Garmin | STRIKER™ 4cv | User manual | Garmin STRIKER™ 4cv Gebruikershandleiding

Garmin STRIKER™ 4cv Gebruikershandleiding
STRIKER™ serie
Gebruikershandleiding
© 2015 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van Garmin. Garmin
behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of
organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin , het Garmin logo en Ultrascroll zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. Garmin ClearVü™ en
STRIKER™ zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van Garmin.
®
Follow the leader.
®
®
Inhoudsopgave
Inleiding........................................................................... 1
Knoppen op toestel ..................................................................... 1
Contact opnemen met Garmin® Product Support ...................... 1
Het transducertype selecteren .................................................... 1
Zoomen op de STRIKER 4 ......................................................... 1
Schuiven op de STRIKER 4 ....................................................... 1
De schermverlichting aanpassen ................................................ 1
De kleurmodus aanpassen ......................................................... 1
De zoemer instellen .................................................................... 1
Zoeken van het GPS-satellietsignaal ......................................... 1
Startscherm .................................................................... 1
Het startscherm aanpassen ........................................................ 2
Een nieuwe lay-out toevoegen aan het startscherm van de
STRIKER 5 of 7 ..................................................................... 2
Een nieuwe lay-out toevoegen aan het startscherm .............. 2
Het scherm Cijfers toevoegen .................................................... 2
Nummers ............................................................................... 2
Het scherm Gegevensgrafieken toevoegen ............................... 2
Gegevensgrafieken ................................................................ 2
Echolood......................................................................... 2
Echolood in volledig scherm ....................................................... 2
Garmin ClearVü echoloodweergave ........................................... 3
SideVü echoloodweergave ......................................................... 3
Frequentie gesplitst-scherm ....................................................... 3
Flitser .......................................................................................... 3
Splitszoomweergave ................................................................... 4
Het echolood pauzeren .............................................................. 4
Een via-punt maken in het echoloodscherm op basis van uw
huidige locatie ............................................................................. 4
Een via-punt maken in het echoloodscherm op basis van een
andere locatie ............................................................................. 4
De zoominstelling aanpassen ..................................................... 4
Het scherm op de bodem van het water vastzetten .............. 4
Echoloodfrequenties ................................................................... 4
Frequenties selecteren .......................................................... 4
Een frequentievoorinstelling maken ....................................... 4
Echoloodversterking ................................................................... 4
De versterking automatisch instellen ..................................... 4
De versterking handmatig instellen ........................................ 5
Het bereik van de diepteschaal aanpassen ................................ 5
Echoloodinstelling ....................................................................... 5
De dieptelijn weergeven en aanpassen ................................. 5
De schuifsnelheid instellen .................................................... 5
De bodemzoeklimiet instellen ................................................ 5
Instellingen voor echoloodweergave ..................................... 5
Instellingen voor ruisonderdrukking ....................................... 6
Instellingen voor cijfers projecteren ....................................... 6
Naar een opgeslagen route zoeken en navigeren ...................... 7
Een opgeslagen route verwijderen ............................................. 7
Alle opgeslagen routes verwijderen ............................................ 8
Spoor............................................................................... 8
De kleur van het spoor instellen ................................................. 8
Het spoor wissen ........................................................................ 8
Het spoorloggeheugen beheren tijdens het opslaan .................. 8
Het opslaginterval van het spoorlog configureren ...................... 8
Alle opgeslagen via-punten, routes en sporen verwijderen ........ 8
Toestelconfiguratie........................................................ 8
Systeeminstellingen .................................................................... 8
Systeeminformatie ................................................................. 8
Mijn boot-instellingen .................................................................. 8
De kielcorrectie instellen ........................................................ 8
De watertemperatuurcorrectie instellen ................................. 9
Alarminstellingen ........................................................................ 9
Navigatiealarmen ................................................................... 9
Systeemalarmen .................................................................... 9
Echoloodalarmen ................................................................... 9
Eenheid instellen ........................................................................ 9
Navigatie-instellingen .................................................................. 9
De fabrieksinstellingen herstellen ............................................. 10
Appendix ....................................................................... 10
Het toestel registreren .............................................................. 10
Specificaties .............................................................................. 10
Problemen oplossen ................................................................. 10
Ik kan mijn toestel niet inschakelen ..................................... 10
Mijn echolood werkt niet ...................................................... 10
Mijn toestel maakt geen via-punten op de juiste locatie ...... 10
Index.............................................................................. 11
Via-punten....................................................................... 6
Uw huidige positie als waypoint markeren ................................. 6
Een via-punt op een andere positie maken ................................ 6
Een opgeslagen via-punt bewerken ........................................... 6
Een MOB-locatie (man-over-boord) markeren en er naartoe
navigeren .................................................................................... 6
Naar een via-punt navigeren ...................................................... 7
De afstand op de via-puntenkaart meten ................................... 7
Een via-punt of MOB verwijderen ............................................... 7
Alle via-punten verwijderen ......................................................... 7
Via-punten en routes delen tussen toestellen ............................ 7
Via-puntenkaartinstellingen ........................................................ 7
Routes............................................................................. 7
Een route maken en navigeren met de via-puntkaart ................. 7
Een opgeslagen route bewerken ................................................ 7
Een lijst met routes weergeven ................................................... 7
Inhoudsopgave
i
Inleiding
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Deze kaartplotter is compatibel met de Garmin ClearVü™
transducer en met diverse andere transducers, zoals Garmin GT
transducers, die verkrijgbaar zijn op www.garmin.com.
1 Selecteer Instellingen > Mijn boot > Transducertype.
2 Selecteer het type transducer dat u gebruikt.
Zoomen op de STRIKER 4
Knoppen op toestel
U kunt in- en uitzoomen op de Via-puntenkaart.
• Selecteer om in te zoomen.
• Selecteer om uit te zoomen.
Schuiven op de STRIKER 4
U kunt de Via-puntenkaart verplaatsen om een ander gebied te
bekijken dan waar u zich momenteel bevindt.
1 Selecteer of om te beginnen met schuiven.
2 Gebruik de pijlknoppen om te schuiven.
TIP: U kunt
selecteren om te zoomen.
À
Á
Â
Ã
Hiermee keert u terug naar het vorige scherm.
Door deze knop ingedrukt te houden keert u terug naar het
startscherm.
Hiermee kunt u scrollen, opties markeren en de cursor
verplaatsen.
Hiermee kunt u in- en uitzoomen op een weergave. (Niet
beschikbaar op alle modellen.)
Hiermee kunt u indien van toepassing een menu sluiten.
Hiermee kunt u indien van toepassing een menu met opties
openen voor de pagina.
Hiermee schakelt u het toestel in en weer uit als deze knop
wordt vastgehouden.
Voert een of meer van de volgende acties uit wanneer de
knop snel wordt ingedrukt:
• Past de schermverlichting aan
• Past de kleurmodus aan
• Schakelt echolood in en uit
De schermverlichting aanpassen
1 Selecteer Instellingen > Systeem > Scherm >
Schermverlichting.
2 Pas de schermverlichting aan.
TIP: Druk in een willekeurig scherm
herhaaldelijk op om de helderheid van
de schermverlichting aan te passen. Dit is
handig voor wanneer de helderheid zo laag
is, dat u het scherm niet meer kunt zien.
De kleurmodus aanpassen
1 Selecteer Instellingen > Systeem > Scherm >
Kleurmodus.
TIP: Selecteer > Kleurmodus vanuit een willekeurig
scherm om de kleurinstellingen te openen.
2 Selecteer een optie.
Ä
Hiermee kunt u aangeven dat het bericht is gelezen en
opties selecteren.
Å
Hiermee kunt u de huidige locatie als waypoint opslaan.
De zoemer instellen
Hiermee kunt u uitzoomen op een weergave. (Niet
beschikbaar op alle modellen)
Hiermee kunt u inzoomen op een weergave. (Niet
beschikbaar op alle modellen)
U kunt instellen wanneer het toestel geluiden afspeelt.
1 Selecteer Instellingen > Systeem > Zoemer.
2 Selecteer een optie:
• Als u het toestel geluid wilt laten geven als u een item
selecteert en als er een alarm wordt geactiveerd,
selecteert u Aan (selecties en alarmen).
• Als u het toestel alleen geluid wilt laten geven als er
alarmen worden geactiveerd, selecteert u Alleen
alarmen.
Æ
LET OP
Voordat u het toestel inschakelt, dient u de connectoren stevig
in de gaten van het toestel te drukken. Als de kabels niet ver
genoeg in het toestel worden gedrukt zal het lijken alsof het
toestel stroom verliest of niet meer werkt.
Contact opnemen met Garmin Product
Support
®
• Ga naar www.support.garmin.com voor supportinformatie
voor uw land.
• Bel in de VS met 913-397-8200 of 1-800-800-1020.
• Bel in het VK met 0808 238 0000.
• Bel in Europa met +44 (0) 870 850 1241.
Het transducertype selecteren
Als u een transducer aansluit die bij de kaartplotter is geleverd,
moet u mogelijk het transducertype instellen om het echolood
correct te laten functioneren. Als het toestel uw transducer
automatisch heeft gedetecteerd, wordt deze optie niet
weergegeven.
Inleiding
Zoeken van het GPS-satellietsignaal
Wanneer u de viszoeker inschakelt, moet de GPS-ontvanger de
gegevens van de satellieten verzamelen en de huidige locatie
bepalen. Wanneer de viszoeker satellietsignalen ontvangt,
worden de
boven aan het startscherm groen. Wanneer de
viszoeker het satellietsignaal verliest, verdwijnt de
en
knippert er een vraagteken op op het scherm.
Ga voor meer informatie over GPS naar www.garmin.com
/aboutGPS.
Startscherm
Het startscherm van de viszoeker biedt toegang tot alle functies
in de viszoeker. De functies zijn afhankelijk van de accessoires
die u op de viszoeker hebt aangesloten. Mogelijk beschikt u niet
1
over alle opties en functies die in deze handleiding worden
besproken.
Vanuit een ander scherm kunt u terugkeren naar het
startscherm door
ingedrukt te houden. U kunt de lay-out van
de schermen aanpassen.
• Houd
ingedrukt om gegevens te wissen.
7 Gebruik de pijlknoppen om de grootte van het venster te
wijzigen.
8 Gebruik de pijlknoppen om een startschermlocatie te
selecteren.
Het startscherm aanpassen
Het scherm Cijfers toevoegen
U kunt items toevoegen aan en rangschikken op het
startscherm.
1 Selecteer in het startscherm Hoofdmenu aanpassen.
2 Selecteer een optie:
• Als u een item opnieuw wilt rangschikken, selecteert u
Rangschikken, selecteert u het item dat u wilt
verplaatsen en vervolgens een nieuwe locatie.
• Als u een item wilt toevoegen aan het startscherm,
selecteert u Voeg toe en vervolgens het nieuwe item.
• Als u een aan het startscherm toegevoegd item wilt
verwijderen, selecteert u Verwijder en vervolgens het
item.
Voordat u het scherm Nummers kunt aanpassen, dient u het toe
te voegen aan het startscherm.
U kunt de numerieke gegevens weergeven op het startscherm
via het scherm Nummers.
Selecteer Hoofdmenu aanpassen > Voeg toe > Nummers.
Een nieuwe lay-out toevoegen aan het startscherm
van de STRIKER 5 of 7
U kunt een aangepast scherm maken dat aansluit op uw
wensen en dat toevoegen aan uw startscherm.
1 Selecteer Hoofdmenu aanpassen > Voeg toe > Voeg
nieuw lay-out toe.
Selecteer
een functielay-out.
2
3 Selecteer een venster om te wijzigen.
4 Selecteer een scherm dat u wilt toevoegen.
5 Herhaal stappen 3 en 4 voor andere vensters.
6 Selecteer Gegevens (verborgen) (optioneel).
7 Selecteer een optie:
• Als u de gegevens die op het scherm worden getoond, wilt
aanpassen, selecteert u Cijfers projecteren.
• Selecteer Kompaslijn om de gegevensbalk met
kompaslijn in- en uit te schakelen.
8 Selecteer Volgende.
9 Voer een naam in voor de combinatie.
TIP:
• Selecteer om op te slaan.
• Houd
ingedrukt om gegevens te wissen.
• Selecteer of voor hoofdletters of kleine letters.
10 Gebruik de pijlknoppen om de grootte van het venster te
wijzigen.
11 Gebruik de pijlknoppen om een startschermlocatie te
selecteren.
Een nieuwe lay-out toevoegen aan het startscherm
U kunt een aangepast scherm maken dat aansluit op uw
wensen en dat toevoegen aan uw startscherm.
1 Selecteer Hoofdmenu aanpassen > Voeg toe > Voeg
nieuw lay-out toe.
2 Selecteer de eerste functie.
3 Selecteer de tweede functie.
4 Selecteer Splitsen om de oriëntatie van de gesplitste
schermen te kiezen (optioneel).
5 Selecteer Volgende.
6 Voer een naam in voor de combinatie.
TIP:
• Selecteer om de wijzigingen op te slaan.
• Selecteer
om te wisselen tussen hoofdletters en kleine
letters.
2
Nummers
Als u het scherm Nummers wilt aanpassen, selecteert u
Nummers > .
Wijzig cijfers: Stelt het type cijfergegevens in dat wordt
weergegeven.
Wijzig lay-out: Stelt het aantal cijfergegevens in dat wordt
weergegeven.
Herstel trip: Stelt de tripgegevens opnieuw in en geeft u de
mogelijkheid nieuwe tripgegevens op te slaan.
Herstel kilometerteller: Stelt de kilometertellergegevens
opnieuw in en geeft u de mogelijkheid nieuwe
kilometertellergegevens op te slaan.
Reset maximale snelheid: Stelt de maximumsnelheid voor de
trip in en maakt het mogelijk om een nieuwe
maximumsnelheid op te slaan.
Het scherm Gegevensgrafieken toevoegen
Voordat u het scherm Gegevensgrafieken kunt aanpassen, dient
u het toe te voegen aan het startscherm.
U kunt de grafische echoloodgegevens weergeven op het
startscherm via het scherm Gegevensgrafieken.
Selecteer op het startscherm Hoofdmenu aanpassen >
Voeg toe > Gegevensgrafieken.
Gegevensgrafieken
Als u het scherm Gegevensgrafieken wilt aanpassen, selecteert
u Gegevensgrafieken > .
Wijzig grafiek: Selecteer het soort gegevens dat op het scherm
wordt weergegeven.
Dieptegrafiekinstellingen: Hier wordt ingesteld hoe lang
diepten worden weergegeven op de dieptegrafiek en welk
dieptebereik wordt weergegeven.
Temperatuurgrafiekinstellingen: Hier wordt ingesteld hoe lang
diepten worden weergegeven op de temperatuurgrafiek en
welk dieptebereik wordt weergegeven.
Echolood
Op de pagina Volledig scherm, de pagina Gesplitste frequentie
en de pagina Flitser wordt het gebied onder uw boot visueel
weergegeven. U kunt deze echoloodweergaven aanpassen.
OPMERKING: Niet alle toestellen beschikken over deze
functies.
Echolood in volledig scherm
Op het volledige scherm kunt u een volledige grafiek van de
echoloodmetingen van een transducer bekijken.
Selecteer Traditional of ClearVü.
Echolood
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
Bodemdiepte
Watertemperatuur
GPS-snelheid
Voedingspanning
Tijd
Type en frequentie transducer
Zwevende doelen (vissen)
Diepte-indicator wanneer het echoloodgegevensscherm van rechts
naar links schuift
Garmin ClearVü echoloodweergave
OPMERKING: Als u Garmin ClearVü scanning-echolood wilt
ontvangen, hebt u een compatibele transducer nodig.
Garmin ClearVü hoge-frequentie echolood geeft de visomgeving
rond de boot in detail weer, inclusief gedetailleerde weergave
van de structuren waar de boot overheen vaart.
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
È
É
Bodemdiepte
Watertemperatuur
GPS-snelheid
Voedingsspanning
Tijd
Zwevende doelen (vissen)
Dieptelijn
SideVü echoloodweergave
OPMERKING: Niet alle modellen ondersteunen SideVü
echoloodtechnologie en scanning transducers.
OPMERKING: Als u SideVü scanning-echolood wilt ontvangen,
hebt u een compatibele transducer en viszoeker nodig.
SideVü scanning-echoloodtechnologie geeft u een beeld van
wat er zich naast de boot bevindt. U kunt hiermee naar
structuren en vis zoeken.
À
Á
Â
Ã
Ä
Å
Æ
Ç
Linkerkant van de boot
Rechterkant van de boot
De transducer op uw vaartuig
Bomen
Oude banden
Stukken hout
Afstand vanaf de zijkant van de boot
Water tussen de boot en de bodem
Frequentie gesplitst-scherm
Op het scherm Gesplitste frequentie kunt u twee frequenties
bekijken.
Type en frequentie van transducer, en zoomtype
Diepte-indicator wanneer het echoloodgegevensscherm van rechts
naar links schuift
Bodemecho
Traditionele transducers zenden een kegelvormige bundel uit.
De Garmin ClearVü scanning-echoloodtechnologie zendt twee
smalle bundels uit, vergelijkbaar met de vorm van de lichtbundel
in een kopieerapparaat. Deze bundels bieden een duidelijkere,
bijna fotografische weergave van het gebied rond de boot.
Flitser
De flitser geeft echoloodinformatie weer in een ronde
diepteschaal. U ziet dan wat zich onder uw boot bevindt. De
schaal ziet eruit als een ring die bovenaan begint en met de klok
mee oploopt. De diepte wordt aangegeven door de schaal in de
ring. Er knippert echoloodinformatie op de ring als die op de
aangegeven diepte wordt ontvangen. De kleuren geven
verschillende sterkten van de echoloodresultaten weer.
Selecteer Flitser.
Echolood
3
À
Á
Diepte op uw huidige locatie
Diepteschaal
Splitszoomweergave
Op de pagina Splitszoom wordt rechts op het scherm een
grafische voorstelling van de echoloodmetingen weergegeven,
en een uitvergroot deel hiervan ziet u links op het scherm.
Selecteer
> Zoom > Splits zoom in een echoloodscherm.
zoomgebied dan vanaf de bodem van het water. Als u
bijvoorbeeld een bereik van 10 meter selecteert, geeft het
toestel een vergroot gebied weer vanaf de bodem van het water
tot 10 meter boven de bodem.
> Zoom in een echoloodscherm.
1 Selecteer
2 Selecteer een optie:
• Selecteer Bodem vast om het scherm vast te zetten op
de bodem van het water.
• Selecteer Handmatig om zoomen handmatig in te stellen.
• Selecteer Automatisch om zoomen automatisch in te
stellen.
• Selecteer Splits zoom om over te schakelen op de
splitszoomweergave.
Het scherm op de bodem van het water vastzetten
U kunt het scherm vastzetten op de bodem van het water. Als u
bijvoorbeeld een bereik van 20 meter selecteert, geeft het
toestel een gebied weer vanaf de bodem van het water tot 20
meter boven de bodem. Het bereik wordt aan de rechterkant
weergegeven.
> Zoom > Bodem
1 Selecteer in een echoloodweergave
vast.
2 Selecteer een bereik.
Echoloodfrequenties
OPMERKING: De beschikbare frequenties zijn afhankelijk van
de gebruikte transducer.
Door de frequentie in te stellen, past u het echolood aan voor
uw specifieke doel en de aanwezige waterdiepte.
Frequenties selecteren
À
Á
Â
Ingezoomde diepteschaal
Zoomvenster
Dieptebereik
Het echolood pauzeren
Niet alle opties zijn beschikbaar op alle modellen.
Selecteer een optie:
• Selecteer in het echoloodscherm Traditional of ClearVü
of .
• Selecteer in het echoloodscherm SideVü of .
Een via-punt maken in het echoloodscherm
op basis van uw huidige locatie
1 Selecteer in een echoloodweergave .
2 Bewerk zo nodig de via-puntgegevens.
Een via-punt maken in het echoloodscherm
op basis van een andere locatie
1
2
3
4
Pauzeer het echolood in een echoloodweergave.
Selecteer een locatie.
Selecteer .
Bewerk zo nodig de via-puntgegevens.
De zoominstelling aanpassen
U kunt de zoominstelling handmatig aanpassen door het bereik
en een vaste begindiepte in te stellen. Bijvoorbeeld: Wanneer
het dieptebereik 15 meter en de begindiepte 5 meter is, geeft
het toestel een vergroot gebied tussen 5 meter en 20 meter diep
weer.
U kunt de zoominstelling ook automatisch door het toestel laten
instellen door een bereik op te geven. Het toestel berekent het
4
OPMERKING: U kunt niet de frequentie voor alle
echoloodweergaven en transducers aanpassen.
U kunt opgeven welke frequenties in het echoloodscherm
worden weergegeven.
> Frequentie.
1 Selecteer in een echoloodweergave
2 Selecteer een frequentie die is afgestemd op uw behoeften
en waterdiepte.
Zie Echoloodfrequenties, pagina 4 voor meer informatie over
frequenties.
Een frequentievoorinstelling maken
OPMERKING: Niet voor alle transducers beschikbaar.
U kunt een voorinstelling maken om een specifieke
echoloodfrequentie op te slaan, zodat u snel van frequentie kunt
wisselen.
> Frequentie.
1 Selecteer in een echoloodweergave
2 Selecteer Voeg toe.
3 Voer een frequentie in.
Echoloodversterking
Met de instelling voor versterking regelt u de gevoeligheid van
de echoloodontvanger om de waterdiepte en helderheid van het
water te compenseren. Als u de versterking vergroot, ziet u
meer details. Als u de versterking verkleint, krijgt u minder ruis
op het scherm.
OPMERKING: Als u de versterking op één echoloodweergave
instelt, geldt deze instelling voor alle weergaven.
De versterking automatisch instellen
OPMERKING: Als u de versterking op het scherm Gesplitste
frequentie wilt instellen, moet u elke frequentie apart instellen.
> Versterking.
1 Selecteer
2 Selecteer Automatische versterking inschakelen, indien
van toepassing.
Echolood
3 Selecteer een optie:
• Als u automatisch zwakkere echoloodresultaten met
hogere gevoeligheid en meer ruis wilt instellen, selecteert
u Auto hoog.
• Als u automatisch echoloodresultaten met gemiddelde
gevoeligheid en gemiddelde ruis wilt instellen, selecteert u
Automatisch gemiddeld.
• Als u automatisch echoloodresultaten met zwakkere
gevoeligheid en minder ruis wilt instellen, selecteert u
Automatisch laag.
De versterking handmatig instellen
> Versterking in een echoloodscherm.
1 Selecteer
2 Selecteer of totdat u ruis gaat zien in het watergedeelte
van het scherm.
3 Selecteer of om de versterking te verhogen.
Het bereik van de diepteschaal aanpassen
U kunt het bereik van de rechts in het scherm weergegeven
diepteschaal aanpassen. Automatisch bereik houdt de bodem in
het onderste eenderde gedeelte van het echoloodscherm, en
kan handig zijn voor het volgen van de bodem wanneer er
geleidelijke of minder grote dieptewijzigingen zijn.
Wanneer de diepte plotseling verandert, bijvoorbeeld bij een klif
of breuk, kunt u door middel van een handmatige aanpassing
het door u opgegeven dieptebereik weergeven. De bodem wordt
op het scherm weergegeven zolang de bodem zich binnen het
handmatig ingestelde bereik bevindt.
> Bereik in een echoloodscherm.
1 Selecteer
2 Selecteer een optie:
• Als u het toestel het bereik automatisch wilt laten
aanpassen op basis van de diepte, selecteert u
Automatisch.
• Selecteer of om het bereik handmatig te vergroten of
te verkleinen. (Alleen beschikbaar op de modellen van 5
inch en 7 inch.)
• Selecteer of om het bereik handmatig te vergroten of te
verkleinen. (Alleen beschikbaar op de modellen van
4 inch.)
OPMERKING: Selecteer en in een echoloodscherm om
het bereik snel handmatig aan te passen. (Alleen
beschikbaar op de modellen van 5 inch en 7 inch.)
Selecteer en in een echoloodscherm om autobereik
snel te hervatten. (Alleen beschikbaar op de modellen van 5
inch en 7 inch.)
Selecteer of in een echoloodscherm om het bereik snel
aan te passen. (Alleen beschikbaar op de modellen van
4 inch.)
Als u het bereik op één scherm instelt, geldt die instelling
voor alle schermen.
Echoloodinstelling
OPMERKING: Niet alle opties en instellingen zijn van
toepassing op alle modellen en transducers.
De dieptelijn weergeven en aanpassen
U kunt een horizontale lijn in het echoloodscherm weergeven en
aanpassen. De diepte van de lijn wordt rechts op het scherm
aangegeven.
OPMERKING: Als u een dieptelijn op een scherm weergeeft,
wordt die dieptelijn op alle schermen weergegeven.
> Echoloodinstelling > Dieptelijn in een
1 Selecteer
echoloodscherm.
2 Selecteer .
3 Als u de Dieptelijn wilt aanpassen, selecteert u of .
Echolood
De schuifsnelheid instellen
U kunt bepalen hoe snel de echoloodgegevens over het scherm
schuiven. Een hogere schuifsnelheid geeft meer details weer,
met name als u vaart of op de motor vaart. Een lagere
schuifsnelheid geeft echoloodgegevens langer op het scherm
weer. Als u de schuifsnelheid in één echoloodweergave instelt,
wordt deze toegepast op alle echoloodweergaven.
>
1 Selecteer in een echoloodweergave
Echoloodinstelling > Schuifsnelheid.
2 Selecteer een optie:
• Selecteer Automatisch om de schuifsnelheid automatisch
aan te passen met behulp van de snelheid over de grond.
De instelling Automatisch selecteert een schuifsnelheid
die is afgestemd op de snelheid van de boot, zodat doelen
in het water met de juiste hoogte-breedteverhouding
worden getekend en minder zijn vertekend. Bij gebruik
van Garmin ClearVü of SideVü echoloodweergaven, wordt
aangeraden de instelling Automatisch te gebruiken.
• Als u een zeer hoge schuifsnelheid wilt, selecteert u
Ultrascroll .
Met de optie Ultrascroll schuiven nieuwe
echoloodgegevens snel over het scherm, maar met een
lagere beeldkwaliteit. In de meeste situaties, biedt de optie
Snel een goede balans tussen een snel schuivend beeld
en doelen die minder vertekend worden.
®
De bodemzoeklimiet instellen
U kunt een maximale diepte instellen waarbij de
autobereikfunctie naar de bodem zoekt. Bij een lagere limiet
worden sneller gegevens over de bodem verkregen dan bij een
hogere limiet.
> Echoloodinstelling > Bodemzoeklimiet in
1 Selecteer
een echoloodscherm.
2 Selecteer een bereik.
Instellingen voor echoloodweergave
Selecteer in een echoloodweergave
> Echoloodinstelling >
Presentatie.
Kleurenschema: Hiermee stelt u het kleurenschema in.
Hoek: Hiermee markeert u het sterkste signaal van de bodem
om de hardheid of zachtheid van het signaal te kunnen
definiëren.
A-Scope: Hiermee geeft u een verticale flitser weer aan de
rechterzijde van het scherm, die aan de hand van een schaal
meteen het bereik ten opzichte van doelen aangeeft.
Vissymbolen: Hiermee stelt u in hoe het echolood zwevende
doelen interpreteert.
De a-scope inschakelen
De a-scope is een verticale flitser rechts in de
echoloodweergave op volledig scherm. Met deze functie worden
de meest recentelijk ontvangen echoloodgegevens uitvergroot
zodat deze eenvoudiger te zien zijn. Dit kan handig zijn als u
vissen wilt detecteren die zich dicht bij de bodem bevinden.
OPMERKING: Deze functie is niet in alle echoloodschermen
beschikbaar.
Selecteer
> Echoloodinstelling > Presentatie > AScope in de pagina Volledige scherm.
5
À
Á
Deze functie komt het best van pas in situaties waar u de ruis
nabij het wateroppervlak wilt regelen en onderdrukken.
Hiermee kunt u ook objecten nabij het wateroppervlak
weergeven die anders verborgen zouden blijven door
oppervlakteruis.
A-Scope
Diameter van de echoloodkegel op de huidige diepte
De presentatie van zwevende doelen instellen
OPMERKING: Als u de weergave van zwevende doelen op een
scherm instelt, geldt die instelling voor alle schermen.
OPMERKING: Deze functie is niet in alle echoloodweergaven
beschikbaar.
Hiermee worden zwevende doelen als symbolen weergegeven.
Hiermee worden zwevende doelen als symbolen met dieptegegevens weergegeven.
Hiermee worden zwevende doelen als symbolen met echoloodgegevens weergegeven.
Hiermee worden zwevende doelen als symbolen met echoloodgegevens en dieptegegevens weergegeven.
1 Selecteer
> Echoloodinstelling > Presentatie >
Vissymbolen in een echoloodscherm.
2 Selecteer een optie.
Instellingen voor cijfers projecteren
Hiermee kunt u de gegevens aanpassen die op het
echoloodscherm worden weergegeven.
Selecteer
> Cijfers projecteren in een echoloodscherm.
Navigatiebijkaart: Geeft de navigatiebijkaart weer wanneer het
schip naar een bestemming navigeert.
Kompaslijn: Geeft de kompaslijnbalk weer.
Voedingspanning: Geeft de voedingsspanning van het toestel
weer.
Diepte: Geeft de huidige diepte van de transducer weer.
Snelheid: Geeft de huidige snelheid van de boot weer.
Watertemperatuur: Geeft de huidige watertemperatuur weer.
Tijd: Geeft de huidige tijd van de dag weer.
Instellingen voor ruisonderdrukking
Selecteer in een echoloodweergave
> Echoloodinstelling >
Ruisonderdrukking.
Interferentie: Hiermee past u de gevoeligheid aan om de
gevolgen van interferentie door ruis veroorzakende bronnen
in de buurt te verminderen.
Via-punten
Via-punten zijn locaties die u vastlegt en in het toestel opslaat.
Uw huidige positie als waypoint markeren
Selecteer vanuit een willekeurig scherm
.
Een via-punt op een andere positie maken
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Via-punten > Nieuw via-
Als u de interferentie-instelling schakelt van uit À naar
respectievelijk laag Á, gemiddeld  en hoog Ã, wordt ruis
geleidelijk weggenomen, maar is er weinig effect op de
sterke retoursignalen van de doelen. Gebruik de laagste
interferentie-instelling waarmee de gewenste verbetering kan
worden bereikt, om interferentie van het scherm te
verwijderen. U kunt interferentie het beste verwijderen door
de installatieproblemen op te lossen die de ruis veroorzaken.
Oppervlakteruis: Hiermee verbergt u echoloodretoursignalen
dicht bij het oppervlak van het water. Als u oppervlakteruis
verbergt, wordt de schermweergave overzichtelijker.
Oppervlakteruis À wordt veroorzaakt door interferentie
tussen de transducer en het water. U kunt oppervlakteruis Á
verbergen om de weergave overzichtelijker te maken. Met
bredere bundels (lagere frequenties) geeft u misschien meer
doelen weer, maar genereert u ook meer oppervlakteruis.
TVG: Vermindert oppervlakteruis.
6
punt.
2 Selecteer een optie:
• Om het via-punt te maken door positiecoördinaten in te
voeren, selecteert u Voer coördinaten in en voert u de
coördinaten in.
• Selecteer Gebruik via-puntenkaart, selecteer de locatie
en vervolgens om het via-punt te maken op basis van
de via-puntenkaart.
• Selecteer Gebruik huidige positie en voer de gegevens
in om het via-punt te maken op basis van uw huidige
locatie.
Het via-punt wordt automatisch opgeslagen.
Een opgeslagen via-punt bewerken
1
2
3
4
Selecteer Gebruikersgegevens > Via-punten.
Selecteer een via-punt.
Selecteer Wijzig via-punt.
Selecteer een optie:
• Als u een naam wilt toevoegen, selecteert u Naam en
voert u de naam in.
• Als u het symbool wilt wijzigen, selecteert u Symbool.
• Als u de diepte wilt wijzigen, selecteert u Diepte.
• Als u de watertemperatuur wilt wijzigen, selecteert u
Watertemperatuur.
• Als u de opmerking wilt wijzigen, selecteert u Opmerking.
• Als u de positie van het via-punt wilt verplaatsen,
selecteert u Positie.
Een MOB-locatie (man-over-boord) markeren
en er naartoe navigeren
Selecteer in een scherm > Man-over-boord > Ja.
De viszoeker stelt een directe koers in terug naar de locatie.
Via-punten
Naar een via-punt navigeren
1
2
3
4
Schuif over de via-puntkaart om het via-punt te vinden.
Plaats het midden van de cursor in het midden van viapuntsymbool.
De via-puntnaam verschijnt op het scherm.
Selecteer het via-punt.
Selecteer Navigeer route > Ga naar.
De afstand op de via-puntenkaart meten
U kunt de afstand tussen twee locaties meten.
1 Begin met schuiven op de via-puntenkaart (Schuiven op de
STRIKER 4, pagina 1).
2 Selecteer > Afstand meten.
De afstand en andere gegevens worden op het scherm
weergegeven.
Een via-punt of MOB verwijderen
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Via-punten.
2 Selecteer een via-punt of MOB.
3 Selecteer Wis > OK.
Alle via-punten verwijderen
Selecteer Gebruikersgegevens > Beheer gegevens > Wis
gebruikergegevens > Via-punten > Alles.
Via-punten en routes delen tussen toestellen
Voordat u via-punten en routes kunt delen, moet u de blauwe en
bruine draden van de voedingskabel aansluiten.
De blauwe draad is voor Tx (Verzenden) en de bruine voor Rx
(Ontvangen). Deze draden dienen alleen voor het delen van
gegevens tussen compatibele STRIKER toestellen en toestellen
uit de echoMAP™ serie.
U moet voor beide toestellen Gebruikersgegevens delen
inschakelen om gegevens te kunnen uitwisselen.
Selecteer Gebruikersgegevens > Beheer gegevens >
Gebruikersgegevens delen > Aan op beide toestellen.
Via-puntenkaartinstellingen
Selecteer Via-puntenkaart > .
Via-punten: Hiermee wordt de lijst met via-punten
weergegeven.
Via-puntweergave: Hiermee stelt u in hoe via-punten op de
kaart worden weergegeven.
Routes: Hiermee wordt de lijst met routes weergegeven.
Spoor: Hiermee wordt het menu getoond voor de sporenoptie.
Zoeken: Hiermee kunt u zoeken naar opgeslagen routes en viapunten.
Kaartinstellingen: Hiermee wordt het perspectief van de viapuntenkaart ingesteld en wordt de koerslijn weergegeven. Dit
is een lijn op de via-puntenkaart vanaf de boeg van de boot
in de richting van de vaarkoers.
Cijfers projecteren: Hiermee kunt u de gegevens aanpassen
die op de via-puntenkaart worden weergegeven.
Routes
Een route bestaat uit een serie via-punten of locaties die u naar
uw bestemming leidt.
Een route maken en navigeren met de viapuntkaart
Het startpunt kan uw huidige positie of een willekeurige andere
positie zijn.
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Routes > Nieuw >
Gebruik via-puntenkaart.
2 Schuif over de via-puntkaart om de startlocatie van de route
te kiezen.
3 Volg de instructies op het scherm om een koerswijziging aan
te brengen.
> Navigeren naar.
4 Selecteer
Selecteer
een
optie.
5
Een opgeslagen route bewerken
U kunt de naam van een route wijzigen of de koerswijzigingen in
een route aanpassen.
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Routes.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Wijzig route.
4 Selecteer een optie:
• Als u een naam wilt wijzigen, selecteert u Naam en voert
u de naam in.
• Als u een via-punt wilt selecteren in de koerswijzigingslijst,
selecteert u Wijzig koerswijzigingen > Gebruik lijst met
koerswijzigingen en selecteert u een via-punt in de lijst.
• Als u een koerswijziging wilt selecteren met behulp van de
kaart, selecteert u Wijzig koerswijzigingen > Gebruik
via-puntenkaart en selecteert u een locatie op de kaart.
Een lijst met routes weergeven
Selecteer Gebruikersgegevens > Routes.
Naar een opgeslagen route zoeken en
navigeren
Voordat u een lijst met routes kunt doorzoeken en naar de
gewenste route kunt navigeren, moet u ten minste één route
maken en opslaan.
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Routes.
2 Selecteer een route.
3 Selecteer Navigeren naar.
4 Selecteer een optie:
• Selecteer Vooruit om de route te navigeren vanaf het
beginpunt dat is gebruikt bij het maken van de route.
• Selecteer Achteruit om de route te navigeren vanaf het
bestemmingspunt van de route dat is gebruikt bij het
maken van de route.
Er wordt een magenta lijn weergegeven. Een dunnere paarse
lijn in de magenta lijn geeft de gecorrigeerde koers van uw
huidige positie naar de bestemming aan. De gecorrigeerde
koers is dynamisch en beweegt met uw boot mee wanneer u
van de koers afwijkt.
5 Controleer de koers die met de magenta lijn wordt
aangegeven.
6 Volg de magenta lijn langs elk traject van de route, vermijd
land, ondiep water en andere obstakels.
Wanneer
u van de koers bent afgeweken, volg dan de
7
paarse lijn (gecorrigeerde koers) om naar uw bestemming te
gaan of ga terug naar de magenta lijn (directe koers).
Een opgeslagen route verwijderen
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Routes.
2 Selecteer een route.
Routes
7
3 Selecteer Wis.
Alle opgeslagen routes verwijderen
Selecteer Gebruikersgegevens > Beheer gegevens > Wis
gebruikergegevens > Routes.
Spoor
Een spoor is de registratie van de gevaren route. U kunt uw
huidige spoor weergeven op de via-puntenkaart.
De kleur van het spoor instellen
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Spoor > Spooropties >
Spoorkleur.
2 Selecteer een spoorkleur.
Het spoor wissen
Selecteer Gebruikersgegevens > Spoor > Wis spoor >
OK.
Het spoorloggeheugen beheren tijdens het
opslaan
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Spoor > Spooropties.
2 Selecteer Opnamemodus.
3 Selecteer een optie:
• Selecteer Vul om een logboek met sporen bij te houden
tot het geheugen met sporen vol is.
• Selecteer Wikkel om het logboek met sporen continu bij
te houden, waarbij de oudste koersgegevens worden
vervangen door nieuwe gegevens.
Het opslaginterval van het spoorlog
configureren
U kunt de frequentie aangeven waarmee de sporen worden
geregistreerd. Het frequent vastleggen van spoorpunten is
nauwkeuriger maar hierdoor raakt het logboek met sporen wel
sneller vol. Het resolutie-interval wordt aanbevolen voor het
meest efficiënte gebruik van het geheugen.
1 Selecteer Gebruikersgegevens > Spoor > Spooropties >
Opslaginterval > Interval.
2 Selecteer een optie:
• Als u een spoor wilt vastleggen op basis van de afstand
tussen twee punten, selecteert u Afstand > Wijzig en
voert u de afstand in.
• Als u een spoor wilt vastleggen op basis van tijdinterval,
selecteert u Tijd > Wijzig en geeft u de interval op.
• Als u een spoor wilt vastleggen op basis van een afwijking
in de koers, selecteert u Resolutie > Wijzig en voert u de
maximale toegestane fout in van de ware koers voordat er
een spoorpunt wordt vastgelegd.
Alle opgeslagen via-punten, routes en
sporen verwijderen
Selecteer Gebruikersgegevens > Beheer gegevens > Wis
gebruikergegevens > Alles > OK.
Toestelconfiguratie
Systeeminstellingen
Zoemer: Schakelt het signaal in en uit dat afgaat voor alarmen
en selecties (De zoemer instellen, pagina 1).
GPS: Geeft informatie over de GPS-satellietinstellingen en positie.
Automatisch inschakelen: Schakelt het toestel automatisch in
als stroom wordt toegevoerd.
Taal voor tekst: Hiermee stelt u taal van de tekst op het scherm
in.
Systeeminformatie: Geeft informatie over het toestel en de
softwareversie.
Simulator: Schakelt de simulator in en biedt u de mogelijkheid
om de snelheid en de gesimuleerde locatie in te stellen.
Systeeminformatie
Selecteer Instellingen > Instellingen > Systeeminformatie.
Gebeurtenislog: In het logbestand staat een overzicht van
systeemgebeurtenissen.
Softwaregegevens: Geeft informatie over het toestel en de
softwareversie.
Garmin-toestellen: Geeft informatie over verbonden Garmin
toestellen.
Fabrieksinstellingen: Hiermee herstelt u het toestel naar de
fabrieksinstellingen.
OPMERKING: Tijdens deze procedure worden alle gegevens
verwijderd die u hebt ingevoerd.
Mijn boot-instellingen
OPMERKING: Voor sommige instellingen en opties zijn extra
toestellen vereist.
Selecteer Instellingen > Mijn boot.
Transducertype: Geeft het type transducer weer dat is
verbonden met het toestel (Het transducertype selecteren,
pagina 1).
Kielcorrectie: Corrigeert de oppervlaktemeting voor de diepte
van een kiel, zodat de diepte vanaf de onderkant van de kiel
kan worden gemeten in plaats vanaf de positie van de
transducer (De kielcorrectie instellen, pagina 8).
Temperatuurcorrectie: Compenseert de
watertemperatuurmeting via een transducer met
temperatuursensor (De watertemperatuurcorrectie instellen,
pagina 9).
De kielcorrectie instellen
U kunt een kielcorrectie invoeren om de oppervlaktemeting voor
de diepte van een kiel te compenseren, zodat de waterdiepte of
diepte onder de kiel kan worden gemeten in plaats van de
diepte onder de transducer. Voer voor deze afstand een positief
getal in. U kunt een negatief getal invoeren als u wilt
compenseren voor een grote boot die een paar voet diep in het
water ligt.
1 Voer een actie uit, op basis van de locatie van de transducer:
• Als de transducer op de waterlijn À is geïnstalleerd, meet
u de afstand tussen de locatie van de transducer en de
kiel van de boot. Voer een positief getal in bij deze waarde
bij stap 3 en 4 om de diepte onder de kiel weer te geven.
• Als de transducer onder aan de kiel Á is geïnstalleerd,
meet u de afstand tussen de transducer en de waterlijn.
Voer een negatief getal in bij deze waarde bij stap 3 en 4
om de waterdiepte weer te geven. Voer een 0 in bij deze
waarde om de diepte onder de kiel en de diepte onder de
transducer weer te geven.
Selecteer Instellingen > Systeem.
Scherm: Past de helderheid van de schermverlichting (De
schermverlichting aanpassen, pagina 1) en het
kleurenschema (De kleurmodus aanpassen, pagina 1) aan.
8
Spoor
2 Selecteer Instellingen > Mijn boot > Kielcorrectie.
3 Selecteer of op basis van de locatie van de transducer.
4 Voer de afstand in die in stap 1 is gemeten.
Ondiep water: Gaat af wanneer de waterdiepte kleiner is dan
de opgegeven diepte.
Diep water: Gaat af wanneer de waterdiepte groter is dan de
opgegeven diepte.
Watertemperatuur: Gaat af wanneer de watertemperatuur
meer dan ± 1,1 °C (± 2 °F) afwijkt. Alarminstellingen worden
opgeslagen wanneer het toestel wordt uitgeschakeld.
OPMERKING: U moet het toestel aansluiten op een
transducer met temperatuursensor om dit alarm te kunnen
gebruiken.
Vis: Hiermee kunt u een geluidsalarm instellen voor als het
toestel een zwevend doel detecteert.
•
laat het alarm afgaan wanneer vissen van elke
grootte worden gedetecteerd.
•
laat het alarm alleen afgaan wanneer middelgrote of
grote vissen worden gedetecteerd.
•
laat het alarm alleen afgaan wanneer grote vissen
worden gedetecteerd.
Eenheid instellen
U kunt de temperatuurcorrectie instellen om de
temperatuurmeting van een sensor voor de watertemperatuur te
compenseren.
1 Meet de watertemperatuur aan de hand van een transducer
met temperatuursensor die is aangesloten op het toestel.
2 Meet de watertemperatuur met een thermometer of een
andere temperatuursensor die nauwkeurig is.
3 Trek de in stap 1 gemeten watertemperatuur af van de
watertemperatuur die u hebt gemeten in stap 2.
Het resultaat is de temperatuurcorrectie. Voer een positief
getal in bij deze waarde in stap 5 als de op het toestel
aangesloten sensor een koudere watertemperatuur aangeeft
dan in werkelijkheid het geval is. Voer een negatief getal in
bij deze waarde in stap 5 als de op het toestel aangesloten
sensor een warmere watertemperatuur aangeeft dan in
werkelijkheid het geval is.
4 Selecteer Instellingen > Mijn boot >
Temperatuurcorrectie.
5 Gebruik de pijlknoppen om de in stap 3 gemeten
temperatuurcorrectie in te voeren.
Selecteer Instellingen > Eenheden.
Systeemeenheden: Stelt de systeemeenheid in voor het
toestel.
Afwijking: Hiermee wordt de magnetische afwijking, de hoek
tussen het magnetische noorden en het ware noorden,
ingesteld voor uw huidige locatie.
Noordreferentie: Stelt de richtingreferenties in voor het
berekenen van de koersinformatie. Waar stelt het
geografische noorden in als de noordreferentie. Grid stelt het
kaartnoorden in als de noordreferentie (000º). Magnetisch
stelt het magnetische noorden in als de noordreferentie.
Positieweergave: Hiermee selecteert u het positieformaat
waarmee een locatie wordt aangeduid. Wijzig het
positieformaat alleen wanneer u een kaart gebruikt met een
afwijkende indeling.
Kaartdatum: Hiermee stelt u het coördinaatsysteem van de
kaart in. Wijzig deze instelling alleen wanneer u een kaart
gebruikt met een afwijkende kaartindeling.
Tijdweergave: Hiermee kiest u UTC-, 12-uurs- of 24-uurstijdweergave.
Tijdzone: Hiermee stelt u de tijdzone in.
Zomertijd: Hiermee schakelt u de zomertijd Uit of Aan.
Alarminstellingen
Navigatie-instellingen
Navigatiealarmen
OPMERKING: Voor sommige instellingen en opties zijn extra
toestellen vereist.
Selecteer Instellingen > Navigatie.
Routelabels: U kunt instellen welk type labels wordt
weergegeven voor koerswijzigingen op de kaart.
Koerswijzigingsovergang activeren: Hier kunt u instellen of
de koerswijziging op basis van tijd of afstand moet worden
berekend.
Tijd koerswijzigingovergang: Hier kunt u het aantal minuten
instellen vóór de koerswijzigingsovergang naar het volgende
routedeel, als Tijd is geselecteerd voor de instelling
Koerswijzigingsovergang activeren.
Afstand koerswijzigingsovergang: Hier kunt u de afstand
instellen vóór de koerswijzigingsovergang naar het volgende
routedeel, als Afstand is geselecteerd voor de instelling
Koerswijzigingsovergang activeren.
Begin van route: Selecteert een beginpunt voor routenavigatie.
U kunt Boot selecteren om de navigatie te starten vanaf de
actuele locatie van de boot of Via-punten om vanaf het eerste
via-punt op de route te beginnen.
De watertemperatuurcorrectie instellen
Selecteer Instellingen > Alarmen > Navigatie.
Aankomst: Hiermee stelt u een alarm in voor wanneer u zich
binnen een opgegeven afstand of tijd van een koerswijziging
of bestemming bevindt.
Krabbend anker: Hiermee stelt u een alarm in voor wanneer u
een opgegeven afstand afdrijft terwijl u voor anker ligt.
Koersfout: Hiermee stelt u een waarschuwing in voor wanneer
de boot een opgegeven afstand van koers raakt.
Systeemalarmen
Wekker: Stelt een wekker in.
Voedingspanning: Hiermee stelt u een alarmsignaal in dat
afgaat als de accuspanning is gedaald tot een opgegeven
voltage.
GPS-nauwkeurigheid: Hiermee stelt u een alarmsignaal in dat
afgaat als de nauwkeurigheid van de GPS-locatie buiten een
door de gebruiker gedefinieerde waarde valt.
Echoloodalarmen
Selecteer Instellingen > Alarmen > Echolood.
Toestelconfiguratie
9
De fabrieksinstellingen herstellen
OPMERKING: Tijdens deze procedure worden alle gegevens
verwijderd die u hebt ingevoerd.
> Systeem > Systeeminformatie >
1 Selecteer
Fabrieksinstellingen.
2 Selecteer een optie.
Appendix
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie vandaag nog in zodat wij u beter kunnen
helpen. Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op
een veilige plek.
1 Ga naar my.garmin.com/registration.
2 Aanmelden bij uw Garmin account.
Specificaties
Waarde
Temperatuurbereik
Van -15° tot 55°C (van 5° tot
131°F)
Spanningsbereik van voedingsbron
Van 10 tot 20 V
Nominale stroom
1A
de kaartdatum en het positieformaat die oorspronkelijk zijn
gebruikt om het via-punt te markeren.
Het positieformaat heeft betrekking op de manier waarop de
positie van de GPS-ontvanger op het scherm wordt
weergegeven. De positie wordt gewoonlijk weergegeven in
graden en minuten (breedtegraad/lengtegraad) met opties voor
graden, minuten en seconden, alleen graden of een van de
diverse grid-indelingen.
De kaartdatum is een rekenmodel dat een deel van het
aardoppervlak weergeeft. Lengte- en breedtegraadlijnen op een
papieren kaart zijn altijd gerelateerd aan een bepaalde
kaartdatum.
1 Zoek uit welke kaartdatum en welk positieformaat werden
gebruikt toen het oorspronkelijke via-punt werd gemaakt.
Als het oorspronkelijke via-punt is overgenomen van een
kaart, moet op de kaart een legenda aanwezig zijn waarin de
kaartdatum en het positieformaat staan vermeld die zijn
gebruikt om die kaart te maken. Meestal staat deze legenda
in de buurt van de productcode van de kaart.
2 Selecteer Instellingen > Eenheden.
3 Selecteer de juiste kaartdatum- en positieformaatinstellingen.
4 Maak het via-punt opnieuw.
Problemen oplossen
Ik kan mijn toestel niet inschakelen
• Druk de voedingskabel helemaal in de achterzijde van het
toestel.
Duw de kabel goed vast in het toestel, zelfs al lijkt het alsof
de kabel is verbonden.
• Controleer of de voedingsbron stroom geeft.
U kunt dit op verschillende manieren controleren. U kunt
bijvoorbeeld controleren of andere toestellen op dezelfde
voedingsbron wel goed functioneren.
• Controleer de zekering in de voedingskabel.
De zekering bevindt zich in een houder die deel uitmaakt van
de rode draad van de voedingskabel. Controleer of de
geïnstalleerde zekering de juiste capaciteit heeft. Op het
label op de kabel of in de installatiehandleiding staat
aangegeven welke capaciteit de zekering moet hebben.
Controleer of de zekeringsdraad in de zekering niet kapot is.
U kunt de zekering testen met een multimeter. Als de
zekering in orde is, geeft de multimeter 0 Ohm aan.
• Controleer of er ten minste 10 V gelijkstroomspanning op het
toestel staat - 12 V gelijkstroom wordt aangeraden.
U kunt het voltage controleren door de gelijkstroomspanning
te meten tussen het contrabusje en de aarde van de
voedingskabel. Als de spanning minder bedraagt dan 10 V
gelijkstroom, gaat het toestel niet aan.
Mijn echolood werkt niet
• Druk de transducerkabel helemaal in de achterzijde van het
toestel.
Duw de kabel goed vast in het toestel, zelfs al lijkt het alsof
de kabel is verbonden.
• Controleer of de echoloodtransmissie is ingeschakeld.
Mijn toestel maakt geen via-punten op de juiste
locatie
U kunt handmatig een via-puntlocatie invoeren om gegevens
tussen toestellen over te brengen en te delen. Als u een via-punt
hebt ingevoerd met behulp van coördinaten en het punt niet op
de gewenste locatie wordt weergegeven, komen de kaartdatum
en het positieformaat van het toestel mogelijk niet overeen met
10
Appendix
Index
A
aankomstalarm 9
afstand meten 7
alarmen 9
aankomst 9
echolood 9
krabbend anker 9
navigatie 9
van koers 9
C
cijfers projecteren 6
E
echolood 2–4
a-scope 5
alarmen 9
bodem vast 4
dieptelijn 5
diepteschaal 2, 5
flitser 3
frequenties 3, 4
Garmin ClearVü 3
interferentie 6
kleurenschema 5
log 2
nummers 2
oppervlakteruis 6
presentatie 2, 5
SideVü 3
versterking 4, 5
via-punt 4
weergaven 2–4
zoomen 4
zwevende doelen 2, 5, 6
F
fabrieksinstellingen 8, 10
G
Garmin ClearVü 3
gebeurtenislog 8
gebruikersgegevens, verwijderen 8
gegevensvelden 6
GPS
instellingen 8
signalen 1
GPS-nauwkeurigheid 9
I
R
reisplanner. Zie routes
routes 7
bekijk lijst met 7
bewerken 7
delen 7
maken 7
navigeren 7
verwijderen 7, 8
via-punten 7
S
satellietsignalen, ontvangen 1
scherm, helderheid 1
scherminstellingen 8
schermverlichting 1
schuiven 1
SideVü 3
SOS 6
sporen 8
opnemen 8
vastleggen 8
startscherm, aanpassen 2
T
taal 8
toestel
knoppen 1
registratie 10
toestel registreren 10
transducer 1, 2
V
veilige diepte 9
veilige hoogte 9
verwijderen, alle gebruikersgegevens 8
via-punten 6, 7, 10
bewerken 6
delen 7
echolood 4
maken 6
man-over-boord 6
verwijderen 7
voltage 9
W
water, temperatuurcorrectie 9
waypoints, maken 6
Z
zoomen 1
echolood 4
instellingen 1, 2, 7–9
systeeminformatie 8
K
kielcorrectie 8
kleurmodus 1
klok 9
alarm 9
knoppen 1
voeding 1
koersfoutalarm 9
krabbend-ankeralarm 9
L
locatie markeren 6
M
maateenheden 9
man-over-boord 6
N
navigatiealarmen 9
navigatiebijkaart 6
P
pagina's. Zie echolood
pieper 1
problemen oplossen 10
productregistratie 10
Index
11
support.garmin.com
Juli 2017
190-01950-35_0C
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising