Volvo | C30 | Quick Guide | Volvo C30 2013 Quick Guide

Volvo C30 2013 Quick Guide
C30
Quick GUIDE
Web edition
GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN
UW NIEUWE VOLVO!
Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen.
Neem deze Quick Guide door om snel vertrouwd te raken met enkele
van de meest gebruikelijke functies.
Alle waarschuwingsteksten, andere belangrijke gegevens en meer
gedetailleerde informatie vindt u alleen in het instructieboekje – deze
folder bevat slechts een kleine greep daaruit.
In het instructieboekje staat bovendien de meest recente en meest
actuele informatie.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Transpondersleutel
Vergrendelt portieren en achterklep en
activeert het alarm*.
Ontgrendelt portierenA en achterklep en
deactiveert het alarm.
Ontgrendelt de achterklep – hij wordt
niet geopend.
Approach-verlichting. Activeert buitenspiegelverlichting*, richtingaanwijzers en
stadslichten, alsmede kentekenplaat-,
interieur- en instapverlichting.
Sleutelblad
Te gebruiken om het dashboardkastje of het
bestuurdersportier te vergrendelen/ontgrendelen, als de auto bijvoorbeeld zonder stroom zit.
Paniekfunctie. In een noodsituatie de
toets ca. 3 seconden lang ingedrukt
houden om het alarm te laten afgaan.
Uitschakelen door na meer dan 5 seconden opnieuw te drukken.
A
Als geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
worden deze na enige tijd automatisch opnieuw
vergrendeld.
Koude start
N.B.
Na een koude start is het stationaire toerental verhoogd ongeacht buitentemperatuur.
Het tijdelijk verhoogde stationaire toerental
is onderdeel van Volvo’s effectieve uitlaatgasreinigingssysteem.
RICHTINGAANWIJZERS
A Korte serie – 3 knippersignalen.
B Onafgebroken serie knippersignalen.
AUTOMATISCH STARTEN*
Koppelings- en/of rempedaal bedienen en
transpondersleutel/startknop naar stand III
draaien en meteen loslaten – de motor start
automatisch.
Een dieselmotor altijd laten voorgloeien in
sleutelstand II, voordat u hem start.
Stuurwiel instellen
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel in vóórdat u gaat rijden –
nooit tijdens het rijden.
VERLICHTINGSBEDIENING
Handmatige koplamphoogteregeling
(automatisch bij Xenon-verlichting*)
Automatisch dimlicht. Grootlichtsignalen
werken maar continu grootlicht niet
Stadslichten voor/achterlichten
Dimlicht. Dooft bij het afzetten van de
motor. Groot licht en grootlichtsignalen
zijn te activeren.
A
Automatisch dagrijlicht*. Actieve Xenonverlichting*, lichtbundels koplampen
draaien met stuurwiel mee
Display- en instrumentenverlichting
Mistlampen vóór
Tankvulklep openen
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde)
A
Grootlichtsignaal en LED-verlichting
B
Groot-/dimlichtwisseling
OPBERGMOGELIJKHEDEN, 12V-AANSLUITINGEN & AUX/USB*
De 12V-aansluitingen werken wanneer het
contactslot in stand I of II staat.
Met de AUX/USB*-ingang is het mogelijk om
muziek op bijv. een mp3-speler te beluisteren
via het audiosysteem van de auto.
AUDIOSYSTEEM
RADIO
6 Eraan draaien om een zender te kiezen.
8 Eerstvolgende goed doorkomende zender
opzoeken.
10 Zender zoeken met pijl-links/pijl-rechts.
Tot 20 zenders opslaan door bij de
gewenste zender 0–9 voor FM1 of FM2
ingedrukt te houden totdat een bevestiging
op het display verschijnt.
Ca. 2 seconden indrukken om automatisch de 10 best doorkomende zenders
op te slaan. Het display geeft AUTOM.
OPSLAANweer tijdens het zoeken.
Een van de opgeslagen zenders kiezen met
0-9.
1 Indrukken voor Aan/Uit.
Eraan draaien om het volume bij te regelen.
2
4
5
6
CD-SPELER
3 Bij kort indrukken wordt alleen de beluisterde cd uitgeworpen.
Bij lang indrukken worden alle cd’s uitgeworpenB.
Radio FM1, FM2 of AM.
Display
MODUS – CD, AUX of USBA .
Indrukken om te kiezen uit BAS, Dolby
Pro Logic II* of SUBWOOFER* – eraan
draaien om bij te regelen.
6 Eraan draaien om van track te wisselen.
7 Cd-wisselaar* – cd kiezen met 1–6.
10 Van cd-track wisselen met pijl-links/pijlrechts.
Cd kiezenB met pijl-omhoog/pijl-omlaag.
9 MENU – AUX, volume en geavanceerde
geluidsinstellingen.
Subwoofer activeren/deactiveren*.
A
AUX-ingang voor bijv. mp3-speler (voor optimale
geluidsweergave volume mp3-speler op half zetten).
B
Alleen cd-wisselaar*.
Ruitenwissers en regensensor*
1 Regensensor Aan/Uit, met hendel in
stand 0.
2 Gevoeligheid sensor of duur intervalfunctie
instellen.
3 Wisser achterruit – intervalfunctie/normale
functie.
A
Enkele wisslag
0
Uit
B
Intervalfunctie, zie ook (2).
C
Normale wissnelheid.
D
Hoge wissnelheid.
E
Sproeiers voorruit en koplampen.
F
Sproeier achterruit.
Brandt bij een actieve regensensor.
Elektronische klimaatregeling, ECC*
AUTOMATISCHE REGELING
HANDMATIGE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem automatisch alle functies voor een groter bedieningsgemak en optimale luchtkwaliteit.
1 Indrukken om de gekozen temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
1 Eraan draaien om ventilatorsnelheid te
7 Indrukken voor individuele temperatuur
links (L) of rechts (R).
In de gewenste temperatuurstand draaien.
De gekozen temperatuur staat op het
display.
wijzigen.
2 Max. ontwaseming. Alle lucht op maxi-
male snelheid naar de voorruit en zijruiten.
3 M – Recirculatie Aan/Uit.
A – Interior Air Quality System* Aan/Uit.
4 Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming.
5 Luchtverdeling.
6 AC – Airconditioning Aan/Uit. Voor koe-
ling van het interieur en ontwaseming van
de ruiten.
PASSAGIERSAIRBAG DEACTIVEREN, PACOS*
WAARSCHUWING
Onoordeelkundig gebruik kan levensgevaarlijke situaties opleveren. Bij twijfel over het
juiste gebruik het instructieboekje raadplegen.
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch)
Sleutelblad gebruiken voor omzetten ON/OFF.
OFF – De airbag is gedeactiveerd.
PASSENGER AIRBAG OFF verschijnt op
waarschuwingslampje boven de achteruitkijkspiegel.
Kinderen op een comfortkussen of in een
kinderzitje mogen op de voorstoel zitten, maar
nooit passagiers groter dan 140 cm.
ON – Airbag geactiveerd.
Passagiers groter dan 140 cm mogen op de
voorstoel zitten, maar nooit kinderen op een
comfortkussen of in een kinderzitje.
BOORDCOMPUTER* EN DAGTELLER
1 Laag brandstofpeil. Bij een brandend symbool zo spoedig mogelijk tanken.
2 Brandstofmeter. De pijl van het symbool
geeft de kant aan waar de tankdop zit.
3 Display voor boordcomputer, meldingen,
klok en buitentemperatuur.
4 T1 & T2 – onafhankelijke dagtellers, die
altijd aanstaan.
5 Bij kort indrukken wordt er gewisseld tus-
sen T1 & T2.
Bij lang indrukken wordt de desbetreffende
meter op nul gezet.
6 Indrukken om een melding te laten verschijnen/verdwijnen.
7 Eraan draaien om de boordcomputeropties
te zien.
8 Bij kort indrukken wordt de actuele functie
van de boordcomputer op nul gezet.
Bij lang indrukken worden alle functies van
de boordcomputer op nul gezet.
Aanpassen klok kiezen.
Op ENTER drukken.
Cijfer kiezen met “pijl-rechts” of “pijl-links”.
Klok instellen met de cijfers op de toetsenset
of met de “pijl-omhoog” of “pijl-omlaag” van
de navigatieknop.
6. Op ENTER drukken om af te sluiten.
2.
3.
4.
5.
N.B.
Displaymelding --- KILOMETER TOT LEGE
TANK is een schatting van de actieradius op
basis van eerdere rijomstandigheden.
Instellen, klok
1. Op de middenconsole op MENU drukken.
BLIS, BLIND SPOT INFORMATION
SYSTEM*
ROETFILTER
Als het controlelampje voor BLIS oplicht zonder dat u voertuigen in de dode hoeken kunt
waarnemen, kunnen reflecties op een nat wegdek, eigen schaduwen op betonnen wegen of
een laag staande zon in de camera daarvan de
oorzaak zijn.
Bij een storing in het BLIS verschijnt de melding BLIS SERVICE VEREIST op het display.
In bepaalde omstandigheden verschijnt op
het display van het instrumentenpaneel de
melding Roetfilter vol. In dat geval moet
het roetfilter van het uitlaatsysteem geregenereerd worden. Dat gebeurt automatisch door
ca. 20 minuten op matige snelheid te rijden.
Wanneer de melding verdwijnt heeft regeneratie plaatsgevonden.
ZACHTE BAGAGEAFDEKKING*
HOUDER VOOR VLOERLUIK
1. De haken aan de vloer (A) bevestigen.
2. De veerbelaste rail induwen en deze aan
weerszijden aanbrengen in de bevestigen
bij (B).
3. De rail op dezelfde manier aanbrengen in de
bevestigingen bij (C).
4. De haken bevestigen bij (D).
Bij het inladen de bevestigingspunten (D) en
(C) aan weerszijden loshalen.
(D), (C), (B) en (A) loshalen en de bagageafdekking oprollen, wanneer u deze niet nodig hebt.
Vloerluik in geopende stand zonder/met bagageafdekking.
RUGGEDEELTE OMKLAPPEN
Pal omhoogtrekken en rugleuning naar voren
klappen.
BAGAGEAFDEKKING – HARD*
Bevestigen
1. Alle vier de vergrendelingsknoppen tot in de
eindstand naar achteren trekken.
2. De bagageafdekking voorzichtig naar binnen
tillen en het voorste gedeelte aan weerszijden
op de twee steunen leggen achter (A).
3. De ene vergrendeling achteraan aanbrengen
bij (B) en de vergrendelingsknop naar voren
duwen.
4. De resterende drie op dezelfde manier aanbrengen.
Verwijderen
Alle vier de vergrendelingsknoppen tot in de
eindstand naar achteren trekken – eerst (A),
daarna (B) en daarna uit de auto tillen.
VOORSTOEL INSTELLEN
ACHTERINSTAP
1
2
3
4
5
6
Lendensteun
Hellingshoek ruggedeelte.
Stoel omhoog/omlaag.
Voorkant zitgedeelte omhoog/omlaag.
Vooruit/achteruit.
Achterinstap.
Transpondersleutel en elektrisch bediende bestuurdersstoel*
In alle transpondersleutels kunnen stoelinstellingen voor verschillende bestuurders worden
opgeslagen. Ga als volgt te werk:
• Stoel naar wens instellen.
• Auto zoals gebruikelijk vergrendelen door
de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de
stoelpositie opgeslagen in het geheugen
van de transpondersleutelA.
• Auto ontgrendelen (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel
te drukken) en bestuurdersportier openen.
De bestuurdersstoel neemt automatisch
de positie in die in het geheugen van de
transpondersleutel is opgeslagen (als de
stand van de stoel na vergrendeling van de
auto werd gewijzigd).
A.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn
opgeslagen met de geheugenfunctie* voor de elektrisch
bediende stoel*. Zie het instructieboekje voor meer informatie.
Stoel naar voren zetten
1. Veiligheidsgordel van de gordelgeleider (A)
nemen.
2. Handgreep (B) optillen en rugleuning tot in
geblokkeerde stand vooroverklappen.
3. Stoel naar voren duwen (C).
Stoel naar achteren zetten
1. Stoel tot in gewenste stand naar achteren
duwen (D).
2. Handgreep (E) optillen en rugleuning terugklappen.
3. Veiligheidsgordel in de gordelgeleider (F)
terugplaatsen.
Elektrisch bedienbare stoel*
Stoel naar voren zetten
1. Veiligheidsgordel van de gordelgeleider (A)
nemen.
2. Handgreep (B) optillen en rugleuning tot in
geblokkeerde stand vooroverklappen.
3. Voorkant knop ingedrukt houden (G).
Stoel naar achteren zetten
1. Achterkant knop ingedrukt houden (G).
2. Handgreep (E) optillen en rugleuning terugklappen.
3. Veiligheidsgordel in de gordelgeleider (F)
terugplaatsen.
N.B.
Veiligheidsgordel bij het omdoen vanonder
bij de gordelgeleider omhooghalen, niet
vanboven bij de schouder omlaag.
VERZORGING
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen. Gebruik schoon water en
een spons. Let erop dat vuil en zand krassen
op de lak kunnen veroorzaken.
TP 14926 (Dutch). AT 1220. Printed in Sweden, Göteborg 2012, Copyright© 2000–2012 Volvo Car Corporation.
Handmatig verstelbare stoel
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising