek van het scherm weer te geven.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Dubbel bereik.
3. Selecteer de gewenste locatie op het radarscherm.
De afstand en de koers tot de geselecteerde locatie worden linksboven op het scherm weergegeven.
4. Selecteer Stop wijzen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
71
Radar
Waypoints en routes op het radarscherm
Een waypoint op het radarscherm markeren
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer een radarmodus.
3. Selecteer een locatie.
4. Selecteer Waypoint maken.
Waypoints op het radarscherm weergeven of verbergen
U kunt waypoints weergeven die zich binnen het bereik op het radarscherm bevinden. Deze instelling geldt niet voor de
radaroverlay.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Waypoints.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Toon om alle waypoints weer te geven.
• Selecteer Alleen navigatie om alleen de waypoints voor de huidige route weer te geven.
• Selecteer Verberg om alle waypoints te verbergen.
Naar een opgeslagen route op het radarscherm navigeren
Om door een lijst met routes te kunnen bladeren en naar een van die routes te kunnen navigeren moet u minimaal één route
hebben vastgelegd en opgeslagen (pagina 33). Er moeten navigatielijnen zijn weergegeven om een route op het radarscherm te
kunnen zien (pagina 82).
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Routes.
Selecteer een route.
Selecteer Navigeren naar.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vooruit om de route te navigeren vanaf het vertrekpunt dat tijdens het maken van de route is ingesteld.
• Selecteer Terug om de route te navigeren vanaf de bestemming die tijdens het maken van de route is ingesteld.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
De route wordt weergegeven als een magenta lijn met het beginpunt, de bestemming en de koerswijzigingen.
Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
Parallel naar een opgeslagen route op het radarscherm navigeren
Om door een lijst met routes te kunnen bladeren en naar een van die routes te kunnen navigeren moet u minimaal één route
hebben vastgelegd en opgeslagen (pagina 33). Er moeten navigatielijnen zijn weergegeven om een route op het radarscherm te
kunnen zien (pagina 82).
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Selecteer in het beginscherm Waarheen? > Routes.
Selecteer een route.
Selecteer Navigeren naar.
Selecteer Offset om met een opgegeven afstand parallel aan de oorspronkelijke route te navigeren.
Selecteer Offset.
Geef de gewenste afstand op.
Selecteer OK.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Vooruit - bakboord om de route te volgen vanaf het vertrekpunt bij het maken van de route naar links van de
oorspronkelijke route.
• Selecteer Vooruit - stuurboord om de route te volgen vanaf het vertrekpunt bij het maken van de route naar rechts van de
oorspronkelijke route.
• Selecteer Achteruit - bakboord om de route te volgen vanaf de bestemming bij het maken van de route naar links van de
oorspronkelijke route.
72
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Selecteer Achteruit - stuurboord om de route te volgen vanaf de bestemming bij het maken van de route naar rechts van
de oorspronkelijke route.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
De route wordt weergegeven als een magenta lijn met het beginpunt, de bestemming en de koerswijzigingen.
Controleer de koers die met een magenta lijn wordt aangegeven.
Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd land, ondiep water en andere obstakels.
•
9.
10.
11.
12.
Info over de radaroverlay
Bij de radaroverlay worden er radargegevens op de navigatiekaart en de viskaart geplaatst. De gegevens worden op de
radaroverlay weergegeven op basis van de laatst gebruikte radarmodus (Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost). Alle
instellingen die op de radaroverlay worden toegepast, gelden ook voor de laatst gebruikte radarmodus. Als u bijvoorbeeld de
modus Haven gebruikt en u schakelt over naar de radaroverlay, worden op de radaroverlay de radargegevens uit de modus Haven
weergegeven. Hebt u de versterkingsinstelling via het menu Radaroverlay gewijzigd, dan wordt de versterkingsinstelling voor de
modus Haven automatisch gewijzigd.
Op de radaroverlay worden geen gegevens uit de radarmodus Dubbel bereik weergegeven en de instellingen voor de radaroverlay
gelden niet voor de modus Dubbel bereik.
Radaroverlay op de navigatiekaart
Radaroverlay en uitlijning van kaartgegevens
Wanneer u de radaroverlay gebruikt, lijnt de kaartplotter de radargegevens op basis van de voorliggende koers van het schip uit
op de kaartgegevens. De koers wordt standaard bepaald door middel van de gegevens van een mechanische koerssensor die is
aangesloten op een NMEA 0183- of een NMEA 2000-netwerk. Als er geen koerssensor beschikbaar is, wordt de koers van het
schip bepaald aan de hand van de GPS-koersgegevens.
De GPS-koersgegevens geven de richting aan waarin het schip vaart, en niet de richting waarnaar het schip wijst. Als het schip
vanwege de stroming of de wind naar achteren of zijwaarts drijft, ligt de radaroverlay waarschijnlijk niet volledig op één lijn
met de kaartgegevens. Dit kan worden vermeden door de gegevens over de voorliggende koers van een elektronisch kompas te
gebruiken.
Als de voorliggende koers van het schip wordt bepaald op basis van de gegevens van een magnetische koerssensor of aan
automatische loods, kunnen de gegevens over de voorliggende koers onnauwkeurig zijn vanwege een verkeerde instelling,
mechanisch defect, magnetische storing of andere factoren. In dat geval ligt de radaroverlay waarschijnlijk niet precies op één lijn
met de kaartgegevens.
De radaroverlay weergeven
De gegevens die door de radaroverlay worden weergegeven, zijn gebaseerd op de laatst gebruikte radarmodus.
Selecteer in het startscherm Radar > Radaroverlay.
Het radarbeeld wordt weergegeven in oranje en op de navigatiekaart geprojecteerd.
In- en uitzoomen op de radaroverlay
Als u zoomt terwijl u de kaart schuift, heeft dit alleen invloed op de zoomschaal van de kaart. Het radarbereik blijft gelijk. Als u
zoomt terwijl de kaart op de boot is vergrendeld (niet schuift) heeft dit invloed op de zoomschaal van de kaart en het radarbereik.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
73
Radar
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Druk bij de GPSMAP 4000-serie op een van de bereiktoetsen (-/+) om uit of om in te zoomen.
of
om uit of om in te zoomen.
• Tik bij de GPSMAP 5000-serie op de knop
Een kaarttype voor de radaroverlay selecteren
U kunt aangegeven of de navigatiekaart of de viskaart onder de radaroverlay wordt weergegeven.
Opmerking: de viskaart is beschikbaar met een voorgeprogrammeerde BlueChart g2 Vision-gegevenskaart.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radaroverlay > Menu > Instellingen > Kaartinstelling.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Kaarttype > Navigatie.
• Selecteer Kaarttype > Vissen.
Het radarbeeld optimaliseren
U kunt het radarbeeld voor elk van de volgende modi (Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost) afzonderlijk en voor elk
scherm in de modus Dubbel bereik optimaliseren.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
74
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
Selecteer een radarbereik (pagina 75).
Herstel de standaardwaarde van de ingestelde versterking (pagina 76).
Herstel de standaardwaarde van de ingestelde zeeruis (pagina 77).
Herstel de standaardwaarde van de ingestelde regenruis (pagina 78).
Herstel de standaardwaarde van de ingestelde FTC-versterking (pagina 78).
Herstel de standaardwaarde van de radarstoring (pagina 80).
Pas de instelling voor de versterking handmatig aan (pagina 76).
Pas de instelling voor de zeeruis handmatig aan (pagina 77).
Pas de instelling voor de regenruis en de FTC handmatig aan (pagina 79).
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Info over het bereik van radarsignalen
Het bereik van het radarsignaal geeft de lengte van het impulssignaal aan dat door de radar wordt verzonden en ontvangen. Als
het bereik groter wordt, zendt de radar langere pulsen uit om verre objecten te kunnen bereiken. Objecten die dichterbij zijn, zoals
vooral regen en golven, weerkaatsen ook de langere pulsen en dat geeft ruis op het radarscherm. Het weergeven van informatie
over objecten die zich verder weg bevinden, vermindert ook de beschikbare ruimte op het radarscherm voor het weergeven van
informatie over objecten die zich dichterbij bevinden, tenzij u de modus Dubbel bereik gebruikt (pagina 66).
Tips voor het selecteren van een radarbereik
•
•
•
Bepaal eerst welke informatie u op het radarscherm wilt kunnen bekijken. Wilt u bijvoorbeeld informatie over het weer of
informatie over objecten en scheepsverkeer waar u op dat moment meer aan hebt dan aan het weer in verre gebieden?
Maak een inventarisatie van de omgeving waarin u de radar gaat gebruiken. Vooral bij zeer slechte weersomstandigheden
kunnen radarsignalen met een lang bereik het radarscherm onoverzichtelijker maken, waardoor het lastiger wordt om de
informatie over objecten in de onmiddellijke nabijheid van uw schip goed te kunnen interpreteren. Bij regen kunt u met
radarsignalen met een kort bereik objecten in de buurt duidelijker zien, mits de instellingen voor regenruis en FTC optimaal
zijn geconfigureerd.
Selecteer het kortste, effectieve bereik voor de radar gezien de op dat moment geldende omstandigheden (weer, omgeving,
enzovoort).
Een radarbereik selecteren
Zie “De zoomschaal op het radarscherm aanpassen” (pagina 63).
Info over versterking en ruis
Met de versterking bepaalt u de gevoeligheid van de ontvanger van de radar. De standaardinstelling voor de versterking is
Auto. De versterking wordt op basis van de gemiddelde omstandigheden, het bereik van het radarsignaal en de geselecteerde
radarmodus één keer automatisch ingesteld. Als de omstandigheden veranderen, wordt de versterking echter niet automatisch door
de kaartplotter aangepast. U optimaliseert de radarweergave voor bepaalde omstandigheden door de versterking handmatig aan te
passen (pagina 76).
Ruis (ook wel clutter genoemd) is interferentie die wordt veroorzaakt door de ongewenste terugkaatsing van radarsignalen vanaf
objecten die niet belangrijk zijn. Enkele algemene oorzaken van ruis zijn neerslag, golven en radarbronnen in de onmiddellijke
nabijheid.
Instellingen en type radar
Alle ruis- en versterkingsinstellingen voor een radar van het type GMR 20, 21, 40, 41, 18, 18 HD, 24, 24 HD, 404 of 406 die voor
één radarmodus zijn opgegeven, gelden ook voor alle andere radarmodi en voor de radaroverlay.
Alle ruis- en versterkingsinstellingen voor een radar van het type GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD of 1206 xHD die voor één
radarmodus zijn opgegeven, gelden niet altijd voor alle andere radarmodi (zie de volgende tabel).
Instelling
Radarmodus
Haven, Buitengaats, Wachtpost
Dubbel bereik: linkerscherm
Dubbel bereik: rechterscherm
Versterking
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
Zeeruis
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
Regenruis
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
Stel afzonderlijk in
FTC
Stel afzonderlijk in
Eenmaal instellen voor zowel linker- als rechterscherm
Radarstoring
Stel eenmaal in voor alle modi
Bij een radar van het type GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD of 1206 xHD worden de laatste instellingen voor versterking en
ruis die voor een radarmodus zijn opgegeven, automatisch toegepast op de radaroverlay. Als de versterking voor bijvoorbeeld
de modus Haven wordt ingesteld op 50%, wordt de versterking voor de radaroverlay automatisch ingesteld op 50%. Wordt
de versterking voor de modus Buitengaats naderhand teruggebracht naar 40%, dan wordt de versterking voor de radaroverlay
automatisch ingesteld op 40%.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
75
Radar
Standaardinstellingen voor versterking en ruis
Instelling
Standaardwaarde
Instructies
Versterking
Auto
Zie “De versterking op het radarscherm automatisch aanpassen” (pagina 76).
Zeeruis
Kalm, Middel of Wild
Zie “De standaardinstelling voor zeeruis herstellen” (pagina 77).
Regenruis
Uit
Zie “De standaardinstelling voor regenruis herstellen” (pagina 78).
FTC
Uit
Radarstoring Aan
Zie “De standaard FTC-instelling herstellen” (pagina 78).
Zie “Radarstoringruis op het radarscherm aanpassen” (pagina 80).
De versterking op het radarscherm automatisch aanpassen
Auto is de standaardinstelling voor de versterking. De automatische versterkingsinstelling voor de radarmodi is specifiek op elke
radarmodus afgestemd en kan verschillen van de automatische versterkingsinstelling voor een andere modus.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de versterking die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of niet
voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Versterking > Auto voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Versterking > Auto voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Versterking > Auto voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Versterking > Auto voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Versterking > Auto voor de GPSMAP 5000-serie.
De kaartplotter stelt de versterking automatisch in op basis van de gemiddelde omstandigheden, het bereik van het
radarsignaal en de geselecteerde radarmodus. Als de omstandigheden veranderen, wordt de versterking echter niet automatisch
door de kaartplotter aangepast.
De versterking handmatig op het radarscherm aanpassen
Als u de versterking indien nodig handmatig aanpast, werkt de radar optimaal bij de huidige omstandigheden.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de versterking die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of niet
voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Versterking voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer Omhoog om de versterking te verhogen totdat er lichtpuntjes op het radarscherm verschijnen.
De gegevens op het radarscherm worden elke paar seconden vernieuwd. Daardoor is de handmatig aangepaste versterking niet
direct zichtbaar. Pas de versterking dus langzaam aan.
5. Selecteer Omlaag om de versterking te verlagen totdat de puntjes verdwijnen.
6. Als er zich boten of andere objecten binnen het bereik van uw schip bevinden, selecteer dan Omlaag om de versterking te
verlagen totdat de objecten gaan knipperen.
7. Selecteer Omhoog om de versterking te verhogen totdat boten, land en andere objecten niet meer op het radarscherm
knipperen.
8. Maak zo nodig de weergave van nabijgelegen grote objecten zo klein mogelijk (pagina 76).
9. Maak zo nodig de echo's door zijbandinterferentie zo klein mogelijk (pagina 77).
De interferentie van nabijgelegen objecten minimaliseren
Grote objecten dichtbij, zoals aanlegsteigers, kunnen zeer helder op het radarscherm worden weergegeven. Kleinere objecten in de
buurt van dergelijke grote objecten zijn daardoor vaak minder goed te zien.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de versterking die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of niet
voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
76
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Versterking voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer Omlaag om de versterking zodanig te verminderen dat de kleinere objecten ook duidelijk op het radarscherm
worden weergegeven.
Door het verminderen van de versterking om interferentie van dichtbij gelegen grote objecten te elimineren kunnen verre
objecten op het radarscherm gaan knipperen of van het scherm verdwijnen.
De interferentie door stralingslobben op het radarscherm tot een minimum beperken
Interferentie door stralingslobben kan als een halfcirkelvormig patroon van strepen komend vanuit een object worden
weergegeven. De effecten door stralingslobben kunnen worden voorkomen door de versterking te verminderen of door het
radarbereik korter te maken.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de versterking die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of niet
voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Versterking voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu > Versterking
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Versterking voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer Omlaag om de versterking te verlagen totdat het halfcirkelvormige streepjespatroon van het radarscherm is
verdwenen.
Door het verminderen van de versterking om interferentie door stralingslobben te elimineren kunnen kleinere of verre
objecten op het radarscherm gaan knipperen of van het scherm verdwijnen.
De standaardinstelling voor zeeruis herstellen
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de instelling voor zeeruis (zeeclutter) die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking > Zeeclutter
voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Ruisonderdrukking > Zeeclutter
voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer een instelling die de toestand van de zee weergeeft, bijvoorbeeld Wild, Gemiddeld of Kalm.
Zeeruis op het radarscherm aanpassen
U kunt de weergave aanpassen van ruis die wordt veroorzaakt door een wilde zee. De instelling van de zeeruis heeft meer invloed
op de weergave van ruis en objecten in de buurt van uw schip dan op de weergave van de ruis en objecten op grotere afstand. Bij
een hogere instelling voor zeeruis wordt de ruis die wordt veroorzaakt door golven rond het schip, minder duidelijk weergegeven,
maar dat kan ook gebeuren bij objecten in de buurt van uw schip die zelfs helemaal van het scherm kunnen verdwijnen.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de instelling voor zeeruis (zeeclutter) die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
77
Radar
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking > Zeeclutter
voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Zeeclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Ruisonderdrukking > Zeeclutter
voor de GPSMAP 5000-serie.
4. Selecteer een instelling die de toestand van de zee weergeeft, bijvoorbeeld Wild, Gemiddeld of Kalm.
5. Selecteer Omhoog of Omlaag om de zeeruis minder duidelijk of duidelijker weer te geven totdat andere objecten duidelijk
zichtbaar zijn op het radarscherm.
De ruis die door de zee wordt veroorzaakt, blijft waarschijnlijk steeds zichtbaar op het scherm.
De standaard FTC-instelling herstellen
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de FTC-instelling die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of
niet voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > FTC > Uit voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor beide schermen in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > FTC > Uit voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking > FTC > Uit
voor de GPSMAP 5000-serie.
De standaardinstelling voor regenruis herstellen
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de instelling voor regenruis die voor één radarmodus wordt
geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > Regenclutter > Uit voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of
Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Regenclutter > Uit voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking >
Regenclutter > Uit voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Regenclutter > Uit voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Ruisonderdrukking >
Regenclutter > Uit voor de GPSMAP 5000-serie.
78
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Regenruis op het radarscherm aanpassen
U kunt de weergave aanpassen van ruis die door regen wordt veroorzaakt. Als u het radarbereik beperkt, wordt het effect van de
regenruis op het scherm waarschijnlijk ook minder (pagina 63).
Instelling
Beschrijving
FTC
Deze instelling bepaalt de weergave van grote, vage ruismassa's als gevolg van regen, op elke afstand.
Regenruis
Deze instelling heeft een grotere invloed op de weergave van de regenruis en objecten in de buurt dan op de
weergave van de regenruis en objecten op grotere afstand. Een hogere instelling voor regenruis reduceert
de weergave van ruis die wordt veroorzaakt door nabije regen, maar kan ook de weergave van nabije doelen
reduceren of voorkomen.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de instelling voor de regenruis en de FTC-instelling die voor één
modus worden geconfigureerd, wel of niet voor de andere radarmodi of de radaroverlay gelden (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > FTC voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor beide schermen in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > FTC voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking > FTC voor de
GPSMAP 5000-serie.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Hoog, Gemiddeld of Laag om de weergave van regenruis bij gebruik van een radar van het type GMR 20, 21,
40, 41, 18, 18 HD, 24, 24 HD, 404 of 406 te verzwakken of te versterken. Andere objecten op het radarscherm moeten
duidelijk zichtbaar blijven.
• Selecteer Omhoog of Omlaag om de weergave van regenruis bij een radar van het type GMR 604 xHD, 606 xHD,
1204 xHD of 1206 xHD te verzwakken of te versterken. Andere objecten op het radarscherm moeten duidelijk zichtbaar
blijven. Als de FTC-instelling groter is dan 50%, zou u het radarbereik kunnen beperken.
5. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > Regenclutter voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het korte-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Regenclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking >
Regenclutter voor de GPSMAP 5000-serie.
> Menu >
• Configureer de instelling voor het lange-bereikscherm in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Regenclutter voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Rechts > Ruisonderdrukking >
Regenclutter voor de GPSMAP 5000-serie.
6. Selecteer Omhoog of Omlaag om de regenruis dichtbij minder duidelijk of duidelijker weer te geven totdat andere objecten
duidelijk zichtbaar zijn op het radarscherm.
De ruis die door de regen wordt veroorzaakt, blijft waarschijnlijk steeds zichtbaar op het scherm.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
79
Radar
Radarstoringruis op het radarscherm aanpassen
U kunt de weergave verminderen van ruis die door storing van een andere radarbron in de buurt wordt veroorzaakt. De instelling
Aan is de standaardinstelling voor de radarstoring.
Opmerking: het ligt aan het type radar dat u gebruikt, of de radarstoring die voor één radarmodus wordt ingesteld, wel of niet
voor de andere radarmodi of de radaroverlay geldt (pagina 75).
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats, Dubbel bereik of Wachtpost.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Ruisonderdrukking > Kruisspraak > Aan voor de modus Kruisvaart, Haven, Buitengaats of
Wachtpost.
> Menu >
• Configureer de instelling voor beide schermen in de modus Dubbel bereik. Selecteer
Ruisonderdrukking > Kruisspraak > Aan voor de GPSMAP 4000-serie. Selecteer Links > Ruisonderdrukking >
Kruisspraak > Aan voor de GPSMAP 5000-serie.
Presentatie van het radarbeeld
Instellingen voor de gegevensbalk
Gegevensbalken kunnen in alle radarmodi worden weergegeven. Op deze balken vindt u actuele informatie.
Alle gegevensbalken die voor gebruik in één radarmodus worden ingesteld, worden vervolgens ook in de andere radarmodi
weergegeven. Bij de radaroverlay is dat anders, omdat gegevensbalken die voor de radaroverlay worden geconfigureerd, alleen bij
de radaroverlay kunnen worden gebruikt.
Er zijn verschillende gegevensprojecties met gegevensvelden beschikbaar. Voor iedere cijferweergave kunt u selecteren welke
gegevensvelden daarbij moeten worden weergegeven.
Als de gegevensprojectie op het scherm wordt weergegeven, wordt de navigatiebijkaart weergegeven tijdens de navigatie. De
kompaslijn kan voor iedere gegevensprojectie worden weergegeven of verborgen.
De gegevensbalk Kruisvaart op het radarscherm weergeven
Op de gegevensbalk Kruisvaart staan de volgende gegevens: GPS-snelheid, GPS-koers, diepte en GPS-positie.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
3. Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Kruisvaart > Aan.
De gegevensbalk Kruisvaart configureren op het radarscherm
U kunt deze gegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 80).
De gegevensbalk Kruisvaart bestaat uit vier gedeelten. Elk gedeelte van deze balk wordt in een van de hoeken van het
radarscherm weergegeven. U kunt opgeven welk type gegevens in elk gedeelte van de gegevensbalk moet worden weergegeven.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Kruisvaart > Instellingen gegevensbalk.
Selecteer Linksboven.
Selecteer het type gegevens dat linksboven op de gegevensbalk moet worden weergegeven.
Herhaal stap 4 en 5 voor de gedeelten Rechtsboven, Linksonder en Rechtsonder van de gegevensbalk.
De gegevensbalk Navigatie op het radarscherm weergeven
De navigatiebalk heeft de vorm van een rij boven aan het radarscherm. Op de navigatiebalk wordt allerlei informatie gegeven,
zoals aankomst, afstand tot de bestemming, afwijking van de koers, peiling en volgende koerswijziging.
1.
2.
3.
4.
80
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Navigatie.
Selecteer Aan of Auto.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
De gegevensbalk Navigatie configureren op het radarscherm
U kunt deze gegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 80).
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Kruisvaart > Instellingen gegevensbalk.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Routedeel. Selecteer Aan om de behouden windsnelheid van het waypoint weer te geven wanneer u een route
of een met autobegeleiding uitgezette koers volgt.
• Selecteer Volgende koerswijziging > Afstand om de volgende koerswijziging op basis van de afstand te bekijken.
• Selecteer Volgende koerswijziging > Tijd om op tijd gebaseerde gegevens over de volgende koerswijziging weer te
geven.
• Selecteer eerst Bestemming en vervolgens Afstand, Tijd tot bestemming of ETA om aan te geven hoe de
bestemmingsgegevens worden weergegeven.
De gegevensbalken Vissen, Brandstof en Onder zeil
Gegevensbalk
Getoonde gegevens
Vissen
Diepte, watertemperatuur en watersnelheid
Brandstof
Brandstofverbranding, resterende brandstof, bereik en brandstofverbruik
Onder zeil
Watersnelheid, windsnelheid, windhoek en behouden windsnelheid.
De gegevensbalken Vissen, Brandstof en Onder zeil op het radarscherm weergeven
De gegevensbalken Vissen, Brandstof en Onder zeil worden als een rij onder aan het radarscherm weergegeven. Er kan echter
maar één balk tegelijk worden weergegeven.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Vissen > Aan om de gegevensbalk voor vissen weer te geven.
• Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Brandstof > Aan om de gegevensbalk voor brandstof weer te geven.
• Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Onder zeil > Aan om de gegevensbalk voor varen onder zeil weer te
geven.
Opmerking: wanneer u een van deze drie gegevensbalken weergeeft, worden de andere twee balken automatisch
verborgen.
Ware wind of schijnbare wind voor de gegevensbalk Onder zeil instellen
U kunt deze gegevensbalk alleen configureren als die balk wordt weergegeven (pagina 81).
1.
2.
3.
4.
Selecteer Radar in het startscherm.
Selecteer de modus Kruisvaart, Haven of Buitengaats.
Selecteer Menu > Radarinstelling > Databalken > Onder zeil.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Wind > Schijnbaar om de wind weer te geven die u tijdens het varen voelt.
• Selecteer Wind > Waar om de werkelijke windrichting weer te geven op een stilliggende boot.
Behouden windsnelheid en behouden waypointsnelheid op de gegevensbalken
Zie “De weergave van de behouden windsnelheid en behouden waypointsnelheid op de gegevensbalken” (pagina 58).
De kompaslijn op de radaroverlay weergeven
Deze gegevensbalk wordt als een rij boven aan de radaroverlay boven de gegevensbalk Navigatie weergegeven. Op deze balk
staat de volgende informatie: de huidige voorliggende koers en een indicatie van de peiling voor de gewenste koers tijdens het
navigeren.
1. Selecteer Radar in het startscherm.
2. Selecteer Radaroverlay.
3. Selecteer Menu > Instellen > Databalken > Kompaslijn > Aan.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
81
Radar
Instellingen voor het radarbeeld
Het kleurenschema voor de radar instellen
U kunt het kleurenschema voor alle radarschermen instellen. Deze instelling geldt niet voor de radaroverlay.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Kleurenschema.
2. Selecteer Wit, Zwart (voor de modus met de nachtkleuren) of Blauw.
De oriëntatie van het radarbeeld instellen
U kunt het perspectief van het radarbeeld opgeven. Deze instelling geldt voor elke radarmodus. Deze instelling geldt niet voor de
radaroverlay.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Oriëntatie.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Gew. koers boven om de bovenkant van de kaart in te stellen volgens de gegevens over de voorliggende koers
die van een koerssensor zijn ontvangen, ook wel de magnetische koers genoemd. De koerslijn wordt verticaal op het
scherm weergegeven.
• Selecteer Noord boven om de bovenkant van de kaart naar het noorden te laten wijzen.
• Selecteer Koers boven om de kaart zodanig in te stellen dat er op de kaart altijd naar boven wordt gevaren.
Het weergaveveld op het radarscherm verschuiven
Naarmate uw snelheid hoger wordt, kunt u de huidige positie automatisch naar de onderkant van het scherm laten verplaatsen.
Voer voor de beste werking uw topsnelheid in. Deze instelling geldt voor elke radarmodus. Deze instelling geldt niet voor de
radaroverlay.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Kijk-voor.snelheid > Aan.
2. Geef de snelheid op.
3. Selecteer OK.
Instellingen voor de radarnavigatie
De koerslijn op het radarscherm weergeven
U kunt op het radarscherm een lijn vanaf de boot laten weergeven die de koersrichting aangeeft. Deze instelling geldt niet voor de
radaroverlay.
Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Koerslijn > Toon.
Afstandcirkels op het radarscherm weergeven en verbergen
Aan de hand van de afstandcirkels kunt u afstanden op het radarscherm zichtbaar maken. Deze instelling geldt niet voor de
radaroverlay.
Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Cirkels > Toon.
Navigatielijnen op het radarscherm weergeven
De navigatielijnen geven de koers aan die u hebt ingesteld met Route naar, Begeleid naar of Ga naar. Deze instelling geldt niet
voor de radaroverlay.
Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Presentatie > Navigatielijnen > Toon.
Waypoints op het radarscherm weergeven en verbergen
Zie “Waypoints op het radarscherm weergeven” (pagina 72).
82
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Instellingen voor de scanner en de antenne van de radar
De draaisnelheid van de antenne instellen
Opmerking: u kunt de draaisnelheid van de antenne alleen voor de volgende typen radar instellen: GMR 18, 18 HD, 24,
24 HD, 404, 406, 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD en 1206 xHD. In de modus Dubbel bereik draait de antenne niet op hoge
snelheid.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Draaisnelheid.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Normale snelheid.
• Selecteer Hoge snelheid om de draaisnelheid van de antenne te verhogen, waardoor het scherm sneller wordt vernieuwd.
De afmeting van de radarantenne instellen
U kunt voor een optimaal beeld de afmeting van de radarantenne opgeven. De melding “Radar moet worden geconfigureerd”
wordt weergegeven zolang u geen afmeting voor de antenne hebt opgegeven.
Opmerking: u kunt de afmeting van de antenne alleen voor de volgende typen radar instellen: GMR 404, 406, 604 xHD, 606
xHD, 1204 xHD en 1206 xHD.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Antenneafmeting.
2. Selecteer 4 voet of 6 voet.
Een radarvrije zone inschakelen en configureren
U kunt een gebied aangeven waarin door de radarscanner geen signalen worden verzonden.
Opmerking: u kunt een radarvrije zone alleen voor de volgende typen radar instellen: GMR 604 xHD, 606 xHD, 1204 xHD
en 1206 xHD.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Radarvrije zone.
De radarvrije zone is het gearceerde gebied op het radarscherm.
2. Selecteer Hoek 1 > Aanpassen > Verplaatsen.
3. Selecteer Omhoog of Omlaag om de grootte van de radarvrije zone aan te passen.
4. Selecteer Hoek 2 > Aanpassen > Verplaatsen.
5. Selecteer Omhoog of Omlaag om de grootte van de radarvrije zone aan te passen.
Boegcorrectie
De boegcorrectie compenseert de fysieke locatie van de radarscanner op het schip als de radarscanner niet op één lijn ligt met de
boegas.
De mogelijke boegcorrectie meten
1. Maak met behulp van een magnetisch kompas een optische peiling van een stilliggend object dat zich binnen het zichtbare
bereik bevindt.
2. Meet de peiling van het object op de radar.
3. Als de afwijking van de peiling meer dan +/- 1° bedraagt, stelt u de boegcorrectie in.
De boegcorrectie instellen
Om de boegcorrectie te kunnen instellen moet u eerst de potentiële boegcorrectie meten (zie vorige procedure).
De instelling van de boegcorrectie die voor één radarmodus wordt opgegeven, geldt voor alle andere radarmodi en voor de
radaroverlay.
1. Selecteer in het startscherm Radar > Radarinstelling > Voorkant boot.
2. Houd de toets Omhoog of Omlaag ingedrukt om de correctie in te stellen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
83
Radar
Presentatie van het radaroverlaybeeld
Versterking en ruis op de radaroverlay aanpassen
Zie “Info over versterking en ruis” (pagina 75).
De oriëntatie van het radaroverlaybeeld instellen
Zie “De oriëntatie van de kaart wijzigen” (pagina 10).
Gegevensbalken voor de radaroverlay instellen
Zie “Instellingen voor de gegevensbalk” (pagina 80).
Instellingen voor sporen en waypoints
Sporen op de radaroverlay weergeven
U kunt instellen of sporen van schepen op de radaroverlay moeten worden weergegeven.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Waypoints en tracks > Tracks > Aan.
Sporen beheren
Zie “Sporen” (pagina 36).
Een type waypointlabel selecteren
U kunt opgeven welk type label er bij waypoints op de radaroverlay worden weergegeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Waypoints en tracks > Waypoint-weergave > Scherm.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Label om waypoints aan de hand van de labels te herkennen.
• Selecteer Commentaar om opmerkingen als waypointlabels weer te geven.
• Selecteer Symbool om waypoints aan de hand van de symbolen te herkennen.
Waypoints beheren
Zie “Waypoints” (pagina 32).
Instellingen voor alarmen en andere schepen
Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen
Zie “Een veilige zone voor aanvaringsgevaar instellen” (pagina 17).
Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven
Zie “Een lijst met AIS- en MARPA-gevaren weergeven” (pagina 69).
Andere schepen op de radaroverlay weergeven
AIS werkt alleen als er een extern AIS-toestel en signalen van een actieve transponder van andere schepen worden gebruikt.
U kunt instellen hoe andere schepen op de radaroverlay moeten worden weergegeven. De opgegeven instelling van het
beeldbereik voor de radaroverlay geldt alleen voor de radaroverlay. De details en de instellingen van de geprojecteerde koers die
zijn opgegeven voor de radaroverlay, gelden eveneens voor alle radarmodi.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Overige schepen > Weergave-instelling.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Weergavebereik om de afstand vanaf uw locatie tot aan AIS-schepen aan te geven. Selecteer een afstand.
• Selecteer Details > Toon om gedetailleerde informatie over schepen met AIS en een MARPA-tag weer te geven.
• Selecteer Geprojecteerde koers om de tijd van de geprojecteerde koers voor schepen met AIS en een MARPA-tag in te
stellen. Voer de koers in. Selecteer OK.
• Selecteer Sporen om de sporen van schepen met AIS weer te geven en selecteer de lengte van het spoor dat moet worden
weergegeven.
84
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Radar
Instellingen voor het navigatiebeeld van de radaroverlay
Het zoomdetail van de kaart wijzigen
U kunt opgeven hoe gedetailleerd de kaart bij verschillende zoomniveaus voor de radaroverlay moet worden weergegeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Detail.
2. Selecteer een detailniveau.
De koerslijn weergeven en configureren
De koerslijn is een lijn op de kaart vanaf de boeg van de boot in de richting van de koers die de boot gaat varen. U kunt de
weergave van de koerslijn op de radaroverlay instellen.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Koerslijn.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Afstand > Wijzig afstand om de afstand tot aan het einde van de koerslijn in te stellen. Voer de afstand in.
• Selecteer Tijd > Wijzig tijd om de hoeveelheid tijd in te stellen die u nodig hebt om het eind van de koerslijn te halen.
Voer de tijd in.
3. Selecteer OK.
Een bijkaart tijdens het schuiven weergeven
U kunt bepalen of er tijdens het opschuiven van de radaroverlay een bijkaart wordt weergegeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Bijkaart.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aan als u de bijkaart altijd wilt laten weergeven.
) niet meer op het
• Selecteer Auto als u alleen een bijkaart wilt laten weergeven wanneer het positiepictogram (
scherm staat.
Peilingen van plaatselijke diepten weergeven en configureren
Op de radaroverlay kunt u dieptepeilingen weergeven en een gevaarlijke diepte instellen.
1.
2.
3.
4.
Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Punt peilingen > Aan.
Selecteer Puntpeilingen > Gevaarlijk.
Voer de gevaarlijke diepte in.
Selecteer OK.
Navigatiesymbolen weergeven en configureren
U kunt navigatiesymbolen op de radaroverlay tonen en de weergave configureren.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Symbolen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Grootte navigatiekenmerken om in te stellen hoe groot de symbolen van de navigatiekenmerken op de kaart
worden weergegeven. Selecteer een grootte.
• Selecteer Type navigatiekenmerk > NOAA om het navigatiekenmerk als NOAA-symbool op de kaart weer te geven.
• Selecteer Type navigatiekenmerk > IALA om het navigatiekenmerk als IALA-symbool op de kaart weer te geven.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
85
Radar
Aanvullende kaartdetails weergeven
U kunt extra informatie op de radaroverlay weergeven.
1. Selecteer in het startscherm Kaarten > Radaroverlay > Menu > Instellen > Kaartinstelling > Symbolen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Nuttige punten op land > Aan om de interessante punten op het land weer te geven.
• Selecteer Lichtsectoren om de sector weer te geven waar zich een navigatielicht bevindt. Selecteer Aan om lichtsensoren
afhankelijk van het zoomniveau uit te filteren.
• Selecteer Kaartgrenzen > Aan om bij gebruik van een gegevenskaart van BlueChart g2 Vision het gebied te tonen dat op
de kaarten staat.
• Selecteer Fotopunten > Aan om camerapictogrammen weer te geven als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart
gebruikt.
De boegcorrectie instellen
Zie “Boegcorrectie” (pagina 83).
86
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Echolood
Echolood
Als uw kaartplotter wordt aangesloten op een Garmin GSD 22/24/26-echoloodmodule en een transducer, kunt u uw toestel
gebruiken als een echolood. De GSD 22/24/26 is verbonden met het Garmin Marine Network en deelt echoloodgegevens met elke
op het netwerk aangesloten kaartplotter. De GSD 22 heeft iets andere functies en opties dan de GSD 24/26. De verschillen worden
in de desbetreffende secties hieronder toegelicht.
Echoloodweergaven
Echoloodweergave volledig scherm
In de echoloodweergave op volledig scherm worden de echoloodgegevens van een transducer in een grafiek op het volledige
scherm weergegeven. De diepteschaal rechts op het scherm geeft de diepte van de waargenomen objecten weer, terwijl het scherm
van rechts naar links schuift. U kunt het echolood in een volledig scherm weergeven door Echolood > Volledig scherm in het
startscherm te selecteren.
Diepte, temperatuur
en watersnelheid
Zwevend doel
Bereik
Bodem
GPS-snelheid en
GPS-koers
Transducerfrequentie
Echoloodweergave volledig scherm
Echoloodweergave Splits zoom
Het gesplitste zoomscherm voor echoloodweergave bevat een grafiek van de echoloodmetingen op volledig scherm plus een
uitvergroting van een gedeelte van die grafiek op hetzelfde scherm. U kunt het echolood in een gesplitst zoomscherm weergeven
door Echolood > Splits zoom in het startscherm te selecteren.
Ingezoomde
diepteschaal
Zoomvenster
Zoomniveau
Echoloodweergave Splits zoom
Echoloodweergave Gesplitste frequentie
In de splitsfrequentieweergave worden de echoloodgegevens van de ene frequentie, bijvoorbeeld 200 kHz, links op het scherm
weergegeven, en die van de andere frequentie, bijvoorbeeld 50 kHz, rechts. U kunt het echolood in een scherm met gesplitste
frequenties weergeven door Echolood > Gesplitste frequentie in het startscherm weer te geven. Bij de GSD 26 kunt u het
zoomniveau, de dieptelijn en a-scope van de twee frequenties onafhankelijk in splitsfrequentieweergave configureren.
Opmerking: voor het gesplitste frequentiescherm is een transducer met dubbele frequentie vereist.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
87
Echolood
Transducerfrequenties
Echoloodweergave Gesplitste frequentie
Watertemperatuurlog
Als u een transducer met temperatuurmeting gebruikt, geeft het temperatuurlog de metingen van de watertemperatuur weer
afgezet tegen de tijd. U kunt het temperatuurlog weergeven door Echolood > Watertemperatuur te selecteren in het startscherm.
Het bereik en de tijdschaal voor het temperatuurlog instellen
1. Selecteer in het startscherm Echolood > Watertemperatuur.
2. Selecteer Menu.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Duur om de schaal voor de verstreken tijd in te stellen. De standaardinstelling is 10 minuten. Als u een hogere
waarde instelt, kunt u de temperatuurvariaties gedurende een langere periode bekijken.
• Selecteer Schaal om de schaal voor het temperatuurbereik in te stellen. De standaardinstelling is 4 graden. Vergroot de
temperatuurbereikschaal als u meer variatie in temperatuur wilt zien.
Temperatuur
en diepte
Temperatuurbereik
Verstreken tijd
Watertemperatuurlog
Waypoints in het echoloodscherm
Het echoloodscherm onderbreken
1. Selecteer Echolood in het startscherm.
2. Selecteer een echoloodweergave.
3. Selecteer Menu > Echolood pauzeren.
88
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Echolood
Een waypoint maken in het echoloodscherm
1. Selecteer Echolood in het startscherm.
2. Selecteer een echoloodweergave.
3. Selecteer Menu > Echolood pauzeren.
4. Stel de locatie van het waypoint in aan de hand van het punt waarop de dieptelijn en de afstandslijn elkaar kruisen:
• Als u een toestel uit de GPSMAP 6000-serie hebt, verplaatst u het snijpunt met behulp van de tuimelknop.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 7000-serie hebt, raakt u het snijpunt aan en sleept u dit.
5. Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Creëer waypoint.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Nieuw waypoint.
Instellingen voor het echoloodscherm
U kunt het echoloodscherm voor alle echoloodweergaven definiëren en aanpassen.
Het zoomniveau instellen
1. Selecteer Echolood in het startscherm.
2. Selecteer een echoloodweergave.
3. Selecteer Menu > Zoom.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer op de GSD 22 de optie 2x autozoom of 4x autozoom als u 2x of 4x wilt inzoomen op de echoloodgegevens.
• Selecteer op de GSD 22 de optie Handmatig zoomen om het dieptebereik van het uitvergrote gebied handmatig in te
stellen. Selecteer Weergeven hoger of Weergeven dieper om de diepte van het uitvergrote gebied in te stellen. Selecteer
Inzoomen of Uitzoomen om de vergroting van het uitvergrote gebied te verhogen of te verlagen. Selecteer OK.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Zoom instellen om het dieptebereik van het uitvergrote gebied handmatig in te
stellen. Selecteer Weergeven hoger of Weergeven dieper om de diepte van het uitvergrote gebied in te stellen. Selecteer
Inzoomen of Uitzoomen om de vergroting van het uitvergrote gebied te verhogen of te verlagen. Selecteer Auto als u de
diepte van het uitvergrote gebied automatisch wilt laten aanpassen. Selecteer OK.
• Selecteer op de GSD 22 en de GSD 24/26 de optie Bodem vast als u vanaf de bodemdiepte op echoloodgegevens wilt
inzoomen en selecteer Op of Neer om het dieptebereik van het uitvergrote gebied in te stellen. Selecteer OK.
De versterking aanpassen
U kunt het detailniveau van het echoloodscherm bepalen. Verhoog de versterking als u meer details wilt zien. Als het scherm
onoverzichtelijk is, verlaagt u de versterking. Op de GSD 24 en de GSD 26 kunt u de versterking voor elke frequentie afzonderlijk
instellen.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Versterking.
Selecteer indien nodig een frequentie.
Selecteer een optie om de versterking in te stellen.
Selecteer Terug.
Het bereik van de diepteschaal aanpassen
U kunt het bereik van de rechts in het scherm weergegeven diepteschaal aanpassen.
1.
2.
3.
4.
5.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Bereik.
Selecteer een optie:
Selecteer OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
89
Echolood
Het bereik en de versterking aanpassen met snelkoppelingen
• Als u een toestel uit de GPSMAP 6000/7000-serie in combinatie met een GSD 22 of GSD 24/26 gebruikt, selecteer dan +
en - om het bereik aan te passen.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 6000-serie gebruikt in combinatie met een GSD 24/26 selecteer dan bij de
echoloodweergave in een volledig scherm indien nodig de knop Select om tussen bereik en versterking heen en weer te
schakelen. Selecteer + en - om het bereik of de versterking aan te passen.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 7000-serie gebruikt in combinatie met een GSD 24/26 selecteer dan bij de
echoloodweergave in een volledig scherm en als de versterking handmatig is aangepast (pagina 89) de opties + en onderaan op het scherm om de versterking aan te passen.
De schuifsnelheid van het echoloodscherm instellen
U kunt bepalen hoe snel het echoloodscherm van rechts naar links schuift.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer.
5. Selecteer Schuifsnelheid.
6. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Ultrascroll®, Snel, Middelmatig of Langzaam om de schuifsnelheid handmatig in te stellen.
• Selecteer Auto om de schuifsnelheid automatisch aan te passen aan de watersnelheid van de boot als u een
watersnelheidsensor of een transducer met snelheidmeting gebruikt.
1.
2.
3.
4.
Beeld-vooruit aanpassen
U kunt de snelheid verhogen waarmee de echoloodbeelden vooruit worden vernieuwd, door ervoor te zorgen dat er meer dan
één kolom met gegevens op het scherm wordt weergegeven voor elke kolom met echoloodgegevens die wordt ontvangen. De
instelling 2/1 bijvoorbeeld zorgt ervoor dat er twee kolommen met informatie per echoloodresultaat op het scherm worden
weergegeven. Dit is nuttig als u het echolood in diep water gebruikt.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer > Presentatie.
5. Selecteer Beeld vooruit.
6. Selecteer de gewenste instelling.
1.
2.
3.
4.
Het echoloodscherm verschuiven
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
U kunt de focus van het echoloodscherm verplaatsen naar een bepaalde diepte zodat u een specifieker echoloodscherm ziet. Als u
de focus verplaatst, worden er geen gegevens verzameld buiten het geselecteerde bereik.
1.
2.
3.
4.
5.
90
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Meer > Shift.
Selecteer Op en Neer als u de weergave wilt aanpassen.
Selecteer OK.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Echolood
Geavanceerde echoloodinstellingen configureren
Opmerking: deze functies zijn alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
Voordat u Temperatuur bron kunt instellen moet u een GSD 26 hebben en meer dan één watertemperatuursensor of transducer
met temperatuurmeting.
Bij de GSD 24 en GSD 26 kunt u diverse echoloodweergaven en gegevensbroninstellingen configureren.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Meer > Geavanceerd.
Selecteer een of meer opties:
• Selecteer Zenden als u niet wilt dat de transducer uitzendt.
• Selecteer TVG als u de versterking afgezet tegen de tijd (Time-Varying Gain) wilt aanpassen, waarmee u de hoeveelheid
ruis kunt verminderen.
• Selecteer Echo-oprekking als u wilt aanpassen hoe de doelen op het scherm worden weergegeven. Als de echo te breed
is, vallen de doelen samen. Als de echo te smal is, zijn de doelen mogelijk te klein en te moeilijk om te zien.
• Selecteer Bodem volgen als u wilt selecteren welke frequentie u wilt gebruiken om de diepte te bepalen.
• Selecteer op de GSD 26 de optie Temperatuur bron om te selecteren welke watertemperatuursensor of transducer met
temperatuurmeting de bron voor het watertemperatuurlog is.
Frequenties
Frequenties selecteren
U kunt aangeven welke frequenties worden gebruikt als u een transducer met dubbele frequentie gebruikt. Op de GSD 26 kunt u
een chirp-frequentie gebruiken om gedetailleerdere doelen op het scherm weer te geven.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Frequentie.
Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer 200 kHz om de gegevens van een 200-kHz echoloodsignaal te tonen. Deze instelling is vooral handig in ondiep
binnenwater.
• Selecteer 50 kHz om de gegevens van een 50-kHz echoloodsignaal te tonen. Deze instelling is vooral handig in dieper
water.
• Selecteer op de GSD 22 of de GSD 24 de optie Dubbel om zowel 200kHz- als 50kHz-gegevens weer te geven
• Selecteer bij een GSD 26 die in combinatie met een broadband transducer wordt gebruikt de optie Hoogfrequente chirp
om een chirp-signaal uit te zenden op het hoge kanaal.
• Selecteer bij een GSD 26 die in combinatie met een broadband transducer wordt gebruikt de optie Laagfrequente chirp
om een chirp-signaal uit te zenden op het lage kanaal.
Frequenties beheren
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 26.
U kunt de GSD 26 zodanig instellen dat deze op diverse populaire, specifieke visfrequenties werkt. Stel de frequentie laag in voor
een maximale dieptewerking.
Nieuwe frequenties instellen
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Frequentie > Frequentiebeheer.
Selecteer Nieuwe voorinstelling.
Selecteer Hoog of Laag.
Voer een frequentie in:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
7. Selecteer OK.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
91
Echolood
Instellingen voor ruis en interferentie
Met de instellingen voor ruisonderdrukking kunt u de interferentie en de hoeveelheid ruis op het echoloodscherm verminderen. Op
de GSD 24 en GSD 26 kunt u de instellingen voor ruisonderdrukking voor elke frequentie afzonderlijk regelen.
Oppervlakteruis weergeven
U kunt instellen of het resultaat nabij het wateroppervlak op het echoloodscherm wordt weergegeven. Als u de oppervlakteruis
verbergt, wordt de weergave overzichtelijker.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer > Ruisonderdrukking.
5. Selecteer Oppervlakteruis > Toon.
1.
2.
3.
4.
De ruisonderdrukking aanpassen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 22.
Als u de instelling voor versterking handmatig hebt verhoogd of verlaagd (pagina 89), kunt u de weergave van zwakke
echoloodsignalen minimaliseren door de ruisonderdrukking te verhogen.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Ruisonderdrukking.
Selecteer Op of Neer.
Interferentie minimaliseren
Opmerking: deze functies zijn alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Meer > Ruisonderdrukking.
Selecteer een of meer opties:
• Selecteer Interferentie om de gevolgen van storingen en elektrische interferentie te verminderen.
• Selecteer Kleurlimiet om een gedeelte van het kleurpalet te verbergen om velden met zwakke ruis te verwijderen.
• Selecteer Middelen om ervoor te zorgen dat het echoloodscherm consistenter in diep water wordt weergegeven.
Presentatie van het echoloodscherm
Een dieptelijn tonen en instellen
U kunt instellen of er een referentiedieptelijn op het echoloodscherm wordt weergegeven.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer > Presentatie.
5. Selecteer Dieptelijn > Toon.
6. Stel de diepte van de referentielijn in:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 7000-serie hebt, raakt u de lijn aan en sleept u deze.
1.
2.
3.
4.
92
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Echolood
De A-scope tonen
De A-scope is een verticale flitser aan de rechterzijde van het scherm die aan de hand van een schaal meteen het bereik ten
opzichte van doelen aangeeft.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer > Presentatie.
5. Selecteer A-Scope > Aan.
6. Selecteer een piekbehoudtijd op de GSD 24/26.
1.
2.
3.
4.
Cijfers projecteren
Alvorens u watersnelheidinformatie kunt weergeven, dient u een watersnelheidssensor of een transducer met snelheidsmeting te
hebben geïnstalleerd en aangesloten. Alvorens u watertemperatuurinformatie kunt weergeven, dient u een watertemperatuursensor
of een transducer met temperatuurmeting te hebben geïnstalleerd en aangesloten.
U kunt informatie weergeven, zoals spanning van het toestel en navigatie-informatie, op de echoloodschermen. Tot de
navigatiegegevens behoren altijd de GPS-snelheid en de GPS-koers en tijdens navigeren ook informatie over peiling en
koersafwijking.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer > Presentatie.
5. Selecteer Cijfers projecteren.
6. Selecteer een optie voor elk gegevenstype.
Als u Auto selecteert en u over een geschikte transducer beschikt, geeft de kaartplotter de gegevens weer op het
echoloodscherm.
1.
2.
3.
4.
De presentatie van zwevende doelen instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 22.
U kunt instellen hoe zwevende doelen door het echolood moeten worden geïnterpreteerd.
1. Selecteer in het startscherm Echolood > Echoloodinstelling > Presentatie > Vissymbolen.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
om zwevende doelen weer te geven als symbolen met echoloodgegevens op de achtergrond.
• Selecteer
om zwevende doelen weer te geven als symbolen met echoloodgegevens op de achtergrond en diepte• Selecteer
informatie over de doelen.
om zwevende doelen als symbolen weer te geven.
• Selecteer
om zwevende doelen weer te geven als symbolen met diepte-informatie over de doelen.
• Selecteer
De whiteline tonen en instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 22.
U kunt het sterkste signaal van de bodem markeren om de hardheid of zachtheid van het signaal te kunnen definiëren.
1. Selecteer in het startscherm Echolood > Echoloodinstelling > Presentatie > Whiteline.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Hoog om de whiteline met de meest gevoelige instelling in te schakelen. Vrijwel alle sterke retoursignalen
worden wit gemarkeerd weergegeven.
• Selecteer Middelmatig om de whiteline zodanig in te schakelen dat vele sterke retoursignalen wit worden gemarkeerd.
• Selecteer Laag om de whiteline in te schakelen met de minst gevoelige instelling. Alleen de sterkste retoursignalen
worden wit gemarkeerd.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
93
Echolood
De rand markeren
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
U kunt het sterkste signaal van de bodem markeren om de hardheid of zachtheid van het signaal te kunnen definiëren.
1. Selecteer Echolood in het startscherm.
2. Selecteer een echoloodweergave.
3. Selecteer Menu > Meer > Presentatie > Rand > Uit.
Het kleurenschema instellen
U kunt het kleurenschema voor alle echoloodschermen instellen.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu.
Selecteer een optie:
• Selecteer op de GSD 22 de optie Echoloodinstelling.
• Selecteer op de GSD 24/26 de optie Meer.
5. Selecteer Presentatie > Kleurenschema.
6. Selecteer een optie:
1.
2.
3.
4.
De kleurenversterking instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
U kunt de kleurenversterking aanpassen zodat de visuele intensiteit van het echoloodscherm toeneemt of afneemt.
1.
2.
3.
4.
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Meer > Presentatie > Kleurenversterking.
Selecteer een optie:
Echoloodalarmen
De alarmen voor diep en ondiep water instellen
1. Selecteer in het startscherm Configureer > Alarmen > Echolood.
2. Selecteer Ondiep water > Aan om een alarm te laten afgaan wanneer het water ondieper is dan de opgegeven waarde.
3. Voer de diepte in waarbij het alarm voor ondiep water afgaat:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
4. Selecteer OK.
5. Selecteer Diep water > Aan om een alarm te laten afgaan wanneer het water dieper is dan de opgegeven waarde.
6. Voer de diepte in waarbij het alarm voor diep water afgaat:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
7. Selecteer OK.
Het alarm voor de watertemperatuur instellen
U kunt een alarm instellen dat afgaat wanneer de transducer een temperatuur doorgeeft die 2° F (1,1° C) hoger of lager is dan de
opgegeven temperatuur.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Echolood > Watertemperatuur > Aan.
2. Voer een watertemperatuur in:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
94
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Echolood
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
3. Selecteer OK.
Het visalarm instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 22.
U kunt een alarm instellen dat afgaat wanneer de kaartplotter een zwevend doel met de opgegeven grootte detecteert.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Echolood > Vis.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
als u een alarm wilt horen voor vissen van alle grootten.
• Selecteer
als u alleen een alarm wilt horen voor middelgrote en grote vissen.
• Selecteer
als u alleen een alarm wilt horen voor grote vissen.
• Selecteer
Het contourvisalarm instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
U kunt een geluidsalarm instellen voor als de kaartplotter een zwevend doel detecteert binnen het opgegeven dieptebereik en het
opgegeven kleurenbereik.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Alarmen > Echolood > Vis > Contour.
2. Selecteer Boven.
3. Voer een afstand vanaf boven in als u een alarm wilt weergeven voor doelen nabij het oppervlak:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
4. Selecteer OK.
5. Selecteer Onder.
6. Voer een afstand vanaf onderen in voor een geluidsalarm voor doelen nabij de bodem van het water:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
7. Selecteer OK.
8. Selecteer Intensiteit.
9. Selecteer een kleur en selecteer Terug.
Het bodemvisalarm instellen
Opmerking: deze functie is alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
U kunt een geluidsalarm instellen voor als de kaartplotter een zwevend doel detecteert binnen het opgegeven bereik vanaf de
bodem en het opgegeven kleurenbereik.
1. Selecteer in het startscherm de opties Instellen > Alarmen > Echolood > Vis > Bodem.
2. Selecteer Reikwijdte.
3. Voer een afstand vanaf onderen in voor een geluidsalarm voor doelen nabij de bodem van het water:
• Gebruik bij de GPSMAP 6000-serie de tuimelknop of het numerieke toetsenblok.
• Gebruik bij de GPSMAP 7000-serie het schermtoetsenbord.
4. Selecteer OK.
5. Selecteer Intensiteit.
6. Selecteer een kleur en selecteer Terug.
De transducer instellen
De kielcorrectie instellen
De kielcorrectie compenseert de afstand (offset) tussen de transducer en de onderkant van de kiel, zodat u de diepte kunt meten
vanaf de bodem van de kiel in plaats van vanaf de positie van de transducer. Voer voor deze afstand een positief getal in. U kunt
een negatief getal invoeren als u wilt compenseren voor een grote boot die een paar voet diep in het water ligt.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
95
Echolood
1. Meet de kielcorrectie, gebaseerd op de locatie van de transducer:
Transducer op de
• Als de transducer op de waterlijn is geïnstalleerd,
waterlijn
meet u de afstand tussen de locatie van de
Een positief getal (+)
transducer en de kiel van de boot. Voer deze waarde
verwijst naar de diepte
in stap 3 in als een positief getal.
onder aan de kiel.
• Als de transducer onder aan de kiel is geïnstalleerd,
meet u de afstand tussen de transducer en de
waterlijn. Voer deze waarde in stap 3 in als een
negatief getal.
Transducer onder aan
2. Selecteer in het startscherm Instellen > Mijn boot >
de kiel
Kielcorrectie.
Een negatief getal (-)
3. Voer de kielcorrectie in die in stap 1 is gemeten:
verwijst naar de diepte aan
Kielcorrectie
• Als u een toestel uit de GPSMAP 6000-serie
het oppervlak.
gebruikt, voert u de in stap 1 gemeten afstand in met
gebruik van de tuimelknop of het numerieke toetsenblok. Voer een positief of negatief getal in, al naar gelang de locatie
van de transducer.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 7000-serie hebt, gebruikt u het toetsenbord op het scherm om de in stap 1 gemeten
afstand in te voeren. Voer een positief of negatief getal in, al naar gelang de locatie van de transducer.
4. Selecteer OK.
De watertemperatuurcorrectie instellen
Hiervoor dient u over een watertemperatuursensor of een transducer met temperatuurmeting te beschikken.
De temperatuurcorrectie compenseert de temperatuurmeting van een temperatuursensor.
1. Meet de watertemperatuur aan de hand van een temperatuursensor of een transducer met temperatuurmeting die is aangesloten
op de kaartplotter.
2. Meet de watertemperatuur met een andere temperatuursensor of nauwkeurige thermometer.
3. Trek de in stap 1 gemeten watertemperatuur af van de watertemperatuur die u hebt gemeten in stap 2.
Het resultaat is de temperatuurcorrectie. Voer deze waarde in stap 5 in als een positief getal als de op de kaartplotter
aangesloten sensor een koudere watertemperatuur aangeeft dan in werkelijkheid het geval is. Voer deze waarde in
stap 5 in als een negatief getal als de op de kaartplotter aangesloten sensor een warmere watertemperatuur aangeeft
dan in werkelijkheid het geval is.
4. Selecteer in het startscherm Instellen > Mijn boot > Temperatuurcorrectie.
5. Voer de in stap 3 berekende temperatuurcorrectie in:
• Als u een toestel uit de GPSMAP 6000-serie gebruikt, geeft u de correctie op met behulp van de tuimelknop of het
numerieke toetsenblok.
• Als u een toestel uit de GPSMAP 7000-serie gebruikt, geeft u de temperatuurcorrectie op aan de hand van het toetsenbord
op het scherm.
6. Selecteer OK.
De transducerinstellingen aanpassen
Opmerking: deze functies zijn alleen beschikbaar op de GSD 24 en GSD 26.
1.
2.
3.
4.
96
Selecteer Echolood in het startscherm.
Selecteer een echoloodweergave.
Selecteer Menu > Meer > Installatie.
Selecteer een of meer opties:
• Selecteer Zendsnelheid om zelfinterferentie te verminderen. U kunt de zendsnelheid verhogen om de schuifsnelheid te
verhogen, maar dit kan ook zelfinterferentie veroorzaken.
• Selecteer Zendvermogen als u echo van de transducer nabij het oppervlak wilt verminderen. Verlaag het zendvermogen
om de echo te verminderen.
• Selecteer Filterbreedte om de randen van het doel te definiëren. Een korter filter definieert de randen van de doelen.
Langere filters zorgen voor zachtere randen van de doelen, maar reduceren mogelijk de ruis.
• Selecteer Transducerdiagnostiek om details van de transducer weer te geven.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
DSC (Digital Selective Calling)
DSC (Digital Selective Calling)
Kaartplotter en marifoonfunctionaliteit
In de volgende tabel ziet u welke functies beschikbaar zijn wanneer u uw kaartplotter via een NMEA 0183-netwerk of een NMEA
2000-netwerk aansluit op een marifoon.
Functionaliteit
NMEA
0183-marifoon
NMEA
2000-marifoon
Garmin NMEA
0183-marifoon
Garmin NMEA
2000-marifoon
De kaartplotter kan uw GPS-positie doorsturen
naar uw marifoon. De GPS-positie-informatie
wordt tegelijk met de DSC-oproepen verzonden
als uw marifoon daartoe ondersteuning biedt.
X
X
X
X
De kaartplotter kan DSC-noodoproepen en
positiegegevens ontvangen van de marifoon
(pagina 98).
X
X
X
X
De kaartplotter kan de posities bijhouden
van schepen die positierapporten verzenden
(pagina 98).
X
X
X
X
Met de kaartplotter kunt u snel informatie over
persoonlijke standaardoproepen instellen en
verzenden naar uw Garmin-marifoon (pagina 100).
X
Wanneer u een noodoproep voor een manover-boord initieert vanaf uw marifoon, wordt
op de kaartplotter het scherm Man-over-boord
weergegeven en wordt u gevraagd naar de
positie te navigeren waar de persoon van boord is
gevallen (pagina 98).
X
Wanneer u een noodoproep vanwege een manover-boord initieert vanaf uw kaartplotter, geeft
de marifoon de pagina Noodoproep weer om een
noodoproep voor een man-over-boord te initiëren
(pagina 98).
X
DSC inschakelen
Selecteer in het startscherm Instellen > Overige schepen > DSC.
Informatie over de DSC-lijst
De DSC-lijst is een overzicht van de meest recente DSC-oproepen en andere DSC-contactpersonen die u hebt ingevoerd. De
DSC-lijst kan maximaal 100 vermeldingen bevatten. De DSC-lijst geeft de meest recente oproepen weer die vanaf een boot zijn
gemaakt. Wanneer een tweede oproep van dezelfde boot wordt ontvangen, vervangt deze de eerste oproep van deze boot in de
lijst.
De DSC-lijst weergeven
U kunt de DSC-lijst alleen weergeven als uw kaartplotter is aangesloten op een marifoon die ondersteuning biedt voor DSC
(Digital Selective Calling).
Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
97
DSC (Digital Selective Calling)
Een DSC-contactpersoon toevoegen
U kunt een schip toevoegen aan uw DSC-lijst. U kunt oproepen naar een DSC-contactpersoon uitvoeren vanaf de kaartplotter
(pagina 100).
1.
2.
3.
4.
5.
Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst > Voeg contact toe.
Voer het MMSI-nummer (Maritime Mobile Service Identity) van het schip in.
Selecteer OK.
Voer de naam van het schip in.
Selecteer OK.
Inkomende noodoproepen
Als uw Garmin-kaartplotter en marifoon via NMEA 0183 of NMEA 2000 zijn verbonden, ontvangt u een waarschuwing van
uw kaartplotter wanneer uw marifoon een DSC-noodoproep ontvangt. Als er positiegegevens zijn verzonden bij de noodoproep,
wordt die informatie tegelijk met de oproep opgenomen en beschikbaar gesteld.
verwijst naar een noodoproep in de DSC-lijst en markeert de positie van het schip op de navigatiekaart op het
Het symbool
moment dat de DSC-noodoproep werd verzonden.
Het rapport met DSC-noodoproepen weergeven
Zie “Een positiemelding weergeven” (pagina 99).
Een schip in nood oproepen
Zie “Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren” (pagina 100).
Naar een schip in nood navigeren
Het symbool
verwijst naar een noodoproep in de DSC-lijst en markeert op de navigatiekaart de positie van een schip op het
moment dat de DSC-noodoproep werd verzonden.
Zie “Naar een schip navigeren waarvan u de positie bijhoudt” (pagina 99).
Een waypoint maken op de positie van een schip in nood
Zie “Een waypoint maken op de positie van een schip waarvan u de positie bijhoudt” (pagina 99).
Informatie bewerken in een rapport met DSC-noodoproepen
Zie “Informatie in een positiemelding bewerken” (pagina 99).
Informatie verwijderen uit een rapport met DSC-noodoproepen
Zie “Een positiemelding verwijderen” (pagina 99).
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren via een marifoon
Wanneer uw Garmin-kaartplotter is verbonden met een marifoon die compatibel is met Garmin NMEA 2000 en u een DSCnoodoproep voor man-over-boord initieert vanaf uw marifoon, wordt het man-over-boordscherm weergegeven op de Garminkaartplotter en wordt u gevraagd naar het punt te navigeren waar de persoon van boord is gevallen. Als de stuurautomaat van
Garmin is verbonden met het netwerk, vraagt uw kaartplotter u een Williamson’s-koerswijziging uit te voeren naar dit punt.
Als u de noodoproep voor man-over-boord annuleert via de marifoon, verdwijnt het kaartplotterscherm waarin u wordt gevraagd
te navigeren naar het punt waarop de persoon van boord is gevallen.
Noodoproepen (man-over-boord) uitvoeren vanaf de kaartplotter
Wanneer uw Garmin-kaartplotter is verbonden met een marifoon die compatibel is met Garmin NMEA 2000 en u de navigatie
naar een punt waarop iemand van boord is gevallen activeert, wordt op de marifoon de pagina Noodoproep weergegeven zodat u
snel een noodoproep voor man-over-boord kunt activeren.
Houd op de marifoon de toets DISTRESS minstens drie seconden ingedrukt om de noodoproep uit te voeren.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bij de marifoon voor informatie over het uitvoeren van noodoproepen via de marifoon. U kunt
een MOB markeren en hier naartoe navigeren (pagina 33).
Positie bijhouden
Wanneer u uw Garmin-kaartplotter via NMEA 0183 aansluit op een marifoon, kunt u de positie bijhouden van schepen die
positiemeldingen verzenden. Deze functie is ook beschikbaar met NMEA 2000, ervan uitgaande dat het schip de juiste PGNgegevens verzendt (PGN 129808; DSC-oproepinformatie).
98
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
DSC (Digital Selective Calling)
Elke ontvangen oproep met een positiemelding wordt opgenomen in de DSC-lijst (pagina 97).
Een positiemelding weergeven
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een oproep met een positiemelding.
3. Selecteer Herzie.
4. Selecteer Volgende bladzijde of Vorige bladzijde om over te schakelen tussen de details van de positiemelding en een
navigatiekaart waarop de locatie is gemarkeerd.
Een schip oproepen waarvan u de positie bijhoudt.
Zie “Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren” (pagina 100).
Naar een schip navigeren waarvan u de positie bijhoudt
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een oproep met een positiemelding.
3. Selecteer Herzie > Navigeer naar.
4. Selecteer Ga naar of Route naar (pagina 31).
Een waypoint maken op de positie van een schip waarvan u de positie bijhoudt
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een oproep met een positiemelding.
3. Selecteer Herzie > Volgende pagina > Creëer waypoint.
Informatie in een positiemelding bewerken
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een oproep met een positiemelding.
3. Selecteer Herzie > Wijzig.
4. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Naam. Voer de naam van het schip in. Selecteer OK.
• Selecteer Symbool en kies een nieuw symbool. Selecteer OK.
• Selecteer Commentaar. Typ de opmerking. Selecteer OK.
• Selecteer Spoor > Toon om een lijn weer te geven die het spoor van het schip aangeeft als uw marifoon de positie van het
schip bijhoudt.
• Selecteer Lijn van spoor. Selecteer een kleur voor de lijn van het spoor.
Een oproep met een positiemelding verwijderen
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een oproep met een positiemelding.
3. Selecteer Herzie > Rapport wissen.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
99
DSC (Digital Selective Calling)
Sporen van schepen op de navigatiekaart
U kunt paden voor alle schepen waarvan u de positie bijhoudt bekijken op de navigatiekaart, de viskaart, Mariner's Eye 3D en
de radaroverlay. Standaard wordt een zwarte stip ➊ weergegeven voor elke eerder gemelde positie van een schip waarvan u
de positie bijhoudt. Tevens geeft een symbool in de vorm van een blauwe vlag ➋ de laatst gemelde positie van het schip aan.
Daarnaast wordt een zwarte lijn ➌ weergegeven met de route van het schip.
U moet de instelling voor DSC-paden instellen om paden van schepen waarvan u de positie bijhoudt te kunnen bekijken
(pagina 100).
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
➋
➊
➌
Spoor van schip op de navigatiekaart
Het aantal minuten tonen en instellen dat de sporen van schepen waarvan u de positie bijhoudt worden weergegeven
Opmerking: Mariner's Eye 3D is beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision-gegevenskaart gebruikt. De viskaart is
alleen beschikbaar als u een BlueChart g2 Vision- of een BlueChart g2-gegevenskaart gebruikt, of als de geïntegreerde kaart
ondersteuning biedt voor viskaarten.
1.
2. 3.
4.
Selecteer Kaarten in het startscherm.
Selecteer Navigatiekaart, Viskaart, Perspective 3D of Mariner's Eye 3D.
Selecteer Menu > Overige schepen > DSC > DSC-sporen.
Selecteer het aantal uren dat schepen waarvan u de positie bijhoudt, worden weergegeven op de kaart of in de
3D-kaartweergave.
Als u bijvoorbeeld 4 uur selecteert, worden alle spoorpunten die minder dan vier uur oud zijn van de schepen waarvan u de
positie bijhoudt op de kaart weergegeven.
Persoonlijke standaardoproepen
Wanneer u de Garmin-kaarplotter aansluit op een met Garmin VHF NMEA 2000 compatibele marifoon, kunt u de interface van
de kaartplotter gebruiken voor het uitvoeren van persoonlijke standaardoproepen. Wanneer u een persoonlijke standaardoproep
uitvoert vanaf de kaartplotter, kunt u het DSC-kanaal selecteren voor de communicatie (pagina 100). De marifoon verzendt dit
verzoek tegelijk met uw oproep.
Een DSC-kanaal selecteren
Opmerking: u kunt alleen de DSC-kanalen selecteren die in alle frequentiebanden beschikbaar zijn: 6, 8, 9, 10, 13, 15, 16, 17,
67, 68, 69, 71, 72, 73 of 77. Het standaardkanaal is 72. Als u een ander kanaal selecteert, gebruikt de kaartplotter dat kanaal voor
alle volgende oproepen, totdat u een oproep uitvoert via een ander kanaal.
1.
2.
3.
4.
Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
Selecteer een schip of een station dat u wilt oproepen.
Selecteer Herzie > Oproepen met radio > Kanaal.
Selecteer een kanaal.
Een persoonlijke standaardoproep uitvoeren
Opmerking: bij het initiëren van een oproep vanaf de kaartplotter ontvangt de marifoon geen oproepgegevens als er geen
MMSI-nummer in de marifoon is geprogrammeerd.
100
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Appendix
1. Selecteer in het startscherm Informatie > DSC-lijst.
2. Selecteer een schip of een station dat u wilt oproepen.
3. Selecteer Herzie > Oproepen met radio > Verzenden.
De kaartplotter verzendt informatie over de oproep naar de marifoon.
4. Selecteer Oproep op uw Garmin-marifoon.
Een individuele routineoproep voor een AIS-doel
Wanneer u de Garmin-kaarplotter aansluit op een met Garmin VHF NMEA 2000-compatibele marifoon, kunt u de interface van
de kaartplotter gebruiken voor het uitvoeren van persoonlijke standaardoproepen naar een AIS-doel. Voordat u de oproep start,
kunt u een ander DSC-kanaal selecteren dan het standaardkanaal (kanaal 72) (pagina 100).
1. Selecteer Kaarten in het startscherm.
2. Selecteer een kaartweergave of een driedimensionale weergave van een kaart.
3. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Gebruik bij de GPSMAP 4000-serie de tuimelschakelaar om een AIS-doel
• Tik bij de GPSMAP 5000-serie op een AIS-doel .
4. Selecteer AIS-schip > Oproepen met radio > Verzenden.
De kaartplotter verzendt informatie over de oproep naar de marifoon.
5. Selecteer Oproep op uw Garmin-marifoon.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
te selecteren.
101
Appendix
Appendix
Specificaties
Fysieke specificaties
Specificatie
Toestellen
Afmetingen
Grootte
GPSMAP 4008, 4208
176,9 × 284,4 × 106 mm (H x B x D) (7 × 11,2 × 4,2 inch)
GPSMAP 4010, 4210
226,9 × 340,4 × 105,1 mm (H x B x D) (8,9 × 13,4 × 4,13 inch)
GPSMAP 4012, 4212
240,5 × 375 × 105,1 mm (H x B x D) (9,5 × 14,8 × 4,13 inch)
GPSMAP 5008, 5208
173,5 × 256 × 105,9 mm (H x B x D) (6,8 x 10,1 x 4,17 inch)
GPSMAP 5012, 5212
240,5 × 330 × 119,2 mm (H x B x D) (9,47 × 13 × 4,7 inch)
GPSMAP 5015, 5215
295,8 × 394,9 × 143,8 mm (H x B x D) (11,65 × 15,55 × 5,66 inch)
GPSMAP 4008, 4208
2,7 kg (6 lb.)
GPSMAP 4010, 4210
3,5 kg (8 lb.)
GPSMAP 4012, 4212
4,5 kg ( 0 lb.)
GPSMAP 5008, 5208
2,7 kg (6 lb.)
GPSMAP 5012, 5212
4,3 kg (9 lb.)
GPSMAP 5015, 5215
5,4 kg (12 lb.)
GPSMAP 4008, 4208
131,4 × 174 mm (H x B) (5,17 × 6,85 inch)
GPSMAP 4010, 4210
161,4 × 214,2 mm (H x B) (6,35 x 8,43 inch)
GPSMAP 4012, 4212
184,3 × 245,8 mm (H x B) (7,3 × 9,7 inch)
GPSMAP 5008, 5208
128,2 × 170,9 mm (H x B) (5 × 6,73 inch)
GPSMAP 5012, 5212
180,49 × 235,97 mm (H x B) (7,11 × 9,3 inch)
GPSMAP 5015, 5215
228,1 × 304,1 mm (H x B) (8,98 × 11,97 inch)
Behuizing
Alle modellen
Behuizing: volledig afgedicht, schokbestendig kunststof en aluminiumlegering,
waterbestendig conform IEC 60529 IPX-7
Temp.- bereik
Alle modellen
Van -15 tot 55 °C (van 5 °F tot 131 °F)
Kompasveilige
afstand
GPSMAP 4008, 4208,
5008, 5208
80 cm (31,5 inch)
GPSMAP 4010, 4210
1 m (39,4 inch)
GPSMAP 4012, 4212,
5012, 5212
1 m (39,4 inch)
GPSMAP 5015, 5215
40 cm (15,8 inch)
Gewicht
Scherm
Hg
- Lampen in dit product bevatten kwik en dienen te worden gerecycled of weggegooid volgens plaatselijke, provinciale of
landelijke wet- en regelgeving. Ga voor meer informatie naar: www.garmin.com/aboutGarmin/environment/disposal.jsp.
Voeding
Specificatie
Toestellen
Afmetingen
Bron
Alle modellen
10-35 VDC
Gebruik
GPSMAP 4008, 4208, 5008, 5208
35 W max. bij 10 VDC
GPSMAP 4010, 4210, 4012, 4212, 5012, 40 W max. bij 10 VDC
5212
GPSMAP 5015, 5215
60 W max. bij 10 VDC
Zekering
Alle modellen
7,5 A, 42 V snel
NMEA 2000 Load Equivalency Number (LEN)
Alle modellen
2
Stroomverbruik NMEA 2000
Alle modellen
75 mA maximum
102
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Appendix
Het aanraakscherm van de GPSMAP 5000-serie kalibreren
Het aanraakscherm van de kaartplotter uit de GPSMAP 5000-serie hoeft doorgaans niet te worden gekalibreerd. Als de knoppen
echter niet goed reageren, kunt u het scherm als volgt kalibreren.
1. Als de kaartplotter is uitgeschakeld, drukt u op de aan-uittoets.
Het waarschuwingsscherm verschijnt.
2. Raak een zwart gedeelte van het scherm ongeveer 15 seconden aan totdat het kalibratiescherm wordt geopend.
3. Volg de instructies op het scherm tot “Kalibratie voltooid” wordt weergegeven.
4. Tik op OK.
Schermafbeeldingen
Opmerking: als u schermafbeeldingen wilt vastleggen met een GPSMAP 5008, 5208, 5012, 5212, 5015 of 5215, dient u de
Garmin RF draadloze afstandsbediening te gebruiken.
U kunt van elk scherm dat op de kaartplotter wordt weergegeven, een afbeelding (BMP-bestand) maken en dat bestand vervolgens
naar uw computer overzetten.
Schermafbeeldingen vastleggen
1.
2.
3.
4.
Plaats een geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing aan de voorkant van de kaartplotter.
Selecteer Instellen > Systeem > Pieper/scherm> Schermafdruk opslaan > Aan.
Ga naar een scherm waarvan u een opname wilt maken.
Maak een schermafdruk:
• Houd bij een toestel uit de GPSMAP 4000-serie de toets HOME minstens zes seconden ingedrukt.
• Houd bij een toestel uit de GPSMAP 5000-serie de knop HOME op de Garmin RF draadloze afstandsbediening minstens
zes seconden ingedrukt.
Het venster Schermafbeelding gemaakt verschijnt.
5. Selecteer OK.
Schermafbeeldingen naar een computer kopiëren
1. Verwijder de geheugenkaart uit de kaartplotter en plaats deze in een gegevenskaartlezer die is aangesloten op een computer.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Klik in Windows® op Start > My Computer > Secure Digital storage device > Garmin > scrn.
• Open in Apple OS X het geheugenkaartpictogram op het bureaublad. Open vervolgens Garmin > scrn.
3. Kopieer een .BMP-bestand op de kaart en plak dit bestand in de gewenste map op de computer.
GPS-satellietlocaties weergeven
U kunt de relatieve positie van GPS-satellieten bekijken.
Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > GPS.
Systeeminformatie
Systeeminformatie weergeven
Zie “Systeeminformatie weergeven” (pagina 3).
De gebeurtenislog weergeven
In het gebeurtenislog wordt een lijst met systeemgebeurtenissen weergegeven.
Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Systeeminformatie > Gebeurtenislog.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
103
Appendix
Systeeminformatie op een geheugenkaart opslaan
U kunt de systeeminformatie op een geheugenkaart opslaan en indien nodig gebruiken als hulp bij het oplossen van problemen.
Een medewerker van de productondersteuning van Garmin kan u vragen met deze informatie gegevens over het maritieme
netwerk op te halen.
1. Plaats een geheugenkaart in de gegevenskaartuitsparing van de kaartplotter.
2. Selecteer Instellen > Systeem > Systeeminformatie > Garmin-toestellen > Bewaar op kaart.
3. Verwijder de geheugenkaart.
De fabrieksinstellingen van de kaartplotter herstellen
Opmerking: tijdens deze procedure worden alle gegevens verwijderd die u hebt ingevoerd.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Systeem > Systeeminformatie > Fabrieksinstellingen > Reset.
2. Selecteer Ja.
Communicatie met draadloze toestellen
Verbinding met een draadloos toestel maken
U kunt draadloze toestellen, zoals een afstandsbediening of optische muis, laten communiceren met de kaartplotter.
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > Draadloze toestellen > Nieuwe verbindingen > Ja.
Verbinding met een draadloos toestel verbreken
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > Draadloze toestellen.
2. Selecteer een draadloos toestel.
3. Selecteer Ontkoppel.
Garmin Marine Network
Met het Garmin Marine Network kunt u snel en gemakkelijk gegevens van Garmin-randapparatuur delen met Garminkaartplotters. Als u met een kaartplotter uit de GPSMAP 4000/5000-serie verbinding maakt met een Garmin Marine Network,
kunt u gegevens ontvangen van en delen met andere toestellen en kaartplotters die compatibel zijn met Garmin Marine Network.
Gegevens via het Garmin Marine Network overdragen
Zie “Beheer van kaartplottergegevens” (pagina 60).
Netwerktoestellen configureren
Zie “Netwerktoestellen configureren” (pagina 62).
NMEA 0183 en NMEA 2000
Een kaartplotter uit de serie GPSMAP 4000/5000 kan gegevens verwerken van zowel NMEA 0183-conforme toestellen als
NMEA 2000-toestellen die zijn verbonden met een bestaand NMEA 2000-netwerk op uw boot.
NMEA 0183
De NMEA 0183-gegevenskabel die wordt meegeleverd met de kaartplotters uit de GPSMAP 4000/5000-serie, ondersteunt
de NMEA 0183-norm die geldt voor de bedrading van diverse NMEA 0183-conforme toestellen, zoals marifoons, NMEAinstrumenten, stuurautomaten, windsensoren en koerssensoren.
Kaartplotters uit de GPSMAP 4000/5000-serie kunnen gegevens ontvangen van maximaal vier NMEA 0183-conforme toestellen
en GPS-gegevens verzenden naar maximaal zes NMEA 0183-conforme toestellen.
Raadpleeg voor het aansluiten van kaartplotters van de GPSMAP 4000/5000-serie op optionele NMEA 0183-conforme toestellen
de installatie-instructies voor de GPSMAP 4000/5000-serie.
104
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Appendix
Goedgekeurde NMEA 0183-telegrammen
GPAPB, GPBOD, GPBWC, GPGGA, GPGLL, GPGSA, GPGSV, GPRMB, GPRMC, GPRTE, GPVTG, GPWPL, GPXTE en
eigen Garmin-telegrammen: PGRME, PGRMM en PGRMZ.
Deze kaartplotter ondersteunt ook het WPL-telegram, DSC en NMEA 0183-echoloodinvoer met ondersteuning voor de
telegrammen DPT (diepte) of DBT, MTW (watertemperatuur) en VHW (watertemperatuur, snelheid en voorliggende koers).
MEA 0183-uitvoertelegrammen configureren
U kunt instellen hoe NMEA 0183-uitvoertelegrammen door de kaartplotter worden gelezen.
1.
2.
3.
4.
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Uitvoertelegrammen.
Selecteer een instelling: Echolood, Route, Systeem of Garmin.
Selecteer een of meer NMEA 0183-uitvoertelegrammen.
Herhaal stap 2 en 3 voor het configureren van extra instellingen.
De communicatie-indeling voor elke NMEA 0183-poort instellen
U kunt de invoer-/uitvoerindeling configureren voor elke poort die moet worden gebruikt wanneer u uw kaartplotter aansluit op
externe NMEA-toestellen, een computer of andere Garmin-toestellen.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Poorttypen.
2. Selecteer een invoer- of uitvoerpoort.
3. Selecteer een invoer-/uitvoerindeling:
• Selecteer NMEA-standaard voor ondersteuning van de in- en uitvoer van standaard NMEA 0183-gegevens en DSC, en
ondersteuning van NMEA-invoer voor de DPT-, MTW- en VHW-telegrammen voor het echolood.
• Selecteer Hoge snelheid NMEA voor ondersteuning van de in- of uitvoer van standaard 0183-gegevens voor de meeste
AIS-ontvangers.
• Selecteer Garmin voor ondersteuning van de in- of uitvoer van Garmin-gegevens als interface bij de Garmin-software.
4. Herhaal stap 3 voor het configureren van extra invoer- en uitvoerpoorten.
Decimale precisie instellen voor de NMEA 0183 positie-uitvoer.
U kunt het aantal cijfers achter de decimale komma instellen voor het overbrengen van NMEA 0183 positie-uitvoer.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Positie miswijzing.
2. Selecteer Twee cijfers, Drie cijfers of Vier cijfers.
Decimale precisie instellen voor de NMEA 0183 Cross Track Error (XTE) uitvoer
U kunt het aantal cijfers achter de decimale komma instellen voor het verzenden van NMEA 0183 XTE-uitvoer.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Positiemiswijzing.
2. Selecteer Twee cijfers of Drie cijfers.
Waypoint-ID's configureren
U kunt instellen hoe waypoint-ID's door de kaartplotter worden aangeleverd.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Waypoint ID's.
2. Selecteer Namen of Cijfers.
De standaardinstellingen voor NMEA 0183-communicatie opnieuw instellen
U kunt de instellingen van de NMEA 0183 weer op de standaardinstellingen instellen.
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Standaard > OK.
Diagnostische informatie van de NMEA 0183 bekijken
Met het diagnosescherm van NMEA 0183 kunnen problemen worden opgelost. Hiermee kan bij het installeren worden
gecontroleerd of de NMEA 0183-gegevens via het systeem worden verzonden.
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 0183-instelling > Diagnose.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
105
Appendix
NMEA 2000
Kaartplotters uit de GPSMAP 4000/5000-serie zijn NMEA 2000-gecertificeerd en kunnen gegevens ontvangen via een NMEA
2000-netwerk dat in de boot is geïnstalleerd. Deze gegevens, zoals diepte, snelheid, watertemperatuur, windsnelheid, windrichting
en motorgegevens, worden op het informatiescherm weergegeven.
U kunt uw motoren en tanks een naam geven zodat u de locaties van motoren en tanks op de boot beter kunt bepalen.
Als u een kaartplotter uit de GPSMAP 4000/GPSMAP 5000-serie wilt aansluiten op een bestaand NMEA 2000-netwerk en als
u een lijst wilt zien van ondersteunde NMEA 2000 PGN-nummers, raadpleegt u de installatie-instructies voor de GPSMAP
4000/5000-serie.
Een lijst met NMEA 2000-netwerktoestellen weergeven
U kunt zien welke toestellen verbinding met het NMEA 2000-netwerk hebben.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Toestellijst.
2. Selecteer een toestel voor een lijst met opties.
Motoren labellen met cijfers
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Toestellen labelen > Wijzig M-niveau >
Cijfers gebruiken.
Motoren labellen met een naam
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Toestellen labelen > Wijzig M-niveau >
Kies namen.
2. Selecteer de motor die u een naam wilt geven.
3. Selecteer de locatie van de motor: Bakboord (B), Midden (M), Stuurboord (S), Voor (V) of Achter (A).
4. Selecteer het label dat u wilt gebruiken voor de motor.
5. Herhaal zo nodig stap 2 tot en met 4 als u namen aan andere motoren wilt geven en selecteer daarna OK.
Tanks labellen met cijfers
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Toestellen labelen > Wijzig T-labels.
2. Selecteer het type tank dat u wilt verwijderen.
3. Selecteer Cijfers gebruiken.
Tanks labellen met een naam
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Toestellen labelen > Wijzig T-labels.
Selecteer het type tank dat u wilt verwijderen.
Selecteer Kies namen.
Selecteer een tank.
Selecteer de locatie van de motor: Bakboord (B), Midden (M), Stuurboord (S), Voor (V) of Achter (A).
Selecteer het label dat u wilt gebruiken voor de tank.
Herhaal zo nodig stap 4 tot en met 6 als u namen aan andere tanks wilt geven en selecteer daarna OK.
Een voorkeurgegevensbron selecteren
Als er meerdere gegevensbronnen beschikbaar zijn, kunt u de gegevensbron kiezen die u wilt gebruiken.
1.
2.
3.
4.
106
Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > Voorkeursbronnen.
Selecteer een gegevenstype.
Selecteer Wijzig bron.
Selecteer een gegevensbron.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Appendix
NMEA 0183-gegevens via een NMEA 2000-netwerk overbrengen
U kunt het overbruggen van uitvoer inschakelen, configureren en uitschakelen. Overbruggen van uitvoer vindt plaats wanneer
een kaartplotter NMEA 0183-gegevens ontvangt van een willekeurige bron, deze omzet in NMEA 2000-gegevens en vervolgens
verzendt via de NMEA 2000-bus.
1. Selecteer in het startscherm Instellen > Communicatie > NMEA 2000-instelling > Overbrug uitvoer.
2. Voer een van onderstaande handelingen uit:
• Selecteer Aan om het overbruggen van uitvoer vanaf de kaartplotter in te schakelen.
• Selecteer Auto om de kaartplotters in het NMEA 2000-netwerk met elkaar te laten communiceren en te bepalen
welke kaartplotter deze functie zal gaan uitvoeren. Per keer kan slechts één kaartplotter in het NMEA 2000-netwerk
0183-gegevens via de NMEA 2000-bus overbruggen.
Alle toestellen uit de GPSMAP 4000/5000-serie zijn NMEA 2000-gecertificeerd.
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie vandaag nog in zodat wij u beter kunnen helpen.
1. Ga naar my.garmin.com.
2. Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een veilige plek.
Contact opnemen met Garmin Product Support
Neem contact op met Garmin Product Support als u vragen hebt over dit product.
•
•
•
Ga in de V.S. naar www.garmin.com/support of neem telefonisch contact op met Garmin USA via (913) 397.8200 of (800)
800.1020.
Neem in het V.K. contact op met Garmin (Europe) Ltd. via het telefoonnummer 0808 2380000.
Ga in Europa naar www.garmin.com/support en klik op Contact Support (Contact opnemen met de afdeling Ondersteuning)
voor ondersteuningsinformatie voor uw regio. U kunt ook telefonisch contact opnemen met Garmin (Europe) Ltd. op
+44 (0) 870.8501241.
Conformiteitverklaring
Hierbij verklaart Garmin dat dit product voldoet aan de basiseisen en overige relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG.
De volledige conformiteitsverklaring kunt u lezen op www8.garmin.com/compliance.
Softwarelicentieovereenkomst
DOOR DE KAARTPLOTTER TE GEBRUIKEN GAAT U ERMEE AKKOORD DAT U BENT GEBONDEN DOOR DE
VOORWAARDEN VAN DE VOLGENDE SOFTWARELICENTIEOVEREENKOMST. LEES DEZE OVEREENKOMST
ZORGVULDIG.
Garmin Ltd. en/of haar dochterondernemingen (“Garmin”) kent u een beperkte licentie toe om de software die is ingebouwd
in dit toestel (de “software”) in binaire, uitvoerbare vorm te gebruiken bij het normale gebruik van dit product. De
titel, eigendomsrechten en intellectuele eigendomsrechten in en op de Software blijven in bezit van Garmin en/of haar
dochtermaatschappijen.
U erkent dat de Software het eigendom is van Garmin en/of haar externe leveranciers en wordt beschermd door de wetgeving
met betrekking tot auteursrechten van de Verenigde Staten van Amerika en internationale verdragen inzake auteursrechten.
U erkent bovendien dat de structuur, organisatie en code van de Software, waarvan de broncode niet wordt verschaft, waardevolle
handelsgeheimen van Garmin en/of haar externe leveranciers zijn en dat de Software in de broncodevorm een waardevol
handelsgeheim van Garmin en/of haar externe leveranciers blijft. U verklaart dat u de software of elk deel daarvan niet zult
decompileren, demonteren, wijzigen, onderwerpen aan reverse assembling of reverse engineering, herleiden tot door mensen
leesbare vorm of afgeleide werken zult maken op basis van de software. U verklaart dat u de software niet zult exporteren of
herexporteren naar landen die de exportwetten van de Verenigde Staten van Amerika of van andere landen schenden.
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
107
Index
Index
A
aankomstalarm 59
aanraakscherm 103
aan-uitknop 1
aanvaringsgevaar 15, 17, 69
achterpaneel 1
actieve sporen
in tegengestelde richting volgen 37
opslaan 37
wissen 38
afstandcirkels 19, 82
afstand tot kustlijn 53
AIS
doelzoeken 15, 101
gevaren 18, 69
radar 70
SART 18
alarmen
aankomst 59
aanvaring 15, 17, 69
diep water 94
echolood 93, 94
GPS-nauwkeurigheid 60
klok 60
koersfout 60
krabbend anker 59
navigatie 59
ondiep water 94
systeem 60
totale hoeveelheid brandstof aan
boord 60
vis 95
voedingspanning 60
watertemperatuur 94
alarm voor totale hoeveelheid brandstof aan
boord 60
antenne
draaisnelheid 83
grootte 83
Autobegeleiding
afstand tot kustlijn 53
BlueChart g2 Vision 26
lijn 53
navigatie 6
B
basiskaartversie 3
Begeleid naar 32, 39
behouden windsnelheid 58
bereiktoetsen 5
bestemmingen 31
navigatiekaart 31
navigeren naar 40
selecteren 31
Waarheen? 31
bewakingszone 67
bijkaart 7, 85
BlueChart g2 Vision
Fish Eye 3D 23
gegevenskaarten 21
kaartgrenzen 13
kaartsymbolen 6
luchtfoto’s 13
Mariner’s Eye 3D 22
108
nuttige punten 26
bodem
volgen 91
whiteline 93
brandstof aan boord 60
brandstofcapaciteit 59
brandstofmeters
brandstofverbruik 49
combinatiescherm 29
configureren 47
statusalarmen 47
synchroniseren met brandstof 49
weergeven 49
C
chirp 91
combinatiegegevensveld
bewerken 29
toevoegen 28
verwijderen 28
combinaties
aanpassen 27
focusscherm 29
functies 27
gegevensvelden 28
indeling 27
instrumentengegevens 29
selecteren 27
coördinatenstelsels 54
correctie
voorkant boot 83
watertemperatuur 94
correctie voorkant boot 83
correctie watertemperatuur 94, 96
corridorbreedte 20
D
dieptearcering 12
diepwateralarm 94
doelzoeken 68
DSC (Digital Selective Calling)
contactpersonen 98
inschakelen 97
kanalen 100
E
EBL
meten 71
tonen 70
echolood
alarmen 93, 94
cijfers projecteren 93
dieptelijn 91, 92
diepteschaal 89
frequenties 91
kegel 24
kleurenschema 94
kleurversterking 94
oppervlakteruis 92
presentatie 89
ruis 92
schuifsnelheid 90
versterking 89
weergaven 87
whiteline 92, 93
zwevende doelen 93
F
fabrieksinstellingen 2
Fish Eye 3D
echoloodkegel 24
gegevensbalken 56
objectinformatie 8, 9
sporen 24
zwevende doelen 24
fotopunten 13, 86
foto’s 26
FTC 75, 78, 79
G
Ga naar 31, 39
Garmin Marine Network 62
geanimeerde stromingen, getijden 10, 26
gebeurtenissenlog 83
gegevens
back-up 62
kopiëren 60
gegevensbalk brandstof 57, 81
gegevensbalken
brandstof 57, 81
kompaslijn 58, 82
kruisvaart 56, 80
navigatie 56
onder zeil 57, 81
radar 80
vissen 57, 81
gegevensbalk kompaslijn 58, 82
gegevensbalk Onder zeil 57, 81
gegevensbalk vissen 57, 81
gegevensbeheer 60
gegevenskaarten 3
BlueChart g2 Vision 21
gegevens over nuttige punten 13, 21, 26, 86
geheugenkaart 3, 61
gepland uitzenden 66
getijdenstations
aanwijzers 10, 26
nabij 42
gevaarlijke diepte 12
gevarenkleuren 22
GPS
nauwkeurigheidsalarm 60
signalen 2
grafieken
atmosferische druk 46
configureren 45
diepte 46
luchttemperatuur 46
omgevingsgegevens 44
watertemperatuur 46
windhoek 46
windsnelheid 45
grafiek windhoek 46
grafiek windsnelheid 45
I
IALA-symbolen 13, 85
ID-nummer 3
instellingen
aankomst 59
aanvaringsgevaar 17, 69
afstandcirkels 19, 82
afstandeenheden 55
afstand tot kustlijn 53
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Index
AIS 16
antenneafmeting 83
Autobegeleiding 53
automatisch inschakelen 52
bereik 89
bijkaart 7, 85
brandstofcapaciteit 59
cijfers projecteren 93
corridorbreedte 20
details 11, 16, 70, 84, 85
diepte-eenheden 55
dieptelijn 91, 92
diep water 94
draadloze toestellen 104
draaisnelheid 83
drukeenheden 55
DSC 97
echoloodkegel 24
fotopunten 13, 86
foto’s 25
frequentie 91
FTC 78
gegevensbalk brandstof 57, 81
gegevensbalken 56
gegevensbalk kompaslijn 58
gegevensbalk Onder zeil 57, 81
gegevensbalk vissen 57, 81
geproj. koers 16, 70, 84
getijde/stromingen 25
gevarenkleuren 22
GPS 103
GPS-nauwkeurigheid 60
grootte van navigatiekenmerken 85
hoogte-eenheden 55
interval 38
kaartdatum 54
kaartgrenzen 13, 86
kaarttype 74
kielcorrectie 95
kleurenschema 82, 94
kleurmodus 3
klok 60
koersfout 60
koerslijn 11, 82, 85
koerswijzigingovergang 52
kompaslijn 81
kompasroos 14
krabbend anker 59
kruisgegevensbalk 56, 80
lichtsectoren 13, 86
maritiem netwerk 62
navigatiegegevensbalk 56, 80
navigatielijnen 82
NMEA 0183 instellen 104
NMEA 2000 instellen 106
NMEA 2000-toestellenlijst 106
nuttige punten op land 13, 86
omgevingsdiepte 12, 85
ondiep water 94
oppervlakteradar 20
oppervlakteruis 92
opslagmodus 38
oriëntatie 10, 82
poorttypen 105
positie-indeling 54
pos. precisie 105
radarstoring 80
radarvrije zone 83
regenruis 78
ringen 82
routelabels 52
schermafdruk maken 103
schermverlichting 2
schuifsnelheid 90
servicepunten 13
simulator 51
snelheidsbronnen 45, 52
snelheidseenheden 55
spoorkleur 37
stand-bytijd 67
stijl 22
symbolen 13
systeemeenheden 55
systeeminformatie 104
temperatuurcorrectie 94, 96
temperatuureenheden 55
tijd 55
tijdweergave 55
tijdzone 55
totale hoeveelheid brandstof aan
boord 60
type navigatiekenmerk 85
uitvoeroverbrugging 107
uitvoertelegrammen 105
vaarsnelheid kalibreren 59
veilige diepte 23, 53
veilige hoogte 53
veiligheidsarcering 12
versterking 76, 89
visalarm 95
vissymbolen 24, 93
voedingspanning 60
volume-eenheden 55
voorkant boot 83
voorkeursbronnen 106
voorliggende koers 54
voorwaartse snelheid 82
VRM/EBL tonen 70
watertemperatuur 94
waypoint-ID’s 105
weergave 24
weergavebereik 16, 70, 84
wereldkaart 11
whiteline 92, 93
zeeruis 77
zoemer 52
zomertijd 55
zoomen 89
instrumentengegevens
combinaties 29
doorlopen 29
interferentie van grote objecten 76
K
kaarten
details 13
grenzen 13
navigatie 5
symbolen 6, 13, 85
vissen 21
kielcorrectie 95
kleurenschema
echolood 94
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
radar 82
kleurmodus 3
koersen 31
koersfoutalarm 60
koerslijn 11, 82, 85
koersreferentie 54
koerswijziging toevoegen 34
kompasroos 14
kompasrozen 14
krabbend-ankeralarm 59
kruisgegevensbalk 56, 80
L
lichtsectoren 13
luchtfoto’s 21, 26
M
maateenheden 55
magnetische koers 10, 82
magnetische variatie 54
man-over-boord 4, 33
marifoon
AIS-doel oproepen 101
DSC-kanaal 100
noodoproep 98
persoonlijke standaardoproepen 100
Mariner’s Eye 3D
afstandcirkels 19
AIS 18
corridorbreedte 20
gegevensbalken 56
gevarenkleuren 22
MARPA 18
objectinformatie 8, 9
oppervlakteradar 20
satellietbeelden 22
veilige diepte 23
MARPA
doelzoeken 68
gelabeld object 69
gevaren 18, 69
modus Wachtpost 66
meters
analoog 48
brandstof 49
digitaal 48
limieten 47
maxima 47
motor 47
statusalarmen 47
trip 49
type 48
modus Buitengaats 65
modus Dubbel bereik 66
modus Haven 65
modus Kruisvaart 64
motormeters 47
combinatiescherm 29
configureren 47
schermen doorlopen 47
statusalarmen 47
N
navigatiealarmen 59
navigatiegegevensbalk 56
navigatiekaart
AIS 18
109
Index
dieptearcering 12
fotopunten 13
gegevensbalken 56
gevaarlijke diepte 12
kaartgrenzen 13
koerslijn 11
kompasroos 14
lichtsectoren 13
luchtfoto’s 26
MARPA 18
nuttige punten op land 13
objectinformatie 8, 9
oriëntatie 10
Radaroverlay 21, 74
satellietbeelden 11
schuiven 6
sporen van schepen 100
symbolen navigatiekenmerken 13
watersportdiensten 13
wereldkaart 11
zoomdetail 11
zoomen 5
navigatiekenmerken 13, 24, 85
navigatielijnen 82
NMEA 0183 104
NMEA 2000 106
NOAA-symbolen 13, 85
noodoproep 98
noorden boven 10, 82
numeriek toetsenblok 1
nuttige punten op land 13, 86
O
objectinformatie 8, 9
omrijden
kiel 95
watertemperatuur 96
ondiep-wateralarm 94
oppervlakteradar 20
overige schepen
AIS 58, 69
geprojecteerde koers 58, 70, 84
MARPA 58, 69
sporen 58, 70, 84, 100
P
pc-gegevens 50
Perspective 3D
afstandcirkels 19
AIS 18
corridorbreedte 20
gegevensbalken 56
MARPA 18
objectinformatie 8, 9
oppervlakteradar 20
plaatselijke dieptepeilingen 12, 85
positie bijhouden 98
positie-indeling 54
positierapport 99
productregistratie 107
R
radar
afstandcirkels 82
AIS 70
antenneafmeting 83
bereik 63, 75
correctie voorkant boot 83
110
draaisnelheid antenne 83
FTC (fast time constant)[] 78, 79
gepland uitzenden 66
gezichtsveld 82
kleurenschema 82
koerslijn 82
kruisvaart, modus 64
modus Buitengaats 65
modus Dubbel bereik 66
modus Haven 65
modus Wachtpost 66
navigatielijnen 82
oriëntatie 82
projectiescherm 73
radarvrije zone 83
ruis 75
ruisonderdrukking 75
typen 64, 75
uitzenden 63
versterking 75
weergavemodi 64
weergave optimaliseren 74
zoomschaal 63
Radaroverlay
kaarten 21, 73, 74
sporen 84
tonen 73
waypoints 84
zoomen 73
radarstoring 75, 80
radarvrije zone 83
radar zenden 63
regenruis 75, 78
reistellers 49
resetten 104
Route naar 31, 39
routes
achteruit navigeren 41, 72
bekijk lijst met 36
bewerken 36
huidige positie 34
koerswijzigingen 33, 35, 52
kopiëren 61
labeltype 52
maken 34, 35
navigeren 34, 40, 72
parallel navigeren 41, 72
radar 72
verwijderen 36
vooruit navigeren 41, 72
Waarheen? 31
waypoint omzeilen 36
waypoints 35
ruis
FTC 75, 78, 79
radarstoring 75
radartype 75
regen 75, 78, 79
standaardinstellingen 76
zee 75, 77
ruisonderdrukking 75
S
SART 18
satellietbeelden 21, 22, 25
satellietsignalen 2
schaalmaximum 47
schaalminimum 47
schermtoetsen iii
schermverlichting 2
schijnbare wind 57, 81
schuiven
bijkaart 7, 85
kaarten 6
SD-kaartuitsparing 1, 3
Secure Digital-kaart 3
simulatormodus 51
snelheidsgegevens 45, 52
softwareversie 3
specificaties 102
splitsfrequentieweergave 87, 89
splitszoomweergave 87, 88
spoorlog
geheugen 38
interval 38
sporen
actief 37
bewerken 37
bewerken/verwijderen 24
kopiëren 61
lijst 37
navigeren 41
opnemen 38
opslaan 37
opslaan als route 37
Radaroverlay 84
tonen 36
verwijderen 37
Waarheen? 31
sporen van schepen
tijdsduur 100
tonen 100
startscherm 4
stromingenstations
aanwijzers 10, 26
nabij 43
rapporten 43
stuurautomaat 38
symbolen 6, 13, 85
systeeminformatie 103
T
taal 2, 52
temperatuurlog 88
tijd
formaat 55
scherm 55
zone 55
time-varying gain 91
toestel-ID 3
toetsen
bereik 1, 5, 19
zacht iii, 1
transducer instellen 91, 96
TVG 91
V
vastgesteld maximum 47
vastgesteld minimum 47
veilige diepte 23, 53
veilige hoogte 53
veilige zone aanvaringsalarm 17, 69
versterking
echolood 89
grote objecten 76
radar 75
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
Index
radartype 75
standaardinstelling 76
zijlobben 77
video
bron 50
configureren 50
weergeven 50
visalarm 95
viskaart
AIS 18
bijkaart 7
gegevensbalken 56
getijdenstations 9
kaartoriëntatie 10
koerslijn 11
kompasroos 14
MARPA 18
navigatie 6
navigatiekenmerken 13, 24
objectinformatie 8, 9
Radaroverlay 21, 74
satellietbeelden 11, 25
schuiven 6
stromingen 10
wereldkaart 11
zoomdetail 11
voedingsspanningsalarm 60
voorkeurgegevensbron 106
voorliggende koers 82
voorpaneel 1
VRM
aanpassen 71
meten 71
tonen 70
Z
zeeruis 75, 77
zijbandinterferentie 77
zomertijd 55
zoomen 5, 19, 26, 85
echolood 89
zoomschaal 63
zwevende doelen 24, 87, 91, 93, 95, 96
W
Waarheen? 39
wachtpost, modus
bewakingszone 67
gepland uitzenden 66
MARPA 66
ware noorden 54
ware wind 57, 81
water
snelheid 59
watersportdiensten 13, 31, 39
watertemperatuuralarm 94
watertemperatuurlog 88
waypoint, behouden windsnelheid 58
waypoints
bewerken 33
huidige positie 32
kopiëren 61
labels 84
lijst van 33
maken 8, 72
man-over-boord 33
navigeren naar 40
omzeilen in route 36
radar 72
schip waarvan positie wordt
bijgehouden 99
verplaatsen 33
verwijderen 33
Waarheen? 31
waypoints[]
echolood 88
weergave op volledig scherm 87
wekker 60
GPSMAP® 4000/5000-serie – Gebruikershandleiding
111
Ga voor de nieuwste gratis software-updates (exclusief kaartgegevens) gedurende de gehele levensduur van uw
Garmin-producten naar de website van Garmin op www.garmin.com.
© 2009–2011 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Garmin International, Inc.
1200 East 151st Street, Olathe, Kansas 66062, USA
Garmin (Europe) Ltd.
Liberty House, Hounsdown Business Park, Southampton, Hampshire, SO40 9LR, V.K.
Garmin Corporation
Nr. 68, Jangshu 2nd Road, Sijhih, Taipei County, Taiwan
www.garmin.com
Oktober 2011
Onderdeelnummer 190-01077-35 Rev. C
Gedrukt in Taiwan
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising