Volvo | C30 | Gebruikershandleiding | Volvo C30 2007 Gebruikershandleiding

Volvo C30 2007 Gebruikershandleiding
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij
het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan. Een Volvo is een van de veiligste
auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Inleiding .....................................................6
Veiligheidsgordels ................................... 12
02 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Overzicht auto met stuur links ................ 34
Overzicht auto met stuur rechts ............. 36
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier .................................. 38
Instrumentenpaneel ................................ 39
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 40
Informatiedisplay .................................... 43
Elektrische aansluiting en schakelaars
middenconsole ....................................... 45
Verlichtingspaneel ................................... 46
Linker stuurhendel .................................. 48
Rechter stuurhendel ............................... 50
Cruise control (optie) .............................. 52
Toetsenset op stuurwiel (optie) ............... 54
Stuurwielafstelling, alarmlichten ............. 55
Handrem, elektrische aansluiting ........... 56
Elektrisch bedienbare ruiten ................... 57
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels ......................................... 59
Elektrisch bediend schuifdak (optie) ....... 62
Persoonlijke instellingen ......................... 64
00 01 02
Volvo Car Corporation en het milieu .........7
Airbagsysteem ........................................ 15
Airbags (SRS) .......................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren ........ 19
SIPS-airbags (zij-airbags) .......................21
Opblaasgordijnen (IC) .............................23
WHIPS ....................................................24
Activering van de veiligheidssystemen ...26
Crash mode ............................................27
Kinderen en veiligheid .............................28
2
Inhoud
03 Klimaatregeling
04 Interieur
Algemene informatie over de
klimaatregeling ....................................... 68
Voorstoelen ............................................. 80
05 Sloten en alarm
Interieurverlichting .................................. 82
Keyless drive (optie) ............................... 98
Handmatige klimaatregeling met
airconditioning, A/C ................................ 70
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte .................................... 84
Elektronische klimaatregeling,
ECC (optie) ............................................. 72
Alarm (optie) ..........................................103
Achterbank ............................................. 86
Afstandsbediening met sleutelblad ........ 94
03 04 05
Luchtverdeling ........................................ 75
Vergrendelen en ontgrendelen ............. 100
Kofferbak ................................................ 87
Standverwarming op brandstof (optie) ... 76
3
Inhoud
06 Starten en rijden
07 Wielen en banden
Algemene informatie .............................108
Algemene informatie ............................. 144
08 Verzorging
Schoonmaken ....................................... 162
06 07 08
Brandstof tanken .................................. 110
Lakschade herstellen ............................ 165
Roestwering .......................................... 166
Motor starten ........................................ 111
Gevarendriehoek en reservewiel ........... 150
Keyless drive (optie) .............................. 113
Wielen verwisselen ............................... 151
Handgeschakelde versnellingsbak ....... 114
Provisorische bandenreparatie ............. 153
Automatische versnellingsbak ............. 116
Remsysteem ......................................... 119
Stabiliteits- en tractieregelsysteem ....... 121
Parkeerhulp (optie) ................................123
BLIS, Blind Spot Information System
(optie) ....................................................125
Slepen en bergen ..................................128
Starten met een hulpaccu .....................130
Rijden met een aanhanger ....................131
Trekhaak ................................................133
Afneembare trekhaak ............................135
Lading vervoeren ..................................140
Lichtbundel aanpassen .........................141
4
Bandenspanning ................................... 148
Inhoud
09 Onderhoud en service
10 Infotainment
Volvo Service ........................................ 170
Algemene informatie ............................ 196
11 Specificaties
Typeaanduidingen ................................ 220
09 10 11
Onderhoud ........................................... 171
Audiofuncties ....................................... 197
Maten en gewichten ............................. 221
Motorkap en motorruimte .................... 172
Radiofuncties ....................................... 199
Motorspecificaties ................................ 224
Dieselolie .............................................. 173
Cd-functies ........................................... 203
Motorolie .............................................. 226
Oliën en vloeistoffen ..............................174
Menusysteem – audiosysteem ............. 205
Vloeistoffen en smeermiddelen ............ 230
Wisserbladen ........................................ 178
Telefoonfuncties (optie) ......................... 206
Brandstof ............................................. 232
Accu ..................................................... 179
Menusysteem – telefoon ...................... 213
Gloeilampen vervangen ........................ 181
Katalysator ........................................... 234
Elektrisch systeem ............................... 235
Zekeringen ............................................ 187
5
Inleiding
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje:
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het gevaar bestaat dat de auto beschadigd raakt,
als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra uitrusting) beschreven.
6
N.B.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunorm ISO 14001. Deze
norm leidt tot verbeteringen op milieugebied.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu op pagina 9.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
7
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Schone lucht in passagiersruimte
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
de uitlaatgasemissies ver onder de geldende
normen.
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1, een
speciale laag die schadelijk laaghangend ozon
kan omzetten in zuivere zuurstof wanneer het
ozon langs de radiateur stroomt. Hoeveel
ozon er wordt omgezet hangt af van het ozongehalte van de buitenlucht.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS2 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als
het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen
zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt
de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich
voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
1
8
Optie op vijfcilindermotoren (bepaalde markten).
PremAir ® is een gedeponeerd handelsmerk
van de Engelhard Corporation.
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gezellig en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk zijn voor de gezondheid en allergische
reacties kunnen veroorzaken. Dit betekent dat
2 Optie
alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm Öko-Tex 1003 – een enorme stap op
weg naar een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte garens en stoffen. De leren
bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid
met plantaardige stoffen en voldoen aan de
gestelde certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een laag brandstofverbruik en op die manier bijdragen aan een
schoner milieu. Wanneer u de reparaties en
het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan
de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een
onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke milieueisen aan de outillage van onze
werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel in de werkplaatsen van Volvo beschikt
over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
3 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie.
Inleiding
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden,
milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten
te kopen en de auto te onderhouden of te laten onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
• Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden (zie pagina 148).
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor het
brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt.
Verwijder ze daarom meteen na het gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belading van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Laat het gaspedaal los wanneer u van een
helling afrijdt.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u lang stilstaat in een file.
• Hanteer afval dat schadelijk zijn voor het milieu,
zoals accu’s en olie, op
een milieuvriendelijke manier. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kunt u het brandstofverbruik verlagen zonder dat dit van invloed is op de reistijd of het plezier in het autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
• Gebruik voor een koude start altijd de motorverwarming, als de auto hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
9
Veiligheidsgordels ................................................................................................ 12
Airbagsysteem ..................................................................................................... 15
Airbags (SRS) ....................................................................................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren ..................................................................... 19
SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................................21
Opblaasgordijnen (IC) .......................................................................................... 23
WHIPS .................................................................................................................24
Activering van de veiligheidssystemen ................................................................26
Crash mode .........................................................................................................27
Kinderen en veiligheid .......................................................................................... 28
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Draag altijd een veiligheidsgordel
Gordel losmaken:
– Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer
slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Gordel omdoen:
– Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te steken.
Een duidelijke “klik” geeft aan dat de gordel
vastzit.
12
Voor optimale bescherming door de gordel is
het van belang dat de gordel goed tegen het
lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver
achteroverhellen. De gordel biedt de beste bescherming bij een normale rijhouding.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de gordel niet strak
langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de gordel zitten en dat hij
nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts een persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de gordels
aan en probeer ze nooit zelf te repareren.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats. Als een gordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een
aanrijding, dient u de gordel in zijn geheel te
vervangen. De gordel kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de gordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De nieuwe
gordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de
vervangen gordel.
WAARSCHUWING
De achterbank is bestemd voor maximaal
twee personen.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de veiligheidsgordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De waarschuwingslampjes zitten in de
plafondconsole en op het instrumentenpaneel. Op lage snelheden klinkt er zes seconden lang een geluidssignaal.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. Dit gebeurt
met behulp van een melding op het informatiedisplay. De melding wordt na
ca. 30 seconden automatisch gewist, maar
kan ook handmatig worden bevestigd door
op de knop READ te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de gordel weer is omgedaan,
maar kan ook handmatig worden bevestigd
door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop READ om
de opgeslagen meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt er zes seconden lang een geluidssignaal.
01
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de gordel altijd op de juiste manier draagt.
De gordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het heupgedeelte van de
gordel moet vlak tegen de buitenkant van de
bovenbenen liggen – en zo ver mogelijk onder
de buik liggen. Het mag nooit over de buik
omhoog kunnen glijden. De gordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
13
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gordelgeleider
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een voldoende krachtige aanrijding de gordel
rond het lichaam spant. De gordel kan de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
Zowel de bestuurders- als de passagiersstoel
zijn voorzien van een gordelgeleider.
De gordelgeleider is een hulpmiddel dat de
veiligheidsgordels beter bereikbaar maakt.
Neem bij het in- en uitstappen van achterpassagiers de gordel uit de gordelgeleider en
plaats deze achteraan op de gordelstang.
14
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
Behalve het waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat het
waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRSAIRBAG SERVICE SPOED
op het display. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem1
geen storingen vertoont.
1 Omvat
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
15
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
bestuurdersstoel heeft uw auto ook een airbag
(SRS, Supplemental Restraint System) in het
stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het
midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel heeft
uw auto ook een airbag (SRS, Supplemental
Restraint System). De airbag aan de passagierszijde1 ligt opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
16
1 Niet
alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan
de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de
vraag of de airbag besteld werd tijdens het
verkoopproces.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd
is.1
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem
01
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
SRS-systeem, auto met stuur links
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags
worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de
airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van
de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het is dan ook mogelijk dat er bij
ongelukken slechts één (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van een of meerdere airbags daarop af.
17
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde in
een auto met het stuur links of rechts
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of aan het paneel boven het dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires op
of in de buurt van het SRS AIRBAG -paneel
(boven het dashboardkastje) of binnen de
actieradius van de airbag.
18
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
PACOS (optie)
Activeren/deactiveren
01
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Laat evenmin
personen die kleiner zijn dan 1,40 m op
deze stoel plaatsnemen.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk als daar
een kind in een kinderzitje moet zitten.
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen. Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert u de contactsleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen. (U kunt
ook andere voorwerpen gebruiken die qua
vorm op een sleutel lijken.)
Aanduiding
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde is gedeactiveerd.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
19
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Stand van de schakelaar
SRS-schakelaar in stand ON
SRS-schakelaar in stand OFF
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een verhogingskussen beslist
niet.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd. Met
de schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een verhogingskussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
20
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags – (zij-airbags)
01
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de SIPSairbags in hun werking hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Positie van de SIPS-airbags.
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPSsysteem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in
de rugleuningframes van de voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of verhogingskussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen op de voorstoel te plaatsen, als de auto
aan de passagierszijde niet is uitgerust met
een geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
21
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
Bestuurderszijde
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de SIPSairbag wordt geactiveerd. De SIPS-airbag
wordt vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee wordt de
klap van de aanrijding opgevangen, waarna
de airbag weer leegloopt. De SIPS-airbags
worden normaal gesproken alleen opgeblazen
aan de kant van de aanrijding.
22
Passagierszijde
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC)
01
Eigenschappen
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SIPS-systeem. Ze zitten verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de
auto en beschermen inzittenden zowel voorals achterin. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
23
01 Veiligheid
01
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel, – WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de
veiligheidsgordel.
24
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren in een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt omgeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het omgeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
25
01 Veiligheid
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijnen (IC)
Bij een aanrijding in de zij1.
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren.
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats.Rijd niet met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
26
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Crash mode
Rijden na een aanrijding
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Haal de contactsleutel uit het contact en steek
hem er opnieuw in. De elektronica van de auto
probeert te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten. Als
CRASH MODE nog op het display staat, mag
u niet met de auto rijden en hem evenmin verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
01
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl
de melding CRASH MODE wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
Auto verzetten
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit
van de auto is verminderd. Crash mode is een
veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van
de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de veiligheidssystemen of
het remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE is gereset,
mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. Verrijd de auto niet
verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Crash mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een slechte functie van de auto. Laat de auto altijd in
een erkende Volvo-werkplaats controleren
en naar NORMAL MODE resetten, wanneer de melding CRASH MODE is verschenen.
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
Het gewicht en de lengte van het kind zijn bepalend voor de plaats van het kind in de auto
en de vereiste uitrusting. Zie pagina 30 voor
meer informatie.
Het volgende kan worden gebruikt:
Kinderzitjes en airbags
• een kinderzitje/verhogingskussen op de
passagiersstoel, zolang de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd1 is;
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is1.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
28
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportieropening
aan passagierszijde
Sticker op zijwand dashboard
01
Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië)
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd1
is. Het niet opvolgen van de deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
29
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto
1
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel1
Achterbank
<10 kg
(tot 9 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en
het dashboard.
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steunbeen, extra bevestigingsband en
bevestigingsogen.3
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
9–18 kg
(9–36 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en
het dashboard.
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steunbeen, extra bevestigingsband en
bevestigingsogen.3
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
15–36 kg
(3–12 jaar)
Geïntegreerd kinderzitje met of zonder
rugleuning.
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje met of zonder
rugleuning.
L2: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Zie pagina 19 voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS).
2 L:
Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
3
30
Neem contact op met een erkende Volvo-dealer om de bevestigingspunten te laten aanbrengen die nodig zijn om
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje op de achterbank te kunnen gebuiken.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de
bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig
doorleest en nauwkeurig opvolgt.
• Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of aan
veren, rails of balken onder de stoel. Door
scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigd raken.
• Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde
of auto’s waarvan de passagiersairbag is
gedeactiveerd.
01
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde1 airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere instructies.
1Zie pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes. Neem contact op
met een Volvo-dealer voor meer informatie
over veiligheidsuitrusting voor kinderen.
31
Overzicht auto met stuur links ................................................................. 34
Overzicht auto met stuur rechts ...............................................................36
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier ...................................................................................38
Instrumentenpaneel .................................................................................39
Controle- en waarschuwingslampjes .......................................................40
Informatiedisplay ......................................................................................43
Elektrische aansluiting en schakelaars middenconsole ...........................45
Verlichtingspaneel ....................................................................................46
Linker stuurhendel ....................................................................................48
Rechter stuurhendel .................................................................................50
Cruise control (optie) ................................................................................52
Toetsenset op stuurwiel (optie) ................................................................. 54
Stuurwielafstelling, alarmlichten ...............................................................55
Handrem, elektrische aansluiting .............................................................56
Elektrisch bedienbare ruiten ....................................................................57
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels ..........................................................................................59
Elektrisch bediend schuifdak (optie) ........................................................62
Persoonlijke instellingen ...........................................................................64
32
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
02
34
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
1. Stuurwielafstelling
2. Motorkapontgrendeling
3. Bedieningspaneel
4. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
5. Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
6. Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
7. Blaasmonden, dashboard
8. Blaasmond, zijruit
9. Cruise control
10. Claxon, airbag
11. Instrumentenpaneel
12. Toetsenset voor infotainment
13. Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
14. Contactslot
15. Bediening, schuifdak
16. Geen functie
17. Alarmsensoren, Safelock uitschakelen
18. Interieurverlichting, schakelaar
19. Leeslampje, linkerzijde
20. Leeslampje, rechterzijde
21. Gordelwaarschuwing
22. Achteruitkijkspiegel
23. Display voor klimaatregeling en infotainment
24. Infotainment
26. Klimaatregeling
27. Versnellingspook
28. Alarmlichten
02
29. Openingshandgreep portier
30. Dashboardkastje
31. Handrem
32. Elektrische aansluiting/aansteker
33. BLIS, Blind Spot Information System
34. Schakelaar, extra uitrusting
25. Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke
instellingen
35
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
02
36
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
1. Schakelaar, extra uitrusting
2. BLIS, Blind Spot Information System
3. Elektrische aansluiting, aansteker
4. Handrem
5. Bedieningspaneel
6. Dashboardkastje
7. Openingshandgreep portier
8. Blaasmond, zijruit
9. Blaasmonden, dashboard
10. Versnellingspook
11. Klimaatregeling
12. Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke
instellingen
13. Infotainment
14. Display voor klimaatregeling en infotainment
26. Instrumentenpaneel
27. Claxon, airbag
28. Toetsenset voor infotainment
02
29. Alarmlichten
30. Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
31. Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
32. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
33. Motorkapontgrendeling
34. Stuurwielafstelling
15. Achteruitkijkspiegel
16. Gordelwaarschuwing
17. Interieurverlichting, schakelaar
18. Leeslampje, linkerzijde
19. Leeslampje, rechterzijde
20. Geen functie
21. Alarmsensoren, Safelock uitschakelen
22. Bediening schuifdak
23. Contactslot
24. Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
25. Cruise control
37
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
02
1.
2.
3.
4.
38
Elektrisch bedienbare ruiten
Buitenspiegel, linkerzijde
Buitenspiegels, instelling
Buitenspiegel, rechterzijde
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
1.
2.
3.
4.
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzer, links
Waarschuwingslampje
Informatiedisplay – Op het display verschijnen informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen, de
buitentemperatuur en de tijd. Wanneer
de temperatuur tussen –5 °C en +2 °C
ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op
het display. Het lampje wijst op het
gevaar voor gladheid. Als de auto heeft
stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeven.
5. Informatielampje
6. Richtingaanwijzer, rechts
7. Toerenteller – Geeft het motortoerental
aan in duizenden omwentelingen per
minuut.
8. Controle- en informatielampjes
9. Brandstofmeter
10. Knop voor dagteller – Wordt gebruikt om
korte afstanden te meten. Door kort op
de knop te drukken, kunt u van
dagteller T1 en T2 wisselen. Als u de
knop lang indrukt (meer dan
2 seconden), zet u de geactiveerde dagteller op nul.
11. Display – Geeft de schakelstanden van
de automatische versnellingsbak en de
waarden van regensensor, kilometerteller, dagteller en Cruise control aan.
12. Grootlichtindicatie
13. Knop voor de klok – Draai aan de knop
om de tijd in te stellen.
14. Temperatuurmeter – De temperatuurmeter van het koelsysteem van de motor.
Op het display verschijnt een melding,
als de temperatuur abnormaal hoog is
en de naald tot in het rode gebied
uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de luchtinlaat bij een hoge
buitentemperatuur en een zware belasting van de motor het koelvermogen
verminderen.
15. Controle- en waarschuwingslampjes
39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
02
Alle controle- en waarschuwingslampjes1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking van de lampjes wordt dan gecontroleerd.
Alle lampjes moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen
vijf seconden aanslaat, gaan
alle lampjes uit behalve de
lampjes voor storingen in het
uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk. Afhankelijk van de uitrusting van de auto is het mogelijk dat bepaalde
lampjes geen functie hebben.
Lampjes in het midden van het instrumentenpaneel
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een
storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van
de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingslampje brandt en de tekst is
zichtbaar totdat de storing is verholpen.
Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 174).
40
– Lees de informatie op het informatiedisplay.
– Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als een afwijking bestaat in een
van de systemen in de auto, gaat
het oranje informatielampje branden en verschijnt er een melding
op het display. U verwijdert het
bericht met behulp van de knop READ (zie
pagina 43). Het bericht verdwijnt automatisch
na twee minuten.
– Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
N.B.
Wanneer de tekst TIJD VOOR REG.
SERVICE verschijnt, kunt u het waarschuwingslampje laten doven en de tekst verwijderen met een druk op knop READ. Dit
gebeurt automatisch als u twee minuten
niets doet.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, – linkerzijde
– Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een erkende Volvo-werkplaats
rijden om het ABS-systeem te laten controleren.
Controlelampjes, rechterzijde
02
3. Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
4. Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Zie pagina 121 voor informatie
over de functies en lampjes van
het systeem.
5. Geen functie
1. Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem
te laten controleren.
2. Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
6. Voorgloeifunctie motor (diesel)
1. Controlelampje voor aanhanger
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd.
De voorverwarming start als de
temperatuur lager wordt dan
–2 °C. De auto kan worden gestart als het lampje gedoofd is.
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto.
Als het lampje niet knippert, is
een van de lampjes op de auto of op de aanhanger defect.
7. Laag peil in brandstoftank
2. Handrem aangetrokken
Wanneer dit lampje gaat branden,
zit er bij benzinemodellen nog
ca. 8 liter en bij dieselmodellen
nog ca. 7 liter brandstof in de
tank.
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal
de handremhendel bij het aantrekken altijd volledig omhoog.
41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
N.B.
02
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
3. Airbags – (SRS)
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel
heeft losgenomen.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing geregistreerd in de gordelsluiting of in het SRS-, SIPS- of
IC-systeem. Rijd de auto zo spoedig mogelijk
naar een erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
plaats.
4. Te lage oliedruk1
7. Storing in remsysteem
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 174).
42
5. Gordelwaarschuwing
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
6. Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een erkende Volvo-werk-
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (zie pagina 177). Als het
peil lager is dan het MIN-streepje van het
remvloeistofreservoir, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Laat de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats slepen om
het remsysteem te laten controleren.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
– Als de lampjes echter blijven branden, moet
u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie pagina 177).
– Als de lampjes blijven branden ondanks dat
het peil van de remvloeistof in orde is, moet
u de auto uiterst voorzichtig naar een erkende Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren.
– Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Waarschuwing – portieren niet
gesloten
Meldingen
Als een van de portieren, de motorkap1 of de
achterklep niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERSPORTIER OPEN,
PASSAGIERSPORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en sluit het portier
dat of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
02
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
– Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen
door. Foutmeldingen blijven in het geheugen
opgeslagen, totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
Als de achterklep openstaat, gaat
het informatielampje branden en
op het display verschijnt
ACHTERKLEP OPEN.
1 Alleen
auto’s met alarm
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
Melding
Betekenis
STOP AUTO Z.S.M.
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
ZET MOTOR UIT
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
SERVICE SPOED
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
ZIE HANDLEIDING
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREIST
Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
TIJD VOOR REG. SERVICE
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de
afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste servicebeurt is verstreken en het aantal
draaiuren van de motor.
CONTROLEER OLIEPEIL
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de 10.000 km1. Zie pagina 175 voor informatie over
het controleren van het oliepeil.
ROETFILTER VOL ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 111).
STC/DSTC SPIN CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 122 voor meer
varianten).
1
44
Bepaalde motortypes
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting en schakelaars middenconsole
12V-aansluiting
Aansteker (optie)
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
02
Extra uitrusting
Ruimte voor extra schakelaars voor ingebouwde uitrusting
Elektrische aansluiting, BLIS en extra uitrusting
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. Het contactslot moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
02
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen1 zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
1
46
Optie
Koplampen
Automatisch dimlicht (bepaalde
landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (2) in de
middelste stand staat. U kunt het automatisch
dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 48).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze
displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen van de auto en het verwijderen van de
contactsleutel. Bij het vergrendelen van de
auto dooft de verlichting van de displayfuncties.
Mistlichten
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
02
– Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te
openen, wanneer de auto onvergrendeld staat
(zie pagina 110).
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
– Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u
de mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
02
Korte serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens
los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de uitgangspositie.
te wijzigen in 60 of 90 seconden (zie
pagina 65).
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
1. Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 46).
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
48
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
1 Fabrieksinstellingen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer (optie)
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
•
•
•
•
•
•
GEM. SNELHEID
HUIDIGE SNELHEID MPH1
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
Zie pagina 121 voor STC/DSTC.
GEM. SNELHEID
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U kunt de waarde op nul zetten met een
druk op de knop RESET (C).
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje draait, keert u terug naar de
uitgangspositie.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ (A) te drukken
waarna u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
HUIDIGE SNELHEID1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
HUIDIG
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat,
geeft het display “----” aan. Tijdens de regeneratie2 van het roetfilter kan het brandstofverbruik stijgen (zie pagina 111).
1
Bepaalde landen
2
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter
GEMIDDELD
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET). Als u het contact uitzet, wordt
het gemiddelde brandstofverbruik vastgelegd. Het blijft opgeslagen, totdat u de functie
op nul stelt. U kunt de waarde op nul zetten
met een druk op de knop RESET (C).
02
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km. Wanneer de actieradius kleiner is dan
20 km, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
– Selecteer GEM. SNELHEID of GEMIDDELD.
– Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
02
Intervalstand
U kunt het aantal wisslagen per
eenheid van tijd instellen. Draai
het duimwiel (C) omhoog voor
een korter interval tussen de slagen. Draai het
omlaag om het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
A. Ruiten- en koplampsproeiers
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
B. Regensensor, aan/uit
C. Duimwiel
BELANGRIJK
D. Ruitenwisser en sproeier achterklep
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0
staat.
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog drie slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
50
Hogedruksproeiers koplampen (optie
op bepaalde markten)
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden de
koplampen op een van de onderstaande manieren gesproeid.
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het
verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens worden de koplampen iedere vijfde
sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang
er maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten voor en verlichting
achter ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet gesproeid.
Draaiknop op verlichtingspaneel in stand 0:
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet gesproeid.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwisser en sproeier achterklep
Regensensor (optie)
Wanneer u de hendel naar voren haalt, activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
een extra slag. De knop aan het uiteinde van
de hendel is een schakelaar met drie mogelijke standen:
Intervalstand
– Druk het bovenste gedeelte van de schakelaar in.
Normale snelheid
– Druk het onderste gedeelte van de schakelaar in.
Neutrale stand
– Wisser/sproeier uitgeschakeld.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand innemen. Als de ruitenwisser van de
achterklep echter al op normale snelheid
werkt, vindt er geen wijziging plaats.
De intervalfunctie tijdens het achteruitrijden
kunt u desgewenst uitschakelen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Regensensor activeren:
– Druk op de knop (B). Een displaysymbool
geeft aan dat de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel (C).
Draai het duimwiel rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel rechtsom draait.)
02
– druk op de knop (B)
– haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt, blijft de regensensor actief. De wissers maken een extra slag en keren terug
naar de regensensorstand, wanneer u de
hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de regensensor uit door op knop (B) te drukken,
terwijl de contactsleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers kunnen anders in
beweging komen en daarbij beschadigd raken.
Aan/Uit
Duimwiel
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel van de ruitenwissers in stand 0.
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen
per eenheid van tijd instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid
van de regensensor (als u de regensensor
hebt geactiveerd).
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control (optie)
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
Tijdelijk uitschakelen
– Druk op 0 om de Cruise control tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De Cruise control wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
02
• u het rempedaal of koppelingspedaal bedient;
De bedieningsorganen voor de Cruise control
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE.
– Druk op + of — om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE-ON.
De Cruise control kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger
dan 200 km/h.
52
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of — in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde) op + of — komt overeen met een snelheidswijziging van 1 mph of 1,6 km/h1.
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de Cruise control. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
1 Afhankelijk
van het motortype
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control (optie)
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de
eerder ingestelde snelheid te
hervatten. Op het instrumentenpaneel verschijnt
CRUISE ON.
02
Uitschakelen
– Druk op CRUISE om de Cruise control uit
te schakelen. CRUISE ON verdwijnt van
het instrumentenpaneel.
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsenset op stuurwiel (optie)
De telefoon moet zijn geactiveerd met de
knop ENTER om de telefoonfuncties met de
pijltoetsen te kunnen bedienen.
02
Druk op EXIT om de instellingen van het audiosysteem te hervatten.
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset op het stuurwiel kunt u zowel de radio als
de telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u
een andere radiozender selecteren of een ander nummer op een cd en het volume regelen.
Houd een van de pijltoetsen ingedrukt om versneld voor- of achteruit te spoelen of een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen voor het audiosysteem te kunnen verrichten moet de telefoon ingeschakeld
zijn.
54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
WAARSCHUWING
Alarmlichten
02
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
– Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
– Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
– Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem, elektrische aansluiting
Handrem (parkeerrem)
02
– Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
– Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Elektrische aansluiting achterin
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Handrem lossen
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
56
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en laat
de knop weer los.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken zoals een
mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bestemd voor accessoires die op 12 V werken. U kunt maximaal 10 A via de aansluiting
afnemen. De contactsleutel moet ten minste in
stand I staan, anders geeft de aansluiting
geen stroom.
Handrem aanzetten
Aansteker (optie)
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
– Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Druk op de aansteker om deze te activeren.
Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert
de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit
de opening en gebruik het roodgloeiende deel
om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
Bestuurdersportier
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te bedienen wanneer de contactsleutel in stand I
of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
– Druk het voorste deel van de schakelaar
omlaag.
Zijruit sluiten:
Afstandsbediening en vergrendelingsknoppen
Zie pagina 94 en pagina 101 voor het bedienen van de elektrisch bedienbare ruiten met
de vergrendelingsknoppen en de afstandsbediening.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in de
achterportieren goed in de gaten, wanneer
u ze met de knoppen op het bestuurdersportier of met de afstandsbediening sluit.
02
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard
niet meer wanneer de beveiliging eenmaal
in werking is getreden.
Zijruit openen:
– Trek het voorste deel van de schakelaar
omhoog.
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als een zijruit door
iets worden geblokkeerd, wordt de op- of
neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
WAARSCHUWING
A. Knop elektrisch bedienbare ruiten voorin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u beide zijruiten elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken.
Handmatige bediening
– Druk een van de bedieningsknoppen (A)
voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knop bedient.
Automatische bediening
– Druk een van de bedieningsknoppen (A)
omlaag of trek er een omhoog en laat deze
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Passagiersplaats
02
Passagiersplaats
Met de ruitbedieningsknop op het passagiersportier kunt u alleen die ruit bedienen.
58
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
1. Hendeltje voor dimfunctie
2. Normale stand
3. Dimstand.
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren op de spiegel
valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet
aanwezig op spiegels met autodimfunctie.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW
(noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als
u met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
– Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor stationair
lopen.
– Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt. Het teken C verschijnt vervolgens (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
– Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
lang ingedrukt. Het nummer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
– Druk herhaaldelijk op het knopje (1) totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone (1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
– Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
– Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
Rijd langzaam een rondje in de auto met een
snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat er een
kompasrichting op het display verschijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Magnetische zones, Azië
Magnetische zones, Australië
Magnetische zones, Zuid-Amerika
Magnetische zones, Afrika
Magnetische zones, Europa
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
(optie)
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt. Dat is
mogelijk als de contactsleutel in stand I of II
staat.
Spiegels inklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
BELANGRIJK
De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn te bedienen met het contact in
stand I of II.
– Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
– U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
– Druk nogmaals op knop L of R. Het lampje
dooft.
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat daarbij krassen op het
glas kunnen ontstaan. Gebruik liever de
ontwaseming (zie pagina 71).
WAARSCHUWING
De spiegel aan de bestuurderszijde is
groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- en uitklappen weer werkt.
02
– Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
– Klap de spiegels weer uit met de
knoppen L en R. De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en Follow-MeHome-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels (optie) gaan
branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting activeert.
BLIS, Blind Spot Information System
(optie)
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt
(zie pagina 125).
Spiegels uitklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bediend schuifdak (optie)
Openingsstanden
Vanuit ventilatiestand naar volledig geopend
schuifdak:
02
– Trek de knop achteruit in de eindstand (1)
en laat los.
Schuifstand
Automatische bediening
– Trek de knop voorbij het
weerstandspunt (2) in de achterste
eindstand (1) of voorbij het
weerstandspunt (3) in de voorste
eindstand (4) en laat hem vervolgens los.
Het schuifdak opent of sluit volledig.
Handmatige bediening
Openen:
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
A. Ventilatiestand, achterkant omhoog
B. Schuifstand, achteruit/vooruit
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
62
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Openen, automatisch
Openen, handmatig
Sluiten, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
– Duw de achterkant van de knop (5) omhoog.
Sluiten:
– Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
– Trek de knop achteruit naar het
weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
– Duw de knop vooruit naar het
weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bediend schuifdak (optie)
Sluiten met afstandsbediening of
vergrendelingsknop
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Pak de handgreep vast
en schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
02
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
– Houd de vergrendelingsknop twee seconden ingedrukt, zodat het schuifdak en de
zijruiten sluiten. De portieren worden vergrendeld.
Om het sluiten te onderbreken:
– Druk nogmaals op de ontgrendelings- of
vergrendelingsknop.
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken,
wanneer u het schuifdak met de afstandsbediening sluit. Bedien het schuifdak alleen
onder toezicht.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Mogelijke instellingen
Voor sommige autofuncties zijn persoonlijke
instellingen mogelijk. Dit geldt voor de sloten
en de klimaatregelings- en audiofuncties. Zie
pagina 196 voor de audiofuncties.
02
Bedieningspaneel
A. Display
B. MENU
C. EXIT
D. ENTER
E. Navigatie
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
Open het menu om instellingen te verrichten:
Bedieningspaneel
– Druk op de knop MENU (B).
– Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto met behulp van de navigatieknop (E).
– Druk op ENTER (D).
– Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
– Activeer uw keuze met ENTER.
Menu sluiten:
– Houd de knop EXIT (C) ongeveer één seconde ingedrukt.
64
Klimaatinstellingen
Automatische blower afstellen
Bij auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen.
– U kunt kiezen uit Laag, Normaal en Hoog.
Timer recirculatie
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in
de auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3–12 minuten lang gerecirculeerd.
– Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Verlichting auto is ontgrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. De opties Aan/Uit zijn
mogelijk.
Verlichting auto is vergrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
auto laten knipperen. De opties Aan/Uit zijn
mogelijk.
diening. U hebt de keuze uit de volgende opties: 30/60/90 seconden.
Automatische vergrendeling portieren
Het is mogelijk de portieren en de achterklep
automatisch te vergrendelen bij snelheden hoger dan 7 km/h. U hebt de keuze uit de opties
Aan/Uit.
Follow-Me-Home-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen
van de contactsleutel. U hebt de keuze uit de
volgende opties: 30/60/90 seconden.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee ontgrendelingsopties:
Informatie
• Alle portieren – beide portieren en de
achterklep ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening.
• Bestuurdersportier eerst, daarna de overige portieren – het bestuurdersportier
ontgrendelen met één druk op de afstandsbediening. Als u nog een keer drukt, worden ook het passagiersportier en de
achterklep ontgrendeld.
02
• Het VIN (Vehicle Identification Number) is
het unieke identificatienummer van de auto.
• Aantal sleutels. Hier wordt het aantal sleutels weergegeven dat voor de auto geregistreerd is.
Op afstand openen
• Alle portieren – alle portieren alsmede de
achterklep tegelijkertijd ontgrendelen.
• Eén voorportier – een van de voorportieren of de achterklep (naar keuze) apart
ontgrendelen.
Approach-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet blijven branden bij een druk op de knop
voor Approach-verlichting op de afstandsbe-
65
Algemene informatie over de
klimaatregeling .........................................................................................68
Handmatige klimaatregeling met
airconditioning, A/C .................................................................................. 70
Elektronische klimaatregeling,
ECC (optie) ...............................................................................................72
Luchtverdeling ..........................................................................................75
Standverwarming op brandstof (optie) ..................................................... 76
66
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Airconditioning
Koudemiddel
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling (A/C) of een automatische klimaatregeling (ECC).
In de airconditioning zit het koudemiddel
R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het
koudemiddel onschadelijk voor de ozonlaag
is. Gebruik voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel alleen R134a. Laat dergelijke
werkzaamheden over aan een erkende Volvowerkplaats.
03
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, moet u de airconditioning
echter altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een
normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt eerst gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u verrichte klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
68
• de ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC);
• de timergestuurde recirculatie van de lucht
in de passagiersruimte.
Zie pagina 64 voor meer informatie over het
verrichten van instellingen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in dashboard
ECC (optie)
Condenswater
Werkelijke temperatuur
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
03
Positie van de sensoren:
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de
klimaatregeling.
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om deze te ontwasemen.
Bij koud weer: sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning moet u de zijruiten en een eventueel
schuifdak gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
69
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Bedieningspaneel
03
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Ventilator
Recirculatie
Ontwaseming
Luchtverdeling
A/C – Aan/Uit ( ON/ OFF)
Stoelverwarming linkerzijde
Stoelverwarming rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
9. Temperatuur
70
Functies
2. Recirculatie
1. Ventilator
Verhoog of verlaag de ventilatorsnelheid door aan de
knop te draaien.
Als u de knop linksom hebt
gedraaid en de ventilatorindicatie op het display gedoofd is, zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en OFF weer.
De recirculatie houdt vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er wordt
geen lucht van buiten aangezogen. Bij gebruik van de
recirculatie (in combinatie met de airconditioning) wordt de lucht in de passagiersruimte bij
warm weer sneller afgekoeld. Als de lucht in
de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op ijs,
beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit.
Zie pagina 64 om deze functie in of uit te schakelen. Wanneer u de ontwaseming (3) selecteert, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
te ontdooien. De ventilator
draait dan op hoge snelheid
en stuurt lucht naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (5);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
4. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten, de passagiersruimte en
de vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 75.
5. A/C – Aan/Uit
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning
staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
6 en 7. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
(optie op bepaalde markten)
– Laag verwarmingsniveau
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
– Verwarming uit
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
03
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te
ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de schakelaar schakelt u de gelijktijdige verwarming van
de achterruit en de buitenspiegels in. Een
brandend lampje in de schakelaar geeft aan
dat de functie actief is. De verwarming van de
buitenspiegels wordt na ca. 6 minuten automatisch uitgeschakeld; die van de achterruit
na ca. 12 minuten.
9. Temperatuur
Met deze knop kunt u koele
of warme lucht selecteren
voor zowel de bestuurdersals de passagierszijde.
–Hoog verwarmingsniveau
Eenmaal op de knop drukken – beide lampjes branden.
71
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Bedieningspaneel
03
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
AUTO
Ventilator
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
A/C – Aan/Uit ( ON/ OFF)
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
10. Temperatuurknop
72
Functies
1. AUTO
Bij activering van de AUTOfunctie wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig ingesteld dat de gewenste temperatuur wordt bereikt.
De automatische functie regelt de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling. Als u een of meer
handmatige functies selecteert, worden de
overige functies nog steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uit-
geschakeld, wanneer u de AUTO-functie activeert. Op het display verschijnt
AUTOM. KLIMAAT.
2. Ventilator
Draai aan de knop om de
ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid
wordt dan genegeerd.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd
is, zijn de ventilator en de airconditioning
uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en OFF weer.
3. Recirculatie
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in
de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt
met andere woorden geen
lucht van buiten de auto in, wanneer deze
functie actief is. Als de lucht in de auto te lang
recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Zie de Persoonlijke instellingen op
pagina 64 voor het in- of uitschakelen van
deze functie.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Interior Air Quality System (optie)
(dezelfde knop als de recirculatie)
Het Interior Air Quality System bestaat uit een combifilter met een Air Quality Sensor. Het combifilter ontdoet
de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en
verontreinigingen in de passagiersruimte.
Wanneer de sensor een verhoogde concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten
zodat de lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
– druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
Of:
– selecteer een van de volgende drie functies
door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
• de Air Quality Sensor is actief – het
lampje (A) brandt.
• de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
• de recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
Let erop dat:
• u de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld kunt laten staan.
• er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• u de Air Quality Sensor moet uitschakelen,
als de ruiten beslaan.
• u beter ook de ontwaseming voor de voorruit, achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
03
4. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
te ontdooien. De ventilator
draait dan op hoge snelheid
en stuurt lucht naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (6);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
73
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
5. Luchtverdeling
03
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten, de passagiersruimte en
de vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 75.
6. A/C – Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning
wordt automatisch geregeld. De binnenkomende
lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht
ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
74
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
(optie op bepaalde markten)
matisch uitgeschakeld; die van de achterruit
na ca. 12 minuten.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
Doe het volgende om de
voorstoel te verwarmen:
– Hoog verwarmingsniveau
Eenmaal op de knop drukken – beide lampjes branden.
– Laag verwarmingsniveau
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
– Verwarming uit
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
Het lampje in de knop en het display boven
het klimaatregelingspaneel geven aan welke
zijde actief is.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te
ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de schakelaar schakelt u de gelijktijdige verwarming van
de achterruit en de buitenspiegels in. Een
brandend lampje in de schakelaar geeft aan
dat de functie actief is. De verwarming van de
buitenspiegels wordt na ca. 6 minuten auto-
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde. Wanneer u de
knop nogmaals indrukt, activeert u de andere
zijde. Bij een derde keer indrukken zijn beide
zijden geactiveerd.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te
verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Om wasem en
ijsvorming bij koud en
vochtig weer te
voorkomen (niet voor
lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het
dashboard en op de
ruiten.
Om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
Om een efficiënte
koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de
ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03
75
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie over
verwarmingen
03
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden instellen met TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is. De
elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de
verwarming moet worden ingeschakeld. Bij
een buitentemperatuur hoger dan 25 °C wordt
de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
WAARSCHUWING
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
verwarming uitstaat. Als de standverwarming werkt, verschijnt er
PARK.VERW AAN op het informatiedisplay.
Op een helling parkeren
– Geef het tijdstip aan waarop u de auto wilt
gebruiken. Druk op RESET (C) om de uren
en minuten in te stellen.
– Houd de knop RESET (C) ingedrukt, totdat
de timer is geactiveerd.
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Standverwarming meteen inschakelen
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
76
Verwarming inschakelen
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Selecteer AAN. De verwarming zal
60 minuten lang blijven werken. De interieurverwarming gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor een temperatuur
van 30 ºC heeft bereikt.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Standverwarming meteen uitschakelen
– Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies voor UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt een melding op de informatiedisplay. Bevestig deze melding door op
READ (A) te drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de verwarming aanstond. Dit om
te zorgen dat de dynamo evenveel stroom
kan bijladen als de verwarming verbruikt.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden voor het komende etmaal programmeren
en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
– Ga met het duimwiel naar TIMER.
– Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u een tweede uitschakeltijd programmeren onder TIMER 2 door aan het
duimwiel te draaien. U stelt de andere
uitschakeltijd op dezelfde manier in als bij
TIMER 1.
bij het verlaten van de auto de sleutel uit het
contact neemt.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
03
Extra verwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er behoefte is aan extra
verwarming terwijl de motor loopt. De extra
verwarming wordt automatisch uitgeschakeld,
wanneer de juiste temperatuur bereikt is of
wanneer de motor wordt afgezet.
Displaytekst
Wanneer u de instellingen voor TIMER 1,
TIMER 2 en Directe start activeert, gaat het
informatielampje op het instrumentenpaneel
branden. Op het informatiedisplay verschijnt
bovendien een verklarende tekst. Het display
geeft ook aan welke timer actief is, wanneer u
77
Voorstoelen ..............................................................................................80
Interieurverlichting ....................................................................................82
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ......................................................................................84
Achterbank ...............................................................................................86
Kofferbak ..................................................................................................87
78
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
6. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoelen (optie).
Hendel (2) is niet op alle stoelmodellen aanwezig.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
04
Stoel naar voren zetten:
– Haal de handgreep (1) omhoog om de rugleuning te ontgrendelen.
– Klap de rugleuning zo ver naar voren toe
om dat deze wordt vergrendeld.
– Druk op de knop (2) die naast de hoofdsteun zit. Houd de knop ingedrukt.
Achterinstap, Easy entry
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
1. Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten, omhoog-/omlaagpompen.
3. Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/omlaagpompen.
4. Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien.
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
1
80
Elektrisch bedienbare stoel
Geldt ook voor elektrisch bedienbare stoelen.
Zorg dat de veiligheidsgordel uit de gordelgeleider wordt gehaald, voordat er achterpassagiers in of uit de auto stappen (zie pagina 14).
Gebruik Easy entry alleen, wanneer er niemand op de te verzetten stoel zit.
Handmatig bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
– Haal de handgreep (1) omhoog om de rugleuning te ontgrendelen.
– Klap de rugleuning zo ver naar voren toe
om dat deze wordt vergrendeld.
– Laat de handgreep los en duw de stoel naar
voren.
Stoel naar achteren zetten:
– Duw de stoel in de oorspronkelijke stand
terug.
– Haal de handgreep (1) omhoog om de rugleuning weer rechtop te zetten.
De stoel neemt dezelfde positie in als voordat
deze met de Easy entry-functie werd omgeklapt.
Easy entry
Stoel naar achteren zetten:
– Druk op de knop (2) die naast de hoofdsteun zit. Houd de knop ingedrukt.
– Haal de handgreep (1) omhoog om de rugleuning weer rechtop te zetten.
04 Interieur
Voorstoelen
N.B.
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
Alleen wanneer de rugleuning omgeklapt is,
kan de stoel maximaal (+6 cm) naar voren
worden geschoven om achterpassagiers
makkelijker te laten in- en uitstappen.
Als u de rugleuning weer rechtop zet terwijl
de stoel zo ver mogelijk naar voren staat,
schuift de stoel na enkele seconden automatisch 6 cm naar achteren.
dat u de stoel opnieuw probeert te verstellen.
U kunt slechts één verstelfunctie van de stoel
tegelijk activeren.
Geheugenfunctie
WAARSCHUWING
04
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen
en eraan te trekken.
Laat de veiligheidsgordel aan de passagierszijde tijdens het rijden op de gordelgeleider
zitten, ook al zit er niemand op deze stoel.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de
mat kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Tot enige tijd nadat u het portier met de afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het contact uitschakelen en enige tijd wachten voor-
Knoppen voor geheugenfunctie
Instelling vastleggen
– Verstel de stoel.
– Houd knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1 –3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
81
04 Interieur
Interieurverlichting
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
De leeslampjes zijn te activeren met het contactslot in stand I of II en wanneer de motor
loopt. De lampjes kunnen ook tot 30 minuten
na het afzetten van de motor of na het openen
of sluiten van een portier worden ingeschakeld.
WAARSCHUWING
04
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
Verlichting kofferbak
Geheugen van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel wordt in het
sleutelgeheugen vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, neemt
de bestuurdersstoel bij het openen van het
bestuurdersportier de vastgelegde stand in.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
82
Interieurverlichting voorin en leeslampjes
1. Leeslampje linksvoor, aan/uit
2. Interieurverlichting voor- en achterin
3. Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
Met de knop (2) kunt u drie verlichtingsstanden selecteren voor de interieurverlichting:
• Uit (0) – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting uitgeschakeld.
• Neutrale stand – interieurverlichting gaat
branden bij het openen van een portier en
dooft weer bij het sluiten ervan. De dimfunctie is actief.
Interieurverlichting achterin en kofferbakverlichting
De kofferbakverlichting bestaat uit een extra
lampje links in de kofferbak.
04 Interieur
Interieurverlichting
Bij het openen van de achterklep gaat de interieurverlichting achterin/kofferbakverlichting
maximaal 5 minuten lang branden.
Automatische verlichting
De verlichting dooft:
De interieurverlichting wordt automatisch inen uitgeschakeld wanneer de knop (2) in de
neutrale stand staat.
• als de achterklep wordt gesloten
• als de knop (2) in stand 0 (uit) wordt gezet.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
Make-upspiegel1
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening ontgrendelt;
• u de motor hebt afgezet en de contactsleutel naar stand 0 hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
04
• u de motor start;
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening vergrendelt.
De interieurverlichting gaat aan en blijft
5 minuten lang branden, als een van de portieren openstaat.
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
De interieurverlichting/kofferbakverlichting
kan binnen 30 minuten nadat u de contactsleutel naar stand 0 hebt gedraaid in- of uitgeschakeld worden door op de knop (2) te drukken. De verlichting blijft vervolgens 5 minuten
lang branden, tenzij u deze zelf eerder uitschakelt.
1
Optie op bepaalde markten.
83
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
84
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1. Opbergvak in portieren
2. Opbergvak aan voorkant voorstoelzittingen (afhankelijk van bekleding)
3. Parkeerkaarthouder
4. Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken)
5. Dashboardkastje
6. Opbergvakken
7. Opbergvak (bijv. voor cd’s) en bekerhouder 1
8. Flessenhouder (optie)
9. Opbergvakken in zijpanelen achterin
met plaats voor maximaal drie blikjes
10. Opbergvak voor EHBO-kit
11. Opbergvakken voor kaarten en tijdschriften
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
1 Opbergvak
Dashboardkastje
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de
mat kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
04
1. Ontgrendelen
2. Vergrendelen
Hier kunt u het instructieboekje en eventuele
kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor
parkeergeld, pennen en tankkaarten. Het
dashboardkastje kan handmatig worden vergrendeld met behulp van het afneembare
sleutelblad in de afstandsbediening. Zie
pagina 95 voor meer informatie over het sleutelblad.
op bepaalde markten.
85
04 Interieur
Achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
Middenarmsteun achterbank
04
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren.
Ruggedeelte omklappen:
– Trek de pal naar voren toe omhoog om het
ruggedeelte te ontgrendelen. Een rode
markering (A) geeft aan dat het ruggedeelte
niet langer geblokkeerd staat.
– Klap de rugleuning naar voren toe om.
Ruggedeelte rechtop zetten:
– Zet het ruggedeelte rechtop.
– Leg de veiligheidsgordel boven op het ruggedeelte.
– Duw het ruggedeelte naar achteren zodat
het vergrendeld wordt.
– Controleer of het ruggedeelte vergrendeld
staat.
86
WAARSCHUWING
Leg de veiligheidsgordels boven op de ruggedeelten voordat u deze weer rechtop zet.
N.B.
De rode markering (A) mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
De middenarmsteun van de achterbank is omlaag te klappen om de achterpassagiers meer
comfort te bieden of om ruimte te maken voor
het vervoer van lange lading. Bij het omklappen van een van de ruggedeelten dient u ook
de middenarmsteun neer te klappen.
Zie pagina 140 voor het verankeren van lading.
04 Interieur
Kofferbak
Flessenhouder (optie)
Zachte bagageafdekking (optie)
– Bevestig de haken aan de achterste verankeringsogen (D).
Bagageafdekking ophangen na gebruik
– Haal de haken uit de achterste verankeringsogen (D).
– Duw de rail bijeen om deze van de achterste bevestiging (C) te halen. Leg de rail
vooraan op de vloer in de kofferbak.
– Zet de haken bij de bevestigingspunten (B)
aan de rail vast.
De bagageafdekking kan zo achter het ruggedeelte van de achterbank blijven hangen totdat u de afdekking weer nodig hebt.
04
Bagageafdekking verwijderen
Er zit een flessenhouder achter in de middenconsole waarin u de grotere flessen kwijt kunt.
Zachte bagageafdekking
U haalt de bagageafdekking over de bagage
heen en bevestigt deze aan de achterste verankeringsogen. Maak bij het inladen (D) en zo
nodig ook (C) los.
Bagageafdekking aanbrengen
– Bevestig de haken aan de voorste verankeringsogen bij de vloer (A).
– Breng de voorste bevestigingen aan bij (B)
door de veerbelaste rail in te duwen en
deze aan weerszijden in positie te brengen.
– Zet de achterste bevestigingen op dezelfde
manier bij (C) vast.
– Haal de haken los en verwijder de rails één
voor één door ze bijeen te drukken en ze
van de bevestigingen los te halen.
– Wanneer u alle bevestigingen hebt losgemaakt, kunt u de bagageafdekking oprollen
en helemaal achteraan op de vloer in de
kofferbak leggen om ruimte te maken voor
omvangrijke lading.
N.B.
De bagageafdekking is niet bedoeld om bagage tegen te houden. Leg geen voorwerpen boven op de bagageafdekking. Zie
pagina 140 voor het verankeren van lading.
87
04 Interieur
Kofferbak
Harde bagageafdekking (optie)
De klep in de bagageafdekking is op te klappen om spullen in of uit te laden.
N.B.
De bagageafdekking is niet bedoeld om bagage tegen te houden. Leg geen voorwerpen boven op de bagageafdekking. Zie
pagina 140 voor het verankeren van lading.
Bagageafdekking verwijderen
04
Vergrendelingen en steunpennen
Bagageafdekking aanbrengen
– Schuif, voordat u de bagageafdekking de
kofferbak intilt, alle vier de vergrendelingspennen in door de vergrendelingsknoppen
in de eindstand te trekken. De vergrendelingspennen blijven in de ingeschoven
stand staan.
– Til de bagageafdekking voorzichtig overdwars de kofferbak in, draai de afdekking
vervolgens weer recht en kantel de voorkant iets omhoog.
88
– Leg het voorste gedeelte aan weerszijden
op de twee steunpennen achter de vergrendelingspunten (A).
– Breng de ene vergrendeling achteraan aan
bij (B) en schuif de vergrendelingspen uit
door de vergrendelingsknop naar voren te
duwen.
– Breng de andere vergrendeling achteraan
op dezelfde manier aan en schuif de vergrendelingspen uit door de vergrendelingsknop naar voren te duwen.
– Schuif de voorste vergrendelingspennen
één voor één uit, zodat ze in de vergrendelingspunten (A) vast komen te zitten.
– Schuif de voorste vergrendelingspennen (A)
tot in de eindstand in door aan weerszijden
de vergrendelingsknoppen naar achteren te
trekken.
– Schuif de achterste vergrendelingspennen
(B) tot in de eindstand in door aan weerszijden de vergrendelingsknoppen naar achteren te trekken.
– Til de bagageafdekking op en verdraai deze
voordat u de afdekking uit de kofferbak tilt.
04 Interieur
Kofferbak
Vloerluik opklappen
04
Zonder bagageafdekking
Klap het vloerluik op en zet het aan weerszijden aan de borgnokken vast.
Met harde bagageafdekking
Klap het luikje in de bagageafdekking op. Klap
vervolgens het vloerluik op en zet het aan de
haak vast onder op de bagageafdekking.
89
04 Interieur
Kofferbak
Bagagenet (optie)
Bagagenet verwijderen
Verankeringsogen
– Zet de banden minder strak.
– Haal de haken aan weerszijden uit de ogen
bij de vloerbevestiging van de veiligheidsgordel.
– Maak het net los bij de bevestigingen op de
plafondpanelen.
– Vouw het bagagenet op en bewaar het in
de opbergzak.
WAARSCHUWING
04
Ook bij correcte montage van het bagagenet moet de bagage in de kofferbak altijd
goed worden verankerd.
Bewaar het bagagenet achter de rugleuning
van de voorstoelen. Het bagagenet is alleen
bedoeld voor gebruik met de ruggedeelten
van de achterbank omgeklapt. Zie pagina 140
voor het verankeren van lading.
Bagagenet aanbrengen
– Klap de ruggedeelten aan weerszijden omlaag (zie pagina 86).
– Bevestig het bagagenet aan de steunen op
het plafondpaneel.
– Bevestig de haken aan weerszijden in de
ogen bij de vloerbevestiging van de veiligheidsgordel.
– Span de banden zo nodig aan.
– Controleer alle bevestigingen.
90
De verankeringsogen1 in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden of een bagagenet
aan vast te zetten.
Bij de schuifrails van de beide veiligheidsgordels zitten twee extra verankeringsogen waaraan u het bagagenet na gebruik kunt vastzetten.
Zie pagina 140 voor het verankeren van lading.
1 Optie
op bepaalde markten.
04 Interieur
04
91
Afstandsbediening met sleutelblad .....................................................................94
Keyless drive (optie) ............................................................................................. 98
Vergrendelen en ontgrendelen ........................................................................... 100
Alarm (optie) ....................................................................................................... 103
92
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Afstandsbediening
Bij de auto worden twee afstandsbedieningen
geleverd. Deze doen tevens dienst als contactsleutel. De afstandsbedieningen bevatten
afneembare metalen sleutelbladen voor het
mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van
het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
05
Er zijn maximaal zes transpondersleutels/sleutelbladen voor één en dezelfde auto te programmeren en te gebruiken.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto met het Keyless drive-systeem of via de afstandsbediening vergrendelt,
lichten de richtingaanwijzers van de auto langdurig op om aan te geven dat er vergrendeling
heeft plaatsgevonden. Dit signaal wordt alleen
gegeven als na het sluiten van de portieren
alle sloten daadwerkelijk vergrendeld zijn.
Twee korte lichtsignalen geven aan dat er ontgrendeling heeft plaatsgevonden.
Onder de persoonlijke instellingen is het mogelijk om de lichtsignalen via de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt dan niet lan-
94
ger een signaal dat de vergrendeling op de
juiste manier heeft plaatsgevonden (zie
pagina 64).
Functies afstandsbediening
Zoekgeraakte afstandsbediening
Als een van de afstandsbedieningen zoekraakt, moet u de auto samen met de resterende afstandsbedieningen naar een erkende
Volvo-werkplaats brengen. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte afstandsbediening uit het systeem worden
gewist.
Elektronische startblokkering
De afstandsbedieningen zijn voorzien van gecodeerde chips. De code moet overeenkomen
met die van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een afstandsbediening met de juiste
code gebruikt.
1. Vergrendelen — Beide portieren en de
achterklep vergrendelen. Bij lang indrukken worden ook de zijruiten en een eventueel schuifdak gesloten.
2. Ontgrendelen — Beide portieren en de
achterklep ontgrendelen.
3. Approach-verlichting — Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
druk op de gele knop van de afstandsbediening om de interieurverlichting, de
stadslichten vóór en de achterlichten, de
kentekenplaatverlichting en de verlichting in de buitenspiegels (optie) in te
schakelen. De verlichting schakelt na
30, 60 of 90 seconden automatisch uit.
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Zie pagina 65 voor het instellen van een
passende inschakelduur.
4. Achterklep — wanneer u de knop eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen de
achterklep.
N.B.
Sleutelblad
Het afneembare sleutelblad is bedoeld voor
als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem laat parkeren bij een
hotel of iets dergelijks. U geeft de afstandsbediening af zonder het afneembare sleutelblad,
dat u bij u houdt.
De achterklep wordt echter niet geopend.
5. Paniekfunctie — Bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode knop ten minste
drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen binnen drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd. U kunt deze functie met
dezelfde knop weer uitschakelen, als de
functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Als u niets doet, wordt de
functie na 30 seconden automatisch
uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de auto niet starten, als
de chip beschadigd is.
05
Sleutelblad verwijderen
Haal het sleutelblad als volgt uit de afstandsbediening:
– Duw de veerbelaste pal (1) opzij, terwijl u
het sleutelblad (2) achterwaarts naar buiten
trekt.
Sleutelblad aanbrengen
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de afstandsbediening terugplaatst.
– Houd de afstandsbediening met de puntige
kant omlaag en laat het sleutelblad in de
groef vallen.
– Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
95
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Sleutelblad
05
Vergrendelingspunten
1. Vergrendelingspunten, afstandsbediening
2. Vergrendelingspunten, sleutelblad
Het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening dient ter vergrendeling of ontgrendeling van het dashboardkastje en het bestuurdersportier (zonder de centrale vergrendeling te activeren).
96
N.B.
Als u het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening gebruikt om het bestuurdersportier te ontgrendelen, gaat het alarm
af waarna u het met de afstandsbediening
moet uitschakelen (zie pagina 104).
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Batterij in afstandsbediening bijna
leeg
Batterij in afstandsbediening
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de afstandsbediening niet langer optimaal functioneert, begint het informatiesymbool te branden en verschijnt de melding EXTERNE
ACCU LAGE SPANNING op het display.
vervangen
– Plaats de afdekking terug en schroef deze
vast.
– Duw het sleutelblad weer op zijn plaats.
Zorg dat de oude batterij op milieuvriendelijke
wijze wordt afgevoerd.
05
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij vervangen (type
CR 2032, 3 V).
– Trek het sleutelblad naar buiten.
– Leg de afstandsbediening met de knoppen
omlaag neer en draai het boutje (1) met een
kleine schroevendraaier los.
– Verwijder de afdekking.
– Let erop hoe de plus- en minpolen aan de
binnenkant van de afdekking zitten.
– Werk de batterij los (2) en vervang deze.
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterij of de contactvlakken.
97
05 Sloten en alarm
Keyless drive (optie)
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
standsbedieningen met Keyless-functie hanteren.
Afstandsbediening binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
Om een portier of de achterklep te kunnen
openen moet de afstandsbediening zich binnen een straal van maximaal 1,5 m rond de
portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
Dit betekent dat u de afstandsbediening bij u
moet dragen om een portier te openen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het
niet mogelijk om met de afstandsbediening een
portier aan de andere kant te openen.
05
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de afstandsbediening alleen in een binnenzak of tas bij u
te dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan
niet langer de afstandsbediening erbij te nemen of op te zoeken.
De twee afstandsbedieningen van de auto ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er meer
bijbestellen. Het systeem kan tot zes af-
98
De grijs gearceerde gebieden op de afbeelding geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een afstandsbediening met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de afstandsbediening
weer in de auto wordt gelegd of wanneer u de
startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De
waarschuwing wordt alleen gegeven, als de
startknop in stand I of II staat bij het openen
of sluiten van een portier.
Wanneer de afstandsbediening weer in de
auto is gelegd, verdwijnen de waarschuwings-
melding en het geluidssignaal nadat een van
de volgende handelingen is uitgevoerd:
• er is een deur geopend of gesloten;
• de startknop is naar stand 0 gedraaid;
• de knop READ is ingedrukt.
Nooit een afstandsbediening in de auto
achterlaten
Als u een afstandsbediening met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt deze bij
het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen het portier er
dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
afstandsbediening in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw afstandsbedieningen.
Storingen in de functie van de afstandsbediening
De Keyless-functie kan verstoord worden door
elektromagnetische afschermingen en magnetische velden. Doe het volgende om dit te voorkomen: leg de afstandsbediening bijvoorbeeld
niet dicht bij een mobiele telefoon, metalen
voorwerpen of in een metalen attachékoffer.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de afstandsbediening en het sleutelblad op de normale manier gebruiken (zie
pagina 94).
05 Sloten en alarm
Keyless drive (optie)
Ontgrendelen
Ontgrendelen met sleutelblad
Wanneer de afstandsbediening zich binnen
het dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en de achterklep als
volgt:
– druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Beide portieren en de achterklep moeten zijn
gesloten, voordat u op de vergrendelingsknop
drukt. Anders vindt er geen vergrendeling
plaats.
– Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
– Open de achterklep door de openingsknop
op de achterklep onderhands in te drukken
en de achterklep op te tillen.
Als de Keyless-functie van de afstandsbediening om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening (zie
pagina 94).
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant
van de portieren omlaag.
Persoonlijke instellingen
Het bestuurdersportier kunt u als volgt openen
(zonder de centrale vergrendeling te activeren):
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen (zie pagina 65).
05
– werk de kunststof afdekking van de handgreep voorzichtig los door het sleutelblad in
de opening aan de onderkant van de afdekking te steken.
– ontgrendel het portier met het sleutelblad.
Elektrisch bedienbare stoel (optie),
geheugenfunctie van afstandsbediening
Als meerdere personen met elk hun eigen afstandsbediening met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
99
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de
persoonlijke instellingen, zie pagina 65):
05
• bij eenmaal indrukken worden beide portieren en de achterklep ontgrendeld;
• bij de eerste keer indrukken wordt het
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken het passagiersportier
alsmede de achterklep.
Vergrendelen
Met de afstandsbediening kunt u beide portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen.
De vergrendelingsknoppen op de portieren en
de portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn
dan niet meer te bedienen.
De tankvulklep is niet meer te openen, wanneer u de auto met de afstandsbediening vergrendeld hebt.
N.B.
Ook als er nog een portier of de achterklep
openstaat is het mogelijk de auto te vergrendelen1. Wanneer u het geopende portier of de achterklep vervolgens sluit
bestaat het gevaar dat u zich buitensluit
met de sleutels nog in de auto.
1
Geldt voor bepaalde markten.
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto van de
buitenzijde vergrendelt. De auto is dan namelijk niet meer van de binnenzijde te ontgrendelen.
• trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
• druk op de ontgrendelingsknop bij de openingshandgreep.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 65).
Achterklep
Ontgrendelen
Alleen achterklep ontgrendelen:
– Druk op de knop van de afstandsbediening
waarmee u de achterklep ontgrendelt.
Automatische hervergrendeling
Vergrendelen
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld (geldt niet bij vergrendeling van
de binnenzijde). Deze functie beperkt de kans
dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt
laten staan. Zie pagina 104 voor auto’s met
alarmsysteem.
Als de achterklep openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft de achterklep ook
na sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel
met de afstandsbediening of van de binnenzijde om beide portieren en de achterklep te vergrendelen.
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
100
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Met de vergrendelknop op het bestuurdersportier of die op het passagiersportier kunt u
beide portieren alsmede de achterklep vergrendelen.
Dashboardkastje vergrendelen
Portieren openen
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
– Trek tweemaal aan de handgreep om de
portieren te ontgrendelen, waarna u ze kunt
openen.
05
Met de vergrendelingsknop bij de portierhandgreep kunt u de portieren en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
– Druk de bovenkant van de vergrendelingsknop in. Bij lang indrukken worden ook al
de zijruiten geopend.
Vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening.
• Ontgrendel (1) het dashboardkastje door
de sleutel een kwartslag (90 graden) linksom te draaien. Het sleutelgat staat verticaal
wanneer het kastje ontgrendeld is.
• Vergrendel (2) het dashboardkastje door de
sleutel een kwartslag (90 graden) rechtsom
te draaien. Het sleutelgat staat horizontaal
wanneer het kastje vergrendeld is.
– Druk de onderkant van de vergrendelingsknop in. Bij lang indrukken worden ook de
zijruiten en een eventueel schuifdak gesloten.
101
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Safelock-functie
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een
melding op het display zolang de sleutel in het
contactslot steekt. De volgende keer dat u het
contact van de auto inschakelt, worden de
sensoren en de Safelock-functie weer
geactiveerd.
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. U activeert de functie met de afstandsbediening. De
Safelock-functie treedt 25 seconden na vergrendeling van de portieren in werking.
Bij Safelock is de auto alleen met de afstandsbediening te ontgrendelen. De portieren zijn
tevens van de buitenzijde te openen met behulp van het sleutelblad.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren.
05
1. Sensoren en Safelock-functie deactiveren
2. Geen functie
Safelock-functie en eventuele alarmsensoren tijdelijk deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie deactiveren.
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
– Druk op de knop (1).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelders en niveausensoren buiten werking (zie pagina 104).
102
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarmlampje op dashboard
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
formatiedisplay. Neem dan contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
Alarmfunctie inschakelen
Een lampje op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• Het lampje is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
• het lampje licht om de seconde op, nadat
de richtingaanwijzers van de auto een lang
lichtsignaal hebben afgegeven – het alarm
is ingeschakeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het in-
– Druk op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat beide portieren zijn vergrendeld.
05
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en het lampje op het
dashboard licht eenmaal op ter bevestiging
dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Alarmfunctie uitschakelen
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat beide portieren zijn ontgrendeld.
103
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Automatische inschakeling van het
alarm
steeds uitschakelen en de motor als volgt
starten:
de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen.
De functie voorkomt dat u de auto per ongeluk
verlaat zonder het alarm in te schakelen.
– Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
– Steek de afstandsbediening in het contactslot. Het alarm wordt uitgeschakeld. Het
alarmlampje knippert snel, totdat u de contactsleutel naar stand II draait.
– Draai de contactsleutel eerst naar stand II,
vervolgens terug naar stand 0 en neem de
sleutel uit.
– Druk op de knop (1). Het lampje in de knop
blijft branden, totdat u de auto vergrendelt.
Zolang de sleutel in het contact steekt (of tot
één minuut na het uitnemen van de sleutel),
blijft er een melding op het display staan.
Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent (en de auto werd met de
afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt
het alarm automatisch weer ingeschakeld. De
auto wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Alarmsensoren en Safelock-functie
tijdelijk deactiveren
Geactiveerd alarm uitschakelen
05
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Als de auto met Safelock-functie is uitgerust,
wordt deze functie tegelijkertijd geactiveerd.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 25 seconden lang een sirene. Deze
beschikt over een eigen accu die wordt
ingeschakeld, als de accu van de auto te
weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
• Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minuten lang of totdat u het alarm uitschakelt.
Afstandsbediening werkt niet
Ook als de afstandsbediening om wat voor reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm nog
104
De volgende keer dat u het contact inschakelt,
worden de sensoren weer geactiveerd.
1. Sensoren uitschakelen
2. Geen functie
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk
afgaat, bijvoorbeeld op een veerboot, kunt u
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
– Open alle ruiten.
– Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm is
ingeschakeld.
– Wacht 30 seconden.
– Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks van de
stoel te pakken. Er moet dan een sirene
afgaan en tegelijkertijd moeten alle richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
– Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de motorkap met de handgreep
onder het dashboard. Er moet dan een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05
Portieren testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
– Open een van de portieren. Er moet dan
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
– Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
105
Algemene informatie .............................................................................. 108
Brandstof tanken .................................................................................... 110
Motor starten ..........................................................................................111
Keyless drive (optie) ............................................................................... 113
Handgeschakelde versnellingsbak ......................................................... 114
Automatische versnellingsbak .............................................................. 116
Remsysteem .......................................................................................... 119
Stabiliteits- en tractieregelsysteem ........................................................ 121
Parkeerhulp (optie) ................................................................................. 123
BLIS, Blind Spot Information System
(optie) ..................................................................................................... 125
Slepen en bergen ................................................................................... 128
Starten met een hulpaccu ...................................................................... 130
Rijden met een aanhanger ..................................................................... 131
Trekhaak ................................................................................................. 133
Afneembare trekhaak ............................................................................. 135
Lading vervoeren .................................................................................... 140
Lichtbundel aanpassen .......................................................................... 141
106
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
06
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig
remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en
het koelsysteem oververhit raken.
108
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied
rijdt. Anders kan de olietemperatuur te hoog
oplopen.
Open achterklep
Rijd niet met een geopende achterklep. Als u
toch en stukje met een geopende achterklep
moet rijden, kunt u het volgende doen:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid
draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te
schakelen. U laadt de accu op door de motor
te starten.
06
109
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij
de weerstand.
3. Trek de dop uit de vulopening.
4. Hang hem aan de binnenkant van de
tankvulklep op.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
Schakel voordat u tankt de standverwarming op
brandstof uit
06
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 47). De klep kan
niet worden geopend wanneer de motor loopt.
De tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven op pagina 233, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen.
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Tankdop
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een
merkbare weerstand voelt.
110
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
Motor starten
Roetfilter dieselmotor (DPF)
– Trek de handrem aan.
Benzine
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
– Draai de contactsleutel naar stand III.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang bij strenge
vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Dieselolie
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat
de motor wordt voorverwarmd (zie
pagina 41).
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer
het controlelampje uitgaat.
Automatisch starten (5 cilindermotor)
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
Met de functie automatisch starten hoeft u de
contactsleutel (of de startknop op modellen
met Keyless drive, zie pagina 113) niet langer
in de startstand (stand III) vast te houden totdat de motor is aangeslagen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Draai de contactsleutel naar de startstand en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de motor is aangeslagen.
Regeneratie bij koud weer
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
06
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel.
111
06 Starten en rijden
Motor starten
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog ca. 20 minuten verder. Tijdens de regeneratie levert de motor van de auto iets minder
vermogen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld
is, kan het onbruikbaar worden. De motor
start dan moeilijk en de kans bestaat dat het
filter moet worden vervangen.
06
Gebruik bij koud weer de standverwarming
(optie) zodat de motor sneller op temperatuur
komt.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan
de elektronische startblokkering onbedoeld
worden geactiveerd.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uit het contactslot
neemt.
I – Radiostand
Bepaalde onderdelen van
het elektrische systeem kunnen worden ingeschakeld.
Het elektrische systeem van
de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrische systeem van de auto is ingeschakeld.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden gestart.
1. Neem in dat geval de sleutel uit en draai
aan het stuurwiel, zodat het stuurslot ontlast wordt.
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand
vast terwijl u de sleutel weer in het
contactslot steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
III – Startstand
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug naar de
rijstand.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
Als de sleutel tussen twee standen in staat
kan er een tikkend geluid te horen zijn. Draai
de sleutel in dat geval eerst naar stand II en
112
daarna terug om het geluid te laten verdwijnen.
WAARSCHUWING
Zorg dat het stuurslot actief is, wanneer u de
auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
06 Starten en rijden
Keyless drive (optie)
Algemene informatie
Auto starten
Starten met afstandsbediening
– Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
– Druk op de startknop en draai deze naar
stand III.
Dieselmotor
1. Draai eerst de startknop naar stand II en
wacht totdat het dieselcontrolelampje op
het instrumentenpaneel (zie pagina 41) is
gedoofd.
2. Draai de startknop vervolgens naar
stand III.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 98).
De startknop van het contactslot werkt op dezelfde manier als een contactsleutel. U kunt
de motor alleen starten, wanneer een van de
afstandsbedieningen van de auto in de passagiersruimte of de kofferbak ligt.
Als de batterij in de afstandsbediening leeg is,
werkt de Keyless drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de afstandsbediening
als startknop te gebruiken.
06
1. Duw de pal op de startknop in en trek de
startknop uit het contactslot.
2. Steek de afstandsbediening in het contactslot en start op dezelfde manier als
bij het gebruik van de startknop.
113
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
06
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(benzine)
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat. Om de achteruitversnelling in te schakelen moet u de versnellingspook eerst in de neutrale stand N zetten. Door
de blokkering van de achteruitversnelling kunt
u de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnelling
zetten.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Het kan problemen geven de schakelstanden
voor de vijfde en zesde versnelling te vinden,
wanneer de auto stilstaat. Dit omdat de blokkering van de achteruitversnelling (die dwarsslagen blokkeert) dan niet geactiveerd is.
114
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (benzine)
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(diesel)1
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (diesel)
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat. Duw de versnellingspook omlaag en haal deze naar links om de
achteruitversnelling in te schakelen.
N.B.
De achteruitversnelling wordt elektronisch
geblokkeerd, als de auto sneller rijdt dan
20 km/h.
1 Bepaalde
06
markten
115
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Beveiligingssystemen
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Wanneer u bij
lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Schakelblokkering uitschakelen
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle andere standen is de sleutel geblokkeerd.
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Kick-down
06
116
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kick-down.
Wanneer u het gaspedaal uit de kick-downstand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kick-down om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de zogeheten kick-down niet mogelijk is.
Kick-down is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand (Geartronic).
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de
keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering,
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet de contactsleutel in stand II staan
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
en moet het rempedaal worden bediend.
1. Er zit een dekplaatje onder het keuzehendelpaneel met P-R-N-D. Open het aan de
achterzijde.
2. Steek het sleutelblad van de afstandsbediening zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u
de keuzehendel uit stand P haalt.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
contactsleutel in stand II staan.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Mechanische keuzehendelblokkering
Automatische schakelstanden
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Neutraalstand
Stand N is de vrijstand. In deze stand kunt u
de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer
de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N
staat.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel heen en weer halen tussen de verschillende schakelstanden.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
BELANGRIJK
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
tussen de versnellingen afhankelijk van de
stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg
ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in stand D zet.
06
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
117
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in
stand D zetten.
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd totdat u een andere versnelling kiest.
06
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op
de motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat. Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
De geselecteerde versnelling wordt op het instrumentenpaneel weergegeven (zie
pagina 39).
N.B.
Geartronic heeft twee veiligheidsfuncties:
• Geartronic staat geen terugschakeling/
kick-down toe die tot een dusdanig hoog
toerental leidt dat de motor kan worden
118
beschadigd. Wanneer u toch probeert een
dergelijke kick-down uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke
versnelling rijden.
• Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug als u langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
W – Winter
Druk op de knop W om het
winterprogramma W in- en
uitschakelen. Wanneer het
winterprogramma ingeschakeld is, brandt het symbool
W op het instrumentenpaneel.
Wanneer het winterprogramma ingeschakeld
is, start de versnellingsbak in een hogere versnelling om op gladde wegen gemakkelijker te
kunnen wegrijden en worden de lagere versnellingen alleen geactiveerd bij kick-down.
U kunt het programma W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de remkringen optreedt, is remmen nog
steeds mogelijk. U moet het rempedaal echter
verder intrappen en het pedaal kan minder
stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u
niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de
rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het ABS
van start. Dit kunt u zowel horen als voelen
aan de pulsaties in het rempedaal.
06
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard mogelijk op het rempedaal (er
zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting en blijf
druk op het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
119
06 Starten en rijden
Remsysteem
Het waarschuwingslampje voor ABS licht
twee seconden op, als er de vorige keer dat
de motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
Remkrachtverhoging – EBA
Het EBA (Emergency Brake Assistance) is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u het rempedaal bedient. Blijf
remmen zonder het rempedaal los te laten. De
regeling wordt uitgeschakeld, wanneer u het
rempedaal loslaat. Het systeem is altijd actief.
U kunt het dan ook niet uitschakelen.
06
120
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
Als het remvloeistofpeil lager is dan het
MIN-streepje van het remvloeistofreservoir,
kunt u beter niet verder rijden met de auto
voordat er remvloeistof is bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Algemene informatie
Antispinregeling
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem STC/
DSTC ((Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
Beperkte functie
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen aangegeven.
Functie/systeem
STC
Antislipregeling
DSTC
X
Antispinregeling
X
X
Tractieregeling
X
X
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Iedere keer dat u de auto start, wordt het stabiliteitssysteem automatisch geactiveerd.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft.
06
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid gas.
121
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Bediening
Meldingen op informatiedisplay
– Draai aan het duimwiel (A) totdat het menu
STC/DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
– Houd RESET (B) ingedrukt totdat het menu
DSTC wordt gewijzigd.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
06
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
N.B.
DSTC AAN verschijnt enkele seconden op
het display en het lampje
brandt iedere
keer dat u de motor start.
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
de regeling wegens een storing werd uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, moet u de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden.
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC
Informatie
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de lampjes
en
gelijktijdig oplichten.
Als alleen het lampje
het volgende:
122
oplicht, betekent dat
• een knipperend lampje geeft aan dat het
STC/DSTC op dat moment ingrijpt;
• een lampje dat twee seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
• een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht, duidt op een
storing in het STC/DSTC;
• een lampje dat na uitschakeling continu
blijft branden herinnert u eraan dat er beperkingen gelden voor het STC/DSTC.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Algemene informatie 1
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Daarbij verschijnt de melding Parkeerhulp actief Exit =
uitschakelen op het audiodisplay.
De parkeerhulp is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Parkeerhulp voor- en achterzijde
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten. Wanneer er obstakels
in de dode hoeken van de sensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1 Afhankelijk
van de markt is Parkeerhulp een
standaardfunctie, optie of accessoire.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan
linker- en rechterzijde.
ren zodra u de achteruitversnelling inschakelt.
De geluidssignalen komen uit de luidsprekers
achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak dient u het systeem uit te
schakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
06
Aanduiding voor systeemstoringen
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De parkeerhulp aan de achterzijde
wordt geactiveerd bij het inschakelen van de
achteruitversnelling. Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op het audiodisplay de
melding Parkeerhulp inactief Enter = active-
Als het informatiesymbool continu
brandt en PARKEERHULP
SERVICE VEREIST op het informatiedisplay verschijnt, is de parkeerhulp defect.
123
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
WAARSCHUWING
Sensoren schoonmaken
Door bepaalde geluidsbronnen kan het systeem ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte
banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen
en uitlaten van motorfietsen. Sneeuw en ijs
op de sensoren kunnen ook ten onrechte
aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Activeren/deactiveren
06
124
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop EXIT op het schakelaarpaneel (zie
pagina 64). De melding Parkeerhulp inactief
Enter = activeren verschijnt dan op het audiodisplay. De parkeerhulp is vervolgens opnieuw te activeren met een druk op de knop
ENTER op het bedieningspaneel. Op het display verschijnt dan de melding Parkeerhulp
actief Exit = deactiveren.
Sensoren voor parkeerhulp
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek. De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waarneemt in de dode hoek, licht een
controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
Buitenspiegel met BLIS-systeem
1. BLIS-camera
2. Controlelampje
3. BLIS-symbool
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
Afstand A = ca. 3,0 m
Afstand B = ca. 9,5 m
06
Schoonmaken
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op –
geen vervanging voor – een veilige rijstijl en
het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er
altijd verantwoordelijk voor dat er op een
veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
Dode hoeken die de BLIS-camera’s in de gaten houden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een
melding op het display van het informatiepaneel. Controleer de cameralenzen in dat geval
en maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de
knop BLIS (zie pagina 127).
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om
krassen te voorkomen.
125
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
06
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
126
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een
voertuig de koplampen niet heeft ontstoken,
zal het systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem
bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger
achter een auto of vrachtwagen, omdat daar
geen brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is
het mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie pagina 127), waarbij een displaymelding verschijnt.
Wanneer de displaymelding spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
06 Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System (optie)
Activeren/deactiveren
de portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Zie pagina 43 voor meer informatie over
de meldingsfuncties.
Systeemmelding BLIS
Displaymelding
Systeemstatus
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet. Neem
contact op met een
erkende Volvowerkplaats.
BEPERKTE
FUNCTIE BLIS
Beperkte werking.
BLIS-CAMERA
AFGEDEKT
Een of meer camera’s
zijn afgedekt.
Maak de lenzen
schoon.
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het
BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
BLIS UIT
BLIS-systeem is
uitgeschakeld
BLIS AAN
BLIS-systeem is
ingeschakeld
06
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op
127
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor nooit aan te slepen
Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en
de motor niet wil starten. Probeer de motor
niet aan te slepen.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen. Sleep de auto altijd met de voorkant van de auto in de
rijrichting.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
06
– Draai de sleutel in het contactslot naar
stand II en hef het stuurslot op, zodat de
auto bestuurbaar is (zie pagina 112).
– Laat de sleutel tijdens het slepen in stand II
staan.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand N.
Handgeschakelde versnellingsbak
– Zet de versnellingspook in de neutrale
stand.
– Zorg dat de sleepkabel altijd strak staat om
schokken te voorkomen. Houd uw voet op
het rempedaal.
128
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
Bergen
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h (met geheven vooras). U mag de auto
over een afstand van maximaal 80 km verslepen. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de
rijrichting draaien.
Sleepoog
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper. Monteer het
sleepoog als volgt:
1. Neem het sleepoog erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
2. Maak de onderkant van de afdekking (1)
in de bumper los met een schroevendraaier of een muntstuk.
3. Schroef het sleepoog (3) stevig tot aan
de flens vast. Gebruik de wielsleutel om
het sleepoog vast te draaien.
4. Draai het sleepoog na gebruik los en
plaats het terug in de kofferbak. Plaats
de afdekking weer terug op de bumper.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Roep professionele hulp in
voor berging.
06
129
06 Starten en rijden
Starten met een hulpaccu
Starten met een hulpaccu
06
Als de accu leeg is, kunt u stroom van een losse accu of van de accu in een andere auto gebruiken. Controleer altijd of de klemmen van
de startkabels goed vastzitten en of er geen
vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om explosiegevaar te voorkomen:
1. Draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
130
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar niet raken.
4. Sluit de rode startkabel aan tussen de
pluspool (1+) van de hulpaccu en de
pluspool (2+) van de lege accu.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel
aan op de minpool (3–) van de hulpaccu.
6. Sluit de andere klem van de zwarte
kabel aan op het massapunt (4–) dat op
bij de linker veerpoot zit.
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat
de motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
9. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de
pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Zie
pagina 149 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de1 kogel regelmatig in.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in
het rode gebied uitslaat, dient u de auto te
stoppen en de motor enkele minuten stationair te laten draaien. De automatische versnellingsbak reageert met een ingebouwde
beveiligingsfunctie. Zie de melding op het
informatiedisplay. Bij oververhitting kan de
airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem. Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
Aanhangergewichten
Zie pagina 222 voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
06
1 Geldt
niet voor de trekhaak bij gebruik van
een kogelsegment met trillingsdemper.
131
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
Op een helling parkeren
1. Trek de handrem (parkeerrem) aan.
2. Zet de keuzehendel in de
parkeerstand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
2. Haal de auto van de handrem (parkeerrem).
Steile hellingen
06
132
• Kies bij het omhoog rijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Dieselmotor 1.6D met handbak, rijden
met een aanhanger
Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast
wordt, kunt u de koelventilator van de motor
laten vervangen door een exemplaar met een
grotere capaciteit. Informeer bij de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar de mogelijkheden
voor uw auto.
06 Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
N.B.
Aanhangerkabel
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de kofferbak.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment
zorgvuldig worden opgevolgd (zie
pagina 135).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig. Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
133
06 Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten
(mm)
06
134
A
B
C
D
E
F
G
852
98
100
140
130
113
150
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment monteren
– Verwijder de beschermkap.
– Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
– Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06
135
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
06
136
– Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
– Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
N.B.
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. Als het kogelsegment niet
goed zit, moet u het verwijderen en het opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B.
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging van de trekhaak worden
vastgemaakt.
06
137
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment verwijderen
– Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06
138
– Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
– Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het kogelsegment schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Duw de beschermkap erop.
06
139
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden. Het laadvermogen van de auto moet tevens worden verminderd met het gewicht van
het aantal inzittenden. Zie pagina 222 voor informatie over de toelaatbare gewichten.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in kofferbak
06
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto
in beweging komen.
U kunt de passagiersstoel/achterbank neerklappen en de hoofdsteunen verwijderen om
de kofferbak te verlengen (zie pagina 86).
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• U kunt de hoofdsteunen verwijderen om
beschadiging te voorkomen.
140
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding en het grote glazen oppervlak
van de achterklep te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een gewicht van 20 kg zich tijdens een frontale
botsing bij een snelheid van 50 km/h kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Als de lading boven de ruggedeelten uitsteekt, biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer of slechts in beperkte mate.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo voor uw auto ontwikkeld zijn.
Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Bij de juiste lichtbundel wordt ook
de berm beter verlicht.
Koplampen met halogeenlampen
Koplampen met Bi-Xenonlampen
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
WAARSCHUWING
06
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de lamp door een erkende
Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat
de Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn van
een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er voorzichtig
mee om te gaan.
141
Algemene informatie .......................................................................................... 144
Bandenspanning ................................................................................................ 148
Gevarendriehoek en reservewiel ........................................................................ 150
Wielen verwisselen ............................................................................................ 151
Provisorische bandenreparatie .......................................................................... 153
142
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip
op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het
verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De
band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat (zie pagina 148 voor
de positie ervan).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
16
91
W
Aanduiding voor radiaalbanden
Velgdiameter van de band (")
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast, in welk geval
u de band niet meer dient te gebruiken. Dit
geldt ook voor reservebanden, winterbanden
en banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
144
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan. De
letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 149). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd) na
5000 km en daarna om de 10.000 km. Monteer de banden met het diepste profiel altijd
op de achteras om het gevaar voor slippen te
verminderen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. Deze staan in de bandenspanningstabel (zie pagina 148 voor de
positie ervan). De bandenmaten zijn afhankelijk van het motortype. Gebruik altijd het juiste
type winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te
houden voor winterbanden.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor
modellen met vierwielaandrijving).
07
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is .
145
07 Wielen en banden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
Velgen en wielmoeren
BELANGRIJK
U moet de wielmoeren aanhalen met
90 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk
te herkennen aan de draaiende, conische
drukring.
07
Korte (1) en lange (2) wielmoer
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
aanbod aan originele accessoires van Volvo.
Er bestaan verschillende soorten wielmoeren
voor stalen en aluminium velgen. Haal de wielmoeren aan met 90 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
146
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielmoeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Compact reservewiel “Temporary
spare”
Zomer- en winterbanden
U mag het compacte reservewiel1 alleen gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is
om het normale wiel te repareren of te vervangen. Vervang het zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel. Het rijgedrag van de auto
kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel.
minder goed afvoeren. Monteer de banden
met het diepste profiel altijd op de achteras
(om het gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
1 Bepaalde
varianten en markten
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L
voor links, R voor rechts. Bij banden met een
speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer
de banden in een bepaalde richting draaien,
staat deze richting aangegeven met een pijl op
de zijkant van de band. Zorg dat de banden
altijd dezelfde draairichting hebben. Banden
mogen alleen van voor naar achter verwisseld
worden, nooit van links naar rechts of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt,
nemen de remeigenschappen van de auto af
en kunnen de banden regen, sneeuw en drab
07
147
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
• bandenspanning compact reservewiel
(Temporary spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
N.B.
07
Tel voor het maximale aantal inzittenden het
aantal zitplaatsen met een veiligheidsgordel.
Op de sticker staan:
• bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
148
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat daarom geen lucht uit de banden ontsnappen als u
de spanning controleert bij warme banden. Als
de spanning bij warme banden echter te laag
is, moet u de band harder oppompen. Onvoldoende opgepompte banden hebben een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel op pagina 149
voor meer informatie over de juiste bandenspanning. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa) Voorin (kPa) Achterin (kPa)
195/65 R15 91V
205/55 R16 91V/W
195/65 R15 91Q/T/H/V M+S
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
0 –160
230
210
250
250
160+
250
210
280
260
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
0–160
240
220
250
250
160 +
260
220
280
260
205/55 R16 91V/W
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
0–160
230
210
250
250
160+
250
210
280
260
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
0–160
240
220
250
250
160+
260
220
280
260
205/55 R16 91 V/W
205/55 R16 91Q/T/H/V M+S
0–160
230
210
250
250
160+
260
210
280
260
205/50 R17 93W Extra Load
215/45 R18 93W Extra Load
205/50 R17 93Q/T/H/V M+S Extra Load
0–160
240
220
250
250
160+
270
220
280
260
Alle
0–160
2501
2501
2501
2501
T125/85R16 99M
0 – 80
420
420
420
420
Type
Bandenmaat
1.6
1.8
1.8F
2.0
1.6D
2.4
2.4i
2.0D
T5
D5
Alle
Reservewiel
1Zie
2
07
pagina 148 voor de ECO-bandenspanning.
2Compact
reservewiel
149
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek1. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto
op om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
07
1. Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
2. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
na gebruik stevig in de kofferbak vastzit.
1 Bepaalde
150
markten
Reservewiel en krik
Originele krik
Gebruik de originele krik2 alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. U vindt het reservewiel
met krik en wielmoersleutel onder de vloer in
de kofferbak.
Reservewiel erbij nemen:
Het reservewiel zit vast met een doorloopbout.
2 Bepaalde
varianten en markten
– Klap de vloer in de kofferbak omhoog.
– Draai de bevestigingsbout los en til het wiel
eruit.
Reservewiel en krik, positie in
kofferbak:
– Wielmoersleutel.
– Krik en slinger, bevestigd met een spanband.
– Het reservewiel is met de velgzijde omlaag
met een doorloopbout bevestigd.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Zet de gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg
ervoor dat de auto en de krik op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
– Neem het reservewiel, de krik en de wielmoersleutel erbij die onder de mat in de
kofferbak liggen.
– Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
– Plaats wielblokken voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
– Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielmoersleutel of trek
hem met de hand los.
– Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
– Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Draai de voet van de
krik met de slinger zo ver omlaag dat de
voet plat tegen de grond aankomt. Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt
bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de
voet recht onder het steunpunt zit.
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
07
151
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
– Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel
niet meer ongehinderd kan draaien.
– Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het is
belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan met 90 Nm. Controleer
het aanhaalmoment met een momentsleutel.
– Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
07
152
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto of
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg staat.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
Auto’s die niet zijn uitgerust met een reservewiel, zijn in plaats daarvan voorzien van een
bandenreparatieset. De bandenreparatieset is
zowel te gebruiken om een lek te dichten als
de bandenspanning tijdelijk te corrigeren. De
bandenreparatieset bestaat uit een elektrische
luchtcompressor en een geïntegreerde spuitbus met afdichtmiddel.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de bandenreparatieset.
Provisorische bandenreparatieset
De bandenreparatieset1 is alleen bedoeld voor
tijdelijke noodreparaties, waarmee de auto
nog 200 km of naar de dichtstbijzijnde Volvowerkplaats gereden kan worden. Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in het loopvlak effectief af.
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum of het gebruik van de
bandenreparatieset.
1 Bepaalde
De houdbaarheidsdatum staat op de voorkant
van de compressor (zie afbeelding op
pagina 158).
Zie pagina 158 voor informatie over het vervangen van de spuitbus.
N.B.
07
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
varianten en markten
153
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de reparatieset te repareren die grote groeven, scheuren, oneffenheden en dergelijke vertonen.
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de kofferbak.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole en achterin bij de
achterbank.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan bij direct huidcontact
irritatie veroorzaken. Was bij huidcontact
het getroffen gebied onmiddellijk schoon
met water en zeep.
Bandenreparatieset erbij nemen
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
– Til de bandenreparatieset op.
07
154
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een band
langs een drukke weg moet oppompen.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0 staat
en haal de kabel (5) en de luchtslang (4) uit
het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een van de 12V-aansluitingen in de auto aan.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de vloer
in de kofferbak.
– De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans op
oververhitting aanwezig is.
– Met de compressor kunt u voorwerpen
oppompen met een inhoud tot 50 liter.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom
nooit draaien in ruimten die zijn afgesloten
of onvoldoende geventileerd zijn.
07
155
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
07
156
– Haal de sticker (1) met de toelaatbare maximumsnelheid uit de bandenreparatieset en
bevestig deze op het stuurwiel waar de
bestuurder hem duidelijk kan zien.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0 staat
en haal de kabel (5) en de luchtslang (4) uit
het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een van de 12V-aansluitingen in de auto aan.
– Maak de veiligheidspal (6) los en draai het
oranje gedeelte (7) 90 graden tot in de verticale stand, totdat u een klik hoort.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom
nooit draaien in ruimten die zijn afgesloten
of onvoldoende geventileerd zijn.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Er zal zich een tijdelijke
spanningsverhoging van maximaal 4 bar
voordoen, terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. één minuut
daalt de spanning en geeft de manometer
een nauwkeuriger bandenspanning aan.
– Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog steeds niet is opgelopen tot 1,8 bar, dient u de compressor uit
te schakelen om oververhitting te voorkomen.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke moet u de compressor onmiddellijk uitschakelen. Onder
zulke omstandigheden moet u de rit beëindigen. Neem contact op met een erkende
bandenreparateur.
– Koppel de luchtslang (4) van het ventiel los
en breng het ventieldopje weer aan. Haal
de kabel (5) uit de elektrische aansluiting.
Klap het oranje gedeelte (7) in de oorspronkelijke stand terug en zet de pal (6) vast.
Berg de bandenreparatieset op een veilige
plaats in de auto op.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het afdichtmiddel de band goed afdicht.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
Bandenspanning opnieuw controleren:
N.B.
Het oranje gedeelte (7) niet opklappen wanneer u alleen de compressor gebruikt voor
het bijvullen van lucht.
– Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band. Sluit de kabel (5) aan op
de 12V-aansluiting. Lees de spanning van
de compressor af. Als de bandenspanning
lager is dan 1,3 bar, is de band onvoldoende afgedicht. Onder zulke omstandigheden
moet u uw rit beëindigen. Neem contact op
met een bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel (zie pagina 148 voor de
positie). Als de bandenspanning te hoog is,
moet u lucht uit de band laten ontsnappen
met behulp van de reduceerklep (8).
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de vloer
in de kofferbak.
De compressor mag niet langer dan tien minuten achtereen werken. Laat de compressor
daarna afkoelen, omdat de kans op oververhitting aanwezig is.
N.B.
Vervang de spuitbus met afdichtmiddel en
de slang na gebruik.
07
157
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
07
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum (zie de
datumsticker (1)) of na het gebruik van de
bandenreparatieset. Na het gebruik dient u de
spuitbus (6) met de houder (8) en de
luchtslang (10) te vervangen.
U kunt de vervanging in een erkende Volvowerkplaats laten uitvoeren of dit zelf doen volgens de instructies.
158
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de spuitbus.
WAARSCHUWING
Zorg dat de compressor niet aangesloten is
op de 12V-aansluiting bij het vervangen van
de spuitbus.
Spuitbus vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Draai de spuitbus (6) los en verwijder deze.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de spuitbus
vast.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer of
de behuizing op de juiste manier vastzit en
draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
Behandel de vervangen spuitbus als klein
chemisch afval (KCA).
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer of
de behuizing op de juiste manier vastzit en
draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
De lege spuitbus en luchtslang zijn te behandelen als normaal afval.
Spuitbus en slang na gebruik vervangen
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Duw de knop (8) omlaag terwijl u de
spuitbus (6) met houder (9) rechtsom draait
en ze verwijdert.
– Trek de luchtslang (10) los.
– Veeg het resterende afdichtmiddel met een
doek af of gebruik een krabber als het
middel al enigszins ingedroogd is.
– Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
houder (9) op de spuitbus (6) vast en draai
deze linksom vast totdat u een klik hoort.
07
159
Schoonmaken .................................................................................................... 162
Lakschade herstellen ......................................................................................... 165
Roestwering ....................................................................................................... 166
160
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen
aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij
het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet rechtstreeks in de richting
van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Vogelpoep verwijderen
08
162
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen ver-
kleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te
herstellen door de vakman.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor
de remwerking afneemt.
BELANGRIJK
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter op dat een wasbeurt in een automatische
wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
goede wasbeurt met de hand, omdat de borstels van de wasstraat niet overal even goed
bij kunnen.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de Volvodealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
08 Verzorging
Schoonmaken
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met een speciaal voor autolak bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig
op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van het gebruik van
dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste zijruiten
met waterafstotende laag (optie)
schoonmaken
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het spiegel-/glasoppervlak,
omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende eigenschappen te behouden, wordt geadviseerd de behandeling te
vernieuwen met een nabehandelingsmiddel
dat verkrijgbaar is bij Volvo-dealers. Gebruik
het middel de eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur schoonmaken
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is voorzien van
een speciale laag die bescherming biedt tegen
vuil. Bij schoonmaak van het leer wordt de beschermende laag hersteld die door vet en vuil
werd aangetast. Er bestaat een complete serie
verzorgingsproducten voor leren bekleding.
Volvo biedt een leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en
de beschermende laag kunt herstellen.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
08
163
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Voor het beste resultaat adviseert Volvo de
beschermende crème twee- tot viermaal per
jaar op te brengen.
Vraag bij de Volvo-dealer naar het leerverzorgingsproduct van Volvo.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng wat van het leerreinigingsproduct op
een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op leren bekleding
08
164
– Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
– Laat het leer vervolgens 20 minuten drogen
alvorens erop plaats te nemen.
– Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en voorzien van een uv-filter.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat verkrijgbaar is
bij de Volvo-dealer. Krab of wrijf nooit over
een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
tacte laklaag over is, volstaat het om na verwijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Typeplaatje
Benodigdheden
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt. De kleurcode (1) staat op het typeplaatje (zie pagina 220).
•
•
•
•
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
– Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
08
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een in-
165
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto aan een nabehandeling toe is.
08
166
08 Verzorging
08
167
Volvo Service ..................................................................................................... 170
Onderhoud ......................................................................................................... 171
Motorkap en motorruimte .................................................................................. 172
Dieselolie ........................................................................................................... 173
Oliën en vloeistoffen .......................................................................................... 174
Wisserbladen ..................................................................................................... 178
Accu ................................................................................................................... 179
Gloeilampen vervangen ..................................................................................... 181
Zekeringen ......................................................................................................... 187
168
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, dient u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo op te
volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Laat service- en reparatiewerkzaamheden door een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvowerkplaatsen beschikken over het personeel,
het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
170
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan
het elektrische systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de
elektronische systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen een of meer computers op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de
veiligheidsgordel door de bestuurder en de
passagier(s), gegevens over de werking van
verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder, met inbegrip
van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid, het
gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de rechter gedwongen
worden om bepaalde informatie te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen Volvo Car
Corporation en de erkende Volvo-werkplaatsen de informatie kunnen uitlezen en gebruiken.
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Alvorens met de werkzaamheden te
beginnen
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt. Neem hiervoor contact op met uw Volvo-dealer.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Schakel daarom altijd het contact uit bij
werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact is aangezet of als de motor
warm is.
09
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
171
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
Motorkap openen:
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep helemaal links onder het dashboard (of helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). Het is duidelijk te horen dat de
vergrendeling wordt opgeheven.
– Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
– Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte
1. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(4-cil.) Afbeelding iets bijgesneden
2. Expansiereservoir voor koelsysteem
3. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
4. Peilstok voor motorolie1
5. Radiateur
1 Afhankelijk
172
van het motortype.
6. Koelventilator
7. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(5-cil.)
8. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur rechts)
9. Vulopening voor motorolie1
10. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur links)
11. Accu
12. Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
13. Luchtfilter 1
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen. De
grote oliemaatschappijen produceren speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden gedekt
door de garanties van Volvo.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
09
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
173
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
Olie verversen en oliefilter vervangen
Volvo adviseert olieproducten van
. Houd voor het verversen van de
olie en het vervangen van het oliefilter de intervallen aan die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Peilstok, benzinemotoren
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in
de motorruimte vermeldt (zie pagina 226).
174
Peilstok, dieselmotoren
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact. Om
de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-dealer.
Peil controleren
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft
aan bij welke kilometerstand u de olie moet
verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het
MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op
de peilstok ligt. Zie pagina 226–227 voor de
aan te houden hoeveelheid.
09
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10–
15 minuten zodat de olie naar het carter
terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen.
Vul bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie pagina 226–227 voor de aan te
houden hoeveelheid.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
175
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Zie pagina 230 voor de hoeveelheden.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade (scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot
onder het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
– Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen
– Vulopening op vijfcilindermodellen
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest. Zie pagina 231
voor de hoeveelheden.
N.B.
Meng het antivries met water voordat u
koelvloeistof bijvult.
176
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende
weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit
alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is als wanneer deze
te hoog is.
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35 °C.
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Rem- en koppelingsvloeistof controleren en bijvullen
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
dient u de remvloeistof ieder jaar te
verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN -streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Het rem- en koppelingssysteem maken gebruik van vloeistof uit hetzelfde reservoir1. De
vloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan. Controleer het peil regelmatig.
Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
09
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren en bijvullen
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Zie
pagina 231 voor de hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
Zie pagina 231 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
1 Positie
verschilt op auto’s met het stuur links
of rechts
177
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
Wisserbladen vervangen
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
– Klap de wisserarm omhoog.
– Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
– Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
– Controleer (3) of het blad goed vastzit.
– Klap de wisserarm omlaag.
178
Wisserbladen vervangen, achterklep
– Klap de wisserarm uit.
– Trek het wisserblad los door het recht uit
de wisserarm te trekken.
– Duw het nieuwe wisserblad vast. Controleer of het goed vastzit.
– Klap de wisserarm terug.
09 Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
09
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren
morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur
in uw ogen krijgt.
N.B.
Er kunnen twee soorten accu’s op de auto zitten.
De soorten zijn volledig uitwisselbaar.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
BELANGRIJK
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
Om de accu in optimale staat te houden:
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
• Controleer regelmatig of het accuvloeistofpeil in orde is (A) en vul nooit meer bij dan
tot aan het peilstreepje.
• Controleer alle cellen. Verwijder de celdoppen (of het deksel) met een schroevendraaier.
• Vul zo nodig bij met gedestilleerd water tot
aan het MAX-streepje.
• Breng de celdoppen (of het deksel) op de
juiste manier weer aan.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
179
09 Onderhoud en service
09
Accu
Symbolen op de accu
Explosiegevaar.
Accu vervangen
Draag een veiligheidsbril.
Accu verwijderen
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
– Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regeleenheden).
– Verwijder de afdekking.
– Koppel de minkabel los.
– Koppel de pluskabel los.
– Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
– Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
– Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
180
– Til de accu op zijn plaats.
– Breng de klem aan waarmee de accu vastzit.
– Plaats het voorpaneel van de accubak terug.
– Sluit de pluskabel aan.
– Sluit de minkabel aan.
– Breng de afdekking op de accu aan.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 236 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
09
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn:
• interieurverlichting aan het plafond
• leeslampjes en verlichting dashboardkastje
• richtingaanwijzers, buitenspiegels en Approach-verlichting
• derde remlicht
• Bi-Xenonkoplampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de xenonlamp door een erkende Volvo-werkplaats laten vervangen.
Omdat de Bi-Xenonkoplampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve die voor het dimlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
Lamphuis losmaken:
– Neem de contactsleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
– Trek de borgpen (1) van het lamphuis omhoog.
– Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren (2) .
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
– Koppel de connector los door de clip met
uw duim (3) in te drukken en tegelijkertijd
met uw andere hand de connector (4) los te
halen.
– Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Lamphuis aanbrengen:
– Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
– Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de contactsleutel in het contactslot steekt.
181
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Dimlicht
182
Groot licht
Afdekking en gloeilamp vervangen
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
– Haal het lamphuis in zijn geheel los.
– Haal de borgklemmen opzij en verwijder
afdekking.
– Koppel de connector van de gloeilamp los.
– Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar links
zodat hij loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten.
– Plaats het lamphuis terug.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
– Duw de veerklem omhoog en iets naar
rechts, zodat deze in positie vastklikt.
– Duw de connector in positie terug.
– Plaats de kunststof afdekking terug.
– Plaats het lamphuis terug.
– Haal het lamphuis in zijn geheel los.
– Linker koplamp:
draai de lamphouder linksom.
Rechter koplamp:
draai de lamphouder rechtsom.
– Trek de lamphouder naar buiten toe en
vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
– Plaats het lamphuis terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
– Trek de lamphouder met een tang naar
buiten. Trek de lamphouder niet aan de
kabel naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Duw de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Richtingaanwijzers
Zijmarkeringslicht
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
– Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
– Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier aanbrengen.
09
183
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder het paneel dat om het lamphuis
zit.
– Draai beide torx-boutjes uit het lamphuis
los en neem het lamphuis eruit.
– Koppel de connector van de gloeilamp los.
– Draai de gloeilamp linksom en trek deze
naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
– Sluit de connector op de gloeilamp aan.
– Zet het lamphuis met de boutjes vast en
duw het paneel terug.
184
Lamphouder achterlamphuis
verwijderen
– Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn
via de kofferbak te vervangen. Schakel alle
lichten uit en draai de contactsleutel naar
stand 0.
– Open het luikje (A of B) rechts/links in de
bekleding om toegang tot de lampen te
krijgen. De gloeilampen zitten in afzonderlijke lamphouders.
– Koppel de connector van de lamphouder
los.
– Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder naar buiten.
– Vervang de gloeilamp en sluit de connector
aan. Duw de lamphouder in positie en
plaats het luikje (A of B) terug.
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
Lamphouder
N.B.
Als de foutmelding STORING LAMPJE/
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
1. Remlicht
2. Achterlicht/parkeerlicht en mistachterlicht
3. Stadslichten vóór en achterlichten
4. Richtingaanwijzer
5. Achteruitrijlicht
6. Stadslichten vóór en achterlichten
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Kentekenplaatverlichting
Reflector
Instapverlichting
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
– Haal het glas voorzichtig los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats het glas terug en schroef het vast.
De reflector wordt met clips in positie gehouden. U kunt hem slechts op één manier aanbrengen.
– De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat de lens
loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats de lens terug.
09
185
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Kofferbak
Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis
loskomt.
Kofferbakverlichting
De kofferbakverlichting bestaat ook uit een
lampje links in de kofferbak.
– Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat de lens
loskomt.
– Koppel de connector van de lamphouder
los.
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas verwijderen:
– Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas om het
borgnokje aan de rand voorzichtig los te
werken.
– Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als de rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen) en wrik voorzichtig,
zodat het glas aan de onderkant loskomt.
– Maak het spiegelglas voorzichtig los en verwijder het compleet met afdekklep.
Spiegelglas aanbrengen:
– Duw eerst de drie borgnokjes aan de bovenkant van het spiegelglas weer terug en
duw daarna de onderste drie vast.
186
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
09
toont. Bezoek in dat geval een erkende Volvowerkplaats voor een controle.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
• Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een
aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat
het bijbehorende onderdeel een storing ver-
187
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het kastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let
erop dat u een doorgebrande zekering altijd
vervangt door een nieuwe zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• 19 —36 zijn van type “MiniFuse”.
• 7—18 zijn van het type “JCASE” en moeten
worden vervangen door een erkende
Volvo-werkplaats.
• 1—6 zijn van het type “Midi Fuse” en
moeten worden vervangen door een erkende Volvo-werkplaats.
188
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
1. Koelventilator .............................................................................. 50 A
2. Stuurbekrachtiging (niet 1,6 litermotor) ................................ 80 A
3. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................................................. 60 A
4. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................................................. 60 A
5. Element klimaatregeling, extra verwarming PTC (optie) ........ 80 A
6. Gloeibougies (4-cil. diesel) ................................................... 60 A
Gloeibougies (5-cil. diesel) ................................................... 70 A
7. ABS-pomp ........................................................................... 30 A
8. ABS-ventielen ...................................................................... 20 A
9. Motorfuncties ....................................................................... 30 A
10. Ventilator klimaatregeling ..................................................... 40 A
09
12. Voeding voor elektrische achterruitverwarming .................... 30 A
13. Relais startmotor ................................................................. 30 A
14. Bedrading aanhanger........................................................... 40 A
15. Reservepositie ........................................................................... 16. Voeding voor infotainment ................................................... 30 A
17. Ruitenwissers ...................................................................... 30 A
18. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte.............................................................. 40 A
19. Reservepositie ........................................................................... 20. Claxon ................................................................................. 15 A
21. Standverwarming op brandstof, interieurverwarming ........... 20 A
22. Reservepositie ........................................................................... -
11. Koplampsproeiers ................................................................ 20 A
189
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
23. Regeleenheid motor ECM (5-cil. benzine)
transmissie (TCM) ................................................................ 10 A
24. Elektrisch verwarmd brandstoffilter,
PTC-element olievanger (5-cil. diesel) .................................. 20 A
25. Reservepositie .......................................................................... 26. Contactslot .......................................................................... 15 A
27. Compressor voor airconditioning ......................................... 10 A
28. Reservepositie .......................................................................... 29. Mistlampen vóór, ................................................................. 15 A
30. Regeleenheid motor ECM (1,6 l benzine, 2,0 l diesel) ..............3 A
31. Spanningsregelaar dynamo 4-cil. ......................................... 10 A
32. Injectoren (5-cil. benzine), lambdasonde (4-cil. benzine),
intercooler (4-cil. diesel), luchtmassameter
en turboregeling (5-cil. diesel) .............................................. 10 A
33. Lambdasonde en vacuümpomp (5-cil. benzine),
regeleenheid motor (5-cil. diesel),
dieselfilterverwarming (4-cil. diesel) ...................................... 20 A
34. Bobines (benzine), injectoren (1,6 l benzine),
brandstofpomp (4-cil. diesel), drukschakelaar
klimaatregeling (5-cil.), gloeibougies
en uitlaatgasreiniging EGR (5-cil. diesel) ............................... 10 A
35. Motorsensor voor kleppen, relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger (5-cil. benzine), regeleenheid
motor ECM (5-cil. diesel), koolstoffilter (benzine),
injectoren (1,8/2,0 l benzine), MAF luchtmassameter
(5-cil. benzine, 4-cil. diesel), turboregeling (4-cil. diesel),
drukverklikker stuurbekrachtiging (1,6 l benzine),
uitlaatgasreiniging EGR (4-cil. diesel) ................................... 15 A
36. Regeleenheid motor ECM (niet 5-cil. diesel),
gaspedaalsensor, lambdasonde (5-cil. diesel) ...................... 10 A
190
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte
Het kastje biedt plaats aan 50 zekeringen. De
zekeringen zitten onder het dashboardkastje.
Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In het relais- en zekeringenkastje in
de motorruimte vindt u een speciale trekker
waarmee u de zekeringen kunt vervangen (zie
pagina 188).
Zekering vervangen:
– Verwijder de interieurbekleding die het zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1)
ca. één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
– Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom totdat ze los zijn.
– Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
– Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
– Trek de middelste pen volledig uit de bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de bekleding vast komt te zitten.
191
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
37. Reservepositie .......................................................................... 38. Reservepositie .......................................................................... 39. Reservepositie .......................................................................... 40. Reservepositie .......................................................................... 41. Reservepositie .......................................................................... 42. Reservepositie .......................................................................... 43. Telefoon, audiosysteem, RTI (optie)...................................... 15 A
44. SRS-systeem ....................................................................... 10 A
45. Elektrische aansluiting ......................................................... 15 A
46. Verlichting passagiersruimte, verlichting dashboardkastje
en instapverlichting ................................................................5 A
47. Interieurverlichting .................................................................5 A
48. Sproeiers, achterruitwissers ................................................. 15 A
192
49. SRS-systeem ....................................................................... 10 A
50. Reservepositie ........................................................................... 51. Parkeerhulp, extra verwarming voor interieur,
Bi-Xenon (optie) ................................................................... 10 A
52. Regeleenheid transmissie (TCM), ABS-systeem ..................... 5 A
53. Stuurbekrachtiging .............................................................. 10 A
54. Regeleenheid motor ECM (5-cil.) .......................................... 10 A
55. Afstandsbediening regeleenheid, regeleenheid
Keyless drive ....................................................................... 20 A
56. Regeleenheid sirene ............................................................ 10 A
57. Diagnoseaansluiting, remlichtschakelaar ............................. 15 A
58. Groot licht rechts, relaisspoel verstralers ............................ 7,5 A
59. Groot licht links................................................................... 7,5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
60. Stoelverwarming bestuurderszijde ....................................... 15 A
61. Stoelverwarming passagierszijde ......................................... 15 A
62. Schuifdak ............................................................................ 20 A
63. Reservepositie .......................................................................... 64. Audiosysteem, RTI (optie) ......................................................5 A
65. Infotainment ...........................................................................5 A
66. Regeleenheid voor infotainment (ICM), klimaatregeling ........ 10 A
67. Reservepositie .......................................................................... 68. Cruise control ........................................................................5 A
69. Klimaatregeling, regensensor .................................................5 A
70. Reservepositie .......................................................................... 71. Reservepositie .......................................................................... 72. Reservepositie .......................................................................... 73. Schuifdak, console voor interieurverlichting (OHC),
gordelwaarschuwing achterin, autodimfunctie spiegel............5 A
09
85. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ............................... 25 A
86. Interieurverlichting, bagageruimteverlichting,
elektrisch bedienbare stoelen, brandstofmeter (1.8F) ............. 5 A
74. Relais brandstofpomp .......................................................... 15 A
75. Reservepositie .......................................................................... 76. Reservepositie .......................................................................... 77. Reservepositie .......................................................................... 78. Reservepositie .......................................................................... 79. Achteruitrijlicht .......................................................................5 A
80. Reservepositie .......................................................................... 81. Reservepositie .......................................................................... 82. Voeding rechterportier ......................................................... 25 A
83. Voeding linkerportier ............................................................ 25 A
84. Elektrisch bedienbare passagiersstoel ................................. 25 A
193
Algemene informatie .......................................................................................... 196
Audiofuncties ..................................................................................................... 197
Radiofuncties ..................................................................................................... 199
Cd-functies ........................................................................................................203
Menusysteem – audiosysteem ..........................................................................205
Telefoonfuncties (optie) ......................................................................................206
Menusysteem – telefoon .................................................................................... 213
194
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
10
audiosysteem ingeschakeld totdat u de sleutel
uit het contactslot neemt. De volgende keer
dat u de sleutel naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
Menufuncties
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio-1 en telefoonfuncties. Het Infotainmentsysteem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset1 op het
stuurwiel (zie pagina 54). Op het display (2)
verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
Audiosysteem
Aan/uit
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de contactsleutel naar stand 0 draait, blijft het
1 Optie
196
• Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Performance, High Performance en Premium
Sound. Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust
met AM/FM-radio met RDS en een cd-speler.
Dolby Surround Pro Logic II
Dolby Surround Pro Logic II2 verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert een realistischer geluidsweergave op dan
bij normale tweekanaals stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-symbool zijn handelsmerken
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Het Dolby Surround
Pro Logic II System is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de
toetsenset (3).
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen. De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
2 Premium
Sound
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door. Bij
herhaalde malen indrukken van MODE loopt u
de standen CD en AUX door.
AUX1
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUX-ingang aan te sluiten.
1.
2.
3.
4.
5.
10
Soms wijkt het volume waarop de externe geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het ingangsvolume van de externe geluidsbron aan
te passen:
– Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar AUX volume en druk op ENTER.
– Draai aan TUNING of druk op pijl-rechts/
pijl-links van de navigatieknop.
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE – Geluidsbron kiezen, CD/AUX
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Audio-instellingen
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm
stuurwiel om het volume te regelen (zie
pagina 54). Het geluidsvolume wordt automatisch afgestemd op de snelheid van de auto
(zie pagina 198).
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op de knop SOUND kunt u
de onderstaande opties doorlopen. U stelt de
opties in door aan TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE – Niveau van de hoge tonen.
1 High
Performance en Premium Sound.
197
10 Infotainment
Audiofuncties
10
• FADER – Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
• BALANS – Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
• MIDDEN 1 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of Pro
Logic II moet zijn ingeschakeld om het
niveau bij te kunnen regelen
(zie pagina198).
• SURROUND 1 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Pro Logic II moet
zijn ingeschakeld om het niveau bij te kunnen regelen (zie pagina198).
Surround
1
De Surround-instellingen zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van
de geluidsweergave. De instellingen
en activering/deactivering ervan
worden voor elk van de geluidsbronnen apart
vastgelegd.
Het Dolby-symbool op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic II actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
• Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals
Surround-functie activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Surround FM/AM/CD/AUX en
druk op ENTER.
– Ga naar Pro Logic II2, 3-kanaals of Uit en
druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter
Met de equalizer3 kunt u de geluidsweergave
vóór en achter apart bijregelen.
Equalizer bijregelen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Equalizer voor of
Equalizer achter en druk op ENTER.
– De balken op het display geven het geluidsniveau van de verschillende frequenties
aan.
– Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omlaag/pijl-omhoog van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
– Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
2 Niet
1 Premium
198
Sound
Automatische volumeregeling
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen 4: Laag, Medium en
Hoog.
Automatische volumeregeling instellen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Automatische volumeregeling en
druk op ENTER.
– Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
beschikbaar in de standen AM en FM.
3 Bepaalde
systeemuitvoeringen
4 Uitgezonderd
Performance Sound.
10 Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
1. FM/AM – Frequentieband kiezen
2. Voorkeurtoetsen
3. TUNING – Draaiknop voor het zoeken
van zenders
4. SCAN – Scannen
5. Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
6. EXIT – Actieve functie beëindigen
7. AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Zenders zoeken
Automatisch zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
– Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts van
de navigatieknop (5).
Handmatig zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Automatisch voorkeurzenders vastleggen
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvan-
– Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
Het is ook mogelijk een zender op te slaan
door lang op de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop te drukken of via de toetsenset
op het stuurwiel:
gen radiozenders opzoeken en ze automatisch vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze functie is met name handig in gebieden, waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
– Houd de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door de pijl-links of
pijl-rechts van de navigatieknop (5) kort in te
drukken.
Voorkeurzenders vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en
FM2. U kiest een voorkeurzender met de
voorkeurtoetsen (2) of met de toetsenset op
het stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
– Stem af op een zender.
– Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
10
Automatische vastlegfunctie starten
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
– Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de
melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn
vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen (2).
Automatische vastlegfunctie beëindigen
– Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
– Druk kort op AUTO (7).
De tekst Auto verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets (2).
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u de toetsen AUTO (7), EXIT (6) of AM/
FM (1) korte tijd indrukt.
199
10 Infotainment
Radiofuncties
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders opslaan in andere geheugenbank
10
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de geheugenbanken voor FM of AM.
– Druk kort op de toets AUTO (7).
De tekst Auto verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets.
– Druk op de voorkeurtoets waaraan u de
voorkeurzender wilt koppelen en houd de
toets ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De radio verlaat de automatische stand waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Scannen
De functie SCAN (4) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
– Kies de frequentieband met AM/FM.
– Druk op SCAN om de functie te activeren.
De melding SCAN verschijnt op het display.
Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Terwijl de functie Scan actief is, kunt u een gevonden zender als voorkeurzender vastleggen.
200
– Druk op een voorkeurtoets en houd deze
ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De Scan-functie wordt beëindigd waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
RDS-functies
Radio Data System – RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder
meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken. Als er een zender met het gewenste programmatype is gevonden, kan de radio vervolgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbro-
ken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf bepaald volume (zie pagina 202). Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het volume dat u daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM!),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste. Zie EON en REG op
pagina 202 voor meer informatie over het onderbreken van uitzendingen. U kunt van programmafunctie veranderen via het menusysteem (zie pagina 196).
Weergave van onderbroken geluidsbron
hervatten
Druk op EXIT om de weergave van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk
onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzen-
10 Infotainment
Radiofuncties
ding met verkeersinformatie via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De
tekst TP geeft aan dat de functie actief is. Als
de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, staat er
op
het display.
TP activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of via
alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
– Ga naar TP-zender en druk op ENTER.
Een van de meldingen TP van deze zender of
TP van alle zenders verschijnt op het display.
– Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
– Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De
tekst NEWS geeft aan dat de functie actief is.
Nieuws activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Nieuwszender en druk op ENTER.
Een van de meldingen
Nieuws van deze zender of
Nieuws van alle zenders verschijnt op het
display.
– Druk op ENTER.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. De melding PTY geeft
aan dat de functie actief is. Bij activering van
deze functie wordt de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een uitzending
van het gekozen programmatype via het RDSnetwerk van de zender waarop is afgestemd.
10
PTY activeren/deactiveren
Kies FM1 of FM2 met de toets FM/AM.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar PTY en druk op ENTER.
Ga naar PTY selecteren en druk op ENTER.
Er verschijnt een lijst met programmatypes:
Actualiteit, Informatie enz. U activeert de
functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de functie door alle PTY’s
te wissen.
– U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY’s wissen.
–
–
–
–
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen
van het gekozen programmatype.
– Activeer de functie PTY.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
201
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| om te zoeken op het display. Met een druk
op de pijl-rechts van de navigatieknop wordt
verder gezocht naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
AF activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar AF en druk op ENTER.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY weergeven en druk op ENTER.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op
het display worden weergegeven.
Radiotekst activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal voor
202
een bepaalde radiozender. Soms moet de radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de melding PI
zoeken Exit = annuleren op het display.
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst REG op het display geeft aan dat de functie actief is. De functie
REG is normaal gesproken uitgeschakeld.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij is.
• Afstand 1 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar EON en druk op ENTER.
– Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en druk
op ENTER.
RDS-functies resetten
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Reset alles en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
Volumeregeling programmatypes
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radiozender bepalend voor de vraag of de weergave
van de actieve geluidsbron kan worden onderbroken voor uitzendingen van een bepaald
programmatype.
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
REG activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
1
Default/Fabrieksinstelling
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
systeem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de cd-wisselaarstand met MODE en selecteer een cd
met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de pijlomhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
1. Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, nummer selecteren en navigeren in
menusysteem
2. Positie in cd-wisselaar kiezen 1
3. Cd aanbrengen en uitwerpen
4. Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
5. MODE – Geluidsbron selecteren (CD of
AUX)2
6. TUNING – Draaiknop voor het kiezen
van een nummer
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audio1
Optie
2
High Performance en Premium Sound
– Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
1–6 of met de pijl-omlaag/pijl-omhoog
van de navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding Disc plaatsen geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
– Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disk uit te nemen. Als de disk na afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
wordt de disk weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle disks uitwerpen. Alle disks in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst Werp uit alles.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler onderbroken. Bij het verhogen van het volume
wordt er weer verder gespeeld.
10
Muziekbestanden2
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de disk automatisch geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de disk kan het enige tijd duren voordat de disk wordt afgespeeld.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Navigeren en afspelen
Als er een disk met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en mappen
met
. Met een druk op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld,
wordt er automatisch van map gewisseld.
203
10 Infotainment
Cd-functies
10
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het muziekbestand in zijn geheel weer te geven.
Druk kort op pijl-links/pijl-rechts van de navigatietoets om cd-nummers/muziekbestanden
te selecteren. Druk lang om cd-nummers/muziekbestanden vooruit/achteruit te spoelen. U
kunt daarvoor ook gebruik maken van de knop
TUNING (of de toetsenset op het stuurwiel).
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
• RANDOM houdt in dat de nummers/muziekbestanden op slechts één van de muziek-cd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle nummers/muziekbestanden op alle muziek-cd’s in de
cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de muziekbestanden in een willekeurige map op
de gekozen cd worden afgespeeld.
Cd doorzoeken
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Bij activering van deze functie worden van ieder nummer/muziekbestand op een cd de eerste tien seconden weergegeven. Druk op
SCAN om de functie te activeren. Beëindig de
functie met EXIT of SCAN om de weergave
van het actuele cd-nummer/muziekbestand
voort te zetten.
– Tijdens het afspelen van een normale muziek-cd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Folder of Disc en druk op ENTER.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
nummer en muziekbestand wisselen
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de nummers/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
nummers/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuw willekeurig nummer
op de afgespeelde cd geselecteerd.
204
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Folder en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de
functie gedeactiveerd.
Disctekst
Eventuele titelgegevens op de cd kunnen via
het display worden weergegeven1.
Activeren/deactiveren
– Start de weergave van een cd.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
BELANGRIJK
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met
een diameter van 12 cm). Gebruik geen
cd’s met een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket
losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
1
Geldt alleen voor de cd-wisselaar.
10 Infotainment
Menusysteem –audiosysteem
Menu FM
1. Nieuws
2. TP
3. PTY
4. Radiotekst
5. Geavanc. radio-instellingen
2. Nieuws
3. TP
4. Audio-instellingen1
10
6. Audio-instellingen1
Menu AM
1. Audio-instellingen1
Menu CD
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Disctekst
5. Audio-instellingen1
Menu cd-wisselaar
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Disctekst
5. Audio-instellingen1
Menu AUX
1. AUX-volume
1 Bepaalde
systeemuitvoeringen
205
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
206
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Onderdelen van het telefoonsysteem
1. Antenne
2. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset kunt u de meeste functies
van het telefoonsysteem regelen (zie
pagina 208).
3. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel
geïntegreerd.
4. Bedieningspaneel op middenconsole
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies
van het telefoonsysteem (behalve het gespreksvolume) regelen.
5. Handset (optie op bepaalde markten)
6. Simkaartlezer
Algemene informatie
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het telefoonsysteem uit voordat u
gaat tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Simkaart
10
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
Noodoproep doen
– Activeer het telefoonsysteem.
– Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op ENTER.
IDIS
(Intelligent Driver Information System) Met het
IDIS-systeem kunt u een vertraging inbouwen
voor telefoongesprekken en sms-berichten,
zodat u zich op het rijden kunt concentreren.
Inkomende gesprekken en sms-berichten
kunnen vijf seconden worden vertraagd, voordat er verbinding tot stand wordt gebracht. De
gemiste gesprekken verschijnen op het display. IDIS kan worden uitgeschakeld met menufunctie 5.6.2 (zie pagina 214).
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). Kaarten zijn verkrijgbaar bij verschillende providers. Neem bij problemen met de simkaart contact op met de
netwerkprovider.
Twee simkaarten
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Simkaart aanbrengen
– Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
207
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
– Trek de simkaarthouder (1) uit de simkaartlezer.
– Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
– Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
Bediening telefoon
Toetsenset op stuurwiel
Menufuncties
Op pagina 196 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het menusysteem kunt sturen.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn bepaalde delen
van het menusysteem voor de telefoon niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
U kunt een begonnen activiteit in het menusysteem echter nog wel beëindigen. Deze
snelheidsbegrenzing kan worden opgeheven
met de menufunctie 5.6.1 Menuvergrend. (zie
pagina 213).
208
Bedieningspaneel op middenconsole
1. VOLUME – Het achtergrondvolume van
de radio e.d. regelen tijdens een gesprek
2. Cijfer- en lettertoetsen
3. MENU – Hoofdmenu openen
4. EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen
5. Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
6. ENTER – Gesprekken aannemen, telefoon activeren die stand-by staat
7. PHONE – Aan/uit en stand-by
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst de telefoon stand-by zetten.
1. ENTER – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
2. EXIT – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
3. Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
4. Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, staat er een hoorn op het display. Als u de contactsleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem de
volgende keer dat u de contactsleutel naar
stand I of II draait, opnieuw actief zijn of
stand-by staan.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
– Druk op PHONE.
– Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
Telefoonsysteem deactiveren
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is kunt u geen gesprekken beantwoorden.
– Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon geactiveerd is.
Stand-by
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem
te beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk zelf te bellen.
Telefoon stand-by zetten
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
– Druk op PHONE of op EXIT.
Activeren vanuit stand-by
– Druk op PHONE.
Gespreksfuncties
Als de handset is opgenomen bij het begin
van een telefoongesprek, zal het geluid via de
handsfree worden weergegeven. Zie
pagina 212 voor het wisselen tussen handset
en handsfree.
Bellen
– Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
– Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 212).
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze te
kunnen opnemen.
Gesprekken aannemen
Zie menu-optie 4.3 op pagina 213 voor het
automatisch aannemen.
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze te
kunnen opnemen.
Gesprekken weigeren
– Druk op EXIT.
10
Wisselgesprek
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt de tekst Antwoorden?. U kunt het tweede gesprek op de gebruikelijke manier weigeren of aannemen. Als
u het tweede gesprek aanneemt, wordt het
eerste gesprek in de wacht gezet.
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
– Druk op MENU.
– Ga naar Wacht of Wacht uit en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
– Zet het eerste gesprek in de wacht.
– Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
– Druk op MENU.
– Ga naar Swap en druk op ENTER.
Telefonische vergadering starten
Gesprekken beëindigen
– Druk op EXIT of leg de handset op.
Bij een telefonische vergadering kunnen minstens drie gesprekspartners met elkaar pra-
209
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
ten. Wanneer een telefonische vergadering
eenmaal gestart is, kunnen er geen nieuwe
gesprekspartners worden aangesloten. Bij het
afsluiten van een telefonische vergadering
worden alle lopende gesprekken beëindigd.
– Begin twee telefoongesprekken.
– Druk op MENU.
– Ga naar Koppelen en druk op ENTER.
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van de
middenluidspreker1.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Bij gebruik van de handset
kunt u het gespreksvolume
regelen met een draaiknop
op de zijkant van de handset.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na afloop van het gesprek speelt het audiosysteem
op het oude volume verder. Als u het volume
van het audiosysteem bijregelt tijdens het ge1 Premium
210
Sound
sprek, speelt het audiosysteem na afloop van
het gesprek op het nieuwe volume verder. Het
is ook mogelijk om het geluid van het audiosysteem bij telefoongesprekken automatisch
uit te zetten (zie menu 5.5.3 op pagina 214).
Deze mogelijkheid geldt alleen voor het geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
1
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
2
abc2äåàæç
3
def3èé
4
ghi4ì
5
jkl5
6
mno6ñöòØ
Tekst invoeren
7
pqrs7ß
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
8
tuv8üù
9
wxyz9
– Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
– Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken op
de toets in te voeren moet u op * drukken of
enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT
wist u alle ingevoerde tekens.
*
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+0@*#&$£/%
#
wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Nummerfuncties
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
– Druk op ENTER.
– Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek de contactgegevens bevat van de persoon die belt, verschijnen deze
op het display. Contactgegevens kunnen op
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
de simkaart en in het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contactgegevens vastleggen in telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Nieuwe invoer en druk op ENTER.
– Voer een naam in en druk op ENTER.
– Voer een nummer in en druk op ENTER.
– Ga naar SIM-kaart of Telefoon en druk op
ENTER.
Contactgegevens zoeken in telefoonboek
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets MENU,
gaat u rechtstreeks naar het menu Zoeken
naar.
Druk op MENU.
Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
–
–
–
–
Kopiëren tussen simkaart en telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Alles kopie en druk op ENTER.
– Ga naar SIM naar tel of Tel naar SIM en
druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
– Ga naar Verwijderen en druk op ENTER.
Alle posten wissen
– Druk op MENU.
– Ga naar One-key bell. en druk op ENTER.
– Ga naar Nummer kiezen en druk op ENTER.
– Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
– Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem
te verlaten.
10
Verkort kiezen
– Houd de gewenste toets van de toetsenset
ca. twee seconden lang ingedrukt of druk
kort op de toets gevolgd door ENTER.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
– Ga naar SIM wissen of Wis telefoon en
druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
Verkort kiezen
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1– 9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
211
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
N.B.
10
Na inschakeling van de telefoon duurt het
enkele seconden, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
One-key bell. in het menu Telefoonboek (zie
pagina 215) geactiveerd zijn.
Bellen via telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op ENTER.
Alle posten in het telefoonboek worden weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een deel van de naam van
de post in te voeren die u zoekt.
– Ga naar een post en druk op ENTER.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies
zijn alleen te activeren als een gesprek in de
wacht staat.
Druk op MENU om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
212
• Mute/Mute uit – Ruggespraakstand
• Wacht/Wacht uit – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten
• Handsfree/Handset – Handsfree of handset gebruiken
• Telefoonboek – Telefoonboek weergeven
• Koppelen – Telefonische vergadering voeren (mogelijk bij aansluiting van minimaal
drie partijen)
• Swap – Wisselen tussen twee gesprekken
(mogelijk bij aansluiting van maximaal drie
partijen)
Sms (Short Message Service)
– Schrijf de tekst en druk op ENTER.
– Ga naar Menu en druk op ENTER.
– Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IMEI-nummer
Om de telefoon te kunnen blokkeren moet u
het IMEI-nummer van de telefoon aan uw provider hebben doorgegeven. Dit nummer is een
serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de
telefoon geprogrammeerd is. Toets *#06# op
uw telefoon in om het nummer op het display
te zien. Noteer dit nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
Specificaties
Sms lezen
– Druk op MENU.
– Ga naar Berichten en druk op ENTER.
– Ga naar Lezen en druk op ENTER.
– Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. U krijgt andere opties te zien wanneer
u ENTER indrukt. Houd EXIT ingedrukt om
het menusysteem te verlaten.
Schrijven en verzenden
– Druk op MENU.
– Ga naar Berichten en druk op ENTER.
– Ga naar Opstellen en druk op ENTER.
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
2551
Sms (Short Message
Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
1Het aantal geheugenposities op de simkaart
verschilt per abonnement.
10 Infotainment
Menusysteem –telefoon
Overzicht
1. Logboek
1.1.
Gemist
1.2.
Ontvangen
1.3.
Gebeld
1.4.
Wis bellijst
1.4.1.
Allemaal
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5.
Belduur
1.5.1.
Laatste gespr.
1.5.2.
Gespreksteller
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
2. Berichten
2.1.
Lezen
2.2.
Opstellen
2.3.
Bericht inst.
2.3.1.
SMSC nummer
2.3.2.
Geldigh.duur
2.3.3.
Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1.
Nieuwe invoer
3.2.
Zoeken
3.3.
Alles kopie
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4.
One-key bell.
3.4.1.
Actief
3.4.2.
Nummer kiezen
3.5.
SIM wissen
3.6.
Wis telefoon
3.7.
Geheugengebr.
4. Belopties
4.1.
Nummer verz.
4.2.
Oproep wacht
4.3.
Autom. antw.
4.4.
Autom. herh.
4.5.
Doorschakel.
4.5.1.
Allemaal
4.5.2.
Indien bezet
4.5.3.
Niet beantw.
4.5.4.
Niet bereikb.
4.5.5.
Faxoproepen
4.5.6.
Data-gesprek
4.5.7.
Alles annul.
5. Instellingen
5.1.
Netwerk
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2.
Taal
5.2.1.
English UK
5.2.2.
English US
5.2.3.
Español
5.2.4.
Français CAN
5.2.5.
Français FR
5.2.6.
Italiano
5.2.7.
Nederlands
5.2.8.
Português BR
5.2.9.
Português P
5.2.10. Suomi
5.2.11. Svenska
5.2.12. Dansk
5.2.13. Deutsch
5.3.
SIM beveil.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4.
Code bewerk.
5.4.1.
PIN-code
5.4.2.
Telefooncode
10
213
10 Infotainment
Menusysteem –telefoon
5.5.
10
Geluiden
5.5.1.
Belvolume
5.5.2.
Belsignaal
5.5.3.
Radio mute
5.5.4.
Berichttoon
5.6.
Rijd veilig
5.6.1.
Menuvergrend.
5.6.2.
IDIS
5.7.
Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
1.2. Ontvangen
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1., 1.2. en
1.3. zoals hieronder beschreven.
1.4.1.
1.4.2.
1.4.3.
1.4.4.
Alle
Gemist
Ontvangen
Gebeld
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten
hebt u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1.
1.5.2.
214
Laatste gespr.
Gespreksteller
1.5.3.
1.5.4.
Totale tijd
Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U
kunt het bericht vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten wilt doorschakelen en de tijd specificeren
dat de berichten moeten blijven liggen. Neem
contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal
gesproken niet te wijzigen.
2.3.1.
2.3.2.
2.3.3.
SMSC nummer
Geldigh.duur
Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek (zie pagina 210).
10 Infotainment
Menusysteem –telefoon
3.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
3.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
3.3.2.
Van het geheugen op de simkaart
naar dat van de telefoon
Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de simkaart
3.4. One-key bell.
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
3.5. SIM wissen
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde
persoon moet verschijnen. Neem contact op
met de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
4.4. Autom. herh.
3.6. Wis telefoon
Een eerder gekozen nummer bellen.
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
4.5. Doorschakel.
3.7. Geheugengebr.
Bekijken hoe veel geheugenposities er in beslag genomen worden in het geheugen van de
simkaart en in dat van de telefoon. In de tabel
staat aangegeven hoe veel van de beschikbare posities er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100
(250)).
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
4.5.1.
4.5.2.
4.5.3.
4.5.4.
4.5.5.
4.5.6.
4.5.7.
Alle gespr. (de instelling geldt alleen
tijdens het lopende gesprek)
Indien bezet
Niet beantw.
Niet bereikb.
Faxoproepen
Data-gesprek
Alles annul.
5.1.1.
5.1.2.
10
Automatisch
Handm. kiezen
5.2. Taal
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
Dansk
Deutsch
5.3. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief
of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.3.1.
5.3.2.
Aan
Uit
215
10 Infotainment
5.3.3.
10
Automatisch
5.4. Code bewerk.
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar het op een veilige plaats.
5.4.1.
5.4.2.
PIN-code
Telefooncode. De fabrieksinstelling
voor de telefooncode is 1234 geldt
zolang u de code niet hebt
gewijzigd. U hebt de telefooncode
nodig om de gespreksteller te
resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1.
5.5.2.
5.5.3.
5.5.4.
Belvolume. Het volume van het
belsignaal regelen.
Belsignaal. Uit zeven verschillende
belsignalen kiezen.
Radio mute On/off
Berichttoon
5.6. Verkeersveiligheid
5.6.1.
5.6.2.
216
Menuvergrend. Bij het opheffen van
de menuvergrendeling hebt u
tijdens het rijden toegang tot alle
delen van het menusysteem.
IDIS. Als u de functie IDIS
uitschakelt, worden inkomende
gesprekken ongeacht de rijsituatie
zonder vertraging doorgegeven.
5.7. Fabrieksinst.
De fabriekinstellingen van het systeem herstellen.
10 Infotainment
10
217
Typeaanduidingen .............................................................................................. 220
Maten en gewichten .......................................................................................... 221
Motorspecificaties ............................................................................................. 224
Motorolie ............................................................................................................226
Vloeistoffen en smeermiddelen .........................................................................230
Brandstof ...........................................................................................................232
Katalysator .........................................................................................................234
Elektrisch systeem ............................................................................................. 235
218
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de
typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
1. Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
2. Sticker voor standverwarming.
3. Typeaanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer
4. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
5. Sticker voor motorolie
6. Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
(a) handgeschakelde versnellingsbak
(b), (c) automatische versnellingsbak
220
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
G015593
Positie op
afbeelding
Maten
cm
A
Wielbasis
264
B
Lengte
425
C
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
149
D
Laadlengte, vloer
66
E
Hoogte
145
F
Spoorbreedte vooras
155
G
Spoorbreedte achteras
154
H
Breedte
178
I
Breedte incl. buitenspiegels
204
221
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
11
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)),
lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Zie pagina 220 voor de positie van de sticker.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
222
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
Max. belasting: zie typegoedkeuring
11 Specificaties
Maten en gewichten
Max. dakbelasting: 75 kg
Max. aanhangergewicht
(geremd) kg
Max.
kogeldruk
kg
1.6
1200
75
1.6D
1300
1.8
1300
1.8F
1300
2.0
1350
overig
e
1500
11
Max. aanhangergewicht (ongeremd) kg
Max.
kogeldruk kg
700
50
223
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
1.6
1.8
1.8F
2.0
2.4i
T5
Motoraanduiding
B4164S3
B4184S11
B4184S8
B4204S3
B5244S4
B5254T3
Vermogen (kW bij omw/min)
74/6000
92/6000
92/6000
107/6000
125/6000
162/5000
(pk bij omw/min)
100/6000
125/6000
125/6000
145/6000
170/6000
220/5000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
150/4000
165/4000
165/4000
185/4500
230/4400
320/1500–4800
Aantal cilinders
4
4
4
4
5
5
Cilinderboring (mm)
79
83
83
87
83
83
Slaglengte (mm)
81,4
83,1
83,1
83
90
93,2
Cilinderinhoud (liter)
1,60
1,80
1,80
1,99
2,44
2,52
Compressieverhouding
11,0:1
10,8:1
10,8:1
10,8:1
10,3:1
9,0:1
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
vindt u op de motor (zie pagina 220).
224
11 Specificaties
Motorspecificaties
1
1.6D
2.0D
D5
D5
Motoraanduiding
D4164T
D4204T
D5244T91
D5244T8
Vermogen (kW bij omw/min)
80/4000
100/4000
120/5500
132/4000
(pk bij omw/min)
109/4000
136/4000
163/5500
180/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
240/-
320/2000
340/1750–2750
350/1750–3250
Aantal cilinders
4
4
5
5
Cilinderboring (mm)
75
85
81
81
Slaglengte (mm)
88,3
88
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
1,56
2,00
2,40
2,40
Compressieverhouding
18,3:1
18,5:1
17,0:1
17,0:1
11
België
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
vindt u op de motor (zie pagina 220).
225
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
11
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Volvo adviseert olieproducten van
.
226
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact. Om
de aanbevolen service-intervallen aan te
kunnen houden dient u een goedgekeurde
motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen
een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel
bij het bijvullen als verversen van olie. Een
negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten. Volvo Car Corporation wijst alle
garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Zie
pagina 220 voor de positie ervan.
Oliekwaliteit: ACEA A3/B3/B4
Viscositeit: SAE 0W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
1
2.4i
B5244S4
T5
B5254T3
Bij te vullen hoeveelheid
tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
1,3
5,8
11
Inclusief hoeveelheid in filter.
227
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Zie
pagina 220 voor de positie ervan.
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W-30
11
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
Hoeveelheid1
(liter)
0,75
4,0
1.6
B4164S3
1.8
B4184S11
1.8F
B4184S8
2.0
B4204S3
1.6D
D4164T
1,0
3,7
2.0D
D4204T
2,0
5,5
1 Inclusief
228
Bij te vullen hoeveelheid
tussen
MIN–MAX (liter)
hoeveelheid in filter.
4,3
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit, geldt het volgende. Zie
pagina 220 voor de positie ervan.
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W–30
11
Motortype
D5
D5244T8
D5
D5244T92
Bij te vullen hoeveelheid
tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
1,5
6
1
Inclusief hoeveelheid in filter.
2
België
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Bij ongunstige rijomstandigheden kan dat
echter wel nodig zijn (zie pagina 226).
229
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid
Aanbevolen kwaliteit:
Versnellingsbakolie
1.6 handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1 liter
Versnellingsbakolie: WSD-M2C200-C
1.8 handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9 liter
1.6D handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9 liter
1.8F handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9 liter
2.0 handgeschakelde vijfversnellingsbak
1,9 liter
2.0D handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,2 liter
Versnellingsbakolie: WSS-M2C200-C3
2.0D handgeschakelde zesversnellingsbak
1,7 liter
Versnellingsbakolie: WSD-M2C200-C
2.4D automatische versnellingsbak
7,75 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
D5 automatische versnellingsbak
7,75 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
2.4i handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1 liter
Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
2.4i automatische versnellingsbak
7,75 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
T5 handgeschakelde zesversnellingsbak
2,0 liter
Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
T5 automatische versnellingsbak
7,75 liter
Versnellingsbakolie: JWS 3309
5-cil. benzine, handgeschakelde versnellingsbak
9,5 liter
5-cil. benzine automatische versnellingsbak
10,0 liter
5-cil. diesel (D5)
11,0 liter
4-cil. benzine (1.8, 1.8F en 2.0)
7,5 liter
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water (zie verpakking). Thermostaat
opent bij:
benzinemotoren, 90 ºC, dieselmotoren 82 ºC
benzinemotor (1.6) 82 ºC
dieselmotor (1.6D) 83 ºC
4-cil. diesel (2.0D)
9,5 liter
4-cil. benzine (1.6)
6,2 liter
4-cil. diesel (1.6D)
7,2 liter
11
Koelvloeistof
230
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Hoeveelheid
Aanbevolen kwaliteit:
180–200 gram
Compressorolie PAG
500–600 gram
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof
0,6 liter
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
0,8–0,9 liter
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A2
of een soortgelijk product met dezelfde specificaties.
4-cil. benzine/diesel
4,0 liter
5-cil. benzine /diesel
6,5 liter
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen ruitensproeiervloeistof aangelengd
met water te gebruiken.
Airconditioning
Systeem
1
Ruitensproeiervloeistof
Brandstof
1Het
11
Zie pagina 232.
gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
231
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
11
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide (CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
55
1.6
B4164S3
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (IB5)
7,0
167
1.8
B4184S11
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(MTX75)
7,3
174
1.8F
B4184S8
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(MTX75)
7,3
174
2.0
B4204S3
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(MTX75)
7,3
174
2.4i
B5244S4
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(M56H)
8,4
200
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,0
214
T5
B5254T3
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
8,7
208
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,4
224
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide (CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
52
Motor
1.6D
D4164T (Euro III)
(Euro IV)
Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(MTX75)
4,9
129
2.0D
D4204T (Euro III)
Handgeschakelde zesversnellingsbak
(MMT6)
5,7
151
(Euro IV)
D5
D5244T8
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
6,9
182
D5
D5244T91
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
1
232
Versnellingsbak
België
62
60
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
ken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met verbrandingsmotoren. Het gebruik
van extra accessoires kan de verbruikscijfers
beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de rijstijl en
andere niet-technische factoren kunnen van
invloed zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van
91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
Benzine – norm NEN-EN 228.
Benzine
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
11
Dieselolie
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen (zie
pagina 173).
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4
cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebrui-
233
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
11
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
ze versnellen een chemische reactie zonder
dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
234
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
1
Spanning
12 V
12 V
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
590 A
600 A1
700 A2
Reservecapaciteit (RC)
100 min.
120 min.
135 min.
Capaciteit (Ah)
60
70
80
11
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance
2 Auto’s
met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound,
standverwarming op brandstof of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie sticker op de accu).
Certificering Keyless drive
Hierbij verklaart Siemens VDO Automotive
A.G. dat de uitrusting van het type 5WK48952,
5WK48956, 5WK48812 in overeenstemming
is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in
de EU-richtlijn 1999/5/EG.
235
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Gloeilampen
11
236
Verlichting
Vermogen W
Lampvoet
Dimlicht
55
H7
Bi-Xenon
35
D2S
Groot licht
55
HB3
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
BA15s
Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje)
21
BAU15s
Achterlichten/parkeerlichten, zijmarkeringslichten, achter
5
BAY15d
Instapverlichting, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting
5
SV8,5
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje)
5
W2,1X9,5d
Mistlampen
55
H11
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Typegoedkeuring
afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ,
D, DK, E, EST,
F, FIN, GB, GR,
H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P,
PL, S, SK, SLO
1Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte
afstandsbedieningssysteem in overeenstemming
is met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG.
1
11
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Delphi 15-07-2003,
Duitsland R-LPD1-03-0151
BR
RC
ETC093LPD0155
237
Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel .................................... 59
Antislipregeling ......................................... 121
A/C ..............................................................70
kompas .................................................. 59
AF – automatische afstemfunctie ............. 202
Antispinregeling ........................................ 121
Afstandsbediening ...................................... 94
actieve verlichting .................................. 61
instellen .................................................. 65
Audio, zie ook Geluidssysteem ................. 197
elektronische klimaatregeling ................74
handmatige klimaatregeling ...................71
Aanhanger
aanhangergewicht ................................222
kabel ....................................................133
rijden met een aanhanger ....................131
Aanrijding
aanrijdingssensoren ...............................23
Crash mode ...........................................27
gordijnairbag ..........................................23
IC-systeem .............................................23
Aanstaande moeders
veiligheid ................................................13
Aanstekeropening
achterin ..................................................56
voorin .....................................................45
ABS ...........................................................119
07
storing in ABS ........................................41
Accu
onderhoud ............................................179
overbelasting ........................................109
starten met een hulpaccu ....................130
symbolen op de accu ..........................180
vervangen ............................................180
Achterklep
rijden met een geopende klep .............108
vergrendelen/ontgrendelen ............94, 100
238
afneembaar sleutelblad ......................... 95
batterij vervangen .................................. 97
functies .................................................. 94
keyless drive .......................................... 98
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring ....................................... 237
Afstemfunctie, automatisch ...................... 202
Airbag
bestuurders- en passagierszijde ........... 16
deactiveren ............................................ 20
Airconditioning ........................................... 70
algemene informatie .............................. 68
ECC ....................................................... 72
Alarm
Approach-verlichting
AUTO
klimaatinstelling ..................................... 72
voorkeurzenders vastleggen ................ 199
Auto wassen ............................................. 162
Autobekleding ........................................... 163
Autodimfunctie ............................................ 59
Auto-instellingen ......................................... 64
Automatisch starten .................................. 111
Automatische hervergrendeling ................ 100
Automatische vergrendeling ..................... 100
Automatische versnellingsbak .................. 116
alarmlampje ......................................... 103
alarmsignalen ...................................... 104
alarmsysteem testen ........................... 105
algemene informatie ............................ 103
automatische inschakeling van
het alarm ............................................. 104
geactiveerd alarm uitschakelen ........... 104
inschakelen ......................................... 103
uitschakelen ........................................ 103
Alarm, radiofuncties ................................. 200
B
Alarmlichten ................................................ 55
Bagageafdekking ........................................ 87
aanhanger .................................... 131, 132
beveiligingssystemen .......................... 116
knop W ................................................ 118
slepen en bergen ................................. 128
Automatische volumeregeling .................. 198
Automatische wasstraat ........................... 162
AUTO-stand klimaatregeling ....................... 72
Alfabetisch register
Bagagenet ...................................................90
schuifdak .................................................... 63
Contactsleutel ........................................... 112
Banden
Blaasmonden ............................................. 69
Controles
algemene informatie ............................144
bandenreparatie ...................................153
draairichting .........................................147
ECO-bandenspanning .........................149
maataanduiding ...................................144
rijeigenschappen ..................................144
slijtage-indicatoren ...............................145
snelheidsaanduidingen ........................144
spanning ..............................................148
winterbanden .......................................145
zomer- en winterbanden ......................147
Batterij
BLIS-systeem
(Blind Spot Information System) ............... 125
vloeistoffen en oliën ..................... 171, 174
Cruise control ............................................. 52
Blokkering achteruitversnelling
D
vijfversnellingsbak ............................... 114
zesversnellingsbak (benzine) ............... 115
Boordcomputer .......................................... 49
Botsing, zie Aanrijding ................................ 23
Brandstof
Dagteller ...................................................... 39
Dashboardkastje ......................................... 85
vergrendelen ........................................ 101
Diesel ........................................................ 173
motorverwarming ................................... 41
Dieselfilter ................................................. 173
bediening ...............................................57
overzicht .................................................38
“Belangrijk!”-teksten .....................................6
brandstofbesparing ............................. 148
brandstoffilter ...................................... 173
brandstofsysteem ................................ 173
brandstofverbruik, aanduiding .............. 49
niveaulampje ......................................... 41
standverwarming ................................... 77
tanken .................................................. 110
verbruik ............................................ 7, 232
Brandstofmeter ........................................... 39
Bellen ........................................................209
Buitenspiegels ............................................ 61
Doorwaaddiepte ....................................... 108
Benzinekwaliteit ........................................233
elektrisch inklapbare ............................. 61
Buitentemperatuurmeter ............................ 39
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem ............ 121
batterij van afstandsbediening
vervangen ..............................................97
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bergen .......................................................128
Beslagen ruiten
achterruit ................................................71
ontwasemen ...............................68, 71, 73
timerfunctie, A/C ....................................71
timerfunctie, ECC ...................................73
Beveiliging tegen overbelasting,
C
Cd’s
Dimlicht ................................................. 46, 48
Disctekst ................................................... 204
Display
meldingen .............................................. 43
Displayverlichting ........................................ 47
Dolby Surround Pro Logic II ............. 196, 198
07
deactiveren/activeren .......................... 122
lampje .................................................... 41
E
opbergvak ............................................. 85
Cd-functies ............................................... 203
Easy entry ................................................... 80
Condenswater .......................................... 173
ECO-bandenspanning
ECC, elektronische klimaatregeling ............ 69
239
Alfabetisch register
brandstofbesparing ..............................148
tabel .....................................................149
EHBO ..........................................................85
Elektrisch bedienbare ruiten .......................57
Geluidssysteem
Informatiedisplay ........................................ 43
audio-instellingen ................................ 197
geluidsbron .......................................... 197
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 49
Infotainment
passagiersplaats ....................................58
Elektrisch bedienbare stoel .........................81
Gesprek in de wacht zetten ...................... 209
Instellingen, zie Persoonlijke instellingen .... 64
Gesprekken
Elektrische aansluiting
Instrumentenoverzicht
functies tijdens lopende gesprekken ... 212
gespreksfuncties ................................. 209
volume handset ................................... 210
Gesprekken weigeren ............................... 209
auto met stuur links ....................... 34, 206
auto met stuur rechts ............................ 36
Instrumentenpaneel .................................... 39
achterin ..................................................56
middenconsole ......................................45
Elektrische verwarming
achterruit ................................................71
buitenspiegels ........................................71
voorstoelen ......................................71, 74
Elektronische startblokkering ......................94
Gevarendriehoek ...................................... 150
Gloeilampen
EON – Enhanced Other Networks ............202
specificaties ........................................ 236
vervangen ............................................ 181
Gordelspanner ............................................ 14
Equalizer ...................................................198
Gordelwaarschuwing .................................. 13
Extra verwarming ........................................77
Groot licht ................................................... 48
F
Follow-Me-Home-verlichting ................48, 61
07
instellen ..................................................65
G
Geluidssterkte
audiosysteem .......................................197
automatische volumeregeling ..............198
mediaspeler .........................................197
programmatypes ..................................202
aan/uit ................................................... 46
wisselen en grootlichtsignalen .............. 48
Instrumentenverlichting ........................ 46, 47
Interieur
verlichting .............................................. 82
Interieurfilter ................................................ 68
Interieurverlichting ...................................... 82
Interior Air Quality System, ECC ................. 73
Intervalstand ............................................... 50
ISOFIX
bevestigingssysteem ............................. 31
H
K
Handgeschakelde versnellingsbak ........... 114
Katalysator ................................................ 234
Handrem ............................................... 41, 56
bergen .................................................. 128
Keyless drive ............................................... 98
I
IDIS ........................................................... 207
auto starten .......................................... 113
Kick-down
IMEI-nummer ............................................ 212
automatische versnellingsbak ............. 116
In de was zetten ....................................... 163
240
menufuncties ....................................... 196
Inkomende gesprekken ............................ 209
Alfabetisch register
Kinderen
Koplampen
kinderzitjes en airbags ...........................28
kinderzitjes en SIPS-airbags ..................21
positie in de auto, tabel ..........................30
veiligheidsuitrusting ...............................28
Kinderzitje
aan/uit ................................................... 46
koplampsproeiers .................................. 50
Koppelingsvloeistof, controleren
en bijvullen ................................................ 177
bevestigingssysteem .............................31
monteren ................................................31
Kledinghaak ................................................85
automatische versnellingsbak ............. 116
Koudemiddel .............................................. 68
Kleurcode, lak ...........................................165
Klimaatinstelling
AUTO .....................................................72
Klimaatregeling
algemene informatie ..............................68
persoonlijke instellingen .........................64
Klok .............................................................39
tijd instellen ............................................39
Knalgas .....................................................130
Koelsysteem ..............................................108
Koelvloeistof, controleren en bijvullen ......176
Kofferbak
bagageafdekking ...................................87
bagagenet ..............................................90
lading vervoeren ...................................140
verankeringsogen ...................................90
verlichting ...............................................82
Kompas .......................................................59
kalibreren ...............................................59
Koude start
Leren bekleding,
reinigingsvoorschriften .............................. 164
Lichtbundel ............................................... 141
Luchtverdeling ............................................ 75
ECC ....................................................... 74
M
Maataanduiding ........................................ 144
Kruissnelheidsregeling ............................... 52
Meldingen op informatiedisplay .................. 43
L
Mensysteem
Lading vervoeren
algemene informatie ............................ 140
kofferbak ............................................... 90
laadvermogen ...................................... 140
Lagetonenluidspreker ............................... 197
Lak
kleurcode ............................................. 165
lakschade en schade herstellen .......... 165
Lambdasonde .......................................... 234
Lamphouder
kentekenplaatverlichting ..................... 185
positie van gloeilampen ....................... 184
verwijderen .......................................... 184
Lampjes .................................................... 122
controlelampjes ..................................... 41
waarschuwingslampjes ......................... 40
Leeslampjes ............................................... 82
telefoon, overzicht ............................... 213
Menufuncties
audiosysteem ...................................... 196
Menusysteem
mediaspeler ......................................... 205
telefoon, menu-opties .......................... 214
Middenarmsteun ......................................... 86
Milieubeleid ................................................... 7
Mistlichten
aan/uit .............................................. 47, 49
Motor ........................................................ 172
07
Motor starten ............................................ 111
keyless drive ........................................ 113
Motorkap .................................................. 172
Motorolie ................................................... 174
filter ...................................................... 174
hoeveelheden ...................... 227, 228, 229
241
Alfabetisch register
oliedruk ..................................................42
oliekwaliteit ..........................................226
rijden onder ongunstige
rijomstandigheden ...............................226
verversen ..............................................174
Motorruimte ..............................................172
Motorspecificaties .....................................224
N
“N.B.”-teksten ...............................................6
NEWS ........................................................201
Nieuwsuitzending ......................................201
Provisorische bandenreparatie ................. 153
Opbergvak
R
achterste zijpanel .................................. 85
cd’s ........................................................ 85
Opbergvakken ............................................ 84
PTY – Programmatype .............................. 201
Radio
P
radio-instellingen ................................. 199
radiozenders ........................................ 199
Radiotekst ................................................. 202
PACOS ....................................................... 19
RDS-functies ............................................. 200
Parkeerhulp .............................................. 123
resetten ................................................ 202
Recirculatie ................................................. 70
Noodoproepen ..........................................207
O
Parkeerlichten ............................................. 46
ECC ....................................................... 73
REG – Regionale radioprogramma’s ........ 202
Olie, zie ook Motorolie
Parkeerrem ................................................. 56
Regensensor ............................................... 51
oliedruk ..................................................42
Onderhoud
Persoonlijke instellingen ............................. 64
Reinigen
Approach-verlichting ............................. 65
automatische blower afstellen ............... 64
automatische vergrendeling .................. 65
Follow-Me-Home-verlichting ................. 65
op afstand openen ................................ 65
portieren ontgrendelen .......................... 65
timer recirculatie .................................... 64
verlichting auto is ontgrendeld .............. 64
verlichting auto is vergrendeld .............. 64
PI zoeken .................................................. 202
bekleding ............................................. 163
Relais- en zekeringenkastje
Poetsen .................................................... 163
Temporary spare ................................. 147
vloerluik .................................................. 89
achterklep ............................................100
van de binnenzijde ...............................101
van de buitenzijde ................................100
zonder sleutel .......................................100
Ontgrendeling
instellingen .............................................64
Ontwaseming ..............................................71
242
Programmafuncties .................................. 200
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ........................................ 84
sensor voor parkeerhulp ..................... 124
Parkeerkaarthouder .................................... 85
eigen onderhoud ..................................171
roestwering ..........................................166
Ontgrendelen
07
Op afstand openen, portieren .................... 65
Portieren op afstand openen ...................... 65
in motorruimte ..................................... 188
in passagiersruimte .............................. 191
Remmen
handrem ................................................. 56
Remsysteem ..................................... 119, 177
Remvloeistof, controleren en bijvullen ...... 177
Reservewiel ............................................... 150
Alfabetisch register
Richtingaanwijzers ......................................48
Rijden
gladde wegen ......................................108
in waterpartijen ....................................108
koelsysteem .........................................108
met een aanhanger ..............................131
met een geopende achterklep .............108
ongunstige rijomstandigheden ............170
zuinig ....................................................108
Rijklaar gewicht .........................................222
radiozenders ........................................ 200
Schoon aan binnen- en buitenkant .............. 8
Schoonmaken
automatische wasstraat ...................... 162
veiligheidsgordels ................................ 164
wassen, auto ....................................... 162
Schuifdak .................................................... 62
Spiegel
achteruitkijk- .......................................... 59
Spiegels
buiten- ................................................... 61
Spin Control .............................................. 121
Sproeier
achterklep .............................................. 51
Sproeiers
Roestwering ..............................................166
beveiliging tegen overbelasting ............. 63
sluiten met afstandsbediening .............. 63
zonnescherm ......................................... 63
Serviceprogramma ................................... 170
Roetfilter ..............................................43, 111
Simkaart ................................................... 207
ROETFILTER VOL .....................................111
SIPS-airbags .............................................. 21
Ruggedeelte
Sleepoog .................................................. 128
achterbank, omklappen .........................86
Rugleuning
Slepen ...................................................... 128
indicatie ................................................. 41
Stadslichten vóór ........................................ 46
Sleutel ......................................................... 94
Stand-by, telefoon .................................... 209
voorstoel, omklappen ............................80
Ruitensproeiervloeistof bijvullen ...............176
afstandsbediening ................................. 94
sleutelloos vergrendelings- en
startsysteem .......................................... 98
Sleutelblad .................................................. 95
Standverwarming
Ruitenwissers
regensensor ...........................................51
Ruitenwissers en -sproeiers ........................50
S
Safelock-functie ........................................102
alarmsensoren tijdelijk deactiveren ......104
tijdelijk deactiveren ..............................102
SCAN
cd- en muziekbestanden .....................204
voorruit en koplampen ........................... 50
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 17
schakelaar .............................................. 20
Stabiliteitssysteem .................................... 121
vergrendelingspunten ............................ 96
Smeermiddelen, hoeveelheden ................ 230
accu en brandstof .................................. 77
algemeen ............................................... 76
op een helling parkeren ......................... 76
tijd instellen ............................................ 77
Startblokkering .................................... 94, 112
Sms
Starthulp ................................................... 130
lezen .................................................... 212
schrijven .............................................. 212
Snelheidsaanduidingen, banden .............. 144
STC ........................................................... 122
Snelheidsmeter ........................................... 39
Sneltoetsen ............................................... 211
07
Steenslagplekken en krassen ................... 165
Stoel
elektrisch bedienbaar ............................ 81
handmatig verstellen ............................. 80
243
Alfabetisch register
rugleuning voorstoel omklappen ...........80
sleutelgeheugen .....................................82
Stuurbekrachtigingsvloeistof,
controleren en bijvullen .............................177
klimaatregeling ...................................... 74
interieur, handmatige klimaatregeling ... 71
werkelijke temperatuur .......................... 69
Timer
Stuurslot ....................................................112
A/C ........................................................ 71
ECC ....................................................... 73
Toerenteller ................................................. 39
Stuurwiel
Cruise control .........................................52
stuurwielafstelling ..................................55
toetsenset ............................................208
toetsenset linkerzijde .............................52
toetsenset rechterzijde ...........................54
Subwoofer .................................................197
Surround ...........................................196, 198
T
Tanken
bijvullen ................................................110
tankvulklep ...........................................110
Tankinhoud ...............................................232
Telefoon ....................................................208
07
aan/uit ..................................................209
bellen via telefoonboek ........................212
stand-by ...............................................209
tekstinvoer ...........................................210
Telefoonboek
nummerfuncties ...................................210
Telefoonsysteem .......................................206
Temperatuur
interieur, elektronische
244
Totaalgewicht ........................................... 222
TP – verkeersinformatie ............................ 200
Tractieregeling .......................................... 121
Traction Control ........................................ 121
Trekhaak
algemene informatie ............................ 133
demonteren ......................................... 138
monteren ............................................. 135
specificaties ........................................ 134
Trekinrichting, zie Trekhaak ...................... 133
Typeaanduidingen .................................... 220
Typegoedkeuring,
afstandsbedieningssysteem ..................... 237
U
Uitlaatgasreiniging ........................................ 7
foutmelding ........................................... 41
Uitstoot ..................................................... 232
kooldioxide .......................................... 233
V
Veiligheid .................................................... 12
veiligheidssystemen, tabel ..................... 26
Veiligheidsgordel ......................................... 12
achterbank ............................................. 13
gordelspanner ........................................ 14
zwangerschap ....................................... 13
Ventilatie ..................................................... 69
Ventilator ..................................................... 70
ECC ....................................................... 72
Vergrendelen ............................................. 100
ontgrendelen ........................................ 100
van de binnenzijde ............................... 101
van de buitenzijde ................................ 100
Vergrendelingsinstellingen, persoonlijke .... 63
Verkeersinformatie .................................... 200
Verlichting
automatische verlichting, dimlicht ......... 46
automatische verlichting, interieur ......... 83
dimlicht .................................................. 46
displayverlichting ................................... 47
exterieur ................................................. 46
Follow-Me-Home-verlichting ........... 48, 61
gloeilampen vervangen,
algemene informatie ............................ 181
gloeilampen, specificaties ................... 236
groot licht/dimlicht ................................. 48
grootlichtsignalen .................................. 48
in interieur .............................................. 82
instrumentenverlichting ......................... 47
kofferbak ................................................ 82
koplamphoogteverstelling ..................... 46
Alfabetisch register
leeslampjes ............................................82
mistachterlicht ........................................47
mistlichten ........................................47, 49
stads-/parkeerlichten vóór en
achterlichten ..........................................46
verlichtingspaneel ..................................46
Verlichting, gloeilampen vervangen
Vlekken ..................................................... 163
Wielen
Vloeistoffen en oliën
demonteren ......................................... 151
monteren .............................................. 152
velgen .................................................. 146
Willekeurige afspeelvolgorde,
cd- en muziekbestanden .......................... 204
achterlicht ............................................184
dimlicht ................................................182
groot licht .............................................182
instapverlichting ...................................185
knipperlichten ......................................183
kofferbak ..............................................186
make-upspiegel ...................................186
mistlampen ..........................................184
parkeerlichten ......................................183
positie van gloeilampen
in lamphouder ......................................184
reflector ................................................185
richtingaanwijzers ................................183
stadslichten vóór ..................................183
voorzijde ...............................................181
zijmarkeringslicht .................................183
Versneld kiezen .........................................211
Voertuiggegevens ..................................... 170
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 121
Waarschuwingslampjes, airbagsysteem .... 15
controles ...................................... 171, 174
Vloeistoffen, hoeveelheden ...................... 230
Vloerluik ...................................................... 89
Vloermatten .......................................... 81, 85
Volume
telefoon/mediaspeler ........................... 210
Volume, zie ook Geluidssterkte ................ 197
Winterbanden ........................................... 145
Wisselgesprek ........................................... 209
Wisser
achterklep .............................................. 51
Wisserbladen
Voorkeurzenders vastleggen,
handmatig en automatisch ....................... 199
Voorstoelen
Easy entry .............................................. 80
omklappen ............................................. 80
zithouding .............................................. 80
W
Waarschuwingslampje
vervangen achterklep .......................... 178
vervangen voorruit ............................... 178
Z
Zekeringen
algemene informatie ............................ 187
relais- en zekeringenkastje
in motorruimte ..................................... 188
relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................. 191
vervangen ............................................ 187
Zekeringentabel
Versneld vooruit-/achteruitspoelen ...........204
Waarschuwingsteksten ................................ 6
Versnellingsbak
Wassen, auto ............................................ 162
automatisch .........................................116
handgeschakeld ...................................114
Verzorging
Whiplash-letsel WHIPS .............................. 24
zekeringen in interieur .......................... 192
zekeringen in motorruimte ................... 189
Zenders zoeken ........................................ 199
WHIPS ........................................................ 24
zij-airbags ................................................... 21
kinderzitje/verhogingskussen ................ 24
Zonnescherm, schuifdak ............................ 63
leren bekleding .....................................164
07
Zuinig rijden .............................................. 108
245
Volvo. for life
D u tcch), AT 0637, Printed in Sweden, Göteborg 2006, Copyright © 2000-2006 Volvo Car Corporation
Volvo Car Corporation TP 8792 (Du
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising