Volvo | C70 | Gebruikershandleiding | Volvo C70 2013 Gebruikershandleiding

Volvo C70 2013 Gebruikershandleiding
C70
Instructieboekje
L:7:9>I>DC
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 12
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijnen (DMIC)..........................
WHIPS-systeem........................................
Roll-Over Protection System (ROPS)........
Activering van de veiligheidssystemen.....
Crash mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
18
21
22
24
27
29
30
32
33
35
36
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Elektrische aansluiting..............................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Toetsensets op stuurwiel*.........................
Stuurwielverstelling, alarmlichten.............
Handrem...................................................
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Ruiten en spiegels.....................................
Persoonlijke instellingen...........................
48
50
52
53
55
59
61
62
67
70
73
75
76
77
78
80
84
HomeLinkŸ *.............................................. 87
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
03 04 05
03 Klimaat
04 Interieur
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................ 92
Elektronische klimaatregeling, ECC*........ 94
Luchtverdeling.......................................... 98
Motor- en interieurverwarming op brandstof*........................................................... 99
Extra verwarming op brandstof* (diesel). 102
Voorstoelen.............................................
Elektrisch bedienbare hardtop ...............
Windscherm*...........................................
Interieurverlichting...................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte......................................................
Kofferbak................................................
05 Sloten en alarm
106
111
115
116
118
123
Transpondersleutel met sleutelblad........
Vergrendelingspunten.............................
Privacy locking*.......................................
Keyless drive*..........................................
Batterij in transpondersleutel..................
Vergrendelen en ontgrendelen................
Alarm*.....................................................
130
133
134
136
139
140
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemeen................................................
Tanken....................................................
Alcoholslot*.............................................
Motor starten..........................................
Keyless drive*..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
Remsysteem...........................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*....
Parkeerhulp*............................................
BLIS*.......................................................
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak* ...........................
Lading vervoeren....................................
Lichtbundel aanpassen...........................
4
07 Wielen en banden
150
153
157
161
163
164
165
168
171
173
176
180
183
185
187
189
193
194
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemeen................................................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden*...........................
08 Verzorging
198
202
203
206
208
Schoonmaken......................................... 214
Lakschade herstellen.............................. 219
Roestwering............................................ 221
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Startaccu.................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
224
225
227
229
235
236
238
244
Algemene informatie...............................
Audiofuncties..........................................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies.............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon*.........................
Bluetooth handsfree*..............................
11 Specificaties
254
256
261
267
270
271
279
283
Type-aanduiding.....................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Wielen en banden, maten en spanning ..
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
292
294
297
298
300
302
304
305
307
308
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 312
6
Inhoud
7
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is, hangt af van de
8
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld AUDIOINSTELLINGEN).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Pijlen met een letter dienen om een beweging weer te geven waarbij de onderlinge
volgorde niet van belang is.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
10
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
• Koelvloeistof
• Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Vastlegging van gegevens
Uw auto is voorzien van enkele computers met
als taak de werking en functionaliteit van de
auto continue te bewaken. Bepaalde computers leggen mogelijk ook gegevens vast bij
registratie van een storing tijdens normale ritten. Bovendien worden er gegevens opgeslagen bij een aanrijding of bijna-aanrijding. Vastlegging van de gegevens is enerzijds bedoeld
om technici te helpen bij het vaststellen en ver-
helpen van storingen in de auto en anderzijds
om ervoor te zorgen dat Volvo voldoet aan de
geldende wet- en regelgeving. Volvo gebruikt
de gegevens bovendien voor onderzoek ter
verbetering van de kwaliteit en veiligheid, daar
de gegevens kunnen bijdragen tot een groter
inzicht in de omstandigheden waarin ongelukken en/of letsel ontstaan. De gegevens kunnen
duidelijkheid geven over de status en werking
van verschillende autosystemen en -modulen
waaronder die voor de motor, gasklep, besturing en remmen. De gegevens kunnen informatie bevatten over de rijstijl van de bestuurder, zoals de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag en het wel
of niet dragen van de veiligheidsgordel door
bestuurder en eventuele passagier(s). De
gegevens kunnen om de eerder vermelde
redenen voor een begrensde tijd worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding
of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot
een verbetering en verdere verhoging van de
veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en
regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit
voorschrijft.
Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet
zonder de toestemming van de eigenaar van
de auto vrijgeven aan derden. Volvo Car Corporation kan echter op last van de nationale
wet- en regelgeving gedwongen worden om
Inleiding
Belangrijke informatie
dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens
de wet de gegevens kunnen opeisen.
Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de
werkplaatsen die een contract hebben met
Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die
in verband met reparatie en onderhoud worden
doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden
opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Verkoop van auto met Volvo On Call *
Volvo On Call is een aanvullend pakket met
veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten.
Als een auto met Volvo On Call van eigenaar
verandert, is het uitermate belangrijk dat deze
diensten worden beëindigd zodat de vorige
eigenaar niet langer gebruik kan blijven maken
van deze diensten. Neem contact op met het
On Call-center via een druk op de toets ON
CALL in de auto of breng een bezoek aan een
erkende Volvo-werkplaats. Zie ook “Beveiligingscode wijzigen” in het instructieboekje bij
Volvo On Call.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcodelezer nodig die als accessoire verkrijgbaar
is voor verschillende mobiele telefoons. QRcodelezers zijn te downloaden via App Store of
Android Market.
QR-code
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Interieur
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen – hier volgen enkele tips:
• Voorkom stationair draaien – zet de motor
af wanneer u langere tijd stilstaat. Houdt u
zich aan de plaatselijke voorschriften.
• Rijd economisch – rijd anticiperend.
• Voer service en onderhoud uit volgens de
aanwijzingen in het instructieboekje – houd
de geadviseerde intervallen in het Serviceen garantieboekje aan.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming*, als de auto hiermee is
uitgerust – dit verbetert de startgewilligheid, beperkt de slijtage bij koud weer en
zorgt ervoor dat de motor sneller op
bedrijfstemperatuur komt, waardoor het
brandstofverbruik en de uitstoot afnemen.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand – bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
juiste manier van verwerken van dergelijk
afval – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Wanneer u deze tips opvolgt, kunt u geld
besparen, zuiniger omspringen met de hulpbronnen op aarde en uw auto langer doen
meegaan. Zie pagina 150 en 302 voor meer
informatie en meer tips.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het Forest Stewardship CouncilŸ-symbool
geeft aan dat de papiervezels waarvan deze
publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSCŸgecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een werkplaats bij twijfel over de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
14
Inleiding
15
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijnen (DMIC)........................................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)......................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Crash mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
22
24
27
29
30
32
33
35
36
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
–
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
veiligheidsgordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
door de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen
–
18
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
De achterbank is bestemd voor maximaal
twee personen.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
benen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
G020105
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
• Waarschuwen dat iemand op de achter-
G029652
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de boven-
Achterbank
achterbank er worden gebruikt. De melding verschijnt op het informatiedisplay bij
het gebruik van de veiligheidsgordels. De
melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Gordelwaarschuwing
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
01
bank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de veiligheidsgordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Gordelgeleider
Bepaalde markten
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
20
G020106
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Zowel de bestuurders- als de passagiersstoel is
voorzien van een gordelgeleider.
De gordelgeleider is een hulpmiddel dat de veiligheidsgordels beter bereikbaar maakt. Neem
bij het in- en uitstappen van achterpassagiers
de veiligheidsgordel uit de gordelgeleider en
plaats deze achteraan op de gordelstang.
Breng de veiligheidsgordel daarna weer aan in
de gordelgeleider.
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE
VEREIST of SRS-AIRBAG
SERVICE SPOED op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel naar sleutelstand I, II of III draait.
Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
21
01 Veiligheid
01
Airbags
Airbagsysteem
WAARSCHUWING
N.B.
G020111
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
22
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
01
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020113
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts.
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
1
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de passagierszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.1
Laat nooit iemand voor de passagierstoel
zitten of staan. Kinderen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
23
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje “Activeren/Deactiveren” verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 131.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen schakelaar
(PACOS) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties opleveren voor
het kind.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
plafondconsole aangeeft dat de airbag aan
die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een
ernstige storing. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats
te bezoeken.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen groter
dan 1,40 m aan de passagierszijde op de
voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Meldingen
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G018346
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
de plafondconsole geven aan dat de airbag
aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie
voorgaande afbeelding).
G018344
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan dat de passagiersairbag
voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar sleutelstand II of III brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor
de airbags op het instrumentenpaneel, zie
pagina 21.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van
het contactslot (zie pagina 162).
26
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
G020118
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u reparaties over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk
onderdeel van het SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de rugleuning van de voorstoelen.
1
01
Positie
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
27
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
28
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (DMIC)
Eigenschappen
maakt het niet uit of de hardtop nu open- of
dichtstaat.
01
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De opblaasgordijnen (DMIC, Door Mounted
Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Ze zitten verborgen achter
de binnenkant van het bestuurders- en het
passagiersportier. Het systeem beschermt
inzittenden voorin. De opblaasgordijnen worden door sensoren geactiveerd, als de auto in
de zij wordt aangereden of als de auto het
risico loopt te kantelen. Bij activering worden
de opblaasgordijnen opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele voorpassagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Voor de activering van de opblaasgordijnen
G025425
G025424
Er bestaat gevaar voor verwondingen als de
bestuurder of een eventuele voorpassagier
tegen het portierpaneel leunt bij activering
van de airbag. De airbag kan tevens zijn
beschermende werking verliezen.
WAARSCHUWING
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding of de zijpanelen van de
auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende
werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd
voor montage op deze plaatsen, te gebruiken.
29
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
30
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
G020125
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
31
01 Veiligheid
01
Roll-Over Protection System (ROPS)
ROPS-systeem
WAARSCHUWING
Verricht geen werkzaamheden aan het
ROPS-systeem.
G020797
Leg geen voorwerpen boven op het ROPSsysteem of achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers.
Rolbeugels in uitgeschoven stand.
Het ROPS-systeem bestaat uit sensoren en
stevige rolbeugels die achter de hoofdsteunen
voor de achterpassagiers zitten. Wanneer de
auto het risico loopt te kantelen of met voldoende kracht aan de achterkant wordt
geraakt, registreren de sensoren dit, waarna de
rolbeugels achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers omhoogkomen. Het maakt
voor de activering van de rolbeugels niet uit of
de hardtop geopend of gesloten is.
Volvo adviseert u altijd contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats, als het
ROPS-systeem geactiveerd werd.
32
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de systemen
A
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen.
Gordelspanners achterbank
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijnen (DMIC)
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelenA
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
Roll-Over Protection System (ROPS)
Bij kantelen en/of een aanrijding van achteren.
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u het
volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
de te auto te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
N.B.
De airbags, het SIPS-systeem, het DMICsysteem, de gordelspanners en het ROPSsysteem worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten
wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
33
01 Veiligheid
01
Activering van de veiligheidssystemen
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
34
01 Veiligheid
Crash mode
Rijden na een aanrijding
G029042
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van
de auto is verminderd. Crash mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer
de aanrijding belangrijke onderdelen van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als CRASH MODE ZIE HANDLEIDING nog
steeds op het display staat, mag u niet met de
auto rijden en hem evenmin verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt dat u nog
met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
01
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de aanrijdingsstand heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot letsel
of een slechte functie van de auto. Volvo
adviseert u de auto altijd in een erkende
Volvo-werkplaats te laten controleren en
naar NORMAL MODE te laten resetten
nadat de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer in geen geval de auto opnieuw te
starten, als u een brandstofgeur waarneemt
terwijl de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING getoond wordt. Verlaat de
auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van
3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar
op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat
in de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 38).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
WAARSCHUWING
Zet de bevestigingsband van het kinderzitje
niet aan de lengteverstelstang, veren of rails
en balken onder de stoel vast. Scherpe
randen kunnen de bevestigingsband
beschadigen.
Kinderzitjes
N.B.
Raadpleeg voor de juiste montage de montage-instructies bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
36
G020128
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
sagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Als de airbag wordt geac-
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
tiveerd, kan een kind aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is2.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING
01
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
De sticker is zichtbaar bij het openen van het passagiersportier, zie afbeelding op pagina 24.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
37
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes3
Gewicht
VoorstoelA
Groep 0
Achterbank
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
max. 10 kg
Typegoedkeuring: E1 04301146
Groep 0+
(L)
max. 13 kg
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
(U)
(U)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Groep 0+
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
max. 13 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Groep 0
max. 10 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Groep 0
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
max. 10 kg
(U)
(U)
Groep 0+
max. 13 kg
3
38
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient de auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.B
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.B
9–18 kg
Groep 1
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
01
Typegoedkeuring: E5 03135
(L)
(L)
Groep 1
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.B
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03171
(L)
Groep 1
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
9–18 kg
(U)
(U)
``
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 2
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.B
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
(L)
(L)
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
(L)
(L)
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with
backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with
backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
(UF)
(UF)
15–25 kg
Groep 2
15–25 kg
Groep 2/3
15–36 kg
40
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 2/3
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and
without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and
without backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(UF)
(UF)
15–36 kg
01
L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of
semi-universeel zijn.
U: Geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
UF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerde kinderzitjes in deze gewichtscategorie met universele goedkeuring.
A
B
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats om de bevestigingspunten te laten aanbrengen die nodig zijn voor het gebruik een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is4.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
4
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
41
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
zitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
Afmetingscategorieën
Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen
daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen.
G020798
Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen
van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
AfmeBeschrijving
tingscategorie
A
Normale grootte, in rijrichting
gemonteerd kinderzitje
B
Beperkte grootte (optie 1), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
B1
Beperkte grootte (optie 2), in
rijrichting gemonteerd kinderzitje
C
Normale grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/baby-
42
AfmeBeschrijving
tingscategorie
D
Beperkte grootte, achterstevoren gemonteerd kinderzitje
E
Achterstevoren gemonteerd
babyzitje
F
Overdwars gemonteerd
babyzitje, links
G
Overdwars gemonteerd
babyzitje, rechts
WAARSCHUWING
Plaats een kind nooit op de passagiersstoel
voorin, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan die kant.
N.B.
Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, dient uw model op de lijst
met auto’s te staan waarvoor het kinderzitje
zich leent.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes
Type kinderzitje
Babyzitje, overdwars
Babyzitje, achterstevoren
Gewicht
max. 10 kg
max. 10 kg
Afmetingscategorie
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
F
X
X
G
X
X
E
X
OK
(IL)
Babyzitje, achterstevoren
max. 13 kg
E
X
OK
(IL)
D
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
43
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Type kinderzitje
Kinderzitje, achterstevoren
Gewicht
9–18 kg
Afmetingscategorie
D
Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje
Voorstoel
Buitenste zitplaats achterbank
X
OKA
(IL)
C
X
OKA
(IL)
Kinderzitje, in rijrichting
9–18 kg
B
X
OKB
(IUF)
B1
X
OKB
(IUF)
A
X
OKB
(IUF)
X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep
merken of semi-universeel zijn.
IUF: Geschikt voor in rijrichting gemonteerd ISOFIX-kinderzitje met universele goedkeuring voor deze gewichtscategorie.
A
B
44
Om het baby-/kinderzitje op de achterbank te kunnen plaatsen dient de passagiersstoel voorin voor iets meer dan de helft naar voren te worden geschoven.
Volvo adviseert een achterstevoren gemonteerd kinderzitje voor deze categorie.
01 Veiligheid
01
45
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Elektrische aansluiting............................................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel..................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Toetsensets op stuurwiel*.......................................................................
Stuurwielverstelling, alarmlichten............................................................
Handrem.................................................................................................
Elektrisch bedienbare ruiten...................................................................
Ruiten en spiegels...................................................................................
Persoonlijke instellingen..........................................................................
48
50
52
53
55
59
61
62
67
70
73
75
76
77
78
80
84
HomeLinkŸ *............................................................................................ 87
46
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
20
18
02
22
17
21
16
10
9
8
7
6
5
11
12
13 14 15
19
8
26
8
23 24
25
8
9
7
27
28
29
4
3
2
1
3
31
30
32
34
48
G028206
33
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Stuurwielafstelling
Schakelaar, interieurverlichting links
Openingshandgreep, motorkap
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
Schakelaar, interieurverlichting rechts
Portierhandgreep en vergrendelingsknop.
Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Controlelampje, vergrendeling
Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Blaasmond, dashboard
Klimaatregeling
Blaasmond, zijruit
Controlelampje, alarmlichten
Cruisecontrol
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Claxon en airbag
Dashboardkastje
Instrumentenpaneel
Versnellingspook (handbak)/keuzehendel
(automaat)
Toetsenset voor infotainment
02
Elektrische aansluiting en aansteker
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Schakelaar, bediening hardtop
Contactslot
Handrem
Achteruitkijkspiegel
BLIS, Blind Spot Information System
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Schakelaars, extra uitrusting
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Elektrische aansluiting en aansteker
Schakelaar, bediening hardtop
Handrem
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Achteruitkijkspiegel
Contactslot
Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
Stuurhendel, links
Dashboardkastje
Toetsenset stuurwiel, links
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Instrumentenpaneel
Controlelampje, vergrendeling
Claxon en airbag
Blaasmond, zijruit
Toetsenset stuurwiel, rechts
Blaasmonden in het dashboard
Controlelampje, alarmlichten
Klimaatregeling
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Stuurhendel, rechts
Schakelaar, interieurverlichting links
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Schakelaar, interieurverlichting rechts
02
Openingshandgreep, motorkap
Hendel, stuurwielafstelling
Versnellingspook (handbak)/keuzehendel
(automaat)
BLIS, Blind Spot Information System
Schakelaars, extra uitrusting
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
02
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
Elektrisch bedienbare zijruiten, alle ruiten
omlaag/omhoog
Elektrisch bedienbare zijruiten
Buitenspiegel, linkerzijde
Buitenspiegels, instelling
Buitenspiegel, rechterzijde
52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Snelheidsmeter.
Richtingaanwijzer, rechts.
Richtingaanwijzer, links.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut.
Waarschuwingslampje.
Informatiedisplay – Geeft informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen weer
alsmede de buitentemperatuur en de tijd.
Wanneer de buitentemperatuur tussen
–5 °C en +2 °C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het lampje wijst
op het gevaar voor gladheid. Als de auto
heeft stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeven.
Controle- en informatielampjes.
Brandstofmeter (zie ook boordcomputer
op pagina 68).
Knop voor dagteller – Wordt gebruikt om
korte afstanden te meten. Door kort op de
knop te drukken, kunt u van dagteller T1 en
T2 wisselen. Als u de knop lang indrukt
(meer dan 2 seconden), zet u de geactiveerde dagteller op nul.
Grootlichtindicatie.
Display – Geeft de schakelstanden van de
automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
Informatielampje.
``
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Temperatuurmeter – De temperatuurmeter
van het koelsysteem van de motor. Op het
display verschijnt een melding, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot
in het rode gebied uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de luchtinlaat bij
een hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen
verminderen.
Controle- en waarschuwingslampjes.
54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
1
Lampjes in het midden van het
dashboard
Wanneer het lampje brandt:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
02
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
G030755
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes1 gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
symbolen moeten weer uitgaan als de motor
wordt gestart, behalve het symbool voor de
parkeerrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
parkeerrem wordt gehaald.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingssymbool blijft branden totdat
de storing is verholpen, maar de melding kunt
u verwijderen met de knop READ, zie
pagina 59. Het waarschuwingssymbool kan
ook gaan branden in combinatie met andere
symbolen.
Het oranje informatielampje gaat
branden en er verschijnt een melding op het informatiedisplay. U
verwijdert de melding met behulp
van de knop READ, zie
pagina 59. Dit gebeurt automatisch als u
enige tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af).
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 59.
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes – linkerzijde
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert dat
u ter controle een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
02
Storing in ABS
G029048
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Stabiliteitsregeling DSTC
3. Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Geen functie
Mistachterlicht
Storing in ABS
Mistachterlicht
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitsregeling DSTC*
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 171.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan –2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden
is het brandstofpeil te laag. Tank
dan zo spoedig mogelijk.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
Controlelampje voor aanhanger
Te lage oliedruk2
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, adviseert Volvo u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Handrem aangetrokken
G029049
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
Controlelampje voor aanhanger
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Dynamo laadt niet bij
Handrem aangetrokken
Airbags – SRS
Te lage oliedruk
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem.
Volvo adviseert u een erkende
Volvo-werkplaats te bezoeken.
Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Volvo adviseert u zo
spoedig mogelijk naar een erkende Volvowerkplaats te rijden om het systeem te laten
controleren.
02
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 59.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
–
02
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir, zie pagina 234. Als de
vloeistof onder het MIN-merkje van het
reservoir staat, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Volvo adviseert u de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats te
laten slepen voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
werkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren. Volvo adviseert dat u
daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
6. Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
4. Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 234.
5. Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
3
58
Alleen auto’s met alarm.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap3 of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 5 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERS- PORTIER OPEN,
PASSAGIERS- PORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat
of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
10 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel openstaat,
gaat het informatielampje branden
en op het display verschijnt
KOFFERBAKDEKSEL OPEN.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Betekenis
MOTORTEMP.
HOOG ZET
MOTOR UIT
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Melding
Betekenis
RUIM TIJD IN V.
ONDERHOUD
STOP AUTO
Z.S.M.A
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Tijd om een servicebeurt in te plannen.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
SERVICE SPOEDA
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
ZIE INSTRUCTIEB.A
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREISTA
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
Tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u de service
over te laten aan een
erkende Volvowerkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren
van de motor en de
oliekwaliteit.
G029050
Melding
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
–
Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
02
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
60
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
ONDERHOUD TE
LAAT
Als u de onderhoudstermijn niet
respecteert, vallen
beschadigde onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
ROETFILTER VOL
ZIE GEBR. HANDL.
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 156).
VERSNELLINGSBAK HOGE OLIETEMP.
DSTC SPIN CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor de stabiliteits- en tractieregeling (zie pagina 172
voor meer varianten).
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Zet de versnellingsbak in de
neutraal en laat de
motor stationair
draaien totdat de
melding verdwijnt.
TEMP.
VERSN.OLIE STOP
AUTO Z.S.M.
Kritieke storing.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Volvo
adviseert u contact
op te nemen met
een erkende Volvowerkplaats.
VERSNELLINGSBAK OLIE VERVERSEN
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
HERINNERING
CONTR. OLIEPEIL
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de
10.000 km
(bepaalde motortypes). Voor informatie
over het controleren
van het oliepeil, zie
pagina 229.
VERSNELLINGSBAK LAAG VERMOGEN
De versnellingsbak
werkt niet op maximale capaciteit. Rijd
voorzichtig totdat de
melding verdwijnt.
Als de meldingen
meerdere malen verschijnt, adviseert
Volvo u een erkende
Volvo-werkplaats te
bezoeken.
A
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
N.B.
G019621
Extra uitrusting en accessoires – zoals
beeldschermen, mediaspelers en mobiele
telefoons – die zijn aangesloten op een van
de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de
klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld,
als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
Elektrische aansluiting en aansteker.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen,
mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom, zie
pagina 162.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
steker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
02
Trek daarom wanneer u de extra uitrusting
of accessoires niet gebruikt de stekkers uit
de elektrische aansluitingen, omdat de startaccu anders uitgeput kan raken!
BELANGRIJK
Max. 10 A (120 W).
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 208.
Aansteker*
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aan-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Algemeen
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
02
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
G020139
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
Verlichtingspaneel voor halogeenkoplampen1.
3. Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met actieve xenonkoplampen, ABL* zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistlampen voorzijde*
Tankvulklep openen
Mistachterlicht
1
62
Voor een beschrijving van Halogeenkoplampen, zie pagina 63.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (2)
in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te
draaien.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 67.
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Bedieningspaneel verlichting
Koplampen
–
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
–
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
–
Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Halogeenkoplampen
Verlichtingspaneel voor halogeenkoplampen,
zie pagina 62.
Stan
d
Halogeenkoplampen
Halogeenkoplampen met
DRL*A
Automatisch/
uitgeschakeld
dimlicht. Alleen
grootlichtsignalen.
Dagrijlicht
Stadslichten/
parkeerlichten
vóór en achterlichten
Dagrijlicht als
de auto rijdt.
Automatisch
overschakelen
naar parkeerlicht als de auto
wordt geparkeerd.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Uitgebreide displayverlichting
–
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen
van de auto en het verwijderen van de transpondersleutel. Bij het vergrendelen van de auto
dooft de verlichting van de displayfuncties.
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Tankvulklep
Mistlichten
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te openen, wanneer de auto onvergrendeld staat, zie
pagina 140.
Druk op de knop (6).
02
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen voorzijde*
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
A
64
Halogeenkoplampen
Halogeenkoplampen met
DRL*A
Dimlicht. In
deze stand werken het groot
licht en de
grootlichtsignalen.
Dimlicht. In
deze stand werken het groot
licht en de
grootlichtsignalen.
–
Dagrijlicht tijdens ritten
overdag. Automatisch overschakelen naar
het dimlicht bij
slechte weersomstandigheden en wanneer
de ruitenwisser
of het mistachterlicht is geactiveerd.
Dagrijlicht (DRL), zie pagina 66.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Actieve xenonkoplampen*
Stan
d
G026507
Stan
d
Actieve
xenonkoplampen
Actieve
xenonkoplampen met
DRL*A
Automatisch/
uitgeschakeld
dimlicht. Alleen
grootlichtsignalen.
Dagrijlicht
Stadslichten/
parkeerlichten
vóór en achterlichten
Dagrijlicht als
de auto rijdt.
Automatisch
overschakelen
naar parkeerlicht als de auto
wordt geparkeerd.
Dimlicht. In
deze stand werken het groot
licht en de
grootlichtsignalen.
Dimlicht. In
deze stand werken het groot
licht en de
grootlichtsignalen.
Verlichtingspaneel voor actieve xenonkoplampen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Actieve
xenonkoplampen
Actieve
xenonkoplampen met
DRL*A
De lichtbundels
van de actieve
xenonkoplampen draaien
met het stuurwiel mee.
–
Stan
d
Actieve
xenonkoplampen
Actieve
xenonkoplampen met
DRL*A
–
Dagrijlicht tijdens ritten
overdag. Automatisch overschakelen naar
het dimlicht bij
slechte weersomstandigheden en wanneer
de ruitenwisser
of het mistachterlicht is geactiveerd.
Ook de actieve
xenonkoplampen worden in
deze stand
geactiveerd.
A
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
02
De led
brandt, wanneer de functie actief
is. Bij een storing knippert de led en verschijnt
er een foutmelding op het informatiedisplay.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
De functie is te deactiveren/activeren met de
verlichtingsdraaiknop.
G020789
Stan
d
Dagrijlicht (DRL), zie pagina 66.
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Dagrijlicht (DRL)*
02
N.B.
Om stroom te besparen is het overdag mogelijk
het dagrijlicht (DRL, Daytime Running Light) te
kiezen in plaats van het dimlicht. De in de spoiler gemonteerde dagrijlichten maken gebruik
van de krachtige en zuinige led-techniek.
Om het stroomverbruik zoveel mogelijk te
beperken worden ook de achterlichten
gedoofd bij automatische overschakeling
van dimlicht op dagrijlicht (DRL).
WAARSCHUWING
Dit is een stroombesparingsfunctie die niet
in alle gevallen kan bepalen wanneer de
omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
Verlichtingspaneel voor actieve xenonkoplampen
met DRL.
Verlichtingspaneel voor halogeenkoplampen met
DRL.
Met de verlichtingsdraaiknop in stand A wordt
overdag het dagrijlicht automatisch ingeschakeld. Een lichtsensor zorgt ervoor dat er bij
schemering of onvoldoende daglicht wordt
overgeschakeld van het dagrijlicht op het dimlicht.
Voor de betekenis van de uiteenlopende standen van de verlichtingsdraaiknop voor de verschillende koplampen, zie de voorgaande
tabellen op pagina 63 en 64.
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op
de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 169.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Richtingaanwijzers
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Korte serie knippersignalen
–
–
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (A) en laat de hendel vervolgens
los.
> De richtingaanwijzers lichten 3 keer op
waarna de stuurhendel terugveert naar
de uitgangspositie.
Onafgebroken serie knippersignalen
–
Richtingaanwijzer - korte serie knippersignalen
Richtingaanwijzer - onafgebroken serie
knippersignalen
Grootlichtsignaal en “Follow Me Home”verlichting
Wisselen tussen grootlicht en dimlicht.
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (B).
> De hendel blijft in de eindstand staan en
kan handmatig in de uitgangspositie
teruggezet worden of veert automatisch
terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
Grootlichtsignalen
–
Haal de hendel lichtjes tot in stand (C) naar
het stuurwiel toe.
> Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
Breng de stuurhendel naar de eindstand
(D) en laat de hendel los.
02
Om het groot licht te kunnen inschakelen moet
de transpondersleutel in stand II staan en de
verlichtingsdraaiknop in de eindstand, zie
pagina 62.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 301 seconden, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden, zie
pagina 85.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in stand (C) naar
het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Grootlichtsignalen zijn alleen mogelijk wanneer
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
1
Fabrieksinstelling.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer*
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
02
staat, geeft het display “--.-” aan. Tijdens regeneratie4 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 156.
GEMIDDELD
Het gemiddelde brandstofverbruik wordt berekend vanaf de laatste nulstelling met de knop
RESET.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
Duimwiel2 – menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren.
• --- MPH HUIDIGE SNELHEID3
RESET2 - op nul stellen
GEM. SNELHEID
G029052
READ - bevestigen
•
•
•
•
•
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. De menu’s
vormen een eindeloze lus.
2
3
4
68
--- KM/U GEM. SNELHEID
--.- KM/L HUIDIG
--.- L/100 KM GEMIDDELD
--- KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN*, zie
pagina 171
De gemiddelde snelheid wordt berekend vanaf
de laatste nulstelling met de knop RESET.
HUIDIG
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stil-
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregeling.
Bepaalde markten.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km.
Wanneer “--- KILOMETER TOT LEGE
TANK ” op het display staat, zijn geen garanties meer te geven voor de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
MPH HUIDIGE SNELHEID3
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
02
Op nul stellen
1. Selecteer --- KM/U GEM. SNELHEID of
--.- L/100 KM GEMIDDELD .
2. Zet op nul door op de knop RESET te drukken.
3. Als de knop RESET lang wordt ingedrukt
(minimaal 5 seconden) worden zowel de
gemiddelde snelheid als het gemiddelde
verbruik op nul gesteld.
3
Bepaalde markten.
69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
02
Intervalstand
U kunt de wissnelheid in de intervalstand bijstellen. Draai het duimwiel (2) omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
Ruiten- en koplampsproeiers
Regensensor, aan/uit
Duimwiel
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
70
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden de
koplampen op een van de onderstaande
manieren gesproeid.
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens
worden de koplampen iedere vijfde sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang er
maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
• De actieve xenonkoplampen worden
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De draaiknop op het verlichtingspaneel in
stand 0:
Regensensor*
Regensensor activeren:
–
• De actieve xenonkoplampen worden
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
02
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
• Halogeenkoplampen worden niet
1. Druk op de knop (1)
gesproeid.
G029053
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ca. 1 liter sproeiervloeistof in
het reservoir zit en op het display van het
instrumentenpaneel de melding verschijnt dat
u sproeiervloeistof moet bijvullen, worden de
koplampen niet langer schoongesproeid. Dit
omdat de sproeifunctie van de voorruit en een
goed zicht door de voorruit de voorrang hebben.
Druk op de knop (1), zie pagina 70. Een
displaysymbool geeft aan dat de regensensor actief is.
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (2), zie pagina 70.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel
van de ruitenwissers in stand 0 (niet geactiveerd).
2. Haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0 (niet geactiveerd), zie pagina 70.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
BELANGRIJK
Bij wassen in de wasstraat: Schakel de
regensensor uit door op knop (1) te drukken
terwijl de transpondersleutel in stand I of II
staat. Anders kunnen de ruitenwissers van
de voorruit worden gestart en beschadigd
raken.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Duimwiel
02
72
Met het duimwiel kunt u de wisfrequentie
instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid van de regensensor
(als u de regensensor hebt geactiveerd).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G020141
G029054
–
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk op + of – om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
–
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Afhankelijk van het motortype.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
–
74
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsensets op stuurwiel*
Toetsfuncties
PHONE zodat u het telefoonsysteem vervolgens kunt gebruiken met de pijltjestoetsen.
02
Druk op EXIT. om de instellingen van het
audiosysteem te hervatten. Druk nogmaals op
EXIT om terug te gaan naar het telefoonmenu.
Met de toets ENTER kunt u menu-opties kiezen, activeren en deactiveren. U kunt de toets
ook gebruiken om de mapstructuur te openen
en de weergave te starten van audiobestanden, als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler/cd-wisselaar* zit. Voor meer informatie, zie pagina 268.
De toetsenset is verkrijgbaar in twee uitvoeringen,
afhankelijk van de uitrusting in de auto.
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u een
andere radiozender selecteren of een andere
track op een cd en het volume regelen.
–
Houd een van de pijltjestoetsen ingedrukt
om versneld voor- of achteruit te spoelen
of een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen in het telefoonsysteem te kunnen verrichten moet de telefoon zijn geactiveerd. Activeer de telefoonfunctie met de toets
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielverstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02
ten automatisch ingeschakeld, zie
pagina 169. U kunt de functie uitschakelen
met een druk op de knop.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
G020143
Alarmlichten
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te maken.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
G020144
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding of een
krachtige remmanoeuvre worden de alarmlich-
76
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem
Algemeen
> Het waarschuwingslampje op het dashboard gaat branden.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling of de P-stand van een
automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
02
Handrem lossen
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
4. Als de auto beweegt dient u de hendel minstens één tandje strakker aan te trekken.
• Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
Waarschuwingslampje op dashboard en sticker
die wijst op het risico van beknelling.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Zorg dat kinderen, andere passagiers of
voorwerpen niet bekneld raken bij het aanhalen of lossen van de handrem.
Handrem aanzetten
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, duw,
terwijl u de knop ingedrukt houdt, de hendel omlaag en laat de knop weer los.
> Het waarschuwingslampje op het dashboard dooft.
Op een helling parkeren
Bij het parkeren van de auto op een oplopende
helling:
• Draai de wielen van de trottoirband af.
Bij het parkeren van de auto op een aflopende
helling:
• Draai de wielen naar de trottoirband toe.
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel stevig omhoog.
77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
02
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen in sleutelstand I en II.
Ook wanneer de auto stilstaat en u de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
Bestuurdersportier
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de achterste
zijruiten goed in de gaten, wanneer u ze met
de knoppen op het bestuurdersportier of
met de afstandsbediening sluit.
Zijruit openen:
–
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
–
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Afstandsbediening
Voor het bedienen van de elektrisch bedienbare ruiten met de afstandsbediening, zie
pagina 130.
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Knop voor alle elektrisch bedienbare zijruiten
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Handmatige bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (2) of (3)
voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig
78
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten
komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
Automatische bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (3)
omlaag of trek er één omhoog en laat deze
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als een zijruit door iets
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van die zijruit afgebroken.
Alleen de voorste zijruiten zijn automatisch te
sluiten.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
02
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer naar
de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
door de transpondersleutel te verwijderen.
Let er bij het sluiten van de zijruiten op dat
kinderen of andere inzittenden niet bekneld
kunnen raken.
Passagiersplaats
De bedieningsknoppen op het passagiersportier werken op dezelfde manier als die op het
bestuurdersportier.
Alle ruiten tegelijk
Met knop (1) kunt u alle ruiten tegelijk openen
of sluiten. Met een korte druk op de rechterzijde van de knop worden de ruiten automatisch geopend. Met een druk op de linkerzijde
worden ze gesloten.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard niet
meer wanneer de beveiliging eenmaal in
werking is getreden.
Passagiersplaats.
Met de knop voor de elektrische bediening van
de ruit op het passagiersportier kunt u alleen
die ruit bedienen.
79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Achteruitkijkspiegel
tisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig
op spiegels met autodimfunctie.
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Normale stand
Dimstand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020991
G020992
Achteruitkijkspiegel met kompas*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt. Het teken C verschijnt vervolgens (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
3. Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
02
4. Druk meerdere malen op het knopje (1) totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
Magnetische zones, Europa.
G020152
6. Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
G020150
5. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
Magnetische zones, Zuid-Amerika.
Magnetische zones, Azië.
G020153
G020151
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Magnetische zones, Australië.
``
81
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt. Dat is
mogelijk in sleutelstand I en II.
02
Spiegels inklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
G020154
WAARSCHUWING
De buitenspiegel aan bestuurderszijde is
groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in
werkelijkheid zijn.
Magnetische zones, Afrika.
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u vóór op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen in sleutelstand I en II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje op de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Spiegels uitklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Automatisch in-/uitklappen
Wanneer u de auto vanaf de afstandsbediening
of via het Keyless Drive-systeem, zie
pagina 136, vergrendelt/ontgrendelt, worden
de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
N.B.
Bij ontgrendeling worden de buitenspiegels
niet automatisch uitgeklapt, als deze met
behulp van de knoppen op het portier werden ingeklapt.
Als de auto via de afstandsbediening werd
vergrendeld en vervolgens wordt gestart,
zullen de buitenspiegels echter wel uitgeklapt worden.
U kunt de functie is activeren/deactiveren
onder Instellingen van de auto… Spiegels
inkl. bij afsl., zie pagina 85 voor een beschrijving van het menusysteem.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
De lampjes* in de buitenspiegels gaan branden, als de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting wordt geactiveerd.
BLIS, Blind Spot Information System*
Stand buitenspiegels vastleggen
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- of uitklappen weer werkt.
1. Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
Water- en vuilafstotende laag*
2. Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan vervolgens weer in de neutrale stand.
02
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt,
zie pagina 176.
De standen van de buitenspiegels worden
vastgelegd, wanneer u de auto met de
afstandsbediening vergrendelt. Een volgende
keer dat de auto met dezelfde afstandsbediening wordt ontgrendeld, nemen de buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde
standen in.
In neutrale stand terugzetten
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de waterafstotende laag ontstaan.
De voorste zijruiten zijn voorzien van
een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt. Voor informatie
over het onderhoud, zie pagina 216.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Mogelijke instellingen
02
Voor sommige autofuncties zijn persoonlijke
instellingen mogelijk. Dit geldt voor de vergrendelings-, de klimaatregelings- en de audiofuncties. Voor de audiofuncties, zie
pagina 256.
Display
Instellen, klok
MENU
U kunt de uur- en minuutaanduiding elk apart
instellen.
EXIT
ENTER
Navigatie
Bedieningspaneel
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (1).
1. Gebruik de cijfers van de toetsenset of de
“pijl-omhoog” of de “pijl-omlaag” van de
navigatieknop (5).
2. Markeer het te wijzigen cijfer met de “pijlrechts” of de “pijl-links” van de navigatieknop.
3. Druk op ENTER om de klok te starten.
Open het menu om instellingen te verrichten:
N.B.
1. Druk op MENU (2).
Bij een klok met 12-uursaanduiding kies u
na het instellen van het aantal minuten voor
AM/PM met de “pijl-omhoog” of de “pijlomlaag”.
2. Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto… met behulp van de navigatieknop
(5).
3. Druk op ENTER (4).
4. Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (5).
Klimaatinstellingen
5. Activeer uw keuze met ENTER.
Bij auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen:
Een geactiveerde functie wordt op het dis. Een gedeactiplay aangegeven met
veerde functie wordt op het display aan.
gegeven met
Bedieningspaneel.
Menu sluiten:
–
84
Houd de knop EXIT (3) ca. één seconde
ingedrukt.
Autom. blower afstellen
–
U kunt kiezen uit Laag, Normaal en
Hoog.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Timer recirculatie
Auto is open, lampje
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in de
auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3–12 minuten lang gerecirculeerd.
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
–
Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend*
U kunt de buitenspiegels bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto automatisch laten
inklappen c.q. uitklappen. U hebt de keuze uit
de opties Aan/Uit.
Guard beperkt*
Het is mogelijk de Safelock-functie tijdelijk te
deactiveren en het alarmniveau tijdelijk te verlagen, als er bijvoorbeeld iemand in de auto
achterblijft nadat de portieren van de buitenzijde zijn vergrendeld. U hebt de keuze uit
Eenmaal activeren en Vraag bij verlaten,
zie pagina 142 en 146.
02
Op afstand openen*
• Alle portieren - beide portieren alsmede
het kofferdeksel worden tegelijkertijd ontgrendeld1.
Auto is op slot, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
Portieren autom op slot
Het is mogelijk om de portieren en het kofferdeksel automatisch te laten vergrendelen bij
een rijsnelheid hoger dan 7 km/h. U hebt de
keuze uit de opties Aan/Uit. Door tweemaal
aan de openingshandgreep te trekken kunt u
de portieren van de binnenzijde ontgrendelen
en openen.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
• Alle portieren - beide portieren en het kofferdeksel ontgrendelen met één druk op de
afstandsbediening.
• 1st chauffeur, dan rest - het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening. Als u nog een keer
1
drukt, worden ook het passagiersportier en
het kofferdeksel ontgrendeld.
• Beide voorportieren - beide voorportieren worden tegelijkertijd ontgrendeld.
•
Elk portier – voorportier (naar keuze) of
kofferdeksel wordt apart ontgrendeld.
Alle ruiten gelijktijdig openen
Voor de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening is de volgende functie te selecteren:
• Auto. alle venst. openen – bij lang indrukken van de ontgrendelingsknop worden
alle ruiten gelijktijdig geopend.
“Approach”-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet blijven branden bij een druk op de knop
voor “Approach”-verlichting op de afstandsbediening - zie pagina 130.
U hebt de keuze uit de volgende opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
Beide portieren alsmede het kofferdeksel zijn ook gelijktijdig te vergrendelen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
“Follow Me Home”-verlichting
02
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen van
de transpondersleutel - zie pagina 67.
U hebt de keuze uit de volgende opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
Informatie
• VIN-nummer… - (Vehicle Identification
Number) is het unieke identificatienummer
van de auto.
• Aantal sleutels… - geeft het aantal sleutels weer dat voor de auto geregistreerd is.
86
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Algemeen
WAARSCHUWING
G030070
•
HomeLinkŸ1 is een programmeerbare
afstandsbediening die tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op
afstand kan bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. Breng voor
meer informatie over HomeLinkŸ een bezoek
aan: www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
1
Als u HomeLinkŸ gebruikt voor bediening van een garagedeur of toegangshek, let er dan op dat er zich niemand in
de buurt van de bewegende deur of het
bewegende hek bevindt.
•
Zorg dat de auto buiten de garage staat
tijdens het programmeren van de garagedeuropener.
•
Gebruik HomeLinkŸ niet voor een elektrische garagedeur zonder veiligheidsstop en -retour.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij aankoop van
een nieuwe auto of gebruik in een andere auto).
Het wordt tevens geadviseerd om de programmering van de knoppen te wissen bij verkoop
van de auto. Zie het onderdeel ‘HomeLink®knoppen herstellen’ op pagina 88.
HomeLinkŸ programmeren
N.B.
02
Bij bepaalde auto’s moet het contact zijn
ingeschakeld of in de ‘accessoirestand’
staan, voordat HomeLinkŸ kan worden
geprogrammeerd of gebruikt. Plaats gerust
nieuwe batterijen in de afstandsbediening
die HomeLinkŸ moet vervangen, omdat de
programmering dan mogelijk sneller verloopt en het radiosignaal sterker is. Herstel
de HomeLinkŸ-knoppen alvorens te programmeren. HomeLinkŸ staat vervolgens in
de ‘inleermodus’ en is klaar voor programmering.
1. Richt de originele afstandsbediening op de
te programmeren HomeLinkŸ-knop en
houd de afstandsbediening op 5–14 cm
van de knop. Blokkeer het controlelampje
van HomeLinkŸ niet.
2. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop op de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los, wanneer het
langzaam knipperende controlelampje
sneller gaat knipperen. Wanneer het controlelampje snel knippert, kunt u beide
knoppen loslaten.
HomeLink en het symbool met het HomeLink-huis zijn geregistreerde handelsmerken van Johnson Controls, Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
02
3. Druk op de te programmeren
HomeLinkŸ-knop, houd deze
5 seconden lang ingedrukt en laat de
knop weer los. Herhaal dit zo nodig, totdat
de garagedeur reageert. Als de deur niet
reageert, druk dan op de geprogrammeerde HomeLinkŸ-knop, houd deze ingedrukt en controleer het controlelampje.
> Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna continu. Ga
in dat geval verder met de programmeringspunten 4–6 om de programmering
af te ronden bij een systeem met rollende code (veelal een garagedeuropener).
4. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger).
2
88
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Druk de “inleerknop” van de ontvanger in
en laat deze los. De knop knippert
ca. 30 seconden en binnen deze periode
moet u het volgende punt uitvoeren.
6. Druk op de te programmeren HomeLinkŸknop, terwijl de “inleerknop” van de ontvanger nog knippert. Houd de HomeLinkknop ca. 2 seconden lang ingedrukt en laat
deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
N.B.
Als het contact niet is uitgeschakeld, blijft
HomeLinkŸ tot 30 minuten na opening van
het bestuurdersportier werken.
Neem bij aanhoudende programmeringsproblemen contact op met HomeLinkŸ op:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
HomeLinkŸ-knoppen herstellen
Bediening
HomeLinkŸ
Zodra
geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk op de geprogrammeerde knop en houd
deze ingedrukt, totdat de garagedeur, het
alarmsysteem e.d. reageert (kan enkele seconden duren). Uiteraard kunt u de originele
afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven
gebruiken.
U kunt de HomeLinkŸ-knoppen alleen allemaal
tegelijk herstellen en dus niet slechts één
ervan. Herprogrammeren van slechts één knop
is echter wel mogelijk, zie het volgende
gedeelte “Afzonderlijke knop programmeren”.
1. Druk de buitenste twee knoppen op
HomeLinkŸ in en laat deze pas los, wanneer het controlelampje gaat knipperen.
2. Laat de knoppen los.
> HomeLinkŸ staat daarmee in de “inleerstand” en is klaar voor programmering,
zie het gedeelte “HomeLink® programmeren” op pagina 87.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke
HomeLinkŸ-knop te programmeren:
02
1. Druk op de gewenste knop en houd deze
ingedrukt.
2. Begin, wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ gaat knipperen (na ca. 20
seconden), met punt 1 in het gedeelte
“HomeLink® programmeren” op pagina
87.
Breng voor meer informatie over HomeLinkŸ of
bij op- en aanmerkingen een bezoek aan:
www.homelink.com of bel
00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer
+49 6838 907 277).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 92
Elektronische klimaatregeling, ECC*....................................................... 94
Luchtverdeling........................................................................................ 98
Motor- en interieurverwarming op brandstof*......................................... 99
Extra verwarming op brandstof* (diesel)............................................... 102
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
Persoonlijke instellingen
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC, Electronic Climate Control).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
Interieurfilter
•
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
• de ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC).
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt eerst gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte.
Voor meer informatie over het verrichten van
instellingen, zie pagina 84.
Blaasmonden in dashboard
N.B.
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u verrichte klimaatinstellingen weergegeven.
G019942
Beslagen ruiten
Open
Dicht
92
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer – Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
03
Zijruiten en schuifdak
ECC
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en de hardtop gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
93
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bedieningspaneel
03
AUTO
Ventilator
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuurknop
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functies
1. AUTOM.
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gewenste
temperatuur wordt bereikt.
De automatische functie
regelt de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Wanneer de hardtop geopend is, komt er meer
warme of koude lucht uit de onderste blaasmonden in het interieur. Het vermogen van de
klimaatregeling wordt bovendien beperkt, als
het niet mogelijk is om voor compensatie te
zorgen voor de temperatuursinvloeden buiten
de auto.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
functie AUTO activeert. Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
2. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
Timer
Of:
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Voor het in- en uitschakelen van deze functie, zie pagina 84.
–
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt met
andere woorden geen lucht
van buiten de auto in, wanneer deze functie
actief is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
•
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
N.B.
3. Recirculatie
• De Air Quality Sensor is actief – het lampje
(A) brandt.
geerd.
Als de knop linksom is gedraaid en de ventilatorindicatie op het display uit is gegaan,
zijn de ventilator en de airco uitgeschakeld.
Het display toont het symbool voor ventilator en UIT.
Selecteer een van de volgende drie functies door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
3. Interior Air Quality System*
Dezelfde knop als de recirculatie.
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter
met een Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de
binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de
lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
03
De recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
• De recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
Let erop dat:
• U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld moet laten staan.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U beter de ontwaseming voor de voorruit,
achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
Air Quality Sensor activeren:
–
Druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
4. Ontwaseming
03
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (6))
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
Zie de tabel op pagina 98.
6. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Uit
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
N.B.
Het effect van de ontwasemingsfunctie van
de klimaatregeling met vochtsensor neemt
sterk af, wanneer u de airconditioning hebt
uitgeschakeld (OFF) of handmatig een
bepaalde luchtverdeling en ventilatorsnelheid hebt gekozen.
Hoog verwarmingsniveau:
–
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Laag verwarmingsniveau:
–
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
–
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
03
Bij koud weer blijft de verwarming* echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar worden
instellen.
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde. Wanneer u de
knop nogmaals indrukt, activeert u de andere
zijde. Bij een derde keer indrukken zijn beide
zijden geactiveerd.
Het lampje in de knop en het display boven het
klimaatregelingspaneel geven aan welke zijde
actief is.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
03 Klimaat
Luchtverdeling
03
98
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning
is altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en de
zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en
vochtig weer te voorkomen (niet voor lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit de
blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in
het dashboard en op de ruiten.
om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten,
uit de blaasmonden in het
dashboard en naar de vloer.
om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Algemene informatie over
verwarmingen
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display.
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
–
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 50
minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
Accu en brandstof
Bevestig deze melding door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
03
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding PARK.VERW. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming inschakelen
Lampjes en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatielampje op
het instrumentenpaneel branden
en op het informatiedisplay verschijnt een verklarende melding.
G029052
03
Knop READ
Duimwiel1
Knop
RESET1
Display
Betekenis
BRANDSTOFVERWARMING
AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
TIMER INGESTELD OP B.VERWARMING
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Display
Betekenis
VERWARMING
STOP ACCUSPANN. LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
VERWARMING
STOP BR.ST.NIV.
LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten nog 50 km
kan worden gereden.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar DIRECTE
START PARK.VERW. UIT of DIRECTE
START PARK.VERW. AAN te gaan.
2. Als de RESET-knop lang wordt ingedrukt,
wordt er gewisseld tussen de beide alternatieven.
DIRECTE START PARK.VERW. AAN: De
standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld.
DIRECTE START PARK.VERW. UIT: De
standverwarming is uitgeschakeld.
1
100
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
7. Druk op de knop RESET om de timers te
activeren.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u een
tweede uitschakeltijd programmeren onder
TIMER 2 door aan het duimwiel te draaien.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of TIMER PARK.VERW
2.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
03
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet: Doe dat als
volgt:
1. Druk op de knop READ.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij TIMER 1.
1. Gebruik het duimwiel om naar TIMER
PARK.VERW --:-- AAN te gaan.
2. Druk langdurig (ca. 2 seconden) op de
RESET-knop om naar de knipperende tijdinstelling te gaan.
Klok/timer
De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
03 Klimaat
Extra verwarming op brandstof* (diesel)
Extra verwarming (diesel)
Bij koud weer moet de extra verwarming wellicht worden ingeschakeld om motor en passagiersruimte voldoende te verwarmen.
03
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
De extra verwarming valt niet handmatig
worden in of uit te schakelen, maar wordt
geheel elektronisch gestuurd.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
03
103
Voorstoelen...........................................................................................
Elektrisch bedienbare hardtop .............................................................
Windscherm*.........................................................................................
Interieurverlichting.................................................................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte..........................................
Kofferbak...............................................................................................
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
106
111
115
116
118
123
INTERIEUR
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding, handmatig bedienbare
stoel
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
Zithouding, elektrisch bedienbare
stoel*
Lendensteun wijzigen1, aan de knop
draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
Hendel (2) is niet op alle stoelmodellen aanwezig.
04
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het bijstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting (bestuurdersstoel en passagiersstoel*) hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
1
106
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zet de bestuurdersstoel in de juiste stand en
stel de veiligheidsgordel af (zie pagina 18)
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
N.B.
De veiligheidsgordel bij het omdoen vanonder bij de gordelgeleider omhooghalen, niet
vanboven bij de schouder omlaag.
G020199
WAARSCHUWING
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen in sleutelstand I
of II.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
04 Interieur
Voorstoelen
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Geheugenfunctie
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de instellings- of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel tot
stilstand te brengen.
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Noodstop
WAARSCHUWING
• Stel de stoel naar wens in.
• Vergrendel de auto door de vergrendelknop op de gebruikelijke transpondersleutel in te drukken. Daarmee liggen de stoelen buitenspiegelposities opgeslagen in het
geheugen van de transpondersleutel3.
• Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel te
drukken) en open het bestuurdersportier.
De bestuurdersstoel en de buitenspiegels
nemen automatisch de posities in die in het
geheugen van de transpondersleutel zijn
opgeslagen (als de stand van de stoel na
vergrendeling van de auto werd gewijzigd).
04
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
G020200
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt.
2
3
Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld kan raken.
Geheugenfunctie van
transpondersleutel
In alle transpondersleutels kunnen bestuurdersstoel- en buitenspiegelinstellingen2 voor
verschillende bestuurders worden opgeslagen. Ga als volgt te werk:
Alleen als de auto is uitgerust met een elektrisch bedienbare bestuurdersstoel met geheugen en elektrisch inklapbare buitenspiegels.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn opgeslagen met de geheugenfunctie voor de elektrisch bediende stoel.
107
04 Interieur
Voorstoelen
Achterinstap
N.B.
Zet de stoel lager alvorens deze naar voren
te duwen – anders bestaat het gevaar dat
de hoofdsteun tegen de zonneklep aankomt.
Handmatig bedienbare stoel
Stoel naar voren duwen:
04
Til de handgreep omhoog.
Handgreep voor omklappen rugleuning
Klap de rugleuning voorover en duw de
stoel naar voren.
Knop voor langsverschuiving elektrisch
bedienbare stoel
N.B.
Zorg dat er niemand op de stoel zit, wanneer
deze ten behoeve van de achterinstap naar
voren schuift.
108
Neem de veiligheidsgordel van de gordelgeleider, zie ook pagina 20.
04 Interieur
Voorstoelen
Stoel naar achteren duwen:
2. Til de handgreep (1), zie pagina 106,
omhoog en duw de stoel tot in de achterste
eindstand.
3. Duw, terwijl u de handgreep omhooghoudt, de stoel tot in de gewenste stand
naar voren en laat de handgreep weer los.
Elektrisch bedienbare stoel*
Stoel naar voren duwen:
04
Til de handgreep omhoog.
Duw de stoel naar achteren.
Klap de rugleuning tot in de geblokkeerde
stand naar voren.
2. Stel de positie van de stoel in lengterichting
in.
3. Zet de rugleuning weer rechtop.
4. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
Als de stoel, nadat deze naar achteren geschoven werd, niet in dezelfde stand is teruggekomen als vóór de achterinstap, doe dan het volgende:
Neem de veiligheidsgordel van de gordelgeleider, zie ook pagina 20.
1. Neem plaats op de stoel.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
04 Interieur
Voorstoelen
Stoel naar achteren duwen:
N.B.
Alleen wanneer de rugleuning omgeklapt is,
kan de stoel maximaal (+6 cm) naar voren
worden geschoven om achterpassagiers
makkelijker te laten in- en uitstappen. Als u
de rugleuning weer rechtop zet terwijl de
stoel zo ver mogelijk naar voren staat,
schuift de stoel na enkele seconden automatisch 6 cm naar achteren.
WAARSCHUWING
04
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen en
eraan te trekken.
Houd de voorkant van de knop ingedrukt.
Als de stoel hoger afgesteld staat, zakt
deze automatisch tot in de laagste stand
omlaag om te voorkomen dat de hoofdsteun tegen de zonneklep aankomt.
Til de handgreep omhoog en klap de rugleuning weer rechtop.
Houd de achterkant van de knop ingedrukt.
3. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
Laat de veiligheidsgordel aan de passagierszijde tijdens het rijden op de gordelgeleider zitten, ook al zit er niemand op deze stoel.
Inlegmatten*
Volvo biedt inlegmatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
110
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Voorwaarden voor bediening hardtop
WAARSCHUWING
• Geen voorwerpen op de hoedenplank.
• Geen sneeuw, ijs of losse voorwerpen op
Tussen de bewegende delen van de hardtop of het kofferdeksel kunnen mensen (kinderen!) of voorwerpen bekneld raken.
de hardtop of op het kofferdeksel.
• De hardtop is droog.
• Er is 2,0 m aan vrije hoogte (A) boven de
auto en 0,2 m van de achterbumper tot aan
obstakels achter de auto (B).
Omgevingstemperatuur –10 °C of hoger.
Bagagewand dicht, zie pagina 123.
B
Kofferdeksel gesloten.
Stilstaande auto, rempedaal ingedrukt.
Als u de aanwijzingen op de volgende pagina’s
niet opvolgt, is schade aan het openings- en
sluitingsmechanisme van de hardtop niet uit te
sluiten.
Volvo adviseert tevens het volgende:
G020800
•
•
•
•
A
•
Bedien de hardtop daarom onder toezicht.
•
•
Zie de sticker op de bagagewand.
•
Laat de hardtop niet langer dan nodig in
een tussenpositie stilstaan.
Laat kinderen niet met de bedieningsknoppen spelen.
04
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Water op de hardtop kan bij het openen van
de hardtop de kofferbak en het interieur
inlopen.
Transpondersleutel nooit in de auto achterlaten als er kinderen alleen in de auto zitten.
• Vlakke ondergrond.
• Uitvoering van de hardtopbediening in één
vloeiende beweging.
• Motor loopt stationair.
111
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Afdekking
Hardtop openen en sluiten
komen na afloop van de hardtopbediening
weer omhoog.
Laat de knop los, wanneer er een signaal klinkt
en de melding DAK DICHT of DAK OPEN op
het informatiedisplay verschijnt.
WAARSCHUWING
G020801
G018351
04
Wanneer de hardtop openstaat is de ruimte
tussen de hoofdsteunen van de achterbank en
het kofferdeksel afgedekt met een afdekking
(zie bovenstaande afbeelding).
BELANGRIJK
Gebruik de afdekking niet om lading of personen op te vervoeren, omdat de afdekking
daarbij beschadigd kan raken.
Sluit hardtop
Consequenties van het gebruik:
•
•
Open hardtop
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
De voorkeur gaat uit om de motor te starten!
2. Trap op het rempedaal.
3. Houd de linker knop (1) ingedrukt om de
hardtop te sluiten of de rechter knop (2) om
de hardtop te openen.
Let tijdens het bedienen van de hardtop op
eventuele meldingen op het informatiedisplay.
Eventueel gesloten ruiten
zakken ca. 10 centimeter omlaag. Alle ruiten
112
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulische systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop of
het kofferdeksel,
•
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Zorg ervoor dat aan de voorwaarden is voldaan voordat u de hardtop bedient.
Tekst op informatiedisplay
Bepaalde meldingen gelden ook voor Load
Assist, zie pagina 123.
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
• DRUK OP REM VOOR
DAKBEDIENING – Trap eerst op het rempedaal om de hardtop te kunnen bedienen.
• KOFFERBAK DICHT VOOR WERKING
DAK – Het kofferdeksel staat niet dicht.
Sluit het kofferdeksel.
• KOFFERBAKDEKSEL HELEMAAL
OPENEN – Open het kofferdeksel geheel.
• KOFFERBAK APART DICHT VOOR
DAK – De bagagewand staat niet dicht.
Sluit de bagagewand, zie pagina 123.
• ACCUSPANN. LAAG VOOR WERKING
DAK – De accuspanning is te gering. U
kunt de hardtop alleen sluiten. Laad de
accu op door bijvoorbeeld de motor te
starten en probeer opnieuw.
• DAK NIET OP SLOT – De hardtop werd
niet goed geopend of gesloten. Probeer de
hardtop opnieuw te openen of te sluiten.
• DAK IN LASTHULP POSITIE – De hardtop werd omhooggebracht door de functie
Load Assist. Breng de hardtop omlaag, zie
pagina 123.
Meldingen bij storingen in de hardtop
Bij storingen in de hardtop kunnen er twee meldingen op het informatiedisplay verschijnen:
• STORING DAK SERVICE VEREIST – Het
is niet mogelijk de hardtop te bedienen. Er
zijn servicewerkzaamheden door een
erkende Volvo-werkplaats vereist.
• STORING DAK ZIE HANDLEIDING – Er
gelden speciale aanwijzingen voor bediening van de hardtop of Load Assist. Er zijn
servicewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats vereist.
Bijzondere bedieningsinstructies bij
storingen in de hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnt, valt de hardtop niet op de normale
manier te bedienen.
N.B.
BELANGRIJK
Om de hardtop bij een storing in de hardtopbediening te kunnen sluiten moet u
nauwkeurig controleren of er is voldaan aan
de voorwaarden voor bediening van de
hardtop (zie pagina 111). Zelfs als er aan de
voorwaarden is voldaan, bestaat er een
aanzienlijk gevaar voor materiële schade.
1. Houd de sluitingsknop ingedrukt totdat de
melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het display verschijnt.
Laat de knop vervolgens los.
04
2. Druk opnieuw op de sluitingsknop. Houd
de knop minstens 30 seconden lang ingedrukt totdat de hardtop en het kofferdeksel
zijn gesloten. Let op eventuele fouten die
schade aan de auto kunnen veroorzaken.
Tijdens het sluiten klinkt van begin tot einde
een geluidssignaal.
Eenmaal gesloten kunt u de hardtop niet
meer openen.
• TEMP. BEPERKT WERKING DAK - Het
bedieningssysteem voor de hardtop is
ofwel oververhit of de buitentemperatuur is
lager dan –10 °C. Als de hardtop oververhit
is, moet u ca. 5 minuten wachten totdat de
melding is verdwenen en het daarna
opnieuw proberen.
113
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
WAARSCHUWING
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulische systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
Consequenties van het gebruik:
04
•
•
•
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop of
het kofferdeksel,
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het hardtopsysteem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en leiden tot ernstig letsel.
114
04 Interieur
Windscherm*
Algemene informatie
N.B.
Wees voorzichtig met de bekleding.
U gebruikt de ritssluitingen van het windscherm om bagage op de achterbank te vervoeren of deze te verwijderen.
G020804
WAARSCHUWING
Controleer of het windscherm goed vastzit.
Het kan anders loskomen bij uitwijkmanoeuvres e.d. en persoonlijk letsel of materiële schade veroorzaken.
04
WAARSCHUWING
Om bij het rijden met een geopende hardtop de
turbulentie in het interieur te verminderen kunt
u gebruik maken van het windscherm.
Windscherm aanbrengen
1. Klap het vierdelige scherm tot op de volle
breedte uit en duw de borging in.
Bij gebruik van het windscherm mag u geen
achterpassagiers vervoeren.
Bewaar het scherm in de opbergzak en leg
deze op de vloer van de kofferbak.
2. Duw het windscherm dusdanig onder de
hoofdsteunen dat het op de bovenkant van
het ruggedeelte rust.
3. Duw de borghendels in de houders op de
zijpanelen in totdat u een klikt hoort.
4. Klap het opstaande deel van het windscherm omhoog.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
04 Interieur
Interieurverlichting
• de motor afgezet is en de transponder-
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
Make-upspiegel*
sleutel in stand 0 is gezet
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een druk op de bijbehorende knoppen op
de plafondconsole.
Verlichting achterin
G020805
G020210
04
Het lampje gaat automatisch aan of uit, wanneer u het klepje optilt c.q. sluit.
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor, aan/uit
Verlichting dashboardkastje
Interieurverlichting
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld in sleutelstand I en II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook
worden ingeschakeld binnen 30 minuten
nadat:
G020806
Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
In of uit te schakelen met een druk op de knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
04 Interieur
Interieurverlichting
Automatische verlichting
Met de knop (2), zie pagina 116, kunt u drie
verlichtingsstanden selecteren voor de verlichting in het interieur:
• Uit – rechterkant (met opschrift 0) ingedrukt, automatische bediening interieurverlichting uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 5 minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na 5 minuten automatisch worden uitgeschakeld.
• Neutrale stand – automatische verlichting
ingeschakeld. De dimfunctie is actief.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
04
Neutrale stand
Met de knop (2) in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de transpondersleutel ontgrendelt;
• u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel naar stand 0. hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• de auto wordt vergrendelt met een sleutel
of transpondersleutel.
117
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
04
118
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken).
Opbergvak aan de voorkant van de voorstoelzittingen.
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Opbergvak achter middenconsole
04
Tunnelvak (bijvoorbeeld voor cd’s)
Bekerhouder (met schuifklepje*)
Opbergvak in zijpaneel achterin.
Opbergvak aan de achterkant van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
G024208
Bekerhouder (met schuifklepje*)
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor parkeergeld, pennen en tankkaarten.
De hoofdsteun van de passagiersstoel is voorzien van een kledinghaak. Hang alleen lichtere
kledingstukken aan deze haak.
Het dashboardkastje kan handmatig worden
vergrendeld met behulp van het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel. Meer
informatie staat op pagina 131.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
119
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel
Opbergvak in zijpaneel achterin
Opbergvak onder de armsteun voorin
U kunt het opbergvak openen door het onder
aan de voorkant op te tillen en sluiten door
lichte druk aan te brengen op de bovenkant
ervan.
120
U kunt het opbergvak openen en sluiten door
in het midden van de bovenkant ervan lichte
druk aan te brengen.
G018371
G020807
G030407
04
Onder de armsteun zit een opbergvak. In de
deelbare armsteun zit tevens een kleiner
opbergvak. Druk op de kleine knop en licht de
armsteun op om het ondiepe opbergvak te
openen. Druk op de grote knop en licht de
armsteun op om het diepere opbergvak te openen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in middenconsole
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder,
omdat dergelijke voorwerpen ertoe kunnen leiden dat het alarm* ten onrechte afgaat, zie
pagina 144.
Sluit het schuifklepje door het aan de voorkant
beet te pakken en naar voren toe dicht te schuiven.
Opbergvak achter de handremhendel
In het vakje onder het schuifklepje kan een
dubbele bekerhouder worden aangebracht.
Wanneer u de bekerhouder verwijdert, kunt u
andere spullen in het vakje opbergen. Licht
daarvoor de bekerhouder aan de achterkant,
bij de uitsparing, op.
Breng bij het aanbrengen van de bekerhouder
eerst de twee stuurnokken aan in de twee uitsparingen voor in het vakje en duw daarna de
achterkant van de bekerhouder omlaag.
De bekerhouder kan niet worden verwijderd bij
auto’s met een alarmsysteem met bewegingsmelder*.
G019624
Het diepe vak biedt plaats aan 10 cd-hoesjes
van standaardformaat. Om 10 hoesjes te kunnen opbergen dient u ze met de korte kant
omlaag aan te brengen.
G018372
G026704
04
Wanneer de auto geen knoppen heeft voor
Park Assist en BLIS, zie pagina 174 en 177, is
de ruimte voor de ontbrekende knoppen te
benutten als opbergvak.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
WAARSCHUWING
Eventuele voorwerpen in dit opbergvak
mogen een aangetrokken handremhendel
niet in de weg zitten.
04
122
04 Interieur
Kofferbak
Load Assist
Bagagewand
De bagagewand heeft tot doel de hoeveelheid
bagage in de kofferbak dusdanig te beperken
dat de hardtop ongehinderd kan bewegen. Let
erop dat de bagagewand goed gesloten wordt
en links en rechts stevig vergrendeld wordt.
BELANGRIJK
Plaats geen voorwerpen boven op of naast
de bagagewand wanneer deze gesloten is.
Plaats de bagage niet dusdanig dat deze
uitsteekt boven de gesloten bagagewand.
Sticker op bagagewand.
N.B.
Bij een te grote hoeveelheid lading in de
kofferbak kan de bagagewand niet gesloten
worden. In dat geval kan de hardtop evenmin worden geopend.
G020848
G020847
G020845
04
Knop om de hardtop omhoog en omlaag te brengen.
Een geopende hardtop ligt opgevouwen in de
kofferbak. Met de knop (zie bovenstaande
afbeelding) kunt u de hardtop omhoog- en
omlaagbrengen om zo gemakkelijker in en uit
te laden. Bij Load Assist worden de normale
hardtopbewegingen in beperkte mate uitgevoerd. De meldingen op het informatiedisplay
over de bediening van de hardtop gelden
daarom ook voor Load Assist, zie pagina 112.
123
04 Interieur
Kofferbak
Personen of voorwerpen die de hardtop tijdens het omhoog- of omlaagbrengen in de
weg zitten lopen het risico bekneld te raken.
Load Assist gebruiken
04
Met een druk op de knop kunt u het omhoog-/
omlaagbrengen van de hardtop starten of
stopzetten. Het kan enige seconden duren
voordat de hardtop in beweging komt. Als er
een geluidssignaal klinkt bij het indrukken van
de knop en de hardtop niet beweegt, moet u
de melding op het informatiedisplay lezen.
1. Druk op de knop om de hardtop omhoog
te brengen.
2. Til de bagagewand op en breng deze in de
kofferbak aan.
3. Klap de bagagewand na het inladen weer
omlaag.
4. Druk op de knop om de hardtop omlaag te
brengen.
N.B.
Bij een te geringe accuspanning kunt u de
hardtop alleen omlaagbrengen.
124
Load Assist gebruiken bij storingen in de
hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay
Verankeringsogen
staat, kunt u de hardtop alleen omlaagbrengen.
1. Controleer of de melding STORING DAK
ZIE HANDLEIDING op het display staat.
2. Houd de knop ca. 5 seconden lang ingedrukt. Houd de knop ingedrukt terwijl de
hardtop omlaagkomt.
Tijdens het omlaagbrengen klinkt van begin tot
einde een geluidssignaal.
BELANGRIJK
Zorg dat de bagagewand helemaal openstaat voordat u de hardtop omhoogbrengt.
Wanneer de hardtop is uitgeklapt bij gebruik
van Load Assist of als de beweging van de
hardtop werd onderbroken doordat er tweemaal op de knop werd gedrukt, mag u het
kofferdeksel niet sluiten. Het is namelijk
mogelijk dat er schade aan en storingen in
het systeem ontstaan.
Laat de hardtop tot in de laagste stand
omlaagzakken, wacht enkele seconden en
sluit daarna het kofferdeksel.
G020850
WAARSCHUWING
Er zitten vier of meer verankeringsogen in de
kofferbak om sjorbanden of touwen aan te
bevestigen. Bijpassende sjorbanden zijn verkrijgbaar bij de erkende Volvo-werkplaats.
04 Interieur
Kofferbak
Elektrische aansluiting in kofferbak
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van
de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 208.
Maximumlengte: 2 m en maximumgewicht:
25 kg. Het doorsteekluik is van twee kanten te
openen: via het middenpaneel en via de kofferbak.
Middelste ruggedeelte achterbank
openen
–
Doorsteekluik
Trek aan het riempje dat aan de bovenkant
van het middelste ruggedeelte zit om bij
het luik te komen.
Middelste ruggedeelte achterbank
sluiten
04
1. Plaats het middelste ruggedeelte terug met
de onderkant eerst.
2. Klap het middelste ruggedeelte in en duw
het vast totdat u een klikgeluid hoort.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Max. 10 A (120 W).
N.B.
Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de
startaccu van de auto kan ontladen.
1
G021037
BELANGRIJK
Luik in kofferbak
Als de auto is uitgerust met een skizak* moet
de ritssluiting van de zak vanuit de passagiersruimte worden geopend.
–
Duw de knoppen in de twee openingen van
het luik naar elkaar toe en open het luik.
Om lange en lichte voorwerpen te kunnen vervoeren is er voorzien in een doorsteekluik. Het
gaat schuil achter het middenpaneel1 in het
ruggedeelte van de achterbank.
De set voor noodreparatie van banden, de EHBO-kit en het sleepoog liggen opgeborgen in het middenpaneel van het ruggedeelte van de achterbank. Voor auto’s met een reservewiel*, zie
pagina 204.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
04 Interieur
Kofferbak
Lange voorwerpen vastzetten met
veiligheidsgordel
Lange voorwerpen zoals ski’s moet u vastzetten met de veiligheidsgordels van de achterbank.
–
04
Haal de veiligheidsgordel een slag om de
ski’s heen en steek de gesp op de gebruikelijke manier in de gordelsluiting.
Als de auto is uitgerust met een skizak* moet u
de gordel door de handgreep ervan halen.
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg. Zorg dat u de bagage altijd
goed verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Interieur
04
127
Transpondersleutel met sleutelblad......................................................
Vergrendelingspunten...........................................................................
Privacy locking*.....................................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Batterij in transpondersleutel................................................................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Alarm*....................................................................................................
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
130
133
134
136
139
140
144
SLOTEN EN ALARM
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
De transpondersleutels bevatten afneembare
metalen sleutelbladen voor het mechanisch
vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels/
sleutelbladen voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
05
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto ontgrendelt met een transpondersleutel of het Keyless drive-systeem,
lichten de richtingaanwijzers van de auto tweemaal korte tijd op om aan te geven dat de auto
op de juiste manier ontgrendeld is.
Bij het vergrendelen lichten de richtingaanwijzers lang op en dit alleen als alle portieren alsmede het kofferdeksel na het sluiten correct
zijn vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen in het menusysteem is het mogelijk om de lichtsignalen via
de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt
dan niet langer een signaal dat de vergrende-
130
ling op de juiste manier heeft plaatsgevonden,
zie pagina 85.
Functies transpondersleutel
Zoekgeraakte transpondersleutel
Als een van de transpondersleutels zoekraakt,
moet u de auto samen met de resterende
transpondersleutels naar een Volvo-werkplaats, bij voorkeur een erkende Volvo-werkplaats, brengen. Ter voorkoming van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Elektronische startblokkering
De transpondersleutels zijn voorzien van gecodeerde chips. De code moet overeenkomen
met die van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U kunt de motor alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste
code gebruikt.
G019402
Transpondersleutel
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
Vergrendelen – alle portieren en het kofferdeksel vergrendelen. Met de transpondersleutel valt het dashboardkastje niet te
vergrendelen – dat is alleen te vergrendelen met het sleutelblad.
Ontgrendelen – alle portieren en het kofferdeksel ontgrendelen. Met de transpondersleutel valt het dashboardkastje niet te
ontgrendelen – dat is alleen te ontgrendelen met het sleutelblad. Bij lang indrukken
(ten minste 4 seconden) worden ook de zijruiten geopend.
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
“Approach”-verlichting – verlichting op
afstand inschakelen om het gebied rond de
auto op een slecht verlichte parkeerplaats
beter te zien. Met één druk op de knop
gaan interieurverlichting, stadslichten vóór
en achterlichten, kentekenplaatverlichting
en buitenspiegelverlichting (optie) branden. De verlichting schakelt na 30, 60 of 90
seconden automatisch uit. Voor het instellen van een passende inschakelduur, zie
pagina 85.
bedienen is vanaf de afstandsbediening,
zie pagina 138.
BELANGRIJK
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de motor niet starten,
als de chip beschadigd is.
de auto zonder stroom komt te staan, zie
pagina 140.
Afneembaar sleutelblad
• PACOS* te activeren/deactiveren, zie
pagina 24.
Sleutelblad verwijderen
Haal het sleutelblad als volgt uit de transpondersleutel:
Duw de veerbelaste pal opzij.
05
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar buiten.
G019403
Sleutelblad bevestigen
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
• het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
1
kofferbak (Privacy locking) te blokkeren,
zie pagina 132 en 134.
• het kofferdeksel handmatig te openen als
Kofferdeksel – wanneer u de knop eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen het kofferdeksel.1.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets ten minste
drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen binnen
drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de
claxon geactiveerd. U kunt het alarm met
dezelfde knop weer uitschakelen, nadat
het minimaal 5 seconden actief is geweest.
Als u niets doet, wordt het na 30 seconden
automatisch uitgeschakeld.
• de toegang tot het dashboardkastje en de
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de transpondersleutel terugplaatst.
1. Houd de transpondersleutel met de puntige kant omlaag en laat het sleutelblad in
de groef vallen.
2. Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
Bij gebruik van deze functie wordt het kofferdeksel alleen ontgrendeld en niet geopend.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Voor meer informatie over Privacy locking, zie
pagina 134.
Dashboardkastje vergrendelen
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
N.B.
Met een transpondersleutel zonder sleutelblad is ontgrendelen van het dashboardkastje niet mogelijk.
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het bestuurdersportier.
Dit is handig voor als u de auto afgeeft voor
een onderhoudsbeurt of als u hem bij een
hotel of iets dergelijks laat parkeren.
2. Draai het blad 45 graden rechtsom en open
het portier.
05
G020034
Zie ook de afbeelding en de overige informatie
op pagina 138.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 145.
Het dashboardkastje wordt vergrendeld.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 131.)
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
–
132
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
05 Sloten en alarm
Vergrendelingspunten
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met sleutelblad.
05
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met verwijderd sleutelblad.
Voor een beschrijving van de verschillende
opbergmogelijkheden, zie pagina 118.
133
05 Sloten en alarm
Privacy locking*
Algemene informatie over Privacy
locking
Privacy locking activeren
N.B.
Op het informatiedisplay staat dan
KOFFERBAK APART DICHT VOOR
DAK.
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdekselslot is niet via de centrale vergrendeling te openen – het kofferdeksel is niet meer te bedienen met de knoppen
op de portieren of die op de transpondersleutel.
05
4. Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de transpondersleutel. zie pagina 131.
De transpondersleutel zonder sleutelblad kunt
u vervolgens overhandigen aan service- of
hotelpersoneel – het losse sleutelblad houdt u
bij zich.
Draai het sleutelblad 180 graden
rechtsom. Bij een vergrendeld kastje staat
het sleutelgat verticaal.
7.
1. Zorg dat de hardtop dichtstaat.
N.B.
2. Open het kofferdeksel en klap de bagagewand omhoog. De hardtop kan vervolgens
niet meer worden bediend, zie pagina 123.
3. Sluit het kofferdeksel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.
Neem het sleutelblad uit.
Privacy locking wordt geactiveerd.
Bij het openen/sluiten van de hardtop hebt
u korte tijd de mogelijk om bij de spullen in
de kofferbak te komen.
134
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
G020032
Dit betekent dat de transpondersleutel zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen en in de auto te rijden.
5.
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en
bewaar het goed.
Het dashboardkastje is daarmee vergrendeld
en het kofferdeksel is niet meer te ontgrendelen via de transpondersleutel of de knop voor
centrale vergrendeling.
Privacy locking deactiveren
Doe het volgende om het kofferdeksel weer op
te nemen in de automatische functie van de
centrale vergrendeling:
05 Sloten en alarm
Privacy locking*
1. Steek het sleutelblad van de transpondersleutel in het sleutelgat van het dashboardkastje en draai het 180 graden rechtsom.
2. Plaats het afneembare sleutelblad in de
transpondersleutel terug, zie pagina 131.
3. Open het kofferdeksel en klap de bagagewand omlaag die bij bediening van de
hardtop in de weg zit – de melding over de
bagagewand op het informatiedisplay verdwijnt vervolgens.
4. Sluit het kofferdeksel.
Daarna is het dashboardkastje ontgrendeld en
kunt u alle functies van de centrale vergrendeling weer vanaf de transpondersleutel en de
knop voor centrale vergrendeling op de portieren regelen.
05
Voor informatie over het vergrendelen van
alleen het dashboardkastje, zie pagina 132.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
meer bijbestellen. Het systeem kan tot zes
transpondersleutels met Keyless-functie hanteren.
Transpondersleutel binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
05
G019418
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de transpondersleutel zich binnen een straal van maximaal 1,5 m rond de
portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de transpondersleutel alleen in een binnenzak of tas bij u te
dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan niet
langer de transpondersleutel erbij te nemen of
op te zoeken.
De twee transpondersleutels van de auto
ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit betekent dat u de transpondersleutel bij
zich moet dragen om een portier te openen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te openen.
Het grijs gearceerde gebied op de afbeelding
geeft het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
transpondersleutel met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de transpondersleutel weer
in de auto wordt gelegd of wanneer u de startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De waarschuwing wordt alleen gegeven, als de start-
knop in stand I of II staat bij het openen of sluiten van een portier.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat een van de
volgende handelingen is uitgevoerd:
• een deur is geopend of gesloten
• de startknop is naar stand 0 gedraaid
• de knop READ is ingedrukt.
Nooit een transpondersleutel in de auto
achterlaten
Als u een transpondersleutel met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt deze bij het
vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen het portier er dan
niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw transpondersleutels.
Storingen in de functie van de
transpondersleutel
De Keyless drive-functie kan verstoord worden
door elektromagnetische velden en afschermingen.
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
N.B.
Plaats/bewaar de transpondersleutel niet in
de buurt van een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand
aan van 10-15 cm.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel en het sleutelblad op de normale manier gebruiken, zie
pagina 130.
sleutel zich binnen het dekkingsgebied van de
systeemantennes bevindt:
–
Druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u
op de vergrendelingsknop drukt. Anders vindt
er geen vergrendeling plaats.
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant van
de portieren omlaag.
De leds aan de binnenkant van de portieren
lichten op (zie pagina 141).
Vergrendelen
N.B.
1. Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
2. Open het kofferdeksel door de openingsknop op het kofferdeksel onderhands in te
drukken en het kofferdeksel op te tillen.
Als de Keyless-functie van de transpondersleutel om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel, zie
pagina 130.
05
Elektrisch bedienbare stoel –
geheugenfunctie van transpondersleutel
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
G020033
Bij een auto met een automatische versnellingsbak en het Keyless drive-systeem dient
de keuzehendel in stand P te worden gezet
en de startknop naar stand 0 te worden
gedraaid, aangezien de auto anders niet kan
worden vergrendeld of op alarm kan worden
gezet.
Ontgrendelen
Wanneer de transpondersleutel zich binnen het
dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
U kunt de portieren en het kofferdeksel als
volgt vergrendelen, wanneer de transponder-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Portier ontgrendelen met sleutelblad
Portierhandgreep, links
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 145.
Middenconsole, onder achterstuk
Portierhandgreep, rechts
Middenconsole, onder voorstuk
WAARSCHUWING
Locatie antennes
G020225
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
05
Persoonlijke instellingen
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
2. Ontgrendel het portier met het sleutelblad.
G020077
1. Om bij het sleutelgat te komen: Werk de
kunststof afdekking van de handgreep
voorzichtig los door het sleutelblad in de
opening aan de onderkant van de afdekking te steken.
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen
(zie pagina 85).
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterbumper, aan de binnenkant in het
midden
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
Batterij in transpondersleutel
Uitgeputte batterij in
transpondersleutel
signalen van de transpondersleutel, moet u de
batterij vervangen (type CR 2450, 3 V).
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal functe
tioneert, begint het informatiesymbool
branden en verschijnt op het display de melding SLEUTEL BATTERIJ LAGE
SPANNING of SLEUTEL BATTERIJ LAGE
SPANNING.
1. Leg de transpondersleutel met de knoppen
omlaag neer en werk de afdekking met een
kleine schroevendraaier los.
Batterij in transpondersleutel
vervangen
4. Werk de batterij los en vervang deze. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
2. Verwijder de afdekking.
3. Let op de positie van de plus (+) en minpool (–) (zie de afbeelding aan de onderkant van de afdekking).
05
G019406
5. Plaats de afdekking terug en duw deze
vast.
> Zorg ervoor dat de oude batterij op een
milieuontlastende wijze wordt afgevoerd.
Als de sloten herhaalde malen achtereen niet
meer op de gebruikelijke afstand reageren op
139
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
WAARSCHUWING
Let op het risico van opsluiting in de auto,
als u de auto van de buitenzijde vergrendelt
– de portieren zijn dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Lees meer daarover in het
onderdeel “Safelock-functie” elders in dit
boekje.
Voor auto’s met Keyless Drive-functie (zie
pagina 136).
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de persoonlijke instellingen, zie pagina 85):
en het kofferdeksel ontgrendeld
• bij de eerste keer indrukken wordt het
05
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken de rest van de portieren alsmede het kofferdeksel.
Vergrendelen
De vergrendelingsknop op de transpondersleutel vergrendelt alle portieren en het kofferdeksel.
N.B.
Ook als de achterklep openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen – wanneer
de achterklep vervolgens wordt gesloten
bestaat het gevaar dat u zich buitensluit met
de sleutels nog in de auto.
140
Kofferdeksel
Ontgrendelen
Alleen kofferdeksel ontgrendelen:
–
G016334
• bij eenmaal indrukken worden de portieren
Kofferdeksel mechanisch openen
Druk op de knop van de transpondersleutel
waarmee u de bagageklep ontgrendelt.
Vergrendelen
Als het kofferdeksel openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft het kofferdeksel
ook na sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel of van de binnenzijde om zowel
de portieren als de bagageklep te vergrendelen.
Als het elektrisch systeem van de auto tijdelijk
niet werkt, kunt u het kofferdeksel ook mechanisch openen met behulp van het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel. Voor
meer informatie over het verwijderen van het
sleutelblad (zie pagina 131).
1. Klap de rugleuning van de linker voorstoel
voorover om bij het sleutelgat onder bij de
vloer te komen.
2. Klap het flapje op dat de slotopening
afdekt.
3. Steek het afneembare sleutelblad erin en
draai het 110 graden rechtsom.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
BELANGRIJK
De hardtop moet volledig dicht- of openstaan, voordat u het kofferdeksel langs
mechanische weg mag openen.
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Portieren openen
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
–
Trek tweemaal aan de handgreep om het
portier te ontgrendelen, waarna u het kunt
openen.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de bagageklep binnen 2 minuten na ontgrendeling opent,
worden alle sloten automatisch weer vergrendeld (geldt niet bij vergrendeling van de binnenzijde). Deze functie beperkt de kans dat u
de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 145.)
G020865
Vergrendelingsindicatie
Ontgrendelen
–
Druk op het bovenste gedeelte van de vergrendelingsknop
.
Vergrendelen
–
Druk op het onderste gedeelte van de vergrendelingsknop
.
G020867
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
de portieren kunt u alle portieren en het kofferdeksel tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
05
De lampjes aan de binnenkant van de portieren
lichten ca. 5 minuten lang op, nadat u de auto
vergrendeld hebt via de vergrendelingsknop
op de transpondersleutel of met het Keyless
Drive-systeem terwijl de motor is afgezet, zie
pagina 136.
141
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Wanneer u de auto vanaf de binnenzijde vergrendelt, lichten de lampjes eenmaal lang op.
Bij ontgrendelen vanaf de binnenzijde lichten
de lampjes tweemaal korte tijd op.
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en de bagageklep automatisch te laten vergrendelen bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
• trek tweemaal aan een van de openings05
handgrepen
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren om te
voorkomen dat u iemand opsluit.
Tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
• Druk op de bovenkant van de knop voor
centrale vergrendeling
en trek aan de
openingshandgreep op het portier.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 85).
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Safelock-functie*
Display
Bij activering van de Safelock-functie worden
de vergrendelingsknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat openen
van de binnenzijde onmogelijk maakt.
MENU
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10–25 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
EXIT
ENTER
Navigatie
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Deactiveren gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
INSTELLINGEN VAN DE AUTO (voor een
gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 85).
2. Kies GUARD BEPERKT.
3. Kies Eenmaal activeren: Op het display
van het instrumentenpaneel verschijnt de
melding GUARD BEPERKT ZIE
HANDLEIDING en de Safelock-functie
wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van
de auto.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
•
Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
•
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
• Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto. Als
de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*, worden ook deze tegelijkertijd uitgeschakeld, zie pagina 146.
of
Kies Vraag bij verlaten: Iedere keer dat u
de sleutel naar stand 0 draait, verschijnt op
het display van het audiosysteem de melding Vraag beperkt Guard bij verlaten
Druk ENTER om guard te beperken tot
de motor start. Druk op EXIT om te
annuleren. – kies dan een van de alternatieven:
05
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar sleutelstand II draait, wordt het systeem
gereset, waarna op het display van het instrumentenpaneel de melding GUARD
VOLLEDIG verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-functie en de bewegingsmelders en
niveausensoren* van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
of
• Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend
• het contactslot wordt omgedraaid met een
N.B.
Een van de sensoren van het alarm zit onder
de bekerhouder in de middenconsole en
reageert op metalen.
Bewaar geen parkeergeld, sleutels en soortgelijke metalen voorwerpen in de bekerhouder van de middenconsole, omdat dit ertoe
kan leiden dat het alarm ten onrechte
afgaat.
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
• er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is)
Alarmindicatie
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het activeren van sleutelstand II – het alarm is
afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – een
erkende Volvo-werkplaats wordt geadviseerd.
N.B.
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
05
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
(op auto’s met een niveausensor)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
Alarmfunctie inschakelen
N.B.
–
G020227
Wanneer de hardtop gesloten is, werkt het
alarm op dezelfde manier als wanneer de
hardtop geopend is. Dit betekent dat het
alarm afgaat wanneer er een beweging in de
passagiersruimte wordt geregistreerd.
Een rode led op de bovenkant van het dashboard geeft de status van het alarmsysteem
aan:
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
05 Sloten en alarm
Alarm*
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Alarmfunctie uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat de portieren zijn ontgrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingsknop van de
transpondersleutel of steek de sleutel in
het contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Als de batterijen in de transpondersleutel leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door het
bestuurdersportier handmatig te ontgrendelen, de transpondersleutel in het contactslot te
steken en naar stand II te draaien.
Transpondersleutel defect
sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en
de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad. Het alarm gaat af
en de sirene klinkt.
2. Bij auto’s met Keyless Drive moet u eerst
de startknop verwijderen door de pal (1) in
te duwen en de knop los te trekken (2).
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot (3). Het alarm wordt uitgeschakeld.
Het alarmlampje knippert snel totdat u de
transpondersleutel naar sleutelstand II
draait.
05
Automatische herinschakeling van het
alarm
Alarmsignalen
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm uit te schakelen.
• Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
25 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
• Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
G019420
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent wanneer de auto met de
transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Bij alarm gebeurt het volgende:
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de
transpondersleutel (als bijv. de batterij van de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
Beperkt alarmniveau
Alarm op portieren testen
Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in een vergrendelde auto
wordt achtergelaten of bij gebruik van een
autotrein of een veerverbinding – dient u de
bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uit te schakelen.
1. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel.
2. Wacht 30 seconden.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie
- zie pagina 142
4. Open een van de portieren.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
Alarmsysteem testen
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Bewegingsmelder* in passagiersruimte
testen
1. Open alle zijruiten.
146
3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad.
Alarm op motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie het onderdeel “Beperkt
alarmniveau” eerder in dit boekje.
2. Activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de transpondersleutel. Een
langzaam knipperende alarmindicatie
vormt de bevestiging dat het alarmsysteem actief is.
2. Blijf in de auto zitten en activeer het alarmsysteem met de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel.
3. Wacht 30 seconden.
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder door een tas of
iets dergelijks van de stoel te pakken.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard.
> Er moet dan een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers
knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
05
147
Algemeen..............................................................................................
Tanken..................................................................................................
Alcoholslot*...........................................................................................
Motor starten........................................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Remsysteem.........................................................................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*..................................................
Parkeerhulp*..........................................................................................
BLIS*.....................................................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak*..............................................................................................
Afneembare trekhaak* ..........................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
150
153
157
161
163
164
165
168
171
173
176
180
183
185
187
189
193
194
STARTEN EN RIJDEN
06 Starten en rijden
Algemeen
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weggesteldheid – lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
•
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachRijd niet met open zijruiten.
tig remmen.
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
• Neem geen spullen in de auto mee die u
niet gebruikt – hoe groter de belading, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
06
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt – verwijder
lastdagers die u niet gebruikt.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
Zie pagina 13 en 302 voor meer informatie en
meer tips.
150
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
• Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken reikt om elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Motor, versnellingsbak en
koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken.
Voor aanvullende informatie over oververhitting bij gebruik van een aanhanger/caravan zie pagina 186.
• Verwijder verstralers voor de grille bij ritten
in gebieden met een warm klimaat.
• Bij gevaar voor oververhitting wordt een
ingebouwde beveiliging geactiveerd die er
onder meer voor zorgt dat het oranje informatielampje op het instrumentenpaneel
gaat branden en dat er een melding met
een advies verschijnt – volg het advies op.
06 Starten en rijden
Algemeen
• Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in het rode gebied uitslaat,
dient u de auto te stoppen en de motor
enkele minuten stationair te laten draaien.
• Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
BELANGRIJK
Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat
een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een
displaymelding – volg het gegeven advies.
Dieselmotor
Wanneer de auto frequent zwaar belast wordt
bij warm weer, kunt u de koelventilator van de
motor laten vervangen door een exemplaar
1
met een grotere capaciteit1. Informeer bij de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats naar
de mogelijkheden voor uw auto.
Geopend kofferdeksel
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat de transpondersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
ruitenwisser
audiosysteem (hoog volume)
koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding ACCUSPANN.
LAAG STROOMBESPARING. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
–
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
06
Let erop dat de 12V-aansluiting in de kofferbak
ook spanning levert, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot hebt genomen.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voor bepaalde motoren.
151
06 Starten en rijden
Algemeen
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
06
152
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
Openen vanuit kofferbak
Tankdop
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een merkbare weerstand voelt.
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij de
weerstand.
3. Trek de dop uit de vulopening.
4. Hang hem aan de binnenkant van de tankvulklep op.
G020951
N.B.
Vergeet niet de standverwarming op brandstof uit
te schakelen alvorens te tanken!
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 63). De klep kan niet
worden geopend wanneer de motor loopt. De
tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Wanneer de tankvulklep niet vanuit de passagiersruimte te openen is, kunt u deze ook
handmatig openen. Dit gaat het eenvoudigst
als de hardtop gesloten is.
1. Verwijder de dekplaat waarmee het lamphuis rechts in de kofferbak is afgedekt.
2. Trek aan de lus die aan de haak zit.
3. Plaats de lus en de dekplaat terug, wanneer de tankvulklep geopend is.
BELANGRIJK
Trek voorzichtig aan de lus – er is slechts
weinig kracht nodig om de klep te ontgrendelen.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
06
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen
en het brandstofverbruik (zie het volgende
hoofdstuk Brandstof voor meer informatie).
153
06 Starten en rijden
Tanken
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
06
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
Voor informatie over brandstofverbruik, CO2uitstoot en tankinhoud, zie pagina 302.
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. Hij is dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysator bestaat uit een
monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De
wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze
daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verla-
154
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 91, 95 en
98 RON lopen.
• 91 RON mag u niet gebruiken voor viercilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 RON wordt geadviseerd voor een maximale prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze brandstof is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
BELANGRIJK
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en draai deze naar sleutelstand II
(zie pagina 162).
2. Wacht ca. 1 minuut.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
1
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
06
3. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en draai de transpondersleutel naar de startstand III.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
155
06 Starten en rijden
Tanken
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
06
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de
uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
De regeneratie van het filter vindt automatisch
plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een
lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer
duren. Gedurende de regeneratie kan het
brandstofverbruik iets stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruit-
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor onvoldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
GEBR. HANDL. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20
minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Algemene informatie over het
alcoholslot
Functies
Batterij
Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
Controlelampje
(4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
1. Mondstuk voor blaastest.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
1
06
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Wordt ook wel Alcoguard genoemd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Opbergen
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
Blaasunit opbergen en laadstation.
• U verwijdert de blaasunit van het alcoholslot door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna de houder naar
buiten veert en u de unit uit de houder kunt
nemen.
06
• Plaats de blaasunit terug in de houder tot
de unit ‘vastklikt’.
• Bewaar de blaasunit in de houder. Dat
biedt de beste bescherming en garandeert
dat de batterijen steeds maximaal opgeladen zijn.
Alvorens de motor te starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
A
Controlelampje
(5) + displaymelding
Betekenis
Groen lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Rood lampje +
AFGEKEURDE
TEST WACHT 1
MINUUT
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
De grenswaarde verschilt van land tot land (ga na wat er in
uw land geldt). Zie ook het gedeelte Algemene informatie
over het alcoholslot op pagina157.
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
male wijze gestart worden – de motor is dan
alleen te starten via de bypass-functie, zie
pagina 159, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent.
aan op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer het alcoholslot
defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om
toch in de auto te kunnen rijden.
Koud en warm weer
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 tot +85
10
Kalibreren en onderhoud plegen
-5 tot +10
60
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats2 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
-40 tot -5
180
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
ALCOGUARD KALIBR. VEREIST op het display. Als er niet binnen 30 dagen gekalibreerd
wordt, dan kan de motor niet langer op de nor-
2
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 ’C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt ALCOG.
INZETSTUK STROOMKABEL. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval
N.B.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 10 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
ALCOGUARD BYPASS AAN op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats2.
06
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
06 Starten en rijden
Alcoholslot*
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats2.
Bypass-functie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnen achtereenvolgens
BYPASS GEACTIV. WACHT 1 MINUUT
en ALCOGUARD BYPASS AAN – daarna
kunt u de motor starten.
Symbolen en displayteksten
Naast de eerder beschreven meldingen kan
ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen:
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
HERSTART KAN
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats2.
Noodfunctie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnt ALCOGUARD
BYPASS AAN waarna u de motor kunt
starten.
06
Deze functie is eenmaal te gebruiken en moet
daarna gereset worden in een werkplaats2.
2
160
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
ALCOGUARD
SERVICE VEREIST
Bezoek een werkplaats2.
ALCOGUARD
GEEN SIGNAAL
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
ALCOGUARD
ONGELDIGE TEST
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
ALCOGUARD
LANGER BLAZEN
U blies te kort –
blaas langer.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
ZACHTER BLAZEN
U blies te hard –
blaas minder hard.
ALCOGUARD
HARDER BLAZEN
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
ALCOGUARD
WACHT VOORVERWARMING
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding ALCOGUARD BLAAS 5
SECONDEN af.
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
–
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Let erop dat u bij een auto met alcoholslot eerst
een goedgekeurde blaastest moet afgeven,
voordat de motor kan worden gestart, zie
pagina 157.
Automatische versnellingsbak
–
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is vooral van belang bij strenge vorst.
Motor starten
BELANGRIJK
Als de motor na 3 pogingen niet gestart is,
wacht u 3 minuten voordat u een nieuwe
poging doet. Het startvermogen neemt toe
als de startaccu zich kan herstellen.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
geven dat de motor wordt voorverwarmd, zie pagina 56.
N.B.
Trek de handrem aan.
Benzine
–
Draai de transpondersleutel naar sleutelstand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
Automatisch starten *
Met de functie automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel (of de startknop op modellen met Keyless Drive, zie pagina 136) niet langer in de sleutelstand ( III) vast te houden totdat
de motor is aangeslagen.
–
Draai de sleutel naar de sleutelstand III en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de
motor is aangeslagen.
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
06
Dieselolie
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand II.
> Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
06 Starten en rijden
Motor starten
Sleutelstanden
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt.
I – Radiostand
Het stuurslot is uitgeschakeld. U kunt bepaalde functies gebruiken. Het elektrische systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
06
162
De stand waarin de transpondersleutel tijdens het rijden
staat. Het complete elektrische systeem is geactiveerd.
III – Startstand
De startmotor wordt geactiveerd. Wanneer u de transpondersleutel loslaat zodra
de motor is aangeslagen,
veert de sleutel terug naar de
rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat kan
er een tikkend geluid te horen zijn – draai de
sleutel in dat geval eerst naar stand II en daarna
terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden
gestart. Doe in dat geval het volgende:
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot en draai aan het stuurwiel, zodat
het stuurslot opgeheven wordt.
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
risico dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot, met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
06 Starten en rijden
Keyless drive*
Auto starten
Algemene informatie
–
Starten met transpondersleutel
Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
–
Druk op de startknop en draai deze naar
sleutelstand III.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 136).
De startknop van het contactslot werkt op
dezelfde manier als een transpondersleutel. U
kunt de motor alleen starten, wanneer een van
de transpondersleutels van de auto in de passagiersruimte of de bagageruimte ligt.
1. Draai eerst de startknop naar sleutelstand
II en wacht totdat het dieselcontrolelampje
op het instrumentenpaneel is gedoofd, zie
pagina 56.
G019420
G019410
Dieselmotor
2. Draai de startknop vervolgens naar stand
III.
Als de batterij in de transpondersleutel leeg is,
werkt de Keyless drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de transpondersleutel
als startknop te gebruiken.
06
1. Duw de pal op de startknop in.
2. Trek de startknop uit het contactslot.
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot en start op dezelfde manier als bij
het gebruik van de startknop.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
WAARSCHUWING
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - een ingeschakelde versnelling is niet voldoende om de
auto in alle situaties vast te houden.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
• Begin vanuit de neutraalstand N en schaSchakelpatroon zesversnellingsbak.
Schakelpatroon vijfversnellingsbak.
06
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil is de
positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
164
kel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
N.B.
Bij het schakelpatroon voor een zestraps
versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding)
de versnellingspook eerst omlaagduwen in
stand N alvorens de achteruitversnelling in
te schakelen.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen met Geartronic
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
G018264
WAARSCHUWING
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 53.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
Gebruik altijd de parkeerrem bij parkeren op
een hellende ondergrond - de P-stand van
de automatische versnellingsbak is niet voldoende om de auto in alle situaties vast te
houden.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
N.B.
Wanneer de auto langer dan 3 seconden
stilgestaan heeft, moet u het rempedaal
bedienen om de keuzehendel uit stand N te
kunnen halen.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Handmatig schakelen met Geartronic
(+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 53.
06
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat de hendel weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los.
165
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
D.
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Automatische schakelblokkering
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Mechanische keuzehendelblokkering
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
06
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
–
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
166
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
G020237
Beveiligingsfunctie
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Sleutelblokkering, Keylock
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
transpondersleutel in stand II staan.
2. Steek het sleutelblad van de transpondersleutel zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u de
keuzehendel uit stand P haalt.
Koude start
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
G018263
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
06
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
1. Er zit een dekplaatje onder het keuzehendelpaneel met P-R-N-D. Open het aan de
achterzijde.
167
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
06
168
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht
op, wanneer er een remkring
defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Onderhoud
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil
te houden, dient u de intervallen van het Serviceprogramma van Volvo aan te houden die
staan aangegeven in het Service- en garantieboekje van Volvo, zie pagina 224.
BELANGRIJK
De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
Informeer bij een werkplaats hoe dat in zijn
werk gaat of laat de controle over aan de
werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
06 Starten en rijden
Remsysteem
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem, ABS
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
Remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA
WAARSCHUWING
Het EBA (Emergency Brake Assist) is dusdanig
geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig moet
remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert
het moment waarop u krachtig wilt afremmen
door de snelheid te meten waarmee u het rempedaal bedient.
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren – een erkende Volvo-werkplaats wordt
geadviseerd.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal – het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
van het rempedaal haalt.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Het systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
06
169
06 Starten en rijden
Remsysteem
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 76.
06
170
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*
Algemene informatie
Beperkte functie
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
De stabiliteits- en tractieregeling DSTC
( (Dynamic Stability and Traction Control)) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
Bediening
1. Draai aan het duimwiel totdat het menu
DSTC wordt geopend.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN betekent dat de werking van het systeem ongewijzigd is.
Antislipregeling
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
1
G029057
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Bediening en informatiedisplay.
Duimwiel1
Knop RESET1
Iedere keer dat u de auto start, wordt de stabiliteitsregeling automatisch geactiveerd.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2. Houd de knop RESET ingedrukt totdat het
menu DSTC zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het systeem, totdat u de motor afzet – de volgende keer dat u de motor start, staat het
DSTC weer in de normale stand.
06
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregeling.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregeling)*
N.B.
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN verschijnt iedere keer dat u de motor start
enkele seconden op het display.
Meldingen op informatiedisplay
172
DSTC-systeem
Informatie
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
Als de lampjes
–
• Lees de melding op het informatiedisplay.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
06
Lampjes op instrumentenpaneel
–
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, rijd de
auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
en
Als alleen het lampje
het volgende:
gelijktijdig branden:
oplicht, betekent dat
• Een knipperend lampje geeft aan dat het
DSTC op dat moment ingrijpt.
• Een symbool dat 2 seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt.
• Een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het DSTC-systeem.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Algemene informatie over Parkeerhulp
Varianten
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde.
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Parkeerhulp voor- en achterzijde.
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
uitgeschakeld ENTER: activeren zodra u de
achteruitversnelling inschakelt. Voor het wijzigen van de instelling, zie pagina 85.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidsprekers achterin.
Beperkingen
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
N.B.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
06
Parkeerhulp aan de achterzijde
WAARSCHUWING
Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld.
Parkeerhulp aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling en de melding Parkeerhulp actief
EXIT: deactiveren wordt weergegeven op het
display van het audiosysteem.
Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op
het display de melding Parkeerhulp
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Parkeerhulp aan voor- en achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidsprekers voorin.
Beperkingen
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Park Assist aan de achterzijde
G018389
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Aan/Uit-knop (achterste knop afgebeeld).
06
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u de Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist aan de voorzijde
De Park Assist aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h. Bij hogere snelheden
wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden
lager dan 10 km/h.
174
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen bij obstakels achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Sensoren schoonmaken
Beperkingen
Zie het voorgaande gedeelte Parkeerhulp aan
de achterzijde.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARKEERHULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect. Neem voor service
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Sensoren voor Park Assist.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
06 Starten en rijden
BLIS*
Algemeen
BLIS (Blind Spot Information System) is een
informatiesysteem dat de bestuurder in
bepaalde omstandigheden waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode
hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
G020295
BLIS is gebaseerd op cameratechniek. De
camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Buitenspiegel met BLIS-systeem.
BLIS-camera
Controlelampje
06
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 177.
A = ca. 3,0 m, B = ca. 9,5 m.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
06 Starten en rijden
BLIS*
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op de knop BLIS te drukken.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht en
dichte mist.
Activeren/deactiveren
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 59.
G018389
06
Aan/Uit-knop (voorste knop afgebeeld).
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
06 Starten en rijden
BLIS*
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto
weer normaal wordt.
06
BLIS CAMERA
GEBLOKKEERD
Een of meer
camera’s – maak de
lenzen schoon.
Displaymelding
Betekenis
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan
gaat branden terwijl er geen ander voertuig
in de dode hoek aanwezig is, betekent dit
niet dat er een storing is opgetreden in het
systeem.
Bij een storing in het BLIS-systeem toont
het display de tekst BLIS SERVICE
VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
G018177
BLIS*
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 183.
•
•
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
•
Het stuurslot moet eraf zijn gehaald
voordat er wordt gesleept. Het slot blijft
in de positie die het had toen de spanning werd onderbroken.
De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags
gedeactiveerd.
Haal nooit de sleutel uit het contactslot
als de auto wordt gesleept.
Slepen
N.B.
Kijk voordat u de auto gaat slepen wat de wettelijke maximumsnelheid voor slepen is.
Als de accu van de auto uitgeput is, moet u
voordat u de auto kunt wegslepen het stuurslot opheffen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II
en hef het stuurslot op zodat de auto
bestuurbaar is, zie pagina 162.
06
WAARSCHUWING
2. Laat de sleutel tijdens het slepen in het
contactslot zitten.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
3. Houd, wanneer de slepende auto afremt,
de sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen
– zo voorkomt u schokken.
4. Sta klaar om te remmen om de auto tot
stilstand te brengen.
Handgeschakelde versnellingsbak
Alvorens te slepen:
–
180
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Alvorens te slepen:
–
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog monteren
Neem het sleepoog (1) erbij dat in de verpakking met de noodreparatieset* achter
het doorsteekluik of bij het reservewiel ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
• U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
• Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
06
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen, wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt (zie pagina 187).
06
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
BELANGRIJK
Auto’s met een automatische versnellingsbak mogen alleen worden geborgen met de
aangedreven wielen geheven.
182
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
afzetten en ervoor zorgen dat de beide
auto’s elkaar niet raken.
4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het aansluiten van de
startkabels om kortsluiting met andere
onderdelen in de motorruimte te voorkomen.
5. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
11. Verwijder de startkabels in omgekeerde
volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna
de rode.
> Zorg dat geen van de aansluitklemmen
aan de zwarte startkabel contact kan
maken met de pluspool van de accu of
met de aangesloten klem van de rode
startkabel.
6. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu.
Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto
starten met stroom van een hulpaccu.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om kortsluiting en andere schade te
voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand 0.
7. Bevestig de andere klem aan een massapunt, bijv. de linker veerpoot (4).
8. Controleer of de aansluitklemmen van de
startkabels goed vastzitten om te voorkomen dat er tijdens de startpoging vonken
ontstaan.
2. Controleer of de hulpaccu een spanning
van 12 V levert.
9. Start de motor van de “hulpauto” en laat
deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
ca. 1500 omw/min.
3. Als de hulpaccu in een andere auto is
gemonteerd, moet u de motor van die auto
10. Start de motor in de auto met de uitgeputte
accu.
WAARSCHUWING
•
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
06
183
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Zie voor meer informatie over de startaccu van
de auto - zie pagina 236.
06
184
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 295.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger/caravan.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger/caravan te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger/caravan
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 202.
1
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel1 van tijd tot tijd in.
• Bij het gebruik van een aanhanger/caravan
wordt de motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger/caravan.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten in acht.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de aanhangergewichten
die Volvo toestaat, zie pagina 295.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
06
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger/caravan achter de auto
een lange en steile helling oprijdt.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
185
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), omdat de olietemperatuur
anders te hoog kan oplopen.
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
Op een helling parkeren
1. Trap het rempedaal in.
2. Trek de handrem aan.
Dieselmotor 5-cil.
3. Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
• Als de motor oververhit dreigt te raken,
4. Haal uw voet van het rempedaal.
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel met het advies terug te
schakelen – volg het advies op.
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Op een helling wegrijden
06
Automatische versnellingsbak
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
Oververhitting
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Een automatische versnellingsbak kiest
altijd de juiste versnelling voor de motorbelasting en het motortoerental.
186
3. Los de handrem.
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Trekhaak opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig worden opgevolgd, zie
pagina 189.
WAARSCHUWING
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
G014589
•
G031113
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G010393
G010391
G010392
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
06
188
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
Vaste of afneembare trekhaak in standaarduitvoering
1172
78
964
482
40
141
550
150
113
100
140
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Trekhaak monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u
indrukken en de borgdraaien totdat u een klik
knop linksom
hoort.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
189
06 Starten en rijden
4. Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
06
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
G020301
G020310
G020309
Trekhaak verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
06
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
06
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 187.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 295.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in kofferbak
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer
u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto in
beweging komen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders bieden de opblaasgordijnen mogelijk geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
06
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
193
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
G020317
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Koplampen met Active Bending Lights
G021421
Koplampen met halogeenlampen
G021422
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Linksrijdend verkeer.
Linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
06
Met een knopje op de beide koplamphuizen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt.
Bij de juiste lichtbundel wordt ook de berm
beter verlicht.
194
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
06 Starten en rijden
06
195
Algemeen..............................................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .......................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden*.........................................................................
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
198
202
203
206
208
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemeen
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat, zie pagina 202.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
91
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W
198
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
07 Wielen en banden
Algemeen
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
sleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Winterbanden
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Banden met slijtage-indicatoren
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
G020323
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 202. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5.000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst ver-
Slijtage-indicatoren.
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie kunnen innemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
07
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge-
199
07 Wielen en banden
Algemeen
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Velgen en wielmoeren
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo.
BELANGRIJK
Bij te strak aanhalen kan de boutverbinding
beschadigd raken.
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Profieldiepte
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van 4 mm aan te houden
voor winterbanden.
WAARSCHUWING
Sneeuwkettingen
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen.
Korte wielmoer - aanhaalmoment: 110 Nm
Lange wielmoer - aanhaalmoment: 130 Nm
WAARSCHUWING
07
200
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Slotmoer - aanhaalmoment: 110 Nm
Er bestaan drie verschillende soorten wielmoeren.
1. Haal de wielmoeren aan.
2. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Slotmoeren (3)
Slotmoeren zijn te gebruiken op zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen velgen met
slotmoeren combineert met wieldoppen, moet
u de slotmoeren op het tapeind bevestigen dat
het dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
07 Wielen en banden
Algemeen
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 304, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Zomer- en winterbanden
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
G020325
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 206,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
07
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
G020955
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
07
• ECO-bandenspanning1
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare).
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
1
202
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel voor de juiste
bandenspanning. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Reservewiel* en krik*
Gevarendriehoek
Originele krik*
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. De krik* en de wielsleutel* zitten in het schuimrubber blok in de
kofferbak.
G020956
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek*. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
1. Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
07
2. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat u de houder met de gevarendriehoek
na gebruik in de reservewielbak terugplaatst.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Reservewiel en gereedschap
Reservewiel en gereedschap. (Positie, gereedschap en ook voor noodreparatieset banden.)
07
Het reservewiel* ligt in een opbergzak in de
reservewielruimte in de kofferbak. In het midden van de wiel zit een zwart schuimrubber
blok dat een krik* en de sleutel voor de wielbouten bevat. Zet de bevestigingsbanden van
de opbergzak aan de twee verankeringsogen
op de vloer vast.
1. Maak de twee bevestigingsbanden los
waarmee de opbergzak met het reservewiel aan de vloer vastzit.
2. Open de ritssluiting in de opbergzak en
neem de stukken gereedschap eruit.
3. Til het reservewiel uit de opbergzak.
204
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stop de lekke band in de opbergzak en zet
deze vast met de bevestigingsband. Let erop
dat u bij het terugplaatsen de aanwijzingen op
de opbergzak opvolgt.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Gereedschap, terugplaatsen
Gereedschap en krik* dienen na gebruik op de
juiste wijze te worden opgeborgen.
• Bij auto’s met een reservewiel dient de krik
dusdanig omlaaggedraaid te worden dat
deze in het reservewiel past.
• Bij auto’s met een set voor noodreparatie
van banden dient de krik volledig omlaaggedraaid te worden en teruggelegd te worden in het schuimrubber blok.
BELANGRIJK
WAARSCHUWING
De opbergzak met het reservewiel biedt
bescherming tegen slagen en stoten.
Bewaar het reservewiel dan ook in de
opbergzak, wanneer u het niet gebruikt.
Plaats de opbergzak in de ruimte voor het
reservewiel, met het etiket met opschrift
omhoog en de pijl naar de voorkant van de
auto.
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
EHBO*
Onder de vloer in de kofferbak ligt een EHBOkit.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
205
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
G020331
1. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de kofferbak liggen. Bij gebruik van een andere krik,
zie pagina 225.
Zet de gevarendriehoek op, als u een wiel langs
een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor
dat de auto en de krik op een stevige en horizontale ondergrond staan.
WAARSCHUWING
07
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
2. Haal de handrem aan en schakel de eerste
achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel of trek hem
met de hand los.
5. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
206
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telescopische wielmoersleutel
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
niet te hellen.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
Kriksteunpunten
Bij elk steunpunt zit een uitsparing in de
kunststof afdekking. Draai de voet van de
krik met de slinger zo ver omlaag dat de
voet plat tegen de grond aankomt. Controleer of de krik goed in het kriksteunpunt
vastzit (zoals afgebeeld) en of de voet van
de krik loodrecht onder het steunpunt
staat.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Zie pagina 200 voor de aanhaalmomenten. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
N.B.
De normale krik van de auto is alleen
bestemd voor sporadisch en kortstondig
gebruik zoals bij het verwisselen van een
lekke band, monteren van winterbanden/
zomerbanden e.d. Hef de auto alleen met
een krik die voor het desbetreffende model
bestemd is. Als de auto vaker moet worden
opgekrikt of voor langere tijd zoals bij het
onderling roteren van de banden wordt het
gebruik van een garagekrik geadviseerd.
Volg in dat geval de gebruiksaanwijzing van
de desbetreffende krik.
07
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
207
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Noodreparatie banden, algemene
informatie
N.B.
Overzicht
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
G020400
Een 12V-aansluiting voor de compressor vindt
u aan de voorkant van de middenconsole en in
de kofferbak*, zie pagina 61 en 125. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
07
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
208
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Lekke band repareren
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
G019723
5. Draai de bus in de bushouder vast.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
07
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
209
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
07
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de ban-
210
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
denspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Plaats de noodreparatieset terug.
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band
zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
07
7. Plaats het ventieldopje terug.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
211
Schoonmaken....................................................................................... 214
Lakschade herstellen............................................................................ 219
Roestwering.......................................................................................... 221
212
VERZORGING
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg
dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo.
BELANGRIJK
Spoel de auto niet schoon met de hardtop
geopend om water in de passagiersruimte
te voorkomen.
• Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk
van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel
doen verkleuren. U wordt geadviseerd een
dergelijke verkleuring te laten herstellen
door een erkende Volvo-werkplaats.
• Spoel het onderstel af.
• Spoel de hele auto eerst af om loszittend
vuil te verwijderen en het risico te beperken
dat er tijdens het reinigen krassen ontstaan. Spuit niet rechtstreeks in de richting
van de sloten.
• Gebruik zo nodig een koud ontvettingsmiddel voor hardnekkig vuil. Let erop dat
de verontreinigde gebieden in dat geval
niet zijn opgewarmd door de zon!
• Was de auto met een spons, autoshampoo
08
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
214
• Gebruik een koud ontvettingsmiddel voor
hardnekkig vuil.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker. Als u waterdruppels op de auto niet in de felle zon laat
drogen maar meteen verwijdert, beperkt u
het risico dat u later watervlekken moet
wegpoetsen.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld
als u tankt.
Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen,
maar water en een niet krassende spons.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
08 Verzorging
Schoonmaken
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreinigers
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Bij wassen in de wasstraat moet het dak
gesloten zijn.
Vóór het wassen in de wasstraat moet de
antenne op de achterklep worden losgedraaid. De antenne mag niet worden gebogen, aangezien dan de kans op schade
bestaat. Wees voorzichtig bij het terugplaatsen, zodat de antenne niet schuin komt te
zitten. Dit kan namelijk een slechte radioontvangst opleveren.
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen).
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en onderhouden van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende
strips), wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de erkende
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
08
215
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Elektrisch bedienbare hardtop
Als u een natte hardtop opent, zal er water in
de passagiersruimte lopen. Wacht daarom totdat al het water van de hardtop is gelopen,
voordat u de hardtop opent.
Afdekking
De afdekking, zie pagina 111, is gevoelig voor
water en daarom moet u een natte afdekking
met een doek afdrogen. Maak voor het
schoonmaken gebruik van een licht bevochtigde doek.
08
216
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Poetsen en in de was zetten
Waterafstotende laag*
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of met terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
08 Verzorging
Schoonmaken
Interieur reinigen
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Matten en kofferbak
Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart
schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
door uw Volvo-dealer geadviseerde producten!
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding en hemelbekleding
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen.
BELANGRIJK
Pak de inlegmat bij elk van beide pennen
vast en til de mat recht omhoog.
Breng de inlegmat aan door deze bij beide
pennen vast te drukken.
WAARSCHUWING
Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat
voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan
de pennen vastzit zodat hij niet naast of
onder de pedalen klem kan komen te zitten.
Voor vlekken op de vloermat wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken nadat u hebt gestofzuigd. U dient vloermatten te reinigen met de
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Elk van beide inlegmatten zit met pennen vast.
–
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding en leer op de bovenkant van
het dashboard.*
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
BELANGRIJK
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding en leer op de bovenkant van
het dashboard.*
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08
217
08 Verzorging
Schoonmaken
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
• Verwijder vuil en stof met een ietwat voch-
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding en leer op de bovenkant
van het dashboard.*
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
leerverzorgingsmiddel gebruikt.
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen kunnen het leer
beschadigen. (Ringen bijvoorbeeld.)
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
–
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep 1.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep 1.
08
218
tige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan in het bijzonder het textielreinigingsmiddel dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is,
voordat deze weer wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
Geringe lakschade herstellen zoals
steenslagschade en krasjes
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden, portieren en bumpers.
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om eventuele lakresten te verwijderen.
G020345
Kleurcode (lakcode)
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
• grondlak (primer)1 - voor met kunststof
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 292.
1
2
beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen
met speciale hechtprimer verkrijgbaar
• basislak en helderde lak - verkrijgbaar in
spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften2
• afplaktape
• fijn schuurlinnen1.
Als de beschadiging tot aan de metaallaag
(blanke plaat) reikt, wordt grondlak (primer)
geadviseerd. Bij beschadiging van een
kunststof oppervlak moet u een hechtprimer gebruiken voor betere resultaten spuit het middel in de dop van de spuitbus
uit en breng het met een kwastje dun op.
2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijv.) plaatselijk licht
schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig
het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen.
3. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje, een lucifer
of iets dergelijks op. Dek het geheel af met
basislak en heldere lak, wanneer de grondlak droog is.
4. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
08
Eventueel.
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen/-stift werden geleverd.
``
219
08 Verzorging
Lakschade herstellen
N.B.
Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er
nog steeds een intacte laklaag aanwezig is,
moet u de basislak en heldere lak direct
aanbrengen nadat u het oppervlak hebt
gereinigd.
08
220
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
08
221
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Startaccu...............................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
222
224
225
227
229
235
236
238
244
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Daarom adviseert
Volvo u altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrische systeem
laat uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
ook service- en onderhoudswerkzaamheden
over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
224
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Auto omhoogbrengen
Startaccu
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u ervoor zorgen dat de
voorste en achterste dragerarmen onder de
steunpunten komen te zitten. Zie voorgaande
afbeelding.
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
09
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINN.B.
De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. De ontsteking moet daarom altijd
zijn uitgeschakeld bij werkzaamheden in de
motorruimte.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken
die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van
een andere krik dan door Volvo geadviseerd
de gebruiksaanwijzingen die bij deze krik
werden geleverd.
Raak geen bougies of bobines aan als de
ontsteking is ingeschakeld of als de motor
warm is.
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorkant van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
en MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij temperaturen rond het vriespunt sproeiervloeistof
met antivries bij.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
225
09 Onderhoud en service
09
Onderhoud
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat de radiateurventilator (vóór
in de motorruimte achter de radiateur) enige
tijd na uitschakeling van de motor automatisch kan starten.
Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door
een werkplaats. Als de motor warm is,
bestaat er brandgevaar.
226
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Motorkap openen
Op de afbeelding staat een auto met het stuur links.
1. Trek aan de vergrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard. (Bij
auto’s met het stuur rechts zit de handgreep uiterst rechts.) Het is duidelijk te
horen dat de vergrendeling wordt opgeheven.
2. Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de slotpal naar rechts.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Peilstok1 voor motorolie2
Radiateur
Motorruimte
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (4cil.)
Expansiereservoir voor koelsysteem
3. Open de motorkap.
1
2
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
Koelventilator
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (5cil.)
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur rechts)
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
De positie hangt van het motortype af.
227
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Motorolie bijvullen2
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
Startaccu
Relais- en zekeringenkastje
Luchtfilter2
Klimaatregeling
Storingen opsporen en verhelpen
De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht bij het
opsporen van lekken.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en
reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden
uitgevoerd.
2
228
De positie hangt van het motortype af.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliepeil motor controleren
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de voorgeschreven
kwaliteit. Controleer frequent het oliepeil en
ververs de olie regelmatig. Het gebruik van
olie van lagere kwaliteit dan aangegeven of
het rijden met een te laag oliepeil is schadelijk voor de motor.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden,
zie pagina 298.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
09
gemaakt van een waarschuwingslampje voor
de oliedruk. Bij modellen met een oliepeilsensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displaymeldingen. Op bepaalde
modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Houd voor het verversen van de motorolie en
het vervangen van het oliefilter de intervallen
aan die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Bij
rijden onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo een olie van een hogere kwaliteit,
zie pagina 298.
Voor de bij te vullen hoeveelheid (zie
pagina 299 en verder).
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag/hoog oliepeil of
een lage/hoge oliedruk. Bij de modellen die zijn
voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik
229
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Motor met oliepeilstok1
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
G020336
09
Dieselmotor.
Benzinemotor.
Peilstok, benzinemotoren.
Vulpijp motorolie.
Peilstok, viercilinderdieselmotoren.
Vulpijp motorolie.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
1
230
Geldt alleen benzine- en 4-cil. dieselmotor.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Peil meten en zo nodig corrigeren
1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond
geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na
het afzetten van de motor ten minste
5 minuten wacht, zodat de olie weer kan
teruglopen in het oliecarter.
2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze
schoon.
3. Steek de peilstok weer naar binnen.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
4. Trek de peilstok tevoorschijn en controleer
het peil.
09
Voor motoren met elektronische
oliepeilsensor2
5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar
ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen.
6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te
controleren, moet u dat na enige tijd rijden
doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4.
WAARSCHUWING
Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Melding en grafische weergave op display.
Melding
Vulpijp.3
U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen,
voordat er een melding op het display verschijnt, zie onderstaande afbeelding.
Motoroliepeil
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 68.
WAARSCHUWING
Bij het verschijnen van de melding Oliepeil
Service vereist een werkplaats opzoeken.
Het oliepeil is mogelijk te hoog.
2
3
Geldt alleen voor 5-cil. dieselmodel.
Bij motoren met elektronische oliepeilaanduiding ontbreekt de peilstok (5-cil. diesel).
231
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK
Vul bij het verschijnen van de melding
Oliepeil laag Olie bijvullen slechts 0,5 liter
bij.
2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel
naar stand Motoroliepeil Een
ogenblik....
> Vervolgens verschijnt informatie over
het motoroliepeil.
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
N.B.
Het systeem detecteert het oliepeil alleen
tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is.
WAARSCHUWING
Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
De olie mag nooit boven MAX of onder
MIN staan om motorschade tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Oliepeil meten
Voor controle van het oliepeil de onderstaande
volgorde aanhouden.
1. Activeer sleutelstand II, zie pagina 162.
232
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
De cijfers 1–4 geven het niveau aan. Vul niet meer
olie bij, als niveau (3) of (4) staat aangegeven. Het
aanbevolen niveau is 4.
Voor de aan te houden hoeveelheden, zie de
tabel Vloeistoffen op pagina 300.
Vulopening op een auto met dieselmotor.
Vulopening op een auto met benzinemotor.
Giet tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
N.B.
Vermeng het water met geconcentreerde
sproeiervloeistof voordat u gaat bijvullen.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
09
BELANGRIJK
•
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
•
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. Als dat niet
het geval is, kunnen er te hoge temperaturen optreden met gevaar voor
beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
233
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 300.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
WAARSCHUWING
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. Als dat niet het geval
is, kunnen er te hoge temperaturen optreden met gevaar voor beschadiging (barsten)
van de cilinderkop.
4
234
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
N.B.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir4. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
de tabel Vloeistoffen op pagina 300.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Voor de
aanbevolen vloeistofkwaliteit en aan te houden
hoeveelheden, zie pagina 300.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
09
Klap de wisserarm omhoog.
Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
G020330
Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
> Controleer (3) of het blad goed vastzit en
klap de wisserarm omlaag.
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 214.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
235
09 Onderhoud en service
09
Startaccu
Gebruik
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de startaccu.
• Koppel de startaccu nooit los, terwijl de
motor loopt.
• Controleer of de kabels van de startaccu
op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
•
236
De startaccu kan het zeer explosieve
knalgas produceren. Eén enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om
de accu tot ontploffing te brengen.
•
De startaccu bevat tevens zwavelzuur
dat ernstige chemische brandwonden
kan veroorzaken.
•
Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op
uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op
met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
De accu bevat een bijtend
zuur.
09 Onderhoud en service
Startaccu
Vermijd vonken en open
vuur.
Accu vervangen
Demonteren
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
Explosiegevaar.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
> Het elektrische systeem van de auto
dient belangrijke gegevens weg te
schrijven naar de regelmodules.
2. Schroef de klem vast waarmee de accu
vastzit.
3. Sluit de ontluchtingsslang aan.
> Controleer of deze correct is aangesloten tussen de accu en de afvoeropening
in de carrosserie.
4. Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
5. Sluit de rode pluskabel aan.
3. Verwijder de afdekking.
6. Sluit de zwarte minkabel aan.
4. Koppel de zwarte minkabel los.
7. Bevestig de dekplaat op de accu.
Bestemd voor inzameling.
WAARSCHUWING
09
Voor meer informatie over de startaccu van de
auto - zie pagina 183 en 305.
De plus- en minkabels in de juiste volgorde
loskoppelen en/of aansluiten.
5. Koppel de rode pluskabel los.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
6. Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
7. Koppel de ontluchtingsslang van de accu
los.
8. Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
9. Til de accu uit de auto.
Monteren
1. Til de accu op zijn plaats.
237
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Algemeen
Op pagina 305 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en andere lichtbronnen van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn te vinden in:
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
lampen)
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
ting dashboardkastje
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
4. Koppel de connector los door de clip met
uw duim in te drukken en tegelijkertijd met
uw andere hand de connector los te halen.
•
• Remlichten
Interieurverlichting aan het plafond
WAARSCHUWING
238
2. Trek de borgpen van het lamphuis
omhoog.
3. Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren.
ting en “Approach”-verlichting
• Leeslampjes, instapverlichting en verlich-
Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een
werkplaats laten vervangen – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de Xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien
dergelijke koplampen zijn voorzien van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt.
1. Neem de transpondersleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
BELANGRIJK
• Actieve xenonkoplampen - ABL (xenon• Dagrijlicht (DRL) in spoiler
• Richtingaanwijzers, buitenspiegelverlich-
Lamphuis losmaken
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond neer om krassen
op de lens te voorkomen.
09
Dimlicht
Lamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
2. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot
steekt.
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
Afdekking en gloeilamp vervangen
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
2. Haal de borgklemmen opzij en verwijder de
afdekking.
3. Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar links
zodat hij loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Duw de klemveer naar binnen/omhoog en
vervolgens iets naar rechts, zodat deze in
positie vastklikt.
3. Duw de connector in positie terug.
4. Plaats de kunststof afdekking terug.
5. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 238.
4. Trek de gloeilamp naar buiten.
``
239
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Groot licht
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
2. Linker koplamp:
draai de lamphouder linksom.
Rechter koplamp:
draai de lamphouder rechtsom.
3. Trek de lamphouder naar buiten toe en vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
5. Plaats het lamphuis terug.
240
1. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
2. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Richtingaanwijzer
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
3. Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Sidemarker
Mistlampen
09
6. Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
7. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
8. Zet het lamphuis met het boutje vast en
duw het paneel terug.
Lamphouder losmaken
1. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
2. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier aanbrengen.
2. Trek de afdekking vervolgens recht naar
buiten, naar het midden van de auto toe
(zie bovenstaande afbeelding).
> Haal de clips (1) los en trek de kap recht
naar buiten toe (2).
3. Draai het boutje uit het lamphuis los en
neem het lamphuis eruit.
4. Koppel de connector van de gloeilamp los.
De gloeilampen van de achterlichten zijn allemaal vanuit de kofferbak te bereiken.
5. Draai de gloeilamp linksom en trek hem
naar buiten.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
``
241
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
2. Open het luikje in de bekleding om toegang
tot de lampen te krijgen. Ze zitten in een
aparte lamphouder.
Positie van gloeilampen in lamphouder
achter
Kentekenplaatverlichting
3. Koppel beide connectoren van de lamphouder los.
4. Duw de borghaken bijeen en trek ondertussen de lamphouder naar buiten.
5. Vervang de gloeilamp en sluit de connectoren aan.
6. Druk de lamphouder in positie en plaats
het luikje terug.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
Lamphouder (rechter lamphouder afgebeeld).
Mistachterlicht
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
Richtingaanwijzer
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
Achteruitrijlicht
3. Haal het glas voorzichtig los.
4. Vervang de gloeilamp.
N.B.
Alleen het mistachterlicht in het linker achterlamphuis brandt bij auto’s met het stuur
links en dat in het rechter achterlamphuis bij
auto’s met het stuur rechts.
242
5. Plaats het glas terug en schroef het vast.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Kofferbak
Verlichting make-upspiegel*
09
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie vast.
G020253
Interieurverlichting achterin
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Spiegelglas verwijderen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
G020969
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Algemeen
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
• Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering
244
herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het
bijbehorende onderdeel een storing vertoont.
Volvo adviseert u in dat geval ter controle een
bezoek te brengen aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G007446
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het kastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let
erop dat u een doorgebrande zekering altijd
vervangt door een nieuwe zekering met
dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• De zekeringen 19–36 is van het type “MiniFuse”.
• De zekeringen 1–6 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen.1
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
• De zekeringen 7–18 zijn van het type
“JCASE” en moeten worden vervangen
door een werkplaats.1
1
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
245
09 Onderhoud en service
Zekeringen
G020250
09
1.
Koelventilator
50 A
7.
ABS-pomp
40 A
14.
Bedrading aanhanger*
40 A
2.
Stuurbekrachtiging
80 A
8.
ABS-ventielen
20 A
15.
Elektrisch bedienbare hardtop
30 A
3.
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
9.
Motorfuncties
30 A
16.
Infotainment
40 A
10.
Interieurventilator
40 A
17.
Ruitenwissers
30 A
11.
Koplampsproeiers, elektrisch
bedienbare hardtop, afsluitbaar opbergvak
18.
20 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
40 A
Elektrische achterruitverwarming
30 A
Bedieningsmagneet startmotor
30 A
4.
5.
6.
246
60 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
60 A
PTC-element luchtvoorverwarming*
80 A
12.
13.
Gloeibougie (5-cil. diesel)
70 A
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19.
Reservepositie
–
20.
Claxon
15 A
21.
Standverwarming op brandstof, interieurverwarming*
20 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
22.
Subwoofer
25 A
23.
Motorregelmodule (5-cil. benzine), transmissieregelmodule
(5-cil.)
10 A
33.
34.
24.
Elektrisch verwarmd brandstoffilter (5-cil. diesel), PTCelement olievanger (5-cil. diesel)
20 A
25.
Reservepositie
26.
Contactslot
15 A
27.
compressor voor airconditioning
10 A
28.
Reservepositie
29.
Mistlampen
Dagrijlicht (DRL)*
-
35.
–
15 A
30.
Reservepositie
-
31.
Reservepositie
-
32.
Verstuivers (5-cil. benzine), turboregelklep (5-cil. diesel), oliepeilaanduiding (5-cil. diesel)
36.
Vacuümpomp (5-cil. benzine),
relaisspoel relais vacuümpomp (5-cil. benzine), motorregelmodule (5-cil. diesel)
20 A
Bobines (benzine), drukverklikker klimaatregeling (5-cil.),
regelmodule gloeibougies (5cil. diesel), uitlaatgasreiniging
EGR (5-cil. diesel)
10 A
Relaisspoel relais klimaatregeling, PTC-element olievanger
(5-cil. benzine), luchtmassameter (5-cil. benzine), turboregelklep (5-cil. benzine), solenoïden variabele klepbediening (5-cil. benzine), regelklep
brandstofdruk (5-cil. diesel),
motorregelmodule (5-cil. diesel)
15 A
Motorregelmodule (benzine,
D4162T), gaspedaalsensor,
lambdasonde (5-cil. diesel)
10 A
09
10 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G020601
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
Het kastje biedt plaats aan 50 zekeringen. De
zekeringen zitten onder het dashboardkastje.
Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In het relais- en zekeringenkastje in
de motorruimte vindt u een speciale trekker
waarmee u de zekeringen kunt vervangen, zie
pagina 245.
Zekeringen vervangen
Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1) ca.
één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom
totdat ze los zijn.
248
Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
4. Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
5. Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de
bekleding vast komt te zitten.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
43.
44.
45.
46.
47.
Telematica*, audio, RTI*,
Bluetooth*
15 A
SRS-systeem, motorregelmodule (5-cil.)
10 A
Elektrische aansluiting interieur
Verlichting passagiersruimte,
verlichting dashboardkastje
en instapverlichting
Interieurverlichting, op
afstand bediende garagedeur*
48.
Sproeiers
15 A
49.
SRS-systeem
10 A
50.
Reservepositie
–
51.
PTC-element luchtvoorverwarming*, relaisspoel relais
elektrisch verwarmd brandstoffilter (5-cil. diesel)
10 A
Transmissieregelmodule,
ABS
5A
Stuurbekrachtiging
10 A
15 A
5A
52.
53.
54.
Park Assist*, Xenon-koplampen*
10 A
55.
Regelmodule Keyless*
20 A
56.
Ontvanger afstandsbediening(en), sirene*
10 A
Diagnoseaansluiting, remlichtschakelaar
15 A
Groot licht rechts, relaisspoel
relais verstralers*
7,5 A
Groot licht, links
7,5 A
57.
58.
59.
09
5A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
60.
61.
15 A
73.
Stoelverwarming passagierszijde
15 A
62.
Reservepositie
63.
Voeding elektrisch bedienbare ruit, rechtsachter
20 A
Controlelampjes voor portiersloten
5A
65.
Audiosysteem, Infotainment
5A
66.
Audiosysteem, Infotainment,
klimaatregeling
64.
250
Stoelverwarming bestuurderszijde
67.
Reservepositie
68.
Cruisecontrol
69.
Klimaatregeling, regensensor,
knoppen voor BLIS*, Park
Assist*
–
10 A
Console voor interieurverlichting, gordelwaarschuwing
achterpassagiers, dimfunctie
achteruitkijkspiegel*
5A
74.
Brandstofpomp
15 A
75.
Reservepositie
–
76.
Reservepositie
–
77.
Elektrische aansluiting kofferbak, regelmodule accessoires*
78.
Reservepositie
79.
Achteruitrijlichten, dimfunctie
achteruitkijkspiegel (signaal)
–
5A
5A
70.
Reservepositie
–
71.
Reservepositie
–
72.
Reservepositie
–
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85.
15 A
–
5A
80.
Reservepositie
81.
Voeding elektrisch bedienbare ruit, linksachter
20 A
Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier, rechtsvoor
25 A
Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier, linksvoor
25 A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel
25 A
82.
83.
84.
-
86.
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
25 A
Interieurverlichting, kofferbakverlichting, elektrisch bedienbare stoelen
5A
09 Onderhoud en service
09
251
Algemene informatie.............................................................................
Audiofuncties........................................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies...........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon*.......................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
254
256
261
267
270
271
279
283
INFOTAINMENT
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
systeem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset* op het
stuurwiel, zie pagina 75. Op het display (2) verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
10
Audiosysteem
G020245
Aan/uit
POWER – Drukknop, audiosysteem aan/
uit
Display
Menufuncties
Toetsenset
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
MENU – Menusysteem openen
Navigatieknoppen
EXIT – Menusysteem verlaten
ENTER – Kiezen/activeren/deactiveren
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties*. Het Infotainment-
254
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de transpondersleutel naar stand 0 draait, blijft
het audiosysteem ingeschakeld totdat u de
transpondersleutel uit het contactslot neemt.
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
• Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (3). Druk eerst op MENU en vervolgens op
het cijfer c.q. de cijfers van de gewenste menuopties.
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
• Performance,
• High Performance* of
• Premuim Sound*
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met FMradio met RDS, AM-radio en een cd-speler.
10 Infotainment
Algemene informatie
Dolby Surround Pro Logic IIŸ1
Dolby Surround Pro Logic IIŸ verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
10
Dolby Surround Pro Logic IIŸ en het Dolby-logo
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II SystemŸ is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
1
Premium Sound.
255
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
10
pagina 75. Het volume wordt automatisch
afgestemd op de snelheid van de auto, zie
pagina 259.
Geluidsbron kiezen
Externe geluidsbronnen
AUX, USB*
Algemeen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door.
Bij herhaalde malen indrukken van MODE
loopt u de standen CD, USB, AUX en BT door.
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE - Geluidsbron kiezen: CD, AUX,
USB (zoals iPodŸ)1 of BT*
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Navigatieknop - Menufuncties
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen, zie
1
256
AUX-ingang
USB-ingang*
De AUX- en USB-ingangen bieden de mogelijk
een externe geluidsbron aan te sluiten, zoals
een iPodŸ1 of mp3-speler.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler of
USB-geheugen aan te sluiten op de USB-aansluiting, kunt u het geluidsmedium bedienen
via de geluidsregeling van de auto.
Alleen de uitvoeringen High Performance en Premium Sound hebben een USB-aansluiting. iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audiofuncties
Met de knop MODE kiest u de te beluisteren
externe geluidsbron.
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USB-geheugen aan op de USB-aansluiting in het
opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
> De tekst Aan het laden verschijnt op
het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display, waarna u een bepaalde track
kunt selecteren.
U kunt op een van de volgende drie manieren
een track selecteren:
• Draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom.
• Gebruik de linker of rechter toets van de
navigatiebediening (6) om naar de gewenste track te bladeren.
• Gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het Infotainmentsysteem op dezelfde manier als bij het
beluisteren van audiobestanden op een cd in
de cd-speler. Voor meer informatie, zie
pagina 267.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPodŸmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPodŸ Shuffle wordt echter niet ondersteund.
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dient u deze eerst op te laden alvorens de speler aan te sluiten.
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen audiobestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
afspeelbare audiobestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
10
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
AUX
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
257
10 Infotainment
Audiofuncties
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
10
Streaming audio via BluetoothŸ*
N.B.
De mobiele telefoon met BluetoothŸ moet
ondersteuning bieden voor de profielen
Audio/Video Remote Control Profile
(AVRCP) en Advanced Audio Distribution
Profile (A2DP). De telefoon dient AVRCP
versie 1.3 en A2DP 1.2 te hanteren. Anders
werken bepaalde functies mogelijk niet.
• Draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom.
• Gebruik toetsen
of
van de navigatiebediening (6) om naar het gewenste
audiobestand te bladeren.
• Met de toetsen
of
van de toetsenset
op het stuurwiel.
Algemeen
Als de auto is uitgerust met BluetoothŸ-handsfree* en er een mobiele telefoon is aangesloten, kunnen er draadloos “streaming audio”bestanden op de mobiele telefoon worden
weergegeven via het audiosysteem. Navigatie
en regeling van het geluid zijn in dat geval te
verrichten via de toetsen op de middenconsole
of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige mobiele telefoons is het ook mogelijk op
de telefoon zelf van track te wisselen.
Voor weergave van de audiobestanden moet
er eerst een telefoon aan het systeem gekoppeld en op de auto aangesloten worden. Voor
informatie over het koppelen en aansluiten, zie
pagina 283. Ook moet u BT als geluidsbron
hebben gekozen, zie pagina 256.
N.B.
Niet alle verkrijgbare mobiele telefoons zijn
volledig compatibel met de BluetoothŸfunctie van het audiosysteem in de auto.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons en
externe mediaspelers.
Audio-instellingen
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op SOUND (5) kunt u de
onderstaande opties doorbladeren. U stelt de
opties in door aan TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE - Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
Afspelen
Druk herhaalde malen op MODE om BT als
geluidsbron te kiezen.
U kunt op een van de volgende drie manieren
een audiobestand selecteren:
• BALANS – Balans tussen luidsprekers
links en rechts.
• SUBWOOFER* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. De subwoofer moet ingeschakeld zijn om het niveau bij te kunnen
regelen, zie onder het kopje Subwoofer
activeren/deactiveren verderop.
• MIDDEN2 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic IIŸ moet zijn ingeschakeld om
2
258
Premium Sound.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audiofuncties
het niveau bij te kunnen regelen, zie onder
het kopje Surround-functie activeren/
deactiveren verderop.
• SURROUND2 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Pro Logic IIŸ
moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te
kunnen regelen, zie onder het kopje Audioinstellingen verderop.
Subwoofer activeren/deactiveren
• Druk op MENU en daarna op ENTER.
• Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
• Ga naar Subwoofer en druk op ENTER.
Surround2
G021216
De Surround-instellingen zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van de
geluidsweergave. De instellingen en
activering/deactivering ervan worden
voor elk van de geluidsbronnen apart vastgelegd.
Het DolbyŸ-pictogram op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic IIŸ actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
2
3
4
5
• Dolby Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals.
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Surround FM…, Surround
AM…, Surround CD…of Surround
AUX… en druk op ENTER.
4. Ga naar Dolby Pro Logic II3, 3-kanaals
of Uit en druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter4
Met de equalizer kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
Equalizer bijregelen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Equalizer voor… of Equalizer
achter… en druk op ENTER.
10
4. De balken op het display geven het
geluidsniveau van de verschillende frequenties aan.
5. Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
6. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT zonder de instellingen op te slaan.
Autom. volumeregeling5
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen: Laag, Medium en
Hoog.
Automatische volumeregeling instellen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
Premium Sound.
Niet beschikbaar in de standen AM en FM.
Bepaalde systeemuitvoeringen.
Geldt niet voor Performance
``
259
10 Infotainment
Audiofuncties
3. Ga naar Autom. volumeregeling… en
druk op ENTER.
10
4. Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
Automatische geluidsregeling
De akoestische eigenschappen van het interieur veranderen bij een toename van de rijsnelheid of bij het openen van de hardtop. Voor
optimale geluidsweergave wordt de geluidsregeling daarom automatisch afgestemd op de
situatie. Voor optimale geluidsweergave wordt
de geluidsregeling daarom geheel automatisch
afgestemd op de situatie.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals lage tonen,
hoge tonen en equalizer*) zijn uitsluitend
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
bedoeld om u de mogelijkheid te bieden de
geluidsweergave naar wens af te stellen.
10 Infotainment
Radiofuncties
Zenders zoeken
Bediening radiofuncties
Voorkeurzenders vastleggen
Automatisch zenders zoeken
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Druk kort op
of
.
De radio zoekt dan automatisch de eerstvolgende sterke zender op.
Handmatig zenders zoeken
G019806
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
FM/AM – Frequentieband kiezen
Sneltoetsen
TUNING – Draaiknop voor het zoeken van
zenders
SCAN – Scannen
Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
EXIT – Lopende functie annuleren
AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. U kiest een voorkeurzender met de
sneltoetsen (2) of met de toetsenset op het
stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
2. Houd een van de sneltoetsen ingedrukt,
totdat de melding Zender opgeslagen op
het display verschijnt.
Het is ook mogelijk een zender vast te leggen
of
te drukken. U kunt daardoor lang op
voor ook de toetsenset op het stuurwiel gebruiken:
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
–
Houd
of
van de navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het
display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door
of
kort
in te drukken.
10
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is vooral handig in gebieden, waar u de
radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver``
261
10 Infotainment
Radiofuncties
volgens rechtstreeks te kiezen met de sneltoetsen (2).
10
Automatische vastlegfunctie beëindigen
–
Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een sneltoets (2).
> De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de automatische stand
annuleert met de toetsen AUTO (7),
EXIT (6) of AM/FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders in andere
geheugenbank opslaan
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op de sneltoets met de te verplaatsen
zender.
1
262
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
3. Druk op de sneltoets waaraan u de voorkeurzender wilt koppelen en houd de toets
ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De radio verlaat de automatische stand
waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Scannen
De functie SCAN (4) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
2. Druk op SCAN om de functie te activeren.
> De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
–
Druk op een sneltoets en houd deze ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De scanfunctie wordt beëindigd,
waarna u de vastgelegde zender als
voorkeurzender kunt gebruiken.
RDS-functies1
Radio Data System – RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender
in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde
informatie, zodat een RDS-radio onder meer
de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
10 Infotainment
Radiofuncties
Programmafuncties
Alarm
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken.
Als er een zender met het gewenste programmatype is gevonden, kan de radio vervolgens
op deze zender overschakelen en de weergave
van de actieve geluidsbron onderbreken. Als
de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de
weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De
uitzending met het gekozen programmatype
wordt weergegeven op een vooraf bepaald
volume, zie pagina 265. Na afloop van de uitzending van het gekozen programmatype
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste.
Om de onderbroken geluidsbron te hervatten,
voordat u de melding of het programmatype
hebt beëindigd, drukt u op EXIT.
Voor meer instellingen die te maken hebben
met het onderbreken van uitzendingen, zie
EON en REG op pagina 264. De programmafuncties zijn te wijzigen aan de hand van het
menusysteem, zie pagina 254.
Verkeersinformatie, TP
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar TP en druk op ENTER.
5. Ga naar TP-zender… en druk op ENTER.
> Een van de meldingen TP van deze
zender of TP van alle zenders verschijnt op het display.
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
op het display.
staat er
6. Druk op ENTER.
TP activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
2. Ga naar TP en druk op ENTER.
3. Ga naar TP en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
4. Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
G021220
10
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
``
263
10 Infotainment
Radiofuncties
1. Activeer de functie PTY.
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Popmuziek en
Klassieke muziek. Het
symbool PTY geeft aan dat de functie actief is.
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending van het gekozen programmatype via het RDS-netwerk van de zender
waarop is afgestemd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
Nieuws activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar Nieuwszender… en druk op
ENTER.
> Een van de meldingen Nieuws van
deze zender of Nieuws van alle
zenders verschijnt op het display.
5. Druk op ENTER.
264
G021222
Programmatype, PTY
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding Nieuws geeft aan dat de
functie actief is.
G021221
10
Nieuws
PTY activeren/deactiveren
1. Kies FM1 of FM2 met FM/AM.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
4. Ga naar PTY selecteren… en druk op
ENTER.
> Er verschijnt een lijst met programmatypes: Actualiteit, Informatie enz. U
activeert de functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de
functie door alle PTY’s te wissen.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
4. Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display. Met een druk op
van de navigatieknop wordt verder gezocht
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
5. U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY's wissen…
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
PTY zoeken
3. Ga naar PTY weergeven en druk op
ENTER.
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
2. Ga naar PTY en druk op ENTER.
10 Infotainment
Radiofuncties
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst Regionaal op
het display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken gedeactiveerd.
Radiotekst activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI
zoekenEXIT is afbreken op het display.
AF activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar AF en druk op ENTER.
G021223
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
REG activeren/deactiveren
3. Ga naar EON… en druk op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
4. Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is vooral handig in stedelijke
gebieden met een groot aantal regionale radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
10
RDS-functies resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabrieksinstellingen voor RDS herstellen.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Reset alles… en druk op
ENTER.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
``
265
10 Infotainment
Radiofuncties
Volumeregeling programmatypes
10
266
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is
gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume
opgeslagen voor een volgende onderbreking.
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
G019807
Weergave starten (cd-wisselaar*)
Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, track selecteren en navigeren in menusysteem
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd aanbrengen en uitwerpen
Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
MODE – Geluidsbron kiezen (CD, AUX,
USB*)
TUNING – Draaiknop voor het kiezen van
een track
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de
cd-wisselaarstand met MODE en selecteer
een cd met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de
pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst WERP UIT ALLE.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Cd aanbrengen
Audiobestanden*
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
> Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc
plaatsen geeft aan dat u een volgende
cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar
biedt plaats aan 6 cd’s.
De cd-speler/cd-wisselaar* ondersteunt ook
audiobestanden in mp3- en wma-formaat.
2. Breng een cd aan in de cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
10
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met audiobestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
10 Infotainment
Cd-functies
Navigeren en afspelen
10
Als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler zit, kunt u de mapstructuur van de
schijf tonen met een druk op ENTER. U navigeert op dezelfde manier in de mapstructuur
als in het menusysteem van het audiosysteem.
Audiobestanden worden aangeduid met het
en mappen met
. Met een druk
symbool
op ENTER gaat het afspelen van de audiobestanden van start.
Wanneer een bepaald audiobestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het audiobestand in zijn
geheel weer te geven.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track/
muziekbestand op de cd wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de
tracks/audiobestanden op een cd doornemen.
Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt
u tracks/audiobestanden op een cd versneld
vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook
1
268
Geldt voor de cd-wisselaar.
gebruik maken van TUNING (of van de toetsenset op het stuurwiel).
• RANDOM houdt in dat de tracks op
Cd doorzoeken
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/audiobestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van de track/
het audiobestand op de cd voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/audiobestanden in willekeurige volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen tracks/
audiobestanden op de cd op de gebruikelijke
manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd1.
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RND FLD houdt in dat de audiobestanden
in een willekeurige map op de gekozen cd
worden afgespeeld.
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Map of Disc en druk op ENTER.
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige
afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
10 Infotainment
Cd-functies
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Cd’s
3. Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Enkele disc of Map en druk op
ENTER.
10
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Tekst disc
Eventuele trackinformatie op de muziek-cd kan
via het display worden weergegeven2.
Activeren/deactiveren
1. Start de weergave van een cd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
2
Geldt voor de cd-wisselaar.
269
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
Overzicht
10
FM-MENU1
4.
TP
1.
AUX-ingangsvolume…
5.
Tekst disc
2.
Nieuws
6.*
Audio-instellingen…
3.
TP
4.*
Audio-instellingen…
Nieuws
2.
TP
3.
PTY…
4.
Radiotekst
5.
Geav. radio-instellingen…
Bij cd-wisselaar* met cd-schijf geselecteerd.
6.*
Audio-instellingen…
1.
Random…
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
1.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met cd-schijf.
1.
Random
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met mp3-schijf.
270
Nieuws
1.
AM-MENU
1
3.
1.
Afspeellijst
2.
Random…
Welke RDS-functies beschikbaar zijn hangt af van de markt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
CD-MENU
CD-MENU
Bij cd-wisselaar* met mp3-schijf geselecteerd.
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Tekst disc
6.*
Audio-instellingen…
AUX-MENU
USB-MENU*
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Nummerinformatie
6.
Audio-instellingen…
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Onderdelen van het telefoonsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Antenne1
10
Toetsenset op stuurwiel. Met de toetsenset kunt u de meeste functies van het telefoonsysteem regelen, zie pagina 273.
Microfoon. De microfoon voor handsfree
bellen is in de plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel geïntegreerd.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
Simkaartlezer
Algemeen
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
1
272
Alleen voor geïntegreerde telefoon of RTI.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
netwerkprovider bevinden.
In het menu 6.5 kunt u IDIS opheffen, zie
pagina 279.
Simkaart
Noodoproep doen
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op ENTER.
IDIS
Met het IDIS-systeem (Intelligent Driver
Information System) kunt u, wanneer IDIS
inschat dat de verkeerssituatie alle aandacht
vergt, een vertraging inbouwen voor telefoongesprekken en sms-berichten, zodat u zich
geheel op het rijden kunt concentreren.
Inkomende gesprekken en sms-berichten kunnen 5 seconden worden vertraagd, voordat ze
worden doorgegeven. Als de heersende verkeerssituatie daarna nog alle aandacht van de
bestuurder vergt, kan het inkomende gesprek
worden doorgeschakeld naar de voicemail. De
gemiste oproepen verschijnen op het display.
G020244
Onderdelen van het telefoonsysteem
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Meerdere netwerkproviders bieden simkaarten aan. Neem
bij problemen met de simkaart contact op met
de netwerkprovider.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Neem contact op met uw netwerkprovider om na te gaan of u van simkaart
moet veranderen.
Extra simkaart
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Menufuncties
MENU – Hoofdmenu openen
Op pagina 279 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
10
Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers
PHONE – Aan/uit en stand-by
Bediening telefoon
Toetsenset op stuurwiel
Simkaart aanbrengen
1. Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
2. Trek de simkaarthouder uit de simkaartlezer (zie afbeelding op pagina 272).
4. Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
G020243
G019809
3. Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – Het achtergrondvolume van de
radio e.d. regelen tijdens een gesprek
Cijfer- en lettertoetsen
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
toetsen wilt gebruiken om instellingen in het
audiosysteem te verrichten, moet u eerst de
telefoon standby zetten.
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers.
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen. Wisselen tussen audiomenu en telefoonmenu.
–
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is, kunt u geen gesprekken beantwoorden.
Gesprekken beëindigen
–
Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon gedeactiveerd is.
standby
Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem te
beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk
zelf te bellen.
Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
Telefoon stand-by zetten
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
standby staat, staat er een hoorn op het display. Als u de transpondersleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem de volgende keer dat u de transpondersleutel naar
stand I of II draait, opnieuw actief zijn of standby staan.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
1. Druk op PHONE.
2. Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
274
Telefoonsysteem deactiveren
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
–
Druk op EXIT.
Gesprekken weigeren
–
Druk op EXIT.
Wisselgesprek
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt Antwoorden?. U
kunt het tweede gesprek op de gebruikelijke
manier weigeren of aannemen. Als u het
tweede gesprek aanneemt, wordt het eerste
gesprek in de wacht gezet.
Druk op PHONE.
Activeren vanuit stand-by
–
–
Druk op ENTER.
Druk op PHONE.
Gespreksfuncties
Bellen
1. Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 277.
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Pauze of Hervatten en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
1. Zet het eerste gesprek in de wacht.
3. Druk op ENTER.
2. Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Gesprekken aannemen
Wisselen tussen gesprekspartners
Zie menu-optie 4.3 zie pagina 279 voor het
automatisch aannemen.
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Wisselen en druk op ENTER.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Conferentiegesprek starten
Bij een conferentiegesprek kunnen drie
gesprekspartners met elkaar praten. Wanneer
een conferentiegesprek eenmaal gestart is,
kunnen er geen nieuwe gesprekspartners worden aangesloten. Bij het afsluiten van een conferentiegesprek worden alle lopende gesprekken beëindigd.
het gesprek, speelt het audiosysteem na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder. Het is ook mogelijk om het geluid van
het audiosysteem bij telefoongesprekken
automatisch uit te zetten (zie menu 6.4.3 op
pagina 279). De functie geldt alleen voor het
geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
Tekst invoeren
2. Druk op MENU of op ENTER.
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na
afloop van het gesprek speelt het audiosysteem op het oude volume verder. Als u het
volume van het audiosysteem bijregelt tijdens
Functie
def3èé
10
ghi4ì
jkl5
1. Begin twee telefoongesprekken.
3. Ga naar Deelnemen en druk op ENTER.
Knop
1. Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
2. Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u op * drukken of enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Knop
Functie
mno6ñöòØ
pqrs7ß
tuv8üù
wxyz9
Kort indrukken om twee
tekens op dezelfde toets na
elkaar in te voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters.
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàæç
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Nummerfuncties
10
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
Contactgegevens zoeken in
telefoonboek
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets MENU,
gaat u rechtstreeks naar het menu Zoeken.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
1. Druk op ENTER.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
5. Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
Telefoonboek
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display. Contactgegevens kunnen
op de simkaart en in het telefoongeheugen
worden vastgelegd.
6. Ga naar Wissen en druk op ENTER.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
Alle posten wissen
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Nieuwe contactpersoon en druk
op ENTER.
4. Voer een naam in en druk op ENTER.
5. Voer een nummer in en druk op ENTER.
6. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
5. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar SIM wissen of Telefoon wissen
en druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
One-key dial
3. Ga naar Alles kopiëren… en druk op
ENTER.
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
4. Ga naar SIM naar telefoon of Telefoon
naar SIM en druk op ENTER.
1. Druk op MENU.
Contactgegevens verwijderen uit
telefoonboek
1. Druk op MENU.
276
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
3. Ga naar Sneltoets verk. kiezen… en druk
op ENTER.
Bellen via telefoonboek
Functies tijdens lopende gesprekken
1. Druk op MENU.
4. Ga naar Selecteer nummers en druk op
ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
> Alle posten in het telefoonboek worden
weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een
deel van de naam van de post in te voeren die u zoekt.
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies zijn
alleen te activeren als een gesprek in de wacht
staat.
5. Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
6. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
7. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
8. Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Verkort kiezen
–
Druk kort op de voorkeurtoets van uw
keuze en daarna op de toets ENTER.
N.B.
3. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
N.B.
Houd de gewenste letter/toets van de toetsenset ca. 2 seconden ingedrukt om het
telefoonboek bij de bijbehorende letter te
openen.
10
Druk op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
1. Microfoon mute/Microfoon
ingeschakeld – Ruggespraakstand.
2. Pauze/Hervatten – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten.
3. Telefoonboek – Telefoonboek bekijken.
4. Deelnemen – – Telefonische vergadering
voeren (mogelijk bij aansluiting van meer
dan twee partijen).
5. Wisselen - Wisselen tussen twee gesprekken (mogelijk bij aansluiting van maximaal
drie partijen).
Na activering van de telefoon moet u enkele
seconden wachten, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
Sneltoets verk. kiezen… in het menu
Telefoonboek…, zie pagina 281 geactiveerd
zijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Sms (Short Message Service)
10
Sms lezen
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Lezen en druk op ENTER.
4. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
> De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het goed.
Specificaties
Schrijven en verzenden
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Nieuw bericht schrijven en druk
op ENTER.
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
250A
Sms (Short Message Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
4. Schrijf de tekst en druk op ENTER.
A
5. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
6. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
278
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
In de telefoon, plus het aantal geheugenpositie op de simkaart.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
Hoofdmenu
1.
Sneltoets verk. kiezen…
4.6.2.
Indien bezet
Oproepregister…
2.4.1.
Actief
4.6.3.
Geen antwoord
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
2.4.2.
Selecteer nummers
4.6.4.
Niet bereikbaar
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
2.5.
SIM wissen
4.6.5.
Fax oproepen
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
2.6.
Telefoon wissen
4.6.6.
Datagesprekken
1.4.
Lijst wissen…
2.7.
Geheugenstatus
4.6.7.
Alles annuleren
1.5.
2.
1
2.4.
1.4.1.
Alle oproepen
1.4.2.
Gemiste oproepen
3.1.
Lezen
5.1.
Autotelefoon
1.4.3.
Ontvangen oproepen
3.2.
Nieuw bericht schrijven
5.2.
Telefoon toevoegen
1.4.4.
Gekozen nummers
3.3.
Berichtinstellingen…
5.3.
Toegevoegde telefoons1
3.
Berichten…
5.
Gespreksduur…
3.3.1.
SMSC-nummer
1.5.1.
Laatste oproep
3.3.2.
Geldigheidsduur…
1.5.2.
Aantal oproepen
3.3.3.
Type bericht…
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
4
Belopties…
4.1.
Verzend mijn nummer
Telefoonboek…
4.2.
Wisselgesprek
2.1.
4.3.
Automatisch antwoord
Zoeken
2.2.
Nieuwe contactpersoon
4.4.
Auto re-dial
2.3.
Alles kopiëren…
4.5.
Nummer voicemail
2.3.1.
SIM naar telefoon
4.6.
Omleidingen…
2.3.2.
Telefoon naar SIM
4.6.1.
Alle oproepen
10
Verwissel telefoon
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
6.
Instellingen telefoon…
6.1.
6.2.
Netwerkselectie…
6.1.1.
Automatisch
6.1.2.
Handmatige selectie
SIM-beveiliging…
6.2.1.
Aan
6.2.2.
Uit
Maximaal 3 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.2.3.
10
Automatisch
6.3.
PIN-code bewerken
6.4.
Geluid en volume…
6.4.1.
Belvolume
6.4.2.
Beltonen…
6.4.3.
Radio mute
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5.
IDIS
6.6.
Reset telefooninstellingen
Beschrijving van menu-opties
1. Gespreklijst
1.1. Laatste 10 gemiste
2.3.1.
SIM naar telefoon
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
2.3.2.
Telefoon naar SIM
1.4.1.
Alle oproepen
2.4. Sneltoetsfunctie
1.4.2.
Gemiste oproepen
1.4.3.
Ontvangen oproepen
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
1.4.4.
Gekozen nummers
2.4.1
Actief
2.4.2
Selecteer nummers
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Zie menu 1.5.4 voor het resetten van
de gesprekstellers.
2.5. SIM wissen
1.5.1.
Laatste oproep
1.5.2.
Aantal oproepen
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
1.5.3.
Totale tijd
2.7. Geheugengebr.
1.5.4.
Reset timers
Namen in het telefoonboek zoeken.
2.2. Nieuw contact
3. Berichten
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 276.
3.1. Lezen
2. Telefoonboek
1.2. Laatste 10 beantwoorde
2.1. Zoeken
1.3. Laatste 10 gekozen
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
2.6. Telefoon wissen
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
280
1.4. Lijst wissen
2.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
3.2. Nieuw opstellen
4.3. Autom. antw.
5.2. Telefoon toevoegen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
Mobiele telefoons toevoegen aan de lijst Toegevoegde telefoons.
3.3. Berichtinstellingen
4.4 Autom. herkiezen
5.3 Toegevoegde telefoons
Het nummer (SMSC nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal gesproken niet te wijzigen.
Automatisch een eerder gekozen nummer bellen.
Verbinding maken met een van de toegevoegde telefoons (maximaal 3 telefoons).
3.3.1.
SMSC-nummer
3.3.2.
Geldigheidsduur…
3.3.3.
Type bericht…
4.5. Voicemail-nummer
N.B.
Het nummer van voicemail opslaan.
4.6. Doorschakelen
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
6. Telefooninstellingen
4.6.1.
6.1 Kies netwerk
Alle oproepen
4. Belopties
4.6.2
Indien bezet
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.1. Verzend mijn nummer
4.6.3.
Geen antwoord
6.1.1.
Automatisch
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.6.4.
Niet bereikbaar
6.1.2.
Handmatige selectie
4.6.5.
Fax oproepen
4.6.6.
Datagesprekken
4.6.7.
Alles annuleren
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
6.2. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5. Verwissel telefoon
6.2.1.
Aan
5.1. Autotelefoon
6.2.2.
Uit
6.2.3.
Automatisch
Geïntegreerde telefoon kiezen.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.3. PIN-code bewerken
10
Pincode wijzigen. Code noteren en goed
bewaren.
6.4. Geluid en volume
6.4.1.
Belvolume
Het volume van het belsignaal regelen.
6.4.2.
Beltonen…
Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
6.4.3.
Radio mute
Radio uit-/inschakelen.
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5. IDIS
Als u de functie IDIS uitschakelt, worden inkomende gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging doorgegeven.
6.6. Reset Telefooninst
De fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Algemeen
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
N.B.
G029503
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole (3), zie pagina 273.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit in de plafondconsole (2). U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 279.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu, zie pagina 279.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
10
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
283
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
10
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Volvo Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Volvo Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
1
284
Geldt voor Keyless Drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Voer de pincode '1234' in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
Mobiele telefoon uitschakelen
5. Kies voor aansluiting op My Volvo Car
vanaf de mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 286.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding
Synchroniseert op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 286.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
en de
is, verschijnen het symbool
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 286.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree eerst ter
bevestiging op het toetsenblok van de
mobiele telefoon drukken.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
Automatisch antw.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Telefoonmenu… Belopties…
Automatisch antw..
Menu ontvangen oproepen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
• Microfoon mute – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Gespr. n. mob. doorsch. – Gesprek door-
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen tijdens
het bellen. Maak gebruik van de toetsenset op
het stuurwiel.
Instellingen telefoon…
volume… Radio mute.
Geluid en
10
Belvolume
Ga naar Telefoonmenu… Instellingen
telefoon… Geluid en volume…
Belvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Beltonen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefoonmenu… Instellingen telefoon…
Geluid en volume… Beltonen…
Beltoon 1 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
schakelen naar de mobiele telefoon.
Volume audiosysteem
In de telefoonstand (TELEFOON) is het volume
van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze
bij te regelen met VOLUME.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Telefoonmenu…
2
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefoonmenu…
Instellingen telefoon… Geluid en
volume… Beltonen… Signaal mob. tel.
gebr..
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
285
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Meer informatie over registratie en
aansluiting
foon door het menusysteem als volgt te gebruiken.
Er kunnen maximaal drie mobiele telefoons
worden geregistreerd. U hoeft een mobiele
telefoon slechts eenmaal te registreren. Na
registratie staat de mobiele telefoon in de lijst
met toegevoegde telefoons. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwijder telefoon.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
BluetoothTM of ook een geïntegreerde telefoon.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
Zet het audiosysteem in de telefoonstand
(TELEFOON) en volg de aanwijzingen op het
display of wissel van aangesloten mobiele tele-
286
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Bij auto’s met alleen
BluetoothTM
verricht u
de aansluiting onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwissel telefoon
Telefoon toevoegen of kies een van de
eerder aangesloten telefoons.
• Bij auto’s met zowel een geïntegreerde
BluetoothTM
telefoon als
verricht u de aansluiting onder Telefoonmenu…
Verwissel telefoon Telefoon
toevoegen of kies een van de eerder aangesloten telefoons.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. Deactiveer de functie
onder Instellingen telefoon…
Telefoonboek synchr.. Bij het zoeken van
contacten werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek…
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunctie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Belopties… Nummer voicemail. Als er nog
geen nummer opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu openen door lang op 1 te drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde nummer te gebruiken.
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder
Oproepregister….
N.B.
Sommige mobiele telefoons geven de lijst
met de laatst gebelde nummers in omgekeerde volgorde weer.
Tekst invoeren
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree
Het menusysteem voor BluetoothTM-handsfree is verkrijgbaar in twee versies. Eén
voor auto’s met alleen BluetoothTM-handsfree en één voor auto’s met een geïntegreerde telefoon en BluetoothTM-handsfree.
1.
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 275).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
2.
3.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Bluetooth…
3.1.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
3
10
N.B.
Verwissel telefoon
3.1.1.
Telefoon toevoegen
3.1.2.
Toegevoegde telefoons3
3.2.
Verwijder telefoon
3.3.
Vanaf mob. tel. verbinden
Maximaal 3 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
287
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
3.4.
10
4.
5.
Bluetooth info auto
3.1.
Verwijder telefoon
4.1.
Automatisch antw.
3.2.
Vanaf mob. tel. verbinden
4.2.
Nummer voicemail
3.3.
Bluetooth info auto
Instellingen telefoon…
5.2.
3
288
4.
Belopties…
Geluid en volume…
4.1.
Automatisch antw.
5.1.1.
Belvolume
4.2.
Nummer voicemail
5.1.2.
Beltonen…
5.1.3.
Radio mute
5.
Telefoonboek synchr.
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree en geïntegreerde telefoon
2.
Bluetooth…
Belopties…
5.1.
1.
3.
6.
Verwissel telefoon
5.1.
Autotelefoon
5.2.
Telefoon toevoegen
5.3.
Toegevoegde telefoons3
Instellingen telefoon…
6.1.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Maximaal 3 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.2.
Geluid en volume…
6.1.1.
Belvolume
6.1.2.
Beltonen…
6.1.3.
Radio mute
Telefoonboek synchr.
10 Infotainment
10
289
Type-aanduiding...................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Wielen en banden, maten en spanning ................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
290
292
294
297
298
300
302
304
305
307
308
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduiding
11
292
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbare gewichten, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter portier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Sticker voor standverwarming.
Motorcode en serienummer van de motor.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
handgeschakelde versnellingsbak
,
automatische versnellingsbak
Identificatienummer van de auto (VIN –
Vehicle Identification Number).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
293
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
A
B
Maten
mm
Wielbasis
2640
Lengte
C
Laadlengte, vloer
D
Kofferdeksel, geopend
E1
E2
Maten
F
4615
Laadhoogte bij een
gesloten hardtop
850
Maten
mm
J
Breedte
1836 (1851A)
K
Breedte incl. buitenspiegels
2025
Breedte incl. ingeklapte buitenspiegels
1847
525
265
L
ca. 200
G
Spoorbreedte vooras
Hoogte
1400
H
Hoogte
ca. 2000
Spoorbreedte achteras
1560
Laadbreedte, vloer
960
I
294
Laadhoogte bij een
geopende hardtop
mm
1550
A
met Keyless Drive*
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
een trekhaak, een audiosysteem, verstralers, een gps-systeem, een brandstofkachel, matten, elektrisch bedienbare stoelen,
etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
11
Voor de positie van de sticker, zie pagina 292.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto+aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
Trekgewicht en kogeldruk
295
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
296
Max. gewicht, geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1500
75
Max. gewicht, ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
750
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
Overzicht
N.B.
Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle
markten.
11
A
Motor
MotorcodeA
Vermogen
(kW bij
omw/min)
Vermogen
(pk bij
omw/min)
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderinhoud
(liter)
Compressieverhouding
T5
B5254T7
169/5000
230/5000
320/1500–
5000
5
83
93,2
2,521
9,0:1
D3
D5204T5
110/3500
150/3500
350/1500–
2750
5
81
77
1,984
16,5:1
D4
D5204T
130/3500
177/3500
400/1750–
2750
5
81
77
1,984
16,5:1
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 292.
297
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
11
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij het verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert de olie in een erkende
Volvo-werkplaats te laten verversen.
298
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motor
Motorcode
Aanbevolen oliekwaliteit
Hoeveelheid, incl. oliefilter
(liter)
T5
B5254T7
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
ca 5,8
D3
D5204T5
Viscositeit: SAE 0W-30
ca 5,9
D4
D5204T
11
ca 5,9
Voor het bijvullen van motorolie, zie
pagina 229.
299
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overzicht
BELANGRIJK
11
De aanbevolen versnellingsbakolie moet
worden gebruikt, zodat de versnellingsbak
niet beschadigd raakt, en de olie mag niet
met andere versnellingsbakolie worden
gemengd. Als er andere olie is bijgevuld,
moet u voor service contact opnemen met
de dichtstbijzijnde werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
M66
1,9
Automatische versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Voorgeschreven versnellingsbakolie
AW55-51
7,7
JWS 3309
TF-80SC
7,0
AW1
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
T5, automatische
versnellingsbak
7,5
D3 en D4
8,5
Koudemiddel
Airconditioning
Hoeveelheid
(liter)
B
Aanbevolen kwaliteit
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking. Thermostaat opent bij:90 °C
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
300
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
A
B
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
(liter)
Remvloeistof
Remsysteem
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
alle
Brandstof
Benzinemotor
ca. 62
Benzine: zie pagina 154
Dieselmotor
ca. 60
Diesel: zie pagina 155
0,6
1,0–1,2
Aanbevolen kwaliteit
DOT 4+
WSS M2C204-A of een vergelijkbaar product met dezelfde specificatie.
11
6,5
Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer en onder het
vriespunt.
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
301
11 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
11
T5
328
14,0
156
6,7
219
9,4
D3
210
7,9
122
4,6
154
5,9
D3
230
8,7
134
5,1
169
6,4
D4
201
7,7
126
4,8
154
5,9
D4
230
8,7
134
5,1
169
6,4
Uitleg
Stadsverkeer
gram/km
Snelwegrit
liter/100 km
Combinatierit
1
302
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Brandstof
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• Uw rijstijl.
• De grotere rolweerstand als u kiest voor
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn.
Waar u op moet letten
Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken:
• Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken
• Houd de juiste bandenspanning aan en
grotere wielen dan de standaardwielen op
de basisuitvoering van het model.
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 304.
• De grotere luchtweerstand bij hogere snel-
• De bandenkeuze is mogelijk van invloed op
heden.
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Ook wanneer u slechts enkele van de hier
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg
voor meer informatie de richtlijnen waar eerder
aan gerefereerd werd1.
11
en krachtig remmen.
het brandstofverbruik – informeer bij uw
dealer naar passende banden.
Voor meer informatie en tips zie pagina 13 en
150.
Zie pagina 154 voor meer algemene informatie
over brandstof.
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
1
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 692/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
303
11 Specificaties
Wielen en banden, maten en spanning
Goedgekeurde bandenspanningswaarden
Motor
Bandenmaat
11
Snelheid
(km/h)
Belading, 1–3 inzittenden
Max. belasting
Voor (kPa)A
Achter
(kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
ECO-bandenspanningB
0–160
210
210
250
250
250
160+
260
210
280
260
-
0–160
220
220
250
250
250
160+
270
220
290
270
-
0–160
230
210
250
250
250
160+
260
210
280
260
-
0–160
240
220
250
250
250
160+
270
220
290
270
-
0–80
420
420
420
420
-
215/55 R16 91W
T5
215/50 R17 91W
235/45 R17 94W
235/40 R18 91Y
215/55 R16 91 W
D3
D4
215/50 R17 91W
235/45 R17 94W
235/40 R18 91Y
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Zuinig rijden, zie pagina 202
N.B.
Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten.
304
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemeen
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. Bij vervanging van de star-
taccu is het dan ook erg belangrijk om een accu
te kiezen met dezelfde capaciteit als die van de
oorspronkelijke (zie sticker op accu).
11
Startaccu
Spanning (V)
Koudestartcapaciteit,
Reservecapaciteit
CCA - Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
590
Capaciteit (Ah)
100
60
760
A
120
70
700
B
135
80
12
12
A
B
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
Auto’s met een dieselmotor, Keyless Drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Dimlicht, halogeen
55
H7 LL
Groot licht, halogeen
65
H9
Verstralers, ABL
55
H7 LL
Richtingaanwijzers voor
24
PY24W SV
Stadslichten/parkeerlichten vóór
5
W5W LL BV
``
305
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Sidemarkers vóór
5
WY5W LL
Mistlampen
35
H8
Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels
5
WY5W LL
Instapverlichting vóór
3
Lampvoet T10; W2,1x9,5d
Verlichting dashboardkastje
3
Lampvoet T10; W2,1x9,5d
Verlichting make-upspiegel*
1,2
Lampvoet SV5.5; lengte 35 mm
Verlichting kofferbak
5
Lampvoet SV8.5; lengte 38 mm
Verlichting kentekenplaat
5
C5W LL
Richtingaanwijzers achter
21
PY21WSV
Achterlichten
-
-
Remlichten
-
-
Achteruitrijlicht
6
H6W
Mistachterlicht
21
P21 LL
11
306
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Transpondersleutelsysteem
Vergrendelingssysteem standaard
Land
EU
Sleutelloos vergrendelingssysteem
(Keyless Drive)
Land
EU
11
Korea
Singapore, China
Korea
Hongkong
Singapore, China
307
11 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
11
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 55 en
59.
- Rood waarschuwingssymbool dat gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt bovendien een verklarende tekst op het
informatiedisplay.
- Oranje informatiesymbool dat gaat
branden in combinatie met een verklarende
tekst op het informatiedisplay, wanneer er een
afwijking in een van de autosystemen is opgetreden. Het oranje informatiesymbool kan ook
gaan branden in combinatie met ander symbolen.
308
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
Betekenis
Pagina
Waarschuwing
21, 35, 55, 58
Informatie
55, 58, 172,
174
Uitlaatgas55, 56
reinigingssysteem
Storing in het
ABS
56, 57
Mistachterlicht
56
Symbool
Betekenis
Pagina
Stabiliteitsregeling,
DSTC*
56, 171, 172
Voorgloeifunctie (diesel)
56
Brandstofvoorraad
laag
56
Controlesymbool
voor aanhanger
57
Handrem
aangetrokken
57
Airbags SRS
21, 57
11 Specificaties
Displaysymbolen
Pagina
Oliedruk laag
55, 57
18, 57
Dynamo
laadt niet bij
57
Betekenis
Pagina
Richtingaanwijzers links
53
Richtingaanwijzers
rechts
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Symbool
53
Betekenis
Pagina
Surround-functie
(alleen Premium
Sound)
259
Nieuws
263
Programmatypes
264
Regionale radioprogramma’s
265
Audiobestanden
268
Map op cd
268
Verkeersinformatie
263
Telefoon*
283
BluetoothTM-handsfree*
283
11
G021221
Gordelwaarschuwing
Symbool
G021216
Betekenis
57, 168
Grootlichtsignalen
53
Betekenis
Pagina
Regensensor*
71
Cruisecontrol*
73
Schakelindicatie*
-
G021222
Symbool
G021223
Storing in het
remsysteem
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
G021220
Symbool
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
309
11 Specificaties
Displaysymbolen
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
11
310
Betekenis
Pagina
Gordelwaarschuwing
19
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
24, 25
Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd
25
11 Specificaties
11
311
12 Alfabetisch register
A
Actieve koplampen (ABL).......................... 64
Aanbevolen kinderzitjes ............................ 36
Aanhanger............................................... 185
kabel................................................... 187
Aanrijding
crash mode........................................... 35
12
Aanstekeropening
voorstoel............................................... 61
ABS, storing in het ABS..................... 56, 169
AC
Afstandsbediening................................... 130
batterij vervangen............................... 139
Alarmsysteem testen............................... 146
Alcoholslot............................................... 157
Afstemfunctie, automatische................... 265
Antennelocatie, Keyless drive.................. 138
Airbag........................................................
activeren/deactiveren, PACOS.............
bestuurders- en passagierszijde..........
deactiveren met sleutel.........................
Approach-verlichting......................... 83, 130
instellen................................................. 85
22
24
23
24
elektronische klimaatregeling............... 96
AIRBAG ..................................................... 22
Airbagsysteem........................................... 22
Achteruitkijkspiegel.................................... 80
autodimfunctie...................................... 80
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
automatisch in-/uitklappen............. 82, 85
Actieve koplampen.................................... 64
Alarmlichten............................................... 76
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar ................................ 87
Accu......................................................... 236
onderhoud.................................. 225, 236
overbelasting...................................... 151
specificaties........................................ 305
starten met hulpaccu.......................... 183
symbolen op de accu......................... 236
waarschuwingssymbolen................... 236
Achterbank
instap.................................................. 108
312
AF, automatische afstemfunctie.............. 265
uitschakelen........................................ 145
verkeersmelding RDS......................... 263
Airconditioning
algemene informatie............................. 92
ECC...................................................... 94
Alarm........................................................
activeren.............................................
alarmindicatie.....................................
alarmsignalen......................................
alarmsysteem testen..........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
beperkt alarmniveau...........................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
144
144
144
145
146
145
146
145
144
Algemene informatie over brandstof....... 154
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 256
Auto
klimaatinstelling.................................... 94
AUTO
voorkeurzenders vastleggen.............. 261
Autobekleding.......................................... 217
Autom. klimaat........................................... 94
Automatische hervergrendeling............... 141
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 167
Automatische vergrendeling.................... 142
Automatische versnellingsbak
aanhanger................................... 185, 186
handmatig schakelen (Geartronic)...... 165
slepen en bergen................................ 180
12 Alfabetisch register
Automatische volumeregeling................. 259
Automatische wasstraten................ 214, 215
Automatisch starten................................. 161
Auto wassen............................................ 214
B
Banden
algemene informatie........................... 198
bandenreparatie................................. 208
draairichting........................................ 201
onderhoud.......................................... 198
rijeigenschappen................................ 198
slijtage-indicator................................. 199
snelheidsaanduidingen....................... 198
spanning..................................... 202, 304
specificaties........................................ 198
winterbanden...................................... 201
Batterij
batterij in transpondersleutel vervangen...................................................... 139
Beslagen ruiten
ontwasemen................................... 92, 96
timerfunctie........................................... 95
Buitenafmetingen..................................... 294
Blaasmonden............................................. 92
Buitenspiegels resetten............................. 83
Buitenspiegels........................................... 82
BLIS................................................... 83, 176
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 176
Blokkering achteruitversnelling................ 164
C
12
Cd-functies.............................................. 267
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 285
handsfree............................................ 283
microfoon dempen............................. 285
Condens aan binnenkant lampglazen..... 214
BluetoothŸ
media.................................................. 258
streaming audio.................................. 258
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 229
Boordcomputer......................................... 68
Cruisecontrol............................................. 73
Cd’s
opbergvak........................................... 120
Contactsleutels........................................ 162
Botsing, zie Aanrijding............................... 35
Bellen............................................... 274, 284
Brandstof
brandstofbesparing............................ 202
brandstoffilter..................................... 155
brandstofverbruik, aanduiding.............. 68
CO2-uitstoot........................................ 302
Benzinekwaliteit....................................... 154
niveaulampje......................................... 56
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 52, 78
standverwarming.................................. 99
tanken................................................. 153
verbruik............................................... 302
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 214
D
Dakbelasting, max. gewicht .................... 295
Dashboardkastje...................................... 119
vergrendelen....................................... 132
313
12 Alfabetisch register
Diesel, voorgloeifunctie............................. 56
Dieselolie................................................. 155
Display, meldingen.................................... 59
Displayverlichting....................................... 63
Dolby Surround Pro Logic II............ 255, 259
Doorsteekluik........................................... 125
Doorwaaddiepte...................................... 150
12
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 171
lampje................................................... 56
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 96
buitenspiegels....................................... 96
voorstoelen........................................... 96
Elektrisch systeem................................... 305
Elektronische startblokkering.................. 130
EON, Enhanced Other Networks............. 265
Extra verwarming..................................... 102
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 68
Gereedschap........................................... 203
F
EHBO-set................................................. 205
Follow Me home-verlichting................ 67, 83
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 78
Follow Me Home-verlichting
instellen................................................. 86
Elektrische aansluiting
kofferbak............................................. 125
middenconsole..................................... 61
Geluiden
audio-instellingen....................... 256, 258
geluidsbron......................................... 256
volume................................................ 256
Extra verwarming (diesel)......................... 102
Extra matten............................................ 110
ECO-bandenspanning............................. 202
tabel............................................ 202, 304
Elektrisch bedienbare stoel..................... 106
Geartronic................................................ 165
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 285
telefoon....................................... 275, 285
telefoon/mediaspeler.......................... 285
Equalizer.................................................. 259
E
Elektrisch bedienbare zijruiten
passagiersplaats................................... 79
G
Foutmeldingen......................................... 113
FSC, milieulabel......................................... 13
Gesprek in de wacht zetten..................... 274
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 274, 277
gebruik........................................ 274, 284
inkomende.......................................... 284
telefoonvolume................................... 275
Gesprekken weigeren.............................. 274
Gevarendriehoek..................................... 203
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 295
Gloeilampen
vervangen........................................... 238
314
12 Alfabetisch register
Gloeilampen, zie Verlichting............ 238, 305
Gordelwaarschuwing................................. 19
Groot licht
grootlichtsignalen................................. 67
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 62
Grootlichtsignalen...................................... 67
Guard beperkt
instellingen............................................ 85
I
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 272
IMEI-nummer........................................... 278
In de was zetten....................................... 216
Informatiedisplay....................................... 59
Inlegmatten.............................................. 110
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 164
slepen en bergen................................ 180
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 165
Handrem.............................................. 57, 77
Hardtop
afdekking............................................
bediening............................................
foutmeldingen.....................................
openen en sluiten...............................
Instap
achterbank.......................................... 108
Instellen, klok............................................. 84
Instellingen van de auto............................. 85
Instructieboekje, milieulabel...................... 13
112
111
113
112
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 48
auto met stuur rechts........................... 50
Instrumentenpaneel................................... 53
Hogedruksproeiers koplampen................. 70
Instrumentenverlichting............................. 63
HomeLinkŸ
Interieurfilter............................................... 92
................................................ 87
Interior Air Quality System, ECC................ 95
Intervalstand.............................................. 70
iPodŸ, aansluiting.................................... 256
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 42
Informatie over brandstof........................ 154
Infotainment
menufuncties...................................... 254
H
Interieurverwarming
op brandstof......................................... 99
Interieurverlichting, zie Verlichting........... 116
12
K
Katalysator............................................... 154
bergen................................................. 180
Keuzehendelblokkering........................... 166
Keyless drive.................................... 136, 163
auto starten......................................... 163
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 166
Kinderen....................................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
plaats in de auto, tabel.........................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
36
27
37
36
36
Kinderzitje.................................................. 36
Kledinghaak............................................. 119
315
12 Alfabetisch register
Kleurcode, lak.......................................... 219
Koplampen................................................ 62
Leeslampjes, zie Verlichting.................... 116
Klimaat
persoonlijke instellingen....................... 84
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 234
Lekke band, zie Banden.................. 203, 206
Klimaatinstelling
autom.................................................... 94
Koudemiddel........................................... 228
Lichtbundel aanpassen............................ 194
Active Bending Lights (ABL) .............. 194
halogeenkoplampen........................... 194
Klimaatregeling
algemene informatie............................. 92
reparatie.............................................. 228
12
Krik........................................................... 203
Koelsysteem............................................ 150
Koelvloeistof............................................ 233
controleren en bijvullen....................... 233
Kofferbak.................................................
bagagewand.......................................
doorsteekluik......................................
elektrische aansluiting........................
Load Assist.........................................
verankeringsogen...............................
123
123
125
125
123
124
Kofferdeksel
rijden met een geopend kofferdeksel. 151
vergrendelen/ontgrendelen........ 130, 140
Kompas..................................................... 80
kalibreren.............................................. 80
zone instellen........................................ 80
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
doorsteekluik......................................
laadvermogen.....................................
verankeringsogen...............................
Lopende gesprekken, functies................ 277
Luchtverdeling........................................... 98
ECC...................................................... 96
Knalgas.................................................... 183
Knipperlichten............................................ 67
316
Koude start.............................................. 167
automatische versnellingsbak............ 167
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 217
193
125
193
124
Lagetonenluidspreker.............................. 258
Lak
kleurcode............................................ 219
schade en herstel............................... 219
Lambdasonde.......................................... 154
Lamphouder
verwijderen......................................... 241
Lampjes................................................... 172
Lampjes en displaymeldingen
standverwarming................................ 100
M
Max. dakbelasting .................................. 295
Meldingen op informatiedisplay................. 59
Meldingen voor BLIS............................... 178
Menufuncties
audiosysteem..................................... 254
Menustructuur........................................... 84
Menusysteem
mediaspeler........................................ 270
telefoon, menu-opties......................... 280
telefoon, overzicht.............................. 279
12 Alfabetisch register
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
53
53
53
53
53
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 13
Mistlichten
achter.................................................... 63
Motor starten........................................... 161
Keyless drive.............................. 136, 163
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 118
Motorverwarming
op brandstof......................................... 99
Opbergvak............................................... 118
cd’s..................................................... 120
Opblaasgordijnen...................................... 29
N
Openen, motorkap................................... 227
NEWS...................................................... 264
P
12
Mistlichten, aan/uit.................................... 63
Noodoproepen......................................... 272
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 286
handsfree............................................ 283
telefoon registreren............................. 283
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 203
PACOS....................................................... 24
O
Park Assist............................................... 173
sensoren voor Park Assist.................. 174
Olie, zie ook Motorolie..................... 229, 298
Parkeerrem................................................ 77
Oliepeil laag............................................. 229
Peilstok, elektronisch............................... 231
Onderhoud............................................... 225
onderhoud.......................................... 225
roestwering......................................... 221
Persoonlijke instellingen............................
"Approach"-verlichting.........................
"Follow Me Home"-verlichting..............
auto is op slot, lampje..........................
autom. blower afstellen........................
automatische vergrendeling.................
ontgrendelen, portieren........................
op afstand openen................................
Motorolie.......................................... 229, 298
filter..................................................... 229
hoeveelheden..................................... 298
oliedruk................................................. 57
oliekwaliteit......................................... 298
ongunstige rijomstandigheden........... 298
Motoroliepeil controleren......................... 229
Motorruimte.............................................
koelvloeistof........................................
olie......................................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
227
233
229
234
Motorspecificaties................................... 297
One-key bell............................................. 276
Ontgrendelen................................... 137, 140
instellingen............................................ 85
Op afstand openen.................................... 85
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
84
85
86
85
84
85
85
85
Op afstand openen, portieren.................... 85
317
12 Alfabetisch register
Regensensor.............................................. 71
Roestwering............................................. 221
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 244
Roetfilter............................................ 59, 156
Poetsen.................................................... 216
Privacy locking......................................... 134
Rem- en koppelingsvloeistof................... 234
Rolbeugels................................................. 32
Programmatype....................................... 264
Remlichten................................................. 66
Provisorische bandenreparatie................ 208
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 169
noodremlichten................................... 169
parkeerrem........................................... 77
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 169
remlichten............................................. 66
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rolbeugels)..................................................... 32
timer recirculatie................................... 85
verlichting auto is ontgrendeld............. 85
PTY, programmatype.............................. 264
12
R
Radio
afstemfunctie......................................
EON....................................................
NEWS.................................................
programmatypes................................
radio-instellingen................................
radiozenders.......................................
REG....................................................
265
265
264
263
261
261
265
Radio, zenders zoeken............................ 261
Reservewiel.............................................. 203
compact reservewiel................... 201, 203
Richtingaanwijzers..................................... 67
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
150
150
185
152
150
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 232
Ruitenwissers............................................ 70
regensensor.......................................... 71
S
Safelock-functie....................................... 142
deactiveren......................................... 142
tijdelijk deactiveren............................. 142
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 268
radiozenders....................................... 262
Recirculatie
ECC...................................................... 95
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 295
trekgewicht......................................... 295
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
REG, regionale radioprogramma’s.......... 265
Rijklaar gewicht........................................ 295
Serviceprogramma.................................. 224
Radiotekst................................................ 265
RDS-functies........................................... 262
resetten............................................... 265
318
Remsysteem............................................ 168
Roetfilter vol............................................. 156
215
214
217
218
215
12 Alfabetisch register
Simkaart................................................... 272
SIPS-airbag............................................... 27
SIPS-airbags.............................................. 27
Sleepoog.................................................. 181
Slepen...................................................... 180
sleepoog............................................. 181
Sleutel
transpondersleutel.............................. 130
vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel........................................... 136
Sleutelblad....................................... 131, 138
vergrendelingspunten......................... 133
Sleutelloos starten (Keyless drive)........... 136
Sleutelstanden......................................... 162
Sloten
vergrendelen....................................... 140
elektrisch inklapbare............................. 82
kompas................................................. 80
Sproeiers
koplampen............................................ 70
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 232
voorruit.................................................. 70
SRS-systeem
algemene informatie............................. 22
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 234
Stuurslot.................................................. 162
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 73
stuurwielafstelling................................. 76
toetsenset............................... 73, 75, 273
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 171
Subwoofer............................................... 258
Stand-by, telefoon................................... 274
Surround.......................................... 255, 259
Standverwarming
accu en brandstof................................. 99
algemene informatie............................. 99
lampjes en displaymeldingen............. 100
op een helling parkeren........................ 99
tijd instellen......................................... 101
Symbolen
controlesymbolen........................... 56, 57
waarschuwingssymbolen..................... 55
Startaccu................................................. 305
Smeermiddelen........................................ 300
Startblokkering................................ 130, 162
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 300
Starten met hulpaccu.............................. 183
Sms.......................................................... 278
lezen................................................... 278
schrijven.............................................. 278
Steenslagplekken en krassen.................. 219
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 80
buiten-.................................................. 82
streaming audio....................................... 258
Stoel
elektrisch bedienbare......................... 106
handmatig verstelling......................... 106
Stoel met geheugenfunctie...................... 107
12
T
Tanken
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
153
153
153
153
Tankinhoud.............................................. 300
Technische gegevens, motor.................. 297
Tekst disc................................................ 269
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 178
319
12 Alfabetisch register
12
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bediening............................................
bellen..................................................
bellen via telefoonboek.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
one-key bell........................................
stand-by.............................................
tekst invoeren.....................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
verkeersveiligheid...............................
Traction Control....................................... 171
274
286
273
284
277
285
283
284
276
274
275
286
286
283
273
Telefoonboek
nummerfuncties.................................. 276
Telefoonsysteem..................................... 272
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling 97
Timer
ECC...................................................... 95
Transpondersleutel..................................
afneembaar sleutelblad......................
batterij vervangen...............................
functies...............................................
162
131
139
130
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 307
Trekgewicht............................................. 295
Trekhaak..................................................
monteren............................................
specificaties........................................
verwijderen.........................................
187
189
188
191
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 187
Trillingsdemper........................................ 187
Veiligheid
veiligheidssystemen, tabel.................... 33
Veiligheidsgordel
gordelgeleider....................................... 20
gordelspanners..................................... 20
zwangerschap...................................... 19
Veiligheidsgordels...................................... 18
Veiligheidszitje........................................... 36
afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem 42
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 42
Type-aanduidingen.................................. 292
Velgen
schoonmaken..................................... 215
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 307
Ventilatie.................................................... 92
U
Toetsensets op stuurwiel............. 73, 75, 273
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 56
Totaalgewicht.......................................... 295
USB, aansluiting...................................... 256
TP, verkeersinformatie............................. 263
V
Ventilator
ECC...................................................... 95
Verankeringsogen.................................... 124
Vergrendelen............................................ 137
ontgrendelen....................................... 140
Vergrendelen/ontgrendelen..................... 140
aan de binnenzijde.............................. 141
van de buitenzijde............................... 140
Verkeersinformatie................................... 263
320
12 Alfabetisch register
Verlichting
"Approach"-verlichting................. 83, 130
Actieve xenonkoplampen..................... 64
automatische verlichting..................... 117
automatische verlichting, dimlicht........ 62
dimlicht................................................. 62
displayverlichting.................................. 63
Follow Me Home-verlichting........... 67, 83
gloeilampen, specificaties.................. 305
groot licht/dimlicht.......................... 62, 67
in interieur........................................... 116
koplamphoogteverstelling.................... 62
leeslampjes......................................... 116
mistachterlicht...................................... 63
mistlichten............................................ 63
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 62
verlichtingspaneel, interieur.................. 62
Verlichting, gloeilampen vervangen.........
achterlamphuis...................................
achterlicht...........................................
bagageruimte......................................
dimlicht...............................................
groot licht............................................
interieurverlichting plafond.................
kentekenplaatverlichting.....................
make-upspiegel..................................
mistlampen vóór.................................
238
242
240
243
239
240
243
242
243
241
richtingaanwijzer.................................
sidemarker..........................................
stadslichten........................................
voorzijde.............................................
W
240
241
240
238
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 171
Versneld vooruit-/achteruitspoelen.......... 268
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Versnellingsbak
handgeschakelde............................... 164
Water- en vuilafstotende laag.................... 83
Verzorging................................................ 214
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 216
Verzorging, leren bekleding..................... 217
Whiplash-letsel.......................................... 30
Vlekken.................................................... 217
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 30
whiplash-letsel...................................... 30
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 300
Vloeistoffen en oliën......................... 229, 300
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 229
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 229
Vloermatten............................................. 110
Volume
audiosysteem.....................................
automatische volumeregeling.............
mediaspeler........................................
programmatypes................................
256
259
256
266
Voorkeurzenders vastleggen, handmatig
en automatisch........................................ 261
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
12
207
206
203
200
200
206
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden.................................... 268
Windscherm............................................. 115
Winterbanden.......................................... 201
Wisserbladen........................................... 235
schoonmaken..................................... 235
vervangen, voorruit............................. 235
321
12 Alfabetisch register
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
kastje in motorruimte..........................
relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte..........................................
vervangen...........................................
244
244
245
248
244
Zuinig rijden............................................. 150
12
322
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
Kdakd8Vg8dgedgVi^dc51 %VUDI "5 1SJOUFEJO4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU©7PMWP$BS$PSQPSBUJPO
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising