Volvo | C30 | Gebruikershandleiding | Volvo C30 2011 Gebruikershandleiding

Volvo C30 2011 Gebruikershandleiding
VOLVO C30
Instructieboekje
Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie............................... 10
Volvo en het milieu.................................... 13
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags......................................................
Airbag activeren/deactiveren*...................
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)................
WHIPS-systeem........................................
Activering van de veiligheidssystemen.....
Crash mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
18
21
22
24
27
29
30
32
34
35
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Elektrische aansluiting..............................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Rechter stuurhendel .................................
Cruisecontrol*...........................................
Toetsensets op stuurwiel* ........................
Stuurwielverstelling, alarmlichten.............
Handrem...................................................
Elektrisch bedienbare zijruiten..................
Ruiten en spiegels.....................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak* .............
Persoonlijke instellingen...........................
44
46
48
49
51
55
57
58
61
64
67
69
70
71
72
74
78
80
HomeLinkŸ *.............................................. 83
4
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inhoud
03 04 05
03 Klimaat
04 Interieur
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................ 88
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC................................................ 90
Elektronische klimaatregeling, ECC*........ 93
Luchtverdeling.......................................... 97
Motor- en interieurverwarming op brandstof*........................................................... 98
Extra verwarming op brandstof* (diesel). 101
Voorstoelen ............................................
Interieurverlichting...................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte .....................................................
Achterbank..............................................
Bagageruimte..........................................
05 Sloten en alarm
104
109
112
116
118
Transpondersleutel met sleutelblad........
Vergrendelingspunten.............................
Keyless drive*..........................................
Batterij in transpondersleutel..................
Vergrendelen en ontgrendelen ...............
Alarm* ....................................................
124
127
128
131
132
135
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Tanken....................................................
Alcoguard * ...........................................
Motor starten .........................................
Motor starten, FlexiFuel..........................
Keyless drive*..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
Remsysteem...........................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)* .....................................................
Parkeerhulp*............................................
BLIS* – Blind Spot Information System .
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak* ...............................................
Afneembare trekhaak* ...........................
Lading vervoeren....................................
Lichtbundel aanpassen ..........................
6
07 Wielen en banden
140
142
146
150
152
154
155
156
161
163
165
168
172
176
177
179
181
185
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden* ..........................
08 Verzorging
190
194
196
198
200
Schoonmaken......................................... 206
Lakschade herstellen ............................. 210
Roestwering............................................ 211
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Accu........................................................
Gloeilampen vervangen .........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
214
215
217
219
225
227
229
235
Algemene informatie...............................
Audiofuncties..........................................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies ............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon*.........................
Bluetooth handsfree* .............................
11 Specificaties
244
246
250
255
258
259
267
271
Type-aanduiding.....................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
Displaysymbolen.....................................
280
282
285
286
288
291
294
296
297
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 300
8
Inhoud
9
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is, hangt af van de
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
Displaymeldingen
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld AUDIOINSTELLINGEN).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Informatie
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in materiële schade.
G031593
Gevaar voor materiële schade
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Inleiding
Belangrijke informatie
Procedurelijsten
Opsommingslijsten
Accessoires en opties
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
• Koelvloeistof
• Motorolie
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. U wordt daarom altijd geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Vastlegging van gegevens
Informatie op internet
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
12
Bijvoorbeeld:
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
•
•
•
•
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Inleiding
Volvo en het milieu
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 1001 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid en voldoen
aan de gestelde certificeringseisen.
1
14
Meer informatie staat op www.oekotex.com
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
• Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 194).
• Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
• Rem af op de motor.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina 140 voor meer
tips om het milieu te ontzien en zuinig te rijden):
• Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. U wordt geadviseerd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
Inleiding
Volvo en het milieu
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de milieuzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
15
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags....................................................................................................
Airbag activeren/deactiveren*.................................................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijnen (IC-systeem)..............................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Crash mode............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18
21
22
24
27
29
30
32
34
35
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
veiligheidsgordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan
niet verder worden uitgetrokken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
door de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen
18
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheidsgordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWING
De achterbank is bestemd voor maximaal
twee personen.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
benen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
G020105
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
• Aangeven welke veiligheidsgordels van de
• Waarschuwen dat iemand op de achter-
G018084
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de boven-
Achterbank
achterbank er worden gebruikt. De melding verschijnt op het informatiedisplay bij
het gebruik van de veiligheidsgordels. De
melding verdwijnt automatisch na ca.
30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Gordelwaarschuwing
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
01
bank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de veiligheidsgordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
``
19
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Gordelgeleider
Bepaalde markten
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan passagierszijde nooit aanbrengen in de gordelsluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veiligheidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gordelsluiting. De veiligheidsgordels en de gordelsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
20
G020106
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Zowel de bestuurders- als de passagiersstoel is
voorzien van een gordelgeleider.
De gordelgeleider is een hulpmiddel dat de veiligheidsgordels beter bereikbaar maakt. Neem
bij het in- en uitstappen van achterpassagiers
de veiligheidsgordel uit de gordelgeleider en
plaats deze achteraan op de gordelstang.
Breng de veiligheidsgordel daarna weer aan in
de gordelgeleider.
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
01
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE
VEREIST of SRS-AIRBAG
SERVICE SPOED op het display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel naar sleutelstand I, II of III draait.
Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Volvo adviseert u zo spoedig
mogelijk contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
21
01 Veiligheid
01
Airbags
Airbagsysteem
WAARSCHUWING
N.B.
G020111
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het airbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
22
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
01 Veiligheid
Airbags
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze ligt opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
01
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020113
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links of rechts.
Airbag aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
1
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
aan de passagierszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.1
Laat niemand nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Kinderen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
23
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje “Activeren/Deactiveren” verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 125.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen schakelaar
(PACOS) heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op
de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties opleveren voor
het kind.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel aangeeft dat de airbag aan
die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een
ernstige storing. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats
te bezoeken
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen groter
dan 1,40 m aan de passagierszijde op de
voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Berichten
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G018082
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
G018083
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondpaneel op de plafondconsole geeft aan of de passagiersairbag voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
01 Veiligheid
01
Airbag activeren/deactiveren*
N.B.
Bij het omdraaien van de transpondersleutel
naar sleutelstand II of III brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool voor
de airbags op het instrumentenpaneel, zie
pagina 21.
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende sleutelstanden van
het contactslot (zie pagina 150).
26
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
G020118
WAARSCHUWING
•
Volvo adviseert u reparaties over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
•
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
•
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
•
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk
onderdeel van het SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de rugleuning van de voorstoelen.
1
Positie
G025315
SIPS-airbag
01
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde1 airbag.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
``
27
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
G025316
01
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
28
01 Veiligheid
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
01
Eigenschappen
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) maken deel uit van het SIPSsysteem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvoonderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat de opblaasgordijnen die schuilgaan achter de plafondbekleding geen beschermingen meer bieden.
WAARSCHUWING
De opblaasgordijnen vormen een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
29
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
30
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u het te laten
controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
G020125
G020126
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPSsysteem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
31
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de systemen
A
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren
Gordelspanners buitenste zitplaatsen achterbank
Bij een frontale botsing
Airbags
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijnen (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zijA
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u het
volgende:
• Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
de te auto te laten wegslepen naar een
erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met
opgeblazen airbags.
• Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
32
N.B.
De airbags, het SIPS-systeem, het IC-systeem en de gordelspanners worden bij een
botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten
wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
33
01 Veiligheid
01
Crash mode
Rijden na een aanrijding
G029042
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van
de auto is verminderd. Crash mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer
de aanrijding belangrijke onderdelen van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
34
Haal de transpondersleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica van de
auto probeert te resetten naar de normale
stand. Probeer vervolgens de auto te starten.
Als CRASH MODE ZIE HANDLEIDING nog
steeds op het display staat, mag u niet met de
auto rijden en hem evenmin verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt dat u nog
met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Crash mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Volvo adviseert
u de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en naar
NORMAL MODE te laten resetten nadat de
melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar
een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en veilig
zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–
4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/
in een comfortkussen of een kinderzitje dat in
de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 37).
optimale voorwaarden voor een veilig vervoer
van uw kind(eren), u weet bovendien zeker dat
de producten passen en eenvoudig in het
gebruik zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
N.B.
01
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Raadpleeg voor de juiste montage de montagevoorschriften bij het kinderzitje.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd1 is.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
G020128
Volvo beschikt over kinderveiligheidsproducten (kinderzitjes, comfortkussen en bevestigingsmaterialen) die speciaal voor uw auto zijn
ontwikkeld. Wanneer u voor kinderveiligheidsproducten van Volvo kiest schept u niet alleen
• en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de passagiersairbag geactiveerd is. Als de airbag wordt geactiveerd, kan
een kind aan de passagierszijde ernstig letsel
oplopen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
``
35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is2.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
2
36
WAARSCHUWING
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Aanbevolen kinderzitjes3
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 0
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
Typegoedkeuring: E1 04301146
Typegoedkeuring: E1 04301146
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.B
max. 10 kg
Groep 0+
max. 13 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
3
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient de auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
37
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 1
Achterstevoren gemonteerd Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Achterstevoren gemonteerd Volvo-kinderzitje (Volvo
Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.B
9–18 kg
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Groep 2
15–25 kg
38
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.B
Typegoedkeuring: E5 03171
Typegoedkeuring: E5 03171
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
Typegoedkeuring: E5 04192
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje
(Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Typegoedkeuring: E5 04191
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht
VoorstoelA
Achterbank
Groep 2/3
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with
backrest).
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with
backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Typegoedkeuring: E1 04301169
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and
without backrest).
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and
without backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
15–36 kg
A
B
01
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats om de bevestigingspunten te laten aanbrengen die nodig zijn voor het gebruik een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is4.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag geactiveerd is.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G009182
N.B.
4
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiersstoel.
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag, zie pagina 24.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
39
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
G026316
Bevestigingspunten voor kinderzitjes
De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes. Deze bevestigingspunten zitten achter op de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blijven vervoeren.
40
De bevestigingsband van het kinderzitje moet
tussen de hoofdsteun en het ruggedeelte liggen.
Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het
kinderzitje voor gedetailleerde informatie over
de manier waarop u het zitje aan de bovenste
bevestigingspunten vastzet.
01 Veiligheid
01
41
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Elektrische aansluiting............................................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel..................................................................................
Rechter stuurhendel ...............................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Toetsensets op stuurwiel* ......................................................................
Stuurwielverstelling, alarmlichten............................................................
Handrem.................................................................................................
Elektrisch bedienbare zijruiten................................................................
Ruiten en spiegels...................................................................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak* ...........................................................
Persoonlijke instellingen..........................................................................
44
46
48
49
51
55
57
58
61
64
67
69
70
71
72
74
78
80
HomeLinkŸ *............................................................................................ 83
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
G019492
02
44
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Stuurwielverstelling
Leeslampje, linkerzijde
Motorkapontgrendeling
Leeslampje, rechterzijde
Bedieningspaneel
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop.
Blaasmonden in het dashboard
Blaasmond zijruit
Cruisecontrol
Claxon, airbag
Instrumentenpaneel
Toetsenset voor infotainment
02
Achteruitkijkspiegel
Display voor klimaatregeling en infotainment
Infotainment
Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke instellingen
Klimaatregeling
Versnellingspook
Alarmlichten
Portierhandgreep
Dashboardkastje
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Handrem
Contactslot
Elektrische aansluiting/aansteker
Bediening, schuifdak
BLIS, Blind Spot Information System
Geen functie
Schakelaars, extra uitrusting
Geen functie
Interieurverlichting, schakelaar
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
18
19
16
17
21
20
15
22
02
10 11 12 13 14
9
29
9
23 24 25
26
27
28
8
8
9
9
7
30
31
6
32
5
5
3
33
4
34
1
46
G019493
2
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Elektrische aansluiting, aansteker
Leeslampje, rechterzijde
BLIS, Blind Spot Information System
Geen functie
Schakelaars, extra uitrusting
Geen functie
Handrem
Bediening, schuifdak
Bedieningspaneel
Contactslot
Dashboardkastje
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Portierhandgreep
Blaasmond, zijruit
Blaasmonden in het dashboard
Versnellingspook
Klimaatregeling
Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke instellingen
Infotainment
Display voor klimaatregeling en infotainment
Achteruitkijkspiegel
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
02
Cruisecontrol
Instrumentenpaneel
Claxon, airbag
Toetsenset voor infotainment
Alarmlichten
Openingshandgreep portier, vergrendelingsknop
Verlichting, ontgrendeling tankvulklep
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Motorkapontgrendeling
Stuurwielverstelling
Interieurverlichting, schakelaar
Leeslampje, linkerzijde
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
02
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
Elektrisch bedienbare zijruiten
Buitenspiegel, linkerzijde
Buitenspiegels, instelling
Buitenspiegel, rechterzijde
48
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G029046
02
Snelheidsmeter.
Richtingaanwijzer, rechts.
Richtingaanwijzer, links.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut.
Waarschuwingslampje.
Informatiedisplay – Geeft informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen weer
alsmede de buitentemperatuur en de tijd.
Wanneer de buitentemperatuur tusse
n –5°C en +2°C ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het lampje wijst
op het gevaar voor gladheid. Als de auto
heeft stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeven.
Controle- en informatielampjes.
Brandstofmeter (zie ook boordcomputer
op pagina 62).
Grootlichtindicatie.
Tevens schakelindicatie (GSI) en schakelstandindicatie bij 1.6D DRIVe, zie
pagina 155.
Knop voor dagteller – Wordt gebruikt om
korte afstanden te meten. Door kort op de
knop te drukken, kunt u van dagteller T1 en
T2 wisselen. Als u de knop lang indrukt
(meer dan 2 seconden), zet u de geactiveerde dagteller op nul.
Display – Geeft de schakelstanden van de
automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
Informatielampje.
``
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Temperatuurmeter – De temperatuurmeter
van het koelsysteem van de motor. Op het
display verschijnt een melding, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot
in het rode gebied uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de luchtinlaat bij
een hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen
verminderen.
Controle- en waarschuwingslampjes.
50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
1
Lampjes in het midden van het
dashboard
Wanneer het lampje brandt:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
02
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
G030755
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes1 gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingslampje blijft branden totdat de
storing is verholpen, maar de melding kunt u
verwijderen met de knop READ, zie
pagina 55. Het waarschuwingslampje kan
ook gaan branden in combinatie met andere
lampjes.
Het oranje informatielampje gaat
branden en er verschijnt een melding op het informatiedisplay. U
verwijdert de melding met behulp
van de knop READ, zie
pagina 55. Dit gebeurt automatisch als u
enige tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af).
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 55.
``
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes – linkerzijde
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert dat
u ter controle een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
02
Storing in ABS
G029048
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
3. Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren. Volvo
adviseert dat u daarvoor een erkende
Volvo-werkplaats bezoekt.
Geen functie
Mistachterlicht
Storing in ABS
Mistachterlicht
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
52
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC*
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 163.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan –2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden
is het brandstofpeil te laag. Tank
dan zo spoedig mogelijk.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
Controlelampje voor aanhanger
Te lage oliedruk2
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het symbool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, adviseert Volvo u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Handrem aangetrokken
G029049
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
Controlelampje voor aanhanger
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Dynamo laadt niet bij
Handrem aangetrokken
Airbags – SRS
Te lage oliedruk
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem.
Volvo adviseert u een erkende
Volvo-werkplaats te bezoeken.
Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Volvo adviseert u zo
spoedig mogelijk naar een erkende Volvowerkplaats te rijden om het systeem te laten
controleren.
02
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 55.
``
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir, zie pagina 223. Als de
vloeistof onder het MIN-merkje van het
reservoir staat, kunt u beter niet verder rijden met de auto. Volvo adviseert u de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats te
laten slepen voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
werkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren. Volvo adviseert dat u
daarvoor een erkende Volvo-werkplaats
bezoekt.
6. Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Volvo adviseert dat u daarvoor een
erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
4. Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 223.
5. Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
3
54
Alleen auto’s met alarm.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren, de motorkap3 of de
achterklep niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 5 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERS- PORTIER OPEN,
PASSAGIERS- PORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat
of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
10 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep openstaat, gaat
het informatielampje branden en
op het display verschijnt
ACHTERKLEP OPEN.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Betekenis
MOTORTEMP.
HOOG ZET
MOTOR UIT
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Melding
Betekenis
RUIM TIJD IN V.
ONDERHOUD
STOP AUTO
Z.S.M.A
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Tijd om een servicebeurt in te plannen.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
SERVICE SPOEDA
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
ZIE INSTRUCTIEB.A
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREISTA
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
Tijd voor een servicebeurt. Volvo adviseert u de service
over te laten aan een
erkende Volvowerkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren
van de motor en de
oliekwaliteit.
G029050
Melding
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
02
``
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
56
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
ONDERHOUD TE
LAAT
Als u de onderhoudstermijn niet
respecteert, vallen
beschadigde onderdelen niet langer
onder de garantie.
Volvo adviseert u de
service over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
ROETFILTER VOL
ZIE GEBR. HANDL.
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 145).
VERSNELLINGSBAK HOGE OLIETEMP.
STC SPIN CONTROL UIT/DSTC
SPIN CONTROL
UIT
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie
pagina 164 voor
meer varianten).
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Zet de versnellingsbak in de
neutraal en laat de
motor stationair
draaien totdat de
melding verdwijnt.
Voor meer informatie (zie pagina 159).
VERSNELLINGSBAK LAAG VERMOGEN
De versnellingsbak
werkt niet op maximale capaciteit. Rijd
voorzichtig totdat de
melding verdwijnt
(zie pagina 159).
TEMP.
VERSN.OLIE STOP
AUTO Z.S.M.
Kritieke storing.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Volvo
adviseert u contact
op te nemen met
een erkende Volvowerkplaats.B
VERSNELLINGSBAK OLIE VERVERSEN
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvowerkplaats.
HERINNERING
CONTR. OLIEPEIL
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de
10.000 km
(bepaalde motortypes). Voor informatie
over het controleren
van het oliepeil, zie
pagina 220.
Als de meldingen
meerdere malen verschijnt, adviseert
Volvo u een erkende
Volvo-werkplaats te
bezoeken.
A
B
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
Voor meer meldingen met betrekking tot de automatische
versnellingsbak (zie pagina 159).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een mobiele telefoon of koelbox.
02
N.B.
Aansteker*
G019621
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
Elektrische aansluiting achterin
De aansteker werkt niet in deze aansluiting.
De aansluiting is bedoeld voor accessoires die
op 12 V werken. De transpondersleutel moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of koelbox. De transpondersleutel moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van
de beide aansluitingen geldt een waarde
van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
G029082
BELANGRIJK
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Algemene informatie
Stand
G020139
02
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistlampen voorzijde*
Tankvulklep openen
Mistachterlicht
Betekenis
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Auto’s met actieve xenonkoplampen, ABL* zijn
uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Koplampen
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (2)
in de middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te
draaien.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen
van de auto en het verwijderen van de transpondersleutel. Bij het vergrendelen van de auto
dooft de verlichting van de displayfuncties.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te openen, wanneer de auto onvergrendeld staat, zie
pagina 132.
02
Actieve xenonkoplampen*
Mistlampen voorzijde*
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
G026507
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 61.
Verlichtingspaneel, voor actieve xenonkoplampen
Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen (Active Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee om
optimale verlichting te verkrijgen in bochten en
op kruisingen om op die manier de veiligheid
te verhogen.
brandt, wanneer de functie actief
De led
is. Bij een storing knippert de led en verschijnt
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
er een foutmelding op het informatiedisplay.
De functie is uitsluitend actief bij schemer of
donker en dan alleen als de auto rijdt.
G020789
De functie is te deactiveren/activeren met de
verlichtingsdraaiknop.
Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
Remlichten
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Voor informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie
pagina 162.
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Richtingaanwijzers
Standen stuurhendel
Onafgebroken serie knippersignalen
2
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
1
Om het groot licht te kunnen inschakelen moet
de transpondersleutel in stand II staan en de
verlichtingsdraaiknop in de eindstand, zie
pagina 58.
02
Groot licht activeren:
Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
4
3
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Korte serie knippersignalen
Groot licht deactiveren:
2
G026380
1
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen en wisselen tussen
groot licht en dimlicht
“Follow Me Home”-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens
los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de uitgangspositie.
Grootlichtsignalen
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat. Grootlichtsignalen
zijn alleen mogelijk wanneer de transpondersleutel in het contactslot steekt.
Haal de stuurhendel tot in stand (3) naar het
stuurwiel toe en laat de hendel los.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 301 seconden, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden, zie
pagina 81.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
Fabrieksinstelling.
``
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer*
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
02
Functies
G029052
De boordcomputer toont de volgende informatie:
READ - bevestigen
Duimwiel2 - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET2 - op nul stellen
•
•
•
•
•
--- KM/U GEM. SNELHEID
--.- KM/L HUIDIG
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
2
3
4
62
--- KILOMETER TOT LEGE TANK
STC AAN SPIN CONTROL AAN/DSTC
AAN SPIN CONTROL AAN*, zie
pagina 163
• --- MPH HUIDIGE SNELHEID3
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U stelt de waarde op nul met de knop
RESET.
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
Bepaalde markten.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “--.-” aan. Tijdens regeneratie4 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 145.
GEMIDDELD
Wanneer u het contact uitzet, wordt het gemiddelde brandstofverbruik vastgelegd. Het blijft
bewaard, totdat u de functie op nul stelt. U stelt
de waarde op nul met de knop RESET.
--.- L/100 KM GEMIDDELD
GEMIDDELDE SNELHEID
Bediening
HUIDIG
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km.
Wanneer “--- KILOMETER TOT LEGE
TANK ” op het display staat, zijn geen garanties meer te geven voor de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
02
MPH HUIDIGE SNELHEID.3
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Op nul stellen
1. Selecteer --- KM/U GEM. SNELHEID of
--.- L/100 KM GEMIDDELD
2. Reset met een druk op de knop RESET.
Houd de knop RESET ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
3
Bepaalde markten.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
02
B
D
C
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
0
Intervalstand
A
U kunt de wissnelheid in de intervalstand bijstellen. Draai het duimwiel (C) omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
G025411
0
Ruiten- en koplampsproeiers
Regensensor, aan/uit
Duimwiel
Ruitenwisser en -sproeier, achterklep
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (alsmede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
64
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden de
koplampen op een van de onderstaande
manieren gesproeid.
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens
worden de koplampen iedere vijfde sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang er
maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
• De actieve xenonkoplampen worden
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De draaiknop op het verlichtingspaneel in
stand 0:
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de knop in.
• De actieve xenonkoplampen worden
Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgeschakeld.
slechts iedere vijfde sproeibeurt
gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
Regensensor*
02
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de knop in.
• Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
N.B.
Ruitenwisser en -sproeier, achterklep
0
G021418
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Draai het omlaag om het interval te verlengen.
De ruitenwisser maakt na het sproeien nog
enkele extra slagen. De knop aan het uiteinde
van de hendel is een schakelaar met drie
mogelijke standen:
Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de intervalstand
innemen. Als de ruitenwisser van de achterklep
echter al op normale snelheid werkt, vindt er
geen wijziging plaats.
De intervalfunctie tijdens het achteruitrijden
kunt u desgewenst uitschakelen. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
G029053
De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van
afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk
van de motor- en de omgevingstemperatuur).
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (C), zie pagina 64.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel
van de ruitenwissers in stand 0 (niet geactiveerd).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
Regensensor activeren:
Duimwiel
Met het duimwiel kunt u de wisfrequentie
instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid van de regensensor
(als u de regensensor hebt geactiveerd).
Druk op de knop (B), zie pagina 64. Een
displaysymbool geeft aan dat de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
1. Druk op de knop (B)
2. Haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0 (niet geactiveerd), zie pagina 64.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit met een druk op knop (B),
terwijl de transpondersleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers op de voorruit kunnen anders in werking treden en beschadigd raken.
66
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G020141
G029054
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk op + of – om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
• u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Afhankelijk van het motortype.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
68
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsensets op stuurwiel*
Toetsfuncties
PHONE zodat u het telefoonsysteem vervolgens kunt gebruiken met de pijltjestoetsen.
02
Druk op EXIT. om de instellingen van het
audiosysteem te hervatten.
Met de toets ENTER kunt u menu-opties kiezen, activeren en deactiveren. U kunt de toets
ook gebruiken om de mapstructuur te openen
en de weergave te starten van audiobestanden, als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler/cd-wisselaar* zit. Voor meer informatie, zie pagina 256.
De toetsenset is verkrijgbaar in twee uitvoeringen,
afhankelijk van de uitrusting in de auto.
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u een
andere radiozender selecteren of een andere
track op een cd en het volume regelen.
Houd een van de pijltjestoetsen ingedrukt
om versneld voor- of achteruit te spoelen
of een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen in het telefoonsysteem te kunnen verrichten moet de telefoon zijn geactiveerd. Activeer de telefoonfunctie met de toets
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielverstelling, alarmlichten
Stuurwielverstelling
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02
ten automatisch ingeschakeld, zie
pagina 162. U kunt de functie uitschakelen
met een druk op de knop.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
G020143
Alarmlichten
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te maken.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
G020144
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding of een
krachtige remmanoeuvre worden de alarmlich-
70
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem
Handrem (parkeerrem)
Handrem aanzetten
1. Trap het rempedaal helemaal in.
2. Trek de hendel stevig omhoog.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
02
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
4. Als de auto beweegt dient u de hendel
strakker aan te trekken.
Zet de versnellingspook/keuzehendel bij het
parkeren altijd in de 1e versnelling (handbak) of
in stand P (automaat)
Op een helling parkeren
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
WAARSCHUWING
Zorg dat kinderen, andere passagiers of
voorwerpen niet bekneld raken bij het aanhalen of lossen van de handrem.
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van helling wijst.
WAARSCHUWING
Maak er gewoonte van om bij het parkeren
op een helling altijd de parkeerrem aan te
zetten – het inschakelen van een versnelling
bij een handbak of stand P bij een automaat
is niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
Handrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Bediening
02
Bestuurdersportier
Ook wanneer de auto stilstaat en u de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard niet
meer wanneer de beveiliging eenmaal in
werking is getreden.
Zijruit openen:
Automatische bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (1)
omlaag of trek er één omhoog en laat deze
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als een zijruit door iets
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van die zijruit afgebroken.
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat.
Druk het voorste deel van de schakelaar
omlaag.
Zijruit sluiten:
Trek het voorste deel van de schakelaar
omhoog.
Afstandsbediening en
vergrendelingsknoppen
Zie pagina124 en 132 voor het bedienen van
de elektrisch bedienbare zijruiten met de vergrendelingsknoppen en de afstandsbediening.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten
goed in de gaten, wanneer u ze met de
afstandsbediening sluit.
72
Knop elektrisch bedienbare zijruiten voorin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u beide zijruiten elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Handmatige bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (1) voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig
omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten
komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer naar
de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
door de transpondersleutel te verwijderen.
Let er bij het sluiten van de zijruiten op dat
kinderen of andere inzittenden niet bekneld
kunnen raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Passagiersplaats
02
Passagiersplaats.
Met de knop voor de elektrische bediening van
de ruit op het passagiersportier kunt u alleen
die ruit bedienen.
73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Achteruitkijkspiegel
tisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig
op spiegels met autodimfunctie.
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Normale stand
Dimstand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G031043
G031045
Achteruitkijkspiegel met kompas*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt. Het teken C verschijnt vervolgens (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
3. Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
lang ingedrukt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
02
4. Druk meerdere malen op het knopje (1) totdat het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
Magnetische zones, Europa.
G020152
6. Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
G020150
5. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
Magnetische zones, Zuid-Amerika.
Magnetische zones, Azië.
G020153
G020151
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat een kompasrichting op het display verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Magnetische zones, Australië.
``
75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt. Dat is
mogelijk als de contactsleutel in stand I of II
staat.
02
Spiegels inklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
G020154
WAARSCHUWING
Beide buitenspiegels zijn groothoekig voor
optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder
weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Magnetische zones, Afrika.
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u vóór op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen met het contact in stand I of II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje op de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Spiegels uitklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
Automatisch in-/uitklappen
Wanneer u de auto vanaf de afstandsbediening
of via het Keyless Drive-systeem, zie
pagina 128, vergrendelt/ontgrendelt, worden
de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
N.B.
Bij ontgrendeling worden de buitenspiegels
niet automatisch uitgeklapt, als deze met
behulp van de knoppen op het portier werden ingeklapt.
Als de auto via de afstandsbediening werd
vergrendeld en vervolgens wordt gestart,
zullen de buitenspiegels echter wel uitgeklapt worden.
U kunt de functie is activeren/deactiveren
onder Instellingen van de auto… Spiegels
inkl. bij afsl., zie pagina 81 voor een beschrijving van het menusysteem.
“Approach”-verlichting en “Follow Me
Home”-verlichting
02
De lampjes* in de buitenspiegels gaan branden, als de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting wordt geactiveerd.
BLIS, Blind Spot Information System*
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt,
zie pagina 168.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- of uitklappen weer werkt.
1. Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
2. Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan vervolgens weer in de neutrale stand.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Openingsstanden
Ventilatiestand
WAARSCHUWING
Openen:
Als er kinderen in de auto zitten:
02
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
transpondersleutel uit te nemen.
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
Vanuit ventilatiestand naar volledig geopend
schuifdak:
G007503
Schuifstand
Automatische bediening
G029222
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog
Schuifstand, achteruit/vooruit
De transpondersleutel moet daarbij in stand I
of II staan.
Handmatige bediening
Openen:
Openen, handmatig
Sluiten, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trek de knop voorbij het weerstandspunt
(2) in de achterste eindstand (1) of voorbij
het weerstandspunt (3) in de voorste eindstand (4) en laat hem vervolgens los. Het
schuifdak opent of sluit volledig.
Openen, automatisch
Sluiten, handmatig
78
Trek de knop achteruit naar de eindstand
(1) en laat hem los.
Trek de knop achteruit naar het weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
Duw de knop vooruit naar het weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift steeds ver-
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
der dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
Als u het sluiten moet onderbreken:
Druk nogmaals op de vergrendelingsknop.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Zorg ervoor dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld raken, wanneer u het
schuifdak met de afstandsbediening sluit.
Bedien het schuifdak alleen onder toezicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
02
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
niemand bekneld raakt.
Windscherm
Sluiten met afstandsbediening of
vergrendelingsknop
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
G020157
Beveiliging tegen overbelasting
Houd de vergrendelingsknop lang ingedrukt om het schuifdak en alle zijruiten te
sluiten. De portieren en de achterklep worden vergrendeld.
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
Bij het schuifdak hoort een windscherm dat
opgeklapt wordt bij een geopend schuifdak.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
02
Mogelijke instellingen
Display
Instellen, klok
Voor sommige autofuncties zijn persoonlijke
instellingen mogelijk. Dit geldt voor de sloten
en de klimaatregelings- en audiofuncties. Voor
de audiofuncties, zie pagina 246.
MENU
U kunt de uur- en minuutaanduiding elk apart
instellen.
EXIT
ENTER
Bedieningspaneel
Navigatie
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
A
1. Gebruik de cijfers van de toetsenset of de
“pijl-omhoog” of de “pijl-omlaag” van de
navigatieknop (E).
2. Markeer het te wijzigen cijfer met de “pijlrechts” of de “pijl-links” van de navigatieknop.
3. Druk op ENTER om de klok te starten.
Open het menu om instellingen te verrichten:
N.B.
1. Druk op de knop MENU (B).
Bij een klok met 12-uursaanduiding kies u
na het instellen van het aantal minuten voor
AM/PM met de “pijl-omhoog” of de “pijlomlaag”.
2. Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto… met behulp van de navigatieknop
(E).
E
B
3. Druk op ENTER (D).
D
C
4. Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
Klimaatinstellingen
5. Activeer uw keuze met ENTER.
Bij auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen.
G026307
Een geactiveerde functie wordt op het dis. Een gedeactiplay aangegeven met
veerde functie wordt op het display aangegeven met
.
Bedieningspaneel.
Menu sluiten:
80
Houd de knop EXIT (C) ongeveer één
seconde ingedrukt.
Autom. blower afstellen
U kunt kiezen uit Laag, Normaal en
Hoog.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Timer recirculatie
Auto is open, lampje
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in de
auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3–12 minuten lang gerecirculeerd.
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend*
U kunt de buitenspiegels bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto automatisch laten
inklappen c.q. uitklappen. U hebt de keuze uit
de opties Aan/Uit.
Auto is op slot, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit de
opties Aan/Uit.
Portieren autom op slot
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij een
rijsnelheid hoger dan 7 km/h. U hebt de keuze
uit de opties Aan/Uit.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
Guard beperkt*
Het is mogelijk de Safelock-functie tijdelijk te
deactiveren en het alarmniveau tijdelijk te verlagen, als er bijvoorbeeld iemand in de auto
achterblijft nadat de portieren van de buitenzijde zijn vergrendeld. U hebt de keuze uit
Eenmaal activeren en Vraag bij verlaten, zie
pagina 133 en 136.
• Alle portieren - beide portieren en de achterklep ontgrendelen met één druk op de
afstandsbediening.
• 1st chauffeur, dan rest - het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening. Als u nog een keer
drukt, worden ook het passagiersportier en
de achterklep ontgrendeld.
Op afstand openen
• Alle portieren - beide portieren alsmede
de achterklep worden tegelijkertijd ontgrendeld1.
02
• Eén voorportier – voorportier (naar keuze)
of achterklep wordt apart ontgrendeld.
Alle ruiten gelijktijdig sluiten/openen
Voor de werking van de vergrendelingsknop op
de afstandsbediening, de vergrendelingsknoppen op de voorportieren en bij auto’s met Keyless drive de ontgrendelingsknop aan de buitenkant van de portieren is de volgende functie
te selecteren:
• Auto. alle vensters afsl. – bij lang indrukken van de vergrendelingsknop worden
alle ruiten alsmede het schuifdak gelijktijdig gesloten.
Voor de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening en de ontgrendelingsknoppen op de
voorportieren is de volgende functie te selecteren:
• Auto. alle venst. openen – bij lang indrukken van de ontgrendelingsknop worden
alle ruiten gelijktijdig geopend.
“Approach”-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet blijven branden bij een druk op de knop
1
Beide portieren alsmede de achterklep zijn ook gelijktijdig te vergrendelen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
02
voor “Approach”-verlichting op de afstandsbediening. U hebt de keuze uit de volgende
opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
“Follow Me Home”-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen van
de transpondersleutel. U hebt de keuze uit de
volgende opties:
• 30 seconden
• 60 seconden
• 90 seconden
Informatie
• VIN-nummer… - (Vehicle Identification
Number) is het unieke identificatienummer
van de auto.
• Aantal sleutels… - geeft het aantal sleutels weer dat voor de auto geregistreerd is.
82
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G030070
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLinkŸ is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLinkŸ-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLinkŸ geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLinkŸ blijven gebruiken.
02
WAARSCHUWING
Als u HomeLinkŸ gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkŸafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en veiligheidsretour. De garagedeur dient onmiddellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLinkŸ gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knipperende lampje geeft aan dat HomeLinkŸ
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
02
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLinkŸ hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLinkŸ en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
5. Zoek de “inleerknop1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLinkŸ in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garage1
84
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLinkŸ en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLinkŸ begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLinkŸ. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ *
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
• Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸknop.
• Brandt niet continu: Het controlelampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 seconden continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rollende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkŸ-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
2
02
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLinkŸ terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal deze volgorde van indrukken, vasthouden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLinkŸ staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 83.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 88
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC............................. 90
Elektronische klimaatregeling, ECC*....................................................... 93
Luchtverdeling........................................................................................ 97
Motor- en interieurverwarming op brandstof*......................................... 98
Extra verwarming op brandstof* (diesel)............................................... 101
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
KLIMAAT
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC, Electronic Climate Control).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Storingen opsporen en verhelpen
Volvo adviseert u controle- en reparatiewerkzaamheden aan de klimaatregeling over te
laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel mag alleen R134a worden
gebruikt, zie ook pagina 288. Volvo adviseert
u om dit werk over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
Interieurfilter
Beslagen ruiten
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt eerst gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
88
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u verrichte klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
• de ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC).
• De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte.
Voor meer informatie over het verrichten van
instellingen, zie pagina 80.
03 Klimaat
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in dashboard
ECC*
Zijruiten en schuifdak
Werkelijke temperatuur
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
G019942
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Positie van de sensoren
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer – Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
• De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
• De vochtsensor zit in de achteruitkijkspiegel.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Bedieningspaneel
2
8
3
4
1
9
03
4
7
6
Ventilator
Functies
2. Recirculatie
Recirculatie
1. Ventilator
De recirculatie houdt vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er wordt geen
lucht van buiten aangezogen.
Bij gebruik van de recirculatie
(in combinatie met de airconditioning) wordt de
lucht in de passagiersruimte bij warm weer
sneller afgekoeld. Als de lucht in de auto te lang
recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Stoelverwarming linkerzijde
Stoelverwarming rechterzijde
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuur
90
G026308
5
Verhoog of verlaag de ventilatorsnelheid door aan de
knop te draaien.
Als u de knop linksom hebt
gedraaid en de ventilatorindicatie op het display gedoofd
is, zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en UIT weer.
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Zie pagina 80 om de functie te activeren/
deactiveren. Wanneer u de ontwaseming (3)
selecteert, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (5))
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
4. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 97.
5. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC). Een brandend lampje boven ON of OFF
op de knop geeft aan welke functie gekozen is.
6 en 7. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
03
Hoog verwarmingsniveau:
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Laag verwarmingsniveau:
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
03 Klimaat
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
03
Bij koud weer blijft de verwarming* echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
9. Temperatuur
Met deze knop kunt u koele of
warme lucht selecteren voor
zowel de bestuurders- als de
passagierszijde.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bedieningspaneel
2
3
9
4
5
1
10
03
5
8
7
AUTO
Ventilator
G026309
6
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuurknop
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
Functies
1. AUTOM.
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gewenste
temperatuur wordt bereikt.
De automatische functie
regelt de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
functie AUTO activeert. Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
2. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
93
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd is,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en OFF weer.
03
3. Recirculatie
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt met
andere woorden geen lucht
van buiten de auto in, wanneer deze functie
actief is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
3. Interior Air Quality System*
Dezelfde knop als de recirculatie.
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter
met een Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de
binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de
lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
Timer
Of:
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Voor het in- en uitschakelen van deze functie, zie pagina 80.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
Druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld moet laten staan.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U beter de ontwaseming voor de voorruit,
achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
4. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Selecteer een van de volgende drie functies door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
• De Air Quality Sensor is actief – het lampje
• de airconditioning (AC) wordt automatisch
(A) brandt.
• De recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
• De recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
94
Let erop dat:
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (6))
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
N.B.
Het effect van de ontwasemingsfunctie van
de klimaatregeling met vochtsensor neemt
sterk af, wanneer u de airconditioning hebt
uitgeschakeld (OFF) of handmatig een
bepaalde luchtverdeling en ventilatorsnelheid hebt gekozen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 97.
6. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
Hoog verwarmingsniveau:
Laag verwarmingsniveau:
OFF: Uit
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
03
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Bij koud weer blijft de verwarming* echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar worden
instellen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
03 Klimaat
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Met een druk op de knop, activeert u slechts
één zijde. Wanneer u de knop nogmaals
indrukt, activeert u de andere zijde. Bij een
derde keer indrukken zijn beide zijden geactiveerd.
03
Het lampje in de knop en het display boven het
klimaatregelingspaneel geven aan welke zijde
actief is.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Klimaat
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning
is altijd ingeschakeld.
om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard.
om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en de
zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
om wasem en ijsvorming bij koud en
vochtig weer te voorkomen (niet voor lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit de
blaasmonden in het dashboard.
bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in
het dashboard en op de ruiten.
om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten,
uit de blaasmonden in het
dashboard en naar de vloer.
om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03
97
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Algemene informatie over
verwarmingen
Tanken
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display.
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
03
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 50
minuten.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bevestig deze melding door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding PARK.VERW. AAN.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
98
Accu en brandstof
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Symbolen en displayteksten
Verwarming inschakelen
G029052
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of Directe start activeert, gaat het informatielampje op
het instrumentenpaneel branden
en op het informatiedisplay verschijnt een verklarende melding.
READ-knop
Duimwiel1
Knop
RESET1
Display
Betekenis
BRANDSTOFVERWARMING
AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
TIMER INGESTELD OP B.VERWARMING
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
transpondersleutel.
Display
Betekenis
VERWARMING
STOP ACCUSPANN. LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
VERWARMING
STOP BR.ST.NIV.
LAAG
03
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten nog 50 km
kan worden gereden.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar DIRECTE
START te gaan.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN en UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
1
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
99
03 Klimaat
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
03
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u een
tweede uitschakeltijd programmeren onder
TIMER 2 door aan het duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij TIMER 1.
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet: Doe het volgende:
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
1. Druk op de knop READ.
1. Gebruik het duimwiel om naar TIMER
PARK.VERW 1 te gaan.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of TIMER PARK.VERW
2.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
100
7. Druk op de knop RESET om de timers te
activeren.
De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
Klok/timer
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
03 Klimaat
Extra verwarming op brandstof* (diesel)
Extra verwarming (diesel)
Bij koud weer moet de extra verwarming wellicht worden ingeschakeld om motor en passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt.
03
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
De extra verwarming valt niet handmatig
worden in of uit te schakelen, maar wordt
geheel elektronisch gestuurd.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
Voorstoelen ..........................................................................................
Interieurverlichting.................................................................................
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte .........................................
Achterbank............................................................................................
Bagageruimte........................................................................................
102
104
109
112
116
118
INTERIEUR
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding, handmatig bedienbare
stoel
Lendensteun wijzigen1, aan de knop
draaien.
Zithouding, elektrisch bedienbare
stoel*
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
Hendel (2) is niet op alle stoelmodellen aanwezig.
WAARSCHUWING
04
G020199
Zet de bestuurdersstoel in de juiste stand en
stel de veiligheidsgordel af (zie pagina 18)
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het bijstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
1
104
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De veiligheidsgordel bij het omdoen vanonder bij de gordelgeleider omhooghalen, niet
vanboven bij de schouder omlaag.
Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
04 Interieur
Voorstoelen
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Geheugenfunctie
N.B.
Het geheugen van de transpondersleutel
werkt onafhankelijk van het geheugen van
de stoel.
Achterinstap, handmatig bedienbare
stoel
04
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
G020200
Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld kan raken.
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2. Houd knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt.
Geheugenfunctie van
transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd in het geheugen van de transpondersleutel waarmee u de auto vergrendelt. Een
volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het
bestuurdersportier wordt geopend, neemt de
bestuurdersstoel de vastgelegde stand in.
Handgreep voor omklappen rugleuning
Knop voor langsverschuiving elektrisch
bedienbare stoel
``
105
04 Interieur
Voorstoelen
Stoel naar achteren duwen:
N.B.
Zorg dat er niemand op de stoel zit, wanneer
deze ten behoeve van de achterinstap naar
voren schuift.
N.B.
04
Zet de stoel lager alvorens deze naar voren
te duwen – anders bestaat het gevaar dat
de hoofdsteun tegen de zonneklep aankomt.
Stoel naar voren duwen
Til de handgreep omhoog
Klap de rugleuning tot in de geblokkeerde
stand naar voren.
4. Duw de stoel naar voren.
Til de handgreep omhoog en klap de rugleuning weer rechtop.
2. Duw de stoel naar achteren.
3. Stel de positie van de stoel in lengterichting
in.
4. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
Als de stoel, nadat deze naar achteren geschoven werd, niet terugkomt in dezelfde stand als
vóór de achterinstap, doe dan het volgende:
Neem de veiligheidsgordel van de gordelgeleider, zie ook pagina 20.
106
1. Neem plaats op de stoel.
04 Interieur
Voorstoelen
2. Til de handgreep (1), zie pagina 104,
omhoog en duw de stoel tot in de achterste
eindstand.
3. Duw, terwijl u de handgreep omhooghoudt, de stoel tot in de gewenste stand
naar voren en laat de handgreep weer los.
Achterinstap, elektrisch bedienbare
stoel
*
04
Stoel naar voren duwen
Til de handgreep omhoog.
Houd de voorkant van de knop ingedrukt.
Klap de rugleuning tot in de geblokkeerde
stand naar voren.
Als de stoel hoger afgesteld staat, zakt
deze automatisch tot in de laagste stand
omlaag om te voorkomen dat de hoofdsteun tegen de zonneklep aankomt.
Neem de veiligheidsgordel van de gordelgeleider, zie ook pagina 20.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
107
04 Interieur
Voorstoelen
Stoel naar achteren duwen
N.B.
Alleen wanneer de rugleuning omgeklapt is,
kan de stoel maximaal (+6 cm) naar voren
worden geschoven om achterpassagiers
makkelijker te laten in- en uitstappen. Als u
de rugleuning weer rechtop zet terwijl de
stoel zo ver mogelijk naar voren staat,
schuift de stoel na enkele seconden automatisch 6 cm naar achteren.
WAARSCHUWING
04
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen en
eraan te trekken.
Til de handgreep omhoog en klap de rugleuning weer rechtop.
Houd de achterkant van de knop ingedrukt.
3. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
Laat de veiligheidsgordel aan de passagierszijde tijdens het rijden op de gordelgeleider zitten, ook al zit er niemand op deze stoel.
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Interieur
Interieurverlichting
• de motor afgezet is en het contact in stand
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
0 is gezet
Het lampje gaat automatisch aan of uit, wanneer u het klepje optilt c.q. sluit.
• de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Verlichting dashboardkastje
Plafondverlichting
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een druk op de bijbehorende knoppen op
de plafondconsole.
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Bagageruimteverlichting
Instapverlichting
04
G020201
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
Make-upspiegel*
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor, aan/uit
G007604
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
Interieurverlichting achterin en bagageruimteverlichting.
G020210
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook worden ingeschakeld binnen
30 minuten nadat:
Behalve de interieurverlichting zit er nog een
lampje links in de bagageruimte.
De interieur- en bagageruimteverlichting worden bij het openen en sluiten van de achterklep
automatisch in- en uitgeschakeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
04 Interieur
Interieurverlichting
Automatische verlichting
Met de knop (2), zie pagina 109, kunt u drie
verlichtingsstanden selecteren voor de verlichting in het interieur:
• Uit – rechterkant (met opschrift 0) ingedrukt, automatische bediening interieurverlichting uitgeschakeld.
• Neutrale stand – automatische verlichting
ingeschakeld. De dimfunctie is actief.
04
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop (2) in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto met de transpondersleutel ontgrendelt;
• u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel naar stand 0. hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start
• de auto wordt vergrendelt met een sleutel
of transpondersleutel.
110
De interieurverlichting gaat aan en blijft 5 minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na 5 minuten automatisch worden uitgeschakeld.
04 Interieur
Interieurverlichting
04
111
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
04
112
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel.
Dashboardkastje
Kledinghaak
Opbergvak aan voorkant voorstoelzittingen (afhankelijk van bekleding).
Parkeerkaarthouder
Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken).
Dashboardkastje
Opbergvak (bijvoorbeeld voor cd’s) en
bekerhouders* en opbergvak achter de
middenconsole.
Opbergvakken in zijpanelen achterin met
plaats voor maximaal drie blikjes.
Opbergvak voor EHBO-kit.
Opbergvakken voor kaarten en tijdschriften.
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
G024208
Flessenhouder*
04
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor parkeergeld, pennen en tankkaarten.
De hoofdsteun van de passagiersstoel is voorzien van een kledinghaak. Hang alleen lichtere
kledingstukken aan deze haak.
Het dashboardkastje kan handmatig worden
vergrendeld met behulp van het afneembare
sleutelblad van de transpondersleutel. Meer
informatie staat op pagina 125.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak onder de armsteun voorin
Bekerhouder in middenconsole
Onder de armsteun zit een opbergvak. In de
deelbare armsteun zit tevens een kleiner
opbergvak. Druk op de kleine knop en licht de
armsteun op om het ondiepe opbergvak te
openen. Druk op de grote knop en licht de
armsteun op om het diepere opbergvak te openen.
Het diepe vak biedt plaats aan 10 cd-hoesjes
van standaardformaat. Om 10 hoesjes te kunnen opbergen dient u ze met de korte kant
omlaag aan te brengen.
G018372
G026704
G018371
04
In het vakje onder het schuifklepje kan een
dubbele bekerhouder worden aangebracht.
Wanneer u de bekerhouder verwijdert, kunt u
andere spullen in het vakje opbergen. Licht
daarvoor de bekerhouder aan de achterkant,
bij de uitsparing, op.
Breng bij het aanbrengen van de bekerhouder
eerst de twee stuurnokken aan in de twee uitsparingen voor in het vakje en duw daarna de
achterkant van de bekerhouder omlaag.
Sluit het schuifklepje door het aan de voorkant
beet te pakken en naar voren toe dicht te schuiven.
114
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak achter versnellingspook
Flessenhouder*
Asbak*
Wanneer de auto geen knoppen heeft voor
Park Assist en BLIS, zie pagina 166 en 168, is
de ruimte voor de ontbrekende knoppen te
benutten als opbergvak.
Er zit een flessenhouder achter in de middenconsole om de grotere flessen in te zetten.
G019622
G017441
04
Er zit een asbak achter in de middenconsole.
Open deze asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten te trekken.
Asbak legen:
WAARSCHUWING
Eventuele voorwerpen in de opbergvakken
mogen een aangetrokken handremhendel
niet in de weg zitten.
1. Duw de pal omlaag (zie bovenstaande
afbeelding) om het klepje omlaag te kantelen.
2. Til de asbak vervolgens tevoorschijn.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
115
04 Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
Ruggedeelte omklappen
1. Trek de pal naar voren toe omhoog om het
ruggedeelte te ontgrendelen. Een rode
markering (A) geeft aan dat het ruggedeelte
niet langer geblokkeerd staat.
2. Klap de rugleuning naar voren toe om.
Ruggedeelte rechtop zetten
1. Zet het ruggedeelte rechtop.
2. Leg de veiligheidsgordel boven op het ruggedeelte.
04
3. Duw het ruggedeelte naar achteren zodat
het vergrendeld wordt.
4. Controleer of het ruggedeelte vergrendeld
staat.
Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u
de pal achter de rechter poot indrukken terwijl
u de hoofdsteun omlaagduwt. Om de hoofdsteun te verwijderen moet u ook de pal achter
de rechter poot indrukken en de hoofdsteun
omhoog lostrekken.
116
G009109
Alle hoofdsteunen van de achterbank kunt u in
de hoogte afstellen op de lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd
komt te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
De ruggedeelten van de achterbank kunnen,
allebei of ieder apart, worden omgeklapt om
lange voorwerpen gemakkelijker te kunnen
vervoeren.
04 Interieur
Achterbank
Middenarmsteun achterbank
WAARSCHUWING
Leg de veiligheidsgordels boven op de ruggedeelten voordat u deze weer rechtop zet.
N.B.
De rode markering (A) mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer
rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet
geblokkeerd, als de rode markering wel
zichtbaar is.
G009152
G007608
04
De middenarmsteun van de achterbank is
omlaag te klappen om de achterpassagiers
meer comfort te bieden of om ruimte te maken
voor het vervoer van lange lading. Bij het
omklappen van een van de ruggedeelten dient
u ook de middenarmsteun neer te klappen.
Voor het verankeren van lading, zie
pagina 185.
117
04 Interieur
Bagageruimte
Zachte bagageafdekking*
4. Bevestig de haken aan de achterste verankeringsogen (D).
Harde bagageafdekking*
Bagageafdekking ophangen na gebruik
1. Haal de haken uit de achterste verankeringsogen (D).
2. Duw de rail bijeen om deze van de achterste bevestiging (C) te halen. Leg de rail
vooraan op de vloer in de bagageruimte.
3. Zet de haken bij de bevestigingspunten (B)
aan de rail vast.
Zachte bagageafdekking.
Bagageafdekking verwijderen
U haalt de bagageafdekking over de bagage
heen en bevestigt deze aan de achterste verankeringsogen. Maak bij het inladen (D) en zo
nodig ook (C) los.
1. Haal de haken los en verwijder de rails één
voor één door ze bijeen te drukken en ze
van de bevestigingen los te halen.
Bagageafdekking bevestigen
1. Bevestig de haken aan de voorste verankeringsogen bij de vloer (A).
2. Breng de voorste bevestigingen aan bij (B)
door de veerbelaste rail in te duwen en
deze aan weerszijden in positie te brengen.
3. Zet de achterste bevestigingen op
dezelfde manier bij (C) vast.
118
De bagageafdekking kan zo achter het ruggedeelte van de achterbank blijven hangen totdat
u de afdekking weer nodig hebt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Wanneer u alle bevestigingen hebt losgemaakt, kunt u de bagageafdekking oprollen en helemaal achteraan op de vloer in de
bagageruimte leggen om ruimte te maken
voor omvangrijke lading.
N.B.
De bagageafdekking is niet bedoeld om
bagage tegen te houden. Leg geen voorwerpen boven op de bagageafdekking. zie
pagina 185 voor het verankeren van lading.
G009475
G007614
04
Bagageafdekking bevestigen
1. Schuif, voordat u de bagageafdekking de
bagageruimte intilt, alle vier de vergrendelingspennen in door de vergrendelingsknoppen in de eindstand te trekken. De
vergrendelingspennen blijven in de ingeschoven stand staan.
2. Til de bagageafdekking voorzichtig overdwars de bagageruimte in, draai de afdekking vervolgens weer recht en kantel de
voorkant iets omhoog.
04 Interieur
Bagageruimte
De klep in de bagageafdekking is op te klappen
om spullen in of uit te laden.
Vloerluik opklappen
N.B.
De bagageafdekking is niet bedoeld om
bagage tegen te houden. Leg geen voorwerpen boven op de bagageafdekking. zie
pagina 185 voor het verankeren van lading.
Vergrendelingen en steunpennen.
04
1. Schuif de voorste vergrendelingspennen
(A) tot in de eindstand in door aan weerszijden de vergrendelingsknoppen naar
achteren te trekken.
G014316
G007611
Bagageafdekking verwijderen
3. Leg het voorste gedeelte aan weerszijden
op de twee steunpennen achter de vergrendelingspunten (A).
2. Schuif de achterste vergrendelingspennen
(B) tot in de eindstand in door aan weerszijden de vergrendelingsknoppen naar
achteren te trekken.
Zonder bagageafdekking
4. Breng de ene vergrendeling achteraan aan
bij (B) en schuif de vergrendelingspen uit
door de vergrendelingsknop naar voren te
duwen.
3. Til de bagageafdekking op en verdraai
deze voordat u de afdekking uit de bagageruimte tilt.
Met harde bagageafdekking
5. Breng de andere vergrendeling achteraan
op dezelfde manier aan en schuif de vergrendelingspen uit door de vergrendelingsknop naar voren te duwen.
Klap het vloerluik op en zet het aan weerszijden
aan de borgnokken vast.
Klap het luikje in de bagageafdekking op. Klap
vervolgens het vloerluik op en zet het aan de
haak vast onder op de bagageafdekking.
6. Schuif de voorste vergrendelingspennen
één voor één uit, zodat ze in de vergrendelingspunten (A) vast komen te zitten.
``
119
04 Interieur
Bagageruimte
Bagagenet*
4. Span de banden zo nodig aan.
Verankeringsogen*
5. Controleer alle bevestigingen.
Bagagenet verwijderen
1. Zet de banden minder strak.
2. Haal de haken aan weerszijden uit de ogen
bij de vloerbevestiging van de veiligheidsgordel.
3. Maak het net los bij de bevestigingen op
de plafondpanelen.
4. Vouw het bagagenet op en bewaar het in
de opbergzak.
G007602
G007603
04
WAARSCHUWING
Bewaar het bagagenet achter de rugleuning
van de voorstoelen. Het bagagenet is alleen
bedoeld voor gebruik met de ruggedeelten van
de achterbank omgeklapt. Voor het verankeren
van lading, zie pagina 185.
Bagagenet bevestigen
1. Klap de ruggedeelten aan weerszijden
omlaag, zie pagina 116.
2. Bevestig het bagagenet aan de steunen op
het plafondpaneel.
3. Bevestig de haken aan weerszijden in de
ogen bij de vloerbevestiging van de veiligheidsgordel.
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ook bij correcte montage van het bagagenet moet de bagage in de bagageruimte
altijd goed worden verankerd.
De verankeringsogen in de bagageruimte
gebruikt u om bagagebanden of een bagagenet aan vast te zetten.
Bij de schuifrails van de beide veiligheidsgordels zitten twee extra verankeringsogen waaraan u het bagagenet na gebruik kunt vastzetten.
Voor het verankeren van lading, zie
pagina 185.
04 Interieur
04
121
Transpondersleutel met sleutelblad......................................................
Vergrendelingspunten...........................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Batterij in transpondersleutel................................................................
Vergrendelen en ontgrendelen .............................................................
Alarm* ...................................................................................................
122
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
124
127
128
131
132
135
SLOTEN EN ALARM
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd.
De transpondersleutels bevatten afneembare
metalen sleutelbladen voor het mechanisch
vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels/
sleutelbladen voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
05
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto ontgrendelt met een transpondersleutel of het Keyless Drive-systeem,
lichten de richtingaanwijzers van de auto tweemaal korte tijd op om aan te geven dat de auto
op de juiste manier ontgrendeld is.
Bij het vergrendelen lichten de richtingaanwijzers lang op en dit alleen als alle portieren alsmede de achterklep na het sluiten correct zijn
vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen in het menusysteem is het mogelijk om de lichtsignalen via
de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt
dan niet langer een signaal dat de vergrende-
124
ling op de juiste manier heeft plaatsgevonden,
zie pagina 81.
Functies transpondersleutel
Zoekgeraakte transpondersleutel
Als een van de transpondersleutels zoekraakt,
moet u de auto samen met de resterende
transpondersleutels naar een Volvo-werkplaats, bij voorkeur een erkende Volvo-werkplaats, brengen. Ter voorkoming van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte transpondersleutel uit het systeem worden gewist.
Elektronische startblokkering
De transpondersleutels zijn voorzien van gecodeerde chips. De code moet overeenkomen
met die van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U kunt de auto alleen starten, wanneer
u een transpondersleutel met de juiste code
gebruikt.
G019402
Transpondersleutel
Vergrendelen – alle portieren en de achterklep vergrendelen. Bij lang indrukken
(ten minste 2 seconden) worden ook de zijruiten en het schuifdak tegelijkertijd gesloten.
Ontgrendelen – alle portieren en de achterklep ontgrendelen. Bij lang indrukken
(ten minste 4 seconden) worden ook de zijruiten geopend.
“Approach”-verlichting – verlichting op
afstand inschakelen om het gebied rond de
auto op een slecht verlichte parkeerplaats
beter te zien. Met één druk op de knop
gaan interieurverlichting, stadslichten vóór
en achterlichten, kentekenplaatverlichting
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
en buitenspiegelverlichting (optie) branden. De verlichting schakelt na 30, 60 of 90
seconden automatisch uit. Voor het instellen van een passende inschakelduur, zie
pagina 81.
Achterklep – wanneer u de knop eenmaal
indrukt, ontgrendelt u alleen de achterklep.1
bedienen is vanaf de afstandsbediening,
zie pagina 129.
BELANGRIJK
Het smalle gedeelte van de transpondersleutel is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de auto niet starten, als
de chip beschadigd is.
Sleutelblad verwijderen
Afneembaar sleutelblad
Haal het sleutelblad als volgt uit de transpondersleutel:
Duw de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar buiten.
Sleutelblad bevestigen
05
G019403
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de transpondersleutel terugplaatst.
WAARSCHUWING
1. Houd de transpondersleutel met de puntige kant omlaag en laat het sleutelblad in
de groef vallen.
U kunt het afneembare sleutelblad van de
transpondersleutel gebruiken om:
2. Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
• het bestuurdersportier handmatig te ope-
Portier ontgrendelen met sleutelblad
nen, als de centrale vergrendeling niet te
1
blokkeren, zie pagina 126.
• PACOS* te activeren/deactiveren, zie
pagina 24.
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode knop ten minste drie seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. U kunt
deze functie met dezelfde knop weer uitschakelen, als de functie minimaal
5 seconden actief geweest is. Als u niets
doet, wordt de functie na 30 seconden
automatisch uitgeschakeld.
Controleer of niemand met de handen
bekneld raakt wanneer u het schuifdak en
de zijruiten vanaf de transpondersleutel
sluit.
• de toegang tot het dashboardkastje te
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurders-
Bij gebruik van deze functie wordt het kofferdeksel alleen ontgrendeld en niet geopend.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel met sleutelblad
portier op de volgende manier ontgrendelen en
openen.
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het bestuurdersportier.
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 125.)
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
2. Draai het blad 45 graden rechtsom en open
het portier.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 136.
05
Neem het sleutelblad uit.
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
N.B.
Dashboardkastje vergrendelen
Met een transpondersleutel zonder sleutelblad is ontgrendelen van het dashboardkastje niet mogelijk.
G020034
Dit is handig voor als u de auto afgeeft voor
een onderhoudsbeurt of als u hem bij een
hotel of iets dergelijks laat parkeren.
Het dashboardkastje wordt vergrendeld.
126
05 Sloten en alarm
G019405
Vergrendelingspunten
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met sleutelblad.
05
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel met verwijderd sleutelblad.
127
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
meer bijbestellen. Het systeem kan tot zes
transpondersleutels met Keyless-functie hanteren.
Transpondersleutel binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
05
G007577
Om een portier of de achterklep te kunnen openen moet de transpondersleutel zich binnen
een straal van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de transpondersleutel alleen in een binnenzak of tas bij u te
dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan niet
langer de transpondersleutel erbij te nemen of
op te zoeken.
De twee transpondersleutels van de auto
ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit betekent dat u de transpondersleutel bij
zich moet dragen om een portier te openen.
Wanneer u aan de ene kant van de auto staat,
is het niet mogelijk om met de transpondersleutel een portier aan de andere kant te openen.
Het grijs gearceerde gebied op de afbeelding
geeft het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
transpondersleutel met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de transpondersleutel weer
in de auto wordt gelegd of wanneer u de startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De waarschuwing wordt alleen gegeven, als de startknop in stand I of II staat bij het openen of sluiten van een portier.
Wanneer de transpondersleutel weer in de auto
is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat een van de
volgende handelingen is uitgevoerd:
• een deur is geopend of gesloten
• de startknop is naar stand 0 gedraaid
• de knop READ is ingedrukt.
Nooit een transpondersleutel in de auto
achterlaten
Als u een transpondersleutel met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt deze bij het
vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen het portier er dan
niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
transpondersleutel in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw transpondersleutels.
Storingen in de functie van de
transpondersleutel
De Keyless-functie kan verstoord worden door
elektromagnetische afschermingen en magnetische velden. Doe het volgende om dit te voorkomen: leg de transpondersleutel bijvoorbeeld
niet dicht bij een mobiele telefoon, metalen
voorwerpen of in een metalen attachékoffer.
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de transpondersleutel en het sleutelblad op de normale manier gebruiken, zie
pagina 124.
Vergrendelen
Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u
op de vergrendelingsknop drukt. Anders vindt
er geen vergrendeling plaats.
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant van
de portieren omlaag.
N.B.
Bij een auto met een automatische versnellingsbak en het Keyless drive-systeem dient
de keuzehendel in stand P te worden gezet
en de startknop naar stand 0 te worden
gedraaid, aangezien de auto anders niet kan
worden vergrendeld of op alarm kan worden
gezet.
delingsknop op de transpondersleutel, zie
pagina 124.
Elektrisch bedienbare stoel –
geheugenfunctie van transpondersleutel
Als meerdere personen met elk hun eigen
transpondersleutel met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
05
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
U kunt de portieren en de achterklep als volgt
vergrendelen, wanneer de transpondersleutel
zich binnen het dekkingsgebied van de systeemantennes bevindt:
Druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Wanneer de transpondersleutel zich binnen het
dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
1. Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
2. Open de achterklep door de openingsknop
op de achterklep onderhands in te drukken
en de achterklep op te tillen.
Als de Keyless-functie van de transpondersleutel om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgren-
G020225
G020033
Ontgrendelen
Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurders-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
129
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
portier op de volgende manier ontgrendelen en
openen:
Locatie antennes
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
1. Om bij het sleutelgat te komen: Werk de
kunststof afdekking van de handgreep
voorzichtig los door het sleutelblad in de
opening aan de onderkant van de afdekking te steken.
2. Ontgrendel het portier met het sleutelblad.
Persoonlijke instellingen
N.B.
05
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen
(zie pagina 81).
G020075
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. Het wordt uitgeschakeld door de transpondersleutel in het
contactslot te steken, zie pagina 136.
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto:
Achterbumper, aan de binnenkant in het
midden
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, links
Middenconsole, onder achterstuk
Portierhandgreep, rechtsachter
Middenconsole, onder voorstuk
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Sloten en alarm
Batterij in transpondersleutel
Uitgeputte batterij in
transpondersleutel
signalen van de transpondersleutel, moet u de
batterij vervangen (type CR 2450, 3 V).
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal functe
tioneert, begint het informatiesymbool
branden en verschijnt op het display de melding SLEUTEL BATTERIJ LAGE
SPANNING of AFSTANDSBED. – BATT.
VERVANGEN.
1. Leg de transpondersleutel met de knoppen
omlaag neer en werk de afdekking met een
kleine schroevendraaier los.
Batterij in transpondersleutel
vervangen
4. Werk de batterij los en vervang deze. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
2. Verwijder de afdekking.
3. Let op de positie van de plus (+) en minpool (–) (zie de afbeelding aan de onderkant van de afdekking).
5. Plaats de afdekking terug en duw deze
vast.
05
G019406
Zorg dat de oude batterij op een milieuontlastende wijze wordt afgevoerd.
Als de sloten herhaalde malen achtereen niet
meer op de gebruikelijke afstand reageren op
131
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto met de
transpondersleutel van de buitenzijde vergrendelt. De auto is dan namelijk niet meer
van de binnenzijde te ontgrendelen.
Voor auto’s met Keyless drive-functie (zie
pagina 128).
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de persoonlijke instellingen, zie pagina 81):
• bij eenmaal indrukken worden de portieren
en de achterklep ontgrendeld
Versneld sluiten
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden) van
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel worden alle zijruiten en het schuifdak*
tegelijkertijd gesloten.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld
(geldt niet bij vergrendeling van de binnenzijde). Deze functie beperkt de kans dat u de
auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. (Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 136.)
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
• bij de eerste keer indrukken wordt het
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken de rest van de portieren alsmede de achterklep.
Vergrendelen
De vergrendelingsknop op de transpondersleutel vergrendelt alle portieren en de achterklep.
N.B.
Ook als de achterklep openstaat is het
mogelijk de auto te vergrendelen – wanneer
u het kofferdeksel vervolgens sluit bestaat
het gevaar dat u zich buitensluit met de
sleutels nog in de auto*.
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achterklep
Ontgrendelen
Alleen achterklep ontgrendelen:
Druk op de knop van de transpondersleutel
waarmee u de achterklep ontgrendelt.
Vergrendelen
Als de achterklep openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft de achterklep ook na
sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel met
de vergrendelingsknop op de transpondersleutel of van de binnenzijde om zowel de portieren als de achterklep te vergrendelen.
G007451
05
Met de knop voor de centrale vergrendeling op
het bestuurdersportier kunt u alle portieren en
de achterklep tegelijkertijd vergrendelen of
ontgrendelen.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Ontgrendelen
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en de achterklep automatisch te laten vergrendelen bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
Doorluchtfunctie
Druk op het bovenste gedeelte van de ver.
grendelingsknop
Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden)
worden ook alle zijruiten tegelijk geopend
– om bijv. bij warm weer snel voor frisse
lucht in de auto te zorgen.
Vergrendelen
Druk op het onderste gedeelte van de ver.
grendelingsknop
Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden)
worden ook alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
Portieren openen
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
Trek tweemaal aan de handgreep om het
portier te ontgrendelen, waarna u het kunt
openen.
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
A
• trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
• Druk op de bovenkant van de knop voor
centrale vergrendeling
en trek aan de
openingshandgreep op het portier.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 81).
E
B
D
C
05
Safelock-functie*1
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn vanaf de transpondersleutel.
Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10–25 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
1
Tijdelijk deactiveren
G026307
Druk op het bovenste gedeelte van de ver.
grendelingsknop
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Display
MENU
EXIT
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
erop dat ook de* bewegingsmelders en
niveausensoren van het alarmsysteem
worden uitgeschakeld, zie pagina 136.
ENTER
Navigatie
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 81).
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar sleutelstand II draait, wordt het systeem
gereset, waarna op het display van het instrumentenpaneel de melding Guard volledig verschijnt. Daarmee zijn de Safelock-functie en de
bewegingsmelders en niveausensoren* van
het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld.
of
• Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
2. Kies Verlaagde guard.
05
3. Kies Eenmaal activeren: Op het display
van het instrumentenpaneel verschijnt de
melding Guard beperkt - Zie
handleiding en de Safelock-functie wordt
uitgeschakeld bij vergrendeling van de
auto.
of
Kies Vraag bij verlaten: Iedere keer dat u
de sleutel naar stand 0 draait, verschijnt op
het display van het audiosysteem de melding Druk ENTER om guard te
beperken tot de motor start. EXIT is
annuleren – kies dan een van de alternatieven:
• Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto. Let
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
•
Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
•
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Alarmindicatie
N.B.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
• een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
Alarmfunctie inschakelen
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
• er beweging in de passagiersruimte wordt
G020227
waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is)
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
BELANGRIJK
(op auto’s met een niveausensor)
• een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld
• iemand de sirene probeert los te koppelen
• de achterruit wordt ingeslagen.
Druk op de vergrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
05
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
• De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
• De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het activeren van sleutelstand II – het alarm is
afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – een
erkende Volvo-werkplaats wordt geadviseerd.
Alarmfunctie uitschakelen
Druk op de ontgrendelingsknop op de
transpondersleutel. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat de portieren zijn ontgrendeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
05 Sloten en alarm
Alarm*
Automatische herinschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
alarm volgens de bovenstaande aanwijzingen eerder uitschakelt.
Transpondersleutel defect
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel ontgrendeld (en het alarm
gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt
bovendien opnieuw vergrendeld.
Beperkt alarmniveau
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie,
zie pagina 133
05
Druk op de ontgrendelingsknop van de
transpondersleutel of steek de sleutel in
het contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 25 seconden lang een sirene.
Deze beschikt over een eigen accu die
wordt ingeschakeld, als de startaccu van
de auto te weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
• Alle richtingaanwijzers knipperen
5 minuten lang of korter wanneer u het
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G019420
Geactiveerd alarm uitschakelen
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot (3). Het alarm wordt uitgeschakeld.
Het alarmlampje knippert snel totdat u de
transpondersleutel naar sleutelstand II
draait.
Ook als de transpondersleutel om wat voor
reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm nog
steeds uitschakelen en de motor als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
2. Bij auto’s met Keyless drive moet u eerst
de startknop verwijderen door de pal (1) in
te duwen en de knop los te trekken (2).
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Open alle zijruiten.
2. Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm is
ingeschakeld.
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Er moet dan een
05 Sloten en alarm
Alarm*
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
Alarm op portieren testen
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
4. Open een van de portieren. Er moet dan
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
transpondersleutel te ontgrendelen.
05
Alarm op motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder.
2. Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de toets op de
transpondersleutel.
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er moet dan
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
137
Algemene informatie.............................................................................
Tanken..................................................................................................
Alcoguard * .........................................................................................
Motor starten .......................................................................................
Motor starten, FlexiFuel........................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Remsysteem.........................................................................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)* .........................................
Parkeerhulp*..........................................................................................
BLIS* – Blind Spot Information System ...............................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak* .............................................................................................
Afneembare trekhaak* ..........................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Lichtbundel aanpassen ........................................................................
138
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
140
142
146
150
152
154
155
156
161
163
165
168
172
176
177
179
181
185
186
STARTEN EN RIJDEN
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen, zie pagina 14.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
• Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
• Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller
de normale bedrijfstemperatuur.
• Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
06
• Verwijder lastdagers die u niet gebruikt.
• Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
• Rijd niet met open zijruiten.
Motor, versnellingsbak en
koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken.
Voor aanvullende informatie over oververhitting bij gebruik van een aanhanger/caravan, zie
pagina 178.
• Bij gevaar voor oververhitting wordt een
ingebouwde beveiliging geactiveerd die er
onder meer voor zorgt dat het oranje informatielampje op het instrumentenpaneel
gaat branden en dat er een melding met
een advies verschijnt – volg het advies op.
• Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in het rode gebied uitslaat,
dient u de auto te stoppen en de motor
enkele minuten stationair te laten draaien.
• Verwijder verstralers voor de grille bij ritten
in gebieden met een warm klimaat.
• Bij oververhitting kan de airconditioning
zichzelf tijdelijk uitschakelen.
140
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
N.B.
Het is normaal dat de koelventilator na het
afzetten van de motor nog enige tijd kan
blijven werken.
Dieselmotor 1.6D
Wanneer de auto frequent zwaar belast wordt
bij warm weer, kunt u de koelventilator van de
motor laten vervangen door een exemplaar
met een grotere capaciteit. Informeer bij de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats naar
de mogelijkheden voor uw auto.
Open achterklep
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken reikt om elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
startaccu in verschillende mate. Laat de transpondersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Maak in plaats daarvan gebruik van de stand
I – het stroomverbruik is dan minder.
Let erop dat de 12V-aansluiting in de bagageruimte ook spanning levert, wanneer u de
transpondersleutel uit het contactslot hebt
genomen.
• koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding ACCUSPANN.
LAAG STROOMBESPARING. De energiebesparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en/of het audiosysteem uit te schakelen.
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
06
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/systemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
141
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij de
weerstand.
3. Trek de dop uit de vulopening.
4. Hang hem aan de binnenkant van de tankvulklep op.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Vergeet niet de standverwarming op brandstof uit
te schakelen alvorens te tanken!
06
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 59). De klep kan niet
worden geopend wanneer de motor loopt. De
tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Tankdop
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een merkbare weerstand voelt.
142
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen
en het brandstofverbruik (zie het volgende
hoofdstuk Brandstof voor meer informatie).
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brandstofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvullende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
CO2-uitstoot, brandstofverbruik en tankinhoud, zie pagina 291
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. Hij is dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysator bestaat uit een
monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De
wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze
daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NEN-EN
228. De meeste motoren kunnen op benzine
met een octaangetal van 91, 95 en 98 (RON)
lopen.
BELANGRIJK
•
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
•
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Bio-ethanol (E 85)
Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang
ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor viercilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor een
maximale prestaties tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
WAARSCHUWING
Het gebruik van methanol is niet toegestaan. De sticker aan de binnenkant van de
tankvulklep geeft de juiste soort alternatieve
brandstof aan.
06
Het gebruik van onderdelen die niet
bestemd zijn voor bio-ethanolmotoren kan
brand, lichamelijk letsel of motorschade
veroorzaken.
Jerrycan
Houd een eventuele jerrycan in de auto gevuld
met benzine, zie N.B.-kader op pagina 152.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verla``
143
06 Starten en rijden
Tanken
BELANGRIJK
Zorg dat de jerrycan met brandstof goed
vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is.
WAARSCHUWING
Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er
kunnen explosieve dampen ontstaan in een
jerrycan die met ethanol gevuld wordt.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
06
1
144
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze brandstof is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
06 Starten en rijden
Tanken
1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en draai deze naar sleutelstand II
(zie pagina 150).
2. Wacht ca. 1 minuut.
3. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en draai de transpondersleutel naar de startstand III.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeel-
tjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur
hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10–20
minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan
dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie
kan het brandstofverbruik iets stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20
minuten verder.
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
06
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht het oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
GEBR. HANDL. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op tempera-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
06 Starten en rijden
Alcoguard *
Algemene informatie over het
alcoholslot
Functies
Batterij
Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die
onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
Voordat de motor kan worden gestart, moet u
een blaastest afgeven om vast te stellen dat u
niet onder de invloed van alcohol bent. Het
alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte
van de grenswaarde voor verkeersdeelname
die in uw land geldt.
Het controlelampje (4) van de blaasunit geeft
de ladingstoestand van de batterij aan:
WAARSCHUWING
Het alcoholslot is een hulpmiddel dat u niet
ontslaat van uw verantwoordelijkheden als
bestuurder. De bestuurder dient altijd nuchter te blijven en de auto op een veilige
manier te besturen.
Bediening
Lampje (4)
Ladingstoestand
batterij
Knippert groen
Wordt opgeladen
Groen
Volledig opgeladen
Oranje
Half opgeladen
Rood
Ontladen – plaats de
lader in de houder of
sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje aan.
1. Mondstuk voor blaastest.
2. Schakelaar.
3. Zendertoets.
06
4. Lampje voor ladingstoestand batterij.
5. Lampje voor resultaat blaastest.
6. Lampje dat aangeeft dat het systeem
gereed is voor een blaastest.
N.B.
Bewaar de blaasunit in zijn houder. Zo blijft
de ingebouwde batterij opgeladen en kan
het alcoholslot automatisch worden geactiveerd bij het openen van de auto.
Alvorens de motor de starten
De blaasunit wordt automatisch geactiveerd
en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto.
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Alcoguard *
1. Wanneer het controlelampje (6) groen
oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
Resultaat van de blaastest
2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de
blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit
eerst te activeren met de schakelaar (2).
3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep
adem en blaas gelijkmatig totdat er
ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
Het resultaat is een van de alternatieven in
de volgende tabel Resultaat van de
blaastest.
Betekenis
Groen lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
Start de motor –
geen alcohol gemeten.
Oranje lampje +
ALCOGUARD
GOEDGEK.TEST
4. Als er geen melding verschijnt, kan er wat
mis zijn gegaan tijdens de gegevensoverdracht naar de auto – druk in dat geval op
de toets (3) om de testgegevens handmatig naar de auto te zenden.
Rood lampje +
AFGEKEURDE
TEST WACHT 1
MINUUT
5. Klap het mondstuk omlaag en plaats de
blaasunit terug in de houder.
6. Start vervolgens binnen 5 minuten na een
goedgekeurde blaastest de motor – anders
is een nieuwe blaastest vereist.
Lampje (5) + displaymelding
A
Motor kan worden
gestart – gemeten
promillage boven
0,1 promille maar
onder de geldende
grenswaardeA.
Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage
boven de geldende
grenswaardeA.
Zie het gedeelte Algemene informatie over het alcoholslot op
pagina 146
N.B.
Binnen 30 minuten na afloop van een rit kan
de motor opnieuw gestart worden zonder
dat er een nieuwe blaastest nodig is.
1
Waar u op moet letten
Alvorens een blaastest te doen
Voor een goede werking en een zo nauwkeurig
mogelijk meetresultaat:
• Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten
of drinken.
• De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren.
Van bestuurder wisselen
Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe
blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de
zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang
ingedrukt houden. De startblokkering van de
auto wordt dan opnieuw geactiveerd, zodat er
eerst een goedgekeurde blaastest nodig is
voordat de motor kan worden gestart.
Kalibreren en onderhoud plegen
06
Het alcoholslot dient om de 12 maanden in een
werkplaats1 gecontroleerd en gekalibreerd te
worden.
Wanneer er nog 30 dagen resteren tot aan een
geplande kalibratiebeurt, verschijnt
ALCOGUARD KALIBR. VEREIST op het display. Als er vervolgens niet binnen 30 dagen
gekalibreerd wordt, dan kan de motor niet lan-
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
06 Starten en rijden
Alcoguard *
ger op de normale wijze gestart worden – de
motor is dan alleen te starten via de bypassfunctie, zie pagina 148, gedeelte over Noodsituatie.
De melding is te verwijderen met een druk op
de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders
spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt
iedere keer dat de motor gestart wordt
opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
Koud en warm weer
06
Maximale
opwarmtijd
(seconden)
+10 – +85
10
–5 – +10
60
–40 – –5
180
Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan
+60 °C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Op het display verschijnt ALCOG.
INZETSTUK STROOMKABEL. Sluit de voedingskabel uit het dashboardkastje in dat geval
1
148
de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog
te wijzigen in een werkplaats1.
Bij extreme koude kunt u de opwarmtijd verkorten door de blaasunit mee naar binnen te
nemen.
Bypass-functie activeren
Noodsituatie
In noodsituaties of wanneer de blaasunit defect
of zoekgeraakt is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de auto te kunnen rijden.
N.B.
Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt
voordat de blaasunit gereed is voor gebruik:
Temperatuur (°C)
aan op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht.
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alle activeringen via een doorverbinding
(bypass) worden geregistreerd en opgeslagen in een geheugen, zie pagina 12 in het
hoofdstuk Vastlegging van gegevens.
Na activering van de bypass-functie blijft
ALCOGUARD BYPASS AAN op het display
staan totdat het systeem gereset wordt in een
werkplaats1.
Het is mogelijk de bypass-functie te testen
zonder dat er een foutmelding wordt aangemaakt – loop in dat geval alle stappen door
maar start de motor niet. De foutmelding wordt
gewist bij het vergrendelen van de auto.
Bij installatie van het alcoholslot geeft u aan of
omzeilen mogelijk moet zijn via de bypass- of
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnen achtereenvolgens
BYPASS GEACTIV. WACHT 1 MINUUT
en ALCOGUARD BYPASS AAN – daarna
kunt u de motor starten.
Deze functie is meerdere malen te activeren.
De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden
is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
Noodfunctie activeren
• Houd de knop READ op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op
het display verschijnt ALCOGUARD
BYPASS AAN, waarna u de motor kunt
starten.
Deze functie is slechts eenmaal te gebruiken
en moet daarna gereset worden in een werkplaats1.
06 Starten en rijden
Alcoguard *
Symbolen en displayteksten
Benevens de eerder beschreven meldingen
kan ook het volgende op het display van het
instrumentenpaneel verschijnen:
1
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
HERSTART KAN
Motor stond minder
dan 30 minuten af –
motor kan worden
gestart zonder
nieuwe blaastest.
ALCOGUARD
SERVICE VEREIST
Bezoek een werkplaats1.
ALCOGUARD
GEEN SIGNAAL
Overdracht mislukt –
verstuur het resultaat handmatig via
toets (3) of doe een
nieuwe blaastest.
ALCOGUARD
ONGELDIGE TEST
De test is mislukt –
doe een nieuwe
blaastest.
ALCOGUARD
LANGER BLAZEN
U blies te kort –
blaas langer.
Displaymelding
Betekenis/Maatregel
ALCOGUARD
ZACHTER BLAZEN
U blies te hard –
blaas minder hard.
ALCOGUARD
HARDER BLAZEN
U blies niet hard
genoeg – blaas harder.
ALCOGUARD
WACHT VOORVERWARMING
Opwarming niet
gereed – wacht de
melding ALCOGUARD BLAAS 5
SECONDEN af.
06
Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
149
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
N.B.
Trek de handrem aan.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Let erop dat u bij een auto met alcoholslot eerst
een goedgekeurde blaastest moet afgeven,
voordat de motor kan worden gestart, zie
pagina 146.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is met name van belang bij strenge vorst.
WAARSCHUWING
06
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
Motor starten
Benzine
Draai de transpondersleutel naar sleutelstand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Draai de sleutel naar de startstand III en
laat de sleutel weer los – de startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de
motor is aangeslagen.
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
Sleutelstanden
0 – Blokkeerstand
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand II.
> Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te
geven dat de motor wordt voorverwarmd, zie pagina 52.
Automatisch starten *
Met de functie automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel (of de startknop op model-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dieselolie
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
150
len met Keyless Drive, zie pagina 128) niet langer in de sleutelstand ( III) vast te houden totdat
de motor is aangeslagen.
Het stuurslot wordt geactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt.
I – Radiostand
Het stuurslot is uitgeschakeld. U kunt bepaalde functies gebruiken. Het elektrische systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
06 Starten en rijden
Motor starten
II – Rijstand
De stand waarin de transpondersleutel tijdens het rijden
staat. Het complete elektrische systeem is geactiveerd.
III – Startstand
De startmotor wordt geactiveerd. Wanneer u de transpondersleutel loslaat zodra
de motor is aangeslagen,
veert de sleutel terug naar de
rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat kan
er een tikkend geluid te horen zijn – draai de
sleutel in dat geval eerst naar stand II en daarna
terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden
gestart. Doe in dat geval het volgende:
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
risico dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot, met
name wanneer er kinderen in de auto achterblijven.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
06
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
1. Neem de transpondersleutel uit het contactslot en draai aan het stuurwiel, zodat
het stuurslot opgeheven wordt.
151
06 Starten en rijden
Motor starten, FlexiFuel
Algemene informatie over het starten
van een FlexiFuel-motor
De motor wordt op dezelfde manier gestart als
een benzinemotor, zie pagina 150.
Als de motor dan nog niet aanslaat
Wacht één minuut, trap het gaspedaal volledig in en herhaal de voorgaande stap.
BELANGRIJK
N.B.
Bij herhaalde startpogingen treedt de startblokkering in werking. Om een nieuwe startpoging te doen moet u de contactsleutel/
startknop eerst terugdraaien naar stand I of
0.
Neem, als de motor ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, contact op met
een werkplaats – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Motorverwarming*
Bij startproblemen
Doe het volgende, wanneer de motor niet bij de
eerste startpoging aanslaat:
3. Verminder, zodra de motor is aangeslagen,
de druk op het gaspedaal naarmate het
motortoerental oploopt.
152
Draai de transpondersleutel/startknop
naar sleutelstand III totdat de motor aanslaat (echter niet langer 60 seconden achtereen).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Auto’s bestemd voor bio-ethanol E 85 zijn uitgerust met een elektrische motorverwarming*.
Een voorverwarmde motor slaat sneller aan en
loopt beter, wat een aanzienlijke beperking van
de emissies en het brandstofverbruik inhoudt.
Maak daarom tijdens de wintermaanden
zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming.
De motorverwarming werkt op een hoge
spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen
ervan uitvoeren door een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
2. Draai de transpondersleutel/startknop
naar sleutelstand III.
Tweede startpoging, als de motor niet
binnen 10 seconden aanslaat
Hoe lager de buitentemperatuur hoe langer de
inschakelduur van de motorverwarming. Bij
–20 °C dient u de verwarming ca. 3 uur in te
schakelen.
WAARSCHUWING
1. Trap het gaspedaal voor ongeveer een
derde tot de helft van de pedaalweg in.
06
sneller te kunnen starten wanneer er bio-ethanol E 85 in de tank zit.
Aansluiting voor motorverwarming.
Als de te verwachten temperatuur lager is dan
–10 °C, wordt u geadviseerd de motorverwarming ca. 2 uur in te schakelen om de motor
06 Starten en rijden
Motor starten, FlexiFuel
N.B.
Waar u op moet letten als u een jerrycan met
brandstof wilt meenemen:
•
Wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden en bio-ethanol (E 85) bijvult uit
een jerrycan is het bij strenge vorst niet
uitgesloten dat de motor startproblemen vertoont. U kunt dit voorkomen
door de jerrycan gevuld te houden met
benzine (95 RON).
BELANGRIJK
Na wijzigingen in het brandstofmengsel in
de tank dient een adaptatie plaats te vinden.
Dit gebeurt wanneer u ca. 15 minuten lang
op gelijkmatige snelheid rijdt.
Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is
geweest, moet er voor een correcte adaptatie
iets langer worden gereden aangezien het
geheugen van de elektronica werd gewist.
Voor meer informatie over de FlexiFuel-brandstof bio-ethanol, E 85, zie pagina 143.
Brandstofadaptatie
Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten
met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt
gereden (of omgekeerd), kan de motor enige
tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom
belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt
tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe
brandstofmengsel.
06
Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van
start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
153
06 Starten en rijden
Keyless drive*
Algemene informatie
Auto starten
Starten met transpondersleutel
Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
Druk op de startknop en draai deze naar
sleutelstand III.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 128).
06
154
De startknop van het contactslot werkt op
dezelfde manier als een transpondersleutel. U
kunt de motor alleen starten, wanneer een van
de transpondersleutels van de auto in de passagiersruimte of de bagageruimte ligt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Draai eerst de startknop naar sleutelstand
II en wacht totdat het dieselcontrolelampje
op het instrumentenpaneel is gedoofd, zie
pagina 52.
G019420
G019410
Dieselmotor
2. Draai de startknop vervolgens naar stand
III.
Als de batterij in de transpondersleutel leeg is,
werkt de Keyless drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de transpondersleutel
als startknop te gebruiken.
1. Duw de pal op de startknop in.
2. Trek de startknop uit het contactslot.
3. Steek de transpondersleutel in het contactslot en start op dezelfde manier als bij
het gebruik van de startknop.
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
Schakelindicatie, GSI*
De schakelindicatie (GSI,
Gear Shift Indicator) geeft aan
wanneer u het beste kunt
schakelen. Op het onderste
informatiedisplay van het
instrumentenpaneel verschijnt dan een pijl-omhoog
voor opschakelen en een pijl-omlaag voor
terugschakelen, zie pagina 49.
Blokkering achteruitversnelling
Schakelpatroon zesversnellingsbak.
Schakelpatroon vijfversnellingsbak.
De zesversnellingsbak bestaat in twee verschillende uitvoeringen – het verschil is de
positie voor de achteruit. Zie het desbetreffende schakelpatroon dat in de pookknop
geslagen is.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
• Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
06
• Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
• Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
• Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen met Geartronic
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
R – Achteruitrijstand
G018264
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
06
Het informatiedisplay geeft de stand van de
keuzehendel aan met behulp van de volgende
tekens: P, R, N, D, 1, 2, 3, 4, 5 of 6, zie
pagina 49.
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
156
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
N.B.
Wanneer de auto langer dan 3 seconden
stilgestaan heeft, moet u het rempedaal
bedienen om de keuzehendel uit stand N te
kunnen halen.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Handmatig schakelen met Geartronic
(+/–)
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers “1–
6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 49.
• Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat de hendel weer los – de hendel veert
terug naar de neutrale stand tussen + en
–.
of
• Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen (+/–) kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
Om de automatische rijstand te hervatten:
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
• Zet de hendel helemaal naar links in stand
D.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
Mechanische keuzehendelblokkering
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
G020237
Beveiligingsfunctie
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Automatische schakelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de transpondersleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
06
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
transpondersleutel in stand II staan.
``
157
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Automatische schakelblokkering
deactiveren
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
Automatische versnellingsbak
Powershift*1
06
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
1. Er zit een dekplaatje onder het keuzehendelpaneel met P-R-N-D. Open het aan de
achterzijde.
2. Steek het sleutelblad van de transpondersleutel zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u de
keuzehendel uit stand P haalt.
1
158
Alleen op viercilindermodel 2.0 en 2.0D.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G018264
G018263
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
D: automatisch schakelen. M (+/–): handmatig
schakelen.
Powershift is een zestraps automaat die in
tegenstelling tot een conventionele automatische versnellingsbak voorzien is van dubbele
mechanische lamellenkoppelingen. Een conventionele automatische versnellingsbak heeft
een hydraulische koppelomvormer die de
kracht van de motor overbrengt op de motor.
Een Powershift-versnellingsbak werkt verder
op dezelfde manier en heeft bedieningselementen en functies die vergelijkbaar zijn met
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
die van de automatische versnellingsbak Geartronic, die in het voorgaande gedeelte werd
besproken.
Waar u op moet letten
De dubbele koppeling van de versnellingsbak
is voorzien van een overlastbeveiling die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm
wordt – bijvoorbeeld als u de auto te lang met
het gaspedaal stilhoudt op een oplopende helling.
Een te warme versnellingsbak uit zich in een
auto die gaat schudden en trillen, een waarschuwingssymbool dat gaat branden en een
melding op het informatiedisplay. Ook bij langzaam fileverkeer (10 km/h of lager) op oplo-
pende hellingen of met een aanhanger/caravan
achter de auto kan de versnellingsbak te warm
worden. De versnellingsbak koelt af tijdens stilstand, wanneer het rempedaal bediend wordt
en de motor stationair loopt.
Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te
voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en
wacht met uw voet op het rempedaal totdat de
afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om
een stukje verder vooruit te rijden, rem en
wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal.
Displaymelding en maatregel
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
BELANGRIJK
Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te
houden op oplopende hellingen – maak
geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
06
``
159
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Lampje
A
06
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
TRANSM. TE HEET REM AF
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaalA.
TRANSM. TE HEET VEILIG PARKEREN
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk.
KOELING VERSN.B. LAAT MOTOR
LOPEN
Geen aandrijving wegens oververhitting
van de versnellingsbak.
Versnellingsbak oververhit. Voor optimale
koeling: Laat de motor stationair lopen met
de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
160
WAARSCHUWING
Als u het waarschuwingssymbool met de
tekst TRANSM. TE HEET VEILIG
PARKEREN negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de
krachtoverbrenging tussen de motor en de
versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om
te voorkomen dat de koppeling defect raakt
– de auto wordt dan niet meer aangedreven
totdat de versnellingsbaktemperatuur tot
een aanvaardbaar niveau is gedaald.
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 55.
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht
op, wanneer er een remkring
defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
06
Antiblokkeerremsysteem, ABS
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
``
161
06 Starten en rijden
Remsysteem
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht 2
seconden op, als er de vorige keer dat de
motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
06
162
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal – het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u de druk
van het rempedaal haalt.
Het systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende werkplaats
rijden om het remsysteem te laten controleren – een erkende Volvo-werkplaats wordt
geadviseerd.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Het EBA (Emergency Brake Assist) is dusdanig
geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig moet
remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert
het moment waarop u krachtig wilt afremmen
door de snelheid te meten waarmee u het rempedaal bedient.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
N.B.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten
De noodremlichten worden geactiveerd om
achterliggers erop te attenderen dat u krachtig
remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats
van dat ze continu branden, zoals bij normaal
remmen.
De noodremlichten worden geactiveerd bij
snelheden hoger dan 50 km/h als het ABS
actief is en/of bij krachtig remmen. Wanneer de
auto is afgeremd tot een rijsnelheid lager dan
10 km/h, gaan de remlichten continu branden
in plaats van te knipperen. Ondertussen worden de alarmlichten geactiveerd en deze blijven knipperen totdat u het motortoerental met
het gaspedaal wijzigt of de alarmlichten uitschakelt met de bijbehorende knop, zie
pagina 70.
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*
Algemene informatie
Antispinregeling
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem STC/
DSTC ((Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Beperkte functie
Bediening
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen aangegeven.
STC
Antislipregeling
1. Draai aan het duimwiel totdat het menu
STC/DSTC verschijnt.
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN betekent dat de werking van het systeem ongewijzigd is.
DSTC
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
X
Antispinregeling
X
X
Tractieregeling
X
X
G029057
Functie/systeem
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Duimwiel1
Knop RESET1
06
2. Houd de knop RESET ingedrukt totdat het
menu STC/DSTC zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het systeem, totdat u de motor afzet – de volgende keer dat u de motor start, staat het
DSTC weer in de normale stand.
Iedere keer dat u de auto start, wordt het stabiliteitssysteem automatisch geactiveerd.
1
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
163
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
N.B.
Lampjes op instrumentenpaneel
STC-/DSTC-systeem
Informatie
DSTC AAN verschijnt iedere keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
Meldingen op informatiedisplay
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
06
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
164
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, rijd de
auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de lampjes
en
gelijktijdig branden:
Lees de melding op het informatiedisplay.
Als alleen het lampje
het volgende:
oplicht, betekent dat
• Een knipperend lampje geeft aan dat het
STC/DSTC op dat moment ingrijpt.
• Een lampje dat twee seconden brandt
geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt.
• Een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het STC/DSTC-systeem.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Algemene informatie over Parkeerhulp
Varianten
Parkeerhulp is verkrijgbaar in twee varianten:
• Park Assist aan de achterzijde.
• Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Parkeerhulp voor- en achterzijde.
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Enter is activeren zodra u de achteruitversnelling inschakelt. Voor het wijzigen van de
instelling, zie pagina 81.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidsprekers achterin.
Beperkingen
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
N.B.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
06
Parkeerhulp aan de achterzijde
WAARSCHUWING
Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling waarna de melding Parkeerhulp
actief Exit is deactiveren op het audiodisplay
verschijnt.
Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op
het display de melding Parkeerhulp inactief
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
165
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Parkeerhulp aan voor- en achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidsprekers voorin.
Beperkingen
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen bij obstakels achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
Aan/Uit-knop (positie van de knop afhankelijk van
de overige uitrusting).
06
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u de Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist aan de voorzijde
De Park Assist aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h. Bij hogere snelheden
wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden
lager dan 10 km/h.
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Sensoren schoonmaken
Beperkingen
Zie het voorgaande gedeelte Parkeerhulp aan
de achterzijde.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARKEERHULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect. Neem voor service
contact op met een werkplaats – geadviseerd
wordt een erkende Volvo-werkplaats.
Sensoren voor Park Assist.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op cameratechniek. De
camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
G020295
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
Buitenspiegel met BLIS-systeem.
BLIS-camera
Controlelampje
06
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 169.
A = ca. 3,0 m, B = ca. 9,5 m.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht en
dichte mist.
Activeren/deactiveren
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op de knop BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het systeem gedeactiveerd wordt. Er verschijnt
bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 55.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
06
Aan/Uit-knop (positie van de knop afhankelijk van
de overige uitrusting).
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
06 Starten en rijden
BLIS* – Blind Spot Information System
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem geactiveerd.
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
Beperkte gegevensoverdracht tussen
de camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto.
De camera wordt
automatisch gereset, wanneer de
gegevensoverdracht tussen de
camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische systeem van de auto
weer normaal wordt.
06
BLIS CAMERA
GEBLOKKEERD
170
Een of meer
camera’s – maak de
lenzen schoon.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displaymelding
Betekenis
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLIS UIT
BLIS-systeem uitgeschakeld.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
SERVICE VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
06 Starten en rijden
G018177
BLIS* – Blind Spot Information System
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 176.
Het stuurslot blijft in de stand staan die gold
bij het verbreken van de spanning. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De transpondersleutel moet in stand II
staan. Neem de sleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
N.B.
Slepen
Als de accu van de auto uitgeput is, moet u
voordat u de auto kunt wegslepen het stuurslot opheffen.
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
1. Draai de transpondersleutel naar stand II
en hef het stuurslot op zodat de auto
bestuurbaar is, zie pagina 151.
06
2. Laat de sleutel tijdens het slepen in stand
II staan.
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
172
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
Geartronic
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
•
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
Automatische versnellingsbak
Powershift
Bij de modellen 2.0 en 2.0D met een automatische Powershift-versnellingsbak moet de
motor lopen voor voldoende smering van de
versnellingsbak en daarom mogen deze
modellen niet worden gesleept.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Vermijd slepen.
•
Een auto die op een gevaarlijke plek in
het verkeer staat, mag echter over een
korte afstand (tot 10 km) en op lage
snelheid (tot 10 km/h) worden versleept.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in
de rijrichting draaien.
•
Om de auto over afstanden groter dan
10 km te verslepen, dienen de aangedreven wielen geheven te worden – het
wordt geadviseerd een professioneel
bergingsbedrijf in te schakelen.
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
06
``
173
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
06
Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd
in een draadbus achter een afdekking in de
bumper, voor of achter.
Sleepoog monteren
Neem het sleepoog (1) erbij dat onder het
vloerluik in de kofferbak ligt.
De afdekking op het bevestigingspunt voor
het sleepoog bestaat in twee versies die op
verschillende manieren moeten worden
geopend:
• U opent de versie met een uitsparing
door een muntstuk of iets dergelijks in
174
de uitsparing aan te brengen en de
afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder
deze.
• Bij de andere versie zit er een markering
langs de ene zijde of in een hoek: Duw
met uw vinger op deze markering terwijl
u de tegenoverliggende zijde/hoek met
een muntstuk of iets dergelijks openklapt – de afdekking klapt rond de middellijn open en kan vervolgens worden
verwijderd.
Schroef het sleepoog tot aan de flens naar
binnen. Draai het oog stevig vast met bijvoorbeeld een wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg
het weer op zijn plek.
Plaats de afdekking tot slot weer in de
bumper terug.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden of vast is komen te zitten.
Roep professionele hulp in voor berging.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen, wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt (zie pagina 179).
Bergen
06
Roep professionele hulp in voor berging.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
BELANGRIJK
Auto’s met een automatische versnellingsbak mogen alleen worden geborgen met de
aangedreven wielen geheven.
175
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
4. Sluit de rode startkabel aan tussen de pluspool (1+) van de hulpaccu en de pluspool
(2+) van de lege accu.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
06
Als de startaccu leeg is, kunt u stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen van
de startkabels goed vastzitten en of er geen
vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten adviseren wij u de volgende stappen aan te houden
om explosiegevaar te voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutelstand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
176
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
9. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact maakt met de
pluspool van de accu of met de aangesloten klemmen van de rode startkabel.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 282.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger/caravan.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger/caravan te kunnen rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger/caravan
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 194.
1
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel1 van tijd tot tijd in.
• Bij het gebruik van een aanhanger/caravan
wordt de motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger/caravan.
• Om veiligheidsredenen dient u de toelaatbare maximumsnelheid voor auto’s met
een aanhanger/caravan niet te overschrijden. Neem de geldende bepalingen ten
aanzien van de toelaatbare snelheden en
gewichten in acht.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de aanhangergewichten
die Volvo toestaat, zie pagina 282.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
06
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger/caravan achter de auto
een lange en steile helling oprijdt.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
``
177
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Handgeschakelde versnellingsbak
Oververhitting
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), omdat de olietemperatuur
anders te hoog kan oplopen.
Dieselmotor 5-cil.
• Als de motor oververhit dreigt te raken,
verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel met het advies terug te
schakelen – volg het advies op.
Steile hellingen
• Blokkeer een automatische versnellingsbak niet met een hogere versnelling dan de
motor “aankan” – rijden in een hoge versnelling bij een laag motortoerental is niet
altijd zuinig.
BELANGRIJK
Zie tevens de specifieke informatie over
langzaam rijden met een aanhanger voor
auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift op pagina
159.
Op een helling parkeren
• Bij gevaar voor oververhitting dient u het
1. Trap het rempedaal in.
optimale motortoerental van 2300–3000
omw/min aan te houden voor optimale
koelvloeistofcirculatie.
2. Trek de handrem aan.
06
3. Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
4. Haal uw voet van het rempedaal.
Automatische versnellingsbak
Oververhitting
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Bij het slepen van een aanhanger/caravan in
heuvelachtig terrein bestaat er mogelijk gevaar
voor oververhitting.
• Gebruik wielblokken, als u een auto met
• Een automatische versnellingsbak kiest
Op een helling wegrijden
altijd de juiste versnelling voor de motorbelasting en het motortoerental.
aanhanger op een steile helling parkeert.
1. Trap het rempedaal in.
2. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
3. Los de handrem.
178
4. Haal uw voet van het rempedaal en rijd
weg.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Trekhaak opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig worden opgevolgd, zie
pagina 181.
WAARSCHUWING
Volg de montage-instructies nauwkeurig op.
•
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren.
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
G014589
•
G031115
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
179
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G009522
G009519
G009518
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
06
180
A
B
C
D
E
F
G
854
98
100
140
130
113
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Trekhaak monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u
indrukken en de borgdraaien totdat u een klik
knop linksom
hoort.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
181
06 Starten en rijden
4. Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
06
182
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
G020301
G020310
G020309
Trekhaak verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
06
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop
in en draai
deze linksom
totdat u een klik hoort.
06
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 179.
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 282.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading in de bagageruimte
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer
u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto in
beweging komen.
U kunt de passagiersstoel/achterbank neerklappen en de hoofdsteunen verwijderen om
de bagageruimte te verlengen (zie
pagina 116).
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan. Plaats geen zware voorwerpen op het
neergeklapte ruggedeelte.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding en het glazen oppervlak van
de achterklep te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders bieden de opblaasgordijnen die
schuilgaan achter de plafondbekleding
mogelijk geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Lastdragers gebruiken*
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo voor uw auto ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
06
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
• U kunt de hoofdsteunen verwijderen om
beschadiging te voorkomen.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
G020317
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Koplampen met Active Bending Lights
G021421
Koplampen met halogeenlampen
G021422
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Linksrijdend verkeer.
Linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
06
Met een knopje op de beide koplamphuizen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt.
Bij de juiste lichtbundel wordt ook de berm
beter verlicht.
186
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonlampen,
moet u de koplampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Omdat de lampen voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning opwekt, dient
u er extra voorzichtig mee om te gaan.
06 Starten en rijden
06
187
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel* .......................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden* ........................................................................
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
190
194
196
198
200
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat, zie pagina 194.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
91
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W
190
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
07 Wielen en banden
Algemene informatie
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
sleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corrigeren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te breken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Winterbanden
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Banden met slijtage-indicatoren
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
N.B.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor advies
over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
G020323
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 194. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk verschil zit in de slijtage (>1 mm verschil in profieldiepte) van de banden, dienen de minst ver-
Slijtage-indicatoren.
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie kunnen innemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
07
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge``
191
07 Wielen en banden
Algemene informatie
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Velgen en wielmoeren
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo.
BELANGRIJK
U dient de wielmoeren aan te halen, (1) met
resp. 110 Nm en (2) 130 Nm. Als u ze te strak
aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken.
Profieldiepte
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van 4 mm aan te houden
voor winterbanden.
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
Sneeuwkettingen
WAARSCHUWING
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Korte wielmoer.
Lange wielmoer met vaste ring.
WAARSCHUWING
07
192
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Er bestaan verschillende soorten wielmoeren
afhankelijk van de vraag of de velgen gemaakt
zijn van stalen of aluminium.
1. Haal de wielmoeren van het type (1) aan
met 110 Nm. Haal de wielmoeren van het
type (2) aan met 130 Nm.
2. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk te
herkennen aan de draaiende, conische drukring.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
07 Wielen en banden
Algemene informatie
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielmoeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
N.B.
Haal de afsluitbare wielmoeren aan met
110 Nm.
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren.
Zomer- en winterbanden
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
G020325
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodemspeling verandert er daarom door. Wees voorzichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwkettingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te schakelen. Het reservewiel mag niet worden gerepareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 194, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
07
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 198,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
07 Wielen en banden
Bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
Aanbevolen bandenspanning
(Temporary Spare).
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
G007505
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning1
07
1
194
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel voor de juiste
bandenspanning. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
Bandenmaat
Belading (1–3 inzittenden)
Voor (kPa)
A
Max. belading
Achter (kPa)
Voor (kPa)
Achter
(kPa)
ECO-bandenspanningB
T5
195/65 R15
0–160
230
210
250
250
250
1.6
205/55 R16
160+
250
210
280
260
-
205/50 R17
0–160
240
220
250
250
250
160+
260
220
280
260
-
0–160
230
210
250
250
250
160+
250
210
280
260
-
205/50 R17
0–160
240
220
250
250
250
215/45 R18
160+
260
220
280
260
-
205/55 R16
0–160
230
210
250
250
250
160+
260
210
280
260
-
205/50 R17
0–160
240
220
250
250
250
215/45 R18
160+
270
220
290
270
-
0–80
420
420
420
420
-
2.0F
2.0
D2
T5
215/45
R18C
205/55 R16
D3
D4
Compact reservewiel (Temporary Spare)
A
B
C
Snelheid
(km/h)
07
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
Zuinig rijden, zie pagina 194
Voor de 1.6 en de 1.6D DRIVe vormt deze bandenmaat geen optie.
195
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Gevarendriehoek
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek*. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
07
1. Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
Reservewiel* en krik*
Originele krik*
Gebruik de originele krik* alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. U vindt het reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in
de bagageruimte.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
2. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Reservewiel erbij nemen
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na
gebruik stevig in de bagageruimte vastzit.
1. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog.
Het reservewiel zit vast met een doorloopbout.
2. Draai de bevestigingsbout los en til het wiel
eruit.
196
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
Reservewiel* en krik*, positie in
bagageruimte
Wielsleutel*.
Krik* en slinger, bevestigd met een spanband.
Het reservewiel is met de velgzijde omlaag
met een doorloopbout bevestigd.
Gereedschap, terugplaatsen
Gereedschap en krik* dienen na gebruik op de
juiste wijze te worden opgeborgen.
• Bij auto’s met een reservewiel dient de krik
dusdanig omlaaggedraaid te worden dat
deze in het reservewiel past.
• Bij auto’s met een set voor noodreparatie
van banden dient de krik volledig omlaaggedraaid te worden en teruggelegd te worden in het schuimrubber blok.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
07
EHBO*
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-kit.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte.
G020331
1. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de bagageruimte liggen. Bij gebruik van een andere
krik, zie pagina 215.
Zet de gevarendriehoek op, als u een wiel langs
een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor
dat de auto en de krik op een stevige en horizontale ondergrond staan.
07
G020332
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
2. Haal de handrem aan en schakel de eerste
achteruitversnelling in of zet de keuzehen-
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
del in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel of trek hem
met de hand los.
5. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed in het
kriksteunpunt vastzit (zoals afgebeeld) en
of de voet van de krik loodrecht onder het
steunpunt staat.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
mag niet hellen.
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel
en de naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Haal aan met 110 Nm.
Standaardwielmoeren en wielmoeren met
bolle kop en losse onderlegringen (aanhaalmoment: 110 Nm).
Wielmoeren met bolle kop en vaste onderlegringen (aanhaalmoment: 130 Nm).
Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
07
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
199
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Noodreparatie banden, algemene
informatie
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
2. Draai de bout los en verwijder de houder.
3. Til de noodreparatieset op.
Noodreparatieset aanbrengen
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole en achterin bij de
achterbank. Gebruik de elektrische aansluiting
die het dichtst bij de lekke band zit.
WAARSCHUWING
07
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Noodreparatieset erbij nemen
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
1. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog.
200
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Leg de noodreparatieset op zijn plaats.
2. Breng de houder in de binnenste en onderste uitsparing aan
3. Draai de bout vast.
N.B.
Bij verkeerde montage van de houder kan
de noodreparatieset gaan rammelen.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Lekke band repareren
Overzicht
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
G019723
G020400
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
Knop
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
Kabel
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
07
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
201
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
07
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoeken.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
202
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Leg de noodreparatieset in de bagageruimte terug.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om de
beschadigde band te laten vervangen/
repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band
zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo adviseert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de
12V-aansluitingen in de auto en start de
motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
07
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
203
Schoonmaken....................................................................................... 206
Lakschade herstellen ........................................................................... 210
Roestwering.......................................................................................... 211
204
VERZORGING
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel het onderstel zorgvuldig schoon.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
stuk zeemleer of een trekker.
N.B.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
08
206
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderdelen).
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en onderhouden van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende
strips), wordt geadviseerd het speciale reini-
gingsmiddel te gebruiken dat bij de erkende
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teerverwijderaar of met terpentine. U kunt hard-
nekkige vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behandelingen zoals lakconservering, verzegeling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding en hemelbekleding
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding aantasten.
08
``
207
08 Verzorging
Schoonmaken
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Bij vlekken op de vloerbekleding kunt u, na
stofzuigen, ook het speciale reinigingsmiddel
van Volvo gebruiken.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadviseerd een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoonmaken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gordel droog is, voordat deze weer wordt opgerold.
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo eenà viermaal per jaar (zo nodig vaker) beschermende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
08
208
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een
1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
BELANGRIJK
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
leerverzorgingsmiddel gebruikt.
•
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
•
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij,
voldoet aan de norm Öko-Tex 100 en is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat
te bewaren.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen kunnen het leer
beschadigen. (Ringen bijvoorbeeld.)
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
• Verwijder vuil en stof met een ietwat vochtige spons en een neutrale zeepoplossing.
• Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescherming.
• Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerverzorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
08
209
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020345
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
08
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productsticker, zie pagina 280.
1
210
• Grondlak (primer) in een bus
• Spuitbus of bijwerkpen1
• Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
08
211
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Accu......................................................................................................
Gloeilampen vervangen .......................................................................
Zekeringen............................................................................................
212
214
215
217
219
225
227
229
235
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Daarom adviseert
Volvo u altijd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u servicewerkzaamheden aan het elektrische systeem
laat uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
ook service- en onderhoudswerkzaamheden
over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
214
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Auto omhoogbrengen
Accu
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Schakel daarom altijd het contact uit bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u ervoor zorgen dat de
voorste en achterste dragerarmen onder de
steunpunten bij de drempelkokers komen te
zitten. Zie voorgaande afbeelding.
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
WAARSCHUWING
09
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINN.B.
Volvo adviseert alleen de krik te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort. Volg
bij gebruik van een andere krik dan door
Volvo geadviseerd de gebruiksaanwijzingen
die bij deze krik werden geleverd
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorkant van
het subframe van de motor aanbrengen.
en MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
``
215
09 Onderhoud en service
09
Onderhoud
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
216
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Motorkap openen
1. Trek aan de vergrendelingshandgreep
uiterst links onder het dasboard. (Bij auto’s
met het stuur rechts zit de handgreep
uiterst rechts.) Het is duidelijk te horen dat
de vergrendeling wordt opgeheven.
2. Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de slotpal naar rechts.
3. Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (4cil.)
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
1
Peilstok voor motorolie1
Radiateur
Koelventilator
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (5cil.)
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur rechts)
Vulopening voor motorolie1
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
De positie hangt van het motortype af
``
217
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Accu
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
Luchtfilter1
1
218
De positie hangt van het motortype af
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte
09
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt, zie pagina 287.
G020340
Olie verversen en oliefilter vervangen
G020338
Peilstok, dieselmotoren. (De D5 is voorzien van
elektronische peilaanduiding.)
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Peilstok, benzinemotoren.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
``
219
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als verversen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingslampje
midden op het instrumentenpaneel en met dis-
220
playteksten. Op bepaalde modellen zijn beide
systemen aanwezig. Voor meer informatie
adviseert Volvo u contact op te nemen met een
erkende Volvo-dealer.
Peil controleren
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
G020336
09
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het
MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op
de peilstok ligt. Voor de aan te houden
hoeveelheid, zie pagina 287.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliepeil controleren bij een warme motor
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste
10–15 minuten zodat de olie naar het carter
terug kan lopen.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 287.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
Voor motoren met elektronische
peilaanduiding1
Melding
Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische peilaanduiding, zie
pagina 62.
Motoroliepeil Vul 1
l olie bij
Motorolie bijvullen
Motoroliepeil Service vereist
Verschijnt wanneer
het systeem een
storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de
juiste peilaanduiding
kan worden gegeven.
Oliepeil controleren:
1. Zet het contact in stand II, zie pagina 150.
2. Draai het duimwiel naar
“MOTOROLIEPEIL”.
> Vervolgens verschijnt het motoroliepeil.
09
N.B.
Het oliepeil wordt alleen tijdens het rijden
bijgewerkt. Het systeem kan wijzigingen in
het peil door het bijvullen of aftappen van
olie niet meteen registreren.
Na het bijvullen of aftappen van motorolie
dient u dan ook ca. 30 km met de auto te
rijden, voordat de peilaanduiding juist is.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
1
Melding
Motoroliepeil OK
In orde.
Motoroliepeil Een
ogenblik...
Het systeem wordt
opgestart, verschijnt
ca. 2 seconden lang.
Geldt alleen voor het dieselmodel (D5).
``
221
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
N.B.
Meng het antivries met water, voordat u
koelvloeistof bijvult.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
Voor de aan te houden hoeveelheden, zie de
tabel Vloeistoffen op pagina 289.
Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen.
Vulopening op vijfcilindermodellen.
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
222
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK
•
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
•
2
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 289.
09
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir2. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie
de tabel Vloeistoffen op pagina 289.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
``
223
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Voor de
aanbevolen vloeistofkwaliteit en aan te houden
hoeveelheden, zie pagina 287.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
224
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen
09
1. Klap de wisserarm omhoog.
Wisserbladen voorruit vervangen
2. Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
3. Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
> Controleer (3) of het blad goed vastzit en
klap de wisserarm omlaag.
G020330
Wisserblad achterruit vervangen
N.B.
G007444
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 206.
1. Klap de wisserarm uit.
BELANGRIJK
2. Trek het wisserblad naar de achterklep toe
los.
G020329
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
``
225
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
> Controleer of het goed vastzit en klap de
wisserarm weer terug.
226
09 Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15 minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met automatische druppellading.
09
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
De accu bevat een bijtend
zuur.
``
227
09 Onderhoud en service
09
Accu
Vermijd vonken en open
vuur.
7. Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
8. Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
1. Til de accu op zijn plaats.
Explosiegevaar.
2. Breng de klem aan waarmee de accu vastzit.
3. Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
4. Sluit de pluskabel aan.
5. Sluit de minkabel aan.
6. Breng de afdekking op de accu aan.
Accu vervangen
Accu verwijderen
1. Zet het contact uit en neem de transpondersleutel uit.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
Zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regelmodules.
3. Verwijder de afdekking.
4. Koppel de minkabel los.
5. Koppel de pluskabel los.
6. Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
228
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 294 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
09
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
3. Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren.
• Interieurverlichting aan het plafond
• Leeslampjes, instapverlichting en verlich-
4. Koppel de connector los door de clip met
uw duim in te drukken en tegelijkertijd met
uw andere hand de connector los te halen.
ting dashboardkastje
• Richtingaanwijzers, buitenspiegelverlichting en “Approach”-verlichting
• Remlichten
• Active Bending Lights (ABL)
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonlampen,
moet u de koplampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Omdat de lampen voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning opwekt, dient
u er extra voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
Lamphuis losmaken
1. Neem de transpondersleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
2. Trek de borgpen van het lamphuis
omhoog.
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond neer om krassen
op de lens te voorkomen.
``
229
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Lamphuis aanbrengen
1. Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
2. Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot
steekt.
2. Haal de borgklemmen opzij en verwijder de
afdekking.
3. Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar links
zodat hij loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
4. Plaats de kunststof afdekking terug.
5. Plaats het lamphuis terug, zie pagina 229.
Groot licht
4. Trek de gloeilamp naar buiten.
Dimlicht
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
2. Linker koplamp:
Afdekking en gloeilamp vervangen
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
230
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
draai de lamphouder linksom.
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
Rechter koplamp:
2. Duw de klemveer naar binnen/omhoog en
vervolgens iets naar rechts, zodat deze in
positie vastklikt.
3. Duw de connector in positie terug.
draai de lamphouder rechtsom.
3. Trek de lamphouder naar buiten toe en vervang de gloeilamp.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
4. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Richtingaanwijzer
Sidemarker
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
1. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
2. Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
2. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier aanbrengen.
09
5. Plaats het lamphuis terug.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
1. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
2. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
3. Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
``
231
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
6. Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
7. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het
opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst.
2. Open het luikje (A of B) links en rechts in de
bekleding om toegang tot de lampen te
krijgen.
3. De gloeilampen zitten in afzonderlijke
lamphouders.
8. Zet het lamphuis met het boutje vast en
duw het paneel terug.
4. Koppel de connector van de lamphouder
los.
Lamphouder losmaken
5. Duw de borghaken bijeen en trek de lamphouder naar buiten.
6. Vervang de gloeilamp.
7. Sluit de connector aan.
8. Duw de lamphouder in positie en plaats het
luikje (A of B) terug.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
2. Trek de afdekking vervolgens recht naar
buiten, naar het midden van de auto toe
(zie bovenstaande afbeelding).
> (Haal de clips (1) los en trek de kap recht
naar buiten toe (2).)
3. Draai het boutje uit het lamphuis los en
neem het lamphuis eruit.
232
4. Koppel de connector van de gloeilamp los.
Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn via
de bagageruimte te vervangen.
5. Draai de gloeilamp linksom en trek hem
naar buiten.
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
N.B.
09
Bagageruimte
Alleen het mistachterlicht in het linker achterlamphuis brandt bij auto’s met het stuur
links en dat in het rechter achterlamphuis bij
auto’s met het stuur rechts.
G007613
Kentekenplaatverlichting
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Remlichten
Achterlicht/parkeerlicht en mistachterlicht
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten
Achteruitrijlicht
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Richtingaanwijzer
1. Schakel alle lichten uit en draai de transpondersleutel naar stand 0.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
3. Haal het glas voorzichtig los.
4. Vervang de gloeilamp.
5. Plaats het glas terug en schroef het vast.
``
233
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Verlichting make-upspiegel*
Bagageruimteverlichting
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
De bagageruimteverlichting maakt ook gebruik
van een lampje links in de bagageruimte.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
2. Koppel de connector van de lamphouder
los.
G020253
G010326
2. Duw vervolgens de onderste drie vast.
Spiegelglas verwijderen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat het elektrische systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
• Relais- en zekeringenkastje in de passa-
09
herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het
bijbehorende onderdeel een storing vertoont.
Volvo adviseert u in dat geval ter controle een
bezoek te brengen aan een erkende Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
giersruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering
``
235
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
G007446
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het kastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let
erop dat u een doorgebrande zekering altijd
vervangt door een nieuwe zekering met
dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• 19–36 zijn van type “MiniFuse”.
• 7–18 zijn van het type “JCASE” en het
wordt geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken om ze te laten vervangen.
• 1–6 zijn van het type “Midi Fuse” en moeten worden vervangen door een werkplaats. Volvo adviseert een erkende Volvowerkplaats.
236
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
09 Onderhoud en service
09
G020250
Zekeringen
1.
Koelventilator
50 A
2.
Stuurbekrachtiging (excl.
1,6 litermotor)
80 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
60 A
3.
4.
5.
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
60 A
Element klimaatregeling,
extra verwarming PTC*
80 A
6.
Gloeibougie (4-cil. diesel)
60 A
14.
Bedrading aanhanger*
Gloeibougie (5-cil. diesel)
70 A
15.
Reservepositie
7.
ABS-pomp
40 A
16.
Voeding voor infotainment
30 A
8.
ABS-ventielen
20 A
17.
Ruitenwissers
30 A
9.
Motorfuncties
30 A
18.
10.
Ventilator klimaatregeling
40 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
40 A
11.
Koplampsproeiers
20 A
12.
Voeding voor elektrische achterruitverwarming
30 A
Relais startmotor
30 A
13.
40 A
–
19.
Reservepositie
–
20.
Claxon
15 A
21.
Standverwarming op brandstof, interieurverwarming*
20 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
237
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
22.
Reservepositie
23.
Motorregelmodule ECM (5cil. benzine), transmissie
(TCM) (5-cil. automaat)
10 A
Transmissieregelmodule
(TCM) (4-cil. automaat)
15 A
Elektrisch verwarmd brandstoffilter, PTC-element olievanger (5-cil. diesel)
20 A
25.
Hulpaccu (DV6B)
10 A
26.
Contactslot
15 A
27.
Compressor voor airconditioning
10 A
24.
28.
Reservepositie
29.
Mistlampen vóór
15 A
30.
Motorregelmodule ECM (1.6 l
benzine, 2.0 l diesel)
3A
Spanningsregelaar dynamo
4-cil.
10 A
31.
32.
238
–
Injectoren (5-cil. benzine),
lambdasonde (4-cil. benzine),
intercooler (4-cil. diesel),
luchtmassameter en turboregeling (5-cil. diesel)
33.
34.
35.
–
36.
10 A
Lambdasonde en vacuümpomp (5-cil. benzine), regelmodule motor (5-cil. diesel),
dieselfilterverwarming (4-cil.
diesel)
20 A
Bobines (benzine), injectoren
(1.6 l benzine), brandstofpomp (4-cil. diesel), drukverklikker klimaatregeling (5-cil.),
gloeibougie en uitlaatgasreiniging EGR (5-cil. diesel)
10 A
Motorsensor voor kleppen,
relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger (5cil. benzine), motorregelmodule ECM (5-cil. diesel), koolstoffilter (benzine), injectoren
(1.8/2.0 l benzine), MAF luchtmassameter (5-cil. benzine,
4-cil. diesel), turboregeling (4cil. diesel), drukverklikker
stuurbekrachtiging (1.6 l benzine), uitlaatgasreiniging EGR
(4-cil. diesel)
15 A
Motorregelmodule ECM (excl.
5-cil. diesel), gaspedaalsensor, lambdasonde (5-cil. diesel)
10 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G020601
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
Het kastje biedt plaats aan 50 zekeringen. De
zekeringen zitten onder het dashboardkastje.
Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In het relais- en zekeringenkastje in
de motorruimte vindt u een speciale trekker
waarmee u de zekeringen kunt vervangen, zie
pagina 236.
Zekeringen vervangen
1. Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1) ca.
één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
2. Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom
totdat ze los zijn.
3. Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
4. Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
5. Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de
bekleding vast komt te zitten.
``
239
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
43.
44.
45.
46.
47.
Telefoon, audio, RTI*,
Bluetooth*
15 A
48.
SRS-systeem, motorregelmodule ECM (5-cil.)
10 A
Elektrische aansluiting
interieur
15 A
Verlichting passagiersruimte, verlichting dashboardkastje en instapverlichting
5A
Interieurverlichting
5A
Sproeiers, achterruitwissers
15 A
49.
SRS-systeem
10 A
50.
Reservepositie
–
51.
Extra verwarming voor
passagiersruimte, brandstoffilterrelais elektrische
verwarming
52.
53.
54.
55.
56.
10 A
Transmissieregelmodule
(TCM), ABS-systeem
5A
Stuurbekrachtiging
10 A
57.
58.
59.
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Park Assist, Xenonkoplampen*
10 A
Regelmodule Keyless
Drive
20 A
Regelmodule afstandsbediening, regelmodule
sirene
10 A
Diagnoseaansluiting,
remlichtschakelaar
15 A
Groot licht rechts, relaisspoel verstralers
7,5 A
Groot licht, links
7,5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
60.
Stoelverwarming
bestuurderszijde
15 A
Stoelverwarming passagierszijde
15 A
62.
Schuifdak
20 A
63.
Reservepositie
–
64.
RDAR
65.
Infotainment
66.
Regelmodule voor Infotainment (ICM), klimaatregeling
61.
73.
Schuifdak, console voor
interieurverlichting
(OHC), gordelwaarschuwing achterin, autodimfunctie spiegel
5A
74.
Relais brandstofpomp
15 A
75.
Reservepositie
–
76.
Reservepositie
–
77.
Reservepositie
–
78.
Reservepositie
–
10 A
79.
Achteruitrijlicht
5A
–
80.
-
-
81.
Reservepositie
–
82.
Voeding voorportier,
rechterzijde
25 A
Voeding voorportier, linkerzijde
25 A
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel
25 A
5A
67.
Reservepositie
68.
Cruisecontrol
5A
69.
Klimaatregeling, regensensor, BLIS-knop
5A
70.
Reservepositie
–
71.
Reservepositie
–
72.
Reservepositie
–
83.
84.
85.
86.
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
25 A
Interieurverlichting,
bagageruimteverlichting,
elektrisch bedienbare
stoelen, brandstofmeter
(1.8F)
5A
09
241
Algemene informatie.............................................................................
Audiofuncties........................................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies ..........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon*.......................................................................
Bluetooth handsfree* ...........................................................................
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
244
246
250
255
258
259
267
271
INFOTAINMENT
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
systeem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset* op het
stuurwiel, zie pagina 69. Op het display (2) verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
10
Audiosysteem
G020245
Aan/uit
POWER – Drukknop, audiosysteem aan/
uit
Display
Menufuncties
Toetsenset
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
MENU – Menusysteem openen
Navigatieknoppen
EXIT – Menusysteem verlaten
ENTER – Kiezen/activeren/deactiveren
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties*. Het Infotainment-
244
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de transpondersleutel naar stand 0 draait, blijft
het audiosysteem ingeschakeld totdat u de
transpondersleutel uit het contactslot neemt.
De volgende keer dat u de transpondersleutel
naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
• Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (3). Druk eerst op MENU en vervolgens op
het cijfer c.q. de cijfers van de gewenste menuopties.
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
• Performance,
• High Performance* of
• Premuim Sound*
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met FMradio met RDS, AM-radio en een cd-speler.
10 Infotainment
Algemene informatie
Dolby Surround Pro Logic IIŸ1
Dolby Surround Pro Logic IIŸ verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
10
Dolby Surround Pro Logic IIŸ en het Dolby-logo
zijn handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II SystemŸ is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
1
Premium Sound.
245
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
10
pagina 69. Het volume wordt automatisch
afgestemd op de snelheid van de auto, zie
pagina 249.
Externe geluidsbronnen
Algemene informatie
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door.
Bij herhaalde malen indrukken van MODE
loopt u de standen CD, USB en AUX door.
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
AUX-ingang
MODE - Geluidsbron kiezen: CD, AUX of
USB (zoals iPodŸ)1
USB-ingang*
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Navigatieknop - Menufuncties
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen, zie
1
246
De AUX- en USB-ingangen bieden de mogelijk
een externe geluidsbron aan te sluiten, zoals
een iPodŸ1 of mp3-speler.
Als u ervoor kiest om een iPodŸ, mp3-speler of
USB-geheugen aan te sluiten op de USB-aansluiting, kunt u het geluidsmedium bedienen
via de geluidsregeling van de auto.
Alleen de uitvoeringen High Performance en Premium Sound hebben een USB-aansluiting. iPod is het gedeponeerde handelsmerk van Apple Computer Inc.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Audiofuncties
Met de knop MODE kiest u de te beluisteren
externe geluidsbron.
1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat
aansl. op het display.
2. Sluit uw iPodŸ, mp3-speler of USB-geheugen aan op de USB-aansluiting in het
opbergvak van de middenconsole (zie
voorgaande afbeelding).
> De tekst Aan het laden verschijnt op
het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display, waarna u een bepaalde track
kunt selecteren.
U kunt op een van de volgende drie manieren
een track selecteren:
• Draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom.
• Gebruik de linker of rechter toets van de
navigatiebediening (6) om naar de gewenste track te bladeren.
• Gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
In de USB- of iPodŸ-stand werkt het Infotainmentsysteem op dezelfde manier als bij het
beluisteren van audiobestanden op een cd in
de cd-speler. Voor meer informatie, zie
pagina 255.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPodŸmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPodŸ Shuffle wordt echter niet ondersteund.
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
iPodŸ
Een iPodŸ wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting.
Als de batterij van de speler echter helemaal
uitgeput is, dient u deze eerst op te laden alvorens de speler aan te sluiten.
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen audiobestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
afspeelbare audiobestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestanden aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
10
N.B.
Wanneer u muziek op een aangesloten
iPodŸ beluistert, hanteert het infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar
met die van de iPodŸ.
Zie voor meer informatie over USB en iPodŸ bij
een audiosysteem in de uitvoering Performance het extra instructieboekje bij USB en
iPodŸ Music Interface.
AUX
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
``
247
10 Infotainment
Audiofuncties
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen.
10
het kopje Surround-functie activeren/
deactiveren verderop.
• SURROUND2 – Niveau voor de zogeheten
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Ambient Surround Sound. Pro Logic IIŸ
moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te
kunnen regelen, zie onder het kopje Audioinstellingen verderop.
Door te drukken op SOUND (5) kunt u de
onderstaande opties doorbladeren. U stelt de
opties in door aan TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE - Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
• BALANS – Balans tussen luidsprekers
links en rechts.
• MIDDEN2 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic IIŸ moet zijn ingeschakeld om
het niveau bij te kunnen regelen, zie onder
2
3
4
248
Premium Sound.
Niet beschikbaar in de standen AM en FM.
Bepaalde systeemuitvoeringen.
De Surround-instellingen zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van de
geluidsweergave. De instellingen en
activering/deactivering ervan worden
voor elk van de geluidsbronnen apart vastgelegd.
G021216
Audio-instellingen bijregelen
4. Ga naar Dolby Pro Logic II3, 3-kanaals
of Uit en druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter4
Surround2
Audio-instellingen
3. Ga naar Surround FM…, Surround
AM…, Surround CD… of Surround
AUX… en druk op ENTER.
Het DolbyŸ-pictogram op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic IIŸ actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
• Dolby Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals.
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
Met de equalizer kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
Equalizer bijregelen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Equalizer voor… of Equalizer
achter… en druk op ENTER.
4. De balken op het display geven het
geluidsniveau van de verschillende frequenties aan.
5. Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
10 Infotainment
Audiofuncties
6. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT zonder de instellingen op te slaan.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
Autom. volumeregeling5
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals lage tonen,
hoge tonen en equalizer*) zijn uitsluitend
bedoeld om u de mogelijkheid te bieden de
geluidsweergave naar wens af te stellen.
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen: Laag, Medium en
Hoog.
10
Automatische volumeregeling instellen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Audio-instellingen… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Autom. volumeregeling… en
druk op ENTER.
4. Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
5
Geldt niet voor Performance
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
10 Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
Zenders zoeken
Voorkeurzenders vastleggen
Automatisch zenders zoeken
10
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Druk kort op
of
.
De radio zoekt dan automatisch de eerstvolgende sterke zender op.
Handmatig zenders zoeken
G019806
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
FM/AM – Frequentieband kiezen
Sneltoetsen
TUNING – Draaiknop voor het zoeken van
zenders
SCAN – Scannen
Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
EXIT – Lopende functie annuleren
AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
250
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. U kiest een voorkeurzender met de
sneltoetsen (2) of met de toetsenset op het
stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
2. Houd een van de sneltoetsen ingedrukt,
totdat de melding Zender opgeslagen op
het display verschijnt.
Het is ook mogelijk een zender vast te leggen
of
te drukken. U kunt daardoor lang op
voor ook de toetsenset op het stuurwiel gebruiken:
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Houd
of
van de navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het
display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door
of
kort
in te drukken.
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is met name handig in gebieden, waar
u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver-
10 Infotainment
Radiofuncties
volgens rechtstreeks te kiezen met de sneltoetsen (2).
ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De radio verlaat de automatische stand
waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Automatische vastlegfunctie beëindigen
Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een sneltoets (2).
> De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de automatische stand
annuleert met de toetsen AUTO (7),
EXIT (6) of AM/FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders in andere
geheugenbank opslaan
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op de sneltoets met de te verplaatsen
zender.
3. Druk op de sneltoets waaraan u de voorkeurzender wilt koppelen en houd de toets
Scannen
De functie SCAN (4) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
2. Druk op SCAN om de functie te activeren.
> De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
Druk op een sneltoets en houd deze ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De scanfunctie wordt beëindigd,
waarna u de vastgelegde zender als
voorkeurzender kunt gebruiken.
RDS-functies
Radio Data System – RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender
in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde
informatie, zodat een RDS-radio onder meer
de volgende mogelijkheden biedt:
10
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken.
Als er een zender met het gewenste programmatype is gevonden, kan de radio vervolgens
op deze zender overschakelen en de weergave
van de actieve geluidsbron onderbreken. Als
de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de
weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De
uitzending met het gekozen programmatype
wordt weergegeven op een vooraf bepaald
volume, zie pagina 254. Na afloop van de uitzending van het gekozen programmatype
``
251
10 Infotainment
Radiofuncties
Om de onderbroken geluidsbron te hervatten,
voordat u de melding of het programmatype
hebt beëindigt, drukt u op EXIT.
Voor meer instellingen die te maken hebben
met het onderbreken van uitzendingen, zie
EON en REG zie pagina 253. De programmafuncties zijn te wijzigen aan de hand van het
menusysteem, zie pagina 244.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
op het display.
staat er
TP activeren/deactiveren
> Een van de meldingen TP van deze
zender of TP van alle zenders verschijnt op het display.
6. Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar TP en druk op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
3. Ga naar TP en druk op ENTER.
1. Kies een FM-zender.
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding Nieuws geeft aan dat de
functie actief is.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar TP en druk op ENTER.
5. Ga naar TP-zender… en druk op
ENTER.
4. Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
Nieuws
G021221
De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP), nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste.
Verkeersinformatie, TP
G021220
10
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
Nieuws activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
252
10 Infotainment
Radiofuncties
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
PTY activeren/deactiveren
1. Kies FM1 of FM2 met FM/AM.
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
4. Ga naar Nieuwszender… en druk op
ENTER.
> Een van de meldingen ENTER om
alleen van deze zender nieuws te
ontvangen. of Nieuws van alle
zenders verschijnt op het display.
5. Druk op ENTER.
Programmatype, PTY
G021222
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Popmuziek en
Klassieke muziek. Het
symbool PTY geeft aan dat de functie actief is.
Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken
voor een uitzending van het gekozen programmatype via het RDS-netwerk van de zender
waarop is afgestemd.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven.
10
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
4. Ga naar PTY selecteren… en druk op
ENTER.
> Er verschijnt een lijst met programmatypes: Actualiteit, Informatie enz. U
activeert de functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de
functie door alle PTY’s te wissen.
5. U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY's wissen…
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Activeer de functie PTY.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar PTY en druk op ENTER.
3. Ga naar PTY weergeven en druk op
ENTER.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
Radiotekst activeren/deactiveren
4. Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display. Met een druk op
van de navigatieknop wordt verder gezocht
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
2. Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
``
253
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Automatische afstemfunctie, AF
EON (Enhanced Other Networks)
RDS-functies resetten
Bij activering van de functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal
voor een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI zoeken
EXIT voor annuleren. op het display.
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
Met de functie Reset alles... kunt u alle
fabrieksinstellingen voor RDS herstellen.
AF activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar AF en druk op ENTER.
Regionale radioprogramma’s, REG
G021223
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst Regionaal op
het display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken uitgeschakeld.
REG activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
254
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar Reset alles… en druk op
ENTER.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Geav. radio-instellingen… en
druk op ENTER.
3. Ga naar EON… en druk op ENTER.
4. Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is
gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume
opgeslagen voor een volgende onderbreking.
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
G019807
Weergave starten (cd-wisselaar*)
Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, track selecteren en navigeren in menusysteem
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd aanbrengen en uitwerpen
Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de
cd-wisselaarstand met MODE en selecteer
een cd met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de
pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst WERP UIT ALLE.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Cd aanbrengen
Audiobestanden*
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
> Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc
plaatsen geeft aan dat u een volgende
cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar
biedt plaats aan 6 cd’s.
De cd-speler/cd-wisselaar* ondersteunt ook
audiobestanden in mp3- en wma-formaat.
MODE – Geluidsbron kiezen (CD, AUX,
USB*)
2. Breng een cd aan in de cd-wisselaar.
TUNING – Draaiknop voor het kiezen van
een track
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
Cd uitwerpen
10
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met audiobestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
10 Infotainment
Cd-functies
Navigeren en afspelen
10
Als er een schijf met audiobestanden in de
cd-speler zit, kunt u de mapstructuur van de
schijf tonen met een druk op ENTER. U navigeert op dezelfde manier in de mapstructuur
als in het menusysteem van het audiosysteem.
Audiobestanden worden aangeduid met het
en mappen met
. Met een druk
symbool
op ENTER gaat het afspelen van de audiobestanden van start.
Wanneer een bepaald audiobestand helemaal
afgespeeld is, worden de overige bestanden in
dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het audiobestand in zijn
geheel weer te geven.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en audiobestand wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de
tracks/audiobestanden op een cd doornemen.
Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt
u tracks/audiobestanden op een cd versneld
vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook
1
256
Geldt voor de cd-wisselaar.
gebruik maken van TUNING (of van de toetsenset op het stuurwiel).
• RANDOM houdt in dat de tracks op
Cd doorzoeken
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/audiobestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van de track/
het audiobestand op de cd voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/audiobestanden in willekeurige volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen tracks/
audiobestanden op de cd op de gebruikelijke
manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd1.
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RND FLD houdt in dat de audiobestanden
in een willekeurige map op de gekozen cd
worden afgespeeld.
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Map of Disc en druk op ENTER.
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige
afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale
muziek-cd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
10 Infotainment
Cd-functies
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Cd’s
3. Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met audiobestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Enkele disc of Map en druk op
ENTER.
10
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Tekst disc
Eventuele trackinformatie op de muziek-cd kan
via het display worden weergegeven2.
Activeren/deactiveren
1. Start de weergave van een cd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
2
Geldt voor de cd-wisselaar.
257
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
Overzicht
10
FM-MENU
TP
5.
Tekst disc
6.*
Audio-instellingen…
1.
Nieuws
2.
TP
3.
PTY…
4.
Radiotekst
Bij cd-wisselaar* met cd-schijf geselecteerd.
5.
Geav. radio-instellingen…
1.
Random…
6.*
Audio-instellingen…
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
AM-MENU
1.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met cd-schijf.
1.
Random
2.
Nieuws
3.
TP
4.
Tekst disc
5.*
Audio-instellingen…
CD-MENU
Bij cd-speler met mp3-schijf.
1.
258
4.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
CD-MENU
CD-MENU
Bij cd-wisselaar* met mp3-schijf geselecteerd.
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Tekst disc
6.*
Audio-instellingen…
AUX-MENU
1.
AUX-ingangsvolume…
2.
Nieuws
3.
TP
4.*
Audio-instellingen…
USB-MENU*
1.
Afspeellijst
2.
Random…
3.
Nieuws
4.
TP
5.
Nummerinformatie
6.
Audio-instellingen…
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
Onderdelen van het telefoonsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Onderdelen van het telefoonsysteem
Antenne1
10
Toetsenset op stuurwiel. Met de toetsenset kunt u de meeste functies van het telefoonsysteem regelen, zie pagina 261.
Microfoon. De microfoon voor de handsfree-functie zit aan het plafond bij de zonneklep.
Bedieningspaneel op middenconsole.
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
Privacy-handset*
• Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
worden doorgeschakeld naar de voicemail. De
gemiste oproepen verschijnen op het display.
In het menu 6.5 kunt u IDIS opheffen, zie
pagina 267.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
netwerkprovider bevinden.
Simkaart
Noodoproep doen
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op ENTER.
Simkaartlezer
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset*, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
1
260
Alleen voor geïntegreerde telefoon of RTI.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met het IDIS-systeem (Intelligent Driver
Information System) kunt u, wanneer IDIS
inschat dat de verkeerssituatie alle aandacht
vergt, een vertraging inbouwen voor telefoongesprekken en sms-berichten, zodat u zich
geheel op het rijden kunt concentreren.
Inkomende gesprekken en sms-berichten kunnen 5 seconden worden vertraagd, voordat ze
worden doorgegeven. Als de heersende verkeerssituatie daarna nog alle aandacht van de
bestuurder vergt, kan het inkomende gesprek
G020244
IDIS
Algemene informatie
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Meerdere netwerkproviders bieden simkaarten aan. Neem
bij problemen met de simkaart contact op met
de netwerkprovider.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel. Neem contact op met uw netwerkprovider om na te gaan of u van simkaart
moet veranderen.
Extra simkaart
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Menufuncties
MENU – Hoofdmenu openen
Op pagina 267 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
10
Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers
PHONE – Aan/uit en stand-by
Bediening telefoon
Toetsenset op stuurwiel
Simkaart aanbrengen
1. Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
2. Trek de simkaarthouder uit de simkaartlezer (zie afbeelding op pagina 260).
4. Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
G020243
G019809
3. Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – Het achtergrondvolume van de
radio e.d. regelen tijdens een gesprek
Cijfer- en lettertoetsen
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
toetsen wilt gebruiken om instellingen in het
audiosysteem te verrichten, moet u eerst de
telefoon standby zetten.
ENTER – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
EXIT – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
standby staat, staat er een hoorn op het display. Als u de transpondersleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem de volgende keer dat u de transpondersleutel naar
stand I of II draait, opnieuw actief zijn of standby staan.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
1. Druk op PHONE.
2. Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telefoonsysteem deactiveren
N.B.
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd is
kunt u geen gesprekken beantwoorden.
Als de handset* is opgenomen bij het begin
van een telefoongesprek, zal het geluid via
de handsfree worden weergegeven. Voor
het wisselen tussen handset en handsfree.
zie pagina 265
Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon gedeactiveerd is.
standby
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem te
beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk
zelf te bellen.
Telefoon stand-by zetten
Gesprekken aannemen
Zie menu-optie 4.3 zie pagina 267 voor het
automatisch aannemen.
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
Druk op PHONE.
Activeren vanuit stand-by
Druk op PHONE.
Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT of leg de handset op.
Gesprekken weigeren
Druk op EXIT.
Gespreksfuncties
Wisselgesprek
Bellen
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt Antwoorden?. U
kunt het tweede gesprek op de gebruikelijke
manier weigeren of aannemen. Als u het
tweede gesprek aanneemt, wordt het eerste
gesprek in de wacht gezet.
1. Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 265.
3. Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Pauze of Hervatten en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
1. Zet het eerste gesprek in de wacht.
2. Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Wisselen en druk op ENTER.
Conferentiegesprek starten
Bij een conferentiegesprek kunnen drie
gesprekspartners met elkaar praten. Wanneer
een conferentiegesprek eenmaal gestart is,
kunnen er geen nieuwe gesprekspartners worden aangesloten. Bij het afsluiten van een conferentiegesprek worden alle lopende gesprekken beëindigd.
1. Begin twee telefoongesprekken.
Volume
Tekst invoeren
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier.
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
Gespreksvolume
1. Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Bij gebruik van de handset*
kunt u het gespreksvolume
regelen met een draaiknop op
de zijkant van de handset.
2. Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u op * drukken of enige seconden wachten.
Volume audiosysteem
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na
afloop van het gesprek speelt het audiosysteem op het oude volume verder. Als u het
volume van het audiosysteem bijregelt tijdens
het gesprek, speelt het audiosysteem na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder. Het is ook mogelijk om het geluid van
het audiosysteem bij telefoongesprekken
automatisch uit te zetten (zie menu 6.4.3 op
pagina 267). De functie geldt alleen voor het
geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
Knop
10
Functie
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàæç
def3èé
ghi4ì
2. Druk op MENU of op ENTER.
3. Ga naar Deelnemen en druk op ENTER.
jkl5
mno6ñöòØ
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Knop
10
pqrs7ß
deze op het display. Contactgegevens kunnen
op de simkaart en in het telefoongeheugen
worden vastgelegd.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
tuv8üù
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
5. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
1. Druk op MENU.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
Functie
wxyz9
Kort indrukken om twee
tekens op dezelfde toets na
elkaar in te voeren.
+0@*#&$£/%
Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters.
Nummerfuncties
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
4. Voer een naam in en druk op ENTER.
3. Ga naar Alles kopiëren… en druk op
ENTER.
5. Voer een nummer in en druk op ENTER.
6. Ga naar SIM-kaart of
Telefoongeheugen en druk op ENTER.
Contactgegevens zoeken in
telefoonboek
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
1. Druk op ENTER.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
Telefoonboek
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Druk op MENU.
3. Ga naar Nieuwe contactpersoon en druk
op ENTER.
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets
MENU, gaat u rechtstreeks naar het menu
Zoeken.
Laatst gekozen nummers
264
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
4. Ga naar SIM naar telefoon of Telefoon
naar SIM en druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
5. Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
6. Ga naar Wissen en druk op ENTER.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
1. Druk op MENU.
7. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
8. Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
3. Ga naar SIM wissen of Telefoon wissen
en druk op ENTER.
Verkort kiezen
Alle posten wissen
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
One-key dial
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
3. Ga naar Sneltoets verk. kiezen… en druk
op ENTER.
4. Ga naar Selecteer nummers en druk op
ENTER.
5. Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
6. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
Druk kort op de voorkeurtoets van uw
keuze en daarna op de toets ENTER.
N.B.
Na activering van de telefoon moet u enkele
seconden wachten, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
Sneltoets verk. kiezen… in het menu
Telefoonboek…, zie pagina 269 geactiveerd
zijn.
Bellen via telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek… en druk op
ENTER.
> Alle posten in het telefoonboek worden
weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een
deel van de naam van de post in te voeren die u zoekt.
3. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
10
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
N.B.
Houd de gewenste letter/toets van de toetsenset ca. 2 seconden ingedrukt om het
telefoonboek bij de bijbehorende letter te
openen.
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies zijn
alleen te activeren als een gesprek in de wacht
staat.
Druk op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
1. Microfoon mute/Microfoon
ingeschakeld – Ruggespraakstand.
2. Pauze/Hervatten – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten.
3. Handsfree/Privacy-handset – Handsfree of handset gebruiken*.
4. Telefoonboek – Telefoonboek bekijken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
5. Deelnemen – Telefonische vergadering
voeren (mogelijk bij aansluiting van meer
dan twee partijen)
6. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
6. Wisselen – Wisselen tussen twee
gesprekken (mogelijk bij aansluiting van
maximaal drie partijen).
IMEI-nummer
Sms (Short Message Service)
Sms lezen
1. Druk op MENU.
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het goed.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Lezen en druk op ENTER.
Specificaties
4. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
> De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Schrijven en verzenden
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten… en druk op ENTER.
3. Ga naar Nieuw bericht schrijven en druk
op ENTER.
4. Schrijf de tekst en druk op ENTER.
5. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
266
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
250A
Sms (Short Message Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
In de telefoon, plus het aantal geheugenpositie op de simkaart.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
Hoofdmenu
1.
Sneltoets verk. kiezen…
4.6.2.
Indien bezet
Oproepregister…
2.4.1.
Actief
4.6.3.
Geen antwoord
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
2.4.2.
Selecteer nummers
4.6.4.
Niet bereikbaar
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
2.5.
SIM wissen
4.6.5.
Fax oproepen
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
2.6.
Telefoon wissen
4.6.6.
Datagesprekken
1.4.
Lijst wissen…
2.7.
Geheugenstatus
4.6.7.
Alles annuleren
1.5.
2.
1
2.4.
1.4.1.
Alle oproepen
1.4.2.
Gemiste oproepen
3.1.
Lezen
5.1.
Autotelefoon
1.4.3.
Ontvangen oproepen
3.2.
Nieuw bericht schrijven
5.2.
Telefoon toevoegen
1.4.4.
Gekozen nummers
3.3.
Berichtinstellingen…
5.3–7. Toegevoegde telefoons1
3.
Berichten…
5.
Gespreksduur…
3.3.1.
SMSC-nummer
1.5.1.
Laatste oproep
3.3.2.
Geldigheidsduur…
1.5.2.
Aantal oproepen
3.3.3.
Type bericht…
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
4
Belopties…
4.1.
Verzend mijn nummer
Telefoonboek…
4.2.
Wisselgesprek
2.1.
4.3.
Automatisch antwoord
Zoeken
2.2.
Nieuwe contactpersoon
4.4.
Auto re-dial
2.3.
Alles kopiëren…
4.5.
Nummer voicemail
2.3.1.
SIM naar telefoon
4.6.
Omleidingen…
2.3.2.
Telefoon naar SIM
4.6.1.
Alle oproepen
10
Verwissel telefoon
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
6.
Instellingen telefoon…
6.1.
6.2.
Netwerkselectie…
6.1.1.
Automatisch
6.1.2.
Handmatige selectie
SIM-beveiliging…
6.2.1.
Aan
6.2.2.
Uit
Maximaal 5 telefoons.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
267
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.2.3.
10
Automatisch
6.3.
PIN-code bewerken
6.4.
Geluid en volume…
6.4.1.
Belvolume
6.4.2.
Beltonen…
6.4.3.
Radio mute
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5.
IDIS
6.6.
Reset telefooninstellingen
2.3.1.
SIM naar telefoon
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
2.3.2.
Telefoon naar SIM
1.4.1.
Alle oproepen
2.4. Sneltoetsfunctie
1.4.2.
Gemiste oproepen
1.4.3.
Ontvangen oproepen
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
1.4.4.
Gekozen nummers
2.4.1
Actief
2.4.2
Selecteer nummers
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Zie menu 1.5.4 voor het resetten van
de gesprekstellers.
2.5. SIM wissen
1.5.1.
Laatste oproep
1.5.2.
Aantal oproepen
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
1.5.3.
Totale tijd
2.7. Geheugengebr.
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
1.5.4.
Reset timers
1.2. Laatste 10 beantwoorde
2.1. Zoeken
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
Namen in het telefoonboek zoeken.
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
2.2. Nieuw contact
3. Berichten
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 264.
3.1. Lezen
Beschrijving van menu-opties
1. Gespreklijst
1.1. Laatste 10 gemiste
1.3. Laatste 10 gekozen
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
268
1.4. Lijst wissen
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Telefoonboek
2.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
2.6. Telefoon wissen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
3.2. Nieuw opstellen
4.3. Autom. antw.
5.2. Telefoon toevoegen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
Mobiele telefoons toevoegen aan de lijst Toegevoegde telefoons.
3.3. Berichtinstellingen
4.4 Autom. herkiezen
5.3–7. Toegevoegde telefoons
Het nummer (SMSC nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal gesproken niet te wijzigen.
Automatisch een eerder gekozen nummer bellen.
Verbinding maken met een van de toegevoegde telefoons (maximaal 5 telefoons).
3.3.1.
SMSC-nummer
3.3.2.
Geldigheidsduur…
3.3.3.
Type bericht…
4.5. Voicemail-nummer
N.B.
Het nummer van voicemail opslaan.
4.6. Doorschakelen
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met BluetoothTM-handsfree.
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
6. Telefooninstellingen
4.6.1.
6.1 Kies netwerk
Alle oproepen
4. Belopties
4.6.2
Indien bezet
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.1. Verzend mijn nummer
4.6.3.
Geen antwoord
6.1.1.
Automatisch
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.6.4.
Niet bereikbaar
6.1.2.
Handmatige selectie
4.6.5.
Fax oproepen
4.6.6.
Datagesprekken
4.6.7.
Alles annuleren
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
6.2. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5. Verwissel telefoon
6.2.1.
Aan
5.1. Autotelefoon
6.2.2.
Uit
6.2.3.
Automatisch
Geïntegreerde telefoon kiezen.
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
269
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
6.3. PIN-code bewerken
10
Pincode wijzigen. Code noteren en goed
bewaren.
6.4. Geluid en volume
6.4.1.
Belvolume
Het volume van het belsignaal regelen.
6.4.2.
Beltonen…
Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
6.4.3.
Radio mute
Radio uit-/inschakelen.
6.4.4.
Pieptoon bij bericht
6.5. IDIS
Als u de functie IDIS uitschakelt, worden inkomende gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging doorgegeven.
6.6. Reset Telefooninst
De fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Menu’s en bedieningstoetsen
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole (3), zie pagina 261.
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Middenconsole
Bluetooth TM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit in de plafondconsole (2). U
kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 267.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
BluetoothTM handsfree als een geïntegreerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu, zie pagina 267.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfreefunctie actief is.
10
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
10
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons verschijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
1
272
Geldt voor Keyless Drive.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
Mobiele telefoon uitschakelen
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 274.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding
Synchroniseert op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobiele telefoons, zie pagina 274.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier1.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
en de
is, verschijnen het symbool
BluetoothTM-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 274.
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
Automatisch antw.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Telefoonmenu… Belopties…
Automatisch antw..
Menu ontvangen oproepen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
• Microfoon mute – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
• Gespr. n. mob. doorsch. – Gesprek door-
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen tijdens
het bellen. Maak gebruik van de toetsenset op
het stuurwiel.
Instellingen telefoon…
volume… Radio mute.
Geluid en
10
Belvolume
Ga naar Telefoonmenu… Instellingen
telefoon… Geluid en volume…
Belvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Beltonen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Telefoonmenu… Instellingen telefoon…
Geluid en volume… Beltonen…
Beltoon 1 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
schakelen naar de mobiele telefoon.
Volume audiosysteem
In de telefoonstand (TELEFOON) is het volume
van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze
bij te regelen met VOLUME.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Telefoonmenu…
2
Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefoonmenu…
Instellingen telefoon… Geluid en
volume… Beltonen… Signaal mob. tel.
gebr..
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Meer informatie over registratie en
aansluiting
foon door het menusysteem als volgt te gebruiken.
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Na registratie staat de mobiele telefoon in de lijst met
toegevoegde telefoons. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te verwijderen onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwijder telefoon.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
BluetoothTM of ook een geïntegreerde telefoon.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
Zet het audiosysteem in de telefoonstand
(TELEFOON) en volg de aanwijzingen op het
display of wissel van aangesloten mobiele tele-
274
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
• Bij auto’s met alleen
BluetoothTM
verricht u
de aansluiting onder Telefoonmenu…
Bluetooth… Verwissel telefoon
Telefoon toevoegen of kies een van de
eerder aangesloten telefoons.
• Bij auto’s met zowel een geïntegreerde
BluetoothTM
telefoon als
verricht u de aansluiting onder Telefoonmenu…
Verwissel telefoon Telefoon
toevoegen of kies een van de eerder aangesloten telefoons.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. Deactiveer de functie
onder Instellingen telefoon…
Telefoonboek synchr.. Bij het zoeken van
contacten werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek…
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunctie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
Belopties… Nummer voicemail. Als er nog
geen nummer opgeslagen is, kunt u het bijbehorende menu openen door lang op 1 te drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde nummer te gebruiken.
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder
Oproepregister….
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree
Het menusysteem voor BluetoothTM-handsfree is verkrijgbaar in twee versies. Eén
voor auto’s met alleen BluetoothTM-handsfree en één voor auto’s met een geïntegreerde telefoon en BluetoothTM-handsfree.
1.
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 263).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
2.
3.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Bluetooth…
3.1.
3
Verwissel telefoon
3.1.1.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
10
N.B.
Telefoon toevoegen
3.1.2–6.Toegevoegde telefoons3
3.2.
Verwijder telefoon
3.3.
Vanaf mob. tel. verbinden
Maximaal 5 telefoons.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
3.4.
10
4.
5.
Bluetooth info auto
3.
Bluetooth…
Belopties…
3.1.
Verwijder telefoon
4.1.
Automatisch antw.
3.2.
Vanaf mob. tel. verbinden
4.2.
Nummer voicemail
3.3.
Bluetooth info auto
Instellingen telefoon…
5.1.
5.2.
4.
Belopties…
Geluid en volume…
4.1.
Automatisch antw.
5.1.1.
Belvolume
4.2.
Nummer voicemail
5.1.2.
Beltonen…
5.1.3.
Radio mute
5.
Telefoonboek synchr.
Verwissel telefoon
5.1.
Autotelefoon
5.2.
Telefoon toevoegen
5.3–7. Toegevoegde telefoons3
Menusysteem - BluetoothTMhandsfree en geïntegreerde telefoon
1.
2.
3
276
6.
Instellingen telefoon…
6.1.
Oproepregister…
1.1.
Laatste 10 gemiste opr.
1.2.
Laatste 10 ontv. opr.
1.3.
Laatste 10 gebelde nrs.
Telefoonboek…
2.1.
Zoeken
2.2.
Van mob. tel. kopiëren
Maximaal 5 telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.2.
Geluid en volume…
6.1.1.
Belvolume
6.1.2.
Beltonen…
6.1.3.
Radio mute
Telefoonboek synchr.
10 Infotainment
10
277
Type-aanduiding...................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
Displaysymbolen...................................................................................
278
280
282
285
286
288
291
294
296
297
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Type-aanduiding
11
280
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbare gewichten, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
S40 en V50: Bij het openen van het rechter
achterportier is de sticker zichtbaar. C30
en C70: Bij het openen van het rechter portier is de sticker zichtbaar.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stickers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stickers in/op uw auto.
11
Sticker voor standverwarming.
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Sticker voor motorolie.
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
handgeschakelde versnellingsbak
,
automatische versnellingsbak
VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer).
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
281
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
282
Maten
mm
Maten
mm
A
Wielbasis
2640
H
Spoorbreedte achteras
1531
B
Lengte
4266
I
Laadbreedte, vloer
C
Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt
1486
J
Breedte
1782
D
Laadlengte, vloer
663
K
Breedte incl. buitenspiegels
2039
E
Laadhoogte
642
F
Hoogte
1447
G
Spoorbreedte vooras
1535
713
Gewichten
Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het
gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de
resterende oliën/vloeistoffen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
11 Specificaties
Maten en gewichten
N.B.
WAARSCHUWING
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet worden verminderd.
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. treingewicht (auto+aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
11
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Voorbeelden van accessoires die een vermindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosystemen, verstralers, gps-systemen, brandstofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instrument om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
Max. totaalgewicht
Max. dakbelasting: 75 kg.
Voor de positie van de sticker, zie pagina 280.
Trekgewicht en kogeldruk
Motor
Max. gewicht, geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
1.6
1200
50
D2
1300
75
``
283
11 Specificaties
Maten en gewichten
Motor
Max. gewicht, geremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
2.0F
1350
75
2.0
1350
overige
1500
11
284
Max. gewicht, ongeremde aanhanger (kg)
Max. kogeldruk (kg)
700
50
11 Specificaties
Motorspecificaties
Overzicht
Motor
Motorcode
Vermogen (kW
bij
omw/
min)
Vermogen (pk
bij omw/
min)
Motorkoppel
(Nm bij
omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderboring
(mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderinhoud
(liter)
Compressieverhouding
1.6
B4164S3
74/6000
100/6000
150/4000
4
79
81,4
1,596
11,0:1
2.0F
B4204S4
107/6000
145/6000
185/4500
4
87
83,1
1,999
10,8:1
2.0
B4204S3
107/6000
145/6000
185/4500
4
87
83,1
1,999
10,8:1
T5
B5254T7
169/5000
230/5000
320/1500–
5000
5
83
93,2
2,521
9,0:1
D2
D4162T
84/3600
115/3600
270/1750
4
75
88,3
1,560
16,0:1
D3
D5204T5
110/3500
150/3500
350/15002750
5
81
77,0
1,560
16,5:1
D4
D5204T
130/3500
177/3500
400/17502750
5
81
77,0
1,984
16,5:1
11
Motorcode, onderdeel- en serienummer van
de motor vindt u op de motor, zie pagina 280.
285
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
In ongunstige rijomstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van
ongunstige rijomstandigheden.
11
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit en dat zowel bij het bijvullen als bij verversen van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
286
Viscositeitsdiagram
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motortype
Aanbevolen oliekwaliteit
Bij te vullen hoeveelheid tussen
Hoeveelheid, incl.
oliefilter
MIN en MAX (liter)
(liter)
1.6
B4164S3
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
0,8
4,0
2.0F
B4204S4
Viscositeit: SAE 5W-30
0,8
4,3
2.0
B4204S3
0,8
4,3
D2
D4162T
1,0
3,8
D4A
D5204T
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
1,0
5,9
B5254T7
Viscositeit: SAE 0W-30/5W-30
1,3
5,8
T5A
A
Motorcode
11
Voor Europa geldt SAE 0W-30 en voor de overige markten geldt SAE 5W-30
287
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overzicht
BELANGRIJK
11
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar vermengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
werkplaats voor service, als er een andere
oliesoort werd gebruikt. Volvo adviseert u
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde versnellingsbak
Hoeveelheid (liter)
B6
1,6
MMT6
1,7
MTX75
1,8
M66
1,9
IB5
2,1
Voorgeschreven versnellingsbakolie
BOT 350M3
Automatische versnellingsbak
288
Hoeveelheid (liter)
BOT 130 M
Voorgeschreven versnellingsbakolie
MPS6
7,3
BOT 341
AW55-51
7,7
JWS 3309
TF-80SC
7,0
AW1
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Koelvloeistof
1.6
5,8
2.0 en 2.0F
6,5
T5, handgeschakelde versnellingsbak
7,0
T5, automatische versnellingsbak
7,5
D2
6,2
D3 en D4
8,5
Aanbevolen kwaliteit
Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met
50 % waterA, zie verpakking. Thermostaat opent bij:
benzinemotor (1.6) 82 °C
Koudemiddel
Airconditioning
11
benzinemotoren 90 °C,
dieselmotoren 82 °C
dieselmotor (D2)83 °C
B
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
Remvloeistof
Remsysteem
0,6
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Stuurbekrachtiging
0,8–0,9
Ruitensproeiervloeistof
4-cil. benzine/diesel
4,0
5-cil. benzine/diesel
6,5
DOT 4+
WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar product met dezelfde
specificatie.
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo aanbevolen
antivries aangelengd met water te gebruiken.
``
289
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
Brandstof
Benzine: 1.6, 2.0, 2.0F
ca. 55
Benzine: zie pagina 143
Benzine: T5
ca. 62
Diesel: D2, D3 en D4
ca. 52
Diesel: zie pagina 144
11
A
B
290
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
11 Specificaties
Brandstof
CO2-uitstoot en brandstofverbruik
A
B
C
1.6
220
9,3
136
5,7
167
7,0
2.0FA
262
11,0
140
5,9
185
7,8
2.0
252
10,8
134
5,8
177
7,6
T5
294
12,6
150
6,4
203
8,7
T5
315
13,5
151
6,5
211
9,0
D2
137
5,2
101
3,8
114
4,3
D3
183
7,0
106
4,0
134
5,1
D3
210
7,9
122
4,6
154
5,8
11
``
291
11 Specificaties
Brandstof
A
B
C
D4
183
7,0
106
4,0
134
5,1
D4
210
7,9
122
4,6
154
5,8
11
A
Gespecificeerde waarden gelden voor benzine. FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E85) rijden of op een mengsel daarvan. De auto
neemt 30–40 % meer bij gebruik van E85 vanwege de lagere energie-inhoud. De exacte toename in het brandstofverbruik hangt onder meer af van de rijstijl, de buitentemperatuur en de gebruikte
brandstofkwaliteit.
A = stadsverkeer (l/100 km)
B = snelwegrit (l/100 km)
C = combinatierit (l/100 km)
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een ver-
1
292
hoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
• Uw rijstijl
• De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden
• Een ingeschakelde A/C (airconditioning)
• De grotere luchtweerstand bij vervoer van
lading op het dak of het gebruik van een
skibox
• Een te lage bandenspanning
• De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
Waar u op moet letten
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli1 die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn. Hier volgen enkele handige tips om het brandstofverbruik terug te
dringen:
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 682/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO2-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO2-uitstoot.
11 Specificaties
Brandstof
• Rijd rustig.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weg waarop u rijdt. Lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
Ook wanneer u slechts enkele van de
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk.
Raadpleeg voor meer informatie de richtlijnen
waar eerder aan gerefereerd werd.
• Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
• Laat de motor niet te lang stationair
draaien. Neem de geldende verkeersregels
in acht. Zet bij langere stilstand de motor
af, als dat zonder gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is.
• Gebruik vóór een koude start altijd een
eventuele motorverwarming.
WAARSCHUWING
11
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Zie pagina 142 voor meer algemene informatie
over brandstof.
• Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is. Houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina 195.
• Uw bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik. Uw dealer kan u
informeren over passende banden.
• Extra gewicht – neem geen spullen in de
auto mee die u niet gebruikt.
• Verwijder een eventuele skibox meteen na
het gebruik.
• Voer altijd passend onderhoud aan de auto
uit volgens de aanwijzingen in het instructieboekje.
293
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
Op de auto zit een wisselstroomdynamo met
spanningsregelaar. Het elektrische systeem is
11
enkelpolig en gebruikt het chassis en het
motorblok als geleiders.
De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. Bij vervanging van de star-
taccu is het dan ook erg belangrijk om een accu
te kiezen met dezelfde capaciteit als die van de
oorspronkelijke (zie sticker op accu).
Startaccu
Spanning (V)
Koudestartcapaciteit,
Reservecapaciteit
CCA - Cold Cranking Amperes (A)
(minuten)
590
Capaciteit (Ah)
100
60
760
A
120
70
700
B
135
80
12
12
A
B
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
Auto’s met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Gloeilampen
Verlichting
294
Vermogen (W)
Soort
Dimlicht, auto’s met halogeenverlichting
55
H7
Groot licht, auto’s met halogeenverlichting
65
H9
Groot licht, auto’s met ABL (Active Bending Lights)
55
H7
Achteruitrijlicht
6
H6W
Mistachterlicht
21
P21W
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Richtingaanwijzers voor
24
PY24WSW
Richtingaanwijzers achter
21
PY21WSV
Bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting
5
C5W
1,2
Buislampje
Stadslichten/parkeerlichten vóór
5
W5W BV LL
Sidemarkers, vóór
5
WY5W
Mistlampen
55
H8
Verlichting dashboardkastje
3
Buislampje
11
Make-upspiegel*
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
295
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Transpondersleutelsysteem
Land en gebied
11
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte transpondersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
TW
ETC093LPD0155
296
Certificering Keyless drive
Hierbij verklaart Siemens VDO Automotive
A.G. dat de uitrusting van het type 5WK48952,
5WK48956, 5WK48812 in overeenstemming is
met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/EG.
11 Specificaties
Displaysymbolen
Algemene informatie
Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 51 en
55.
gaat
Het rode waarschuwingssymbool
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt bovendien een verklarende tekst op het
informatiedisplay.
gaat branHet oranje informatiesymbool
den en er verschijnt een verklarende tekst op
het informatiedisplay, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden. Het
oranje informatiesymbool kan ook gaan branden in combinatie met ander symbolen.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Symbool
Symbool
Betekenis
Pagina
Stabiliteitsregeling STC of
DSTC*
52, 163,
164
Betekenis
Pagina
Waarschuwing
21, 34,
51, 54,
159
Voorgloeifunctie
(diesel)
52
51, 54,
159, 164,
166
Brandstofvoorraad laag
52
Controlesymbool
voor aanhanger
53
Handrem aangetrokken
53
Airbags, SRS
21, 53
11
Informatie
Uitlaatgasreinigingssysteem
51, 52
Storing in het ABS
52, 53
Mistachterlicht
52
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
297
11 Specificaties
Displaysymbolen
Symbool
Betekenis
Pagina
Oliedruk laag
51, 53
Symbool
Betekenis
Pagina
Richtingaanwijzers links
49
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Symbool
18, 53
Dynamo laadt niet
bij
53
Richtingaanwijzers rechts
49
Pagina
Surround-functie
(alleen Premium
Sound)
248
Nieuws
252
Programmatypes
252
Regionale radioprogramma’s
254
Audiobestanden
256
Map op cd
256
Verkeersinformatie
252
Telefoon*
271
BluetoothTMhandsfree*
271
G021221
Gordelwaarschuwing
G021216
11
Betekenis
298
Grootlichtsignalen
49
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Pagina
Regensensor*
65
Cruisecontrol*
67
Schakelindicatie*
155
G021222
Betekenis
G021223
53, 161
Symbool
G021220
Storing in het
remsysteem
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
11 Specificaties
Displaysymbolen
Informatiesymbolen op display
plafondconsole
Symbool
Betekenis
Pagina
Gordelwaarschuwing
19
Airbag passagiersstoel, geactiveerd
24, 25
Airbag passagiersstoel,
gedeactiveerd
25
11
299
12 Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel.................................... 74
autodimfunctie...................................... 74
Aanbevolen kinderzitjes ............................ 35
Aanhanger............................................... 177
kabel................................................... 179
Aanrijding
crash mode........................................... 34
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 29
12
Aanstekeropening
voorstoel............................................... 57
ABS, storing in het ABS..................... 52, 161
AC
elektronische klimaatregeling............... 95
handmatige klimaatregeling........... 90, 91
Accu......................................................... 227
onderhoud.................................. 215, 227
overbelasting...................................... 141
specificaties........................................ 294
starten met hulpaccu.......................... 176
symbolen op de accu......................... 227
Achterbank.............................................. 116
instap.................................................. 105
Achterklep
rijden met een geopende achterklep. . 140
vergrendelen/ontgrendelen........ 124, 132
300
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
automatisch in-/uitklappen............. 76, 81
Actieve koplampen.................................... 59
Actieve koplampen (ABL).......................... 59
Adaptatie................................................. 153
alarmsysteem testen..........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
beperkt alarmniveau...........................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
uitschakelen........................................
verkeersmelding RDS.........................
136
136
136
136
135
135
252
AF, automatische afstemfunctie.............. 254
Alarmlichten............................................... 70
Afstandsbediening................................... 124
batterij vervangen............................... 131
Alarmsysteem testen............................... 136
Afstandsbediening HomeLinkŸ
programmeerbaar ................................ 83
Algemene informatie over brandstof....... 142
Afstemfunctie, automatische................... 254
Airbag........................................................
activeren/deactiveren, PACOS.............
bestuurders- en passagierszijde..........
deactiveren met sleutel.........................
22
24
23
24
AIRBAG ..................................................... 22
Airbagsysteem........................................... 22
Airconditioning........................................... 90
algemene informatie............................. 88
ECC...................................................... 93
Alarm........................................................ 135
activeren............................................. 135
alarmindicatie..................................... 135
Alcoholslot............................................... 146
Antennelocatie, Keyless drive.................. 130
Approach-verlichting................................. 77
instellen................................................. 81
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 246
Auto
klimaatinstelling.................................... 93
AUTO
voorkeurzenders vastleggen.............. 250
Autobekleding.......................................... 207
Autom. klimaat........................................... 93
Automatische hervergrendeling............... 132
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 158
12 Alfabetisch register
Automatische vergrendeling.................... 133
Automatische versnellingsbak
aanhanger................................... 177, 178
handmatig schakelen (Geartronic)...... 156
slepen en bergen................................ 172
Automatische volumeregeling................. 249
Automatische wasstraten........................ 206
Automatisch starten................................. 150
Auto wassen............................................ 206
rijeigenschappen................................ 190
slijtage-indicator................................. 191
snelheidsaanduidingen....................... 190
spanning..................................... 194, 195
specificaties........................................ 190
winterbanden...................................... 193
Batterij
batterij in transpondersleutel vervangen...................................................... 131
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 48, 72
B
Bellen............................................... 262, 272
Bagagenet............................................... 120
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 206
Benzinekwaliteit....................................... 143
Bagagerolhoes......................................... 118
Bagageruimte..........................................
bagagenet...........................................
bagagerolhoes....................................
lading vervoeren.................................
verlichting...........................................
118
120
118
185
109
Bagage vastzetten .................................. 120
Banden
algemene informatie...........................
bandenreparatie.................................
draairichting........................................
onderhoud..........................................
Beslagen ruiten
achterruit............................................... 91
ontwasemen............................. 88, 91, 94
timerfunctie..................................... 91, 94
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 79
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 168
Blokkering achteruitversnelling................ 155
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 273
handsfree............................................ 271
microfoon dempen............................. 273
Boordcomputer......................................... 62
Botsing, zie Aanrijding............................... 34
12
Brandstof
brandstofbesparing............................ 194
brandstoffilter..................................... 145
brandstofverbruik, aanduiding.............. 62
CO2-uitstoot........................................ 291
niveaulampje......................................... 52
standverwarming.................................. 98
tanken................................................. 142
verbruik............................................... 291
Buitenafmetingen..................................... 282
Buitenspiegels........................................... 76
Buitenspiegels resetten............................. 77
Bio-ethanol E 85...................................... 143
190
200
193
190
Blaasmonden............................................. 89
BLIS, Blind Spot Information System 77, 168
301
12 Alfabetisch register
C
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 163
lampje................................................... 52
Cd-functies.............................................. 255
Cd’s
opbergvak........................................... 114
Extra verwarming (diesel)......................... 101
E
F
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 222
ECO-bandenspanning............................. 194
tabel.................................................... 194
FlexiFuel................................................... 152
adaptatie............................................. 153
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 220
EHBO-set................................................. 197
Follow Me home-verlichting................ 61, 77
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 78
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 72
Follow Me Home-verlichting
instellen................................................. 82
Elektrisch bedienbare stoel..................... 104
FSC, milieulabel......................................... 15
Contactsleutels........................................ 151
Cruisecontrol............................................. 67
D
Dakbelasting, max. gewicht .................... 282
Dashboardkastje...................................... 113
vergrendelen....................................... 126
Diesel, voorgloeifunctie............................. 52
Dieselolie................................................. 144
Display, meldingen.................................... 55
Displayverlichting....................................... 59
Dolby Surround Pro Logic II............ 245, 248
Doorluchtfunctie...................................... 133
Doorwaaddiepte...................................... 141
302
Extra verwarming..................................... 101
ECC, elektronische klimaatregeling........... 89
Condens aan binnenkant lampglazen..... 206
12
Equalizer.................................................. 248
Elektrisch bedienbare zijruiten
passagiersplaats................................... 73
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 57
middenconsole..................................... 57
Elektrische verwarming
achterruit......................................... 91, 95
buitenspiegels................................. 91, 95
voorstoelen..................................... 91, 95
Elektrisch systeem................................... 294
Elektronische startblokkering.................. 124
EON, Enhanced Other Networks............. 254
G
Geartronic................................................ 156
Geluiden
audio-instellingen....................... 246, 248
geluidsbron......................................... 246
volume................................................ 246
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 273
telefoon....................................... 263, 273
telefoon/mediaspeler.......................... 273
12 Alfabetisch register
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 62
Gereedschap........................................... 196
Gesprek in de wacht zetten..................... 262
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 262, 265
gebruik........................................ 262, 272
inkomende.......................................... 272
telefoonvolume................................... 263
Gesprekken weigeren.............................. 262
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 155
GSI (Gear Shift Indicator).................... 155
slepen en bergen................................ 172
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 156
Handrem.............................................. 53, 71
Hogedruksproeiers koplampen................. 64
HomeLinkŸ ................................................ 83
Hoofdsteunen.......................................... 116
Gevarendriehoek..................................... 196
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 282
Gloeilampen
vervangen........................................... 229
Gloeilampen, zie Verlichting............ 229, 294
Gordelwaarschuwing................................. 19
Groot licht
grootlichtsignalen................................. 61
I
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 260
IMEI-nummer........................................... 266
Instellingen van de auto............................. 81
Instructieboekje, milieulabel...................... 15
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 44
auto met stuur rechts........................... 46
Instrumentenpaneel................................... 49
Instrumentenverlichting............................. 59
Interieurfilter............................................... 88
Interieurverlichting, zie Verlichting........... 109
Interieurverwarming
op brandstof......................................... 98
Interior Air Quality System, ECC................ 94
Intervalstand.............................................. 64
iPodŸ, aansluiting.................................... 246
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 39
In de was zetten....................................... 207
Informatiedisplay....................................... 55
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 58
Informatie over brandstof........................ 142
K
Grootlichtsignalen...................................... 61
Infotainment
menufuncties...................................... 244
Katalysator............................................... 143
bergen................................................. 172
Instap
achterbank.......................................... 105
Keuzehendelblokkering........................... 157
GSI (Gear Shift Indicator)......................... 155
Guard beperkt
instellingen............................................ 81
12
Instellen, klok............................................. 80
Keyless drive............................ 128, 154, 296
auto starten......................................... 154
303
12 Alfabetisch register
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 157
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 223
Lekke band, zie Banden.................. 196, 198
Kinderen....................................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
plaats in de auto, tabel.........................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Koudemiddel............................................. 88
Koude start.............................................. 158
automatische versnellingsbak............ 158
Lichtbundel aanpassen............................ 186
Active Bending Lights (ABL) .............. 186
halogeenkoplampen........................... 186
Krik........................................................... 196
Lopende gesprekken, functies................ 265
35
27
36
35
35
Kinderzitje.................................................. 35
12
Kledinghaak............................................. 113
Kleurcode, lak.......................................... 210
Klimaat
persoonlijke instellingen....................... 80
Klimaatinstelling
autom.................................................... 93
Klimaatregeling
algemene informatie............................. 88
Lading vervoeren
algemene informatie........................... 185
laadvermogen..................................... 185
verankeringsogen............................... 120
Lagetonenluidspreker.............................. 248
Knalgas.................................................... 176
Lak
kleurcode............................................ 210
schade en herstel............................... 210
Knipperlichten............................................ 61
Lambdasonde.......................................... 143
Koelsysteem............................................ 140
Koelvloeistof............................................ 222
Lamphouder
verwijderen......................................... 232
Kofferbak ................................................ 118
Lampjes................................................... 164
Kompas..................................................... 74
kalibreren.............................................. 74
zone instellen........................................ 74
Lampjes en displaymeldingen
standverwarming.................................. 99
Koplampen................................................ 58
304
L
Leeslampjes, zie Verlichting.................... 109
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 208
Luchtverdeling........................................... 97
ECC...................................................... 95
Luchtverdeling, AC.................................... 91
M
Max. dakbelasting .................................. 282
Meldingen op informatiedisplay................. 55
Meldingen voor BLIS............................... 170
Menufuncties
audiosysteem..................................... 244
Menustructuur........................................... 80
Menusysteem
mediaspeler........................................ 258
telefoon, menu-opties......................... 268
telefoon, overzicht.............................. 267
12 Alfabetisch register
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
49
49
49
49
49
Middenarmsteun achterbank .................. 117
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 15
Mistlichten
achter.................................................... 59
Mistlichten, aan/uit.................................... 59
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 274
handsfree............................................ 271
telefoon registreren............................. 271
Motorolie.......................................... 220, 286
filter..................................................... 219
hoeveelheden..................................... 286
oliedruk................................................. 53
oliekwaliteit......................................... 286
ongunstige rijomstandigheden........... 286
Motor starten........................................... 150
Keyless drive.............................. 128, 154
Motorverwarming..................................... 152
op brandstof......................................... 98
N
Op afstand openen, portieren.................... 81
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 112
Opbergvak............................................... 112
cd’s..................................................... 114
Opblaasgordijnen...................................... 29
Openen, motorkap................................... 217
NEWS...................................................... 252
Noodoproepen......................................... 260
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 196
O
12
P
PACOS....................................................... 24
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 24
Olie, zie ook Motorolie..................... 220, 286
Park Assist............................................... 165
sensoren voor Park Assist.................. 166
Omklappen, ruggedeelte achterbank...... 116
Parkeerrem................................................ 71
Onderhoud............................................... 215
onderhoud.......................................... 215
roestwering......................................... 211
Peilstok, elektronisch............................... 221
Motorruimte............................................. 217
koelvloeistof........................................ 222
stuurbekrachtigingsvloeistof............... 224
One-key bell............................................. 265
Motorspecificaties................................... 285
Ontwaseming............................................. 91
Ontgrendelen................................... 129, 132
instellingen............................................ 81
Op afstand openen.................................... 81
Persoonlijke instellingen............................
"Approach"-verlichting.........................
"Follow Me Home"-verlichting..............
auto is op slot, lampje..........................
autom. blower afstellen........................
automatische vergrendeling.................
ontgrendelen, portieren........................
op afstand openen................................
80
81
82
81
80
81
81
81
305
12 Alfabetisch register
timer recirculatie................................... 81
verlichting auto is ontgrendeld............. 81
REG, regionale radioprogramma’s.......... 254
Rijklaar gewicht........................................ 282
Regensensor.............................................. 65
Roestwering............................................. 211
Poetsen.................................................... 207
Roetfilter............................................ 55, 145
Powershift-versnellingsbak.............. 158, 172
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 235
Programmatype....................................... 253
Rem- en koppelingsvloeistof................... 223
Ruggedeelte achterbank omklappen ...... 116
Provisorische bandenreparatie................ 200
Remlichten................................................. 60
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 222
PTY, programmatype.............................. 253
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 161
noodremlichten................................... 162
parkeerrem........................................... 71
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA .................................................... 162
remlichten............................................. 60
Ruitenwissers............................................ 64
regensensor.......................................... 65
12
R
Radio
afstemfunctie......................................
EON....................................................
NEWS.................................................
programmatypes................................
radio-instellingen................................
radiozenders.......................................
REG....................................................
254
254
252
251
250
250
254
Reservewiel.............................................. 196
compact reservewiel................... 193, 196
Richtingaanwijzers..................................... 61
RDS-functies........................................... 251
resetten............................................... 254
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
Recirculatie
AC......................................................... 90
ECC...................................................... 94
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 282
trekgewicht......................................... 282
Radio, zenders zoeken............................ 250
Radiotekst................................................ 253
306
Remsysteem............................................ 161
141
140
177
140
140
Roetfilter vol............................................. 145
S
Safelock-functie....................................... 133
deactiveren......................................... 133
onderbreking...................................... 133
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 256
radiozenders....................................... 251
Schakelindicatie (GSI (Gear Shift Indicator))........................................................... 155
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 206
auto wassen....................................... 206
bekleding............................................ 207
veiligheidsgordels....................... 207, 209
velgen................................................. 206
12 Alfabetisch register
Schuifdak................................................... 78
beveiliging tegen overbelasting............ 79
openen en sluiten........................... 78, 79
ventilatiestand....................................... 78
zonnescherm........................................ 79
Serviceprogramma.................................. 214
Simkaart................................................... 260
SIPS-airbag............................................... 27
SIPS-airbags.............................................. 27
Sleepoog.................................................. 174
Slepen...................................................... 172
sleepoog............................................. 174
Sleutel
transpondersleutel.............................. 124
vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel........................................... 128
Sleutelblad....................................... 125, 129
vergrendelingspunten......................... 127
Sms.......................................................... 266
lezen................................................... 266
schrijven.............................................. 266
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
74
76
76
74
Sproeiers
achterruit............................................... 65
koplampen............................................ 64
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 222
voorruit.................................................. 64
SRS-systeem
algemene informatie............................. 22
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 163
Stand-by, telefoon................................... 262
Sloten
vergrendelen....................................... 132
Standverwarming
accu en brandstof................................. 98
algemene informatie............................. 98
lampjes en displaymeldingen............... 99
op een helling parkeren........................ 98
tijd instellen......................................... 100
Smeermiddelen........................................ 288
Startaccu................................................. 294
Sleutelloos starten (Keyless drive)........... 128
Sleutelstanden......................................... 150
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 288
Steenslagplekken en krassen.................. 210
Stoel
elektrisch bedienbare......................... 104
handmatig verstelling......................... 104
Stoelen en achterbank
hoofdsteunen achterbank................... 116
ruggedeelte achterbank omklappen... 116
Stoel met geheugenfunctie...................... 105
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 170
12
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 224
Stuurslot.................................................. 150
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 67
stuurwielafstelling................................. 70
toetsenset............................... 67, 69, 261
Subwoofer............................................... 248
Surround.......................................... 245, 248
Symbolen
controlesymbolen........................... 52, 53
waarschuwingssymbolen..................... 51
Startblokkering................................ 124, 151
Starten met hulpaccu.............................. 176
307
12 Alfabetisch register
T
Tanken
tankdop............................................... 142
tanken................................................. 142
tankvulklep, elektrisch openen........... 142
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling 95
interieur, handmatige klimaatregeling. . 92
werkelijke temperatuur......................... 89
Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 296
Technische gegevens, motor.................. 285
Tekst disc................................................ 257
Toetsensets op stuurwiel............. 67, 69, 261
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bediening............................................
bellen..................................................
bellen via telefoonboek.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
one-key bell........................................
stand-by.............................................
tekst invoeren.....................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
telefoon registreren.............................
verkeersveiligheid...............................
Totaalgewicht.......................................... 282
262
274
261
272
265
273
271
272
265
262
263
274
274
271
261
Telefoonboek
nummerfuncties.................................. 264
308
Type-aanduidingen.................................. 280
Timer
AC......................................................... 91
ECC...................................................... 94
Tankinhoud.............................................. 288
12
Telefoonsysteem..................................... 260
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 52
USB, aansluiting...................................... 246
TP, verkeersinformatie............................. 252
Traction Control....................................... 163
Transpondersleutel..................................
afneembaar sleutelblad......................
batterij vervangen...............................
functies...............................................
151
125
131
124
Transpondersleutelsysteem, typegoedkeuring..................................................... 296
Trekgewicht............................................. 282
Trekhaak..................................................
monteren............................................
specificaties........................................
verwijderen.........................................
179
181
180
183
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 179
Trillingsdemper........................................ 179
V
Veiligheid
veiligheidssystemen, tabel.................... 32
Veiligheidsgordel
gordelgeleider....................................... 20
gordelspanners..................................... 20
zwangerschap...................................... 19
Veiligheidsgordels...................................... 18
Veiligheidszitje........................................... 35
bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ 40
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 39
12 Alfabetisch register
Velgen
schoonmaken..................................... 206
Ventilatie.................................................... 89
Ventilator
AC......................................................... 90
ECC...................................................... 93
Verankeringsogen.................................... 120
Vergrendelen............................................ 129
ontgrendelen....................................... 132
Vergrendelen/ontgrendelen..................... 132
aan de binnenzijde.............................. 132
van de buitenzijde............................... 132
Verkeersinformatie................................... 252
Verlichting
"Approach"-verlichting......................... 77
Actieve xenonkoplampen..................... 59
automatische verlichting..................... 110
automatische verlichting, dimlicht........ 58
bagageruimte...................................... 109
dimlicht................................................. 58
displayverlichting.................................. 59
Follow Me Home-verlichting........... 61, 77
gloeilampen, specificaties.................. 294
groot licht/dimlicht.......................... 58, 61
in interieur........................................... 109
koplamphoogteverstelling.................... 58
leeslampjes......................................... 109
mistachterlicht...................................... 59
mistlichten............................................ 59
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 58
verlichtingspaneel, interieur.................. 58
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 229
achterlicht................................... 231, 233
bagageruimte...................................... 233
bagageruimteverlichting..................... 234
dimlicht............................................... 230
groot licht............................................ 230
kentekenplaatverlichting..................... 233
make-upspiegel.................................. 234
mistlampen vóór................................. 232
richtingaanwijzer................................. 231
sidemarker.......................................... 231
stadslichten........................................ 231
voorzijde............................................. 229
Vloeistoffen en oliën......................... 219, 288
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 219
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 219
Vloerluik................................................... 119
Vloermatten............................................. 108
Volume
audiosysteem.....................................
automatische volumeregeling.............
mediaspeler........................................
programmatypes................................
246
249
246
254
Voorkeurzenders vastleggen, handmatig
en automatisch........................................ 250
Voorstoelen, elektrisch verwarmde........... 91
Versneld vooruit-/achteruitspoelen.......... 256
W
Versnellingsbak
handgeschakelde............................... 155
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 163
Verzorging................................................ 206
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Verzorging, leren bekleding..................... 208
Whiplash-letsel.......................................... 30
Vlekken.................................................... 207
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 30
whiplash-letsel...................................... 30
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 288
12
309
12 Alfabetisch register
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
Zuinig rijden............................................. 140
199
198
196
192
192
198
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden.................................... 256
12
Winterbanden.......................................... 193
Wisser
achterruit............................................... 65
Wisserbladen...........................................
schoonmaken.....................................
vervangen, voorruit.............................
vervangen achterklep.........................
225
225
225
225
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
kastje in motorruimte..........................
relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte..........................................
vervangen...........................................
235
235
236
239
235
Zonnescherm, schuifdak........................... 79
310
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&&+&+9jiX]!6I&%'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%&%!8deng^\]i©'%%%"'%&%Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising