Volvo | S60 | Gebruikershandleiding | Volvo S60 2007 Gebruikershandleiding

Volvo S60 2007 Gebruikershandleiding
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij
het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan. Een Volvo is een van de veiligste
auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
00 Inleiding
01 Veiligheid
Introduktion ........................................ 6
Volvo Personvagnar och miljön........... 7
Veiligheidsgordels ............................ 12
Airbagsysteem ................................. 15
Airbags (SRS) ................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren . 19
SIPS-airbags (zij-airbags) ................. 21
Opblaasgordijn (IC-systeem) ............ 23
WHIPS-systeem ............................... 24
Activering van de
veiligheidssystemen ......................... 26
Kinderen en veiligheid ...................... 27
02 Instrumenten, schakelaars
en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links .36
Overzicht auto’s met het
stuur rechts .......................................38
Instrumentenpaneel ..........................40
Controle- en waarschuwingslampjes 41
Informatiedisplay ..............................44
Schakelaars op middenconsole ........45
Verlichtingspaneel .............................49
Linker stuurhendel ............................51
Boordcomputer .................................52
Rechter stuurhendel .........................53
Cruisecontrol (optie) .........................55
Stuurwielafstelling, handrem .............56
Elektrische aansluiting, aansteker ....57
Elektrisch bedienbare ruiten .............58
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels ...................................61
Elektrisch bedienbaar
schuifdak (optie) ................................65
00 01 02
2
Inhoud
03 Klimaatregeling
04 Interieur
05 Sloten en alarm
Algemene informatie over de
klimaatregeling ................................. 70
Handmatige klimaatregeling met
airconditioning, A/C .......................... 72
Elektronische klimaatregeling, ECC
(optie) ............................................... 74
Luchtverdeling .................................. 77
Voorstoelen .......................................82
Interieurverlichting ............................84
Sleutels en afstandsbediening .........96
Vergrendelen en ontgrendelen .......... 99
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ..............................86
Achterbank ........................................90
Kinderslot ....................................... 103
Alarm (optie) ................................... 104
03 04 05
Kofferbak ...........................................92
Standverwarming op
brandstof (optie) ............................... 78
3
Inhoud
06 Starten en rijden
07 Wielen en banden
08 Verzorging
Algemene informatie ....................... 110
Brandstof tanken ............................ 113
Algemene informatie ...................... 154
Bandenspanning ............................ 157
Schoonmaken .................................168
Lakschade herstellen ...................... 171
Motor starten .................................. 115
Handgeschakelde versnellingsbak . 118
Gevarendriehoek en reservewiel .... 159
Bandenspanningscontrolesysteem 161
Roestwering ....................................172
Automatische versnellingsbak ........ 119
Remsysteem ................................... 123
Wielen verwisselen ......................... 163
06 07 08
Stabiliteits- en tractieregelsysteem 125
Actief chassis, FOUR-C .................. 127
Parkeerhulp .................................... 128
Slepen en bergen ........................... 130
Starten met hulpaccu ..................... 132
Rijden met een aanhanger .............. 133
Trekhaak ......................................... 135
Afneembare trekhaak ..................... 137
Lading op het dak .......................... 142
Lichtbundel aanpassen .................. 144
BLIS (Blind Spot Information
System), optie ................................. 149
4
Inhoud
09 Onderhoud en service
10 Infotainment
11 Technische gegevens
Volvo Service ...................................176
Onderhoud ..................................... 177
Motorkap en motorruimte .............. 178
Dieselolie ........................................ 179
Oliën en vloeistoffen ....................... 180
Wisserbladen .................................. 184
Accu ............................................... 185
Gloeilampen vervangen .................. 188
Zekeringen ..................................... 195
Audiosysteem HU-450 ....................206
Audiosysteem HU-650 ....................207
Audiosysteem HU-850 ....................208
Audiofuncties HU-450/650/850 ......209
Audiofuncties HU-450 ....................210
Audiofuncties HU-650/850 .............211
Radiofuncties HU-450/650/850 ......212
Radiofuncties HU-450 ....................213
Radiofuncties HU-650/850 .............214
Radiofuncties HU-450/650/850 ......215
Cassettedeck HU-450 ....................220
Cd-speler HU-650 ..........................221
Interne cd-wisselaar HU-850 ..........222
Externe cd-wisselaar
HU-450/650/850 (optie) ..................223
Dolby Surround Pro Logic II
HU-850 ...........................................224
Technische gegevens ......................225
Telefoonfuncties (optie) ...................226
Bel-opties ........................................229
Geheugenfuncties ...........................232
Menu’s ............................................234
Overige informatie ...........................239
Typeaanduidingen .......................... 242
Maten en gewichten ....................... 243
Motorspecificaties .......................... 244
Motorolie ......................................... 246
Vloeistoffen en smeermiddelen ...... 249
Brandstof ........................................ 250
Katalysator ...................................... 253
Elektrisch systeem ......................... 254
09 10 11
5
Inleiding
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips voor hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u
hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle
mogelijkheden die de auto biedt.
Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje:
N.B.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt
af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
WAARSCHUWING
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als u
de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het gevaar bestaat dat de auto beschadigd raakt,
als u de instructies niet opvolgt.
De in het instructieboekje beschreven uitrusting is niet op alle modellen aanwezig. Als aanvulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (af fabriek gemonteerde uitrusting) en bepaalde accessoires (extra uitrusting) beschreven.
6
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn
de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We
zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze
zorg voor het milieu delen.
Alle Volvo-modellen hebben een milieuverklaring (EPI of Environmental Product Information), waarin u zelf de milieu-impact van de
verschillende modellen en motoren gedurende
de totale levenscyclus kunt vergelijken.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunorm ISO 14001, hetgeen
tot verbeteringen op milieugebied leidt.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
meen een geringere uitstoot van het broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu op pagina 9.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
7
Inleiding
Volvo Car Corporation en het milieu
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen liggen
uitlaatgasemissies ver onder de geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®1,
een speciale laag die schadelijk laaghangend
ozon kan omzetten in zuivere zuurstof wanneer het ozon langs de radiateur stroomt.
Hoeveel ozon er wordt omgezet hangt af van
het ozongehalte van de buitenlucht.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pollen niet via de luchtinlaatopening in de passagiersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS2 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De binnenkomen1
Optie op vijfcilindermotoren.
PremAir ® is een gedeponeerd handelsmerk
van de Engelhard Corporation.
2 Optie
8
de lucht wordt continu gecontroleerd en als
het gehalte aan schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Alle stoelhoezen en bekledingsstoffen
zijn getest op stoffen en emissies die schadelijk zijn voor de gezondheid en allergische
reacties kunnen veroorzaken. Dit betekent dat
alle stoffen voldoen aan de eisen van de textielnorm Öko-Tex 1003 – een enorme stap op
weg naar een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoorbeeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte garens en stoffen. De leren
bekledingsvarianten zijn chroomvrij gelooid
met plantaardige stoffen en voldoen aan de
gestelde certificeringseisen.
3 Op
www.oekotex.com vindt u meer informatie
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik van de auto en
op die manier bijdragen aan een schoner milieu. Wanneer u de reparaties en het onderhoud aan de auto toevertrouwd aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de auto een onderdeel van ons systeem. We stellen duidelijke
milieu-eisen aan de outillage van onze werkplaatsen om te voorkomen dat er schadelijke
stoffen vrijkomen in het milieu. Het personeel
in de werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Inleiding
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te beschermen door zuinig te rijden, milieuvriendelijke autoverzorgingsproducten te kopen en de
auto te onderhouden of te laten onderhouden
aan de hand van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
• Verlaag het brandstofverbruik door de zogeheten ECO-bandenspanning aan te houden (zie pagina 157).
• Lading op het dak en een
skibox resulteren in een
grotere luchtweerstand
waardoor het brandstofverbruik aanzienlijk toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
• Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belading van de auto, des te
hoger het brandstofverbruik.
• Gebruik altijd de elektrische motorverwarming bij een koudestart, als de auto hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
• Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
• Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager
toerental zorgt voor een
lager verbruik.
• Laat het gaspedaal los
wanneer u van een helling
afrijdt.
• Rem op de motor af om vaart te minderen.
• Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat in een file.
• Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het milieu
zijn, zoals accu’s en olie,
op een milieuvriendelijke
manier. Neem contact op
met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
• Onderhoud uw auto regelmatig.
• Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid
neemt de luchtweerstand met een factor
vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of het plezier in het autorijden. U spaart uw auto, bespaart geld en
gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
9
Veiligheidsgordels .................................................................................... 12
Airbagsysteem ......................................................................................... 15
Airbags (SRS) ........................................................................................... 16
Airbag (SRS) activeren/deactiveren ......................................................... 19
SIPS-airbags (zij-airbags) .........................................................................21
Opblaasgordijn (IC-systeem) ....................................................................23
WHIPS-systeem ....................................................................................... 24
Activering van de
veiligheidssystemen .................................................................................26
Kinderen en veiligheid ..............................................................................27
10
VEILIGHEID
01
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Draag altijd een veiligheidsgordel
Gordel losmaken:
– Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de gordel
naar binnen trekken. Als de gordel niet
volledig wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet
langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
• wanneer u de gordel te snel uittrekt
• wanneer u remt of optrekt
• als de auto sterk overhelt.
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben.
Veiligheidsgordel omdoen
– Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen. De veiligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Let erop dat:
• gebruik geen klemmen of andere accessoires die ervoor zorgen dat u de gordel niet
strak langs uw lichaam kunt trekken
• zorg dat er geen slagen in de gordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
• de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
• u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
12
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke gordel is bestemd ter bescherming van
slechts een persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats. Als de gordel zwaar
belast werd, bijvoorbeeld tijdens een aanrijding, moet de complete gordel worden vervangen. De gordel kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de gordel ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De nieuwe
veiligheidsgordel moet zijn goedgekeurd en
bedoeld voor montage op dezelfde positie
als de vervangen gordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Als de bestuurder of voorpassagier de gordel
tijdens het rijden losmaakt, wordt de waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd bij
snelheden hoger dan 10 km/h.
01
Veiligheidsgordel en zwangerschap
De gordelwaarschuwing is bestemd voor volwassenen voor in de auto. Als u een kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht
en het met de veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgordels op het instrumentenpaneel en dat op
de bovenkant van de achteruitkijkspiegel knipperen, zolang de bestuurder en een eventuele
voorpassagier de veiligheidsgordel niet hebben omgedaan. De gordelwaarschuwing wordt
na 6 seconden automatisch uitgeschakeld, als
de snelheid lager is dan 10 km/h.
Als vervolgens bij een snelheid hoger dan
10 km/h blijkt dat de bestuurder of de voorpassagier de veiligheidsgordel niet omgedaan
heeft, wordt de waarschuwingsfunctie opnieuw ingeschakeld. De waarschuwingsfunctie wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer
de snelheid tot onder 5 km/h daalt.
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de gordel altijd op de juiste manier draagt.
De gordel moet strak langs de schouder lopen, waarbij het diagonale deel van de veiligheidsgordel tussen de borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het heupgedeelte van de
gordel moet vlak tegen de buitenkant van de
bovenbenen liggen en zo ver mogelijk onder
de buik liggen. Het mag nooit over de buik
omhoog kunnen glijden. De gordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
13
01 Veiligheid
01
Veiligheidsgordels
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen moeten
kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te
maken.
Gordelspanners
Keurmerk op veiligheidsgordels met gordelspanner
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam
spant. De gordel kan de passagier daarmee
beter in de stoel gedrukt houden.
14
01 Veiligheid
Airbagsysteem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
01
Behalve het waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat het
waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRSAIRBAG SERVICE SPOED
op het display. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem1
geen storingen vertoont.
1 Omvat
Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvowerkplaats.
SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
15
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het
stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS
AIRBAG.
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passagiersairbag (SRS, Supplemental Restraint
System). De airbag aan de passagierszijde1 zit
opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afnemen waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
16
1 Niet
alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan
de passagierszijde. Afhankelijk van de vraag
of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Zie pagina 19 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde airbag
(SRS).
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen die kleiner zijn dan
1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel
plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem
01
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capaciteit ervan wordt afgestemd op de botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstige letsels.
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het systeem bestaat uit airbags en sensoren.
Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de airbag wordt opgeblazen. Daarbij wordt de airbag warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij
treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het
opblazen tot het leeglopen van de airbag,
neemt enkele tienden van een seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts een (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRSsysteem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van één of meerdere airbags daarop af.
17
01 Veiligheid
01
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde in
een auto met het stuur links of rechts
WAARSCHUWING
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires op
of in de buurt van het SRS AIRBAG -paneel
(boven het dashboardkastje) of binnen de
actieradius van de airbag.
18
01 Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
PACOS (optie)
Activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS)
aan de passagierszijde gedeactiveerd is
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk als daar
een kind in een kinderzitje moet zitten.
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen. Controleer of de schakelaar in de gewenste stand
staat. Volvo adviseert u de contactsleutel te
gebruiken om de stand te wijzigen. (U kunt
ook andere voorwerpen gebruiken die qua
vorm op een sleutel lijken.)
Aanduiding
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde is gedeactiveerd.
01
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Laat evenmin
personen die kleiner zijn dan 1,40 m op
deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
19
01 Veiligheid
01
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Stand van de schakelaar
SRS-schakelaar in stand ON
SRS-schakelaar in stand OFF
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een verhogingskussen beslist
niet.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd. Met
de schakelaar in deze stand kunnen kinderen
in een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten, maar
passagiers groter dan 1,40 m beslist niet.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS)
aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op
een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk
een erkende Volvo-werkplaats.
20
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbags, (zij-airbags)
01
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de werking
van de SIPS-airbags hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Positie van de SIPS-airbags
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verspreid. De
SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermende borstkas en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPSsysteem. De SIPS-airbags zijn aangebracht in
de rugleuningframes van de voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
het SIPS-systeem. Draag altijd een veiligheidsgordel.
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinderzitjes
of verhogingskussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogingskussen op de voorstoel te plaatsen, als de auto
aan de passagierszijde niet is uitgerust met
een geactiveerde1 airbag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstig letsel veroorzaken.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
21
01 Veiligheid
01
SIPS-airbags (zij-airbags)
SIPS-airbag
Bestuurderszijde
Het SIPS-systeem bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna de SIPS-airbag
wordt opgeblazen. De SIPS-airbag wordt vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en
het portierpaneel. Daarmee wordt de klap van
de aanrijding opgevangen, waarna de airbag
weer leegloopt. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
22
Passagierszijde
01 Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
01
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de
auto en beschermt inzittenden zowel voor- als
achterin. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna de opblaasgordijnen worden geactiveerd. Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit iets aan de handgrepen aan het plafond. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken
(en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat schuilgaat achter de plafondbekleding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd een veiligheidsgordel.
23
01 Veiligheid
01
WHIPS-systeem
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen op de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en
de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
24
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS-systeem bewegen de rugleuningen van de voorstoelen naar
achteren, zodat de positie van de bestuurder
en de passagier op de voorstoelen verandert.
Zo wordt de kans op een zogeheten whiplash
beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes of verhogingskussens in de auto.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zo veel mogelijk
in het midden van de stoel plaatsnemen en de
afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo
klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het WHIPSsysteem niet nadelig beïnvloedt
01
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een erkende Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben verloren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van achteren.
WAARSCHUWING
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
nadelig beïnvloedt.
Als u een van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt.
25
01 Veiligheid
01
Activering van de veiligheidssystemen
Systeem
Activering
Gordelspanners
Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.1
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij1.
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij1.
WHIPS-systeem
Bij een aanrijding van achteren.
1
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het
gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van
activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
• Sleep de auto naar een erkende Volvowerkplaats. Rijd niet in een auto met opgeblazen airbags.
• Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
• Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordelspanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
26
WAARSCHUWING
De regeleenheid van het SRS zit in de middenconsole. Ontkoppel de accukabels als
de vloer van de passagiersruimte vol water
of een andere vloeistof staat. Probeer de
auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Sleep de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting is afhankelijk van het gewicht en
de lengte van het kind (zie pagina 29 voor
meer informatie).
• een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
01
Kinderzitjes en airbags
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvoonderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de
juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg
zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
• een kinderzitje/verhogingskussen op de
passagiersstoel, zolang de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd1 is;
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is1.
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
in een kinderzitje aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Personen kleiner dan 1,40 m mogen alleen
op de voorstoel plaatsnemen, wanneer de
airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
27
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportieropening
aan passagierszijde
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel, als de airbag (SRS) geactiveerd1
is. Het niet opvolgen van de deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1 Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
28
Sticker op zijwand dashboard
Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië)
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel1
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
<10 kg
(tot 9 maanden)
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
L2: Typegoedk.: E5 03160
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en steun.
L: Typegoedk.: E5 03160
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L: Typegoedk E5 03135
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem.
L: Typegoedk.: E5 03162
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
L: Typegoedk.: E5 03135
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem en steun.
L: Typegoedk.: E5 03162
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel, steun en bevestigingsband.
L: Typegoedk. E5 03135
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
L: Typegoedk.: E5 03161
Mogelijkheden:
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en steun.
L: Typegoedk.: E5 03161
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem.
L: Typegoedk.: E5 03163
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
L: Typegoedk.: E5 03135
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIXsysteem en steun.
L: Typegoedk.: E5 03163
• Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel, steun en bevestigingsband.
L: Typegoedk. E5 03135
9–18 kg
(9–36 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel,
steun en bevestigingsband.
L: Typegoedk E5 03135
29
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Gewicht (leeftijd)
Voorstoel1
Buitenste zitplaats achterbank
Middelste zitplaats achterbank
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L: Typegoedk. E5 03139
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L: Typegoedk. E5 03139
Mogelijkheden:
• Gordelkussen met of zonder rugleuning.
L: Typegoedk. E5 03139
• Geïntegreerd kinderzitje3.
B4: Typegoedk.: E5 03140
1
Zie pagina 16 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
2
L: Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald merk auto, voor een
beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
3Optie
4
30
B: Ingebouwd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes (optie)
WAARSCHUWING
01
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd
is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.1
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
1
Zie pagina 16 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
De geïntegreerde kinderzitjes voor de buitenste zitplaatsen van de achterbank van Volvo
zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale
bescherming te bieden. In combinatie met de
aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
– Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
– Haal de klittenband los.
– Klap het bovenste gedeelte weer op.
Zorg dat:
• de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens slap
hangt of verdraaid is;
• de veiligheidsgordel goed over de schouder loopt;
• de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
• de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
• stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig
af op de lengte van het kind.
31
01 Veiligheid
01
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te worden uitgevoerd door een erkende Volvowerkplaats. Voer zelf geen wijzigingen of
aanpassingen uit aan het geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden
vervangen als het erg versleten is.
– Klap het bovenste gedeelte (A) omlaag.
– Bevestig het stuk klittenband (B).
– Klap het geïntegreerde kinderzitje in het
ruggedeelte (C) van de achterbank op.
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïntegreerde kinderzitje met de klittenband (B)
zijn vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
Anders kan het bovenste gedeelte (A) in het
ruggedeelte van de achterbank (C) blijven
steken, wanneer u het geïntegreerde kinderzitje een volgende keer opnieuw uitklapt.
32
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig
door Volvo getest is.
WAARSCHUWING
Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de
ontgrendelingsknop van de gordelsluiting
kunnen aankomen. Dit om te voorkomen
dat de gordels plotseling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de bovenkant tegen de voorruit aankomt.
Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de
bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig
doorleest en nauwkeurig opvolgt.
• Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de
voorstoel in de lengterichting verstelt of aan
veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigen.
• Laat de rugleuning van het kinderzitje tegen
het dashboard steunen. Dit geldt voor auto’s zonder airbag aan de passagierszijde
of auto’s waarvan de airbag gedeactiveerd
is.
01
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes (optie)
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geactiveerde1 airbag aan de passagierszijde. Bij problemen tijdens de montage van
kinderveiligheidsproducten kunt u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlichtingen over de montage.
1Zie
pagina 19 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIXbevestigingssysteem voor kinderzitjes. Neem
contact op met een Volvo-dealer voor meer
informatie over veiligheidsuitrusting voor kinderen.
33
Overzicht auto’s met het stuur links .........................................................36
Overzicht auto’s met het
stuur rechts ..............................................................................................38
Instrumentenpaneel .................................................................................40
Controle- en waarschuwingslampjes .......................................................41
Informatiedisplay ......................................................................................44
Schakelaars op middenconsole ...............................................................45
Verlichtingspaneel ....................................................................................49
Linker stuurhendel ....................................................................................51
Boordcomputer ........................................................................................52
Rechter stuurhendel .................................................................................53
Cruisecontrol (optie) .................................................................................55
Stuurwielafstelling, handrem ....................................................................56
Elektrische aansluiting, aansteker ............................................................57
Elektrisch bedienbare ruiten ....................................................................58
Achteruitkijkspiegel en
buitenspiegels ..........................................................................................61
Elektrisch bedienbaar
schuifdak (optie) ....................................................................................... 65
34
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
36
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
1. Mistlampen
2. Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
3. Mistachterlicht
4. Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
5. Cruisecontrol
6. Claxon
7. Instrumentenpaneel
8. Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
9. Ruitenwissers
10. Handrem (parkeerrem)
11. Schakelaarpaneel
12. Klimaatregeling
13. Audiosysteem
14. Elektrische aansluiting, aansteker
15. Alarmlichten
39. Knop, buitenspiegels
16. Dashboardkastje
17. Blaasmond
40. Actief chassis, FOUR-C (S60 R)
18. Display
19. Temperatuurmeter
20. Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
21. Snelheidsmeter
22. Richtingaanwijzers
23. Toerenteller
24. Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
25. Brandstofmeter
26. Controle- en waarschuwingslampjes
27. Blaasmonden
02
28. Instrumentenverlichting
29. Koplamphoogteregeling
30. Verlichtingspaneel
31. Leeslampjes
32. Interieurverlichting
33. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
34. Gordelwaarschuwing
35. Achteruitkijkspiegel
36. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
37. Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
38. Knop, elektrisch bedienbare ruiten
37
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
38
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
14. Schakelaarpaneel
15. Alarmlichten
16. Dashboardkastje
38. Knop, elektrisch bedienbare ruiten
39. Knop, buitenspiegels
40. Actief chassis, FOUR-C (S60 R)
17. Blaasmond
18. Controle- en waarschuwingslampjes
19. Brandstofmeter
20. Buitentemperatuurmeter, klok, schakelstandindicatie
21. Toerenteller
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1. Mistachterlicht
2. Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
3. Mistlampen
4. Ruitenwissers
5. Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
6.
7.
8.
9.
Claxon
Instrumentenpaneel
Cruisecontrol
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
10. Handrem (parkeerrem)
11. Elektrische aansluiting, aansteker
12. Klimaatregeling
13. Audiosysteem
02
22. Richtingaanwijzers
23. Snelheidsmeter
24. Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
25. Temperatuurmeter
26. Display
27. Blaasmonden
28. Verlichtingspaneel
29. Koplamphoogteregeling
30. Instrumentenverlichting
31. Leeslampjes
32. Interieurverlichting
33. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
34. Gordelwaarschuwing
35. Achteruitkijkspiegel
36. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling alle portieren
37. Blokkeerknop ruitbediening achterportieren
39
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
1. Temperatuurmeter
3. Snelheidsmeter
6. Kilometerteller
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een melding, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het
rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers
voor de radiateurgrille het koelvermogen verminderen bij een hoge buitentemperatuur en
een zware belasting van de motor.
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
auto aan.
De kilometerteller geeft het totale aantal kilometers aan dat er met de auto is gereden.
4. Dagtellers, T1 en T2
7. Groot licht aan/uit
2. Display
Op het display worden informatieve meldingen en waarschuwingsmeldingen weergegeven.
40
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand in honderden meters aan. U kunt de
dagtellers op nul zetten door de knop langer
dan 2 seconden in te drukken. U wisselt van
dagteller door de knop korte tijd in te drukken.
8. Waarschuwingslampje
Als er een storing optreedt, licht het waarschuwingslampje op en verschijnt er een melding op het display.
9. Toerenteller
5. Indicatie voor cruisecontrol
Zie pagina 55.
De toerenteller geeft het motortoerental aan in
duizenden toeren per minuut. Laat de naald
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
van de toerenteller niet tot in het rode gebied
uitslaan.
10. Indicatie voor automatische versnellingsbak
Hier ziet u welk schakelprogramma er wordt
aangehouden. Als u een automatische versnellingsbak met Geartronic hebt en het handmatige schakelprogramma gebruikt, ziet u hier
welke versnelling u hebt ingeschakeld.
11. Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de buitentemperatuur aan. Wanneer de temperatuur in
het interval van –5 °C tot +2 °C ligt, verschijnt
er een sneeuwvlokje op het display. Het symbool wijst op het gevaar voor gladheid. Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd gestaan
heeft, is het mogelijk dat de buitentemperatuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten in stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen vijf seconden aanslaat, gaan alle lampjes uit behalve de lampjes voor
storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem van de auto en een
te lage oliedruk. Afhankelijk van
de uitrusting van de auto is het
mogelijk dat bepaalde lampjes
geen functie hebben.
12. Klok
Draai aan de knop om de klok gelijk te zetten.
13. Brandstofmeter
Er zit nog ongeveer 8 liter brandstof in de
tank, wanneer het lampje op het instrumentenpaneel oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
15. Indicatorlampjes richtingaanwijzers,
links/rechts
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 180).
Waarschuwingslampje midden op
instrumentenpaneel
02
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde
storing.
Rood lampje
– Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
– Lees de informatie op het informatiedisplay.
– Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
41
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Volvo-werkplaats rijden om het ABSsysteem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Oranje lampje
– Lees de melding op het display.
– Verhelp de storing!
02
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 44). Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de displaytekst automatisch.
Wanneer de tekst TIJD VOOR REG. SERVICE verschijnt, doet u het waarschuwingslampje uit en verwijdert u de tekst met behulp
van de knop READ. De tekst verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets doet.
Storing in ABS
Als het lampje brandt, werkt het
systeem niet. Het normale remsysteem van de auto werkt dan
nog wel, zij het zonder ABSregeling.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de motor opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, kunt u
verder rijden. Er was dan geen sprake van
een werkelijke storing.
• Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
42
Als het lampje oplicht, is het remvloeistofpeil mogelijk te laag.
–Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en controleer
het peil in het remvloeistofreservoir.
Als het peil lager is dan het MIN -merkje van
het reservoir, kunt u beter niet verder rijden
met de auto. Laat de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem
te controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, kan er een
storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden.
–Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en zet de
motor af. Start de motor opnieuw.
• Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
• Als de waarschuwingslampjes echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren.
• Als het peil lager is dan het MIN -merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats slepen
om het remsysteem te controleren.
• Als de lampjes echter blijven branden ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil in
orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig
naar de dichtstbijzijnde erkende Volvowerkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd oplichten,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor
de veiligheidsgordels brandt, zolang de bestuurder de gordel niet
heeft omgedaan.
Te lage oliedruk1
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Als het lampje oplicht terwijl
1 Bij
bepaalde motortypes is het lampje voor
een lage oliedruk niet in gebruik! Er verschijnt
in plaats daarvan een displaytekst (zie
pagina 180).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
het oliepeil in orde is, moet u de auto tot stilstand brengen en contact opnemen met een
erkende Volvo-werkplaats.
Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken altijd volledig omhoog.
Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Storing in SRS-systeem
Als het waarschuwingslampje
voor het SRS-systeem oplicht, is
er een storing in het SRS-systeem
geregistreerd. Rijd de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
Stabiliteitssysteem STC/DSTC
De verschillende functies en
lampjes van het systeem staan
beschreven op pagina 126.
02
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrisch
systeem. Breng een bezoek aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor actief is. Wanneer het lampje dooft,
kunt u de motor starten. Geldt alleen voor dieselmodellen.
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert, wanneer u de richtingaanwijzers op
de auto en op de aanhanger gebruikt. Als het lampje niet knippert, is een van de richtingaanwijzers op de
auto of de aanhanger defect.
43
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Displaytekst
02
Wanneer er een controle- of waarschuwingslampje oplicht, verschijnt er tevens een melding op het display. Wanneer u de melding
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. De melding wordt dan van
het display gewist en in een geheugen opgeslagen. De melding blijft in het geheugen opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt
laten verhelpen.
Meldingen die duiden op zeer ernstige storingen kunt u niet van het display wissen. De
meldingen blijven op het display staan, totdat
u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Druk nogmaals op de knop READ om de meldingen weer in het geheugen op te slaan.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
de melding hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken.
Melding
Betekenis
STOP AUTO Z.S.M.
ZET MOTOR UIT
SERVICE SPOED
ZIE HANDLEIDING
SERVICE VEREIST
BIJ ONDERHOUD
TIJD VOOR REG. SERVICE
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Laat de auto onmiddellijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Lees het instructieboekje.
Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken door een erkende Volvo-werkplaats.
Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
Het is tijd voor een servicebeurt bij een erkende Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de
afgelegde afstand, het aantal maanden dat sinds de laatste servicebeurt is verstreken en het aantal
draaiuren van de motor.
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 116).
Er gelden beperkingen voor het stabiliteits- en tractieregelsysteem (zie pagina 125 voor meer
varianten).
ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING
STC/DSTC SPIN CONTROL UIT
44
Meldingen die in het geheugen liggen opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals
doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u
de opgeslagen meldingen wilt bekijken. U
kunt de meldingen doorbladeren door op de
knop READ (A) te drukken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
BLIS (Blind Spot Information System)
(optie)
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Actief chassis, FOUR-C (optie)
Druk op de knop om een van
de chassistanden Comfort
of Sport te kiezen (zie
pagina 127). Op het informatiedisplay verschijnt
10 seconden lang de actuele stand.
Druk op de knop om het
systeem te deactiveren of
opnieuw te activeren Zie
pagina 151 voor meer informatie.
DSTC-systeem1
Met deze knop kunt u de
functies van het DSTCsysteem beperken of een
geldende beperking opheffen.
De led in de knop licht op
om aan te geven dat het DSTC-systeem actief
is (mits er geen sprake is van een storing).
Om de werking van het DSTC-systeem te beperken moet u de knop ten minste een halve
seconde ingedrukt houden.
De led in de knop dooft dan en de melding
DSTC ANTISKID CONTROL UIT verschijnt
op het display.
1
Optie op bepaalde markten. Aparte knop alleen aanwezig op S60 R, bij overige modellen
in boordcomputer.
45
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Het DSTC-systeem wordt iedere keer dat u de
motor start, automatisch geactiveerd. Zie
pagina 126 voor meer informatie.
WAARSCHUWING
02
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC-systeem
uitschakelt.
Elektrische aansluiting/aansteker
(optie)
U kunt de elektrische aansluiting gebruiken verschillende accessoires die op
een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of een koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om een sigaar of sigaret aan te
steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten,
wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
46
Buitenste hoofdsteunen achterbank
omklappen (optie)
Klap de hoofdsteunen niet
om, als er iemand op een
van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit.
–Draai de contactsleutel
naar stand I of II.
– Druk de knop in om de hoofdsteunen van
de achterbank om te klappen en zo een
beter zicht naar achteren te verkrijgen.
U moet de hoofdsteunen na afloop handmatig
weer opklappen.
Als u de beide ruggedeelten van de achterbank wilt omklappen, moeten de hoofdsteunen rechtop staan.
Inklapbare buitenspiegels (optie)
Met deze knop kunt u de
elektrisch bedienbare buitenspiegels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een
van de buitenspiegels per
ongeluk in- of uitgeklapt is:
– Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk naar
voren toe.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Parkeerhulp (optie)
De parkeerhulp is bij het
starten van de motor altijd
ingeschakeld. Druk op de
knop om de parkeerhulp uit
te schakelen/opnieuw in te
schakelen (zie ook
pagina 128).
Kofferdeksel vergrendelen (bepaalde
landen)
Druk op de aangegeven
knop om het kofferdeksel te
vergrendelen. Het kofferdeksel blijft daarna vergrendeld, ook al ontgrendelt
u de portieren handmatig
met de hoofdsleutel, de afstandsbediening daarvan of de servicesleutel.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Safelock-functie en alarmsensoren
deactiveren
Maak gebruik van deze
knop kunt u de Safelockfunctie desgewenst uitschakelen (Safelock houdt in dat
de portieren na vergrendeling niet meer van de binnenzijde te openen zijn). Gebruik deze knop ook om de bewegings- en niveausensoren van het alarmsysteem1 buiten
werking stellen – wanneer u bijvoorbeeld met
de auto een veerverbinding neemt. De led in
de knop brandt, wanneer de functies zijn uitgeschakeld c.q. buiten werking zijn gesteld.
Verstralers (accessoires)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s tegelijk met het groot licht wilt
voeren of als u de verstralers
uit wilt schakelen. De led in
de knop brandt om aan te
geven dat de functie actief
Active Bi-Xenon Lights, ABL (optie)
Actief chassis, FOUR-C (S60 R)
De lichtbundels van de ABLkoplampen draaien met het
stuurwiel mee. De functie
wordt bij het starten van de
motor automatisch geactiveerd en kan met de bijbehorende knop worden uitgeschakeld/ingeschakeld. De led in de knop
brandt, wanneer de functie actief is.
02
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste vijf seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbundel dient de auto stil te staan.
De melding DIMLICHT INST. V. RECHTSR.
VERK. of DIMLICHT INST. V. LINKSR.
VERK. verschijnt op het display. Zie
pagina 144 voor meer informatie over halogeen- of Bi-Xenonkoplampen en het aanpassen van de lichtbundels.
Selecteer een van de chassistanden Comfort,
Sport of Advanced met behulp van de knoppen. Zie pagina 127 voor meer informatie.
is.
1 Optie
47
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Alarmlichten
Elektrisch verwarmde buitenspiegels
en achterruit
Gebruik de elektrische
verwarming om de achterruit en de buitenspiegels snel te ontwasemen en te ontdooien.
02
Wanneer u op de knop
drukt, wordt de verwarming van de achterruit
en de buitenspiegels
geactiveerd. De led in
de knop gaat daarbij
branden.
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het
verkeer kan opleveren. Druk op de knop om
de functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarmlichten verschillen van land tot land.
48
De verwarming wordt na ca. 12 minuten automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Zie pagina 72 of
pagina 75 voor meer informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplampen
sche dimlicht zo nodig in een erkende Volvowerkplaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– U schakelt het dimlicht in door de
verlichtingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te draaien.
– U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 51).
De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de contactsleutel naar stand I
of 0 draait.
Stand
Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsignalen.
Parkeerlicht achter en achterlicht
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en de
grootlichtsignalen.
Automatisch dimlicht (bepaalde
landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de
middelste stand staat. U kunt het automati-
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achterlichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
moetkomend verkeer kunt verblinden. U kunt
dat voorkomen door de koplamphoogte bij te
stellen.
– Draai de contactsleutel naar stand II.
– Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar
een van de eindstanden.
– Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Active Bi-Xenonkoplampen of BiXenonkoplampen1 zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het
duimwiel (3) ontbreekt.
02
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht automatisch gedimd en valt bij donker handmatig te regelen.
– Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tege-
1 Optie.
49
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Mistlichten
Active Bi-Xenon Lights, ABL (optie)
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlichten verschillen van land tot land.
02
2 – Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
– Druk op de knop (2).
Het lampje in de knop (2) brandt, wanneer u
de mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
4 – Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
– Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop (4) branden, wanneer het mistachterlicht
is ingeschakeld.
50
De lichtbundels van de ABL-koplampen
draaien met het stuurwiel mee. De functie
wordt automatisch ingeschakeld bij het starten van de motor en is te activeren/deactiveren met de knop op de middenconsole
(zie pagina 47).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
1. Korte serie knippersignalen, richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Korte serie knippersignalen
– Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uitgangspositie. U kunt de stuurhendel ook
in stand (2) zetten en daarna meteen terugduwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
De korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk beëindigd, als u de richtingaanwijzers
gebruikt om te signaleren dat u een bocht in
de tegenovergestelde richting wilt maken.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel
los.
Grootlichtsignalen
– Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
02
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenverlichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten doen na vergrendeling van de auto. De inschakelduur bedraagt 30 seconden1, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden.
– Neem de sleutel uit het contactslot.
– Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel
los.
– Stap uit de auto en vergrendel het portier.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
– Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 49).
1 Fabrieksinstellingen.
51
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
Boordcomputer (optie)
02
•
•
•
•
•
•
GEMIDDELDE SNELHEID
SNELHEID IN MILES PER HOUR1
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
STC/DSTC, zie pagina 126
Gemiddelde snelheid
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje draait, keert u terug naar de
uitgangspositie.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ (A) te drukken
waarna u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitzet, wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen om als uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van de rit. U
kunt de waarde op nul zetten met een druk op
de knop RESET (C) op de hendel.
Snelheid in miles per hour1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
In het menu voor het actuele brandstofverbruik wordt het brandstofverbruik voortdurend
bijgehouden. Het brandstofverbruik wordt
eenmaal per seconde berekend. De waarde
op het display wordt om de paar seconden
bijgewerkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft
het display “----” aan.
52
1 Bepaalde
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET). Als u het contact uitschakelt,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik opgeslagen. Het blijft bewaard, totdat u de functie op nul stelt. Stel de waarde op nul met de
knop RESET (C).
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Kilometer tot lege tank
Huidig
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende informatie:
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
landen
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius kleiner
is dan 20 km, geeft het display “----” aan.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd
of een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
draait, neemt het aantal wisserslagen per eenheid van tijd toe. Wanneer u de ring (1) linksom
draait, neemt het aantal wisserslagen per eenheid van tijd af.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
Aan/Uit
Als u de regensensor activeert, moet de contactsleutel in stand I of II staan en de hendel
van de ruitenwissers in stand 0.
U activeert u de regensensor door:
op de knop (2) te drukken. De led in de knop
gaat branden om aan te geven dat de regensensor actief is.
02
U schakelt de regensensor op een van de volgende manieren weer uit:
druk op de knop (2) of
BELANGRIJK
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld als de hendel in stand 0
staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
Intervalstand
U kunt de snelheid van de wissers
in de intervalstand bijstellen.
Wanneer u de ring rechtsom
Sproei een royale hoeveelheid ruitensproeiervloeistof op de voorruit wanneer de
ruitenwissers werken. De voorruit moet nat
zijn bij gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met de
ring (1).
Draai de ring rechtsom voor een grotere gevoeligheid en linksom voor een lagere gevoeligheid (de wissers maken een extra slag, als u
de ring rechtsom draait).
haal de hendel omlaag naar een ander wisprogramma.
Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De
wissers maken een extra slag en
keren terug naar de regensensorstand, wanneer u de hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of vijf minuten nadat u het contact hebt
uitgezet.
BELANGRIJK
In automatische wasstraten:
schakel de regensensor uit door op knop (2)
te drukken, terwijl de contactsleutel in stand
I of II staat. De ruitenwissers kunnen anders
in beweging komen en daarbij beschadigd
raken.
53
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitensproeiers
Gereduceerde sproeifunctie
U activeert de ruitensproeiers door de hendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
Wanneer er nog ongeveer één liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden
de koplampen niet langer schoongesproeid.
Dit omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Koplampsproeiers (optie op bepaalde
markten)
02
De koplampsproeiers worden automatisch geactiveerd bij het gebruik van de ruitensproeiers.
De hogedruksproeiers van de koplampen verbruiken een grote hoeveelheid ruitensproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen, worden
de koplampen alleen iedere vijfde keer dat u
de voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van tien minuten).
Wanneer er meer dan tien minuten zijn verstreken sinds de laatste sproeibeurt van de
voorruit, worden ook de koplampen weer gesproeid bij het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer u de hendel naar het
stuurwiel haalt, wordt alleen de voorruit gesproeid.
54
Ruitensproeiers en koplampsproeiers
(S60 R)
U activeert de ruitensproeiers en de koplampsproeiers door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol (optie)
Inschakelen
Snelheid verhogen of verlagen
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in het
geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uitgeschakeld, als:
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
– Gewenste snelheid instellen:
– Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
– Druk lichtjes op + of — om de snelheid
van de auto vast te zetten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger
dan 200 km/h.
– U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of — in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde) op + of — komt overeen met een snelheidswijziging van 1 km/h.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automatisch de ingestelde snelheid weer aan.
02
• u het rempedaal of koppelingspedaal bedient;
• de snelheid heuvelop lager wordt dan 25–
30 km/h;1
• u de keuzehendel in stand N zet;
• als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
• een tijdelijke snelheidsverhoging langer dan
een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen. CRUISE ON verdwijnt van het instrumentenpaneel.
1 Afhankelijk
van het motortype
55
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, handrem
Stuurwielafstelling
Handrem (parkeerrem)
– Als de auto wegrolt dient u de handremhendel strakker aan te trekken.
– Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
02
Draai bij het parkeren op een oplopende helling de wielen van de trottoirband af, als de
neus van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
– Duw de hendel aan de linkerzijde van de
stuurkolom omlaag.
– Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
– Duw de hendel weer in positie terug om
het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit veel moeite kost, kunt u lichte
druk op het stuurwiel aanbrengen terwijl u
de blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel in, voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer
voordat u wegrijdt, of het stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd staat.
56
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Handrem aanzetten
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
– Haal uw voet van het rempedaal en controleer of de auto blijft stilstaan.
Handrem lossen
– Trap het rempedaal stevig in.
– Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting, aansteker
Elektrische aansluiting achterin
Aansteker (optie)
– Druk op de aansteker om deze te activeren.
Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert
de knop automatisch uit. Gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret
mee aan te steken.
02
U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld om 12 V af te nemen. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen moet u het klepje
sluiten, wanneer u de aansluiting niet gebruikt.
57
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Bediening
02
Bestuurdersportier
Met de knoppen op de portieren kunt u de ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te bedienen wanneer de contactsleutel in stand I
of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Zijruit openen:
– Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
– Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in de
achterportieren goed in de gaten, wanneer
u ze met de knoppen op het bestuurdersportier of met de afstandsbediening sluit.
58
Automatische bediening
– Druk een van de bedieningsknoppen (A)
of (B) omlaag of trek er een omhoog en
laat deze vervolgens los. De zijruiten gaan
dan automatisch open of dicht. Als de
zijruiten door iets worden geblokkeerd,
wordt de op- of neergaande beweging van
de zijruiten afgebroken.
WAARSCHUWING
Knoppen elektrisch bedienbare zijruiten. A. Voor
B. Achter
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen.
U kunt de zijruiten op twee manieren openen
en sluiten:
Handmatige bediening
– Druk een van de bedieningsknoppen (A)
of (B) voorzichtig omlaag of trek er één
voorzichtig omhoog. De zijruiten komen
steeds verder omhoog of omlaag zolang u
de knop bedient.
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt door auto de contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet bekneld kunnen raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren blokkeren
Het lampje in de knop is uit
Passagiersstoel, voor
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel
met de knoppen op de portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
N.B.
02
Als de auto beschikt over een elektrisch bedienbaar kinderslot op de achterportieren,
geeft het lampje tevens aan of dit kinderslot
geactiveerd is. De portieren kunnen dan niet
van de binnenzijde worden geopend. Als
het elektrisch bedienbare kinderslot geactiveerd is, verschijnt er een tekst op het display.
Passagiersstoel, voor
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en
elektrisch bedienbaar kinderslot1.
Met de ruitbedieningsknop op het passagiersportier kunt u alleen die ruit bedienen.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
1 Optie.
59
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
02
De zijruiten in de achterportieren zijn met de
knoppen op de achterportieren of met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedienen.
Als het lampje brandt in de knop waarmee u
de elektrische bediening van de achterste zijruiten blokkeert (op het bedieningspaneel op
het bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de
achterportieren alleen vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
U kunt de zijruiten in de achterportieren op dezelfde manier bedienen als de zijruiten in de
voorportieren.
60
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Autodimfunctie (optie)
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie op bepaalde markten)
N.B.
02
Het hendeltje is niet aanwezig op spiegels
met autodimfunctie.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u
verblinden. Zet de spiegel in de dimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropkomend verkeer als hinderlijk ervaart.
Dimfunctie
A. Normale stand
B. Dimstand.
In de linker bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de
auto wijst.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord),
NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld.
61
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw
inschakelen door op het verzonken knopje
aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel
te drukken. Gebruik bijvoorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het knopje ligt ca. 2,5 cm
diep in de spiegel.
02
Juiste magnetische zone instellen
voor kompas
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas werkt alleen naar behoren,
als de juiste zone is geselecteerd.
– Contactstand II.
– Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden
lang ingedrukt (met een recht gebogen
62
paperclip bijvoorbeeld), totdat de tekst
ZONE verschijnt. Het cijfer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
– Druk herhaaldelijk op het knopje totdat het
cijfer van de gewenste magnetische zone
(1 –15) verschijnt. Enkele seconden later
staat de kompasrichting weer op het display, wat aangeeft dat er van zone is
gewisseld.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
Magnetische zones voor kompas
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieurventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magneti-
sche voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
– Breng de auto op een groot en open
terrein tot stilstand en laat de motor lopen.
– Houd het knopje aan de achterzijde van
de achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoorbeeld een paperclip), totdat de tekst
CAL verschijnt (ca. 6 seconden).
– Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Alternatieve kalibratiestap
Rijd op de normale manier weg. De tekst CAL
verdwijnt van het display, wanneer de kalibratie afgerond is.
63
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Buitenspiegels
Buitenspiegels met geheugen (optie)
Water- en vuilafstotende laag (optie)
Als de auto is uitgerust met buitenspiegels
met geheugen, werkt het geheugen synchroon met dat van de bestuurdersstoel (zie
pagina 83).
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels
zijn voorzien van een speciale laag die bij regen voor een beter zicht zorgen.
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en
vuilafstotende laag zijn voorzien van een klein symbool.
Zie pagina 169 voor informatie over het onderhoud
van dergelijke zijruiten en
WAARSCHUWING
02
De spiegel aan de bestuurderszijde is
groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
spiegels.
Geheugenfunctie van
afstandsbediening
De knoppen waarmee u de twee buitenspiegels bedient, vindt u voor op de armleuning
van het bestuurdersportier.
– Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel rechts.
Het lampje in de knop brandt.
– U kunt de stand afstellen met het hendeltje in het midden.
– Druk nogmaals op knop L of R. Het lampje
dooft.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
64
Wanneer u de auto met een van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van
de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie van de spiegels in de afstandsbediening
opgeslagen. De volgende keer dat u de auto
ontgrendelt met dezelfde afstandsbediening
en het bestuurdersportier binnen vijf minuten
na ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in de opgeslagen positie staan.
Gelaagde zijruiten (optie)
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en achterportieren zorgen voor een verbeterde geluidsisolatie van de passagiersruimte en leveren een verhoogde bescherming tegen inbraak op.
Buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 73 of 75).
Verwarm de buitenspiegels:
• als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
• bij hevige regenval of vieze wegen;
• bij beslagen spiegels.
N.B.
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat er daarbij krassen op
het glas kunnen ontstaan en de water- en
vuilafstotende laag beschadigd kan raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Openingsstanden
de knop achteruit in de eindstand (4) en laat
de knop los.
3
1
4
2
5
6
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
• Ventilatiestand, achterkant omhoog
• Schuifstand/comfortstand1, achteruit/vooruit
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
1 In
de comfortstand staat het schuifdak niet
helemaal open om de rijwindgeluiden te beperken.
1.
2.
3.
4.
5.
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
6. Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
– Duw de achterkant van de knop (5) omhoog.
Sluiten:
– Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek
Schuifstand
Automatische bediening
– Trek de knop voorbij het
weerstandspunt (3) in de achterste
eindstand (4) of voorbij het weerstandspunt (2) in de voorste eindstand (1) en laat
hem vervolgens los. Het schuifdak opent
of sluit volledig.
02
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
– Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
Handmatige bediening
Openen:
– Trek de knop achteruit naar het
weerstandspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
– Duw de knop vooruit naar het
weerstandspunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
65
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Zonnescherm
02
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het
schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif
het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
66
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
02
67
Algemene informatie over de klimaatregeling ..........................................70
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C .............................72
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie) .............................................. 74
Luchtverdeling ..........................................................................................77
Standverwarming op
brandstof (optie) ....................................................................................... 78
68
KLIMAATREGELING
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Airconditioning
Storingen opsporen en verhelpen
Zijruiten en schuifdak
De klimaatregeling koelt of verwarmt de lucht
in de passagiersruimte en ontdoet deze van
vocht. De auto is voorzien van een handmatige klimaatregeling met airconditioning (A/C) of
een automatische klimaatregeling (ECC).
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Voor een goede werking van het A/C-systeem
moet u de zijramen en een eventueel schuifdak gesloten houden. Let er tevens op dat u
de afvoerkanalen in de hoedenplank niet mag
afdekken.
03
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, moet u de airconditioning
echter altijd aan laten staan.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen van koudemiddel alleen R134a. Laat
dergelijke werkzaamheden over aan een erkende Volvo-werkplaats.
Auto’s met ECC
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een
normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op gezette tijden vervangt. Informeer bij een erkende Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motorkap en de voorruit).
70
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en om de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte e.d. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag afdekken. Dek de interieurtemperatuursensor
op het bedieningspaneel van de klimaatregeling evenmin af.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/Csysteem tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen
normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/Csysteem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passagiersruimte moet worden afgekoeld en de binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem tot net boven het
vriespunt de lucht voortdurend afkoelt.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
Blaasmonden in dashboard
Blaasmonden in portierstijlen
03
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
A. Open
A. Open
B. Dicht
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
D. Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
– Richt de blaasmonden op de achterste
zijruiten om ze te ontwasemen.
– Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
Bij koud weer: sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te ontwasemen.
71
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Bedieningspaneel
N
O
P
Q
R
03
U
1.
2.
3.
4.
T
A/C, Aan/Uit
Recirculatie
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
5. Elektrisch verwarmde voorstoelen
6. Temperatuur, rechterzijde
7. Temperatuur, linkerzijde
8. Ventilator
Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop (8) uit stand 0 draaien.
72
S
Gebruik het A/C-systeem ook bij lage temperaturen (0–15 °C) om de inkomende lucht van
vocht te ontdoen.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
Temperatuur, links/rechts
Draai aan de knop om de
temperatuur van de binnenkomende lucht te regelen.
Koeling is alleen mogelijk,
wanneer de airconditioning
actief is.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de voorstoel(en) wenst:
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
– Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide leds in de knop(pen) gaan
branden.
– Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de leds in de knop(pen)
gaat branden.
– Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de leds in de
knop(pen) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de
knop te draaien. Als de
draaiknop in stand 0 staat, is
de airconditioning niet ingeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs (zie pagina 47
voor meer informatie over
deze functie).
Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze lucht,
uitlaatgassen en dergelijke
buiten wilt houden. De lucht
in de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht
van buiten de auto aangezogen, wanneer de
functie actief is. Bij gebruik van de recirculatie
(in combinatie met het A/C-systeem) wordt de
lucht in de passagiersruimte bij warm weer
sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem en
een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De led knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
– Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De led gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u
de met stippen gemarkeerde luchtverdelingsstanden
tussen de verschillende symbolen gebruiken om de
luchtverdeling precies af te
stellen.
03
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de stand voor
ontwaseming om de voorruit en de zijruiten snel te
ontwasemen en ontdooien.
Er stroomt dan op hoge snelheid lucht naar de
ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
73
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Bedieningspaneel
2
P
Q
R
S
T
U
03
N
V
NM
NN
NO
NP
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
8. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
9. Stoelverwarming – rechterzijde
10. Stoelverwarming – linkerzijde
11. Temperatuur – rechterzijde
74
V
12. Temperatuur – linkerzijde
13. Ventilator
AUTO
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling automatisch
dusdanig ingesteld dat de
gekozen temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de
verwarming, het A/C-systeem, de Air Quality
Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Ook als u een of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog automa-
tisch geregeld. Alle handmatige instellingen
worden uitgeschakeld, wanneer u de functie
AUTO activeert.
Temperatuur
Met de twee draaiknoppen
kunt u de temperatuur aan
de bestuurderszijde en de
passagierszijde instellen. Let
erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of
koud wordt, wanneer u een hogere of lagere
temperatuur kiest dan de gewenste temperatuur.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de
knop te draaien. In de stand
AUTO wordt de ventilatorsnelheid automatisch geregeld. De eerder
ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan
genegeerd.
N.B.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zo
ver linksom draait dat alleen de oranje led
links boven de knop oplicht, zijn de ventilator en het A/C-systeem uitgeschakeld.
Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs (zie pagina 48
voor meer informatie over
deze functie).
Ontwaseming, voorruit en zijruiten
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijruiten snel
ontwasemen en ontdooien.
De ventilator draait dan op
hoge snelheid en stuurt
lucht naar de ruiten. De led in de ontwase-
mingsknop brandt, wanneer de functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt bovendien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
• de airconditioning (A/C) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de
knop AC);
• de recirculatie wordt automatisch uitgeschakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voorgaande instellingen.
Luchtverdeling
•Lucht naar de ruiten.
•Lucht naar hoofd en
borstkas.
•Lucht naar benen en
voeten.
Druk op AUTO, wanneer
u de automatische luchtverdeling weer wilt activeren.
OFF: De airconditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning ingeschakeld (uit te schakelen met de knop AC).
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de voorstoel(en) wenst:
03
– Eenmaal indrukken: Hoge verwarmingsstand – beide leds in de knop(pen) gaan
branden.
– Nogmaals indrukken: Lage verwarmingsstand – een van de leds in de knop(pen)
gaat branden.
– Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de leds in de
knop(pen) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De
binnenkomende lucht wordt
dan automatisch afgekoeld
en van vocht ontdaan.
75
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC (optie)
Recirculatie
03
De recirculatie kan handmatig worden ingeschakeld, als
u vieze lucht, uitlaatgassen
en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt
geen lucht van buiten de
auto aangezogen, wanneer
de functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
– Druk de knop
langer dan
3 seconden in. De led knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
– Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
76
Druk de knop
nogmaals maar dan langer dan 3 seconden in. De led gaat
5 seconden branden ter bevestiging van uw
keuze.
Interior Air Quality System (optie)
Het Interior Air Quality System bestaat uit een combifilter met Air Quality Sensor.
Het combifilter ontdoet de
binnenkomende lucht van
gassen en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte. De Air Quality Sensor meet de
concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor een verhoogde
concentratie meet, wordt de luchtinlaat afgesloten en wordt de lucht in de passagiersruimte gerecirculeerd.
Wanneer de Air Quality Sensor actief is,
brandt de groene led AUT in de knop
.
Bediening
Druk op
om de Air Quality Sensor
te activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door verschillende malen op de knop
te
drukken.
• De led AUT brandt om aan te geven dat de
Air Quality Sensor actief is.
• Geen van de leds brandt om aan te geven
dat de recirculatiefunctie niet is ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is om voor
verkoeling te zorgen bij warm weer).
• De led MAN brandt om aan te geven dat de
recirculatiefunctie opnieuw ingeschakeld is.
Niet vergeten:
• U de Air Quality Sensor altijd hebt ingeschakeld.
• Er bij koud weer beperkingen voor de recirculatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
• U de Air Quality Sensor uitschakelt, wanneer de ruiten beslaan.
• Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen (zie
pagina 75).
Raadpleeg het serviceprogramma van Volvo
voor het aanbevolen vervangingsinterval voor
het combifilter. In zeer sterk verontreinigde
gebieden is het mogelijk dat u het combifilter
vaker moet vervangen.
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling
Toepassing:
Luchtverdeling
Toepassing:
Lucht via de blaasmonden
voor- en achterin.
Voor een goede koeling
bij warm weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden en uit de
ontwasemingsopeningen
voor de voorruit en de
zijruiten.
Voor verwarming van de
voeten.
Lucht naar de vloer en de
blaasmonden.
Bij zonnig weer en
matige buitentemperaturen.
Lucht naar de ruiten.
In deze stand vindt er geen
luchtrecirculatie plaats. Het
A/C-systeem is altijd
ingeschakeld. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Voor het verwijderen
van ijs en wasem. Laat
de ventilator op hoge
snelheid draaien.
Lucht naar de vloer en de
ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid lucht
uit de blaasmonden.
Voor een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming bij koude
weer. Laat de ventilator
niet te langzaam
draaien.
03
77
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie
len. Bij een buitentemperatuur hoger dan
25 °C vindt er geen activering van de standverwarming plaats. Bij temperaturen van
–10 °C en lager is de maximale bedrijfstijd van
de standverwarming 60 minuten.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
melding met de status van de standverwarming.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, verschijnt er een
melding op het display. Neem in dat geval
contact op met een erkende Volvowerkplaats.
03
WAARSCHUWING
Voordat u de standverwarming kunt programmeren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
• op de knop READ te drukken, of
• het groot licht te activeren, of,
• het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden voor
de standverwarming instellen: TIMER 1 en
TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het
tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de
standverwarming moet worden ingeschakeld
om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen ha-
78
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwarming uit. Gemorste brandstof kan ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
standverwarming uit is. (Als de standverwarming werkt, verschijnt er PARK.VERW
AAN op het display.)
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start activeert,
brandt het oranje waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel. Op het display verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling parkeert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standverwarming krijgt dan voldoende brandstof.
Klok en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) de klok
bijstelt, worden alle timerinstellingen om veiligheidsredenen geannuleerd.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
– Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
– Druk kort op de knop RESET (C), zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
– Ga met de draairing (B) naar het gewenste
tijdstip in uren.
– Druk lichtjes op de knop RESET om toegang te krijgen tot de knipperende minutenaanduiding.
– Ga met de draairing (B) naar het gewenste
tijdstip in minuten.
– Druk lichtjes op de knop RESET om uw
instelling te bevestigen.
– Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u
naar TIMER 2 gaan. U stelt deze timer op dezelfde manier in als TIMER 1.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
– Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat
de timer dat doet:
– Druk op de knop READ (A).
– Ga met behulp van de draairing (B) naar
TIMER PARK.VERW 1 (of 2). De tekst
AAN knippert.
– Druk op de knop RESET (C). De tekst UIT
brandt continu en de standverwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
– Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
– Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies AAN.
De standverwarming zal vervolgens
60 minuten lang blijven werken. De verwarming van het interieur gaat van start, zodra de
koelvloeistof in de motor op temperatuur gekomen is.
Standverwarming meteen uitschakelen
– Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
– Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
– Kies UIT.
Er verschijnt dan tevens een melding op het
display. Bevestig deze melding met de knop
READ (A).
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwarming moet u even lang in de auto rijden als
de verwarming aanstond. Dit om te zorgen
dat de dynamo evenveel energie kan bijladen als de verwarming verbruikt.
03
Extra verwarming (diesel)1
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt. De verwarming wordt
automatisch uitgeschakeld, wanneer het
warm genoeg is of wanneer de motor wordt
afgezet.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de
standverwarming uitgeschakeld.
1 Bepaalde
landen
79
Voorstoelen ..............................................................................................82
Interieurverlichting ....................................................................................84
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ......................................................................................86
Achterbank ...............................................................................................90
Kofferbak ..................................................................................................92
80
INTERIEUR
04
04 Interieur
Voorstoelen
Zithouding
4. Lendensteun wijzigen 2, aan de knop
draaien.
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan
de knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat.
04
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rijhouding.
1. Vooruit/achteruit – de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten – omhoog-/omlaagpompen1.
3. Stoel hoger/lager zetten – omhoog-/omlaagpompen.
1 Niet
alle stoelmodellen zijn voorzien van
hendel (2).
82
Rugleuning voorstoel omklappen
(optie)
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
2 Geldt
stoel.
ook voor een elektrisch bedienbare
– Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
– Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
– Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar voren.
– Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
04 Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
blokkeerd. Wanneer dit het geval is, dient u
het contact uit te schakelen en enige tijd te
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen. U kunt slechts één verstelfunctie
van de stoel tegelijk activeren.
Stoel met geheugenfunctie (optie)
het loslaten van de knop wordt de instelling
van de stoel onmiddellijk beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt
vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer
dat de auto met dezelfde transpondersleutel
wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de vastgelegde positie in.
04
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Tot enige tijd nadat u het portier met de afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer het
contact is ingeschakeld.
Elektrisch bedienbare voorstoel (optie)
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt ge-
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
Knoppen voor geheugenfunctie
WAARSCHUWING
Instelling vastleggen
– Verstel de stoel.
– Houd knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd een van de geheugenknoppen 1 – 3 in-
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de knoppen spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passagiers op de achterbank bekneld kan raken.
gedrukt, totdat de stoel tot stilstand komt. Bij
83
04 Interieur
Interieurverlichting
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
Automatische verlichting
Alle leeslampjes en de interieurverlichting doven 10 minuten nadat u de motor hebt afgezet
automatisch. Uiteraard kunt u de lampjes en
de verlichting ook eerder handmatig uitschakelen.
De interieurverlichting gaat automatisch1
30 seconden lang branden, wanneer:
• u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
• u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft
10 minuten lang branden, wanneer:
04
Leeslampjes achterin
Interieurverlichting voorin en leeslampjes
1. Leeslampje linksvoor
2. Interieurverlichting
3. Leeslampje rechtsvoor
De leeslampjes voorin schakelt u in en uit met
knop (1) of knop (3).
De interieurverlichting schakelt u in en uit door
kort op knop (2) te drukken.
4. Leeslampje linksachter
5. Leeslampje rechtsachter
De leeslampjes achterin schakelt u in en uit
met knop (4) of knop (5).
• er een van de portieren wordt geopend
tenzij u de interieurverlichting hebt uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat uit, wanneer:
• u de motor start;
• u de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de automatische verlichting uitschakelen door knop (2) meer dan 3 seconden ingedrukt te houden. Bij kort indrukken van de
knop schakelt u de automatische verlichting
weer in.
1
84
De functie is afhankelijk van de lichtinval en
wordt alleen geactiveerd wanneer het donker
is.
04 Interieur
Interieurverlichting
De geprogrammeerde inschakelduur
(30 seconden resp. 10 minuten) is te wijzigen
in een Volvo-werkplaats.
Make-upspiegel1
04
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1 Optie
op bepaalde markten.
85
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
86
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
Opbergvak in middenconsole
Zonnebrilvak, bestuurderszijde (optie)
Opbergvak
Parkeerkaarthouder
Bekerhouder (optie)
Dashboardkastje
Opbergvak in middenconsole
Vak in portierpaneel
Bekerhouder in armsteun, achterbank
Opbergvak
Bekerhouder in achterste opbergvak
voor achterbank
04
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
1. Opbergvak achterin
U kunt het achterste opbergvak in de middenconsole gebruiken om cd’s e.d. in op te bergen.
Dit opbergvak is bovendien uit te rusten met
een handset + houder (optie)
2. Voorste opbergvak (voorzien van schuifklepje)
Het voorste opbergvak in de middenconsole
is uit te rusten met het volgende:
• Bekerhouder (optie)
• Asbak (optie)
Druk op de linker knop van de armleuning en
klap het deksel van de middenconsole naar
achteren toe open om bij het opbergvak of de
handset te komen.
Druk op de rechter knop van de armleuning en
klap het bovenste gedeelte van het deksel op
de middenconsole naar achteren toe open om
de bekerhouder te gebruiken. De bekerhouder
en het deksel zijn elk apart te sluiten.
3. 12V-aansluiting
4. Asbak (optie)
87
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in voorste opbergvak
(optie)
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
Bekerhouder in dashboard (optie)
– Duw de bekerhouder naar voren (1), terwijl
u deze aan de achterkant (2) optilt.
– Duw de bekerhouder achteruit (3), in de
uitsparing, onder het schuifklepje.
– Kantel de voorkant van de bekerhouder (4)
omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde volgorde weer aan.
04
• Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
• Duw de bekerhouder na gebruik weer in het
dashboard.
N.B.
Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens
op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren.
88
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Dashboardkastje
Kledinghaak
Flessenhouder achterin (optie)
04
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Doe het volgende om de flessenhouder te gebruiken:
– Klap de houder uit.
– Zet de fles erin.
De flessenhouder is tevens te gebruiken als
afvalbak. Breng van onderaf een afvalzak in de
houder aan en vouw de randen van de zak
om.
N.B.
Er bestaan geen speciale afvalzakken voor
de houder. U kunt gebruik maken van – gewone plastic zakken.
89
04 Interieur
Achterbank
Bekerhouder in armsteun, achterin
(optie)
Hoofdsteunen achterbank
04
Hoogte van hoofdsteun instellen
De middelste hoofdsteun van de achterbank
kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van
de passagier. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun lager
wilt zetten, moet u tegelijkertijd de pal achter
de ene poot indrukken (zie afbeelding).
90
04 Interieur
Achterbank
Ruggedeelte achterbank omklappen
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de motor af en zet de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen, waarna de auto kan gaan rollen.
U kunt de beide ruggedeelten van de achterbank tegelijk of elk apart omklappen. Dit
maakt het vervoer van lange bagage eenvoudiger.
In het rechter ruggedeelte van de achterbank
zit een luik, dat u kunt openen voor het vervoer van lange bagage zoals ski’s of latten. U
opent het luik als volgt:
Ga als volgt te werk om de ruggedeelten van
de achterbank voorover te klappen:
– Klap het linker ruggedeelte en de middenarmsteun naar voren toe om (zie
pagina 91).
– Duw de grendel van het luik omhoog en
klap het luik naar voren toe open.
– Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luik open.
– Controleer eerst of de hoofdsteunen niet
zijn omgeklapt.
– Trek aan de handgrepen in de kofferbak
zoals aangegeven in de figuur.
– Klap de ruggedeelten voorover.
04
91
04 Interieur
Kofferbak
Doorsteekluik
Bij verwijderen
– Verdraai het deksel 30°.
– Trek het recht omhoog.
Houder voor boodschappentassen
(optie)
Bij aanbrengen
– Plaats het deksel in de groeven achter de
bekleding terug.
– Sluit het deksel.
04
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
Geïntegreerd kinderzitje
Het deksel op de armsteun/het geïntegreerde
kinderzitje van de achterbank is niet voorzien
van scharnieren. U moet het deksel dan ook
verwijderen voordat u gebruik maakt van het
doorsteekluik.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïntegreerd kinderzitje, moet u dat eerst uitklappen.
92
Open het luik in de kofferbak. Hang of bind de
boodschappentassen vast met de bagageband.
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto verminderd met dat
van de gemonteerde accessoires.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen inbegrepen.
04 Interieur
Kofferbak
De gemonteerde accessoires zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen.
Het laadvermogen van de auto moet tevens
worden verminderd met het gewicht van het
aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
04
93
Sleutels en afstandsbediening ................................................................. 96
Vergrendelen en ontgrendelen ................................................................. 99
Kinderslot ............................................................................................... 103
Alarm (optie) ........................................................................................... 104
94
SLOTEN EN ALARM
05
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Sleutels
1. Hoofdsleutel
De hoofdsleutel past op alle sloten.
2. Servicesleutel1
De servicesleutel past alleen op het bestuurdersportier en op het contactslot/
stuurslot.
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
servicesleutel geleverd1. Eén hoofdsleutel is
inklapbaar en voorzien van een ingebouwde
afstandsbediening.
N
Verlies van een sleutel
Als u een van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats en alle resterende sleutels van de auto
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten
de codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
05
2
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/sleutels voor één en dezelfde auto worden geprogrammeerd en gebruikt.
1 Alleen
96
bepaalde markten
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
transponderchips. Deze code moet overeenkomen met die van de ontvanger in het contactslot. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1) moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld) bij
het starten van de auto. Anders bestaat het
risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de elektronische startblokkering per ongeluk worden
geactiveerd, zodat de auto niet kan worden
gestart.
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Functies afstandsbediening
N
S
een binnen dezelfde periode van drie seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de
interieurverlichting en de claxon geactiveerd.
O
P
U schakelt de paniekfunctie weer uit met een
druk op een willekeurige knop van de afstandsbediening. Als u niets doet, wordt de
paniekfunctie na 25 seconden automatisch
uitgeschakeld.
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van
ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitgeklapt met een druk op de knop.
Approach-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt:
R
Q
Ontgrendelen
Bij eenmaal indrukken van knop (1) worden
alle portieren, het kofferdeksel en de tankvulklep ontgrendeld.
Kofferdeksel
Bij tweemaal indrukken van knop (2) wordt alleen het kofferdeksel ontgrendeld.
Paniekfunctie
Gebruik de paniekfunctie om in noodgevallen
de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode toets (3) ten minste drie seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achter-
– Druk op de gele knop (4) van uw afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en de verlichting van de
buitenspiegels (optie) lichten vervolgens op.
De lampen blijven 30, 60 of 90 seconden lang
branden. In een erkende Volvo-werkplaats
kunt u een voor u passende inschakelduur laten instellen.
05
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
– Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
97
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening
vervangen
05
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen.
– Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achterkant voorzichtig open te wrikken.
– Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
– Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendringen.
98
– Geef de lege batterij af bij de Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke
wijze wordt verwerkt.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
volgens sluit bestaat het gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels nog in de auto.
Automatische vergrendeling
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen twee minuten na ontgrendeling opent, worden alle sloten automatisch opnieuw vergrendeld. Deze functie beperkt de
kans dat u de auto per ongeluk onvergrendeld
kunt laten staan. Zie pagina 104 voor auto’s
met alarmsysteem.
05
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle zijportieren en het kofferdeksel tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. De
vergrendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan
niet meer te bedienen.1
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Ook als er nog een portier of het kofferdeksel
openstaat is het mogelijk de auto te vergrendelen1. Wanneer u het geopende portier ver1 Geldt
voor bepaalde markten
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier kunt u de automatische vergrendeling activeren of deactiveren.
Bij automatische vergrendeling worden de
portieren automatisch vergrendeld wanneer
de auto een snelheid bereikt van meer dan
7 km/h. De portieren blijven vergrendeld totdat een portier van de binnenzijde worden geopend of alle portieren tegelijkertijd worden
ontgrendeld vanaf het bedieningspaneel.
Automatische vergrendeling activeren/
deactiveren
– De contactsleutel moet in stand I of II
staan.
99
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
– Druk op de knop READ op de linker
stuurhendel om eventuele meldingen op
het informatiedisplay te bevestigen.
– Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding
over de vergrendelingsstatus op het informatiedisplay verschijnt.
De melding AUTOLOCK GEACTIVEERD (automatische vergrendeling tijdens het wegrijden) of AUTOLOCK GEDEACTIVEERD verschijnt op het informatiedisplay.
Van de binnenzijde vergrendelen en
ontgrendelen
Ga als volgt te werk om alleen het kofferdeksel
te ontgrendelen:
– Druk tweemaal op de knop voor ontgrendeling van het kofferdeksel op de afstandsbediening. Het kofferdeksel wordt
daarbij ontgrendeld en gaat een stukje
open.
Als alle portieren zijn vergrendeld wanneer u
het kofferdeksel weer sluit, wordt ook het kofferdeksel automatisch vergrendeld.
05
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en het kofferdeksel gelijktijdig te vergrendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de vergrendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld werd, is deze te ontgrendelen door een
portier met de handgreep te openen.1
1 Geldt
100
Kofferdeksel met afstandsbediening
ontgrendelen/vergrendelen
voor bepaalde markten
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Kofferdeksel ontgrendelen met
hoofdsleutel
Private locking, kofferdeksel
(bepaalde landen)
veerd is. Er verschijnt tevens een tekst op
het display.
Private locking deactiveren
– Draai de hoofdsleutel naar stand II en druk
nogmaals op de knop.
05
In noodgevallen (als de afstandsbediening defect is of als de stroom is weggevallen) kunt u
de hoofdsleutel gebruiken om het kofferdeksel
handmatig te ontgrendelen. U doet dat als
volgt:
– Steek de hoofdsleutel boven of onder in
het kapje dat het slot afdekt.
– Wip het kapje vervolgens naar boven of
beneden toe los.
– Ontgrendel het kofferdeksel met de sleutel.
Deze functie is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem
bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren.
Geef de servicesleutel af zodat het personeel
de auto kan ontgrendelen en erin kan rijden
maar geen toegang heeft tot de kofferbak (of
het dashboardkastje als u dat vergrendeld
hebt met de hoofdsleutel).
Private locking activeren
– Draai de hoofdsleutel naar stand II.
– Druk op de knop. De led in de knop brandt
om aan te geven dat de functie geacti-
101
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Dashboardkastje vergrendelen
Safelock-functie1
U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/ontgrendelen met de hoofdsleutel en dus
niet met de servicesleutel.
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk deactiveren
De Safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening te vergrendelen. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren. De portieren kunnen daarna
niet meer van de binnenzijde worden geopend. De auto kan alleen van de buitenzijde
worden geopend met de sleutel in het bestuurdersportier of via de afstandsbediening.
05
De Safelock-functie treedt 25 seconden na
het sluiten van de portieren in werking.
Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht op een
veerboot), kunt u de Safelock-functie tijdelijk
deactiveren.
– Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
– Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten werking (zie pagina 105).
1 Bepaalde
102
landen
05 Sloten en alarm
Kinderslot
De led in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een melding op het display zolang de sleutel in het
contactslot steekt. De volgende keer dat u het
contact aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd.
Handbediend kinderslot,
achterportieren
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het moment dat de Safelock-functie geactiveerd
is.
Bedieningscilinder kinderslot, rechter
achterportier.
Bedieningscilinder kinderslot, linker
achterportier
De bedieningscilinders van de kindersloten
vindt u achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan. Gebruik een plat
metalen voorwerp zoals een schroevendraaier om de bedieningscilinders te verdraaien en zo de kindersloten in of uit te schakelen.
05
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend (naar buiten toe draaien).
B. Uitgeschakeld kinderslot – de achterportieren kunnen wel van de binnenzijde worden geopend (naar binnen toe draaien).
WAARSCHUWING
Let erop dat de achterpassagiers bij een
ongeluk de achterportieren niet van de binnenzijde kunnen openen, als u het kinderslot hebt geactiveerd.
Houd de vergrendelingsknoppen van de
portieren daarom omhoog tijdens het rijden.
Bij een ongeluk kunnen hulpverleners de
portieren dan van de buitenzijde openen.
103
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Alarm inschakelen
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als:
Druk op de knop LOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat
het alarm is ingeschakeld en dat alle portieren
zijn gesloten. Op bepaalde markten kunt u het
alarm inschakelen met de sleutel of met de
knop op het bestuurdersportier.
•
•
•
•
de motorkap wordt geopend;
het kofferdeksel wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
• er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (op auto’s met een
bewegingsmelder (optie op bepaalde markten));
05
• de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (optie op
bepaalde markten));
• de accukabel wordt losgekoppeld;
• iemand de sirene probeert los te koppelen.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de diode op het
dashboard licht om de twee seconden eenmaal op ter bevestiging dat het alarm volledig is ingeschakeld.
Automatische inschakeling van het
alarm
Als u de portieren of het kofferdeksel niet binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer u de auto via de afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De
auto wordt bovendien vergrendeld. Deze
functie voorkomt dat u de auto onbedoeld
kunt achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automatisch weer ingeschakeld, wanneer het bestuurdersportier werd geopend en gesloten
maar daarna niet werd vergrendeld.
Alarm uitschakelen
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld.
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Als de batterijen in de afstandsbediening leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de
contactsleutel naar stand II te draaien.
Geluidssignalen, alarm
Een sirene met reservebatterij geeft de geluidssignalen voor het alarm af. De geluidssignalen duren telkens 25 seconden.
104
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Lichtsignalen, alarm
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtingaanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter wanneer u het alarm volgens de bovenstaande aanwijzingen eerder uitschakelt.
Alarmsensoren en Safelock-functie
tijdelijk deactiveren
De led in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een melding op het display zolang de sleutel in het contactslot steekt. De
volgende keer dat u het contact aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten Safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina pagina 102).
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats laten
nakijken.
BELANGRIJK
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden.
Controlelampje op dashboard
(bepaalde landen)
Een controlelampje (led) boven op het dashboard geeft de status van het alarmsysteem
aan:
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of gebruik maakt van een veerboot,
kunt u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
1. Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
2. Druk op de knop.
05
• Het lampje brandt niet: Het alarm is uitgeschakeld.
• Het lampje licht eenmaal per twee seconden op nadat de richtingaanwijzers van de
auto een lang lichtsignaal hebben afgegeven: het alarm is ingeschakeld.
• Het lampje knippert snel vanaf het moment
van uitschakelen van het alarm tot het
moment van inschakelen van het contact:
Het alarm is afgegaan.
Als er een storing is opgetreden in het alarmsysteem, verschijnt er een melding op het display.
105
05 Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem testen
05
Test van de bewegingsmelder
– Open alle ruiten.
– Activeer het alarm. De led knippert langzaam om aan te geven dat het alarm op
scherp staat.
– Wacht 30 seconden.
– Test de bewegingsmelder in het passagierscompartiment door bijvoorbeeld een
tas van de stoelzitting te nemen. Het
alarmsysteem moet dan geluids- en knippersignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
– Open een van de portieren. Het alarm
moet vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
– Herhaal deze test voor het andere voorportier.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
106
Motorkap testen
– Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
– Activeer het alarm (blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op
de afstandsbediening).
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van het kofferdeksel
– Activeer het alarm.
– Wacht 30 seconden.
– Ontgrendel het kofferdeksel met behulp
van de sleutel in het bestuurdersportier
zonder een portier te openen.
– Open het kofferdeksel met de handgreep.
Het alarm moet vervolgens geluids- en
lichtsignalen afgeven.
– Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
05 Sloten en alarm
05
107
Algemene informatie .............................................................................. 110
Brandstof tanken .................................................................................... 113
Motor starten ......................................................................................... 115
Handgeschakelde versnellingsbak ......................................................... 118
Automatische versnellingsbak ............................................................... 119
Remsysteem .......................................................................................... 123
Stabiliteits- en tractieregelsysteem ........................................................ 125
Actief chassis, FOUR-C ......................................................................... 127
Parkeerhulp ............................................................................................ 128
Slepen en bergen ................................................................................... 130
Starten met hulpaccu ............................................................................. 132
Rijden met een aanhanger ..................................................................... 133
Trekhaak ................................................................................................. 135
Afneembare trekhaak ............................................................................. 137
Lading op het dak .................................................................................. 142
Lichtbundel aanpassen .......................................................................... 144
BLIS (Blind Spot Information
System), optie ........................................................................................ 149
108
STARTEN EN RIJDEN
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
06
110
• Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u de motor
niet stationair moet laten lopen, maar zo
snel mogelijk moet wegrijden en de motor
licht moet belasten.
• Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
• Laat de auto zo veel mogelijk staan voor de
kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
• Rijd rustig! Vermijd onnodig snel optrekken
en krachtig remmen.
• Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
• Gebruik geen winterbanden op sneeuwvrije
en droge wegen.
• Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
• Open de zijruiten niet onnodig.
Rijd niet met een geopend
kofferdeksel
Wanneer u met het kofferdeksel open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen. Als u echter toch
een stukje met een geopend kofferdeksel
moet rijden, doe dan het volgende:
– Doe alle ruiten dicht.
– Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op
een slipbaan) te testen hoe de auto bij gladheid reageert.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maximumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voorzichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepere waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigenschappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het oversteken van de waterpartij
lichtjes op het rempedaal om te controleren of
de remwerking in orde is. Bij water en vuil op
de remblokken kunnen er vertragingen in de
remwerking optreden.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
Accu niet overmatig belasten
.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een waterpartij niet opnieuw te starten. Sleep de auto uit
de waterpartij.
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contactsleutel niet te lang achtereen in stand II
staan, als u de motor hebt afgezet. Gebruik
liever stand I. Op die manier wordt er minder
stroom afgenomen. De 12V-aansluiting in de
kofferbak levert ook spanning als u de contactsleutel hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
• interieurventilator
• ruitenwissers
• audiosysteem
• stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt afgezet.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De melding blijft op
het display staan, totdat de motor is aangeslagen.
De energiebesparingsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt de belasting van de accu door bijvoorbeeld de interieurventilator lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
06
111
06 Starten en rijden
Algemene informatie
Voorkom oververhitting van de motor
en het koelsysteem
In speciale omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en
het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in
het bijzonder bij warm weer.
Tips om oververhitting in het
koelsysteem te voorkomen
• Houd een lage snelheid aan, wanneer u met
een aanhanger achter de auto een lange,
steile helling oprijdt.
• Schakel van tijd tot tijd de airconditioning
uit.
• Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
06
• Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen.
• Verwijder verstralers die voor de grille zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (dieselmotor: 3500 omw/min),
wanneer u met een aanhanger of caravan achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de olietemperatuur te hoog oplopen.
112
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep openen
Tankdop
Benzine tanken
Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank
ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u een of meer
klikken hoort.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlopen.
Voeg nooit op eigen initiatief reinigende additieven (dopes) aan de benzine toe zonder
het uitdrukkelijke advies van een Volvowerkplaats.
WAARSCHUWING
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen
aan de binnenzijde van de tankvulklep.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brandstofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de katalysator beschadigd raakt.
Dieselolie tanken
06
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat tot
startproblemen kan leiden. Zorg er daarom
voor dat u tijdens de wintermaanden speciale
winterbrandstof gebruikt.
113
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
Tankvulklep handmatig openen
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep
wellicht handmatig openen.
06
In de rechter zijwand van de kofferbak zit een
afneembaar luikje. Verwijder het, steek uw
hand door de opening en zoek de elektrische
vergrendeling van de tankvulklep op – deze zit
ter hoogte van de achterkant van de tankvulklep. Trek de pal recht naar achteren.
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom langzaam en voorzichtig.
114
06 Starten en rijden
Motor starten
Voordat de motor wordt gestart
– Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
– Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand
en houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt. Dit is met name van belang bij strenge
vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat
het motortoerental merkbaar hoger ligt dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelijkertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld op
pagina 96) bij het starten van de auto. Anders bestaat het risico dat de startblokkering in werking treedt en de motor niet kan
worden gestart.
Motor starten
Benzine
Draai de contactsleutel naar de startstand.
Als de motor niet binnen 5 tot 10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een
nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Een controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden om aan te geven dat de
motor wordt voorverwarmd.
Draai de sleutel naar de rijstand, wanneer het
controlelampje uitgaat.
06
115
06 Starten en rijden
Motor starten
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben bereikt.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregenereerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot
20 minuten. Gedurende deze tijd kan het
brandstofverbruik ietwat stijgen.
Regeneratie bij koud weer
06
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
bereikt de motor de normale bedrijfstemperatuur niet. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING op het display van het instrumentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met
de auto op een secundaire weg of op een
snelweg te rijden totdat de motor voldoende
116
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u
nog ca. 20 minuten verder. Tijdens de regeneratie levert de motor van de auto iets minder
vermogen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwarming
(optie) inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld
is, kan het onbruikbaar worden. De motor
start dan moeilijk en de kans bestaat dat het
filter moet worden vervangen.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan
de elektronische startblokkering per ongeluk
worden geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u
de andere sleutels van de sleutelbos halen en
de motor opnieuw starten.
Laat de motor meteen na een koude start
nooit op te hoge toeren draaien! Neem contact op met een Volvo-werkplaats, als de motor niet aanslaat of overslaat.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rijden of slepen uit het contactslot! Schakel
nooit tijdens het rijden het contact uit (sleutel in stand 0) en neem de contactsleutel
evenmin uit het contactslot. U loopt dan het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waarbij de auto onbestuurbaar wordt.
06 Starten en rijden
Motor starten
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Radiostand
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem kunnen worden ingeschakeld.
Het elektrisch systeem van
de motor is echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contactsleutel tijdens het rijden
staat. Het complete elektrisch systeem van de auto
is ingeschakeld.
dat de stand van de voorwielen voor spanningen in het stuurslot zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om, terwijl u het stuurwiel
heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans
op diefstal.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging1
Wanneer de auto is uitgerust met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging, is de auto gemakkelijker te besturen op lage snelheden zodat bijvoorbeeld het parkeren minder moeite
kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter gevoel met de weg krijgt.
06
III – Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug in de rijstand. Als het u moeite kost
om de sleutel om te draaien, is het mogelijk
1 Optie
117
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
06
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling
Schakelstanden, zesversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na
het schakelen weer van het koppelingspedaal
af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
118
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de neutraalstand zetten (tussen de 3e en 4e versnelling in). Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingspook niet
rechtstreeks vanuit de stand voor de 5e versnelling in die voor de achteruitversnelling zetten.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Beveiligingssystemen
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot
van uitlaatgassen te beperken schakelt de
versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveiligingssystemen:
Mechanische keuzehendelblokkering
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger toerental op dan normaal. Zo komt de katalysator
sneller op temperatuur met minder uitstoot
van uitlaatgassen.
Parkeerstand (stand P)
Adaptief systeem
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsysteem dat voortdurend “leert” hoe de versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert de manier waarop de versnellingsbak
schakelt, zodat er in elke situatie optimaal
wordt geschakeld.
Lock-upfunctie
Stilstaande auto met draaiende motor:
– Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal ingedrukt zijn.
Neutraalstand (stand N)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen halen moet de contactsleutel in stand I of II
staan en het rempedaal worden bediend.
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten, moet u een blokkering opheffen door op
de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
06
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
verschillende schakelstanden.
De versnellingen zijn voorzien van lock-up (geblokkeerde versnellingen) om beter op de motor te kunnen afremmen en het brandstofverbruik te verlagen.
119
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
N – Neutraalstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan,
wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel
in stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
4 – Versnellingsstand
P – Parkeerstand
06
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Zet de keuzehendel alleen in stand P, wanneer de auto stilstaat.
120
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e, 3e en 4e versnelling. Er
wordt niet opgeschakeld naar de 5e versnelling.
Stand 4 leent zich voor:
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek na het parkeren altijd de
handrem aan!
• het rijden in de bergen;
• het rijden met een aanhanger;
• een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
R – Achteruitrijstand
3 – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel alleen wanneer de auto
stilstaat in stand R.
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e en 3e versnelling. Er wordt
niet opgeschakeld naar de 4e versnelling.
Stand 3 leent zich voor:
• het rijden in de bergen;
• het rijden met een aanhanger;
• een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
L – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand L, als u in de 1e
of 2e versnelling wilt rijden. Bij het rijden in de
bergen is de motorrem het krachtigst met de
keuzehendel in stand L.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Geartronic1
gen, zodat er met enige vertraging wordt opgeschakeld.
Handmatige schakelstanden,
Geartronic
Op de S60 R met Geartronic zit een knop met
het opschrift S bij de keuzehendel in plaats
van de knop W. Met deze knop S schakelt u
het sportprogramma van de versnellingsbak in
of uit. Een brandende led in de knop geeft aan
dat het programma actief is.
Het sportprogramma levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere
toeren te maken in de versnellingen. De motor
reageert bovendien sneller op de commando’s die u met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van het sportprogramma wordt tevens
de voorkeur gegeven aan de lagere versnellin1
Geartronic behoort tot de standaarduitrusting
van de S60 R.
Als u vanuit de automatische schakelstand D
wilt overgaan op de handmatige schakelstand, moet u de hendel naar links halen. Om
vanuit stand MAN over te gaan op de automatische schakelstand D moet u de hendel naar
rechts in stand D zetten.
De versnellingsbak schakelt alleen automatisch terug, als u uw snelheid drastisch verlaagt.
Als u de keuzehendel naar de – (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug terwijl er op de motor afgeremd wordt. Als u de keuzehendel naar de
+ (plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak
een versnelling op.
06
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u een andere versnelling kiest.
121
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
W – Winterprogramma
Met de knop W1 bij de keuzehendel schakelt u het
winterprogramma W in of
uit. Bij inschakeling van het
winterprogramma licht het
lampje W op het instrumentenpaneel op.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling als wegrijversnelling om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen. In het winterprogramma worden de lagere versnellingen alleen bij kick-down ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selecteren met de keuzehendel in stand D.
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kick-down.
Wanneer de maximale snelheid voor de ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer u
het gaspedaal uit de kick-downstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kick-down om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
2
U kunt de kick-down niet gebruiken zolang
de keuzehendel in een van de handmatige
schakelstanden staat. Zet de keuzehendel in
dat geval eerst terug in de automatische
schakelstand D.
06
1 Op
122
Kick-down
de S60 R met Geartronic zit de knop S.
2 Geldt
alleen voor Geartronic.
Vierwielaandrijving, AWD
(All Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en
achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06 Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitgeschakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
stug aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de remblokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de remkringen optreedt, is remmen nog
steeds mogelijk. U moet het rempedaal echter
verder intrappen en het pedaal kan minder
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u
niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandigheden vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik dezelfde versnelling die u zou gebruiken wanneer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de
rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock Braking System) is ontworpen om te
voorkomen dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan tijdens het remmen een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de
auto beter bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld
obstakels te kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert de totale remcapaciteit niet.
Als bestuurder hebt u echter wel meer controle over de besturing van de auto, wat voor
meer veiligheid zorgt.
06
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest
van start die te horen en te voelen is. Wanneer
123
06 Starten en rijden
Remsysteem
het ABS-systeem actief is, treden er merkbare
pulsaties in het rempedaal op. Dit is volkomen
normaal.
N.B.
Om het ABS-systeem optimaal te benutten
moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen.
Haal uw voet niet van het rempedaal, wanneer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt.
Aarzel niet om onder gecontroleerde omstandigheden (zoals op een slipbaan) te testen hoe het ABS-systeem werkt.
Het ABS-lampje licht op en blijft continu
branden:
06
• gedurende twee seconden tijdens de start
om het systeem te controleren;
• als het ABS-systeem uitgeschakeld is door
een storing.
124
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd oplichten, kan er een storing zijn opgetreden in
het remsysteem. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem
te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Distribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt de remkracht op de achterwielen altijd
dusdanig af dat de maximale remwerking
wordt verkregen. Wanneer het systeem de
remkracht afregelt, treden er merkbare pulsaties in het rempedaal op.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake Assistance) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet afremmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief
en kan om veiligheidsredenen niet buiten werking worden gesteld.
Wanneer het EBA-systeem geactiveerd wordt,
zakt het rempedaal omlaag en kunt u het
maximale remvermogen van de auto afnemen.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal. Het
EBA-systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u
de druk van het rempedaal haalt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan normaal. Bedien het rempedaal (houd het ingedrukt) zolang dat nodig is. Zodra u het
rempedaal loslaat, worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
Algemene informatie
Antislipregeling
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Bij het geven van gas kan de auto
bovendien langzamer dan verwacht optrekken.
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbehorende regelingen van de verschillende systemen aangegeven.
Functie/systeem
STC
DSTC1
Antislipregeling
X
Antispinregeling
X
X
Tractieregeling
X
X
1Optie op bepaalde markten. Standaarduitrusting op de S60 R.
Beperkte functie
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend
aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet
slipt.
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en
u gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden.
06
De aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt verbeterd, omdat er dan geen beperkingen meer gelden voor de te geven hoeveelheid gas.
Bediening
– Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
STC/ DSTC verschijnt.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
125
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem
DSTC SPIN CONTROL UIT1 betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
de regeling door een storing werd uitgeschakeld.
– Houd RESET (2) ingedrukt totdat het
menu STC/ DSTC zich wijzigt.
Het lampje
brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het systeem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u motor
start opnieuw verschijnt, rijd de auto dan naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijeigenschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
N.B.
AAN1 verschijnt iedere
DSTC
keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
06
1
Geldt niet voor de S60 R.
Meldingen op informatiedisplay
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT betekent dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge remtemperatuur.
Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer voldoende zijn afgekoeld.
1
126
Bij de S60 R verschijnt DSTC ANTI-SKID UIT.
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje voor STC/DSTC
Wat het lampje aangeeft hangt af
van de manier waarop het brandt.
Het lampje licht op om na ca. twee seconden weer te doven
– Geeft aan dat de systeemtest bij het starten van de motor loopt.
Het lampje knippert
– Geeft aan het systeem actief is.
Het lampje brandt continu
De melding ANTI-SKID SERVICE VEREIST
staat ondertussen op het display.
Bij een storingsmelding voor het STC/DSTCsysteem:
– Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
– Start de auto opnieuw.
• Als het waarschuwingslampje dooft, was er
geen sprake van een werkelijke storing. U
hoeft dan geen bezoek aan een werkplaats
te brengen.
• Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Het lampje brandt continu
DSTC SPIN CONTROL UIT staat ondertussen op het display.
– Herinnert u eraan dat er beperkingen gelden voor het STC/DSTC-systeem.
Waarschuwingslampje
Het oranje lampje brandt
continu.
De melding
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT staat
ondertussen op het display.
• Geeft aan dat de functie van de regeling
tijdelijk beperkt is wegens een te hoge
remtemperatuur.
• De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur
weer normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere wegligging. Dit mag echter voor u geen reden
zijn om sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten
en op gladde wegen.
06 Starten en rijden
Actief chassis, FOUR-C
Actief chassis, FOUR-C1
Knop voor FOUR-C op middenconsole (geldt niet voor
de S60 R)
De auto is uitgerust met een
zeer geavanceerd actief
chassissysteem – FOUR C
(Continuously Controlled
Chassis Concept) – dat elektronisch gestuurd
is. Het systeem werkt op basis van enkele
sensoren die continu de bewegingen en reacties van de auto in de gaten houden, zoals de
verticale en zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert gegevens afkomstig van de sensoren en regelt
zo nodig de schokdemperinstellingen tot
500 keer per seconde bij. Dit levert een uitermate snelle en nauwkeurige afregeling van elk
van de schokdempers op. Dit verklaart de verschillen in de chassiseigenschappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te
passen, wanneer er wijzigingen in het wegdek
op treden of als u van rijstijl verandert. Deze
aanpassing neemt slechts enkele milliseconden in beslag.
1 Optie
op bepaalde markten. Standaarduitrusting op de S60 R.
Het effect van het gebruik van het gaspedaal
hangt af van de geselecteerde chassistand
(geldt alleen voor R-modellen).
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het
chassis dusdanig afgestemd, dat de carrosserie niets van de oneffenheden in het wegdek
merkt zodat de auto als het ware over de weg
zweeft. De schokdemping is soepeler dan
normaal, waardoor de bewegingen van de
carrosserie minimaal zijn. Deze stand wordt
aanbevolen tijdens lange ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op
de bewegingen van het stuurwiel dan in de
stand Comfort. De vering is stugger en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle
bochtenwerk de mate van overhellen te beperken. De auto doet sportiever aan.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Sport, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aangehouden.
Knop voor FOUR-C ( S60 R)
Advanced2
In de stand Advanced zijn de bewegingen
van de schokdempers minimaal en geoptimaliseerd voor maximale grip en minimale overhelling in bochten. De auto reageert sneller op
het bijgeven van gas en de automatische versnellingsbak hanteert een sportiever schakelpatroon. U wordt geadviseerd deze stand alleen te activeren op zeer rechte en vlakke wegen.
06
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Advanced, zal de volgende keer dat u
het contact aanzet de stand Sport worden
aangehouden.
2
Geldt alleen voor de S60 R.
127
06 Starten en rijden
Parkeerhulp
Algemene informatie1
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. Daarbij gaat de
led branden in de knop voor parkeerhulp op
het schakelaarpaneel. Op het display verschijnt de melding PARK ASSIST ACTIVE, als
u de achteruitversnelling inschakelt of als de
voorste sensoren een obstakel registreren.
De parkeerhulp is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het systeem gedeactiveerd. Het systeem wordt opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Parkeerhulp voor- en achterzijde
06
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten. Wanneer er obstakels
in de dode hoeken van de sensoren zitten,
zal het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
1 Afhankelijk
van de markt is parkeerhulp een
standaardfunctie, optie of accessoire.
128
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, des te sneller volgen de geluidssignalen elkaar op. Wanneer u ondertussen
naar het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand liggen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan
linker- en rechterzijde.
achteruitversnelling. De geluidssignalen komen uit de luidspreker achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager
op de trekhaak moet u het systeem uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de sensoren
op de aanhanger of fietsdrager.
De parkeerhulp aan de achterzijde wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger achter de auto hebt hangen die met
een originele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp voorzijde2
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luidspreker voorin.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combineren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het oranje waarschuwingslampje brandt en de melding
PARK.HULP SERVICE VEREIST op
het display staat, is de parkeerhulp
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter de auto. De parkeerhulp aan de achterzijde
wordt geactiveerd bij het inschakelen van de
defect.
2 Op
voorwaarde dat er aan voor- en achterzijde
sensoren voor parkeerhulp zijn aangebracht.
06 Starten en rijden
Parkeerhulp
WAARSCHUWING
Activeren/deactiveren
Sensoren schoonmaken
Door bepaalde geluidsbronnen kan het systeem ten onrechte waarschuwingssignalen
afgeven. Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte
banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen
en uitlaten van motorfietsen. Sneeuw en ijs
op de sensoren kunnen ook ten onrechte
aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
Sensoren voor parkeerhulp
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna de led
in de knop dooft. De parkeerhulp is weer actief, wanneer u nogmaals op de knop drukt en
de led brandt.
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt met
water en autoshampoo.
06
129
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor niet aan te slepen
Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert
te slepen, kan de katalysator beschadigd raken. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de
accu leeg is, moet u een opgeladen hulpaccu
gebruiken.
• De maximaal toelaatbare afstand bedraagt
80 km.
• U kunt de motor niet op gang trekken. Zie
de volgende pagina voor “Starten met hulpaccu”.
Sleepoog monteren
Sleepoog, achter
Als de auto gesleept moet worden
06
• Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I
staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
• Let erop dat u de maximaal toegestane
snelheid aanhoudt.
• Let erop dat de rem- en stuurbekrachtiging
niet werken, als u de motor hebt afgezet. U
moet ongeveer vijfmaal harder op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk
zwaarder dan normaal.
• Rijd rustig.
• Houd de sleepkabel gespannen om schokkende bewegingen te voorkomen.
Modellen met een automatische
versnellingsbak
• Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
• De maximaal toelaatbare snelheid voor auto’s met een automatische versnellingsbak
bedraagt 80 km/h.
130
Sleepoog, achter
A. Haal de onderkant van het afdekkapje1
voorzichtig los met bijvoorbeeld een muntstuk.
Sleepoog, voor
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de kofferbak. Schroef het sleepoog op zijn
plaats voor het slepen. De aansluitingen en afdekkapjes voor het sleepoog bevinden zich
aan de rechterzijde van de voor- en achterbumpers.
B. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
Om het sleepoog in de achterbumper te bevestigen moet u eerst de kunststof bout uit
de console voor het achterste sleepoog verwijderen. Gebruik de wielmoersleutel uit de
1 De
opening in het afdekkapje kan variëren.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
gereedschapsset om de kunststof bout los
te halen. Draai de kunststof bout na gebruik
van het sleepoog weer vast.
N.B.
Wanneer de afneembare trekhaak gemonteerd is, kunt u het sleepoog niet aanbrengen in de achterste bevestiging. Bevestig
de sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
Om die reden wordt geadviseerd de afneembare trekhaak in de auto te bewaren
wanneer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden moet u professionele hulp inroepen.
06
131
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
06
Als de accu om wat voor reden dan ook ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse reserveaccu of van een accu in een andere auto
om op die manier de motor te starten. Controleer altijd of de accuklemmen goed vastzitten,
zodat ze geen vonken trekken tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren
wij u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op
te volgen:
– Draai de contactsleutel naar stand 0.
– Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 V levert.
– Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
132
– Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode aansluiting in de motorruimte van uw auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
– Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
– Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het hijsoog van de motor (4–).
– Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
– Start de motor van de auto met de lege
accu.
– Verwijder de kabels in omgekeerde volgorde.
N.B.
Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt
of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op met
een arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
De trekhaak van de auto moet goedgekeurd
zijn. De Volvo-dealer kan u informeren over de
mogelijke trekhaken.
• Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig dat de druk op de trekhaak de maximale kogeldruk niet overschrijdt.
• Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting. Raadpleeg de bandenspanningstabel.
• Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet
de kogel1 en alle bewegende delen in om
onnodige slijtage te voorkomen.
• Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is! Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
• Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
• Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken. Bij oververhitting slaat de temperatuurmeter in het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uit. Breng de auto dan tot stilstand en laat
de motor enkele minuten afkoelen.
• Bij oververhitting schakelt de airconditioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
• Bij oververhitting schakelt de versnellingsbak een ingebouwde beschermingsfunctie
in. Zie de displaytekst.
• Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
• Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in bepaalde landen een hogere snelheid toe.
• Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automatische versnellingsbak) of schakel een versnelling in (handgeschakelde
versnellingsbak). Gebruik wielblokken bij
het parkeren op steile hellingen.
• Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingspercentages van meer dan 12 %. Bij hellingspercentages van meer dan 15 % ontraden
wij het gebruik van een aanhanger.
Aanhangergewichten
Zie pagina 243 voor de toelaatbare aanhangergewichten.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuurbaar worden tijdens uitwijk- en remmanoeuvres.
06
1 Geldt
niet voor de kogel bij gebruik van een
aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
133
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger, automatische versnellingsbak
• Trek bij het parkeren op hellingen eerst de
handrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand
en haal de auto vervolgens van de handrem.
• Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
lage versnellingsstand. Zo voorkomt u dat
de automatische versnellingsbak opschakelt. De versnellingsbakolie wordt dan minder warm.
• Als uw auto is uitgerust met een Geartronic-versnellingsbak, moet u geen hogere
handmatige versnelling inschakelen dan de
motor “aankan”. Rijden in hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
06
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitgerust met een oliekoeler voor de automatische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak monteert.
134
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is volkomen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven toe bijgesteld.
06 Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
N.B.
Aanhangerkabel
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los. Bewaar het in de kofferbak.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment
zorgvuldig worden opgevolgd (zie
pagina 137).
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen van
kleur is.
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig. Gebruik een door Volvo goedgekeurde adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06
135
06 Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
Afmetingen voor bevestigingspunten
(mm)
06
A
Vaste trekhaak in standaarduitvoering
C
D
E
F
G
83
1058
305
Vaste trekhaak met Nivomat
91
Afneembare trekhaak in standaarduitvoering
94
Afneembare trekhaak met Nivomat
136
B
1083
542
122
1069
50
316
100
1
Langsligger
2
Middelpunt kogel
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment monteren
– Verwijder de beschermkap.
– Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
– Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06
137
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
06
138
– Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
– Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
N.B.
Controleer of het kogelsegment vastzit door
het omhoog, omlaag en naar achteren te
trekken. Als het kogelsegment niet goed zit,
moet u het verwijderen en het opnieuw
monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B.
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging van de trekhaak worden
vastgemaakt.
06
139
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
Kogelsegment verwijderen
– Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06
140
– Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
– Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de
knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak
– Duw de beschermkap erop.
06
141
06 Starten en rijden
Lading op het dak
Algemene informatie
Gebruik van lastdragers (accessoire)
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d.
alsmede van het totaalgewicht van de inzittenden en kogeldruk. Het laadvermogen van de
auto moet tevens worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden. Zie
pagina 243 voor informatie over de toelaatbare gewichten.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
06
WAARSCHUWING
Om schade aan de auto te voorkomen en op
een veilige manier lading op het dak te kunnen
vervoeren, adviseren wij u alleen gebruik te
maken van de lastdragers die Volvo speciaal
voor uw auto ontwikkeld heeft.
• Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
• Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de lading niet
diagonaal op de lastdragers. Zorg dat u de
zwaarste voorwerpen onderop legt.
• Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
142
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
• Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de lading toeneemt.
• Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
• Verwijder de lastdragers, wanneer u ze niet
hoeft te gebruiken. U verlaagt op die manier de luchtweerstand en daarmee ook het
brandstofverbruik.
De maximale dakbelasting bedraagt 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak verschuift het zwaartepunt en treden er wijzigingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
06 Starten en rijden
Lading op het dak
Lastdrager monteren
– Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de geleidegaten vallen.
– Draai de lastdrager vast.
– Controleer of de haak goed vastgrijpt in de
dakbevestiging.
– Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
– Klap de dekkap omlaag.
– Controleer of de dakreling stevig vastzit.
N.B.
Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
– Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
aanbrengt (zie de aanduiding op de sticker
onder de dekkap).
– Zorg dat de paspennen in de
geleidegaten (1) vallen.
– Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
– Draai de draaiknop enkele slagen losser.
– Duw de knop in de richting van de dakbevestiging en zorg dat de haak in de dakbevestiging onder de dekstrip vasthaakt.
– Draai de lastdrager vast.
06
143
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
referentiematen (X) dienen om de afstand te
herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek van
de afplaktape die aangegeven is met een pijl.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog eens
op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende
wordt afgedekt.
Zie pagina 47 voor het aanpassen van de
lichtbundel van de Active Bi-Xenon Lights
(ABL).
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
06
U kunt de lichtbundel van de koplampen aanpassen om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over en
knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de randen
van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte van de stip (5) in het koplampglas. De
144
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Halogeenkoplampen
Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Model met het stuur links
Model met het stuur rechts
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen
Referentiematen
Mal 1. (3) = 70 mm, (4) = 40 mm.
Mal 3. (1) = 55 mm, (2) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 13 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 17 mm.
Mal 2. (6) = 55 mm, (7) = 40 mm
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 18 mm.
Mal 4. (6) = 70 mm, (7) = 39 mm.
06
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 14 mm.
145
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
xx
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links
06
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts
146
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Bi-Xenonkoplampen
Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Model met het stuur links
Model met het stuur rechts
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen
Referentiematen
Mal 1. (3) = 56 mm, (4) = 43 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Mal 2. (6) = 56 mm, (7) = 42 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 6 mm.
Mal 3. (1) = 56 mm, (2) = 42 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Mal 4. (6) = 56 mm, (7) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 0 mm.
06
147
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links
06
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts
148
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System), optie
N.B.
B
A
1 – BLIS-camera, 2 – Controlelampje,
3 – BLIS-symbool
Dode hoeken die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m)
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een voertuig
in de zogeheten dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
WAARSCHUWING
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden. De
bestuurder is er verantwoordelijk voor dat
er op een veilige manier van rijstrook wordt
gewisseld.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek. De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waargenomen in de dode hoek, gaat er een controlelampje op het portierpaneel (2) branden. Het
lampje brandt continu om de bestuurder te attenderen op het voertuig in de dode hoek.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden.
BLIS is eveneens voorzien van een geïntegreerde functie die de bestuurder waarschuwt
bij fouten in het systeem. Als de camera’s van
het systeem bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het controlelampje voor BLIS en verschijnt er een melding op het display van het
instrumentenpaneel (zie de tabel op
pagina 151). Controleer de cameralenzen in
dat geval en maak ze zo nodig schoon. U kunt
het systeem tijdelijk uitschakelen met een
druk op de knop BLIS (zie pagina 151).
06
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
149
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System), optie
Wanneer u wordt ingehaald
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan
het zicht ontnemen op andere voertuigen
op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe
leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen.
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
06
Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen. Het systeem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motorfietsen waar te nemen.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de koplampen van omringende voertuigen. Als een
voertuig de koplampen niet heeft ontstoken,
zal het systeem dit voertuig niet kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoorbeeld niet reageert op een aanhanger achter
150
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervinden van de aanwezigheid van felle lichtbronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of voertuigverlichting) bij ritten in het donker. Het systeem kan uit de afwezigheid van licht ten
onrechte opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het informatiepaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is
het mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie de informatie op de
volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
De BLIS-camera’s kennen dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij
hevige sneeuwval en dichte mist.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de cameralenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om
krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
ze nodig sneeuw van de lenzen af.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System), optie
BLIS deactiveren en heractiveren
• BLIS wordt automatisch geactiveerd, wanneer u het contact aanzet. De controlelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op bij het aanzetten van het contact.
• U kunt het systeem deactiveren door op de
knop BLIS te drukken die op het schakelaarpaneel van de middenconsole zit (zie
bovenstaande afbeelding). De led in de
knop dooft, wanneer het systeem uitgeschakeld is. Er verschijnt bovendien een
displaytekst op het instrumentenpaneel.
• U kunt BLIS heractiveren door nogmaals op
de knop te drukken. De led in de knop licht
vervolgens op, er verschijnt een nieuwe
tekst op het display en de controlelampjes
op de portierpanelen lichten driemaal op.
Druk op de knop READ (zie pagina 44) om
de melding te laten verdwijnen.
Systeemmeldingen BLIS
Systeemstatus
Displaytekst
BLIS buiten werking
BLINDEHOEKSYST.
SERVICE VEREIST
Rechter camera
afgedekt
BLINDEHOEKSYST. R
CAMERA GEBLOK.
Linker camera
afgedekt
BLINDEHOEKSYST. L
CAMERA GEBLOK.
Beide camera’s
afgedekt
BLINDEHOEKSYST.
CAMERA’S
GEBLOK.
BLIS uitgeschakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM UIT
BLIS ingeschakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM AAN
Beperkte BLISfunctie
BLINDEHOEKSYST.
FUNCTIE BEPERKT
06
De meldingen verschijnen alleen, als de contactsleutel in stand II staat (of als de motor
loopt) en BLIS actief is (de bestuurder heeft
het systeem niet gedeactiveerd).
151
Algemene informatie .............................................................................. 154
Bandenspanning .................................................................................... 157
Gevarendriehoek en reservewiel ............................................................ 159
Bandenspanningscontrolesysteem ........................................................ 161
Wielen verwisselen ................................................................................. 163
152
WIELEN EN BANDEN
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
Snelheidsaanduidingen
Nieuwe banden
De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel spijkerbanden als banden zonder spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden mag u niet sneller
rijden dan de maximumsnelheid die voor het
gebruikte bandentype geldt (voor
aanduiding Q geldt bijvoorbeeld een maximumsnelheid van 160 km/h).
Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip
op het wegdek stukje bij
beetje af. Gebruik bij het
verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation) bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502. De
band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die op de bandenspanningsticker staat (zie pagina 157 voor de
plaatsing).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding is
205/55R16 91 W.
205
55
07
R
16
91
W
Breedte van de band (mm)
Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
Aanduiding voor radiaalbanden
Velgdiameter van de band (")
Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
Aanduiding van de snelheidslimiet van
de band (in dit geval 270 km/h)
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Q
T
H
V
W
Y
160 km/h (alleen voor winterbanden)
190 km/h
210 km/h
240 km/h
270 km/h
300 km/h
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de werking
van de band worden aangetast, in welk geval
u de band niet meer dient te gebruiken. Dit
geldt ook voor reservebanden, winterbanden
en banden die u voor toekomstig gebruik hebt
opgeslagen. Scheurvorming of verkleuring zijn
de zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
154
07 Wielen en banden
Algemene informatie
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
De juiste bandenspanning levert gelijkmatige
slijtage op (zie pagina 158). Voor optimale
rijeigenschappen en een gelijkmatige bandenslijtage wordt geadviseerd de banden van
tijd tot tijd van voor naar achter of omgekeerd
te verwisselen (nooit van links naar rechts of
omgekeerd). Verwissel de banden de eerste
keer van voor naar achter (of omgekeerd) na
5000 km en daarna om de 10.000 km. Monteer de banden met het diepste profiel altijd
op de achteras om het gevaar voor slippen te
verminderen. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan. De
letters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant van de band geven aan dat een band is
uitgerust met slijtage-indicatoren. De indicatoren zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band
dusdanig versleten is dat slechts 1,6 mm van
het profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde afmetingen aan. Deze staan op een bandenspanningsticker (zie plaatsing pagina 157). De bandenmaat is afhankelijk van het motortype. Gebruik altijd winterbanden op alle vier de wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km voorzichtig worden ingereden,
zodat de “spikes” zich kunnen zetten. Zo gaan
de banden en vooral de “spikes” langer mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage temperaturen vergen meer van de banden dan zomerse ritten. Daarom wordt er een minimale
profieldiepte van vier mm voor winterbanden
geadviseerd.
07
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
155
07 Wielen en banden
Algemene informatie
omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
Zomer- en winterbanden
Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen).
BELANGRIJK
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Gebruik originele sneeuwkettingen van Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn
afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvowerkplaats om advies.
Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte.
Afsluitbare wielbout
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op zowel lichtmetalen als stalen velgen. Bij gebruik
van afsluitbare wielbouten op stalen velgen
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wielbout zo ver mogelijk van het ventiel aanbrengen. Als u dat niet doet, is het niet mogelijk de
wieldop te monteren.
07
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
banden noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L
voor links, R voor rechts.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draairichting hebben.
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar rechts
of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aan-
156
brengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw
en drab minder goed afvoeren.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur.
Brandstofbesparing, ECObandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden.
Zie de bandenspanningstabel op pagina 158
voor de juiste bandenspanning. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden
(kan verschillen naargelang van de buitentemperatuur).
Op de sticker voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier)
staat de juiste bandenspanning voor uw auto
aangegeven bij verschillende belading en
snelheid.
Op de sticker staan:
• Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat
• ECO-bandenspanning
• Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Laat daarom geen lucht uit de banden ontsnappen als u
de spanning controleert bij warme banden. Als
de spanning bij warme banden echter te laag
is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de
rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan. Zie de
bandenspanningstabel voor meer informatie
over de juiste bandenspanning.
07
157
07 Wielen en banden
Bandenspanning
Bandenspanningstabel
Bandenmaat
T5
215/55R16
235/40R18
225/45R17
0 – 160
160 +
0 – 160
205/55R16
235/45R17
235/40R18
160 +
0 – 250
0 – 160
195/65R15
205/55R16
215/55R16
225/45R17
235/40R18
S60R
Overige
Reservewiel,
Temp. Spare
1 Zie
158
Belading (1–3 inzittenden)
Max. belading
Voorin (kPa) Achterin (kPa) Voorin (kPa) Achterin (kPa)
220
260
220
260
260
280
260
280
2601
250
240
2601
250
240
2601
280
270
2601
280
270
0 –160
160 +
2701
220
250
2701
220
250
2701
260
280
2701
260
280
0 –160
2601
2601
2601
2601
T115/85R182
0 – 80
420
420
420
420
T125/80R17
0 – 80
420
420
420
420
pagina 157 voor de ECO-bandenspanning
2 R-modellen
07
Snelheid
(km/h)
Type
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek (bepaalde landen)
Na gebruik
Reservewiel, gereedschap en krik
Berg de onderdelen in de omgekeerde volgorde weer op.
4
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
stevig op het kofferdeksel vastzit.
3
2
1
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
– Draai de beide bevestigingsschroeven in
de verticale stand.
– Haal voorzichtig de houder met de gevarendriehoek erin los.
– Neem de gevarendriehoek uit de
houder (A).
– Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit.
– Klap de beide rode zijden van de driehoek
uit. Plaats de gevarendriehoek op een
geschikt punt, rekening houdend met de
verkeerssituatie.
1. Reservewiel1
2. Bevestiging
3. Gereedschapstas 1 met sleepoog
4. Krik1
Het reservewiel met de krik en de gereedschapstas vindt u onder de vloer van de kofferbak. Ga als volgt te werk om het reservewiel te verwijderen:
07
– Pak de vloermat aan de achterzijde beet
en klap deze naar voren toe op.
– Haal de krik en de gereedschapstas naar
buiten.
– Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
1
Optie op bepaalde varianten en markten
159
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Doe het volgende als uw auto is
uitgerust met een houder voor
boodschappentassen:
– Verdraai de twee klemmen aan de achterzijde van de vloermat 90°.
– Klap de voorzijde van de vloermat naar
achteren toe op, in de richting van de
opening voor het kofferdeksel.
– Til de mat iets op en verdraai deze 90°
zodat u deze kunt verwijderen.
– Til de vloermat uit de kofferbak.
– Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
Breng het reservewiel weer aan, schroef de
bevestiging vast en breng alle verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde weer aan.
Zorg dat het reservewiel goed vastzit en dat
de krik en de gereedschapstas stevig vastzitten met de banden van bij de bevestiging.
07
Reservewiel Temporary Spare
Het compacte reservewiel1 (Temporary Spare)
mag alleen worden gebruikt gedurende de
korte tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit
type moet daarom zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel/normale band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wijzigingen in de rijeigenschappen kan veroorzaken. De maximumsnelheid bij gebruik van een
compact reservewiel bedraagt 80 km/h.
BELANGRIJK
Gebruik alleen het originele reservewiel dat
bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroorzaken. U mag per keer slechts een reservewiel gebruiken.
1 Optie
160
op bepaalde varianten en markten
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem
Bandenspanningscontrolesysteem,
TMPS (optie)
Het TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het systeem maakt gebruik van sensoren in de ventielen van de banden. Bij snelheden van
ca. 40 km/h controleert het systeem de bandenspanning. Als de spanning dan te laag is,
gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een
melding op het informatiedisplay.
Controleer het systeem altijd na het verwisselen van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Zie pagina 157 –158 voor informatie over de
juiste bandenspanning.
Ook mét het systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het bandenspanningscontrolesysteem, gaat het waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel branden. Bovendien
verschijnt de melding BANDENSP.SYSTEEM SERVICE VEREIST. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Het is bijvoorbeeld
mogelijk dat er een wiel gemonteerd werd
met een sensor die niet past bij het bandenspanningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo aan te kunnen houden is het mogelijk het
bandenspanningscontrolesysteem af te stellen, bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding
BANDENSPANNING GEKALIBREERD!
verschijnt.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding
LAGE BANDENSPAN. CONTR. BANDEN
voor een lage bandenspanning op het informatiedisplay verschijnt:
– Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
– Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
– Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
– Pomp de banden tot de juiste spanning
op.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding BANDENSPANNING KALIBREREN op het
informatiedisplay verschijnt.
– Zet het contact in stand I of II.
– Draai aan het duimwiel op de linker stuurhendel, totdat de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN op het informatiedisplay verschijnt.
07
161
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem
– Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSP.SYSTEEM UIT verschijnt.
Herhaal de punten 1 –3 om het systeem opnieuw te activeren, waarna de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN op het informatiedisplay verschijnt.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
07
• Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
• Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor
zal iedere keer dat u meer dan 10 minuten
lang sneller rijdt dan 40 km/h de melding
BANDENSP.SYSTEEM SERVICE VEREIST verschijnen.
• Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- of winterbanden) van de auto.
• Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
162
Runflat-banden (optie)
Als er zogeheten runflat-banden (SSTbanden, Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als er
een hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is,
kunt blijven rijden. Deze banden zijn op speciale velgen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h uur aan
en laat de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk
is welke band er lek is. Controleer altijd alle
vier de banden om na te gaan welke band er
moet worden vervangen.
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet,
wanneer u de band moet verwisselen aan de
kant van de weg. Het reservewiel zit onder de
kunststof bak in de kofferbak.
– Trek de handrem aan en schakel de 1e
versnelling in bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P bij auto’s met een automatische
versnellingsbak).
– Breng houten wielblokken of grote stenen
aan voor en achter de wielen die op de
grond blijven staan.
– Auto’s met stalen velgen hebben verwijderbare wieldoppen. Verwijder de
wieldoppen met een dikke schroevendraaier of iets dergelijks. Wanneer u geen
schroevendraaier hebt, kunt u de wieldoppen met de hand proberen los te trekken.
Draag bij voorkeur werkhandschoenen.
Wanneer u de wieldoppen terugplaatst,
moet u erop letten dat de opening in de
wieldop recht tegenover het ventiel komt
te zitten.
– Draai de wielbouten 1/2–1 slag los met de
dopsleutel. U draait de bouten linksom
los.
– Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
Houd de krik tegen de pen van het steunpunt (zie afbeelding) en draai de voet van
de krik zo ver omlaag dat deze plat tegen
de grond aankomt.
Controleer nogmaals of de krik goed aan
het kriksteunpunt bevestigd is en zorg dat
de voet recht onder het steunpunt zit.
– Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
– Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
07
163
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
BELANGRIJK
Als er TPMS op de auto zit, dient u de nieuwe banden na montage te kalibreren. Lees
“Bandenspanningscontrolesysteem afstellen” op pagina 161.
07
164
– Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
– Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
– Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
– Draai de wielmoeren kruiselings iets strakker vast. Het is belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan met
140 Nm. Controleer het aanhaalmoment
met een momentsleutel.
– Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
Bepaalde varianten.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
07 Wielen en banden
07
165
Schoonmaken ........................................................................................ 168
Lakschade herstellen ............................................................................. 171
Roestwering ........................................................................................... 172
166
VERZORGING
08
08 Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en strooizout kunnen aanleiding geven tot corrosie.
• Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
• Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
• Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken.
Let op het volgende bij gebruik van een
hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de
spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet
direct in de richting van de sloten.
• Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
• Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
• Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
• Reinig de wisserbladen met een lauwe zeepoplossing of autoshampoo.
08
168
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zo veel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke verkleuring is alleen te
herstellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten waardoor
de remwerking afneemt.
BELANGRIJK
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen
met de hand te wassen.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het rempedaal, wanneer u lange periodes door regen of
sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en droogt u
de remblokken. Doe dit ook bij het wegrijden
onder zeer vochtige of koude weersomstandigheden.
Kunststof exterieuronderdelen
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter op dat een wasbeurt in een automatische
wasstraat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand, omdat de
Voor het schoonmaken van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de
Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
08 Verzorging
Schoonmaken
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken met
terpentine. U kunt hardnekkige vlekken met
een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta (“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig
op. Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken.
Lakschade als gevolg van dergelijke behandelingen valt niet onder de Volvo-garantie.
Buitenspiegels met vuil- en waterafstotende laag (optie) schoonmaken
Interieur reinigen
Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het spiegeloppervlak, omdat
de waterafstotende laag daardoor beschadigd
kan raken.
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om
krassen op het glas te voorkomen.
Om schade aan het glas te voorkomen moet u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
Om de waterafstotende laag intact te houden,
wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij Volvo-dealers. Gebruik het middel de eerste keer na drie jaar en daarna om
het jaar.
De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende
eigenschappen van de bekleding aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is voorzien van
een speciale laag die bescherming biedt tegen
vuil. Bij schoonmaak van het leer wordt de beschermende laag hersteld die door vet en vuil
werd aangetast. Er bestaat een complete serie
verzorgingsproducten voor leren bekleding.
Volvo biedt een leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en
de beschermende laag kunt herstellen.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Ze
kunnen bekleding van textiel, vinyl en leer
namelijk beschadigen.
08
169
08 Verzorging
Schoonmaken
BELANGRIJK
Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij
contact met materialen die afgeven (nieuwe
spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.).
Voor het beste resultaat adviseert Volvo de
beschermende crème twee- tot viermaal per
jaar op te brengen.
Vraag bij de Volvo-dealer naar het leerverzorgingsproduct van Volvo.
08
170
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
– Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te
krijgen.
– Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen.
– Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet!
– Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
– Breng wat van de beschermende crème
op de vilten doek aan en wrijf de crème in
cirkelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
– Laat het leer vervolgens 20 minuten drogen alvorens erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en voorzien van een uv-filter.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het schoonmaken van interieuronderdelen en -panelen van kunststof wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd, dat verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Krab of wrijf
nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
Steenslagplekken en krassen
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade meteen
herstellen. De meest voorkomende soorten
lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken,
krassen en plekjes op de spatbordranden en
portieren.
Kleurcode
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Typeplaatje
Benodigdheden
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt. De code voor de autolak (1) staat op
het typeplaatje (zie pagina 242).
•
•
•
•
tacte laklaag over is, volstaat het om na verwijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
– Plak een stuk afplaktape over het beschadigd gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zo veel mogelijk lakresten te
verwijderen.
– Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of een
lucifer aan. Breng de lak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
– Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af.
– Pets na enkele dagen de herstelde lak op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met
een geringe hoeveelheid schuurpasta.
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
08
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een in-
171
08 Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling
ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit
gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is
voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
• Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij gebruik van een hogedrukreiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
• Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal gesproken pas na ongeveer 12 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de
3 jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u
hierin assisteren door een erkende Volvowerkplaats.
08
172
08 Verzorging
08
173
Volvo Service .......................................................................................... 176
Onderhoud ............................................................................................. 177
Motorkap en motorruimte ...................................................................... 178
Dieselolie ................................................................................................ 179
Oliën en vloeistoffen ............................................................................... 180
Wisserbladen ......................................................................................... 184
Accu ....................................................................................................... 185
Gloeilampen vervangen .......................................................................... 188
Zekeringen ............................................................................................. 195
174
ONDERHOUD EN SERVICE
09
09 Onderhoud en service
09
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo opvolgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Laat serviceen reparatiewerkzaamheden door een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaatsen beschikken over het personeel, het
speciale gereedschap en de servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantieboekje van Volvo controleert en de aanwijzingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
176
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvowerkplaats, voordat u servicewerkzaamheden
aan het elektrisch systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op
de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de
elektronische systemen van de auto wordt geladen. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u accessoires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrisch systeem.
Vastlegging van voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw Volvo zitten die gedetailleerde informatie kunnen
opslaan. Deze informatie is bestemd voor onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in de autosystemen. De informatie kan gegevens bevatten over zaken als het gebruik van de veiligheidsgordel door de bestuurder en de passagier(s), gegevens over de werking van verschillende autosystemen en -modules en
informatie over de status van de motor, gasklep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dergelijke in-
formatie kan gegevens bevatten (maar niet uitsluitend) als de rijsnelheid, het gebruik van het
rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De
laatstgenoemde informatie kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de opgeslagen informatie niet zonder uw toestemming
vrijgeven. Volvo Car Corporation kan echter
op last van de nationale wetgeving gedwongen worden om bepaalde informatie te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen Volvo
Car Corporation en de erkende Volvowerkplaatsen de informatie kunnen uitlezen en
gebruiken.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden begint
Omhoogbrengen van de auto
Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines niet
aan, wanneer de motor draait of het contact
is ingeschakeld!
Zet contact af bij:
• het aansluiten van motortestapparatuur;
• het vervangen van onderdelen van het ontstekingssysteem zoals de bougies, de bobine, de verdelerkap, de bougiekabels e.d.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken:
Accu
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieuvriendelijke manier verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
Volvo-dealer.
09
Als u de auto met een garagekrik omhoogbrengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
de motordraagarm aanbrengen. Zorg dat de
spatplaat onder de motor niet beschadigd
raakt. Let erop dat u de krik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet vanaf kan glijden.
Maak altijd gebruik van steunbokken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten (zie figuur).
• Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
• Motorolie – De olie moet tussen het MINen MAX-streepje staan.
• Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
• Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
• Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
177
09 Onderhoud en service
09
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
Auto met het stuur links of rechts
Motorkap openen:
Motorruimte
– Trek aan de ontgrendelingshandgreep helemaal links onder het dashboard (of helemaal rechts afhankelijk bij een auto met
het stuur rechts). U hoort dat de slotpal
losschiet.
– Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
– Open de motorkap.
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen
op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
178
1. Expansiereservoir, koelsysteem
2. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof
3. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
4. Peilstok, motorolie
5. Radiateur
6. Koelventilator
7. Vultuit, motorolie
8. a) Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(model met het stuur links)
b) Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
(model met het stuur rechts)
9. Relais- en zekeringenkastje
10. Luchtfilter (de uitvoering van het deksel
is afhankelijk van het motortype)
11. Accu (in de kofferbak)
09 Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm
NEN-EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
dubieuze kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
aanleiding kan geven tot startproblemen. De
grote oliemaatschappijen produceren speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming.
Het risico van condens in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied
rond de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst hebt het gebied met water en zeep
schoon.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende dieselolieachtige brandstoffen: speciale toevoegingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME (biodiesel) of plantaardige olie. Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van slijtage en motorschade die niet worden gedekt
door de garanties van Volvo.
09
neer u vermoedt dat er verontreinigde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijderen het verzamelde vocht uit het brandstoffilter.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwavelgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden. Het brandstofsysteem wordt automatisch ontlucht, als de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II staat voordat u
een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet het
brandstoffilter de brandstof van condensatie.
Houd u voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wan-
179
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in
de motorruimte vermeldt (zie pagina 247).
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwaliteit (zie sticker in motorruimte).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u olie
gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Volvo adviseert olieproducten van
.
180
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
• doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
BELANGRIJK
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit en
viscositeit als de olie in de motor.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat zowel bij het bijvullen als bij
verversen van olie. Een negatieve invloed
op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien
van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de
oliedruk. Bij modellen met een olieniveausensor wordt gewaarschuwd met een waarschuwingslampje midden op het instrumentenpaneel en met displayteksten.
Peil controleren
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt verkregen bij een koude motor vóór de start. Meteen
na het afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te
laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar het oliecarter.
pagina 246–247 voor de aan te houden hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
– Parkeer de auto op een vlakke ondergrond, zet de motor af en wacht ten
minste 10–15 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
Op bepaalde modellen zijn beide systemen
aanwezig. Neem voor meer informatie contact
op met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ververst. Het Service- en garantieboekje geeft
aan bij welke kilometerstand de olie moet worden ververst.
09
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
– Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
– Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat
de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het
MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat
de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het
MIN-streepje op de peilstok ligt. Zie
pagina 246–247 voor de aan te houden
hoeveelheid.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAXstreepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
181
09 Onderhoud en service
09
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor
ruitensproeiervloeistof
Koelvloeistof
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35 °C.
De motor mag alleen draaien met een goed
gevuld koelsysteem. De temperaturen kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan veroorzaken.
Koelvloeistofreservoir
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
De ruitensproeiers en koplampsproeiers maken gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën
op pagina 249.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in
de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeiervloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
182
Controleer de koelvloeistof regelmatig. De
koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAXstreepje op het expansiereservoir staan. Vul
koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het
MIN-streepje is gezakt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën
op pagina 249.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende
weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit
alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer het percentage koelvloeistof te laag is als wanneer
het te hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor op bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam de dop
van het expansiereservoir losdraaien om de
overdruk te laten ontsnappen.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
N.B.
09
Reservoir voor
stuurbekrachtigingsvloeistof
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen
of in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies.
Positie verschilt op auto met het stuur links of
rechts
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan. Controleer het
peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de
twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën
op pagina 249.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en oliën
op pagina 249.
N.B.
Als er een storing in de stuurbekrachtiging
optreedt of als de stroom is weggevallen en
u de auto wilt wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Let er echter op dat de auto in
dat geval veel zwaarder stuurt dan normaal,
zodat u meer moeite moet doen om het
stuurwiel te verdraaien.
183
09 Onderhoud en service
09
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit vervangen
N.B.
Let erop dat het wisserblad aan de bestuurderszijde langer is dan dat aan de passagierszijde.
Wisserbladen koplampen vervangen1
–
–
–
–
Klap de wisserarm naar voren toe.
Trek het wisserblad naar buiten toe los.
Duw het nieuwe wisserblad vast.
Controleer of het blad goed vastzit.
– Klap de wisserarm naar buiten en houd
het wisserblad vast.
– Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
– Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
1 Geldt
184
voor de S60 R
09 Onderhoud en service
Accu
09
Onderhoud van de accu
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de startkabels, is voldoende om de accu tot ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt
of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water
spoelen. Neem onmiddellijk contact op met
een arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
Er kunnen twee soorten accu’s op de auto zitten.
De types zijn volledig uitwisselbaar.
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
BELANGRIJK
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater).
Om de accu in optimale staat te houden:
• Controleer regelmatig of het accuvloeistofpeil in orde is (A) en vul nooit meer bij dan
tot aan het peilstreepje.
• Controleer alle cellen. Verwijder de celdoppen (of het deksel) met een schroevendraaier.
• Vul zo nodig bij met gedestilleerd water tot
aan het MAX-streepje.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
• Zet de celdoppen (of het deksel) weer goed
vast.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
185
09 Onderhoud en service
09
Accu
Symbolen op de accu
Explosiegevaar.
Accu vervangen
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
186
Accu verwijderen
– Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
– Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen aanraakt (zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleenheden).
– Draai de bouten uit de borgklem die over
de accu heen zit en verwijder de klem.
– Klap het kunststof deksel over de minpool
van de accu open of schroef de afdekking
van de accu los.
– Koppel de minkabel los.
09 Onderhoud en service
Accu
09
– Haal de onderste console los waarmee de
accu vastzit.
– Koppel de pluskabel los nadat u een eventueel kunststof deksel weggeklapt hebt.
– Koppel de ontluchtingsslang los.
– Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
– Til de accu op zijn plaats.
– Breng de onderste console aan en schroef
deze vast.
– Sluit de pluskabel aan, druk een eventueel
kunststof deksel vast en klap het omlaag.
– Sluit de minkabel aan en klap een eventueel kunststof deksel omlaag.
– Breng het kunststof deksel of de dekplaat
over de accu heen aan.
– Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
– Breng de borgklem over de accu heen aan
en draai de bouten vast.
187
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 255 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn:
• Active Bi-Xenon- en Bi-Xenonlamp
• Interieurverlichting aan het plafond
• Leeslampjes
• Verlichting dashboardkastje
• Richtingaanwijzer, buitenspiegels
• Approach-verlichting, buitenspiegels
• Derde remlicht
• Leds in achterlamphuis
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van BiXenonkoplampen of Active BiXenonkoplampen, moet u de xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats laten
vervangen. Omdat de xenonlampen voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte dat
een hoge spanning opwekt, dient u er voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaan.
188
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve die voor het dimlicht) zijn te vervangen door
het lamphuis via de motorruimte los te maken
en het in zijn geheel te verwijderen.
N.B.
Bij problemen tijdens het vervangen van
gloeilampen wordt u geadviseerd contact
op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
Positie van lampen in koplamp
1. Gloeilamp zijmarkeringslicht
2. Gloeilamp richtingaanwijzer
3. Gloeilamp dimlicht, stadslicht/parkeerlicht vóór (halogeen en Bi-Xenon)
4. Gloeilamp groot licht, stadslicht/parkeerlicht vóór (Active Bi-Xenon)
Op bepaalde varianten kan een witte kunststof
huls u bij het vervangen van de gloeilampen in
de weg zitten. U kunt deze huls afbreken en
weggooien.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Dimlicht, halogeen
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking.
– Koppel de connector los.
– Haal de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts, zodat deze loslaat en haal de
klem vervolgens naar buiten toe omlaag.
– Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
09
Groot licht
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aangebracht.
– Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking.
– Draai de lamp linksom en trek deze naar
buiten toe los.
– Koppel de connector los door de vergrendeling naar buiten te duwen en aan de
connector te trekken.
Aanbrengen
– Sluit de connector op de gloeilamp aan. U
hoort een klikgeluid.
– Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
– Plaats de afdekking terug.
189
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
Richtingaanwijzer, linksvoor
Active Bi-Xenonkoplampen
Halogeen- en Bi-Xenonkoplampen
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
– Trek de lamp naar buiten.
– Koppel de connector los.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
190
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
– Trek de lamp naar buiten.
– Koppel de connector los.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan.
– Sluit de connector aan.
– Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
– Haal de gloeilamp uit de lamphouder door
de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd
linksom te draaien.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
naar binnen te duwen en rechtsom te
draaien.
– Plaats de lamphouder in het lamphuis
terug en draai deze rechtsom.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Richtingaanwijzer, rechtsvoor
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Neem de koelbuis (1) van de koudebox
los.
– Draai het boutje (2) van de vulbuis los.
– Trek de buis (3) recht omhoog.
– Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis
los.
– Vervang de gloeilamp.
– Controleer of de pakking van het ruitensproeiervloeistofreservoir tussen de vulbuis en het reservoir goed zit.
– Duw de vulbuis (3) in positie terug.
– Duw de ontluchtingsslang (4) van de vulbuis in positie terug.
– Draai het boutje (2) van de vulbuis weer
vast en sluit de koelbuis weer op de
koudebox (1) aan.
09
Zijmarkeringslicht
– Draai de lamphouder rechtsom en trek
deze naar buiten toe los.
– Vervang de gloeilamp.
– Plaats de lamphouder terug door deze
linksom te draaien.
191
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Mistlampen vóór (optie)
Kofferbak
Kentekenplaatverlichting
Gloeilamp verwijderen
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai de lamphouder iets naar links.
– Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats het lamphuis terug.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Draai het boutje los met een schroevendraaier.
– Verwijder voorzichtig het complete lamphuis en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
– Breng de nieuwe gloeilamp aan.
– Sluit de connector aan en draai deze
rechtsom in het lamphuis vast.
– Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
Aanbrengen
– Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aangebracht.
– Plaats de lamphouder terug en draai deze
iets rechtsom. Het opschrift “TOP” moet
omhoogwijzen.
192
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
Achterlamphuis
Positie van gloeilampen
1.
2.
3.
4.
5.
Remlicht
Parkeerlicht achter en achterlicht
Mistachterlicht (een zijde)
Zijmarkeringslicht
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlicht Verwijderen
De gloeilampen van de achterlichten zijn allemaal vanuit de kofferbak te bereiken.
Op pagina 255 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
– Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0.
– Maak de zijwand los en klap deze open
om bij de gloeilampen te komen.
De gloeilampen zijn ondergebracht in twee
aparte lamphouders: een boven en een onder.
Elke lamphouder heeft een borgnok.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng de nieuwe gloeilamp in de houder
aan.
– Sluit de connector aan.
– Klap de zijwand weer op en zet deze vast.
Gloeilamp vervangen
– Koppel de connector van de gloeilamp
los.
– Duw de borghaken bijeen om de lamphouder naar buiten te kunnen trekken.
Als de melding STORING GLOEILAMP
CONTROLEER REMLICHT niet verdwijnt
nadat de kapotte lamp is vervangen, dient u
een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
N.B.
193
09 Onderhoud en service
09
Gloeilampen vervangen
Instapverlichting
De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde.
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Plaats het lamphuis terug.
194
Verlichting make-upspiegel
Gloeilamp make-upspiegel, verschillende versies
– Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lampglas loskomt.
– Verwijder de gloeilamp.
– Breng een nieuwe gloeilamp aan.
– Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk vervolgens de bovenkant van het lampglas vast.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Algemene informatie
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende
elektrische functies en onderdelen door een
aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
1. Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
2. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie).
3. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant
van het dashboard).
4. Zekeringenkastje in de kofferbak.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
– Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
– Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
– Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het dashboard zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is er
sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen
aan een erkende Volvo-werkplaats om de auto
te laten controleren.
195
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog
1.
2.
3.
4.
5.
6.
ABS ............................................................................................. 30 A
ABS ..................................................................................... 30 A
Hogedruksproeiers koplampen ............................................ 35 A
Standverwarming (optie) ...................................................... 25 A
Verstralers (optie) ................................................................. 20 A
Relais startmotor .................................................................. 35 A
7. Ruitenwissers....................................................................... 25 A
8. Brandstofpomp .................................................................... 15 A
9. Regeleenheid transmissie (TCM), diesel, R-modellen ........... 15 A
10. Bobines (benzine), regeleenheid (ECM), injectoren (diesel) ... 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor, ventilator
elektronicakastje .................................................................. 10 A
196
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine) injectoren (benzine),
luchtmassameter (benzine) ................................................. 15 A
luchtmassameter (diesel) ....................................................... 5 A
13. Regeleenheid gasklep (benzine) ........................................... 10 A
Regeleenheid gasklep, luchtmengklep, brandstofdrukregelaar,
magneetklep (diesel)) ........................................................... 15 A
14. Lambdasonde (benzine) ....................................................... 20 A
Lambdasonde (diesel) .......................................................... 10 A
15. Verwarming carterventilatie, magneetkleppen (benzine) ....... 10 A
magneetkleppen, gloeibougies (diesel) ................................ 15 A
16. Dimlicht links ....................................................................... 20 A
17. Dimlicht rechts..................................................................... 20 A
18. - ................................................................................................ -
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
19. Regeleenheid motor (ECM) voeding, motorrelais .................... 5 A
20. Stadslichten ......................................................................... 15 A
21. ................................................................................................. -
197
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in
zijkant dashboard)
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende
zekeringen aan.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ...................................... 25 A
Elektrisch bedienbare passagiersstoel ................................. 25 A
Ventilator klimaatregeling ..................................................... 30 A
Regeleenheid rechter voorportier ......................................... 25 A
Regeleenheid linker voorportier ............................................ 25 A
Interieurverlichting plafond (RCM)
bovenste elektronische regeleenheid (UEM) ......................... 10 A
7. Schuifdak ............................................................................. 15 A
198
8. Contactslot, SRS, motorregeleenheid (ECM),
uitschakeling SRS passagierszijde (PACOS), elektronische
startblokkering (IMMO), regeleenheid transmissie (TCM),
diesel, R-modellen .............................................................. 7,5 A
9. OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS),
stuurregeleenheid (SWM) ....................................................... 5 A
10. Audiosysteem ...................................................................... 20 A
11. Versterker audiosysteem...................................................... 30 A
12. RTI-display .......................................................................... 10 A
13. Telefoon ................................................................................ 5 A
14. – 38. ......................................................................................... -
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde
achter de geluidsisolatie)
1. Stoelverwarming, rechterzijde ..................................................... 15 A
2. Stoelverwarming, linkerzijde ................................................. 15 A
3. Claxon ................................................................................. 15 A
4. - ................................................................................................ 5. - ................................................................................................ 6. Reservepositie .......................................................................... 7. Reservepositie .......................................................................... 8. Sirene alarmsysteem .............................................................. 5 A
9. Voeding remlichtschakelaar ...................................................5 A
10. Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM),
standverwarming, elektrisch bedienbare bestuurdersstoel ... 10 A
11. Elektrische aansluiting voor- en achterin .............................. 15 A
12. - ................................................................................................ 13. Reservepositie ........................................................................... 14. Koplampwissers (S60 R) ...................................................... 15 A
15. ABS, STC/DSTC .................................................................... 5 A
16. Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS), Active Bi-Xenon
(HCM), koplamphoogteregeling ........................................... 10 A
17. Mistlamp linksvoor .............................................................. 7,5 A
18. Mistlamp rechtsvoor ........................................................... 7,5 A
19. Reservepositie ........................................................................... 20. Reservepositie ........................................................................... -
199
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
21. Regeleenheid transmissie (TCM),
blokkering achteruitversnelling (M66) ................................... 10 A
22. Groot licht links .................................................................... 10 A
23. Groot licht rechts ................................................................. 10 A
24. - ................................................................................................ 25. - ................................................................................................ 26. Reservepositie .......................................................................... 27. Reservepositie .......................................................................... 28. Elektrisch bedienbare passagiersstoel, audiosysteem ............5 A
29. Bi-Fuel, brandstofpomp ...................................................... 7,5 A
30. BLIS .......................................................................................5 A
31. Reservepositie .......................................................................... 32. Reservepositie .......................................................................... 33. Vacuümpomp ....................................................................... 20 A
34. Sproeierpomp, koplampwissers (S60 R) ............................... 15 A
35. - ................................................................................................ 36. - ................................................................................................ -
200
09 Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in kofferbak
09
1. Achteruitrijlichten .........................................................................10 A
2. Parkeerlichten/achterlichten, mistachterlicht, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting, leds in remlichten ................. 20 A
3. Accessoires (AEM) ............................................................... 15 A
4. Reservepositie ........................................................................... 5. Elektronica (REM) ................................................................ 10 A
6.
7.
8.
9.
Cd-wisselaar, tv, RTI........................................................... 7,5 A
Trekhaak (30-voeding) ......................................................... 15 A
Elektrische aansluiting kofferbak.......................................... 15 A
Achterportier, rechts: ruitbediening,
blokkering ruitbediening ...................................................... 20 A
10. Achterportier, links: ruitbediening,
blokkering ruitbediening ...................................................... 20 A
11. Reservepositie ........................................................................... 12. Reservepositie ........................................................................... 13. Verwarming dieselfilter......................................................... 15 A
14. - ................................................................................................ 15. Reservepositie ........................................................................... 16. Reservepositie ........................................................................... 17. Accessoires audiosysteem..................................................... 5 A
18. Reservepositie ........................................................................... 19. Omklapbare hoofdsteun ...................................................... 15 A
20. Trekhaak (15-voeding) ......................................................... 20 A
21. Reservepositie ........................................................................... 22. - ................................................................................................ 23. AWD ................................................................................... 7,5 A
24. FOUR-C SUM ...................................................................... 15 A
201
09 Onderhoud en service
09
Zekeringen
25. - ................................................................................................ 26. Parkeerhulp ...........................................................................5 A
27. Hoofdzekering: trekhaak, FOUR-C, parkeerhulp, AWD ......... 30 A
28. Centrale vergrendeling (PCL) ................................................ 15 A
29. Aanhangerverlichting, links: Achterlicht, richtingaanwijzer .... 25 A
30. Aanhangerverlichting, rechts: remlicht, mistachterlicht,
richtingaanwijzer .................................................................. 25 A
31. Hoofdzekering: zekering 37, 38 ............................................ 40 A
32. - ................................................................................................ 33. - ................................................................................................ 34. - ................................................................................................ 35. - ................................................................................................ 36. - ................................................................................................ 37. Elektrische achterruitverwarming ......................................... 20 A
38. Elektrische achterruitverwarming ......................................... 20 A
202
09 Onderhoud en service
09
203
Audiosysteem HU-450 ...........................................................................206
Audiosysteem HU-650 ...........................................................................207
Audiosysteem HU-850 ...........................................................................208
Audiofuncties HU-450/650/850 .............................................................209
Audiofuncties HU-450 ............................................................................ 210
Audiofuncties HU-650/850 .................................................................... 211
Radiofuncties HU-450/650/850 ............................................................. 212
Radiofuncties HU-450 ............................................................................ 213
Radiofuncties HU-650/850 .................................................................... 214
Radiofuncties HU-450/650/850 ............................................................. 215
Cassettedeck HU-450 ............................................................................220
Cd-speler HU-650 ..................................................................................221
Interne cd-wisselaar HU-850 .................................................................222
Externe cd-wisselaar
HU-450/650/850 (optie) .........................................................................223
Dolby Surround Pro Logic II
HU-850 ...................................................................................................224
Technische gegevens .............................................................................225
Telefoonfuncties (optie) .......................................................................... 226
Bel-opties ...............................................................................................229
Geheugenfuncties ..................................................................................232
Menu’s ....................................................................................................234
Overige informatie ..................................................................................239
204
INFOTAINMENT
10
10 Infotainment
Audiosysteem HU-450
10
1. POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
2. PRESET/CD
PUSH MENU –
Opgeslagen radiozenders
Cd-wisselaar (optie)
3. SOURCE
PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cassettedeck
Cd-wisselaar (optie)
206
4. FADER – Indrukken en omdraaien
BAL – Indrukken, uittrekken en omdraaien
5. SCAN – Automatisch zenders zoeken
6. EXIT – Terugbladeren in menu’s
7. Navigatietoetsen –
Cd/radio – Andere zender/track zoeken
Cassettedeck – Vooruit-/achteruitspoelen/volgende/vorige track kiezen
8. Display
9. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
10. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
11. TAPE – Sneltoets
12. AUTO – Automatische zenderinstelling
13. BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken, uittrekken en omdraaien
14. REV – Cassette – Keuzetoets bandlooprichting –
Cd-wisselaar (optie) – Willekeurige afspeelvolgorde
15. Cassetteopening
16. Cassette uitwerpen
10 Infotainment
Audiosysteem HU-650
10
1. POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
2. 1–6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar
3. BASS – Indrukken en omdraaien
4. TREBLE – Indrukken en omdraaien
5. BALANCE – Indrukken en omdraaien
6. FADER – Indrukken en omdraaien
7. SOURCE
PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cd
Cd-wisselaar (optie)
17. AUTO – Automatische zenderinstelling
18. Display
8. SCAN – Automatisch zenders zoeken
9. EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen –
Andere zender/track zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Cd-opening
13. RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
14. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
15. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
16. CD – Sneltoets
207
10 Infotainment
Audiosysteem HU-850
10
1. POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
2. 1–6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar
3. BASS – Indrukken en omdraaien
4. TREBLE – Indrukken en omdraaien
5. BALANCE – Indrukken en omdraaien
6. FADER – Indrukken en omdraaien
7. SOURCE
PUSH MENU–
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
208
Cd
Cd-wisselaar (optie)
8. SCAN – Automatisch zenders zoeken
9. EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen –
Andere zender/track zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Dolby Surround Pro Logic II
13. OFF – Tweekanaals stereo
14. 3-CH – Driekanaals stereo
15. Cd-opening
16. RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
17. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
18. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
19. CD – Sneltoets
20. AUTO – Automatische zenderinstelling
21. Display
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450/650/850
Knop aan/uit
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Druk op de draaiknop om de
radio aan of uit te zetten.
Als er verkeersinformatie, nieuws of een uitzending van het gekozen programmatype binnenkomt terwijl u een cassette of cd beluistert,
wordt de geluidsbron onderbroken en hoort u
de berichten op het volume dat u van tevoren
voor verkeersinformatie, nieuws en PTY-uitzendingen hebt ingesteld.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts
om het volume te verhogen.
De volumeregeling verloopt elektronisch en
heeft geen eindstand. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u het volume
verhogen of verlagen met de toetsen (+) of (–).
Lage accuspanning
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
tekst op het display van het instrumentenpaneel. De energiebesparingsfunctie van de auto
kan de radio vervolgens uitschakelen. Laad de
accu in dat geval door de motor te starten.
AUX
10
Na afloop van de informatie c.q. uitzending
speelt het systeem de cassette of cd op het
laatst ingestelde volume verder af.
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie verschillende uitvoeringen. De verkrijgbare uitvoeringen zijn:
• Performance
• High Performance
• Premium Sound
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met AM/
FM-radio met RDS en een cd-speler.
Ingang voor externe geluidsbron (AUX), 3,5 mm
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUXingang aan te sluiten.
Soms wijkt het volume waarop de externe geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen. Als de geluidssterkte van de externe geluidsbron te hoog is,
kan de geluidskwaliteit verslechteren. U kunt
dat tegengaan door het volume van de AUXingang aan te passen:
209
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450
10
Volumeregeling – AUX
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
ADVANCED MENU bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUDIO SETTINGS bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
– Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUX INPUT LEVEL bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
In deze stand kunt u het ingangsvolume bijstellen door te draaien aan SOURCE.
BASS – lage tonen
Stel de weergave van de
lage tonen bij door de knop
in te drukken en vervolgens
naar links of naar rechts te
draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de lage tonen normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de
hoge tonen bij door de knop
in te drukken, deze nog verder uit te trekken en vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de mid-
210
delste stand is de weergave van de hoge tonen normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers voor- en
achterin door de knop in te
drukken en vervolgens naar
rechts (meer geluid van voren) of naar links (meer geluid van achteren) te
draaien. In de middelste stand is de balans
tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de
uitgangspositie terug.
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door
de knop in te drukken en
vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de balans
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende manieren een geluidsbron kiezen:
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de draaiknop SOURCE. Draai aan
de knop SOURCE om te kiezen uit de beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3 en
AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar
(optie) als de auto met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken van de toetsen AM en
FM loopt u de radiostanden
FM1, FM2, FM3 en AM1 en
AM2 door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt gekozen.
10 Infotainment
Audiofuncties HU-650/850
BASS – lage tonen
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door op de knop te
drukken en deze vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de
balans normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de weergave van de lage tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar links
of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de weergave van de
lage tonen normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers
voor- en achterin door de knop in te drukken
en vervolgens naar rechts (meer geluid van
voren) of naar links (meer geluid van achteren)
te draaien. In de middelste stand is de balans
tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de
uitgangspositie terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende manieren een geluidsbron kiezen:
10
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de draaiknop SOURCE.
Draai aan de knop SOURCE om te kiezen uit
de beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3
en AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook
kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar
(optie) als de auto met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken van de toetsen AM en
FM loopt u de radiostanden
FM1, FM2, FM3 en AM1 en
AM2 door.
Op het display staat aangegeven welke geluidsbron u hebt gekozen.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de hoge tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar links
of naar rechts te draaien. In de middelste
stand is de weergave van de hoge tonen normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de
uitgangspositie terug.
211
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
Scannen, SCAN
10
Druk op de toets SCAN om
het scannen te starten.
Wanneer de radio een zender heeft gevonden, wordt
het scannen ca.
10 seconden stopgezet. De
radio gaat daarna verder
met zoeken. Wanneer de radio een zender
heeft gevonden die u wilt beluisteren, moet u
op de toets SCAN of EXIT drukken.
Zenders zoeken
Druk op
voor een lagere frequentie en op
voor een hogere frequentie. De radio
zoekt de eerstvolgende goed doorkomende
zender op en stelt deze in. Druk nogmaals op
de toets om verder te zoeken.
Handmatig zenders zoeken
Druk op
of
en houd de toets ingedrukt. De tekst MAN verschijnt op het display.
De radio zoekt langzaam in de gekozen richting en voert het tempo na enkele seconden
op. Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
moet u kort op een van de pijltoetsen
of
drukken. Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u nog vijf seconden de tijd om handmatig instellingen te verrichten.
212
Toetsenset op stuurwiel
Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u
op de pijl naar rechts of links
drukken om een van de
voorkeurzenders te selecteren.
N.B.
Als uw auto is uitgerust met een geïntegreerde telefoon, kunt u de toetsenset op
het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties wanneer u de telefoon hebt
geactiveerd. In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display.
Druk op
om de telefoon te deactiveren.
Als er geen simkaart in uw telefoon zit, moet u
de telefoon uitschakelen (zie pagina 206).
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450
Zenders instellen
– Stel de gewenste frequentie in.
– Druk kort op de knop PRESET/CD.
– Kies een nummer waaronder u de zender
wilt opslaan door de knop naar links of
naar rechts te draaien.
Druk nogmaals op de knop om de gewenste
frequentie en zender op te slaan.
Voorkeurzenders
Om een van de voorgeprogrammeerde radiozenders
te selecteren moet u aan de
knop PRESET/CD draaien,
totdat het nummer van de
zender op het display staat.
De voorgeprogrammeerde
zender verschijnt op het display.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot 10 goed
doorkomende AM - of FM zenders opzoeken en in een
apart geheugen opslaan.
Deze functie is met name
handig in gebieden waar u
de radiozenders en hun frequenties niet kent.
– Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
– Op het display staat AUTO, terwijl een
aantal zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden opgeslagen. Als er geen radiozender kon
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO STATION.
– Druk kort op de toets AUTO of op de
pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel, als u een andere, automatisch ingestelde zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst AUTO op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
10
Terugkeren naar normale radiostand
– Druk op de toets FM, AM of EXIT of draai
aan de knop PRESET/CD.
Terugkeren naar Autom. opslaan
– Druk kort op de toets AUTO.
1. Selecteer de radiostand met de toets FM
of AM.
213
10 Infotainment
Radiofuncties HU-650/850
Zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt tot tien goed te
ontvangen AM- of FMzenders opzoeken en in een
apart geheugen opslaan. Als
er meer dan tien zenders gevonden worden, worden alleen de tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is met name handig in
gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
10
U kunt als volgt een zender opslaan onder een
van de voorkeurtoetsen 1–6:
– Stel de gewenste radiozender in.
– Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt.
Het geluid valt enige seconden weg.
De tekst STATION STORED verschijnt op
het display.
U kunt tot 6 zenders per radiostand (AM1,
AM2, FM1, FM2 en FM3) opslaan, d.w.z.
30 zenders in totaal.
214
Automatisch zenders opslaan
– Selecteer de radiostand met de toets AM
of FM.
Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
Op het display staat AUTO, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand automatisch in het geheugen worden opgeslagen.
Als er geen radiozender kon worden gevonden met een signaal dat krachtig genoeg is,
verschijnt de tekst NO STATION.
– Druk kort op de toets AUTO of op de
pijltoetsen van de toetsenset op het stuurwiel, als u een andere, automatisch ingestelde zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automatische opslag staat, staat de tekst AUTO op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Terugkeren naar normale radiostand
– Druk op de toets FM, AM of EXIT.
Terugkeren naar Autom. opslaan
– Druk kort op de toets AUTO.
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
Radio Data System, RDS
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om op de beste
frequentie van een bepaalde zender afgestemd te blijven ongeacht de beluisterde zender of geluidsbron (zoals een cd). Het systeem
wordt tevens gebruikt om verkeersinformatie
te ontvangen en radioprogramma’s van een
bepaald type te vinden. Radiotekst is ook een
onderdeel van RDS. Een radiozender kan informatie verzenden over de radio-uitzending.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of slechts in beperkte mate.
PI zoeken (automatisch zenders
zoeken)
Bij het beluisteren van een RDS-zender wordt
diverse informatie in de radio (zoals verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDSinformatie van deze zender bij. Als de radio
zich net binnen of buiten het bereik van de
zender bevindt, stemt de radio automatisch af
op de best doorkomende zender die het door
u beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de tekst
PI SEEK op het display zolang er geen zender
is gevonden.
Wanneer de functie actief is, staat de tekst TP
op het display.
Verkeersinformatie, TP-zender
Druk op EXIT om een lopend verkeersbulletin
voortijdig af te breken. De functie TP blijft echter actief, zodat de radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
Bij activering van deze functie krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u
een andere geluidsbron beluistert dan de radio, wordt de weergave ervan onderbroken en
ontvangt u de verkeersinformatie op het volume dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop
van het verkeersbulletin hervat het audiosysteem op het oude volume de weergave van de
geluidsbron die u beluisterd.
Verkeersinformatie instellen
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Selecteer TP en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
TP deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Selecteer TP en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
10
Verkeersinformatie van een specifieke
zender instellen
– Selecteer de radiostand met de toets FM.
– Activeer de radiozender waarvan u de
verkeersinformatie wilt ontvangen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
TP STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
SET CURRENT en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
TP-zender deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
215
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
– Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION OFF en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Alarm
Er verschijnt “Alarm!” op het display, wanneer
er een alarmmelding wordt verzonden. Deze
functie wordt gebruikt om u attent te maken
op ernstige ongelukken of calamiteiten, zoals
ingestorte bruggen of ongelukken in kerncentrales.
TP zoeken
Met deze functie kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens langere ritten door
verschillende gebieden en/of landen zonder
dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
TP SEARCH en druk op SOURCE.
216
– Draai aan SOURCE, selecteer
TP SEARCH ON of TP SEARCH OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Nieuws
Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en ontvangt u de bulletins op het volume dat u daarvoor hebt ingesteld. Na afloop van het nieuwsbulletin hervat het audiosysteem op het oude
volume de weergave van de geluidsbron die u
beluisterde.
News (Nieuws) instellen
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
De tekst NEWS verschijnt op het display.
News (Nieuws) deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer NEWS OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
De tekst NEWS verdwijnt van het display.
Druk op EXIT om een lopend nieuwsbulletin
voortijdig af te breken. De functie News
(Nieuws) blijft echter actief, zodat de radio op
het volgende nieuwsbulletin wacht.
Uitzendingen onderbreken voor nieuwsbulletins
– Selecteer de radiostand met de toets FM.
– Activeer de radiozender waarvan u de
verkeersinformatie wilt ontvangen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
SET CURRENT en druk op SOURC.
– Druk op EXIT.
Functie News Station (Nieuwszender)
deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STATION en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STN OFF en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Programmatype, PTY
Programmatype
Displaytekst
Met de functie PTY kunt u kiezen uit verschillende programmatypes.
Kinderprogramma’s
Gouwe ouwe
Informatie
Jazz
Klassiek
Kunst en cultuur
Licht klassiek
Easy listening
Nationale muziek
Nieuws
Pop
Reizen
Rock
Maatschappelijke
programma’s
Sport
Hoorspel
Inbelprogramma’s
Amusement
Educatie
Wetenschap
Weer
Overige muziek
Children´s progs
“Oldies”
Info
Jazz
Classical
Culture
L Class
Easy list
Nation M
News
Pop
Travel
Rock
Social
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY in het
menu en druk op SOURCE.
De radio begint te zoeken naar een zender
met het geselecteerde programmatype.
Als de radio een zender heeft gevonden die
ongeschikt is, kunt u verder zoeken met de linker- of rechterpijl.
Als er geen zender met het gekozen programmatype kan worden gevonden, gaat de radio
terug naar de voorgaande frequentie.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Programmatype
Displaytekst
OFF
Actualiteiten
Religie
Country
Documentaires
Financieel nieuws
Volksmuziek
Ontspanning
PTY OFF
Current
Spiritual
Country
Document
Finance
Folk
Leisure
10
Sport
Drama
Phone
Enterta
Educ
Science
Weather & Metro
Other M
PTY stand-by
De functie PTY staat dan stand-by, totdat er
een programma van het gekozen type wordt
uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat
de radio automatisch over op de zender die
het geselecteerde programmatype uitzendt.
217
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
Deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY en
druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer PTY OFF
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Het symbool PTY verdwijnt van het display en
de radio hervat de normale stand.
PTY-taal
Met de functie PTY kunt u de taal selecteren
die op het display van de radio moet worden
gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds).
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
PTY LANGUAGE en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer een taal en
druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
218
Automatische afstemfunctie
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender
met het sterkste signaal voor de gekozen zender.
De functie REG die normaal gesproken uitgeschakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blijven ondanks dat het signaal zwak is.
AF activeren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer AF ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
REG activeren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer REG ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
AF deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer AF OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
REG deactiveren
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer REG OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
EON – (Enhanced Other Networks),
Local/Distant
Met de functie EON geactiveerd, worden radioprogramma’s onderbroken voor verkeersen nieuwsbulletins van andere zenders.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RESET TO DEFAULT en druk
op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Functie met twee standen
ASC (Active Sound Control)
Local – Alleen onderbreking, wanneer het signaal sterk genoeg is.
De actieve geluidsregeling (ASC) stemt het volume van de radio automatisch af op de rijsnelheid.
Distant – Ook onderbreking bij zwakkere signalen.
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer EON (knipperende tekst) en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer Local of
Distant en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriekinstellingen voor RDS herstellen.
Druk enkele seconden lang op de toets FM
om eventueel meegestuurde radiotekst op het
display te bekijken.
10
Nadat de tekst tweemaal achtereen op het
display verschenen is, geeft de radio de zender/frequentie weer aan waarop u hebt afgestemd.
Met een korte druk op de toets EXIT beëindigt
u de weergave van de radiotekst.
ASC activeren:
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS MENU en druk
op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer ASC LEVEL
en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer LOW, MEDIUM, HIGH of Off en druk op SOURCE.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d.
– Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
219
10 Infotainment
Cassettedeck HU-450
Cassetteopening
10
play staat aangegeven welke kant van de cassette wordt afgespeeld.
Cassette uitwerpen
Als u op de uitwerptoets
drukt, stopt de cassette
waarna deze wordt uitgeworpen. Draai aan de knop
SOURCE om een andere
geluidsbron te kiezen. Ook
als het systeem is uitgeschakeld, kunt u een cassette plaatsen of uitwerpen.
Ruisonderdrukking Dolby B
Steek de cassette met de open kant naar
rechts in de opening. Op het display verschijnt
TAPE Side A.
Wanneer een kant van de cassette is afgespeeld, schakelt het deck automatisch over
naar de andere kant (auto-reverse).
Als er al een cassette in het deck zit, kunt u de
cassette laten afspelen door aan de knop
SOURCE te draaien of op de sneltoets TAPE
te drukken.
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant
van de cassette wilt beluisteren. Op het dis-
220
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal geactiveerd. Ga als volgt te werk, als u de functie
wilt uitschakelen. Houd de toets REV ingedrukt, totdat het Dolby-symbool
van het
display verdwijnt. Druk nogmaals op dezelfde
toets om de Dolby-functie weer te activeren.
Dolby ruisonderdrukking wordt geproduceerd
onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby en de dubbele D
zijn geregistreerde handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporations.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van iedere track
de eerste tien seconden te
beluisteren.
Druk op de toets SCAN of
EXIT, wanneer u de track
hebt gevonden dat u wilt beluisteren.
Vooruit-/achteruitspoelen
U kunt de cassette vooruitspoelen met de toets
en
achteruitspoelen met
.
Tijdens het versneld spoelen
geeft het display “FF” (vooruit) of “REW” (achteruit)
weer. De spoelfunctie wordt
beëindigd, als u de toets nogmaals indrukt.
Volgende track, vorige track kiezen
Als u de toets
indrukt, zal de cassette automatisch vooruitgespoeld worden naar het
begin van de volgende track.
Als u de toets
indrukt, zal de cassette automatisch achteruitgespoeld worden naar het
begin van de vorige track. Deze functie werkt
alleen goed, wanneer er tussen de tracks een
stilte van ongeveer vijf seconden is ingelast.
Als het stuurwiel is voorzien van een toetsenset, kunt u gebruik maken van de pijltoetsen
ervan.
10 Infotainment
Cd-speler HU-650
Cd-speler
Steek een cd in de opening. Als u al een cd
hebt aangebracht, moet u voor weergave van
de cd kiezen door aan de knop SOURCE te
draaien of op de sneltoets CD te drukken.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cdspeler waarna de cd wordt
uitgeworpen.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie
valt niet te bedienen via de
toetsenset op het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar
de vorige of volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op het stuurwiel. Het tracknummer staat
aangegeven op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
10
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
Scannen, SCAN
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd na afloop van deze periode
nog in de cd-speler zit, wordt de cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
De functie SCAN kunt u gebruiken om van iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
de track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op “RND” (random)
om de willekeurige afspeelvolgorde te activeren. De
cd-speler speelt de tracks
van de cd dan in een willekeurige volgorde af. Zolang
deze functie actief is staat er
“RND” op het display.
221
10 Infotainment
Interne cd-wisselaar HU-850
10
Interne cd-wisselaar
Nummer cd selecteren
Een interne cd-wisselaar met een magazijn
voor 6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk
op de sneltoets CD of draai aan de knop
SOURCE om de cd-wisselaar te activeren. De
cd-wisselaar speelt de laatst gekozen track op
de laatst gekozen cd af.
Selecteer de af te spelen cd met de cijfertoetsen 1–6. Het nummer van de geselecteerde cd
en de af te spelen track op die cd verschijnen
op het display.
U kunt 6 cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen.
Om een nieuwe cd te kunnen aanbrengen
moet u een lege positie selecteren. Selecteer
een lege positie met de cijfertoetsen 1–6. Het
nummer van de lege positie verschijnt op het
display. Zorg dat de tekst “LOAD DISC” verschijnt, voordat u een nieuwe cd aanbrengt.
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie
valt niet te bedienen via de
toetsenset op het stuurwiel.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cdspeler waarna de cd wordt
uitgeworpen.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar
de vorige of volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op het stuurwiel. Het tracknummer staat
aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als de cd na afloop van deze periode
nog in de cd-speler zit, wordt de cd weer ingenomen en verder afgespeeld.
222
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
de track hebt gevonden dat u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (random) om
de willekeurige afspeelvolgorde te activeren. De cdwisselaar speelt dan een willekeurige track van een willekeurige cd. De cd-wisselaar kiest daarna een nieuwe
willekeurige track van een willekeurige cd. Zolang de functie actief is, staat er “RND” op het
display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
10 Infotainment
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850 (optie)
Cd-wisselaar
2. Duw het magazijn in de cd-wisselaar
terug.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Sleuf kiezen
Druk op RND (geldt voor
HU-650 en 850) om de willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. Bij het audiosysteem HU-450 moet u op de
toets REV drukken.
Selecteer de af te spelen cd door aan de knop
PRESET/CD (HU-450) te draaien of druk op
de cijfertoetsen 1–6 (HU-650/850). Het nummer van de geselecteerde cd en de af te spelen track op die cd verschijnen op het display.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
De externe cd-wisselaar zit achter het paneel
linksachter in de kofferbak.
Draai aan de knop SOURCE om de cdwisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar
speelt de laatst gekozen track op de laatst gekozen cd af. Als het magazijn* van de cd-wisselaar leeg is, verschijnt er “LOAD
CARTRIDGE” op het display.
Cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen
– Duw het klepje van de cd-wisselaar opzij.
– Druk op de uitwerptoets voor het magazijn.
– Trek het cd-magazijn naar buiten en breng
de cd’s aan.
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te
spoelen. De spoelfunctie
valt niet te bedienen via de
toetsenset op het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar
de vorige of volgende track te gaan. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van de toetsenset op het stuurwiel. Het tracknummer staat
aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van iedere track de eerste tien seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
de track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
10
De cd-speler speelt dan een willekeurige track
van een willekeurige cd. De cd-wisselaar kiest
daarna een nieuwe willekeurige track op een
willekeurige cd. Zolang de functie actief is,
staat er “RND” op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwikkeling in de cd-speler kan het etiket losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
223
10 Infotainment
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Algemene informatie
10
Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op
het voorgaande systeem en levert een duidelijke verbetering van de geluidsweergave op.
De verbetering is met name duidelijk te merken voor de achterpassagiers.
In combinatie met een middenluidspreker
midden op het dashboard zorgt Dolby Surround Pro Logic II voor een zeer realistische
geluidsweergave.
De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers achterin het zogeheten Ambient Surround
Sound”. Dolby Surround Pro Logic II werkt alleen, wanneer u een cd beluistert.
Als u naar een AM- of FM-zender luistert,
wordt u geadviseerd driekanaals stereoweergave (3-CH) te kiezen.
Dolby Surround Pro Logic II is een geregistreerd handelsmerk van Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby Surround Pro Logic II wordt geproduceerd onder licentie van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
224
Dolby Surround Pro Logic II Mode
Druk op “
PL II” om
Dolby Surround Pro Logic II
Mode in te schakelen. Op
het display verschijnt “
PL II”. Druk op OFF om terug te keren naar tweekanaals stereoweergave.
3-kanaal stereo
Druk op de toets 3-CH om
de driekanaals stereoweergave te activeren. Op het
display verschijnt de tekst
“3 ch”. Druk op OFF om terug te keren naar de tweekanaals stereoweergave.
Volume middenluidspreker (Centre
Level)
Gebruik deze functie om het volume van de
middenluidspreker in te stellen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
CENTRE LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Volume Ambient Surround Sound
(Surround Level)
Gebruik deze functie om het uitgangsvermogen van de achterste luidsprekerkanalen in te
stellen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
SURROUND LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
Niveau equalizer (Mid EQ Level)
Gebruik deze functie om de geluidsweergave
via de luidsprekers fijn af te regelen.
– Druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO SETTINGS en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer
MID EQ LEVEL en druk op SOURCE.
– Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
– Druk op EXIT.
10 Infotainment
Technische gegevens
Vermogen
Impedantie
Voedingsspanning
Externe versterker
HU-450
HU-650
HU-850
4 x 25 W
4 x 25 W
4 Ohm
12 V, negatieve massa
4 x 50 W of 4 x 75 W (optie)
1 x 25 W (centrale luidspreker)
–
Radio
Frequentiebereik
U (FM)
M (AM)
L (AM)
1
10
4 x 50 W of 4 x 75 W1
87,5 – 108 MHz
522 – 1611 kHz
153 – 279 kHz
HU-850 moet worden aangesloten op een externe versterker.
225
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
10
Onderdelen van het telefoonsysteem
226
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Algemene voorschriften
• Verkeersveiligheid staat voorop. Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset in de armleuning, moet u de auto
eerst op een veilige plaats parkeren.
• Schakel de telefoon uit tijdens het tanken.
• Schakel de telefoon uit in gebieden waar er
met explosieven wordt gewerkt.
• Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te bellen, zelfs als de contactsleutel of de simkaart
is uitgenomen.
– Druk op de aan-uit -knop.
– Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
– Druk op de groene toets
.
Onderdelen van het telefoonsysteem
5. Simkaart
1. Toetsenset op middenconsole
U brengt de simkaart aan onder de toetsenset
op de middenconsole.
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u alle functies van de telefoon regelen.
2. Toetsenset op stuurwiel
Schakel de telefoon uit als u geen simkaart
hebt aangebracht, omdat u anders geen meldingen voor de overige functies kunt aflezen
van het display.
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van de telefoon regelen.
6. Microfoon
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties.
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display. Als u deze toetsen wilt
gebruiken om radio-instellingen te verrichten,
moet u eerst de actieve stand van de telefoon
verlaten (zie pagina 228).
3. Display
10
De microfoon is ingebouwd in de achteruitkijkspiegel.
7. Luidsprekers
De luidspreker is ingebouwd in de hoofdsteun
van de bestuurdersstoel.
8. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Op het display verschijnen menu’s, meldingen, telefoonnummers e.d.
4. Handset
De handset kunt u gebruiken voor privégesprekken waarin u niet gestoord wil worden.
227
10 Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Simkaart
Telefoon in- en uitschakelen
Actieve stand
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die de telefoon u biedt, moet de telefoon in de
actieve stand staan (dit geldt niet voor binnenkomende gesprekken). Zet de telefoon in de
actieve stand door te drukken op
op het
bedieningspaneel of op de toetsenset op het
stuurwiel.
10
In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display.
Druk op
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, wanneer u gebruik wilt maken van de telefoon. De naam van
uw provider verschijnt dan op het display.
Schakel de telefoon uit, als u geen simkaart
hebt aangebracht. U kunt anders geen meldingen voor de overige functies aflezen van
het display en de toetsenset op het stuurwiel
niet gebruiken om de radio te bedienen.
Telefoon inschakelen
– Draai de contactsleutel naar stand I.
– Druk op de aangegeven knop op de bovenstaande afbeelding.
Telefoon uitschakelen
– Druk de knop waarmee u de telefoon
inschakelde ca. drie seconden lang in.
Als u het contact uitzet, terwijl de telefoon actief is, zal de telefoon ook actief zijn wanneer u
het contact een volgende keer opnieuw aanzet.
Wanneer de telefoon uitgeschakeld is, kunt u
geen gesprekken aannemen.
228
om de actieve stand te verlaten.
10 Infotainment
Bel-opties
Display
Het geluid van het audiosysteem kan automatisch worden uitgeschakeld tijdens een telefoongesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5 op
pagina 238 voor het volume van het audiosysteem.
Handset
10
Gesprekken beëindigen
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op de toetsenset van het stuurwiel of op de
middenconsole of u legt de handset op. Het
audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
Op het display verschijnen de actuele functies
zoals menu’s, meldingen, telefoonnummers of
instellingen.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen
Kies het nummer en druk op
op de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole (of til de handset op).
Inkomend gesprek aannemen
Druk op
of til de handset op. U kunt ook
gebruik maken van de automatische aanneemfunctie Auto antw. (zie menu-optie 4.3).
– Druk op
van de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole.
– Blader met de pijltoetsen vooruit
of
achteruit
door de laatst gekozen nummers.
– Druk op
(of neem de handset op) om
te bellen.
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren,
moet u gebruik maken van de handset.
– Neem de handset op.
– Voer het gewenste nummer in met de
toetsenset op de middenconsole.
– Druk op
om te bellen.
U regelt het volume met de draaiknop op de
zijkant van de handset. U kunt het gesprek
beëindigen door de handset terug op de houder te leggen.
Overgaan op handsfree zonder het
gesprek te beëindigen
– Druk op
en kies voor Handsfree.
– Druk op
en leg de handset op (zie
pagina 229).
229
10 Infotainment
Bel-opties
10
Verkort kiezen
Functies tijdens het bellen
Telefoonnummers onder een voorkeurtoets opslaan
Tijdens een lopend gesprek kunt u de onderstaande functies activeren:
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek geparkeerd hebt, kunt u de
onderstaande functies activeren:
De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen
aan een bepaalde voorkeurtoets (1–9). U doet
dat als volgt:
– Blader met de pijltoetsen en druk op YES
om een keuze te maken.
– Blader met de pijltoetsen en druk op YES
om een keuze te maken.
– Blader met
naar Geheugen bewerken
(Menu 3) en druk op
.
– Blader verder naar Verk. kiezen
(Menu 3.4) en druk op
.
– Druk op de voorkeurtoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op
.
– Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer te
selecteren.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Wachten/Wachten uit
Handset/Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Om het lopende
gesprek wel of niet
te parkeren
Om de handset of
de handsfree te
gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te
bekijken
Handset/Handsfree
Geheugen
Samenvoegen
Wisselen
Ruggespraakstand
Om de handset of
de handsfree te
gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te
bekijken
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Om te wissen
tussen de twee
gesprekken
Verkort kiezen
Druk een voorkeurtoets ca. twee seconden
lang in om het telefoonnummer te kiezen dat
met de toets opgeslagen is.
N.B.
Na inschakeling van de telefoon moet u enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen.
Om verkort te kunnen kiezen moet menuoptie 4.5 geactiveerd zijn (zie pagina 217).
230
Wanneer u gekozen hebt voor Samenvoegen
en twee lopende gesprekken voert, kunt u
de onderstaande functies activeren:
10 Infotainment
Bel-opties
– Blader met de pijltoetsen en druk op YES
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Handset/Handsfree
Geheugen
Ruggespraakstand
Om de handset of
de handsfree te
gebruiken
Om de opgeslagen
nummers te
bekijken
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen een geluidssignaal onmiddellijk gevolgd door twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek binnen. De twee korte geluidssignalen worden
herhaald, totdat u het gesprek beantwoordt of
de beller oplegt. U kunt het tweede gesprek
dan wel of niet aannemen.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radio-instellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren (zie pagina 228).
10
Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u
op
drukken of niets doen. Als het gesprek
echter wel wilt aannemen, moet u op
drukken. U parkeert het lopende gesprek dan
tijdelijk. Als u op
drukt, worden beide gesprekken beëindigd.
Sms
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een sms is
binnengekomen.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken. Verlaag het volume door op de (–) van de toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
231
10 Infotainment
Geheugenfuncties
10
Geheugenfuncties
Namen (of berichten) invoeren
Telefoonnummers en namen kunt u in het geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen opslaan
– Druk op
en blader naar Geheugen
bewerken (Menu 3). Druk vervolgens
op
.
– Blader verder naar Toevoegen (Menu 3.1)
en druk op
.
– Voer het gewenste nummer in en druk
op
.
– Voer de bijbehorende naam in en druk
op
.
– Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met
en druk
vervolgens op
.
232
spatie 1 - ? ! , . : ' ( )
abc2äåàáâæç
def3èéëê
ghi4ìíîï
jkl5
mno6ñöòóØ
pqrs7ß
tuv8üùúû
wxyz9
om tweemaal achtereen hetzelfde
teken van een toets in te voeren
moet u na de eerste maal op *
drukken of enkele seconden
wachten.
+0@*#&$£/%
om te wisselen tussen hoofdletters
en kleine letters
het laatst ingevoerde teken wissen.
Wanneer u de toets lang ingedrukt
houdt, kunt u het nummer of de
tekst in zijn geheel wissen.
10 Infotainment
Geheugenfuncties
Nummers uit het geheugen bellen
– Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
10
– Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel om
met de pijltoetsen naar de gewenste naam
te bladeren.
– Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
.
– Druk op
om het geselecteerde nummer te bellen.
233
10 Infotainment
Menu’s
10
Menusysteem
Verkeersveiligheid
Hoofdmenu’s/Submenu’s
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende
menu-opties worden op het display weergegeven.
Om veiligheidsredenen is het menusysteem
niet toegankelijk bij snelheden hoger dan
8 km/h. U kunt de begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
1. Oproepregister
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontv. oproep
1.3. Gebeld.
1.4. Wis lijst
1.4.1.
Alle
1.4.2.
Gemist
1.4.3.
Ontvangen
1.4.4.
Gebeld
1.5. Duur oproep
1.5.1.
Lste oproep
1.5.2.
Tel oproepen
1.5.3.
Totale tijd
1.5.4.
Reset timer
Druk op
ren.
om het menusysteem te active-
In het menusysteem geldt het volgende:
• Wanneer u
lang ingedrukt houdt, verlaat u het menusysteem.
• Wanneer u kort op
drukt, annuleert,
hervat of verwerpt u een optie.
• Wanneer u op
drukt, bevestigt of selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
• Met de toets
gaat u naar het volgende
submenu.
• Met de toets
gaat u naar het vorige
submenu.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen en met
. De cijferaanduidingen
staan samen met de naam van de menu-optie
op het display.
234
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen.
2. Meldingen
2.1. Lezen
2.2. Invoeren
2.3. Voice mail
2.4. Instellingen
2.4.1.
SMSC-nummer
2.4.2.
Geldigheid
2.4.3.
Soort
10 Infotainment
Menu’s
3. Geheugen bewerken
3.1. Toevoegen
3.2. Zoeken
3.2.1.
Bewerken
3.2.2.
Wissen
3.2.3.
Kopiëren
3.2.4.
Verplaatsen
3.3. Alles kopiëren
3.3.1.
SIM naar tel
3.3.2.
Tel naar SIM
3.4. Verk. kiezen
3.5. SIM-geheugen wissen
3.6. Telefoongeheugen wissen
3.7. Status
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
4.2. Oproep wacht
4.3. Auto antw.
4.4. Auto herk.
4.5. Verk. kiezen
4.6. Doorschakelen
4.6.1.
Alle oproepen
4.6.2.
Bij bezet
4.6.3.
Onbeantwoord
4.6.4.
Onbereikbaar
4.6.5.
Fax-oproepen
4.6.6.
Data-oproepen
4.6.7.
Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabriek
5.2. Netwerk
5.3. Taal
5.3.1.
English UK
5.3.2.
English US
5.3.3.
Svenska
5.3.4.
Dansk
5.3.5.
Suomi
5.3.6.
Deutsch
5.3.7.
Nederlands
5.3.8.
Français FR
5.3.9.
Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
5.4.1.
Aan
5.4.2.
Uit
5.4.3.
Auto
5.5. Wijzig codes
5.5.1.
PIN-code
5.5.2.
Telefooncode
5.6. Geluiden
5.6.1.
Belvolume
5.6.2.
Belsignaal
5.6.3.
Toetsklik
5.6.4.
Aanp. Snelh.
5.6.5.
RadioAutMute
5.6.6.
Nieuw SMS-bericht
5.7. Rijd veilig
10
235
10 Infotainment
Menu’s
Menu-opties, beschrijving
10
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen
van de telefoon of op de simkaart om ze later
te bewerken.
1.2.
Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van de telefoon of op de simkaart om
ze later te bewerken.
1.3.
Gebeld
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gekozen nummers. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen
van de telefoon of op de simkaart om ze later
te bewerken.
1.4.
Wis lijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1.
1.4.2.
1.4.3.
1.4.4.
236
Alle
Gemist
Ontvangen
Gebeld
1.5.
Duur oproep
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen de laatste te
zien. U kunt ook het aantal oproepen bekijken
en de timer resetten.
1.5.1.
1.5.2.
1.5.3.
1.5.4.
Lste oproep
Tel oproepen
Totale tijd
Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over
de telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Meldingen
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen boodschappen lezen. U kunt de gelezen boodschappen
(of gedeelten ervan) vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of opslaan.
2.2.
Invoeren
Met de toetsenset kunt u boodschappen invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
2.3.
2.4.1.
2.4.2.
2.4.3.
Instellingen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
SMSC-nummer
Geldigheid
Soort
Neem contact op met uw provider voor informatie over deze instellingen en het SMSCnummer.
3. Geheugen bewerken
3.1. Toevoegen
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het geheugen van de telefoon of op de simkaart. Zie het
hoofdstuk over de geheugenfuncties voor
meer informatie.
3.2.
Zoeken
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in
het geheugen.
3.2.1.
Voice mail
In dit menu kunt u de binnengekomen gesproken boodschappen beluisteren.
2.4.
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt tevens aangeven hoe uw boodschap de geadresseerde moet bereiken en hoelang de
boodschap in de mailbox moet blijven liggen.
3.2.2.
3.2.3.
Bewerken: Gegevens in de
verschillende geheugens
wijzigen.
Wissen: Een opgeslagen
naam wissen.
Kopiëren: Een opgeslagen
naam kopiëren.
10 Infotainment
Menu’s
3.2.4.
3.3.
Verplaatsen: Gegevens
overhevelen tussen het
geheugen van de telefoon
en dat van de simkaart.
Alles kopiëren:
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1.
Van het geheugen op de
simkaart naar dat van de
telefoon
3.3.2.
Van het geheugen van de
telefoon naar dat op de
simkaart
3.4. Verkort kiezen
Een nummer dat in het telefoonboek ligt opgeslagen, kunt u aan een voorkeurtoets met een
bepaald nummer koppelen.
3.5.
SIM-geheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de simkaart wissen.
3.6.
Telefoongeheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
3.7.
Status
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenposities in beslag genomen worden door de namen en telefoonnummers in het geheugen op
de simkaart en in dat van de telefoon.
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
Aangeven of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet verschijnen. Neem contact op met uw provider voor
een permanent geheim nummer.
4.2.
Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
4.3.
Auto antw.
Aangeven of u wilt kunnen antwoorden zonder
gebruik te maken van de toetsenset.
4.6.1.
4.6.2.
4.6.3.
4.6.4.
4.6.5.
4.6.6.
4.6.7.
Alle oproepen (de instelling
geldt alleen tijdens het
lopende gesprek).
Bij bezet
Onbeantwoord
Onbereikbaar
Fax-oproepen
Data-oproepen
Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabrieksinstellingen
Automatisch herkiezen
Functie om de fabrieksinstellingen te herstellen.
Aangeven of u een eerder gekozen nummer
na een bezettoon automatisch wilt laten herkiezen.
Aangeven of u automatisch of handmatig netwerken wilt selecteren.
4.4.
4.5.
Verkort kiezen
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeurtoets. De
functie moet geactiveerd zijn om verkort te
kunnen kiezen.
4.6.
Doorschakel.
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer.
10
5.2.
Netwerk
5.2.1.
Auto
5.2.2.
Handmatig
5.3. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
meldingen op het display wilt zien.
5.3.1.
5.3.2.
5.3.3.
5.3.4.
5.3.5.
5.3.6.
English UK
English US
Svenska
Dansk
Suomi
Deutsch
237
10 Infotainment
Menu’s
10
5.3.7.
Nederlands
5.3.8.
Français FR
5.3.9.
Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de pincode actief of inactief moet zijn of automatisch moet verlopen.
5.4.1.
Aan
5.4.2.
Uit
5.4.3.
Auto
5.5. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw pincode of uw telefooncode wijzigen.
5.5.1.
5.5.2.
PIN-code
Telefooncode (gebruik
1234, voordat u overgaat
op uw eigen code). U
gebruikt de telefooncode
om de timer op nul te
kunnen stellen.
N.B.
Noteer de code en bewaar deze op een veilige plaats.
238
5.6. Geluiden
5.6.1.
Belvolume: In dit menu
kunt u het volume van het
belsignaal bij een binnenkomend gesprek instellen.
5.6.2.
Belsignaal: U hebt de
keuze uit acht verschillende beltonen.
5.6.3.
Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4.
Aanp. Snelh.: Aangeven of
het volume wel of niet
afhankelijk moet zijn van
de rijsnelheid.
5.6.5.
RadioAutMute: Hier kunt u
aangeven of u het geluid
van de radio wel of niet wilt
uitschakelen tijdens een
telefoongesprek.
5.6.6.
Nieuw SMS-bericht:
Aangeven of u wel of geen
geluidssignaal wenst bij de
binnenkomst van een
nieuwe sms.
5.7. Rijd veilig
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheidsbegrenzing die geldt voor het menusysteem wel of niet wilt uitschakelen, zodat u het
menusysteem ook tijdens het rijden kunt gebruiken.
10 Infotainment
Overige informatie
Radio/Telefoon
Dubbele simkaart
Specificaties
Vermogen
Simkaart
Geheugenposities
Sms
(Short Message Service)
Data/Fax
Dualband
2W
Klein
10
2551
Ja
Nee
Ja (900/1800)
1255
geheugenposities in het geheugen van de
telefoon. Het aantal geheugenposities op de
simkaart verschilt afhankelijk van het
abonnement.
IMEI-nummer
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset op het stuurwiel kunt u zowel de radio als
de telefoon regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om de telefoonfuncties te gebruiken, moet u de telefoon
eerst activeren (zie pagina 228).
Als u de toetsen wilt gebruiken om radio-instellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren.
– Druk op
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele simkaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van een dubbele simkaart.
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEInummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon geprogrammeerd is.
– Toets *#06# op uw telefoon in om het
nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een veilige plaats.
Vraag uw gsm-provider naar de mogelijkheden en het gebruik van een dubbele simkaart.
.
239
Typeaanduidingen ..................................................................................242
Maten en gewichten ...............................................................................243
Motorspecificaties ..................................................................................244
Motorolie ................................................................................................246
Vloeistoffen en smeermiddelen ..............................................................249
Brandstof ...............................................................................................250
Katalysator .............................................................................................253
Elektrisch systeem ................................................................................ 254
240
SPECIFICATIES
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
Wanneer u contact opneemt met de Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u
de typeaanduiding, het chassisnummer en het
motornummer bij de hand hebt.
1. Typeaanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
2. Sticker voor standverwarming.
3. Typeaanduiding van de motor, onderdeel- en serienummer
4. Motoroliesticker (bepaalde motortypes)
met de kwaliteit en de viscositeit van de
te gebruiken olie.
5. Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak
a: Handgeschakelde versnellingsbak.
b: Automatische versnellingsbak AW.
6. VIN (type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer)
242
11 Specificaties
Maten en gewichten
Afmetingen (cm)
Lengte
460 (R: 461)
Breedte
180
Hoogte
143
Wielbasis
272
Spoorbreedte vooras
156
Spoorbreedte achteras
156
11
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen inbegrepen.
Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox e.d. zijn
van invloed op de laadcapaciteit en zijn niet
inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht – rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Geremde aanhanger:
Max. aanhangergewicht (kg)
Max.
kogeldruk
(kg)
0–1200
50
1201–1600
75
Ongeremde aanhanger:
Max. aanhangergewicht (kg)
750
Max.
kogeldruk kg
50
243
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
2.4
BI-FUEL
(CNG)
Motoraanduiding
B5244S2
B5244SG
B5244S
Vermogen (kW bij omw/min)
103/4500
103/5800
125/6000
(pk bij omw/min)
140/4500
140/5800
170/6000
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
2.5T
2.4T
B5204T5
B5254T2
B52 44T41
132/5500
154/5000
162/5500
180/5500
210/5000
220/5500
350/2100–4000
220/3300
192/4500
225/4500
240/2600–5000
320/1500–4500
5
5
5
5
5
5
Cilinderboring (mm)
83
83
83
81
83
81
93,2
Cilinderinhoud (liter)
Compressieverhouding
90
90
90
77
93,2
2,44
2,44
2,44
1,98
2,52
2,4
10,3:1
10,3:1
10,3:1
9,5:1
9,0:1
8,5:1
Thailand, Maleisië
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 242).
244
2.0T
Aantal cilinders
Slaglengte (mm)
1
2.4
11 Specificaties
Motorspecificaties
Motoraanduiding
T5
R
D
2.4D
D5
B5244T5
B5254T4
D5244T7
D5244T5
D5244T4
136/4000
Vermogen (kW bij omw/min)
191/5500
220/5500
92/4000
120/5500
(pk bij omw/min)
260/5500
300/5500
126/4000
163/5500
185/4000
350/2100–5000
400/1950–5250
300/1750–2250
340/1750–2750
400/2000–2750
Motorkoppel (Nm bij omw/min)
Aantal cilinders
5
5
5
5
5
Cilinderboring (mm)
81
83
81
81
81
Slaglengte (mm)
93,2
93,2
93,2
93,2
93,2
Cilinderinhoud (liter)
2,40
2,52
2,40
2,40
2,40
Compressieverhouding
8,5:1
8,5:1
17,0:1
17,0:1
17,0:1
11
Typeaanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 242).
245
11 Specificaties
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
• met een caravan of aanhanger achter de
auto
11
• in bergachtig gebied
• op hoge snelheden
• bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongunstige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
246
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het
brandstofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. Gebruik alleen een oliesoort van de voorgeschreven
kwaliteit (zie sticker in motorruimte) en dat
zowel bij het bijvullen als bij het verversen
van olie. Een negatieve invloed op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieuimpact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantieclaims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 242 voor de positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A1/B1
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Motortype
11
Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN–MAX (liter) Hoeveelheid1 (liter)
BiFuel
B5244SG
R
B5254T4
1Inclusief
hoeveelheid in filter.
5,8
1,2
5,5
247
11 Specificaties
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 242 voor de positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
11
Motortype
2.0T
Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid1 (liter)
1,2
5,5
2,0
6,2
B5204T5
B5244S
1
2.4
B5244S2
2.4T
B5244T42
T5
B5244T5
2.5T
B5254T2
D5
D5244T4
2.4D
D5244T5
D
D5244T7
Inclusief hoeveelheid in filter.
2 Thailand,
248
Maleisië
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
Hoeveelheid
(liter)
Vloeistof
Systeem
Versnellingsbakolie
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56/M58)
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
Automatische versnellingsbak (AW55-50, AW55-51)
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
2,1
2,0
7,2
7,0
Benzinemotor zonder turbo
Benzinemotor met turbo
Dieselolie
8,0
9,0
12,5
Koelvloeistof
Airconditioning1
Remvloeistof
Stuurbekrachtiging
Ruitensproeiervloeistof
1 Het
0.6
0,9
0,2
4,5
6,4
Systeem
waarvan reservoir
zonder hogedruksproeiers
met hogedruksproeiers
Aanbevolen kwaliteit:
Versnellingsbakolie: MTF 97309
Versnellingsbakolie: JWS 3309
11
Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd
met water (zie verpakking). Thermostaat opent bij:
benzinemotoren, 90 °C, dieselmotoren 82 °C.
Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)
DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A of een
soortgelijk product met dezelfde specificaties.
Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo aanbevolen antivries aangelengd met water te gebruiken.
gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen
verschillende merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere oliesoort werd gebruikt.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft de
versnellingsbakolie niet te worden ververst
zolang de versnellingsbak meegaat. Onder
ongunstige rijomstandigheden moet de olie
mogelijk wel worden ververst (zie
pagina 246).
249
11 Specificaties
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor
2.4
11
Bi-Fuel
2.4
2.0T
2.5T
B5244S2
B5244SG
B5244S
B5204T5
B5254T2
AWD
250
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,8
209
70
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,5
226
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,7
208
Automatische versnellingsbak (AW55-50)
9,5
228
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,5
226
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
8,9
212
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,5
227
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
9,1
217
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,8
234
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M58)
9,7
232
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
10,2
244
30
70
70
70
72
2.4T
B5244T41
–
–
–
70
T5
B5244T5
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
9,3
220
70
Automatische versnellingsbak (AW55-51)
9,8
234
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
10,5
252
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
10,9
259
R
1
Verbruik
liter/100 km
Versnellingsbak
B5254T4
Bepaalde landen
68
11 Specificaties
Brandstof
Motor
D5
2.4D
D
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
7,5
199
70
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
6.6
174
Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
7,5
199
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66)
6.6
174
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
6.4
169
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56)
6.4
169
Versnellingsbak
D5244T4
D5244T5
D5244T7
11
251
11 Specificaties
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
11
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen
met verbrandingsmotoren. Het gebruik van
extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht
van de auto verhogen. Ook de rijstijl en andere
niet-technische factoren kunnen van invloed
zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91 (RON),
neemt het brandstofverbruik toe terwijl het
motorvermogen lager wordt.
Benzine
Dieselolie
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom
alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen (zie pagina 179).
• 91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4
cilindermotoren en slechts bij hoge uitzondering in de overige motortypes.
• 95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
• 98 (RON) wordt geadviseerd voor maximale
prestaties tegen een minimaal brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine – norm NEN-EN 228
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brandstofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
252
Dieselolie – norm NEN-EN 590 of JIS K2204
11 Specificaties
Katalysator
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
ze versnellen een chemische reactie zonder
dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
11
LambdasondeTM (zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen die de motor verlaten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische systeem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept
de ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
253
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
11
Accu
Spanning
12 V
Koudestartcapaciteit (SAE)
590 A
Reservecapaciteit (RC)
600
A1
12 V
700 A2
100 min.
120 min.
135 min.
60
70
80
Capaciteit (Ah)
1
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance
2
Auto’s met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound,
standverwarming op brandstof of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu
heeft (zie sticker op de accu).
254
12 V
11 Specificaties
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting
Vermogen W
Lampvoet
Dimlicht
55
H7
Bi-Xenon
35
D2S
Groot licht
55
HB3
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht
21
BA15s
Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje)
21
BAU15s
Achterlichten/parkeerlichten, zijmarkeringslichten, achter
5
BAY15d
Instapverlichting, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting
5
SV8,5
Make-upspiegel
1,2
SV5,5
5
W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje)
5
W2,1X9,5d
Mistlampen
55
H11
Verlichting dashboardkastje
3
BA9
Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór
11
255
11 Specificaties
11
256
11 Specificaties
11
257
Alfabetisch register
A
A/C ........................................................72, 75
Aanhanger
aanhangergewicht ................................243
kabel ....................................................135
rijden met een aanhanger ....................133
Aanrijding
aanrijdingssensoren ...............................23
opblaasgordijn .......................................23
Aanstaande moeders, veiligheid .................13
Aansteker ....................................................46
Aanstekeropening, achterin ........................57
ABS ...........................................................123
storing in ABS ........................................42
Accu
onderhoud ............................................185
overbelasting ........................................111
starten met een hulpaccu ....................132
symbolen op de accu ..........................186
vervangen ............................................186
Achterruit, elektrische verwarming ..............48
Achteruitkijkspiegel .....................................61
Actief chassis ..............................................45
Actief chassis, FOUR-C ............................127
Active Bi-Xenon Lights, ABL .......................47
Adaptief systeem ......................................119
Afstandsbediening ......................................96
batterij vervangen ..................................98
functies ..................................................96
Afstandsbedieningssysteem,
typegoedkeuring .......................................256
258
Airbag
bestuurders- en passagierszijde ........... 16
deactiveren ............................................ 20
Airconditioning ..................................... 72, 75
algemene informatie .............................. 70
ECC ....................................................... 74
Alarm
algemene informatie ............................ 104
automatische inschakeling
van het alarm ....................................... 104
controlelampje ..................................... 105
geactiveerd alarm uitschakelen ........... 104
inschakelen ......................................... 104
uitschakelen ........................................ 104
Alarmlichten ................................................ 48
Alarmsensoren ............................................ 47
Antislipregeling ......................................... 125
Antispinregeling ........................................ 125
Audiofuncties HU-450/650/850 ................ 209
Audiosysteem HU-450, overzicht ............. 206
Audiosysteem HU-850, overzicht ............. 208
AUTO KLIMAAT .......................................... 74
Auto wassen ............................................. 168
Autobekleding .......................................... 169
Autodimfunctie ........................................... 61
Automatische vergrendeling ....................... 99
Automatische versnellingsbak .................. 119
aanhanger ........................................... 133
beveiligingssystemen .......................... 119
knop W ................................................ 122
slepen en bergen ................................. 130
Automatische wasstraat ........................... 168
B
Bagageklep
vergrendelen/ontgrendelen .................... 96
Banden
algemene informatie ............................ 154
bandenspanningscontrolesysteem ...... 161
draairichting ......................................... 156
ECO-bandenspanning ......................... 158
maataanduiding ................................... 154
rijeigenschappen ................................. 154
slijtage-indicatoren .............................. 155
snelheidsaanduidingen ........................ 154
spanning .............................................. 157
winterbanden ....................................... 155
zomer- en winterbanden ...................... 156
Batterij
batterij van afstandsbediening
vervangen .............................................. 98
Bedieningspaneel op bestuurdersportier ... 58
“Belangrijk!”-teksten ..................................... 6
Benzinekwaliteit ........................................ 252
Bergen ...................................................... 130
Beslagen ruiten
achterruit ................................................ 73
ontwasemen .............................. 70, 73, 75
timerfunctie, ECC .................................. 76
Beveiliging tegen overbelasting,
schuifdak .................................................... 66
Bijvullen, koelvloeistof .............................. 182
Blaasmonden .............................................. 71
Alfabetisch register
BLIS ............................................................45
BLIS-systeem ............................................149
Blokkering achteruitversnelling
vijfversnellingsbak ................................118
Boordcomputer ...........................................52
Botsing, zie Aanrijding ................................23
Brandstof
brandstofbesparing ..............................157
brandstoffilter .......................................179
brandstofsysteem ................................179
brandstofverbruik, aanduiding ...............52
standverwarming ...................................79
tanken ..................................................113
verbruik ................................................250
Brandstofmeter ...........................................40
Buitenspiegels .................................46, 61, 64
elektrische verwarming ....................48, 64
Buitentemperatuurmeter .............................40
C
Cassettedeck, HU-450 .............................220
Cd-speler, HU-650 ....................................221
Cd-wisselaar, extern .................................223
Condenswater ...........................................179
Contactsleutel ...........................................116
Controlelampje ..........................................105
Controles
vloeistoffen en oliën .............................180
Cruisecontrol ...............................................55
D
Dagteller ..................................................... 40
Dashboardkastje ........................................ 89
vergrendelen ........................................ 102
Diesel ........................................................ 179
Dieselfilter ................................................. 179
Dimlicht ....................................................... 49
Display, meldingen ..................................... 44
Dode hoek (BLIS) ..................................... 149
Doorwaaddiepte ....................................... 111
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem ..... 45, 125
deactiveren/activeren .......................... 125
lampje .................................................... 43
E
ECC, elektronische klimaatregeling ........... 70
ECO-bandenspanning
brandstofbesparing ............................. 157
tabel ..................................................... 158
Elektrisch bedienbare stoel ........................ 83
Elektrisch bedienbare zijruiten ................... 58
achterbank ............................................ 60
blokkeren ............................................... 59
passagiersplaats ................................... 59
Elektrische aansluiting
achterin .................................................. 57
middenconsole ................................ 46, 47
Elektrische verwarming
achterruit ............................................... 73
voorstoelen ...................................... 72, 75
Elektrische verwarming, buitenspiegels ..... 73
Elektronische startblokkering ..................... 96
Extra verwarming ........................................ 79
F
Flessenhouder achterin .............................. 89
Follow-Me-Home-verlichting ...................... 51
FOUR-C, Actief chassis ............................ 127
Functies afstandsbediening ........................ 97
G
Geïntegreerd kinderzitje .............................. 31
inklappen ............................................... 32
uitklappen .............................................. 31
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 52
Gereedschap ............................................ 159
Gevarendriehoek ....................................... 159
Gloeilampen
specificaties ......................................... 255
vervangen ............................................ 188
Gordelspanner ............................................ 14
Gordelwaarschuwing .................................. 13
Groot licht ................................................... 51
aan/uit .................................................... 49
wisselen en grootlichtsignalen ............... 51
H
Handgeschakelde versnellingsbak ........... 118
Handmatig openen, tankvulklep ............... 114
Handrem ............................................... 43, 56
Handset .................................................... 229
259
Alfabetisch register
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank ..............90
Hoofdsteunen
omklappen .............................................46
HU-450, overzicht .....................................206
HU-850, overzicht .....................................208
I
IMEI-nummer ............................................239
In de was zetten ........................................169
Instrumenten
overzicht, auto met het stuur links .........36
overzicht, auto met het stuur rechts ......38
Instrumentenpaneel ....................................40
Instrumentenverlichting ...............................49
Interieurverlichting .......................................84
Intervalstand ...............................................53
ISOFIX, bevestigingssysteem .....................33
K
Katalysator ................................................253
bergen ..................................................130
Kick-down, automatische versnellingsbak 122
Kinderen
kinderslot .............................................103
kinderzitjes en airbags ...........................27
kinderzitjes en SIPS-airbags ..................21
positie in de auto, tabel ..........................29
veiligheid ................................................31
veiligheidsuitrusting ...............................27
Kinderzitje
260
bevestigingssysteem ............................. 33
monteren ............................................... 33
Kinderzitje, geïntegreerd ............................ 31
Kledinghaak ................................................ 89
Kleurcode, lak ........................................... 171
Klimaatinstelling
AUTO ..................................................... 74
Klimaatregeling, algemene informatie ........ 70
Klok ............................................................ 41
tijd instellen ........................................... 40
Knalgas ..................................................... 132
Koelsysteem ............................................. 112
Koelvloeistof, controleren en bijvullen ...... 182
Kofferbak
houder voor boodschappentassen ....... 92
lading vervoeren .................................. 142
vergrendelen .......................................... 46
Kofferdeksel
automatische vergrendeling .................. 99
rijden met een geopend kofferdeksel .. 110
Kompas ...................................................... 61
kalibreren ............................................... 63
zone instellen ......................................... 62
Koplampen ............................................... 188
aan/uit ................................................... 49
koplampsproeiers .................................. 54
Koppelingsvloeistof, controleren
en bijvullen ................................................ 183
Koude start, automatische
versnellingsbak ......................................... 119
Koudemiddel .............................................. 70
Krik ............................................................ 159
Kruissnelheidsregeling ................................ 55
L
Lading vervoeren
algemene informatie ............................ 142
laadvermogen ...................................... 142
Lak
kleurcode ............................................. 171
lakschade en schade herstellen .......... 171
Lambdasonde ........................................... 253
Lamphouder
kentekenplaatverlichting ...................... 192
positie van gloeilampen ....................... 193
verwijderen .......................................... 193
Lampjes .................................................... 126
waarschuwingslampjes ......................... 41
Leeslampjes ................................................ 84
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften .. 170
Lichtbundel ............................................... 144
Lichtsignaal ................................................. 51
Lock-upfunctie .......................................... 119
Lopende gesprekken, functies ................. 230
Luchtverdeling ............................................ 77
ECC ....................................................... 75
Luchtverdeling, A/C .................................... 73
M
Maataanduiding ........................................ 154
Motor ........................................................ 178
Motor starten ............................................ 115
Alfabetisch register
Motorkap ...................................................178
Motorolie ...................................................180
filter ......................................................180
hoeveelheden .......................................247
oliedruk ..................................................43
oliekwaliteit ..........................................246
rijden onder ongunstige
rijomstandigheden ...............................246
verversen ..............................................180
Motorruimte ..............................................178
Motorspecificaties .....................................244
N
“N.B.”-teksten ...............................................6
Niveauregeling ..........................................134
O
Oliedruk, zie ook Motorolie .........................42
Omklappen, ruggedeelte achterbank .........91
Onderhoud, roestwering ...........................172
Ontgrendelen
kofferdeksel ...........................................99
van de binnenzijde ...............................100
van de buitenzijde ..................................99
zonder sleutel .........................................99
Ontwaseming ..............................................73
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ...................................86, 87
Opbergvakken .............................................86
P
PACOS ........................................................19
Parkeerhulp .........................................46, 128
sensoren voor parkeerhulp .................. 129
Parkeerlichten ............................................. 49
Parkeerrem ................................................. 56
PI zoeken .................................................. 215
Poetsen .................................................... 169
Private locking .......................................... 101
R
Radio, zenders zoeken ............................. 212
Radiofunctie
algemene informatie ............................ 212
Radiofuncties
HU-450 ................................................ 213
HU-650/850 ......................................... 214
Radiozenders opslaan .............................. 213
Recirculatie
A/C ........................................................ 73
ECC ....................................................... 76
Regensensor .............................................. 53
Reinigen
bekleding ............................................. 169
Relais- en zekeringenkastje
in interieur .................................... 198, 199
in kofferbak .......................................... 201
in motorruimte ..................................... 196
Remmen, handrem ..................................... 56
Remsysteem ..................................... 123, 183
Remvloeistof, controleren en bijvullen ..... 183
Reservewiel .............................................. 159
Temporary Spare ................................. 160
Richtingaanwijzers ...................................... 51
Rijden
gladde wegen ...................................... 110
in waterpartijen .................................... 111
koelsysteem ......................................... 112
met een aanhanger .............................. 133
met een geopend kofferdeksel ............ 110
ongunstige rijomstandigheden ............ 180
zuinig ................................................... 110
Rijden tijdens de winter ............................ 116
Rijklaar gewicht ......................................... 243
Roestwering .............................................. 172
Roetfilter ............................................. 44, 116
ROETFILTER VOL ..................................... 116
Ruitensproeiervloeistof bijvullen ............... 182
Ruitenwissers
regensensor ........................................... 53
sproeiers ................................................ 54
Ruitenwissers en -sproeiers ....................... 53
Runflat-banden ......................................... 162
S
Safelock-functie .................................. 47, 102
tijdelijk deactiveren .............................. 102
Schoon aan binnen- en buitenkant ............... 8
Schoonmaken
automatische wasstraat ....................... 168
leren bekleding .................................... 169
veiligheidsgordels ................................ 170
vuil- en waterafstotende laag .............. 169
wassen, auto ........................................ 168
Schuifdak .................................................... 65
beveiliging tegen overbelasting ............. 66
zonnescherm ......................................... 66
261
Alfabetisch register
Serviceprogramma ....................................176
Simkaart ....................................................228
Simkaart, dubbele .....................................239
SIPS-airbags ...............................................21
Sleepoog ...................................................130
Slepen .......................................................130
Sleutel .........................................................96
afstandsbediening ..................................96
Smeermiddelen, hoeveelheden ................249
Snelheidsaanduidingen, banden ...............154
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging .117
Snelheidsmeter ...........................................40
Spiegel
achteruitkijk- ..........................................61
Spiegels
buiten- ....................................................64
Spin Control ..............................................125
Sproeiers
voor koplampen .....................................54
voor voorruit ...........................................54
SRS-systeem
algemene informatie ..............................17
schakelaar ..............................................20
SST, Self Supporting run flat Tires ............162
Stabiliteitssysteem ....................................125
Stadslichten vóór ........................................49
Stand-by, telefoon ....................................228
Stand-bystand, telefoon ...........................228
Standverwarming
accu en brandstof ..................................79
262
algemene informatie .............................. 78
op een helling parkeren ......................... 78
tijd instellen ........................................... 79
Startblokkering ................................... 96, 116
Starthulp ................................................... 132
STC ........................................................... 125
Steenslagplekken en krassen ................... 171
Stoel
elektrisch bedienbaar ............................ 83
handmatig instellen ............................... 82
Stuurbekrachtiging ................................... 117
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen ................................................ 183
Stuurslot ................................................... 117
Stuurwiel
cruisecontrol .......................................... 55
stuurwielafstelling .................................. 56
toetsenset linkerzijde ............................. 55
T
Tanken
bijvullen ............................................... 113
tankdop ............................................... 113
Tankinhoud ............................................... 250
Telefoon, volume ...................................... 231
Telefoonsysteem ...................................... 226
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling . 74
interieur, handmatige klimaatregeling ... 72
werkelijke temperatuur .......................... 70
Toerenteller ................................................. 40
Totaalgewicht ........................................... 243
TPMS, Tyre Pressure Monitoring System . 161
Tractieregeling .......................................... 125
Traction Control ........................................ 125
Trekhaak
algemene informatie ............................ 135
demonteren ......................................... 140
monteren .............................................. 137
specificaties ......................................... 136
Trekinrichting, zie Trekhaak ...................... 135
Typeaanduidingen .................................... 242
Typegoedkeuring,
afstandsbedieningssysteem ..................... 256
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding ............................................ 43
Uitlaatgasreiniging, foutmelding ................. 43
Uitstoot ..................................................... 250
kooldioxide .......................................... 252
V
Veiligheid ..................................................... 12
veiligheidssystemen, tabel ..................... 26
Veiligheidsgordel ......................................... 12
gordelspanner ........................................ 14
zwangerschap ....................................... 13
Ventilatie ..................................................... 71
Ventilator
A/C ......................................................... 73
ECC ....................................................... 75
Alfabetisch register
Vergrendelen ...............................................99
ontgrendelen ..........................................99
van de binnenzijde ...............................100
van de buitenzijde ..................................99
Verkort kiezen ...........................................230
Verlichting
Active Bi-Xenon Lights ...........................47
automatische verlichting ........................84
automatische verlichting, dimlicht .........49
dimlicht ..................................................49
exterieur .................................................49
Follow-Me-Home-verlichting .................51
gloeilampen vervangen,
algemene informatie ............................188
gloeilampen, specificaties ....................255
groot licht/dimlicht .................................51
interieur ..................................................84
koplamphoogteregeling .........................49
leeslampjes ............................................84
lichtbundel aanpassen aan
links-/rechtsrijdend verkeer, ABL ...........47
mistachterlicht ........................................50
stads-/parkeerlichten vóór en
achterlichten ..........................................49
verlichtingspaneel ..................................49
Verlichting, gloeilampen vervangen
achterlamphuis ....................................193
dimlicht ................................................189
groot licht .............................................189
instapverlichting ...................................194
kofferbak ..............................................192
make-upspiegel ................................... 194
mistlampen vóór .................................. 192
parkeerlichten vóór .............................. 190
positie van gloeilampen in
lamphouder ......................................... 193
richtingaanwijzers ........................ 190, 191
stadslichten vóór ................................. 190
voorzijde .............................................. 188
zijmarkeringslichten ............................. 191
Versnellingsbak
automatisch ......................................... 119
handgeschakeld .................................. 118
Verstralers .................................................. 47
Verzorging, leren bekleding ...................... 170
Vierwielaandrijving .................................... 122
Vlekken ..................................................... 169
Vloeistoffen en oliën
controles .............................................. 180
Vloeistoffen, hoeveelheden ...................... 249
Vloermatten ................................................ 82
Voertuiggegevens ..................................... 176
Voorstoelen, elektrisch verwarmde ............ 48
WHIPS-systeem
en kinderzitjes ........................................ 24
Wielen
demonteren ......................................... 163
monteren .............................................. 164
Winterbanden ........................................... 155
Wisserbladen
vervangen, koplamp ............................ 184
vervangen, voorruit .............................. 184
Z
Zekeringen
algemene informatie ............................ 195
kastje in interieur .......................... 198, 199
kastje in kofferbak ............................... 201
kastje in motorruimte ........................... 196
vervangen ............................................ 195
Zij-airbags ................................................... 21
Zonnescherm, schuifdak ............................ 66
Zuinig rijden .............................................. 110
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem ...... 125
Waarschuwingslampje, airbagsysteem ...... 15
Waarschuwingsteksten ................................ 6
Wassen, auto ............................................ 168
Whiplash-letsel WHIPS .............................. 24
WHIPS ........................................................ 24
263
Volvo. for life
Volvo Car Corporation TP 9018 (Dutch), AT 0648 Printed in Sweden, Göteborg 2006, Copyright © 2000-2006 Volvo Car Corporation
Was this manual useful for you? yes no
Thank you for your participation!

* Your assessment is very important for improving the work of artificial intelligence, which forms the content of this project

Download PDF

advertising