Volvo | C70 | Gebruikershandleiding | Volvo C70 2009 Gebruikershandleiding

Volvo C70 2009 Gebruikershandleiding
C70; 6; 3
evastarck
2008-03-07T13:26:08+01:00; Page 1
VOLVO C70
Instructieboekje
WEB EDITION
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%&+&9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 1
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 2
Inhoud
00 01 02
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 11
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags (SRS)............................................
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*.........
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijnen (DMIC)..........................
WHIPS-systeem........................................
Roll-Over Protection System (ROPS)........
Activering van de veiligheidssystemen.....
Crash mode..............................................
Kinderen en veiligheid...............................
16
19
20
23
26
28
29
31
32
33
34
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Bedieningspaneel op bestuurdersportier..
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Elektrische aansluiting..............................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Toetsensets op stuurwiel*.........................
Stuurwielverstelling, alarmlichten.............
Handrem...................................................
Elektrisch bedienbare zijruiten..................
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels......
Persoonlijke instellingen...........................
42
44
46
47
49
53
55
56
58
61
63
65
66
67
68
70
74
HomeLinkŸ EU*......................................... 77
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 3
Inhoud
03 04 05
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................
Elektronische klimaatregeling, ECC*........
Luchtverdeling..........................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*...........................................................
Extra verwarming op brandstof* (diesel)...
82
84
88
89
92
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Voorstoelen............................................... 96
Elektrisch bedienbare hardtop ................. 99
Windscherm*........................................... 104
Interieurverlichting................................... 105
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte...................................................... 108
Kofferbak................................................ 112
Afstandsbediening met sleutelblad.........
Privacy locking*.......................................
Vergrendelingspunten.............................
Keyless drive*..........................................
Batterij in afstandsbediening..................
Vergrendelen en ontgrendelen................
Alarm*......................................................
118
121
123
124
127
128
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 4
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Tanken....................................................
Motor starten..........................................
Keyless drive*..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
Remsysteem...........................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*......................................................
Parkeerhulp*............................................
BLIS*, Blind Spot Information System....
Slepen en bergen....................................
Starten met hulpaccu..............................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak*............................
Lading vervoeren....................................
Lichtbundel aanpassen...........................
4
07 Wielen en banden
138
140
142
144
145
147
151
153
155
158
162
165
166
168
170
174
175
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel...........
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden*...........................
08 Verzorging
178
182
185
188
190
Schoonmaken......................................... 196
Lakschade herstellen.............................. 200
Roestwering............................................ 201
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 5
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Accu........................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
204
205
206
207
212
213
215
221
Algemene informatie...............................
Audiofuncties..........................................
Radiofuncties..........................................
Cd-functies.............................................
Menusysteem, audiosysteem.................
Telefoonfuncties*....................................
Menusysteem, telefoon*.........................
Bluetooth handsfree*..............................
11 Specificaties
230
232
236
241
244
245
253
256
Type-aanduiding.....................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Katalysator..............................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
264
266
268
270
274
276
280
281
283
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 6
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 284
6
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 7
Inhoud
7
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 8
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig . Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over wat tot de
standaarduitrusting behoort en wat tot de
opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
8
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 9
Inleiding
Belangrijke informatie
Informatie
G031593
Gevaar voor materiële schade.
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Gevaarlijke situatie die, als de situatie niet vermeden wordt, zal resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen in een zwart symboolveld,
witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Zo nodig dient de sticker blauw van kleur te
zijn. Gevaarlijke situatie die, als de situatie niet
vermeden wordt, kan resulteren in lichte of
matige materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
9
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 10
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitlezen en gebruiken.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Accessoires en opties
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dit met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
10
Koelvloeistof
Motorolie
Vastlegging van gegevens
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
11
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 12
Inleiding
Volvo en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
1
12
Meer informatie staat op www.oekotex.com
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Öko-Tex 100 1 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Hieronder volgen enkele tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (zie pagina 138 voor meer
tips om het milieu te ontzien en zuinig te rijden):
•
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 182).
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
•
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•
•
Rem af op de motor.
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 13
Inleiding
Volvo en het milieu
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
13
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 14
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags (SRS)..........................................................................................
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*.......................................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijnen (DMIC)........................................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Roll-Over Protection System (ROPS)......................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Crash mode.............................................................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
19
20
23
26
28
29
31
32
33
34
G020871
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
VEILIGHEID
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 15
01
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 16
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Algemene informatie
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
±
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
veiligheidsgordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
door de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen
±
16
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
•
•
•
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats. Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u
de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van
zijn beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de veiligheidsgordel
ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang
de veiligheidsgordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor
montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 17
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Het mag nooit over de buik omhoog kunnen
glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak
mogelijk over het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de gordel nergens gedraaid zit.
WAARSCHUWING
De achterbank is bestemd voor maximaal
twee personen.
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor de
achterbank is tweeledig:
•
Aangeven welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De melding verschijnt op het informatiedisplay bij
het gebruik van de veiligheidsgordels. De
melding wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig
worden bevestigd door op de knop
READ te drukken.
•
Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingslampje. De waarschuwing
stopt wanneer de veiligheidsgordel weer is
omgedaan, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te
drukken.
G029652
G020105
Gordelwaarschuwing
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen
liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen.
01
``
17
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 18
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke veiligheidsgordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop
READ om de opgeslagen meldingen te zien.
Gordelgeleider
Bepaalde markten
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een
voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de
stoel gedrukt houden.
18
G020106
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt er de eerste zes seconden
lang een geluidssignaal.
Zowel de bestuurders- als de passagiersstoel zijn
voorzien van een gordelgeleider.
De gordelgeleider is een hulpmiddel dat de veiligheidsgordels beter bereikbaar maakt. Neem
bij het in- en uitstappen van achterpassagiers
de veiligheidsgordel uit de gordelgeleider en
plaats deze achteraan op de gordelstang.
Breng de veiligheidsgordel daarna weer aan in
de gordelgeleider.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 19
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
G029041
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE
VEREIST of SRS-AIRBAG
SERVICE SPOED op het display. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
Het airbagsysteem 1 wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem1 geen storingen vertoont.
1
01
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Omvat SRS en gordelspanners, SIPS, DMIC en ROPS.
19
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 20
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbagsysteem
WAARSCHUWING
N.B.
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in de airbags kunnen storingen in
de werking veroorzaken en leiden tot ernstig
letsel.
G020111
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de
airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem registreert de botskracht waaraan de
auto blootstaat en stemt de activering van
een of meerdere airbags daarop af.
Ook de capaciteit van de airbags wordt
afgestemd op de botskracht waaraan de
auto blootstaat.
20
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 21
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag (SRS Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
G020109
Positie van de passagiersairbag in een auto met
het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
G020108
G020113
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
01
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag 1 die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
1
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
Niet alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de vraag of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
``
21
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 22
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.2
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag (SRS) geactiveerd is.
G032243
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind.
Positie van sticker voor airbag aan passagierszijde.
2
22
zie pagina 23 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 23
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over het
activeren/deactiveren.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag, PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch) zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het kopje “Schakelaar voor activering/
deactivering passagiersairbag, PACOS”). Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert u het sleutelblad te
gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad (zie
pagina 119).
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel, als het brandende symbool
op de plafondconsole aangeeft dat de passagiersairbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbeveling kan
levensgevaarlijke situaties opleveren voor
het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op het
plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
G019800
PACOS deactiveren met sleutel
01
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag.
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 24
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
Berichten
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G018346
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan
de passagierszijde gedeactiveerd is.
Een tekstmelding en een brandend symbool op
het plafondpaneel op de plafondconsole geven
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G018344
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan
de passagierszijde geactiveerd is.
Een waarschuwingssymbool op de plafondconsole geeft aan dat de airbag (SRS) aan de
passagierszijde voorin geactiveerd is (zie voorgaande afbeelding).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 25
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren*
01
N.B.
Bij het omdraaien van de afstandsbediening
naar stand II of III brandt ca. 6 seconden
lang het waarschuwingslampje voor de airbags op het instrumentenpaneel (zie
pagina 19).
Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. Voor meer informatie
over de verschillende standen van het contactslot (zie pagina 142).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 26
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in de SIPS-airbags kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde 1 airbag.
SIPS-airbags
WAARSCHUWING
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk
onderdeel van het SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in de frames van de
rugleuning van de voorstoelen.
1
26
WAARSCHUWING
Gebruik alleen door Volvo goedgekeurde
stoelhoezen. Andere stoelhoezen kunnen
de SIPS-airbags in hun werking hinderen.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 23).
G025315
G020118
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
Bestuurdersplaats, auto met het stuur links.
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding
op voor de inzittende, waarna de airbags weer
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 27
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
G025316
G032246
leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal
gesproken alleen opgeblazen aan de kant van
de aanrijding.
Positie van sticker voor airbag aan bestuurderszijde, auto met het stuur links.
Passagiersplaats, auto met het stuur links.
27
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 28
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijnen (DMIC)
Eigenschappen
maakt het niet uit of de hardtop nu open- of
dichtstaat.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
De opblaasgordijnen (DMIC, Door Mounted
Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Ze zitten verborgen achter
de binnenkant van het bestuurders- en het
passagiersportier. Het systeem beschermt
inzittenden voorin. De opblaasgordijnen worden door sensoren geactiveerd, als de auto in
de zij wordt aangereden of als de auto het
risico loopt te kantelen. Bij activering worden
de opblaasgordijnen opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele voorpassagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Voor de activering van de opblaasgordijnen
28
G025425
G025424
Er bestaat gevaar voor verwondingen als de
bestuurder of een eventuele voorpassagier
tegen het portierpaneel leunt bij activering
van de airbag. De airbag kan tevens zijn
beschermende werking verliezen.
WAARSCHUWING
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding of de zijpanelen van de
auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende
werking verliezen. Er mogen uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor
montage op deze plaatsen, worden
gebruikt.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 29
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
``
29
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 30
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren in een erkende Volvo-werkplaats.
G020125
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
30
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van
achteren.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 31
01 Veiligheid
Roll-Over Protection System (ROPS)
ROPS-systeem
01
WAARSCHUWING
Verricht geen werkzaamheden aan het
ROPS-systeem.
G020797
Leg geen voorwerpen boven op het ROPSsysteem of achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers.
Rolbeugels in uitgeschoven stand.
Het ROPS-systeem bestaat uit sensoren en
stevige rolbeugels die achter de hoofdsteunen
voor de achterpassagiers zitten. Wanneer de
auto het risico loopt te kantelen of met voldoende kracht aan de achterkant wordt
geraakt, registreren de sensoren dit, waarna de
rolbeugels achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers omhoogkomen. Het maakt
voor de activering van de rolbeugels niet uit of
de hardtop geopend of gesloten is.
Neem altijd contact op met een erkende Volvowerkplaats, als het ROPS-systeem geactiveerd werd.
31
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 32
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
Activering van de systemen
Systeem
Activering
Gordelspanners voorstoelen
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen.
Gordelspanners achterbank
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij.A
Opblaasgordijnen (DMIC)
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen.A
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
Roll-Over Protection System (ROPS)
Bij kantelen en/of een aanrijding van achteren.
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u het
volgende:
32
•
Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Laat de onderdelen van het veiligheidssysteem in de auto door een erkende Volvowerkplaats vervangen.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
Het SRS-, SIPS-, DMIC- en ROPS-systeem
alsmede de gordelspanners worden bij een
botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 33
01 Veiligheid
Crash mode
Rijden na een aanrijding
G029042
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat
er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van
de auto is verminderd. Crash mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer
de aanrijding belangrijke onderdelen van de
auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren
voor een van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn.
Haal de contactsleutel uit het contact en steek
hem er opnieuw in. De elektronica van de auto
probeert te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten. Als
CRASH MODE ZIE HANDLEIDING nog
steeds op het display staat, mag u niet met de
auto rijden en hem evenmin verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het lijkt dat u nog
met de auto kunt rijden.
01
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvo-werkplaats.
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is gereset, mag u de auto
voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie
verrijden. Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de Crash mode heeft gestaan. Dit
kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto
altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar NORMAL MODE resetten,
wanneer de melding CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING is verschenen.
33
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 34
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Kinderen moeten comfortabel en veilig
zitten
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de auto
en de vereiste uitrusting. Voor meer informatie
(zie pagina 36).
N.B.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Kinderzitjes
N.B.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
1
34
G020128
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen het
dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde of auto’s
waarvan de passagiersairbag is gedeactiveerd.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
•
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd 1 is;
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 23).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 35
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
passagiersairbag geactiveerd is. Als de airbag
wordt geactiveerd, kan een kind aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is2
WAARSCHUWING
01
Sticker airbag
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker op zijwand dashboard.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind.
2
.zie pagina 23 voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag.
``
35
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 36
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto 3
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel A
Achterbank
Groep 0
Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.B
(tot 9 maanden)
Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Groep 0+
Typegoedkeuring: E5 03135
max. 13 kg
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd
babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
max. 10 kg
3
36
Typegoedkeuring: E5 03135
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient de auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 37
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Gewicht/Leeftijd
Voorstoel A
Achterbank
Groep 1
Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen tussen het kinderzitje en het dashboard.
Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.B
9–18 kg
(9–36 maanden)
01
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.B
Typegoedkeuring: E5 03171
Typegoedkeuring: E5 03171
Groep 2/3
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
15–36 kg
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
(3–12 jaar)
A
B
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 23).
Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats om de bevestigingspunten te laten aanbrengen die nodig zijn om een achterstevoren gemonteerd kinderzitje op de achterbank te kunnen
gebruiken.
``
37
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 38
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is4
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
G020798
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes
4
38
.zie pagina 23 voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 39
01 Veiligheid
01
39
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 40
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Elektrische aansluiting............................................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel...................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Toetsensets op stuurwiel*.......................................................................
Stuurwielverstelling, alarmlichten............................................................
Handrem.................................................................................................
Elektrisch bedienbare zijruiten................................................................
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels....................................................
Persoonlijke instellingen..........................................................................
42
44
46
47
49
53
55
56
58
61
63
65
66
67
68
70
74
HomeLinkŸ EU*....................................................................................... 77
40
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020901
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 41
02
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 42
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
20
18
02
22
17
21
16
10
9
8
7
6
5
11
12
13 14 15
19
8
26
8
23 24
25
8
9
7
27
28
29
4
3
2
1
3
31
30
32
34
42
G028206
33
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Stuurwielverstelling
Schakelaar, interieurverlichting links
Openingshandgreep, motorkap
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
Schakelaar, interieurverlichting rechts
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Controlelampje, vergrendeling
Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Blaasmond, dashboard
Klimaatregeling
Blaasmond, zijruit
Controlelampje, alarmlichten
Cruisecontrol
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Claxon en airbag
Dashboardkastje
Instrumentenpaneel
Versnellingspook (handbak)/keuzehendel
(automaat)
Toetsenset voor infotainment
02
Elektrische aansluiting en aansteker
Ruitenwissers en -sproeiers, koplampsproeiers
Schakelaar, bediening hardtop
Contactslot
Handrem
Achteruitkijkspiegel
BLIS, Blind Spot Information System
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Schakelaars, extra uitrusting
43
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 44
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
15
17
02
13
18
14
19
16
10
11
12
9
26
9
20 21 22 23 24 25
9
8
8
7
9
6
7
5
27
32
28
4
29
2
4
3
1
30
31
34
44
G019491
33
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Elektrische aansluiting en aansteker
Schakelaar, bediening hardtop
Handrem
Gordelwaarschuwing en indicatie voor
passagiersairbag
Achteruitkijkspiegel
Contactslot
Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
Stuurhendel, links
Dashboardkastje
Toetsenset stuurwiel, links
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Instrumentenpaneel
Controlelampje, vergrendeling
Claxon en airbag
Blaasmond, zijruit
Toetsenset stuurwiel, rechts
Blaasmonden in het dashboard
Controlelampje, alarmlichten
Klimaatregeling
Portierhandgreep en vergrendelingsknop
Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
Stuurhendel, rechts
Schakelaar, interieurverlichting links
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
Schakelaar, ingebouwd accessoire
Schakelaar, interieurverlichting rechts
02
Openingshandgreep, motorkap
Hendel, stuurwielafstelling
Versnellingspook (handbak)/keuzehendel
(automaat)
BLIS, Blind Spot Information System
Schakelaars, extra uitrusting
45
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 46
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
G018241
02
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
Elektrisch bedienbare zijruiten, alle ruiten
omlaag/omhoog
Elektrisch bedienbare zijruiten
Buitenspiegel, linkerzijde
Buitenspiegels, instelling
Buitenspiegel, rechterzijde
46
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G029046
02
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzer, rechts
Richtingaanwijzer, links
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut.
Waarschuwingslampje
Informatiedisplay – Op het display verschijnen informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen alsmede de buitentemperatuur en de tijd. Wanneer de buitentemperatuur tussen –5°C en +2°C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het lampje wijst op het gevaar voor
gladheid. Als de auto heeft stilgestaan, kan
de buitentemperatuurmeter een te hoge
waarde aangeven.
Controle- en informatielampjes
Brandstofmeter (zie ook boordcomputer
op pagina 59).
Knop voor dagteller – Wordt gebruikt om
korte afstanden te meten. Door kort op de
knop te drukken, kunt u van dagteller T1 en
T2 wisselen. Als u de knop lang indrukt
(meer dan 2 seconden), zet u de geactiveerde dagteller op nul.
Grootlichtindicatie
Display – Geeft de schakelstanden van de
automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
Informatielampje
``
47
C70; 7; 3
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
Temperatuurmeter – De temperatuurmeter
van het koelsysteem van de motor. Op het
display verschijnt een melding, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot
in het rode gebied uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de luchtinlaat bij
een hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen
verminderen.
Controle- en waarschuwingslampjes
48
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 48
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
1
Lampjes in het midden van het
dashboard
Wanneer het lampje brandt:
1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder
met de auto.
02
2. Lees de informatie op het informatiedisplay. Voer de handeling uit die de melding
op het display u voorschrijft. Wis de melding met de knop READ.
G030755
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes 1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van de
auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het
waarschuwingslampje blijft branden totdat de
storing is verholpen, maar de melding kunt u
verwijderen met de knop READ (zie
pagina 53). Het waarschuwingslampje kan
ook gaan branden in combinatie met andere
lampjes.
Het oranje informatielampje gaat
branden en er verschijnt een melding op het informatiedisplay. U
verwijdert de melding met behulp
van de knop READ (zie
pagina 53). Dit gebeurt automatisch als u
enige tijd niets doet (hoe lang hangt van de
bewuste functie af).
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
N.B.
Wanneer de servicemelding verschijnt, kunt
u het lampje doven en de melding verwijderen met de knop READ. Ook als u niets doet
gebeurt dat enige tijd later automatisch.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 53).
``
49
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes – linkerzijde
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Rijd de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
02
Storing in ABS
G029048
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Storing in uitlaatgasreinigingssysteem
Storing in ABS
Mistachterlicht
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Geen functie
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Laag peil in brandstoftank
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Als het lampje echter blijft branden, moet u
de auto naar een erkende Volvo-werkplaats rijden om het ABS-systeem te laten
controleren.
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC*
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem (zie
pagina 153).
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan –2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje gaat branden
is het brandstofpeil te laag. Tank
dan zo spoedig mogelijk.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
Controlelampje voor aanhanger
Te lage oliedruk 2
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het lampje
oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u
contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats.
Handrem aangetrokken
G029049
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
Controlelampje voor aanhanger
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Dynamo laadt niet bij
Handrem aangetrokken
Airbags – SRS
Te lage oliedruk
Gordelwaarschuwing
Dynamo laadt niet bij
Storing in remsysteem
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een storing in het elektrisch systeem.
Bezoek een erkende Volvo-werkplaats.
Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Rijd de auto zo snel
mogelijk naar een erkende Volvo-werkplaats
om het systeem te laten controleren.
02
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 53).
``
51
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
±
02
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (zie pagina 211). Als de
vloeistof lager staat dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
6. Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
4. Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren (zie pagina 211).
5. Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
3
52
Alleen auto’s met alarm.
Als een van de portieren, de motorkap 3 of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 5 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en verschijnt een van de volgende meldingen op het display:
BESTUURDERS- PORTIER OPEN,
PASSAGIERS- PORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat
of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
10 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel openstaat,
gaat het informatielampje branden
en op het display verschijnt
KOFFERBAKDEKSEL OPEN.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Berichten
N.B.
Betekenis
MOTORTEMP.
HOOG ZET
MOTOR UIT
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Melding
Betekenis
RUIM TIJD IN V.
ONDERHOUD
STOP AUTO
Z.S.M.A
Breng de auto op
veilige wijze tot stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Het is tijd een
afspraak te maken
voor een servicebeurt bij een
erkende Volvowerkplaats.
SERVICE SPOEDA
Laat de auto onmiddellijk nakijken door
een erkende Volvowerkplaats.
TIJD V. ONDERHOUD
ZIE INSTRUCTIEB.A
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREISTA
Laat de auto zo
spoedig mogelijk
nakijken door een
erkende Volvowerkplaats.
Het is tijd voor een
servicebeurt bij een
erkende Volvowerkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken,
het aantal draaiuren
van de motor en de
oliekwaliteit.
G029050
Melding
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
±
Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
02
``
53
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
54
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
Melding
Betekenis
ONDERHOUDSTER- MIJN VERSTREKEN
Als u de onderhoudstermijn niet
respecteert, vallen
beschadigde onderdelen niet langer
onder de garantie.
Bezoek voor het
onderhoud een
erkende Volvowerkplaats.
ROETFILTER VOL
– ZIE GEBR.
HANDL.
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 279).
VERSNELLINGSBAK HOGE OLIETEMP.
STC/DSTC SPIN
CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie
pagina 154 voor
meer varianten).
Rijd voorzichtiger of
breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Zet de versnellingsbak in de
neutraal en laat de
motor stationair
draaien totdat de
melding verdwijnt.
VERSN.BAK
WARM STOP
AUTO Z.S.M.
Kritieke storing.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand. Neem
contact op met een
erkende Volvowerkplaats.
VERSN.BAKOLIE
AAN VERV. TOE
Laat de auto zo
spoedig mogelijk
nakijken door een
erkende Volvowerkplaats.
HERINNERING
CONTR. OLIEPEIL
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de 10
000 km (bepaalde
motortypes). Voor
informatie over het
controleren van het
oliepeil (zie
pagina 208).
VERSNELLINGSBAK LAAG VERMOGEN
De versnellingsbak
werkt niet op maximale capaciteit. Rijd
voorzichtig totdat de
melding verdwijnt
(zie pagina 149).
A
Doe bij herhaaldelijke verschijning het
volgende: Neem
contact op met een
erkende Volvowerkplaats.
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken.
G019621
02
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. Het contactslot moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
Aansteker*
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
55
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 56
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Algemene informatie
Stand
G020139
02
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Bedieningspaneel verlichting
Duimwiel voor het afstellen van de verlichting van het display en het instrumentenpaneel
Mistlampen voorzijde*
Tankvulklep openen
Mistachterlicht
Betekenis
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
±
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
Bi-XenonŸ-koplampen*
Auto’s met
zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Koplampen
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (2) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische
dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te
draaien.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 58).
Mistlichten
N.B.
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand
I of 0 draait.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te openen, wanneer de auto onvergrendeld staat (zie
pagina 128).
02
Remlichten
Instrumentenverlichting
Mistlampen voorzijde*
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
contactsleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden.
De verlichting wordt bij daglicht automatisch
gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
±
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
±
Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze
displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen van de auto en het verwijderen van de
contactsleutel. Bij het vergrendelen van de
auto dooft de verlichting van de displayfuncties.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
±
Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
Noodremlichten en automatische
alarmlichten, EBL*
Bij krachtig remmen of ABS-regeling worden
de noodremlichten (EBL, Emergency Brake
Lights) geactiveerd. Dit houdt in dat de remlichten knipperen om het achteropkomend verkeer onmiddellijk te waarschuwen.
Het systeem wordt geactiveerd als het ABS
meer dan 0,5 seconden achtereen actief is of
bij krachtig afremmen, maar alleen bij snelheden hoger dan 50 km/h. Wanneer de snelheid
van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald,
branden de remlichten weer op de normale
manier en worden de alarmlichten automatisch
ingeschakeld. De alarmlichten blijven knipperen totdat u weer wegrijdt, maar zijn uit te schakelen met de knop voor de alarmlichten (zie
pagina 66).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 58
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
02
±
2
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
1
Om het groot licht te kunnen inschakelen moet
de contactsleutel in stand II staan en de verlichtingsdraaiknop in de eindstand (zie
pagina 56).
Groot licht activeren:
±
Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
4
3
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Korte serie knippersignalen
Groot licht deactiveren:
±
±
2
G026380
1
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen en wisselen tussen
groot licht en dimlicht
Follow-Me-Home-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens
los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de uitgangspositie.
Grootlichtsignalen
±
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat. Grootlichtsignalen
zijn alleen mogelijk wanneer de contactsleutel
in het contactslot steekt.
Haal de stuurhendel tot in stand (3) naar het
stuurwiel toe en laat de hendel los.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 1 seconden, maar is te
wijzigen in 60 of 90 seconden (zie
pagina 75).
1. Neem de sleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
58
Fabrieksinstelling.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer*
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
G029052
De boordcomputer toont de volgende informatie:
READ - bevestigen
Duimwiel2 - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET2 - op nul stellen
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel in stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer u na
het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
2
3
•
•
•
•
•
•
GEMIDDELDE SNELHEID
HUIDIGE SNELHEID MPH*
HUIDIG
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “ --.-” aan. Tijdens
regeneratie 3 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen (zie pagina 279).
02
GEMIDDELD
Wanneer u het contact uitzet, wordt het gemiddelde brandstofverbruik vastgelegd. Het blijft
bewaard, totdat u de functie op nul stelt. U stelt
de waarde op nul met de knop RESET.
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC, zie pagina 153
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
GEMIDDELDE SNELHEID
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U stelt de waarde op nul met de knop
RESET.
HUIDIGE SNELHEID MPH
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste 30 km.
Wanneer “ --- km tot lege tank” op het display
staat, zijn geen garanties meer te geven voor
de resterende actieradius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
C70; 7; 3
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
N.B.
02
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
1. Selecteer GEMIDDELDE SNELHEID of
GEMIDDELD.
2. Reset met een druk op de knop RESET.
Houd de knop RESET ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
60
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 60
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
B
C
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
02
0
Intervalstand
A
U kunt de wissnelheid in de intervalstand bijstellen. Draai het duimwiel (C) omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
G025419
0
Ruiten- en koplampsproeiers
Regensensor, aan/uit
Duimwiel
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snelheid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen worden de
koplampen op een van de onderstaande
manieren gesproeid.
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens
worden de koplampen iedere vijfde sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang er
maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
•
Bi-XenonkoplampenŸ worden slechts
iedere vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
•
Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 62
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
De draaiknop op het verlichtingspaneel in
stand 0:
•
Bi-XenonkoplampenŸ worden slechts
iedere vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de tijd die is verstreken.
•
Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid en omlaag voor een lagere
gevoeligheid. (De wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel omhoogdraait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient het contact/de contactsleutel in stand I of II te staan
en de hendel van de ruitenwissers in stand 0
(niet geactiveerd).
Regensensor*
Regensensor activeren:
±
Druk op de knop (B) (zie pagina 61). Een
displaysymbool geeft aan dat de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
G029053
1. druk op de knop (B)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel (C) (zie pagina 61).
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0 (niet geactiveerd) (zie pagina 61).
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de
regensensor uit door op knop (B) te drukken, terwijl de contactsleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers kunnen anders in
beweging komen en daarbij beschadigd
raken.
Duimwiel
Met het duimwiel kunt u de wisfrequentie
instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid van de regensensor
(als u de regensensor hebt geactiveerd).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
Tijdelijk uitschakelen
G020141
G029054
±
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk op + of – om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
±
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of – in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of – komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h of 1 mph 1.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
•
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
•
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h1;
•
•
u de keuzehendel in stand N zet;
•
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
Afhankelijk van het motortype.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 64
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
– Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
±
64
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsensets op stuurwiel*
Toetsfuncties
knop ENTER om het telefoonsysteem met de
pijltoetsen te kunnen bedienen.
02
G020142
Druk op EXIT. om de instellingen van het
audiosysteem te hervatten.
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u een
andere radiozender selecteren of een andere
track op een cd en het volume regelen.
±
Houd een van de pijltoetsen ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of
een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen voor het audiosysteem te kunnen verrichten moet de telefoon ingeschakeld
zijn. De telefoon moet zijn geactiveerd met de
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 66
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielverstelling, alarmlichten
Stuurwielverstelling
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02
Bij een voldoende krachtige aanrijding of een
krachtige remmanoeuvre worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld (zie pagina 57).
U kunt de functie uitschakelen met een druk op
de knop.
N.B.
Alarmlichten
G020143
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
1. Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te maken.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen.
66
G020144
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem
Handrem (parkeerrem)
3. Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
4. Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
02
Zet de versnellingspook/keuzehendel bij het
parkeren altijd in de 1e versnelling (handbak) of
in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
G018260
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Handrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
Handrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
67
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 68
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Bediening
02
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat.
Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog
steeds enige tijd openen en sluiten zolang geen
van de portieren wordt geopend. Bedien de
ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
Bestuurdersportier
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de achterste
zijruiten goed in de gaten, wanneer u ze met
de knoppen op het bestuurdersportier of
met de afstandsbediening sluit.
Zijruit openen:
Druk het voorste deel van de schakelaar
omlaag.
Zijruit sluiten:
±
Trek het voorste deel van de schakelaar
omhoog.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
Afstandsbediening
Voor het bedienen van de elektrisch bedienbare ruiten met de afstandsbediening (zie
pagina 118).
G000000
±
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Knop voor alle elektrisch bedienbare zijruiten
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Handmatige bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (2) of (3)
voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig
68
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
omhoog. De elektrisch bedienbare zijruiten
komen steeds verder omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
Automatische bediening
Druk een van de bedieningsknoppen (3)
omlaag of trek er één omhoog en laat deze
vervolgens los. De zijruiten gaan dan automatisch open of dicht. Als een zijruit door iets
worden geblokkeerd, wordt de op- of neergaande beweging van die zijruit afgebroken.
Alleen de voorste zijruiten zijn automatisch te
sluiten.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
02
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten verbreekt door auto de
contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
Passagiersplaats
De bedieningsknoppen op het passagiersportier werken op dezelfde manier als die op het
bestuurdersportier.
Alle ruiten tegelijk
Met knop (1) kunt u alle ruiten tegelijk openen
of sluiten. Met een korte druk op de rechterzijde van de knop worden de ruiten automatisch geopend. Met een druk op de linkerzijde
worden ze gesloten.
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt zowel bij automatisch sluiten
als bij handmatig sluiten, maar uiteraard niet
meer wanneer de beveiliging eenmaal in
werking is getreden.
G019511
WAARSCHUWING
Passagiersplaats.
Met de knop voor de elektrische bediening van
de ruit op het passagiersportier kunt u alleen
die ruit bedienen.
69
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 70
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
tisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig
op spiegels met autodimfunctie.
02
Kompas kalibreren
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
Hendeltje voor dimfunctie
Normale stand
Dimstand.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
70
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020991
G020988
G020992
Achteruitkijkspiegel met kompas*
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven: N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor stationair
lopen.
2. Houd het knopje (1) ten minste 6 seconden
lang ingedrukt. Het teken C verschijnt vervolgens (het knopje is verzonken, zodat u
bijvoorbeeld een paperclip moet gebruiken
om het in te drukken).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
3. Houd het knopje (1) ten minste 3 seconden
lang ingedrukt. Het nummer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
02
4. Druk herhaaldelijk op het knopje (1) totdat
het nummer van de gewenste magnetische
zone ( 1–15) verschijnt (zie de kaart met de
magnetische zones van het kompas).
Magnetische zones, Zuid-Amerika.
Magnetische zones, Azië.
G020153
Magnetische zones, Europa.
G020151
7. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat er een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is.
G020150
6. Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
G020152
5. Wacht totdat het teken C weer op het display verschijnt.
Magnetische zones, Australië.
``
71
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 72
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels*
Bij het parkeren of in nauwe straatjes kunt u de
buitenspiegels inklappen. Dat is mogelijk als de
contactsleutel in stand I of II staat.
02
Spiegels inklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt.
Magnetische zones, Afrika.
G018254
G020154
BELANGRIJK
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen met het contact in stand I of II.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat er daarbij krassen op
het glas kunnen ontstaan en de water- en
vuilafstotende laag* beschadigd kan raken.
Gebruik in plaats daarvan de elektrische
verwarming om de buitenspiegels van ijs te
ontdoen (zie pagina 86).
WAARSCHUWING
Beide buitenspiegels zijn groothoekig voor
optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder
weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Spiegels uitklappen
1. Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
2. Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Automatisch in-/uitklappen
Wanneer u de auto vanaf de afstandsbediening
of via het Keyless drive-systeem (zie
pagina 124)vergrendelt/ontgrendelt, worden
de buitenspiegels automatisch in- of uitgeklapt.
N.B.
Bij ontgrendeling worden de buitenspiegels
niet automatisch uitgeklapt, als deze met
behulp van de knoppen op het portier werden ingeklapt.
Als de auto via de afstandsbediening werd
vergrendeld en vervolgens wordt gestart,
zullen de buitenspiegels echter wel uitgeklapt worden.
2. Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan vervolgens weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en Follow-MeHome-verlichting
De lampjes* in de buitenspiegels gaan branden, als u de Approach-verlichting of de Follow-Me-Home-verlichting activeert.
BLIS, Blind Spot Information System*
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt
(zie pagina 158).
Positie buitenspiegels vastleggen
U kunt de functie is activeren/deactiveren
onder Instellingen van de auto Spiegels in
bij vegrend. (zie pagina 75 voor een beschrijving van het menusysteem).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten in de neutrale stand
worden teruggezet zodat het elektrisch in- en
uitklappen weer werkt.
1. Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
De positie van de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de afstandsbediening vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde afstandsbediening wordt
ontgrendeld, nemen de buitenspiegels en de
bestuurdersstoel de vastgelegde posities in.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 86).
02
Verwarm de buitenspiegels:
•
•
•
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
bij hevige regenval of vieze wegen;
bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de ruiten van ijs te ontdoen. De water- en vuilafstotende laag kan beschadigd raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen. Een ijskrabber kan krassen op het spiegelglas veroorzaken!
Water- en vuilafstotende laag*
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn voorzien van een speciale
laag die bij hevige regenval voor een beter zicht
zorgt. Voor informatie over het onderhoud (zie
pagina 198).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
73
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 74
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
02
A
B
D
C
G026307
E
Bedieningspaneel.
74
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 75
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Mogelijke instellingen
Menu sluiten:
Klimaatinstellingen
Voor sommige autofuncties zijn persoonlijke
instellingen mogelijk. Dit geldt voor de sloten
en de klimaatregelings- en audiofuncties. Voor
de audiofuncties (zie pagina 232).
±
Autom. blower afstellen
Bedieningspaneel
Display
MENU
EXIT
ENTER
Navigatie
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
Open het menu om instellingen te verrichten:
1. Druk op de knop MENU (B).
2. Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto met behulp van de navigatieknop (E).
Houd de knop EXIT (C) ongeveer één
seconde ingedrukt.
Instellen, klok
U kunt de uur- en minuutaanduiding elk apart
instellen.
1. Gebruik de cijfers van de toetsenset of de
“pijl-omhoog” of de “pijl-omlaag” van de
navigatieknop (E).
2. Markeer het te wijzigen cijfer met de “pijlrechts” of de “pijl-links” van de navigatieknop.
±
U kunt kiezen uit Laag, Normaal en
Hoog.
Timer recirculatie
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in de
auto afhankelijk van de buitentemperatuur 3–
12 minuten lang gerecirculeerd.
±
Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
3. Druk op ENTER om de klok te starten.
Reset alles...
N.B.
Bij een klok met 12-uursaanduiding kies u
na het instellen van het aantal minuten voor
AM/PM met de “pijl-omhoog” of de “pijlomlaag”.
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Spiegels in bij vegrend.*
4. Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
U kunt de buitenspiegels bij het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto automatisch laten
inklappen c.q. uitklappen. U hebt de keuze uit
Aan/Uit.
5. Activeer uw keuze met ENTER.
Guard beperkt*
3. Druk op ENTER (D).
02
Bij auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen.
Het is mogelijk de Safelock-functie tijdelijk te
deactiveren en het alarmniveau tijdelijk te verlagen, als er bijvoorbeeld iemand in de auto
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
75
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 76
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
02
achterblijft nadat de portieren van de buitenzijde zijn vergrendeld. U hebt de keuze uit
Eenmaal activeren en Vraag bij verlaten (zie
pagina 130 en 133).
Auto is open, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit Aan/
Uit.
Auto is op slot, lampje
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. U hebt de keuze uit Aan/
Uit.
Portieren autom op slot
Het is mogelijk om de portieren en het kofferdeksel automatisch te laten vergrendelen bij
rijsnelheden hoger dan 7 km/h. U hebt de
keuze uit Aan/Uit. Door tweemaal aan de openingshandgreep te trekken kunt u de portieren
van de binnenzijde ontgrendelen en openen.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
• Alle portieren - beide portieren en het kofferdeksel ontgrendelen met één druk op de
afstandsbediening.
• 1st chauffeur, dan rest - het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening. Als u nog een keer
drukt, worden ook het passagiersportier en
het kofferdeksel ontgrendeld.
Op afstand openen*
• Alle portieren - beide portieren alsmede
het kofferdeksel worden tegelijkertijd ontgrendeld 1.
• Beide voorportieren - beide voorportieren worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Eén voorportier – voorportier (naar keuze)
of kofferdeksel wordt apart ontgrendeld.
Alle ruiten gelijktijdig openen
Voor de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening is de volgende functie te selecteren:
• Auto. alle venst. openen – bij lang indrukken van de ontgrendelingsknop worden
alle ruiten gelijktijdig geopend.
Approach-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet blijven branden bij een druk op de knop
voor Approach-verlichting op de afstandsbe-
1
76
Beide portieren alsmede het kofferdeksel zijn ook gelijktijdig te vergrendelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
diening. U hebt de keuze uit de volgende
opties: 30/60/90 seconden.
Follow-Me-Home-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen van
de contactsleutel. U hebt de keuze uit de volgende opties: 30/60/90 seconden.
Informatie
• VIN-nummer - (Vehicle Identification
Number) is het unieke identificatienummer
van de auto.
• Aantal sleutels - geeft het aantal sleutels
weer dat voor de auto geregistreerd is.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 77
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ EU*
Algemene informatie
N.B.
HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
G030070
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
HomeLink is een programmeerbare afstandsbediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garagedeur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die ingebouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink-paneel bestaat uit drie programmeerbare knoppen en een controlelampje.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de werking van HomeLink.
Bediening
Zodra HomeLink geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke originele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor activering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedieningen naast HomeLink blijven gebruiken.
02
WAARSCHUWING
Als u HomeLink gebruikt om een garagedeur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLinkafstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en retour. De garagedeur dient onmiddellijk te
reageren bij registratie van een obstakel, tot
stilstand te komen en meteen de omgekeerde beweging te maken. Een garagedeur
die dat niet doet kan aanleiding geven tot
lichamelijk letsel. Bel voor meer informatie
met de HomeLink Hotline: 008000 466 354
65 (gratis). U kunt tevens contact opnemen
via internet op: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
In punt 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink gewist. Voer dit punt dan ook niet
uit, wanneer u slechts één knop wilt omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knip-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
77
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 78
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ EU*
02
2. Leg de originele afstandsbediening op
2-8 cm afstand van HomeLink. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te programmeren knop van HomeLink en de te kopiëren knop van de originele afstandsbediening gelijktijdig in. Laat
de knoppen pas los wanneer het controlelampje dat langzaam knippert sneller gaat
knipperen. Een snel knipperend lampje
geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
1
78
deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
perende lampje geeft aan dat HomeLink in
de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering.
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garage-
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop 1” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van HomeLink
en houd deze ingedrukt totdat punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 2-8 cm afstand van HomeLink. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 79
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLinkŸ EU*
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is.
4. Test de programmering door de geprogrammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
•
•
2
Brandt continu: Een controlelampje
dat continu brandt terwijl u de knop
ingedrukt houdt, geeft aan dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het
indrukken van de bijbehorende HomeLink-knop.
Brandt niet continu: Een controlelampje dat gedurende ca. 20 seconden
eerst ongeveer 2 seconden lang snel
knippert, vervolgens ca. 3 seconden
continu brandt en daarna weer snel gaat
knipperen geeft aan dat het te kopiëren
systeem een zogeheten rollende code
gebruikt. De garagedeur, het toegangshek e.d. worden niet geactiveerd bij het
indrukken van de bijbehorende Home-
Link-knop. Vervolg in dat geval de programmering als volgt.
5. Zoek de “inleerknop 2” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden de gebruiksaanwijzing van de leverancier of bel met de HomeLink Hotline:
008000 466 354 65 (gratis). U kunt ook
contact opnemen via internet op:
www.homelink.com.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
±
02
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
> HomeLink staat vervolgens in de “Learn
Mode” waarna deze opnieuw geprogrammeerd kan worden (zie pagina 77).
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uitvoeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink terwijl de “inleerknop” van het te
bedienen systeem nog knippert. Houd de
HomeLink-knop ca. 3 seconden lang ingedrukt en laat deze vervolgens los. Herhaal
deze serie van indrukken, vasthouden en
loslaten tot driemaal achtereen om de programmering te beëindigen.
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 80
Algemene informatie over de klimaatregeling.........................................
Elektronische klimaatregeling, ECC*.......................................................
Luchtverdeling.........................................................................................
Motor- en interieurverwarming op brandstof*.........................................
Extra verwarming op brandstof* (diesel).................................................
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
82
84
88
89
92
G020906
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
KLIMAATREGELING
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 81
03
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 82
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC, Electronic Climate Control).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
de kans te beperken dat ze beslaan.
82
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen
van koudemiddel alleen R134a. Laat dergelijke
werkzaamheden over aan een erkende Volvowerkplaats.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt eerst gereinigd door een filter. U moet
het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk
vaker vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u verrichte klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
•
de ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC);
•
De door de timer geregelde recirculatie van
de lucht in de passagiersruimte.
Voor meer informatie over het verrichten van
instellingen (zie pagina 75).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 83
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Blaasmonden in dashboard
ECC
Zijruiten en schuifdak
Werkelijke temperatuur
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en de hardtop gesloten houden.
G019942
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Het systeem beschikt over een zonnesensor
die de stand van de zon registreert. Daardoor
kan de temperatuur van de lucht uit de blaasmonden links en rechts afwijken, ondanks dat
de temperatuurknoppen voor de beide zijden
in dezelfde stand staan.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Positie van de sensoren
Open
Dicht
•
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
•
De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatregeling.
•
De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel.
•
De vochtsensor zit in de achteruitkijkspiegel.
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer – Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
83
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 84
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bedieningspaneel
2
3
9
4
5
1
10
03
5
8
7
AUTO
Ventilator
G026309
6
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Temperatuurknop
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF – Airconditioning Aan/Uit
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Functies
1. AUTOM.
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gewenste
temperatuur wordt bereikt.
De automatische functie
regelt de verwarming, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling.
Wanneer de hardtop geopend is, komt er meer
warme of koude lucht uit de onderste blaasmonden in het interieur. Het vermogen van de
klimaatregeling wordt bovendien beperkt, als
het niet mogelijk is om voor compensatie te
zorgen voor de temperatuursinvloeden buiten
de auto.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de
functie AUTO activeert. Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 85
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
2. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of
te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene-
Timer
Of:
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. Voor het in- en uitschakelen van deze functie (zie pagina 75).
±
Selecteer een van de volgende drie functies door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
•
De Air Quality Sensor is actief – het lampje
(A) brandt.
•
De recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de lampjes brandt.
•
De recirculatie is actief – het lampje (M)
brandt.
N.B.
geerd.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
N.B.
3. Recirculatie
U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten
wilt houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt met
andere woorden geen lucht
van buiten de auto in, wanneer deze functie
actief is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten
beslaan.
3. Interior Air Quality System (optie)
(dezelfde knop als de recirculatie)
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter
met een Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de
binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie
meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de
lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje (A) in de knop.
G000000
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd is,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorsymbool en OFF weer.
03
Let erop dat:
•
U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld moet laten staan.
•
Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
•
U beter de ontwaseming voor de voorruit,
achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
Air Quality Sensor activeren:
±
druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 86
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
4. Ontwaseming
03
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te ontdooien. De ventilator draait
dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zoveel mogelijk van vocht
te ontdoen:
•
•
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (6));
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten,
de passagiersruimte en de
vloer.
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen*
Doe het volgende om de voorstoel te verwarmen:
Zie de tabel op pagina 88.
6. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: Uit
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
N.B.
Het effect van de ontwasemingsfunctie van
de klimaatregeling met vochtsensor neemt
sterk af, wanneer u de airconditioning hebt
uitgeschakeld (OFF) of handmatig een
bepaalde luchtverdeling en ventilatorsnelheid hebt gekozen.
Hoog verwarmingsniveau:
±
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
Laag verwarmingsniveau:
±
Een tweede keer op de knop drukken – één
lampje brandt.
Verwarming uit:
±
Een derde keer op de knop drukken – geen
van de lampjes brandt.
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de achterruit en
de buitenspiegels in. Het brandende lampje in
de schakelaar geeft aan dat de functie actief is.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 87
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Uitschakeling verloopt handmatig of automatisch. Druk voor handmatige uitschakeling op
de knop. Afhankelijk van de buitentemperatuur
wordt de verwarming van de achterruit en de
buitenspiegels na 12–20 minuten automatisch
uitgeschakeld.
Bij koud weer blijft de verwarming 1 echter langer dan 20 minuten actief om te voorkomen dat
de achterruit en buitenspiegels bevriezen of
beslaan. De verwarmingsstand wordt afgestemd op de buitentemperatuur. In dat geval is
uitschakelen alleen handmatig mogelijk.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
03
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurdersen passagierszijde onafhankelijk van elkaar worden
instellen.
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde. Wanneer u de
knop nogmaals indrukt, activeert u de andere
zijde. Bij een derde keer indrukken zijn beide
zijden geactiveerd.
Het lampje in de knop en het display boven het
klimaatregelingspaneel geven aan welke zijde
actief is.
1
Afhankelijk van de markt
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
87
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 88
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
03
88
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning
is altijd ingeschakeld.
Om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en de
zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Om wasem en ijsvorming bij koud en
vochtig weer te voorkomen (niet voor lage
ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit de
blaasmonden in het dashboard.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er komt
een bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden in
het dashboard en op de ruiten.
Om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
Om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de ruiten,
uit de blaasmonden in het
dashboard en naar de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 89
03 Klimaatregeling
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Algemene informatie over
verwarmingen
Tanken
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display.
U kunt de standverwarming die de motor en
het interieur verwarmt meteen inschakelen of
vertraagd met een timerfunctie.
±
U kunt twee verschillende uitschakeltijden
instellen met de timerfunctie. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop
de auto de gewenste temperatuur bereikt
heeft. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden ingeschakeld.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
03
BELANGRIJK
G007632
Bij een buitentemperatuur hoger dan 25 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C of lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 50 minuten.
Bevestig deze melding door op de knop
READ op de richtingaanwijzerhendel te
drukken.
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de standverwarming aanstond. Dit om te
zorgen dat de dynamo evenveel energie kan
bijladen als de standverwarming verbruikt.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. Wanneer de verwarming aanstaat, staat op het informatiedisplay de melding PARK.VERW. AAN.
N.B.
Bij gebruik van de standverwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
89
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 90
03 Klimaatregeling
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
Verwarming inschakelen
Lampjes en displaymeldingen
Wanneer u de instellingen van een
van de timers of DIRECTE
START activeert, gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnt een verklarende melding.
G029052
03
Knop READ
Duimwiel 1
Knop RESET1
Display
Betekenis
BRANDSTOFVERWARMING
AAN
De verwarming is
ingeschakeld en
werkt.
TIMER INGESTELD OP B.VERWARMING
Herinnering aan de
ingestelde uitschakeltijd voor de verwarming tijdens het
uitnemen van de
contactsleutel.
Display
Betekenis
VERWARMING
STOP – ACCUSPANN. LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er voldoende stroom is
om de motor te starten.
VERWARMING
STOP BR.ST.NIV.
LAAG
De verwarming werd
uitgeschakeld om te
zorgen dat er na het
starten nog 50 km
kan worden gereden.
Meteen inschakelen/uitschakelen
1. Gebruik het duimwiel om naar DIRECTE
START te gaan.
2. Druk op de knop RESET om te kiezen uit
AAN en UIT.
AAN: De standverwarming is handmatig of via
de timerfunctie ingeschakeld.
UIT: De standverwarming is uitgeschakeld.
Bij directe start van de standverwarming zal
deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
1
90
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 91
03 Klimaatregeling
Motor- en interieurverwarming op brandstof*
De interieurverwarming gaat van start, zodra
de koelvloeistof in de motor de juiste temperatuur heeft bereikt.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming aanstaat.
Timers instellen
Met de timers geeft u het tijdstip aan dat de
auto op temperatuur moet zijn omdat u die
wenst te gebruiken.
7. Druk op de knop RESET om de timers te
activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u een
tweede uitschakeltijd programmeren onder
TIMER 2 door aan het duimwiel te draaien.
U stelt de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij TIMER 1.
U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet: Doe dat als
volgt:
1. Druk op de knop READ.
1. Gebruik het duimwiel om naar TIMER
PARK.VERW 1 te gaan.
2. Ga met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 of TIMER PARK.VERW
2.
3. Stel de gewenste uuraanduiding in met het
duimwiel.
4. Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
03
Timergestuurde verwarming voortijdig
uitschakelen
Kies uit TIMER 1 en TIMER 2.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
N.B.
Als u de klok van de auto bijstelt, worden
eventuele timerinstellingen gewist.
De tekst AAN knippert op het display.
3. Druk op RESET.
De tekst UIT brandt continu en de verwarming wordt uitgeschakeld.
5. Stel de gewenste minuutaanduiding in met
het duimwiel.
Een timergestuurde verwarming is ook uit te
schakelen volgens de instructies in het
gedeelte “Meteen inschakelen/uitschakelen”.
6. Druk kort op de knop RESET om de instelling te bevestigen.
Klok/timer
De timers van de verwarming zijn gekoppeld
aan de klok in de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
C70; 7; 3
evastarck
03 Klimaatregeling
Extra verwarming op brandstof* (diesel)
Extra verwarming (diesel)
Bij koud weer moet de extra verwarming wellicht worden ingeschakeld om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
03
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer
de motor wordt afgezet.
N.B.
De extra verwarming valt niet handmatig
worden in of uit te schakelen, maar wordt
geheel elektronisch gestuurd.
Bij gebruik van de extra verwarming is het
volkomen normaal dat er rook onder de auto
vandaan komt.
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 92
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 93
03 Klimaatregeling
03
93
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 94
Voorstoelen............................................................................................. 96
Elektrisch bedienbare hardtop ............................................................... 99
Windscherm*......................................................................................... 104
Interieurverlichting................................................................................. 105
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte.......................................... 108
Kofferbak............................................................................................... 112
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020908
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
INTERIEUR
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 95
04
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 96
04 Interieur
Voorstoelen
Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien.
Zithouding
Achterinstap
Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*.
Hendel (2) is niet op alle stoelmodellen aanwezig.
WAARSCHUWING
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
1
96
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
Zet de bestuurdersstoel in de juiste stand en
stel de veiligheidsgordel af (zie pagina 16)
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
G020198
G020197
04
Instaphandgreep
Knop voor instap
N.B.
De veiligheidsgordel bij het omdoen vanonder bij de gordelgeleider omhooghalen, niet
vanboven bij de schouder omlaag.
Handmatig bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
1. Haal de veiligheidsgordel van de gordelgeleider (zie pagina 18).
2. Trek de handgreep (1) omhoog, houd deze
vast en klap tegelijkertijd de rugleuning tot
in de geblokkeerde stand voorover.
3. Duw de stoel naar voren.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 97
04 Interieur
Voorstoelen
1. Duw de stoel naar achteren in de uitgangspositie.
2. Trek de handgreep (1) omhoog, houd deze
vast en klap tegelijkertijd de rugleuning
terug.
3. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
Elektrisch bedienbare stoel*
Stoel naar voren zetten:
1. Haal de veiligheidsgordel van de gordelgeleider (zie pagina 18).
2. Trek de handgreep (1) omhoog, houd deze
vast en klap tegelijkertijd de rugleuning tot
in de geblokkeerde stand voorover.
3. Houd de knop (2) ingedrukt terwijl de stoel
naar voren komt.
Stoel naar achteren zetten:
1. Houd de knop (2) ingedrukt totdat de stoel
de uitgangspositie bereikt.
2. Trek de handgreep (1) omhoog, houd deze
vast en klap tegelijkertijd de rugleuning
terug.
3. Plaats de veiligheidsgordel op de gordelgeleider terug.
N.B.
Elektrisch bedienbare stoel*
Alleen wanneer de rugleuning omgeklapt is,
kan de stoel maximaal (+6 cm) naar voren
worden geschoven om achterpassagiers
makkelijker te laten in- en uitstappen. Als u
de rugleuning weer rechtop zet terwijl de
stoel zo ver mogelijk naar voren staat,
schuift de stoel na enkele seconden automatisch 6 cm naar achteren.
WAARSCHUWING
04
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen en
eraan te trekken.
Laat de veiligheidsgordel aan de passagierszijde tijdens het rijden op de gordelgeleider
zitten, ook al zit er niemand op deze stoel.
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de mat
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
G020199
Stoel naar achteren zetten:
Tot enige tijd nadat u het portier met de
afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 98
04 Interieur
Voorstoelen
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Geheugenfunctie
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
04
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld kan raken.
G020200
Geheugenfunctie van afstandsbediening
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Stel de stoel en de buitenspiegels in.
2. Houd knop M ingedrukt, terwijl u knop 1,
2 of 3 indrukt.
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd in het geheugen
van de afstandsbediening waarmee u de auto
vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met
dezelfde afstandsbediening wordt ontgrendeld
en het bestuurdersportier wordt geopend,
nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de vastgelegde standen in.
N.B.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
98
Het geheugen van de afstandsbediening
werkt onafhankelijk van de geheugenfunctie
van de stoel.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 99
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Voorwaarden voor bediening hardtop
WAARSCHUWING
•
•
Geen voorwerpen op de hoedenplank.
Geen sneeuw, ijs of losse voorwerpen op
de hardtop of op het kofferdeksel.
Tussen de bewegende delen van de hardtop of het kofferdeksel kunnen mensen (kinderen!) of voorwerpen bekneld raken.
•
•
De hardtop is droog.
•
Bedien de hardtop daarom onder toezicht.
•
•
Zie de sticker op de bagagewand.
•
Laat de hardtop niet langer dan nodig in
een tussenpositie stilstaan.
A
Omgevingstemperatuur –10°C of hoger.
Bagagewand dicht (zie pagina 112).
B
Kofferdeksel gesloten.
Stilstaande auto, rempedaal ingedrukt.
Als u de aanwijzingen op de volgende pagina’s
niet opvolgt, is schade aan het openings- en
sluitingsmechanisme van de hardtop niet uit te
sluiten.
Volvo adviseert tevens het volgende:
•
•
Vlakke ondergrond.
•
Motor loopt stationair.
G020800
•
•
•
•
Er is 2,0 m aan vrije hoogte (A) boven de
auto en 0,2 m van de achterbumper tot aan
obstakels achter de auto (B).
Laat kinderen niet met de bedieningsknoppen spelen.
04
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Water op de hardtop kan bij het openen van
de hardtop de kofferbak en het interieur
inlopen.
Laat een autosleutel nooit onbeheerd achter
bij kinderen in de auto.
Uitvoering van de hardtopbediening in één
vloeiende beweging.
``
99
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 100
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Afdekking
Hardtop openen en sluiten
Laat de knop los, wanneer er een signaal klinkt
en de melding DAK DICHT of DAK OPEN op
het informatiedisplay verschijnt.
WAARSCHUWING
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulische systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
04
G020801
G018351
Consequenties van het gebruik:
Wanneer de hardtop openstaat is de ruimte
tussen de hoofdsteunen van de achterbank en
het kofferdeksel afgedekt met een afdekking
(zie bovenstaande afbeelding).
BELANGRIJK
Gebruik de afdekking niet om lading of personen op te vervoeren, omdat de afdekking
daarbij beschadigd kan raken.
Sluit hardtop
Open hardtop
1. Draai de contactsleutel naar stand II. De
voorkeur gaat uit om de motor te starten!
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop of
het kofferdeksel,
•
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Zorg ervoor dat aan de voorwaarden is voldaan voordat u de hardtop bedient.
2. Trap op het rempedaal.
3. Houd de linker knop (1) ingedrukt om de
hardtop te sluiten of de rechter knop (2) om
de hardtop te openen.
Let tijdens het bedienen van de hardtop op
eventuele meldingen op het informatiedisplay.
Eventueel gesloten ruiten zakken ca. 10 centimeter omlaag. Alle ruiten komen na afloop van
de hardtopbediening weer omhoog.
100
•
•
Tekst op informatiedisplay
Bepaalde meldingen gelden ook voor Load
Assist (zie pagina 112).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 101
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
• DRUK OP REM VOOR
DAKBEDIENING – Trap eerst op het rempedaal om de hardtop te kunnen bedienen.
• KOFFERBAK DICHT VOOR WERKING
DAK – Het kofferdeksel staat niet dicht.
Sluit het kofferdeksel.
• KOFFERBAKDEKSEL HELEMAAL
OPENEN – Open het kofferdeksel geheel.
• KOFFERBAK APART DICHT VOOR
DAK – De bagagewand staat niet dicht.
Sluit de bagagewand (zie pagina 112).
• ACCUSPANN. LAAG VOOR WERKING
DAK – De accuspanning is te gering. U
kunt de hardtop alleen sluiten. Laad de
accu op door bijvoorbeeld de motor te
starten en probeer opnieuw.
• DAK NIET OP SLOT – De hardtop werd
niet goed geopend of gesloten. Probeer de
hardtop opnieuw te openen of te sluiten.
• DAK IN LASTHULP POSITIE – De hardtop werd omhooggebracht door de functie
Load Assist. Breng de hardtop omlaag (zie
pagina 112).
• TEMP. BEPERKT WERKING DAK – Het
bedieningssysteem voor de hardtop is
ofwel oververhit of de buitentemperatuur is
lager dan –10°C. Als de hardtop oververhit
is, moet u ca. vijf minuten wachten totdat
de melding is verdwenen en het daarna
opnieuw proberen.
Meldingen bij storingen in de hardtop
Bij storingen in de hardtop kunnen er twee meldingen op het informatiedisplay verschijnen:
• STORING DAK SERVICE VEREIST – Het
is niet mogelijk de hardtop te bedienen. Er
zijn servicewerkzaamheden door een
erkende Volvo-werkplaats vereist. Desgewenst kunt u de auto afdekken zoals
beschreven in de instructies.
• STORING DAK ZIE HANDLEIDING – Er
gelden speciale aanwijzingen voor bediening van de hardtop of Load Assist. Er zijn
servicewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats vereist.
Bijzondere bedieningsinstructies bij
storingen in de hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnt, valt de hardtop niet op de normale
manier te bedienen.
BELANGRIJK
Om de hardtop bij een storing in de hardtopbediening te kunnen sluiten moet u
nauwkeurig controleren of er is voldaan aan
de voorwaarden voor bediening van de
hardtop (zie pagina 99). Zelfs als er aan de
voorwaarden is voldaan, bestaat er een
aanzienlijk gevaar voor materiële schade.
1. Houd de sluitingsknop ingedrukt totdat de
melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het display verschijnt.
Laat de knop vervolgens los.
04
2. Druk opnieuw op de sluitingsknop. Houd
de knop minstens 30 seconden lang ingedrukt totdat de hardtop en het kofferdeksel
zijn gesloten. Let op eventuele fouten die
schade aan de auto kunnen veroorzaken.
Tijdens het sluiten klinkt van begin tot einde
een geluidssignaal.
N.B.
Eenmaal gesloten kunt u de hardtop niet
meer openen.
``
101
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 102
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
WAARSCHUWING
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulische systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
Dekplastic om auto tijdelijk af te
dekken
brengen. Breng het plastic dusdanig aan dat
de bevestigingstouwtjes aan de binnenkant zitten.
Het stuk plastic ligt opgeborgen in een zak met
het opschrift “Cover for temporary use”.
Consequenties van het gebruik:
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop of
het kofferdeksel,
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het hardtopsysteem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en leiden tot ernstig letsel.
G020802
•
Dekplastic vastklemmen tussen wisserbladen en voorruit
Haak bij voorste wielkuip
Gat in dekplastic voor buitenspiegel
Haak bij achterste wielkuip
Gat in dekplastic voor antenne
Haken bij achterbumper
Als het niet is mogelijk de hardtop te sluiten
door bijvoorbeeld een lage accuspanning of
een andere storing in het hardtopsysteem, kunt
u ter bescherming een stuk dekplastic aan-
102
G020803
04
•
•
Dekplastic, opgeborgen in doorsteekluik.
1. Sluit (zo mogelijk) de ruiten.
2. Neem het dekplastic uit het middenpaneel
in het zitgedeelte van de achterbank (bij het
doorsteekluik).
3. Haal het dekplastic uit de verpakking en
vouw het uit.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 103
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
4. Haal de buitenspiegel (3) door de opening
en bevestig de haken (2) aan de voorste
wielkuipen.
5. Klem het dekplastic tussen de wisserbladen en de voorruit vast en trek het plastic
strak, zodat er bij ieder wisserblad één
vouw (1) ontstaat.
6. Steek de antenne (5) door de opening.
7. Bevestig de haken (4) aan de achterste
wielkuipen en de haken (6) onder de achterbumper.
04
103
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 104
04 Interieur
Windscherm*
Algemene informatie
N.B.
Wees voorzichtig met de bekleding.
U gebruikt de ritssluitingen van het windscherm om bagage op de achterbank te vervoeren of deze te verwijderen.
WAARSCHUWING
G020804
04
Controleer of het windscherm goed vastzit.
Het kan anders loskomen bij uitwijkmanoeuvres e.d. en persoonlijk letsel of materiële schade veroorzaken.
WAARSCHUWING
Om bij het rijden met een geopende hardtop de
turbulentie in het interieur te verminderen kunt
u gebruik maken van het windscherm.
Windscherm aanbrengen
1. Klap het vierdelige scherm tot op de volle
breedte uit en duw de borging in.
2. Duw het windscherm dusdanig onder de
hoofdsteunen dat het op de bovenkant van
het ruggedeelte rust.
3. Duw de borghendels in de houders op de
zijpanelen in totdat u een klikt hoort.
4. Klap het opstaande deel van het windscherm omhoog.
104
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bij gebruik van het windscherm mag u geen
achterpassagiers vervoeren.
U bewaart het windscherm in de bijbehorende
zak in de kofferbak, onder de bagagewand, dat
helemaal voorin tegen het ruggedeelte aan ligt.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 105
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
•
de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Make-upspiegel*
Plafondverlichting
De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld
met een druk op de bijbehorende knoppen op
de plafondconsole.
Verlichting achterin
G020805
G020210
04
Het lampje gaat automatisch aan of uit, wanneer u het klepje optilt c.q. sluit.
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor, aan/uit
Verlichting dashboardkastje
Interieurverlichting
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook worden ingeschakeld binnen 30
minuten nadat:
G020806
Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
In of uit te schakelen met een druk op de knop.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 106
04 Interieur
Interieurverlichting
Automatische verlichting
Met de knop (2) (zie pagina 105) kunt u drie
verlichtingsstanden selecteren voor de verlichting in het interieur:
04
•
Uit – rechterkant (met opschrift 0) ingedrukt, automatische bediening interieurverlichting uitgeschakeld.
•
Neutrale stand – automatische verlichting
ingeschakeld. De dimfunctie is actief.
•
Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
Neutrale stand
Met de knop (2) in de neutrale stand wordt de
interieurverlichting als volgt automatisch in- en
uitgeschakeld.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
•
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of afstandsbediening.
•
u de motor hebt afgezet en de contactsleutel naar stand 0. hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
•
•
106
u de motor start.
de auto wordt vergrendelt met een sleutel
of afstandsbediening.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 5 minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na 5 minuten automatisch worden uitgeschakeld.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 107
04 Interieur
Interieurverlichting
04
107
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 108
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1
2
3
4
5
04
10
9
7
108
6
G019514
8
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 109
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel (eventueel
afsluitbaar*).
Dashboardkastje
Kledinghaak
Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken)
Opbergvak aan de voorkant van de voorstoelzittingen
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Bekerhouder (met schuifklepje*)
04
G018137
Bekerhouder (met schuifklepje*)
G024208
Tunnelvak (bijvoorbeeld voor cd’s)
Opbergvak in zijpaneel achterin
Opbergvak aan de achterkant van de voorstoelen
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Hier kunt u bijvoorbeeld het instructieboekje en
eventuele kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor parkeergeld, pennen en tankkaarten.
De hoofdsteun van de passagiersstoel is voorzien van een kledinghaak. Hang alleen lichtere
kledingstukken aan deze haak.
Het dashboardkastje kan handmatig worden
vergrendeld met behulp van het afneembare
sleutelblad. Meer informatie staat op pagina
119.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 110
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel
Opbergvak in zijpaneel achterin
Opbergvak onder de armsteun voorin
U kunt het opbergvak openen door het onder
aan de voorkant op te tillen en sluiten door
lichte druk aan te brengen op de bovenkant
ervan.
Afsluitbaar opbergvak in portierpaneel*
U vergrendelt het opbergvak via de afstandsbediening (zie pagina 121).
110
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt het opbergvak openen en sluiten door
in het midden van de bovenkant ervan lichte
druk aan te brengen.
G018371
G020807
G030407
04
Onder de armsteun zit een opbergvak. In de
deelbare armsteun zit tevens een kleiner
opbergvak. Druk op de kleine knop en licht de
armsteun op om het ondiepe opbergvak te
openen. Druk op de grote knop en licht de
armsteun op om het diepere opbergvak te openen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 111
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in middenconsole
Sluit het schuifklepje door het aan de voorkant
beet te pakken en naar voren toe dicht te schuiven.
Opbergvak achter de handremhendel
In het vakje onder het schuifklepje kan een
dubbele bekerhouder worden aangebracht.
Wanneer u de bekerhouder verwijdert, kunt u
andere spullen in het vakje opbergen. Licht
daarvoor de bekerhouder aan de achterkant,
bij de uitsparing, op.
Breng bij het aanbrengen van de bekerhouder
eerst de twee stuurnokken aan in de twee uitsparingen voor in het vakje en duw daarna de
achterkant van de bekerhouder omlaag.
G019624
Het diepe vak biedt plaats aan 10 cd-hoesjes
van standaardformaat. Om 10 hoesjes te kunnen opbergen dient u ze met de korte kant
omlaag aan te brengen.
G018372
G026704
04
Wanneer de auto geen knoppen heeft voor
Park Assist en BLIS (zie pagina 156 en 159) is
de ruimte voor de ontbrekende knoppen te
benutten als opbergvak.
De bekerhouder kan niet worden verwijderd bij
auto’s met een alarmsysteem met bewegingsmelder*.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
111
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 112
04 Interieur
Kofferbak
Bagagewand
Load Assist
De bagagewand heeft tot doel de hoeveelheid
bagage in de kofferbak dusdanig te beperken
dat de hardtop ongehinderd kan bewegen. Let
erop dat de bagagewand goed gesloten wordt
en links en rechts stevig vergrendeld wordt.
BELANGRIJK
Plaats geen voorwerpen boven op of naast
de bagagewand wanneer deze gesloten is.
Plaats de bagage niet dusdanig dat deze
uitsteekt boven de gesloten bagagewand.
112
Sticker op bagagewand.
N.B.
Bij een te grote hoeveelheid lading in de
kofferbak kan de bagagewand niet gesloten
worden. In dat geval kan de hardtop evenmin worden geopend.
G020848
G020847
G020845
04
Knop om de hardtop omhoog en omlaag te brengen.
Een geopende hardtop ligt opgevouwen in de
kofferbak. Met de knop (zie bovenstaande
afbeelding) kunt u de hardtop omhoog- en
omlaagbrengen om zo gemakkelijker in en uit
te laden. Bij Load Assist worden de normale
hardtopbewegingen in beperkte mate uitgevoerd. De meldingen op het informatiedisplay
over de bediening van de hardtop gelden
daarom ook voor Load Assist (zie pagina 100).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 113
04 Interieur
Kofferbak
Personen of voorwerpen die de hardtop tijdens het omhoog- of omlaagbrengen in de
weg zitten lopen het risico bekneld te raken.
Load Assist gebruiken
Met een druk op de knop kunt u het omhoog-/
omlaagbrengen van de hardtop starten of
stopzetten. Het kan enige seconden duren
voordat de hardtop in beweging komt. Als er
een geluidssignaal klinkt bij het indrukken van
de knop en de hardtop niet beweegt, moet u
de melding op het informatiedisplay lezen.
1. Druk op de knop om de hardtop omhoog
te brengen.
2. Til de bagagewand op en breng deze in de
kofferbak aan.
3. Klap de bagagewand na het inladen weer
omlaag.
4. Druk op de knop om de hardtop omlaag te
brengen.
N.B.
Bij een te geringe accuspanning kunt u de
hardtop alleen omlaagbrengen.
Load Assist gebruiken bij storingen in de
hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay staat,
Verankeringsogen
kunt u de hardtop alleen omlaagbrengen.
1. Controleer of de melding STORING DAK
ZIE HANDLEIDING op het display staat.
2. Houd de knop ca. 5 seconden lang ingedrukt. Houd de knop ingedrukt terwijl de
hardtop omlaagkomt.
Tijdens het omlaagbrengen klinkt van begin tot
einde een geluidssignaal.
04
G020850
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Zorg dat de bagagewand helemaal openstaat voordat u de hardtop omhoogbrengt.
Wanneer de hardtop is uitgeklapt bij gebruik
van Load Assist of als de beweging van de
hardtop werd onderbroken doordat er tweemaal op de knop werd gedrukt, mag u het
kofferdeksel niet sluiten. Het is namelijk
mogelijk dat er schade aan en storingen in
het systeem ontstaan.
Er zitten vier of meer verankeringsogen in de
kofferbak om sjorbanden of touwen aan te
bevestigen. Bijpassende sjorbanden zijn verkrijgbaar bij de erkende Volvo-werkplaats.
Laat de hardtop tot in de laagste stand
omlaagzakken, wacht enkele seconden en
sluit daarna het kofferdeksel.
``
113
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 114
04 Interieur
Kofferbak
Elektrische aansluiting in kofferbak
Doorsteekluik
Middelste ruggedeelte achterbank
openen
±
Trek aan het riempje dat aan de bovenkant
van het middelste ruggedeelte zit om bij
het luik te komen.
Middelste ruggedeelte achterbank
sluiten
1. Plaats het middelste ruggedeelte terug met
de onderkant eerst.
2. Klap het middelste ruggedeelte in en duw
het vast totdat u een klikgeluid hoort.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt,
wanneer de motor is afgezet. Als u de aansluiting dan namelijk wel gebruikt, bestaat
de kans dat de accu uitgeput raakt.
G021037
G020856
04
Om lange en lichte voorwerpen te kunnen vervoeren is er voorzien in een doorsteekluik. Het
gaat schuil achter het middenpaneel 1 in het
ruggedeelte van de achterbank.
Maximumlengte: 2 m en maximumgewicht:
25 kg. Het doorsteekluik is van twee kanten te
openen: via het middenpaneel en via de kofferbak.
Luik in kofferbak
Als de auto is uitgerust met een skizak* moet
de ritssluiting van de zak vanuit de passagiersruimte worden geopend.
±
Duw de knoppen in de twee openingen van
het luik naar elkaar toe en open het luik.
Doorsteekluik vergrendelen
Te vergrendelen via de afstandsbediening (zie
pagina 123).
Lange voorwerpen vastzetten met
veiligheidsgordel
Lange voorwerpen zoals ski’s moet u vastzetten met de veiligheidsgordels van de achterbank.
1
114
De set voor noodreparatie van banden, de EHBO-kit, het dekplastic en het sleepoog liggen opgeborgen in het middenpaneel van het ruggedeelte van de achterbank. Voor auto’s met een reservewiel* (zie pagina 186).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 115
04 Interieur
Kofferbak
±
Haal de veiligheidsgordel een slag om de
ski’s heen en steek de gesp op de gebruikelijke manier in de gordelsluiting.
Als de auto is uitgerust met een skizak moet u
de gordel door de handgreep ervan halen.
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg. Zorg dat u de bagage altijd
goed verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
04
115
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 116
Afstandsbediening met sleutelblad.......................................................
Privacy locking*.....................................................................................
Vergrendelingspunten...........................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Batterij in afstandsbediening................................................................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Alarm*....................................................................................................
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
118
121
123
124
127
128
132
C70; 7; 3
evastarck
SLOTEN EN ALARM
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 117
05
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 118
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Bij de auto worden twee afstandsbedieningen
geleverd. Deze doen tevens dienst als contactsleutel.
De afstandsbedieningen bevatten afneembare
metalen sleutelbladen voor het mechanisch
vergrendelen/ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
05
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/
sleutels voor één en dezelfde auto worden
geprogrammeerd en gebruikt.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto ontgrendelt met het Keyless drive-systeem of een afstandsbediening,
lichten de richtingaanwijzers van de auto tweemaal korte tijd op om aan te geven dat de auto
op de juiste manier ontgrendeld is.
Bij het vergrendelen lichten de richtingaanwijzers lang op en dit alleen als alle portieren
alsmede het kofferdeksel na het sluiten correct
zijn vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen is het mogelijk om de lichtsignalen via de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt dan niet langer
118
een signaal dat de vergrendeling op de juiste
manier heeft plaatsgevonden (zie pagina 75).
Functies afstandsbediening
Zoekgeraakte afstandsbediening
Als een van de afstandsbedieningen zoekraakt, moet u de auto samen met de resterende
afstandsbedieningen naar een erkende Volvowerkplaats brengen. Ter voorkoming van diefstal moet de code van de zoekgeraakte
afstandsbediening uit het systeem worden
gewist.
Elektronische startblokkering
De afstandsbedieningen zijn voorzien van
gecodeerde chips. De code moet overeenkomen met die van de lezer (ontvanger) in het
contactslot. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een afstandsbediening met de juiste
code gebruikt.
G019402
Afstandsbediening
Vergrendelen – alle portieren, het kofferdeksel, de opbergvakken in de portierpanelen (afsluitbare vakken als optie) en het
doorsteekluik vergrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboardkastje niet te vergrendelen.
Ontgrendelen – alle portieren, het kofferdeksel, de opbergvakken in de portierpanelen (afsluitbare vakken als optie) en het
doorsteekluik ontgrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboardkastje niet te ontgrendelen. Wanneer u de
knop lang ingedrukt houdt, worden ook de
zijruiten geopend.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 119
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Approach-verlichting – verlichting op
afstand inschakelen om het gebied rond de
auto op een slecht verlichte parkeerplaats
beter te zien. Met één druk op de knop
gaan interieurverlichting, stadslichten vóór
en achterlichten, kentekenplaatverlichting
en buitenspiegelverlichting (optie) branden. De verlichting schakelt na 30, 60 of 90
seconden automatisch uit. Voor het instellen van een passende inschakelduur (zie
pagina 75).
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de auto niet starten, als
de chip beschadigd is.
Afneembaar sleutelblad
1
•
het kofferdeksel handmatig te openen, als
de centrale vergrendeling niet te bedienen
is vanaf de afstandsbediening (zie
pagina 120 en zie pagina 121);
•
de toegang tot het dashboardkastje en de
kofferbak te blokkeren (Privacy locking)
(zie pagina 121).
Sleutelblad verwijderen
Haal het sleutelblad als volgt uit de afstandsbediening:
Kofferdeksel – wanneer u de knop eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen het kofferdeksel. 1
Duw de veerbelaste pal opzij.
Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar buiten.
05
Sleutelblad aanbrengen
G019403
Paniekfunctie – bestemd om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode knop ten minste drie seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. U kunt
deze functie met dezelfde knop weer uitschakelen, als de functie minimaal 5
seconden actief geweest is. Als u niets
doet, wordt de functie na 30 seconden
automatisch uitgeschakeld.
(zie het volgende onderdeel en zie
pagina 124);
BELANGRIJK
U kunt het afneembare sleutelblad van de
afstandsbediening gebruiken om:
•
het bestuurdersportier handmatig te openen, als de centrale vergrendeling niet te
bedienen is vanaf de afstandsbediening
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de afstandsbediening terugplaatst.
1. Houd de afstandsbediening met de puntige kant omlaag en laat het sleutelblad in
de groef vallen.
2. Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
Bij gebruik van deze functie wordt het kofferdeksel alleen ontgrendeld en niet geopend.
``
119
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 120
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Portier ontgrendelen met sleutelblad
±
Dashboardkastje vergrendelen
Als de centrale vergrendeling niet op de
afstandsbediening reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en openen.
N.B.
Met een afstandsbediening zonder sleutelblad is ontgrendelen van het dashboardkastje niet mogelijk.
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het bestuurdersportier.
Dit is handig voor als u de auto afgeeft voor
een onderhoudsbeurt of als u hem bij een
hotel of iets dergelijks laat parkeren.
2. Draai het blad 45 graden rechtsom en open
het portier.
05
G020034
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. U schakelt het
alarm uit door de afstandsbediening in het
contactslot te steken (zie pagina 133).
Het dashboardkastje valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening. (Voor informatie over het sleutelblad (zie pagina 119).)
Voor meer informatie over Privacy locking. zie
pagina 121.
Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje.
Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom.
Het sleutelgat staat horizontaal wanneer
het kastje vergrendeld is.
Neem het sleutelblad uit.
120
Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 121
05 Sloten en alarm
G019416
Privacy locking*
Normale vergrendelingspunten bij centrale
vergrendeling met afstandsbediening.
Vergrendelingspunten bij een afstandsbediening met verwijderd sleutelblad en
geactiveerde Privacy locking.
De functie Privacy locking is bestemd voor als
u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of
als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdeksel alsmede de afsluitbare
opbergvakken (optie) zijn niet via de centrale
vergrendeling te openen. Het kofferdeksel is
dan niet meer met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen.
Dit betekent dat de afstandsbediening zonder
het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om
het alarm te activeren/deactiveren, de portieren te openen (A) en in de auto te rijden (B).
U geeft de afstandsbediening af zonder het
afneembare sleutelblad, dat u bij u houdt.
Privacy locking activeren
N.B.
Bij het openen/sluiten van de hardtop hebt
u korte tijd de mogelijk om bij de spullen in
de kofferbak te komen.
N.B.
05
Op het informatiedisplay zal de tekst
KOFFERBAK APART DICHT VOOR
DAK verschijnen.
1. Open het kofferdeksel en klap de bagagewand omhoog. De hardtop kan vervolgens
niet meer worden bediend (zie
pagina 118).
2. Sluit het kofferdeksel.
3. Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de afstandsbediening (zie pagina 119).
Zorg dat de hardtop dichtstaat.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
121
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 122
05 Sloten en alarm
Privacy locking*
Privacy locking deactiveren
Doe het volgende om de afsluitbare opbergvakken weer op te nemen in de automatische
functies van de centrale vergrendeling.
1. Steek het sleutelblad in het sleutelgat van
het dashboardkastje en draai het 180 graden rechtsom.
G020032
2. Plaats het afneembare sleutelblad in de
afstandsbediening terug (zie pagina 119).
05
4. Duw het sleutelblad in het slot van het
dashboardkastje en draai het sleutelblad
180 graden rechtsom. Bij een vergrendeld
kastje staat het sleutelgat verticaal.
5. Neem het sleutelblad uit.
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de afstandsbediening terug, maar houd het bij u en bewaar
het goed.
Daarna zijn het dashboardkastje alsmede de
afsluitbare opbergvakken achter de portierpanelen (D), het doorsteekluik (E) en het kofferdeksel (F) niet langer te ontgrendelen via de
afstandsbediening.
122
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Daarna is het dashboardkastje ontgrendeld en
kunt u alle functies van de centrale vergrendeling weer vanaf de afstandsbediening regelen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 123
05 Sloten en alarm
G019415
Vergrendelingspunten
Vergrendelingspunten voor transpondersleutel.
Portieren
Stuurslot
Doorsteekluik
05
Kofferdeksel
Voor een beschrijving van de verschillende
opbergmogelijkheden (zie pagina 108).
Doorsteekluik
Kofferdeksel
Vergrendelingspunten voor afstandsbediening met afsluitbare opbergvakken.
Portieren
Stuurslot
Opbergbakken in portierpanelen
123
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 124
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
meer bijbestellen. Het systeem kan tot zes
afstandsbedieningen met Keyless-functie hanteren.
Afstandsbediening binnen een straal van
1,5 m rond de auto
G019418
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet een afstandsbediening zich binnen een straal van maximaal 1,5 m rond de
portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden.
05
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen. U hoeft de afstandsbediening alleen in een binnenzak of tas bij u
te dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen, wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan niet
langer de afstandsbediening erbij te nemen of
op te zoeken.
De twee afstandsbedieningen van de auto
ondersteunen de Keyless-functie. U kunt er
124
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Dit betekent dat u de afstandsbediening bij u
moet dragen om een portier te openen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het
niet mogelijk om met de afstandsbediening een
portier aan de andere kant te openen.
Het grijs gearceerde gebied op de afbeelding
geeft het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
afstandsbediening met Keyless-functie meeneemt, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay en klinkt er een
geluidssignaal. De waarschuwingsmelding
verdwijnt, wanneer de afstandsbediening weer
in de auto wordt gelegd of wanneer u de startknop naar stand 0 hebt gedraaid. De waarschuwing wordt alleen gegeven, als de startknop in stand I of II staat bij het openen of
sluiten van een portier.
Wanneer de afstandsbediening weer in de auto
is gelegd, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal nadat een van de
volgende handelingen is uitgevoerd:
•
•
•
een deur is geopend of gesloten;
de startknop is naar stand 0 gedraaid;
de knop READ is ingedrukt.
Nooit een afstandsbediening in de auto
achterlaten
Als u een afstandsbediening met Keylessfunctie in de auto laat liggen, wordt deze bij het
vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen het portier er dan
niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
afstandsbediening in de auto vindt, kan deze
worden geactiveerd waarna deze opnieuw te
gebruiken is. Pas daarom goed op al uw
afstandsbedieningen.
Storingen in de functie van de
afstandsbediening
De Keyless-functie kan verstoord worden door
elektromagnetische afschermingen en magnetische velden. Doe het volgende om dit te voorkomen: leg de afstandsbediening bijvoorbeeld
niet dicht bij een mobiele telefoon, metalen
voorwerpen of in een metalen attachékoffer.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 125
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Vergrendelen
Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u
op de vergrendelingsknop drukt. Anders vindt
er geen vergrendeling plaats.
Bij het vergrendelen van de auto komen de
vergrendelingsknoppen aan de binnenkant van
de portieren omlaag.
De leds aan de binnenkant van de portieren
lichten op (zie pagina 129).
N.B.
G020033
Bij een auto met een automatische versnellingsbak en het Keyless drive-systeem dient
de keuzehendel in stand P te worden gezet
en de startknop naar stand 0 te worden
gedraaid, aangezien de auto anders niet kan
worden vergrendeld of op alarm kan worden
gezet.
Bij auto’s met Keyless drive-systeem zit er een
knop op de buitenhandgreep van de portieren.
U kunt de portieren en het kofferdeksel als
volgt vergrendelen, wanneer de afstandsbediening zich binnen het dekkingsgebied van de
systeemantennes bevindt:
±
druk op de vergrendelingsknop op een van
de portierhandgrepen.
Als de Keyless-functie van de afstandsbediening om wat voor reden dan ook niet werkt,
kunt u de auto ontgrendelen met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening (zie
pagina 118).
Elektrisch bedienbare stoel –
geheugenfunctie van afstandsbediening
Als meerdere personen met elk hun eigen
afstandsbediening met Keyless-functie in de
auto stappen, neemt de bestuurdersstoel de
stand in die de persoon die als eerste een portier opent heeft gekozen.
Portier ontgrendelen met sleutelblad
05
Ontgrendelen
Wanneer de afstandsbediening zich binnen het
dekkingsgebied van de systeemantennes
bevindt:
1. Open de portieren door aan de portierhandgrepen te trekken.
2. Open het kofferdeksel door de openingsknop op het kofferdeksel onderhands in te
drukken en het kofferdeksel op te tillen.
G020225
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de afstandsbediening en het sleutelblad op de normale manier gebruiken (zie
pagina 118).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 126
05 Sloten en alarm
Keyless drive*
Als de centrale vergrendeling niet op de
afstandsbediening reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier openen.
Locatie antennes
WAARSCHUWING
Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om
eventuele storingen in de pacemaker als
gevolg van het Keyless drive-systeem uit te
sluiten.
1. Om bij het sleutelgat te komen: werk de
kunststof afdekking van de handgreep
voorzichtig los door het sleutelblad in de
opening aan de onderkant van de afdekking te steken.
Persoonlijke instellingen
2. Ontgrendel het portier met het sleutelblad.
U kunt de Keyless-functies naar wens afstellen
(zie pagina 75).
05
G020077
N.B.
Wanneer u het bestuurdersportier met het
sleutelblad ontgrendelt en vervolgens
opent, gaat het alarm af. U schakelt het
alarm uit door de afstandsbediening in het
contactslot te steken (zie pagina 133).
Het Keyless drive-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto.
Achterbumper, aan de binnenkant in het
midden
Bagageruimte, in het midden, helemaal
voorin, onder de vloer
Portierhandgreep, links
Middenconsole, onder achterstuk
Portierhandgreep, rechts
Middenconsole, onder voorstuk
126
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 127
05 Sloten en alarm
Batterij in afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening bijna leeg
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal functioneert, begint het informatiesymbool
te
branden en verschijnt de melding SLEUTEL
BATTERIJ LAGE SPANNING of
AFSTANDSBED. – BATT. VERVANGEN op
het display.
1. Leg de afstandsbediening met de knoppen
omlaag neer en werk de afdekking met een
kleine schroevendraaier los.
2. Verwijder de afdekking.
3. Let op de positie van de plus (+) en minpool
(–) (zie de afbeelding aan de onderkant van
de afdekking).
4. Werk de batterij los en vervang deze. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
5. Plaats de afdekking terug en duw deze
vast.
05
G019406
Zorg dat de oude batterij op een milieuontlastende wijze wordt afgevoerd.
Als de sloten herhaalde malen achtereen niet
meer op de gebruikelijke afstand reageren op
signalen van de afstandsbediening, moet u de
batterij vervangen (type CR 2450, 3 V).
127
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 128
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Voor auto’s met Keyless drive-functie (zie
pagina 124).
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de persoonlijke instellingen (zie pagina 75)):
05
•
bij eenmaal indrukken worden de portieren
en het kofferdeksel ontgrendeld;
•
bij de eerste keer indrukken wordt het
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken de rest van de portieren alsmede het kofferdeksel.
Vergrendelen
Met de afstandsbediening kunt u de portieren
en de achterklep tegelijkertijd vergrendelen. De
vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde worden
dan geïnactiveerd*.
De tankvulklep is niet meer te openen, wanneer
u de auto met de afstandsbediening vergrendeld hebt.
N.B.
Ook als er nog een portier of het kofferdeksel openstaat is het mogelijk de auto te vergrendelen*. Wanneer u het geopende portier of de achterklep vervolgens sluit bestaat
het gevaar dat u zich buitensluit met de
sleutels nog in de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ontgrendelen
Alleen kofferdeksel ontgrendelen:
±
Druk op de knop van de afstandsbediening
waarmee u het kofferdeksel ontgrendelt.
Vergrendelen
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto van de
buitenzijde vergrendelt. De auto is dan
namelijk niet meer van de binnenzijde te
ontgrendelen.
Als het kofferdeksel openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft het kofferdeksel
ook na sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel met de afstandsbediening of van de binnenzijde om beide portieren en het kofferdeksel te vergrendelen.
Kofferdeksel mechanisch openen
Doorluchtfunctie
Bij lang indrukken van de ontgrendelings- of
vergrendelingsknop worden alle zijruiten tegelijk korte tijd geopend en weer gesloten (daarbij
wordt een openstaand schuifdak ook gesloten).
U kunt de functie bijvoorbeeld gebruiken om bij
warm weer snel voor frisse lucht in de auto te
zorgen.
Voor de verschillende persoonlijke instellingen
die te verrichten zijn (zie pagina 75).
128
Kofferdeksel
G016334
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 129
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Als het elektrisch systeem van de auto tijdelijk
niet werkt, kunt u het kofferdeksel ook mechanisch openen met behulp van het afneembare
sleutelblad van de afstandsbediening. Voor
meer informatie over het verwijderen van het
sleutelblad (zie pagina 119).
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Portieren openen
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
±
1. Klap de rugleuning van de linker voorstoel
voorover om bij het sleutelgat onder bij de
vloer te komen.
Trek tweemaal aan de handgreep om de
portieren te ontgrendelen, waarna u ze
kunt openen.
Vergrendelingsindicatie
2. Klap het flapje op dat de slotopening
afdekt.
G020865
3. Steek het afneembare sleutelblad erin en
draai het 110 graden rechtsom.
BELANGRIJK
05
Met de vergrendelingsknop bij de portierhandgreep kunt u de portieren en het kofferdeksel
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Automatische hervergrendeling
Ontgrendelen
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld (geldt niet bij vergrendeling van de
binnenzijde). Deze functie beperkt de kans dat
u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Voor auto’s met alarmsysteem (zie
pagina 133).
±
Druk op het bovenste gedeelte van de vergrendelingsknop.
U kunt de portieren niet ontgrendelen door de
vergrendelingsknop omhoog te trekken.
Vergrendelen
±
Druk op het onderste gedeelte van de vergrendelingsknop.
G020867
De hardtop moet volledig dicht- of openstaan, voordat u het kofferdeksel langs
mechanische weg mag openen.
De lampjes aan de binnenkant van de portieren
lichten ca. vijf minuten lang op, nadat u de auto
vergrendeld hebt via de afstandsbediening of
met het Keyless drive-systeem terwijl de motor
is afgezet (zie pagina 124).
Wanneer u de auto vanaf de binnenzijde vergrendelt, lichten de lampjes eenmaal lang op.
``
129
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 130
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Bij ontgrendelen vanaf de binnenzijde lichten
de lampjes tweemaal korte tijd op.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
Tijdelijk deactiveren
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en het kofferdeksel automatisch te laten vergrendelen bij
rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
Dat gaat als volgt:
A
1. Open het menusysteem en ga naar
Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 75)).
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
•
•
05
trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
druk op de ontgrendelingsknop bij de openingshandgreep.
2. Kies Verlaagde guard.
E
B
D
C
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 75).
3. Kies Eenmaal activeren: Op het display
van het instrumentenpaneel verschijnt de
melding Verlaagde guard – Zie
instructieb. en de Safelock-functie wordt
uitgeschakeld bij vergrendeling van de
auto.
of
Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn vanaf de afstandsbediening.
130
G026307
Safelock-functie
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Display
Met de afstandsbediening activeert u de Safelock-functie die 25 seconden na vergrendeling
van de portieren in werking treedt.
MENU
Bij Safelock is de auto alleen met de afstandsbediening te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad.
ENTER
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kies Vraag bij verlaten: Iedere keer dat u
de sleutel naar stand 0 draait, verschijnt op
het display van het audiosysteem de melding Druk ENTER om guard te
beperken tot de motor start. EXIT is
annuleren – kies dan een van de alternatieven:
EXIT
Navigatie
•
Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen:
Druk op ENTER en vergrendel de auto.
Als de auto uitgerust is met een alarmsysteem
met bewegingsmelders en niveausensoren*,
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 131
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
worden ook deze uitgeschakeld (zie
pagina 133).
De volgende keer dat u de sleutel naar stand
II draait, wordt het systeem gereset, waarna op
het display van het instrumentenpaneel de
melding Guard volledig verschijnt. Daarmee
zijn de Safelock-functie en de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem
opnieuw ingeschakeld.
of
•
Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst: Vergrendel de auto
zonder een keuze te maken. Of druk op
EXIT en vergrendel de auto.
05
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto achter zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren. Zo voorkomt u dat iemand opgesloten raakt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
131
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 132
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Alarmindicatie
N.B.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend
•
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd
•
er beweging in de passagiersruimte wordt
waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is)
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor)
•
•
de accukabel wordt ontkoppeld
05
iemand de sirene probeert los te koppelen.
N.B.
Wanneer de hardtop gesloten is, werkt het
alarm op dezelfde manier als wanneer de
hardtop geopend is. Dit betekent dat het
alarm afgaat wanneer er een beweging in de
passagiersruimte wordt geregistreerd.
Alarmfunctie inschakelen
±
G020227
•
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
•
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
132
BELANGRIJK
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
•
Druk op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
Alarmfunctie uitschakelen
±
Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat de portieren zijn ontgrendeld.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 133
05 Sloten en alarm
Alarm*
Automatische herinschakeling van het
alarm
Afstandsbediening werkt niet
Beperkt alarmniveau
De functie voorkomt dat u de auto per ongeluk
verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent (en de auto werd met de afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt het alarm
automatisch weer ingeschakeld. De auto wordt
tegelijkertijd vergrendeld.
Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
•
•
Er klinkt 25 seconden lang een sirene.
Deze beschikt over een eigen accu die
wordt ingeschakeld, als de accu van de
auto te weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minuten lang of korter wanneer u het alarm volgens de bovenstaande aanwijzingen eerder uitschakelt.
E
B
D
C
05
Ook als de afstandsbediening om wat voor
reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm nog
steeds uitschakelen en de motor als volgt starten:
1. Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
2. Bij auto’s met Keyless drive moet u eerst
de startknop verwijderen door de pal (1) in
te duwen en de knop los te trekken (2).
3. Steek de afstandsbediening in het contactslot (3). Het alarm wordt uitgeschakeld. Het
alarmlampje knippert snel totdat u de contactsleutel naar stand II draait.
G026307
±
G019420
Geactiveerd alarm uitschakelen
A
Geactiveerde menu-opties staan aangekruist.
Display
MENU
EXIT
ENTER
Navigatie
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 134
05 Sloten en alarm
Alarm*
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
Dat gaat als volgt:
1. Open het menusysteem en ga naar
INSTELLINGEN VAN DE AUTO (voor een
gedetailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 75)).
2. Kies GUARD BEPERKT.
05
3. Kies Eenmaal activeren: Op het display
van het instrumentenpaneel verschijnt de
melding Verlaagde guard – Zie
instructieb. en de bewegingsmelders en
niveausensoren worden uitgeschakeld bij
vergrendeling van de auto.
of
Kies Vraag bij verlaten: Iedere keer dat u
de sleutel naar stand 0 draait, verschijnt op
het display van het audiosysteem de melding ENTER voor verlaagde beveiliging
tot de motor weer gestart wordt. EXIT
is annuleren – kies dan een van de alternatieven:
•
134
Als u de bewegingsmelders en niveausensor wilt uitschakelen: Druk op ENTER en
vergrendel de auto.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie,
wordt ook deze functie uitgeschakeld (zie
pagina 130).
De volgende keer dat u de sleutel naar stand
II draait, wordt het systeem gereset, waarna op
het display van het instrumentenpaneel de
melding GUARD VOLLEDIG verschijnt. Daarmee zijn de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw ingeschakeld.
of
•
Als de sensoren niet wilt uitschakelen: Vergrendel de auto zonder een keuze te
maken. Of druk op EXIT en vergrendel de
auto.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
1. Open alle zijruiten.
2. Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm is
ingeschakeld.
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Er moet dan een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Alarm op portieren testen
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
4. Open een van de portieren. Er moet dan
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Alarm op motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder.
2. Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening.
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Er moet dan
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 135
05 Sloten en alarm
Alarm*
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 136
Algemene informatie.............................................................................
Tanken..................................................................................................
Motor starten.........................................................................................
Keyless drive*........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Remsysteem.........................................................................................
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*..........................................
Parkeerhulp*..........................................................................................
BLIS*, Blind Spot Information System..................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met hulpaccu............................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak*..............................................................................................
Afneembare trekhaak*...........................................................................
Lading vervoeren..................................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
138
140
142
144
145
147
151
153
155
158
162
165
166
168
170
174
175
G020912
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
STARTEN EN RIJDEN
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 137
06
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 138
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Motor en koelsysteem
Geopend kofferdeksel
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen (zie pagina 12).
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld tijdens het rijden op steile hellingen en bij het
vervoer van een zware lading, bestaat het
gevaar dat de motor en het koelsysteem oververhit raken.
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Als u
toch en stukje met een geopende achterklep
moet rijden, kunt u het volgende doen:
•
06
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
•
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
•
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
•
Vermijd krachtig remmen.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije wegen.
•
Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
•
•
Rijd niet met open zijruiten.
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
•
Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
138
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan
achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt.
Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
1. Doe alle ruiten dicht.
2. Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 139
06 Starten en rijden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken reikt om elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II staan,
als u de motor hebt afgezet. Gebruik liever
stand I, omdat er op die manier minder stroom
wordt afgenomen.
Let erop dat de 12V-aansluiting in de kofferbak
ook spanning levert, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot hebt genomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
•
•
•
•
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
06
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu
door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te
zetten en de geluidsinstallatie uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
139
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 140
06 Starten en rijden
Tanken
Tankvulklep openen
2. Draai de dop tot aan de aanslag voorbij de
weerstand.
handmatig openen. Dit gaat het eenvoudigst
als de hardtop gesloten is.
3. Trek de dop uit de vulopening.
1. Verwijder de dekplaat waarmee het lamphuis rechts in de kofferbak is afgedekt.
4. Hang hem aan de binnenkant van de tankvulklep op.
3. Plaats de lus en de dekplaat terug, wanneer de tankvulklep geopend is.
N.B.
G020799
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Openen vanuit kofferbak
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen
en het brandstofverbruik (zie pagina 277).
1. Draai de tankdop zo ver los dat u een merkbare weerstand voelt.
140
G020951
Sluiten
Tankdop
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 57). De klep kan niet
worden geopend wanneer de motor loopt. De
tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Brandstof tanken
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Vergeet niet de standverwarming op brandstof uit
te schakelen alvorens te tanken!
06
2. Trek aan het lus die aan de haak zit.
Wanneer de tankvulklep niet vanuit de passagiersruimte te openen is, kunt u deze ook
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 141
06 Starten en rijden
Tanken
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Voor meer informatie over benzine (zie
pagina 277).
06
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5°C tot –40°C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen. Voor
meer informatie (zie pagina 278).
141
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 142
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
±
Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is met name van belang bij strenge vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
06
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
142
Motor starten
Benzine
±
Draai de contactsleutel naar stand III. Als
de motor niet binnen 5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
Dieselolie
Contact- en stuurslot
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
> Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te
geven dat de motor wordt voorverwarmd (zie pagina 50).
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de sleutel uit het contactslot neemt.
2. Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
Automatisch starten (5 cilindermotor)
I – Radiostand
Bepaalde onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
Met de functie automatisch starten hoeft u de
contactsleutel (of de startknop op modellen
met Keyless drive (zie pagina 124)) niet langer
in de startstand (stand III) vast te houden totdat
de motor is aangeslagen.
Draai de contactsleutel naar de startstand en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft vervolgens automatisch draaien totdat de motor
is aangeslagen.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden staat.
Het elektrische systeem van
de auto is ingeschakeld.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 143
06 Starten en rijden
Motor starten
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug naar de
rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat kan
er een tikkend geluid te horen zijn. Draai de
sleutel in dat geval eerst naar stand II en daarna
terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden
gestart.
1. Neem in dat geval de sleutel uit en draai
aan het stuurwiel, zodat het stuurslot
opgeheven wordt.
2. Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
Zorg dat het stuurslot actief is, wanneer u de
auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan de
elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd.
06
143
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 144
06 Starten en rijden
Keyless drive*
Algemene informatie
Auto starten
±
Starten met afstandsbediening
Bedien het koppelingspedaal (auto met
handbak) of het rempedaal (auto met automaat).
Benzinemotor
±
Druk op de startknop en draai deze naar
stand III.
Met het Keyless drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen,
starten en vergrendelen (zie pagina 124).
06
144
De startknop van het contactslot werkt op
dezelfde manier als een contactsleutel. U kunt
de motor alleen starten, wanneer een van de
afstandsbedieningen van de auto in de passagiersruimte of de kofferbak ligt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Draai eerst de startknop naar stand II en
wacht totdat het dieselcontrolelampje op
het instrumentenpaneel (zie pagina 50) is
gedoofd.
G019420
G019410
Dieselmotor
2. Draai de startknop vervolgens naar stand
III.
Als de batterij in de afstandsbediening leeg is,
werkt de Keyless drive-functie niet. Start de
motor in dat geval door de afstandsbediening
als startknop te gebruiken.
1. Duw de pal op de startknop in.
2. Trek de startknop uit het contactslot.
3. Steek de afstandsbediening in het contactslot en start op dezelfde manier als bij het
gebruik van de startknop.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 145
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
G018257
G018256
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
•
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(benzine)
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
•
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutrale stand N zetten. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de
versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnelling zetten.
G018258
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
06
Het kan problemen geven de schakelstanden
voor de vijfde en zesde versnelling te vinden,
wanneer de auto stilstaat. Dit omdat de blokkering van de achteruitversnelling (die dwarsslagen blokkeert) dan niet geactiveerd is.
``
145
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 146
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
N.B.
De achteruitversnelling wordt elektronisch
geblokkeerd, als de auto sneller rijdt dan
20 km/h.
146
G018261
G018259
06
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (diesel)
G018262
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(diesel)
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (benzine)
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken
van hoge versnellingen.
•
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
•
Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af!
•
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
•
Duw de versnellingspook omlaag en haal
deze naar links om de achteruitversnelling
in te schakelen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 147
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatig schakelen met Geartronic
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
R – Achteruitrijstand
G018264
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
D
– linker stand: Automatisch schakelen.
N – Vrijstand
In deze stand kunt u de motor starten en er is
geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
M – rechter stand: Handmatig schakelen
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
Wanneer de auto langer dan 3 seconden
stilgestaan heeft, moet u het rempedaal
bedienen om de keuzehendel uit stand N te
kunnen halen.
06
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
``
147
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 148
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
Handmatig schakelen met Geartronic
Kickdown
Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen. Bij het
loslaten van het gaspedaal wordt de auto op
de motor afgeremd.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Handmatig schakelen is te activeren door de
hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in
stand M te zetten. Op het informatiedisplay
verandert het teken D in een van de cijfers 1–
6 afhankelijk van de ingeschakelde versnelling
(zie pagina 47).
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
•
Duw de hendel naar voren naar de + (plus)
om een hogere versnelling in te schakelen
en laat de hendel weer los. De hendel veert
terug naar de neutrale stand M.
Beveiligingsfunctie
•
Trek de hendel naar achteren naar de –
(min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los.
Handmatig schakelen M kan op elk moment
tijdens het rijden geactiveerd worden.
Om de automatische rijstand te hervatten dient
u de hendel helemaal naar links in stand D te
zetten.
Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug
als de bestuurder langzamer gaat rijden dan
wat voor de gekozen versnelling gepast is.
148
Mechanische keuzehendelblokkering
Om overtoeren van de motor te voorkomen, is
het stuurprogramma van de versnellingsbak
voorzien van een terugschakelblokkering
waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Geartronic staat geen terugschakeling/kickdown toe die tot een dusdanig hoog toerental
leidt dat de motor kan worden beschadigd.
Wanneer u bij hoge motortoeren toch probeert
een dergelijke kickdown uit te voeren, gebeurt
er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het
motortoerental één of meer versnellingen
terugschakelen. Om schade aan de motor te
voorkomen schakelt de auto op wanneer de
motor het maximumtoerental heeft bereikt.
G020237
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Met de blokkeerknop ingedrukt kunt u de hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen P, R, N en D.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 149
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Automatische schakelblokkering
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Automatische schakelblokkering
deactiveren
3. Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u de
keuzehendel uit stand P haalt.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand II staan
en moet het rempedaal worden bediend.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de auto
heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de
motor nu loopt of niet), is de keuzehendel
geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
contactsleutel in stand II staan.
N.B.
G018263
±
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
1. Er zit een dekplaatje onder het keuzehendelpaneel met P-R-N-D. Open het aan de
achterzijde.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Displaymelding en maatregel
06
In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie
met een brandend lampje.
2. Steek het sleutelblad van de afstandsbediening zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
``
149
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 150
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Lampje
A
06
Display
Rijeigenschappen
Maatregel
TRANSM. TE HEET REM AF
Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental.
Versnellingsbak oververhit. Houd de auto
stil met het rempedaal A.
TRANSM. TE HEET VEILIG PARKEREN
Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
Versnellingsbak oververhit. Parkeer de
auto zo spoedig mogelijk A .
Voor optimale koeling: Laat de motor stationair lopen met de keuzehendel in stand N of stand P, totdat de melding verdwijnt.
De tabel schetst twee gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende
ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt
de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen
in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval
de aanwijzingen op het informatiedisplay.
N.B.
De voorbeelden in de tabel duiden niet op
defecten in de auto, maar geven aan dat een
beveiligingsfunctie geactiveerd werd om
schade aan autocomponenten te voorkomen.
150
Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak (zie pagina 53).
Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de
displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk
op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 151
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande symbool licht
op, wanneer er een remkring
defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal trappen
om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
06
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System) voorkomt dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
``
151
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 152
06 Starten en rijden
Remsysteem
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/hhebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard mogelijk op het rempedaal (er
zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in het remsysteem zijn
opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat
geval in orde is, moet u de auto voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht twee
seconden op, als er de vorige keer dat de
motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Remkrachtverhoging, EBA
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06
Het EBA (Emergency Brake Assistance) is dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet remmen, altijd meteen het maximale remvermogen kunt afnemen. Het systeem registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient. Blijf remmen zonder
het rempedaal los te laten. De regeling wordt
uitgeschakeld, wanneer u het rempedaal los-
152
laat. Het systeem is altijd actief. U kunt het dan
ook niet uitschakelen.
N.B.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 153
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*
Algemene informatie
Beperkte functie
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Bediening
±
DSTC AAN SPIN CONTROL AAN betekent dat de werking van het systeem ongewijzigd is.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
Antislipregeling
G029057
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Duimwiel 1
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Knop RESET1
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
1
Draai aan het duimwiel totdat het menu
STC/DSTC verschijnt.
Iedere keer dat u de auto start, wordt het stabiliteitssysteem automatisch geactiveerd.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft. Het systeem grijpt bij doorslippende
wielen dan later in, zodat er een hogere mate
van doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
±
Houd de knop RESET ingedrukt totdat het
menu STC/DSTC zich wijzigt.
brandt tegelijkertijd om u
Het lampje
eraan te herinneren dat er beperkingen
voor het systeem gelden.
De beperkingen voor de werking van het
systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
06
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
Niet in gebruik bij auto’s zonder boordcomputer, brandstofkachel of stabiliteits- en tractieregelsysteem.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 154
06 Starten en rijden
DSTC (stabiliteits- en tractieregelsysteem)*
N.B.
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC-systeem
DSTC AAN verschijnt enkele seconden op
het display en het lampje
brandt iedere
keer dat u de motor start.
Informatie
Meldingen op informatiedisplay
SPIN CONTROL TIJDELIJK UIT geeft aan
dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt
is wegens een te hoge remtemperatuur. De
regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
±
06
154
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, moet u de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als de lampjes
en
gelijktijdig branden:
Lees de melding op het informatiedisplay.
Als alleen het lampje
het volgende:
oplicht, betekent dat
•
een knipperend lampje geeft aan dat het
STC/DSTC op dat moment ingrijpt;
•
een lampje dat twee seconden brandt
geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt;
•
een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het STC/DSTC-systeem.
•
Een lampje dat na uitschakeling continu
blijft branden herinnert u eraan dat er
beperkingen gelden voor het STC/DSTC.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 155
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Algemene informatie over Park Assist
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde.
Park Assist aan de voor- en achterzijde.
Functie
G020294
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
een andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Park Assist voor- en achterzijde.
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Enter is activeren zodra u de achteruitversnelling inschakelt. Voor het wijzigen van de
instelling (zie pagina 75).
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidsprekers achterin.
Beperkingen
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
N.B.
Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo
aangesloten is.
06
Park Assist aan de achterzijde
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld.
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling waarna de melding Parkeerhulp
actief Exit is deactiveren op het audiodisplay
verschijnt.
Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op
het display de melding Parkeerhulp inactief
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 156
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen bij obstakels vóór
de auto komen uit de luidsprekers voorin.
Beperkingen
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de verstralers reageren.
Park Assist aan de achterzijde
G018389
Park Assist aan de achterzijde wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
Aan/Uit-knop (achterste knop afgebeeld).
06
Bij het starten van de motor wordt het systeem
automatisch geactiveerd wat wordt aangegeven door het brandende lampje in de Aan/Uitknop. Wanneer u de Park Assist met deze knop
uitschakelt, dooft het lampje.
Park Assist aan de voorzijde
De Park Assist aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h. Bij hogere snelheden
wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden
lager dan 10 km/h.
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. De geluidssignalen bij obstakels achter de auto komen uit de luidsprekers achterin.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan Park
Assist ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van
dezelfde frequentie als de sensoren van het
systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Sensoren schoonmaken
Beperkingen
Zie het voorgaande gedeelte Park Assist aan
de achterzijde.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de melding PARKEERHULP SERVICE
VEREIST verschijnt, dan is Park
Assist defect. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten repareren.
G020952
Park Assist aan voor- en achterzijde
Sensoren voor Park Assist.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 157
06 Starten en rijden
Parkeerhulp*
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 158
06 Starten en rijden
BLIS*, Blind Spot Information System
Algemene informatie
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Dode hoeken
B
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
A
BLIS is gebaseerd op cameratechniek. De
camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Buitenspiegel met BLIS-systeem.
BLIS-camera
Controlelampje
06
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020296
G020295
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, licht een controlelampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS (zie pagina 159).
A = ca. 3,0 m, B = ca. 9,5 m.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 159
06 Starten en rijden
BLIS*, Blind Spot Information System
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan
uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is het
mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie pagina 160), waarbij een displaymelding verschijnt.
Wanneer de displaymelding spontaan verdwijnt, werkt het BLIS weer naar behoren.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte mist.
G018389
WAARSCHUWING
Knop voor activering/deactivering (voorste knop
afgebeeld).
BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
06
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op de knop BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het systeem gedeactiveerd wordt. Er verschijnt
bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 160
06 Starten en rijden
BLIS*, Blind Spot Information System
Displaymelding
Betekenis
BLIS SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet.
BLIS UIT
BLIS-systeem is uitgeschakeld.
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding
Betekenis
BLIS AAN
BLIS-systeem is
ingeschakeld
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
06
BLIS CAMERA
GEBLOKKEERD
Een of meer
camera’s zijn afgedekt.
Maak de lenzen
schoon.
Neem contact op
met een erkende
Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS
SERVICE VEREIST.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
G018176
portieren driemaal op. Druk op de knop
READ om de displaymelding te laten verdwijnen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties (zie pagina 53).
Reflecties op een glad en nat wegdek
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 161
06 Starten en rijden
G018177
BLIS*, Blind Spot Information System
G018178
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
161
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 162
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen
(zie pagina 165).
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
N.B.
Slepen
Als de accu van de auto uitgeput is, moet u
voordat u de auto kunt wegslepen het stuurslot opheffen.
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
1. Draai de contactsleutel naar stand II en hef
het stuurslot op zodat de auto bestuurbaar
is (zie pagina 143).
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
2. Laat de sleutel tijdens het slepen in stand
II staan.
3. Zorg om schokken te voorkomen dat de
sleepkabel altijd strak staat door met uw
voet lichte druk op het rempedaal uit te
oefenen.
De snelheidslimiet voor het wegslepen
van een auto met automatische versnellingsbak is 80 km/h. U mag de auto over
een afstand van maximaal 80 km verslepen.
2.0D
De 2.0D met automaatbak dient niet gesleept
te worden. Aangezien de circulatiepomp de
versnellingsbakolie niet op de juiste temperatuur kan houden als de motor niet loopt, is de
kans op schade aan de versnellingsbak zeer
groot.
Een auto die op een gevaarlijke plek in het verkeer staat, mag echter over een korte afstand
(tot 30 km) en op lage snelheid (tot 30 km/h)
worden versleept.
BELANGRIJK
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
±
162
•
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt.
BELANGRIJK
06
BELANGRIJK
Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien.
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
Bij vorst wordt slepen ten stelligste afgeraden.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 163
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
G020953
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het sleepoog in de opening aan de rechterzijde van de
voor- of achterbumper.
Sleepoog monteren
1. Neem het sleepoog erbij dat in de zak in
het doorsteekluik of bij het reservewiel ligt.
2. Haal het afdekking (1) in de bumper los
door op het merkje onder aan de afdekking
te drukken.
Draai het sleepoog na gebruik los en leg het
weer op zijn plek.
Plaats de afdekking terug op de bumper.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Roep professionele hulp in
voor berging.
N.B.
Bij sommige auto’s met een afneembare
trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen, wanneer het
kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
06
Om die reden wordt geadviseerd het kogelsegment van de afneembare trekhaak in de
auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet
nodig hebt (zie pagina 168).
3. Schroef het sleepoog (3) stevig tot aan de
flens vast. Gebruik de wielsleutel om het
sleepoog vast te draaien.
``
163
C70; 7; 3
evastarck
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Bergen
Roep professionele hulp in voor berging.
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
BELANGRIJK
Auto’s met een automatische versnellingsbak mogen alleen worden geborgen met de
aangedreven wielen geheven.
06
164
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 164
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 165
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
4. Sluit de rode startkabel aan tussen de pluspool (1+) van de hulpaccu en de pluspool
(2+) van de lege accu.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
G020298
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
Als de accu leeg is, kunt u stroom van een losse
accu of van de accu in een andere auto gebruiken. Controleer altijd of de klemmen van de
startkabels goed vastzitten en of er geen vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten adviseren wij u de volgende stappen aan te houden
om explosiegevaar te voorkomen:
1. Draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van 12
V levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
9. Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de pluspool van de accu of met de aangesloten
klemmen van de rode startkabel.
06
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
165
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 166
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
•
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
•
Bij montage achteraf moet u contact opnemen met de erkende Volvo-werkplaats om
te controleren of uw auto van de nodige
uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
•
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
•
Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel
(zie pagina 182).
06
•
1
166
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel 1 van tijd tot tijd in.
•
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten (zie pagina 267).
WAARSCHUWING
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof tot in
het rode gebied uitslaat, dient u de auto te
stoppen en de motor enkele minuten stationair te laten draaien. De automatische
versnellingsbak reageert met een ingebouwde beveiligingsfunctie. Zie de melding op het informatiedisplay. Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf
tijdelijk uitschakelen.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
N.B.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 167
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
Op een helling parkeren
1. Trek de handrem (parkeerrem) aan.
2. Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
Op een helling wegrijden
1. Zet de keuzehendel in de rijstand D.
Dieselmotor met handbak, rijden met
een aanhanger
Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast
wordt, kunt u de koelventilator van de motor
laten vervangen door een exemplaar met een
grotere capaciteit. Informeer bij de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats naar de
mogelijkheden voor uw auto.
2. Haal de auto van de handrem (parkeerrem).
Steile hellingen
•
Kies bij het omhoog rijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak
opschakelt en houdt u de versnellingsbakolie koel.
•
Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
•
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
06
167
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 168
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Kogelsegment opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 170).
WAARSCHUWING
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Opbergruimte kogelsegment
BELANGRIJK
06
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
G014589
•
G031113
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 169
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G010393
G010391
G010392
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
Vaste of afneembare trekhaak in standaarduitvoering
1160
77
964
482
40
141
538
150
113
100
140
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
169
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 170
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
.
recht naar achteren te trekken
06
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Kogelsegment monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 171
06 Starten en rijden
4. Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 172
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
06
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020301
G020310
G020309
Kogelsegment verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 173
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie
pagina 168).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 174
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak en zijn kogeldruk.
Het laadvermogen van de auto moet tevens
worden verminderd met het gewicht van het
aantal inzittenden. Voor informatie over de toelaatbare gewichten (zie pagina 267).
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in kofferbak
06
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer
u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto in
beweging komen.
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
174
•
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
•
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
•
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
•
Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing bij een snelheid van 50 km/h zich kan
gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders bieden de opblaasgordijnen mogelijk geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 175
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Koplampen met Bi-XenonŸlampen
G020317
G021421
Koplampen met halogeenlampen
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
G021422
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Linksrijdend verkeer.
Linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Met een knopje op de beide koplamphuizen
kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt.
Bij de juiste lichtbundel wordt ook de berm
beter verlicht.
WAARSCHUWING
06
Als de auto is voorzien van BiXenonŸkoplampen, moet u de lamp door
een erkende Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat de Bi-XenonŸlampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er extra
voorzichtig mee om te gaan.
175
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 176
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel..........................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden*.........................................................................
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
178
182
185
188
190
G020918
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
WIELEN EN BANDEN
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 177
07
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 178
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Banden hebben een beperkte
houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op
het wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik bij het verwisselen
van banden altijd zo nieuw
mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder
voor winterbanden. De week en het jaar van
productie worden aangeduid met de DOTcode (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat (zie pagina 182).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
07
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
91
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W
178
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 179
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
G020323
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Slijtage-indicatoren.
Winterbanden
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op (zie pagina 182). De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
N.B.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats voor advies over de beste soort
velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van 4 mm aan te houden
voor winterbanden.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
07
``
179
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 180
07 Wielen en banden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
Velgen en wielmoeren
voor stalen en aluminium velgen. Haal de wielmoeren aan met 110 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
BELANGRIJK
U moet de wielmoeren aanhalen met
110 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
WAARSCHUWING
G020324
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
07
Korte wielmoer.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk te
herkennen aan de draaiende, conische drukring.
Lange wielmoer.
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van
aanbod aan originele accessoires van Volvo. Er
bestaan verschillende soorten wielmoeren
180
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielmoeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
U mag het compacte reservewiel alleen gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is om het
normale wiel te repareren of te vervangen. Vervang het zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 181
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Zomer- en winterbanden
de banden regen, sneeuw en drab minder goed
afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
G020325
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts. Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de
banden in een bepaalde richting draaien, staat
deze richting aangegeven met een pijl op de
zijkant van de band.
07
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting
hebben. Banden mogen alleen van voor naar
achter verwisseld worden, nooit van links naar
rechts of omgekeerd.
Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
181
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 182
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker staan:
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
•
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
G020955
N.B.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
N.B.
07
182
Tel voor het maximale aantal inzittenden het
aantal zitplaatsen met een veiligheidsgordel.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme banden. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofver-
bruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel voor de juiste
bandenspanning. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 183
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
2.4
Bandenmaat
215/55 R16 91W
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Voor (kPa)
A
Max. belading
Achter (kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
tot 160
210
210
250
250
160+
250
210
280
260
215/50 R17 91W
tot 160
220
220
250
250
235/45 R17 94W
160+
260
220
280
260
tot 160
210
210
250
250
160+
260
210
280
260
215/50 R17 91W
tot 160
220
220
250
250
235/45 R17 94W
160+
270
220
290
270
tot 160
230
210
250
250
160+
260
210
280
260
215/50 R17 91W
tot 160
240
220
250
250
235/45 R17 94W
160+
270
220
290
270
2.4i
235/40 R18 91Y
T5
215/55 R16 91W
2.0D
235/40 R18 91Y
D5
215/55 R16 91W
07
235/40 R18 91Y
``
183
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 184
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Type
A
B
C
07
184
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
Voor (kPa) A
Achter (kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
Alle
Alle
tot 160
250 B
250
250
250
Reservewiel C
T125/85R16 99M
tot 80
420
420
420
420
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa).
ECO-bandenspanning (zie pagina 182).
Compact reservewiel.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 185
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
G020956
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek*. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op
om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
1. Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
2. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
G020959
Reservewiel en krik
Gevarendriehoek
Positie, gereedschap voor noodreparatie banden.
Originele krik
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. De krik en de wielsleutel zitten in het schuimrubber blok in de kofferbak.
07
Set voor noodreparatie banden
Voor de positie en het gebruik ervan (zie
pagina 190).
Zorg dat u de houder met de gevarendriehoek
na gebruik in de reservewielbak terugplaatst.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 186
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
G020960
Reservewiel en gereedschap
Reservewiel en gereedschap.
Het reservewiel* ligt in een opbergzak in de
reservewielruimte in de kofferbak. In het midden van de wiel zit een zwart schuimrubber
blok dat een krik en de sleutel voor de wielbouten bevat. Zet de bevestigingsbanden van
de opbergzak aan de twee verankeringsogen
op de vloer vast.
07
1. Maak de twee bevestigingsbanden los
waarmee de opbergzak met het reservewiel aan de vloer vastzit.
2. Open de ritssluiting in de opbergzak en
neem de stukken gereedschap eruit.
3. Til het reservewiel uit de opbergzak.
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Stop de lekke band in de opbergzak en zet
deze vast met de bevestigingsband. Let erop
dat u bij het terugplaatsen de aanwijzingen op
de opbergzak opvolgt.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 187
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
Gereedschap, terugplaatsen
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daarvoor bestemde plaats in de kofferbak wanneer u ze niet nodig hebt.
EHBO*
G029335
Onder de vloer in de kofferbak ligt een EHBOkit.
Opbergstand van de krik bij auto’s met een reservewiel.
Gereedschap en krik* dienen na gebruik op de
juiste wijze te worden opgeborgen.
•
Bij auto’s met een reservewiel dient de krik
in de juiste opbergstand te worden gezet
(zie bovenstaande afbeelding).
•
Bij auto’s met een set voor noodreparatie
van banden dient de krik volledig omlaaggedraaid te worden en teruggelegd te worden in het schuimrubber blok.
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 188
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Zet de gevarendriehoek op, als u een wiel langs
een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor
dat de auto en de krik op een stevige en horizontale ondergrond staan.
WAARSCHUWING
07
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
1. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de kofferbak liggen.
188
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel of trek hem
met de hand los.
5. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
G024530
G020332
G020331
Wielen demonteren
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed in het
kriksteunpunt vastzit (zoals afgebeeld) en
of de voet van de krik loodrecht onder het
steunpunt staat.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 189
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 110 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
07
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
189
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 190
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Noodreparatie banden, algemene
informatie
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Beschermdop
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afgedichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
Lekke band repareren
Overzicht
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de kofferbak*. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
G020400
07
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G019723
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 191
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
8. Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
07
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 192
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
07
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Plaats de noodreparatieset terug.
7. Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats om de beschadigde
band te laten vervangen/repareren. Geef
aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor daarom nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afgedichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aansluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 193
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
07
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 194
Schoonmaken....................................................................................... 196
Lakschade herstellen............................................................................ 200
Roestwering.......................................................................................... 201
194
G020920
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
VERZORGING
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 195
08
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 196
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
BELANGRIJK
Spoel de auto niet schoon met de hardtop
geopend om water in de passagiersruimte
te voorkomen.
•
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
•
Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
08
196
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 197
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
In een automatische wasstraat dient de
hardtop dicht te staan.
Schroef de antenne bij het kofferdeksel los
voordat u de wasstraat inrijdt.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende strips), wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Elektrisch bedienbare hardtop
Als u een natte hardtop opent, zal er water in
de passagiersruimte lopen. Wacht daarom totdat al het water van de hardtop is gelopen,
voordat u de hardtop opent.
Afdekking
De afdekking (zie pagina 99) is gevoelig voor
water en daarom moet u een natte afdekking
met een doek afdrogen. Maak voor het
schoonmaken gebruik van een licht bevochtigde doek.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van het gebruik van dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
08
``
197
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 198
08 Verzorging
Schoonmaken
Buitenspiegels en voorste zijruiten met
water- en vuilafstotende laag
schoonmaken*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat
de water- en vuilafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig tijdens het schoonmaken om
te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
08
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De erkende Volvo-werkplaats heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u de
instructies opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
198
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng wat van het leerreinigingsproduct
op een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 199
08 Verzorging
Schoonmaken
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg-
08
199
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 200
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende deklak
aan te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade
moet u meteen herstellen om roestvorming te
voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn minder
grote steenslagplekken, krassen en schade
aan bijvoorbeeld de spatbordranden of de portieren.
Als de steenslagplek tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020346
G020345
Kleurcode
Typeplaatje.
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode (1) staat op het typeplaatje (zie pagina 264).
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
•
•
•
•
Bus grondlak (primer)
Bus deklak of een lakstift
Kwastje
Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
08
200
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de deklak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 201
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
•
Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
•
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto aan een nabehandeling toe is.
08
201
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 202
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Accu......................................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
202
204
205
206
207
212
213
215
221
G020922
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
ONDERHOUD EN SERVICE
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 203
09
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 204
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Onderhoudsprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u servicewerkzaamheden aan het
elektrische systeem laat uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
204
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 205
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Regelmatig controleren
Accu
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Schakel daarom altijd het contact uit bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
•
Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
•
Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
•
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
•
Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
09
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
205
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 206
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
G010599
Motorkap openen
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
helemaal links onder het dashboard (of
helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). Het is duidelijk te horen dat de vergrendeling wordt opgeheven.
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (4cil.)
Expansiereservoir voor koelsysteem
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur rechts)
Vulopening voor motorolie*
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(auto met stuur links)
2. Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de slotpal naar rechts.
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
Peilstok voor motorolie*
Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
3. Open de motorkap.
Radiateur
Luchtfilter*
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
206
Motorruimte
Koelventilator
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof (5cil.)
Accu
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 207
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte
09
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt (zie pagina 271).
G020341
G020340
Olie verversen en oliefilter vervangen
G020338
Peilstok, dieselmotoren.
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Peilstok, benzinemotoren.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
``
207
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 208
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingslampje
midden op het instrumentenpaneel en met dis-
208
playteksten. Op bepaalde modellen zijn beide
systemen aanwezig. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Peil controleren
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
G020336
09
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het
MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op
de peilstok ligt. Voor de aan te houden
hoeveelheid (zie pagina 271).
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 209
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Oliepeil controleren bij een warme motor
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
komen dat de vloeistof in de pomp, het
reservoir en de slangen bevriest.
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10–15
minuten zodat de olie naar het carter terug
kan lopen.
N.B.
Meng het antivries met water, voordat u
koelvloeistof bijvult.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid (zie pagina 271).
Koelvloeistof controleren en bijvullen
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof
1.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
Voor de aan te houden hoeveelheden (zie de
tabel Vloeistoffen op pagina 275).
Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen.
Vulopening op vijfcilindermodellen
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voor-
1
G020334
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
G020335
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
WAARSCHUWING
09
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloei-
Afhankelijk van het motortype.
``
209
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 210
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
stof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
BELANGRIJK
•
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
•
210
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen vloeistofkwaliteit (zie pagina 275).
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 211
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
09
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
G020333
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir 2. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof (zie
de tabel Vloeistoffen op pagina 275).
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
2
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Voor de
aanbevolen vloeistofkwaliteit en aan te houden
hoeveelheden (zie pagina 271).
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
dan normaal sturen en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
211
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 212
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
Wisserbladen
1. Klap de wisserarm omhoog.
Wisserbladen voorruit vervangen
2. Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
3. Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
4. Controleer (3) of het blad goed vastzit.
G020330
5. Klap de wisserarm omlaag.
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit (zie pagina 196).
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
212
G020329
BELANGRIJK
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 213
09 Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
09
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie
het instructieboekje dat
bij de auto hoort.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Accu vervangen
Accu verwijderen
1. Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
De accu bevat een bijtend
zuur.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
Zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regelmodules.
3. Verwijder de afdekking.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
4. Koppel de minkabel los.
5. Koppel de pluskabel los.
6. Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
7. Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
``
213
C70; 7; 3
evastarck
09 Onderhoud en service
09
Accu
8. Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
1. Til de accu op zijn plaats.
2. Breng de klem aan waarmee de accu vastzit.
3. Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
4. Sluit de pluskabel aan.
5. Sluit de minkabel aan.
6. Breng de afdekking op de accu aan.
214
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 214
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 215
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
•
•
interieurverlichting aan het plafond
•
richtingaanwijzers, buitenspiegelverlichting en Approach-verlichting
•
•
Derde remlicht
leeslampjes en verlichting dashboardkastje
Lamphuis losmaken
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
2. Trek de borgpen van het lamphuis
omhoog.
BELANGRIJK
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
3. Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren.
4. Koppel de connector los door de clip met
uw duim in te drukken en tegelijkertijd met
uw andere hand de connector los te halen.
Bi-XenonŸkoplampen
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
4
G007334
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van BiXenonŸkoplampen, moet u de BiXenonŸlamp door een erkende Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat de BiXenonŸkoplampen voorzien zijn van een
ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning
opwekt, dient u er extra voorzichtig mee om
te gaan.
1. Neem de contactsleutel uit en draai de verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
G007612
Algemene informatie
Op pagina 281 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
09
``
215
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 216
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
5. Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond neer om krassen
op de lens te voorkomen.
Afdekking en gloeilamp vervangen
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
2. Duw de klemveer naar binnen/omhoog en
vervolgens iets naar rechts, zodat deze in
positie vastklikt.
Lamphuis aanbrengen
2. Haal de borgklemmen opzij en verwijder de
afdekking.
1. Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer
of u de borgpen op de juiste manier hebt
ingebracht.
3. Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar links
zodat hij loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
4. Plaats de kunststof afdekking terug.
2. Controleer de verlichting.
4. Trek de gloeilamp naar buiten.
Groot licht
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de contactsleutel in het contactslot
steekt.
5. Plaats het lamphuis terug.
3. Duw de connector in positie terug.
5. Plaats het lamphuis terug.
G007339
G007338
Dimlicht
G020255
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
216
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
1. Haal het lamphuis in zijn geheel los.
2. Linker koplamp:
draai de lamphouder linksom.
Rechter koplamp:
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 217
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
draai de lamphouder rechtsom.
3. Trek de lamphouder naar buiten toe en vervang de gloeilamp.
4. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
09
Sidemarker
3. Duw de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier terugplaatsen.
Richtingaanwijzer
5. Plaats het lamphuis terug.
G007393
G007394
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
G007392
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
1. Trek de lamphouder met een tang naar
buiten. Trek de lamphouder niet aan de
kabel naar buiten.
1. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
2. Plaats de lamphouder terug. U kunt hem
slechts op één manier aanbrengen.
2. Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
3. Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het
lamphuis terug.
2. Vervang de gloeilamp.
``
217
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 218
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
8. Zet het lamphuis met de boutjes vast en
duw het paneel terug.
Lamphouder achterlamphuis
verwijderen
N.B.
Als de foutmelding STORING LAMPJE/
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
G021046
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
G020963
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Verwijder het paneel dat om het lamphuis
zit.
4. Koppel de connector van de gloeilamp los.
5. Draai de gloeilamp linksom en trek hem
naar buiten.
6. Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
7. Sluit de connector op de gloeilamp aan.
218
Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn via
de kofferbak te vervangen.
±
G020964
3. Draai beide torx-boutjes uit het lamphuis
los en neem het lamphuis eruit.
Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
Lamphouder.
Remlichten
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 219
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistachterlicht (één zijde)
Kentekenplaatverlichting
09
Instapverlichting
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht
N.B.
G020795
G020965
De gloeilamp voor het mistachterlicht is
slechts in een van de achterlamphuizen
aanwezig. Dit is het linker achterlamphuis bij
auto’s met het stuur links en het rechter
achterlamphuis bij auto’s met het stuur
rechts.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
2. Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
3. Haal het glas voorzichtig los.
4. Vervang de gloeilamp.
5. Plaats het glas terug en schroef het vast.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Plaats de lens terug.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 220
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Kofferbak
Verlichting make-upspiegel*
Spiegelglas aanbrengen
1. Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
2. Duw vervolgens de onderste drie vast.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Spiegelglas verwijderen
1. Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
2. Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
3. Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
4. Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
220
G020969
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
G020253
G020968
Interieurverlichting achterin
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 221
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raken door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
•
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
•
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte
09
herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat het
bijbehorende onderdeel een storing vertoont.
Bezoek in dat geval een erkende Volvo-werkplaats voor een controle.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering
``
221
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 222
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G007446
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het kastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let
erop dat u een doorgebrande zekering altijd
vervangt door een nieuwe zekering met
dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
•
•
19 – 36 zijn van type “MiniFuse”.
•
1 – 6 zijn van het type “Midi Fuse” en moeten worden vervangen door een erkende
Volvo-werkplaats.
7 – 18 zijn van het type “JCASE” en moeten
worden vervangen door een erkende
Volvo-werkplaats.
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
222
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 223
09 Onderhoud en service
09
G020250
Zekeringen
1.
Koelventilator
50 A
2.
Stuurbekrachtiging (excl.
1,6 litermotor)
80 A
3.
4.
5.
6.
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
60 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
60 A
Element klimaatregeling,
extra verwarming PTC*
80 A
7.
ABS-pomp
30 A
14.
Bedrading aanhanger*
40 A
8.
ABS-ventielen
20 A
15.
9.
Motorfuncties
30 A
Elektrisch bedienbare hardtop
30 A
10.
Ventilator klimaatregeling
40 A
16.
Voeding voor infotainment
40 A
11.
Koplampsproeiers, elektrisch
bedienbare hardtop, afsluitbaar opbergvak en doorsteekluik
17.
Ruitenwissers
30 A
18.
20 A
Voeding voor relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
40 A
Voeding voor elektrische achterruitverwarming
30 A
Relais startmotor
30 A
12.
13.
Gloeibougies (diesel)
19.
Reservepositie
20.
Claxon
15 A
70 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
223
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 224
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
21.
Standverwarming op brandstof, interieurverwarming
20 A
22.
Subwoofer
25 A
23.
Motorregelmodule ECM (5cil. benzine) transmissie
(TCM)
24.
224
Elektrisch verwarmd brandstoffilter, PTC-element olievanger (diesel)
33.
34.
10 A
35.
20 A
25.
Reservepositie
-
26.
Contactslot
15 A
27.
Compressor voor airconditioning
10 A
28.
Reservepositie
29.
Mistlampen vóór
15 A
30.
Regelmodule motor ECM (4cil. diesel)
3A
31.
Reservepositie
32.
Injectoren (benzine), luchtmassameter en turboregeling
(diesel)
-
-
10 A
36.
Lambdasonde, vacuümpomp
(benzine), regelmodule motor
(diesel)
20 A
Drukschakelaar klimaatregeling, bobines (benzine), gloeibougies en uitlaatgasreiniging
EGR (diesel)
10 A
Motorsensor voor kleppen,
relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger
(benzine), regelmodule motor
ECM (diesel), koolstoffilter
(benzine), MAF luchtmassameter (benzine)
15 A
Motorregelmodule ECM (excl.
5-cil. diesel), gaspedaalsensor, lambdasonde (diesel)
10 A
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 225
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G020601
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
Het kastje biedt plaats aan 50 zekeringen. De
zekeringen zitten onder het dashboardkastje.
Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In het relais- en zekeringenkastje in
de motorruimte vindt u een speciale trekker
waarmee u de zekeringen kunt vervangen (zie
pagina 222).
Zekeringen vervangen
1. Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1) ca.
één cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
2. Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom
totdat ze los zijn.
3. Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo ver in de richting
van de stoel dat het niet verder kan. Klap
het vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel losgehaakt
worden.
4. Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
5. Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met de
bevestigingsclips vast en duw de losse pen
weer in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de
bekleding vast komt te zitten.
``
225
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 226
09 Onderhoud en service
Zekeringen
G020246
09
43.
44.
45.
46.
226
Telefoon, audio, RTI
(optie)
SRS-systeem, motorregelmodule ECM (5-cil.)
Elektrische aansluiting
interieur
Verlichting passagiersruimte, verlichting dashboardkastje en instapverlichting
15 A
10 A
49.
SRS-systeem
10 A
50.
Reservepositie
-
51.
Extra verwarming voor
passagiersruimte, brandstoffilterrelais elektrische
verwarming
15 A
52.
5A
53.
57.
10 A
58.
Regelmodule afstandsbediening, regelmodule
sirene
10 A
Diagnoseaansluiting,
remlichtschakelaar
15 A
Groot licht rechts, relaisspoel verstralers
7,5 A
Transmissieregelmodule
(TCM), ABS-systeem
5A
59.
Groot licht, links
7,5 A
Stuurbekrachtiging
10 A
60.
Stoelverwarming
bestuurderszijde
15 A
Stoelverwarming passagierszijde
15 A
Bi-XenonŸ*
47.
Interieurverlichting
5A
54.
Park Assist,
48.
Sproeiers
15 A
55.
Regelmodule Keyless
Drive
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
56.
10 A
61.
20 A
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 227
09 Onderhoud en service
Zekeringen
62.
Reservepositie
63.
Voeding elektrisch
bedienbare ruit, rechtsachter
20 A
Lampje voor portiersloten, RTI
5A
65.
Infotainment
5A
66.
Regelmodule voor Infotainment (ICM), klimaatregeling
10 A
64.
67.
Reservepositie
68.
Cruisecontrol
69.
Klimaatregeling, regensensor, BLIS-knop
-
-
76.
Reservepositie
77.
Elektrische aansluiting
kofferbak, regelmodule
accessoires (AEM)
5A
70.
Reservepositie
-
71.
Reservepositie
-
72.
Reservepositie
-
73.
Console voor interieurverlichting (OHC), gordelwaarschuwing achterin
5A
74.
Relais brandstofpomp
15 A
75.
Reservepositie
-
15 A
78.
Reservepositie
-
79.
Achteruitrijlicht
5A
80.
Reservepositie
-
81.
Voeding elektrisch
bedienbare ruit, linksachter
20 A
Voeding elektrisch
bedienbare ruit en portier, rechtsvoor
25 A
Voeding elektrisch
bedienbare ruit en portier, linksvoor
25 A
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel
25 A
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
25 A
Interieurverlichting, kofferbakverlichting, elektrisch bedienbare stoelen
5A
82.
5A
83.
84.
85.
86.
09
-
227
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 228
Algemene informatie.............................................................................
Audiofuncties........................................................................................
Radiofuncties........................................................................................
Cd-functies...........................................................................................
Menusysteem, audiosysteem...............................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Menusysteem, telefoon*.......................................................................
Bluetooth handsfree*............................................................................
228
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
230
232
236
241
244
245
253
256
G020924
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
INFOTAINMENT
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 229
10
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 230
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
bedieningspaneel en de toetsenset* op het
stuurwiel (zie pagina 65). Op het display (2) verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
10
Audiosysteem
G020245
Aan/uit
POWER – Toets
Display
Toetsenset
MENU – Menusysteem
Navigatieknoppen
EXIT – Menusysteem verlaten
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de contactsleutel naar stand 0 draait, blijft het
audiosysteem ingeschakeld totdat u de sleutel
uit het contactslot neemt. De volgende keer dat
u de sleutel naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
Menufuncties
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
•
•
Met MENU (4) opent u het menusysteem.
•
Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
ENTER – Kiezen/activeren/deactiveren
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties*. Het Infotainmentsysteem is eenvoudig te bedienen vanaf het
1
230
Premium Sound
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
•
Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsenset (3).
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
•
•
•
Performance
High Performance
Premuim Sound
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met AM/
FM-radio met RDS en een cd-speler.
Dolby Surround Pro Logic II 1
Dolby Surround Pro Logic II verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 231
10 Infotainment
Algemene informatie
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
10
Dolby Surround Pro Logic II System is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation.
231
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 232
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
pagina 65). Het volume wordt automatisch
afgestemd op de snelheid van de auto (zie
pagina 235).
10
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door.
Bij herhaalde malen indrukken van MODE
loopt u de standen CD en AUX door.
VOLUME – Draaiknop
Het is mogelijk een mp3-speler aan te sluiten
op de AUX-ingang in de middenconsole. Er zit
voldoende ruimte tussen het opbergvak en de
afdekking ervan om een standaardkabel voor
een iPod of een andere mp3-speler aan te kunnen sluiten.
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE – Geluidsbron kiezen, CD/AUX
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen (zie
1
232
Vervalt bij een Performance Sound-uitvoering van het audiosysteem met Bluetooth geïnstalleerd.
G021296
G019805
AUX 1
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 233
10 Infotainment
Audiofuncties
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
1. Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE.
Via de aansluiting in de middenconsole is het
mogelijk een iPod, een andere mp3-speler of
een USB-geheugen aan te sluiten op het Infotainmentsysteem van de auto.
Kies afhankelijk van het aangesloten type
opslagmedium als volgt de geluidsbron:
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar AUX-ingangsvolume en druk op
ENTER.
4. Draai aan TUNING of druk op pijl-rechts/
pijl-links van de navigatieknop.
USB-/iPod-aansluiting 2
1. Kies iPod of USB met MODE. De tekst
Connect Device verschijnt op het display.
2. Sluit het opslagmedium van uw keuze aan
via de aansluiting in het opbergvak van de
middenconsole (zie bovenstaande afbeelding).
De tekst Loading verschijnt op het display,
wanneer het systeem de bestanden op het
opslagmedium inleest. Dit duurt enige tijd.
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display, waarna u een bepaalde track
kunt selecteren.
G019823
U kunt op een van de volgende twee manieren
een track selecteren:
Via de USB-aansluiting in de middenconsole is het
mogelijk een iPod of mp3-speler aan te sluiten op
het Infotainmentsysteem van de auto.
2
1. draai de knop TUNING (4) links- of
rechtsom
2. of maak gebruik van de pijl-links of pijlrechts van de navigatieknoppen (6) om
naar de track van uw keuze te springen.
Als de auto is uitgerust met een toetsenset op
het stuurwiel, kunt u ook via de toetsenset van
track veranderen.
10
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de meest voorkomende formaten zoals mp3, wma en wav.
Er zijn met andere woorden muziekformaten
die niet door het systeem worden ondersteund.
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
Mp3-speler
Veel mp3-spelers werken met hun eigen
bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een
dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken
binnen het systeem, dient de speler in de stand
USB Removable device/Mass Storage
Device te staan.
Bepaalde systeemuitvoeringen.
``
233
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 234
10 Infotainment
Audiofuncties
10
De iPod wordt bijgeladen en gevoed door het
systeem middels de aansluitkabel. Als de batterij in de iPod echter helemaal uitgeput is,
dient u deze eerst op te laden alvorens de iPod
aan te sluiten.
N.B.
• BALANS – Balans tussen luidsprekers
links en rechts.
• SUBWOOFER* – Niveau voor de lagetonenluidspreker. De subwoofer moet ingeschakeld zijn om het niveau bij te kunnen
regelen (zie onder het kopje Subwoofer
activeren/deactiveren verderop).
• MIDDEN 3 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om het
niveau bij te kunnen regelen (zie onder het
kopje Surround-functie activeren/deactiveren verderop).
Wanneer u muziek op een aangesloten iPod
beluistert, hanteert het Infotainmentsysteem een menustructuur vergelijkbaar met
die van de iPod. Zie de gebruiksaanwijzing
bij de iPod voor gedetailleerde informatie.
• SURROUND3 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Pro Logic II
moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te
kunnen regelen (zie onder het kopje Audioinstellingen verderop).
Zie voor meer informatie het extra instructieboekje bij USB/iPod Music Interface.
Audio-instellingen
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op SOUND kunt u de onderstaande opties doorlopen. U stelt de opties in
door aan TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE - Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen luidsprekers voor
en achter.
3
4
234
Premium Sound.
Niet beschikbaar in de standen AM en FM.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Surround3
De Surround-instellingen zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van de
geluidsweergave. De instellingen en
activering/deactivering ervan worden
voor elk van de geluidsbronnen apart vastgelegd.
G021216
iPod-speler
Het Dolby-pictogram op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic II actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
• Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals
Surround-functie activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
Subwoofer activeren/deactiveren
2. Ga naar AUDIO-INSTELLINGEN en druk
op ENTER.
•
•
3. Ga naar Surround FM/AM/CD/AUX en
druk op ENTER.
•
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar AUDIO-INSTELLINGEN en druk
op ENTER.
Ga naar Subwoofer en druk op ENTER.
4. Ga naar Pro Logic II 4, 3-kanaals of Uit
en druk op ENTER.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 235
10 Infotainment
Audiofuncties
Equalizer vóór/achter 5
AUTOM. VOLUMEREGELING 6
Optimale geluidsweergave
Met de equalizer kunt u de niveaus voor de
verschillende frequentiebanden ieder apart
instellen.
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen: Laag, Medium en
Hoog.
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Equalizer bijregelen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar AUDIO-INSTELLINGEN en druk
op ENTER.
3. Ga naar Equalizer voor of Equalizer
achter en druk op ENTER.
4. De balken op het display geven het
geluidsniveau van de verschillende frequenties aan.
5. Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
6. Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
5
6
Automatische volumeregeling instellen
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar AUDIO-INSTELLINGEN en druk
op ENTER.
3. Ga naar AUTOM. VOLUMEREGELING
en druk op ENTER.
4. Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
Automatische geluidsregeling
10
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals BAS, TREBLE
en Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
De akoestische eigenschappen van het interieur veranderen bij een toename van de rijsnelheid of bij het openen van de hardtop. Voor
optimale geluidsweergave wordt de geluidsregeling daarom automatisch afgestemd op de
situatie. Voor optimale geluidsweergave wordt
de geluidsregeling daarom geheel automatisch
afgestemd op de situatie.
Bepaalde systeemuitvoeringen.
Uitgezonderd Performance Sound.
235
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 236
10 Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
Zenders zoeken
Voorkeurzenders vastleggen
Automatisch zenders zoeken
10
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Druk kort op
of
.
Handmatig zenders zoeken
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
G019806
2. Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
FM/AM – Frequentieband kiezen
Voorkeurtoetsen
TUNING – Draaiknop voor het zoeken van
zenders
SCAN – Scannen
Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
EXIT – Lopende functie annuleren
AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
236
Het is ook mogelijk een zender vast te leggen
door lang op
of
te drukken. U kunt daarvoor ook de toetsenset op het stuurwiel gebruiken:
±
Houd
of
van de navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het
display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door
of
kort
in te drukken.
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1
en FM2. U kiest een voorkeurzender met de
voorkeurtoetsen (2) of met de toetsenset op het
stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
1. Stem af op een zender.
2. Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is met name handig in gebieden, waar
u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
1. Kies de frequentieband met AM/FM (1).
2. Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan… op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan… van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de melding Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver-
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 237
10 Infotainment
Radiofuncties
volgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen (2).
> De radio verlaat de automatische stand
waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Automatische vastlegfunctie beëindigen
±
Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
2. Druk op een voorkeurtoets (2).
> De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de toetsen AUTO (7),
EXIT (6) of AM/FM (1) korte tijd indrukt.
Scannen
De functie SCAN (4) doorzoekt een frequentieband automatisch op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
1. Kies de frequentieband met AM/FM.
2. Druk op SCAN om de functie te activeren.
> De tekst SCAN verschijnt op het display. Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
zender als voorkeurzender vastleggen.
2. Druk op een voorkeurtoets.
3. Druk op de voorkeurtoets waaraan u de
voorkeurzender wilt koppelen en houd de
toets ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
Radio Data System – RDS verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender
in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde
informatie, zodat een RDS-radio onder meer
de volgende mogelijkheden biedt:
•
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
•
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
•
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Scan-functie activeren/deactiveren
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders in andere
geheugenbank opslaan
1. Druk kort op de toets AUTO (7).
> De tekst Auto verschijnt op het display.
RDS-functies
±
Druk op een voorkeurtoets en houd deze
ingedrukt, totdat de melding Zender
opgeslagen op het display verschijnt.
> De scanfunctie wordt beëindigd,
waarna u de vastgelegde zender als
voorkeurzender kunt gebruiken.
10
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken.
Als er een zender met het gewenste programmatype is gevonden, kan de radio vervolgens
op deze zender overschakelen en de weergave
van de actieve geluidsbron onderbreken. Als
de cd-speler bijvoorbeeld actief is, wordt de
weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De
uitzending met het gekozen programmatype
wordt weergegeven op een vooraf bepaald
volume (zie pagina 240). Na afloop van de uitzending van het gekozen programmatype
``
237
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 238
10 Infotainment
Radiofuncties
Zie EON en REG op zie pagina 239 voor meer
informatie over het onderbreken van uitzendingen. U kunt van programmafunctie veranderen
via het menusysteem (zie pagina 230).
Weergave van onderbroken geluidsbron
hervatten
Druk op EXIT om de weergave van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
238
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De melding TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display.
6. Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
TP activeren/deactiveren
2. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar TP en druk op ENTER.
2. Ga naar TP en druk op ENTER.
4. Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het RDS-netwerk
van de zender waarop is afgestemd. De melding NEWS geeft aan dat de functie actief is.
G021221
De programmafuncties alarm ( ALARM), verkeersinformatie ( TP), nieuws ( NEWS) en programmatype ( PTY) worden in volgorde van
belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat
alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste.
Verkeersinformatie, TP
G021220
10
geeft de radio de voorgaande geluidsbron
opnieuw weer op het volume dat u daarvoor
had ingesteld.
3. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
Nieuws activeren/deactiveren
4. Ga naar TP en druk op ENTER.
2. Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
5. Ga naar TP-ZENDER en druk op ENTER.
> Een van de meldingen TP van deze
zender of TP van alle zenders verschijnt op het display.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuit-
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 239
10 Infotainment
Radiofuncties
zending via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
1. Kies een FM-zender.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
4. Ga naar NIEUWSZENDER en druk op
ENTER.
> Een van de meldingen Nieuws van
deze zender. of Nieuws van alle
zenders verschijnt op het display.
5. Druk op ENTER.
Programmatype, PTY
G021222
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Pop en Klassieke
muziek. Het symbool PTY geeft aan
dat de functie actief is. Bij activering van deze
functie wordt de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een uitzending
van het gekozen programmatype via het RDSnetwerk van de zender waarop is afgestemd.
PTY activeren/deactiveren
1. Kies FM1 of FM2 met FM/AM.
4. Ga naar PTY SELECTEREN en druk op
ENTER.
> Er verschijnt een lijst met programmatypes: Actualiteit, Informatie enz. U
activeert de functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de
functie door alle PTY’s te wissen.
5. U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY’s wissen..
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
PTY zoeken
Weergave activeren/deactiveren
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen van
het gekozen programmatype.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
1. Activeer de functie PTY.
10
2. Ga naar PTY en druk op ENTER.
3. Ga naar PTY weergeven en druk op
ENTER.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
Radiotekst
4. Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het
display worden weergegeven.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt >|
om te zoeken op het display. Met een druk op
van de navigatieknop wordt verder gezocht
naar een andere uitzending van een van de
gekozen programmatypes.
Radiotekst activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar PTY en druk op ENTER.
``
239
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 240
10 Infotainment
Radiofuncties
Automatische afstemfunctie, AF
10
Bij activering van functie AF wordt er automatisch afgestemd op het sterkste signaal voor
een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst PI zoeken
EXIT is annuleren op het display.
AF activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
3. Ga naar AF en druk op ENTER.
3. Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
RDS-functies resetten
EON (Enhanced Other Networks)
Met de functie Reset alles... kunt u alle
fabrieksinstellingen voor RDS herstellen.
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
• Afstand 1 – Ook onderbreking als de zendRegionale radioprogramma’s, REG
G021223
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is. De tekst REG op het
display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken uitgeschakeld.
REG activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
1
240
Fabrieksinst.
mast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
3. Ga naar EON en druk op ENTER.
4. Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar GEAVANC. RADIOINSTELLINGEN en druk op ENTER.
3. Ga naar Reset alles en druk op ENTER.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is
gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume
opgeslagen voor een volgende onderbreking.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 241
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
G019807
Weergave starten (cd-wisselaar*)
Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, track selecteren en navigeren in menusysteem
Positie in cd-wisselaar kiezen*
Cd aanbrengen en uitwerpen
Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Schakel als dat niet het geval is over op de
cd-wisselaarstand met MODE en selecteer
een cd met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de
pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
Cd aanbrengen
1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1–
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
> Op het display staat aangegeven welke
sleuf leeg is. De melding Disc
plaatsen geeft aan dat u een volgende
cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar
biedt plaats aan 6 cd’s.
MODE – Geluidsbron selecteren (CD of
AUX*)
2. Breng een cd aan in de cd-wisselaar.
TUNING – Draaiknop voor het kiezen van
een track
U hebt ca. 12 seconden de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
Cd uitwerpen
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerpknop
u één enkele cd uitwerpen.
10
kunt
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst Werp uit alles.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Muziekbestanden*
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 242
10 Infotainment
Cd-functies
10
Navigeren en afspelen
Cd doorzoeken
Als er een disc met muziekbestanden in de cdspeler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
weergeven. U navigeert op dezelfde manier in
de mapstructuur als in de menustructuur van
het audiosysteem. Muziekbestanden worden
aangeduid met het symbool
en mappen
. Met een druk op ENTER gaat het
met
afspelen van de muziekbestanden van start.
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van de track/
het muziekbestand op de cd voort te zetten.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het muziekbestand in zijn
geheel weer te geven.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de tracks/
muziekbestanden op een cd doornemen. Door
lang op dezelfde toetsen te drukken kunt u
tracks/muziekbestanden op een cd versneld
vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor ook
gebruik maken van TUNING (of van de toetsenset op het stuurwiel).
242
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige
afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
• RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld
• RND ALL houdt in dat alle tracks op alle
muziek-cd’s in de cd-speler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de
muziekbestanden in een willekeurige map
op de gekozen cd worden afgespeeld.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Map of Disc en druk op ENTER.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
1. Druk op MENU en daarna op ENTER.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 243
10 Infotainment
Cd-functies
2. Ga naar Random en druk op ENTER.
3. Ga naar Enkele disc of Map en druk op
ENTER.
10
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de functie gedeactiveerd.
Tekst disc
Eventuele trackinformatie op de muziek-cd kan
via het display worden weergegeven 1.
Activeren/deactiveren
1. Start de weergave van een cd.
2. Druk op MENU en daarna op ENTER.
3. Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
1
Geldt voor de cd-wisselaar
243
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 244
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
Overzicht
10
FM-menu
1. AUX-volume
1. Nieuws
2. Nieuws
2. TP
3. TP
3. PTY
4. Audio-instellingen*
4. Radiotekst
5. Geavanc. radio-instellingen
6. Audio-instellingen*
AM-menu
1. Audio-instellingen*
CD-menu
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Tekst disc
5. Audio-instellingen*
Menu cd-wisselaar
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Tekst disc
5. Audio-instellingen*
244
AUX-menu
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 245
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Overzicht – onderdelen van het telefoonsysteem
2
3
10
4
1
5
G019841
6
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 246
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
1. Antenne
2. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset kunt u de meeste functies
van het telefoonsysteem regelen (zie
pagina 247).
3. Microfoon
Laat reparatiewerkzaamheden aan het
telefoonsysteem over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
Noodoproep doen
4. Bedieningspaneel op middenconsole
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
5. Privacy-handset
6. Simkaartlezer
Algemene informatie
•
•
De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
•
Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
•
Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Simkaart
Noodoproepen
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel
geïntegreerd.
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies
van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
246
•
1. Activeer het telefoonsysteem.
G020244
Onderdelen van het telefoonsysteem
3. Druk op ENTER.
IDIS
Met het IDIS-systeem (Intelligent Driver
Information System) kunt u een vertraging
inbouwen voor telefoongesprekken en smsberichten, zodat u zich op het rijden kunt concentreren. Inkomende gesprekken en smsberichten kunnen 5 seconden worden
vertraagd, voordat er verbinding tot stand
wordt gebracht. De gemiste gesprekken verschijnen op het display. IDIS kan worden uitgeschakeld met menufunctie 5.5 (zie
pagina 253).
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). Kaarten zijn verkrijgbaar bij verschillende providers. Neem bij
problemen met de simkaart contact op met de
netwerkprovider.
N.B.
De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt
echter wel. Neem contact op met uw netwerkprovider om na te gaan of u van simkaart moet veranderen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 247
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Twee simkaarten
Verkeersveiligheid
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
Simkaart aanbrengen
1. Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
Bediening telefoon
Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
ENTER – Gesprek aannemen. Met een
druk op de toets ziet u de laatst gekozen
nummers
10
PHONE – Aan/uit en stand-by
Toetsenset op stuurwiel
2. Trek de simkaarthouder uit de simkaartlezer (zie afbeelding op pagina 246).
3. Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de simkaarthouder.
Menufuncties
Op pagina 253 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – Het achtergrondvolume van de
radio e.d. regelen tijdens een gesprek
Cijfer- en lettertoetsen
MENU – Hoofdmenu openen
EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren,
ingevoerde tekens wissen
G020243
G019809
4. Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de
toetsen wilt gebruiken om instellingen in het
audiosysteem te verrichten, moet u eerst de
telefoon standby zetten.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 248
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
ENTER – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
10
EXIT – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
Gesprekken aannemen
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem te
beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk
zelf te bellen.
Zie menu-optie 4.3 zie pagina 253 voor het
automatisch aannemen.
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
±
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
standby staat, staat er een hoorn op het display. Als u de contactsleutel naar stand 0 draait
terwijl het telefoonsysteem actief is of stand-by
staat, zal het telefoonsysteem de volgende
keer dat u de contactsleutel naar stand I of II
draait, opnieuw actief zijn of stand-by staan.
Activeren vanuit stand-by
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
1. Druk op PHONE.
2. Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
Telefoonsysteem deactiveren
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd is
kunt u geen gesprekken beantwoorden.
±
Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon gedeactiveerd is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
±
Telefoon stand-by zetten
Aan/uit
Telefoonsysteem activeren
248
standby
±
Druk op PHONE.
Druk op PHONE.
Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
±
Druk op EXIT of leg de handset op.
Gesprekken weigeren
±
Druk op EXIT.
Wisselgesprek
Gespreksfuncties
Als de handset is opgenomen bij het begin van
een telefoongesprek, zal het geluid via de
handsfree worden weergegeven. Voor het wisselen tussen handset en handsfree (zie
pagina 251).
Bellen
1. Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 251).
3. Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt de tekst
Antwoorden?.. U kunt het tweede gesprek op
de gebruikelijke manier weigeren of aannemen.
Als u het tweede gesprek aanneemt, wordt het
eerste gesprek in de wacht gezet.
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Wacht of Wacht uit en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
1. Zet het eerste gesprek in de wacht.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 249
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
2. Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
1. Druk op MENU of op ENTER.
2. Ga naar Swap en druk op ENTER.
Conferentiegesprek starten
Bij een conferentiegesprek kunnen minstens
drie gesprekspartners met elkaar praten. Wanneer een conferentiegesprek eenmaal gestart
is, kunnen er geen nieuwe gesprekspartners
worden aangesloten. Bij het afsluiten van een
conferentiegesprek worden alle lopende
gesprekken beëindigd.
1. Begin twee telefoongesprekken.
Bij gebruik van de handset kunt u het
gespreksvolume regelen met een draaiknop op
de zijkant van de handset.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na
afloop van het gesprek speelt het audiosysteem op het oude volume verder. Als u het
volume van het audiosysteem bijregelt tijdens
het gesprek, speelt het audiosysteem na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder. Het is ook mogelijk om het geluid van
het audiosysteem bij telefoongesprekken
automatisch uit te zetten (zie menu 5.4.3 op
pagina 255). De functie geldt alleen voor het
geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
2. Druk op MENU of op ENTER.
3. Ga naar Koppelen en druk op ENTER.
Tekst invoeren
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
1. Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
2. Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u op * drukken of enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
Knop
10
Functie
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
abc2äåàæç
def3èé
ghi4ì
jkl5
mno6ñöòØ
pqrs7ß
tuv8üù
wxyz9
Kort indrukken om twee tekens
op dezelfde toets na elkaar in te
voeren.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
249
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 250
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Knop
10
Functie
3. Ga naar Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
+0@*#&$£/%
4. Voer een naam in en druk op ENTER.
wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
6. Ga naar SIM-kaart of Telefoon en druk op
ENTER.
4. Ga naar SIM naar telefoon of Telefoon
naar SIM en druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit
telefoonboek
1. Druk op MENU.
Nummerfuncties
Contactgegevens zoeken in
telefoonboek
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
Laatst gekozen nummers
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets
MENU, gaat u rechtstreeks naar het menu
Zoeken.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
1. Druk op ENTER.
2. Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display. Contactgegevens kunnen
op de simkaart en in het telefoongeheugen
worden vastgelegd.
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
250
5. Voer een nummer in en druk op ENTER.
3. Ga naar Alles kopie en druk op ENTER.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
5. Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
6. Ga naar Wissen en druk op ENTER.
3. Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
Alle posten wissen
4. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
1. Druk op MENU.
5. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Kopiëren tussen simkaart en
telefoonboek
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
3. Ga naar SIM wissen of Wis telefoon en
druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 251
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
One-key dial
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
N.B.
Na inschakeling van de telefoon duurt het
enkele seconden, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
3. Ga naar One-key bell en druk op
ENTER.
4. Ga naar Nummer kiezen en druk op
ENTER.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
One-key dial in het menu Telefoonboek (zie
pagina 255) geactiveerd zijn.
Bellen via telefoonboek
1. Druk op MENU.
N.B.
Houd de gewenste letter/toets van de toetsenset ca. 2 seconden ingedrukt om het
telefoonboek bij de bijbehorende letter te
openen.
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies zijn
alleen te activeren als een gesprek in de wacht
staat.
Druk op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
6. Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
2. Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
> Alle posten in het telefoonboek worden
weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een
deel van de naam van de post in te voeren die u zoekt.
2. Wacht/Wacht uit – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten.
7. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
3. Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
3. Handsfree/Handset – Handsfree of
handset gebruiken.
5. Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
8. Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Verkort kiezen
±
Druk kort op de voorkeurtoets van uw
keuze en daarna op de toets ENTER.
10
1. Mute/Mute uit – Ruggespraakstand.
4. Telefoonboek – Telefoonboek bekijken.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
5. Koppelen – Telefonische vergadering
voeren (mogelijk bij aansluiting van minimaal drie partijen).
6. Swap – Wisselen tussen twee gesprekken
(mogelijk bij aansluiting van maximaal drie
partijen).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 252
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Sms (Short Message Service)
10
Sms lezen
1. Druk op MENU.
2. Ga naar Berichten en druk op ENTER.
3. Ga naar Lezen en druk op ENTER.
4. Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
> De inhoud van het bericht verschijnt op
het display. Wanneer u nogmaals op
ENTER drukt, verschijnen meer opties.
Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het goed.
Specificaties
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
250 A
Ja
2. Ga naar Berichten en druk op ENTER.
Sms (Short Message Service)
3. Ga naar Opstellen en druk op ENTER.
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
Schrijven en verzenden
1. Druk op MENU.
4. Schrijf de tekst en druk op ENTER.
5. Ga naar Verzenden en druk op ENTER.
6. Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
A
Het aantal geheugenposities op de simkaart verschilt per
simkaart.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 253
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
Hoofdmenu
1.
One-key bell
4.6.3.
Niet beantw.
Logboek
2.4.1.
Actief
4.6.4.
Niet bereikb.
1.1.
Gem. oproep
2.4.2.
Nummer kiezen
4.6.5.
Faxoproepen
1.2.
Ontvangen oproepen
2.5.
SIM wissen
4.6.6.
Data-gesprek
1.3.
Gebeld
2.6.
Wis telefoon
4.6.7.
Alles annul.
1.4.
Wis bellijst
2.7.
Geheugengebr.
1.5.
2.
2.4.
1.4.1.
Allemaal
1.4.2.
Gemist
3.1.
Lezen
1.4.3.
Ontvangen
3.2.
Invoeren
1.4.4.
Gebeld
3.3.
Inst. boodsch.
3.
1.5.1.
Laatste gespr.
1.5.2.
Gespreksteller
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
4.
Inst. tel.
5.1.
Berichten
Belduur
5.
10
5.2.
Netwerk
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handm. kiezen
SIM beveil.
3.3.1.
SMSC nummer
5.2.1.
Aan
3.3.2.
Geldigh.duur
5.2.2.
Uit
3.3.3.
Soort boodsch.
5.2.3.
Automatisch
Belopties
5.3.
PIN-code wijzigen
5.4.
Geluiden
4.1.
Nummer verz.
Telefoonboek
4.2.
Oproep wacht
5.4.1.
Belvolume
2.1.
Nieuwe invoer
4.3.
Autom. antw.
5.4.2.
Belsignaal
2.2.
Zoeken
4.4.
Automatisch herkiezen
5.4.3.
Radio mute
2.3.
Alles kopie
4.5.
Nummer voicemail
5.4.4.
Berichttoon
2.3.1.
SIM naar telefoon
4.6.
Doorschakelen
5.5.
IDIS
2.3.2.
Telefoon naar SIM
4.6.1.
Allemaal
5.6
Fabrieksinst.
4.6.2.
Indien bezet
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 254
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
10
Beschrijving van menu-opties
1.5.2.
Gespreksteller
2.7. Geheugengebr.
1. Logboek
1.5.3.
Totale tijd
1.1. Gemist
1.5.4.
Reset timers
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek opslaan.
2. Telefoonboek
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100 (250)).
1.2. Ontvangen oproepen
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
1.4.1.
Alles
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Uitgaande
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Zie menu 1.5.4 voor het resetten van
de gesprekstellers.
1.5.1.
254
Laatste gespr.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2.1. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek (zie pagina 250).
2.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
2.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
2.3.1.
Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
2.3.2.
Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart.
3. Berichten
3.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
3.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
3.3. Bericht inst.
2.5. SIM wissen
Het nummer (SMSC nummer) van de berichtencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen voor de berichtencentrale. U hoeft de instellingen normaal
gesproken niet te wijzigen.
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
3.3.1.
SMSC nummer
2.6. Wis telefoon
3.3.2.
Geldigh.duur
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.3.3.
Soort boodschap
2.4. Sneltoetsfunctie
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 255
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon*
4. Gespreksopties
4.6.4.
Niet bereikb.
4.1. Nummer verz.
4.6.5.
Faxoproepen
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde persoon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.6.6.
Data-gesprek
4.6.7.
Alles annul.
4.2. Oproep wacht
5.1. Netwerk
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
4.4. Autom. herh.
Automatisch een eerder gekozen nummer bellen.
5. Telefooninstellingen
5.1.1.
Auto
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2. SIM beveil.
Het nummer van voicemail opslaan.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
4.6. Doorschakel.
5.2.1.
Aan
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
5.2.2.
Uit
5.2.3.
Automatisch
4.6.1.
5.3. Code bewerk.
4.5. Nummer voicemail
Alle gespr. (de instelling geldt alleen tijdens het lopende gesprek)
4.6.2.
Indien bezet
4.6.3.
Niet beantw.
5.3.2.
Telefooncode. De fabrieksinstelling
voor de telefooncode is 1234 geldt
zolang u de code niet hebt gewijzigd.
10
5.4. Geluiden
5.4.1.
Volume. Het volume van het belsignaal
regelen.
5.4.2.
Belsignaal. Uit zeven verschillende
belsignalen kiezen.
5.4.3.
Radio mute. On/off
5.4.4.
Berichttoon
5.5. IDIS
Als u de functie IDIS uitschakelt, worden inkomende gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging doorgegeven.
5.5. Fabrieksinst.
De fabrieksinstellingen van het systeem herstellen.
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar ze goed.
5.3.1.
PIN-code
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
255
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 256
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Algemene informatie
te bedienen of de telefoon nu aangesloten is of
niet.
10
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Voor informatie over de
telefoons die compatibel zijn kunt u terecht
bij de erkende Volvo-werkplaats en
www.volvocars.com.
G029503
Menu’s en bedieningstoetsen
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Middenconsole
BluetoothTM
Een mobiele telefoon met BluetoothTM is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit in de plafondconsole (2). De
mobiele telefoon is altijd via de telefoontoetsen
256
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole (3) (zie pagina 247).
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties (zie
pagina 253).
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
geeft aan dat de handsfreesymbool
functie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
> De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weergegeven.
3. Kies Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons ver-
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 257
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
schijnen met hun BluetoothTM-naam op
het display. De handsfree-functie verschijnt onder de BluetoothTM-naam My
Car op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
telefoon
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2. Zoek met de BluetoothTM-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3. Kies My Car in de lijst met gevonden eenheden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregistreerd en automatisch aangesloten op het
1
audiosysteem, terwijl de melding
Synchroniseert op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobiele telefoons (zie pagina 259).
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de BluetoothTM-naam op het display. U kunt de mobiele telefoon vervolgens bedienen via het audiosysteem.
Bellen
1. Controleer of de melding TELEFOON
boven aan het display staat en of het symbool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 259).
3. Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losgekoppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting (zie pagina 259).
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door PHONE lang in te drukken. De handsfreefunctie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor of het openen van een
portier 1.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon.
10
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Autom. antw.
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beantwoorden. Activeer/deactiveer de functie onder
Hoofdmenu INSTELLINGEN TELEFOON
Gespreksopties Autom. antw..
Geldt voor auto’s met Keyless drive.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 258
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Ink.gesprekken
Audio-instellingen
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
Gespreksvolume
audiosysteem uitschakelen.
U kunt het gespreksvolume bijregelen wanneer
de handsfree-functie in de telefoonstand staat.
Maak gebruik van de toetsenset op het stuurwiel of van VOLUME.
Gesprek naar mobiel – Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon.
Volume audiosysteem
• Microfoon gedempt – Microfoon van het
•
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volkomen normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aansluiten.
• Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
2
258
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zolang er geen telefoongesprek wordt
gevoerd, kunt u het volume van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze bijregelen met
VOLUME. Om het volume van het audiosysteem echter tijdens een lopend telefoongesprek bij te regelen moet u eerst overschakelen
op een van de geluidsbronnen.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder Hoofdmenu
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME Radio mute.
Belvolume
Ga naar Hoofdmenu INSTELLINGEN
TELEFOON GELUID EN VOLUME
Belvolume en stel bij met
/
van de navigatietoets.
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
Hoofdmenu INSTELLINGEN TELEFOON
GELUID EN VOLUME BELTONEN
Beltoon 1, 2, 3 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar.
Ga om de beltonen 2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Hoofdmenu
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME BELTONEN Gebruik signaal
mob. tel..
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 259
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
Meer informatie over registratie en
aansluiting
2. Druk op PHONE en kies een van de telefoons in de lijst.
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons worden geregistreerd. U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te registreren. Wanneer
een mobiele telefoon eenmaal geregistreerd is,
hoeft deze niet langer zichtbaar/identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is mogelijk de
registratie van een telefoon te verwijderen
onder Bluetooth-menu BLUETOOTH
Verwijder telefoon.
Aansluiting is ook mogelijk via het menusysteem onder Bluetooth-menu
BLUETOOTH Sluit telefoon aan of
Telefoon wijzigen.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt overschakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
1. Zet het audiosysteem in de telefoonstand.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregistreerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audiosysteem gekopieerd. U kunt de functie deactiveren onder INSTELLINGEN TELEFOON
Telefoonboek synchr.. Bij het zoeken van
contacten werkt u alleen met het telefoonboek
van de aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
10
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
/
van de navigatietoets of met
/
van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu
van het telefoonboek onder Telefoonboek
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
INSTELLINGEN TELEFOON
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 260
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
Gespreksopties Nummer voicemail. Als
er nog geen nummer opgeslagen is, kunt u het
bijbehorende menu openen door lang op 1 te
drukken. Druk vervolgens lang op 1 om het
ingevoerde nummer te gebruiken.
Menusysteem, Bluetooth
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder Gesprekslijst.
1.
Gemist
2.
Ontvangen oproepen
3.
Gemaakte oproepen
4.
Telefoonboek
5.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volgorde weergegeven.
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 249).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/
van de navigatietoets om de verschillende tekens te doorlopen.
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6.
4.1.
Zoeken
4.2.
Kopiëren van telefoon
Bluetooth...
5.1.
Telefoon wijzigen
5.2.
Sluit telefoon aan
5.3.
Telefoon uitschakelen
5.4.
Aansluiten vanaf mobiele telefoon
INSTELLINGEN TELEFOON
6.1.
Gespreksopties
6.1.1.
Automatisch beantwoorden
6.1.2.
Nummer voicemail
6.2.
GELUID EN VOLUME
6.3.
IDIS
6.4.
Telefoonboek synchr.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 261
10 Infotainment
10
261
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 262
Type-aanduiding...................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Katalysator............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
262
264
266
268
270
274
276
280
281
283
G000000
C70; 7; 3
evastarck
C70; 7; 3
evastarck
SPECIFICATIES
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 263
11
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 264
11 Specificaties
Type-aanduiding
G032086
11
264
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 265
11 Specificaties
Type-aanduiding
Wanneer u contact opneemt met de erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben.
Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbare gewichten, kleurcodes
voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
11
Sticker voor standverwarming
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor
Sticker voor motorolie
Type-aanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
handgeschakelde versnellingsbak
automatische versnellingsbak
VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
265
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 266
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
G017402
11
Positie op
afbeel
ding
Maten
(mm)
Positie op
afbeel
ding
Maten
(mm)
Positie op
afbeel
ding
Maten
(mm)
A
Wielbasis
2640
E1
Hoogte
1400
H
Breedte
1770
B
Lengte
4582
E2
Hoogte
ca. 2000
I
2025
C
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
850
F
Spoorbreedte vooras
1550
Breedte incl. buitenspiegels
G
Spoorbreedte achteras
1836
D
266
Kofferdeksel,
geopend
ca. 200
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 267
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Geremde aanhanger
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires
zoals een trekhaak alsmede de kogeldruk
ervan (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel))
zijn van invloed op het laadvermogen en zijn
niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = totaalgewicht rijklaar gewicht.
Max. kogeldruk
(kg)
1500
75
11
Ongeremde aanhanger
Max. aanhangergewicht (kg)
Max. kogeldruk
(kg)
700
50
G016008
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Max. aanhangergewicht (kg)
Voor de positie van de sticker (zie pagina 264).
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto+aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 75 kg.
267
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 268
11 Specificaties
Motorspecificaties
Overzicht
11
2.4
2.4i
T5
Motoraanduiding
B5244S5
B5244S4
B5254T7
Vermogen (kW bij omw/min)
103/5000
125/6000
169/5000
Vermogen (pk bij omw/min)
140/5000
170/6000
230/5000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
220/4000
230/4400
320/1500–5000
Aantal cilinders
5
5
5
Cilinderboring (mm)
83
83
83
Slaglengte (mm)
90,0
90,0
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,44
2,44
2,52
10,3:1
10,3:1
9,0:1
Compressieverhouding
2.0D
Motoraanduiding
D5244T9
A
D5
D5
D5244T8
D5244T13
Vermogen (kW bij omw/
min)
100/4000
120/4000
132/4000
132/4000
Vermogen (pk bij omw/min)
136/4000
163/4000
180/4000
180/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/
min)
320/2000
340/1750–3000
350/1750–3250
400/2000–2750
4
5
5
5
Aantal cilinders
268
D4204T
D5
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 269
11 Specificaties
Motorspecificaties
2.0D
D5
D5
D5
85
81
81
81
Slaglengte (mm)
88,0
93,2
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,00
2,40
2,40
2,40
18,5:1
17,3:1
17,3:1
17,3:1
Cilinderboring (mm)
Compressieverhouding
A
11
België
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 264).
269
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 270
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Viscositeitsdiagram
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
270
G020236
11
•
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 271
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Motoroliekwaliteit
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
Hoeveelheid A
(liter)
MIN en MAX (liter)
11
B5244S5
1,3
5,8
2.4iB
B5244S4
1,3
5,8
T5B
B5254T7
1,3
5,8
G032080
2.4 B
Positie van oliesticker in motorruimte (zie
pagina 207).
Oliekwaliteit: ACEA A3/B3/B4
Viscositeit: SAE 0W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
B
Inclusief hoeveelheid in filter
Geldt niet voor Europa, voor Europa zie olie ACEA A5/B5
``
271
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 272
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
Hoeveelheid A
(liter)
MIN en MAX (liter)
D5
11
D5244T8
1,5
6
2,0
5,5
D5244T9
D5244T13
G032079
2.0D
Positie van oliesticker in motorruimte (zie
pagina 207).
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
A
272
Inclusief hoeveelheid in filter
D4204T
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 273
11 Specificaties
Motorolie
Motoroliekwaliteit
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
Hoeveelheid A
(liter)
G032078
MIN en MAX (liter)
2.4
B5244S5 B
1,3
5,5
2.4i
B5244S4 B
1,3
5,5
T5
B5254T7 B
1,3
5,5
D5
D5244T8
1,5
6
11
D5244T9
(Alleen België)
Positie van oliesticker in motorruimte (zie
pagina 207).
D5244T13
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
A
B
Inclusief hoeveelheid in filter
Geldt alleen voor Europa, voor de overige markten zie olie ACEA A3/B3/B4
273
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 274
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Overzicht
BELANGRIJK
11
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar vermengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service, als
er een andere oliesoort werd gebruikt.
Versnellingsbakolie
Systeem
274
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
2.4 Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
Versnellingsbakolie: MTF 97309
2.4i Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
Versnellingsbakolie: MTF 97309
T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak
2,0
Versnellingsbakolie: MTF 97309
T5 Automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
2.0D Handgeschakelde zesversnellingsbak
1,7
Versnellingsbakolie: BOT 130
2.0D Automatische versnellingsbak
5,6
Versnellingsbakolie: BOT 341
D5 automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 275
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistoffen
Vloeistof
Systeem
Koelvloeistof
5-cil., handgeschakelde versnellingsbak
9,5
5-cil. automatische versnellingsbak
10,0
4-cil. diesel
9,5
Airconditioning B
A
B
-
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water A (zie verpakking). Thermostaat
opent bij 90 ºC
11
180–200 gram
Compressorolie PAG
500–600 gram
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof
-
0,6
DOT 4+
Stuurbekrachtiging
-
1,0–1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A of
een soortgelijk product met dezelfde specificaties
Ruitensproeiervloeistof
5 cil. Benzine/Diesel
6,5
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo aanbevolen antivries aangelengd met water te gebruiken.
Brandstoftank
Zie de tabel onder Verbruik, uitstoot
en tankinhoud.
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
275
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 276
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
Versnellingsbak
Uitstoot van kooldioxide (CO2) (g/km)
Tankinhoud
(liter)
2.4
B5244S5
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
ca. 62
2.4
B5244S5
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,6
229
ca. 62
2.4i
B5244S4
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56H)
9,0
215
ca. 62
2.4i
B5244S4
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,6
229
ca. 62
T5
B5254T7
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
9,1
217
ca. 62
T5
B5254T7
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,8
234
ca. 62
D5
D5244T8
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
7,4
196
ca. 60
D5
D5244T9
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
7,3
193
ca. 60
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
6,6
174
ca. 60
11
(Alleen België)
D5
276
Verbruik
(liter/100 km)
D5244T13
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 277
11 Specificaties
Brandstof
Motor
2.0D
Versnellingsbak
D4204T (EURO3)
(EURO4)
2.0D
D4204T (EURO3)
(EURO4)
Verbruik
(liter/100 km)
Uitstoot van kooldioxide (CO2) (g/km)
Tankinhoud
(liter)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (MMT6)
6,1
161
ca. 52
Automatische versnellingsbak (MPS6)
6,3
167
ca. 52
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268 comb.
Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de
rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Bij gebruik van brandstof met een octaangetal
van 91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Mocht u toch brandstof in de ogen krijgen,
neem dan eventuele contactlenzen uit en
spoel de ogen ten minste 15 minuten lang
met een ruime hoeveelheid schoon water en
roep medische hulp in.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
11
BELANGRIJK
Het gebruik van andere brandstoffen dan
Volvo adviseert voor de verschillende
motortypes kan aanleiding geven tot motorschade en slechtere prestaties.
Bij het gebruik van andere brandstoffen vervallen tevens de Volvo-garanties en eventuele aanvullende onderhoudsovereenkomsten.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NEN-EN
228. De meeste motoren kunnen op benzine
met een octaangetal van 91, 95 en 98 (RON)
lopen.
``
277
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 278
11 Specificaties
Brandstof
•
11
91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4 cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
•
95 (RON) is te gebruiken in de normale rijomstandigheden.
•
98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
•
•
•
1
278
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorkomen.
Giet nooit alcohol bij de benzine, omdat
het brandstofsysteem daardoor schade
kan oplopen en de Volvo-garantie vervalt.
Giet geen additieven (dopes) in de benzine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Dieselolie
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204.
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen. De grote
oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie
is dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II staat voordat u een nieuwe
startpoging doet.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 279
11 Specificaties
Brandstof
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie
kan het brandstofverbruik ietwat stijgen.
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
Roetfilter (DPF)
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de
uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
Gebruik bij koud weer de standverwarming*,
zodat de motor sneller op temperatuur komt.
11
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje informatiesymbool op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
GEBR. HANDL. op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden totdat de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Rijd vervolgens nog ca. 20
minuten verder.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de melding automatisch.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot 20
minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
C70; 7; 3
evastarck
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
11
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
280
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 280
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 281
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Accu
Spanning
4- en 5-cil. benzine
Koudestartcapaciteit (SAE)
Reservecapaciteit (RC)
Capaciteit (Ah)
A
B
4- en 5-cil. benzine
590 A
600 A
4- en 5-cil. diesel
A
700 A
11
B
100 min.
120 min.
135 min.
60
70
80
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
Auto’s met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
Dimlicht
55
H7
Groot licht
55
H9
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
P21W
Richtingaanwijzers voor/achter
21
PY21W
Achterlichten/parkeerlichten en sidemarkers,
achter
4
P21/5W
Instapverlichting, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting
5
C5W
``
281
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 282
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen (W)
Soort
1,2
Buislampje
Stadslichten/parkeerlichten vóór, sidemarkers
vóór
5
W5W
Mistlampen
55
H8
Verlichting dashboardkastje
3
Buislampje
Make-upspiegel*
11
282
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 283
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land en gebied
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte afstandsbedieningssysteem
in overeenstemming
is met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
Certificering Keyless drive
Hierbij verklaart Siemens VDO Automotive
A.G. dat de uitrusting van het type 5WK48952,
5WK48956, 5WK48812 in overeenstemming is
met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/EG.
11
Delphi 15-07-2003,
Duitsland RLPD1-03-0151
BR
TW
ETC093LPD0155
283
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 284
12 Alfabetisch register
A
12
Aanhanger................................................ 166
kabel................................................... 168
Afstandsbediening................................... 118
batterij vervangen............................... 127
functies............................................... 118
programmeerbaar................................. 77
Aanrijding
crash mode........................................... 33
Afstandsbedieningssysteem, typegoedkeuring..................................................... 283
Aanstekeropening
voorstoel............................................... 55
Afstemfunctie, automatische................... 240
ABS, storing in het ABS..................... 50, 151
AC
elektronische klimaatregeling............... 86
Accu......................................................... 213
onderhoud.................................. 205, 213
overbelasting...................................... 139
specificaties........................................ 281
starten met hulpaccu.......................... 165
symbolen op de accu......................... 213
Achterbank
instap.................................................... 96
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 118
Achteruitkijkspiegel.................................... 70
autodimfunctie...................................... 70
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
automatisch in-/uitklappen............. 73, 75
AF, automatische afstemfunctie.............. 240
284
Airbag........................................................
activeren/deactiveren, PACOS.............
bestuurders- en passagierszijde..........
deactiveren/activeren...........................
20
23
21
23
Alarmsysteem testen............................... 134
Antennelocatie, Keyless drive.................. 126
Approach-verlichting................................. 73
instellen................................................. 76
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 232
AUTO
klimaatinstelling.................................... 84
voorkeurzenders vastleggen.............. 236
Autobekleding.......................................... 198
AUTOM. KLIMAAT..................................... 84
Airconditioning
algemene informatie............................. 82
ECC...................................................... 84
Automatische hervergrendeling............... 129
Alarm........................................................
activeren.............................................
alarmindicatie.....................................
alarmsysteem testen..........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
beperkt alarmniveau...........................
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
uitschakelen........................................
verkeersmelding RDS.........................
Automatische vergrendeling.................... 130
132
132
132
134
133
133
133
132
132
238
Alarmlichten............................................... 66
Automatische schakelblokkering deactiveren............................................................ 149
Automatische versnellingsbak
aanhanger................................... 166, 167
handmatig schakelen (Geartronic)...... 147
slepen en bergen................................ 162
Automatische volumeregeling................. 235
Automatische wasstraten........................ 196
Automatisch starten................................. 142
Auto wassen............................................ 196
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 285
12 Alfabetisch register
B
Banden
algemene informatie........................... 178
bandenreparatie................................. 190
draairichting........................................ 181
onderhoud.......................................... 178
rijeigenschappen................................ 178
slijtage-indicator................................. 179
snelheidsaanduidingen....................... 178
spanning..................................... 182, 183
specificaties........................................ 178
winterbanden...................................... 181
Batterij
batterij in afstandsbediening.............. 127
Bedieningspaneel op bestuurdersportier........................................................ 46, 68
Bellen............................................... 248, 257
Benzinekwaliteit....................................... 277
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 196
Beslagen ruiten
ontwasemen................................... 82, 86
timerfunctie........................................... 85
Blaasmonden............................................. 83
BLIS, Blind Spot Information System 73, 158
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 158
C
Blokkering achteruitversnelling
vijfversnellingsbak.............................. 145
zesversnellingsbak (benzine).............. 145
Cd-functies.............................................. 241
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 258
handsfree............................................ 256
microfoon dempen............................. 258
Condens aan binnenkant lampglazen..... 196
Boordcomputer.......................................... 59
Botsing, zie Aanrijding............................... 33
Cd’s
opbergvak........................................... 110
Contactsleutels........................................ 143
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 209
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 208
12
Cruisecontrol............................................. 63
Brandstof
brandstofbesparing............................ 182
brandstofverbruik, aanduiding.............. 59
niveaulampje......................................... 50
standverwarming.................................. 89
tanken................................................. 140
D
Buitenafmetingen..................................... 266
Diesel, voorgloeifunctie............................. 50
Buitenspiegels........................................... 72
Dieselolie.................................................. 278
Buitenspiegels resetten............................. 73
Display, meldingen.................................... 53
Dashboardkastje...................................... 109
Vergrendelen...................................... 120
Displayverlichting....................................... 57
Dolby Surround Pro Logic II............ 230, 234
Doorluchtfunctie...................................... 128
Doorsteekluik........................................... 114
Doorwaaddiepte...................................... 138
285
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 286
12 Alfabetisch register
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 153
lampje................................................... 50
E
ECO-bandenspanning............................. 182
tabel.................................................... 182
Foutmeldingen......................................... 101
Gesprekken weigeren.............................. 248
Gevarendriehoek..................................... 185
Gewichten
rijklaar gewicht.................................... 267
Gloeilampen
vervangen........................................... 215
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 68
Geartronic................................................ 147
Gloeilampen, zie Verlichting............ 215, 281
Elektrisch bedienbare stoel....................... 97
Geluiden
audio-instellingen....................... 232, 234
geluidsbron......................................... 232
volume................................................ 232
Gordelwaarschuwing................................. 17
Elektrisch bedienbare zijruiten
passagiersplaats................................... 69
Elektrische aansluiting
kofferbak............................................. 114
middenconsole..................................... 55
Elektrische verwarming
achterruit............................................... 86
buitenspiegels................................. 73, 86
voorstoelen........................................... 86
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 258
telefoon....................................... 249, 258
telefoon/mediaspeler.......................... 258
Gereedschap........................................... 185
Gesprek in de wacht zetten..................... 248
Elektronische startblokkering.................. 118
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 248, 251
gebruik........................................ 248, 257
Equalizer.................................................. 235
Extra verwarming....................................... 92
Groot licht
grootlichtsignalen................................. 58
Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............ 56
Grootlichtsignalen...................................... 58
Guard beperkt
instellingen............................................ 75
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 59
Elektrisch systeem................................... 281
EON, Enhanced Other Networks............. 240
286
Follow-Me-Home-verlichting............... 58, 73
instellen................................................. 76
inkomende.......................................... 257
telefoonvolume................................... 249
G
EHBO-set................................................. 187
12
F
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 145
slepen en bergen................................ 162
Handmatig schakelen (Geartronic).......... 148
Handrem.............................................. 51, 67
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 287
12 Alfabetisch register
Hardtop
afdekking............................................ 100
bediening.............................................. 99
foutmeldingen..................................... 101
openen en sluiten............................... 100
tijdelijk afdekken................................. 102
Instrumentenpaneel................................... 47
Kinderzitje.................................................. 34
Instrumentenverlichting............................. 57
Kledinghaak............................................. 109
Interieurfilter....................................... 82, 279
Kleurcode, lak.......................................... 200
Interieurverlichting, zie Verlichting........... 105
Klimaat
persoonlijke instellingen....................... 75
Hogedruksproeiers koplampen................. 61
Intervalstand.............................................. 61
HomeLinkŸ EU.......................................... 77
iPod, aansluiting...................................... 233
I
Interior Air Quality System, ECC................ 85
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 38
12
Knipperlichten............................................ 58
K
IMEI-nummer........................................... 252
In de was zetten....................................... 197
Katalysator............................................... 280
bergen................................................. 162
Informatiedisplay....................................... 53
Keuzehendelblokkering................... 148, 149
Infotainment
menufuncties...................................... 230
Keyless drive............................ 124, 144, 283
auto starten......................................... 144
Instap
achterbank............................................ 96
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 148
Instellen, klok............................................. 75
Kinderen.....................................................
kinderzitjes en SIPS-airbags.................
plaats in de auto, tabel.........................
positie in de auto..................................
veiligheid...............................................
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 42
auto met stuur rechts........................... 44
Klimaatregeling
algemene informatie............................. 82
Knalgas.................................................... 165
IDIS – Intelligent Driver Information System........................................................... 246
Instellingen van de auto............................. 75
Klimaatinstelling
AUTOM................................................. 84
Koelsysteem............................................ 138
34
26
35
34
34
Koelvloeistof............................................ 209
Kofferbak.................................................
bagagewand.......................................
doorsteekluik......................................
elektrische aansluiting........................
Load Assist.........................................
verankeringsogen...............................
112
112
114
114
112
113
Kofferdeksel
rijden met een geopend kofferdeksel. 138
vergrendelen/ontgrendelen................ 128
Kompas...................................................... 70
kalibreren.............................................. 70
zone instellen........................................ 70
287
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 288
12 Alfabetisch register
12
Koplampen................................................ 56
Leeslampjes, zie Verlichting.................... 105
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 211
Lekke band, zie Banden.................. 185, 188
Koudemiddel.............................................. 82
Koude start.............................................. 149
automatische versnellingsbak............ 149
Lichtbundel aanpassen............................ 175
Bi-XenonŸ-koplampen....................... 175
Halogeenkoplampen........................... 175
Krik........................................................... 185
Lopende gesprekken, functies................ 251
Luchtverdeling........................................... 88
ECC...................................................... 86
L
Lading vervoeren
algemene informatie...........................
doorsteekluik......................................
laadvermogen.....................................
verankeringsogen...............................
174
114
174
113
Lagetonenluidspreker.............................. 234
Lak
kleurcode............................................ 200
schade en herstel............................... 200
Lambdasonde.......................................... 280
Lamphouder
verwijderen......................................... 218
Lampjes................................................... 154
Lampjes en displaymeldingen
standverwarming.................................. 90
288
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 198
M
Meldingen op informatiedisplay................. 53
Meldingen voor BLIS............................... 160
snelheidsmeter..................................... 47
toerenteller............................................ 47
Mistlichten
achter.................................................... 57
Mistlichten, aan/uit.................................... 57
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 259
handsfree............................................ 256
telefoon registreren............................. 256
Motorolie.......................................... 208, 270
filter..................................................... 207
hoeveelheden..................................... 270
oliedruk................................................. 51
oliekwaliteit......................................... 270
ongunstige rijomstandigheden........... 270
Menufuncties
audiosysteem..................................... 230
Motorruimte............................................. 206
koelvloeistof........................................ 209
stuurbekrachtigingsvloeistof............... 211
Menustructuur........................................... 75
Motorspecificaties................................... 268
Menusysteem
mediaspeler........................................ 244
telefoon, menu-opties......................... 254
telefoon, overzicht.............................. 253
Motor starten........................................... 142
Keyless drive.............................. 124, 144
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 47
buitentemperatuurmeter....................... 47
dagteller................................................ 47
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 289
12 Alfabetisch register
N
P
R
NEWS...................................................... 238
PACOS....................................................... 23
Noodoproepen......................................... 246
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 23
Radio
afstemfunctie......................................
EON....................................................
NEWS.................................................
programmatypes................................
radio-instellingen................................
radiozenders.......................................
REG....................................................
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 185
O
Olie, zie ook Motorolie..................... 208, 270
Onderhoud............................................... 205
onderhoud.......................................... 205
roestwering......................................... 201
One-key bell............................................. 251
Ontgrendelen................................... 125, 128
instellingen............................................ 75
Op afstand openen.................................... 76
Op afstand openen, portieren.................... 76
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte....................................................... 108
Opbergvak............................................... 108
cd’s.................................................... 110
Opblaasgordijnen...................................... 28
Openen, motorkap................................... 206
Park Assist............................................... 155
sensoren voor Park Assist.................. 156
Parkeerrem................................................ 67
Persoonlijke instellingen............................
Approach-verlichting............................
auto is op slot, lampje..........................
autom. blower afstellen........................
automatische vergrendeling.................
Follow-Me-Home-verlichting................
ontgrendelen, portieren........................
op afstand openen................................
timer recirculatie...................................
verlichting auto is ontgrendeld.............
75
76
76
75
76
76
76
76
75
76
Poetsen.................................................... 197
240
240
238
237
236
236
240
12
Radio, zenders zoeken............................ 236
Radiotekst................................................ 239
RDS-functies............................................ 237
resetten............................................... 240
Recirculatie
ECC...................................................... 85
REG, regionale radioprogramma’s.......... 240
Regensensor.............................................. 62
Privacy locking......................................... 121
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 221
Programmatype....................................... 239
Rem- en koppelingsvloeistof................... 211
Provisorische bandenreparatie................ 190
Remlichten................................................. 57
PTY, programmatype............................... 239
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 151
noodremlichten, EBL............................ 57
parkeerrem........................................... 67
289
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 290
12 Alfabetisch register
remkrachtverhoging bij noodstops,
EBA..................................................... 152
remlichten............................................. 57
Remsysteem............................................ 151
Reservewiel.............................................. 185
compact reservewiel.................. 180, 185
Richtingaanwijzers..................................... 58
12
Rijden
in waterpartijen...................................
koelsysteem........................................
met een aanhanger.............................
nieuwe auto’s en gladde wegen.........
zuinig..................................................
138
138
166
138
138
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 267
trekgewicht......................................... 267
Sleutelblad....................................... 119, 125
vergrendelingspunten......................... 123
Safelock-functie....................................... 130
deactiveren......................................... 130
onderbreking...................................... 130
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 242
radiozenders....................................... 237
Schoonmaken
automatische wasstraten...................
auto wassen.......................................
bekleding............................................
veiligheidsgordels...............................
velgen.................................................
196
196
198
199
196
Serviceprogramma.................................. 204
Simkaart................................................... 246
Rijklaar gewicht........................................ 267
SIPS-airbag................................................ 26
Roestwering............................................. 201
SIPS-airbags.............................................. 26
Roetfilter............................................ 53, 279
Sleepoog.................................................. 163
ROETFILTER VOL.................................... 279
Slepen...................................................... 162
sleepoog............................................. 163
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 31
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 209
Ruitenwissers............................................. 61
regensensor.......................................... 62
290
S
Sleutel
transpondersleutel.............................. 118
vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel........................................... 124
Sleutelloos starten (Keyless drive)........... 124
Sloten
Vergrendelen...................................... 128
Smeermiddelen........................................ 274
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 274
Sms.......................................................... 252
lezen................................................... 252
schrijven.............................................. 252
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
70
72
73
72
70
Sproeiers
koplampen............................................ 61
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 209
voorruit.................................................. 61
SRS-AIRBAG............................................. 20
SRS-systeem............................................. 20
algemene informatie............................. 20
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 153
Stand-by, telefoon................................... 248
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 291
12 Alfabetisch register
Standverwarming
accu en brandstof.................................
algemene informatie.............................
lampjes en displaymeldingen...............
op een helling parkeren........................
tijd instellen...........................................
89
89
90
89
91
Startblokkering................................ 118, 143
Starten met hulpaccu.............................. 165
Steenslagplekken en krassen.................. 200
Stoel
elektrisch bedienbare........................... 97
handmatig verstelling........................... 96
Stoel met geheugenfunctie........................ 98
Storingsmeldingen voor BLIS.................. 160
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 211
Stuurslot.................................................. 142
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 63
stuurwielafstelling................................. 66
toetsenset............................... 63, 65, 247
Subwoofer............................................... 234
Surround.......................................... 230, 234
Symbolen
controlesymbolen........................... 50, 51
waarschuwingssymbolen..................... 49
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling 87
140
140
140
140
Tekst disc................................................ 243
Telefoon
aan/uit.................................................
aansluiten...........................................
bediening............................................
bellen..................................................
bellen via telefoonboek.......................
gesprek beantwoorden.......................
handsfree............................................
inkomende gesprekken......................
one-key bell........................................
stand-by.............................................
tekst invoeren.....................................
telefoonboek.......................................
telefoonboek, sneltoets......................
Telefoonboek
nummerfuncties.................................. 250
Telefoonsysteem...................................... 246
T
Tanken
tankdop...............................................
tanken.................................................
tankvulklep, elektrisch openen...........
tankvulklep, handmatig openen.........
telefoon registreren............................. 256
verkeersveiligheid............................... 247
248
259
247
257
251
257
256
257
251
248
249
259
259
Timer
ECC...................................................... 85
12
Toetsensets op stuurwiel............. 63, 65, 247
Totaalgewicht.......................................... 267
TP, verkeersinformatie............................. 238
Traction Control....................................... 153
Transpondersleutel
afneembaar sleutelblad...................... 119
batterij vervangen............................... 127
Trekgewicht............................................. 267
Trekhaak..................................................
monteren............................................
specificaties........................................
verwijderen.........................................
168
170
169
172
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 168
Trillingsdemper........................................ 168
Type-aanduidingen.................................. 264
291
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 292
12 Alfabetisch register
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem................................................... 283
Ventilator
ECC...................................................... 85
Verankeringsogen.................................... 113
U
Vergrendelen............................................ 125
ontgrendelen....................................... 128
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 50
Vergrendelen/ontgrendelen..................... 128
aan de binnenzijde.............................. 129
van de buitenzijde............................... 128
USB, aansluiting...................................... 233
12
V
Veiligheid
veiligheidssystemen, tabel.................... 32
Veiligheidsgordel
gordelgeleider....................................... 18
gordelspanners..................................... 18
zwangerschap...................................... 17
Veiligheidsgordels...................................... 16
Veiligheidszitje........................................... 34
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 38
Velgen
schoonmaken..................................... 196
Ventilatie.................................................... 83
292
Verkeersinformatie................................... 238
Verlichting
Approach-verlichting............................ 73
automatische verlichting..................... 106
automatische verlichting, dimlicht........ 56
dimlicht................................................. 56
displayverlichting.................................. 57
Follow-Me-Home-verlichting.......... 58, 73
gloeilampen, specificaties.................. 281
groot licht/dimlicht.......................... 56, 58
in interieur........................................... 105
koplamphoogteverstelling.................... 56
leeslampjes......................................... 105
mistachterlicht...................................... 57
mistlichten............................................ 57
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 56
verlichtingspaneel, interieur.................. 56
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 215
achterlicht................................... 217, 218
dimlicht............................................... 216
groot licht............................................ 216
instapverlichting.................................. 219
interieurverlichting plafond................. 220
kentekenplaatverlichting..................... 219
kofferbak............................................. 220
make-upspiegel.................................. 220
mistlampen vóór................................. 218
richtingaanwijzer................................. 217
sidemarker.......................................... 217
stadslichten........................................ 217
voorzijde............................................. 215
Versneld vooruit-/achteruitspoelen.......... 242
Versnellingsbak
handgeschakelde............................... 145
Verzorging................................................ 196
Verzorging, leren bekleding..................... 198
Vlekken.................................................... 198
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 274
Vloeistoffen en oliën......................... 207, 274
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 207
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 207
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 293
12 Alfabetisch register
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
Vloermatten................................................ 97
Volume
audiosysteem.....................................
automatische volumeregeling.............
mediaspeler........................................
programmatypes................................
232
235
232
240
Voorkeurzenders vastleggen, handmatig
en automatisch........................................ 236
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 153
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 19
Water- en vuilafstotende laag.................... 73
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 198
Whiplash-letsel.......................................... 29
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 29
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 29
whiplash-letsel...................................... 29
185
179
180
188
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden..................................... 242
Windscherm............................................. 104
Winterbanden.......................................... 181
Wisserbladen........................................... 212
schoonmaken..................................... 212
vervangen, voorruit............................. 212
12
Z
Zekeringen...............................................
algemene informatie...........................
kastje in motorruimte..........................
relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte..........................................
vervangen...........................................
221
221
222
225
221
Zuinig rijden............................................. 138
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
Wielen
aanbrengen......................................... 189
demonteren........................................ 188
293
C70; 7; 3
evastarck
12 Alfabetisch register
12
294
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 294
C70; 7; 3
evastarck
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 295
Notities
295
C70; 7; 3
evastarck
Notities
296
2008-03-12T13:08:31+01:00; Page 296
C70; 6; 3
evastarck
2008-03-07T13:26:08+01:00; Page 1
VOLVO C70
Instructieboekje
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%&+&9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising