Volvo | S60 | Gebruikershandleiding | Volvo S60 2009 Gebruikershandleiding

Volvo S60 2009 Gebruikershandleiding
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-22T12:32:14+01:00; Page 1
VOLVO S60
Instructieboekje
P2 (S60); 5; 3
evastarck
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 1
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 2
Inhoud
00 01 02
2
00 Inleiding
01 Veiligheid
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 11
Veiligheidsgordels.....................................
Airbagsysteem..........................................
Airbags (SRS)............................................
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*........................................................
SIPS-airbags (zij-airbags).........................
Opblaasgordijn (IC-systeem)....................
WHIPS-systeem........................................
Activering van de veiligheidssystemen.....
Kinderen en veiligheid...............................
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
18
19
22
24
26
27
29
30
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links.........
Overzicht auto’s met het stuur rechts.......
Instrumentenpaneel..................................
Controle- en waarschuwingslampjes........
Informatiedisplay.......................................
Schakelaars op middenconsole................
Verlichtingspaneel.....................................
Linker stuurhendel....................................
Boordcomputer*.......................................
Rechter stuurhendel..................................
Cruisecontrol*...........................................
Stuurwielafstelling, handrem.....................
Elektrische aansluiting, aansteker.............
Elektrisch bedienbare ruiten.....................
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels......
Elektrisch bedienbaar schuifdak*..............
38
40
42
44
47
49
53
55
56
58
60
62
63
64
66
71
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 3
Inhoud
03 04 05
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling............................................................
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC................................................
Elektronische klimaatregeling, ECC*........
Luchtverdeling..........................................
Standverwarming op brandstof*...............
76
78
80
83
84
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Voorstoelen............................................... 90
Interieurverlichting..................................... 93
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte........................................................ 95
Achterbank................................................ 99
Kofferbak................................................ 100
Sleutels en afstandsbediening................
Vergrendelen en ontgrendelen................
Kinderslot................................................
Alarm*......................................................
104
107
111
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 4
Inhoud
06 07 08
06 Starten en rijden
Algemene informatie...............................
Brandstof tanken....................................
Motor starten..........................................
Handgeschakelde versnellingsbak.........
Automatische versnellingsbak................
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel
Drive).......................................................
Remsysteem...........................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*.......
Actief chassis (FOUR-C)*........................
Park Assist*.............................................
Slepen en bergen....................................
Starten met een hulpaccu.......................
Rijden met een aanhanger......................
Trekhaak*................................................
Afneembare trekhaak*............................
Lading op het dak...................................
Lichtbundel aanpassen...........................
BLIS (Blind Spot Information System)*...
4
07 Wielen en banden
118
120
122
124
125
128
129
132
134
135
137
139
140
142
144
148
150
157
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie...............................
Bandenspanning.....................................
Gevarendriehoek* en reservewiel...........
Bandenspanningscontrolesysteem*.......
Wielen verwisselen..................................
Noodreparatie banden*...........................
08 Verzorging
164
167
169
171
173
175
Schoonmaken......................................... 182
Lakschade herstellen.............................. 186
Roestwering............................................ 187
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 5
Inhoud
09 10 11
09 Onderhoud en service
Volvo Service..........................................
Onderhoud..............................................
Motorkap en motorruimte.......................
Dieselolie.................................................
Oliën en vloeistoffen...............................
Wisserbladen..........................................
Accu........................................................
Gloeilampen vervangen..........................
Zekeringen..............................................
10 Infotainment
190
191
193
195
196
201
202
204
211
Audiosysteem HU-450............................
Audiosysteem HU-650............................
Audiosysteem HU-850............................
Audiofuncties HU-450/650/850..............
Audiofuncties HU-450.............................
Audiofuncties HU-650/850.....................
Radiofuncties HU-450/650/850..............
Radiofuncties HU-450............................
Radiofuncties HU-650/850.....................
Radiofuncties HU-450/650/850..............
Cassettedeck HU-450............................
Cd-speler HU-650...................................
Interne cd-wisselaar HU-850..................
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*.
Dolby Surround Pro Logic II HU-850......
Technische gegevens.............................
Telefoonfuncties*....................................
Bel-opties................................................
Geheugenfuncties...................................
Menu’s....................................................
Overige informatie...................................
11 Specificaties
224
225
226
227
229
230
232
234
235
236
242
244
245
246
248
250
251
254
257
259
264
Typeaanduidingen..................................
Maten en gewichten................................
Motorspecificaties...................................
Motorolie.................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen...............
Brandstof................................................
Katalysator..............................................
Elektrisch systeem..................................
Typegoedkeuring....................................
268
270
272
274
276
278
281
282
284
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
P2 (S60); 5; 3
evastarck
Inhoud
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 285
6
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 6
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 7
Inhoud
7
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 8
Inleiding
Belangrijke informatie
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle auto’s aanwezig . Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabriekswege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over wat tot de
standaarduitrusting behoort en wat tot de
opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
8
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gelden, maar soms alleen voor bepaalde uitvoeringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelijken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop meldingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructieboekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 9
Inleiding
Belangrijke informatie
Informatie
G031593
Gevaar voor materiële schade.
G031592
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Gevaarlijke situatie die, als de situatie niet vermeden wordt, zal resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Witte ISO-symbolen in een zwart symboolveld,
witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Zo nodig dient de sticker blauw van kleur te
zijn. Gevaarlijke situatie die, als de situatie niet
vermeden wordt, kan resulteren in lichte of
matige materiële schade.
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
9
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 10
Inleiding
Belangrijke informatie
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
•
•
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitlezen en gebruiken.
Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Accessoires en opties
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dit met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toestemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
10
Koelvloeistof
Motorolie
Vastlegging van gegevens
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 11
Inleiding
Volvo en het milieu
G000000
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangegeven die de auto gedurende zijn hele levenscyclus op het milieu heeft.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uitlaatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het algemeen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
11
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 12
Inleiding
Volvo en het milieu
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
1
12
Meer informatie staat op www.oekotex.com
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Öko-Tex 100 1 – een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Hieronder volgen nog meer tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
•
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 167).
•
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
•
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
•
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstofverbruik en de uitstoot af.
•
•
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
•
•
Rem af op de motor.
•
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereedschap om optimale zorg voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 13
Inleiding
Volvo en het milieu
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
•
•
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
13
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 14
Veiligheidsgordels...................................................................................
Airbagsysteem........................................................................................
Airbags (SRS)..........................................................................................
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*......................................
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................
Opblaasgordijn (IC-systeem)..................................................................
WHIPS-systeem......................................................................................
Activering van de veiligheidssystemen...................................................
Kinderen en veiligheid.............................................................................
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
16
18
19
22
24
26
27
29
30
G020871
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
VEILIGHEID
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 15
01
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 16
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
Draag altijd een veiligheidsgordel
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
±
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
G020104
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en
kan niet verder worden uitgetrokken:
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Voor optimale bescherming
van de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
±
16
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
•
•
•
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
•
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
•
er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken
•
de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
•
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats. Als een veiligheidsgordel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u
de veiligheidsgordel in zijn geheel vervangen. De veiligheidsgordel kan een deel van
zijn beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de veiligheidsgordel
ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang
de veiligheidsgordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor
montage op dezelfde positie als de vervangen veiligheidsgordel.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 17
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordel en zwangerschap
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
01
schuwingslampjes zitten in de plafondconsole
en op het instrumentenpaneel.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen
liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen.
Het mag nooit over de buik omhoog kunnen
glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak
mogelijk over het lichaam lopen zonder onnodige speling. Controleer ook of de gordel nergens gedraaid zit.
G027049
G020105
Gordelwaarschuwing
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
inzittenden de gordel niet dragen. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid (op lage snelheden) en in bepaalde gevallen van de tijd (tijdens het starten). De waar-
17
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 18
01 Veiligheid
Airbagsysteem
01
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de stoel
gedrukt houden.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem1 geen storingen vertoont.
Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE SPOED
op het informatiedisplay. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
G027284
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem 1 wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
1
18
Omvat SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 19
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
01
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
G020108
WAARSCHUWING
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
G020109
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het
stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS
AIRBAG.
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is. 2
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag 1 die ligt opgevouwen in een ruimte
1
2
Niet alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de vraag of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
``
19
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 20
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
SRS-systeem
WAARSCHUWING
N.B.
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
G020111
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstige letsels.
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
20
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het is dan ook mogelijk dat er
bij ongelukken slechts één (of geen enkele)
van de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van een of meerdere airbags daarop af.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 21
01 Veiligheid
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts
01
G032243
G027331
Airbags (SRS)
Positie van sticker voor airbag aan passagierzijde,
auto met stuur links
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht.
21
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 22
01 Veiligheid
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar
als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het
kopje Activeren/deactiveren voor informatie
over de wijze van activeren/deactiveren.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het volgende kopje Activering/deactivering).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag geactiveerd
is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling
kan levensgevaarlijke situaties opleveren
voor het kind.
G019678
01
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de melding op de
achteruitkijkspiegel aangeeft dat de airbag
(SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Het
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een erkende Volvo-werkplaats.
Locatie van de schakelaar voor activering/deactivering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen passagiers groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 23
01 Veiligheid
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*
WAARSCHUWING
01
Melding
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
G027050
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de airbag gedeactiveerd is.
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan
de passagierszijde gedeactiveerd is
Een melding op de achteruitkijkspiegel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 24
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags (zijairbags)
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
G020118
Ingrepen in de SIPS-airbags kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
Positie van de SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het systeem. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleuningframes van de voorstoelen.
1
24
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geactiveerde 1 airbag.
SIPS-airbag
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de SIPSairbags in hun werking hinderen.
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
G025315
01
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 25
01 Veiligheid
Passagiersplaats, auto met het stuur links
De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van
de aanrijding op voor de inzittende, waarna de
airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt
normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
01
G032246
G025316
SIPS-airbags (zij-airbags)
Positie van sticker voor SIPS-airbag aan bestuurderszijde, auto met stuur links
25
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 26
01 Veiligheid
01
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit iets aan de handgrepen aan het plafond. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals
paraplu’s).
G027218
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormen een aanvulling op het
SIPS-systeem en de airbags. Ze zitten verborgen achter de plafondbekleding langs beide
zijden van de auto en beschermen inzittenden
op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de
sensoren, die op hun beurt de opblaasgordijnen activeren. Het systeem helpt voorkomen
dat de bestuurder en eventuele passagiers bij
een botsing met hun hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
26
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veiligheidsgordel.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 27
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
G020347
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de veiligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of comfortkussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
``
27
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 28
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
G020125
G020126
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
28
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van
achteren.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 29
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing. A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zijA
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zijA
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren.
A
01
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende:
•
Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags.
•
Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
•
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
29
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 30
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de auto
en de vereiste uitrusting. Voor meer informatie
(zie pagina 31).
N.B.
N.B.
N.B.
Bij problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproduct kunt u contact opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage
Kinderzitjes
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken. Laat de rugleuning van het
kinderzitje tegen het dashboard steunen. Dit
geldt voor auto’s zonder passagiersairbag of
auto’s waarvan de passagiersairbag gedeactiveerd is.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
Positie van kinderzitjes
G020128
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijgbare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montageinstructies zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Het volgende kan worden gebruikt:
•
een kinderzitje/comfortkussen op de passagiersstoel, zolang de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd 1 is;
•
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
1
30
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS), zie pagina 22
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 31
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde 2 airbag aan de passagierszijde Bij
problemen tijdens de montage van kinderveiligheidsproduct kunt u contact opnemen
met de fabrikant voor nadere inlichtingen
over de montage
WAARSCHUWING
01
Sticker airbag
Gebruik geen comfortkussens/kinderzitjes
met stalen beugels of andere constructies
die tegen de ontgrendelingsknop van de
gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de veiligheidsgordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Sticker op zijwand dashboard
Aanbevolen veiligheidszitjes 3
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
<10 kg
(tot 9 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
2
3
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren gemonteerd babyzitje bevestigd
met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Typegoedkeuring: E1 03301146
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS), zie pagina 22.
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
``
31
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel A
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
Groep 1
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
9–18 kg
(9–36 maanden)
Typegoedkeuring: E5 03135
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIXsysteem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Typegoedkeuring: E5 03171
Groep 2/3
15–36 kg
(3 –12 jaar)
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder rugleuning.
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje van Volvo – als
optie verkrijgbaar.
Typegoedkeuring: E5 03140
A
32
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 33
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes*
•
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
01
Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING
G027211
G027209
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kinderzitje.
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats achterin is speciaal ontworpen om kinderen maximale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordel is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
1. Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is.
2. Haal de klittenband los.
3. Klap het bovenste gedeelte weer op.
Zorg dat:
•
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheidsgordel goed over de schouder ligt;
•
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
•
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 34
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
G027210
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
G015268
01
Klap het bovenste gedeelte omlaag.
Bevestig het stuk klittenband.
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het
ruggedeelte van de achterbank op.
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïntegreerde kinderzitje met de klittenband (B)
zijn vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
Anders kan het bovenste gedeelte (A) in het
ruggedeelte van de achterbank (C) blijven
steken, wanneer u het geïntegreerde kinderzitje een volgende keer opnieuw uitklapt.
34
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeelten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 35
01 Veiligheid
01
35
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 36
Overzicht auto’s met het stuur links.......................................................
Overzicht auto’s met het stuur rechts.....................................................
Instrumentenpaneel................................................................................
Controle- en waarschuwingslampjes......................................................
Informatiedisplay.....................................................................................
Schakelaars op middenconsole..............................................................
Verlichtingspaneel...................................................................................
Linker stuurhendel...................................................................................
Boordcomputer*......................................................................................
Rechter stuurhendel................................................................................
Cruisecontrol*.........................................................................................
Stuurwielafstelling, handrem...................................................................
Elektrische aansluiting, aansteker...........................................................
Elektrisch bedienbare ruiten...................................................................
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels....................................................
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................
36
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
38
40
42
44
47
49
53
55
56
58
60
62
63
64
66
71
G020901
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 37
02
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 38
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
COMFORT SPORT
ADVANCED
DOLBY B NR
G027220
HU-403
38
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
G029581
Overzicht auto’s met het stuur links
Handrem
Koplamphoogteregeling
Schakelaarpaneel
Verlichtingspaneel
Klimaatregeling
Leeslampjes
Audiosysteem
Interieurverlichting
Elektrische aansluiting, aansteker
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Alarmlichten
Gordelwaarschuwing
Dashboardkastje
Achteruitkijkspiegel
Blaasmond
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
Display
Temperatuurmeter
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Snelheidsmeter
Knop, buitenspiegels
Mistachterlicht
Richtingaanwijzers
Actief chassis, FOUR-C
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
Toerenteller
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Mistlampen
Cruisecontrol
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Claxon
Brandstofmeter
Instrumentenpaneel
Controle- en waarschuwingslampjes
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Blaasmonden
Ruitenwissers
Instrumentenverlichting
02
39
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 40
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
G027221
02
40
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
G029581
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Mistachterlicht
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Mistlampen
Ruitenwissers
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Claxon
Instrumentenpaneel
Cruisecontrol
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
Handrem
Koplamphoogteregeling
Elektrische aansluiting, aansteker
Instrumentenverlichting
Klimaatregeling
Leeslampjes
Audiosysteem
Interieurverlichting
Schakelaarpaneel
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Alarmlichten
Gordelwaarschuwing
Dashboardkastje
Achteruitkijkspiegel
Blaasmond
Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
Controle- en waarschuwingslampjes
Brandstofmeter
Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
Toerenteller
02
Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
Actief chassis, FOUR-C
Richtingaanwijzers
Snelheidsmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Temperatuurmeter
Display
Blaasmonden
Verlichtingspaneel
41
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 42
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
G026973
02
Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de
luchtinlaat bij een hoge buitentemperatuur
en een zware belasting van de motor het
koelvermogen verminderen.
Display – Op het display worden informatieve meldingen en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
Dagtellers, T1 en T2 – De dagtellers dienen
om kortere afstanden op te meten. Het
42
rechter cijfer geeft de afstand in honderden
meters aan. U kunt de dagtellers op nul
zetten door de knop langer dan 2 seconden in te drukken. Wissel van dagteller
door de knop korte tijd in te drukken.
Aanduiding voor cruisecontrol – Voor meer
informatie (zie pagina 60).
Kilometerteller – De kilometerteller geeft
het totale aantal kilometers aan dat er met
de auto is gereden.
Grootlichtindicatie
Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het display.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
Aanduiding voor automatische versnellingsbak – Hier ziet u welke schakelstand
er actief is. Als u een automatische versnellingsbak met Geartronic hebt en het
handmatige schakelprogramma gebruikt,
ziet u hier welke versnelling u hebt ingeschakeld.
Buitentemperatuurmeter – Geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in het interval van 5 °C tot +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display. Het symbool wijst op het gevaar voor
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, kan de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde
aangeven.
02
Klok – Draai aan de knop om de klok gelijk
te zetten.
Wanneer het lampje op het hoofdinstrument gaat branden is het brandstofpeil te
laag. Tank dan zo spoedig mogelijk. Zie
ook de boordcomputer (pagina 56).
Controle- en waarschuwingslampjes
Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts
43
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 44
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
Alle controle- en waarschuwingslampjes 1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen 5 seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Waarschuwingslampje midden op
instrumentenpaneel
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje lampje
1. Lees de melding op het display.
2. Verhelp de storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 47). Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst automatisch.
G026977
Functietest, lampjes
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde storing.
Wanneer de melding TIJD VOOR REG.
SERVICE verschijnt, kunt u het waarschuwingslampje laten doven en de melding verwijderen met de knop READ. De melding
verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets
doet.
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
Rood lampje
1. Stop de auto zo spoedig mogelijk. Rijd niet
verder met de auto.
2. Lees de informatie op het display.
3. Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
1
44
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 196).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
3. Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het ABS-systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (zie pagina 199).
2. Als het peil lager is dan het MIN-merkje van
het reservoir, kunt u beter niet verder rijden
met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordels brandt, zolang
de bestuurder de gordel niet heeft
omgedaan.
2. Start de motor opnieuw.
•
Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
•
Als de waarschuwingslampjes echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren (zie
pagina 199).
•
Als de vloeistof lager staat dan het MINstreepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
•
Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil
in orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
02
Te lage oliedruk 2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Als het lampje oplicht ondanks dat
het oliepeil in orde is, dient u de auto tot stilstand te brengen en contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Rijd de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd oplichten,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
2
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 196).
``
45
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 46
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in SRS-systeem
02
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in het SRS-systeem (de airbags) geregistreerd. Rijd de auto
zo spoedig mogelijk naar een
erkende Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrische
systeem. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor
actief is. Wanneer het lampje
dooft, kunt u de motor starten.
Geldt alleen voor dieselmodellen.
Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
46
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert, wanneer u de richtingaanwijzers op de
auto en op de aanhanger gebruikt.
Als het lampje niet knippert, is een
van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC/DSTC
De verschillende functies en lampjes van het systeem staan
beschreven op pagina 132.
Als een van de portieren of het kofferdeksel niet
goed afgesloten is, wordt u daarop attent
gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display: BESTUURDERSPORTIER
OPEN, PASSAGIERSPORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat of de motorkap die openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel open is, verschijnt
KOFFERBAKDEKSEL OPEN op het display.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Displaytekst
Meldingen die in het geheugen liggen opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals
doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de
opgeslagen meldingen wilt bekijken. U kunt de
opgeslagen meldingen doorbladeren door op
de knop READ (A) te drukken.
Melding
Betekenis
SERV. SPOED
Laat de auto onmiddellijk nakijken door
een erkende Volvowerkplaats.
Druk nogmaals op de knop READ om de meldingen weer in het geheugen op te slaan.
ZIE HANDLEIDING
Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREIST
Laat de auto zo
spoedig mogelijk
nakijken door een
erkende Volvowerkplaats.
BIJ ONDERHOUD
Laat uw auto tijdens
de volgende servicebeurt controleren.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Het is tijd voor een
servicebeurt bij een
erkende Volvowerkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste servicebeurt is verstreken
en het aantal draaiuren van de motor.
G026979
N.B.
Wanneer er een controle- of waarschuwingslampje oplicht, verschijnt er tevens een melding op het display. Wanneer u de melding
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. De melding wordt dan van
het display gewist en in een geheugen opgeslagen. Meldingen blijven in het geheugen
opslagen, totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
Meldingen die duiden op zeer ernstige storingen kunt u niet van het display wissen. De
meldingen blijven op het display staan, totdat
u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
de melding hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken.
Melding
Betekenis
STOP AUTO
Z.S.M.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
ZET DE MOTOR
AF
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
02
``
47
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 48
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
48
Melding
Betekenis
ROETFILTER VOL
ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 121).
STC/DSTC SPIN
CONTROL UIT
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie
pagina 132 voor
meer varianten).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Knop
G027194
02
BLIS (Blind Spot Information System)*
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Druk op de knop om het systeem te deactiveren of opnieuw
te activeren. Voor meer informatie (zie pagina 157).
Actief chassis, FOUR-C*
Druk op de knop om een van de
chassistanden Comfort of
Sport te kiezen (zie
pagina 134). Op het display
verschijnt 10 seconden lang de
actuele stand.
DSTC-systeem
Met deze knop kunt u de functies van het DSTC-systeem
beperken of een geldende
beperking opheffen.
Het lampje in de knop licht op om aan te geven
dat het DSTC-systeem actief is (mits er geen
sprake is van een storing).
Om de werking van het DSTC-systeem te
beperken moet u de knop ten minste een halve
seconde ingedrukt houden. Het lampje in de
knop dooft dan en de melding DSTC ANTISKID UIT verschijnt op het display.
Het DSTC-systeem wordt iedere keer dat u de
motor start, automatisch geactiveerd. Voor
meer informatie (zie pagina 132).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 50
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
WAARSCHUWING
02
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC-systeem
uitschakelt.
Elektrische aansluiting/Aansteker*
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken,
zoals een mobiele telefoon of
koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten, wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
omklappen*
Klap de hoofdsteunen niet om,
als er iemand op een van beide
buitenste zitplaatsen van de
achterbank zit.
1. Draai de contactsleutel naar stand I of II.
2. Druk de knop in om de hoofdsteunen van
de achterbank om te klappen en zo een
beter zicht naar achteren te verkrijgen.
U moet de hoofdsteunen na afloop handmatig
weer opklappen.
Als u de beide ruggedeelten van de achterbank
wilt omklappen, moeten de hoofdsteunen
rechtop staan.
Inklapbare buitenspiegels*
Met deze knop kunt u de elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
1. Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk naar
voren toe.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Park Assist*
Ga als volgt te werk, als een van de buitenspiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
50
2. Draai de contactsleutel naar stand II.
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om Park
Assist uit te schakelen of
opnieuw in te schakelen (zie
pagina 135).
Kofferdeksel vergrendelen*
Druk op de aangegeven knop
om het kofferdeksel te vergrendelen. Het kofferdeksel blijft
daarna vergrendeld, ook al ontgrendelt u de portieren handmatig met de hoofdsleutel, de
afstandsbediening daarvan of de servicesleutel.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Met deze knop kunt u de Safelock-functie desgewenst uitschakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde te
openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveausensoren van het alarmsysteem* buiten werking stellen – wanneer u bijvoorbeeld met de
auto een veerverbinding neemt. Het lampje in
de knop brandt, wanneer de functies zijn uitgeschakeld of buiten werking zijn gesteld (zie
pagina 109 en 113).
Verstralers*
Druk op deze knop als u de verstralers van de auto’s tegelijk
met het groot licht wilt voeren
of als u de verstralers wilt uitschakelen. Het lampje in de
knop brandt, wanneer de functie actief is.
Actieve Bi-XenonŸ koplampen, ABL*
Alarmlichten
De lichtbundels van de ABLkoplampen draaien met het
stuurwiel mee. De functie wordt
bij het starten van de motor
automatisch geactiveerd en
kan met de bijbehorende knop
worden uitgeschakeld/ingeschakeld. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de functie
actief is.
02
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
G027279
Safelock-functie en alarmsensoren
deactiveren*
Houd de knop ten minste vijf seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te staan.
De melding DIMLICHT V. RECHTSR.
VERKEER of DIMLICHT V. LINKSR.
VERKEER verschijnt op het display. Voor
meer informatie over halogeen- of BiXenonŸkoplampen en het aanpassen van de
lichtbundels (zie pagina 150).
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 52
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
Elektrisch verwarmde buitenspiegels en
achterruit
Gebruik de elektrische verwarming om de achterruit en de
buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
Wanneer u op de knop drukt,
wordt de verwarming van de
achterruit en de buitenspiegels
geactiveerd. Het lampje in de
knop gaat daarbij branden.
De verwarming wordt na ca. 12
minuten automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Voor meer informatie (zie
pagina 78 of 81).
52
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplampen
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
G027100
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Bedieningspaneel verlichting
Mistlampen*
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Mistachterlicht
Duimwiel voor afstelling van de verlichting
van het instrumentenpaneel
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische
dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te
draaien.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 55).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand
I of 0 draait.
02
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
±
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1. Draai de contactsleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stellen.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 54
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
Auto’s met actieve Bi-XenonŸkoplampen of BiXenonŸkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteverstelling, zodat het
duimwiel (3) ontbreekt.
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
±
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
contactsleutel in stand II staat en de verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden.
De verlichting wordt bij daglicht automatisch
gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
±
met de knop op de middenconsole (zie
pagina 51).
Mistachterlicht
Druk op de knop (4) (zie pagina 53).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht is
ingeschakeld.
Actieve Bi-XenonŸ koplampen, ABL*
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
±
Druk op de knop (2) (zie pagina 53).
Het lampje in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020789
Mistlampen*
De lichtbundels van de ABL-koplampen
draaien met het stuurwiel mee. De functie
wordt automatisch ingeschakeld bij het starten
van de motor en is te activeren/deactiveren
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Richtingaanwijzers
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
Onafgebroken serie knippersignalen
De contactsleutel moet in stand II staan om het
groot licht te kunnen inschakelen.
±
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
G027178
±
Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, richtingaanwijzers
Grootlichtsignalen
Follow-Me-Home-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook in
stand (2) zetten en daarna meteen terugduwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
De korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk beëindigd, als u de richtingaanwijzers
gebruikt om te signaleren dat u een bocht in de
tegenovergestelde richting wilt maken.
02
1. Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 53).
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
±
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 seconden 1, maar is te
wijzigen in 60 of 90 seconden.
1. Neem de sleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
Fabrieksinstelling.
55
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 56
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
Algemene informatie
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
02
Snelheid in miles per hour*
Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Huidig
Functies
G026956
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
READ - bevestigen
Duimwiel - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET - op nul stellen
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
1
56
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
•
•
•
•
•
GEMIDDELDE SNELHEID
SNELHEID IN MILES PER HOUR*
HUIDIG
GEMIDDELD
In het menu voor het actuele brandstofverbruik
wordt het brandstofverbruik voortdurend bijgehouden. Het brandstofverbruik wordt eenmaal per seconde berekend. De waarde op het
display wordt om de paar seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het display “ ----” aan. Tijdens regeneratie 1 van het
roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stijgen (zie pagina 121).
KILOMETER TOT LEGE TANK
STC/DSTC, zie pagina 132
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitzet, wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de rit. U
kunt de waarde op nul zetten met een druk op
de knop RESET op de hendel.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
02
Kilometer tot lege tank
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “ --- kilometer tot lege tank” op het
display staat, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius. Tank dan zo
spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 58
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
Intervalstand
U kunt het interval tussen de wisslagen zelf instellen. Draai het
duimwiel omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
02
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
G026953
De wissers bewegen op hoge snelheid.
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit
Duimwiel
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
Regensensor, Aan/Uit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0 staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid of omlaag voor een lagere gevoeligheid. (De wissers maken een extra slag, als
u het duimwiel omhoog draait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient het contact/de contactsleutel in stand I of II te staan
en de ruitenwisserhendel in stand 0 (niet geactiveerd).
Regensensor activeren:
±
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit, wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Druk op de knop. Het lampje in de knop
gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
•
Druk op de knop. Het lampje in de knop
dooft.
•
haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of 5 minuten nadat u het contact hebt
uitgezet.
sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid bij
het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer
u de hendel kort naar het stuurwiel haalt, wordt
alleen de voorruit gesproeid.
02
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor met een druk op
knop (2) uit, als het contactslot in stand I of
II staat.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de
koplampen niet langer schoongesproeid. Dit
omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Ruitensproeiers
U activeert de voorruit- en koplampsproeiers
door de hendel naar het stuurwiel toe te trekken. De wissers maken nog enkele slagen
nadat u de hendel hebt losgelaten.
Koplampsproeiers*
De koplampsproeiers worden automatisch
geactiveerd bij het gebruik van de ruitensproeiers.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van 10 minuten). Wanneer er meer dan tien minuten zijn verstreken
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
G027177
G026949
Tijdelijk uitschakelen
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1. Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2. Druk op + of - om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
1
60
Afhankelijk van het motortype.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
±
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of - in te drukken. De snelheid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of - komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h.
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde snelheid
blijft na een tijdelijke uitschakeling in het
geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
•
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
•
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h 1;
•
•
u de keuzehendel in stand N zet;
•
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan 1 minuut heeft geduurd.
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
02
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 62
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, handrem
Stuurwielafstelling
Handrem aanzetten
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
02
Handrem (parkeerrem)
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
3. Haal uw voet van het rempedaal en controleer of de auto blijft stilstaan.
4. Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
G027308
5. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
G027307
1. Duw de hendel aan de linkerzijde van de
stuurkolom omlaag.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
3. Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit veel moeite kost, kunt u lichte druk
op het stuurwiel aanbrengen terwijl u de
blokkeerhendel terugduwt.
62
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Handrem lossen
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting, aansteker
Elektrische aansluiting achterin
Aansteker*
±
Druk op de aansteker om deze te activeren.
02
G027173
Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de
knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de
opening en gebruik het roodgloeiende deel om
bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld om 12 V af te nemen. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen moet u het klepje
sluiten, wanneer u de aansluiting niet
gebruikt.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 64
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
02
Bestuurdersportier
Automatische bediening
±
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
Zijruit openen:
±
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
G029582
Zijruit sluiten:
±
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in
de achterportieren goed in de gaten, wanneer u ze met de knoppen op het bestuurdersportier of met de afstandsbediening
sluit.
64
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) omlaag of trek er één omhoog en laat
deze vervolgens los. De zijruiten gaan dan
automatisch open of dicht. Als een zijruit
door iets worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op twee
manieren openen en sluiten:
Handmatige bediening
±
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) voorzichtig omlaag of trek er één voorzichtig omhoog. De elektrisch bedienbare
zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knoppen bedient.
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare ruiten verbreekt door de contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Het lampje in de knop is uit
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
Met de ruitbedieningsknop op het passagiersportier kunt u alleen die ruit bedienen.
02
G029586
G029583
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elektrisch bedienbaar kinderslot*.
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
G029585
Passagiersstoel, voor
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
De zijruiten in de achterportieren zijn met de
knoppen op de achterportieren of met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
Als het lampje brandt in de knop waarmee u de
elektrische bediening van de achterste zijruiten
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
U kunt de zijruiten in de achterportieren op
dezelfde manier bedienen als de zijruiten in de
voorportieren.
65
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 66
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld.
N.B.
Het hendeltje is niet aanwezig op spiegels
met autodimfunctie.
02
U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw
inschakelen door op het verzonken knopje aan
de achterzijde van de achteruitkijkspiegel te
drukken. Gebruik bijvoorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het knopje ligt ca. 2,5 cm diep
in de spiegel.
Achteruitkijkspiegel met kompas*
G026660
Juiste magnetische zone instellen voor
kompas
Normale stand
Dimstand
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G026965
Dimfunctie
In de linker bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord),
NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S
(zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noordwest).
Z
O
N
E
C
A
L
C
A
L
Z
O
N
E
G026950
Achteruitkijkspiegel
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 67
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
1. Contactslotstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paperclip bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE
verschijnt. Het cijfer van de huidige magnetische zone verschijnt.
3. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografische gebied (1–15) verschijnt. Enkele
seconden later staat de kompasrichting
weer op het display, wat aangeeft dat er
van zone is gewisseld.
02
``
67
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 68
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
G026677
02
Magnetische zones voor kompas.
68
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 69
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kalibreren
Buitenspiegels
WAARSCHUWING
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieurventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magnetische voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels met geheugen*
Als er buitenspiegels met geheugen op de auto
zitten, werkt het geheugen synchroon met dat
van de bestuurdersstoel (zie pagina 91).
WAARSCHUWING
3. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Alternatieve kalibratiestap
Rijd op de normale manier weg. CAL verdwijnt
van het display, wanneer de kalibratie is afgerond.
G029587
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de melding
CAL opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden
lang).
02
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier.
1. Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
De spiegel aan de bestuurderszijde is groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen
kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
Buitenspiegels resetten (zie pagina 50).
Geheugenfunctie van
afstandsbediening*
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen. De volgende keer dat u de auto ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen vijf minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 70
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Gelaagde zijruiten*
02
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
Water- en vuilafstotende laag*
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn
voorzien van een speciale laag die bij regen
voor een beter zicht zorgen.
Zijruiten en buitenspiegels met de speciale water- en vuilafstotende laag zijn
voorzien van een klein symbool. Voor informatie over het onderhoud van dergelijke zijruiten
en spiegels (zie pagina 183).
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 78 of 80).
Verwarm de buitenspiegels:
•
•
•
70
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
bij hevige regenval of vieze wegen;
bij beslagen spiegels.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat er daarbij krassen op
het glas kunnen ontstaan en de water- en
vuilafstotende laag beschadigd kan raken.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 71
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Openingsstanden
Openen, ventilatiestand
WAARSCHUWING
Sluiten, ventilatiestand
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
02
Ventilatiestand
Openen:
±
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
±
G027325
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek de
knop achteruit in de eindstand (4) en laat de
knop los.
Schuifstand
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
G027010
Automatische bediening
Ventilatiestand, achterkant omhoog.
Schuifstand/comfortstand 1, achteruit/
vooruit.
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
1
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
±
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Trek de knop door het weerstandspunt (3)
in de achterste eindstand (4) of via het
weerstandspunt (2) in de voorste eindstand (1) en laat de knop vervolgens los.
Het schuifdak opent of sluit volledig.
Openen, handmatig
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
Openen, automatisch
±
Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
In de comfortstand staat het schuifdak op een kier om de rijwindgeluiden te beperken.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 72
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
Handmatige bediening
02
Zonnescherm
WAARSCHUWING
Openen:
±
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Trek de knop achteruit naar het weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
kinderen niet met hun handen bekneld kunnen raken.
Sluiten:
Duw de knop vooruit naar het weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift steeds verder dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
G020157
±
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 73
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
02
73
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 74
Algemene informatie over de klimaatregeling.........................................
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC.............................
Elektronische klimaatregeling, ECC*.......................................................
Luchtverdeling.........................................................................................
Standverwarming op brandstof*.............................................................
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
76
78
80
83
84
G020906
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
KLIMAATREGELING
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 75
03
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 76
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
Airconditioning
Sneeuw en ijs
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditioning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC).
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen
van koudemiddel alleen R134a. Laat dergelijke
werkzaamheden over aan een erkende Volvowerkplaats.
Auto’s met ECC
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op
gezette tijden vervangt. Informeer bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en om de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte e.d. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag afdek-
76
ken. Dek de interieurtemperatuursensor op het
bedieningspaneel van de klimaatregeling
evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden. Let er tevens op dat u de
afvoerkanalen in de hoedenplank niet mag
afdekken.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de airconditioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal.
Om de klimaatregeling te ventileren kan de
interieurventilator tot 50 minuten na het afzetten van de motor aanslaan. De ventilator slaat
ca. 15 minuten later automatisch af.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van de elektronische klimaatregeling (ECC) wordt ook de airconditioning automatisch geregeld en alleen dan ingeschakeld
wanneer de lucht in de passagiersruimte moet
worden afgekoeld en de binnenkomende lucht
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 77
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
van vocht moet worden ontdaan. Zo wordt
meer brandstof bespaard dan bij gebruik van
conventionele systemen, waarbij de airconditioning de lucht voortdurend afkoelt tot net
boven het vriespunt.
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
03
G027330
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
0
Open
Open
Dicht
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Luchtstroom omhoog of omlaag.
G027064
G027329
Luchtverdeling
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
1. Richt de blaasmonden op de achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer: sluit de middelste blaasmonden
om de temperatuur in de auto zo comfortabel
mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te
ontwasemen.
2. Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter in
de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
77
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 78
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
Bedieningspaneel
Gebruik de airconditioning ook bij lage temperaturen (0–15 °C) om de inkomende lucht van
vocht te ontdoen.
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide lampje in de knop(pen) gaan
branden.
AC, Aan/Uit (ON/OFF)
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de lampjes in de knop(pen)
gaat branden.
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan. OFF: De airconditioning staat uit.
G027255
03
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Recirculatie
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Temperatuur, links/rechts
Draai aan de knop om de temperatuur van de binnenkomende lucht te regelen. Koeling
is alleen mogelijk, wanneer de
airconditioning actief is.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Temperatuur, rechterzijde
Temperatuur, linkerzijde
Ventilator
Als u de airconditioning wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop
uit stand 0 draaien.
78
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en)
wenst:
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes in de
knop(pen) gaat branden.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de
ventilator draait verhogen of
verlagen door aan de knop te
draaien. Als de draaiknop in
stand 0 staat, is de airconditioning niet ingeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel
ontdoen van condens of ijs (zie
pagina 52 voor meer informatie
over deze functie).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 79
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. Bij gebruik van de
recirculatie (in combinatie met de airconditioning) wordt de lucht in de passagiersruimte bij
warm weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem en een
slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1. Druk de knop langer dan 3 seconden in.
Het lampje knippert 5 seconden. De lucht
in de auto wordt afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang gerecirculeerd.
2. Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
±
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u
de met stippen gemarkeerde
luchtverdelingsstanden tussen
de verschillende symbolen
gebruiken om de luchtverdeling
precies af te stellen.
03
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de stand
voor ontwaseming (
) om de voorruit en
de zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
Er stroom dan op hoge snelheid lucht naar de
ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
•
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat
79
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 80
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Bedieningspaneel
Stoelverwarming – linkerzijde
Temperatuur – rechterzijde
Temperatuur – linkerzijde
Ventilator
03
AUTO
AUTO
Temperatuur
G028576
Recirculatie
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling
automatisch dusdanig ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt bereikt. De automatische functie regelt de verwarming, de airconditioning, de Air Quality Sensor,
de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling. Ook als u een of meer van de
genoemde functies handmatig instelt, worden
de resterende functies nog automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op AUTO drukt.
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor*
Luchtverdeling
Met de twee draaiknoppen kunt
u de temperatuur aan de
bestuurderszijde en de passagierszijde instellen. Let erop dat
de passagiersruimte niet sneller
warm of koud wordt, wanneer u
een hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste temperatuur.
20
18
Interieurtemperatuursensor
Ontwaseming voorruit en zijruiten
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
Stoelverwarming – rechterzijde
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
22
24
26
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zo
ver linksom draait dat alleen het oranje
lampje links boven de knop oplicht, zijn de
ventilator en de airconditioning uitgeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel
ontdoen van condens of ijs (zie
pagina 51 voor meer informatie
over deze functie).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 81
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Ontdooien voorruit en zijruiten
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Luchtverdeling
U gebruikt de ontwaseming om
de voorruit en de zijruiten snel
te ontwasemen en te ontdooien. Er stroom dan op hoge
snelheid lucht naar de ruiten.
Het lampje in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en)
wenst:
•
•
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
G027267
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
•
•
•
Lucht naar de ruiten.
Lucht naar hoofd en borstkas.
Lucht naar benen en voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
AC, Aan/Uit (ON/OFF)
03
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide lampje in de knop(pen) gaan
branden.
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de lampjes in de knop(pen)
gaat branden.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes in de
knop(pen) gaat branden.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
OFF: Uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 82
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
Recirculatie
MAN
03
AUT
U kunt de recirculatie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten
de auto in, wanneer deze functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat
aanstaan, kan er met name in
de winter wasem en ijs op de binnenkant van
de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1. Druk de knop
langer dan 3 seconden in. Het lampje knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang
gerecirculeerd.
2. Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk de knop
nogmaals maar dan langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat 5
seconden branden ter bevestiging van uw
keuze..
Interior Air Quality System*
recirculatie niet nodig is om voor verkoeling te zorgen bij warm weer).
•
Het lampje bij MAN gaat branden. De recirculatie is daarmee ingeschakeld.
Let erop dat:
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter met
AUT
MAN
een Air Quality Sensor. Het
combifilter ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en
stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de
passagiersruimte. Wanneer de sensor een verhoogde concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten zodat de lucht in de passagiersruimte recirculeert.
•
U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
•
Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
•
U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
•
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen (zie
pagina 80).
Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje bij AUT.
Raadpleeg het serviceprogramma van Volvo
voor het aanbevolen vervangingsinterval voor
het combifilter. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het combifilter mogelijk vaker
vervangen.
Bediening
Druk op AUTO om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door verschillende malen op de knop AUTO te drukken.
•
Het lampje bij AUT gaat branden. De Air
Quality Sensor is daarmee ingeschakeld.
•
Geen van de lampjes brandt. De recirculatiefunctie is niet ingeschakeld (voor zover
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 83
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht via de blaasmonden voor- en achterin.
Voor een goede koeling bij warm weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden en
uit de ontwasemingsopeningen voor de
voorruit en de zijruiten.
Voor verwarming van
de voeten.
Lucht naar de vloer en
de blaasmonden.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Lucht naar de ruiten.
In deze stand vindt er
geen luchtrecirculatie
plaats. De airconditioning is altijd ingeschakeld. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Lucht naar de vloer en
de ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmonden.
Voor het verwijderen
van ijs en wasem. Laat
de ventilator op hoge
snelheid draaien.
03
Voor een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming bij
koude weer. Laat de
ventilator niet te langzaam draaien.
83
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 84
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
G027095
03
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Displaytekst
De elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de
standverwarming moet worden ingeschakeld
om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen
halen. Bij een buitentemperatuur hoger dan
25 °C wordt de verwarming niet geactiveerd.
Bij temperaturen van –10 °C en lager is de
maximale bedrijfstijd van de standverwarming
60 minuten.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een melding met de status van de standverwarming.
De melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf
de buitenzijde vergrendelt met de afstandsbediening.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Dat doet u het eenvoudigst door:
Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
op de knop READ te drukken, of
het groot licht te activeren, of,
het contact in te schakelen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en DIRECTE START activeert, brandt het oranje waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel. Op het display verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, verschijnt er een
melding op het display. Neem in dat geval contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrische systeem worden
“gewekt”.
•
•
•
84
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden voor
de standverwarming instellen: TIMER 1 en
TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het
tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is.
Controleer op het display of de standverwarming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er PARK.VERW. AAN op
het display.)
G027226
Algemene informatie over
verwarmingen
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 85
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
6. Druk kort op de knop RESET om uw instelling te bevestigen.
interieur gaat van start, zodra de koelvloeistof
in de motor op temperatuur is gekomen.
7. Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Standverwarming meteen uitschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
Klok en gebruik van de timer(s)
Blader wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld naar
TIMER 2. U stelt deze timer op dezelfde
manier in als TIMER 1.
Als u na het instellen van de timer(s) de klok
bijstelt, worden alle timerinstellingen om veiligheidsredenen geannuleerd.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
3. Kies UIT.
Accu en brandstof
TIMER 1 en 2 instellen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
1. Draai aan het duimwiel totdat TIMER 1 op
het display verschijnt.
2. Druk kort op de knop RESET zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
3. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
4. Druk kort op de knop RESET zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
2. Druk op de knop RESET om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
1. Druk op de knop READ (A).
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de standverwarming uitgeschakeld.
2. Blader met het duimwiel naar TIMER
PARK.VERW 1 (alt. 2). De tekst AAN knippert op het display.
Er verschijnt dan tevens een melding op het
display. Bevestig deze melding met de knop
READ.
3. Druk op de knop RESET. De tekst UIT
brandt continu en de standverwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
1. Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START op het display verschijnt.
2. Druk op de knop RESET om een van de
opties AAN of UIT te selecteren.
3. Kies AAN.
03
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de verwarming aanstond. Dit om te zorgen
dat de dynamo evenveel stroom kan bijladen als de verwarming verbruikt.
De standverwarming zal vervolgens 60 minuten lang blijven werken. De verwarming van het
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
P2 (S60); 5; 3
evastarck
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
Extra verwarming (diesel)*
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
03
86
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt. De verwarming wordt
automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm
genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 86
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 87
03 Klimaatregeling
03
87
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 88
Voorstoelen............................................................................................. 90
Interieurverlichting................................................................................... 93
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte............................................ 95
Achterbank.............................................................................................. 99
Kofferbak............................................................................................... 100
88
G020908
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
INTERIEUR
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 89
04
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 90
04 Interieur
Voorstoelen
Lendensteun wijzigen 1, aan de knop
draaien.
Zithouding
Rugleuning voorstoelen omklappen*
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten –
omhoog-/omlaagpompen*.
Stoel hoger/lager zetten – omhoog-/
omlaagpompen.
1
90
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
G014805
G027214
04
De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 91
04 Interieur
Voorstoelen
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer het
contact is ingeschakeld.
Stoel met geheugenfunctie*
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Elektrisch bedienbare stoel*
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
04
G027037
WAARSCHUWING
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2. Houd knop MEM ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt.
G027036
Stoel in vastgelegde stand zetten
Tot enige tijd nadat u het portier met de
afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
Druk op een van de geheugenknoppen 1–3,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het loslaten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vastgelegd, wanneer u de auto met de transpon``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
P2 (S60); 5; 3
evastarck
04 Interieur
Voorstoelen
dersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde transpondersleutel wordt
ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de bestuurdersstoel en de
buitenspiegels de vastgelegde standen in.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
04
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
92
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 92
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 93
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
II en ook wanneer de motor loopt. De verlichting kan ook worden ingeschakeld binnen 10
minuten nadat:
•
de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
•
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
Plafondverlichting achterin
De verlichting dooft daarna automatisch.
Plafondverlichting voorin
04
Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes voorin en interieurverlichting
Leeslampje linksvoor
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor
De interieurverlichting 1 wordt in- en uitgeschakeld door kort op knop (2) te drukken. Ook de
automatische verlichting wordt dan geactiveerd c.q. gedeactiveerd (zie pagina 94).
G027153
G026960
De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met knop (1) en (3).
Leeslampjes achterin.
Leeslampje linksachter
Leeslampje rechtsachter
De leeslampjes achterin worden in- en uitgeschakeld met knop (4) en (5).
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
1
De instapverlichting wordt tegelijk met de interieurverlichting in- of uitgeschakeld.
``
93
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 94
04 Interieur
Interieurverlichting
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt inen uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel*
ken van de knop schakelt u de automatische
verlichting weer in.
Bij een geactiveerde automatische verlichting
gaat de interieurverlichting automatisch 2 30
seconden lang branden wanneer:
•
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of afstandsbediening
•
u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren wordt geopend tenzij u de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
04
De interieurverlichting gaat uit, wanneer:
G020210
•
•
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
u de motor start;
de auto wordt vergrendelt met een sleutel
of afstandsbediening.
De geprogrammeerde inschakelduur (30
seconden resp. 10 minuten) is te wijzigen in
een Volvo-werkplaats.
Automatische verlichting
U kunt de automatische verlichting uitschakelen door knop (2) (zie pagina 93) meer dan 3
seconden ingedrukt te houden. Bij kort indruk-
2
94
De functie is afhankelijk van de lichtinval en wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 95
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
G027219
04
``
95
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 96
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Zonnebrilvak, bestuurderszijde*
Opbergvak in middenconsole
Bekerhouder in achterste opbergvak
voor achterbank
Opbergvak
Parkeerkaarthouder
Bekerhouders*
Dashboardkastje
Opbergvak in middenconsole
Vak in portierpaneel
Opbergvak
WAARSCHUWING
U kunt het opbergvak achter in de middenconsole gebruiken om bijvoorbeeld cd’s
e.d. in te bewaren. Het opbergvak kan worden voorzien van een handset + houder*.
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Voorste opbergvak (voorzien van schuifklepje) - Het voorste opbergvak in de middenconsole is uit te rusten met het volgende:
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
•
•
Bekerhouders*
Asbak*
12V-aansluiting
Asbak*
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027216
Bekerhouder in armsteun, achterbank
G027215
04
Druk op de linker knop van de armleuning en
klap het deksel van de middenconsole naar
achteren toe open om bij het opbergvak of de
handset te komen.
Druk op de rechter knop van de armleuning en
klap het bovenste gedeelte van het deksel op
de middenconsole naar achteren toe open om
de bekerhouder te gebruiken. De bekerhouder
en het deksel zijn elk apart te sluiten.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 97
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
Duw de bekerhouder naar voren, terwijl u
±
Duw de bekerhouder na gebruik weer in
het dashboard.
N.B.
deze aan de achterkant optilt.
Duw de bekerhouder achteruit, in de uitsparing, onder het schuifklepje.
Kantel de voorkant van de bekerhouder
omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde volgorde weer aan.
Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens
op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren.
Dashboardkastje
04
G027351
Bekerhouder in dashboard*
G027225
Bekerhouder in voorste opbergvak*
±
Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
Positie van bijvoorbeeld tankpassen in het dashboardkastje.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 98
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
Flessenhouder achterin*
Bekerhouder in armsteun,
achterbank*
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Doe het volgende om de flessenhouder te
gebruiken:
1. Klap de houder uit.
2. Zet de fles erin.
De flessenhouder is tevens te gebruiken als
prullenbak. Breng van onderaf een afvalzak in
de houder aan en vouw de randen van de zak
om.
N.B.
Er bestaan geen speciale afvalzakken voor
de houder. U kunt gebruik maken van
gewone plastic zakken.
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027213
G027222
G027328
04
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 99
04 Interieur
Achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
Hoofdsteunen achterbank
8503282m
Hoogte van hoofdsteun instellen
De middelste hoofdsteun van de achterbank
kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van
de passagier. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun lager
wilt zetten, moet u tegelijkertijd de pal achter
de ene poot indrukken (zie afbeelding).
G028003
G027327
G028074
04
U kunt de beide ruggedeelten van de achterbank tegelijk of elk apart omklappen. Dit maakt
het vervoer van lange bagage eenvoudiger.
In het rechter ruggedeelte van de achterbank
zit een luik, dat u kunt openen voor het vervoer
van lange bagage zoals ski’s of latten.
U opent het luik als volgt:
Ga als volgt te werk om de ruggedeelten van
de achterbank voorover te klappen:
1. Klap het linker ruggedeelte en de middenarmsteun neer.
1. Controleer eerst of de hoofdsteunen niet
zijn omgeklapt.
2. Duw de grendel van het luik omhoog en
klap het luik naar voren toe open.
2. Trek aan de handgrepen in de kofferbak
zoals aangegeven in de figuur.
3. Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luik open.
3. Klap de ruggedeelten voorover.
99
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 100
04 Interieur
Kofferbak
Doorsteekluik
Bij verwijderen
Houder voor boodschappentassen*
1. Verdraai het deksel 30°.
2. Trek het recht omhoog.
Bij aanbrengen
1. Plaats het deksel in de groeven achter de
bekleding terug.
2. Sluit het deksel.
WAARSCHUWING
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
Geïntegreerd kinderzitje
Het deksel op de armsteun/het geïntegreerde
kinderzitje van de achterbank is niet voorzien
van scharnieren. U moet het deksel dan ook
verwijderen voordat u gebruik maakt van het
doorsteekluik.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïntegreerd kinderzitje, moet u dat eerst uitklappen.
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
G027223
G028068
04
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
Open het luik in de kofferbak. Hang of bind de
boodschappentassen vast met de bagageband.
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto verminderd met dat van
de gemonteerde accessoires.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen.
De gemonteerde accessoires zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 101
04 Interieur
Kofferbak
Het laadvermogen van de auto moet tevens
worden verminderd met het gewicht van het
aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
04
101
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 102
Sleutels en afstandsbediening..............................................................
Vergrendelen en ontgrendelen..............................................................
Kinderslot..............................................................................................
Alarm*....................................................................................................
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
104
107
111
112
P2 (S60); 5; 3
evastarck
SLOTEN EN ALARM
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 103
05
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 104
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten
de codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
G030179
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/
sleutels voor één en dezelfde auto worden
geprogrammeerd en gebruikt.
05
Hoofdsleutel. De hoofdsleutel past op alle sloten.
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd1. De hoofdsleutels
zijn inklapbaar en voorzien van een ingebouwde afstandsbediening. Met de servicesleutel valt het dashboardkastje niet te ontgrendelen.
Verlies van een sleutel
Als u een van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats en alle resterende sleutels van de auto
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
1
104
Bepaalde markten.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Anders kan de elektronische startblokkering per ongeluk worden
geactiveerd, zodat de auto niet kan worden
gestart.
Functies afstandsbediening
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
chips. Deze code moet overeenkomen met die
van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een
sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1) moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld) bij
het starten van de auto. Anders bestaat het
risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
G027013
Sleutels
Ontgrendelen
Bij eenmaal indrukken van de knop worden alle
portieren, het kofferdeksel en de tankvulklep
ontgrendeld.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 105
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Paniekfunctie
Gebruik de paniekfunctie om in noodgevallen
de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode knop ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd.
U schakelt de paniekfunctie weer uit met een
druk op een willekeurige knop van de afstandsbediening. Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25 seconden automatisch uitgeschakeld.
Approach-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
±
Druk op de gele knop van uw afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten vóór en
verlichting achter, de kentekenplaatverlichting
en de lampjes in de buitenspiegels (optie) gaan
branden. De lampen blijven 30, 60 of 90 seconden branden. In een erkende Volvo-werkplaats
kunt u een passende inschakelduur laten
instellen.
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
±
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met de knop vergrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van
ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door de knop in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
G027011
Kofferdeksel
Bij tweemaal indrukken van de knop wordt
alleen het kofferdeksel ontgrendeld.
05
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
1. Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant voorzichtig open te wrikken.
2. Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
``
105
P2 (S60); 5; 3
evastarck
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
3. Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
Geef de lege batterij af bij de Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
05
106
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 106
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 107
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
delen1. Wanneer u het geopende portier of het
kofferdeksel vervolgens sluit bestaat het
gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels
nog in de auto.
Automatische vergrendeling
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle zijportieren en de bagageklep tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan
niet meer te bedienen 1.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat
u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Voor auto’s met alarmsysteem (zie
pagina 112).
G029647
G027206
Automatische hervergrendeling
05
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling activeren of deactiveren.
Bij automatische vergrendeling worden de portieren automatisch vergrendeld wanneer de
auto een snelheid bereikt van meer dan
7 km/h. De portieren blijven vergrendeld totdat
een portier van de binnenzijde worden
geopend of alle portieren tegelijkertijd worden
ontgrendeld vanaf het bedieningspaneel.
Ook als er nog een portier of het kofferdeksel
openstaat is het mogelijk de auto te vergren1
Geldt voor bepaalde markten
``
107
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 108
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Activeren/deactiveren
1. De contactsleutel moet in stand I of II
staan.
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
Met afstandsbediening
2. Druk op de knop READ op de linker stuurhendel om eventuele meldingen op het display te bevestigen.
Ga als volgt te werk om alleen het kofferdeksel
te ontgrendelen:
±
3. Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding
over de vergrendelingsstatus op het display verschijnt.
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en het kofferdeksel gelijktijdig te vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld
werd, is deze te ontgrendelen door een portier
met de handgreep te openen. 2
2
108
Geldt voor bepaalde markten.
Druk tweemaal op de knop voor ontgrendeling van het kofferdeksel op de afstandsbediening.
Het kofferdeksel wordt daarbij ontgrendeld
en gaat een stukje open.
G029647
05
De melding AUTOLOCK GEACTIVEERD
(automatische vergrendeling tijdens het wegrijden) of AUTOLOCK GEDEACTIVEERD
verschijnt op het display.
Kofferdeksel ontgrendelen/
vergrendelen
Als alle portieren zijn vergrendeld wanneer u
het kofferdeksel weer sluit, wordt ook het kofferdeksel automatisch vergrendeld.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 109
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Privacy locking kofferdeksel*
Met hoofdsleutel
Privacy Locking deactiveren
±
Draai de hoofdsleutel naar stand II en druk
nogmaals op de knop.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met de hoofdsleutel en dus
niet met de servicesleutel.
In noodgevallen (als de afstandsbediening
defect is of als de stroom is weggevallen) kunt
u de hoofdsleutel gebruiken om het kofferdeksel handmatig te ontgrendelen. U doet dat als
volgt:
1. Steek de hoofdsleutel boven of onder in
het kapje dat het slot afdekt.
2. Wip het kapje vervolgens naar boven of
beneden toe los.
3. Ontgrendel het kofferdeksel met de sleutel.
G027172
G027208
Safelock-functie
Deze functie is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem
bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren.
Geef de servicesleutel af zodat het personeel
de auto kan ontgrendelen en erin kan rijden
maar geen toegang heeft tot de kofferbak (of
het dashboardkastje als u dat vergrendeld hebt
met de hoofdsleutel).
Privacy Locking activeren
1. Draai de hoofdsleutel naar stand II.
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening te vergrendelen. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren. De portieren kunnen daarna
niet meer van de binnenzijde worden geopend.
05
De auto kan alleen van de buitenzijde worden
geopend met de sleutel in het bestuurdersportier of met de afstandsbediening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na het
sluiten van de portieren in werking.
2. Druk op de knop. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat de functie
geactiveerd is. Er verschijnt tevens een
tekst op het display.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 110
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
een melding op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt.
Tijdelijk deactiveren
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
N.B.
G027230
Bij auto’s met alarmsysteem:
05
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen.
1. Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelder en niveausensoren buiten werking (zie pagina 113).
Het lampje in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of met de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
110
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geactiveerd is.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 111
05 Sloten en alarm
Kinderslot
Handbediend kinderslot,
achterportieren
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
G021515
Gebruik een plat metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier om de bedieningscilinders te
verdraaien en zo de kindersloten in of uit te
schakelen.
Bedieningscilinder kinderslot, rechter achterportier
05
Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend: Naar buiten toe draaien.
B
Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde worden geopend: Naar binnen toe draaien.
G021514
A
Bedieningscilinder kinderslot, linker achterportier
N.B.
Zolang het kinderslot actief is zijn de achterportieren niet van de binnenzijde te openen.
111
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 112
05 Sloten en alarm
Alarm*
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als:
•
•
•
•
de motorkap wordt geopend;
•
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is);
het kofferdeksel wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
•
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
•
•
de accukabel wordt losgekoppeld;
05
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Alarmindicatie
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
112
•
•
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
•
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
Als de batterijen in de afstandsbediening leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de contactsleutel naar stand II te draaien.
Automatische inschakeling van het
alarm
Alarm inschakelen
Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het
alarm is ingeschakeld en dat alle portieren zijn
gesloten. Op bepaalde markten kunt u het
alarm inschakelen met de sleutel of met de
knop op het bestuurdersportier.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent (en de auto werd met de
afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto onbedoeld kunt achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch weer ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten maar
daarna niet werd vergrendeld.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 113
05 Sloten en alarm
Alarm*
Geactiveerd alarm uitschakelen
Beperkt alarmniveau
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie,
wordt ook deze functie uitgeschakeld (zie
pagina 109).
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegingsmelders en niveausensoren van het alarmsysteem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
Geluidssignalen, alarm
Alarmsysteem testen
Lichtsignalen, alarm
Test van de bewegingsmelder
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter
wanneer u het alarm volgens de bovenstaande
aanwijzingen eerder uitschakelt.
1. Open alle ruiten.
G027228
Een sirene met reservebatterij geeft de geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen
duren telkens 25 seconden.
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
1. Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Het lampje in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of met de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een melding op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt.
2. Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm is
ingeschakeld.
05
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder in de passagiersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Het alarmsysteem
moet dan geluids- en knippersignalen
afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 114
05 Sloten en alarm
Alarm*
3. Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
4. Open een van de portieren. Het alarmsysteem moet dan geluids- en knippersignalen afgeven.
5. Herhaal deze test voor het andere voorportier.
6. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder.
05
2. Activeer het alarm (blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening).
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. Het alarm
moet vervolgens geluids- en knippersignalen afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van het kofferdeksel
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Ontgrendel het kofferdeksel met behulp
van de sleutel in het bestuurdersportier
zonder een portier te openen.
4. Open het kofferdeksel met de handgreep.
Het alarmsysteem moet dan geluids- en
knippersignalen afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 115
05 Sloten en alarm
05
115
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 116
Algemene informatie.............................................................................
Brandstof tanken...................................................................................
Motor starten.........................................................................................
Handgeschakelde versnellingsbak.......................................................
Automatische versnellingsbak..............................................................
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel Drive)..........................................
Remsysteem.........................................................................................
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*.....................................................
Actief chassis (FOUR-C)*......................................................................
Park Assist*...........................................................................................
Slepen en bergen..................................................................................
Starten met een hulpaccu.....................................................................
Rijden met een aanhanger....................................................................
Trekhaak*..............................................................................................
Afneembare trekhaak*...........................................................................
Lading op het dak.................................................................................
Lichtbundel aanpassen.........................................................................
BLIS (Blind Spot Information System)*.................................................
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
118
120
122
124
125
128
129
132
134
135
137
139
140
142
144
148
150
157
G020912
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
STARTEN EN RIJDEN
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 117
06
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 118
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Rijd niet met een geopend kofferdeksel
Doorwaaddiepte
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen (zie pagina 12).
Wanneer u met het kofferdeksel open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen. Als u echter toch
een stukje met een geopend kofferdeksel moet
rijden, doe dan het volgende:
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
Let op het volgende:
•
06
•
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
•
Laat de auto zo veel mogelijk staan voor de
kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
•
Rijd rustig! Vermijd onnodig snel optrekken
en krachtig remmen.
•
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
•
Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije en droge wegen.
•
Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
•
118
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! Dat wil zeggen: Laat
de motor niet stationair lopen, maar rijd zo
snel mogelijk met lichte belasting.
Open de zijruiten niet onnodig.
1. Doe alle ruiten dicht.
2. Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op een
slipbaan) te testen hoe de auto bij gladheid
reageert.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de remwerking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 119
06 Starten en rijden
Algemene informatie
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II staan,
als u de motor hebt afgezet. Gebruik liever
stand I. Op die manier wordt er minder stroom
afgenomen. De 12V-aansluiting in de kofferbak
levert ook spanning als u de contactsleutel
hebt uitgenomen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De melding blijft op het
display staan, totdat de motor is aangeslagen.
De energiebesparingsfunctie schakelt
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt
de belasting van de accu door bijvoorbeeld de
interieurventilator lager te zetten en het audiosysteem uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
•
•
•
•
•
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
•
Schakel van tijd tot tijd de airconditioning
uit.
•
Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
•
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
ruitenwissers
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Schakel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmotoren), wanneer u met een aanhanger of caravan
achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt.
Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het
bijzonder bij warm weer.
Tips om oververhitting in het
koelsysteem te voorkomen
audiosysteem
Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Voorkom oververhitting van de motor
en het koelsysteem
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
•
06
119
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 120
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
Tankvulklep handmatig openen
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom
langzaam en voorzichtig.
Tankdop
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan
de binnenzijde van de tankvulklep.
06
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld.
G027212
G027073
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep wellicht handmatig openen.
1. In de rechter zijwand van de kofferbak zit
een afneembaar luikje. Verwijder het.
2. Steek uw hand door de opening en zoek
de elektrische vergrendeling van de tankvulklep op – deze zit ter hoogte van de
achterkant van de tankvulklep.
3. Trek de pal recht naar achteren.
120
N.B.
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u een of meer
klikken hoort.
WAARSCHUWING
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 121
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Benzine tanken
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke advies van een Volvowerkplaats.
BELANGRIJK
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de katalysator beschadigd raakt.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot 20
minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan
dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie
kan het brandstofverbruik ietwat stijgen.
te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20
minuten verder. Tijdens de regeneratie levert
de motor van de auto iets minder vermogen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
Regeneratie bij koud weer
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen. Zorg er
daarom voor dat u tijdens de wintermaanden
speciale winterbrandstof gebruikt.
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
06
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek
op het instrumentenpaneel op en verschijnt de
melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
121
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 122
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
±
Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is met name van belang bij strenge vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
06
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet
volledig zijn uitgeklapt (zie afbeelding op
pagina 104) bij het starten van de auto.
Anders bestaat het risico dat de startblokkering in werking treedt en de motor niet kan
worden gestart.
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de sleutel uitneemt.
I – Radiostand
Bepaalde onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgeschakeld.
Motor starten
Benzine
Draai de contactsleutel naar de startstand.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een nieuwe
startpoging doen.
Dieselolie
Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Op het instrumentenpaneel gaat een controlelampje branden om aan te geven dat de motor
wordt voorverwarmd (zie pagina 46).
Draai de sleutel naar de rijstand, wanneer het
controlelampje uitgaat.
122
Contact- en stuurslot
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden staat.
Het complete elektrische systeem van de auto is ingeschakeld.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 123
06 Starten en rijden
Motor starten
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug naar de
rijstand. Als het u moeite kost
om de sleutel om te draaien,
is het mogelijk dat de stand van de voorwielen
voor spanningen in het stuurslot zorgt. Draai de
contactsleutel in dat geval om, terwijl u het
stuurwiel heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer
u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op
diefstal.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan de
elektronische startblokkering onbedoeld worden geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u de
andere sleutels van de sleutelbos halen en de
motor opnieuw starten.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. Schakel nooit tijdens het rijden het contact uit (sleutel in stand 0) en
neem de contactsleutel evenmin uit het
contactslot. U loopt dan het gevaar dat het
stuurslot wordt geactiveerd, waarbij de auto
onbestuurbaar wordt.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Wanneer de auto is uitgerust met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging, is de auto
gemakkelijker te besturen op lage snelheden
zodat bijvoorbeeld het parkeren minder moeite
kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt.
06
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien! Neem contact op
met een Volvo-werkplaats, als de motor niet
aanslaat of overslaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 124
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
124
G027995
G027305
06
Schakelstanden, zesversnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
G027199
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de neutraalstand zetten (tussen de 3e en 4e versnelling in). Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingspook niet
rechtstreeks vanuit de stand voor de 5e versnelling in die voor de achteruitversnelling zetten.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 125
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
N – Vrijstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan,
wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
G031105
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
•
•
•
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
L – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand L, als u in de 1e of
2e versnelling wilt rijden. Bij het rijden in de
bergen is de motorrem het krachtigst met de
keuzehendel in stand L.
Mechanische keuzehendelblokkering
4 – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer u de motor start of de auto parkeert.
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand P zet.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan!
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e, 3e en 4e versnelling. Er wordt
niet opgeschakeld naar de 5e versnelling.
Stand 4 leent zich voor:
•
•
•
06
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
G031109
P – Parkeerstand
3 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e en 3e versnelling. Er wordt niet
opgeschakeld naar de 4e versnelling.
Stand 3 leent zich voor:
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
``
125
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 126
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
verschillende schakelstanden.
versnelling terug terwijl er op de motor afgeremd wordt. Als u de keuzehendel naar de +
(plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak
een versnelling op.
Handmatige schakelstanden
Geartronic
W – Winterprogramma
G027997
G020237
Met de knop W bij de keuzehendel
schakelt u het winterprogramma
W in of uit. Bij inschakeling van het
winterprogramma licht het lampje
W op het instrumentenpaneel op.
06
Schakelstanden
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel naar links halen.
Om van stand MAN naar de automatische rijstand D over te schakelen, moet u de keuzehendel naar rechts naar stand D halen.
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel naar links halen. Om van stand
MAN naar de automatische rijstand over te
schakelen, moet u de keuzehendel in stand D
zetten.
Tijdens het rijden
Handmatig schakelen kan op elk moment tijdens het rijden geactiveerd worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u
een andere versnelling kiest. De versnellingsbak schakelt alleen automatisch terug, als u uw
snelheid drastisch verlaagt.
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
126
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selecteren
met de keuzehendel in stand D.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer u
het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 127
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
U kunt de kickdown 1 niet gebruiken zolang de
keuzehendel in een van de handmatige schakelstanden staat. Zet de keuzehendel in dat
geval eerst terug in de automatische schakelstand D.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger toerental op dan normaal. Zo komt de katalysator
sneller op temperatuur met minder uitstoot van
uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt geschakeld.
Lock-upfunctie
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
Neutraalstand (stand N)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
De versnellingen zijn voorzien van lock-up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
06
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
±
1
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Geldt alleen voor Geartronic.
127
P2 (S60); 5; 3
evastarck
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent
ingeschakeld
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de vooren achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 128
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 129
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen
nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal
echter verder intrappen en het pedaal kan minder stug aanvoelen. U moet harder op het
pedaal trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
06
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
``
129
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 130
06 Starten en rijden
Remsysteem
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock Braking System) is ontworpen om te
voorkomen dat de wielen tijdens
het remmen geblokkeerd raken.
Hierdoor kan tijdens het remmen
een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het ABS-systeem
zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft
om bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert de totale remcapaciteit niet. Als bestuurder hebt u echter
wel meer controle over de besturing van de
auto, wat voor meer veiligheid zorgt.
06
130
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest van
start die te horen en te voelen is. Wanneer het
ABS-systeem actief is, treden er merkbare pulsaties in het rempedaal op. Dit is volkomen
normaal.
N.B.
Om het ABS-systeem optimaal te benutten
moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen.
Haal uw voet niet van het rempedaal, wanneer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt.
Aarzel niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te
testen hoe het ABS-systeem werkt.
Het ABS-lampje licht op en blijft continu
branden:
•
gedurende twee seconden tijdens de start
om het systeem te controleren;
•
als het ABS-systeem uitgeschakeld is door
een storing.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde is, moet u de auto
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem
te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusdanig af dat de maximale remwerking wordt verkregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 131
06 Starten en rijden
Remsysteem
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake Assistance) vormt een geïntegreerd onderdeel van
het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet afremmen, altijd meteen het maximale
remvermogen kunt afnemen. Het systeem
registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief en
kan om veiligheidsredenen niet buiten werking
worden gesteld.
Wanneer het EBA-systeem geactiveerd wordt,
zakt het rempedaal omlaag en kunt u het maximale remvermogen van de auto afnemen.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal. Het EBAsysteem wordt uitgeschakeld, wanneer u de
druk van het rempedaal haalt.
06
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
131
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 132
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
Algemene informatie
Antispinregeling
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
±
Antislipregeling
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
±
DSTC
X
Antispinregeling
X
X
Tractieregeling
X
X
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Duimwiel
Knop RESET
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
STC/DSTC wordt geopend.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
G028511
06
STC
Bediening
Beperkte functie
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen aangegeven.
Functie/systeem
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De
aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
STC/DSTC zich wijzigt.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 133
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
N.B.
Iedere keer dat u de motor start verschijnt
enkele seconden lang DSTC AAN op het
display.
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje voor STC/DSTC
Wat het lampje aangeeft hangt af
van de manier waarop het brandt.
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
Het lampje licht op om na ca. 2 seconden
weer te doven
Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer voldoende zijn afgekoeld.
Het lampje knippert
±
•
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, rijd de auto
dan naar een erkende Volvo-werkplaats.
ondertussen op het display.
Herinnert u eraan dat er beperkingen gelden
voor het STC/DSTC-systeem.
Waarschuwingslampje
Displayteksten
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld.
Het lampje brandt continu
De melding DSTC SPIN CONTROL UIT staat
Geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt.
Geeft aan het systeem actief is.
Het oranje lampje brandt continu.
De melding
TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT staat ondertussen
op het display.
Het lampje brandt continu
De melding ANTI-SKID SERVICE VEREIST
Geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
staat ondertussen op het display.
•
Bij een storingsmelding voor het STC/DSTCsysteem:
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af.
2. Start de auto opnieuw.
•
•
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats te brengen.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur weer normaal is.
06
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere wegligging. Dit mag echter voor u geen reden
zijn om sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 134
06 Starten en rijden
Actief chassis (FOUR-C)*
Algemene informatie over actief
chassis (FOUR-C)
Schakelaar voor FOUR-C op
middenconsole
De auto is uitgerust met een
zeer geavanceerd actief chassissysteem – FOUR-C (Continuously Controlled Chassis
Concept) – dat elektronisch gestuurd is. Het
systeem werkt op basis van enkele sensoren
die continu de bewegingen en reacties van de
auto in de gaten houden, zoals de verticale en
zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de
wielbewegingen.
06
De regeleenheid van FOUR-C analyseert gegevens afkomstig van de sensoren en regelt zo
nodig de schokdemperinstellingen tot 500 keer
per seconde bij. Dit levert een uitermate snelle
en nauwkeurige afregeling van elk van de
schokdempers op. Dit verklaart de verschillen
in de chassiseigenschappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te passen, wanneer er wijzigingen in het wegdek op
treden of als u van rijstijl verandert. Deze aanpassing neemt slechts enkele milliseconden in
beslag.
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het chassis dusdanig afgestemd, dat de carrosserie
niets van de oneffenheden in het wegdek merkt
zodat de auto als het ware over de weg zweeft.
De schokdemping is soepeler dan normaal,
waardoor de bewegingen van de carrosserie
minimaal zijn. Deze stand wordt aanbevolen
tijdens lange ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op
de bewegingen van het stuurwiel dan in de
stand Comfort. De vering is stugger dan normaal en de carrosserie volgt het wegdek om bij
het snelle bochtenwerk de mate van overhellen
te beperken. De auto doet sportiever aan.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Sport, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 135
06 Starten en rijden
Park Assist*
Algemene informatie 1
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
•
•
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
G020294
Functie
Park Assist voor- en achterzijde
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1
nalen beurtelings uit de luidsprekers aan linkeren rechterzijde.
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat het
lampje branden in de knop voor Park Assist op
het schakelaarpaneel. Op het display verschijnt de melding PARK.HULP ACTIEF, als
u de achteruitversnelling inschakelt of als de
voorste sensoren een obstakel registreren.
De Park Assist is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, hoe sneller de geluidssignalen elkaar opvolgen. Wanneer u ondertussen een
andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssig-
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
De Park Assist aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met een
originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
06
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk de Park Assist te combineren met verstralers, omdat de sensoren op de
verstralers reageren.
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 136
06 Starten en rijden
Park Assist*
Aanduiding voor systeemstoringen
Aan/Uit
Sensoren schoonmaken
Als het oranje waarschuwingslampje brandt en de melding
PARK.HULP SERVICE
VEREIST op het display staat, is
Park Assist defect.
06
G026946
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen.
G027104
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem.
De positie van de knop binnen de rij kan variëren
Sensoren voor Park Assist
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop
op het schakelaarpaneel, waarna het lampje in
de knop dooft. Park Assist wordt weer ingeschakeld, wanneer u nogmaals op de knop
drukt waarna het lampje gaat branden.
De sensoren werken alleen naar behoren, wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 137
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
WAARSCHUWING
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
•
Het stuurslot moet worden opgeheven,
voordat u de auto sleept.
•
•
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als
de auto gesleept wordt.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor slepen.
Sleep de auto altijd met de voorkant van de
auto in de rijrichting.
1. Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
2. Voor de auto die sleept geldt: Rijd rustig.
Voor de auto die wordt gesleept geldt:
Houd om schokken te voorkomen de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen.
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Sleepoog
Voordat u gaat slepen moet het sleepoog in de
bumper vastgeschroefd worden. De uitsparing
en afdekking voor het sleepoog zitten aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte.
A
B
C
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
G028091
Starten met een hulpaccu
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen
(zie pagina 139).
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
06
Sleepoog, voor
De snelheidslimiet voor het wegslepen van een
auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
``
137
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 138
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
bout los te halen. Draai de kunststof bout
na gebruik van het sleepoog weer vast.
A
•
B
N.B.
G028093
C
Sleepoog, achter
Doe het volgende:
06
1. Haal de onderkant van het afdekkapje 1 (A)
voorzichtig los met bijvoorbeeld een muntstuk.
2. Schroef het sleepoog (B) tot aan de flens
vast (C). Maak bij voorkeur gebruik van de
wielsleutel.
Om het sleepoog in de achterbumper te
bevestigen moet u eerst de kunststof bout
uit de console voor het achterste sleepoog
verwijderen. Gebruik de wielmoersleutel
uit de gereedschapsset om de kunststof
1
138
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
De opening in het afdekkapje kan variëren.
Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in de achterste bevestiging. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om
die reden wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in de auto te bewaren, wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging. Roep professionele hulp in voor berging.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 139
06 Starten en rijden
Starten met een hulpaccu
Starten met een hulpaccu
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s elkaar niet kunnen raken.
G020298
4. Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode aansluiting in de motorruimte van uw auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
Als de accu om wat voor reden dan ook ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse
reserveaccu of van een accu in een andere
auto om op die manier de motor te starten.
Controleer altijd of de accuklemmen goed
vastzitten, zodat ze geen vonken trekken tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen wordt u
geadviseerd de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen:
1. Draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van 12
volt levert.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het hijsoog van de motor (4–).
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal, 1500
omw/min.
06
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
±
Verwijder de kabels in omgekeerde volgorde.
N.B.
Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming).
139
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 140
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
•
De trekhaak van de auto moet goedgekeurd
zijn. De Volvo-dealer kan u informeren over de
mogelijke trekhaken.
Bij oververhitting schakelt de airconditioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
•
Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie
in. Zie de melding op het display.
•
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
•
•
Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting. Raadpleeg de bandenspanningstabel.
•
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
•
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel 1 en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
•
•
Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste 1000
kilometer heeft gereden.
Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automatische versnellingsbak) of schakel een versnelling in (handgeschakelde versnellingsbak). Gebruik wielblokken bij het parkeren
op steile hellingen.
•
Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingspercentages van meer dan 12 %. Bij hellingspercentages van meer dan 15 % wordt het
afgeraden een aanhanger te gebruiken.
•
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
•
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Bij oververhitting slaat de temperatuurmeter in het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uit. Breng de auto dan tot stilstand en laat
de motor enkele minuten afkoelen.
06
1
140
Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhangergewichten (zie pagina 271).
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 141
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger,
automatische versnellingsbak
•
Trek bij het parkeren op hellingen eerst de
handrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand
en haal de auto vervolgens van de handrem.
•
Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
lage versnelling. Zo voorkomt u dat de
automatische versnellingsbak opschakelt.
De versnellingsbakolie wordt dan minder
warm.
•
Als uw auto is uitgerust met een Geartronic-versnellingsbak, moet u geen hogere
handmatige versnelling inschakelen dan
de motor “aankan”. Rijden in hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven
toe bijgesteld.
06
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
141
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 142
06 Starten en rijden
Trekhaak*
Trekhaak
Aanhangerkabel
Kogelsegment opbergen
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 144).
WAARSCHUWING
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
•
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
•
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Opbergruimte kogelsegment
BELANGRIJK
06
Belangrijke controlepunten
•
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
G014589
•
G031120
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een 7polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 143
06 Starten en rijden
Trekhaak*
G026702
G026682
G026701
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
A
Vaste trekhaak in standaarduitvoering
B
C
D
E
F
G
83
06
1058
305
Vaste trekhaak met Nivomat
91
Afneembare trekhaak in standaarduitvoering
94
1083
1069
Afneembare trekhaak met Nivomat
542
122
50
316
100
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 144
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
.
recht naar achteren te trekken
06
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
G020301
G017317
Kogelsegment monteren
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 145
06 Starten en rijden
4. Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
G020306
G020304
Afneembare trekhaak*
6. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 146
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
7. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
06
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhangerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020301
G020310
G020309
Kogelsegment verwijderen
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging op de trekhaak worden
vastgemaakt.
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 147
06 Starten en rijden
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
G017318
G020314
G020312
Afneembare trekhaak*
4. Duw de afdekking erop.
06
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart. zie
pagina 142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 148
06 Starten en rijden
Lading op het dak
Algemene informatie
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
Lastdragers gebruiken*
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals lastdragers, een skibox e.d. alsmede een
trekhaak en zijn kogeldruk. Het laadvermogen
van de auto moet tevens worden verminderd
met het gewicht van het aantal inzittenden.
Voor informatie over de toelaatbare gewichten
(zie pagina 271).
WAARSCHUWING
Om schade aan de auto te voorkomen en op
een veilige manier lading op het dak te kunnen
vervoeren, wordt u geadviseerd alleen gebruik
te maken van de lastdragers die Volvo speciaal
voor uw auto ontwikkeld heeft.
06
148
G027340
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
•
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
•
Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Leg de
zwaarste voorwerpen onderop.
•
Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
•
Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
•
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
•
Verwijder de lastdragers, wanneer u ze niet
hoeft te gebruiken. U verlaagt op die
manier de luchtweerstand en daarmee ook
het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
De maximale dakbelasting bedraagt 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 149
06 Starten en rijden
Lading op het dak
Lastdrager monteren
7. Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de geleidegaten vallen.
8. Draai de lastdrager vast.
9. Controleer of de haak goed vastgrijpt in de
dakbevestiging.
10. Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
G027347
11. Klap de dekkap omlaag.
1. Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
aanbrengt (zie de aanduiding op de sticker
onder de dekkap).
2. Zorg dat de paspennen in de geleidegaten
(1) vallen.
12. Controleer of de dakreling stevig vastzit.
N.B.
Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
06
3. Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
4. Draai de draaiknop enkele slagen losser.
5. Duw de knop in de richting van de dakbevestiging en zorg dat de haak in de dakbevestiging onder de dekstrip vasthaakt.
6. Draai de lastdrager vast.
149
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 150
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over en
knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de randen
van de mallen uit.
G020317
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. De referentiematen (X) dienen om de afstand te herleiden
vanaf de stip (5) tot aan de hoek van de afplaktape die aangegeven is met een pijl.
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
06
150
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog eens
op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende
wordt afgedekt.
Voor het aanpassen van de lichtbundel van de
actieve Bi-Xenonkoplampen (ABL) (zie
pagina 54).
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 151
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Halogeenkoplampen
X
1
X
4
2
G028559
3
X
X
Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Model met het stuur links
Mal 2: (6) = 55 mm, (7) = 40 mm.
Referentiematen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
18 mm.
Mal 3: (1) = 55 mm, (2) = 41 mm.
Referentiematen
Model met het stuur rechts
Mal 4: (6) = 70 mm, (7) = 39 mm.
Mal 1: (3) = 70 mm, (4) = 40 mm.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
14 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
13 mm.
06
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
17 mm.
``
151
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 152
06 Starten en rijden
G028563
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links
06
152
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 153
06 Starten en rijden
G028564
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts
06
``
153
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 154
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
G028562
Bi-Xenonkoplampen
Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
06
Model met het stuur links
Mal 2: (6) = 56 mm, (7) = 42 mm.
Referentiematen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
6 mm.
Mal 3: (1) = 56 mm, (2) = 42 mm.
Referentiematen
Model met het stuur rechts
Mal 4: (6) = 56 mm, (7) = 41 mm.
Mal 1: (3) = 56 mm, (4) = 43 mm.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
0 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
29 mm.
154
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
29 mm.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 155
06 Starten en rijden
G028563
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links
06
``
155
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 156
06 Starten en rijden
G028564
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts
06
156
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 157
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
WAARSCHUWING
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden. De
bestuurder is er verantwoordelijk voor dat er
op een veilige manier van rijstrook wordt
gewisseld.
G020295
B
A
Buitenspiegel met BLIS-systeem
BLIS-camera
Controlelampje
G020296
BLIS-symbool
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een voertuig
in de zogeheten dode hoek bevindt en in
dezelfde richting rijdt.
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 3 m; afstand B = ca. 9,5 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, gaat er een controlelampje op het portierpaneel (2) branden. Het
lampje brandt continu om de bestuurder te
attenderen op het voertuig in de dode hoek.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS is eveneens voorzien van een geïntegreerde functie die de bestuurder waarschuwt
bij fouten in het systeem. Als de camera’s van
het systeem bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt
er een melding op het display van het instrumentenpaneel (zie pagina 159 voor de tabel).
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS (zie pagina 159).
06
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvowerkplaats.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 158
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen
Wanneer u wordt ingehaald
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
06
158
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het systeem dit voertuig niet kunnen
waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het paneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is het
mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie de informatie op de
volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
De BLIS-camera’s kennen dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij
hevige sneeuwval en dichte mist.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 159
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
•
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
BLIS deactiveren en heractiveren
•
lampjes op de portierpanelen lichten driemaal op bij het aanzetten van het contact.
Displaymelding
Betekenis
U kunt het systeem deactiveren door op de
knop BLIS te drukken die op het schakelaarpaneel van de middenconsole zit (zie
bovenstaande afbeelding). Het lampje in
de knop dooft, wanneer het systeem uitgeschakeld is. Er verschijnt bovendien een
displaytekst op het instrumentenpaneel.
BLINDE-HOEKSYST. R CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST. L CAMERA
GEBLOK.
Linker camera afgedekt
U kunt BLIS heractiveren door nogmaals
op de knop te drukken. Het lampje in de
knop licht vervolgens op, er verschijnt een
nieuwe tekst op het display en de controlelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op. Druk op de knop READ (zie
pagina 47) om de displaymelding te laten
verdwijnen.
BLINDE-HOEKSYST. CAMERA'S
GEBLOK.
Beide camera’s
afgedekt
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
G026955
Systeemmeldingen BLIS
•
BLIS wordt automatisch geactiveerd, wanneer u het contact aanzet. De controle-
Displaymelding
Betekenis
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
AAN
BLIS ingeschakeld
BLINDE-HOEKSYST. SERVICE
VEREIST
BLIS buiten werking
BLINDE-HOEKINFO. SYSTEEM
UIT
06
BLIS uitgeschakeld
De meldingen verschijnen alleen, als de contactsleutel in stand II staat (of als de motor
loopt) en BLIS actief is (de bestuurder heeft het
systeem niet gedeactiveerd).
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 160
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
Beperkingen
G018177
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
G018176
06
Reflecties op een glad en nat wegdek
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G018178
Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLINDEHOEKSYST. SERVICE VEREIST.
Laag staande zon in de camera
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 161
06 Starten en rijden
06
161
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 162
Algemene informatie.............................................................................
Bandenspanning...................................................................................
Gevarendriehoek* en reservewiel..........................................................
Bandenspanningscontrolesysteem*.....................................................
Wielen verwisselen................................................................................
Noodreparatie banden*.........................................................................
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
164
167
169
171
173
175
G020918
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
WIELEN EN BANDEN
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 163
07
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 164
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel staat (zie pagina 167).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
205/55R16 91 W.
205
Breedte van de band (mm)
55
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R
Aanduiding voor radiaalbanden
16
Velgdiameter van de band (")
07
164
91
W
Aanduiding van het draagvermogen van de band (in dit geval
615 kg)
Q
160 km/h (alleen voor winterbanden)
T
190 km/h
Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval
270 km/h).
H
210 km/h
V
240 km/h
W
270 km/h
Y
300 km/h
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte bandentype geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Nieuwe banden
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Banden hebben een beperkte
houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op
het wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik bij het verwisselen
van banden altijd zo nieuw
mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder
voor winterbanden. De week en het jaar van
productie worden aangeduid met de DOTcode (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 165
07 Wielen en banden
Algemene informatie
banden gemaakt zijn ook veroudert en afgebroken wordt, als banden zelden of nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dat geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op (zie pagina 168). De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
G020323
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde winterbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
advies over de beste soort velgen en banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
07
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan
``
165
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 166
07 Wielen en banden
Algemene informatie
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te houden voor winterbanden.
Zomer- en winterbanden
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw
en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
07
Afsluitbare wielbout
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Bij gebruik
van afsluitbare wielbouten op stalen velgen
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielbout zo ver mogelijk van het ventiel aanbrengen. U kunt de wieldop anders niet op het wiel
aanbrengen.
166
G020325
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar rechts
of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aanbrengt, nemen de remeigenschappen van de
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 167
07 Wielen en banden
Bandenspanning
•
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
G020791
N.B.
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid.
Op de sticker staan:
•
Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
•
ECO-bandenspanning
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur. Het is
een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt. De bandenspanning varieert ook naargelang van
de omgevingstemperatuur.
De juiste bandenspanning staat in de bandenspanningstabel (zie pagina 168). De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden
(kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme ban-
den. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan. Zie de
bandenspanningstabel voor de juiste bandenspanning.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
07
``
167
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 168
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Type
T5
Bandenmaat
Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
Voor (kPa A)
Achter (kPa)
Voor (kPa)
Achter (kPa)
205/55R16
0–160
220
220
260
260
215/55R16
160 +
260
260
280
280
260B
260B
260B
225/45R17
B
0–160
260
195/65R15
0–160
220
220
260
260
205/55R16
160 +
250
250
280
280
0–160
260B
260B
260B
260B
0–80
420
420
420
420
235/40R18
Overige
215/55R16
225/45R17
235/40R18
Reservewiel,
Temp. Spare
A
B
07
168
T125/80R17
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa en 260 kPa = 2,60 bar).
ECO-bandenspanning, zie pagina 167
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 169
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
Gevarendriehoek
geschikt punt, rekening houdend met de
verkeerssituatie.
Na gebruik
Berg de onderdelen in de omgekeerde volgorde weer op.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
stevig op het kofferdeksel vastzit.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Haal de krik en de gereedschapstas naar
buiten.
3. Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
Reservewiel, gereedschap en krik
G027224
Doe het volgende als uw auto is uitgerust
met een houder voor
boodschappentassen:
1. Verdraai de twee klemmen aan de achterzijde van de vloermat 90°.
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in uw land.
2. Klap de voorzijde van de vloermat naar
achteren toe op, in de richting van de opening voor het kofferdeksel.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
G027201
1. Draai de beide bevestigingsschroeven in
de verticale stand.
2. Haal voorzichtig de houder met de gevarendriehoek erin los.
3. Neem de gevarendriehoek uit de houder
(A).
Het reservewiel met de krik en de gereedschapstas vindt u onder de vloer van de kofferbak. Ga als volgt te werk om het reservewiel
te verwijderen:
1. Reservewiel*
4. Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
2. Bevestiging
5. Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Plaats de gevarendriehoek op een
4. Krik*
3. Gereedschapstas* met sleepoog
3. Til de mat iets op en verdraai deze 90°
zodat u deze kunt verwijderen.
4. Til de vloermat uit de kofferbak.
07
5. Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
Breng het reservewiel weer aan, schroef de
bevestiging vast en breng alle verwijderde
onderdelen in omgekeerde volgorde weer aan.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 170
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
Zorg dat het reservewiel goed ligt en dat de krik
en de gereedschapstas stevig vastzitten.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand (zie nevenstaande afbeelding) wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daarvoor bestemde plaats in de kofferbak wanneer u ze niet nodig hebt.
Reservewiel Temporary Spare*
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
mag alleen worden gebruikt gedurende de
korte tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
07
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit type
moet daarom zo spoedig mogelijk door een
norma(a)l(e) wiel/band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. De maximumsnelheid bij gebruik van een
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
compact reservewiel bedraagt daarom
80 km/h.
BELANGRIJK
Gebruik alleen het originele reservewiel dat
bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroorzaken. U mag per keer slechts een reservewiel gebruiken.
EHBO*
Onder de vloer in de kofferbak ligt een EHBOkit.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 171
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem*
Algemene informatie
Het TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het
systeem maakt gebruik van sensoren in de
ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een melding op het display.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspanning, zie pagina 168.
Ook mét het systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden. Bovendien verschijnt de
melding BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk
dat er een wiel gemonteerd werd met een
sensor die niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
4. Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSPANNING
GEKALIBREERD op het display verschijnt.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding LAGE
BANDENSPAN. CONTR. BANDEN voor een
lage bandenspanning op het display verschijnt:
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het bandenspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op.
2. Zet het contact in stand I of II.
3. Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding
BANDENSPANNING KALIBREREN op
het display verschijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
1. Zet het contact in stand I of II.
07
2. Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN op het display verschijnt.
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 172
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem*
3. Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSP.SYSTEEM UIT verschijnt.
Herhaal de punten 1–3 om het systeem
opnieuw te activeren, waarna de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN verschijnt.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
07
•
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
•
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten lang sneller rijdt dan 40 km/h de
melding BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST op het display verschijnen.
•
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- of winterbanden) van de auto.
•
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Runflat-banden*
WAARSCHUWING
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt
blijven rijden. Deze banden zijn op speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd.)
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan en laat
de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier
de banden om na te gaan welke band er moet
worden vervangen.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 173
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Het reservewiel* zit onder de
kunststof bak in de kofferbak.
1. Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling in bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P bij auto’s
met een automatische versnellingsbak).
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
G020332
G020331
G027324
2. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
3. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel* of trek
hem met de hand los.
4. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
5. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik* met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed aan
het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de voet recht onder het
steunpunt zit.
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 174
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf.
troleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
BELANGRIJK
Als er TPMS op de auto zit, dient u de
nieuwe banden na montage te kalibreren
(zie zie pagina 171).
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
G027310
G027309
Wielen monteren
WAARSCHUWING
07
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Con-
174
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 175
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
12 V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte/kofferbak.
Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
Overzicht
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afgedichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
G020400
Algemene informatie
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodreparaties uit te voeren. De bus met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de bandenreparatieset.
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
Noodreparatieset erbij nemen
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagageruimte.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Til de noodreparatieset op.
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
07
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 176
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
Lekke band repareren
3. Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbroken.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
G019723
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
Voor informatie over de werking van de onderdelen (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel.
07
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
8. Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12 V-aansluiting aan
en start de motor.
176
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 177
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12 V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Leg de noodreparatieset in de kofferbak
terug.
7. Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats om de beschadigde
band te laten vervangen/repareren. Geef
aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afgedichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 178
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus wanneer de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
3. Sluit de kabel aan op een van de 12 V-aansluitingen in de auto en start de motor.
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubberlatex.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanleiding geven tot overgevoeligheid bij huidcontact.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.)
07
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 179
07 Wielen en banden
07
179
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 180
Schoonmaken....................................................................................... 182
Lakschade herstellen............................................................................ 186
Roestwering.......................................................................................... 187
180
G020920
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
VERZORGING
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 181
08
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 182
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
•
•
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
08
182
•
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
•
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
•
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regelmatig met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Wisserbladen schoonmaken
Automatische wasstraten
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisserbladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 183
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen (zoals glimmende strips), wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit rei-
nigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauwkeurig op.
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwijderen.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teerverwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade als gevolg van het gebruik van dergelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste zijruiten met
water- en vuilafstotende laag
schoonmaken*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat
de water- en vuilafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig tijdens het schoonmaken om
te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
08
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 184
08 Verzorging
Schoonmaken
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De erkende Volvo-werkplaats heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u de
instructies opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
08
184
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan verkleuren bij gebruik van materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng wat van het leerreinigingsproduct
op een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 185
08 Verzorging
Schoonmaken
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08
185
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 186
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
wijdering van het vuil de ontbrekende deklak
aan te brengen.
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade
moet u meteen herstellen om roestvorming te
voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn minder
grote steenslagplekken, krassen en schade
aan bijvoorbeeld de spatbordranden of de portieren.
Als de steenslagplek tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
G020346
G020345
Kleurcode
Typeplaatje.
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode (1) staat op het typeplaatje (zie pagina 268).
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
•
•
•
•
Bus grondlak (primer)
Bus deklak of een lakstift
Kwastje
Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
08
186
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de deklak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 187
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
•
Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
•
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabehandeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto aan een nabehandeling toe is.
08
187
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 188
Volvo Service........................................................................................
Onderhoud............................................................................................
Motorkap en motorruimte.....................................................................
Dieselolie...............................................................................................
Oliën en vloeistoffen..............................................................................
Wisserbladen........................................................................................
Accu......................................................................................................
Gloeilampen vervangen........................................................................
Zekeringen............................................................................................
188
190
191
193
195
196
201
202
204
211
G020922
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
ONDERHOUD EN SERVICE
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 189
09
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 190
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Speciale servicewerkzaamheden
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u servicewerkzaamheden aan het
elektrische systeem laat uitvoeren.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het speciale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
190
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 191
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
Auto omhoogbrengen
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines niet
aan, wanneer de motor draait of het contact
is ingeschakeld!
Zet contact af bij:
•
het aansluiten van motortestapparatuur;
•
het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies,
de bobine, de verdelerkap, de bougiekabels e.d.
G027252
Accu
WAARSCHUWING
09
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen. Zorg
dat de spatplaat onder de motor niet beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan
glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of
vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten. Zie voorgaande afbeelding.
``
191
P2 (S60); 5; 3
evastarck
09 Onderhoud en service
Onderhoud
09
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
•
Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
•
Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
•
Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
•
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
•
Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
192
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 192
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 193
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
Motorkap openen, auto met het stuur links.
G027254
G027253
Motorkap openen
Motorkap openen, auto met het stuur rechts.
Motorkap openen:
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
helemaal links onder het dashboard (of
helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven.
2. Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
3. Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
``
193
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 194
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
G027275
Motorruimte 1
Expansiereservoir, koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Peilstok, motorolie
voor rem- en koppelingsvloeistof (model
met het stuur rechts)
Relais- en zekeringenkastje
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
Accu (in de kofferbak)
Radiateur
Koelventilator
Vultuit, motorolie
a) Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof (model met het stuur links) b) Reservoir
1
194
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 195
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JISK2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aanleiding kan geven tot startproblemen. De grote
oliemaatschappijen produceren speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie
is dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie (zie pagina 280).
1
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME 1 (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
09
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wanneer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II staat voordat u een nieuwe
startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aanleiding geven tot motorstoringen.
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
195
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 196
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt (zie pagina 274).
Ongunstige rijomstandigheden
G021628
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u olie
gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
•
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
•
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit en
viscositeit als de olie in de motor.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als bij
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
196
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 197
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssymbool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten.
Peil controleren
Oliepeil controleren bij een warme motor
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Op bepaalde modellen zijn beide systemen
aanwezig. Neem voor meer informatie contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
G020336
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verversen.
09
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 274 en
verder.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 274 en
verder.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
``
197
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 198
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Koelvloeistof
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
WAARSCHUWING
198
G027276
G027243
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansiereservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Koelvloeistofreservoir
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. Zie pagina 276 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen.
Controleer de koelvloeistof regelmatig. De
koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Vul
koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het
MIN-streepje is gezakt.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in
de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
Meng het antivries met water, voordat u koelvloeistof bijvult.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 199
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
•
•
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
•
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
•
Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
•
•
1
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koelsysteemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloeistof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit (zie de tabel onder Vloeistoffen en smeermiddelen op pagina 276).
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
WAARSCHUWING
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
N.B.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen
of in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
G027306
BELANGRIJK
09
Positie verschilt op auto met het stuur links of
rechts.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reservoir 1. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
``
199
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 200
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor
stuurbekrachtigingsvloeistof
ADD
G027200
FULL
N.B.
Als er een storing in de stuurbekrachtiging
optreedt of als de stroom is weggevallen en
u de auto wilt wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. Let er echter op dat de auto in
dat geval veel zwaarder stuurt dan normaal,
zodat u meer moeite moet doen om het
stuurwiel te verdraaien.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan.
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
200
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 201
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
N.B.
09
2. Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
3. Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
Let erop dat het wisserblad aan de bestuurderszijde langer is dan dat aan de passagierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 182.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee.
1. Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
201
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 202
09 Onderhoud en service
09
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
Symbolen op de accu
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
Vermijd vonken en open vuur.
Draag een veiligheidsbril.
Explosiegevaar.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen. Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
Accu vervangen
De accu bevat een bijtend
zuur.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
202
G028419
N.B.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 203
09 Onderhoud en service
Accu
Accu verwijderen
1. Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
09
4. Sluit de minkabel aan en klap een eventueel kunststof deksel omlaag.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
Zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regelmodules.
5. Breng het kunststof deksel of de dekplaat
over de accu heen aan.
3. Draai de bouten uit de borgklem die over
de accu heen zit en verwijder de klem.
7. Breng de borgklem over de accu heen aan
en draai de bouten vast.
6. Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
4. Klap het kunststof deksel op de minpool
van de accu open of schroef de afdekking
van de accu los.
5. Koppel de minkabel los.
6. Haal de onderste console los waarmee de
accu vastzit.
7. Koppel de pluskabel los nadat u een eventueel kunststof deksel hebt opgeklapt.
8. Koppel de ontluchtingsslang los.
9. Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
1. Til de accu op zijn plaats.
2. Breng de onderste console aan en schroef
deze vast.
3. Sluit de pluskabel aan en duw deze vast.
Klap een eventueel kunststof deksel
omlaag.
203
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 204
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
Algemene informatie
Op pagina 282 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
•
•
•
•
•
•
•
•
BELANGRIJK
N.B.
Raak het glas van de lampen nooit met blote
vingers aan. De vetten en oliën op uw vingers kunnen door de hitte verdampen. Dit
zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
Actieve Bi-XenonŸ- en Bi-XenonŸlamp
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Bij problemen tijdens het vervangen van
gloeilampen wordt u geadviseerd contact
op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Positie van lampen in koplamp
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzer, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Derde remlicht
Leds in achterlamphuis
204
G027278
G028433
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-XenonŸ- of
Active Bi-XenonŸkoplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
Gloeilamp sidemarker
Gloeilamp richtingaanwijzer
Gloeilamp dimlicht, stadslicht/parkeerlicht
vóór (halogeen en Bi-XenonŸ)
Gloeilamp groot licht, stadslicht/parkeerlicht vóór (actieve Bi-XenonŸ)
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 205
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Op bepaalde varianten kan een witte kunststof
huls u bij het vervangen van de gloeilampen in
de weg zitten. U kunt deze huls afbreken en
weggooien.
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
09
Groot licht
5. Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
G028435
G028436
G028437
Dimlicht, halogeen
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector los.
4. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zitten.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking.
3. Draai de lamp linksom en trek deze naar
buiten toe los.
3. Sluit de connector aan.
4. Koppel de connector los door de vergrendeling naar buiten te duwen en aan de
connector te trekken.
4. Plaats de afdekking terug.
Aanbrengen
1. Sluit de connector op de gloeilamp aan. U
hoort een klikgeluid.
``
205
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 206
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
2. Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
Aanbrengen
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
3. Plaats de afdekking terug.
2. Sluit de connector aan.
2. Sluit de connector aan.
3. Plaats de afdekking terug.
3. Plaats de afdekking terug.
Stadslichten vóór en achterlichten
Halogeen- en Bi-XenonŸkoplampen.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Koppel de connector los.
206
G028438
G022733
G027171
Richtingaanwijzer, linksvoor
Actieve Bi-XenonŸkoplampen.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het groot licht zit.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Koppel de connector los.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
3. Haal de gloeilamp uit de lamphouder door
de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd
linksom te draaien.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 207
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
naar binnen te duwen en rechtsom te
draaien.
2. Plaats de lamphouder in het lamphuis
terug en draai deze rechtsom.
5. Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis
los.
09
Sidemarker
6. Vervang de gloeilamp.
7. Controleer of de pakking van het sproeiervloeistofreservoir tussen de vulbuis en het
reservoir goed zit.
8. Duw de vulbuis (3) in positie terug.
Richtingaanwijzer, rechtsvoor
9. Duw de ontluchtingsslang (4) van de vulbuis in positie terug.
G028439
10. Draai het boutje (2) van de vulbuis weer
vast en sluit de koelbuis weer op de koudebox (1) aan.
1. Draai de lamphouder rechtsom en trek
deze naar buiten toe los.
G027283
2. Vervang de gloeilamp.
3. Plaats de lamphouder terug door deze
linksom te draaien.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Neem de koelbuis (1) van de koudebox los.
3. Draai het boutje (2) van de vulbuis los.
4. Trek de buis (3) recht omhoog.
``
207
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 208
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Mistlampen voorzijde
Kofferbak
Kentekenplaatverlichting
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Draai de lamphouder iets naar links.
3. Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Plaats het lamphuis terug.
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Plaats de lamphouder terug en draai deze
iets rechtsom. Het opschrift “TOP” moet
omhoogwijzen.
208
G028442
G027227
G028441
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Draai het boutje los met een schroevendraaier.
3. Verwijder voorzichtig het complete lamphuis en trek het naar buiten. Draai de connector linksom en trek de gloeilamp naar
buiten.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
5. Sluit de connector aan en draai deze
rechtsom in het lamphuis vast.
6. Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 209
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
G027277
Achterlamphuis
3501204m
Positie van gloeilampen
Remlicht
Stadslichten vóór en achterlichten
Mistachterlicht (een zijde)
Sidemarker
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlichten
Op pagina 282 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
2. Duw de borghaken bijeen om de lamphouder naar buiten te kunnen trekken.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
3. Verwijder de gloeilamp.
2. Maak de zijwand los en klap deze open om
bij de gloeilampen te komen.
De gloeilampen zijn ondergebracht in twee
aparte lamphouders: een boven en een onder.
Elke lamphouder heeft een borgnok.
Verwijderen
Gloeilamp vervangen
De gloeilampen van de achterlichten zijn allemaal vanuit de kofferbak te bereiken.
1. Koppel de connector van de gloeilamp los.
4. Breng de nieuwe gloeilamp in de houder
aan.
5. Sluit de connector aan.
6. Klap de zijwand weer op en zet deze vast.
``
209
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 210
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
N.B.
Als de melding STORING LAMPJE
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
4. Plaats het lamphuis terug.
Verlichting make-upspiegel
G027287
G028443
Instapverlichting
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
210
Gloeilamp make-upspiegel*, verschillende versies.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lampglas loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk vervolgens de bovenkant van het lampglas vast.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 211
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G027179
Algemene informatie
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie. De onderdelen op de lijst zitten
echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie)
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van
het dashboard)
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
Zekeringenkastje in de kofferbak
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
``
211
P2 (S60); 5; 3
evastarck
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. Als telkens dezelfde zekering doorbrandt,
is er sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats om de auto te
laten controleren.
212
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 212
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 213
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G026972
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog
1.
ABS
30 A
8.
Brandstofpomp
15 A
2.
ABS
30 A
9.
3.
Hogedruksproeiers
koplampen
Regeleenheid transmissie (TCM), diesel
15 A
35 A
4.
Standverwarming*
25 A
5.
Verstralers*
20 A
6.
Relais startmotor
35 A
7.
Ruitenwissers
25 A
10.
11.
Bobines (benzine), regeleenheid (ECM), verstuivers (diesel)
Gaspedaalsensor (APM),
AC-compressor, ventilator elektronicakastje
20 A
10 A
12.
13.
Regeleenheid motor
(ECM) (benzine), verstuivers (benzine), luchtmassameter (benzine)
15 A
luchtmassameter (diesel)
5A
Regeleenheid gasklep
(benzine)
10 A
Regeleenheid gasklep,
luchtmengklep, brandstofdrukregelaar, magneetklep (diesel)
15 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 214
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
14.
Lambdasonde (benzine)
20 A
Lambdasonde (diesel)
10 A
Verwarming carterventilatie, magneetkleppen
(benzine)
10 A
magneetkleppen, gloeibougies (diesel)
15 A
16.
Dimlicht links
20 A
17.
Dimlicht rechts
20 A
18.
-
19.
Regeleenheid motor
(ECM) voeding, motorrelais
5A
20.
Achterlicht
15 A
21.
Vacuümpomp
20 A
15.
214
-
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 215
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
1
10
20
30
2
11
21
31
3
12
22
32
4
13
23
33
5
14
24
34
6
15
25
35
7
16
26
36
8
17
27
37
9
18
28
38
19
29
G032340
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard)
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen
aan.
1.
Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25 A
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
25 A
3.
Ventilator klimaatregeling
30 A
4.
Regeleenheid rechter
voorportier
25 A
Regeleenheid linker voorportier
25 A
2.
5.
6.
7.
Interieurverlichting plafond (RCM) bovenste
elektronische regeleenheid (UEM)
8.
10 A
Schuifdak*
15 A
9.
Contactslot, SRS, motorregeleenheid (ECM), uitschakeling SRS passagierszijde (PACOS), elektronische startblokkering
(IMMO), regeleenheid
transmissie (TCM), diesel,
7,5 A
OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS), stuurregeleenheid (SWM)
5A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 216
09 Onderhoud en service
09
216
Zekeringen
10.
Audiosysteem
20 A
11.
Versterker audiosysteem*
30 A
12.
RTI-display*
10 A
13.
Telefoon*
5A
14.
- 38
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 217
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G028412
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
1.
2.
Stoelverwarming, rechterzijde
15 A
Stoelverwarming, linkerzijde
15 A
3.
Claxon
15 A
4.
-
-
5.
-
-
6.
Reservepositie
-
7.
Reservepositie
-
8.
Sirene alarmsysteem*
5A
9.
Voeding remlichtschakelaar
5A
10.
11.
12.
13.
Reservepositie
-
14.
-
-
15.
ABS, STC/DSTC
5A
16.
Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS),
Actieve Bi-XenonŸ
(HCM), koplamphoogteregeling
10 A
Instrumentenpaneel
(DIM), klimaatregeling
(CCM), standverwarming,
elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel
10 A
Elektrische aansluiting
voor- en achterin
15 A
17.
Mistlamp linksvoor
7,5 A
-
18.
Mistlamp rechtsvoor
7,5 A
-
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 218
09 Onderhoud en service
09
218
Zekeringen
19.
Reservepositie
-
35.
-
-
20.
Reservepositie
-
36.
-
-
21.
Regeleenheid transmissie
(TCM), blokkering achteruitversnelling (M66)
10 A
22.
Groot licht links
10 A
23.
Groot licht rechts
10 A
24.
-
-
25.
-
-
26.
Reservepositie
-
27.
Reservepositie
-
28.
Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*, audiosysteem
5A
29.
Brandstofpomp
7,5 A
30.
BLIS*
31.
Reservepositie
-
32.
Reservepositie
-
33.
Vacuümpomp
20 A
34.
-
5A
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 219
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
G026968
Zekeringen in kofferbak
1.
2.
Achteruitrijlichten
10 A
Parkeerlichten/achterlichten, mistachterlicht, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting, remlichten
20 A
3.
Accessoires (AEM)*
15 A
4.
Reservepositie
5.
Elektronica (REM)
10 A
6.
Cd-wisselaar, tv, RTI*
7,5 A
7.
8.
-
9.
10.
11.
Trekhaakaansluiting* (30voeding)
15 A
Elektrische aansluiting
kofferbak
15 A
Achterportier, rechts: Ruitbediening, blokkering ruitbediening
Achterportier, links: Ruitbediening, blokkering ruitbediening
Reservepositie
20 A
12.
Reservepositie
13.
Verwarming dieselfilter
14.
-
-
15.
Reservepositie
-
16.
Reservepositie
-
17.
Accessoires audiosysteem*
20 A
18.
Reservepositie
-
19.
Omklapbare hoofdsteun*
15 A
5A
15 A
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 220
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
20.
20 A
21.
Reservepositie
-
22.
-
-
23.
AWD
7,5 A
24.
FOUR-C SUM*
15 A
25.
-
26.
Park Assist*
5A
27.
Hoofdzekering: Trekhaakaansluiting, FOUR-C, Park
Assist, AWD
30 A
Centrale vergrendeling
(PCL)
15 A
Aanhangerverlichting,
links: Achterlicht, richtingaanwijzer*
25 A
Aanhangerverlichting,
rechts: Remlicht, mistachterlicht, richtingaanwijzer*
25 A
Hoofdzekering: Zekering
37, 38
40 A
28.
29.
30.
31.
32.
220
Trekhaakaansluiting* (15voeding)
-
-
-
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33.
-
-
34.
-
-
35.
-
-
36.
-
-
37.
Elektrische achterruitverwarming
20 A
Elektrische achterruitverwarming
20 A
38.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 221
09 Onderhoud en service
09
221
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 222
Audiosysteem HU-450..........................................................................
Audiosysteem HU-650..........................................................................
Audiosysteem HU-850..........................................................................
Audiofuncties HU-450/650/850............................................................
Audiofuncties HU-450...........................................................................
Audiofuncties HU-650/850...................................................................
Radiofuncties HU-450/650/850............................................................
Radiofuncties HU-450...........................................................................
Radiofuncties HU-650/850...................................................................
Radiofuncties HU-450/650/850............................................................
Cassettedeck HU-450...........................................................................
Cd-speler HU-650.................................................................................
Interne cd-wisselaar HU-850................................................................
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*...............................................
Dolby Surround Pro Logic II HU-850....................................................
Technische gegevens...........................................................................
Telefoonfuncties*..................................................................................
Bel-opties..............................................................................................
Geheugenfuncties.................................................................................
Menu’s..................................................................................................
Overige informatie.................................................................................
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
224
225
226
227
229
230
232
234
235
236
242
244
245
246
248
250
251
254
257
259
264
G020924
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
INFOTAINMENT
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 223
10
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 224
10 Infotainment
Audiosysteem HU-450
10
1
2
3
4
5
6
7
BASS – Indrukken en omdraaien TREBLE
– Indrukken, uittrekken en omdraaien
8
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME –
Omdraaien
REV - Cassettedeck - Keuze bandlooprichting - Cd-wisselaar* - Willekeurige
afspeelvolgorde
Cassetteopening
PRESET/CD PUSH MENU – Opgeslagen
radiozenders Cd-wisselaar*
9
10
11
12
13
14
15
16
G025597
HU-450
TAPE – Sneltoets
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
AUTO – Automatische zenderinstelling
Display
SCAN – Automatisch zenders zoeken
Navigatietoetsen – Cd/radio – Andere zender/track zoeken cassettedeck/cd – Vooruit-/achteruitspoelen/volgende/vorige
track kiezen
EXIT – Terugbladeren in menu’s
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cassette uitwerpen
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen – Indrukken Omdraaien voor
selectie van: Radio (FM/AM), cassettedeck
of cd-wisselaar*
FADER – Indrukken en omdraaien BAL –
Indrukken, uittrekken en omdraaien
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 225
10 Infotainment
Audiosysteem HU-650
EXIT – Terugbladeren in menu’s
1
2
3
4
5
6
1-6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar
10
COMPACT
7
10
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME –
Omdraaien
8
11
BASS – Indrukken en omdraaien
9
12
TREBLE – Indrukken en omdraaien
DIGITAL AUDIO
BALANCE – Indrukken en omdraaien
13
14
15
16
17
18
G025598
HU-650
RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
FADER – Indrukken en omdraaien
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen: Indrukken en omdraaien voor
selectie van: Radio (FM, AM), cd-speler of
cd-wisselaar*
Cd-opening
Display
SCAN – Automatisch zenders zoeken
Cd uitwerpen
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
CD – Sneltoets
AUTO – Automatische zenderinstelling
Navigatietoetsen – Andere zender/track
zoeken
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 226
10 Infotainment
Audiosysteem HU-850
AUTO – Automatische zenderinstelling
1
10
2
3
4
5
6
7
8
Navigatietoetsen – Andere zender/track
zoeken
COMPACT
12
EXIT – Terugbladeren in menu’s
9
13
SCAN – Automatisch zenders zoeken
10
14
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME –
Omdraaien
DIGITAL AUDIO
11
1-6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar
15
16
17
18
19
20
21
G025599
HU-850
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken en omdraaien
RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
BALANCE – Indrukken en omdraaien
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
FADER – Indrukken en omdraaien
Cd-opening
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen: Indrukken en omdraaien voor
selectie van: Radio (FM, AM), cd-speler of
cd-wisselaar*
Display
3-CH – 3-kanaals stereo
OFF – 2-kanaals stereo
Dolby Surround Pro Logic II
Cd uitwerpen
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
CD – Cd-speler
226
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 227
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450/650/850
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Druk op de draaiknop om de
radio aan of uit te zetten.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om het volume te
verhogen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen eindstanden. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u het
volume verhogen of verlagen met de toetsen
(+) of (–).
Lage accuspanning
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
tekst op het display van het instrumentenpaneel. De energiebesparingsfunctie van de auto
kan de radio vervolgens uitschakelen. Laad de
accu in dat geval door de motor te starten.
AUX
Als er verkeersinformatie, nieuws of een uitzending van het gekozen programmatype binnenkomt terwijl u een cassette of cd beluistert,
wordt de geluidsbron onderbroken en hoort u
de berichten op het volume dat u van tevoren
voor verkeersinformatie, nieuws en PTY-uitzendingen hebt ingesteld.
10
Na afloop van de informatie c.q. uitzending
speelt het systeem de cassette of cd op het
laatst ingestelde volume verder af.
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
•
•
•
G026678
Knop aan/uit
Performance
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm
High Performance
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten.
Premium Sound
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met AM/
FM-radio met RDS en een cd-speler.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is, kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
``
227
P2 (S60); 5; 3
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450/650/850
Volumeregeling, AUX
10
1. Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
ADVANCED MENU bereikt en bevestig
de keuze met een druk op SOURCE.
2. Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUDIO SETTINGS bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
3. Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUX INPUT LEVEL bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
In deze stand kunt u het ingangsvolume bijstellen door te draaien aan SOURCE.
228
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 228
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 229
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450
Optimale geluidsweergave
TREBLE, hoge tonen
Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Stel de weergave van de hoge
tonen bij door de knop in te
drukken, deze nog verder uit
te trekken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de hoge tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de lage
tonen bij door de knop in te
drukken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
10
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen
de luidsprekers voor- en achterin door de knop in te drukken en vervolgens naar rechts
(meer geluid van voren) of
naar links (meer geluid van
achteren) te draaien. In de
middelste stand is de balans tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
In de middelste stand is de
weergave van de lage tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
229
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 230
10 Infotainment
Audiofuncties HU-650/850
BALANCE, balans links/rechts
BASS, lage tonen
Stel de juiste balans in door
de knop in te drukken en vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de balans normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspo-
10
sitie terug.
Geluidsbron kiezen
Met de sneltoetsen AM, FM en
TAPE of met de draaiknop
SOURCE. Draai aan de knop
SOURCE om te kiezen uit de beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3 en AM1, AM2). Met
dezelfde knop kunt u ook kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar* als de auto met
iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM en FM loopt
u de radiostanden FM1, FM2,
FM3 en AM1 en AM2 door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt
gekozen.
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027191
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kiezen:
Stel de weergave van de lage tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de weergave van de
lage tonen normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de hoge tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar links
of naar rechts te draaien. In de middelste stand
is de weergave van de hoge tonen normaal.
Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 231
10 Infotainment
Audiofuncties HU-650/850
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door op de knop te
drukken en deze vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de
balans normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
10
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers
voor- en achterin door de knop in te drukken
en vervolgens naar rechts (meer geluid van
voren) of naar links (meer geluid van achteren)
te draaien. In de middelste stand is de balans
tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de
uitgangspositie terug.
231
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 232
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kiezen:
10
Met de sneltoetsen AM, FM en
TAPE of met de draaiknop
SOURCE.
Draai aan de knop SOURCE om te kiezen uit
de beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3
en AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook
kiezen uit het cassettedeck 1 of de cd-wisselaar* als de auto met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM - en FM
loopt u de radiostanden FM1,
FM2, FM3 en AM1 en AM2
door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt gekozen.
1
232
HU-450
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Scannen
Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
Druk op de toets SCAN om het
scannen te starten. Wanneer de
radio een zender heeft gevonden, wordt het scannen
ca. 10 seconden stopgezet. De
radio gaat daarna verder met
zoeken. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de
toets SCAN of EXIT drukken.
moet u kort op een van de pijltoetsen
of
drukken. Wanneer u de laatste toets
loslaat, hebt u nog vijf seconden de tijd om
handmatig instellingen te verrichten.
Toetsenset op stuurwiel
Zenders zoeken
Druk op
voor een lagere frequentie en
op
voor een hogere frequentie. De
radio zoekt de eerstvolgende goed doorkomende zender op en stelt deze in. Druk nogmaals op de toets om verder te zoeken.
Handmatig zenders zoeken
Druk op de toets
of
en houd
de toets ingedrukt. De tekst MAN verschijnt op
het display. De radio loopt de frequenties aanvankelijk langzaam in de gekozen richting door
om na enige seconden te versnellen. Laat de
toets los, wanneer de gewenste frequentie op
het display verschijnt.
G027004
Geluidsbron kiezen
Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u op de pijl naar rechts of links drukken om een van de voorkeurzenders te selecteren.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 233
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
N.B.
Als uw auto is uitgerust met een geïntegreerde telefoon, kunt u de toetsenset op
het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties wanneer u de telefoon hebt
geactiveerd. In de actieve stand staan er
altijd telefoongegevens op het display.
10
Druk op
om de telefoon te deactiveren.
Als er geen simkaart in uw telefoon zit, moet u
de telefoon uitschakelen (zie pagina 253).
233
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 234
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450
Zenders instellen
10
1. Stel de gewenste frequentie in.
2. Druk kort op de knop PRESET/CD.
3. Kies een nummer waaronder u de zender
wilt opslaan door de knop naar links of naar
rechts te draaien.
Druk nogmaals op de knop om de gewenste
frequentie en zender op te slaan.
Voorkeurzenders
Om een van de voorgeprogrammeerde radiozenders te
selecteren moet u aan de knop
PRESET/CD draaien, totdat
het nummer van de zender op
het display staat. De voorgeprogrammeerde zender verschijnt op het display.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot 10 goed doorkomende AM- of FM-zenders
opzoeken en in een apart
geheugen opslaan. Deze functie is met name handig in gebieden, waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
234
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
of AM.
2. Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
3. Op het display staat AUTO, terwijl een
aantal zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kon
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst NO
STATION.
4. Druk kort op de toets AUTO of op de pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst AUTO op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Terugkeren naar normale radiostand
±
Druk op de toets FM, AM of EXIT of draai
aan de knop PRESET/CD.
Terugkeren naar Autom. opslaan
±
Druk kort op de toets AUTO.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 235
10 Infotainment
Radiofuncties HU-650/850
Automatisch zenders opslaan
Zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot tien goed
doorkomende AM- of FM-zenders opzoeken en in een apart
geheugen opslaan. Als er meer
dan tien zenders gevonden
worden, worden alleen de tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is
met name handig in gebieden, waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
G027189
±
U kunt als volgt een zender opslaan onder een
van de voorkeurtoetsen 1 - 6:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg. De tekst Station STORED verschijnt
op het display.
U kunt tot 6 zenders per radiostand (AM1,
AM2, FM1, FM2 en FM3) opslaan, d.w.z. 30
zenders in totaal.
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
10
Terugkeren naar normale radiostand
±
Druk op de toets FM, AM of EXIT.
Terugkeren naar Autom. opslaan
±
Druk kort op de toets AUTO.
Selecteer de radiostand met de toets AM
of FM.
Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
Op het display staat AUTO, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal (maximaal
10) in de gekozen radiostand automatisch in
het geheugen worden opgeslagen. Als er geen
radiozender kon worden gevonden met een
signaal dat krachtig genoeg is, verschijnt de
tekst NO STATION.
±
Druk kort op de toets AUTO of op de pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst AUTO op het
235
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 236
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
Radio Data System, RDS
10
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om op de beste frequentie van een bepaalde zender afgestemd te
blijven ongeacht de beluisterde zender of
geluidsbron (zoals een cd). Het systeem wordt
tevens gebruikt om verkeersinformatie te ontvangen en radioprogramma’s van een bepaald
type te vinden. Radiotekst is ook een onderdeel van RDS. Een radiozender kan informatie
verzenden over de radio-uitzending.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of slechts in beperkte mate.
PI zoeken (automatisch zenders
zoeken)
Bij het beluisteren van een RDS-zender wordt
diverse informatie in de radio (zoals verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDSinformatie van deze zender bij. Als de radio zich
net binnen of buiten het bereik van de zender
bevindt, stemt de radio automatisch af op de
best doorkomende zender die het door u
beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de tekst PI
236
SEEK op het display zolang er geen zender is
gevonden.
Verkeersinformatie, TP Station
Bij activering van deze functie krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en ontvangt u de verkeersinformatie op het volume
dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
Verkeersinformatie instellen
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Kies voor TP en druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer TP ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
4. Druk op EXIT.
TP deactiveren
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Wanneer de functie actief is, staat de tekst
TP op het display.
Druk op EXIT om een lopend verkeersbulletin
voortijdig af te breken. De functie TP blijft echter actief, zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
Verkeersinformatie van een specifieke
zender instellen
1. Selecteer de radiostand met de toets FM.
2. Activeer de radiozender waarvan u de verkeersinformatie wilt ontvangen.
3. Druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
6. Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION en druk op SOURCE.
7. Draai aan SOURCE, selecteer SET
CURRENT en druk op SOURCE.
8. Druk op EXIT.
2. Kies voor TP en druk op SOURCE.
TP-zender deactiveren
3. Draai aan SOURCE, selecteer TP OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
4. Druk op EXIT.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 237
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer TP
SEARCH en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION OFF en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer TP
SEARCH ON of TP SEARCH OFF (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
Alarm
De tekst Alarm! verschijnt op het display, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden.
Deze functie wordt gebruikt om u attent te
maken op ernstige ongelukken of calamiteiten,
zoals ingestorte bruggen of ongelukken in
kerncentrales.
TP zoeken
Met deze functie kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens langere ritten door
verschillende gebieden en/of landen zonder
dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
Nieuws
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
3. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
4. Druk op EXIT.
10
De tekst NEWS verschijnt op het display.
News (Nieuws) deactiveren
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
OFF (knipperende tekst) en druk op
SOURCE.
4. Druk op EXIT.
De tekst NEWS verdwijnt van het display.
Druk op EXIT om een lopend nieuwsbulletin
voortijdig af te breken. De functie Nieuws blijft
echter actief, zodat de radio op het volgende
nieuwsbulletin wacht.
Uitzendingen onderbreken voor
nieuwsbulletins
News (Nieuws) instellen
1. Selecteer de radiostand met de toets FM.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Activeer de radiozender waarvan u de verkeersinformatie wilt ontvangen.
2. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
3. Druk op SOURCE.
``
237
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 238
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
4. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Programmatype, PTY
Programmatype
Displaytekst
Met de functie PTY kunt u kiezen uit verschillende programmatypes.
Documentaires
Documentaires
5. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Financieel nieuws
Financieel nieuws
6. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
STATION en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer PTY en druk
op SOURCE.
Volksmuziek
Volksmuziek
Ontspanning
Ontspanning
7. Draai aan SOURCE, selecteer SET
CURRENT en druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer PTY in het
menu en druk op SOURCE.
Kinderprogramma’s
Kinderprogramma’s
8. Druk op EXIT.
De radio begint te zoeken naar een zender met
het geselecteerde programmatype.
Gouwe ouwe
“Oldies”
Information
Informatie
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Als de radio een zender heeft gevonden die
ongeschikt is, kunt u verder zoeken met de linker- of rechterpijl.
Jazz
Jazz
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat de radio
terug naar de voorgaande frequentie.
Klassiek
Klassiek
Kunst en cultuur
Cultuur
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Licht klassiek
Licht klassiek
Easy listening
Easy listening
Functie News Station (Nieuwszender)
deactiveren
4. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
STATION en druk op SOURCE.
Programmatype
Displaytekst
Nationale muziek
Nation M
5. Draai aan SOURCE, selecteer NEWS STN
OFF en druk op SOURCE.
OFF
PTY OFF
Nieuws
Nieuws
Actualiteiten
Actualiteiten
Pop
Pop
Religie
Religie
Reizen
Reizen
Country
Country
Rock
Rock
6. Druk op EXIT.
238
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 239
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
Automatische afstemfunctie
Programmatype
Displaytekst
3. Draai aan SOURCE, selecteer PTY OFF en
druk op SOURCE.
Maatschappelijke
programma’s
Sociaal
Sport
Sport
4. Druk op EXIT. Het symbool PTY verdwijnt
dan en de radio keert terug naar de normale weergavestand.
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender
met het sterkste signaal voor de gekozen zender.
Hoorspel
Hoorspel
PTY-taal
AF activeren
Inbelprogramma’s
Telefoon
Amusement
Amusement
Educatie
Educatie
Wetenschap
Wetenschap
Weer
Weer
Overige muziek
Overige muziek
PTY standby
De functie PTY staat dan stand-by, totdat er
een programma van het gekozen type wordt
uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat de
radio automatisch over op de zender die het
geselecteerde programmatype uitzendt.
Deactiveren
Met deze functie kunt u de taal selecteren die
op het display van de radio moet worden
gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds).
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer PTY
LANGUAGE en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer een taal en
druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
10
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer AF ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
5. Druk op EXIT.
AF deactiveren
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer PTY en druk
op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer AF OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
``
239
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 240
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
5. Druk op EXIT.
•
Draai aan SOURCE, selecteer REG OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Regionale radioprogramma’s, REG
•
Druk op EXIT.
De functie REG staat normaal gesproken uit.
Bij het inschakelen van de functie is het mogelijk om op een bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak
is.
REG activeren
Met de functie EON geactiveerd, worden radioprogramma’s onderbroken voor verkeers- en
nieuwsbulletins van andere zenders.
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RESET TO
DEFAULT en druk op SOURCE.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Functie met twee standen
Local – Alleen onderbreking, wanneer het sig-
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
naal sterk genoeg is.
Distant – Ook onderbreking bij zwakkere signalen.
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer REG ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
ASC activeren:
3. Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
5. Druk op EXIT.
REG deactiveren
•
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
•
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
•
240
EON – (Enhanced Other Networks),
Local/Distant
RDS-instellingen resetten
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer EON (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer Local of
Distant en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
4. Druk op EXIT.
ASC (Active Sound Control)
De actieve geluidsregeling ASC stemt het
volume van de radio automatisch af op de rijsnelheid.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer ASC
LEVEL en druk op SOURCE.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 241
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
5. Draai aan SOURCE, selecteer LOW,
MEDIUM, HIGH of Off en druk op
SOURCE.
10
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d.
Druk enkele seconden lang op de toets FM om
eventueel meegestuurde radiotekst op het display te bekijken.
Nadat de tekst tweemaal achtereen op het display verschenen is, geeft de radio de zender/
frequentie weer aan waarop u hebt afgestemd.
Met een korte druk op de toets EXIT beëindigt
u de weergave van de radiotekst.
241
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 242
10 Infotainment
Cassettedeck HU-450
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant van
de cassette wilt beluisteren. Op het display
staat aangegeven welke kant van de cassette
wordt afgespeeld.
10
DOLBY B NR
G027246
Cassette uitwerpen
Steek de cassette met de open kant naar
rechts in de opening. Op het display verschijnt
TAPE Side A.
Wanneer een kant van de cassette is afgespeeld, schakelt het deck automatisch over
naar de andere kant (auto-reverse).
Als er al een cassette in het deck zit, kunt u de
cassette laten afspelen door aan de knop
SOURCE te draaien of op de sneltoets TAPE
te drukken.
242
Als u op de uitwerptoets drukt,
stopt de cassette waarna deze
wordt uitgeworpen. Draai aan
de knop SOURCE om een
andere geluidsbron te kiezen.
Ook als het systeem is uitgeschakeld, kunt u een cassette plaatsen of uitwerpen.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van iedere track de eerste 10 seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of
EXIT, wanneer u de track hebt
gevonden die u wilt beluisteren.
Vooruit-/achteruitspoelen
Ruisonderdrukking Dolby B
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal geactiveerd. Ga als volgt te werk, als u de functie
wilt uitschakelen. Houd de toets REV ingedrukt, totdat het Dolby-symbool
van het
display verdwijnt. Druk nogmaals op dezelfde
toets om de Dolby-functie weer te activeren.
Dolby ruisonderdrukking wordt geproduceerd
onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby en de dubbele D
zijn geregistreerde handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporations.
G027004
Cassetteopening
U kunt de cassette vooruitspoelen met de toets
en achteruitspoelen met
. Tijdens het versneld spoelen geeft het display “
FF” (vooruit) of “ REW” (achteruit) weer. De
spoelfunctie wordt beëindigd, als u de toets
nogmaals indrukt.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 243
10 Infotainment
Cassettedeck HU-450
Volgende track, vorige track kiezen
Als u de toets
indrukt, zal de cassette
automatisch vooruitgespoeld worden naar het
begin van de volgende track.
10
Als u de toets
indrukt, zal de cassette
automatisch achteruitgespoeld worden naar
het begin van de vorige track. Deze functie
werkt alleen goed, wanneer er tussen de tracks
een stilte van ongeveer vijf seconden is ingelast.
Als het stuurwiel is voorzien van een toetsenset, kunt u gebruik maken van de pijltoetsen
ervan.
243
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 244
10 Infotainment
Cd-speler HU-650
Cd-speler
10
Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt
aangebracht, moet u voor weergave van de cd
kiezen door aan de knop SOURCE te draaien
of op de sneltoets CD te drukken.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aangegeven op het display.
Cd uitwerpen
Scannen
Als u op de bovenstaande toets
drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgeworpen.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te
nemen. Als de cd na afloop van deze
periode nog in de cd-speler zit, wordt de cd
weer ingenomen en verder afgespeeld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoelen. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
244
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste 10 seconden te beluisteren.
Druk op RND (random) om de
willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. De cd-speler speelt
de tracks van de cd dan in een
willekeurige volgorde af.
Zolang deze functie actief is
staat er RND op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 245
10 Infotainment
Interne cd-wisselaar HU-850
Interne cd-wisselaar
Nummer cd selecteren
Een interne cd-wisselaar met een magazijn
voor 6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk
op de sneltoets CD of draai aan de knop
SOURCE om de cd-wisselaar te activeren. De
cd-wisselaar speelt de laatst gekozen track op
de laatst gekozen cd af.
Selecteer de af te spelen cd met de cijfertoetsen 1–6. Het nummer van de geselecteerde cd
en de af te spelen track op die cd verschijnen
op het display.
U kunt 6 cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen.
Om een nieuwe cd te kunnen aanbrengen moet
u een lege positie selecteren. Selecteer een
lege positie met de cijfertoetsen 1–6. Het nummer van de lege positie verschijnt op het display. Zorg dat de tekst "LOAD DISC"
verschijnt, voordat u een nieuwe cd aanbrengt.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande toets
drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgeworpen.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoelen. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te
nemen. Als de cd na afloop van deze
periode nog in de cd-speler zit, wordt de cd
weer ingenomen en verder afgespeeld.
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (random) om de
willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. De cd-wisselaar
speelt dan een willekeurige
track van een willekeurige cd.
De cd-wisselaar kiest daarna
een nieuwe willekeurige track van een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
RND op het display.
10
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
245
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 246
10 Infotainment
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*
Cd-wisselaar
10
4. Duw het magazijn in de cd-wisselaar terug.
Scannen
Sleuf kiezen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste 10 seconden te beluisteren.
Selecteer de af te spelen cd door aan de knop
PRESET/CD (HU-450) te draaien of druk op de
cijfertoetsen 1 - 6 (HU-650/850). Het nummer
van de geselecteerde cd en de af te spelen
track op die cd verschijnen op het display.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde
G027181
Sommige cd-wisselaars bieden plaats aan 10
cd’s. Houd toets 6 enkele seconden ingedrukt
om een van de cd’s 7 - 10 te kiezen.
De externe cd-wisselaar zit achter het paneel
linksachter in de kofferbak.
Draai aan de knop SOURCE om de cd-wisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar speelt de
laatst gekozen track op de laatst gekozen cd
af. Als het magazijn van de cd-wisselaar leeg
is, verschijnt er LOAD CARTRIDGE op het
display.
Cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen
1. Duw het klepje van de cd-wisselaar opzij.
2. Druk op de uitwerptoets voor het magazijn.
3. Trek het cd-magazijn naar buiten en breng
de cd’s aan.
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Druk op RND (geldt voor
HU-650 en 850) om de willekeurige afspeelvolgorde te activeren. Bij het audiosysteem
HU-450 moet u op de toets
REV drukken.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoelen. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aangegeven op het display.
De cd-wisselaar speelt dan een willekeurige
track van een willekeurige cd. De cd-wisselaar
kiest daarna een nieuwe willekeurige track van
een willekeurige cd. Zolang de functie actief is,
staat er RND op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 247
10 Infotainment
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler veroorzaken.
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 248
10 Infotainment
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Algemene informatie
10
Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op
het voorgaande systeem en levert een duidelijke verbetering van de geluidsweergave op.
De verbetering is met name duidelijk te merken
voor de achterpassagiers.
In combinatie met een middenluidspreker midden op het dashboard zorgt Dolby Surround
Pro Logic II voor een zeer realistische geluidsweergave.
De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers achterin het zogeheten Ambient Surround Sound.
Dolby Surround Pro Logic II werkt alleen, wanneer u een cd beluistert.
Als u een AM- of FM-zender beluistert, wordt
geadviseerd driekanaals stereoweergave ( 3CH) te kiezen.
Dolby Surround Pro Logic II is het handelsmerk
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Pro Logic II Surround
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II Mode
Druk op
PL II om Dolby
Surround Pro Logic II Mode in
te schakelen. Op het display
verschijnt
PL II. Druk op
OFF om terug te keren naar
tweekanaals stereoweergave.
3-kanaal stereo
Druk op de toets 3-CH om de
driekanaals stereoweergave
te activeren. Op het display
verschijnt de tekst “ 3 ch”.
Druk op OFF om terug te
keren naar de tweekanaals
stereoweergave.
Volume middenluidspreker (Centre
Level)
Gebruik deze functie om het volume van de
middenluidspreker in te stellen.
1. Druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
248
4. Draai aan SOURCE, selecteer CENTRE
LEVEL en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
Volume Ambient Surround Sound
(Surround Level)
Gebruik deze functie om het uitgangsvermogen van de achterste luidsprekerkanalen in te
stellen.
1. Druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer
SURROUND LEVEL en druk op
SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 249
10 Infotainment
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Niveau equalizer (Mid EQ Level)
Gebruik deze functie om de geluidsweergave
via de luidsprekers fijn af te regelen.
10
1. Druk op SOURCE.
2. Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3. Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
4. Draai aan SOURCE, selecteer MID EQ
LEVEL en druk op SOURCE.
5. Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6. Druk op EXIT.
249
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 250
10 Infotainment
Technische gegevens
10
HU-450
HU-650
HU-850
Vermogen
4 × 25 W
4 × 25 W
1 × 25 W (centrale luidspreker)
Impedantie
4 Ohm
Voedingsspanning
12 V, negatieve massa
Externe versterker
–
4 × 50 W of 4 × 75 W A
4 × 50 W of 4 × 75 W B
Radio
Frequentiebereik
A
B
250
U (FM)
87,5–108 MHz
M (AM)
522–1611 kHz
L (AM)
153–279 kHz
(optie)
HU-850 moet worden aangesloten op een externe versterker.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 251
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
G027195
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 252
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Algemene voorschriften
10
•
Onderdelen van het telefoonsysteem
De verkeersveiligheid staat voorop. Als u
als bestuurder gebruik wilt maken van de
handset in de armleuning, moet u de auto
eerst op een veilige plaats parkeren.
1. Toetsenset op middenconsole
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u alle functies van de telefoon regelen.
•
•
Schakel de telefoon uit tijdens het tanken.
2. Toetsenset op stuurwiel
Schakel de telefoon uit in gebieden waar er
met explosieven wordt gewerkt.
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van de telefoon regelen.
•
Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Wanneer de telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display. Als u deze toetsen wilt
gebruiken om radio-instellingen te verrichten,
moet u eerst de actieve stand van de telefoon
verlaten (zie pagina 253).
Noodoproepen
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te bellen, zelfs als de contactsleutel of de simkaart is
uitgenomen.
dingen voor de overige functies kunt aflezen
van het display.
6. Microfoon
De microfoon is ingebouwd in de achteruitkijkspiegel
7. Luidsprekers
De luidspreker is ingebouwd in de hoofdsteun
van de bestuurdersstoel.
8. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Simkaart
1. Druk op de aan-uit -knop.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3. Druk op de groene toets
.
3. Display
Op het display verschijnen menu’s, meldingen,
telefoonnummers e.d.
4. Handset
De handset kunt u gebruiken voor privégesprekken waarin u niet gestoord wil worden.
U brengt de simkaart aan onder de toetsenset
op de middenconsole.
Schakel de telefoon uit als u geen simkaart
hebt aangebracht, omdat u anders geen mel-
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G027286
5. Simkaart
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 253
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart van uw
provider ontvangen.
Telefoon inschakelen
1. Draai de contactsleutel naar stand I.
10
2. Druk op de aangegeven knop op de
bovenstaande afbeelding.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem. De naam van
uw provider verschijnt dan op het display.
Telefoon uitschakelen
Schakel de telefoon uit, als u geen simkaart
hebt aangebracht. U kunt anders geen meldingen voor de overige functies aflezen van het
display en de toetsenset op het stuurwiel niet
gebruiken om de radio te bedienen.
Als u het contact uitzet, terwijl de telefoon
actief is, zal de telefoon ook actief zijn wanneer
u het contact een volgende keer opnieuw aanzet.
Telefoon in- en uitschakelen
Wanneer de telefoon uitgeschakeld is, kunt u
geen gesprekken aannemen.
±
Druk de knop waarmee u de telefoon
inschakelde ca. drie seconden lang in.
Actieve stand
G027285
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die de telefoon u biedt, moet de telefoon in de
actieve stand staan (dit geldt niet voor binnenkomende gesprekken). Zet de telefoon in de
actieve stand door te drukken op
op het
bedieningspaneel of op de toetsenset op het
stuurwiel.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display.
Druk op
om de actieve stand te verlaten.
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 254
10 Infotainment
Bel-opties
Display
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5 op pagina
263 voor het volume van het audiosysteem.
10
Handset
Gesprekken beëindigen
Op het display verschijnen de actuele functies
zoals menu’s, meldingen, telefoonnummers of
instellingen.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
1. Druk op
van de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole.
2.
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren,
moet u gebruik maken van de handset.
1. Neem de handset op.
Bellen en gesprekken aannemen
Blader met de pijltoetsen vooruit
2. Voer het gewenste nummer in met de toetsenset op de middenconsole.
Bellen
of achteruit
zen nummers.
3. Druk op
Kies het nummer en druk op
op de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole (of til de handset op).
Inkomend gesprek aannemen
Druk op
of til de handset op. U kunt ook
gebruik maken van de automatische aanneemfunctie Auto antw. (zie menu-optie 4.3).
254
G027193
G027180
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op de toetsenset van het stuurwiel of op
de middenconsole of u legt de handset op. Het
audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
3. Druk op
te bellen.
door de laatst geko(of neem de handset op) om
om te bellen.
U regelt het volume met de draaiknop op de
zijkant van de handset. U kunt het gesprek
beëindigen door de handset terug op de houder te leggen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 255
10 Infotainment
Bel-opties
Verkort kiezen
Overgaan op handsfree zonder het
gesprek te beëindigen
1.
Druk op
2. Druk op
pagina 254).
en kies voor Handsfree.
Druk een voorkeurtoets ca. 2 seconden lang in
om het telefoonnummer te kiezen dat onder de
toets opgeslagen is.
en leg de handset op (zie
Snelnummers opslaan
1.
Blader met
bewerken (Menu 3) en druk op
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek kunt u de onderstaande functies activeren:
naar Geheugen
.
2. Blader verder naar Verkort kiezen (Menu
.
3.4) en druk op
3. Druk op de sneltoets waaronder u het snelnummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
.
op
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer
te selecteren.
Ruggespraakstand
Wachten/Wachten
uit
Om het lopende
gesprek wel of niet
te parkeren
Handset/Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
N.B.
Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u
gebruik kunt maken van de functie verkort
kiezen. Om snelnummers te kunnen gebruiken moet menu-optie 4.5 geactiveerd
zijn.zie pagina 262
Verkort kiezen
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan
een bepaalde voorkeurtoets (1 - 9). U doet dat
als volgt:
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
±
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
10
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek geparkeerd hebt, kunt u de
onderstaande functies activeren:
±
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Handset/Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
``
255
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 256
10 Infotainment
Bel-opties
10
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Samenvoegen
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Wisselen
Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Wanneer u gekozen hebt voor
Samenvoegen en twee lopende gesprekken
voert, kunt u de onderstaande functies activeren:
±
256
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Handset/Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen
Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen een geluidssignaal
onmiddellijk gevolgd door twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek
binnen. De twee korte geluidssignalen worden
herhaald, totdat u het gesprek beantwoordt of
de beller oplegt. U kunt het tweede gesprek
vervolgens wel of niet aannemen.
Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u
op
drukken of niets doen. Als u het
drukgesprek wilt aannemen, moet u op
ken. U parkeert het lopende gesprek dan tijdedrukt, worden beide
lijk. Als u op
gesprekken beëindigd.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 257
10 Infotainment
Geheugenfuncties
Sms
Telefoonnummers met namen opslaan
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een sms is
binnengekomen.
1.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de toetsenset op het stuurwiel te drukken. Verlaag het
volume door op de (–) van de toetsenset op het
stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radioinstellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren (zie pagina 253).
en blader naar Geheugen
Druk op
bewerken (Menu 3). Druk vervolgens op
.
3. Voer het gewenste nummer in en druk op
.
4. Voer een naam in en druk op
.
abc2äåàáâæç
def3èéëê
ghi4ìíîï
5. Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met
druk vervolgens op
en
.
Namen (of berichten) invoeren
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
10
2. Blader verder naar Nieuwe invoer (Menu
.
3.1) en druk op
Geheugenfuncties
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven.
spatie 1- ? ! , . : ' ( )
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
``
257
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 258
10 Infotainment
Geheugenfuncties
wxyz9
±
10
om tweemaal achtereen hetzelfde teken van een toets in
te voeren moet u na de eerste
maal op * drukken of enkele
seconden wachten.
+0@*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters en kleine letters
het laatst ingevoerde teken
wissen. Wanneer u de toets
lang ingedrukt houdt, kunt u
het nummer of de tekst in zijn
geheel wissen.
258
Nummers uit het geheugen bellen
op de middenconsole of
Druk op
gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
1. Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel om
met de pijltoetsen naar de gewenste naam
te bladeren.
2. Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
.
3. Druk op
om het geselecteerde nummer te bellen.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 259
10 Infotainment
Menu’s
Algemene informatie
Verkeersveiligheid
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende
menu-opties worden op het display weergegeven.
Om veiligheidsredenen is het menusysteem
niet toegankelijk bij snelheden hoger dan
8 km/h. U kunt de begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
2.1.
Lezen
2.2.
Invoeren
2.3.
Voice mail
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
2.4.
Instellingen
Druk op
veren.
om het menusysteem te acti-
In het menusysteem geldt het volgende:
•
•
•
•
•
2.
Berichten
10
2.4.1.
SMSC nummer
Hoofdmenu’s/Submenu’s
2.4.2.
Geldigheid
1.
2.4.3.
Soort
Oproepregister
Wanneer u
lang ingedrukt houdt,
verlaat u het menusysteem.
1.1.
Gem. oproep
1.2.
Ontv. oproep
3.1.
Nieuwe invoer
Wanneer u kort op
drukt, annuleert,
hervat of verwerpt u een optie.
1.3.
Gebelde oproepen
3.2.
Zoeken
1.4.
Wis bellijst
3.2.1.
Bewerken
1.4.1.
Alles
3.2.2.
Wissen
1.4.2.
Gemist
3.2.3.
Kopiëren
1.4.3.
Ontvangen
3.2.4.
Verplaatsen
1.4.4.
Gebeld
Wanneer u op
drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
Met de toets
gende submenu.
Met de toets
submenu.
gaat u naar het volgaat u naar het vorige
1.5.
3.
Geheugen bewerken
3.3.
Belduur
1.5.1.
Lste oproep
Alles kopie
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
Sneltoetsen
1.5.2.
Gespreksteller
3.4.
Verk. kiezen
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen en met
. De cijferaanduidingen
staan samen met de naam van de menu-optie
op het display.
1.5.3.
Totale tijd
3.5.
SIM wissen
1.5.4.
Reset timer
3.6.
Telefoongeheugen wissen
3.7.
Status
``
259
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 260
10 Infotainment
Menu’s
4.
10
5.
260
Bel-opties
5.3.5.
Suomi
4.1.
Nummer verz.
5.3.6.
Deutsch
4.2.
Oproep wacht
5.3.7.
Nederlands
4.3.
Auto antw.
5.3.8.
Français FR
Menu-opties, beschrijving
4.4.
Auto herk.
5.3.9.
Français CAN
1. Oproepregister
4.5.
Verk. kiezen
5.3.10. Italiano
1.1. Gemist
4.6.
Doorschakelen
5.3.11. Español
4.6.1.
Allemaal
5.3.12. Português P
4.6.2.
Indien bezet
4.6.3.
Niet beantw.
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
4.6.4.
Onbereikbaar
5.4.1.
Aan
4.6.5.
Faxoproepen
5.4.2.
Uit
4.6.6.
Data-oproepen
5.4.3.
Auto
4.6.7.
Alles annul.
5.3.13. Português BR
5.4.
SIM beveil.
5.6.6.
5.7.
Nieuw SMS-bericht
Rij veilig
1.2. Ontvangen oproepen
Wijzig codes
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van
de telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
Instellingen
5.5.1.
PIN-code
1.3. Gebeld
5.1.
Fabriek
5.5.2.
Telefooncode
5.2.
Netwerk
5.3.
Taal
5.5.
5.6.
Geluiden
5.6.1.
Belvolume
5.3.1.
English UK
5.6.2.
Belsignaal
5.3.2.
English US
5.6.3.
Toetsklik
5.3.3.
Svenska
5.6.4.
Aanp. Snelh.
5.3.4.
Dansk
5.6.5.
RadioAutMute
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gekozen nummers. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
1.4. Wis bellijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 261
10 Infotainment
Menu’s
Alles
2.3. Voice mail
3.2.1.
1.4.2.
Gemist
Bewerken: Gegevens in de verschillende geheugens wijzigen.
1.4.3.
Ontvangen
In dit menu kunt u de binnengekomen gesproken boodschappen beluisteren.
3.2.2.
Wissen: Een opgeslagen naam wissen.
2.4. Instellingen
1.4.4.
Gebeld
3.2.3.
Kopiëren: Een opgeslagen naam kopieren.
3.2.4.
Verplaatsen: Gegevens overhevelen
tussen het geheugen van de telefoon
en dat van de simkaart.
1.4.1.
1.5. Belduur
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen van de laatste te
zien. U kunt ook het aantal oproepen bekijken
en de timer resetten.
1.5.1.
Lste oproep
1.5.2.
Gespreksteller
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over de
telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang de
boodschap in de mailbox moet blijven liggen.
10
3.3. Alles kopiëren:
2.4.1.
SMSC nummer
2.4.2.
Geldigheid
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
2.4.3.
Soort
3.3.1.
Neem contact op met uw provider voor informatie over deze instellingen en het SMSCnummer.
Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart
3. Geheugen bewerken
3.4. Sneltoetsfunctie
2. Berichten
3.1. Nieuwe invoer
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen boodschappen lezen. U kunt de gelezen boodschappen
(of gedeelten ervan) vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of opslaan.
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het geheugen van de telefoon of op de simkaart. Zie het
hoofdstuk over de geheugenfuncties voor
meer informatie.
Een nummer dat in het telefoonboek ligt opgeslagen, kunt u opslaan als snelnummer.
2.2. Opstellen
3.2. Zoeken
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in
het geheugen.
3.5. SIM wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de simkaart wissen.
3.6. Telefoongeheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
3.7. Status
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de
``
261
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 262
10 Infotainment
Menu’s
10
namen en telefoonnummers in het geheugen
op de simkaart en in dat van de telefoon.
4.6.1.
Indien bezet
5.3.8.
Français FR
4.6.2.
Alle gespr. (de instelling geldt alleen tijdens het lopende gesprek).
5.3.9.
Français CAN
4. Bel-opties
4.1. Nummer verz.
4.6.3.
Niet beantw.
Aangeven of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet verschijnen.
Neem contact op met uw netwerkprovider voor
een permanent geheim nummer.
4.6.4.
Onbereikbaar
4.6.5.
Faxoproepen
4.6.6.
Data-oproepen
4.2. Oproep wacht
4.6.7.
Alles annul.
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
5. Instellingen
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de pincode actief of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.1. Fabrieksinstellingen
5.4.1.
Aan
5.4.2.
Uit
5.2. Netwerk
5.4.3.
Auto
Aangeven of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten herkiezen.
5.3. Taal
5.5. Wijzig codes
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
meldingen op het display wilt zien.
In dit menu kunt u uw pincode of uw telefooncode wijzigen.
4.5. Verkort kiezen
5.3.1.
English UK
5.5.1.
PIN-code
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeurtoets. De
functie moet geactiveerd zijn om snelnummers
te kunnen gebruiken.
5.3.2.
English US
5.5.2.
5.3.3.
Svenska
5.3.4.
Dansk
Telefooncode (gebruik 1234, voordat u
overgaat op uw eigen code). U
gebruikt de telefooncode om de timer
op nul te kunnen stellen.
4.6. Doorschakel.
5.3.5.
Suomi
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer.
5.3.6.
Deutsch
5.3.7.
Nederlands
4.3. Autom. antw.
Aangeven of u wilt kunnen antwoorden zonder
gebruik te maken van de toetsenset.
4.4. Autom. herh.
262
5.3.10. Italiano
Functie om de fabrieksinstellingen te herstellen.
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
4.9.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
N.B.
Noteer de code en bewaar deze op een veilige plaats.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 263
10 Infotainment
Menu’s
5.6. Geluiden
5.6.1
. Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een binnenkomend gesprek instellen.
5.6.2.
Belsignaal: U hebt de keuze uit acht
verschillende beltonen.
5.6.3.
Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4.
Aanp. Snelh.: Aangeven of het volume
wel of niet afhankelijk moet zijn van de
rijsnelheid.
5.6.5.
RadioAutMute: Hier kunt u aangeven
of u het geluid van de radio wel of niet
wilt uitschakelen tijdens een telefoongesprek.
5.6.6.
Nieuw SMS-bericht: Aangeven of u wel
of geen geluidssignaal wenst bij de
binnenkomst van een nieuw SMSbericht.
10
5.7. Rijd veilig
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheidsbegrenzing die geldt voor het menusysteem
wel of niet wilt uitschakelen, zodat u het menusysteem ook tijdens het rijden kunt gebruiken.
263
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 264
10 Infotainment
Overige informatie
Dubbele simkaart 1
Radio/Telefoon
Specificaties
10
Vermogen
2W
Simkaart
Klein
Geheugenposities
255 A
Sms
Ja
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om de telefoonfuncties te gebruiken, moet u de telefoon eerst
activeren (zie pagina 253).
Als u de toetsen wilt gebruiken om radio-instellingen te verrichten, moet u de telefoon eerst
deactiveren.
±
1
264
Druk op
Bepaalde markten
.
G027286
G027288
(Short Message Service)
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken.
Vraag uw gsm-provider naar de mogelijkheden
en het gebruik van een dubbele simkaart.
A
Data/Fax
Nee
Dualband
Ja (900/1800)
255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het
aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk
van het abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 265
10 Infotainment
10
265
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 266
Typeaanduidingen.................................................................................
Maten en gewichten..............................................................................
Motorspecificaties.................................................................................
Motorolie...............................................................................................
Vloeistoffen en smeermiddelen.............................................................
Brandstof..............................................................................................
Katalysator............................................................................................
Elektrisch systeem................................................................................
Typegoedkeuring..................................................................................
266
268
270
272
274
276
278
281
282
284
G000000
P2 (S60); 5; 3
evastarck
P2 (S60); 5; 3
evastarck
SPECIFICATIES
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 267
11
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 268
11 Specificaties
Typeaanduidingen
G032069
11
268
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 269
11 Specificaties
Typeaanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de typeaanduiding, het chassisnummer
en het motornummer bij de hand te hebben.
Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
11
Sticker voor standverwarming.
Typeaanduiding van de motor, onderdeelen serienummer
Motoroliesticker (bepaalde motortypes)
met de kwaliteit en de viscositeit van de te
gebruiken olie.
Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak AW.
VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
269
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 270
11 Specificaties
Maten en gewichten
Maten
11
G020131
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
Positie op
afbeel
ding
Maten
mm
A
Wielbasis
2715
E
Hoogte
1428
H
Breedte
1871
B
Lengte
4603
F
1561
I
Laadlengte, vloer,
achterbank neergeklapt
1661
Breedte incl. buitenspiegels
2069
C
Spoorbreedte
vooras
G
Spoorbreedte
achteras
1542
Laadlengte, vloer
824
D
270
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 271
11 Specificaties
Maten en gewichten
Gewichten
Geremde aanhanger:
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen.
Max. aanhangergewicht (kg)
Max. kogeldruk
(kg)
0–1200
50
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox e.d. zijn van
invloed op de laadcapaciteit en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
1201–1600
75
G016008
Ongeremde aanhanger:
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
11
Max. aanhangergewicht (kg)
Max. kogeldruk
kg
750
50
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
271
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 272
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
A
B
2.4
2.4i
2.0T
2.5T
2.4T
Motoraanduiding A
B5244S2
B5244S
B5204T5
B5254T2
B5244T4 B
Vermogen (kW bij
omw/min)
103/4500
125/6000
132/5500
154/5000
162/5500
(pk bij omw/min)
140/4500
170/6000
180/5500
210/5000
220/5500
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
220/3300
225/4500
240/1850–5000
320/1500–4500
350/2100–4000
Aantal cilinders
5
5
5
5
5
Cilinderboring (mm)
83
83
81
83
81
Slaglengte (mm)
90
90
77
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,44
2,44
1,98
2,52
2,4
Compressieverhouding
10,3:1
10,3:1
9,5:1
9,0:1
8,5:1
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor (zie pagina 268).
Thailand, Maleisië
T5
D
2.4D
D5
B5244T5
D5244T7
D5244T5
D5244T4
Vermogen (kW bij omw/
min)
191/5500
92/4000
120/5500
136/4000
(pk bij omw/min)
260/5500
126/4000
163/5500
185/4000
Motoraanduiding
272
A
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 273
11 Specificaties
Motorspecificaties
A
T5
D
2.4D
D5
Motorkoppel (Nm bij omw/
min)
350/2100–5000
300/1750–2250
340/1750–2750
400/2000–2750
Aantal cilinders
5
5
5
5
Cilinderboring (mm)
81
81
81
81
Slaglengte (mm)
93,2
93,2
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,40
2,40
2,40
2,40
Compressieverhouding
8,5:1
17,0:1
17,0:1
17,0:1
11
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor (zie pagina 268).
273
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 274
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Viscositeitsdiagram
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
•
•
•
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
274
G020236
11
•
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 275
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Motortype
2.0T
B5204T5
2.4
B5244S
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid A
(liter)
1,2
5,5
11
G032078
B5244S2
A
B
2.4T
B5244T4 B
T5
B5244T5
2.5T
B5254T2
De nevenstaande oliesticker zit in de motorruimte van de auto (zie pagina 268).
D5
D5244T4
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
2.4D
D5244T5
Viscositeit: SAE 0W-30
D
D5244T7
2,0
6,2
Inclusief hoeveelheid in filter.
Thailand, Maleisië
275
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 276
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit:
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56/M58)
2,1
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
2,0
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Automatische versnellingsbak
(AW55-50, AW55-51)
7,2
Versnellingsbakolie: JWS 3309
Automatische versnellingsbak
(TF-80SC)
7,0
Benzinemotor zonder turbo
8,0
Benzinemotor met turbo
9,0
Dieselolie
12,5
11
Koelvloeistof
Airconditioning B
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met water A (zie verpakking). Thermostaat opent bij: benzinemotoren, 90 ºC, dieselmotoren 82 ºC.
Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof
Stuurbekrachtiging
276
0.6
DOT 4+
Systeem
0,9
waarvan reservoir
0,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A
of een soortgelijk product met dezelfde specificaties.
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 277
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
A
B
Vloeistof
Systeem
Hoeveelheid (liter)
Aanbevolen kwaliteit:
Ruitensproeiervloeistof
zonder hogedruksproeiers
4,5
met hogedruksproeiers
6,4
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen antivries aangelengd met water te
gebruiken.
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
11
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar vermengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service, als
er een andere oliesoort werd gebruikt.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, . zie
pagina 274
277
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 278
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
11
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
2.4
B5244S2
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,8
209
70
2.4
B5244S2
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5
226
70
2.4i
B5244S
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
70
2.4i
B5244S
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5
226
70
2.0T
B5204T5
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
70
2.0T
B5254T5
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5
227
70
2.5T
B5254T2
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
9,1
217
70
2.5T
B5254T2
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,8
234
70
2.5T
B5254T2
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M58)
9,7
232
72
AWD
278
Versnellingsbak
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 279
11 Specificaties
Brandstof
Motor
2.5T
B5254T2
AWD
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
10,2
244
72
11
2.4T
B5244T4*
-
-
-
70
T5
B5244T5
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
9,3
220
70
T5
B5244T5
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,8
234
70
Motor
Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
D5
D5244T4
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
7,5
199
70
D5
D5244T4
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
6,6
174
70
2.4D
D5244T5
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
7,5
199
70
2.4D
D5244T5
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
6,6
174
70
2.4D
D5244T5
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
6,4
169
70
D
D5244T7
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
6,4
169
70
``
279
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 280
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
11
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268 (combinatierit). Het gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook
de rijstijl en andere niet-technische factoren
kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof met een
octaangetal van 91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe terwijl het motorvermogen
lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
Dieselolie
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom
alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen (zie pagina 195).
•
91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4 cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
•
95 (RON) is te gebruiken in de normale rijomstandigheden.
•
98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine – norm NEN-EN 228
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
280
Dieselolie – norm NEN-EN 590 of JIS K2204
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 281
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
11
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de verstuivers afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
281
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 282
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
Accu
11
A
B
Spanning
12 V
12 V
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
590 A
600 A A
700 A B
Reservecapaciteit (RC)
100 min.
120 min.
135 min.
Capaciteit (Ah)
60
70
80
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
Auto’s met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Gloeilampen
282
Verlichting
Vermogen W
Lampvoet
Dimlicht
55
H7
Bi-Xenon
35
D2S
Groot licht
55
HB3
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
BA15s
Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje)
21
BAU15s
Achterlichten/parkeerlichten, sidemarkers, achter
5
BAY15d
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 283
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Verlichting
Vermogen W
Lampvoet
Instapverlichting, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting
5
SV8,5
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
Stadslichten/parkeerlichten vóór, sidemarkers vóór
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje)
5
W2,1X9,5d
Mistlampen
55
H11
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
11
283
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 284
11 Specificaties
Typegoedkeuring
Afstandsbedieningssysteem
Land
11
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
Hierbij verklaart Delphi dat het
gebruikte afstandsbedieningssysteem
in overeenstemming
is met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
IS, LI, N, CH
HR
RC
ETC093LPD0155
284
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 285
12 Alfabetisch register
A
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
inklapbare............................................. 50
Aanhanger................................................ 140
kabel................................................... 142
rijden met een aanhanger................... 140
Aanpassen, lichtbundel........................... 150
Aanrijding
crash mode........................................... 29
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 26
Aanstekeropening...................................... 50
achterbank............................................ 63
ABS, storing in het ABS............................. 44
Actief chassis (FOUR-C).................... 49, 134
Actieve Bi-XenonŸ-koplampen........... 51, 54
Adaptief systeem..................................... 127
AF, automatische afstemfunctie.............. 239
Afstandsbediening................................... 104
batterij vervangen............................... 105
functies............................................... 104
Afstandsbedieningssysteem, typegoedkeuring..................................................... 284
Afstemfunctie, automatische................... 239
AC
handmatige klimaatregeling................. 78
Accu......................................................... 202
onderhoud.................................. 191, 202
specificaties........................................ 282
starten met hulpaccu.......................... 139
waarschuwingssymbolen................... 202
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 19
Airconditioning
algemene informatie............................. 76
ECC...................................................... 80
Achterbank, omklappen............................. 99
Airconditioning, AC.................................... 78
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 104
Alarm
alarmindicatie.....................................
alarmsignalen......................................
algemene informatie...........................
automatische inschakeling van het
alarm...................................................
Achterruit, elektrische verwarming............ 52
Achteruitkijkspiegel.................................... 66
autodimfunctie...................................... 66
112
113
112
112
geactiveerd alarm uitschakelen..........
inschakelen.........................................
uitschakelen........................................
verkeersmelding RDS.........................
113
112
112
236
Alarmlichten............................................... 51
Antislipregeling........................................ 132
Antispinregeling....................................... 132
Audiofuncties
HU-450............................................... 229
HU-450/650/850................................. 227
HU-650/850........................................ 230
12
Audiosysteem HU-450, overzicht............ 224
Audiosysteem HU-650, overzicht............ 225
Audiosysteem HU-850, overzicht............ 226
AUTO
klimaatinstelling.................................... 80
Autobekleding.......................................... 184
Automatische vergrendeling.................... 107
Automatische versnellingsbak......... 125, 127
aanhanger........................................... 141
beveiligingssystemen......................... 127
knop W............................................... 126
lock-upfunctie..................................... 127
slepen en bergen................................ 137
Automatische wasstraten........................ 182
285
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 286
12 Alfabetisch register
Auto wassen............................................ 182
AUX.......................................................... 227
volume................................................ 228
AWD, vierwielaandrijving......................... 128
B
12
Banden
algemene informatie........................... 164
bandenreparatie................................. 175
bandenspanningscontrolesysteem..... 171
draairichting........................................ 166
onderhoud.......................................... 164
rijeigenschappen................................ 164
slijtage-indicator................................. 165
snelheidsaanduidingen....................... 164
spanning..................................... 167, 168
specificaties........................................ 164
winterbanden...................................... 166
Beslagen ruiten.......................................... 76
achterruit............................................... 52
ontwasemen................................... 79, 81
Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak............................................................. 72
Blaasmonden
dashboard............................................ 77
Condens aan binnenkant lampglazen..... 182
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 198
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 196
Cruisecontrol............................................. 60
Blaasmonden in portierstijlen.................... 77
BLIS, Blind Spot Information System 49, 157
BLIS-systeem (Blind Spot Information System).......................................................... 158
D
Dakbelasting............................................ 148
Boordcomputer.......................................... 56
Dashboardkastje........................................ 97
Brandstof
brandstofbesparing............................ 167
brandstofverbruik, aanduiding.............. 56
Diesel, voorgloeifunctie............................. 46
Buitenafmetingen..................................... 270
Dolby Surround Pro Logic II.................... 248
Buitenspiegels........................................... 69
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem............................................. 46, 49, 132
bediening............................................ 132
Buitenspiegels resetten............................. 50
Bedieningspaneel...................................... 78
286
Chassisstanden....................................... 134
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.................................................. 38, 40, 64
C
Bekerhouders................................ 96, 97, 98
Cassettedeck, HU-450............................ 242
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 182
Cd-speler, HU-650.................................. 244
Cd-wisselaar, extern................................ 246
Dieselolie.................................................. 195
Display, meldingen.............................. 47, 84
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 287
12 Alfabetisch register
E
ECO-bandenspanning............................. 167
tabel.................................................... 168
EHBO-set................................................. 170
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 71
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 64
Elektrisch bedienbare stoel....................... 91
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 65
blokkeren.............................................. 65
passagiersplaats................................... 65
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 63
middenconsole..................................... 50
Elektrische verwarming
achterruit................................... 52, 78, 80
buitenspiegels........................... 52, 78, 80
voorstoelen........................................... 52
Extra verwarming....................................... 86
Gloeilampen, zie Verlichting............ 204, 282
Gordelspanners......................................... 18
F
Flessenhouder achterin............................. 98
Gordelwaarschuwing................................. 17
Groot licht en dimlicht
wisselen................................................ 55
Follow-Me-Home-verlichting
instellen................................................. 55
Grootlichtsignalen...................................... 55
FOUR-C – Actief chassis................... 49, 134
H
G
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 124
slepen en bergen................................ 137
Geïntegreerd kinderzitje............................. 33
Handrem.............................................. 46, 62
Gelijkzetten, klok........................................ 85
Handset................................................... 254
Geluidssterkte
telefoon............................................... 257
Hogedruksproeiers koplampen................. 59
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 56
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 99
omklappen............................................ 50
Gereedschap........................................... 169
Hoofdsleutel............................................. 104
Elektrisch verwarmde voorstoelen............. 78
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.. 255
Elektronische startblokkering.................. 104
Gevarendriehoek..................................... 169
HU-450, overzicht............................ 224, 225
EON, Enhanced Other Networks............. 240
Gewichten
aanhangergewicht.............................. 140
rijklaar gewicht.................................... 271
HU-850, overzicht.................................... 226
Elektrisch systeem................................... 282
Externe geluidsbron
AUX-aansluiting.................................. 227
12
Houder voor boodschappentassen......... 100
287
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 288
12 Alfabetisch register
I
IMEI-nummer........................................... 264
In de was zetten....................................... 183
Informatiedisplay....................................... 47
Inklapbare buitenspiegels.......................... 50
12
Kinderen..................................................... 30
kinderslot............................................ 111
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 24
plaats in de auto, tabel......................... 31
positie in de auto.................................. 30
veiligheid............................................... 30
Kinderzitje.................................................. 30
Koudemiddel.............................................. 76
Koude start
automatische versnellingsbak............ 127
Krik........................................................... 169
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 38
auto met stuur rechts........................... 40
Kledinghaak............................................... 98
Instrumentenpaneel................................... 42
Kleurcode, lak.......................................... 186
Instrumentenverlichting............................. 54
Klok, instellen............................................. 42
Interieurfilter....................................... 76, 121
Knalgas.................................................... 139
Interieurverlichting..................................... 93
Knipperlichten............................................ 55
Intervalstand.............................................. 58
Koelvloeistof............................................ 198
Lading vervoeren
laadvermogen..................................... 148
lading op het dak................................ 148
lastdragers.......................................... 148
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........................................................... 34
Kofferbak................................................. 100
houder voor boodschappentassen.... 100
vergrendelen......................................... 50
Lak
kleurcode............................................ 186
schade en herstel............................... 186
K
Kompas...................................................... 66
kalibreren.............................................. 69
zone instellen........................................ 66
Lambdasonde.......................................... 281
Koplampen
aan/uit................................................... 53
ABL....................................................... 54
Leeslampjes............................................... 93
Katalysator............................................... 281
bergen................................................. 138
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 126
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 33
Koplamphoogteregeling............................ 53
Koplampsproeiers...................................... 59
288
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvullen............................................................ 199
L
Lading op het dak.................................... 148
Lampjes
stabiliteitssysteem.............................. 132
Lekke band, zie Banden.................. 169, 173
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 184
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 289
12 Alfabetisch register
Lichtbundel aanpassen............................ 150
Bi-XenonŸ-koplampen....................... 154
Halogeenkoplampen........................... 151
Lopende gesprekken, functies................ 255
Luchtverdeling..................................... 77, 83
Luchtverdeling, AC.................................... 79
Motorolie.......................................... 196, 274
filter..................................................... 196
hoeveelheden..................................... 274
oliedruk................................................. 45
oliekwaliteit......................................... 274
ongunstige rijomstandigheden... 196, 274
vervangen........................................... 196
Meldingen op informatiedisplay................. 47
Motorruimte
koelvloeistof........................................
olie......................................................
overzicht.............................................
stuurbekrachtigingsvloeistof...............
Meldingen voor BLIS............................... 159
Motorspecificaties................................... 272
M
198
196
194
200
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter.....................................
buitentemperatuurmeter.......................
dagteller................................................
snelheidsmeter.....................................
toerenteller............................................
42
42
42
42
42
One-key bell............................................. 255
Ontwaseming....................................... 79, 81
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte......................................................... 95
Opbergvak........................................... 96, 97
Opblaasgordijnen...................................... 26
12
Openen, motorkap................................... 193
P
Menusysteem
telefoon, menu-opties......................... 260
Menu’s, telefoon...................................... 259
Onderhoud............................................... 191
onderhoud.......................................... 191
roestwering......................................... 187
N
NEWS...................................................... 227
PACOS....................................................... 22
deactiveren met sleutel......................... 22
Noodoproepen......................................... 252
PACOS, schakelaar voor activering/deactivering....................................................... 22
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 169
Park Assist......................................... 50, 135
sensoren voor Park Assist.................. 136
Parkeerlichten............................................ 53
Mistlichten
achter.................................................... 54
vóór....................................................... 54
O
Parkeerrem.......................................... 46, 62
Motorkap................................................. 193
Olie, zie ook Motorolie............... 45, 196, 274
Provisorische bandenreparatie................ 175
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 99
PTY, programmatype....................... 227, 238
Poetsen.................................................... 183
289
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 290
12 Alfabetisch register
R
Radio
afstemfunctie......................................
EON....................................................
NEWS.................................................
PTY.....................................................
verkeersinformatie..............................
zenders zoeken...................................
12
Reservewiel.............................................. 169
Compact reservewiel.......................... 169
Richtingaanwijzers..................................... 55
239
240
237
238
236
232
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 271
trekgewicht................................. 140, 271
Radiofuncties
HU-450............................................... 234
HU-450/650/850................................. 232
Rijklaar gewicht........................................ 271
Radiotekst................................................ 241
ROETFILTER VOL.................................... 121
RDS-functies............................................ 236
Rugleuning
voorstoel, omklappen........................... 90
Recirculatie
AC......................................................... 79
Roestwering............................................. 187
Roetfilter............................................ 47, 121
Ruitensproeiers.......................................... 59
REG, regionale radioprogramma’s.......... 240
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 198
Regensensor.............................................. 58
Ruitenwissers............................................. 58
regensensor.......................................... 58
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 211
290
Rijden
met een aanhanger............................. 140
Runflat-banden........................................ 172
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactiveren................................................. 51, 113
onderbreking...................................... 110
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 246
radiozenders....................................... 232
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 182
auto wassen....................................... 182
bekleding............................................ 184
veiligheidsgordels............................... 185
velgen................................................. 182
vuil- en waterafstotende laag............... 70
Schuifdak...................................................
beveiliging tegen overbelasting............
openen en sluiten.................................
ventilatiestand.......................................
zonnescherm........................................
71
72
71
71
72
Rem- en koppelingsvloeistof................... 199
Serviceprogramma.................................. 190
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 130
parkeerrem........................................... 46
Servicesleutel........................................... 104
Remsysteem............................................ 129
SIPS-airbag................................................ 24
Simkaart................................................... 252
dubbele............................................... 264
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 291
12 Alfabetisch register
SIPS-airbags.............................................. 24
Sleepoog.................................................. 137
Slepen...................................................... 137
sleepoog............................................. 137
Sleutel...................................................... 104
transpondersleutel.............................. 104
Sloten
kofferdeksel.......................................... 50
Smeermiddelen........................................ 276
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 276
Sms.......................................................... 257
Spiegels
achteruitkijk-.........................................
buiten-..................................................
elektrische verwarming.........................
elektrisch inklapbare.............................
kompas.................................................
Stabiliteitssysteem................................... 132
aanduiding............................................ 46
deactiveren/activeren......................... 132
lampjes............................................... 132
Stadslichten............................................... 53
Standverwarming
accu en brandstof................................. 85
algemene informatie............................. 84
Starten met hulpaccu.............................. 139
Steenslagplekken en krassen.................. 186
Stoel
elektrisch bedienbare........................... 91
handmatig verstelling........................... 90
66
69
52
69
66
Stoelen en achterbank
elektrische verwarming......................... 52
ruggedeelte achterbank omklappen..... 99
rugleuning voorstoel omklappen.......... 90
Spin Control............................................. 132
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 200
Sproeiers
koplampen............................................ 59
voorruit.................................................. 59
SRS-systeem............................................. 20
algemene informatie............................. 20
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 172
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 60
stuurwielafstelling................................. 62
toetsenset............................................. 60
Stuurwiel afstellen...................................... 62
Symbolen
controlesymbolen................................. 44
waarschuwingssymbolen..................... 44
T
Telefoon
aan/uit.................................................
bellen..................................................
geheugen............................................
gesprekken beëindigen......................
laatst gekozen nummers....................
one-key bell........................................
privacy-handset..................................
Simkaart..............................................
253
254
257
254
254
255
254
252
12
Telefoonsysteem...................................... 252
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling 80
interieur, handmatige klimaatregeling. . 78
Toetsensets op stuurwiel................... 60, 232
Totaalgewicht.......................................... 271
TP, verkeersinformatie..................... 227, 236
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 171
Tractieregeling......................................... 132
Traction Control....................................... 132
291
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 292
12 Alfabetisch register
Trekgewicht..................................... 140, 271
Trekhaak.......................................... 140, 144
algemene informatie................... 140, 142
monteren............................................ 144
specificaties........................................ 143
verwijderen......................................... 146
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 142
Trillingsdemper........................................ 142
12
Type-aanduidingen.................................. 268
Typegoedkeuring, afstandsbedieningssysteem................................................... 284
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 45
V
Veiligheidsgordel
zwangerschap...................................... 17
Veiligheidsgordels...................................... 16
292
Veiligheidszitje........................................... 30
aanbevolen........................................... 31
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 34
mistachterlicht...................................... 54
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 53
verlichtingspaneel, interieur.................. 53
Velgen
schoonmaken..................................... 182
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 204
achterlicht................................... 206, 209
dimlicht, halogeen.............................. 205
groot licht............................................ 205
instapverlichting.................................. 210
kentekenplaatverlichting..................... 208
kofferbak............................................. 208
make-upspiegel.................................. 210
mistlampen vóór................................. 208
positie van gloeilampen in koplamphuis..................................................... 204
richtingaanwijzer................................. 206
sidemarker.......................................... 207
stadslichten........................................ 206
voorzijde............................................. 204
Ventilator
AC......................................................... 78
ECC...................................................... 80
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde.............................. 108
van de buitenzijde............................... 107
Verlichting
Actieve Bi-XenonŸ-koplampen,
ABL................................................. 51, 54
automatische verlichting, dimlicht........ 53
automatische verlichting, interieur........ 94
exterieur................................................ 53
Follow-Me-Home-verlichting................ 55
gloeilampen, specificaties.................. 282
groot licht/dimlicht................................ 53
in interieur............................................. 93
instrumentenverlichting........................ 54
koplamphoogteverstelling.................... 53
leeslampjes........................................... 93
lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer, ABL........... 51, 150
Versnellingsbak
automatische...................................... 125
handgeschakelde............................... 124
Verstralers.................................................. 51
Verzorging................................................ 182
Verzorging, leren bekleding..................... 184
Vierwielaandrijving, AWD......................... 128
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 293
12 Alfabetisch register
Vlekken.................................................... 184
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 276
Vloeistoffen en oliën................................. 276
Vloeistoffen en oliën, algemene informatie............................................................. 192
Vloeistoffen en oliën, controles motorruimte....................................................... 196
Vloermatten................................................ 91
Voorgloeifunctie motor.............................. 46
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 132
Waarschuwingslampjes
gordelwaarschuwing............................ 17
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 18
Water- en vuilafstotende laag.................... 70
Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 183
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 27
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
whiplash-letsel...................................... 27
Wielen
aanbrengen.........................................
demonteren........................................
reservewiel..........................................
sneeuwkettingen.................................
velgen.................................................
verwisselen.........................................
174
173
169
166
166
173
Winterbanden.......................................... 166
Wisselen
groot licht en dimlicht........................... 55
12
Wisserbladen........................................... 201
schoonmaken..................................... 201
vervangen........................................... 201
Z
Zekeringen...............................................
achter de geluidsisolatie.....................
algemene informatie...........................
houder in bagageruimte.....................
kastje in motorruimte..........................
vervangen...........................................
zijkant dashboard...............................
211
217
211
219
213
211
215
Zonnescherm, schuifdak........................... 72
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
293
P2 (S60); 5; 3
evastarck
12 Alfabetisch register
12
294
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 294
P2 (S60); 5; 3
evastarck
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 295
Notities
295
P2 (S60); 5; 3
evastarck
Notities
296
2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 296
P2 (S60); 5; 3
evastarck
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%((+9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<ŽiZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
2008-02-22T12:32:14+01:00; Page 1
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising