Volvo | C70 | Gebruikershandleiding | Volvo C70 2007 Gebruikershandleiding

Volvo C70 2007 Gebruikershandleiding
BESTE VOLVO-BEZITTER
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij
het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Inleiding ............................................... 6
Volvo Car Corporation en het milieu.... 7
Veiligheidsgordels ............................. 12
Airbagsysteem .................................. 15
Airbags (SRS) .................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren... 19
SIPS-airbags (zij-airbags).................. 21
Opblaasgordijn (IC-systeem)............. 23
WHIPS............................................... 24
Roll-Over Protection System (ROPS) 26
Activering van de
veiligheidssystemen .......................... 27
Crash mode....................................... 28
Kinderen en veiligheid ....................... 29
02 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Overzicht auto met stuur links ...........36
Overzicht auto met stuur rechts ........38
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier .............................40
Instrumentenpaneel ...........................41
Controle- en waarschuwingslampjes.42
Informatiedisplay ...............................46
Elektrische aansluiting .......................47
Verlichtingspaneel..............................48
Linker stuurhendel .............................50
Rechter stuurhendel ..........................52
Cruisecontrol (optie) .........................54
Toetsenset op stuurwiel (optie) ..........55
Stuurwielafstelling, alarmlichten ........56
Handrem, elektrische aansluiting.......57
Elektrisch bedienbare ruiten ..............58
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels....................................59
Persoonlijke instellingen.....................62
00 01 02
2
Inhoud
03 Klimaatregeling
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Algemene informatie over
de klimaatregeling ............................. 66
Voorstoelen ........................................76
Afstandsbediening met sleutelblad ...96
Elektrisch bedienbare hardtop...........79
Private locking ...................................99
Elektronische klimaatregeling, ECC .. 68
Luchtverdeling................................... 71
Windscherm (optie) ............................83
Windscherm (optie) ............................83
Batterij in afstandsbediening........... 101
Vergrendelen en ontgrendelen......... 102
Standverwarming op brandstof
(optie) ................................................ 72
Interieurverlichting .............................84
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte.................................................86
Kofferbak............................................90
Alarm (optie) .................................... 106
03 04 05
3
Inhoud
06 Starten en rijden
07 Wielen en banden
08 Verzorging
Algemene informatie........................ 112
Algemene informatie ....................... 146
Schoonmaken..................................168
06 07 08
Brandstof tanken ............................. 114
Bandenspanning ............................. 150
Lakschade herstellen.......................171
Motor starten................................... 115
Roetfilter dieselmotor (DPF) ............ 116
Gevarendriehoek en reservewiel ..... 152
Wielen verwisselen.......................... 154
Roestwering.....................................172
Contact- en stuurslot........................117
Handgeschakelde versnellingsbak .. 118
Provisorische bandenreparatie ....... 156
Automatische versnellingsbak......... 120
Remsysteem.................................... 123
Stabiliteits- en tractieregelsysteem . 125
Parkeerhulp (optie)........................... 127
Slepen en bergen ............................ 129
Starten met hulpaccu ...................... 131
Rijden met een aanhanger............... 132
Trekhaak .......................................... 134
Afneembare trekhaak ...................... 136
Lading vervoeren ............................. 141
Lichtbundel aanpassen ................... 142
4
Inhoud
09 Onderhoud en service
10 Infotainment
11 Technische gegevens
Volvo Service ...................................176
Algemene informatie ........................204
Onderhoud ...................................... 177
Audiofuncties ...................................205
Typeaanduidingen ........................... 228
Maten en gewichten ........................ 229
Motorkap en motorruimte ............... 178
Dieselolie ......................................... 179
Radiofuncties ...................................207
Cd-functies ......................................211
Motorspecificaties ........................... 230
Motorolie.......................................... 231
Oliën en vloeistoffen........................ 180
Wisserbladen................................... 185
Menusysteem, audiosysteem ..........213
Telefoonfuncties (optie) ....................214
Vloeistoffen en smeermiddelen ....... 234
Brandstof......................................... 235
Accu ................................................ 186
Gloeilampen vervangen................... 188
Menusysteem, telefoon....................221
Katalysator....................................... 237
Elektrisch systeem .......................... 238
09 10 11
Zekeringen ...................................... 194
5
Inleiding
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips voor hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u
hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die de auto biedt. Besteed ook
aandacht aan de veiligheidsinstructies in het
boekje:
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het gevaar bestaat dat de auto beschadigd raakt,
als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra uitrusting) beschreven.
6
N.B.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertifi-
ceerd voor de milieunorm ISO 14001, hetgeen
tot verbeteringen op milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieuverklaring (EPI of Environmental Product Information), waarin u zelf de milieu-impact van de
verschillende modellen en motoren gedurende
de totale levenscyclus kunt vergelijken.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu op pagina 9.
7
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Schone lucht in passagiersruimte
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
de uitlaatgasemissies ver onder de geldende
normen.
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1, een
speciale laag die schadelijk laaghangend ozon
kan omzetten in zuivere zuurstof wanneer het
ozon langs de radiateur stroomt. Hoeveel
ozon er wordt omgezet hangt af van het ozongehalte van de buitenlucht.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS2 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als
het gehalte aan schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
1 Optie
op vijfcilindermotoren.
PremAir ® is een gedeponeerd handelsmerk
van de Engelhard Corporation.
8
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk zijn voor de gezondheid en allergische
reacties kunnen veroorzaken. Dit betekent dat
2 Optie
alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm Öko-Tex 1003 – een enorme stap op
weg naar een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte garens en stoffen. De leren
bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid
met plantaardige stoffen en voldoen aan de
gestelde certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik van de auto en
op die manier bijdragen aan een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke
milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel
in de werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
3 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden,
milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten
te kopen en de auto te onderhouden of te laten onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
• Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden (zie pagina 150).
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belading van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de elektrische motorverwarming bij een koudestart, als de auto hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
• Rem op de motor af om
vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het milieu
zijn, zoals accu’s en olie,
op een milieuvriendelijke
manier. Neem contact op
met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of het plezier in het autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en
gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Veiligheidsgordels ..................................................................................... 12
Airbagsysteem .......................................................................................... 15
Airbags (SRS) ............................................................................................ 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren........................................................... 19
SIPS-airbags (zij-airbags)..........................................................................21
Opblaasgordijn (IC-systeem).....................................................................23
WHIPS.......................................................................................................24
Roll-Over Protection System (ROPS) ........................................................26
Activering van de
veiligheidssystemen .................................................................................. 27
Crash mode...............................................................................................28
Kinderen en veiligheid ...............................................................................29
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Draag altijd een veiligheidsgordel
Gordel losmaken:
– Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de gordel
naar binnen trekken. Als de gordel niet
volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet
langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
De veiligheidsgordel omdoen:
– Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
12
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Let erop dat:
• u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de gordel niet strak
langs uw lichaam kunt trekken
• er geen slagen in de gordel zitten en dat hij
nergens achter blijft steken
• de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts een persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats. Als de gordel zwaar
belast werd, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet de complete gordel worden vervangen. De gordel kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de gordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De nieuwe
veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en
bedoeld voor montage op dezelfde positie
als de vervangen gordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Of er geluidssignalen klinken hangt af van de snelheid. De
waarschuwingslampjes zitten in de plafondconsole en op het instrumentenpaneel. Bij
lage snelheid vallen de geluidssignalen na zes
seconden stil.
Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet
voor kinderzitjes.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
• Aangeven met een melding op het informatiedisplay welke veiligheidsgordels van de
achterbank er worden gebruikt. De melding
wordt na ca. 30 seconden automatisch gewist, maar kan ook handmatig worden bevestigd door op de knop READ te drukken.
• Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een
melding op het informatiedisplay in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje. De waarschuwing stopt
wanneer de gordel weer is omgedaan,
maar kan ook handmatig worden bevestigd
door op de knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is altijd beschikbaar. Druk op de knop READ om
de vastgelegde meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaan waarschuwingslampjes branden en er
worden geluidssignalen afgegeven wanneer
iemand de gordel niet draagt. Bij lage snelheid
vallen de geluidssignalen na zes seconden
stil.
01
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de gordel altijd op de juiste manier draagt.
De gordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het heupgedeelte van de
gordel moet vlak tegen de buitenkant van de
bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder
de buik liggen. Het mag nooit over de buik
omhoog kunnen glijden. De gordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
13
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gordelgeleider
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij
een aanrijding de veiligheidsgordel rond het
lichaam spant. De gordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
Zowel de bestuurders- als de passagiersstoel
zijn voorzien van een gordelgeleider.
De gordelgeleider is een hulpmiddel dat de
veiligheidsgordels beter bereikbaar maakt.
Neem bij het in- en uitstappen van achterpassagiers de gordel uit de gordelgeleider en
plaats deze achteraan op de gordelstang.
14
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel
01
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt
er, in die gevallen waarin dat
nodig is, een melding op het
informatiedisplay. Als het
waarschuwingslampje niet
werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en
verschijnt er SRS-AIRBAG
SERVICE VEREIST of SRSAIRBAG SERVICE SPOED op het informatiedisplay. Neem zo spoedig mogelijk contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem1
geen storingen vertoont.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvowerkplaats.
1 Omvat
SRS en gordelspanners, SIPS, DMIC
en ROPS.
15
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS, Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het
stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS
AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag (SRS, Supplemental Restraint
System). De airbag aan de passagierszijde 1
zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
16
1 Niet
alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan
de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de
vraag of de airbag besteld werd tijdens het
verkoopproces.
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd.1
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen die kleiner zijn dan
1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel
plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem
01
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstig letsel veroorzaken.
SRS-systeem, auto met stuur links
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt opgeblazen. Daarbij wordt de airbag warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts één (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van een of meerdere airbags daarop af.
17
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde in
een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires op
of in de buurt van het SRS AIRBAG-paneel
(boven het dashboardkastje) of binnen de
actieradius van de airbag.
18
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
PACOS (optie)
Activeren/deactiveren
01
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagierszijde):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch).
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk als daar
een kind in een kinderzitje moet zitten.
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen. Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert aan de contactsleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen. (U kunt
ook andere voorwerpen gebruiken die qua
vorm op een sleutel lijken.)
Aanduiding
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde is gedeactiveerd.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
19
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Stand van de schakelaar
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk
een erkende Volvo-werkplaats.
20
SRS-schakelaar in stand ON
SRS-schakelaar in stand OFF
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een verhogingskussen beslist
niet.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd. Met
de schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een verhogingskussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de werking
van de SIPS-airbags hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Positie van de SIPS-airbags.
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPSsysteem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in
de frames van de rugleuning van de voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Draag altijd een veiligheidsgordel.
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of verhogingskussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen op de voorstoel te plaatsen, als de auto
aan de passagierszijde niet is uitgerust met
een geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstig letsel veroorzaken.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
21
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags
Bestuurderszijde
Het SIPS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna de SIPS-airbag
wordt opgeblazen. De SIPS-airbag wordt vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en
het portierpaneel. Daarmee wordt de klap van
de aanrijding opgevangen, waarna de airbag
weer leegloopt. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
22
Passagierszijde
01 Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
01
Eigenschappen
Het opblaasgordijn (DMIC, Door Mounted Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de
binnenkant van het bestuurders- en het passagiersportier. Het systeem beschermt inzittenden voorin. Het opblaasgordijn wordt door
sensoren geactiveerd, als de auto in de zij
wordt aangereden of als de auto het risico
loopt te kantelen. Bij activering wordt het opblaasgordijn opgeblazen. Het systeem helpt
voorkomen dat de bestuurder en een eventuele voorpassagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Voor de activering van het opblaasgordijn
maakt het niet uit of de hardtop nu open- of
dichtstaat.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de handgrepen aan het plafond. De
haak is alleen bedoeld voor de lichtere kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
23
01 Veiligheid
01
WHIPS
Bescherming tegen whiplash-letsel,
WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij
een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
24
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten
whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid
WHIPS
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
01
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren in een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk
intact is.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van achteren.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
25
01 Veiligheid
01
Roll-Over Protection System (ROPS)
Functie
WAARSCHUWING
Verricht geen werkzaamheden aan het
ROPS-systeem.
Leg geen voorwerpen boven op het ROPSsysteem of achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers.
Rolbeugels in uitgeschoven stand
Het ROPS-systeem bestaat uit sensoren en
stevige rolbeugels die achter de hoofdsteunen
voor de achterpassagiers zitten. Wanneer de
auto het risico loopt te kantelen of met voldoende kracht aan de achterkant wordt geraakt, registreren de sensoren dit, waarna de
rolbeugels achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers omhoogkomen. Het maakt
voor de activering van de rolbeugels niet uit of
de hardtop geopend of gesloten is.
Neem altijd contact op met een erkende
Volvo-werkplaats, als het ROPS-systeem geactiveerd werd.
26
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing1.
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijnen (DMIC)
Bij een aanrijding in de zij1.
WHIPS-systeem
Bij aanrijdingen van achteren.
Roll-Over Protection System (ROPS)
Bij kantelen en/of een aanrijding van achteren.
01
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Na activering van de airbags adviseren wij u
het volgende:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet in een auto met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, DMIC- en ROPS-systemen
alsmede de gordelspanners worden bij een
botsing slechts eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
27
01 Veiligheid
01
Crash mode
Rijden na een aanrijding
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de
motor te starten.
Haal de contactsleutel uit het contact en steek
hem er opnieuw in. De elektronica van de auto
probeert te resetten naar de normale stand.
Probeer vervolgens de auto te starten. Als
CRASH MODE nog op het display staat, mag
u niet met de auto rijden en hem niet verslepen. Verborgen schade kan de auto tijdens
het rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de tekst CRASH MODE ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit
van de auto is verminderd. CRASH MODE is
een veiligheidsfunctie die in werking treedt
wanneer de aanrijding een belangrijke functie
in de auto, bijvoorbeeld brandstofleidingen,
sensoren voor één van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag geen brandstofgeur
aanwezig zijn.
28
Als de melding NORMAL MODE wordt weergegeven nadat de CRASH MODE is gereset,
mag de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie worden verreden. Verrijd de
auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING
Probeer nooit zelf de auto te repareren of de
elektronische onderdelen te resetten nadat
de auto in de CRASH MODE heeft gestaan.
Dit kan aanleiding geven tot letsel of een
slechte functie van de auto. Laat de auto altijd in een erkende Volvo-werkplaats controleren en naar de NORMAL MODE
resetten nadat CRASH MODE is verschenen.
WAARSCHUWING
Probeer onder geen beding de auto opnieuw te starten, als u brandstof ruikt terwijl
de melding CRASH MODE wordt weergegeven. Verlaat de auto onmiddellijk.
WAARSCHUWING
De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de CRASH MODE staat. De
auto moet van zijn huidige plaats worden
vervoerd naar een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
01
Kinderzitjes en airbags
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en
de lengte van het kind (zie pagina 31 voor
meer informatie).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/verhogingskussen op de
passagiersstoel, mits de airbag aan de passagierszijde is gedeactiveerd1.
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
1
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde is geactiveerd1.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
Positie van airbagsticker in voorportieropening
aan passagierszijde
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd1
is. Het niet opvolgen van de deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Zie pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Sticker op zijwand dashboard.
30
Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië).
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel1
Buitenste zitplaats achterbank
<10 kg
(tot 9 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
L2: Typegoedk. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun, extra
bevestigingsband en bevestigingsogen.3
L2: Typegoedk. E5 03135
9–18 kg
(9–36 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het dashboard.
L2: Typegoedk. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steun, extra
bevestigingsband en bevestigingsogen.3
L2: Typegoedk. E5 03135
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
L2: Typegoedk. E5 03139
Of: Gordelkussen met of zonder rugleuning.
L2: Typegoedk. E5 03139
1
Zie pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
2L:
Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een
bepaald merk auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
3
Neem contact op met een erkende Volvo-dealer om de bevestigingspunten te laten aanbrengen die nodig zijn om een achterstevoren
gemonteerd kinderzitje op de achterbank te kunnen gebuiken.
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is
geactiveerd1.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.1
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
1Zie
pagina 19 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van belang dat u de bijgeleverde montage-instructies
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
• Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of aan
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
• Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde
of auto’s waarvan de passagiersairbag is
gedeactiveerd.
32
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel
als de auto is uitgerust met een geactiveerde1 airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
1Zie pagina 19 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIXbevestigingssysteem voor kinderzitjes. Neem
contact op met uw erkende Volvo-dealer voor
meer informatie over veiligheidsuitrusting voor
kinderen.
33
Overzicht auto met stuur links ..................................................................36
Overzicht auto met stuur rechts................................................................38
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier ....................................................................................40
Instrumentenpaneel .................................................................................. 41
Controle- en waarschuwingslampjes ........................................................42
Informatiedisplay....................................................................................... 46
Elektrische aansluiting ..............................................................................47
Verlichtingspaneel .....................................................................................48
Linker stuurhendel.....................................................................................50
Rechter stuurhendel.................................................................................. 52
Cruisecontrol (optie) .................................................................................54
Toetsenset op stuurwiel (optie)..................................................................55
Stuurwielafstelling, alarmlichten................................................................56
Handrem, elektrische aansluiting..............................................................57
Elektrisch bedienbare ruiten .....................................................................58
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels ...........................................................................................59
Persoonlijke instellingen............................................................................ 62
34
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
02
36
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
1. Stuurwielafstelling
2. Openingshandgreep, motorkap
3. Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
4. Stuurhendel, links
5. Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
6. Portierhandgreep en vergrendelingsknop
7. Controlelampje, vergrendeling
8. Blaasmond, dashboard
9. Blaasmond, zijruit
10. Toetsenset stuurwiel, links
11. Claxon en airbag
12. Instrumentenpaneel
13. Toetsenset stuurwiel, rechts
14. Stuurhendel, rechts
15. Contactslot
16. Achteruitkijkspiegel
17. Gordelwaarschuwing
18. Schakelaar, interieurverlichting links
19. Schakelaar, alarmsensoren en Safelock-functie
20. Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
21. Schakelaar, ingebouwd accessoire
22. Schakelaar, interieurverlichting rechts
23. Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
24. Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
27. Portierhandgreep en vergrendelingsknop
28. Dashboardkastje
29. Versnellingspook (handbak)/keuzehendel (automaat)
02
30. Handrem
31. Elektrische aansluiting en aansteker
32. Schakelaar, bediening hardtop
25. Klimaatregeling
26. Controlelampje, alarmlichten
37
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
02
38
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
1. Schakelaar, bediening hardtop
2. Elektrische aansluiting en aansteker
3. Handrem
4. Bedieningspaneel, ruiten en buitenspiegels
5. Dashboardkastje
6. Portierhandgreep en vergrendelingsknop
7. Controlelampje, vergrendeling
8. Blaasmond, zijruit
9. Blaasmond, dashboard
10. Klimaatregeling
11. Bediening, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
12. Display, auto-instellingen/geluidsinstallatie e.d.
13. Schakelaar, interieurverlichting links
14. Schakelaar, alarmsensoren en Safelock-functie
15. Schakelaar, automatische bediening interieurverlichting
16. Schakelaar, ingebouwd accessoire
17. Schakelaar, interieurverlichting rechts
18. Gordelwaarschuwing
19. Achteruitkijkspiegel
20. Contactslot
21. Stuurhendel, links
22. Toetsenset stuurwiel, links
23. Instrumentenpaneel
24. Claxon en airbag
27. Portierhandgreep en vergrendelingsknop
28. Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep
29. Stuurhendel, rechts
02
30. Openingshandgreep, motorkap
31. Hendel, stuurwielafstelling
32. Versnellingspook (handbak)/keuzehendel (automaat)
25. Toetsenset stuurwiel, rechts
26. Controlelampje, alarmlichten
39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier
02
1. Elektrisch bedienbare ruiten, alle ruiten
omlaag/omhoog
2. Elektrisch bedienbare ruiten
3. Buitenspiegel, linkerzijde
4. Buitenspiegels, instelling
5. Buitenspiegel, rechterzijde
40
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
1.
2.
3.
4.
Snelheidsmeter.
Richtingaanwijzer, links.
Waarschuwingslampje.
Informatiedisplay – Op het display verschijnen informatieve teksten en waarschuwingsmeldingen, de
buitentemperatuur en de tijd. Wanneer
de temperatuur tussen –5 °C en +2 °C
ligt, verschijnt er een sneeuwvlokje op
het display. Het lampje wijst op het
gevaar voor gladheid. Als de auto heeft
stilgestaan, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeven.
5. Informatielampje.
6. Richtingaanwijzer, rechts.
7. Toerenteller – Geeft het motortoerental
aan in duizenden toeren per minuut.
8. Controle- en informatielampjes.
9. Brandstofmeter.
10. Knop voor de dagteller – Wordt gebruikt
om korte afstanden te meten. Door kort
op de knop te drukken, kunt u van
dagteller T1 en T2 wisselen. Als u de
knop lang indrukt (meer dan
2 seconden), gaat de geactiveerde dagteller op nul.
11. Display – Geeft de schakelstanden van
de automatische versnellingsbak, regensensor, kilometerteller, dagteller en cruisecontrol aan.
12. Grootlichtindicatie.
13. Knop voor de klok – Draai aan de knop
om de tijd in te stellen.
14. Temperatuurmeter – De temperatuurmeter van het koelsysteem van de motor.
Op het display verschijnt een melding,
als de temperatuur abnormaal hoog is
en de naald tot in het rode gebied
uitslaat. Let erop dat bijvoorbeeld extra
koplampen voor de luchtinlaat bij een
hoge buitentemperatuur en een zware
belasting van de motor het koelvermogen verminderen.
15. Controle- en waarschuwingslampjes.
41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
02
Alle controle- en waarschuwingslampjes1
gaan branden wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking van de lampjes wordt dan gecontroleerd.
Alle lampjes moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen
vijf seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit, behalve het lampje
voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem van de auto
en dat voor een lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat bepaalde lampjes
geen functie hebben.
Lampjes in het midden van het instrumentenpaneel
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een
storing is geregistreerd die van
invloed kan zijn op de veiligheid
en/of de rijeigenschappen van
de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekst op het informatiedisplay. Het
waarschuwingslampje brandt en de tekst is
zichtbaar totdat de storing is verholpen.
Het waarschuwingslampje kan ook gaan branden in combinatie met andere lampjes.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 180).
42
– Lees de informatie op het informatiedisplay.
– Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als er een afwijking is in één van
de systemen in de auto, gaat het
oranje informatielampje branden en verschijnt er tekst op het
display. U verwijdert de melding
met behulp van de knop READ (zie
pagina 46). Dit gebeurt automatisch als u twee
minuten niets doet.
– Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
N.B.
Wanneer de tekst TIJD VOOR
REG. SERVICE verschijnt, kunt u het waarschuwingslampje laten doven en de tekst
verwijderen met een druk op knop READ.
Dit gebeurt automatisch als u twee minuten
niets doet.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes – linkerzijde
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Als het lampje echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvowerkplaats rijden om het ABS-systeem te
laten controleren.
7. Laag peil in brandstoftank
Wanneer dit lampje gaat branden, zit er bij benzinemodellen
nog ca. 8 liter en bij dieselmodellen nog ca. 7 liter brandstof in
de tank.
02
3. Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
4. Stabiliteitssysteem STC of DSTC
1. Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Zie pagina 125 voor informatie
over de functies en lampjes van
het systeem.
5. Geen functie
6. Voorgloeifunctie motor (diesel)
2. Storing in ABS
Als het lampje brandt, werkt het
systeem niet. Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABSregeling.
Het lampje brandt als de motor
wordt voorverwarmd. De voorverwarming start als de temperatuur lager wordt dan –2 °C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, rechterzijde
02
5. Gordelwaarschuwing
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
3. Airbags – SRS
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in
het SRS-, SIPS- of IC-systeem
geregistreerd. Rijd de auto zo
snel mogelijk naar een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren.
4. Te lage oliedruk
1. Controlelampje voor aanhanger
Het lampje knippert, wanneer u
de richtingaanwijzers op de auto
en de aanhanger gebruikt. Als
het lampje niet knippert, is een
van de lampen op de auto of de
aanhanger defect.
1
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het
motoroliepeil. Vul zo nodig olie
bij. Als het lampje oplicht terwijl het oliepeil in
orde is, moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats.
2. Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal
de handremhendel bij het aantrekken altijd volledig omhoog.
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 180).
44
Het lampje brandt als de bestuurder of de voorpassagier
geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de
gordel heeft losgenomen.
6. Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
gaat branden, is er sprake van
een storing in het elektrisch systeem. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
7. Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het
remvloeistofpeil mogelijk te laag.
–Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer het peil in
het remvloeistofreservoir. Zie pagina 183.
Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te laten controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
– Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
– Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren (zie pagina 183).
– Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden om
het remsysteem te laten controleren.
– Als het peil lager is dan het MIN-streepje
van het remvloeistofreservoir dient u niet
verder te rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te laten controleren.
Waarschuwing, portieren niet
gesloten
Als een van de portieren, de motorkap1 of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid
van maximaal 7 km/h rijdt, gaat
het informatielampje branden en
verschijnt een van de volgende
meldingen op het display:
BESTUURDERSPORTIER OPEN,
PASSAGIERSPORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en sluit het portier
dat of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van
de meldingen uit de vorige alinea op het display weergegeven.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
02
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel open is,
gaat het informatielampje branden en op het display verschijnt
ACHTERKLEP OPEN.
1 Alleen
auto’s met alarm
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Meldingen
02
Wanneer een waarschuwings- of controlelampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay.
– Druk op de knop READ (1).
Blader met de knop READ de meldingen
door. Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd totdat u de onderliggende storing hebt
laten verhelpen.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt gebruikt, moet u de melding lezen (druk op de
knop READ) voordat u de eerdere activiteit
kunt hervatten.
Melding
Betekenis
STOP AUTO Z.S.M.
ZET MOTOR UIT
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
TIJD VOOR REG. SERVICE
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto op veilige wijze tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Lees het instructieboekje.
Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de
afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste servicebeurt is verstreken en het aantal
draaiuren van de motor.
Controleer het oliepeil. De melding verschijnt om de 10.000 km (bepaalde motoren). Zie pagina 181
voor informatie over het controleren van het oliepeil.
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 116).
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 126 voor meer
varianten).
CONTROLEER OLIEPEIL
ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING
DSTC SPIN CONTROL UIT
46
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
12V-aansluiting
Aansteker (optie)
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
02
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken, zoals een mobiele
telefoon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via
de aansluiting afnemen. De contactsleutel
moet ten minste in stand I staan, anders geeft
de aansluiting geen stroom.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U kunt
dat voorkomen door de koplamphoogte bij te
stellen.
02
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar
een van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen1 zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten vóór
en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
1 Optie
48
Koplampen
Automatisch dimlicht (bepaalde
landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (2) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische dimlicht zo nodig in een erkende Volvowerkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (2) helemaal rechtsom te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 50).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (2) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Uitgebreide displayverlichting
Om de afleesbaarheid te verhogen van de kilometerteller, dagteller, klok en buitentemperatuurmeter, springt de verlichting van deze
displayfuncties korte tijd aan bij het ontgrendelen van de auto en het verwijderen van de
contactsleutel. Bij het vergrendelen van de
auto dooft de verlichting van de displayfuncties.
Mistlichten
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
02
– Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (6) branden, wanneer het mistachterlicht
ingeschakeld is.
Tankvulklep
Druk op de knop (5) om de tankvulklep te
openen, wanneer de auto onvergrendeld
staat (zie pagina 102).
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
– Druk op de knop (4).
Het lampje in de knop (4) brandt, wanneer u
de mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
02
Korte serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel vervolgens los.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel
los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de uitgangspositie.
Boordcomputer (optie)
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 48).
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel
los.
1. Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
50
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden (zie
pagina 63).
– Neem de sleutel uit het contactslot.
1 Fabrieksinstellingen.
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje draait, keert u terug naar de
uitgangspositie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ (A) te drukken
waarna u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
De boordcomputer toont de volgende informatie:
•
•
•
•
•
•
GEM. SNELHEID
HUIDIGE SNELHEID MPH1
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
Zie pagina 125 voor DSTC.
GEM. SNELHEID
Wanneer u het contact uitzet, wordt de gemiddelde snelheid vastgelegd om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de rit. U
kunt de waarde met de knop RESET (C) op
nul stellen.
HUIDIGE SNELHEID MPH1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
1 Bepaalde
landen
HUIDIG
Het huidige brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het display wordt om de paar seconden bijgewerkt.
Wanneer de auto stilstaat, geeft het display
“----” aan. Tijdens regeneratie2 van het roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen
(zie pagina 116).
GEMIDDELD
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET). Als u het contact uitzet, wordt
het gemiddelde brandstofverbruik vastgelegd. Het blijft bewaard, totdat u de functie op
nul stelt. Stel de waarde op nul met de knop
RESET (C).
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
02
Op nul stellen
– Selecteer GEM. SNELHEID of GEMIDDELD.
– Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig te resetten.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
Het bereik tot lege tank (d.w.z. de actieradius)
wordt berekend aan de hand van het gemiddelde brandstofverbruik over de laatste
30 km. Wanneer de actieradius kleiner is dan
20 km, geeft het display “----” aan.
2 Geldt
alleen voor dieselmodellen met roetfilter
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
02
Intervalstand
U kunt het aantal wisslagen per
eenheid van tijd instellen. Draai
het duimwiel (C) omhoog voor
een korter interval tussen de slagen. Draai het
omlaag om het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
A. Ruiten- en koplampsproeiers
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
BELANGRIJK
D. Geen functie
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0
staat.
Sproei een royale hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit wanneer de
ruitenwissers werken. De voorruit moet nat
zijn bij gebruik van de ruitenwissers.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog drie slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
52
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid ruitensproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden
de koplampen als volgt gesproeid:
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het
verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit, worden ook de koplampen gesproeid. Vervolgens worden de koplampen iedere vijfde
sproeibeurt van de voorruit gesproeid, zolang
er maximaal tien minuten tussen de eerste en
vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere intervallen
worden de koplampen iedere keer gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ingeschakeld met de knop op het verlichtingspaneel:
B. Regensensor, aan/uit
C. Duimwiel
Hogedruksproeiers koplampen (optie
op bepaalde markten)
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet gesproeid.
Draaiknop op verlichtingspaneel in stand 0:
• Bi-Xenonkoplampen worden slechts iedere
vijfde sproeibeurt gesproeid, ongeacht de
tijd die is verstreken.
• Halogeenkoplampen worden niet gesproeid.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Regensensor (optie)
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u de auto van het
contact hebt gezet.
02
BELANGRIJK
In automatische wasstraten: Schakel de regensensor uit door op knop (B) te drukken,
terwijl de contactsleutel in stand I of II
staat. De ruitenwissers kunnen anders in
beweging komen en daarbij beschadigd raken.
Duimwiel
De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel (C).
Draai het duimwiel rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag,
als u het duimwiel rechtsom draait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de contactsleutel in stand I of II te staan en de hendel van de ruitenwissers in stand 0.
Regensensor activeren
Druk op de knop (B). Een displaysymbool
geeft aan dat de regensensor actief is.
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen
per eenheid van tijd instellen (als u de intervalstand hebt geselecteerd) of de gevoeligheid
van de regensensor (als u de regensensor
hebt geactiveerd).
Regensensor deactiveren
Kies een van de onderstaande methoden:
– druk op de knop (B)
– haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt, blijft de regensensor actief. De wissers maken een extra slag en keren terug
naar de regensensorstand, wanneer u de
hendel laat terugveren naar stand 0.
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
– Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in het geheugen vastgelegd.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
02
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
– Druk op + of — om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE-ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger
dan 200 km/h.
54
Tijdelijk uitschakelen
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of — in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde) op + of — komt overeen met een snelheidswijziging van 1 mph of 1,6 km/h1.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
• u het rempedaal of koppelingspedaal bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan 25–
30 km/h1;
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
–Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
Uitschakelen
– Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit
te schakelen. CRUISE ON verdwijnt van
het instrumentenpaneel.
1 Afhankelijk
van het motortype.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsenset op stuurwiel (optie)
Toetsfuncties
Druk op EXIT om de instellingen van het audiosysteem te hervatten.
02
Met de vier toetsen onder aan de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de telefoon regelen. De functie van
de toetsen hangt af van het systeem dat u geactiveerd hebt. Met de toetsenset op het stuur
kunt u het volume regelen, een andere zender
of een andere track op een cd selecteren.
Houd een van de pijltoetsen ingedrukt om versneld voor- of achteruit te spoelen of een bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen voor het audiosysteem te kunnen verrichten moet de telefoon ingeschakeld
zijn. De telefoon moet zijn geactiveerd met de
knop ENTER om de telefoonfuncties met de
pijltoetsen te kunnen bedienen.
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
02
Alarmlichten
Stel het stuurwiel af, voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer
voordat u wegrijdt, of het stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd staat.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
– Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
– Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
– Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel naar terugduwen.
56
WAARSCHUWING
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem, elektrische aansluiting
Handrem (parkeerrem)
– Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
– Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat)
Elektrische aansluiting achterin
02
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Handrem lossen
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld om 12 V af te nemen. De maximale
stroomsterkte is 10 A. De contactsleutel moet
ten minste in stand I staan, anders geeft de
aansluiting geen stroom.
Aansteker (optie)
Handrem aanzetten
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
– Laat het rempedaal los en controleer of de
auto volledig stilstaat.
Druk op de aansteker om deze te activeren.
Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert
de knop automatisch uit. Gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
02
Bestuurdersportier
De ruiten komen tot stilstand als ze tijdens het
sluiten in hun beweging worden gehinderd.
De bedieningsknoppen op het passagiersportier werken op dezelfde manier als die op het
bestuurdersportier.
Handmatige bediening houdt in dat een ruit
tot stilstand komt, zodra u de bedieningsknop
loslaat. Bij automatische bediening beweegt
de ruit ook nadat u de bedieningsknop hebt
losgelaten door. Bedien de ruiten altijd onder
toezicht.
Alle ruiten tegelijk
Met knop (C) kunt u alle ruiten tegelijk openen
of sluiten. Met een korte druk op de rechterzijde van de knop worden de ruiten automatisch
geopend. Met een druk op de linkerzijde worden ze gesloten.
Zijruit openen:
– Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
– Trek het voorste deel van de knop omhoog.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in de
achterportieren goed in de gaten, wanneer
u ze met de knoppen op het bestuurdersportier sluit.
WAARSCHUWING
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u alle ruiten bedienen. Via het
bedieningspaneel op het passagiersportier
kunt u alleen de ruit in het passagiersportier
bedienen.
Na het afzetten van de motor is het mogelijk
de ruiten te bedienen zolang de portieren
dicht zijn. Als dat niet het geval is, moet u de
contactsleutel eerst naar stand I of II draaien.
EÉN ruit tegelijk
U bedient een ruit handmatig door de
knop (A of B) tot halverwege omhoog/omlaag
te duwen. U activeert de automatische bedie-
58
ning door de knop volledig omhoog/omlaag te
duwen. Alleen de voorste zijruiten zijn automatisch te sluiten.
De beveiliging tegen overbelasting van de
zijruiten werkt alleen bij automatisch sluiten,
niet bij handmatig sluiten.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door auto de
contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
Kompas kalibreren
02
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de dimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
1. Hendeltje voor dimfunctie
2. Normale stand
3. Dimstand
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Het hendeltje (1) is niet aanwezig op spiegels met autodimfunctie.
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende richtingen met Engelse afkortingen weergegeven:
N (Noord), NE (Noordoost), E (Oost), SE (Zuidoost), S (Zuid), SW (Zuidwest), W (West) en
NW (Noordwest).
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is afgesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd.
Het kompas dient te worden gekalibreerd, als
u met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
– Breng de auto op een groot en open
terrein tot stilstand en laat de motor stationair lopen.
– Houd het knopje (1) ten minste
6 seconden lang ingedrukt, waarna het
teken C verschijnt (het knopje is verzonken, zodat u bijvoorbeeld een paperclip
moet gebruiken om het in te drukken).
– Houd het knopje (1) ten minste
3 seconden ingedrukt. Het cijfer van de
huidige magnetische zone verschijnt.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
– Druk herhaaldelijk op het knopje (1) totdat
het nummer van de gewenste magnetische zone (1–15) verschijnt (zie de kaart
met de magnetische zones van het kompas).
– Wacht totdat het teken C weer op het
display verschijnt.
– Houd het knopje vervolgens 9 seconden
lang ingedrukt en kies L bij auto’s met het
stuur links en R bij auto’s met het stuur
rechts.
– Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 10 km/h, totdat er een kompasrichting op het display
verschijnt. Dit geeft aan dat de kalibratie
afgerond is.
Magnetische zones, Azië
Magnetische zones, Australië
Magnetische zones, Zuid-Amerika
Magnetische zones, Afrika
Magnetische zones, Europa
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
(optie)
Bij het parkeren of in nauwe straatjes kunt u
de buitenspiegels inklappen. Dat is mogelijk
als de contactsleutel in stand I of II staat.
Spiegels inklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn
ingeklapt.
BELANGRIJK
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning
van het bestuurdersportier. De buitenspiegels
zijn te bedienen met het contact in stand I
of II.
– Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
– U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
– Druk nogmaals op knop L of R. Het lampje
dooft.
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen. Er kunnen daarbij krassen op
het glas ontstaan. Gebruik liever de spiegelverwarming (zie pagina 70).
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- en uitklappen weer werkt.
02
– Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
– Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan
vervolgens weer in de neutrale stand.
Approach-verlichting en
Follow-Me-Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels (optie) gaan
branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting activeert.
Positie buitenspiegels vastleggen
WAARSCHUWING
De spiegel aan de bestuurderszijde is
groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
De positie van de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de afstandsbediening vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde afstandsbediening
wordt ontgrendeld, nemen de buitenspiegels
en de bestuurdersstoel de vastgelegde posities in.
Spiegels uitklappen
– Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
– Laat de knoppen los. De spiegels stoppen
automatisch, als ze volledig zijn uitgeklapt.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Mogelijke instellingen
Voor sommige functies in de auto zijn persoonlijke instellingen mogelijk. Dit geldt voor
de sloten en de klimaatregelings- en audiofuncties. Zie pagina 204 voor audiofuncties.
02
Bedieningspaneel
A. Display
B. MENU
C. EXIT
D. ENTER
E. Navigatie
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
Open het menu om instellingen te verrichten:
Bedieningspaneel
– Druk op de knop MENU (B).
– Ga bijvoorbeeld naar Instellingen van de
auto met behulp van de navigatieknop (E).
– Druk op ENTER (D).
– Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
– Activeer uw keuze met ENTER.
Menu sluiten:
– Houd de knop EXIT (C) ongeveer één seconde ingedrukt.
62
Klimaatinstellingen
Automatische blower afstellen
Op auto’s met elektronische klimaatregeling
(ECC) kunt u de ventilatorsnelheid in de stand
AUTO instellen:
– U kunt kiezen uit Laag, Normaal en Hoog.
Timer recirculatie
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in
de auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3 – 12 minuten lang gerecirculeerd.
– Selecteer Aan/Uit als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatregelingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Verlichting auto is ontgrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van de
auto laten knipperen. De opties Aan/Uit zijn
mogelijk.
Verlichting auto is vergrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers laten
knipperen. De opties Aan/Uit zijn mogelijk.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Automatische vergrendeling – portieren
Het is mogelijk de portieren en het kofferdeksel automatisch te vergrendelen bij snelheden
hoger dan 7 km/h. U hebt de keuze uit de opties Aan/Uit. Door tweemaal aan de openingshandgreep te trekken kunt u de portieren
van de binnenzijde ontgrendelen en openen.
Portieren ontgrendelen
Er bestaan twee opties voor het ontgrendelen:
• Alle portieren – beide portieren en het
kofferdeksel ontgrendelen met één druk op
de afstandsbediening.
• Bestuurdersportier eerst, dan de overige
portieren – het bestuurdersportier ontgrendelen met één druk op de afstandsbediening. Als u nog een keer drukt, worden het
passagiersportier alsmede het kofferdeksel
ontgrendeld.
Approach-verlichting op de afstandsbediening. U kunt de volgende opties selecteren:
30/60/90 seconden.
02
Follow-Me-Home-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuurhendel naar achteren trekt na het uitnemen
van de contactsleutel. U kunt de volgende opties selecteren: 30/60/90 seconden.
Informatie
• Het VIN (Vehicle Identification Number) is
het unieke identificatienummer van de auto.
• Aantal sleutels. Hier wordt het aantal sleutels weergegeven dat voor de auto geregistreerd is.
Op afstand openen (optie op bepaalde
markten)
• Alle portieren – alle portieren alsmede het
kofferdeksel tegelijkertijd ontgrendelen.
• Beide voorportieren – beide voorportieren
worden tegelijkertijd ontgrendeld.
• Eén voorportier – een van de voorportieren of het kofferdeksel (naar keuze) apart
ontgrendelen.
Approach-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet branden bij een druk op de knop voor
63
Algemene informatie over
de klimaatregeling .....................................................................................66
Elektronische klimaatregeling, ECC ..........................................................68
Luchtverdeling...........................................................................................71
Standverwarming op brandstof
(optie) ........................................................................................................ 72
64
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
ECC/Airconditioning
De auto is uitgerust met elektronische klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling regelt de
airconditioning (A/C) en zorgt ervoor dat de
lucht in het interieur wordt gekoeld, verwarmd
of van vocht wordt ontdaan.
03
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, moet u de airconditioning
echter altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een
normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Zie pagina 62 voor meer informatie over het
verrichten van instellingen.
Blaasmonden in dashboard
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het Onderhoudsprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden is het mogelijk dat u het
filter vaker moet vervangen.
N.B.
Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
A. Open
Sneeuw en ijs
Display
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
Er zit een display boven het klimaatregelingspaneel. Hier worden de door u ingevoerde klimaatinstellingen weergegeven.
Storingen opsporen en verhelpen
Persoonlijke instellingen
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
U kunt twee functies van het klimaatregelingssysteem naar wens instellen:
• De ventilatorsnelheid in de stand AUTO
(geldt alleen voor auto’s met ECC).
• Timergestuurde recirculatie van lucht in
passagiersruimte.
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer: Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
66
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen van koudemiddel alleen R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een erkende Volvo-werkplaats.
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
ECC (optie)
Condenswater
Werkelijke temperatuur
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
03
Positie van de sensoren
• De zonnesensor zit boven op het dashboard.
• De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de
klimaatregeling.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten
Voor een goede werking van de airconditioning moet u de hardtop en de zijruiten gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
67
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Bedieningspaneel
03
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
AUTO
Ventilator
Recirculatie/Interior Air Quality System
Ontwaseming
Luchtverdeling
AC ON/OFF (Aan/Uit)
Elektrische stoelverwarming, links
Elektrische stoelverwarming, rechts
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
10. Temperatuurknop
68
Functies
1. AUTO
Houdt automatisch de
ingestelde interieurtemperatuur op peil door de
verwarming, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en
de luchtverdeling af te
regelen.
Wanneer de hardtop geopend is, komt er meer
warme of koude lucht uit de onderste blaasmonden in het interieur. Het vermogen van de
klimaatregeling wordt bovendien beperkt, als
het niet mogelijk is om voor compensatie te
zorgen voor de temperatuursinvloeden buiten
de auto.
Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op
de knop AUTO (1) drukt. Op het display verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
2. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop zo ver linksom draait dat de
ventilatorindicatie op het display uitgaat,
zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display geeft het ventilatorlampje en OFF weer.
3. Recirculatie
Deze functie kan worden ingeschakeld als u vieze lucht,
uitlaatgassen en dergelijke
buiten wilt houden. De lucht
in de passagiersruimte
wordt dan gerecirculeerd. Er
komt met andere woorden
geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is. Als de lucht in de auto te
lang recirculeert, kan de binnenzijde van de
ruiten beslaan.
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de recirculatiefunctie geselecteerd is), de kans op
ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwali-
teit. Zie Persoonlijke instellingen, pagina 62
voor het in- en uitschakelen van deze functie.
N.B.
Wanneer u de ontwaseming (4) selecteert,
wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
3. Interior Air Quality System (optie)
(dezelfde knop als de recirculatie)
Het Interior Air Quality System bestaat uit een combifilter met een Air Quality Sensor. Het combifilter ontdoet
de binnenkomende lucht
van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de
passagiersruimte. Wanneer de sensor een
verhoogde concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de lucht in de passagiersruimte recirculeert. Wanneer de Air
Quality Sensor actief is, brandt het groene
lampje (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
– druk op AUTO (1) om de Air Quality Sensor te activeren (normale instelling).
Of:
– selecteer één van de volgende drie functies door verschillende malen op de recirculatieknop te drukken.
• de Air Quality Sensor is actief – de led (A)
brandt.
• de recirculatie is niet actief (tenzij dit nodig
is voor koeling bij warm weer) – geen van
de leds brandt.
• de recirculatie is actief – de led (M) brandt.
Let erop dat:
03
• U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld kunt laten staan.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U de Air Quality Sensor moet uitschakelen,
als de ruiten beslaan.
• U beter ook de ontwaseming voor de voorruit, achterruit en zijruiten kunt inschakelen,
wanneer de ruiten beslaan.
4. Ontwaseming
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijruiten snel
ontwasemen en ontdooien.
De ventilator draait dan op
hoge snelheid en stuurt
lucht naar de ruiten. Het
lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van de ontwasemingsfunctie
vindt bovendien het volgende plaats om de
lucht in het interieur zo veel mogelijk van vocht
te ontdoen:
69
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
03
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC (5));
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de ruiten, de passagiersruimte en
de vloer.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
(optie op bepaalde markten)
Doe het volgende om de
voorstoel te verwarmen:
achterruit en de buitenspiegels in. Een brandend lampje in de knop geeft aan dat de functie actief is. De verwarming van de buitenspiegels wordt na ca. 6 minuten automatisch uitgeschakeld; die van de achterruit na ca.
12 minuten.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar worden instellen.
Zie de tabel op pagina 71.
– Hoog verwarmingsniveau
Eenmaal op de knop drukken – beide
lampjes branden.
– Laag verwarmingsniveau
Een tweede keer op de knop drukken –
één lampje brandt.
– Verwarming uit
Een derde keer op de knop drukken –
geen van de lampjes brandt.
Het lampje in de knop en het display boven
het klimaatregelingspaneel geven aan welke
zijde actief is.
6. A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
Een symbool op het display boven het bedieningspaneel van de klimaatregeling en een
brandend lampje in de bijbehorende knop geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
aan. De airconditioning
wordt automatisch geregeld. De binnenkomende
lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht
ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
70
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en
de buitenspiegels snel te
ontwasemen en te ontdooien.
Met één druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde. Wanneer u de
knop nogmaals indrukt, activeert u de andere
zijde. Bij een derde keer indrukken zijn beide
zijden weer geactiveerd.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecirculeerd.
De airconditioning is altijd
ingeschakeld.
Om snel te ontdooien
en te ontwasemen.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden
in het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te
verkrijgen bij koud weer.
Lucht naar de voorruit en
de zijruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Om wasem en
ijsvorming bij koud en
vochtig weer te
voorkomen (niet voor
lage ventilatorsnelheid).
Lucht naar de vloer en uit
de blaasmonden in het
dashboard.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Luchtstroom naar de ruiten
en uit de blaasmonden van
het dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen bij
warm en droog weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het
dashboard en bij de ruiten.
Om warme lucht naar
de voeten te sturen.
Luchtstroom op hoofd- en
borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
Om een efficiënte
koeling te verkrijgen bij
warm weer.
Luchtstroom naar de
ruiten, uit de blaasmonden
in het dashboard en naar
de vloer.
Om koele lucht naar de
voeten te sturen of
warme lucht naar de
rest van het lichaam bij
koud weer of bij warm
en droog weer.
03
71
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie over
verwarmingen
03
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden instellen met TIMER AM en TIMER PM. Onder
de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan
waarop de auto op de gewenste temperatuur
is. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit wanneer de verwarming moet worden uitgeschakeld. Bij een buitentemperatuur hoger dan
25 °C wordt de verwarming niet geactiveerd.
Bij temperaturen van –10 °C en lager is de
maximale bedrijfstijd van de standverwarming
60 minuten.
WAARSCHUWING
Schakel voor het tanken de standverwarming op brandstof uit. Gemorste brandstof
kan ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
verwarming uit is. Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW AAN op
het informatiedisplay.
– Geef het tijdstip aan waarop u de auto wilt
gebruiken. Druk op RESET (C) om de uren
en minuten in te stellen.
– Houd de knop RESET (C) ingedrukt, totdat de timer is geactiveerd.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de standverwarming altijd voldoende brandstof.
Standverwarming meteen inschakelen
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de buitenlucht staan.
72
Verwarming inschakelen
Waarschuwingssticker op tankvulklep.
– Gebruik het duimwiel (B) om
naar DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
– Selecteer AAN. De verwarming zal
60 minuten lang blijven werken. De interieurverwarming gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor een temperatuur
van 30ºC heeft bereikt.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Standverwarming meteen uitschakelen
– Gebruik het duimwiel (B) om
naar DIRECTE START te gaan.
– Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies voor UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aanstaat.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt dan een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de
knop READ (A) te drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren. Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto
rijden als de verwarming aanstond. Dit om
te zorgen dat de dynamo evenveel energie
kan bijladen als de verwarming verbruikt.
TIMER AM en PM instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden voor het komende etmaal programmeren
en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
– Ga met het duimwiel naar TIMER.
– Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
– Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
– Druk kort op de knop RESET om de
instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u TIMER AM hebt ingesteld, kunt u een tweede uitschakeltijd
programmeren onder TIMER PM door aan
het duimwiel te draaien. U stelt de andere
uitschakeltijd op dezelfde manier in als bij
TIMER AM.
wanneer u bij het verlaten van de auto de sleutel uit het contact neemt.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, worden alle timerinstellingen geannuleerd.
03
Hulpverwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan hulpverwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De hulpverwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is als
de motor loopt. Deze wordt automatisch uitgeschakeld wanneer het voldoende warm is of
wanneer de motor wordt uitgezet.
Displaytekst
Wanneer u de instellingen voor TIMER AM,
TIMER PM en DIRECTE START activeert,
gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden. Op het informatiedisplay
verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Het display geeft ook aan welke timer actief is,
73
Voorstoelen ............................................................................................... 76
Elektrisch bedienbare hardtop ..................................................................79
Windscherm (optie) ...................................................................................83
Windscherm (optie) ...................................................................................83
Interieurverlichting.....................................................................................84
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte ..............................................86
Kofferbak................................................................................................... 90
74
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan de
knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoelen (optie).
Bedieningselement (2) is niet op alle stoelmodellen aanwezig.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
04
– Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning weer rechtop te zetten.
De stoel neemt dezelfde positie in als voordat
deze met de Easy entry-functie werd omgeklapt.
Elektrisch bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
– Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning te ontgrendelen.
– Klap de rugleuning zo ver naar voren toe
om dat deze wordt vergrendeld.
– Druk op de knop (2) die naast de hoofdsteun zit. Houd de knop ingedrukt.
Achterinstap, Easy entry
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
1. Vooruit/achteruit - de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of de
stoel na het afstellen in de nieuwe stand
geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
3. Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
4. Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien.
1 Geldt
76
ook voor elektrisch bedienbare stoelen.
Zorg dat de veiligheidsgordel uit de gordelgeleider wordt gehaald, voordat er achterpassagiers in of uit de auto stappen (zie pagina 14).
Gebruik Easy entry alleen, wanneer er niemand op de te verzetten stoel zit.
Handmatig bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
– Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning te ontgrendelen.
– Klap de rugleuning zo ver naar voren toe
om dat deze wordt vergrendeld.
– Laat de handgreep los en duw de stoel
naar voren.
Stoel naar achteren zetten:
– Duw de stoel in de oorspronkelijke stand
terug.
Easy entry
Stoel naar achteren zetten:
04 Interieur
Voorstoelen
– Druk op de knop (2) die op de hoofdsteun
zit. Houd de knop ingedrukt.
– Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning weer rechtop te zetten.
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie
van de stoel tegelijk activeren.
Geheugenfunctie
N.B.
Alleen wanneer de rugleuning omgeklapt is,
kan de stoel maximaal (+6 cm) naar voren
worden geschoven om achterpassagiers
makkelijker te laten in- en uitstappen.
Als u de rugleuning weer rechtop zet terwijl
de stoel zo ver mogelijk naar voren staat,
schuift de stoel na enkele seconden automatisch 6 cm naar achteren.
04
WAARSCHUWING
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen
en eraan te trekken.
Laat de veiligheidsgordel aan de passagierszijde tijdens het rijden op de gordelgeleider
zitten, ook al zit er niemand op deze stoel.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat de
mat kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Tot enige tijd nadat u het portier met de afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt geblokkeerd. Wanneer dit het geval is, dient u
het contact uit te schakelen en enige tijd te
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
Knoppen voor geheugenfunctie
Instelling vastleggen
– Stel de stoel en de buitenspiegels in.
– Houd knop M ingedrukt, terwijl u knop 1, 2
of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 1 – 3,
totdat de stoel en de buitenspiegels tot stilstand komen. Bij het loslaten van de knop zal
de instelling van de stoel onmiddellijk worden
beëindigd.
77
04 Interieur
Voorstoelen
Geheugen van transpondersleutel
De stand van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt vastgelegd, wanneer u de
auto met de transpondersleutel vergrendelt.
Een volgende keer dat de auto met dezelfde
transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen
de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de
in het sleutelgeheugen vastgelegde
standen in.
04
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om
de stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de knoppen spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
78
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Voorwaarden voor bediening hardtop
– Geen voorwerpen op de hoedenplank.
– Geen sneeuw, ijs of losse voorwerpen op
de hardtop of op het kofferdeksel.
– De hardtop is droog.
– Er is 2,0 m aan vrije hoogte (A) boven de
auto en 0,2 m van de achterbumper tot
aan obstakels achter de auto (B).
– Omgevingstemperatuur hoger dan –10 °C.
– Bagagewand dicht (zie pagina 90).
– Kofferdeksel gesloten.
– Stilstaande auto, rempedaal ingedrukt.
Als u de aanwijzingen op de volgende pagina’s niet opvolgt, is schade aan het openingsen sluitingsmechanisme van de hardtop niet
uit te sluiten.
Volvo adviseert tevens het volgende:
– Vlakke ondergrond.
– Uitvoering van de hardtopbediening in één
vloeiende beweging.
– Motor loopt stationair.
WAARSCHUWING
Tussen de bewegende delen van de hardtop of het kofferdeksel kunnen mensen (kinderen!) of voorwerpen bekneld raken.
• Bedien de hardtop daarom onder to
zicht.
• Zie de sticker op de bagagewand.
• Laat kinderen niet met de bedieningsknoppen spelen.
• Laat de hardtop niet langer dan nodig in
een tussenpositie stilstaan.
04
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
Laat een autosleutel nooit onbeheerd achter bij kinderen in de auto.
Water op de hardtop kan bij het openen van
de hardtop de kofferbak en het interieur inlopen.
79
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Afdekking
Hardtop openen en sluiten
WAARSCHUWING
04
Wanneer de hardtop openstaat is de ruimte
tussen de hoofdsteunen van de achterbank en
het kofferdeksel afgedekt met een afdekking
(zie afbeelding).
BELANGRIJK
Gebruik de afdekking niet om lading of personen op te vervoeren, omdat de afdekking
daarbij beschadigd kan raken.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
Voorkeur gaat uit om de motor te starten!
– Trap op het rempedaal.
– Houd de linker knop (1) ingedrukt om de
hardtop te sluiten of de rechter knop (2)
om de hardtop te openen.
Let tijdens het bedienen van de hardtop op
eventuele meldingen op het informatiedisplay. Eventueel gesloten ruiten zakken ca.
10 centimeter omlaag. Alle ruiten komen na
afloop van de hardtopbediening weer omhoog.
Laat de knop los, wanneer er een signaal
klinkt en de melding DAK DICHT of
DAK OPEN op het informatiedisplay verschijnt.
80
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulisch systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
Consequenties van het gebruik:
• groot gevaar voor beknelling,
• ongecontroleerde beweging/opening van
de elektrisch bedienbare hardtop of het
kofferdeksel,
• mogelijke schade aan de onderdelen van
de hardtop.
Zorg ervoor dat aan de voorwaarden is voldaan voordat u de hardtop bedient.
Tekst op informatiedisplay
Bepaalde meldingen gelden ook voor Load
Assist (zie pagina 91).
• TRAP REM IN VOOR WERKING DAK
Trap eerst op het rempedaal om de hardtop
te kunnen bedienen.
• KOFFERBAKDEKSEL HELEMAAL
OPENEN – Open het kofferdeksel geheel.
• KOFFERBAK DICHT VOOR WERKING
DAK – Het kofferdeksel staat niet dicht.
Sluit het kofferdeksel.
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
• KOFFERBAK APART
DICHT VOOR DAK – De bagagewand
staat niet dicht. Sluit de bagagewand (zie
pagina 90).
• ACCUSPANN. LAAG VOOR WERKING
DAK – De accuspanning is te gering. U
kunt de hardtop alleen sluiten. Laad de
accu op door bijvoorbeeld de motor te
starten en probeer opnieuw.
• DAK NIET OP SLOT – De hardtop werd
niet goed geopend of gesloten. Probeer de
hardtop opnieuw te openen of te sluiten.
• DAK IN LASTHULP POSITIE – De hardtop
werd omhooggebracht door de functie
Load Assist. Breng de hardtop omlaag (zie
pagina 90).
• TEMP. BEPERKT WERKING DAK – Het
bedieningssysteem voor de hardtop is
ofwel oververhit of de buitentemperatuur is
lager dan –10 °C. Als de hardtop oververhit
is, moet u ca. vijf minuten wachten totdat
de melding is verdwenen en het daarna
opnieuw proberen.
Meldingen bij storingen in de hardtop
Bij storingen in de hardtop kunnen er twee
meldingen op het informatiedisplay verschijnen:
• STORING DAK SERVICE VEREIST – Het
is niet mogelijk de hardtop te bedienen. Er
zijn servicewerkzaamheden door een erkende Volvo-werkplaats vereist. Desge-
wenst kunt u de auto afdekken zoals
beschreven in de instructies.
• STORING DAK ZIE HANDLEIDING – Er
gelden speciale aanwijzingen voor bediening van de hardtop of Load Assist. Er zijn
servicewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats vereist.
Bijzondere bedieningsinstructies bij
storingen in de hardtop
Als de melding STORING
DAK ZIE HANDLEIDING op het informatiedisplay verschijnt, valt de hardtop niet op de
normale manier te bedienen.
N.B.
Eenmaal gesloten kunt u de hardtop niet
meer openen.
BELANGRIJK
Om de hardtop bij een storing in de hardtopbediening te kunnen sluiten moet u
nauwkeurig controleren of er is voldaan aan
de voorwaarden voor bediening van de
hardtop (zie pagina 79). Zelfs als er aan de
voorwaarden is voldaan, bestaat er een
aanzienlijk gevaar voor materiële schade.
– Houd de openings- of sluitingsknop ingedrukt totdat de melding STORING
DAK ZIE HANDLEIDING op het display
verschijnt. Laat de knop vervolgens los.
– Druk opnieuw op de openings- of sluitingsknop. Houd de knop ca. 5 seconden
lang ingedrukt totdat de hardtop in beweging is gekomen. Houd de knop ingedrukt
totdat de hardtopbeweging volledig afgerond is, ook al wordt deze korte tijd onderbroken. Let op eventuele fouten die
schade aan de auto kunnen veroorzaken.
Tijdens het sluiten klinkt van begin tot einde
een geluidssignaal.
04
WAARSCHUWING
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel voor
het hydraulisch systeem die onder het zitgedeelte van de achterbank zit. Alleen servicemonteurs mogen gebruik maken van de
ontkoppelingsfunctie van het hydraulisch
systeem.
Consequenties van het gebruik:
• groot gevaar voor beknelling,
• ongecontroleerde beweging/opening van
de elektrisch bedienbare hardtop of het
kofferdeksel,
• mogelijke schade aan de onderdelen van
de hardtop.
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het hardtopsysteem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstig letsel.
81
04 Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Dekplastic om auto tijdelijk af te
dekken
– Bevestig de haken (4) aan de achterste
wielkuipen en de haken (6) onder de achterbumper.
04
Dekplastic, opgeborgen in doorsteekluik
Als het niet is mogelijk de hardtop te sluiten
door bijvoorbeeld een lage accuspanning of
een andere storing in het hardtopsysteem,
kunt u ter bescherming een stuk dekplastic
aanbrengen. Breng het plastic dusdanig aan
dat de bevestigingstouwtjes aan de binnenkant zitten.
Het stuk plastic ligt opgeborgen in een zak
met het opschrift “Cover for temporary use”.
82
– Sluit (zo mogelijk) de ruiten.
– Neem het dekplastic uit het middenpaneel
in het zitgedeelte van de achterbank (bij
het doorsteekluik).
– Haal het dekplastic uit de verpakking en
vouw het uit.
– Haal de buitenspiegel (3) door de opening
en bevestig de haken (2) aan de voorste
wielkuipen.
– Klem het dekplastic tussen de wisserbladen en de voorruit vast en trek het plastic
strak, zodat er bij ieder wisserblad één
vouw (1) ontstaat.
– Steek de antenne (5) door de opening.
04 Interieur
Windscherm (optie)
Windscherm
– Duw de borghendels in de houders op de
zijpanelen in totdat u een klikt hoort.
– Klap het opstaande deel van het windscherm omhoog.
U gebruikt de ritssluitingen van het windscherm om bagage op de achterbank te vervoeren of deze te verwijderen.
WAARSCHUWING
Controleer of het windscherm goed vastzit.
Het kan anders loskomen bij uitwijkmanoeuvres e.d. en persoonlijk letsel of materiële schade veroorzaken.
Windscherm
Om bij het rijden met een geopende hardtop
de turbulentie in het interieur te verminderen
kunt u gebruik maken van het windscherm.
Windscherm aanbrengen
– Klap het vierdelige scherm tot op de volle
breedte uit en duw de borging in.
– Duw het windscherm dusdanig onder de
hoofdsteunen dat het op de bovenkant
van het ruggedeelte rust.
04
WAARSCHUWING
Bij gebruik van het windscherm mag u geen
achterpassagiers vervoeren.
U bewaart het windscherm in de bijbehorende
zak in de kofferbak, onder de bagagewand,
dat helemaal voorin tegen het ruggedeelte aan
ligt.
N.B.
Wees voorzichtig met de bekleding.
83
04 Interieur
Interieurverlichting
Verlichting voorin
De leeslampjes zijn te activeren met het contactslot in stand I of II en wanneer de motor
loopt. De lampjes kunnen ook tot 30 minuten
na het afzetten van de motor of na het openen
of sluiten van een portier worden ingeschakeld.
Verlichting achterin
04
Automatische verlichting
De interieurverlichting wordt automatisch inen uitgeschakeld wanneer de knop (2) in de
neutrale stand staat.
De interieurverlichting wordt ingeschakeld en
blijft 30 seconden lang branden, als:
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening ontgrendelt;
• u de motor hebt afgezet en de contactsleutel naar stand 0 hebt gedraaid.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
• u de motor start;
• u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening vergrendelt.
De interieurverlichting gaat aan en blijft
5 minuten lang branden, als een van de portieren openstaat.
1. Leeslampje linksvoor, aan/uit
2. Interieurverlichting voor- en achterin
3. Leeslampje rechtsvoor, aan/uit
Met de knop (2) kunt u drie verlichtingsstanden selecteren voor de interieurverlichting:
• Uit (0) – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting uitgeschakeld.
• Neutrale stand – interieurverlichting gaat
branden bij het openen van een portier en
dooft weer bij het sluiten ervan. De dimfunctie is actief.
• Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
84
In of uit te schakelen met een druk op de
knop.
De interieurverlichting kan binnen 30 minuten
nadat u de contactsleutel naar stand 0 hebt
gedraaid in- of uitgeschakeld worden door op
de knop (2) te drukken. De verlichting blijft
vervolgens 5 minuten lang branden, tenzij u
deze zelf eerder uitschakelt.
04 Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel1
04
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1 Optie
op bepaalde markten.
85
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
86
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1. Opbergvak in portierpaneel (afsluitbaar
vak als optie)
2. Kledinghaak (alleen voor de lichtere kledingstukken)
3. Opbergvak aan de voorkant van de zittingen van de voorstoelen
4. Parkeerkaarthouder
5. Dashboardkastje
6. Opbergvakken
7. Bekerhouder (met schuifklepje, optie op
bepaalde markten)
8. Tunnelvak (bijvoorbeeld voor cd’s)
9. Bekerhouder (met schuifklepje, optie)
10. Opbergvak in zijpaneel achterin
11. Opbergvak aan de achterkant van de
voorstoelen
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Dashboardkastje
04
1. Ontgrendelen
2. Vergrendelen
Hier kunt u het instructieboekje en kaarten opbergen. Er zijn ook houders voor munten, pennen en tankkaarten. Het dashboardkastje kan
handmatig worden vergrendeld met behulp
van het afneembare sleutelblad in de afstandsbediening. Zie pagina 97 voor meer informatie over de sleutel.
87
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in portierpaneel
Opbergvak in zijpaneel achterin
Bekerhouder achterin
U kunt het opbergvak openen door het onder
aan de voorkant op te tillen en sluiten door
lichte druk aan te brengen op de bovenkant
ervan.
U kunt het opbergvak openen en sluiten door
in het midden van de bovenkant ervan lichte
druk aan te brengen.
Er zijn tevens bekerhouders voor- en achterin
met schuifklepjes te verkrijgen (optie op bepaalde markten).
04
Afsluitbaar opbergvak in portierpaneel
(optie)
U vergrendelt het opbergvak via de afstandsbediening (zie pagina 98).
88
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Tunnelvak
04
U kunt het vak openen en sluiten met een druk
op de knop die voor op het deksel zit. In dit
vak zit tevens de slotcilinder om het kofferdeksel met behulp van het afneembare
sleutelblad1 handmatig te openen (zie
pagina 104).
1 Het
slot kan ook op de vloer achter de bestuurdersstoel zitten.
89
04 Interieur
Kofferbak
Bagagewand
Load Assist
04
De bagagewand heeft tot doel de hoeveelheid
bagage in de kofferbak dusdanig te beperken
dat de hardtop ongehinderd kan bewegen. Let
erop dat de bagagewand goed gesloten wordt
en links en rechts stevig vergrendeld wordt.
BELANGRIJK
Plaats geen voorwerpen boven op of naast
de bagagewand wanneer deze gesloten is.
Plaats de bagage niet dusdanig dat deze
uitsteekt boven de gesloten bagagewand.
Sticker op bagagewand
N.B.
Bij een te grote hoeveelheid lading in de
kofferbak kan de bagagewand niet gesloten
worden. In dat geval kan de hardtop evenmin worden geopend.
Knop om de hardtop omhoog en omlaag te
brengen
Een geopende hardtop ligt opgevouwen in de
kofferbak. Met de knop (zie afbeelding) kunt u
de hardtop omhoog- en omlaagbrengen om
zo gemakkelijker in en uit te laden. Bij Load
Assist worden de normale hardtopbewegingen in beperkte mate uitgevoerd. De meldingen op het informatiedisplay over de bediening van de hardtop gelden daarom ook voor
Load Assist (zie pagina 80).
WAARSCHUWING
Personen of voorwerpen die de hardtop tijdens het omhoog- of omlaagbrengen in de
weg zitten lopen het risico bekneld te raken.
90
04 Interieur
Kofferbak
Load Assist gebruiken
Met een druk op de knop kunt u het omhoog-/
omlaagbrengen van de hardtop starten of
stopzetten. Als er een geluidssignaal klinkt bij
het indrukken van de knop en de hardtop niet
beweegt, moet u de melding op het informatiedisplay lezen.
– Druk op de knop om de hardtop omhoog
te brengen.
– Til de bagagewand op en breng deze in de
kofferbak aan.
– Klap de bagagewand na het inladen weer
omlaag.
– Druk op de knop om de hardtop omlaag te
brengen.
Tijdens het omlaagbrengen klinkt van begin
tot einde een geluidssignaal.
BELANGRIJK
Wanneer de hardtop is uitgeklapt bij gebruik
van Load Assist of als de beweging van de
hardtop werd onderbroken doordat er tweemaal op de knop werd gedrukt, mag u het
kofferdeksel niet sluiten. Het is namelijk mogelijk dat er schade aan en storingen in het
systeem ontstaat.
04
Verankeringsogen
N.B.
Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. De aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot. Als bij
het uitzetten van het contact blijkt dat de
stroomsterkte die via de aansluiting wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt er een
waarschuwing op het display. Let erop dat u
de elektrische aansluiting niet mag gebruiken
wanneer het contact is uitgezet. De accu kan
dan namelijk uitgeput raken.
Bij een te geringe accuspanning kunt u de
hardtop alleen omlaagbrengen.
Load Assist gebruiken bij storingen in
de hardtop
Als de melding STORING
DAK ZIE HANDLEIDING op het informatiedisplay staat, kunt u de hardtop alleen omlaagbrengen.
– Controleer of de melding STORING
DAK ZIE HANDLEIDING op het display
staat.
– Houd de knop ca. 5 seconden lang ingedrukt. Houd de knop ingedrukt terwijl de
hardtop omlaagkomt.
Elektrische aansluiting in kofferbak
Er zitten vier of meer verankeringsogen in de
kofferbak om sjorbanden of touwen aan te bevestigen. Bijpassende sjorbanden zijn verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
91
04 Interieur
Kofferbak
Doorsteekluik
Middelste ruggedeelte achterbank
openen
– Trek aan het riempje dat aan de bovenkant
van het middelste ruggedeelte zit om bij
het luik te komen.
Middelste ruggedeelte achterbank
sluiten
– Plaats het middelste ruggedeelte terug
met de onderkant eerst.
– Klap het middelste ruggedeelte in en duw
het vast totdat u een klikgeluid hoort.
04
Luik in kofferbak
Om lange en lichte voorwerpen te kunnen vervoeren is er voorzien in een doorsteekluik. Het
gaat schuil achter het middenpaneel1 in het
ruggedeelte van de achterbank.
Maximumlengte: 2 m en maximumgewicht:
25 kg. Het doorsteekluik is van twee kanten te
openen: via het middenpaneel en via de kofferbak.
1
92
De set voor provisorische bandenreparatie, de
EHBO-kit, het dekplastic en het sleepoog liggen opgeborgen in het middenpaneel van het
ruggedeelte van de achterbank. Zie
pagina 153 voor auto’s met een reservewiel
(optie).
Als de auto is uitgerust met een skizak2 moet
de ritssluiting van de zak vanuit de passagiersruimte worden geopend.
– Duw de knoppen in de twee openingen
van het luik naar elkaar toe en open het
luik.
Doorsteekluik vergrendelen
Te vergrendelen via de afstandsbediening (zie
pagina 98).
2 Optie
Lange voorwerpen vastzetten met
veiligheidsgordel
Lange voorwerpen zoals ski’s moet u vastzetten met de veiligheidsgordels van de achterbank.
– Haal de veiligheidsgordel een slag om de
ski’s heen en steek de gesp op de gebruikelijke manier in de gordelsluiting.
Als de auto is uitgerust met een skizak 2 moet
u de gordel door de handgreep ervan halen.
WAARSCHUWING
Zet de motor af en trek de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Vergeet niet dat een voorwerp met een gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing
bij een snelheid van 50 km/h zich kan gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
04 Interieur
04
93
Afstandsbediening met sleutelblad........................................................... 96
Private locking...........................................................................................99
Batterij in afstandsbediening .................................................................. 101
Vergrendelen en ontgrendelen ................................................................ 102
Alarm (optie) ............................................................................................ 106
94
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Afstandsbediening
Bij de auto worden twee afstandsbedieningen
geleverd. Deze doen tevens dienst als contactsleutel. De afstandsbedieningen bevatten
afneembare metalen sleutelbladen voor het
mechanisch vergrendelen/ontgrendelen van
het bestuurdersportier en het dashboardkastje.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
05
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt
met de afstandsbediening, lichten de richtingaanwijzers van de auto tweemaal op om aan
te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is. Bij het vergrendelen
gebeurt dit alleen als alle portieren na het sluiten correct zijn vergrendeld.
Onder de persoonlijke instellingen is het mogelijk om de lichtsignalen via de richtingaanwijzers uit te schakelen. U krijgt dan niet langer een bevestiging dat de vergrendeling op
96
de juiste manier heeft plaatsgevonden (zie
pagina 62).
Functies afstandsbediening
Zoekgeraakte afstandsbediening
Als een van de afstandsbedieningen zoekraakt, moet u de resterende afstandsbedieningen samen met de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats brengen. Ter voorkoming
van diefstal moet de code van de zoekgeraakte afstandsbediening uit het systeem worden
gewist.
Elektronische startblokkering
De afstandsbedieningen zijn voorzien van gecodeerde chips. De code moet overeenkomen
met die van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U kunt de auto alleen starten wanneer
u een afstandsbediening met de juiste code
gebruikt.
1. Vergrendelen – alle portieren, het kofferdeksel, de opbergvakken in de portierpanelen (afsluitbare vakken als optie) en
het doorsteekluik vergrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboardkastje niet te vergrendelen.
2. Ontgrendelen – de portieren, het kofferdeksel, de opbergvakken in de portierpanelen (afsluitbare vakken als optie) en
het doorsteekluik vergrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboardkastje niet te ontgrendelen.
3. Approach-verlichting – te gebruiken om
de verlichting van de auto op afstand in
te schakelen. Bijvoorbeeld wanneer u
naar de auto loopt en deze wil
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
verlichten.
Druk op de gele knop van de afstandsbediening om de interieurverlichting, de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de verlichting in de buitenspiegels (optie) in te schakelen. De
verlichting schakelt na 30, 60 of
90 seconden automatisch uit. Zie
pagina 63 voor het instellen van een
passende inschakelduur.
4. Kofferdeksel — wanneer u de knop eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen het
kofferdeksel.
BELANGRIJK
Het smalle gedeelte van de afstandsbediening is extra gevoelig omdat zich daar de
chip bevindt. U kunt de auto niet starten, als
de chip beschadigd is.
Sleutelblad
U kunt het sleutelblad uit de afstandsbediening nemen en los gebruiken. Als u een van de
portieren met het sleutelblad vergrendelt,
wordt alleen dat ene portier vergrendeld.
N.B.
N.B.
Bij gebruik van deze knop gaat het kofferdeksel niet open.
5. Paniekfunctie — U kunt de paniekfunctie
gebruiken om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als u de
rode knop ten minste drie seconden lang
indrukt of tweemaal achtereen binnen
drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de
claxon geactiveerd. U kunt deze functie
met dezelfde knop weer uitschakelen, als
de functie minimaal 5 seconden actief
geweest is. Als u niets doet, wordt de
functie na 30 seconden automatisch
uitgeschakeld.
Als u het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening gebruikt om het bestuurdersportier te ontgrendelen, gaat het alarm
af waarna u het met de afstandsbediening
moet uitschakelen (zie pagina 107).
05
Sleutelblad verwijderen
– Duw de veerbelaste pal (1) opzij, terwijl u
het sleutelblad (2) recht naar achteren
trekt.
Sleutelblad aanbrengen
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad in
de afstandsbediening terugplaatst.
– Houd de afstandsbediening met de puntige kant omlaag en laat het sleutelblad in
de groef vallen.
– Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
97
05 Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Sleutelblad
05
1. Vergrendelingspunten voor
transpondersleutel:
2. Vergrendelingspunten voor afstandsbediening met afsluitbare opbergvakken (optie):
A. portieren
B. stuurslot
A. portieren
F. doorsteekluik
B. stuurslot
G. kofferdeksel
D. opbergbakken in portierpanelen
F. doorsteekluik
G. kofferdeksel
Zie pagina 87 voor een beschrijving van de
verschillende opbergruimten.
98
05 Sloten en alarm
Private locking
05
1. Normale vergrendelingspunten bij centrale vergrendeling
met afstandsbediening
2. Afstandsbediening met geactiveerde Private locking en verwijderd
sleutelblad
Bij Private locking1 gelden er beperkingen
voor de manier waarop u de centrale vergrendeling via de afstandsbediening kunt bedienen. De afsluitbare opbergvakken in de auto
worden daarbij vergrendeld en zijn niet meer
via de afstandsbediening te ontgrendelen. Dit
kan handig zijn als u de auto bijvoorbeeld afgeeft voor een onderhoudsbeurt of hem laat
parkeren bij een hotel of iets dergelijks.
tieren (A) vergrendelen en ontgrendelen, de
motor starten en in de auto (B) rijden.
Wanneer de functie Private locking actief is,
kunt u met de afstandsbediening alleen het
alarmsysteem activeren/deactiveren, de por-
– Zorg dat de hardtop dichtstaat.
– Open het kofferdeksel en klap de bagagewand omhoog. De hardtop kan vervolgens
niet meer worden bediend (zie pagina 90).
1 Bepaalde
markten
Private locking activeren
N.B.
Bij het openen/sluiten van de hardtop hebt
u korte tijd de mogelijk om bij de spullen in
de kofferbak te komen.
N.B.
Op het informatiedisplay zal de tekst KOFFERBAK APART DICHT VOOR DAK verschijnen.
– Sluit het kofferdeksel.
– Verwijder het afneembare sleutelblad uit
de afstandsbediening (zie pagina 97).
99
05 Sloten en alarm
Private locking
– Steek het sleutelblad in het sleutelgat (C)
van het dashboardkastje en draai het 180
graden rechtsom (zie pagina 104).
N.B.
Plaats het sleutelblad niet in de afstandsbediening terug, maar houd het bij u en bewaar het goed.
Vervolgens zijn de afsluitbare opbergvakken
achter de portierpanelen (D), het
doorsteekluik (E) en het kofferdeksel (F) niet
langer te ontgrendelen via de afstandsbediening.
05
Private locking deactiveren
Doe het volgende om de afsluitbare opbergvakken weer op te nemen in de automatische
functies van de centrale vergrendeling:
– Steek het afneembare sleutelblad in het
sleutelgat van het dashboardkastje (C) en
draai het 180 linksom (zie pagina 104).
– Plaats het sleutelblad terug in de houder
van de afstandsbediening (zie pagina 97).
Daarna kunt u alle functies van de centrale
vergrendeling weer via de afstandsbediening
regelen.
100
05 Sloten en alarm
Batterij in afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening bijna
leeg
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de afstandsbediening niet langer optimaal functioneert, begint het informatiesymbool te branden en verschijnt de melding EXTERNE
ACCU LAGE SPANNING op het display.
– Plaats de afdekking terug en schroef deze
vast.
– Duw het sleutelblad weer op zijn plaats.
Zorg dat de oude batterij op milieuvriendelijke
wijze wordt afgevoerd.
05
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij vervangen (type
CR 2032, 3 V).
– Trek het sleutelblad naar buiten.
– Leg de afstandsbediening met de knoppen omlaag neer en draai het boutje (1)
met een kleine schroevendraaier los.
– Verwijder de afdekking.
– Let erop hoe de plus (+)- en minpolen aan
(–)- de binnenkant van de afdekking zitten.
– Werk de batterij los (2) en vervang deze.
Kom niet met uw vingers aan de polen van
de batterij of de contactvlakken.
101
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Ontgrendelen
Met de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening kunt u de auto op twee verschillende
manieren ontgrendelen (afhankelijk van de
persoonlijke instellingen, zie pagina 63):
05
• bij eenmaal indrukken worden beide portieren en het kofferdeksel ontgrendeld;
• bij de eerste keer indrukken wordt het
bestuurdersportier ontgrendeld en bij de
twee keer indrukken het passagiersportier
alsmede het kofferdeksel.
Vergrendelen
Met de afstandsbediening kunt u beide portieren en het kofferdeksel tegelijkertijd vergrendelen. De vergrendelingsknoppen op de portieren en de portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan niet meer te bedienen.
De tankvulklep is niet meer te openen, wanneer u de auto met de afstandsbediening vergrendeld hebt.
N.B.
Ook als er nog een1 portier of het kofferdeksel openstaat is het mogelijk de auto te vergrendelen. Wanneer u het geopende portier
of het kofferdeksel vervolgens sluit bestaat
het gevaar dat u zich buitensluit met de
sleutels nog in de auto.
1
Geldt voor bepaalde markten
WAARSCHUWING
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto van de
buitenzijde vergrendelt. De auto is dan namelijk niet meer met een afstandsbediening
in de auto te ontgrendelen.
• trek tweemaal aan een van de openingshandgrepen
• druk op de ontgrendelingsknop bij de openingshandgreep.
U kunt de functie activeren/deactiveren onder
Persoonlijke instellingen (zie pagina 63).
Kofferdeksel
Ontgrendelen
Alleen kofferdeksel ontgrendelen:
– Druk op de knop van de afstandsbediening waarmee u het kofferdeksel ontgrendelt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling opent, worden alle sloten automatisch
weer vergrendeld (geldt niet bij vergrendeling
van de binnenzijde). Deze functie beperkt de
kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld
kunt laten staan. Zie pagina 107 voor auto’s
met alarmsysteem.
Automatische vergrendeling
Het is mogelijk om de portieren en het kofferdeksel automatisch te laten vergrendelen
bij rijsnelheden hoger dan 7 km/h.
102
Wanneer deze functie actief is, kunt u vergrendelde portieren op een van de volgende twee
manieren openen:
Vergrendelen
Als het kofferdeksel openstaat bij het vergrendelen van de portieren, blijft het kofferdeksel
ook na sluiting onvergrendeld staan. Vergrendel met de afstandsbediening of van de binnenzijde om beide portieren en het kofferdeksel te vergrendelen.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Portieren openen
Vergrendelingsindicatie
Als de portieren van de binnenzijde vergrendeld zijn:
– Trek tweemaal aan de handgreep om de
portieren te ontgrendelen, waarna u ze
kunt openen.
05
Met de vergrendelingsknop bij de portierhandgreep kunt u de portieren en het kofferdeksel
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
Ontgrendelen
– Druk de bovenkant van de vergrendelingsknop in.
De leds aan de binnenkant van de portieren
lichten ca. vijf minuten lang op nadat u de auto
vergrendeld hebt via de afstandsbediening.
Wanneer u de auto tijdens het rijden vanaf de
binnenzijde vergrendelt, branden de leds continu.
U kunt de portieren niet ontgrendelen door de
vergrendelingsknop omhoog te trekken.
Vergrendelen
– Druk de onderkant van de vergrendelingsknop in.
103
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Kofferdeksel mechanisch openen
Variant 2
Dashboardkastje vergrendelen
– Klap de rugleuning van de linker voorstoel
voorover om bij het sleutelgat onder bij de
vloer te komen.
– Steek het afneembare sleutelblad erin en
draai het 110 graden rechtsom.
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de afstandsbediening.
Als het elektrisch systeem van de auto tijdelijk
niet werkt, kunt u het kofferdeksel ook mechanisch openen met behulp van het afneembare
sleutelblad van de afstandsbediening.
De auto is uitgerust met een van de volgende
varianten voor mechanische opening van het
kofferdeksel:
Variant 1
05
BELANGRIJK
– Open het deksel op het tunnelvak en til de
rubbermat op de bodem op om bij het
afgedekte sleutelgat te kunnen komen.
– Steek het afneembare sleutelblad erin en
draai het 90 graden rechtsom.
104
De hardtop moet volledig dicht- of openstaan, voordat u het kofferdeksel langs mechanische weg mag openen.
• Ontgrendel (1) het dashboardkastje door
de sleutel een kwartslag (90 graden) linksom te draaien. Het sleutelgat staat verticaal
wanneer het kastje ontgrendeld is.
• Vergrendel (2) het dashboardkastje door de
sleutel een kwartslag (90 graden) rechtsom
te draaien. Het sleutelgat staat horizontaal
wanneer het kastje vergrendeld is.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Safelock-functie
Bij activering van de zogeheten Safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. U activeert de functie met de afstandsbediening. De Safelock-functie treedt
25 seconden na vergrendeling van de portieren in werking.
Safelock-functie en eventuele alarmsensoren tijdelijk deactiveren
Bij Safelock is de auto alleen met de afstandsbediening te ontgrendelen. De portieren zijn
tevens van de buitenzijde te openen met behulp van het sleutelblad.
Het lampje in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een
melding op het display zolang de sleutel in het
contactslot steekt. De volgende keer dat u het
contact van de auto inschakelt, worden de
sensoren en de Safelock-functie weer
geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten zonder eerst
de Safelock-functie te deactiveren.
05
1. Sensoren en Safelock-functie deactiveren
2. Plaats voor schakelaar (ingebouwd accessoire)
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie deactiveren.
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
– Druk op de knop (1).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelders en niveausensoren buiten werking (zie pagina 106).
105
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarmlampje op dashboard
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Het alarm gaat af, als:
05
• een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend;
• het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder aanwezig is);
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
• de accukabel wordt ontkoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
N.B.
Wanneer de hardtop gesloten is, werkt het
alarm op dezelfde manier als wanneer de
hardtop geopend is. Dit betekent dat het
alarm afgaat wanneer er een beweging in de
passagiersruimte wordt geregistreerd.
106
formatiedisplay. Neem in dat geval contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
Alarmfunctie inschakelen
– Druk op de vergrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven een lang lichtsignaal af
ter bevestiging dat het alarm is ingeschakeld en dat de portieren zijn vergrendeld.
Een lampje op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en het lampje op het
dashboard licht eenmaal op ter bevestiging
dat het alarm volledig ingeschakeld is.
• het lampje is uit – het alarm is uitgeschakeld.
• het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
Alarmfunctie uitschakelen
• het lampje licht eenmaal per seconde op,
nadat de richtingaanwijzers van de auto
een lang lichtsignaal hebben afgegeven –
het alarm is ingeschakeld.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het in-
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening. De richtingaanwijzers
van de auto geven twee korte lichtsignalen
af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld en dat beide portieren zijn ontgrendeld.
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Automatische inschakeling van het
alarm
Afstandsbediening werkt niet
De functie voorkomt dat u de auto per ongeluk
verlaat zonder het alarm in te schakelen.
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na uitschakeling van het alarm opent (en de auto werd met
de afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt
het alarm automatisch weer ingeschakeld. De
auto wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
– Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening of steek de sleutel in
het contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
• Er klinkt 25 seconden lang een sirene. Deze
beschikt over een eigen accu die wordt
ingeschakeld, als de accu van de auto te
weinig vermogen heeft of ontkoppeld is.
• Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minuten lang of totdat u het alarm uitschakelt.
Ook als de afstandsbediening om wat voor reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm nog
steeds uitschakelen en de motor als volgt
starten:
– Open het bestuurdersportier met het sleutelblad. Het alarm gaat af en de sirene
klinkt.
– Steek de afstandsbediening in het contactslot. Het alarm wordt uitgeschakeld.
Het alarmlampje knippert snel totdat u de
contactsleutel naar stand II draait.
De volgende keer dat u het contact inschakelt,
worden de sensoren weer geactiveerd.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
– Open alle ruiten.
– Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm
ingeschakeld is.
– Wacht 30 seconden.
– Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05
Portieralarm testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
– Open een van de portieren. Er moet nu
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Als de auto met Safelock-functie is uitgerust,
wordt deze functie tegelijkertijd geactiveerd.
107
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Motorkapalarm testen
– Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
– Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op
de afstandsbediening.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05
108
05 Sloten en alarm
05
109
Algemene informatie ............................................................................... 112
Brandstof tanken..................................................................................... 114
Motor starten .......................................................................................... 115
Roetfilter dieselmotor (DPF) .................................................................... 116
Contact- en stuurslot .............................................................................. 117
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................... 118
Automatische versnellingsbak ................................................................ 120
Remsysteem ........................................................................................... 123
Stabiliteits- en tractieregelsysteem......................................................... 125
Parkeerhulp (optie) .................................................................................. 127
Slepen en bergen .................................................................................... 129
Starten met hulpaccu.............................................................................. 131
Rijden met een aanhanger ...................................................................... 132
Trekhaak .................................................................................................. 134
Afneembare trekhaak .............................................................................. 136
Lading vervoeren..................................................................................... 141
Lichtbundel aanpassen ........................................................................... 142
110
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie.
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen.
• Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
• Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
• Vermijd krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
06
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
wegen.
• Verwijder de lastdrager wanneer u deze
niet nodig hebt.
• Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en
het koelsysteem oververhit raken.
112
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange en
steile helling oprijdt.
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (dieselmotor: 3500 omw/min),
wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
Open kofferdeksel
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Als u
toch en stukje met een geopend kofferdeksel
moet rijden, kunt u het volgende doen:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er
kunnen giftige gassen via de bagageruimte
de passagiersruimte in worden gezogen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepere waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes op het rempedaal om te controleren of de
remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I, omdat er op die manier minder
stroom wordt afgenomen.
De 12V-aansluiting in de kofferbak levert ook
spanning als u de contactsleutel hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem (hoog volume)
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt afgezet.
06
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te
schakelen. U laadt de accu op door de motor
te starten.
113
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
– Draai de dop tot aan de aanslag voorbij de
weerstand.
– Trek de dop uit de vulopening.
– Hang hem aan de binnenkant van de
tankvulklep op.
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Verwijder de dekplaat waarmee het lamphuis
rechts in de kofferbak is afgedekt.
Trek aan het lus die aan de haak zit.
Plaats de lus en de dekplaat terug, wanneer
de tankvulklep geopend is.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Openen vanuit kofferbak
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven op pagina 236, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
06
Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel (zie pagina 49). De klep kan
niet worden geopend wanneer de motor loopt.
De tankvulklep zit op het rechter achterspatbord.
WAARSCHUWING
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort klikken.
Tankdop
– Draai de tankdop zo ver los dat u een
merkbare weerstand voelt.
114
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Wanneer de tankvulklep niet vanuit de passagiersruimte te openen is, kunt u deze ook
handmatig openen. Dit gaat het eenvoudigst
als de hardtop gesloten is.
Gemorste brandstof kan door de hete uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standverwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
06 Starten en rijden
Motor starten
Benzine
BELANGRIJK
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke
advies van Volvo.
Dieselolie
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen.
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
Voordat de motor wordt gestart
Motor starten
– Trek de handrem aan.
Benzine
– Draai de contactsleutel naar stand III.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang bij strenge
vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Dieselolie
– Draai de contactsleutel naar stand II.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat
de motor wordt voorverwarmd (zie
pagina 43).
– Draai de sleutel naar stand III, wanneer
het controlelampje uitgaat.
Automatisch starten (5 cilindermotor)
Met de functie Automatisch starten hoeft u de
contactsleutel niet langer in stand III vast te
houden totdat de motor is aangeslagen.
Draai de contactsleutel naar de startstand en
laat de sleutel weer los. De startmotor blijft
vervolgens automatisch draaien totdat de motor is aangeslagen.
06
N.B.
Als u bij strenge vorst een dieselmotor start
zonder de voorgloeifunctie af te wachten, is
het mogelijk dat de automatische startfunctie enkele seconden uitgesteld wordt.
115
06 Starten en rijden
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Roetfilter dieselmotor (DPF)1
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale
rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit
de uitlaatgassen in het filter achter. Om de
roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen
wordt een zogeheten regeneratie gestart.
Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
06
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruitverwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur
en wordt het roetfilter niet geregenereerd en
het filter niet geleegd.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en ver1 Bepaalde
116
markten
schijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog ca. 20 minuten verder.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
melding automatisch.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld
is, kan het onbruikbaar worden. De motor
start dan moeilijk en de kans bestaat dat het
filter moet worden vervangen.
Gebruik bij koud weer de standverwarming
(optie), zodat de motor sneller op temperatuur
komt.
06 Starten en rijden
Contact- en stuurslot
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan
de elektronische startblokkering per ongeluk
worden geactiveerd.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uit het contactslot
neemt.
I – Radiostand
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem kunnen worden ingeschakeld.
Het elektrisch systeem van
de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrisch systeem van de auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat
kan er een tikkend geluid te horen zijn. Draai
de sleutel in dat geval eerst naar stand II en
daarna terug om het geluid te laten verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een waarschuwing op het informatiedisplay verschijnen met
de melding dat de motor niet kan worden gestart.
– Neem in dat geval de sleutel uit en draai
aan het stuurwiel, zodat het stuurslot opgeheven wordt.
– Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of het slepen uit het contactslot. U
loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
06
WAARSCHUWING
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
Zorg dat het stuurslot actief is, wanneer u de
auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
117
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
06
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(benzine)
Schakel de achteruitversnelling alleen in als de
auto stilstaat. Om de achteruitversnelling in te
schakelen moet u de versnellingspook eerst in
de neutrale stand N zetten. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit de vijfde versnelling in de achteruitversnelling zetten.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
Het kan problemen geven de schakelstanden
voor de vijfde en zesde versnelling te vinden,
wanneer de auto stilstaat. Dit omdat de blokkering van de achteruitversnelling (die dwarsslagen blokkeert) dan niet geactiveerd is.
118
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (benzine)
Schakelstanden, zesversnellingsbak
(diesel)1
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak (diesel)
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af. Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden moet u zo veel mogelijk gebruik maken van de hoogste versnellingen.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat. Duw de versnellingspook omlaag en haal deze naar links om de
achteruitversnelling in te schakelen.
N.B.
De achteruitversnelling wordt elektronisch
geblokkeerd, als de auto sneller rijdt dan
20 km/h.
1 Bepaalde
06
markten
119
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Beveiligingssystemen
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot
van uitlaatgassen te beperken schakelt de
versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start is het mogelijk dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Schakelblokkering uitschakelen
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Kick-down
06
120
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kick-down.
Wanneer u het gaspedaal uit de
kick-down-stand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kick-down om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de zogeheten kick-down niet mogelijk is.
Kick-down is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand (Geartronic).
Elektrische schakelblokkering,
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet de contactsleutel in stand II staan
en moet het rempedaal worden bediend.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens drie seconden stilgestaan (of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd in stand N.
Om de keuzehendel uit stand N te halen, moet
het rempedaal worden bediend en moet de
contactsleutel in stand II staan.
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan worden zoals bij een lege accu. Doe het volgende
om de auto in dat geval te verzetten:
– Er zit een dekplaatje onder het paneel met
P-R-N-D op de keuzehendel. Open het
aan de achterzijde.
– Steek het sleutelblad van de afstandsbediening zo ver mogelijk in de opening
omlaag.
– Houd het sleutelblad ingedrukt, terwijl u
de keuzehendel uit stand P haalt.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Mechanische keuzehendelblokkering
Automatische schakelstanden
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
Stand N is de vrijstand. In deze stand kunt u
de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer
de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N
staat.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
verschillende schakelstanden.
D – Rijstand
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
BELANGRIJK
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug
tussen de versnellingen afhankelijk van de
stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg
ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in stand D zet.
06
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
121
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in
stand D zetten.
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd totdat u een andere versnelling kiest.
06
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op
de motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat. Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
De geselecteerde versnelling wordt op het instrumentenpaneel weergegeven (zie
pagina 41).
N.B.
Geartronic heeft twee veiligheidsfuncties:
• Geartronic staat geen terugschakeling/
kick-down toe die tot een dusdanig hoog
toerental leidt dat de motor wordt bescha-
122
digd. Wanneer de bestuurder toch probeert
een dergelijke kick-down uit te voeren,
gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden.
• Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug als de bestuurder langzamer
gaat rijden dan wat voor de gekozen versnelling gepast is.
W – Winter
Druk op de knop W om het
winter W in- en uitschakelen. Wanneer het winterprogramma ingeschakeld is,
brandt het symbool W op
het instrumentenpaneel.
Wanneer het winterprogramma ingeschakeld
is, start de versnellingsbak in een hogere versnelling om op gladde wegen gemakkelijker te
kunnen wegrijden en worden de lagere versnellingen alleen geactiveerd bij kick-down.
U kunt het programma W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de remkringen optreedt, is remmen nog
steeds mogelijk. U moet het rempedaal echter
verder intrappen en het pedaal kan minder
stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u
niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de
rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken. Zo blijft
de auto bestuurbaar, waardoor het
bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te
ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het ABS
van start. Dit kunt u zowel horen als voelen
aan de pulsaties in het rempedaal.
06
Om het ABS maximaal te benutten:
• Trap zo hard mogelijk op het rempedaal (er
zijn pulsaties voelbaar).
• Stuur de auto in de rijrichting en blijf druk
op het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersomstandigheden reageert.
123
06 Starten en rijden
Remsysteem
Het waarschuwingslampje voor ABS licht
twee seconden op, als er de vorige keer dat
de motor liep een storing in het ABS is opgetreden.
Remkrachtverhoging – EBA
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt. Blijf
remmen zonder het rempedaal los te laten.
Het systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u
het rempedaal loslaat. Het systeem is altijd
actief. U kunt het dan ook niet uitschakelen.
06
124
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd oplichten, kan er een storing zijn opgetreden in
het remsysteem. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem
te laten controleren.
Als de remvloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir, dient
u niet verder te rijden met de auto voordat
er remvloeistof is bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal (houd het ingedrukt) zolang dat nodig is. Zodra u het
rempedaal loslaat, worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Algemene informatie
Beperkte functie
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem DSTC
(Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Bij het geven van gas kan de auto
bovendien langzamer dan verwacht optrekken.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Bediening
– Draai aan het duimwiel (A) totdat het
DSTC-menu verschijnt.
Iedere keer dat u de auto start, wordt het stabiliteitssysteem automatisch geactiveerd.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid gas.
– Houd RESET (B) ingedrukt totdat het
menu DSTC wordt gewijzigd.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
06
N.B.
DSTC AAN verschijnt enkele seconden op
het display en het lampje
brandt iedere
keer dat u de motor start.
125
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Meldingen op informatiedisplay
DSTC-systeem
De regeling wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer zijn afgekoeld.
Informatie
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
de regeling door een storing werd uitgeschakeld.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, moet u de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden.
06
126
Lampjes op instrumentenpaneel
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
Lees de melding op het informatiedisplay, als
de lampjes
en
gelijktijdig oplichten.
Als alleen het lampje
het volgende:
oplicht, betekent dat
• een knipperend lampje geeft aan dat het
DSTC-systeem op dat moment ingrijpt;
• een lampje dat twee seconden brandt geeft
aan dat de systeemtest bij het starten van
de motor loopt;
• een lampje dat na het starten van de motor
of tijdens het rijden oplicht duidt op een
storing in het DSTC-systeem;
• een lampje dat na uitschakeling continu
blijft branden herinnert u eraan dat er beperkingen gelden voor het DSTC.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Algemene informatie1
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Daarbij verschijnt de melding Parkeerhulp actief Exit =
uitschakelen op het audiodisplay.
De parkeerhulp is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Parkeerhulp voor- en achterzijde
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten. Wanneer er obstakels
in de dode hoeken van de sensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1 Afhankelijk
van de markt is Parkeerhulp een
standaardfunctie, optie of accessoire.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan
linker- en rechterzijde.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De parkeerhulp aan de achterzijde
wordt geactiveerd bij het inschakelen van de
achteruitversnelling. Als het systeem uitgeschakeld is, verschijnt op het audiodisplay de
melding Parkeerhulp inactief Enter = activeren zodra u de achteruitversnelling inschakelt.
De geluidssignalen komen uit de luidsprekers
achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak dient u het systeem uit te
schakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
06
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en PARKEERHULP
SERVICE VEREIST op het informatiedisplay verschijnt, is de parkeerhulp defect.
127
06 Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
WAARSCHUWING
Sensoren schoonmaken
Door bepaalde geluidsbronnen kan het systeem ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte
banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen
en uitlaten van motorfietsen. Sneeuw en ijs
op de sensoren kunnen ook ten onrechte
aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
06
128
Activeren/deactiveren
Sensoren voor parkeerhulp
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop EXIT op het schakelaarpaneel (zie
pagina 62). De melding Parkeerhulp inactief
Enter = activeren verschijnt dan op het audiodisplay.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
De parkeerhulp is vervolgens opnieuw te activeren met een druk op de knop ENTER op het
bedieningspaneel. Op het display verschijnt
dan de melding Parkeerhulp actief Exit =
deactiveren.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor nooit aan te slepen
Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en
de motor niet wil starten. Probeer de auto niet
te starten door hem te slepen.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen. Sleep de auto altijd met de voorkant van de auto in de
rijrichting.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
– Draai de sleutel in het contactslot naar
stand II en hef het stuurslot op, zodat de
auto bestuurbaar is (zie pagina 117).
– Laat de sleutel tijdens het slepen in
stand II staan.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand N.
WAARSCHUWING
Bergen
De toelaatbare maximumsnelheid voor het
bergen van modellen met een automatische
versnellingsbak is 80 km/h (met geheven
vooras). De maximaal toelaatbare afstand bedraagt 80 km. Berg de auto altijd zo dat de
wielen in de rijrichting draaien.
Het stuurslot blijft in de stand staan die het
had toen de spanning werd verbroken. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
06
Handgeschakelde versnellingsbak
– Zet de versnellingspook in de neutrale
stand.
– Zorg dat de sleepkabel altijd strak staat
om schokken te voorkomen. Houd uw
voet op het rempedaal.
129
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
06
Gebruik het sleepoog als de auto over de weg
moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper. Monteer het
sleepoog als volgt:
– Neem het sleepoog erbij dat in de zak in
het doorsteekluik of bij het reservewiel ligt.
– Maak de onderkant van de afdekking (1) in
de bumper los met een schroevendraaier
of een muntstuk.
– Schroef het sleepoog (3) stevig vast, tot
aan de flens. Gebruik de wielsleutel om
het sleepoog vast te draaien.
130
– Draai het sleepoog na gebruik los en
plaats het terug in de bagageruimte.
Plaats de afdekking weer terug op de
bumper.
BELANGRIJK
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Roep professionele hulp in
voor berging.
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
–
–
–
–
–
Als de accu leeg is, kunt u de stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen
van de startkabels goed vastzitten en of er
geen vonken kunnen ontstaan tijdens de startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om explosiegevaar te voorkomen:
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
–
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
Sluit de rode startkabel aan tussen de
pluspool (1+) van de hulpaccu en de
pluspool (2+) van de lege accu.
Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de
pluspool van de accu of met de klem die
op de rode startkabel is aangesloten.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u ze onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar
voor vonkvorming.
131
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Als de trekhaak in een erkende Volvowerkplaats wordt gemonteerd, is de auto bij
aanlevering voorzien van de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
• De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
06
• Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de aanbevolen druk voor maximale belading. Zie
pagina 151 voor de positie van de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de1 kogel regelmatig in.
1 Geldt
niet voor de trekhaak bij gebruik van
een kogelsegment met trillingsdemper.
132
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Als de temperatuurmeter voor de koelvloeistof op het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uitslaat, moet u de auto stoppen en de
motor enkele minuten stationair laten
draaien. De automatische versnellingsbak
reageert met een ingebouwde beveiligingsfunctie. Zie de melding op het informatiedisplay. Bij oververhitting kan de
airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem. Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
Aanhangergewichten
Zie pagina 229 voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
Dieselmotor met handbak, rijden met
een aanhanger
Op een helling parkeren
– Trek de handrem (parkeerrem) aan.
– Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast
wordt, kunt u de koelventilator van de motor
laten vervangen door een exemplaar met een
grotere capaciteit. Informeer bij de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar de mogelijkheden
voor uw auto.
Op een helling wegrijden
– Zet de keuzehendel in de rijstand D.
– Haal de auto van de handrem (parkeerrem).
Steile hellingen
• Kies bij het omhoog rijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige versnellingsstand. Zo voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt
en houdt u de versnellingsbakolie koel.
• Schakel geen hogere, handmatige versnelling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
• Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15% bij het gebruik van een
aanhanger.
06
133
06 Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
Aanhangerkabel
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment
zorgvuldig worden opgevolgd (zie
pagina 136).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
06
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
N.B.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de bagageruimte.
134
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06 Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten
(mm)
Vaste of afneembare
trekhaak
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
1147
68
964
482
40
141
538
150
113
100
140
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
06
135
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment monteren
– Verwijder de beschermkap.
06
136
– Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
– Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
– Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
– Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06
137
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
N.B.
06
138
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het omhoog, omlaag en naar achteren te
trekken. Als het kogelsegment niet goed zit,
moet u het verwijderen en het opnieuw
monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B.
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging van de trekhaak worden
vastgemaakt.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment verwijderen
– Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
– Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
– Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
06
139
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Duw de beschermkap erop.
06
140
06 Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, het totaalgewicht van de
inzittenden en de kogeldruk. Het laadvermogen van de auto moet tevens worden verminderd met het gewicht van het aantal inzittenden. Zie pagina 229 voor informatie over de
toelaatbare gewichten.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Lading vervoeren in bagageruimte
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het
in- en uitladen van lange voorwerpen. Wanneer u met de lange bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt, kan de auto
in beweging komen.
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
• Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
• Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
• Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
• Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen
vast.
WAARSCHUWING
Vergeet niet dat een voorwerp met een gewicht van 20 kg tijdens een frontale botsing
bij een snelheid van 50 km/h zich kan gedragen als een voorwerp met een gewicht
van 1000 kg.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de ruggedeelten uitsteekt.
Anders biedt het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding mogelijk
geen bescherming meer.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo voor uw auto ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
• Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
06
WAARSCHUWING
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
141
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
06
142
U kunt de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Bij de juiste lichtbundel wordt ook
de berm beter verlicht.
Koplampen met halogeenlampen
Koplampen met Bi-Xenonlampen
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B) bij
rechtsrijdend verkeer.
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de lamp door een erkende
Volvo-werkplaats laten vervangen. Omdat
de Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn van
een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, dient u er voorzichtig
mee om te gaan.
06 Starten en rijden
06
143
Algemene informatie ............................................................................... 146
Bandenspanning ..................................................................................... 150
Gevarendriehoek en reservewiel ............................................................. 152
Wielen verwisselen.................................................................................. 154
Provisorische bandenreparatie ............................................................... 156
144
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die op de bandenspanningsticker staat (zie pagina 150 voor de
plaatsing).
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met “spikes” als banden zonder “spikes”). Bij
gebruik van dergelijke banden mag u niet
sneller rijden dan de maximumsnelheid die
voor het gebruikte bandentype geldt (voor
aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip
op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het
verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De
band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is 205/55R16 91 W.
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
Aanduiding voor radiaalbanden
T
190 km/h
Velgdiameter van de band (")
H
210 km/h
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
V
240 km/h
W
270 km/h
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Y
300 km/h
R
07
16
91
W
146
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast, in welk geval
u de band niet meer dient te gebruiken. Dit
geldt ook voor reservebanden, winterbanden
en banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan. De
letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 151). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd) na
5000 km en daarna om de 10.000 km. Monteer de banden met het diepste profiel altijd
op de achteras om het gevaar voor slippen te
verminderen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Volvo adviseert winterbanden met bepaalde
afmetingen. Deze staan in een bandenspanningstabel (zie pagina 150 voor de positie). De
bandenmaat is afhankelijk van de motorvariant. Gebruik winterbanden altijd op alle vier
de wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom wordt er een minimale
profieldiepte van vier mm voor winterbanden
geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
07
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
147
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Velgen en wielmoeren
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer, hoewel
voor stalen velgen ook het lange type gebruikt
mag worden.
WAARSCHUWING
Gebruik nooit het korte type moer voor aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Korte (1) en lange (2) wielmoer
07
Gebruik alleen velgen die getest en goedgekeurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Er bestaan
verschillende soorten wielmoeren voor stalen
en aluminium velgen. Haal de wielmoeren aan
met 90 Nm. Controleer het aanhaalmoment
met een momentsleutel.
BELANGRIJK
U moet de wielmoeren aanhalen met
90 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk
te herkennen aan de draaiende, conische
drukring.
Compact reservewiel (Temporary
spare)
U mag het compacte reservewiel1 alleen gebruiken gedurende de korte tijd die nodig is
om het normale wiel te repareren of te vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk weer een
normaal wiel. Het rijgedrag van de auto kan
zich wijzigen bij het gebruik van een compact
reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary spare) tegelijk.
N.B.
Dit type mag ook voor stalen velgen worden
gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u stalen
velgen met afsluitbare wielmoeren combineert
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielmoeren op het tapeind bevestigen dat het
dichtst bij het ventiel zit. U kunt de wieldop
anders niet op het wiel aanbrengen.
1 Bepaalde
148
varianten en markten
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Zomer- en winterbanden
den regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L
voor links, R voor rechts.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band.
07
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben. Banden mogen alleen van voor
naar achter verwisseld worden, nooit van links
naar rechts of omgekeerd. Als u de banden
verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de auto af en kunnen de ban-
149
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
In de bandenspanningstabel voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
N.B.
07
Tel voor het maximale aantal inzittenden het
aantal zitplaatsen met een veiligheidsgordel.
Op de sticker staan:
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
150
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat daarom geen lucht uit de banden ontsnappen als u
de spanning controleert bij warme banden. Als
de spanning bij warme banden echter te laag
is, moet u de band harder oppompen. Onvoldoende opgepompte banden hebben een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de
levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te
lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden
oververhit raken en kapotgaan.
Zie de bandenspanningstabel op pagina 151
voor meer informatie over de juiste bandenspanning. De aangegeven bandenspanning
geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Belading (1–3 inzittenden)
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa)
Type
Bandenmaat
Snelheid (km/h)
2.4
2.4i
215/55 R16 91W
0 –160
210
210
250
250
160+
250
210
280
260
215/50 R17 91W
235/45 R17 94W
235/40 R18 91Y
0–160
220
220
250
250
160 +
260
220
280
260
215/55 R16 91W
0–160
210
210
250
250
160+
260
210
280
260
215/50 R17 91W
235/45 R17 94W
235/40 R18 91 Y
0–160
220
220
250
250
160+
270
220
290
270
215/55 R16 91W
0–160
230
210
250
250
160+
260
210
280
260
215/50 R17 91W
235/45 R17 94W
235/40 R18 91 Y
0–160
240
220
250
250
160+
270
220
290
270
Alle
Alle
0–160
2501
2501
2501
2501
Reservewiel2
T125/85R16 99M
0 – 80
420
420
420
420
T5
D5
1
ECO-bandenspanning pagina 150
2Compact
07
reservewiel
151
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek
Volg de geldende bepalingen voor het gebruik
van een gevarendriehoek1. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto
op om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
07
– Haal de houder met de gevarendriehoek
los die met klittenband vastzit. Neem de
gevarendriehoek uit de houder.
– Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
Zorg dat u de houder met de gevarendriehoek
na gebruik in de reservewielbak terugplaatst.
1 Bepaalde
152
markten
Reservewiel en krik
Positie, gereedschap voor provisorische bandenreparatie
Originele krik
Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden. Houd de schroef van de
krik altijd goed ingevet. De krik en de slinger
zitten in het schuimrubber blok in de kofferbak.
Provisorische bandenreparatieset
Zie pagina 156 voor de positie en het gebruik
ervan.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Reservewiel en gereedschap
Reservewiel en gereedschap
Het reservewiel1 ligt in een opbergzak in de
reservewielruimte in de kofferbak. In het midden van de wiel zit een zwart schuimrubber
blok dat een krik en de sleutel voor de wielbouten bevat. Zet de bevestigingsbanden van
de opbergzak aan de vloer vast.
– Maak de twee bevestigingsbanden los
waarmee de opbergzak met het reservewiel aan de vloer vastzit.
– Open de ritssluiting in de opbergzak en
neem de stukken gereedschap eruit.
– Til het reservewiel uit de opbergzak.
1 Optie
Stop de lekke band in de opbergzak en zet
deze vast met de bevestigingsband. Let erop
dat u bij het terugplaatsen de aanwijzingen op
de opbergzak opvolgt.
07
op bepaalde markten
153
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Zet een gevarendriehoek op, als u langs een
drukke weg een wiel moet vervangen. Zorg ervoor dat de auto en de krik op een stevige en
horizontale ondergrond staan.
07
154
– Neem het reservewiel, de krik en de wielmoersleutel erbij die onder de mat in de
bagageruimte liggen.
– Haal de handrem aan en schakel de eerste
versnelling in of zet de keuzehendel in
stand P, als de auto een automatische
versnellingsbak heeft.
– Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
grote houten blokken of grote stenen.
– Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Wrik de wieldop los met
het uiteinde van een wielmoersleutel of
trek hem met de hand los.
– Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielmoersleutel.
– Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Draai de voet van de
krik met de slinger zo ver omlaag dat de
voet plat tegen de grond aankomt. Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg
dat de voet recht onder het krikpunt zit.
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
– Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
– Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 90 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel.
– Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto of
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg staat.
07
155
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
N.B.
De auto kan zijn uitgerust met een provisorische bandenreparatieset in twee mogelijke
uitvoeringen. De uitvoeringen worden elk
apart besproken en worden verder aangeduid als type 1 en type 2.
De bandenreparatieset wordt gebruikt om een
lek te dichten alsook om de bandenspanning
te controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren. De set bestaat uit een compressor en een
bus met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat
de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het gebruik. Zie pagina 160 voor informatie over het vervangen bij type 1 en
pagina 164 bij type 2.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
07
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Pro-
156
beer geen banden met de provisorische bandenreparatie set te repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Positie
Een 12V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik de
elektrische aansluiting die het dichtst bij de
lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
Op de afbeelding staat type 1
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit bij de opening voor het doorsteekluik (zie pagina 92).
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Variant 1
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet oppompen.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een van de 12Vaansluitingen in de auto aan.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset onder de vloer
in de bagageruimte.
– De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans
op oververhitting aanwezig is.
– Met de compressor kunt u voorwerpen
oppompen met een inhoud tot 50 liter.
07
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende geventileerd zijn.
157
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
07
158
– Haal de sticker (1) met de toelaatbare
maximumsnelheid uit de bandenreparatieset en bevestig deze op het stuurwiel waar
de bestuurder hem duidelijk kan zien.
– Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
– Draai de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
– Sluit de kabel (5) op een 12V-aansluiting in
de auto aan.
– Maak de veiligheidspal (6) los en draai het
oranje gedeelte (7) 90 graden tot in de
verticale stand, totdat u een klik hoort.
– Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende geventileerd zijn.
– Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Er zal zich een tijdelijke
spanningsverhoging van maximaal 4 bar
voordoen terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. een minuut
daalt de spanning en geeft de manometer
een nauwkeuriger bandenspanning aan.
– Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog geen 1,8 bar heeft
bereikt, moet u de compressor uitschakelen om oververhitting te voorkomen.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke moet u de compressor onmiddellijk uitschakelen. Onder
zulke omstandigheden moet u uw rit beëindigen. Neem contact op met een erkende
bandenreparateur.
– Koppel de luchtslang (4) van het ventiel los
en breng het ventieldopje weer aan. Haal
de kabel (5) uit de elektrische aansluiting.
Klap het oranje gedeelte (7) in de oorspronkelijke stand terug en zet de pal (6)
vast. Berg de bandenreparatieset op een
veilige plaats in de auto op.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het
afdichtmiddel de band goed afdicht.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u de
bandenreparatieset voor een noodreparatie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig mogelijk (maximale
rijafstand 200 km).
Bandenspanning opnieuw controleren:
N.B.
Het oranje gedeelte (7) niet opklappen wanneer u alleen de compressor gebruikt voor
het bijvullen van lucht.
– Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band. Sluit de kabel (5) aan op
de 12V-aansluiting. Lees de spanning van
de compressor af. Als de bandenspanning
lager is dan 1,3 bar, is de band onvoldoende afgedicht. Onder zulke omstandigheden moet u uw rit beëindigen. Neem
contact op met een bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningsticker (zie pagina 150
voor de positie). Als de bandenspanning te
hoog is, moet u lucht uit de band laten
ontsnappen met behulp van de
reduceerklep (8).
– Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
– Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in het
zijvak (3) terug.
– Leg de bandenreparatieset terug.
BELANGRIJK
De compressor mag niet langer dan tien minuten achtereen werken. Laat de compressor daarna afkoelen, omdat de kans op
oververhitting aanwezig is.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik.
07
159
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Bus met afdichtmiddel vervangen
De bus met het afdichtmiddel mag niet meer
worden gebruikt na het verstrijken van de
houdbaarheidsdatum (zie datumsticker (1)) of
het gebruik van de bandenreparatieset. Na
gebruik moet u de bus (6) met houder (8) en
luchtslang (10) vervangen.
07
U kunt de vervanging in een erkende Volvowerkplaats laten uitvoeren of dit zelf doen volgens de aanwijzingen.
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de bus.
160
WAARSCHUWING
Zorg dat de compressor niet aangesloten is
op de 12V-aansluiting bij het vervangen van
de bus.
Bus vervangen voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Draai de bus (6) los en verwijder deze.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe bus intact is. Draai de bus vast.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
Behandel de vervangen bus als klein chemisch afval (KCA).
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Bus en slang na gebruik vervangen
– Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
– Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3) los
en verwijder deze.
– Duw de knop (8) omlaag terwijl u de
bus (6) met houder (9) rechtsom draait en
ze verwijdert.
– Trek de luchtslang (10) los.
– Veeg het resterende afdichtmiddel met
een doek af of gebruik een krabber als het
middel al enigszins ingedroogd is.
– Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
– Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe bus intact is. Draai de houder (9)
op de bus (6) vast en draai deze linksom
vast totdat u een klik hoort.
– Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
– Breng de snelheidssticker (4) en een nieuwe datumsticker (1) op de bandenreparatieset aan.
07
De lege bus en luchtslang zijn te behandelen
als normaal afval.
161
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Variant 2
Overzicht
7. Luchtslang
8. Bus met afdichtmiddel
9. Manometer
10. Handschoenen
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
– De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
– Sluit de kabel aan op een van de 12Vaansluitingen in de auto en start de motor.
WAARSCHUWING
Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende geventileerd zijn.
07
1.
2.
3.
4.
5.
6.
162
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje dop)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
– Start de compressor door de knop in
stand I te zetten.
– Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
– Plaats het ventieldopje terug.
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
– Trek de handschoenen aan.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
– Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
– Zet de knop in stand I.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen.
Beëindig in dat geval de rit. Neem contact
op met een erkende bandenreparateur.
N.B.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 s weer dalen.
– Vul de band 7 minuten lang met
afdichtmiddel.
– Draai de bus in de bushouder vast.
BELANGRIJK
Zie de afbeelding op pagina 162 voor informatie
over de werking van de onderdelen.
– Open het deksel van de bandenreparatieset.
– Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de
sticker op het stuurwiel.
– Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
Draai na het gebruik de bus niet uit de bushouder, aangezien er vloeistofresten naar
buiten kunnen lopen.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan
10 minuten achtereen werken.
07
– Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
– Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
– Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen.
De bandenspanning dient minimaal
1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
163
07 Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende bandenreparateur.
– Schakel de compressor uit en trek de
kabel los uit de 12V-aansluiting.
– Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
– Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
07
164
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
– Sluit de uitrusting opnieuw aan.
– Lees de bandenspanning van de manometer af.
– Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een bandenreparateur.
– Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
– Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
N.B.
Laat de bus in de bushouder zitten om morsen tegen te gaan.
WAARSCHUWING
Rijd voorzichtig! Houd na gebruik van de
provisorische bandenreparatieset een
maximumsnelheid aan van 80 km/h. Vervang de tijdelijk afgedichte band zo spoedig
mogelijk (maximale rijafstand 200 km).
Bus met afdichtmiddel vervangen
– Leg de bandenreparatieset in de kofferbak
terug.
N.B.
Vervang de fles met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
– Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats om de beschadigde
band te laten vervangen. Geef aan het
werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit.
Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus
als klein chemisch afval (KCA).
BELANGRIJK
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de onderkant van de bus.
07 Wielen en banden
07
165
Schoonmaken ......................................................................................... 168
Lakschade herstellen .............................................................................. 171
Roestwering ............................................................................................ 172
166
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij
het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet direct in de richting van de
sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Vogelpoep verwijderen
08
168
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen ver-
kleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te
herstellen door de vakman.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten waardoor
de remwerking afneemt.
BELANGRIJK
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter op dat een wasbeurt in een automatische
wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
goede wasbeurt met de hand, omdat de borstels van de wasstraat niet overal even goed
bij kunnen.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het rempedaal, wanneer u lange periodes door regen of
sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en droogt u
de remblokken. Doe dit ook bij het wegrijden
onder zeer vochtige of koude weersomstandigheden.
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de Volvodealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
08 Verzorging
Schoonmaken
Elektrisch bedienbare hardtop
Als u de hardtop nat opent, zal er water in de
passagiersruimte lopen. Wacht daarom totdat
al het water van de hardtop is gelopen, voordat u de hardtop opent.
Afdekking
De afdekking (zie pagina 80) is gevoelig voor
water en daarom moet u een natte afdekking
met een doek afdrogen.
Maak voor het schoonmaken gebruik van een
licht bevochtigde doek.
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig
op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van het gebruik van
dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met
een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
De leren bekleding van Volvo is voorzien van
een speciale laag die bescherming biedt tegen
vuil. Bij schoonmaak van het leer wordt de beschermende laag hersteld die door vet en vuil
werd aangetast. Er bestaat een complete serie
verzorgingsproducten voor leren bekleding.
Volvo biedt een leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en
de beschermende laag kunt herstellen.
BELANGRIJK
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Voor het beste resultaat adviseert Volvo de
beschermende crème twee- tot viermaal per
jaar op te brengen.
Vraag bij de Volvo-dealer naar het leerverzorgingsproduct van Volvo.
08
169
08 Verzorging
Schoonmaken
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng wat van het leerreinigingsproduct
op een vochtige spons aan en knijp erin
om een dikke laag schuim te krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet!
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op leren bekleding
– Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
– Laat het leer vervolgens 20 minuten drogen alvorens erop plaats te nemen.
– Daarmee is het leer beter beschermd
tegen vlekken en voorzien van een uvfilter.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
08
170
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd, dat verkrijgbaar is
bij de Volvo-dealer. Krab of wrijf nooit over
een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
Typeplaatje
Benodigdheden
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt. De code voor de autolak (1) staat op
het typeplaatje (zie pagina 228).
•
•
•
•
tacte laklaag over is, volstaat het om na verwijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zo veel mogelijk lakresten te
verwijderen.
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
– Poets na enkele dagen de herstelde lak
op. Gebruik daarvoor een zachte doek
met een geringe hoeveelheid schuurpasta.
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
08
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een in-
171
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. Laat de auto daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto een nabehandeling nodig heeft.
08
172
08 Verzorging
08
173
Volvo Service .......................................................................................... 176
Onderhoud .............................................................................................. 177
Motorkap en motorruimte ....................................................................... 178
Dieselolie................................................................................................. 179
Oliën en vloeistoffen................................................................................ 180
Wisserbladen .......................................................................................... 185
Accu ........................................................................................................ 186
Gloeilampen vervangen........................................................................... 188
Zekeringen .............................................................................................. 194
174
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo opvolgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Laat serviceen reparatiewerkzaamheden door een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvowerkplaatsen beschikken over het personeel,
het speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
176
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u servicewerkzaamheden
aan het elektrische systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de
elektronische systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrisch systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Het is mogelijk dat er één of meer computers
op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen vastleggen. Deze informatie is bestemd voor onderzoek ter verbetering van de
veiligheid en voor het opsporen van storingen
in de autosystemen. De informatie kan gegevens bevatten over zaken als het gebruik van
de veiligheidsgordel door de bestuurder en de
passagier(s), gegevens over de werking van
verschillende autosystemen en -modules en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke
informatie kan gegevens bevatten (maar niet
uitsluitend) als de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De
laatstgenoemde informatie kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de opgeslagen informatie niet zonder uw toestemming
vrijgeven. Volvo Car Corporation kan echter
op last van de nationale wetgeving gedwongen worden om bepaalde informatie te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen Volvo
Car Corporation en de erkende Volvowerkplaatsen de informatie kunnen uitlezen en
gebruiken.
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Alvorens met de werkzaamheden te
beginnen
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
Volvo-dealer.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet
daarom altijd de auto van het contact bij
werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact is aangezet of als de motor
warm is.
09
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
177
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep helemaal links onder het dashboard (of helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). U hoort dat de slotpal losschiet.
– Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
– Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
Motorruimte
1. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(4-cil.)
2. Expansiereservoir voor koelsysteem
3. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof (verborgen achter de koplamp)
4. Peilstok voor motorolie1
5. Radiateur
6. Koelventilator
7. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
(5-cil.)
1 Afhankelijk
178
van het motortype.
8. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur rechts)
9. Vulopening voor motorolie1
10. Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (auto met stuur links)
11. Accu
12. Relais- en zekeringenkastje,
motorruimte
13. Luchtfilter 1
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
dubieuze kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen. De
grote oliemaatschappijen produceren speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming.
Het risico van condens in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden gedekt
door de garanties van Volvo.
09
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als u de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II laat staan voordat u een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan, ontdoet
het brandstoffilter de brandstof van condenswater.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
179
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
Olie verversen en oliefilter vervangen
Volvo adviseert olieproducten van
. Houd voor het verversen van de
olie en het vervangen van het oliefilter de intervallen aan die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Peilstok, benzinemotoren
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruime). Controleer
het oliepeil vaak en ververs de olie regelmatig. De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in
de motorruimte vermeldt (zie pagina 231).
180
Peilstok, dieselmotoren
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als verversen van olie.
Een negatieve invloed op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders
niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de
oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Op bepaalde modellen zijn beide systemen aanwezig. Neem
voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-dealer.
Peil controleren
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft
aan bij welke kilometerstand u de olie moet
verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om
de 2500 km te controleren. De beste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
– Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje
dan bij het MIN-streepje op de peilstok
ligt. Zie pagina 231–232 voor de aan te
houden hoeveelheid.
09
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet de motor af en wacht ten
minste 10–15 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat
de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het
MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 231–232 voor de aan te houden
hoeveelheid.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
181
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
N.B.
Koelvloeistof controleren en bijvullen
Meng het antivries met water, voordat u
koelvloeistof bijvult.
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof1.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
– Vulopening op viercilinder- en dieselmodellen
– Vulopening op vijfcilindermodellen
Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest. Zie pagina 234
voor de hoeveelheden.
1 Afhankelijk
182
van het motortype.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende
weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit
alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer het percentage koelvloeistof te laag is als wanneer
het te hoog is.
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van
Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van
koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
Zie pagina 234 voor de hoeveelheden.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Rem- en koppelingsvloeistof controleren en bijvullen
09
dient u de remvloeistof ieder jaar te
verversen.
WAARSCHUWING
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade (scheurvorming) in de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
N.B.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir 1. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan. Controleer het
peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de
twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 234 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
1 Positie
verschilt op auto’s met het stuur links
en rechts
183
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
U hoeft de vloeistof niet te verversen. Zie
pagina 234 voor de hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaarder
sturen dan normaal en er is meer kracht nodig
om het stuurwiel te verdraaien.
184
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
09
Wisserbladen voorruit vervangen
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
– Klap de wisserarm omhoog.
– Druk op de knop die op de wisserbladbevestiging zit en trek het blad, evenwijdig
aan de wisserarm, recht naar buiten (1).
– Schuif het nieuwe wisserblad naar binnen
(2) totdat het vastklikt.
– Controleer (3) of het blad goed vastzit.
– Klap de wisserarm omlaag.
185
09 Onderhoud en service
09
Accu
Onderhoud van de accu
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen, en zo schade aan de
auto en letsel te veroorzaken. De accu
bevat ook zwavelzuur, wat ernstige corrosieve verwondingen door etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in de ogen krijgt, of
op uw huid of uw kleren morst, moet u meteen met grote hoeveelheden water spoelen.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in de ogen krijgt.
Er kunnen twee soorten accu’s op de auto zitten.
De soorten zijn volledig uitwisselbaar.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
BELANGRIJK
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
186
Om de accu in optimale staat te houden:
• Controleer regelmatig of het accuvloeistofpeil in orde is (A) en vul nooit meer bij dan
tot aan het peilstreepje.
• Controleer alle cellen. Verwijder de celdoppen (of het deksel) met een schroevendraaier.
• Vul zo nodig bij met gedestilleerd water tot
aan het MAX-streepje.
• Breng de celdoppen (of het deksel) op de
juiste manier weer aan.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
09 Onderhoud en service
Accu
Symbolen op de accu
Explosiegevaar.
09
Accu vervangen
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Accu verwijderen
– Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen aanraakt (zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden).
– Verwijder de afdekking.
– Koppel de minkabel los.
– Koppel de pluskabel los.
– Haal met een schroevendraaier het voorpaneel van de accubak los.
– Haal de klem los waarmee de accu vastzit.
– Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
– Til de accu op zijn plaats.
– Breng de klem aan waarmee de accu
vastzit.
– Plaats het voorpaneel van de accubak
terug.
– Sluit de pluskabel aan.
– Sluit de minkabel aan.
– Breng de afdekking op de accu aan.
187
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 239 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn:
• Interieurverlichting aan het plafond
• leeslampjes en verlichting dashboardkastje
• richtingaanwijzers, buitenspiegels en
Approach-verlichting
• Derde remlicht
• Bi-Xenonkoplampen
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenonkoplampen, moet u de xenonlamp door een erkende Volvo-werkplaats laten vervangen.
Omdat de Bi-Xenonkoplampen voorzien
zijn van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, dient u er voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaan.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve die voor het dimlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
Lamphuis losmaken:
– Neem de contactsleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
– Trek de borgpen (1) van het lamphuis omhoog.
– Trek het lamphuis opzij en vervolgens naar
voren (2).
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
188
– Koppel de connector los door de clip met
uw duim (3) in te drukken en tegelijkertijd
met uw andere hand de connector (4) los
te halen.
– Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Lamphuis aanbrengen:
– Sluit de connector aan en plaats het lamphuis alsmede de borgpen terug. Controleer of u de borgpen op de juiste manier
hebt ingebracht.
– Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in positie vastzitten, voordat u de verlichting inschakelt of de contactsleutel in het contactslot steekt.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Dimlicht
Afdekking en gloeilamp vervangen
– Haal het lamphuis in zijn geheel los.
– Haal de borgklemmen opzij en verwijder
afdekking.
– Koppel de connector van de gloeilamp
los.
– Maak de veerklem los waarmee de gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar links
zodat hij loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp eruit.
– Plaats het lamphuis terug.
09
Groot licht
Nieuwe gloeilamp aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op één manier worden aangebracht.
– Duw de veerklem omhoog en iets naar
rechts, zodat deze in positie vastklikt.
– Duw de connector in positie terug.
– Plaats de kunststof afdekking terug.
– Plaats het lamphuis terug.
– Haal het lamphuis in zijn geheel los.
– Linker koplamp:
Draai de lamphouder linksom.
Rechter koplamp:
Draai de lamphouder rechtsom.
– Trek de lamphouder naar buiten toe en
vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. De lamphouder kan slechts op één manier worden
teruggeplaatst.
– Plaats het lamphuis terug.
189
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
– Trek de lamphouder met een tang naar
buiten. Trek de lamphouder niet aan de
kabel naar buiten.
– Vervang de gloeilamp.
– Duw de lamphouder terug. De lamphouder kan slechts op één manier worden
teruggeplaatst.
190
Richtingaanwijzers
Zijmarkeringslicht
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelijkertijd
linksom te draaien.
– Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in
het lamphuis terug.
– Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug. De lamphouder kan slechts op één manier worden
aangebracht.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistlampen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder het paneel dat om het lamphuis
zit.
– Draai beide torx-boutjes uit het lamphuis
los en neem het lamphuis eruit.
– Koppel de connector van de gloeilamp
los.
– Draai de gloeilamp linksom en trek hem
naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
– Sluit de connector op de gloeilamp aan.
– Zet het lamphuis met de boutjes vast en
duw het paneel terug.
Lamphouder achterlamphuis
verwijderen
Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn via
de kofferbak te vervangen. Schakel alle lichten
uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
N.B.
Als de foutmelding STORING LAMPJE/
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
09
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
Lamphouder
1. Remlicht
2. Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
3. Mistachterlicht (een zijde)
N.B.
De gloeilamp voor het mistachterlicht is
slechts in een van de achterlamphuizen
aanwezig. Dit is het linker achterlamphuis
bij auto’s met het stuur links en het rechter
achterlamphuis bij auto’s met het stuur
rechts.
4. Richtingaanwijzer
5. Achteruitrijlicht
191
09 Onderhoud en service
09
192
Gloeilampen vervangen
Kentekenplaatverlichting
Instapverlichting
Kofferbak
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de boutjes los met een schroevendraaier.
– Haal het glas voorzichtig los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats het glas terug en schroef het vast.
– De instapverlichting vindt u onder het
dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats de lens terug.
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp en breng
een nieuwe aan.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas verwijderen:
– Steek in het midden aan de onderkant een
schroevendraaier achter het glas. Wrik het
borgnokje op de rand voorzichtig los.
– Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
– Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
– Verwijder de kapotte gloeilamp en vervang
deze.
Spiegelglas aanbrengen:
– Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer terug.
– Duw vervolgens de onderste drie vast.
09
Interieurverlichting achterin
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de kapotte gloeilamp en breng
een nieuwe aan.
193
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Algemene informatie
Vervangen
Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door
een aantal zekeringen beschermd.
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
• Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
• Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte.
194
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een
aantal reservezekeringen. Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent dit dat
het bijbehorende onderdeel een storing vertoont. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats voor het uitvoeren van een
controle.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
Het zekeringenkastje biedt plaats aan 36 zekeringen. Let erop dat u een
doorgebrande zekering altijd vervangt door een nieuwe zekering met
dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
• 19 —36 zijn van type “MiniFuse”.
• 7—18 zijn van het type “JCASE” en moeten worden vervangen door
een erkende Volvo-werkplaats.
• 1—6 zijn van het type “Midi Fuse” en moeten worden vervangen door
een erkende Volvo-werkplaats.
Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
195
09 Onderhoud en service
09
196
Zekeringen
1. Koelventilator .............................................................................. 50 A
2. Stuurbekrachtiging ............................................................... 80 A
12. Voeding voor elektrische achterruitverwarming .................... 30 A
13. Relais startmotor ................................................................. 30 A
3. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................................................. 60
4. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................................................. 60
5. Element klimaatregeling, extra verwarming PTC (optie) ........ 80
6. Gloeibougies (diesel) ............................................................ 70
7. ABS-pomp ........................................................................... 30
8. ABS-ventielen ...................................................................... 20
9. Motorfuncties ....................................................................... 30
10. Ventilator klimaatregeling ..................................................... 40
11. Koplampsproeiers, elektrisch bedienbare hardtop,
afsluitbaar opbergvak en doorsteekluik ................................ 20
14. Bedrading aanhanger........................................................... 40 A
15. Elektrisch bedienbare hardtop ............................................. 30 A
A
A
A
A
A
A
A
A
A
16. Voeding voor infotainment ................................................... 30 A
17. Ruitenwissers ...................................................................... 30 A
18. Voeding voor relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte.............................................................. 40 A
19. Reservepositie ........................................................................... 20. Claxon ................................................................................. 15 A
21. Standverwarming op brandstof, interieurverwarming ........... 20 A
22. Subwoofer ........................................................................... 25 A
23. Regeleenheid motor ECM (5-cil. benzine)/regeleenheid voor
transmissie (TCM) ................................................................ 10 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
24. Elektrisch verwarmd brandstoffilter, PTC-element olievanger
(diesel) ................................................................................. 20 A
25. Reservepositie .......................................................................... 26. Contactslot .......................................................................... 15 A
27. Compressor voor airconditioning ......................................... 10 A
28. Reservepositie .......................................................................... 29. Mistlampen vóór, ................................................................. 15 A
30. Reservepositie .......................................................................... 31. Reservepositie .......................................................................... 32. Injectoren (benzine), luchtmassameter
en turboregeling (diesel) ....................................................... 10 A
33. Lambdasonde, vacuümpomp (benzine),
regeleenheid motor (diesel) .................................................. 20 A
34. Drukschakelaar klimaatregeling, bobines (benzine),
gloeibougies en uitlaatgasreiniging EGR (diesel) ................... 10 A
35. Motorsensor voor kleppen, relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger (benzine), regeleenheid motor ECM
(diesel), koolstoffilter (benzine),
MAF luchtmassameter (benzine) ........................................... 15 A
36. Regeleenheid motor ECM (niet diesel),
gaspedaalsensor lambdasonde (diesel) ................................ 10 A
197
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in passagiersruimte
Er is plaats voor 50 zekeringen. De zekeringen zitten onder het dashboardkastje. Er is tevens plaats voor een aantal reservezekeringen. In
het relais- en zekeringenkastje in de motorruimte vindt u een speciale
trekker waarmee u de zekeringen kunt vervangen (zie pagina 195).
Zekering vervangen
– Verwijder de interieurbekleding die het zekeringenkastje afdekt
door eerst de middelste pen in de bevestigingsclips (1) ca. één cm
in te duwen en deze vervolgens naar buiten te trekken.
– Draai beide vleugelbouten (terwijl u het zekeringenkastje
vasthoudt) (2) linksom totdat ze los zijn.
– Klap het zekeringenkastje (3) tot halverwege omlaag. Trek het zo
ver in de richting van de stoel dat het niet verder kan. Klap het
198
vervolgens volledig omlaag. Het zekeringenkastje kan in zijn geheel
losgehaakt worden.
– Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde volgorde.
– Trek de middelste pen volledig uit de bevestigingsclips, zet de
bekleding met de bevestigingsclips vast en duw de losse pen weer
in de bevestigingsclips. De bevestigingsclips zetten dan uit, waardoor de bekleding vast komt te zitten.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
37. Reservepositie .......................................................................... 38. Reservepositie .......................................................................... 39. Reservepositie .......................................................................... 40. Reservepositie .......................................................................... 41. Reservepositie .......................................................................... 42. Reservepositie .......................................................................... 43. Telefoon, audio, RTI (optie) .................................................. 15 A
44. SRS-systeem ....................................................................... 10 A
45. Elektrische aansluiting interieur ............................................ 15 A
46. Verlichting passagiersruimte, verlichting
dashboardkastje en instapverlichting .....................................5 A
47. Interieurverlichting .................................................................5 A
09
48. Sproeiers ............................................................................. 15 A
49. SRS-systeem ....................................................................... 10 A
50. Reservepositie ........................................................................... 51. Parkeerhulp, extra verwarming voor interieur,
Bi-Xenon (optie) ................................................................... 10 A
52. Regeleenheid transmissie (TCM), ABS-systeem ..................... 5 A
53. Stuurbekrachtiging .............................................................. 10 A
54. Regeleenheid motor ECM (5-cil.) .......................................... 10 A
55. Reservepositie .......................................................................... 56. Regeleenheid sirene ............................................................ 10 A
57. Diagnose-aansluiting, remlichtschakelaar ............................ 15 A
58. Groot licht rechts, relaisspoel verstralers ............................ 7,5 A
199
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
59. Groot licht links ................................................................... 7,5 A
60. Stoelverwarming bestuurderszijde ....................................... 15 A
61. Stoelverwarming passagierszijde ......................................... 15 A
62. Reservepositie .......................................................................... 63. Voeding elektrisch bedienbare ruit, rechtsachter .................. 20 A
64. Led voor portiersloten, RTI .....................................................5 A
65. Infotainment ...........................................................................5 A
66. Regeleenheid voor Infotainment (ICM), klimaatregeling ........ 10 A
67. Reservepositie .......................................................................... 68. Cruisecontrol ......................................................................... 5 A
69. Klimaatregeling, regensensor .................................................5 A
70. Reservepositie .......................................................................... 71. Reservepositie .......................................................................... 72. Reservepositie .......................................................................... 73. Console voor interieurverlichting (OHC),
gordelwaarschuwing achterin .................................................5 A
74. Brandstofpomprelais ............................................................ 15 A
75. Reservepositie .......................................................................... 76. Reservepositie .......................................................................... 77. Elektrische aansluiting kofferbak,
regeleenheid accessoires (AEM) ........................................... 15 A
78. Reservepositie .......................................................................... 79. Achteruitrijlicht .......................................................................5 A
80. Reservepositie .......................................................................... 81. Voeding elektrisch bedienbare ruit, linksachter..................... 20 A
82. Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier, rechtsvoor ..... 25 A
83. Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier, linksvoor ........ 25 A
200
84. Elektrisch bedienbare passagiersstoel ................................. 25 A
85. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ............................... 25 A
86. Interieurverlichting, kofferbakverlichting,
elektrisch bedienbare stoelen ................................................ 5 A
09 Onderhoud en service
09
201
Algemene informatie ...............................................................................204
Audiofuncties ..........................................................................................205
Radiofuncties ..........................................................................................207
Cd-functies ............................................................................................. 211
Menusysteem, audiosysteem ................................................................. 213
Telefoonfuncties (optie) ........................................................................... 214
Menusysteem, telefoon...........................................................................221
202
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
10
audiosysteem ingeschakeld totdat u de sleutel
uit het contactslot neemt. De volgende keer
dat u de sleutel naar stand I draait, zal het audiosysteem automatisch worden ingeschakeld.
Menufuncties
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegankelijk via een menusysteem. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het display.
• Met MENU (4) opent u het menusysteem.
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties1. Het Infotainmentsysteem is eenvoudig te bedienen vanaf het
bedieningspaneel en de toetsenset1 op het
stuurwiel (zie pagina 55). Op het display (2)
verschijnen meldingen en informatie over de
actieve functie.
Audiosysteem
Aan/uit
Met POWER (1) schakelt u het audiosysteem
in of uit. Als het audiosysteem actief is terwijl u
de contactsleutel naar stand 0 draait, blijft het
1 Optie
204
• Met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
• Met ENTER (7) kiest u of activeert/deactiveert u een menu-optie.
• Met EXIT (6) gaat u een stap terug binnen
het menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
mance, High Performance en Premium
Sound. Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust
met AM/FM-radio met RDS en een cd-speler.
Dolby Surround Pro Logic II
Dolby Surround Pro Logic II2 verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidsprekers links, midden, rechts en achterin. Dit levert een realistischer geluidsweergave op dan
bij normale tweekanaals stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-symbool zijn handelsmerken
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround
Pro Logic II Systeem is vervaardigd onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de
toetsenset (3).
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen. De verkrijgbare uitvoeringen zijn: Perfor-
2 Premium
Sound
10 Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van AM/FM
loopt u de standen FM1, FM2 en AM door. Bij
herhaalde malen indrukken van MODE loopt u
de standen CD en AUX door.
AUX1
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten.
Soms wijkt het volume waarop de externe geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van dat
van de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het ingangsvolume van de
externe geluidsbron (AUX) aan te passen:
– Zet het audiosysteem in de stand AUX met
de knop MODE.
10
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar AUX volume en druk op ENTER.
– Draai aan TUNING of druk op pijl-rechts/
pijl-links van de navigatieknop.
Audio-instellingen
1.
2.
3.
4.
5.
Audio-instellingen bijregelen
Door te drukken op de knop SOUND kunt u
VOLUME – Draaiknop
AM/FM – Geluidsbron kiezen
MODE – Geluidsbron kiezen, CD/AUX
TUNING – Draaiknop
SOUND – Toets
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op het
stuurwiel om het volume te regelen (zie
pagina 55). Het geluidsvolume wordt automatisch afgestemd op de snelheid van de auto
(zie. pagina 206).
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
1 High
Performance en Premium Sound.
de onderstaande opties doorlopen. U stelt de
opties in door aan de TUNING te draaien.
• BAS – Niveau van de lage tonen.
• TREBLE – Niveau van de hoge tonen.
• FADER – Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
• BALANS – Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
• SUBWOOFER2 – Niveau voor lagetonenluidspreker. De subwoofer moet ingeschakeld zijn om het niveau bij te kunnen
regelen (zie pagina 206).
2
Optie
205
10 Infotainment
Audiofuncties
10
• MIDDEN1 – Niveau voor de middenluidspreker. Driekanaals stereoweergave of Pro
Logic II moet zijn ingeschakeld om het
niveau bij te kunnen regelen (zie
pagina 206).
• SURROUND1 – Niveau voor de zogeheten
Ambient Surround Sound. Driekanaals stereoweergave of Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om het niveau bij te kunnen
regelen (zie pagina 206).
Subwoofer activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Subwoofer en druk op ENTER.
Surround
De Surround-instellingen1 zijn bepalend voor het ruimtelijke effect van
de geluidsweergave. De instellingen
voor de verschillende geluidsbronnen worden elk apart vastgelegd.
Het Dolby-symbool op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic II actief is. De Surroundfunctie kent drie verschillende standen:
• Pro Logic II
• 3-kanaals
• Uit – 2-kanaals
1 Premium
206
Sound
Surround-functie activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Surround FM/AM/CD/AUX en
druk op ENTER.
– Ga naar Pro Logic II2, 3-kanaals of Uit en
druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter
Met de equalizer3 kunt u de geluidsweergave
vóór en achter apart bijregelen.
Equalizer bijregelen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Equalizer voor of
Equalizer achter en druk op ENTER.
– De balken op het display geven het geluidsniveau van de verschillende frequenties aan.
– Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl-omlaag/pijl-omhoog van de navigatieknop. Met de pijl-links/pijl-rechts van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
2 Niet
– Leg de instelling vast met ENTER of annuleer uw keuze met EXIT.
Automatische volumeregeling
Automatische volumeregeling houdt in dat het
volume van de beluisterde geluidsbron wordt
afgestemd op de snelheid van de auto. U hebt
de keuze uit drie standen4: Laag, Medium en
Hoog.
Automatische volumeregeling instellen
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Audio-instellingen en druk op
ENTER.
– Ga naar Automatische volumeregeling
en druk op ENTER.
– Ga naar Laag, Medium of Hoog en druk
op ENTER.
Automatische geluidsregeling
De akoestische eigenschappen van het interieur veranderen bij een toename van de rijsnelheid of bij het openen van de hardtop. Voor
optimale geluidsweergave wordt de geluidsregeling daarom automatisch afgestemd op de
situatie. Bij een geopende hardtop vindt de
geluidsregeling volledig automatisch plaats.
beschikbaar in de standen AM en FM.
3 Bepaalde
systeemuitvoeringen
4 Uitgezonderd
Performance Sound.
10 Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
– Druk kort op de pijl-links of pijl-rechts van
de navigatieknop (5).
Handmatig zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
– Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
1. FM/AM – Frequentieband kiezen
2. Voorkeurtoetsen
3. TUNING – Draaiknop voor het zoeken
van zenders
4. SCAN – Scannen
5. Navigatieknop – Zenders zoeken en menusysteem gebruiken
6. EXIT – Actieve functie beëindigen
7. AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Zenders zoeken
Automatisch zenders zoeken
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Het is ook mogelijk een zender op te slaan
door lang op de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop te drukken of via de toetsenset
op het stuurwiel:
– Houd de pijl-links of pijl-rechts van de
navigatieknop ingedrukt totdat de gewenste frequentie op het display verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het display
staat kunt u verder zoeken door de pijl-links of
pijl-rechts van de navigatieknop (5) kort in te
drukken.
Voorkeurzenders vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft twee geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en
FM2. U kiest een voorkeurzender met de
voorkeurtoetsen (2) of met de toetsenset op
het stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
– Stem af op een zender.
– Houd een van de voorkeurtoetsen ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te ontvan-
10
gen radiozenders opzoeken en ze automatisch vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze functie is met name handig in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
– Kies de frequentieband met AM/FM (1).
– Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat Autom.
opslaan op het display verschijnt.
Wanneer Autom. opslaan van het display verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de
tekst Auto verschijnt op het display. De automatisch vastgelegde voorkeurzenders zijn
vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen (2).
Automatische vastlegfunctie beëindigen
– Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastgelegde voorkeurzenders.
– Druk kort op AUTO (7).
De tekst Auto verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets (2).
207
10 Infotainment
Radiofuncties
10
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u de toetsen AUTO (7), EXIT (6) of AM/
FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde voorkeurzenders in andere geheugenbank opslaan
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de geheugenbanken voor FM of AM.
– Druk kort op de toets AUTO (7).
De tekst Auto verschijnt op het display.
– Druk op een voorkeurtoets.
– Druk op de voorkeurtoets waaraan u de
voorkeurzender wilt koppelen en houd de
toets ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De radio verlaat de automatische stand waarna u de vastgelegde voorkeurzender kunt gebruiken.
Scannen
Met SCAN (4) wordt een frequentieband automatisch doorzocht op goed te ontvangen zenders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. acht seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
– Kies de frequentieband met AM/FM.
– Druk op SCAN om de functie te activeren.
De tekst SCAN verschijnt op het display.
Beëindig de functie met een druk op SCAN of
EXIT.
208
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Terwijl de functie Scan actief is, kunt u een gevonden zender als voorkeurzender vastleggen.
– Druk op een voorkeurtoets en houd deze
ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen op het display verschijnt.
De Scan-functie wordt beëindigd waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FMzenders in een netwerk met elkaar. Een FMzender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
• Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
• Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
• Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de stand FM kunt u radiozenders met een bepaald programmatype zoeken. Als er een zender met het gewenste programmatype is aangetroffen, kan de radio ver-
volgens op deze zender overschakelen en de
weergave van de actieve geluidsbron onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld actief is,
wordt de weergave daarvan tijdelijk onderbroken. De uitzending met het gekozen programmatype wordt weergegeven op een vooraf bepaald volume (zie pagina 210). Na afloop van
de uitzending van het gekozen programmatype geeft de radio de voorgaande geluidsbron opnieuw weer op het volume dat u daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatypes (PTY) worden in volgorde
van belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt
dat alarm de hoogste prioriteit geniet en de
programmatypes de laagste. Zie EON en REG
op pagina 210 voor meer informatie over het
onderbreken van uitzendingen. U kunt van
programmafunctie veranderen via het menusysteem (zie pagina 204).
Weergave van onderbroken geluidsbron
hervatten
Druk op EXIT om de weergave van de onderbroken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk
onderbreken of deactiveren. De melding
ALARM! verschijnt op het display, wanneer er
een alarmmelding wordt verzonden.
10 Infotainment
Radiofuncties
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het
RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De tekst TP geeft aan dat de functie
actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display.
TP activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor verkeersinformatie via de (actuele) zender die u beluistert of via
alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
– Ga naar TP-zender en druk op ENTER.
Een van de meldingen TP van deze zender of
TP van alle zenders verschijnt op het display.
– Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u tijdens lange ritten een andere geluidsbron dan
de radio beluistert. De functie speurt dan automatisch verschillende RDS-netwerken af op
zoek naar verkeersinformatie.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar TP en druk op ENTER.
– Ga naar TP zoeken en druk op ENTER.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met nieuws via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. De
tekst NEWS geeft aan dat de functie actief is.
Nieuws activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Nieuws en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuitzending via de (actuele) zender die u beluistert of
via alle zenders.
– Kies een FM-zender.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Nieuwszender en druk op ENTER.
Een van de meldingen
Nieuws van deze zender of
Nieuws van alle zenders verschijnt op het
display.
– Druk op ENTER.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals Popmuziek en
Klassieke muziek. Het symbool
PTY geeft aan dat de functie actief is. Bij activering van de functie wordt de weergave van
de actieve geluidsbron onderbroken voor een
uitzending van het gekozen programmatype
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd.
10
PTY activeren/deactiveren
– Kies FM1 of FM2 met de toets FM/AM.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY selecteren en druk op ENTER.
Er verschijnt een lijst met programmatypes:
Actualiteiten, Informatie enz. U activeert de
functie PTY door een programmatype te kiezen en deactiveert de functie door alle PTY’s
te wissen.
– U kunt de gewenste programmatypes kiezen of Alle PTY’s wissen.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de gehele
frequentieband doorzocht op uitzendingen
van het gekozen programmatype.
– Activeer de functie PTY.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY zoeken en druk op ENTER.
209
10 Infotainment
Radiofuncties
10
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| Om te zoeken op het display. Met een druk
op de pijl-rechts van de navigatieknop wordt
verder gezocht naar een andere uitzending
van een van de gekozen programmatypes.
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
N.B.
Niet alle radiozenders ondersteunen deze
functie.
Weergave activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar PTY en druk op ENTER.
– Ga naar PTY weergeven en druk op
ENTER.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op
het display worden weergegeven.
Radiotekst activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Radiotekst en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de afstemfunctie AF wordt er
automatisch afgestemd op het sterkste signaal voor een bepaalde radiozender. Soms
210
moet de radio de gehele FM-band doorzoeken om een sterk zendersignaal te vinden. In
dat geval valt de radio stil en verschijnt de
tekst PI zoeken Exit = annuleren op het display.
AF activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar AF en druk op ENTER.
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender afgestemd te blijven ondanks dat het
signaal zwak is. De tekst REG op het
display geeft aan dat de functie actief is. De
functie REG is normaal gesproken uitgeschakeld.
REG activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Regionaal en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is met name handig in stedelijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radiozender bepalend voor de vraag of de weergave
van de actieve geluidsbron kan worden onderbroken voor uitzendingen van een bepaald
programmatype.
• Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij is.
• Afstand1 – Ook onderbreking als de zendmast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
• Uit – Geen onderbreking voor een uitzending van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar EON en druk op ENTER.
– Ga naar Plaatselijk, Afstand of Uit en druk
op ENTER.
RDS-functies resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Geav. radio-instellingen en druk
op ENTER.
– Ga naar Reset alles en druk op ENTER.
Volumeregeling programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype worden weergegeven op
het volume dat voor het programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume vastgelegd voor de volgende onderbreking.
1
Default/Fabrieksinstelling
10 Infotainment
Cd-functies
Bediening cd-functies
cd in de invoeropening en schakel over op de
stand CD door op MODE te drukken.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is gekozen, gaat de weergave automatisch van
start wanneer u het audiosysteem inschakelt.
Schakel als dat niet het geval is over op de cdwisselaarstand met MODE en selecteer een
cd met de cijfertoetsen 1–6 of gebruik de
pijl-omhoog/pijl-omlaag van de navigatieknop.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
– Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
1–6 of met de pijl-omlaag/pijl-omhoog
van de navigatieknop.
1. Navigatieknop – Vooruit-/achteruitspoelen, track selecteren en navigeren in menusysteem
2. Positie in cd-wisselaar kiezen 1
3. Cd aanbrengen en uitwerpen
4. Opening voor het invoeren en uitwerpen
van cd’s
5. MODE – Geluidsbron selecteren (CD of
AUX)
6. TUNING – Draaiknop voor het kiezen
van een track
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audiosysteem in de stand CD zet. Steek anders een
1
High Performance en Premium Sound
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De tekst Disc plaatsen geeft aan dat u
een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s.
– Steek een cd in de invoeropening van de
cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt 12 seconden de tijd om een uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd na afloop van
deze periode nog in de cd-speler zit, wordt de
cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
Met een korte druk op de uitwerptoets (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst Werp uit alles.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
10
Muziekbestanden1
De cd-speler ondersteunt ook muziekbestanden in mp3- en wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbeveiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele mapstructuur op de cd automatisch geladen. Afhankelijk van de kwaliteit van de cd kan het
enige tijd duren voordat de weergave van start
gaat.
Navigeren en afspelen
Als er een schijf met muziekbestanden in de
cd-speler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur openen. U navigeert op dezelfde
manier in de mapstructuur als in de menustructuur van het audiosysteem. Muziekbestanden worden aangeduid met het symbool
en
mappen met
. Met een druk op ENTER
gaat het afspelen van de muziekbestanden
van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map weergegeven. Nadat
alle bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
211
10 Infotainment
Cd-functies
10
Druk op de pijl-links/pijl-rechts van de navigatieknop, als het display niet breed genoeg is
om de naam van het muziekbestand in zijn geheel weer te geven.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op de pijl-rechts/pijl-links van de
navigatieknop te drukken kunt u de tracks/
muziekbestanden op een cd doornemen.
Door lang op dezelfde toetsen te drukken kunt
u tracks/muziekbestanden op een cd versneld
vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daarvoor
ook gebruik maken van TUNING (of van de
toetsenset op het stuurwiel).
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van ieder(e) track/muziekbestand op een cd de eerste tien seconden weergegeven. Druk op
SCAN om de functie te activeren. Beëindig de
functie met EXIT of SCAN om de weergave
van de actuele track/het actuele muziekbestand voort te zetten.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Op het display verschijnt een bepaalde melding afhankelijk van het type willekeurige afspeelvolgorde dat geselecteerd is:
• RANDOM houdt in dat de tracks/muziekbestanden op slechts één van de muziekcd’s worden afgespeeld.
• RND ALL houdt in dat alle tracks/muziekbestanden op alle muziek-cd’s in de cdspeler worden afgespeeld.
• RANDOM FOLDER houdt in dat de muziekbestanden in een willekeurige map op
de gekozen cd worden afgespeeld.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
– Tijdens het afspelen van een normale muziek-cd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Folder of Disc en druk op
ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Het alternatief Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziekbestanden:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
– Ga naar Enkele disc of Folder en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de
functie gedeactiveerd.
Cd-tekst
Eventuele titelgegevens op de cd kunnen via
het display worden weergegeven1.
Activeren/deactiveren
– Start de weergave van een cd.
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Tekst disc en druk op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van cd’s met een slechte kwaliteit
is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs helemaal uitblijft.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm af. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziekcd:
– Druk op MENU en daarna op ENTER.
– Ga naar Random en druk op ENTER.
1
212
Geldt alleen voor de cd-wisselaar.
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
Menu FM
1. Nieuws
2. TP
3. PTY
4. Radiotekst
5. Geavanc. radio-instellingen
2. Nieuws
3. TP
4. Audio-instellingen1
10
6. Audio-instellingen1
Menu AM
1. Audio-instellingen1
Menu CD
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Cd-tekst
5. Audio-instellingen1
Menu cd-wisselaar
1. Willekeurige afspeelvolgorde
2. Nieuws
3. TP
4. Cd-tekst
5. Audio-instellingen1
Menu AUX
1. AUX-volume
1 Bepaalde
systeemuitvoeringen
213
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
214
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Onderdelen van het telefoonsysteem
1. Antenne
2. Toetsenset op stuurwiel (optie)
Met de toetsenset kunt u de meeste functies
van het telefoonsysteem regelen (zie
pagina 216).
3. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel
geïntegreerd.
4. Bedieningspaneel op middenconsole
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies
van het telefoonsysteem (behalve het gespreksvolume) regelen.
5. Handset (optie)
6. Simkaartlezer
Algemene informatie
• De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
• Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
• Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
• Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatiewerkzaamheden aan het telefoonsysteem over aan een erkende Volvowerkplaats.
Simkaart
10
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
Noodoproep doen
– Activeer het telefoonsysteem.
– Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op ENTER.
IDIS
(Intelligent Driver Information System) Met het
IDIS-systeem kunt u een vertraging inbouwen
voor telefoongesprekken en sms-berichten,
zodat u zich op het rijden kunt concentreren.
Inkomende gesprekken en sms-berichten
kunnen vijf seconden worden vertraagd, voordat er verbinding tot stand wordt gebracht. De
gemiste gesprekken verschijnen op het display. IDIS kan worden uitgeschakeld met menufunctie 5.6.2 (zie pagina 222).
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). De kaart is verkrijgbaar bij verschillende providers. Neem bij problemen met de simkaart contact op met de
netwerkprovider.
Twee simkaarten
Veel netwerkproviders bieden een extra simkaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra simkaart kunt u in de auto gebruiken.
Simkaart aanbrengen
– Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
215
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
– Trek de simkaarthouder (1) uit de simkaartlezer.
– Plaats de simkaart dusdanig in de houder
dat de kant met het metaal zichtbaar is.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de
simkaarthouder.
– Duw de simkaarthouder voorzichtig weer
naar binnen.
Bediening telefoon
Toetsenset op stuurwiel
Menufuncties
Op pagina 204 vindt u een beschrijving van de
wijze waarop u de telefoonfuncties via het menusysteem kunt sturen.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn bepaalde delen
van het menusysteem voor de telefoon niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
U kunt een begonnen activiteit in het menusysteem echter nog wel beëindigen. Deze
snelheidsbegrenzing kan worden opgeheven
met de menufunctie 5.6.1 Menuvergrend (zie
pagina 221).
216
Bedieningspaneel in middenconsole
1. VOLUME – Het achtergrondvolume van
de radio e.d. regelen tijdens een gesprek
2. Cijfer- en lettertoetsen
3. MENU – Hoofdmenu openen
4. EXIT – Gesprekken beëindigen/weigeren, ingevoerde tekens wissen
5. Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
6. ENTER – Gesprekken aannemen, telefoon activeren die stand-by staat
7. PHONE – Aan/uit en stand-by
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen. Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst de telefoon stand-by zetten.
1. ENTER – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
2. EXIT – Dezelfde functie als de overeenkomstige toets op het bedieningspaneel
3. Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
4. Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, staat er een hoorn op het display. Als u de contactsleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem eveneens actief zijn of stand-by staan wanneer u
de contactsleutel opnieuw naar stand I of II
draait.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de telefoon
in de actieve stand staat.
– Druk op PHONE.
– Voer (zo nodig) de pincode in en druk op
ENTER.
Telefoonsysteem deactiveren
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is kunt u geen gesprekken beantwoorden.
– Houd de toets PHONE ingedrukt totdat de
telefoon geactiveerd is.
Stand-by
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem
te beluisteren in afwachting van een inkomend
gesprek. In stand-by is het echter niet mogelijk zelf te bellen.
Telefoon stand-by zetten
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
– Druk op PHONE of op EXIT.
Activeren vanuit stand-by
– Druk op PHONE.
het tweede gesprek aanneemt, wordt het eerste gesprek in de wacht gezet.
Gespreksfuncties
Gesprekken in de wacht zetten/
hervatten
– Druk op MENU.
– Ga naar Wacht of Wacht uit en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende
gesprekken
– Zet het eerste gesprek in de wacht.
– Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
– Druk op MENU.
– Ga naar Swap en druk op ENTER.
Conferentiegesprek starten
Als de handset is opgenomen bij het begin
van een telefoongesprek, zal het geluid via de
handsfree worden weergegeven. Zie
pagina 220 voor het wisselen tussen handset
en handsfree.
Bellen
– Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
– Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 219).
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
Gesprekken aannemen
Zie menu-optie 4.3 op pagina 221 voor het
automatisch aannemen.
– Druk op ENTER of neem de handset op. U
moet de handset omlaagduwen om deze
te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
– Druk op EXIT of leg de handset op.
Gesprekken weigeren
– Druk op EXIT.
Wisselgesprek
10
Bij een conferentiegesprek kunnen minstens
drie gesprekspartners met elkaar praten.
Wanneer een conferentiegesprek eenmaal gestart is, kunnen er geen nieuwe gesprekspartners worden aangesloten. Alle lopende gesprekken worden beëindigd bij het afsluiten
van een conferentiegesprek.
– Begin twee telefoongesprekken.
– Druk op MENU.
– Ga naar Koppelen en druk op ENTER.
Als er tijdens een lopend telefoongesprek een
nieuwe oproep inkomt, hoort u twee signalen.
Op het display verschijnt de tekst Antwoorden?. U kunt het tweede gesprek weigeren of
aannemen op de gebruikelijke manier. Als u
217
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Volume
10
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van de
middenluidspreker1.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Bij gebruik van de handset
kunt u het gespreksvolume
regelen met een draaiknop
op de zijkant van de handset.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het volume
van het audiosysteem tijdelijk verlaagd. Na afloop van het gesprek speelt het audiosysteem
op het oude volume verder. Als u het volume
van het audiosysteem bijregelt tijdens het gesprek, speelt het audiosysteem na afloop van
het gesprek op het nieuwe volume verder. Het
is ook mogelijk om het geluid van het audiosysteem bij telefoongesprekken automatisch
uit te zetten (zie menu 5.5.3 op pagina 222).
Deze mogelijkheid geldt alleen voor het geïntegreerde telefoonsysteem van Volvo.
Tekst invoeren
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op de
telefoon.
1 Premium
218
Sound
– Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
– Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u * drukken
of enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT
wist u alle ingevoerde tekens.
1
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
2
abc2äåàæç
3
def3èé
4
ghi4ì
5
jkl5
6
mno6ñöòØ
7
pqrs7ß
8
tuv8üù
9
wxyz9
*
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+0@*#&$£/%
#
wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
Nummerfuncties
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
– Druk op ENTER.
– Ga naar een van de opgeslagen nummers
en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek contactgegevens bevat
over het nummer waar een inkomend gesprek
vandaan komt, verschijnen deze gegevens op
het display. De contactgegevens kunnen op
de simkaart en in het telefoongeheugen worden vastgelegd.
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
– Voer een naam in en druk op ENTER.
– Voer een nummer in en druk op ENTER.
– Ga naar SIM-kaart of Telefoon en druk op
ENTER.
Contactgegevens zoeken in telefoonboek
Wanneer u op de pijl-omlaag van de navigatieknop drukt in plaats van op de toets MENU,
gaat u rechtstreeks naar het menu Zoeken
naar.
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Kopiëren tussen simkaart en telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar Alles kopie en druk op ENTER.
– Ga naar SIM naar tel of Tel naar SIM en
druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar Zoeken en druk op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
– Ga naar Verwijderen en druk op ENTER.
Alle posten wissen
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar SIM wissen of Wis telefoon en
druk op ENTER.
Toets zo nodig de telefooncode in. De fabriekscode is 1234.
Verkort kiezen
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1– 9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
– Ga naar One-key bell. en druk op ENTER.
– Ga naar Nummer kiezen en druk op
ENTER.
– Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
– Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk vervolgens op ENTER of
druk meteen op ENTER.
– Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
– Houd EXIT ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Verkort kiezen
– Houd de gewenste toets van de toetsenset ca. twee seconden lang ingedrukt of
druk kort op de toets gevolgd door
ENTER.
10
N.B.
Na inschakeling van de telefoon duurt het
enkele seconden, voordat u gebruik kunt
maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet de optie
One-key bell. in het menu Telefoonboek (zie
pagina 223) geactiveerd zijn.
Bellen via telefoonboek
– Druk op MENU.
– Ga naar Telefoonboek en druk op
ENTER.
Alle posten in het telefoonboek worden weergegeven. U kunt het aantal weergegeven posten verkleinen door een deel van de naam van
de post in te voeren die u zoekt.
– Ga naar een post en druk op ENTER.
N.B.
Druk op ENTER om te bellen.
219
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Functies tijdens lopende gesprekken
10
Tijdens een lopend gesprek staan u meerdere
functies ter beschikking. Sommige functies
zijn alleen te activeren als een gesprek in de
wacht staat.
Druk op MENU om het gespreksmenu te openen en ga naar een van de volgende opties:
• Mute/Mute uit – Ruggespraakstand
• Wacht/Wacht uit – Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten
• Handsfree/Handset – Handsfree of handset gebruiken
• Telefoonboek – Telefoonboek weergeven
• Koppelen – Telefonische vergadering voeren (mogelijk bij aansluiting van minimaal
drie partijen)
• Swap – Wisselen tussen twee gesprekken
(mogelijk bij aansluiting van maximaal drie
partijen)
Sms (Short Message Service)
Sms lezen
– Druk op MENU.
– Ga naar Berichten en druk op ENTER.
– Ga naar Lezen en druk op ENTER.
– Ga naar het bericht van uw keuze en druk
op ENTER.
220
De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. U krijgt andere opties te zien wanneer
u ENTER indrukt. Houd EXIT ingedrukt om
het menusysteem te verlaten.
Schrijven en verzenden
– Druk op MENU.
– Ga naar Berichten en druk op ENTER.
– Ga naar Opstellen en druk op ENTER.
– Schrijf de tekst en druk op ENTER.
– Ga naar Menu en druk op ENTER.
– Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw netwerkprovider doorgeven. Dit nummer is een serienummer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer het nummer en bewaar het goed.
Specificaties
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
2551
Sms (Short Message
Service)
Ja
Data/Fax
Nee
Dualband (900/1800 MHz)
Ja
1Het
aantal geheugenposities op de simkaart
verschilt per abonnement.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
Overzicht
1. Logboek
1.1. Gemist
1.2. Ontvangen
1.3. Gebeld
1.4. Wis bellijst
1.4.1.
Allemaal
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5. Belduur
1.5.1.
Laatste gespr.
1.5.2.
Gespreksteller
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
2.2. Opstellen
2.3. Bericht inst.
2.3.1.
SMSC nummer
2.3.2.
Geldigh.duur
2.3.3.
Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopie
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4. One-key bell.
3.4.1.
Actief
3.4.2.
Nummer kiezen
3.5. SIM wissen
3.6. Wis telefoon
3.7. Geheugengebr.
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.2. Oproep wacht
4.3. Autom. antw.
4.4. Autom. herh.
4.5. Doorschakel.
4.5.1.
Allemaal
4.5.2.
Indien bezet
4.5.3.
Niet beantw.
4.5.4.
Niet bereikb.
4.5.5.
Faxoproepen
4.5.6.
Data-gesprek
4.5.7.
Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2. Taal
5.2.1.
English UK
5.2.2.
English US
5.2.3.
Español
5.2.4.
Français CAN
5.2.5.
Français FR
5.2.6.
Italiano
5.2.7.
Nederlands
5.2.8.
Português BR
5.2.9.
Português P
5.2.10. Suomi
5.2.11. Svenska
5.2.12. Dansk
5.2.13. Deutsch
5.3. SIM beveil.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Code bewerk.
5.4.1.
Pincode
5.4.2.
Telefooncode
5.5. Geluiden
5.5.1.
Belvolume
5.5.2.
Belsignaal
10
221
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
5.5.3.
Radio mute
5.5.4.
Berichttoon
5.6. Rijd veilig
5.6.1.
Menuvergrend.
5.6.2.
IDIS
5.7. Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbehorende nummers bellen, wissen of in het telefoonboek vastleggen.
1.2. Ontvangen
Lijst met beantwoorde gesprekken. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek vastleggen.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
1.4.1.
Alle
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten
hebt u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1.
1.5.2.
222
Laatste gespr.
Gespreksteller
1.5.3.
1.5.4.
Totale tijd
Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of vastleggen.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U
kunt het bericht vervolgens vastleggen of versturen.
2.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de mailbox
aangeven, waarnaar u uw berichten wilt doorschakelen. Neem contact op met uw netwerkprovider voor informatie over de instellingen
en het SMSC-nummer. U hoeft de instellingen
normaal gesproken niet te wijzigen.
2.3.1.
2.3.2.
2.3.3.
SMSC nummer
Geldigh.duur
Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek (zie pagina 218).
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
3.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
3.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de
simkaart naar dat van de
telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de
telefoon naar dat op de simkaart
3.4. One-key bell.
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoonboek koppelen aan een sneltoets voor verkort
kiezen.
3.5. SIM wissen
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
3.6. Wis telefoon
Het complete geheugen van de telefoon wissen.
3.7. Geheugengebr.
Bekijken hoe veel geheugenposities er in beslag genomen worden in het geheugen van de
simkaart en in dat van de telefoon. In de tabel
staat aangegeven hoe veel van de beschikbare posities er in gebruik zijn (bijvoorbeeld 100
(250)).
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.5.6.
4.5.7.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het display van de gebelde persoon
moet verschijnen. Neem contact op met de
netwerkprovider voor een permanent geheim
nummer.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek
een tweede gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beantwoorden.
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Doorschakel.
Aangeven welke soorten gesprekken er moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer.
4.5.1.
4.5.2.
4.5.3.
4.5.4.
4.5.5.
Alle gespr. (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende
gesprek)
Indien bezet
Niet beantw.
Niet bereikb.
Faxoproepen
Data-gesprek
Alles annul.
10
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren. De geselecteerde provider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
5.1.1.
Automatisch
5.1.2.
Handm. kiezen
5.2. Taal
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
5.2.1.
5.2.2.
5.2.3.
5.2.4.
5.2.5.
5.2.6.
5.2.7.
5.2.8.
5.2.9.
5.2.10.
5.2.11.
5.2.12.
5.2.13.
English UK
English US
Español
Français CAN
Français FR
Italiano
Nederlands
Português BR
Português P
Suomi
Svenska
Dansk
Deutsch
223
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
5.3. SIM beveil.
10
Aangeven of de invoer van de pincode actief
of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.3.1.
Aan
5.3.2.
Uit
5.3.3.
Automatisch
5.4. Code bewerk.
De pincode of telefooncode wijzigen. Noteer
de codes en bewaar ze op een veilige plek.
5.4.1.
5.4.2.
Pincode
Telefooncode. De fabrieksinstelling voor de telefooncode is
1234 geldt zolang u de code
niet hebt gewijzigd. U hebt de
telefooncode nodig om de
gespreksteller te resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1.
Belvolume. Het volume van het
belsignaal regelen.
5.5.2.
Belsignaal. Uit zeven verschillende belsignalen kiezen.
5.5.3.
Radio mute: On/off
5.5.4.
Berichttoon
5.6. Verkeersveiligheid
5.6.1.
Menuvergrend. Bij het opheffen
van de menuvergrendeling hebt
224
u tijdens het rijden toegang tot
alle delen van het
menusysteem.
5.6.2.
IDIS. Als u de functie IDIS
uitschakelt, worden inkomende
gesprekken ongeacht de rijsituatie zonder vertraging
doorgegeven.
5.7. Fabrieksinst.
De fabriekinstellingen van het systeem herstellen.
10 Infotainment
10
225
Typeaanduidingen ...................................................................................228
Maten en gewichten................................................................................ 229
Motorspecificaties...................................................................................230
Motorolie ................................................................................................. 231
Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................... 234
Brandstof ................................................................................................235
Katalysator ..............................................................................................237
Elektrisch systeem .................................................................................238
226
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de
typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand te hebben.
1. Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer
2. Sticker voor standverwarming
3. Typeaanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer
4. Sticker voor motorolie
5. Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
(a) handgeschakelde versnellingsbak
(b) automatische versnellingsbak
6. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer).
228
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
Max. belasting: zie typegoedkeuring.
Lengte: 458 cm
Max. dakbelasting: 75 kg
Breedte: 184 cm
Geremde aanhanger:
Wielbasis: 264 cm
Max. aanhangergewicht (kg)
Spoorbreedte, vooras: 155 cm
Spoorbreedte, achteras: 156 cm
1500
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het gewicht van
de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)),
lastdragers, skibox e.d. zijn van invloed op de
laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het
rijklaar gewicht. Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Max.
kogeldruk
(kg)
11
75
Ongeremde aanhanger:
Zie pagina 228 voor de positie van de sticker.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Max. aanhangergewicht (kg)
700
Max.
kogeldruk
(kg)
50
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
229
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
2.4
2.4i
T5
2.4D
D5
Motoraanduiding
B5244S5
B5244S4
B5254T3
D5244T91
D5244T8
Vermogen (kW bij omw/min)
103/5000
125/6000
162/5000
120/5500
136/4000
(pk bij omw/min)
140/5000
170/6000
220/5000
163/5500
185/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
220/4000
230/4400
320/1500–4800
340/1750–2750
400/222–2700
Aantal cilinders
5
5
5
5
5
Cilinderboring (mm)
83
83
83
81
81
93,2
Slaglengte (mm)
Cilinderinhoud (liter)
Compressieverhouding
1
België
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
vindt u op de motor (zie pagina 228).
230
90
90
93,2
93,2
2,44
2,44
2,52
2,40
2,40
10,3:1
10,3:1
9,0:1
17,0:1
17,0:1
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als verversen van olie.
Een negatieve invloed op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders
niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwaliteits- en viscositeitseisen.
11
231
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 228 voor de positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A3/B3/B4
Viscositeit: SAE 0W-30
11
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
2.4
B5244S5
2.4i
B5244S4
T5
B5254T3
1
232
Inclusief hoeveelheid in filter.
Bij te vullen hoeveelheid
tussen MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
0—1,3
5,8
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 228 voor de positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B
Viscositeit: SAE 5W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
D5
D5244T8
2.4D
D5244T9
1
Bij te vullen hoeveelheid
tussen MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1
(liter)
1,5
6,0
11
Inclusief hoeveelheid in filter.
233
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Motortype/aantal delen
Versnellingsbakolie
2.4 Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
2.4i Handgeschakelde vijfversnellingsbak
2,1
11
Koelvloeistof
Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
2,0
T5 Automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
D5 automatische versnellingsbak
7,75
Versnellingsbakolie: JWS 3309
5-cil. benzine, handgeschakelde versnellingsbak
9,5
5-cil. benzine automatische versnellingsbak
10,0
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water (zie verpakking). Thermostaat
opent bij 90 ºC.
Airconditioning1
Remvloeistof
11,0
180–200 gram
Compressorolie PAG
500–600 gram
Koudemiddel R134a (HFC134a)
0,6
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
5-cil. benzine/5-cil. diesel
Brandstof
Zie pagina 235
1Het
Aanbevolen kwaliteit:
T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak
5-cil. diesel
234
Hoeveelheid
(liter)
Vloeistof
DOT 4+
1,0–1,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A
of een soortgelijk product met dezelfde specificaties
6,5
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen ruitensproeiervloeistof aangelengd
met water te gebruiken.
gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
2.4
2.4i
T5
Versnellingsbak
B5244S5
B5244S4
B5254T3
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
62
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,6
229
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
9,0
215
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,6
229
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
9,1
217
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51)
9,8
234
D5
D5244T8
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
7,3
193
2.4D
D5244T9
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
7,3
193
11
60
235
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
11
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen
met verbrandingsmotoren. Het gebruik van
extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht
van de auto verhogen. Ook de rijstijl en andere
niet-technische factoren kunnen van invloed
zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91 (RON),
neemt het brandstofverbruik toe terwijl het
motorvermogen lager wordt.
Benzine
Dieselolie
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen (zie
pagina 179).
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor
4 cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine – norm NEN-EN 228.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
236
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
ze versnellen een chemische reactie zonder
dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
11
237
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
11
Spanning
12 V
12 V
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
590 A
600 A1
700 A2
100 min.
120 min.
135 min.
60
70
80
Reservecapaciteit (RC)
Capaciteit (Ah)
1
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
2
Auto’s met een dieselmotor, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, een brandstofkachel of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie sticker op de accu).
238
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen W
Lampvoet
Dimlicht
55
H7
Bi-Xenon
35
D2S
Groot licht
55
HB3
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
BA15s
Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje)
21
BAU15s
Achterlichten/parkeerlichten, zijmarkeringslichten, achter
5
BAY15d
Instapverlichting, bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting
5
SV8,5
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje)
5
W2,1X9,5d
Mistlampen
55
H11
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór
11
239
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Typegoedkeuring
afstandsbedieningssysteem
Land
11
A, B, CY, CZ,
D, DK, E, EST,
F, FIN, GB, GR,
H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P,
PL, S, SK, SLO
1
IS, LI, N, CH
HR
ROK
Delphi 15-07-2003,
Duitsland R-LPD1-03-0151
BR
RC
ETC093LPD0155
240
1Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte
afstandsbedieningssysteem in overeenstemming
is met de essentiële eigenschappen en overige
relevante bepalingen zoals beschreven in de EUrichtlijn 999/5/EG.
11 Specificaties
11
241
Alfabetisch register
A
A/C
elektronische klimaatregeling ................70
Aanhanger
aanhangergewicht ................................229
kabel ....................................................134
rijden met een aanhanger ....................132
Aanrijding
aanrijdingssensoren ...............................23
Crash mode ...........................................28
IC-systeem .............................................23
opblaasgordijn .......................................23
Aanstaande moeders
veiligheid ................................................13
Aansteker
achterin ..................................................57
voorin .....................................................47
ABS ...........................................................123
storing in ABS ........................................43
Accu
onderhoud ............................................186
overbelasting ........................................113
starten met een hulpaccu ....................131
symbolen op de accu ..........................187
vervangen ............................................187
Achteruitkijkspiegel .....................................59
kompas ..................................................59
AF, automatische afstemfunctie ...............210
242
Afdekking .................................................... 80
Approach-verlichting
Afstandsbediening ...................................... 96
actieve verlichting .................................. 61
instellen .................................................. 63
Audio
afneembaar sleutelblad ......................... 97
batterij vervangen ................................ 101
functies .................................................. 96
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring ....................................... 240
Afstemfunctie, automatisch ...................... 210
Airbag
bestuurders- en passagierszijde ........... 16
deactiveren ............................................ 20
Airconditioning ........................................... 66
ECC ....................................................... 68
Alarm
alarmlampje ................................. 106, 107
alarmsignalen ...................................... 107
alarmsysteem testen ........................... 107
algemene informatie ............................ 106
automatische inschakeling
van het alarm ....................................... 107
geactiveerd alarm uitschakelen ........... 107
inschakelen ......................................... 106
uitschakelen ........................................ 106
Alarm, radiofuncties ................................. 208
Alarmlichten ................................................ 56
Antislipregeling ......................................... 125
Antispinregeling ........................................ 125
toetsenset op stuurwiel ......................... 55
Audio, zie ook Geluidssysteem ................. 205
AUTO
klimaatinstelling ..................................... 68
voorkeurzenders vastleggen ................ 207
Auto wassen ............................................. 168
Autobekleding ........................................... 169
Autodimfunctie ............................................ 59
Auto-instellingen ......................................... 62
Automatisch starten .................................. 115
Automatische hervergrendeling ................ 102
Automatische vergrendeling ..................... 102
Automatische versnellingsbak .................. 120
aanhanger .................................... 132, 133
beveiligingssystemen .......................... 120
knop W ................................................ 122
slepen en bergen ................................. 129
Automatische volumeregeling .................. 206
Automatische wasstraat ........................... 168
AUTO-stand klimaatregeling ....................... 68
Alfabetisch register
B
Bagageruimte
elektrische aansluiting ............................91
lading vervoeren ...................................141
verankeringsogen ...................................91
Bagagewand ...............................................90
Banden
algemene informatie ............................146
draairichting .........................................149
ECO-bandenspanning .........................151
maataanduiding ...................................146
rijeigenschappen ..................................146
slijtage-indicatoren ...............................147
snelheidsaanduidingen ........................146
spanning ..............................................150
winterbanden .......................................147
zomer- en winterbanden ......................149
Batterij
batterij van afstandsbediening
vervangen ............................................101
Bedienen, hardtop ......................................79
Bedieningspaneel op bestuurdersportier ....40
bediening ...............................................58
“Belangrijk!”-teksten .....................................6
Bellen ........................................................217
Benzinekwaliteit ........................................236
Bergen .......................................................129
Beslagen ruiten
Cd-tekst .................................................... 212
ontwasemen .................................... 66, 69
timerfunctie, ECC .................................. 69
Blaasmonden ............................................. 66
Condenswater ........................................... 179
Blokkering achteruitversnelling
Contactsleutel ........................................... 117
Controles
vloeistoffen en oliën ..................... 177, 180
Cruisecontrol .............................................. 54
vijfversnellingsbak ............................... 118
zesversnellingsbak (benzine) ............... 119
Boordcomputer .......................................... 50
D
Botsing, zie Aanrijding ................................ 23
Dagteller ...................................................... 41
Brandstof
Dashboardkastje ......................................... 87
brandstofbesparing ............................. 150
brandstoffilter ...................................... 179
brandstofsysteem ................................ 179
brandstofverbruik, aanduiding .............. 51
niveaulampje ......................................... 43
standverwarming ................................... 73
tanken .................................................. 114
verbruik ............................................ 7, 235
Brandstofmeter ........................................... 41
vergrendelen ........................................ 104
Diesel ........................................................ 179
Buitenspiegel, positiegeheugen ................. 61
Dolby Surround Pro Logic II ............. 204, 206
Buitenspiegels ............................................ 61
Doorsteekluik .............................................. 92
elektrisch inklapbare ............................. 61
Buitentemperatuurmeter ............................ 41
Doorwaaddiepte ....................................... 112
C
Cd’s
voorgloeifunctie ..................................... 43
Dieselfilter ................................................. 179
Dimlicht ................................................. 48, 50
Display
meldingen ........................................ 45, 46
Displayverlichting ........................................ 49
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem ............ 125
deactiveren/activeren .......................... 125
lampje .................................................... 43
opbergvak ............................................. 87
Cd-functies ............................................... 211
243
Alfabetisch register
E
G
Easy entry ...................................................76
Geluidssterkte
Handgeschakelde versnellingsbak ........... 118
ECC, elektronische klimaatregeling ............67
audiosysteem ...................................... 205
automatische volumeregeling ............. 206
mediaspeler ......................................... 205
programmatypes ................................. 210
Geluidssysteem
Handrem ............................................... 44, 57
Hulpverwarming .......................................... 73
Elektrisch bedienbare stoel .........................77
audio-instellingen ................................ 205
geluidsbron .......................................... 205
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 51
Elektrische aansluiting
Gesprek in de wacht zetten ...................... 217
achterin ..................................................57
bagageruimte .........................................91
middenconsole ......................................47
Elektrische verwarming
Gesprekken
ECO-bandenspanning
brandstofbesparing ..............................150
tabel .....................................................151
EHBO ..........................................................87
Elektrisch bedienbare ruiten .......................58
voorstoelen ............................................70
Elektronische startblokkering ......................96
EON, Enhanced Other Networks ..............210
Equalizer ...................................................206
F
Follow-Me-Home-verlichting ................50, 61
instellen ..................................................63
H
functies tijdens lopende gesprekken ... 220
gespreksfuncties ................................. 217
volume handset ................................... 218
Gesprekken weigeren ............................... 217
Gevarendriehoek ...................................... 152
Hardtop openen .......................................... 80
Hardtop sluiten ........................................... 80
Hardtop, bedienen ...................................... 79
I
IDIS ........................................................... 215
IMEI-nummer ............................................ 220
In de was zetten ........................................ 169
Informatiedisplay ........................................ 45
Infotainment
menufuncties ....................................... 204
Inkomende gesprekken ............................ 217
Gloeilampen
Instellingen, zie Persoonlijke instellingen .... 62
specificaties ........................................ 239
vervangen ............................................ 188
Gordelspanner ............................................ 14
Instrumentenoverzicht
Gordelwaarschuwing .................................. 13
auto met het stuur links ................. 36, 214
auto met het stuur rechts ...................... 38
Instrumentenpaneel .................................... 41
Groot licht ................................................... 50
Instrumentenverlichting ........................ 48, 49
aan/uit ................................................... 48
wisselen groot licht en dimlicht ............. 50
Interieurfilter ................................................ 66
Interieurverlichting ...................................... 84
Interior Air Quality System, ECC ................. 69
244
Alfabetisch register
Intervalstand ...............................................52
Koelvloeistof, controleren en bijvullen ...... 182
Lambdasonde ........................................... 237
ISOFIX
Kofferdeksel
Lamphouder
rijden met een geopend deksel ........... 112
vergrendelen/ontgrendelen ........... 96, 102
Kompas ...................................................... 59
kentekenplaatverlichting ...................... 192
positie van gloeilampen ....................... 191
verwijderen .......................................... 191
Lampjes .................................................... 126
bevestigingssysteem .............................33
K
Katalysator ................................................237
bergen ..................................................129
Kick-down
automatische versnellingsbak ..............120
Kinderen
kinderzitjes en airbags ...........................29
kinderzitjes en SIPS-airbags ..................21
positie in de auto, tabel ..........................31
veiligheidsuitrusting ...............................29
Kinderzitje
bevestigingssysteem .............................32
monteren ................................................32
Kledinghaak ................................................87
Kleurcode, lak ...........................................171
Klimaatinstelling
AUTO .....................................................68
Klimaatregeling ...........................................66
persoonlijke instellingen .........................62
Klok
tijd instellen ............................................41
Knalgas .....................................................131
Koelsysteem ..............................................112
kalibreren ............................................... 59
Koplampen
aan/uit ................................................... 48
koplampsproeiers .................................. 52
Koppelingsvloeistof,
controleren en bijvullen ............................ 183
controlelampjes ..................................... 43
waarschuwingslampjes ......................... 42
Lange lading ............................................... 92
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften .. 170
Lichtbundel ............................................... 142
Koude start
Load Assist ................................................. 90
automatische versnellingsbak ............. 120
Koudemiddel .............................................. 66
Luchtverdeling ............................................ 71
Krik ........................................................... 152
M
Kruissnelheidsregeling ............................... 54
L
ECC ....................................................... 70
Maataanduiding ........................................ 146
Mechanisch openen, kofferdeksel ............ 104
Lading vervoeren
Meldingen op informatiedisplay .................. 45
algemene informatie ............................ 141
bagageruimte ........................................ 91
laadvermogen ...................................... 141
Lading vervoeren, foutmeldingen ............... 81
Mensysteem
Lagetonenluidspreker ............................... 205
Lak
kleurcode ............................................. 171
lakschade en schade herstellen .......... 171
telefoon, overzicht ............................... 221
Menufuncties
audiosysteem ...................................... 204
Menusysteem
mediaspeler ......................................... 213
telefoon, menu-opties .......................... 222
Milieubeleid ................................................... 7
245
Alfabetisch register
Mistlichten
Ontgrendelen
aan/uit ....................................................49
Motor .........................................................178
kofferdeksel ......................................... 102
van de binnenzijde .............................. 103
van de buitenzijde ............................... 102
zonder sleutel ...................................... 102
Ontgrendeling
Motor starten ............................................115
Motorkap ...................................................178
Motorolie ...................................................180
filter ......................................................180
hoeveelheden ...............................232, 233
oliedruk ..................................................44
oliekwaliteit ..........................................231
rijden onder ongunstige
rijomstandigheden ...............................231
verversen ..............................................180
Motorruimte ..............................................178
Motorspecificaties .....................................230
Poetsen ..................................................... 169
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ........................................ 86
Portieren op afstand openen ...................... 63
Opbergvak
Programmafuncties .................................. 208
achterste zijpanel .................................. 87
cd’s ........................................................ 87
Opbergvakken ............................................ 86
PTY, Programmatype ............................... 209
Private locking ............................................ 99
R
Radio
P
“N.B.”-teksten ...............................................6
Panelen, verlichting .................................... 84
radio-instellingen ................................. 207
radiozenders ........................................ 207
Radiotekst ................................................. 210
NEWS ........................................................209
Parkeerhulp .............................................. 127
RDS-functies ............................................. 208
Nieuwsuitzending ......................................209
sensor voor parkeerhulp ..................... 128
Parkeerkaarthouder .................................... 87
resetten ................................................ 210
Recirculatie
Parkeerlichten ............................................. 48
Parkeerrem ................................................. 57
ECC ....................................................... 69
REG, Regionale radioprogramma’s .......... 210
Persoonlijke instellingen ............................. 62
Regensensor ............................................... 53
N
PACOS ....................................................... 19
Noodoproepen ..........................................215
O
Olie, zie ook Motorolie
oliedruk ..................................................44
Onderhoud
eigen onderhoud ..................................177
roestwering ..........................................172
246
instellingen ............................................ 62
Op afstand openen, portieren .................... 63
Follow-Me-Home-verlichting ................. 63
op afstand openen ................................. 63
portieren ontgrendelen .......................... 63
timer recirculatie .................................... 62
verlichting auto is ontgrendeld .............. 62
verlichting auto is vergrendeld ............... 62
PI zoeken .................................................. 210
Approach-verlichting ............................. 63
automatische blower afstellen ............... 62
automatische vergrendeling .................. 63
Reinigen
bekleding ............................................. 169
Alfabetisch register
Relais- en zekeringenkastje
Ruitenwissers
Sms
in motorruimte ......................................195
in passagiersruimte ..............................198
Remmen
regensensor ........................................... 53
Ruitenwissers en -sproeiers ....................... 52
lezen .................................................... 220
schrijven ............................................... 220
Snelheidsaanduidingen, banden .............. 146
handrem .................................................57
Remsysteem .....................................123, 183
Remvloeistof, controleren en bijvullen ......183
Reservewiel ...............................................152
Temporary spare ..................................148
Richtingaanwijzers ......................................50
Rijden
gladde wegen ......................................112
in waterpartijen ....................................112
koelsysteem .........................................112
met een aanhanger ..............................132
met een geopend kofferdeksel ............112
ongunstige rijomstandigheden ............176
zuinig ....................................................112
Rijden tijdens de winter .............................116
S
Safelock-functie ....................................... 105
tijdelijk deactiveren .............................. 105
SCAN
cd- en muziekbestanden ..................... 212
radiozenders ........................................ 208
Schoon aan binnen- en buitenkant .............. 8
Schoonmaken
automatische wasstraat ...................... 168
veiligheidsgordels ................................ 170
wassen, auto ....................................... 168
Serviceprogramma ................................... 176
Simkaart ................................................... 215
SIPS-airbags .............................................. 21
Skiluik ......................................................... 92
Rijklaar gewicht .........................................229
Sleepoog .................................................. 130
Roestwering ..............................................172
Slepen ...................................................... 129
Roetfilter ..............................................46, 116
Sleutel ......................................................... 96
ROETFILTER VOL .....................................116
Rugleuning
afstandsbediening ................................. 96
Sleutelblad .................................................. 97
voorstoel, omklappen ............................77
Ruitensproeiervloeistof bijvullen ...............182
vergrendelingspunten ............................ 98
Smeermiddelen, hoeveelheden ................ 234
Snelheidsmeter ........................................... 41
Sneltoetsen ............................................... 219
Spiegel
achteruitkijk- .......................................... 59
Spiegels
buiten- ................................................... 61
Spin Control .............................................. 125
Sproeiers
voorruit en koplampen ........................... 52
SRS-systeem
algemene informatie .............................. 17
schakelaar .............................................. 20
Stabiliteitssysteem .................................... 125
indicatie ................................................. 43
Stadslichten vóór ........................................ 48
Stand-by, telefoon .................................... 217
Standverwarming
accu en brandstof .................................. 73
algemeen ............................................... 72
op een helling parkeren ......................... 72
tijd instellen ............................................ 73
Startblokkering .................................... 96, 117
Starthulp ................................................... 131
247
Alfabetisch register
STC ...........................................................125
Steenslagplekken en krassen ...................171
Stoel
elektrisch bedienbaar .............................77
handmatig verstellen ..............................76
rugleuning voorstoel omklappen ...........77
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren en
bijvullen .....................................................184
Stuurslot ....................................................117
Stuurwiel
cruisecontrol ..........................................54
stuurwielverstelling ................................56
toetsenset ............................................216
toetsenset linkerzijde .............................54
toetsenset rechterzijde ...........................55
Subwoofer .................................................205
Surround ...........................................204, 206
T
nummerfuncties ................................... 218
Telefoonsysteem ...................................... 214
Temperatuur
interieur,
elektronische klimaatregeling ................ 70
werkelijke temperatuur .......................... 67
Timer
ECC ....................................................... 69
Toerenteller ................................................. 41
bijvullen ................................................114
tankvulklep ...........................................114
Tankinhoud ...............................................235
Telefoon ....................................................216
aan/uit ..................................................217
bellen via telefoonboek ........................219
stand-by ...............................................217
tekstinvoer ...........................................218
U
Uitlaatgasreiniging ........................................ 7
foutmelding ............................................ 43
Uitstoot ..................................................... 235
kooldioxide .......................................... 236
V
Veiligheid ..................................................... 12
veiligheidssystemen, tabel ..................... 27
Veiligheidsgordel ......................................... 12
telefoon/audio ....................................... 55
Totaalgewicht ........................................... 229
achterbank ............................................. 13
gordelspanner ........................................ 14
zwangerschap ....................................... 13
Ventilatie ..................................................... 66
TP, verkeersinformatie .............................. 209
Ventilator
Tractieregeling .......................................... 125
ECC ....................................................... 69
Vergrendelen ............................................. 102
Toetsenset op stuurwiel
Traction Control ........................................ 125
Trekhaak
Tanken
248
toetsenset op stuurwiel ......................... 55
Telefoonboek
algemene informatie ............................ 134
demonteren ......................................... 139
monteren ............................................. 136
specificaties ........................................ 135
Trekinrichting, zie Trekhaak ...................... 134
Typeaanduidingen .................................... 228
Typegoedkeuring,
afstandsbedieningssysteem ..................... 240
ontgrendelen ........................................ 102
van de binnenzijde ............................... 103
van de buitenzijde ................................ 102
Verkeersinformatie .................................... 209
Verlichting ................................................... 84
achterin .................................................. 84
automatische verlichting, dimlicht ......... 48
automatische verlichting, interieur ......... 84
dimlicht .................................................. 48
displayverlichting ................................... 49
exterieur ................................................. 48
Alfabetisch register
Follow-Me-Home-verlichting ...........50, 61
gloeilampen vervangen,
algemene informatie ............................188
gloeilampen, specificaties ....................239
groot licht/dimlicht .................................50
grootlichtsignalen ...................................50
instrumentenverlichting ..........................49
koplamphoogteverstelling ......................48
mistachterlicht ........................................49
mistlichten ..............................................49
stads-/parkeerlichten vóór
en achterlichten .....................................48
verlichtingspaneel ..................................48
Verlichting, gloeilampen vervangen
Versnellingsbak
Wassen, auto ............................................ 168
automatisch ......................................... 120
handgeschakeld .................................. 118
Vervangen
Whiplash-letsel WHIPS ............................... 24
Vloermatten ................................................ 77
Winterbanden ........................................... 147
achterlicht ............................................191
bagageruimte .......................................192
dimlicht ................................................189
groot licht .............................................189
instapverlichting ...................................192
knipperlichten ......................................190
make-upspiegel ...................................193
mistlampen ..........................................191
parkeerlichten ......................................190
positie van gloeilampen
in lamphouder ......................................191
richtingaanwijzers ................................190
stadslichten vóór ..................................190
voorzijde ...............................................188
zijmarkeringslicht .................................190
Versneld kiezen .........................................219
Voertuiggegevens ..................................... 176
Wisselgesprek ........................................... 217
Volume
Z
telefoon/mediaspeler ........................... 218
Volume, zie ook Geluidssterkte ................ 205
Zekeringen
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 125
Waarschuwingslampje, airbagsysteem ...... 15
Versneld vooruit-/achteruitspoelen ...........212
Waarschuwingsteksten ................................ 6
wisserbladen ....................................... 185
Verzorging
leren bekleding .................................... 170
Vlekken ..................................................... 169
Vloeistoffen en oliën
controles ...................................... 177, 180
Vloeistoffen, hoeveelheden ...................... 234
Voorkeurzenders vastleggen,
handmatig en automatisch ....................... 207
Voorstoelen
Easy entry .............................................. 76
omklappen ............................................. 76
zithouding .............................................. 76
W
Waarschuwingslampje
WHIPS ........................................................ 24
kinderzitje/verhogingskussen ................ 25
Wielen
demonteren ......................................... 154
monteren .............................................. 155
velgen .................................................. 148
Willekeurige afspeelvolgorde,
cd- en muziekbestanden .......................... 212
Windscherm ................................................ 83
algemene informatie ............................ 194
relais- en zekeringenkastje
in motorruimte ..................................... 195
relais- en zekeringenkastje
in passagiersruimte .............................. 198
vervangen ............................................ 194
Zekeringentabel
zekeringen in interieur .......................... 199
zekeringen in motorruimte ................... 196
Zenders zoeken ........................................ 207
Zij-airbags ................................................... 21
Zuinig rijden .............................................. 112
249
Volvo. for life
Volvo Car Corporation TP 8996 (Dutch), AT 0648, Printed in Sweden, Göteborg 2006, Copyright © 2000-2006 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising